Fecale verontreiniging van zwemwater
als milieuprobleem in relatie met
humane gezondheidsrisico’s
Diana M. Hendrickx
Milieu-Natuurwetenschappen aan de Open
Universiteit Nederland.
Milieuproblemen en duurzame ontwikkeling
Academiejaar: 2005-2006
Promotor: dhr.dr. Cees Visser
| home | lijst scripties |
0. Samenvatting
1. Introductie
2. Definiëring van het milieuprobleem
2.1. Milieuprobleem: fecale verontreiniging
2.2. Normen volgens de Europese Zwemwaterrichtlijn
2.3. Zwemwaterkwaliteit: stand van zake in België
2.4. Watercyclus
3.1. Oorzaken van fecale verontreiniging
3.2. Gezondheidsrisico’s van blootstelling aan een te hoog gehalte fecale bacteriën
3.3. Risico-evaluatie
4. Oplossingen voor het probleem
4.1. Maatregelen om blootstelling aan te hoge concentraties te voorkomen
4.2. Probleemoplossing door de Vlaamse overheid
4.3. Probleemoplossing door technologie
5. Het probleem in duurzaamheidperspectief
5.1. Inleiding
5.2. Duurzaam ruimtegebruik
5.3. Duurzaam waterbeheer
5.4. Duurzame voeding
5.5. Technologie: hulpmiddel voor duurzame ontwikkeling
6. Conclusies
7. Literatuur
Fecale bacteriën kunnen in het oppervlaktewater terecht komen door menselijke of dierlijke ontlasting. Belangrijke bronnen zijn vooral de landbouw, sommige soorten industrie, riolen, zuiveringsinstallaties en de recreant zelf.
Als men gebruik maakt van zwemwater waarin zich een te hoog gehalte van deze bacteriën bevindt, kan dit gastro-enteritis, oor- en keelontstekingen en huidaandoeningen veroorzaken.
Er zijn verschillende maatregelen genomen om blootstelling te voorkomen. Vooral het onderzoek van de kwaliteit van het zwemwater en de voorlichting van het publiek, in Vlaanderen beide in handen van de Vlaamse Milieumaatschappij, leveren een belangrijke bijdrage aan de preventie van het oplopen van infectieziekten door de zwemmers.
Bij de aanpak van het probleem spelen naast bestaande en nieuwe wetgeving ook milieuheffingen en campagnes een belangrijke rol. Ook technologie levert hier een aanzienlijke bijdrage. De meeste technologische oplossingen werken echter maar op korte termijn en technici krijgen de opdracht op zoek te gaan naar meer duurzame oplossingen. Voor de industrie is vooral sanering aan de bron van belang.
Een combinatie van al deze maatregelen zal leiden tot een oplossing van fecale verontreiniging op lange termijn.
In het oppervlaktewater komen veel bacteriën voor die schadelijk zijn voor de gezondheid: fecale bacteriën. Deze ziekteverwekkers vormen vooral een gevaar als ze terechtkomen in het drinkwater en het zwemwater. In wat volgt gaan we dieper in op de oorzaken en effecten van dit milieuprobleem en bespreken oplossingen om dit probleem te voorkomen en aan te pakken.
We zoeken dus een antwoord op de volgende vragen.
Wat zijn de oorzaken van fecale verontreiniging?
Welke gezondheidseffecten heeft de blootstelling aan een te hoog gehalte fecale bacteriën?
Welke oplossingen en maatregelen worden genomen om blootstelling te voorkomen en de zwemwaterkwaliteit te verbeteren?
In deel 2 wordt het probleem gedefinieerd en daarna, in deel 3, verder geanalyseerd. In dit deel worden oorzaken, effecten en risico’s besproken. De laatste twee delen bevatten oplossingen: deel 4 vooral op korte termijn, deel 5 op lange termijn. Zowel oplossingen door de overheid als door technologie komen hier aan bod en ook de rol van de verschillende actoren bij de oplossing van dit probleem.
2. Definiëring van het milieuprobleem
2.1. Milieuprobleem: fecale verontreiniging
Onder fecale verontreiniging verstaat men: verontreiniging van het oppervlaktewater door menselijke of dierlijke ontlasting. Hierdoor bevat het water bacteriën (= fecale bacteriën).
Er is sprake van een milieuprobleem omdat water vervuild met fecaliën gezondheidsrisico’s met zich meebrengt, voornamelijk als het gaat om natuurzwemwater.
Samengevat kunnen we het probleem op twee manieren typeren: naar ingreep (verontreiniging) en naar betekenis (gezondheid en veiligheid van de mens).
De tweede typering kan men gebruiken om de milieukwaliteit te bepalen, dit wil zeggen hoe ernstig het probleem is. Een hulpmiddel hiervoor is de indeling van het milieu in drie systeemniveaus: landschappen en ecosystemen, compartimenten (water, lucht, bodem, gebouwen, planten, dieren) en factoren en componenten (= delen van de compartimenten, vb. cellen). Fecale verontreiniging heeft voornamelijk betrekking op het systeemniveau van afzonderlijke componenten en factoren: de concentraties fecale bacteriën, wat bijgevolg ook effect heeft op het compartiment water (tweede systeemniveau).
