| Scientology: vrijheden in conflict. (Pieter Blondeel) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
DEEL IV: Politiek
IV.1 Algemeen
IV.1.1 Inleiding
Bibliografie:
De Verlichte Leegte: Semi-Religieuze Bewegingen onder de loep. (Studiekring Vrij Onderzoek, Brussel. 1985).
Chauvaux, Dirk. ‘Sekten en Politiek’. p215-236.
De Droogh, Luc & Degrieck, Marijke. ‘Het rapport van Meester Witteveen: een kritiek’. p237-270.
Kranenborg, R. & Stoker, W. (red.). ‘Religies en (on)gelijkheid in een plurale samenleving’. Uitgeverij: Garent. Leuven/Apeldoorn, 1995.
Vroom, Henk. ‘Brede en smalle gelijkheid: Gelijkheid – levensbeschouwing – plurale cultuur’. p17-36.
Stoker, Wessel. ‘Gelijkheid in de westerse democratie: ontstaan en begrip’. p37-58.
Droogers, André. ‘Spelregels voor het religieuze verkeer’. p131-148.
Kranenborg, Reender. ‘Het denken over sekten: Grond van ongelijke behandeling’. p209-224.
Struys, Alies. ‘Neutraliteit en gelijkheid: Liberaal overheidsbeleid ten aanzien van minderheidsgroepen’. p225-244.
Merks, K.W. & Beck H.L. (red.) ‘Religious Pluralisme. Dynamiet of Dynamiek?’ Uitgeverij: Ambo, Amsterdam, 1997.
Vermeulen, Ben. ‘Religieus pluralisme als uitdaging aan de rechtsorde. De plaats van vrijheid van godsdienst in de levensbeschouwelijk-neutrale staat’. p57-76.
Morelli, Anne. ‘Open brief aan de sekte van de sektetegenstanders’. Uitgeverij EPO. 1997.
Pinxten, Rik (red.) ‘Geef aan de keizer: omtrent religie en politiek’. Uitgeverij Kritak, Leuven, 1993.
Pinxten, Rik. ‘Staat en religie: een inleidende her-verkenning’. p17-26.
Bauer, Raoul. ‘Over de verhouding tussen religie en politiek in de westerse cultuur’. p71-82.
Raes, Koen. ‘De ethische grondslagen van de neutrale lekenstaat en van het levensbeschouwelijk pluralisme’. p85-100.
van Neste, Fernand. ‘Recht, politiek en menselijk geweten’. p101-112.
Mortier, Freddy. ‘De moraal als scheidsrechter tussen geloof en lekenstaat’. p127- 136.
Deel IV bevat een eerder praktische verkenning van de these dat de politieke dimensie, namelijk de aandacht aan beleidsmaatregelen, een belangrijke motor vormt in de polarisatie van het sektendebat.
Nieuwe religieuze bewegingen, sekten, en meer specifiek Scientology zijn reeds meermaals voorwerp van onderzoek geweest in verschillende landen. Meer dan eens werd via politieke weg een voorstel ingediend tot onderzoek van het fenomeen sekten. Er werden zelfs af en toe onderzoekscommissies ingesteld die specifiek de organisatie Scientology als voorwerp van studie hadden.
Daarnaast ontvangen deze rapporten, of beter gezegd deze landen, kritiek uit verschillende hoeken. Enerzijds aan de hand van twee rapporten van de US Department of State, het ene over mensenrechten, het ander over religieuze vrijheden. Anderzijds is er ook de OSCE of CSCE (Organization/Conference for Security and Co-Operation in Europe), ook gekend onder de naam 'Helsinki Commission'.
In wat volgt geef ik een chronologisch overzicht van de verschillende onderzoekscommissies, -rapporten en -verslagen hieromtrent, gekoppeld aan een beknopte weergave van de voornaamste conclusies en aanbevelingen die hierin werden gemaakt.
In het hoofdstuk dat daarop volgt, zal uitgebreider worden ingegaan op de situatie in de Verenigde Staten, België, Frankrijk, Duitsland en Europa.
Praktisch gezien wordt de godsdienstvrijheid verzekerd door onder andere artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens: "Eenieder heeft het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst: dit recht omvat tevens de vrijheid van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen zowel in het openbaar als in het particuliere leven, zijn godsdienst of overtuiging te belijden door het onderwijzen ervan, door de praktische toepassing door eredienst en het onderhouden van geboden en voorschriften".
Massimo Introvigne maakt in het artikel 'Who is afraid of Religious Minorities?: The Social Construction of a Moral Panic'[51] een onderscheid tussen Type I en Type II rapporten. "[...], some of the European parliamentary and other official reports generated after the Solar Temple incidents have adopted an interpretative model inflating rather than deflating moral panics." (Massimo Introvigne. 1999. p.2). Type I rapporten zouden geen gebruik maken van academische expertise, enkel vertrouwen op kritische en negatieve informatie van ex-leden en de ACM (anti-cult movement); nieuwe religieuze bewegingen éénzijdig als 'sekten' typeren en bijgevolg religieuze elementen ontkennen en steunen op het brainwashingmodel. Hierbij rekent hij het Franse (1996), Belgische (1997) en grote delen van het Zwitserse rapport (1997). Type II rapporten maken daarentegen wel gebruik van academische expertise, vertrouwen niet alleen op informatie van ex-leden en staan zelf kritisch tegenover de 'sekte'-definitie.
Stephen Kent stelt dat het strategische 'frame', dat door Scientology werd gekozen, namelijk dit van van mensenrechten en meer specifiek religieuze vrijheid, verreikende implicaties heeft in het internationale debat:
"[...] since it attempts to legitimate and motivate collective action by creating a shared understanding of issues-in this case within the widely accepted discourse of human rights. [...] this analysis of Scientology's strategic framing has direct and immediate implications for the social policy debates about "sects" or "cults" that are raging between France, Germany, Belgium, and the United States, particularly regarding Scientology."
(Stephen A. Kent. 2001. p.9)
Naast de parlementaire rapporten zal ook aandacht worden besteedt aan verschillende sekteobservatoria in deze verschillende landen, aangezien ook deze een belangrijke (f)actor in het sektendebat vormen.
IV.1.2 Onderzoekscommissies, verslagen en rapporten
Hier wordt een overzicht gegeven van de parlementaire onderzoekscommissies naar sekten of naar Scientology. De verslagen met betrekking tot België, Frankrijk, Duitsland en Europa worden niet in dit, maar in het volgende hoofdstuk besproken. Van de overige verslagen, namelijk die uit Australië, het Verenigd Koninkrijk, Zuid-Afrika, Nieuw-Zeeland, Canada, Zwitserland en Nederland wordt hier een overzicht gegeven, gevolgd door een beknopte samenvatting:
1963-1965. Australië, Victoria. Kevin V. Anderson. ‘Report of the Board of Enquiry into Scientology’.
1969; Nieuw-Zeeland. Guy Richardson Powles and Eric Vernon Dumbleton. 'Commission of Inquiry into Scientology'.
1969-1972. Zuid-Afrika. G. R Kotzé. 'Report of the Commission of Enquiry into Scientology'.
1969-1971. Verenigd Koninkrijk. John Foster. 'Enquiry Into the Practice and Effects of Scientology’.
1970-1971. Canada, Ontario. John A. Lee. ‘Lee Report on Dianetics and Scientology: Chapter 4 of Sectarian Healers and Hypnotherapy'.
1980-1984. Nederland. Witteveen, Tobias A.M. 'Overheid en nieuwe religieuze bewegingen'. (Overheidsrapport over Scientology. (pp120-160).
1982-1984. Europees Parlement. Richard Cottrell.
1982-1985. Frankrijk. Alain Vivien. 'Les Sectes en France. Expression de la Liberté morale ou facteurs de manipulations?'.
1991-1992. (De parlementaire Assemblee van) de Raad van Europa. John Hunt. 'Debate on Scientology and other Cults'. (Aanbeveling 1178)
1995. Frankrijk. Jacques Guyard/Alain Gest. 'Rapport Fait au nom de la Commission d'enquete sur les sectes'.
1996-1997. België. A. Duquesne en Luc Willems. 'Parlementair Onderzoek met het oog op de beleidsvorming ter bestrijding van de onwettige praktijken van de sekten en van de gevaren ervan voor de samenleving en voor het individu, inzonderheid voor de minderjarigen'.
1996-1998. Duitsland. 'Enquete-Kommission ‘Sogenannte Sekten und Psychogruppen’
1996-1998. Zwitserland. François Bellanger. ‘La Scientologie en Suisse: Audit sur les dérives sectaires’.
