| Aspecten van sociale mobiliteit binnen de 18de-eeuwse Aalsterse ambachtswereld. Een prosopografische benadering. (Sven De Schryver) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Typisch voor het ambachtswezen was een uitgekiende arbeidsreglementering. De meesterproef maakte hier een belangrijk onderdeel van uit. Enerzijds was een proefstuk kwaliteitsbevorderend voor de artisanale productie. Naast het bewijs van een gedegen stielkennis was de meesterproef vaak ook een instrument om de toegang tot het meesterschap te vergrendelen.
Omtrent de bekwaamheidsproef bij de blauwververs citeren we artikel 7, 8 en 9 van de statuten van dit ambacht uit 1704. “Daer sal moeten gheset worden eenen blauwcuype sonder looghe [117] te gebruycken ter presentie vande gesworne” (art. 7). “Ende naer dat daer op elken vollen dagh binnen sonneschijn sal ghewerckt wesen sal bijde geswoorne ghevisiteert ende ghekeurt worden goet ofte quaet naer bevint vande saecke” (art. 8). “Vervolgens emmers inde selve weken sullen moeten geverst (sic) worden de naervolghende colleuren in gaeren roodt, seiluwe (waarschijnlijk geluwe) ende groen” (art. 9) [118]. In 1784 werd de meesterproef van de blauwververs als volgt geformuleerd: “Dat eenen inkomeling om geadmitteert ende gevrijt te worden zal moeten doen eene preuve, te weten met te verwen de lijnwaeten blouw, de gaerens rood, geluwe ende groen ter presentie van de geswoorene van den ambacht, welke voorzeijde coleuren bij de zelve geswoorene gevisiteert ende gekeurt worden ’t sij goed oft quaet, naer bevind van de zaeke, ende in cas van foute ofte misbruyck blijft den diffallant in zijn g’heel om andermael ende van nieuws de zelve preuve t’intenturen alles t’ sijne koste ...” [119]. We stellen vast dat de proef tijdens de 18de eeuw in grote lijnen ongewijzigd is gebleven. Bovendien mocht de meesterproef nooit afgelegd worden in de woonst van de leerling zelf, maar steeds ten huize van een van de bestuursleden of van de leermeester. Ondanks deze strikte bepalingen omtrent de proef, hebben we bewijzen dat men in realiteit lang niet zo stringent was als men wel zou denken. De ledenlijst van de blauwververs licht ons hierover in. We lezen: “Op den 23 j(anua)ry 1738 is vrey gheworden sr. Joannes Verstraeten, sonder preuve te doene terwijlent hij aen sijn een handt gheestropieert [120] is nietjegenstaende met volle contentement ende permisse vanden deken ende meesters …” [121]. Blijkbaar had de aspirant een lichamelijk gebrek, waardoor hij niet in staat was zijn meesterproef af te leggen. Deze humane toegeving zegt veel over de soepele opstelling van het ambacht tegenover haar leden. Een mooi staaltje van filantropie. Ofschoon men er zich in het ambachtsbestuur bewust van was dat dit werkonbekwaam individu maar weinig renderende handenarbeid kon verrichten, werd hij toch probleemloos aanvaard in het ambacht. Rendement primeert niet altijd op morele kwesties.
Met betrekking tot de Aalsterse bakkers lezen we in 1784: “welcke preuve bestaet in het backen van eene schilt wittebrood ende eene schilt fransch broodt.” [122]. Kijken we elders in de Zuidelijke Nederlanden, dan zien we een nogal uiteenlopend karakter van de bakkersproef: te Kortrijk moest men in 1648 “eene bakte van zes havot tarwen meel van welke drie havot voor goed tarwen broot en ’t overige gebuideld voor schoon Spaens wittebroot ende eenen schild fransch brood.” Te Brugge bestond de proef uit het behoorlijk bakken van drie soorten brood in één oven en in Gent moest de kandidaat-bakker het deeg klaar maken, “den oven behoorlijk heeten, ende brooden een voor een in den oven schieten zoodanig dat ze elkander raken en een schild vormen zonder tusschenruimte en men eischte drie zulke wel gheconditioneerde schilden wit brood.” In Leuven moest de aspirant-bakker zich om zes uur ’s ochtends aanmelden ten huize van de deken. Veertig bussen melk en andere, niet nader gespecificeerde, ingrediënten kreeg de beproefde ter beschikking, waarmee hij drie verschillende soorten brood moest bakken, namelijk wit brood, tarwebrood en “masteleynen”. Bovendien schreef het reglement voor dat de kandidaat geen hulp mocht vragen aan de dekens en dat hij net en zuiver diende te werken zonder te blazen. Aangebrande broden werden geweigerd [123].
Tot slot vermelden we nog dat we omtrent de kleermakersproef geen informatie terugvonden.
Nadat de meesterproef onder het goedkeurend oog van één of meerdere gezworenen naar behoren werd afgelegd, werd de meester vrij in het ambacht mits het betalen van het meestergeld.