Om normen te kunnen stellen en te zoeken naar oplossingen voor het milieuprobleem moet men niet alleen een idee hebben van de milieukwaliteit, maar ook van de relaties tussen oorzaak en gevolg. Deze verbanden kan men weergeven in een milieueffectketen. Hierin gaat men na wat de basisoorzaken, maatschappelijke activiteiten en ingrepen zijn die geleid hebben tot het milieuprobleem en wat de milieu- en maatschappelijke effecten van het probleem zijn.
In figuur 1 is een schematische voorstelling van de milieueffectketen voor fecale verontreiniging terug te vinden.

Figuur 1: Schematische voorstelling van de milieueffectketen voor fecale verontreiniging
Voor fecale verontreiniging hebben de basisoorzaken voornamelijk te maken met de toename van de bevolking en de economische groei. Maatschappelijke activiteiten die leiden tot dit milieuprobleem zijn voornamelijk recreatie, huishoudens, landbouw en sommige soorten industrie. We komen hier later op terug in paragraaf 3.1.
Het voornaamste effect is dat het water vervuild is met schadelijke organismen (fecale bacteriën), wat leidt tot gezondheidsrisico’s (= maatschappelijk effect). Dit wordt verder besproken in paragraaf 3.2.
2.2. Normen volgens de Europese Zwemwaterrichtlijn
Als we milieuvraagstukken willen oplossen, moeten we ook rekening houden met de behoeften van toekomstige generaties en niet alleen met de huidige generatie. Het ontwikkelen van deze relatie tussen milieu en samenleving noemt men ‘duurzame ontwikkeling’. Dit is een zeer ingewikkelde opgave daar er zowel ecologische, sociale, culturele, economische en technologische aspecten aan te pas komen en hun onderlinge samenhang. Hierdoor spelen bij het streven naar duurzaamheid vooral normatieve keuzes en uitgangspunten een rol, dit wil zeggen keuzes en uitgangspunten gebaseerd op normen en waarden. Verschillende actoren spelen een rol bij het streven naar duurzaamheid. Eén van deze actoren is de Europese Unie die onder meer richtlijnen opstelt voor milieubeleid.
Voor fecale verontreiniging werden voor het eerst normen aangegeven in de Europese Richtlijn Zwemwaterkwaliteit van 1976. De hoofdelementen van deze richtlijn (Europese Gemeenschappen, 2000 (6)) waren: kwaliteitsdoelstellingen voor microbiologische en fysisch-chemische parameters, minimumnormen waaraan zwemwater moest voldoen en het jaarlijks verslag over de kwaliteit van het Europese zwemwater. Voor fecale bacteriën stelde deze richtlijn normen ten aanzien van de totale hoeveelheid colibacteriën (ministerie VROM, 2006 (12)), fecale colibacteriën en fecale streptokokken (Europese gemeenschappen, 2004 (7)). Tabel 1 geeft hiervan een overzicht.
|
Parameters |
Richtgetal |
Imperatief |
|
Totale colibacteriën per 100 ml |
500 |
10 000 |
|
Fecale colibacteriën per 100 ml |
100 |
2 000 |
|
Fecale streptokokken per 100 ml |
100 |
- |
Tabel 1 : Vereiste kwaliteit van het zwemwater volgens de richtlijn van 1976
(Bron: Europese Gemeenschappen, 2004 (7))
Daar deze richtlijn op sommige gebieden verouderd was, werden in 2000 de eerste stappen ondernomen om een nieuwe zwemwaterrichtlijn op te stellen. In 2002 stelde de Commissie voor een herziene zwemwaterrichtlijn het volgende voor (Europese Gemeenschappen, 2004 (7), p.15): specifiekere indicatoren voor fecale verontreiniging namelijk E.Coli voor het binnenwater en intestinal enterococci voor het kustwater (zie tabel 2), betere voorlichting van het publiek en verschillende actoren (onder andere NGO’s) betrekken bij het zwemwaterbeheer.
|
Parameters |
Uitstekende kwaliteit |
Goede kwaliteit |
|
Intestinale enterokokken in kve/100 ml |
100 |
200 |
|
Escherichia coli in kve/100 ml |
250 |
500 |
kve = kolonievormende eenheden
Tabel 2 : Parameters voor de zwemwaterkwaliteit
(Bron: Europese Gemeenschappen, 2004 (7))
Op 24 maart 2006 trad de nieuwe zwemwaterrichtlijn in werking. Buiten de hierboven genoemde veranderingen, vinden we ook volgende wijzigingen terug (VMM, 2006 (21)).
De normen voor binnenwateren en kustwateren zijn verschillend. Er worden minstens 4 monsters per badseizoen genomen en de zwemwatergegevens worden opgemaakt op basis van controles over 4 jaar (dus ten minste gebaseerd op 16 monsters). Er zijn 4 categorieën zwemwater: slecht, aanvaardbaar, goed en uitstekend. Bij zwemwateren met als kwaliteit ‘slecht’ wordt men ertoe gedwongen maatregelen te treffen, want 5 jaar na elkaar ‘slecht’ betekent een permanent zwemverbod of negatief advies. De nadruk ligt op het beheer van zwemwater, dus deze richtlijn is meer gericht op duurzaamheid dan de oude. Er moet een tijdschema opgesteld worden voor controles.
Vanaf heden tot 2015 is er een overgangsperiode voor het geleidelijk invoeren van de nieuwe richtlijn. Tegen 2008 moet de Vlaamse milieuwetgeving aangepast zijn aan de nieuwe richtlijn. In dat jaar moet ook voor het eerst een tijdschema voor controles worden opgesteld.
