| Tituli honorarii, monumentale eregedenktekens. Ere-inscripties ten tijde van het Principaat op het Italisch schiereiland. Een statistisch-epigrafisch onderzoek. (Annelies De Bondt) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
DEEL 1
Analyse van de elementen.
Hoofdstuk 7. Reactie van de dedicati – evergetisme.
Eén van de meest opvallende en significante reacties vanwege de geëerde, die volgde op het genomen besluit van de decuriones om ter zijner ere een monument op te richten, is die van de dedicatio. Hieronder wordt dat element van de inscriptie bedoeld, dat volgt op de introductie van de geëerde, zijn titulatuur, de motivering voor de initiatiefnemers tot de oprichting, de bepaling van de initiatiefnemers en zijn eventuele reactie – in de vorm van tevredenheid, bedanking voor de eer of terugbetaling van de gelden. Over het algemeen wordt dit gedeelte ingeleid door de woordgroep “ob dedicationem” of “dedicatione” of aanverwanten. In onderstaande inscriptie (InscrNr. 185[1348]) begint het element, dat hier onder de loep zal worden genomen vanaf de uitdrukking cuius dedicatione. Hier werd een gelduitdeling georganiseerd omwille van de inhuldiging van het standbeeld of althans de drager van de inscriptie op een dag, maar ook spelen - ludi - werden hier ingericht om dezelfde reden.
Heuresi / Gn(aeo!) Stennio Egnatio Gn(aei!) Stenni / Egnati Rufi fil(io) Fal(erna) Primo IIIIvir(o) / II q(uin)q(uennali) omnibus oneribus et / honoribus functo sac(erdoti) p(ublico) / deae Isidis et Serapidis curat(ori) / operum publ(icorum) ingenui honorati / et Augustales patrono dignissi/mo ob infinita merita eius cu/ius dedicatione singulis uni/versisq(ue) eorum HS centenos n(ummum) / dedit diem autem ludorum plenissi/me exhibuit l(ocus) d(atus) d(ecreto) d(ecurionum)
(InscrNr. 185 - CIL 10, 03759)
Voor Gnaeus Stennius Egnatius, zoon van Gnaeus Stennius Egnatius Rufus, Falerna Primus, IIIIvir quinquennalis voor de tweede keer, die alle lasten en ambten heeft uitgeoefend, publiek sacerdos van de godin Isis en van Serapis, curator van openbare werken, (hebben) de geëerde vrije mannen en de Augustalen voor hun meest waardige patroon (dit monument opgericht) o.w.v. diens oneindige verdienste; op de inhuldiging van deze heeft hij aan elk en allen te samen van hen 100 sestertiën gegeven, voorts heeft hij gezorgd voor een dag vol spelen. De plaats werd bepaald bij decreet van de decurionen.
In dit hoofdstuk zal vooreerst worden gekeken naar het concept van de dedicatio en wat men hier precies onder moet verstaan. Vervolgens wordt een status quaestionis gegeven van de wetenschappelijke literatuur, die hieromtrent is verschenen. De verscheidene componenten van dit element werden vaak op zich al onderzocht - hetgeen ook het geval was bij het motiveringselement, maar echter nooit samengebracht onder één noemer. Op de derde plaats bekijken we de geografische en chronologische spreiding van de inscripties, die dit fenomeen vermelden, om zo een zicht te krijgen op de populariteit van dit element dat toch in 122 inscripties geattesteerd is (122/696 - 17.53%).[1349]
Hierna gaan we de verscheidene componenten onderzoeken, waaruit de formulering bestaat of die betrekking hebben en kunnen bijdragen tot een betere interpretatie van dit fenomeen. Zo gaan we kijken naar de sociale status van de geëerde, die zich ermee inliet iets te organiseren bij de inhuldiging; naar de begunstigden en naar de giften, die werden verstrekt op de dag van de inhuldiging of op een andere dag, in ieder geval naar aanleiding van de inhuldiging. Andere elementen, die minder aan bod komen in de formuleringen, maar toch aanvullende informatie bieden, zijn bijvoorbeeld de dag, waarop een inhuldiging plaatsvond, het verloop van de feiten tot en met de inhuldiging en het voorwerp van de inhuldiging.
Vervolgens dient nog even te worden stil gestaan bij enkele gebruikte wetenschappelijke werken aangaande dit onderwerp. Vooreerst hebben we de werken van een meer algemene aard, als de doctoraatsverhandeling van Denis van Berchem, het werk van Richard Duncan-Jones en het boek van Stanisław Mrozek. Deze werken dienden als basis om hun conclusies te kunnen meten aan de eigen bevindingen inzake een beperkter onderwerp als ere-inscripties. Vervolgens zijn er nog enkele wetenschappelijke publicaties, die zich beperken tot enkele deelaspecten van het dedicatio-element, voornamelijk met betrekking tot de verscheidene giften.
2.1. Werken van een meer algemene aard.
De eerst vermelde auteur, D. van Berchem[1350], heeft dankbaar onderzoek verricht naar de graan- en gelduitdelingen te Rome onder het Keizerrijk, maar heeft zich echter beperkt tot de Urbs Roma, zonder aandacht te besteden aan de munificentia privata in de Italische gemeenten.
In zijn werk bespreekt hij eerst de plebs frumentaria, dit is het geheel aan begunstigden uit Rome, dat in aanmerking kwam voor het ontvangen van de frumentum publicum. Vervolgens bespreekt hij de graanuitdelingen – maar dan voornamelijk te Rome. Wat enigszins van interesse kan zijn voor dit onderzoek is de materiële organisatie van de frumentatio, hetgeen de Italische municipaliteiten misschien zouden kunnen nagebootst hebben om op kleinere schaal toe te passen wegens de effectiviteit van het systeem[1351]. De uitdelingen in andere steden dan Rome wordt – zoals boven reeds werd gesteld – slechts summier weergegeven in vier paragrafen, waarvan drie handelen over de steden in de provincies en de andere algemene conclusies poneert over de eerste tot derde eeuw n.C.[1352]
In het derde deel bespreekt van Berchem de congiaria binnen de liberalitas Augusti, waarop ook hij impliciet de origines van de geldelijke uitdelingen uit de municipaliteiten terugbrengt.[1353] Hier rijzen echter twijfels over de door van Berchem aan het congiarium toegekende sociale rol, waarover later meer.
R. Duncan-Jones[1354] maakte dan weer een statistische analyse van alle vermeldingen van geld en financiële bestedingen in het epigrafisch bronnenmateriaal. In het eerste deel bekijkt hij de epigrafische attestaties van bouwkosten, kosten van standbeelden en gewichten, begrafeniskosten, eeuwige stichtingen, meervoudige uitdelingen en sportulae, onderhoudsgelden, landrenten en waarden en tenslotte summae honorariae en andere betalingen aan de gemeente. In het tweede deel volgt een lijst van deze kosten.