Een formele verplichting waaraan elke meester gehouden was, was het afleggen van de ambachtseed. Bij de blauwververs ging dit als volgt in zijn werk: “De preuve alsoo voltrocken en goet ghekeurt sijnde sal soodanigh het incommelinck moeten betaelen het vrijgelt mette rechten vande meesters ende knape hier naer gespecificeert ende t’eynde dies doen den gecostumeerden eedt van te wesen goet ende waerachtig Roomsch Catolicq te wesen goet ende getrauwe aen sijne Con(inclijke) Ma(jestij)t van Spaignien als grave van Aelst de wetten ende ordonna(antie)n van dese ambacht te sullen onderhouden ende alles te doen dat een goet ende getrouw suppost schuldigh is te doene.” [124]. De eed van het bakkersambacht luidde in het jaar 1701:”Ick belove aen het brootmaekers Ambacht deser stede van Aelst alteyt goedt ende ghetrauw te syn, te onderhauden de octrooy ende statuten van dese Ambachte ende te schote en te lote te staen ghelyk alle andere ambacht ghesellen. Daer toe soo helpt my Godt ende den heylighen Haubertus. Amen.” [125]. Het mag duidelijk zijn dat de ambachtseden baadden in katholieke sfeer. Tevens houdt de eed een aantal verplichtingen in: het vertrouwen in stand houden tegenover zijn soevereinen, het naleven van de statuten en een militaire verplichting (“te schote en te lote staen”) [126].
Desalniettemin is het betalen van het meestergeld de meest interessante toetredingsvereiste om te onderzoeken. Daar we werkten met de ambachtsrekeningen waren we van heel dichtbij getuige van mogelijke wijzigingen in de financiële drempels.
De voor het ambachtswezen kenmerkende “Zunftzwang” komt sterk tot uiting in de vereisten – en niet in het minst in de financiële eisen – waaraan iedereen moest voldoen om gelijk welke ambachtelijke stiel uit te oefenen. Een eerste vraag die we ons kunnen stellen is welke financiële drempels overschreden moesten worden alvorens het tot ambachtsmeester te brengen in het 18de-eeuwse Aalst. Uitgaande van de betaalde bedragen in de diverse ambachtsrekeningen konden we de volgende tabel reconstrueren.
Tabel 9 – Intredegeld in de diverse ambachten uitgedrukt in groten Vlaams, 18de eeuw
|
|
Meesterszonen |
Inwoners |
Vreemdelingen |
Vreemd+burg |
|
Bakkers |
360 |
1200 |
2400 |
? |
|
Kleermakers |
240 |
960 |
1920 |
? |
|
Blauwververs |
480 |
960 |
1920 |
? |
|
Winkeliers |
240 |
240 |
1200 |
960 |
OPMERKING
De laatste kolom betreft het intredegeld voor niet-Aalstenaars die gehuwd zijn met een dochter van een Aalsters burger.
De tabel toont ook duidelijk hoe de verschillen qua intredegeld zich aftekenen enerzijds horizontaal, naargelang van de sociale status en anderzijds vertikaal, naargelang van het ambacht. Zo komen de bakkers duidelijk als het duurste ambacht naar voren en de winkeliers als het goedkoopst. In ieder ambacht betaalde een vreemdeling, i.e. een persoon van buiten de stad, sowieso de hoogste som. Hierbij kwam nog dat volgens het decreet van de regering van 24 oktober 1750 elke vreemdeling een borgsom van 6000 gr. Vl. moest storten ten voordele van de Armentafel, als hij zich in de stad vestigde [127]. Voeg hierbij nog de onkosten van installatie, werktuigen enz. Voor een vreemde werknemer was het niet evident om zich in Aalst te komen vestigen.
De vrije meesterszonen genoten overal – met uitzondering van de winkeliers – financiële voordelen op hun collega’s. Enkel de winkeliers plaatsten de meesterszonen op gelijke voet met de inwoners. In grote trekken komen deze bedragen overeen met de bedragen die gestipuleerd staan in de weinige ambachtsstatuten die tot ons gekomen zijn. Het bedrag dat een meesterszoon moest betalen in het bakkersambacht lag meer dan 6 keer lager dan het bedrag voor een buitenstaander; bij de kleermakers lag dit maar liefst 8 keer lager en bij de blauwververs 4 keer lager. Ook de bedragen van meesterszonen variëren onderling. Zo moest een blauwverver-meesterszoon het dubbele betalen van een kleermakerszoon.
In de rekeningen zagen we voor het bakkersambacht in de vereiste bedragen voor de vreemdelingen afwijkingen tot 3840 gr. Vl. (i.p.v. 2400 gr. Vl.). Ook bij de kleermakers stelden we voor dezelfde groep lichte afwijkingen vast. Het betreffen evenwel uitzonderingen op de regel. Dit kan te maken hebben met eventuele achterstallige schulden van de meester die tijdens de betaling van het intredegeld meteen vereffend werden.