Tussen 2008 en 2011 worden zwemwaterprofielen opgesteld om het publiek beter voor te lichten. Vanaf 2011 dienen deze actueel gehouden te worden. Vanaf 2013 moet het publiek toegang hebben tot de volgende info, onder meer via internet: lijst en indeling van zwemwateren, zwemwaterprofielen en resultaten van controles. Op 31 december 2014 zal de oude richtlijn worden ingetrokken. Vanaf het badseizoen 2015 moet alles gebeuren volgens de nieuwe richtlijn en heeft men als doel dat alle zwemwateren minstens aanvaardbaar zijn.
2.3. Zwemwaterkwaliteit: stand van zake in België
In mei 2000 werden door het Europees Hof van Justitie de Belgische zwemwateren niet conform verklaard met de EU-richtlijn (Test Aankoop, 2002 (20)). België nam niet alle maatregelen om gevolg te geven aan deze uitspraak. Daarom werd door de Europese Commissie in 2002 een omkleed advies uitgebracht waarin de punten stonden die niet waren nageleefd. Hierdoor zou België een zware financiële sanctie kunnen opgelegd krijgen. De meeste niet opgeloste problemen kwamen voor in Wallonië, Vlaanderen deed het beter. (Europese gemeenschappen, 2004 (7), p.29).
Alhoewel sinds het advies van 2002 vele maatregelen zijn genomen om de zwemwaterkwaliteit te verbeteren, scoorde België in 2004 nog steeds slechter dan zijn buurlanden.
Slechts 60% van de inwoners van Vlaanderen was aangesloten op een zuiveringsstation, terwijl dit in Nederland meer dan 95% was (Bond beter leefmilieu, 2004 (1), p.24). Er werd weinig geïnvesteerd in riolering.
Van de zwemwaterzones aan de Vlaamse kust voldeed er maar 26% aan de richtwaarden uit de EU-richtlijn (MIRA, 2005 (14), p.101), wat zeer laag is ten opzichte van het Europees gemiddelde van 88%. 74% van de Belgische binnenlandse zwemplaatsen voldoet aan de imperatieve normen en maar 40% aan de richtnormen. België staat hierdoor bijna op de laatste plaats in de rangschikking van Europese landen (VMM, 2005 (23), p.43-44).
Over gans België zijn de resultaten slechter geworden ten opzichte van de vorige jaren. Dit komt vooral omdat er nieuwe Waalse badzones zijn bijgekomen van een minder goede kwaliteit. Er zijn dus meer badzones dan de voorgaande jaren en je kan bijgevolg de resultaten niet volledig vergelijken (VMM, 2005 (23), p.43-44).
2.4. Watercyclus
In de natuur vormt water een gesloten kringloop. Water stijgt op uit zeeën en oceanen, vormt wolken, komt via neerslag op het land of in de rivieren terecht en stroomt terug naar de oceanen. Ook elke stad of gemeente heeft haar eigen waterkringloop. Deze is een deel van de grote kringloop (Jong, J. de, 1996 (9)).
Vóór de 19de eeuw kwamen uitwerpselen terug op het land terecht als stadsbeer. Vanaf de 19e eeuw werd hygiëne belangrijk. Door de hygiënerevolutie waren er minder infectieziekten. Deze grote veranderingen hadden echter ook een nadeel: de waterkringloop in steden en gemeenten werd opengebroken doordat het afvalwater via de toiletten in het oppervlaktewater terecht kwam (Reijnders, L., 2004 (18), p.65). Dit veroorzaakt infecties bij zwemmers.
Vanaf het einde van de jaren zestig van de vorige eeuw kwam er aandacht voor dit probleem. Men zocht naar oplossingen om de kringlopen terug te sluiten. De tak van de wetenschappen die zich met problemen als deze ging bezighouden werd ‘industriële ecologie’ genoemd.
Om stofkringlopen te kunnen sluiten moeten afvalstoffen zoveel mogelijk hergebruikt worden ofwel eerst gezuiverd worden. Technici gingen daarom rioolwaterzuiveringsinstallaties ontwerpen en uitbouwen (Jong, J. de, 1996 (9)). We komen hierop terug in paragraaf 5.5.
3.1. Oorzaken van fecale verontreiniging
In paragraaf 1.1. vermeldden we reeds als basis- of hoofdoorzaken de toename van de bevolking en economische groei.
Door de groei van de bevolking belandden er meer en meer menselijke ziektekiemen via wc’s in het afvalwater.
Meer bevolking wil ook zeggen dat er meer voedsel moest geproduceerd worden. Hierdoor kwamen onder andere dierlijke meststoffen op het land terecht. Deze meststoffen kunnen na hevige regenval wegspoelen en zo rechtstreeks in een nabijgelegen waterloop belanden. Verder kan het gebeuren dat mest die niet goed is opgeslagen, doorlekt naar het oppervlaktewater (Europese Gemeenschappen, 2004 (7), p.9).
Ook de economische groei had gelijkaardige gevolgen. Sommige soorten industrie, zoals onder andere bio-industrie en slachthuizen, hebben ook afvalwater dat fecaliën bevat. Door lozing kan dit rechtstreeks in het oppervlaktewater terechtkomen.