In dit werk laat hij echter tot een zekere hoogte na diezelfde statistische analyse op een historisch-kritische manier te interpreteren. We krijgen wel opsommingen, minima en maxima, gemiddelden en medianen, maar deze worden niet verder binnen hun historische context besproken. Desalniettemin blijft diens werk van bijzondere relevantie voor dit onderzoek net omwille van de kwantitatieve waarde. Zo kan men vergelijken of de statistische analyse van ere-inscripties gelijkaardige tendensen vertoont t.o.v. de gemaakte, algemene conclusies.
Zijn bevindingen uit dit artikel en enkele anderen waren de aanleiding tot de publicatie van The Economy of the Roman Empire,[1355] als is dit werk geen synthese van deze artikels, maar gaat hij verder en plaatst hij deze keer de gegevens veel meer binnen hun juiste historische context. Hij bespreekt in zijn hoofdstukken respectievelijk de senatoriale welvaart en landgoederen (voornamelijk van Plinius Minor), agrarische rentabiliteit, prijzen en kosten uit Italië en Afrika (waarin hij het onderzoek uit het bovenvermeld artikel herhaalt, corrigeert en aanvult), het demografisch onderzoek naar stadsbevolking o.b.v. inscripties en tenslotte de keizerlijke alimenta.
Dit onderzoek is m.i. beter opgevat dan het vorig besproken artikel, aangezien Duncan-Jones deze keer zijn bevindingen verder uitwerkt en vergelijkt met contemporaine literaire bronnen.
Tenslotte hebben we nog het werk van S. Mrozek[1356], dat eveneens een aangepaste synthese is van voorafgaand onderzoek en artikels[1357]. In dit boek gaat hij eerst het chronologisch en geografisch kader ophangen en beargumenteren[1358], vervolgens de types uitdelingen en hun organisatie van naderbij bestuderen[1359]. In de volgende twee hoofdstukken gaat hij respectievelijk de schenkers[1360] en begunstigden[1361] bespreken na deze opgedeeld te hebben volgens hun sociale klasse[1362].
Mrozek pretendeert de analytische gegevens van Duncan-Jones aan te vullen en historisch te interpreteren. Toch kan men zich vragen stellen bij enkele van die conclusies[1363]. Bijvoorbeeld wat betreft sportulae beweert hij dat het voornamelijk om sociale maatregelen gaat, daar waar men m.i. eerder moet denken aan politieke maatregelen, gezien de categorieën van begunstigden. Andere stellingen lijken ongegrond en zijn niet overtuigend: uit welke gegevens kan men concluderen, dat iedere decurio een fundatie oprichtte en dat een gemeenteraadslid jaarlijks 120 keer aan een gelduitdeling mocht deelnemen. Dit is echter enigszins overdreven (cf. infra).
Het is niet de bedoeling het werk van deze historici hier samen te vatten, doch toe te passen binnen een beperktere context. Zij hebben getracht een globaal overzicht te creëren over de Romeinse economie inzake uitdelingen, hetgeen hier kan getoetst worden aan een deelaspect van dat geheel, zijnde de dedicatio in ere-inscripties, zoals dit element in dit hoofdstuk gemeenzaam genoemd wordt.
2.2. Wetenschappelijke artikels.
Laten we nog even de wetenschappelijke artikels beschouwen, die binnen dit hoofdstuk de aanvullende informatie verschaften omtrent enkele specifieke deeldomeinen en -elementen uit het dedicatio-element, voornamelijk met betrekking tot de verscheidene giften.
Over de festiviteiten, die bij een inhuldiging plaatsvinden, werd gebruik gemaakt van het artikel van D. Erkelenz.[1364] Hij heeft het in zijn artikel over het verloop der gebeurtenissen tussen de besluitvorming van de gemeenteraad enerzijds en de inhuldiging van het standbeeld anderzijds. Hij bespreekt het feestelijk karakter van de formele melding van het besluit bij de geëerde door een officiële delegatie, de bedoeling en invloed van de festiviteiten op de verscheidene betrokken partijen en wat we ons precies bij een inhuldiging moeten voorstellen. Één minpunt kan men echter bemerken: hoewel Erkelenz wel een onderscheid maakt tussen de officiële bekendmaking van het besluit aan de geëerde enerzijds en de publieke inhuldiging van het standbeeld anderzijds, is het niet steeds duidelijk bij welke categorie de elementen van de officiële festiviteiten nu horen. De verwarring wordt eigenlijk gecreëerd door de onduidelijke structuur: maakt de auteur een onderscheid tussen deze twee officiële momenten of heeft hij het over elementen, die bij beide gebeurtenissen toepasselijk zijn?
Wat betreft de giften en meer bepaald de interpretatie van sportulae wordt verwezen naar het artikel van A. Pasqualini.[1365] Zij onderzoekt de beweegredenen achter het geven van sportulae, die voornamelijk politiek gemotiveerd waren. Niet alleen hanteert zij voor dit onderzoek een aantal inscripties, die ook in dit corpus aan bod komen, maar zij bekijkt ook de beschrijvingen van dit fenomeen bij de klassieke auteurs om een betere inkijk te verkrijgen op dit verschijnsel.
J. F. Donahue is dan weer een autoriteit als het gaat over de consumptie, die kan plaatsvinden bij de inhuldiging. Van hem werden drie werken aangewend. Vooreerst hebben we een volume van The American Journal of Philology, waarin hij een aantal artikels hieromtrent heeft verzameld[1366], waaronder ook een artikel van zichzelf[1367]. Hierin heeft hij een typologie opgesteld van het reilen en zeilen bij een publieke feestmaaltijd. Hij heeft het over het gezamenlijk in groep consumeren van voedsel en drank, hetgeen hij in drie categorieën opdeelt, nl. exeptional, segregative en transgressive commensality – waarover later meer. In zijn boek “The roman community at table”[1368] gaat hij nog verder en geeft hij een zeer uitgebreide bespreking van wat een gemeenschappelijke maaltijd inhield. Hij vertrekt vanuit een explicatie van de verschillende en belangrijkste gebruikte termen om vervolgens in een eerste hoofdstuk het concept van “hét Romeinse feest” uit de doeken te doen. In hoofdstuk twee bespreekt hij vervolgens hoe dit fenomeen zich manifesteerde te Rome onder het Principaat, met aandacht voor de feesten van de keizer, de publieke feesten te Rome en de banketten van privati en collegia. De hoofdstukken drie en vier zijn echter van groter belang voor deze uiteenzetting, aangezien hierin respectievelijk de organisatoren en de begunstigden van de banketten in het westelijk gedeelte van het Romeinse Rijk worden besproken volgens de sociale categorie, waartoe dezen behoorden.
Enkele artikels, die nog dieper ingaan op enkele specifieke categorieën van voedsel, dat op een dergelijke dag ter beschikking werd gesteld van het publiek, zijn van de hand van M. Kajava en S. Mrozek. M. Kajava [1369] probeert vooreerst het concept visceratio – de vleesuitdeling – te duiden en te plaatsen in de historische realiteit en bemerkt dat het fenomeen bekend is bij verscheidene sociale aangelegenheden – zoals o.a. bij de begrafenis-ceremonie, bij munera en andere spektakels of ook bij de publieke oprichting van een standbeeld. Vervolgens gaat hij de herkomst en organisatie uiteen zetten. Tenslotte gaat hij nader in op de vleesuitdeling bij de triomfceremonie.