Omstreeks 1745 constateerden we in het winkeliersambacht een lichte daling van het intredegeld namelijk van 360 gr. Vl. naar 240 gr. Vl. In de statuten van dit ambacht zien we echter dat het bedrag van 240 gr. Vl. ten laatste in 1735 al van toepassing was. De reden waarom deze verlaging zo laat zijn weerslag vond in de rekeningen (en dus in realiteit), kennen we niet. Alleszins staat het vast dat na 1750 elke inwoner 240 i.p.v. 360 gr. Vl. betaalde. Het winkeliersambacht komt – financieel gezien – tegenover haar nieuwe leden duidelijk als het mildste ambacht naar voren. In dit kader herinneren we eraan dat de winkeliers zich soepel opstelden tegenover armere leden. Uit onze prosopografie konden we tevens vaststellen dat bepaalde leden van een reductie konden genieten. De redenen die opgegeven werden, zijn van uiteenlopende aard: van toegevingen omwille van een hogere leeftijd tot zuivere vriendjespolitiek [128]. Bovendien kon men steeds zijn meesterstitel op afbetaling kopen, er bestond m.a.w. een soort kredietlijn. Meesters die het moeilijk hadden om het hoofd boven water te houden, maakten van deze faciliteit gretig gebruik. Deze mogelijkheden bestonden ook bij het kleermakersambacht [129]. Aan het winkelierschap was evenwel een minimumleeftijd vereist. Artikel 26 van de winkeliersstatuten stipuleren “dat de selve sijn hebbende den auderdom van vijfthien jaeren.” [130]. A. Meulemans weet ons te vertellen dat een Leuvense vettewariër in de 18de eeuw maar liefst 8000 gr. Vl. moest betalen met het oog op een aansluiting bij het ambacht [131].
Omtrent het veronderstelde inkomgeld tijdens de oprichting van het blauwverversambacht heerst enige onduidelijkheid. We zagen dat ongeveer de eerste 70 vrijgeworden meesters – naar alle waarschijnlijkheid al geschoold vòòr de oprichting in 1704 – het bedrag van 120 gr. Vl. betaalden. Datzelfde jaar werd deze som opgetrokken tot 360 gr. Vl. Of er toen al een onderscheid werd gemaakt tussen meesterszonen, inwoners en buitenstaanders konden we niet opmaken uit de rekeningen. De statuten uit 1704 leren ons alleszins van wel. Pas in de jaren 1710-1712 zien we een consequente toepassing van de gestipuleerde bedragen en dit tot en met de afschaffing in 1795. Blijkbaar had het ambacht tijdens de eerste jaren van haar oprichting te lijden onder een administratieve rompslomp. Hoewel beide stielen moeilijk vergelijkbaar zijn, vermelden we toch dat een Gentse garentwijnder in de 18de eeuw 240 gr. Vl. moest betalen [132].
Voorlopig kunnen we enkel bij de winkeliers spreken van een lichte daling van het toetredingsgeld. Voor het overige zagen we dat de intredegelden bij de kleermakers, de bakkers en de blauwververs tijdens de 18de eeuw status quo bleven. Wanneer we verder in de tijd terugkeren, zien we dat het entreegeld bij de bakkers herhaaldelijk gewijzigd werd. Anno 1515 bedroeg het intredegeld – blijkbaar zonder onderscheid – 20 gr. Vl.. In 1635 betaalden de inwoners 600 gr. Vl. en de vreemdelingen 800 gr. Vl. en in 1660 werd het inkomgeld voor de inwoners op 960 gr. Vl. gesteld en voor buitenstaanders op 1920 gr. Vl. [133]. We stellen dus wel een geleidelijke verzwaring vast bij de bakkers in de 16de-17de eeuw, maar van een verzwaring van de toetredingsmodaliteiten in de 18de eeuw kunnen we geenszins spreken. Dit lijkt enigszins in strijd met ambachten in de grootsteden. Zo betaalde een meester in het Brugse bakkersambacht in 1706 als poorter 2412 gr. Vl. en als vreemdeling 2892 gr. Vl. In de enquête van 1784 voor Brugge constateren we een duidelijke verhoging: voortaan betaalde een Brugs bakker 3414 gr. Vl. en een vreemde bakker 3894 gr. Vl [134].
Als tweede uitgangspunt voor de reconstructie van de toetredingsmodaliteiten nemen we de enquête van 1784.