Economische groei betekent meer welvaart. Mensen kunnen meer geld uitgeven aan ontspanning en hierdoor wordt meer en meer gebruik gemaakt van recreatiedomeinen. Als iedereen zich milieubewust zou gedragen zou dit geen problemen geven, maar als hun uitwerpselen of deze van hun huisdieren rechtstreeks in het water worden geloosd, kan dit ook zorgen voor fecale verontreiniging.
Al het voorgaande kan schematisch weergegeven worden in een verontreinigingsketen. In figuur 2 op de volgende pagina is zo’n keten weergegeven.
Diegenen die het probleem veroorzaken noemt men de bronnen, hier dus de mens, dieren, landbouw en industrie. Vervolgens worden de emissies opgesomd, dit wil zeggen hoe het afvalwater in het oppervlaktewater belandt. De volgende stap, transport en omzettingen, legt uit wat hiervan de gevolgen zijn voor de compartimenten, in dit geval vooral ophoping in het water. Daarna vinden we de effecten terug: gezondheidseffecten. Ten slotte gaat men na of fecaliën die in het oppervlaktewater terechtgekomen zijn goed afbreekbaar zijn. Kleine hoeveelheden zijn goed afbreekbaar door een rioolwaterzuiveringsinstallatie, maar grote hoeveelheden vormen problemen.

achtergrondniveau = de concentraties die normaal in de natuur voorkomen
RWZI = rioolwaterzuiveringsinstallatie
Figuur 2: Verontreinigingsketen voor fecale verontreiniging
3.2. Gezondheidsrisico’s van blootstelling aan een te hoog gehalte fecale bacteriën
Om na te gaan wat de gezondheidsrisico’s zijn van blootstelling aan milieufactoren wordt een risico-evaluatie opgesteld. Deze bestaat uit het verzamelen en beoordelen van toxicologische informatie.
We kunnen drie ziektebeelden onderscheiden die het gevolg zijn van blootstelling aan fecale verontreiniging: gastro-enteritis of maagdarmontsteking, oor- en keelontstekingen en huidaandoeningen (VMM, 2004 (22), p.27). Gastro-enteritis komt het meeste voor.
Voor onderzoek naar de samenhang tussen fecale verontreiniging en ziekteverschijnselen maakt men gebruik van indicatoren of “tracers”. Dit zijn bacteriën die niet meteen gevaarlijk zijn, maar wel aangeven hoe sterk het water vervuild is met fecaliën (Directie Noordzee, 2004 (3), p.8). Uit experimenten is gebleken dat het aantal fecale streptokokken (= intestinale enterokokken) het sterkst samenhangt met het optreden van maagdarmontsteking. Voor zoet water hebben we twee indicatoren: fecale streptokokken en E.Coli. De laatste is niet bruikbaar voor zout water omdat deze daar niet lang overleeft (Gezondheidsraad, 2001 (8), p.29).
Aan de hand van de gegevens uit proefnemingen wordt een dosis-effectrelatie afgeleid. Deze wordt weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal bacteriën (hier ofwel streptokokken ofwel E.Coli) per liter water en op de verticale as het effect, gaande van geen effect tot de dood. De laagste waarde waarvoor het effect nog net is waar te nemen noemen we de drempelwaarde. Uit een epidemiologisch onderzoek in Groot-Brittanië vond men voor intestinale enterokokken een drempelwaarde van 320 per liter en voor E.Coli was dit 2380 per liter (Gezondheidsraad, 2001 (8), p.30).
Een onderzoek zoals hierboven beschreven werd heeft enkele nadelen: de bekomen waarden kunnen variëren afhankelijk van de onderzochte groep en de omstandigheden. Ondanks dit leveren ze voldoende informatie om een verdere risico-evaluatie uit te voeren.
3.3. Risico-evaluatie
Nadat er dosis-effectrelaties en bijhorende drempelwaarden zijn gevonden, bestaat de volgende stap uit het afleiden van advieswaarden. Blootstelling aan kleinere concentraties dan deze waarden zou geen gezondheidsrisico’s met zich mogen meebrengen. Daarom neemt men meestal afgeronde waarden van de drempelwaarden. Als men de waarden uit paragraaf 3.2. afrond, verkrijgt men een advieswaarde van 2400 E.Coli per liter voor zoet water en 300 streptokokken per liter voor zout water (Gezondheidsraad, 2001 (8), p.32). In Vlaanderen neemt men 400 streptokokken per liter als advieswaarde (Collé, C., 2001 (2), p.30).
Als de advieswaarden zijn bepaald wordt nagegaan hoe vaak deze worden overschreden. Voor Vlaanderen mat men hogere gehalten bacteriën dan deze waarden in 3 van de 40 geïnspecteerde zones gedurende de periode 2002-2005 (VMM, 2006 (21), p.12), dit wil zeggen dat er drie zones waren die werden beoordeeld met de kwaliteit ‘slecht’ en er voor deze zones een zwemverbod werd uitgevaardigd.
4. Oplossingen voor het probleem
4.1. Maatregelen om blootstelling aan te hoge concentraties te voorkomen
Daar overstorten of lozen van afvalwater één van de belangrijkste oorzaken is van fecale verontreiniging kan men er best voor zorgen dat zwemwater zich niet in de buurt van rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s) bevindt (RIVM, 2002 (19)). Ook in de nabijheid van industrie die een vergunning heeft om te lozen is het daarom af te raden een recreatiedomein uit te baten. Verder is de omvang en frequentie van het lozen van belang en zou men moeten nagaan hoever het geloosde afvalwater zich verspreidt in de rivier. Hiervoor vergelijkt men best metingen van fecale verontreiniging met gegevens over de neerslag (Gezondheidsraad, 2001 (8), p.66).