S. Mrozek[1370] echter bekijkt dan weer de voorziening van crustulum et mulsum – koekjes en honingwijn – bij bepaalde gelegenheden. Hij bediscussieert de kwaliteit, verdeling en waarde van dit consumptiemiddel, maar ook het moment waarop dit artikel werd uitgedeeld. Tenslotte bespreekt hij ook nog de schenkers, de gelegenheid en de chronologie van het gegeven. De inhoud van dit artikel werd ook deels opgenomen in diens bovenvermeld boek.
Naast het ter beschikking stellen van voedsel bij de inhuldiging, werden ook soms andere schenkingen gegeven. De belangrijkste categorie naast de sportulae en het voedsel is – zoals later nog zal blijken – ongetwijfeld die van de legaten of fundaties. Hiervoor is vooral het artikel van M. Laird[1371] van belang. Dit artikel is vooral belangrijk om de beweegredenen, stipulaties, sociale implicaties en achterliggende betekenis van legaten. Een minpunt aan haar onderzoek is echter dat zij geen onderscheid maakt tussen legaten, die voorafgaand aan het eerbetoon werden geschonken, en de fundaties, die omwille van de inhuldiging plaatsvonden. Dit is echter in haar onderzoek van minder belang, daar voornamelijk de externe gegevens worden onderzocht. Ook de verschillende, mogelijke sommen heeft zij niet onderzocht.[1372]
Al deze artikels en boeken, die meer toegespitst waren op een enkel aspect, boden een andere invalshoek of aanvulling op de informatie uit de bovenvernoemde algemene werken, die voornamelijk betrekking hebben op geldelijke en voedingsbedelingen. Deze omvatten dan ook alle vier de bovenvernoemde giften.
Letterlijk betekent dedicatio de (in)wijding van een gebouw of monument[1373], in dit geval de ere-inscriptie. Hoe deze inhuldiging precies verliep, wordt echter nooit uitgewerkt in de inscripties. Wel krijgen we een overzicht van de weldaden, die de geëerde nog betoonde aan de begunstigde in het verlengde van deze inhuldiging. Het precieze verloop van de inhuldiging was namelijk niet zo belangrijk als de manier, waarop de geëerde reageerde op de toekenning van de eer en hij zijn dedicantes bedankte.
3.1. Patroon van de dedicatio-formule.
Indien we willen achterhalen, wat exact gebeurde op de dag van de inhuldiging, moeten we ons baseren op het materiaal dat we hebben en de elementen, waaruit de dedicatio-formule bestaat, zodanig analyseren dat we hieromtrent meer te weten komen. Al is het echter niet zeker of de giften van deze man, in welke hoedanigheid deze ook werden aangeboden, effectief ook werden geschonken op dezelfde dag van de inhuldiging (cf. infra). De inscripties volgen meestal een vast stramien met de volgende elementen:
(1) de eigenlijke ere-inscriptie met de naam van de geëerde in de datief, diens cursus honorum, vervolgens ook diens verdiensten en de benaming van de oprichter(s);
(2) het stereotiep formularium van “ob dedicationem” of “dedicatione”;
(3) het onderwerp van de inhuldiging wordt vaak pas hier vermeld, hetzij in de vorm van een aanwijzend voornaamwoord in de genitief vb. cuius, hetzij in het desbetreffende noemwoord in de genitief, vb. statuae;
(4) de gift bij de dedicatio in de accusatief als lijdend voorwerp bij een werkwoord van geven, zoals dare, dat eventueel vervolgens wordt gespecificeerd per groep begunstigden (5), indien sociale discriminatie de bepalende factor is voor de bedragen of aard van de gift;
(5) de begunstigden in de datief van voordeel;
(6) tenslotte – of in sommige gevallen voorafgaand aan de inscriptie – wordt soms ook een datering gegeven, beginnende met “dedicata” of “posita”, vervolgens de dag en maand alsook de jaarbepaling a.d.h.v. de eponieme consuls, zoals gebruikelijk was.
Nemen we inscriptie 85[1374], dat hier als model wordt gebruikt om het stramien van de dedicatio-formule te illustreren omdat de bovengenoemde zes elementen hier allen voorhanden zijn.
(1)L(ucio) Acilio L(uci) f(ilio) Pompt(ina) Eutyche(ti) / nobili archimimo commun(i) mimor(um) / adlecto diurno parasito Apoll(inis) / tragico comico et omnibus corporib(us) / ad scaenam honor(ato) decurioni Bovillis / quem primum omnium adlect(i) patre(m) / appellarunt / adlecti scaenicorum ex aere collato / ob munera et pietatem ipsius erga se / (3)cuius (2)ob dedication(em) (4)sportulas dedit / (5)adlectis sing(ulis) (denarios) XXV decur(ionibus) Bovill(ensium) sing(ulis) (denarios) V / Augustal(ibus) sing(ulis) (denarios) III mulier(ibus) honor(atorum) et populo sing(ulis) (denarium) I / (6)ded(icata) III Idus Aug(ustas) Sossio Prisco et Coelio / Apollinare co(n)s(ulibus) curatore Q(uinto) Sosio Augustiano (InscrNr. 85 - CIL 14, 02408)
Wat betreft het element van de dedicatio zien we na de eigenlijke ere-inscriptie(1) eerst de vermelding van het monument onder de vorm van “cuius”(3), ten tweede de stereotiepe formule, die de stipulatie van de giften aankondigt(2), ten derde de bepaling van de giftcategorie “sportulas dedit”(4). Vervolgens krijgen we de bepaling van de gift per sociale klasse(5), waarbij de oprichters van het monument het meest krijgen, zijnde vijfentwintig denariën, de decuriones vijf denariën krijgen, de Augustales drie denariën, en de vrouwen van de geëerden en het volk elk één denarie krijgen. Tenslotte vermeldt de inscriptie nog op welke dag de inhuldiging plaatsvond(6), nl. 11/08/169 n.C., onder het consulaat van Sossius Priscus en Coelius Apollinaris.
3.2. De eigenlijke dedicatio?
Zoals reeds elders werd vermeld, waren er een hele resem handelingen, die vooraf gingen aan de eigenlijke inhuldiging.[1375] Het verloop van de feiten, dat van belang is voor dit hoofdstuk, begint bij het moment, waarop het besluit van de decuriones diende bekendgemaakt te worden aan de geëerde. In het vorige hoofdstuk bemerkten we reeds dat de bekendmaking niet zomaar een gebeuren was, maar wel degelijk een vooraf gepland en geënsceneerd, publiek gegeven was, waarbij een laudatio of lofrede op zijn plaats was[1376].
