| Aspecten van sociale mobiliteit binnen de 18de-eeuwse Aalsterse ambachtswereld. Een prosopografische benadering. (Sven De Schryver) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Schepenbanken bezaten quasi volledige rechtsmacht zowel op hoge, middelbare als lage justitie. Net zoals dat het geval was in bestuurlijke aangelegenheden werden minder belangrijke aspecten van zowel de civiele als criminele rechtspraak evenwel gedelegeerd aan lagere rechtsinstanties. Ook de verschillende corporatieve organisaties die elke stad rijk was, hadden eigen bevoegdheden inzake jurisdictie van hun leden. Vooral de smalle wetten [182] hadden een belangrijke competentie bij het reguleren van het economisch leven in de stad. Smalle wetten waren jaarlijks wisselende bestuurscolleges, aangesteld door de stadsmagistraat. Aan het hoofd van deze kleine tribunalen werden gezworenen aangesteld die de kleine geschillen onder ambachtsleden in naam van de burgemeester en schepenen mochten oplossen [183]. Toch bleven deze instellingen steeds onder toezicht van de stedelijke overheid. Conform met de costumiere wetgeving in Aalst waren de hiernavolgende smalle wetten de belangrijkste.
Ten eerste, de gezworenen van de Lakenhalle. De zes leden van deze instelling werden jaarlijks benoemd door de baljuw, burgemeester en schepenen en hadden het recht om uitspraak te doen in geschillen betreffende de zaken van de wolnijverheid.
Ten tweede, de wet der vrije schippers. Aan het hoofd ervan stonden twee dekens en twee gezworenen, eveneens jaarlijks benoemd, die in eerste aanleg uitspraak deden over alles wat de scheepvaart betrof.
Ten derde, de gezworenen van het Korenhuis. Zij moesten waken over de toepassing en eerbiediging van de plakkaten en ordonnanties die de graanhandel regelden.
Niet toevallig deden zich in deze sectoren dan ook de meeste handelsconflicten voor. Zoals vermeld hadden deze smalle wetten enkel macht om kleine geschillen op te lossen. Beroep aantekenen tegen vonnissen van de smalle wetten was mogelijk bij de burgemeester en schepenen. De andere vrije ambachten hadden eveneens gezworenen, maar deze vormden geen rechtscollege. “Binnen der voornoemde stede zyn in alle vrye neringhen oock ghezwoornen, die jaerlicx ghestelt ende vernieut worden, ende op tlast van huerliederen eedt, die zy doen ter presentie van schepenen in handen van den meyere, toesicht ende ooghemerck nemen dat de kueren (sic) ende statuten van elcx neeringhe behoorelyck onderhouden worden, callengierende de transgresseurs, ende die naer vuytwysen van haerlieder statuten doende by schepenen punieren” [184]. Diegenen die door de gezworenen betrapt werden op een overtreding van de statuten en het niet naleven van de keuren konden ze echter wel voor de schepenbank dagen en ze daar laten bestraffen.
De rechtsmacht van de smalle wetten heeft nog lange tijd tot ver in de 18de eeuw bestaan. Zo maken de plakkaatboeken van Vlaanderen melding van een decreet uit 1778, waarin de bevoegdheid van de ambachten wordt bevestigd over diegenen die de statuten hebben overtreden, indien zij wonen “binnen de Brantpaelen deser Stede” [185].
In elk van de door ons besproken ambachten bestond het kernbestuur in de 18de eeuw respectievelijk uit 1 deken, 2 gezworene meesters en 1 boekhouder. In de optiek van sociale mobiliteit waren de ambachtsbesturen onderhevig aan een efficiënt rotatiesysteem, waarbij de ambachtsbesturen jaarlijks vernieuwd dienden te worden. We citeren artikel 4 van de statuten van de blauwververs: “Dat bij heer ende weth sal gestelt worden eenen deken, twee geswoornen ende eenen bouckhouder die jaerlicx sullen vernieuwt worden mette smalle wetten deser stadt.” [186]. Op papier was de toegang tot het ambachtsbestuur alleszins democratisch georganiseerd. Normaliter zou het jaarlijks roteren van bestuursposten een gunstige impact moeten gehad hebben op de sociale mobiliteit. Of bestond er een kloof tussen theorie en praktijk? Hier een zicht op krijgen is één van onze hoofdbetrachtingen in dit hoofdstuk.