Het aantal bezoekers van het recreatiedomein is ook belangrijk. Zwemwaters die veel bezocht worden, kunnen ook gemakkelijker verontreinigd zijn. Hier is dus meer kans op ziekteverschijnselen. Om te weten of er veel recreanten zijn geweest, neemt men monsters op het einde van de dag (Gezondheidsraad, 2001 (8), p.66-67).
Verder moeten mensen die een duik in het water willen nemen voorgelicht worden. In Vlaanderen gebeurt dit onder meer door oriëntatiepalen op het strand, de website van de Vlaamse Milieumaatschappij, de krant, teletekst en het VRT-weerbericht op de televisie
(Collé, C., 2001 (2), p.32).
4.2. Probleemoplossing door de Vlaamse Overheid
Preventie van blootstelling is uiteraard niet voldoende: de fecale verontreiniging zelf dient ook aangepakt te worden. Hierin speelt onder meer de overheid een rol.
Elk land heeft zijn eigen milieuwetgeving die moet gebaseerd zijn op de EU-richtlijn. Voor Vlaanderen zijn de milieuwetten voor het grootste deel opgenomen in het Vlarem. Men onderscheidt: Vlarem I oftewel Besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaamse reglement betreffende de milieuvergunning en
Vlarem II oftewel Besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne.
In Vlarem I vinden we onder meer terug hoe een vergunning moet aangevraagd worden om te lozen, onder welke omstandigheden de vergunning vervalt, wordt geschorst of wordt opgeheven en hoe erop wordt toegezien dat de afspraken gemaakt in de vergunning worden nageleefd (EMIS, 2002 (5)).
In Vlarem II vinden we de milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater terug. Verder bevat deze wettekst ook bepalingen in verband met de beheersing van oppervlaktewaterverontreiniging en het lozen van afvalwater (EMIS, 2002 (5)). De milieukwaliteitsnormen stemmen overeen met de normen uit de EU-richtlijn uit tabel 1.
In Vlaanderen zijn twee instanties aangeduid om toezicht te houden op de naleving van de EU-richtlijn: de Afdeling Toezicht Volksgezondheid houdt toezicht op de naleving van het Vlarem en de Vlaamse Milieumaatschappij kreeg als opdracht het zwemwater te bemonsteren, te analyseren en hierover te rapporteren (VMM, 2006 (21), p.20-21).
In de hierboven vernoemde wetgeving vinden we twee soorten sturingsmodellen terug: het juridisch en het economisch sturingsmodel.
Het juridisch sturingsmodel bestaat uit verplichtingen waaraan men zich moet houden. Iemand die bijvoorbeeld een vergunning aanvraagt om afvalwater te lozen moet zich aan de wetten in het Vlarem I houden, anders vervalt de vergunning. Men wordt hier gedwongen zich aan de wet te houden.
Het economische sturingsmodel maakt het voordeliger om milieubewust te handelen. Dit model bestaat vooral uit milieuheffingen, bijvoorbeeld voor het lozen van ongezuiverd afvalwater. Investeren in waterzuivering kan voordeliger zijn dan deze heffing te betalen. Hier wordt er dus door financiële prikkels voor gezorgd dat men het milieu zo weinig mogelijk belast.
Naast het juridische en het economische sturingsmodel vinden we in het overheidsbeleid ook nog een derde strategie terug: het communicatieve sturingsmodel. Hier gaat het om overreding. Burgers worden voorgelicht (zie paragraaf 4.1.) en gesensibiliseerd. Doel van het sensibiliseren is het grote publiek erop te wijzen dat de zwemwaterkwaliteit gecontroleerd wordt. Dit gebeurt in Vlaanderen onder meer door folders, advertenties, affiches en het VRT-weerbericht, maar ook op het strand zelf (Collé, C., 2001 (2), p.31).
Om veiligheid en hygiëne in zwemwaters te stimuleren is er de Blauwe Vlag. Dit is een Europees initiatief van de Foundation for Environmental Education (MNP, 2005 (15)). Beheerders van zwemwaters die voldoen aan de strengste niet-verplichte normen kunnen deze vlag aanvragen. Voor België coördineert de Bond Beter Leefmilieu de erkenningen (VMM, 2004 (22), p.27).
4.3. Probleemoplossing door technologie
Voor de preventie, het aanpakken en het oplossen van milieuproblemen speelt ook technologie een belangrijke rol. Technologie die kan toegepast worden om milieuproblemen te voorkomen of het milieu minder te belasten noemen we milieutechnologie.
Om te voorkomen dat fecale bacteriën in het oppervlaktewater terechtkomen maakt men gebruik van zuiveringstechnologie. Hierbij maakt men onderscheid tussen drie soorten technieken: voorbehandelingstechnieken, scheidingstechnieken en conversietechnieken (= omzetten van stoffen) (Quartel, D.F.H. de, 2004 (16), p.189).