De dedicatio was dan volgens Erkelenz de tweede keer dat hetzelfde eerbetoon werd voorgesteld en de geëerde de oprichters kon bedanken, in hoogsteigen persoon of door middel van een familielid, die de honneurs in zijn naam in ontvangst nam en bijvoorbeeld een dankbrief van de geëerde kon voorlezen.[1377]
Waar sommigen uit de infrequentie van dit element in de ere-inscripties afleiden, dat de inhuldiging van een standbeeld geen algemeen voorkomend gebruik was[1378], kunnen we eerder stellen dat de giften en evenementen - door de geëerde verstrekt bij de inhuldiging - eerder de uitzondering op de regel waren. Dit kan worden gestaafd door het feit dat men in deze formule steeds spreekt van geven - dare - of organiseren - edere - waarbij de geëerde zelf de handelende persoon is. Dit wil dan zeggen dat de inhuldiging van een standbeeld steeds plaatsvond[1379] - het tegenovergestelde lijkt onmogelijk, het is ondenkbaar dat de oprichting van een standbeeld zonder enige ceremoniële bekendmaking plaats vond. Het gedrag van de geëerde, die zich met giften en evenementen evergetisch opstelde, was echter eerder uitzonderlijk en het daarom waard om vermeld te worden in de inscriptie.
Wat nu de precieze gebeurtenissen tijdens een dergelijke inhuldiging zijn, blijft redelijk vaag. Er wordt niet gesproken over een toespraak die eventueel zou kunnen hebben plaatsgevonden - de bovengenoemde laudatio, of over de kwestie of het monument al dan niet onthuld werd op de inhuldiging als climax van het gebeuren[1380]. Als we proberen een beeld te vormen van de gebeurtenissen die dag aan de hand van de elementen uit de ere-inscripties zelf, brengt ons dit tot de volgende vaststellingen.
Zoals boven al even werd aangehaald wordt de datering van de inscriptie met vermelding van een dedicatio vaak ingeleid door het woord “dedicata” of “posita”[1381]. Posita komt ook nog een enkele maal voor bij inscripties zonder inhuldigingselement. Maar wat opvallend is, is dat in de twee inscripties waarin posita met een datering gebruikt wordt, de zinsnede op die plaats staat waar normaal de inhuldigingsdatum (de dedicata-woordgroep) verwacht wordt of waar de dedicatio-woordgroep zou staan. Bijvoorbeeld in InscrNr. 399[1382], zien we dat de posita-woordgroep op de dedicatio-woordgroep volgt, waar men een dedicata-formule zou verwachten omwille van de vermelding van een datering.
Baebiae Pontiadi / optimae feminae / decreto ordinis Cur(ium) Sabin(orum) / consesus decurionum / et sevirum postulante / plebe posuerunt / haec gratias agens honore / contenta sumptus / remisit / ob cuius dedicatione(m) vi/ritim c<r>ust(u)<l>um et mul/sum et sportulas dedit / posita K(alendis) Iuni(i)s / Cn(aeo) Claudio Severo II / Ti(berio) Claudio Pompeiano co(n)s(ulibus) / IIIIvir(is) Cocceio Galerianio Sextio / Potho l(ocus) d(atus) d(e)cre(to) c(entumvirum) (InscrNr. 399 - CIL 09, 04970)
Voor Baebia Pontias, een voortreffelijke vrouw, bij decreet van de ordo van Cures Sabini, hebben decuriones en seviri, op vraag van het volk, eensgezind geplaatst om haar te bedanken. Tevreden met de eer heeft zij de kosten terugbetaald. O.w.v. de inhuldiging heeft zij aan iedere man koekjes en honingwijn en geldgiften gegeven. Geplaatst op de kalenden van juni onder het consulaat van Cnaeus Claudius Severus – voor de tweede keer – en Tiberius Claudius Pompeianus, onder de IIIIviri Cocceius Galerianius en Sextius Pothus. Plaats toegekend bij decreet van de honderdmannen.
Soms worden beide elementen - ingeleid door resp. dedicata en posita - echter van elkaar gescheiden, door de respectievelijke teksten op een apart tekstvlak te zetten. Dit gebeurde namelijk met de teksten van InscrNr. 177[1383], waarbij de posita-woordgroep mee op de voorzijde kwam te staan als additie aan de eigenlijke ere-inscriptie, en de dedicatio-groep op een ander zijvlak van het monument geplaatst werd.
Voorzijde: M(arco) Pontio M(arci) f(ilio) / Quir(ina) Felici / senatori aedil(i) / munic(ipii) sodal(i) / itemq(ue) aedil(i) / et curat(ori) sodal(ium) / municipes et / incol(ae) ex a(ere) c(ollato) / ob innoc(entia) et ad/siduit(ate) ceterasq(ue) / administr(atione) eius / posit(a) VIIII K(alendas) Iunias / M(arco) Antonio Rufino / S(purio) Octavio Lenat[e] / cons(ulibus) //
Rechterzijde: Sta(tuae) dedicat(ione) / po[pu]l[o epu]lu(m) / et mul[sum] / de[dit]
(InscrNr. 177 - CIL 14, 02636)
Voor Marcus Pontius Felix, zoon van Marcus, van de Quirina tribus, senator, aediel van de municipium, sodalis, aediel en curator van de sodales, (hebben) de municipes en incolae uit een geldinzameling (opgericht) o.w.v. diens rechtschapenheid en standvastigheid en verdere bewezen diensten. Geplaatst op de 9e kalenden van juni onder het consulaat van Marcus Antonius Rufinus en Spurius Octavius Lenas. Bij de inhuldiging van het standbeeld heeft hij aan het volk een feestmaal en honingwijn gegeven.
Deze plaatsing van deze woordgroepen kan misschien slechts toeval zijn, gezien het slechts twee enkele en geïsoleerde gevallen zijn. Maar indien zij staan voor een algemene tendens, waarbij posita en dedicata verwisselbaar worden aangewend, zouden we de stelling kunnen poneren dat op de dag van de inhuldiging de plaatsing van het monument geschiedde. Dit wordt bevestigd door Erkelenz, die op een andere manier tot dezelfde conclusie was gekomen. Hij stelde dat het nauwelijks denkbaar was, dat een beeldhouwer op de plaats van de opstelling het standbeeld afwerkte en de passant slechts per toeval zou merken dat het af was. Volgens hem was het daarom een deel van de inhuldiging, waarbij het standbeeld bij een formele gelegenheid aan het publiek werd bekendgemaakt.[1384]
3.3. Wanneer werd het element van de dedicatio neergebeiteld?
De vermelding van de dedicatio betekent echter niet noodzakelijk dat er ook effectief gewacht werd met het beitelen ervan. We zien bijvoorbeeld bij inscriptie nr. 31. CIL 14, 367 dat de tekst een geheel vormt en dus op één en hetzelfde moment moet zijn aangebracht. We weten dus niet wanneer dit precies plaatsvindt. Dit wekt in ieder geval de indruk dat met het beitelen van het opschrift werd gewacht tot de dag van de inhuldiging voorbij was en de inscriptie aldus pas achteraf zou zijn aangebracht. De vermelding van deze reactie impliceert in elk geval dat op zijn minst gewacht werd tot de gehuldigde blijk had gegeven van zijn intenties. Dit vinden we ook terug wanneer we de vermelding van de formule “h(onore) a(ccepto) i(mpensam) r(emisit)” – of zijn aanverwanten – tegenkomen, waarbij men het beitelen eveneens moet opgehouden hebben, maar men echter niet hoefde te wachten tot de dag van de inhuldiging.