Tabel 10 – Intredegeld in de diverse ambachten uitgedrukt in groten Vlaams, 1784
|
|
Meesterszonen |
Inwoners |
Vreemdelingen |
Vreemd+burg |
|
Bakkers |
360 |
1440 |
2880 |
? |
|
Kleermakers |
240 |
480 |
960 |
? |
|
Blauwververs |
480 |
960 |
1920 |
? |
|
Winkeliers |
240 |
240 |
1200 |
960 |
We constateren dat voor de blauwververs en de winkeliers de bedragen die vermeld staan in de enquête van 1784 perfect overeenkomen met de bedragen die we in de rekeningen terugvonden. De bedragen van de bakkers (1440 i.p.v. 1200 gr. Vl. voor de inwoners en 2880 i.p.v. 2400 gr. Vl. voor de vreemdelingen) en vooral van de kleermakers (480 i.p.v. 960 gr. Vl. voor de inwoners en 960 i.p.v. 1920 gr. Vl. voor de vreemdelingen) wijken hier sterk van af. De oorzaak van de discrepantie tussen de reële bedragen en de bedragen volgens de enquête van 1784 kan te maken hebben met het feit dat de extra kosten – zoals we hierna zullen bespreken – bij het zuivere inkomgeld gerekend werden. Met het betalen van het vrijgeld was voor een meester de kous immers niet af. Naast het gewone intredegeld hebben we weet van supplementaire, meer bescheiden financiële verplichtingen die nagekomen dienden te worden. Zo hadden de deken en gezworenen van het bakkersambacht elk recht op 72 gr. Vl. en de knaap op 96 gr. Vl. In het blauwverversambacht bedroeg die extra som 320 gr. Vl, die verdeeld werd onder de bestuursleden en de knaap. Een aspirant-kleermaker moest zorgen voor een “tractement” [135] voor de dienende meesters, terwijl een winkelier in spe dan weer de som van 108 gr. Vl. (als inwoner) en 144 gr. Vl. (als vreemdeling) moest betalen.
Aangezien de verschillen miniem zijn voor de bakkers, lijkt ons de these van de extra kosten een plausibele verklaring. De kleermakers blijven problematisch. Houden we rekening met de financiële supplementen, dan nog lijkt het intredegeld bij het kleermakersambacht in 1784 veel te laag voorgesteld. Uiteraard hebben we geen zicht op wat de impact was van het zogenaamde “tractement” bij de kleermakers. Was het een financiële tegemoetkoming of eerder een gift in natura?
Zou men hier kunnen gewagen van zekere argwaan tegenover de enquête? Drong in ambachtelijke middens het besef door van een nakende afschaffing? Zou m.a.w. een lager voorgesteld inkomgeld een tanende macht moeten verbergen voor de aan sclerose onderhevig zijnde ambachten? Of zou een lager opgegeven inkomgeld de teneur moeten doorbreken van de ambachten als zijnde duur en ontoegankelijk? In dit kader citeren we E. Hubert: “les corporations et métiers, dont la décadence est complète, font aussi l’objet de maintes doléances adressées au souverain. Plaintes sur les droits excessifs que l’on exige à l’entrée du métier; plaintes de ce que l’on ne puisse acquérir la maîtrise, même en produisant le chef-d’œuvre et en payant les taxes …” [136]. We mogen aannemen dat voor de tijdgenoten in de tweede helft van de 18de eeuw heel wat ambachten problematisch waren. We herinneren eraan dat het aantal leerling-kleermakers sinds het laatste kwart van de 18de eeuw in vrije val was.
Dat de enquête van 1784 niet vrij is van fouten – al of niet opzettelijk – heeft ook M. Jacobs ondervonden. Zo ontdekte hij dat er technieken bestonden om de anciënniteit van een ambacht te verhogen. Ook schoven bepaalde ambachten schijnbaar bijzonder precieze oprichtingsdata naar voren. Als voorbeeld neemt hij de Antwerpse hoveniers-fruiteniers-mandenmakers en de Aalsterse (!) transportarbeiders (buideldragers) [137]. In de enquête werd wel degelijk gejokt wanneer een ambacht zich beriep op bepaalde data van verkrijging van statuten. Of zou het dan toch kunnen dat het intredegeld plotseling spectaculair daalde in het kleermakersambacht? Hoe de vork ook aan de steel zit, we laten deze tegenstrijdigheid open voor verder onderzoek en we aanvaarden voorlopig de bedragen zoals wij ze terugvonden in de ambachtsrekeningen.
Terloops willen we ook nog eens wijzen op het bestaan van de halfvrijen. Zowel de winkeliers als de kleermakers voorzagen faciliteiten waarbij personen als quasi volwaardige leden beschouwd werden, terwijl zij toch de helft van het intredegeld betaald hadden. Allicht waren het vooral leden die minder goed bij kas zaten die hiervan dankbaar gebruik maakten. In het kleermakersambacht waren dit de zogenaamde oudekleerkopers. Bij de winkeliers impliceerde het halfvrij meesterschap dat men een beperkter gamma aan waren mocht verkopen. Het assortiment betrof niet alleen vruchten als appels, peren, kersen, noten en allerlei soorten zaden, maar ook ijzeren gerei waaronder nagels en spijkers. De Aalsterse oudekleerkopers waren eerder zeldzaam: we troffen er slechts 4 aan. H. Deceulaer vermeldt dat er in 1796 in Vlaanderen alleen oudekleerkopers waren in Gent, Aalst, Lokeren, Geraardsbergen, Tielt, Oudenaarde en Izegem [138]. Bij de winkeliers ontdekten we ca. 70-tal halfvrijen (ca. 7 %) van het totaal aantal meesters. We zien tevens dat dit halfvrij meesterschap soms een springplank vormde om op te klimmen tot het volle meesterschap: het volstond dan om de andere helft van de afkoopsom te vereffenen om zich vanaf dan bij zijn volledig vrij geworden stielgenoten te vervoegen. Het inkomgeld bij de Aalsterse oudekleerkopers lag met 480 groten Vlaams enorm laag, zeker wanneer we een vergelijking maken met Leuven. In 1749 betaalde een Leuvens oudekleerkoper maar liefst 8000 groten Vlaams [139]. In 1736 bedroeg dit bedrag nog 6000 groten Vlaams. Dit alles is een bewijs dat dit ambacht in Leuven hoger aangeschreven stond dan in Aalst. Het kende immers een stijgend aantal leden in de 18de eeuw: 42 in 1704, 60 in 1760 en 113 in 1794. De Leuvense kleermakers waren in 1794 met 140 leden [140].