1997. Europees Parlement. Maria Berger. 'Report on cults in the European Union'.
1997-1999. Raad van Europa. Adrian Nastase. 'Council of Europe Report on Sects and Cults': Illegal activities of sects'.
IV.1.2.1. 1963-1965. Australië, Victoria. ‘Report of the Board of Enquiry into Scientology’. (Kevin Anderson)
In 1965 werd in Australië – in de staat Victoria – het ‘Report of the Board of Enquiry into Scientology’ gepubliceerd. Dit verslag wordt meestal het ‘Anderson Report’ genoemd. Dit was het resultaat van een onderzoek onder leiding van Kevin Victor Anderson. Het is een van de meest uitgebreide rapporten. Er werden zo’n 151 getuigen aanhoord en de zittingen namen ongeveer anderhalf jaar in beslag. Deze vingen aan vanaf december 1963 en eindigden april 1965. Naast een ondervraging van huidige leden en ex-leden werd eveneens, waar nodig, de expertise ingeroepen van verschillende professoren, artsen, psychiaters, psychologen, fysici en wetenschappers. (Kevin Anderson. 1965. (Chapter 1: Preliminary) p.9)
Net zoals de openingszin[52], waren de conclusies van dit rapport waren vernietigend:
"If there should be detected in this Report a note of unrelieved denunciation of scientology, it is because the evidence has shown its theories to be fantastic and impossible, its principles perverted and ill-founded, and its techniques debased and harmful. Scientology is a delusional belief system, based on fiction and fallacies and propagated by falsehood and deception. While making an appeal to the public as a worthy system whereby ability, intelligence and personality may be improved, it employs techniques which further its real purpose of securing domination over and mental enslavement of its adherents. It involves the administration by persons without any training in medicine or psychology of quasi-psychological treatment, which is harmful medically, morally and socially.”
(Kevin Anderson. 1965. (Chapter 30: Conclusions) p.215)
Nog hetzelfde jaar werd de ‘Psychological Practices Act’ doorgevoerd. Deze voerde een registratie in van alle psychologen, via een ‘Psychological Council’ en beperkte onder andere de praktijk van psychologie tegen een vergoeding of beloning; het gebruik van het woord ‘psycholoog’ of vergelijkbare bewoordingen; en bepaalde vormen van reclame tot die personen die werden geregistreerd.
"21. [...] It also restricts the practice of hypnotism, and makes it a criminal offence to demand or receive, "directly, or indirectly, any fee or reward ... for or on account of or in relation to the teaching practice or application of Scientology" or to hold oneself out "as being willing to teach Scientology". Further, it provides for the seizure and delivery up to the Attorney-General of all scientological records."
(John Foster. 1971. (pt.21) p.6)
Na de publicatie van het onderzoek in Victoria en de invoering van de Psychological Practices Act 1965 werden gelijkaardige initiatieven geïntroduceerd in de parlementen van West- en Zuid-Australië. Beiden voerden gelijkaardige wetgeving in met belastende bepalingen tegenover het praktiseren van Scientology. In Zuid-Australië werd bijvoorbeeld in 1968/1969 het gebruik van de E-meter gelimiteerd tot "legally qualified medical practitioners and other approved persons". (John Foster. 1971. (pt.23) p.8). In het Nederlands rapport staat vermeld dat deze in 1973-1974 terug zouden zijn afgeschaft[53].
Scientology zelf, of misschien beter gezegd Hubbard, had kritiek op dit onderzoek. Hierin staat het pamflet ‘Kangaroo Court’ centraal, het telde zo’n 48 pagina’s en werd gepubliceerd in 1967. Daarin worden de bevindingen van het Anderson Report verklaard door het 'feit' de staat Victoria werd gesticht door veroordeelden, dieven, moordenaars, prostituees, etc...[54]
IV.1.2.2. 1969. Nieuw-Zeeland. 'Commission of Inquiry into Scientology'. (Guy R. Powles & Eric V. Dumbleton)
In 1969 werd in Nieuw-Zeeland eveneens een onderzoekscommissie ingesteld, met name de ‘Commission of Inquiry into Scientology’. Deze werd gevoerd onder leiding van Guy Richardson Powles en Eric Vernon Dumbleton. Dit rapport staat gekend onder de naam ‘The Dumbletown-Powles Report’. Het onderzoek was in vergelijking met dat uit Australië minder intensief: de commissie zetelde in totaal 8 dagen, er werden 27 getuigen gehoord en het verslag telde 66 pagina's (Dumbleton and Powles. 1969. p.5). Het onderzoek werd beperkt tot 3 punten, en dat enkel voor Nieuw-Zeeland. Deze waren: "(a) Estrangements in family relationships (b) Control of persons under 21 (c) Improper or unreasonable pressures". (Dumbleton and Powles. 1969. p.5)
Aangezien beweerd werd dat de praktijk van 'disconnection' en 'fair game' geen deel meer uitmaakte van de 'policy'[55], werd geconcludeerd "upon the evidence of the changed outlook on the part of Scientology, to make no recommendations about the necessity or expediency of legislation change at this stage." (Dumbleton and Powles. 1969. p.58). Daarnaast stelde de commissie enkele 'rules of practice' voor zoals de afschaffing van de praktijk van 'disconnection', van 'Suppressive Person or Declaration of Enemy orders' en zou er geen auditing of training mogen gegeven worden aan minderjarigen (-21) zonder toestemming van de ouders (Dumbleton and Powles. 1969. p.58).
IV.1.2.3. 1969-1972. Zuid-Afrika. 'Report of the Commission of Enquiry into Scientology'. (G.R. Kotzé)
In Zuid-Afrika werd in 1969 een onderzoekscommissie ingesteld ‘Report of the Commission of Inquiry into Scientology’, onder leiding van Kotzé en deze rapporteerde in 1972. Er wordt onder andere vermelding gemaakt van dit verslag in de boeken van Roy Wallis (1977. p.198), Jon Atack (1990) en in het Nederlandse overheidsrapport (1984).
Het verslag deed aanbevelingen, vergelijkbaar met deze in het Anderson, Foster en Dumbleton-Powles rapport, met name het
"[...] treffen van wettelijke voorzieningen ter voorkoming van de beoefening van psychotherapie door onbevoegden, tot het verbieden van het zonder vergunning verrichten van persoonlijkheidsonderzoek bij minderjarigen, tot het verbieden van naspeuringen door Scientology naar het doen en laten van vermeende tegenstanders en tot het verbieden van het verspreiden van valse en schadelijke informatie over psychiatrie en geestelijke gezondheidszorg. Mits deze maatregelen zouden worden doorgevoerd, achtte zij het niet geboden dat de activiteiten van de Scientology Kerk werden verboden. In hoeverre de aanbevolen wetgeving ook inderdaad tot stand is gebracht, is ons niet bekend."
(Witteveen. 1984. p.124)
IV.1.2.4. 1970-1971. Canada, Ontario. ‘Lee Report on Dianetics and Scientology: Chapter 4 of Sectarian Healers and Hypnotherapy'. (John A. Lee)
In Canada in 1971 werd een onderzoekscommissie ingesteld “to enquire into and report upon all matters relating to the education and regulation relevant to the practice of the healing arts”. Professor John A. Lee verzorgde het hoofdstuk ‘Sectarian Healers and Hypnotherapy’. Van het 1000 pagina’s tellende rapport werden er zo’n 31 besteed aan Dianetics en Scientology. (John Foster. 1971. (pt.28-30) p.10)
Ook in 1976 werd een onderzoek gevoerd en een verslag gemaakt door het parlement. Geen van deze rapporten, noch dit uit 1970 of 1976 leidde tot parlementaire actie (Nederlands overheidsrapport. p.124) Het rapport uit 1971 oordeelde dat het auditeren zonder enige twijfel een vorm van hypnose was. (John Lee. 1970. (Evaluation). p.87)
IV.1.2.5. 1969-1971. Verenigd Koninkrijk. 'Enquiry Into the Practice and Effects of Scientology’. (John Foster)
In het Verenigd Koninrijk werd in 1971 een verslag gepubliceerd naar aanleiding van een onderzoek gevoerd door John Foster, getiteld ‘An Enquiry into the Practices and Effects of Scientology’.
Dit rapport maakte enkel gebruik van materiaal van Scientology of materiaal dat Scientology erkent. Het maakte geen gebruik van getuigenissen, in de vorm van ex-leden, huidige leden of experts, zoals de onderzoekscommissies uit Australië of Nieuw-Zeeland wel deden.