Een rioolwaterzuiveringsinstallatie werkt als volgt. Tijdens de voorbehandeling worden steentjes, zand en vetdeeltjes (olie) mechanisch verwijderd. Het voorbehandelde water gaat vervolgens naar de biologische reiniging. Hier wordt eerst fosfor verwijderd. Het volgende proces is de denitrificatie: nitraten worden gereduceerd tot stikstofgas. Dit gas ontwijkt naar de atmosfeer. Ten slotte wordt de stikstof die in het water aanwezig is onder de vorm van NH4 geoxideerd tot nitraat (NO3-). Na de biologische reiniging hebben we een mengsel van slib en effluent dat wordt gescheiden tijdens de nabehandeling (Quartel, D.F.H. de, 2004 (16), p.190).
Alhoewel rioolwaterzuiveringsinstallaties op het eerste gezicht een goede oplossing leken, is er toch veel kritiek op gegeven. Dit komt omdat deze manier van zuiveren een zogenaamde ‘end-of-pipe techniek’ is: men pakt het probleem niet bij de bron aan, maar bij de staart. Verder moet het slib dat de zuiveringsinstallaties produceren en dat vroeger als meststof kon gebruikt worden, tegenwoordig verbrand worden omdat het te sterk vervuild is. We moeten dus de zuiveringsinstallatie zien als een stap bij de oplossing van fecale verontreiniging en op zoek gaan naar andere mogelijkheden om dit probleem op te lossen (Kasteren, J. van, 2002 (10), p.146-148). We komen hierop terug in paragraaf 5.5.
5. Het probleem in duurzaamheidperspectief
5.1. Inleiding
Zoals reeds vermeld in paragraaf 2.2. moet het milieubeleid duurzaam zijn, dit wil zeggen men moet hierbij ook rekening houden met toekomstige generaties. Dit veronderstelt transities ofwel structurele maatschappelijke veranderingen.
Duurzaam zwemwaterbeheer gaat samen met duurzaam afvalwaterbeleid, daar afvalwater één van de belangrijkste oorzaken is van fecale verontreiniging. In het schaduwrapport waar een tiental NGO’s uit Vlaanderen aan meewerkten worden vier normatieve aspecten van duurzaamheid vermeld: respect voor de aarde, sociale rechtvaardigheid, inspraak van de burgers en duurzame productie en consumptie (Bond beter leefmilieu, 2004 (1), p.27). Aan de hand van de eerste drie principes toetsten de NGO’s het Vlaamse afvalwaterbeleid en kwamen tot de volgende conclusies.
Ook regenwater werd in het verleden aangesloten op riolen. Dit had als gevolg dat het afvalwater verdund werd en hierdoor zuiveringsinstallaties slecht werkten en riolen overliepen. Hierdoor komen fecaliën terecht in het oppervlaktewater, inclusief het zwemwater. Van respect voor de aarde was hier dus niet echt sprake. Pas recent werden door de regering verzoeken gedaan aan de gemeenten om regenwater niet langer meer op de riool aan te sluiten.
Van sociale rechtvaardigheid is in Vlaanderen ook niet echt veel te merken. Aquafin heeft hier een monopoliepositie op het vlak van waterzuivering. Ze worden bovendien betaald op basis van hun investeringen en niet op basis van de resultaten. Hierdoor betalen de burgers een hoge prijs in verhouding met de kwaliteit van de waterzuivering.
Op het vlak van inspraak van de burgers dienen ook nog heel wat stappen te worden gezet. Ze zouden moeten aangesproken worden om samen naar oplossingen te zoeken voor het afvalwaterbeleid. Dit is momenteel nog niet het geval (Bond beter leefmilieu, 2004 (1), p.27-28).
Uit het voorgaande kunnen we dus besluiten dat het Vlaamse afvalwaterbeheer niet duurzaam is en er nog vele stappen moeten worden ondernomen. Mogelijke oplossingen die leiden tot duurzame ontwikkeling worden besproken in paragraaf 5.2. tot en met 5.5.
5.2. Duurzaam ruimtegebruik
Vele maatschappelijke activiteiten zorgen er onrechtstreeks voor dat het water verontreinigd wordt met fecale bacteriën. Men noemt dit indirecte milieueffecten. Voorbeelden hiervan zijn weggespoelde mest uit de landbouw, afvalwater van bepaalde soorten industrie, wonen (via wc’s en keuken) en recreatie (uitwerpselen van recreant en huisdieren).
Indirecte milieueffecten veroorzaken duurzaamheidproblemen. Fecale verontreiniging heeft vooral een invloed op de gebruikswaarde van een gebied: het kan niet meer als zwemwater gebruikt worden. Verder beïnvloedt het ook de belevingswaarde. De natuur in een recreatiedomein wordt hoger gewaardeerd als er weinig of geen vervuiling is. Tenslotte heeft dit ook een invloed op de toekomstwaarde. Vervuild zwemwater is misbruikte ruimte. Door oplossing van de vervuiling kan de voorraad ruimte worden vergroot (Driessen, P.P.J., 2004 (4), p.22-24).
Er zijn verschillende mogelijkheden voor de sturing van duurzaam ruimtegebruik. Eerst en vooral is er de klassieke sturing door middel van juridische elementen. De wetgeving op het gebied van waterbeheer bestaat uit verboden, geboden en bevoegdheden van de overheid. Dit soort sturing heeft enkele nadelen. Het geeft geen prikkels om meer te doen dan vereist en houdt geen rekening met de situatie van de individuele bedrijven. Er is bovendien veel kennis nodig van de productieprocessen. Verder moet er toezicht zijn op de naleving van de regels. Tenslotte is er een slechte coördinatie tussen de wetgeving. Er is geen samenhangend beleid (Driessen, P.P.J., 2004 (4), p.37).