Volledigheidshalve vermelden we in tabel 11 de jaarlijkse som die een ambachtsmeester in Aalst verondersteld werd te storten aan de ambachtskas “in proffijcte vanden aultaer”. Dit bedrag kan men beschouwen als een soort lidgeld.
We constateren dat zowel de bedragen van de supplementen als van het jaarlijks lidgeld ongewijzigd bleven. We konden hierbij gebruik maken van de winkeliersstatuten uit 1735 en de oprichtingsstatuten van de blauwververs uit 1704. Vergeleken met de enquête uit 1784 stelden we geen verzwaringen vast. Zowel het jaargeld als de extra kosten die aan het kopen van een meestertitel verbonden waren, bleven dus een constante.
Tabel 11 – Jaarlijkse contributie van de meesters in de diverse ambachten in gr. Vl.
|
|
Lidgeld |
|
Bakkers |
24 |
|
Blauwververs |
16 |
|
Kleermakers |
12 |
|
Winkeliers |
12 |
Naar analogie met de leerlingen, geven we hierna voor de vier ambachten de jaarlijkse doorsneden van het aantal vrijgeworden meesters, gevolgd door een synthesegrafiek.
Grafiek 11 – Jaarlijks aantal inschrijvingen van nieuwe meesters in het kleermakersambacht, 1761-1789

OPMERKING
We hebben ook informatie voor de periode 1734-1746 met 5 zoons op 26 meesters en voor de periode 1755-1760 met 5 zoons op 16 meesters. Een jaarlijks overzicht was hierbij evenwel niet mogelijk.
Grafiek 12 – Jaarlijks aantal inschrijvingen van nieuwe meesters in het blauwverversambacht, 1704-1753

Grafiek 13 – Jaarlijks aantal inschrijvingen van nieuwe meesters in het blauwverversambacht, 1754-1795

Grafiek 14 – Jaarlijks aantal inschrijvingen van nieuwe meesters in het bakkersambacht, 1738-1789

OPMERKING
Het aantal niet-meesterszonen ligt in elk van 3 de ambachten waarschijnlijk iets te hoog, aangezien we de personen waarvan we de origine niet konden achterhalen bij de niet-meesterszonen onderbrachten. Het betreft evenwel een minderheid.
Grafiek 15 – Jaarlijks aantal inschrijvingen nieuwe meesters in het winkeliersambacht, met onderscheid tussen mannen en vrouwen, 1735-1792

Grafiek 16 – 10-jaarlijkse evolutie van het aantal nieuwe meesters in de diverse ambachten, 1704-1793 (absoluut)

OPMERKING
Net zoals we voor de leerjongens opmerkten, ligt het cijfer tussen 1784-1793 zowel voor de bakkers als de kleermakers mogelijk te laag, aangezien we voor de bakkers slechts over gegevens beschikken tot 1789 en voor de kleermakers tot 1790.
Omwille van het feit dat we de winkeliers in de grafiek opnamen, komen de resultaten van de overige ambachten in de verdrukking. Dit toont meteen de numerieke overweldiging (meer dan 150 leden per decennium) van het winkeliersambacht tegenover de andere ambachten die ieder nauwelijks 30 nieuwe leden halen per decennium. Ondanks een lichte daling van het aantal aansluitingen in het winkeliersambacht in de tweede helft van de 18de eeuw bleef het lidmaatschap relatief populair.
Teneinde deze vertekening op te lossen opteerden we ervoor om de numeriek minder vertegenwoordigde ambachten nog eens tegenover elkaar af te zetten.