Hij oordeelde dat er geen sprake was van discriminatie tegen scientologen:
"192. [...] In none of these cases has there been discrimination against Scientologists on the grounds, or alleged grounds, of what they think or believe, the objection in each case has been on the grounds of what they do, or are thought to do, to other people."
(John Foster. 1971. (Chapter 8. pt.192) p.143)
Hoewel Foster kritiek had op de wetgevingen die ingevoerd werden in Australiê, met een specifiek verbod op de uitoefening van Scientology, deed hij wel een gelijkaardig voorstel een soort van raad op te richten die het beroep van de psychotherapeuten in banen zou moeten leiden en dus in feite een soort van registratiecommissie zou moeten vormen. (John Foster. 1971. (Chapter 9. pt. 246-262) pp157-161)
Daarnaast bestempelde hij de inreisperkende maatregelen tegen scientologen als ongerechtvaardigd (pas in 1980 trok de Britse regering deze in), met deze nuance dat scientologen zich niet mogen inschrijven als student bij hun bezoek aan het Verenigd Koninkrijk, omdat Scientology niet kan kwalificeren als een 'bona fide educational establishment' (John Foster. 1971. (Chapter 8. pt.210-214) p.149; Witteveen. 1984. p.129).
Ook gaf hij de aanbeveling de geprivilegieerde positie van religieuze organisaties opnieuw ter discussie te stellen en gaf specifiek kritiek op de wetgeving die belastingsvrijheid regelde van religieuze organisaties (John Foster. 1971. (Chapter 9. pt.265, pt.268) p.162).
IV.1.2.6. 1980-1984. Nederland. 'Overheid en nieuwe religieuze bewegingen'. (Witteveen)
Op 26 juni 1980 heeft de commissie voor de Volksgezondheid van de Tweede Kamer besloten een subcommissie 'sekten' in te stellen, Dat onderzoek heeft vier jaar in beslag genomen. Op 17 mei 1984 werd het verslag 'Overheid en nieuwe religieuze bewegingen' (ook gekend onder de naam 'Witteveen') ingediend, er worden zo'n 40 pagina's besteedt aan Scientology (Duquesne en Willems. 1997. (Deel II). pp106-107). Dit onderzoek naar sekten werd gevoerd "met het oog op de belangen van personen waarop deze activiteiten in hun bijzonder zijn gericht enerzijds en de hulpverlening in de geestelijke gezondheidszorg anderzijds, ten einde een oordeel mogelijk te maken over de vraag wat het overheidsbeleid ten aanzien van deze organisaties precies inhoudt en of in hoeverre in dit beleid aanpassing gewenst is." (Witteveen. 1984. p.3). In wat volgt beperk in me tot het stuk over Scientology (pp120-160); een kritiek op het rapport Witteveen kan men vinden in het artikel 'Het rapport Witteveen: een kritiek' van Luc De Droogh en Marijke Degrieck.
Het Nederlandse rapport besluit dat men Scientology moeilijk anders kan zien dan een alternatieve vorm van psychotherapie, waar de ceremoniële aspecten pas later werden toegevoegd om de organisatie een zekere legitimatie te doen verschaffen, toch oordeelt ze over het karakter van Scientology: "alles afwegende dat van een levensbeschouwelijke organisatie met een sterke nadruk op de praktische toepassing van die levensbeschouwing." (Witteveen. 1984. p.153). Bovendien wordt "de filosofie van de organisatie niet zozeer ontdekt, zoals de Scientology Kerk het graag voorstelt, als wel geleidelijk aan overgedragen." (Witteveen. 1984. p.156). Dit wordt beschreven als een 'Kafkajaans proces': de Scientoloog, op weg naar een onduidelijk einddoel, zonder de weg te kennen, terwijl de mensen om hen heen alles lijken te weten.
Er wordt aangeraden een zorgvuldiger voorlichting te bieden "[...] aan aspirant-leden over de trainingen en auditing, de achterliggende filosofie, de tarieven van de onderscheiden diensten en het functioneren van de organisatie. Ook activiteiten als dianetics en Narconon vergen een zuiverder produktvoorlichting, waarbij onder meer de relatie tot de Scientologyorganisatie en -leer duidelijk wordt uiteengezet." Daarnaast wordt de aanbeveling gedaan het "Het straffen- en beloningenstelsel en de verschillende procedures om leden aan de organisatie te binden of gebonden te houden" aan een heroverweging te onderwerpen (Witteveen. 1984. p.157)
Het rapport oordeelt dat de activiteiten van Scientology in botsing komen met twee grondrechten, namelijk de godsdienstvrijheid en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. "Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging houdt wel degelijk ook in dat mensen zich dienen te onthouden van het uitoefenen van ontoelaatbare druk op hun medemensen op het gebied van godsdienst en levensovertuiging. De gang van zaken in de Scientology Kerk lijkt ons niet geheel met dat aspect van het grondrecht in overeenstemming." (Witteveen. 1984. pp156-157).
Het bijhouden van de verschillende folders en het gebruik van de e-meter bij het auditeren wordt gezien als een schending van het grondrecht van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer "omdat bedenkingen kunnen worden aangevoerd zowel tegen de wijze van verkrijging van de gegevens als tegen de waarborgen waarmee de gegevensverzamelingen zijn omgeven." (Witteveen. 1984. pp157-159).
Het rapport besluit dat, als de kerk niet bereid zou blijken verandering te brengen in haar 'botsing' met deze 2 grondrechten: met name de vrijheid van godsdienst en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, "dan [...] de vraag [zou] kunnen worden gesteld of zij daarmee niet binnen de wettelijke termen van de verboden rechtspersoon zou vallen." (Witteveen. 1984. p.160).
Later, tussen 1985 en 1987 werd een grondig debat gevoerd omtrent dat rapport en werd daaruit geoordeeld dat er zich geen politieke maatregelen opdringen, ook niet in verband met de bescherming van minderjarigen (Duquesne en Willems. 1997. (Deel II). p.107)
IV.1.2.7. 1996-1997. Zwitserland. ‘Audit sur les dérives sectaires’. (François Bellanger)
Op 8 januari 1996 werd in Zwitserland verzocht een verslag te maken over 'sektarische uitwassen' (gedefinieerd als onwettige handelingen in verband met het sektarische verschijnsel). François Bellanger werd aangeduid als voorzitter, verder werden 5 juristen aangewezen. Het verslag werd een jaar later ingediend, in februari 1997, telde 297 pagina's en droeg de titel 'Audit sur les dérives sectaires: Rapport du groupe d'experts genevois au Département de Justice et Police et des Transports du canton de Genève'. (Duquesne en Willems. 1997. (Deel II). p.109)
In dit onderzoek werd gekozen de term sekte niet te definiëren en de aandacht werd zo toegespitst op de symptomen van de sektarische uitwassen. Het verslag geeft een overzicht van het sektarische verschijnsel, tegen de achtergrond van onderwijs, vrijheid van godsdienst en de bescherming van de slachtoffers. Er wordt dieper ingegaan op de bescherming van het kind, bestuursrechtelijke maatregelen, fiscale knelpunten en de strafrechtelijke aanpak. Elke deskundige heeft voor elk van die thema’s bijzondere aanbevelingen geformuleerd (Duquesne en Willems. 1997. (Deel II). p.110).
IV.2 Specifiek: een verkennend en vergelijkend onderzoek.
IV.2.1. Verenigde Staten van Amerika
Bibliografie:
Davis, Derek H. ‘A not so charitable choice: New Religious Movements and President Bush’s Plan for Faith-based Social Services.’(The 2002 CESNUR International Conference Minority Religions, Social Change, and Freedom of Conscience; Salt Lake City and Provo (Utah), June 20-23, 2002)
Introvigne, Massimo 'Religion as Claim: "Brainwashing": career of a myth in the United States and Europe'. (Paper delivered at the Cesnur-remid conference held in Marburg, Germany. 1998)
Kent, Stephen A. 'Hollywood's Celebrity-Lobbyists and the Clinton Administration's American Foreign Policy Toward German Scientology'. (Journal of Religion and Popular Culture (Vol.1. Spring 2002)).
Kent, Stephen A. ‘International Society Control by the Church of Scientology’. (1991).
Kent, Stephen A. ‘The French and German Versus American Debate Over 'New Religions', Scientology, and Human Rights.+ a response from the Church of Scientology.’ p1-11 (Marburg Journal of Religion 6. (1). (2001).)