5.2. Het bestuur: democratie of oligarchie?
In de eerste plaats laat ons prosopografisch onderzoek toe het aandeel van ambachtsmeesters te bepalen die er effectief in slaagden tot het bestuur door te dringen. De resultaten zijn weliswaar uiteenlopend, toch hebben ze één ding gemeen: nergens – op één na – wordt de kaap van 1/3 van het totaal aantal meesters overschreden. Met een participatiegraad van 34, 1 % lijkt bij de bakkers de mobiliteit het grootst. J. Dambruyne heeft er terecht op gewezen dat een meester van een ambacht met weinig leden, veel meer kans maakt op een bestuursmandaat dan een meester in een numeriek groter ambacht. Theoretisch gezien zijn de grootste ambachten dus het meest oligarchisch [187]. Er bestaat m.a.w. een positief verband tussen de grootte van een ambacht en de aard ervan. Deze wiskundige logica lijkt ook in dit geval te kloppen. Tegenover de bakkers staan de numeriek hoger – meer dan 12 keer! – vertegenwoordigde winkeliers. Het bestuur van de winkeliers is tijdens de 18de eeuw duidelijk in handen van de happy few, een duidelijk corporatieve bestuurselite. Wat de deelname van de meesters aan het bestuur betreft, staan procentueel gezien de blauwververs op gelijke voet met de kleermakers.
Tabel 26 – Absoluut en procentueel aantal meesters dat een bestuursmandaat heeft uitgeoefend
|
|
Kleermakers |
Bakkers |
Blauwververs |
Winkeliers |
|
Aantal bestuursleden |
21 |
28 |
30 |
17 |
|
Totaal aantal meesters |
117 |
82 |
152 |
995 |
|
Percentage |
17,9 % |
34,1 % |
19,7 % |
1,7 % |
Ook elders in de Zuidelijke Nederlanden deed men gelijkaardige vaststellingen. In het 16de-eeuwse Gent bedroeg de participatiegraad van de meerseniers aan het bestuur 9,9 %, en voor de kleermakers 13, 7 % [188]. In het 18de-eeuwse bakkersambacht in Brugge kwam men aan een deelnamegraad in de orde van ruim 44 % [189].
Vervolgens kunnen we, naar analogie met de meesters, ook nagaan of er sprake is van familieconcentratie.
Tabel 27 – Absoluut en procentueel aandeel van het aantal families dat een bestuursmandaat (respectievelijk als deken, boekhouder of gezworene) heeft uitgeoefend
|
|
Kleermakers |
|
Bakkers |
|
Blauwververs |
|
Winkeliers |
|
||||
|
|
Aantal |
% |
Aantal |
% |
Aantal |
% |
Aantal |
% |
||||
|
Deken-families |
5 |
5,6 |
8 |
11,6 |
10 |
11,9 |
5 |
1,2 |
||||
|
Boekhouder-families |
3 |
3,3 |
10 |
14,5 |
11 |
13,1 |
4 |
0,9 |
||||
|
Gezworene-families |
14 |
15,6 |
15 |
21,7 |
14 |
16,7 |
11 |
2,6 |
||||
|
Totaal bestuursfamilies |
17 |
18,9 |
24 |
34,8 |
23 |
27,4 |
16 |
3,7 |
||||
|
Totaal families |
90 |
|
69 |
|
84 |
|
ca. 430 |
|
||||
Met betrekking tot de bestuursfamilies stellen we vast dat deze tabel in feite een kopie is van de vorige tabel. Er voltrekt zich een duidelijke polarisatie wat de deken- en boekhouderszetels betreft. Het hoger percentage van de gezworene-families heeft te maken met het feit dat er jaarlijks 2 zetels vrijkwamen, tegenover elk 1 zetel bij de deken en de boekhouder. We merken hier ook op dat hoe meer families in een ambacht aanwezig waren, hoe geringer de deelname aan het bestuur was.
Tot dusver hebben we enkel zicht op de participatie van meesters aan het bestuur. Wanneer we nu de grote massa verlaten en we ons enkel focussen op de bestuursleden, kunnen we zowel de monopoliseringsgraad als de participatie-index binnen het bestuur becijferen. Dit zou ons in staat moeten stellen om te achterhalen of de respectieve ambachtsbesturen eerder een democratisch dan wel een oligarchisch karakter vertoonden.