Zoals boven reeds werd aangehaald zijn er ook inscripties, die getuigen dat de tekst in verband met de inhuldiging pas achteraf werd aangebracht. In dergelijke gevallen hoefde men niet noodzakelijk wachten tot de geëerde al dan niet zou reageren vóór het plaatsvinden van de dedicatio. Dit betekende in ieder geval ook dat de oprichters een dergelijke reactie dermate waardeerden, dat ze het belang ervan inzagen deze tekst vooralsnog op de steen aan te brengen.
Anderzijds kunnen we ons ook nog de bedenking maken, dat het op één of andere manier moest openbaar gemaakt worden aan de rest van de bevolking wanneer de inhuldiging plaatsvond. Aangezien dit niet gebeurde in het decreet, waarin de decuriones bepaalden, dat en waar een monument mocht opgericht worden door de dedicantes. Misschien had de ere-inscriptie dan zelf deze functie van publiekmaking, op voorwaarde natuurlijk dat het ere-standbeeld reeds was geplaatst vóór de inhuldiging mét tekst en mét vermelding van wat bij de dedicatio zou gebeuren.
3.4. Voorwerp van de inhuldiging.
Betreffende het voorwerp van de inhuldiging, zijnde het eremonument, is de dedicatio vaak het enige moment in de inscriptie waar het voorwerp ter sprake komt. Spijtig genoeg gebeurt deze vermelding echter voornamelijk in de vorm van het bovengenoemd voornaamwoord, waardoor het nut van dit element teloor gaat voor de identificatie van het type monument o.b.v. de inhoud van de inscriptie. Het voorwerp van de inhuldiging - het erestandbeeld - werd echter geëlaboreerd besproken in hoofdstuk 3.[1385]
4. Geografische en chronologische duiding van de dedicatio.
4.1. Geografische spreiding.
Laten we vervolgens de geografische spreiding van de inscripties met melding van een dedicatio bekijken. Dit kunnen we op drie manieren doen: 1) op basis van alleen de inscripties met dedicatio, 2) op basis van de inscripties met dedicatio tegenover het aantal ere-inscripties per regio en 3) op basis van de inscripties met dedicatio tegenover het geheel aantal inscripties per regio.
4.1.1. Spreiding van de inscripties met dedicatio over de elf regiones.
Ten eerste kunnen we dus de verdeling van de 122 inscripties met dedicatio bekijken over het gehele Italische schiereiland en de elf regiones. De gegevens en percentages werden verwerkt in bijlage 130, waarbij de spreiding gevisualiseerd werd door middel van een frequentiekaart.[1386] Dit eerste geeft een mooie spreiding weer van het gebruik van de formule op basis van “dedicatio”. Op basis van deze gegevens kunnen we vaststellen dat het grootste gedeelte van de inscripties met dedicatio afkomstig is uit het centrale gedeelte van het schiereiland (R. I, IV-VII, 103/122 - 84.43%), waardoor er een concentratie lijkt te zijn geweest door de metropool Roma. Het zuiden is slechts door een vijftiental inscripties met dedicatio vertegenwoordigd (R. II-III, 15/122 - 12.30%), maar dit is nog steeds zeer weinig tegenover de vier noordelijke regiones - VIII t.e.m. XI - (4/122 - 3.28%), waarvan regio IX zelfs helemaal geen aandeel heeft in de inscripties, die in dit hoofdstuk onder de loep genomen worden. De regio, die hier best vertegenwoordigd is, is Umbria (R. VI) met 29.51% en Latium et Campania (R. I) met 28.60%. De minst vertegenwoordigde regiones, met uitzondering van Liguria (R. IX), die geen inscripties met dedicatio heeft, zijn dan Venetia et Histria en Transpadana (R. X en XI) met ieder 0.82%.
4.1.2. Inscripties met dedicatio t.o.v. de ere-inscripties per regio.
Een andere manier is om het aantal inscripties met dedicatio te vergelijken tegenover het aantal ere-inscripties, die we per regio behandelen in dit corpus. Dit zou een ander beeld kunnen geven, doordat op een andere manier de representativiteit van de inscripties met deze formule wordt gemeten, namelijk per regio op het aantal ere-inscripties, die hieruit afkomstig waren.[1387]
We krijgen eigenlijk een gelijkaardig algemeen beeld, als hierboven werd geschetst, alleen treden er wel verschuivingen op in het centrale gedeelte van de landtong. We zien dat het Noorden even licht gekleurd is en dat de formule o.b.v. dedicatio daar dus niet echt populair was, zeker niet in vergelijking met de formules uit de andere ere-inscripties. Venetia et Histria blijft nog steeds de minst vertegenwoordigde regio, waar slechts 1.85% van de inscripties deze formule vermeldt.
In het Zuiden zien we een iets donkerdere kleuring dan in het Noorden, waarbij de formule populairder was en dus meer gebruikt werd in regio III dan in regio II. Deze streek blijft dus nog steeds een tussenpositie bekleden.
In het centrum trad zoals gezegd een verschuiving op, waarbij voornamelijk regio V een opmerkelijk cijfer geeft: hoewel we in deze regio slechts twintig ere-inscripties hadden aangetroffen, die één van de formularia bevatte, waarop de selectie van dit corpus werd gemaakt, vinden we in de helft hiervan de dedicatio-formule terug. Op de tweede plaats vinden we Umbria (R.VI), waarbij 37.50% van de ere-inscripties uit deze regio de dedicatio-formule draagt. In deze regio is dus eigenlijk het voorkomen van deze formule het meest representatief, zowel wat betreft de verspreiding van de formule over het schiereiland, als de vertegenwoordiging ervan binnen de ere-inscripties van regio VI. Hoewel regio I in de vorige tabel de tweede best vertegenwoordigde regio was inzake de verspreiding van deze formule, zien we dat op het globaal overzicht aan ere-inscripties uit deze regio, de giften bij de inhuldiging eigenlijk relatief weinig voorkwam in tegenstelling tot de andere manieren van munificentia.
4.1.3. Inscripties met dedicatio t.o.v. het totaal aantal inscripties per regio.
Tenslotte kunnen we - om dezelfde reden als de vorige methode, nl. de representativiteit van de formule per regio bekijken - nog het aantal inscripties met dedicatio vergelijken met het totaal aantal inscripties, die in deze regiones zijn gevonden.[1388] Hiermee wordt dus gedoeld op zowel de funeraire, bouw-, wij-, keizer- en honoraire inscripties, ergo ieder te onderscheiden type incluis. Het is namelijk zo dat we niet alle ere-inscripties hebben opgenomen in dit corpus, zodat ook bovenstaande methode een vertekend beeld kan geven. Deze manier is echter zelf ook niet feilloos, omdat de verdeling van de verschillende types inscripties per regio niet steeds gelijk is en daarbij werd nog niet getracht het geheel aan inscripties exact onder die categorieën onder te verdelen.