Melton, Gordon J. ‘Anti-cultists in the United States: an historical perspective’. p213-234.
Ottmann, Martin. ‘Affidavit in Support of a Citizen Complaint’. Frankrijk, 2002 (februari). (Part VI - Scientology's Relationship With The U. S. Federal Government)
Parmly, Michael E. 'Religious Liberty in Transatlantic Perspective'. (U.S. Acting Assistant Secretary of State for Democracy, Human Rights, and Labor Remarks at the Institute for Religion and Public Policy's Conference on "Transatlantic Conversations on Religious Coexistence" Washington, DC April 26, 2001).
Shupe, Anson & Darnell, Susan E. 'Agents of Discord: The North American-European
Anticult Connection'. (Paper at the 2001 International Conference: The Spiritual Supermarket, Religious Pluralism and Globalization in the 21st Century: The Expanding European Union and Beyond, London, England: The London School of Economics. April 21, 2001)
Torfs, Rik. ‘Sekten, godsdienstvrijheid en de staat. De buigzaamheid van het europese model’. p69-81.
U.S. Department of State. Annual Report on International Religious Freedom for 1999. (Released by the Bureau for Democracy, Human Rights, and Labor Washington, DC on September 9, 1999).
U.S. Department of State. Annual Report on International Religious Freedom for 2000. (Released by the Bureau of Democracy, Human Rights, and Labor on September 5, 2000 [Revised, October 4, 2000]).
U.S. Department of State. International Religious Freedom Report 2001. (Released by the Bureau of Democracy, Human Rights, and Labor on October 26, 2001)
U.S. Department of State. International Religious Freedom Report 2002. (Released by the Bureau of Democracy, Human Rights, and Labor on October 7, 2002).
U.S. Department of State. International Religious Freedom Report 2003. (Released by the Bureau of Democracy, Human Rights, and Labor on December 18, 2003).
U.S. Department of State. International Religious Freedom Report 2004. (Released by the Bureau of Democracy, Human Rights, and Labor on September 15, 2004).
Scientology is ontstaan en heeft zijn thuisbasis in de Verenigde Staten van Amerika. In dit land werd nooit een onderzoekscommissie ingesteld zoals dat in andere landen wel gebeurde. Toch zijn er enkele voorvallen die belangrijk zijn om te vermelden. Ik zal hier enkele van deze aanraken, namelijk de onenigheid tussen Scientology en de FDA (Food and Drug Administration), tussen Scientology en de IRS (Internal Revenue System) die eindigde in 1993; en de internationale kritieken van de US Department of State in haar jaarlijkse verslagen over mensenrechten en religieuze vrijheid.
FDA (Food and Drug Administration)
Zoals in het deel 'III.2.2.3.2 pseudo-wetenschap' staat vermeld, kwam Scientology al vroeg in aanraking met de FDA, de Food and Drug Administration. Deze nam in 1958 21.000 tabletten Dianazine in beslag en "claiming that they were falsely labeled as a preventative and treatment of 'radiation sickness'." (Roy Wallis. 1997. p.190).
De tweede interventie vondt plaats in 1963, toen de FDA, op basis van een onderzoek over de e-meter, terug een inval deed in de 'Founding Church of Scientology' en daar e-meters en andere documenten in beslag nam. In de rechtszaak die hieruit resulteerde, werd geoordeeld dat Scientology enkel de e-meter mocht gebruiken "in bona fide religious counselling if labelled as ineffective in treating illness." (Roy Wallis. 1997. p.191, p.197). De rechter oordeelde dat het seculiere gebruik van de e-meter verboden moest worden, en dat deze enkel mocht gebruikt worden in een specifiek religieuze setting; en dat enkel en alleen wanneer het een nieuw etiket zou dragen waar vermeld werd dat het instrument niet kan gebruikt worden om geneeskundige of diagnostische taken uit te voeren (Roy Wallis. 1997. p.197; Jon Atack. 1990. p.150). In het boekje 'Scientology: de grondbeginselen van het denken' staat dan ook vooraf vermeld:
"De Hubbard Elektrometer is een religieus instrument, dat gebruikt wordt bij de biecht in de kerk. Op zich doet het niets; het wordt alleen door geestelijken gebruikt om de leden van de Kerk te assisteren bij het vinden van gebieden van geestelijke pijn of nood. [...] De elektrometer is niet bedoeld noch effektief voor het diagnostiseren, behandelen of voorkomen van enigerlei ziekte." [56]
(L. Ron Hubbard. 1978.)
Clearwater
Bibliografie:
St. Petersburg Times, July 18, 2004. 'Scientology's town'. Robert Farley.
St. Petersburg Times, July 19, 2004. 'Striving for mainstream, building new connections'. Robert Farley.
St. Petersburg Times, July 25, 2004. 'City by the sea'. (Editorial).
Zoals in 'Deel III.5: .x Sea Org' aangeduid, vestigde Scientology zich in 1975 in Clearwater, Florida. Deze stad zou voor scientologen zijn wat Salt Lake City is voor de mormonen, of Mekka voor moslims. In Oktober 1975 kocht 'Southern Land Sales and Develepment Corporation' het Fort Harrison Hotel voor zo'n $2.300.000, en de 'Bank of Clearwater' voor zo'n $550.000 met cash geld (Russell Miller. 1988. p.295). Later huurde de 'United Churches of Florida' deze gebouwen. Pas later kwam uit dat deze twee organisaties frontgroepen van Scientology waren. In deze tijd werd 'Project Power' en 'Project Power 2: Vatican Passport' opgezet, dat als doel had "to establish the indispensability of United Churches' in the community"[57] (Russell Miller. 1988. p.296). 6 december 1975 werd 'Flag Land Base' opgericht, deze huisde in het Fort Harrison Hotel.
Op 28 Januari 1976 werd toegegeven dat de gebouwen door Scientology werden gekocht en de dag erna begon Scientology een rechtszaak tegen de burgemeester van Clearwater, Gabriel Cazares, waarin $1.000.000 werd geëist omwille van "libel, slander and violation of the church's civil rights" (Russell Miller. 1988. p.296-297). Tegen deze burgemeester werden verschillende 'operations' en 'projects' opgericht door het Guardian Office, waaronder 'Operation Italian Fog', 'Operation Keller', 'Operation Speedy Gonzales', 'Operation Street-man', 'Operation Yellow', 'Project Mayor Cazares Handling'.
IRS (Inland Revenue Service) (1958-1993)
Belastingsvrijheid is een ander heikel punt voor Scientology. In 1957 werd ze erkend als een belastingsvrije religieuze organisatie door de IRS, maar dit werd in 1967 terug ingetrokken, wat de start vormde van een lange strijd tussen Scientology en de IRS, die uiteindelijk in 1993 in het voordeel van Scientology werd beslecht met terug een 'out of court settlement on undisclosed terms' (Derek Davis. 2004. p.3; Stewart Lamont. 1986. p.28). In ruil voor dit akkoord, betaalde de kerk $12.500.000 aan de IRS (Derek Davis. 2004. p.4). "Whatever may have been the merits of Scientology's case, the organization's promise to call off 2,300 lawsuits against the federal department likely was a factor in the favourable decision that it received." (Stephen Kent. 2001. (pt.11.1) p.9).
In 'Operation Snow White' (infra: 'III.5: .x GO') werden onder andere documenten gestolen uit kantoren van IRS (naast de kantoren van bijvoorbeeld de CIA en de FBI). Men zou zelfs een microfoontje geplaatst hebben in een kantoor van IRS in Washington (Sappell and Welkos. 1990. (Part 6 Chapter 5)).
Net zoals Scientology organisaties heeft die strijden tegen psychiatrie en Interpol, bestond er ook een organisatie die als doel had de IRS te bestrijden, met name de 'National Coalition of IRS Whistleblowers'. "The coalition, founded in the mid-1980s by the Church of Scientology's Freedom magazine, helped fuel a 1989 congressional inquiry into alleged wrongdoing by the former chief of the IRS's Criminal Investigations Division in Los Angeles and other agency officials." (LA. Times. Sappell and Welkos. 1990. (Part 6, Chapter 5)). Dat hielp in die mate dat de IRS een akkoord met Scientology bereikte, zodat in ruil voor $12.500.000, de 2300 rechtszaken werden stopgezet en Scientology belastingsvrijheid als erkende religie kreeg.