We opteerden ervoor om, op basis van de prosopografie, de jaarlijkse persoonlijke bezetting van de vier bestuursfuncties in de vorm van een tabel op te nemen en dit voor elk ambacht. Op die manier worden onze nuchtere bevindingen meteen gelardeerd met waarheidsgetrouwe gegevens. Tevens zal dit beletten in het luchtledige te praten. De tabellen bieden ook enig houvast. In sommige gevallen konden we hiaten in het bestuur logisch opvullen [190].
Tevens krijgen we een indruk van de periode die verstreek alvorens een bestuurslid afzwaaide. Zo constateren we dat de meeste individuen een tweede mandaat uitoefenden. Sommige leden tarten alle verbeelding. We zien dekens en boekhouders die meer dan 20 jaar hun functie waarnamen in het bestuur en dit zowel bij de kleermakers, blauwververs als de winkeliers. Deken en boekhouder van de kleermakers Jan D’Haene en Frans Xavier Siron met respectievelijk 29 en 28 jaar en deken van de winkeliers Laurentius Van Den Hauwe met 28 jaar spannen hier duidelijk de kroon. Wat we tot nog toe formuleerden met betrekking tot de bakkers, wordt hier nog eens zwart op wit bevestigd. We constateren een duidelijke concentratietendens in het bestuur, maar lang niet zo sterk als bij de andere ambachten.
Tabel 28 – Samenstelling ambachtsbestuur kleermakers, 1699-1791
|
|
DEKEN |
GEZWORENE |
GEZWORENE |
BOEKHOUDER |
|
1699 |
Breckpot Guillem |
De Smet Jan |
D'Hoir Jacobus |
De Mayer Adrian |
|
1700 |
Breckpot Guillem |
De Smet Jan |
D'Hoir Jacobus |
De Mayer Adrian |
|
1701 |
De Smet Jan fs. Daneel |
De Smet Jan fs. Adrian |
Cleynaert Adrian |
Janssens Ferdinand |
|
1702 |
De Smet Jan fs. Daneel |
De Smet Jan fs. Adrian |
Cleynaert Adrian |
Janssens Ferdinand |
|
1703 |
Canis Gillis |
De Smet Jan fs. Daneel |
Cleemput Adrian |
De Mayer Adrian |
|
1704 |
Canis Gillis |
De Smet Jan fs. Daneel |
Cleemput Adrian |
De Mayer Adrian |
|
1705 |
|
|
|
|
|
1706 |
D'Hoir Jacobus |
De Smet Jan |
Cleynaert Adrian |
De Mayer Adrian |
|
1707 |
D'Hoir Jacobus |
De Smet Jan |
Cleynaert Adrian |
De Mayer Adrian |
|
1708 |
D'Hoir Jacobus |
De Smet Jan |
Cleynaert Adrian |
De Mayer Adrian |
|
1709 |
D'Hoir Jacobus |
Van Impe Jan |
De Lieuwe Jan |
Canis Gillis |
|
1710 |
D'Hoir Jacobus |
Van Impe Jan |
De Lieuwe Jan |
Canis Gillis |
|
1711 |
|
|
|
|
|
1712 |
|
|
|
|
|
1713 |
|
|
|
|
|
1714 |
|
|
|
|
|
1715 |
|
|
|
|
|
1716 |
|
|
|
|
|
1717 |
Stroybant Jan |
Kieckeman Peter |
Govaert Judocus |
Van Impe Hendrik |
|
1718 |
|
|
|
|
|
1719 |
|
|
|
|
|
1720 |
|
|
|
|
|
1721 |
|
|
|
|
|
1722 |
|
|
|
|
|
1723 |
|
|
|
|
|
1724 |
|
|
|
|
|
1725 |
|
|
|
|
|
1726 |
Kieckeman Peter |
Pivoy Hendrik |
Speeckaert Lenaert |
Stroybant Jan |
|
1727 |
|
|
|
|
|
1728 |
|
|
|
|
|
1729 |
De Hert Bartholomeus |
Cappelleman Guillem |
De Gart Daneel |
Stroybant Jan |
|
1730 |
|
|
|
|
|
1731 |
Doys Jan |
Cappelleman Guillem |
Coets Engelbert |
Stroybant Jan |
|
1732 |
Doys Jan |
Cappelleman Guillem |
Coets Engelbert |
Stroybant Jan |