Ook hier krijgen we een gelijkaardig beeld als in de eerste tabel van geografische verspreiding van de formule over de verscheidene regiones. Het Noorden blijft het lichtst gekleurd en dus het meest ondervertegenwoordigd door deze formule in de inscripties. Omdat net Venetia et Histria zo rijk is aan epigrafische opschriften, is deze regio ook hier weer de hekkensluiter van het geheel (0.0079%).
Het zuiden bekleedt ook hier weer de tweede plaats, waarbij Apulia et Calabria (R. II) zeer licht gekleurd is en deze formule dus op het globaal aantal inscripties weinig voorkomt. De regio Bruttium et Lucania (R. III) blijkt deze traditie van het schenken van geld of voedsel of organiseren van spelen bij de inhuldiging minder ongewoon op het beperkt aantal inscripties (slechts 1267), die uit deze regio afkomstig zijn.
Tenslotte hebben we het centrale gedeelte van de nes, dat ook hier weer het donkerst gekleurd is. Regio I, dat de meeste inscripties telt, heeft hier eigenlijk geen echte plaats van belang, maar in tegendeel is ook hier regio VI de best vertegenwoordigde regio met deze formule. Regiones IV en V volgen hier op de voet.
4.1.4. Bemerkingen.
Zoals blijkt uit de bovenstaande gegevens, die op drie verschillende manieren werden bijeen gebracht, zien we aldus dat regio VI - Umbria - eigenlijk de meest representatieve regio is wat betreft het voorkomen van de dedicatio-formule in de ere-inscripties. Het Noorden van de nes - regiones VIII t.e.m. IX - blijkt het minst vertrouwd met dit fenomeen of althans met het gebruik van deze formule in de ere-inscripties. Het zuiden bekleedde telkens een tussenpositie, waarbij de cijfers telkens niet overweldigend waren, en waarbij men in regio III meer vertrouwd was met het gebruik van deze formule dan in regio II. Het centrale gedeelte van de Italische landtong kent de meeste inscripties met melding van dit verschijnsel, waarbij regiones IV, V en VI iedere keer het voortouw nemen. Hoewel in regio I de meeste inscripties met dit formularium werden aangetroffen, lijkt hun aantal toch nog relatief laag in tegenstelling tot de andere inscripties, die er gevonden zijn.
Wanneer we een verklaring gaan zoeken voor de grote discrepantie tussen het noordelijke (R. VIII-XI) en zuidelijke gedeelte (R. I-VII) van de nes, brengt een vergelijking tussen de waarden van de bevolkingsdichtheid per regio, of per streek, ons weinig bij. Wat betreft de bevolkingsdichtheid is het centrale gedeelte van Italia inderdaad de koploper, terwijl het Noorden slechts een beperkt aantal vestigingen kende. De rijkdom van de respectievelijke regiones daarentegen breekt dit beeld dan weer af, doordat deze voornamelijk geconcentreerd was in de noordelijke regiones.[1389] En net deze rijkdom was dan weer de premisse om bij de inhuldiging aan evergetisme te kunnen doen.
Het verschil moet aldus eerder in de tradities en gewoonten gelegen hebben van de verscheidene regio’s. De populariteit in het centrum van Italië is misschien eerder te wijten aan de proximiteit tot de hoofdstad, waar men het gebruik van “brood en spelen” kende en waar men alsook kon genieten van de alimenta principis, hetgeen de omliggende gemeenschappen zouden kunnen geïmiteerd hebben en vermaakt hebben tot een eigen gebruik. Men kent inderdaad het bedelen van brood in die gemeenten – kijk maar naar de formule “panis et vinum” (13/119; 10.92%) – maar het gebruik om spelen te geven bij de inhuldiging was veel minder gebruikelijk (slechts 4/119; 3.36%). Daarbij was de alimenta principis een filantropische instelling[1390], daar waar de dedicatio eerder een honorifiek gegeven was, dat niet noodzakelijk was voor het levensonderhoud van de armere bevolking, maar een herverdeling van de rijkdom inhield ten voordele van de rijkere klassen (cf. infra). Maar al te vaak wordt verwezen naar de veronderstelling dat de gebruiken van de hoofdstad Rome werden overgenomen, geïmiteerd of aangepast door de appositionele municipaliteiten en regiones. Men moet namelijk steeds de bedenking voor ogen houden dat Roma een metropool was en in veel opzichten danig verschilde van de andere gemeenten en zelfs regiones. Vandaar dat deze waarschuwing hier op zijn plaats is en de gewoonten en gebruiken eerder door andere invloeden gestuurd konden worden, hoewel de hoofdstad wel steeds een zekere influentie moet gehad hebben.
Stellen dat het Noorden dit gebruik niet kende, zou eveneens een ondoordachte conclusie zijn. Eerder moeten we onze interpretatie in een andere richting zoeken. Misschien vonden zij het ofwel niet nodig te vermelden dat de geëerde zich bij de inhuldiging evergetisch had opgesteld, ofwel waren de inhuldigingen van een veel bescheidener allooi en kwamen ze daardoor in mindere mate aan bod, omdat deze in het niets verbleekten in vergelijking met hun andere weldaden. Het gebruik van voedsel- en geldschenkingen was echter zeker gekend bij feesten als bij de Parentalia[1391], of voor evenementen bij rites-de-passage (cf. infra), zoals bijvoorbeeld bij de opname van de toga virilis.[1392]
4.2. Chronologische spreiding.
4.2.1. Algemene chronologische spreiding.
Hoewel bij de individuele giften en evenementen eveneens een chronologie zal worden opgesteld, is het alvast handig een algemeen chronologisch overzicht aan te bieden van het voorkomen van de dedicatio-formule in de inscripties. Van de 122 inscripties waren er slechts twaalf inscripties niet te dateren (12/122 - 9.84%), vijf behoorden tot de eerste of tweede eeuw n.C. (5/122 - 4.10%), één tot de eerste tot derde eeuw n.C. (1/122 - 0.82%) en zevenentwintig tot de tweede of derde eeuw n.C. (27/122 - 22.13%). Voorts waren er negenenvijftig inscripties op zijn minst op een eeuw nauwkeurig te dateren (59/122 - 48.36%), waarvan drieënveertig op een kwart eeuw nauwkeurig (43/122 - 32.25%) en slechts zeven alleen op de halve eeuw nauwkeurig (7/122 - 5.74%).
Wanneer we deze gegevens vervolgens - na ze eerst in een overzichtelijke tabel[1393] gegoten te hebben - visueel proberen voor te stellen, komen we tot een aantal vaststellingen. Omdat toch bijna een derde van de inscripties tot op een kwart eeuw nauwkeurig te dateren waren, werd er eerst voor gekozen een grafiek op te stellen, met de aantallen per kwarteeuw (figuur 66). De onderste, donkergekleurde delen van de tabel duiden op de exact tot op een kwarteeuw te dateren inscripties, terwijl de meer heldere delen de breder te dateren inscripties aanduiden, waaronder ook de desbetreffende kwarteeuw valt.