Grafiek 17 – 10-jaarlijkse evolutie van het aantal nieuwe meesters in de diverse ambachten (zonder de winkeliers), 1704-1793 (absoluut)

Grafiek 17 toont dat de evolutie van het effectief der ambachten een fluctuerend gebeuren is. De topjaren bij de kleermakers situeren zich kort na het midden van de 18de eeuw. Na een korte daling stellen we een soort recuperatiegroei vast tijdens de laatste 2 decennia van de 18de eeuw. Toch kunnen we gewagen dat het aantal kleermakers grosso modo stabiliteit vertoont. H. Deceulaer geeft een verklaring voor de stagnerende kleermakers in een nochtans groeiende kledingssector. Deze paradoxale situatie wordt al vlug duidelijk wanneer we voor ogen houden dat de kleermakers voornamelijk mannenkleding vervaardigden. De stagnering kan gedeeltelijk verklaard worden door het feit dat mannenkleding weinig spectaculaire veranderingen doormaakte in de loop van de 18de eeuw. De gebruikte stof, noch de snit ondergingen weinig veranderingen. De belangrijkste mode-transformaties manifesteerden zich op het marktsegment van de vrouwenkleding. Ook consumptie van kleinere luxegoederen en accessoires groeide sneller dan de basisstukken waar de kleermakers verantwoordelijk voor waren. De rol van de pruikenmakers, meerseniers, hoedenmakers zou hierbij van een meer doorslaggevende betekenis geweest zijn. [141].
Het aantal blauwververs kent nooit extreme stijgingen of dalingen. Na een dieptepunt in de zeventiger jaren, merken we toch weer een lichte stijging – net zoals bij de kleermakers – op het eind van de 18de eeuw. Deze evolutie is overigens analoog met het aantal leerling-blauwververs.
Bij de kleermakers en bij de blauwververs kunnen we dus geenszins spreken van een tendens tot afsluiting aan de vooravond van de afschaffing van de corporaties. Integendeel zelfs, het aantal inschrijvingen kent nog een lichte positieve wending op het eind van de 18de eeuw.
De bakkers lijken het enige ambacht waarvan het aantal geïnteresseerden in dalende lijn is. Toch moeten we ons hoeden voor overhaaste conclusies. De rekeningen van de bakkers lopen immers tot het jaar 1790. Het aantal vrijgeworden meesters zal allicht hoger gelegen zijn dan wat deze grafiek ons voorhoudt.
Om een scherper inzicht te krijgen in de evolutie in de long run van het aantal gegadigden per ambacht, opteren we ervoor om enerzijds de telling van het jaar IV en anderzijds gegevens voor de 19de eeuw te integreren in ons betoog.
Tabel 12 – Aantal bakkers, kleermakers en blauwververs in 1483, 1738, 1795, 1830 en 1846 [142]
|
|
1483 |
1738 |
Jaar IV |
1830 |
1846 |
|
Bevolking (bij benadering) |
4000 |
8500 |
10500 |
14800 |
17200 |
|
Bakkers |
22 |
44 |
41 |
45 |
41 |
|
Kleermakers |
– |
83 |
65 |
47 |
43 |
|
Blauwververs |
– |
32 |
37 |
14 |
13 |
De juxtapositie van verschillende tellingen veronderstelt altijd een zekere pragmatiek. Niet elke telling wordt immers met dezelfde doeleinden uitgevoerd. Zo was de telling van 1738 vooral gericht om van overheidswege een zicht te krijgen op de verschillende ambachten en manufacturen, terwijl de telling uit het jaar IV vooral vanuit demografisch oogpunt opgesteld werd, hoewel ook de beroepsstratificatie overvloedig aan bod komt. Zo vonden we in de telling uit het jaar IV de vermelding “verver van textiel”. Een nogal ruime benadering van het begrip blauwverver eigenlijk. In 1846 kenden we een gelijkaardige problematiek: we catalogeerden de stoffenververs (10 in aantal) en de weefseldrukkers (3 in aantal) onder de blauwververs. Hier is duidelijk voorzichtigheid geboden. Vergelijken we de tellingen uit de 18de eeuw met die uit de 19de eeuw dan constateren we een ruimere specialisatie en differentiatie binnen het beroepsleven. Dit is logisch, want elk bestaand beroepssegment ging in feite voortaan een eigen leven leiden en werd niet langer meer overkoepeld door één of ander ondeelbaar corporatief monopolie [143]. Specialismen in ambachtelijke sectoren zullen er altijd wel geweest zijn [144], toch kwam het bestaan ervan in tellingen en enquêtes tot en met het einde van de 18de eeuw slechts moeizaam aan de oppervlakte.
Ruim gesteld kunnen we zeggen dat tot en met de 18de eeuw het aantal bakkers in evenredigheid evolueerde met de bevolking. Een eenvoudige berekening kan dit illustreren. In 1483 zien we 22 bakkers voor 4000 inwoners. Theoretisch gezien betekent dit dat 1 bakker ongeveer 180 mensen voedt. Kijken we in 1738 en doen we deze rekensom nog eens over, dan komen we op 193 monden. Deze cijfers lijken ons realistisch. Een grote kentering zien we pas in 1795: we komen reeds aan 256 personen per bakker. In 1830 en 1846 komen we respectievelijk op 329 en 420 personen per bakker. We zien op één eeuw tijd (1738-1846) dat het aantal bakkers status quo blijft, terwijl ondertussen de bevolking ruim verdubbeld is. Het aloude subtiele evenwicht tussen bevolking en het aantal bakkers geraakt volledig verstoord vanaf de tweede helft van de 18de eeuw. Toch kunnen we stellen dat er ook bij de bakkers geen onmiddellijke tendens is tot afsluiting.