Stephen Kent beargumenteert dat dit akkoord uit 1993 met de IRS grote voordelen meebracht voor Scientology, die verder reiken dan een gewone belastingsvrijheid, wat op zich al aanzienlijk is gezien David Miscavige zelf beweerde dat dit akkoord uit 1993 Scientology een rekening van zo'n $1.000.000.000 bespaarde (Benjamin Beit-Hallahmi. 2003. p.15).
"Most significantly, after the IRS/Scientology agreement, the United States Department of State now considered Scientology to be a tax-exempt religion, so it began criticizing Germany’s actions against the organization and its members."
(Stephen A. Kent. 2002. (pt.9) p.4)
In een bepaalde rechtszaak in de Verenigde Staten werd de erkenning van Scientology als belastingsvrije organisatie in vraag gesteld. De aanklagers, Michael en Marla Sklar, probeerden Scientology's belastingsvrije status als precedent te gebruiken om zelf van belastingen te worden vrijgesteld voor het inschrijvingsgeld van hun kinderen in een religieuze school. Hoewel deze geen belastingsvrijheid voor het schoolgeld kregen lokte deze zaak toch sterke kritiek uit op het geheime akkoord tussen de IRS en Scientology, omdat deze dit akkoord zou gesloten hebben louter om een lange en kostelijke rechtszaak te vermijden (Stephen Kent. 2003. (pt.11) p.17-19).
Internationale Kritiek
Door middel van dit akkoord met de IRS in 1993 werd Scientology dus een geregistreerde 'charity', liefdadigheidsinstelling, wat betekent dat de be- of mishandeling van Scientology in het buitenland onder de hoede viel voor de 'Department of State'. De 'Department of State' brengt twee jaarlijkse rapporten uit, een over mensenrechten en een over religieuze vrijheid. Deze rapporten leveren kritiek op mensenrechten in alle landen van de wereld, behalve de Verenigde Staten zelf. Ernstige schendingen van deze mensenrechten kunnen leiden tot Amerikaanse sancties (Stephen A. Kent. 2001 p.1). Bijgevolg is de eerste vermelding van discriminatie tegenover Scientology in Duitsland, te vindn in het jaarlijkse mesenrechtenrapport van 1993. "Again in social movement language, Scientology now had an 'elite constituent' on its side-the United States government-which had become a core-state supporter with access to large amounts of resources amongst world players." (Stephen A. Kent. 2001. p.9), want "[...] the American State Department human rights criticisms, shows a profound and increasingly inexcusable ignorance of disturbing if not dangerous abuses that occur as routine Scientology policy against many of its members." (Stephen A. Kent. 1999a. p.10)
Kent plaatst dit feit naast de vernietiging van CAN (infra: 'II.5: .x CAN') in 1995-1996, de organisatie die het meest uitgesproken kritiek uitte tegen Scientology. Het akkoord met de IRS en de vernietiging van CAN resulteerden samen in het tenietdoen van oppositie wanneer het aankwam op lobbyen op nationaal niveau (Stephen A. Kent. 2001. (pt.11.8) p.12).
"Consequently, poorly informed officials cannot view the reactions to Scientology by French and German officials outside of a narrow, mythologized context of American religious freedom issues (Sullivan, 1999:2). They are unable to realize that international opposition to Scientology in Europe may not represent violations of religious human rights but instead may signify efforts to protect citizens from an organization whose alleged human rights violations against its own members appear to be systematic and routine."
(Stephen A. Kent. 2001. (pt.11.8) p.12)
Kent wijst nog een andere invloed aan in dit internationale mensenrechtendebat, en dat is het gebruik van beroemdheden. In 1997 gingen Isaac Hayes, John Travolta en Chick Corea namelijk getuigen voor de OSCE, (Organisation (vroeger Conference) on Security and Cooperation in Europe; ook genaamd de 'Helsinki Commission') (Stephen Kent. 2002. (pt.16-21) p.7-10). Daarnaast wordt ook op federaal niveau gelobbyd met beroemdheden als John Travolta (Stephen Kent. 2001; infra: III.5: 'Celebrity Centres')
Derek H. Davis maakt een interessante analyse van president Bush zijn plan in verband met het stimuleren van 'Faith-based initiatives' in zijn artikel ‘A not so Charitable Choice: New Religious Movements and President Bush’s Plan for Faith-based Social Services’. Hij plaatst dit plan tegen de achtergrond van nieuwe religieuze bewegingen, wat interessant kan zijn in het geval Scientology aangezien deze verschillende organisaties heeft die in de categorie van 'Faith-based social services' kunnen worden ondergebracht, met name organisaties die onder ABLE vallen zoals Narconon, Criminon, Applied Scholastics, Detox Center, HealthMed, etc. Hij plaatst dit onder andere tegen de discussie van scheiding tussen kerk en staat en probeert enkel problemen en conflicten te beantwoorden die in het licht van deze context worden opgeroepen. (Derek H Davis. 2002)
Aangezien de Amerikaanse visie op het sektendebat en omtrent godsdienstvrijheid zal worden besproken aan de hand van een vergelijking met het Europese perspectief hieromtrent, zal dit plaatsvinden in 'IV.2: .x Scientology in Europa', daar eerst het Europese perspectief moet worden verkend.
IV.2.2. België
Bibliografie:
‘Parlementair onderzoek met het oog op de beleidsvorming ter bestrijding van de onwettige praktijken van de sekten en van de gevaren ervan voor de samenleving en voor het individu, inzonderheid voor de minderjarigen’. Belgische kamer van volksvertegenwoordigers. Uitgebracht door de heren Duquesne en Willems. 28 april 1997.
Arbitragehof. Arrest nr. 31/2000 van 21 maart 2000, Rolnummer 1685. (Belgisch Staatsblad van 22.04.2000)
IACSSO: Huishoudelijk reglement (artikel 5 van de wet van 2 juni 1998). 13 Oktober 1999. Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers.
IACSSO Tweejaarlijks verslag. (Jaar 1999 – 2000)
IACSSO Tweejaarlijks verslag. (Jaar 2001 – 2002)
Koninklijk besluit houdende vaststelling van de modaliteiten inzake de vergoeding van de voorzitter en de leden van het Informatie- en Adviescentrum inzake schadelijke sektarische organisaties. 13 Juni 1999. (Belgisch Staatsblad van 12.10.1999)
Koninklijk besluit houdende vaststelling van de modaliteiten van de vergoeding toegekend aan experten waarop het Informatie- en Adviescentrum inzake schadelijke sektarische organisaties beroep doet. 13 Juni 1999. (Belgisch Staatsblad van 12.10.1999)
Wet houdende oprichting van een Informatie- en Adviescentrum inzake de schadelijke sektarische organisaties en van een Administratieve coördinatiecel inzake de strijd tegen schadelijke sektarische organisaties. 2 Juni 1998. (Belgisch Staatsblad van 25.11.1998)
Denaux, Adelbert. ‘Godsdienstsekten in Vlaanderen’. Uitgeverij: Davidsfonds. Leuven, 1982. (‘Scientology-kerk’. p108-113)
-Dobbelaere, Karel; Voyé, Liliane; Billiet, Jaak & Remy, Jean. (red.). ‘België en zijn goden. Kerken, Religieuze groeperingen en lekenbewegingen’. Cabay, Tijdschrift voor Sociologie, 1985.
Lallemand, Alain. ‘Sekten in België en Luxemburg’. Uitgeverij Epo, Berchem, 1994. (‘De planeet Lafayette Ronald Hubbard (1950).’ p92-96.; ‘De Scientology-kerk in België-SKB (januari 1974). ‘p140-152.)
Morelli, Anne. ‘Open brief aan de sekte van de sektetegenstanders’. Uitgeverij EPO. 1997.
Ottmann, Martin. ‘Affidavit in Support of a Citizen Complaint’.
Eerst zal een overzicht worden gegeven van Scientology in België. Daarna wordt ingegaan op de parlementaire onderzoekscommissie uit 1996-1997 en de oprichting van het Informatie- en Adviescentrum inzake Schadelijke Sektarische Organisatie (IACSSO) en van de administratieve coördinatiecel inzake de strijd tegen schadelijke sektarische organisaties. Vervolgens zal aandacht worden besteed aan de internationale kritiek die België en het IACSSO ontving, op politiek en academisch vlak.