Zoals blijkt uit bovenstaande grafiek zijn de meeste inscripties, die de formule o.b.v dedicatio bevatten, afkomstig ut de tweede of derde eeuw, met nadruk op het midden van de tweede eeuw n.C., ergo het tweede en derde kwart van de tweede eeuw n.C. Er is slechts één inscriptie, die met zekerheid tot (het vierde kwart van) de eerste eeuw kan toegewezen worden.
Deze cijfers geven ons dan wel een inzicht op de meer precieze chronologische spreiding, maar een overzicht per halve eeuw zou misschien nog duidelijker kunnen zijn. Daarom dat in de volgende grafiek (figuur 67) de dateerbare inscripties werden geordend per halve eeuw om een duidelijker beeld van de verspreiding in tijd te verkrijgen. Ook hier hebben de donker gekleurde gegevens de betrekking op de inscripties, die exact tot deze eeuw te dateren waren, terwijl de licht gekleurde gegevens slaan op die inscripties, die over een grotere periode te dateren zijn en bijgevolg bij iedere halve eeuw werden gerekend, waartoe zij zouden kunnen behoren.

Nog beter dan de vorige figuur toont deze grafiek de chronologische spreiding aan van de formule: het gebruik was vanaf de eerste eeuw n.C. - meer bepaald het laatste kwart van deze eeuw - wel gekend, maar wordt pas veelvuldig in gebruik genomen vanaf de tweede eeuw en zo continu tot in de derde eeuw bekend. De piek van deze formule bevindt zich echter wel in de tweede eeuw n.C., beginnend vanaf het midden van deze eeuw en met zijn climax in de tweede helft van
deze eeuw. De vorige grafiek was echter wel aanvullend voor deze grafiek, omdat we anders niet hadden geweten dat deze formule pas vanaf laat in de eerste eeuw teruggevonden werd in de inscripties, en de grafiek begon te pieken van het midden van de tweede eeuw n.C.
4.2.2. Romeinse kalender: analogie betreffende de chronologie?
Bij een aantal van de inscripties uit dit corpus, tweeëntwintig om precies te zijn (22/696 - 3.16%) zien we ook dat een exacte datum wordt gegeven voor de inhuldiging of plaatsing van het eremonument.[1394] Omdat het toch om een niet onaanzienlijk aantal gaat in vergelijking met het aantal inscripties, waarin een dedicatio-formule aan bod komt (22/122 - 18.03%), begon de vraag te rijzen of deze dag specifiek werd uitgekozen of het slechts om een willekeurige dag ging, naargelang de geëerde en de decuriones tijd hadden voor deze gebeurtenis.
Omdat reeds eerder werd vermeld dat ook het overbrengen van de beslissing van de decuriones door middel van een officiële delegatie geen willekeurige gebeurtenis was, maar wel een vooraf geplande, officiële aangelegenheid, zouden we hetzelfde kunnen vermoeden voor de dag, waarop de inhuldiging van het eremonument zou geënsceneerd zijn. De vraag is of we bewijzen kunnen vinden voor deze hypothese in de inscripties zelf en waarom dan precies een bepaalde dag werd verkozen boven andere dagen.
i. Verjaardag.
Een eerste mogelijke interpretatie werd ons aangeboden door Erkelenz. Die stelde dat feesten, zoals de dedicatio, vaak plaatsvonden op de verjaardag van de geëerde en waarbij diens persoonlijke aanwezigheid des te meer vereist was.[1395] Dit laatste element kan echter geen argument zijn voor het postulaat dat de inhuldiging op de verjaardag van de geëerde viel, aangezien we vrij zeker zijn dat de geëerde zelf de honneurs kwam waarnemen, door de uitdrukking dedit. Wanneer hij niet ter plekke kon zijn, kon hij deze taak overdragen op een verwant of naaste vriend, waarbij dan eerder de formule dare iussit gebruikt werd. Wanneer we nu in de inscripties, waarin de dag van de inhuldiging wordt gespecificeerd, gaan zoeken naar giften, die jaarlijks moeten uitgedeeld worden op de verjaardag van de geëerde, komen we slechts in drie inscripties ook de verjaardagsdatum te weten van de geëerde. En in geen van de drie inscripties komt deze ook overeen met de datum van de inhuldiging.[1396] Deze interpretatie wordt niet uitgesloten, maar kan althans niet bewezen worden door de voorhanden inscripties.
ii. Romeinse feestdagen?
Een andere mogelijke interpretatie is dat de dagen werden uitgekozen volgens de officiële Romeinse kalender. Indien deze dagen effectief samenvielen met de officiële feestdagen, kon men deze gebeurtenis makkelijk integreren in het verloop van de officiële festiviteiten. Het kader, waaraan de inhuldiging dan werd opgehangen, was dan ook afhankelijk van de aard van het feest en het daarbij aangeboden programma.[1397]
Het is echter zo dat we de Romeinse kalender kennen, zoals ze dus in de metropool Roma was opgesteld en er gangbaar was.[1398] De kalenders uit de municipaliteiten - die wegens hun hoofdzakelijk religieuze karakter door de magistraten en de magistri werden opgesteld - varieerden echter in verloop van gemeente tot gemeente, maar moeten toch enige gelijkenis vertoond hebben met de ceremonieën te Rome.[1399] Daarom kunnen we hier alleen de data vergelijken met de officiële Romeinse kalender.
iii. Vijf types dagen.
Wanneer we het over de Romeinse kalender hebben, moeten we vooreerst wat informatie geven over het onderscheid dat men maakte tussen vijf types dagen, die ieder hun eigen functie hadden. Op de Romeinse kalender maakte men namelijk onderscheid tussen[1400]: 1) de dies comitiales (C), op deze dagen mochten burgers deelnemen aan stemmingen over politieke en criminele zaken; 2) de dies fasti (F), waarop wettelijke acties waren toegestaan, de zogenaamde de gerechtsdagen; 3) de dies nefasti (N), hierop mochten geen rechtszittingen of volksvergaderingen gehouden worden om religieuze redenen; 4) de nefasti publici (N’), op dergelijke dagen deed men aan speciale religieuze observatie; en tenslotte 5) de endotercisus (EN) – waarop men ’s morgens kon gaan stemmen en in de namiddag niet, of omgekeerd.
Uit de bijgevoegde tabel[1401] kunnen we opmaken, dat geen enkele inhuldiging werd gehouden op een endotercisus. Deze dag vond echter slechts acht keer per jaar plaats en dit resultaat zou bijgevolg toeval kunnen zijn. Voorts viel de dedicatio twee maal op een dies fastus en een dies nefastus (ieder 2/22 - 9.09%). De meest opmerkelijke cijfers zijn de volgende aantallen: 6 keer valt de inhuldiging op een nefastus publicus (6/22 - 27.27%) en wel 10 keer op een dies comitialis (10/22 - 45.45%). Er was dus blijkbaar wel een voorkeur om inhuldigingen te laten plaatsvinden op een dag, waarop men aan politieke en criminele stemmingen mocht deelnemen - ergo de gewone, normale dagen, of die dagen speciaal voorzien voor religieuze aangelegenheden.
iv. Vergelijking met de festiviteitenkalender.