Wat de kleermakers en de blauwververs betreft, zien we dat het aantal ambachtelijke zelfstandigen zienderogen slinkt naar het begin van de 19de eeuw toe om een stille dood de sterven medio 19de eeuw. Hier laat de opkomende industrialisatie zich duidelijk gewaarworden, maar van een inkrimping van het ledenaantal kunnen we – in de 18de eeuw althans – geenszins spreken.
Teneinde onze vaststellingen nog eens in de verf te zetten, geven we hierna nog eens de 20-jaarlijkse gemiddelden in tabelvorm.
Tabel 13 – Jaarlijks gemiddeld aantal vrijwordingen per 20 jaar, 1711-1790
|
|
Kleermakers |
Blauwververs |
Bakkers |
Winkeliers |
||||
|
|
Mz |
Nmz |
Mz |
Nmz |
Mz |
Nmz |
Man |
Vrouw |
|
1711-1730 |
– |
– |
0,1 |
0,4 |
– |
– |
– |
– |
|
1731-1750 |
0,5 |
1,9 |
0,4 |
0,8 |
0 |
1,1 |
16,6 |
1,3 |
|
1751-1770 |
0,7 |
2,6 |
0,3 |
0,6 |
0,4 |
1,5 |
16,4 |
2,1 |
|
1771-1790 |
0,6 |
1,7 |
0,4 |
0,4 |
0,5 |
1,4 |
14,9 |
2,4 |
Tabel 13 illustreert dat – globaal gezien – de blauwververs en de bakkers het minst geïnteresseerden vertoont. Ook de kleermakers liggen nog relatief laag. De tabel toont wel eens te meer de grote populariteit van het winkeliersambacht. Een eerste indruk i.v.m. de erfelijkheid leert ons dat maar weinig inbreng was weggelegd voor de meesterszonen. Enkel bij de blauwververs zien we voor de periode 1771-1790 een gelijk aantal gegadigden tussen de meesterszonen en de niet-meesterszonen.
Nu we de lange termijnevolutie in het ledenaantal overschouwd hebben in de diverse ambachten, kunnen we ons afvragen wat in feite de origine was van de meesters. Klassiek heerst het beeld dat in de corporatieve wereld een stiel doorgaans van vader op zoon werd doorgegeven. Er zou m.a.w. een doorgedreven vorm van generatie-continuïteit bestaan, waardoor ambachten vaak als rigide en min of meer gesloten structuren geboekstaafd werden. Dit lijkt echter al lang achterhaald, hoewel in bepaalde ambachtelijke sectoren deze stelling nog steeds lijkt op te gaan. J. Dauwe toonde aan dat de Aalsterse edelsmeden in de 18de eeuw een vrij gesloten ambacht was, gestructureerd op familiale basis, zonder echt ooit ontoegankelijk te zijn voor niet-meesterszonen of vreemdelingen. De edelsmeden lieten m.a.w. de appel niet ver van de boom vallen [145]. In het Aalsterse vleeshoudersambacht ging de stiel integraal over van vader op zoon. Het ambacht was in handen van drie families: Boone, Wuytens en Van Brantegem. De opgetekende smalle wetten in de stedelijke registers bevestigen dat deze familie-oligarchie in de 18de eeuw nog steeds bestond. In het antwoord van de vleeshouders van 1784 vinden we trouwens de vermelding de “dry geslachten ofte familien, te weten de Brantegems, Boone ende Wuytens” [146]. Dit heeft echter niet verhinderd dat in Aalst ook onvrije vleeshouders in een volwaardig ambacht georganiseerd waren. H. Van Werveke ziet in deze erfelijkheid een uitloper van het zogenaamde “Hofrecht” [147]. In grote lijnen komt dit overeen met een van overheidswege erkend erfelijkheidsprivilege. Het spreekt voor zich, dat in ambachten waar er geen van rechtswege vastgelegde erfelijkheid bestond de mobiliteit inzake de recrutering groter was.
De vaststelling dat ambachten gesloten instellingen zouden zijn, werd ons vooral ingelepeld afgaande op het normatief bronnenmateriaal. We constateerden dat de meesterszonen zowel bij de bakkers, kleermakers en blauwververs in Aalst zwaar bevoordeeld werden (cf. supra). Of deze discriminatie ook weerspiegeld wordt in de samenstelling van de vrije meesters, zullen we hierna trachten te onderzoeken.
Grafiek 18 – Spreiding van de sociale status van de meesters in het bakkersambacht

OPMERKING
We werkten met 82 bakkers (17 meesterszonen + 37 inwoners + 28 vreemdelingen).