Naast klassieke sturing bestaat er ook interactieve sturing. Hiermee bedoelt men dat private partijen die een direct belang hebben in het beleidsprobleem ook meewerken aan het beleid (Driessen, P.P.J., 2004 (4), p.38). Deze sturingsstrategie wordt ook wel ‘governance’ genoemd. Zij zal meer leiden tot een duurzaam ruimtegebruik dan de klassieke sturing.
5.3. Duurzaam waterbeheer
In de inleiding werd reeds vermeld dat het Vlaamse waterbeheer niet duurzaam is. Op internationaal vlak heeft onder meer de WHO (World Health Organisation) uitgangspunten en oplossingsrichtingen geformuleerd ter preventie van fecale verontreiniging. In Vlaanderen vinden we doelstellingen in verband met duurzaam waterbeheer onder andere terug in het milieubeleidsplan en geeft het schaduwrapport van de NGO’s enkele beleidsaanbevelingen.
De WHO beschrijft methodes om de kwaliteit van het zwemwater te verbeteren. Voor verontreiniging door puntbronnen levert afvalwaterzuivering in combinatie met desinfectie goede resultaten op. De kans op infectie wordt hier beschreven als ‘zeer laag’. Het overlopen van riolen kan het best vermeden worden door aparte collectoren voor rioolwater en regenwater te hebben. Verder moeten de voornaamste bronnen van vervuiling geïdentificeerd worden en moet er een programma worden opgesteld om de verontreiniging aan te pakken. Hierbij zouden gezondheids- en milieuorganisaties, gebruikers, vervuilers enz. moeten bijdragen aan een effectieve ontwikkeling van dit programma (WHO, 2003 (24), p.94-95).
In het milieubeleidsplan 2003-2007 wordt er nadruk op gelegd dat zuivering van bedrijfsafvalwater in de eerste plaats moet gebeuren door sanering aan de bron. Dit wil zeggen dat bedrijven daar waar het kan zelf volledig hun afvalwater moeten zuiveren en het daarna pas lozen in het oppervlaktewater. Voor het huishoudelijk afvalwater heeft men als doel de zuiveringsgraad van de huishoudens te verhogen tot 80%. Hiervoor moeten investeringsprogramma’s worden opgemaakt voor de bovengemeentelijke waterzuiveringsinfrastructuur en moet de werking van de rioolwaterzuiveringsinstallaties geoptimaliseerd worden. Wat de industrie betreft is het belangrijk dat er overleg wordt georganiseerd. Vergunningen kunnen niet enkel gebaseerd zijn op regels en normen. Er moeten ook afspraken gemaakt worden tussen de verschillende actoren en de overheid, zogenaamde milieubeleidovereenkomsten of convenanten. De overheid geeft de doelstellingen aan en de actoren zoeken naar oplossingen. De overheid behoudt hierbij de vrijheid om dwingende normen op te leggen indien nodig. Tenslotte moet een efficiënt ondersteunend beleid worden uitgebouwd. Tegen het einde van dit jaar zou men moeten beschikken over een inventaris van de emissies afkomstig van de verschillende bronnen (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2003 (11), p.137-149).
De Vlaamse NGO’s geven volgende beleidsaanbevelingen voor een duurzaam waterbeleid. Het vergunningenbeleid moet aangepast worden. Men moet hierbij per bekken rekening houden met de draagkracht van het watersysteem. Verder moet het afvalwaterzuiveringbeleid bijgestuurd worden, met als uitgangspunt volledige scheiding van regenwater en afvalwater (Bond beter leefmilieu, 2004 (1), p.26).
5.4. Duurzame voeding
Sinds de Industriële Revolutie is het hergebruik van grondstoffen afgenomen. Vroeger werd stadsbeer ingezameld om te gebruiken als meststof. Tegenwoordig gaan de uitwerpselen naar rioolwaterzuiveringsinstallaties. Een deel ervan komt daarna terecht in het oppervlaktewater (Reijnders, L., 2004 (17), p.77). Dit veroorzaakt fecale verontreiniging.
Het Vlaamse milieubeleidsplan 2003-2007 geeft enkele oplossingsrichtingen voor een duurzamere voedselproductie. Eerst en vooral zou men moeten beschikken over een volledige inventaris van de emissies afkomstig van de landbouw. Bovendien zal men (financiële) instrumenten moeten ontwikkelen voor de landbouw om zuiniger om te gaan met water (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2003 (11), p.147).
5.5. Technologie: hulpmiddel voor duurzame ontwikkeling
Zoals reeds vermeld in paragraaf 4.3. bestaat de huidige zuiveringstechnologie voornamelijk uit ‘end-of-pipe’ maatregelen. Om een duurzame ontwikkeling te bereiken is het noodzakelijk op lange termijn te denken. Hiervoor is systeeminnovatie nodig, dit wil zeggen belangrijke veranderingen op verschillende vlakken tegelijk. Bij deze veranderingen speelt ook technologie een rol. Technici krijgen als opgave systemen te ontwikkelen waardoor afval en reststoffen ofwel zo veel mogelijk hergebruikt worden ofwel zo onschadelijk mogelijk worden gemaakt. Sanering aan de bron, optimalisatie van de werking van rioolwaterzuiveringsinstallaties en verdere uitbouw van het gemeentelijk rioleringsnet en kleinschalige en individuele zuivering zijn hierbij belangrijke punten waarover nagedacht moet worden.