Scientology in België
In 1973 werd in Brussel een missie opgericht die in 1981 de 'Scientology Kerk van België' werd. In de periode 1978-1982 groeide de vraag naar haar diensten 6 tot 7 maal. Sindsdien zou dat gestabiliseerd zijn (cijfers van 1984-1985, Dobbelaere). Eind 1984 werd beweerd dat er zo'n 1000 personen op weg waren 'clear' te worden, 50 waren 'clear', het adressenbestand schatte men op 6 à 7000, waarvan de Franstaligen overwegen (Karel Dobbelaere. 1985. pp421-£22). In het Belgische Rapport uit 1997 vermelden Vermeulen en Vaquette, woordvoerders van de kerk, dat zo'n 6 à 7000 personen "in contact zijn met de Scientology-kerk, de boeken van L. Ron Hubbard lezen en deze zijn principes toepassen". Er zouden zo'n 5000 actieve leden en een 15-tal vaste leden zijn (Duquesne en Willems. 1997. (Deel 1). p.182).
In 1984 zou zich een mini-revolte voltrokken hebben toen Jackie Vaquette de leiding overnam en nieuwe statuten van de kerk definieerde. In 1985 werd Vaquette afgezet, in 1988 kwam deze terug, eerst als secretaris, daarna als woordvoerder van de kerk; Vaquette zou ook de contactpersoon zijn voor NCLESJ (National Commission on Law Enforcement and Social Justice; infra: III.5: .x CCHR & NCLESJ). Andere Scientology-afdelingen worden gesuperviseerd vanuit Brussel. Mechelen heeft een 'Dianetisch Centrum' sinds 1989, Brugge het 'Dianets Center Brugge' sinds 1992. De 'Scientology-kerk te Antwerpen' werd in december 1981 gesticht, droeg een tijdje de naam 'Dianetisch Centrum', werd ontbonden in 1985 en herrees in 1988 onder de naam 'Dianetics Center'. Verder staat het Belgisch centrum in verbinding met 'AOSH EU & AF' (Advanced Organization & St. Hill for Europe & Africa) in Kopenhagen 'AOSH' (Advanced Organization St. Hill) in Saint Hill, Sussex, Verenigd Koninkrijk (Alain Lallemand. 1994. p.141-145).
Het European Office for Public Affairs and Human Rights (infra: 'III.5: .x EOPAHR') is gelegen in Brussel en wordt geleid door Martin Weightman, een OSA-directeur (infra: 'III.4: .x GO, OSA') (Alain Lallemand. 1994. pp145-146).
Ook ABLE (infra: 'III.5: .x ABLE') is actief in België. Applied Scholastics bijvoorbeeld onder de naam 'Harmonische Opvoeding' of 'Education Harmonieuse'. Hier wordt de 'Study Tech' van Hubbard gebruikt (Alain Lallemand. 1994. p.147). In maart 1982 werd Narconon opgericht te Brussel, maar deze werd in september 1985 terug ontbonden. Die vereniging zou vervangen zijn door een nieuwe: 'Oui à la vie, non à la drogue', onder de leiding van Flavio Spirito en Ludo Vermeulen. Verder werd er ook een antidrug campagne gevoerd in klassen van het lager onderwijs, 'Drug Free Sheriffs' (Duquesne en Willems. 1997. (Deel 1). p.310; Alain Lallemand. 1994. p.148)
Ook WISE (infra: 'III.5: .x WISE'), die de 'Administration Technology' of 'Admin Tech' verkoopt, is actief in België. In het Belgisch rapport worden 'U-man' en 'Business Efficiency' vermeld. (Duquesne en Willems. 1997. (Deel 1) p.315). Martin Weightman beweerde in september 2004 dat er zo'n 15 WISE ondernemingen zijn in België en sommige van deze zouden verbonden zijn aan 'vzw Hubbard College of Administration Belgium'. Eind 1999 deed de gerechtelijke politie huiszoekingen bij 6 bedrijven verbonden aan de 'vzw Hubbard College of Administration Belgium'[58], die dan weer een tak is van 'Hubbard College Administration International'. In april 2004 opende Patricia Ceysens, voormalig minister van Economie, een telefoonlijn voor klachten in verband met U-Man Belgium. In de tijd van 2 weken kwamen twee klachten binnen: een in verband met de lage kwaliteit van de cursussen en ander die het gebruik van sauna's bizar vond. (De Tijd. 2004-09-13; De Standaard. 2004-04-10).
Op 30 September 1999 werd een inval gedaan in kantoren van de kerk van Scientology en in enkele huizen van scientologen. Daar werden computers en documenten inbeslag genomen, inclusief de pre-clear folders. Een tweede kleinere inval werd gedaan in het hoofdkwartier in Brussel op 8 Februari 2001, ook toen werden documenten in beslag genomen. Het merendeel van de computers waren toen al teruggegeven, maar de documenten niet.
"The Church of Scientology took legal action in 2001 to obtain its documents and has filed a complaint claiming that the Prosecutor's Office provided prejudicial statements to the press in violation of the country's secrecy laws regarding investigations. On March 6, 2001, the Church of Scientology filed a formal complaint against the Government with the United Nations Special Rapporteur on Religious Intolerance."
(U.S. Department of State. Report on International Religious Freedom 2001: Belgium. (Section II. Status of Religious Freedom))
Op 30 Januari 2002 oordeelde het Hof van Cassatie in Brussel dat de pre-clear folders wel degelijk mochten worden behouden door de onderzoeksrechter, dat de kerk deze informatie bijhield in strijd met de wetgeving omtrent privacy, en dat de rechtbank geen verplichting had deze document terug te geven (U.S. Department of State. Report on International Religious Freedom 2002: Belgium. (Section II. Status of Religious Freedom))
In Juni 2003 werd zo'n 326.000 euro bevroren op een bankrekening van de kerk van Scientology, omdat deze van het witwassen van geld verdacht werd. Later datzelfde jaar werd dat geld terug onbevroren (U.S. Department of State. Report on International Religious Freedom 2004: Belgium. (Section II. Status of Religious Freedom)).
Parlementaire onderzoekscommissie (1996-1997)
De Kamer keurde op 14 maart 1996 het voorstel goed dat door A. Duquesne werd ingediend bij de commissie voor Justitie. Op 28 maart werd de commissie en op 25 april het bureau van de commissie samengesteld. A. Duquesne en L. Willems werden aangewezen als rapporteurs. In totaal bestond ze uit zo'n 58 vergaderingen en aanhoorde ze 136 getuigen. Het mandaat van de onderzoekscommissie werd twee maal verlengd tot uiterlijk 30 april 1997. (Duquesne en Willems. 1997. (Deel 1) p.8). Het verslag telde 670 pagina's (wat men best halveert omdat het tweetalig is) en droeg de titel: 'Parlementair onderzoek met het oog op de beleidsvorming ter bestrijding van de onwettige praktijken van de sekten en van de gevaren ervan voor de samenleving en voor het individu, inzonderheid voor de minderjarigen'.
Getuigen die werden gehoord zijn onder andere: "leden van de regering, vertegenwoordigers van de rechterlijke macht, functionarissen of leden van de politie- en inlichtingendiensten, leden van het comité I en topambtenaren van de administratie (federale en gemeenschapsinstanties)". Ook getuigenissen van "universiteitsprofessoren, van wetenschapsmensen en van auteurs die over theoretische of praktische kennis in dit domein beschikken" en van "vertegenwoordigers van verenigingen die opkomen voor slachtoffers van sektepraktijken, alsmede van exleden van sectaire bewegingen en familieleden van sekteleden of van gewezen leden" en van "vertegenwoordigers van diverse verenigingen die als « sektarisch » worden beschouwd" (Duquesne en Willems. 1997. (Deel I). p.12).
Zoals eerder aangetoond (infra: 'II.2 Definitorische problematiek'), maakt het verslag van de Belgische onderzoekscommissie een onderscheid gemaakt tussen een 'sekte stricto sensu', een 'schadelijke sektarische organisatie' en 'verenigingen met oogmerk misdrijven te plegen' (Duquesne en Willems. 1997. (Deel II). pp99-101). Een sekte stricto sensu is een op zich respectabele organisatie. De definitie van schadelijke sektarische organisatie (SSO), vastgelegd als operationele definitie in artikel 2 uit de wet van 2 juni 1998, luidt:
“elke groepering met een levensbeschouwelijk of godsdienstig doel, of die zich als dusdanig voordoet en die zich in haar organisatie of praktijken, overgeeft aan schadelijke onwettige activiteiten, het individu of de samenleving schaadt of de menselijke waardigheid aantast. Het schadelijk karakter van een sektarische organisatie wordt onderzocht op basis van de principes welke zijn vastgelegd in de Grondwet, de wetten, de decreten, ordonnanties en in de internationale verdragen inzake de bescherming van de rechten van de mens welke door België werden geratificeerd.”