Op zich leert deze indeling op basis van de types dagen ons niet veel, dus rest ons niets anders dan de vermelde dagen te vergelijken met de festiviteitenkalender uit Rome. Wanneer we dan gaan zien of de desbetreffende dagen samenvielen met jaarlijkse (religieuze) feestelijkheden of spelen, blijkt dat bij negen van de tweeëntwintig inscripties de dag van de inhuldiging overeenkomt met een feestelijke aangelegenheid (40.91%)[1402]. Vier inscripties vallen kort voor of na een festiviteit (18.18%) en negen lijken geen verband te hebben met een evenement (40.91%). In dertien inscripties (59.09%) wou men blijkbaar dat de inhuldiging plaatsvond op een dag – of kort erna of ervoor, die al bol stond van allerlei activiteiten, waaronder vaak ook het nuttigen van voedsel en drank.
Aanvankelijk was het de bedoeling in deze dissertatie om de verschillende feesten en hun programma te overlopen, om zo het kader, waarbinnen de inhuldigingen geplaatst werden, te (re)construeren. Een diepgaand onderzoek werd echter verhinderd, doordat we ofwel niets uit de inscriptietekst konden afleiden dat een verband aantoonde tussen het feest en de inhuldiging, ofwel doordat de inscriptie te fragmentarisch was om iets uit te kunnen afleiden. Toch willen we u een voorbeeld meegeven, waarin eventueel een band kan gezien worden tussen de geëerde, de dedicantes en het feest, waarmee de inhuldiging samenviel.
Ook in februari kennen we namelijk een inhuldiging, die samenviel met een Romeins evenement, meerbepaald met de Equirria (InscrNr. 498)[1403]. Op 27 februari vonden koersen met paarden voor strijdwagens gespannen plaats op het Marsveld ter ere van de god Mars. Op dit moment werd het agrarisch, maar ook het militaire jaar ingezet, hetgeen men als een reine periode beschouwde, omdat na de Feralia de doden en hun tomben gekalmeerd waren. Zo werd aldus niet alleen het oorlogsseizoen ingeluid, maar ook het vegetale voorjaar en de procreatie.[1404] Wanneer we naar de desbetreffende inscriptie kijken, zien we dat de geëerde in kwestie vader was van twee mannen, die het tot equites hadden geschopt, hetgeen een eerste link zou kunnen zijn geweest met dit feest. Anderzijds werd de inscriptie opgericht door de amatores Romuli voor hun patroon en het toeval wil dat Romulus de zoon was van Mars, de god die op deze dag geëerd werd. Zowel de dedicantes als de patroon van deze groep waren dus door hun beroep verbonden met deze godheid en konden deze tegelijkertijd met de patroon van hun collectief eren.
Enerzijds kan men stellen dat het zo tweemaal feest was in een gemeente door de inhuldiging van een monument aan een bepaald feest te koppelen. Daarbij komt nog het feit dat bij een aantal feesten alleen eten was voorzien voor exclusieve groepen vb. de Ludi Megalenses (4-10 april) voor de patricische families, terwijl op andere dagen ook het plebs aan dergelijke maaltijden mocht deelnemen, vb. bij de Ludi Cereales (12-19 april) waarbij uitgebreide maaltijden werden voorzien voor het plebs.[1405] Interessant zou zijn geweest om deze theorie aan de epigrafische praktijk te kunnen toetsen, hetgeen hier echter niet mogelijk was.
Anderzijds kunnen we het ook omdraaien: de organisatie van een inhuldiging op een dag dat reeds voorbehouden was voor een feest kreeg extra cachet dankzij dit feest en maakte de inhuldiging ook net dat beetje specialer. De geëerde mocht niet alleen op die dag door de oprichting van een standbeeld de honneurs komen ontvangen voor bewezen diensten, maar kreeg nog meer eer toegekend door de organisatie op een niet doordeweekse dag te laten plaatsvinden.
In 17 van de 22 inscripties (77.27%) vallen de inhuldigingen op of voor de Kalenden van een maand: 13 keer ervoor, 3 keer erop, en 1 keer onbekend. In de overige 5 van de 22 inscripties (22.73%) vallen de inhuldigingen op of voor de Iden van een maand: 4 keer op de Iden zelf, en één keer ervoor. Geen enkele inscriptie met melding van een inhuldiging valt echter in de periode voor de Nonen of op de Nonen zelf, wat over het algemeen een drukke periode was voor de Romeinen, volgeboekt met feesten en andere aangelegenheden.
Tenslotte kan nog kort bemerkt worden, dat indien de geëerden uit de municipaliteiten zich inderdaad spiegelden aan de festiviteitenkalender van caput Roma, dit enigszins tekenend kan zijn voor de geografische verspreiding: de noordelijke regiones waren zoals gezegd het minst vertegenwoordigd wat betreft de dedicatio-formule. Indien de feestelijke inhuldiging inderdaad het equivalent van een (quasi-)gelijktijdige gebeurtenis te Rome was, kan de afstand tussen Roma en deze regiones de invloed beperkt hebben, waarbij voornamelijk de eigen gewoontes waren blijven bestaan in deze streek.
5. Elementen van de formulering.
5.1. Evergeet.
Vooraleer we overgaan tot het bekijken van de verschillende weldaden, die de geëerde op de dag van de inhuldiging ter beschikking kon stellen van zijn dedicantes en het publiek, kunnen we even een beeld schetsen van het sociaal profiel van de geëerde, die zich evergetisch betoonde bij de dedicatio.
Het algemeen beeld - zoals het geschetst wordt in bijlage 136[1406] - maakt ons duidelijk dat het voornamelijk de municipale elite was - zowel de equites (16.29%) als de gewone municipale bourgeoisie in het bijzonder (41.80%) - die zich evergetisch opstelden bij de inhuldiging van hun eremonument. Op een afstand zijn het de *Augustales, die de derde plaats bekleedden met minder dan tien procent van de inscripties met dedicatio.[1407]
Hoewel deze cijfers en procentberekeningen voor zich spreken, willen we toch nog de percentages van de sociale verdeling van de ere-inscripties hiernaast leggen om te zien in hoeverre deze cijfers afwijken van de algemene vertegenwoordiging door de sociale categorieën. De onderstaande figuur 68 zet de percentages van de sociale status van de evergeet-geëerden uit de dedicatio-inscripties tegenover de geëerden van de 696 ere-inscripties uit dit corpus.
|
Figuur 68: Sociale status van de geëerden, resp. uit de inscripties, waarin dedicatio voorkomt (122), en het totaal aantal ere-inscripties (696). |
||
|
Status |
% dedicatio |
% ere-inscripties |
|
1. |
1.64 |
10.78 |
|
2. |
4.92 |
9.48 |
|
3. |
16.29 |
15.66 |
|
4. |
41.80 |
29.89 |
|
5. |
1.64 |
2.01 |
|
6. |
9.02 |
5.32 |
|
7. |
1.64 |
1.29 |
|
8. |
7.38 | |