In het bakkersambacht vormen de meesterszonen een minderheid. Hun aandeel willen we evenwel niet zomaar wegcijferen. Ongeveer 1 op 5 van het totaal aantal ingeschreven personen waren meesterszonen die zich toch wisten op te werken tot meester-bakker. Deze 21 % is een cijfer dat overigens een sterke gelijkenis vertoont met de Aalsterse kleermakers (cf. infra). De erfelijkheid viert weliswaar geen hoogtij in het bakkersambacht, het is toch op zijn minst een vaststelling. Voor het Brugse bakkersambacht gaf S. Gilté weliswaar geen exacte cijfers, toch kunnen we opmaken dat de niet-vrijmeesterszonen op lange termijn in de 18de eeuw slechts een licht overwicht vormden. In de periode 1716-1735 lijkt het pleit zelfs lichtjes in het voordeel van de meesterszonen beslecht te worden. Bij de Brugse bakkers lijkt de erfelijkheid op het eerste zicht een grotere rol te spelen dan bij de Aalsterse bakkers [148].
Flagrant is tevens dat het bakkersambacht een relatieve grote uitstraling had op buitenstaanders (niet-Aalstenaars). Eén derde wist zich als “vremdelingh” op te werken tot meester-bakker.
Grafiek 19 – Spreiding van de sociale status van de meesters in het blauwverversambacht

OPMERKING
We verrichtten het onderzoek op 69 meester-blauwververs (26 meesterszonen + 37 inwoners + 6 vreemdelingen).
Blijkens grafiek 19 komen 2 blokken naar voren die zonder meer het overwicht vormen: de inwoners en de meesterszonen. Zonder al te voorbarige conclusies te trekken, kunnen we nu al zeggen dat de erfelijkheid het sterkst doorgedrongen is in het blauwverversambacht. De vrije meesterszonen liggen minstens 15 % hoger dan bij de bakkers en de kleermakers. We zagen nochtans dat het intredegeld voor een meesterszoon het hoogst lag bij de blauwververs. Dit lijkt dus geen rem geweest te zijn. In al onze gedrevenheid mogen we niet uit het oog verliezen dat de vrije meesterszonen evenwel nog een duidelijke minderheid vormen in het ambacht.
Grafiek 20 – Spreiding van de sociale status van de meesters bij de kleermakers en de kousenmakers

OPPMERKING
We werkten met 111 kleermakers (26 meesterszonen + 81 inwoners + 4 vreemdelingen), waarvan 4 meester-kousenmakers (3 meesterszoons + 1 inwoner).
We zien dat 23 % van de Aalsterse kleermakers het beroep van hun vader continueerden. Dit cijfer lijkt ons vrij realistisch, aangezien het in de lijn ligt van de meesterszonen bij de Antwerpse (22 %) en Brusselse kleermakers (21,6 %) [149]. Ook constateerde S. Cerutti dat de meesterszonen in het kleermakersambacht in Turijn 22,5 % uitmaakten van het totaal aantal kleermakers [150]. Kijken we overigens naar andere ambachten in andere steden dan lijkt dit geen uitzonderlijke participatiegraad. K. Van Quatem berekende voor het Brugse schoenmakersambacht dat 24, 7 % van de meesters in de voetsporen van hun vader traden [151]. Het overwicht bij de kleermakers ligt overduidelijk bij de inwoners (73 %) terwijl het aandeel van de buitenstaanders te verwaarlozen is (4 %).
Al bij al mag de erfelijkheid of de zogenaamde generatie-continuïteit van vader op zoon in het kleermakersambacht niet overroepen worden. Grosso modo betreft het 1 op 4. Het ambacht stond duidelijk meer open voor niet-meesterszonen. De vaststellingen voor het 18de-eeuwse Aalst vertonen een duidelijke analogie met de grootsteden.
In de periode 1734-1793 brachten 995 personen het tot meester-winkelier. Ook hier kunnen we nagaan hoe de verhouding inwoners - vreemdelingen in elkaar zat. Inzake erfelijkheid onder de winkeliers kunnen we niets zeggen, daar vrije meesterzoons niet konden genieten van een gunstiger inkomtarief. Aldus konden we de meesterskinderen niet traceren. De rekeningen stellen ons wel in staat een onderscheid te maken binnen de vreemdelingen die al of niet gehuwd zijn met “eene borghersdochter”. Personen die immers gehuwd waren met de dochter van een Aalstenaar mochten toetreden aan een lagere prijs. Van 52 personen konden we hun origine niet afleiden. Dit heeft enerzijds te maken met de aanwezigheid van halfvrijen en anderzijds met het feit dat bepaalde personen ervoor opteerden hun vrijgeld op afbetaling te vereffenen (“sijn restat te voldoen” of “te betaelen in verscheyde reijsen ...”). Bij betalingen in schijven “op krediet” dienden we de optelsom te maken, hoewel dit soms onmogelijk bleek.
Grafiek 21 – Verdeling van de sociale status van de meesters in het winkeliersambacht

OPMERKING
We werkten met 943 winkeliers (622 inwoners + 212 vreemdelingen + 109 vreemdelingen gehuwd met een burgerdochter)
De grafiek 21 suggereert dat het overgrote deel van de meesters lokaal werd gerekruteerd. Toch lijkt migratie niet onbelangrijk geweest te zijn. Het is niet verwonderlijk dat van de vreemde winkeliers 12 % gehuwd was met een burgerdochter. Deze meesters konden immers genieten van een gunstiger inkomtarief.