(Wet ter oprichting van het IACSSO. 2 Juni 1998)
Op deze manier probeert men aan de soms heftige discussie die in 'II.2: Definitorische problematiek' werd uiteengezet te ontsnappen. Er wordt alleen de vraag gesteld in hoeverre deze bewegingen schade aanrichten, een invalshoek waar politiek- en rechtsfilosofisch weinig discussie over bestaat. In feite staat het schadebeginsel van Mill staat hier dus voorop (Luc De Droogh. 2002. pp47-48). "De criminologische invalshoek heeft echter haar voordelen. Ze schept een soort neutraliteit waarbij enkel gekeken wordt naar strafbare feiten die in organisaties die door diverse overheidsinstanties en door 'experts' regelmatig als sektarisch bestempeld worden." (Luc De Droogh. 1997. p.3). Daarnaast wordt de bewijslast voor die schadelijkheid bij de overheid gelegd (Luc De Droogh. 2002. p.48). Het rapport definieert dan ook enkele criteria van gevaarlijkheid[59] "aan de hand waarvan een sektarische organisatie als schadelijk kan worden aangemerkt of die een verzwarende omstandigheid bij hun schadelijk gedrag kunnen zijn".(Duquesne en Willems. 1997. (Deel II). pp100-101)
De onderzoekscommissie eindigt met enkele aanbevelingen, waaronder bijvoorbeeld de oprichting van een 'administratieve coördinatiecel inzake schadelijke sektarische organisaties' en het 'Informatie- en Adviescentrum inzake de schadelijke sektarische organisaties'.
Daarnaast werden ook aanbevelingen gedaan de verschillende betrokken (federale) instanties, diensten en opleidingen te sensibiliseren voor deze problematiek; de gerechtelijke overheid en politie- en inlichtingendiensten beter de coördineren, alsook de samenwerking met Europese en internationale instanties te intensifiëren. Ze wijst op de noodzaak van een publieksvoorlichting, in het bijzonder voor minderjarigen; van de hulpverlening van ex-sekteleden; een strengere controle op niet erkende onderwijsinstellingen en een sensibilisering van de artsenopleiding. Daarnaast wijst ze erop dat ook het wettenarsenaal dient te worden aangevuld met bijvoorbeeld de invoering van de termen 'psychologische dwang', 'misbruik van een toestand van zwakheid', en 'het actief aanzetten tot zelfmoord'; of dat andere wetten, zoals de wet betreffende de jeugdbescherming en de wet die de vrijheid van vereniging waarborgt betreffende v.z.w's en instellingen van openbaar nut, dienen te worden aangepast. (Duquesne en Willems. 1997. (Deel II). pp219-226).
In het begin van deze verhandeling ('II.1') wees ik er op dat het Belgische rapport aanzienlijke aandacht had voor de polarisatie in dit debat en specifiek een kritisch oog openhield voor de rol die CESNUR, diens directeur Massimo Introvigne en anderen innemen in dit debat. Daarnaast besloot men dat men een bredere visie nodig had om het onderzoek te voeren dan enkel de godsdienstsociologische visie. [60] Want hoewel 'de godsdienstsociologen' aandacht hebben voor "een analyse van de doctrine van deze bewegingen op basis van hun basisteksten en van de functionele organisatie van deze groepen" schenken ze geen aandacht aan "de mogelijke financiële en andere malversaties die onlosmakelijk verbonden kunnen zijn met die sektarische organisaties [...] Of er sprake is van strafrechtelijke, financiële of andere inbreuken, [...] het bestaan van financiële geldstromen en netwerken [...], het soms erg schadelijke karakter van de doctrine [...] de gevolgen die dergelijke doctrines kunnen hebben voor de openbare veiligheid en voor individuen op psychologisch, sociaal en financieel vlak."
(Duquesne en Willems. 1997. (Deel II). pp117-118)
Aan de hand van een vergelijking van de stellingen en gedachtekaders van de groep godsdienstsociologen en anderzijds groepen die voornamelijk de negatieve kenmerken van sekten onderstrepen kwam de commissie tot wat ze zelf een dubbele conclusie noemde:
"Enerzijds kan met de analyses en de suggesties van deze groep godsdienstsociologen de opdracht van de commissie, met name het in kaart brengen van de schadelijke aspecten van deze organisaties, niet worden vervuld. [...] Anderzijds betreurt de commissie dat de besluiten van dergelijke analyses rond «nieuwe religieuze bewegingen» zonder grondig onderzoek worden gepubliceerd" [61]
(Duquesne en Willems. 1997. (Deel II). p118)
Introvigne schrijft hierover dat het Belgische rapport expliciet de academische bezwaren tegenover mentale manipulatie negeerde, omdat het de ethische keuze maakte om de verhalen van de slachtoffers te geloven. "By "victims" the Belgian Commission means those normally defined by social scientists as "apostates"." (Massimo Introvigne. 1998a. p.5). Ook J. Gordon Melton geeft een gelijkaardige kritiek het academische perspectief gewoonweg werd genegeerd (J. Gordon Melton. 1999. p.4). Een correctere visie zou zijn dat het Belgische rapport de perspectieven van 'de godsdienstsociologen' voor het grote deel niet kon integreren in haar onderzoek, omdat deze niets vertelden over de praktijken waar het Belgische rapport onderzoek naar deed, met name schadelijke praktijken.
Sinds de publicatie van het Belgische rapport hebben een aantal sekten, waaronder Scientology, geklaagd over moeilijkheden om ruimten te huren voor religieuze bijeenkomsten omdat ze door de autoriteiten en door particuliere instellingen als 'schadelijke of gevaarlijke sekten' worden beschouwd. De publicatie van de 'Synoptische Tabel', als bijlage van het rapport, heeft al heel wat commotie veroorzaakt. Deze lijst werd gezien als een 'sektenlijst', vergelijkbaar met die uit het Franse rapport Gest/Guyard (supra), wat niet correct is aangezien de lijst gewoon een overzicht gaf van alle groepen die in de discussies behandeld werden. Bij de inleiding van die lijst staat zelfs expliciet vermeld dat dit geen standpunt, noch waardeoordeel inhoudt en dat groepen die op de lijst voorkomen niet noodzakelijk een schadelijke sektarische organisatie of zelfs een 'sekte stricto sensu' zijn. Daarnaast besliste het Belgische parlement dat deze synoptische tabel geen deel uitmaakte van de aanbevelingen en dus niet het voorwerp uitmaakte van een goed- of afkeuring door de Kamer (Adelbert Denaux. 2002. p.7).
IACSSO en administratieve coördinatiecel.
In de wet ter oprichting van het IACSSO van 2 juni 1998 staan de opdrachten van het centrum omschreven in artikel 6. In de eerste paragraaf worden deze bepaald als (1) het bestuderen van het verschijnsel SSO (schadelijke sektarische organisatie); (2) het oprichten van een publiek toegankelijk documentatiecentrum; (3) zorgen voor onthaal en het publiek inlichten over zijn rechten en plichten; (4) advies geven en aanbevelingen doen, in bijzonder over het beleid. In de tweede paragraaf staat dat het centrum daartoe gemachtigd is: (1) alle beschikbare informatie te verzamelen; (2) alle noodzakelijke studies en onderzoeken uit te voeren; (3) elk archief of documentatiefonds zonodig over te nemen; (4) steun en begeleiding te verlenen aan instellingen, organisaties en verleners van juridische bijstand en (5) vakbekwame verenigingen en personen te raad plegen of uit te nodigen. Paragraaf drie handelt over de vertrouwelijkheid en beveiliging van persoonsgegevens. (Wet houdende oprichting van een Informatie- en Adviescentrum inzake de schadelijke sektarische organisaties en van een Administratieve coördinatiecel inzake de strijd tegen schadelijke sektarische organisaties. (Hoofdstuk II. Art.6)).
Daarin heeft het centrum een 'functionele onafhankelijkheid, "het is immers niet geïntegreerd in de hiërarchische structuur van dit ministerie [van Justitie]. [...] Het Centrum is ook onafhankelijk ten opzicht van zowel de sekten zelf als de antisekteorganisaties. Het is noch de spreekbuis van de regering noch van om het even welk soort drukkingsgroep. [...] Het Centrum heeft geen bevoegdheid om in te grijpen op het gebied van de openbare orde." (Adelbert Denaux. 2002. p.8)
Dat er nog steeds misverstanden zijn hieromtrent wordt duidelijk aan de hand van bijvoorbeeld de ongenuanceerde kritiek die Willy Fautré geeft op de term 'schadelijke sektarische organisatie': "In conclusie heeft de wetgever het Observatorium het mandaat gegeven schadelijke sektarische organisaties te identificeren, in feite een onderscheid te maken tussen goede en slechte religies." (Willy Fautré. 2003. p.7). Deze definities, de oprichting, opdrachten en taken van het Centrum zijn juist een middel om eventuele schendingen van bepaalde wetten en de mensenrechten te voorkomen. Schade is het centrale criterium. Iets anders dan de conclusie van Willy Fautré uit het rapport van Human Rights Without Frontiers 'België en Religieuze Onverdraagzaamheid', met name het maken van een onderscheid maken tussen goede en slechte religies, wat zou duiden op een inhoudelijk oordeel en aldus religieuze discriminatie of op zijn minst intolerantie.
De geldigheid van het bestaan van centrum werd voor de rechtbank getest in 2000, wanneer de Antroposofische vereniging naar het Arbitragehof stapte om de wet ter oprichting van het IACSSO ter vernietigen. De reden hiervoor was dat deze wet bepaalde rechten en vrijheden zou aantasten die in de grondwet en bepaalde internationale verdragen worden gewaarborgd.[62] Het Arbitragehof oordeelde dat het centrum "geen schending inhoudt van de rechten van godsdienstige minderheden, omdat het centrum een informatieve werking heeft en geen beslissingen kan nemen over de oprichting, het bestaan of voortbestaan van bepaalde verenigingen." (Ethiek en Maatschappij. 2002. p.3). Noch heeft het centrum de bevoegdheid een meningsuiting te controleren of te verbieden (Arrest 2000-03-21. (pt. B.2.9)). Naast een gehele vernietiging van de wet in eerste instantie, probeerde de Antroposofische Vereniging in tweede instantie bepaalde artikelen van die wet te vernietigen, waaronder artikel 2; art.6, paragraaf 1, 3 en 4; die eveneens allen onontvankelijk werden verklaard (Arrest Arbitragehof van 21 maart 2000. (Arrest 2000-03-21. (pt. B.3.1; B.4.1; B.5.1)).
Hierop werd een klacht ingediend bij het Europese Hof in Straatsburg, maar deze werd in september 2002 niet-ontvankelijk verklaard (Willy Fautré. 2003. p.8).
Andere groepen zouden gelijkaardige procedures hebben opgestart, maar na het falen van Antroposofische Vereniging hebben deze hun klachten laten vallen, behalve de kerk van Scientology. "In november 2001 dienden zij een klacht in tegen de Belgische Staat bij het Bestuurlijke Hof naar aanleiding van de Parlementaire Onderzoekscommissie voor sekten van 1997." (Willy Fautré. 2003. p.8).
Het lijkt me frappant dat juist een rapport dat handelt over mensenrechten geen ruimte laat voor de mogelijkheid dat zo’n centrum de functie zou kunnen vervullen juist die mensenrechten te waarborgen. Dit is dan ook exemplarisch voor de kritiek die Barker geeft op HRGs (Human Right Groups), met name dat deze enerzijds weinig afweten over de sekten of nieuwe religieuze bewegingen en dat ze zich anderzijds eenzijdig inzetten ter verdediging van de godsdienstvrijheid in plaats van bijvoorbeeld op schendingen van mensenrechten te duiden die binnen religies of nieuwe religieuze bewegingen plaatsvinden (Eileen Barker. 2002. p.8).
In de typologie van Cult-Watching Groups van Eileen Barker zou het IACSSO best omschreven kunnen worden als een ROG (Research Oriented Group). Op basis van onderzoek moet namelijk informatie verschaffen. Het centrum verschilt van organisaties als AWARE in die mate dat het niet per se opgericht is om sekten uit een negatief daglicht te halen, maar juist op de gevaren ervan te wijzen.
Vrijheid van Religie in België
Zonder de ganse grondwet te willen samenvatten, zou ik toch willen duiden dat de artikels 11, 19, 20, 21, 24, 25, 29, 32 en 181 uit de Belgische grondwet in deze discussie van belang kunnen zijn.
Toch is het belangrijk de situatie in België te beschrijven, België kent namelijk geen volledige, maar een eerder betrekkelijke scheiding tussen kerk en staat. Hier staat het systeem van erkenning van religies centraal. Wanneer een groepering wil erkend worden als religie, moet deze een aanvraag indienen bij het Ministerie van Justitie, die daarop een onderzoek instelt. Op basis hiervan kent het parlement de erkende status dan uiteindelijk toe (Willy Fautré. 2003. p.3). Bij deze erkenning wordt normaal gezien rekening gehouden met vijf criteria, alvorens te beslissen een religieuze groep wel of niet te erkennen. "de religie dient een structuur te hebben, een voldoende aantal leden te hebben, in het land aanwezig te zijn voor een geruime tijdsperiode, een sociale waarde te bieden aan de mensen [en] zich te houden aan de wetten van het land en de openbare orde te respecteren." (Willy Fautré. 2003. p.3). Momenteel zijn er zo’n 6 erkende religies in België: het Rooms-katholicisme, Protestantisme, Judaïsme, Anglicanisme, Islam en de Orthodoxie en 1 erkende levensbeschouwelijke beweging: de Vrijzinnigheid. Deze erkende religies worden gefinancierd door de Staat. Volgens artikel 181 in de grondwet heeft een erkende eredienst dan recht op financiëring.
Deze financiëring van erkende religies, samen met het bestaan van het IACSSO en de 'administratieve coördinatiecel' wordt door door Fautré 'geïnstitutionaliseerde religieuze discriminatie' genoemd (Willy Fautré. 2003. p.7).
Onlangs werd Scientology de erkenning als eredienst in België geweigerd. Minister Laurette Onkelinkx weigerde en gaf daarvoor twee redenen. Enerzijds loopt er nog en gerechterlijk onderzoek tegen de organisatie in verband met fraude en oplichting, anderzijds staat ze op de lijst van sektarische organisaties. In het artikel van 'De Tijd' staat dat Myriam Zonnekeyn van Scientology België benadrukte dat er geen officiële aanvraag werd ingediend. In het artikel van 'De Morgen' staat dat er druk zou zijn uitgeoefend vanuit het buitenland, aldus het kabinet van Onkelinkx (De Tijd. 2005-07-20; De Morgen. 2005-07-20).
Internationale Kritiek
In Oktober 1998 was er een ontmoeting tussen leden van de 'US Department of State' met leden van de Belgische regering in Washington, waarin deze erop werden gewezen dat de Verenigde Staten haar bezorgdheid uitdrukte in verband met de verplichtingen aangaande religieuze vrijheid in het kader van OSCE. Daarop volgden nog enkele ontmoetingen waar de 'US Department of State' gelijkaardige bezorgdheden uitdrukte.
Op de OSCE vergadering in Warschau, 1998, had de Amerikaanse delegatie kritiek op de de groeiende intolerantie tegenover nieuwe religieuze bewegingen in België
(U.S. Department of State. Report on International Religious Freedom 1999: Belgium. (Section III: U.S. Government Policy))
Op de OSCE vergadering in 1999 gebeurde dat weer: "The U.S. delegate asked what steps Belgium would take to ensure that the Government's "anti-sect" organizations do not become vehicles for promoting prejudice and stereotypes. In response, the Government stated that it had an open dialog with sects, and that this dialog takes place both in public and behind closed doors." (U.S. Department of State. Report on International Religious Freedom 2000: Belgium. (Section III: U.S. Government Policy)). Ook de Amerikaanse ambassade bediscussieerde dit onderwerp met onder andere functionarissen van het Ministerie van Justitie, van Buitenlandse Zaken, Binnenlandse Zaken en met leden van het Parlement. Daarnaast regelde de Amerikaanse ambassade ook ontmoetingen met de 6 erkende religies, "as well as with groups such as the Church of Jesus Christ of Latter-Day Saints, Jehovah's Witnesses, and the Church of Scientology." (U.S. Department of State Report on International Religious Freedom 2000: Belgium. (Section III: U.S. Government Policy)).
In Oktober 2000 vond een ontmoeting plaats tussen het IACSSO en een leidinggevend ambtenaar van de ‘Office of International Religious Freedom’ van het Amerikaanse State Department; "Helaas was deze ontmoeting uiteindelijk weinig openhartig maar duidelijk.". Er vond eveneens in Oktober 2000 een ontmoeting plaats tussen het IACSSO en de Amerikaanse ambassade, deze was "oprecht en openhartig" (IACSSO. Verslag 1999-2000. p.16)