Daar duurzame ontwikkeling vereist dat we op lange termijn denken, wordt er dikwijls gebruik gemaakt van toekomstscenario’s. In Vlaanderen vindt men deze terug in het MIRA-S rapport van 2000. Dit rapport onderscheidt drie milieubeleidsscenario’s. Het BAU-scenario houdt rekening met het vastgelegde milieubeleid. BAU+ onderzoekt de effecten van extra technologische maatregelen, zoals bijvoorbeeld waterbesparende technieken in de industrie of emissiearme stallen in de landbouw. In het DO-scenario of duurzaamheidscenario wordt nog een stap verder gegaan. Het gaat hier om volumemaatregelen zoals bijvoorbeeld de afbouw van de veestapel. Deze beleidsscenario’s worden vergeleken met het autonome scenario (AUT). Hiermee bedoelt men de verwachte ontwikkelingen in de verschillende sectoren. Voor lozingen van afvalwater heeft men grafieken gemaakt van het AUT-, het BAU- en het BAU+ scenario. Er waren onvoldoende gegevens om een grafiek van het DO-scenario te maken. Volgens het AUT-scenario is er een lichte stijging van de vuilvracht afkomstig van afvalwater tussen nu en 2010. Bij het verder zetten van het huidige beleid (BAU) wordt er een sterke reductie verwacht voor deze periode. Bij een verscherpt beleid (BAU+) zal de vracht nog eens voor de helft verminderd worden ten opzichte van het BAU-scenario (MIRA, 2001 (13), p.15). Hieruit kunnen we besluiten dat technologie zeer belangrijk is voor duurzame ontwikkeling.
Ontwikkeling van duurzame technologie vereist een systematische aanpak. Er moeten investerings- en uitvoeringsprogramma’s worden opgemaakt voor de waterzuiveringsinfrastructuur (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2003 (11), p.141).
In Nederland werd reeds een duurzame oplossing gevonden door de hoogleraar waterzuivering Gatze Lettinga. Hij ontwierp een zuiveringsinstallatie die geen energie kost, maar energie oplevert. In deze installatie zetten anaërobe bacteriën (= bacteriën die geen zuurstof nodig hebben) het afval om in methaan. Het resterende slib kan gebruikt worden als meststof. Wereldwijd zijn er reeds ongeveer 2000 van zulke installaties. In Nederland worden ze louter gebruikt voor het zuiveren van industrieel afvalwater. Voor huishoudelijk afvalwater is er een temperatuurprobleem: de buitentemperatuur is te laag, zodat een nabehandeling nodig is. Installaties die dit probleem omzeilen staan nog in hun kinderschoenen en kunnen in de praktijk nog niet gebruikt worden. Verder ontwikkeling van dit soort installaties zal leiden tot een duurzaam systeem waarbij uitwerpselen en ander organisch afval kan verwerkt worden tot nuttige meststoffen voor de landbouw (Kasteren, J. van, 2002 (10), p.148-149).
6.1. Wat zijn de oorzaken van fecale verontreiniging?
Hoofdoorzaken zijn toename van de bevolking en economische groei. Bronnen van verontreiniging zijn: lozing van afvalwater dat fecaliën bevat door bepaalde soorten industrie, wegsijpelen van dierlijke meststoffen uit de landbouw, riolen die overlopen, slecht werkende rioolwaterzuiveringsinstallaties en de recreant zelf.
6.2. Welke gezondheidseffecten heeft de blootstelling aan een te hoog gehalte fecale bacteriën?
We kunnen drie soorten gezondheidseffecten onderscheiden: gastro-enteritis, oor- en keelontstekingen en huidaandoeningen.
6.3. Welke oplossingen en maatregelen worden genomen om blootstelling te voorkomen en de zwemwaterkwaliteit te verbeteren?
Men probeert ervoor te zorgen dat recreatiedomeinen zich niet in de buurt van rioolwaterzuiveringsinstallaties of van industrie die afvalwater loost bevinden. Bovendien wordt de zwemwaterkwaliteit regelmatig onderzocht en wordt het publiek hierover ingelicht. Om de kwaliteit van het zwemwater te verbeteren worden door de overheid wetten uitgevaardigd, milieuheffingen ingevoerd en probeert men de burgers milieubewuster te maken door overreding. Ook technologische maatregelen leveren een belangrijke bijdrage. Goede installaties zorgen ervoor dat reststoffen uit het afvalwater zoveel mogelijk hergebruikt worden of zo onschadelijk mogelijk worden gemaakt. Voor de industrie is vooral sanering aan de bron van belang.
1. Bond beter leefmilieu en anderen, 2004.
NGO schaduwrapport “Zo klaar als pompwater?”
http://www.bondbeterleefmilieu.be/dl.php?i=21&d=1 [bezocht 3-7-2006]
2. Collé, C. en anderen, 2001
Zwemwaterworkshop 12 juni 2001 Verslag
Provincie Gelderland / Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat-RIZA Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en afvalwaterbehandeling, Utrecht (Nederland).
3. Directie Noordzee, 2004
Onderzoek zwemwaterkwaliteit 2003. Mogelijke bronnen van fecale verontreiniging langs de Nederlandse kust.
Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Rijkswaterstaat, directie Noordzee.
4. Driessen, P.P.J., 2004
Duurzaam ruimtegebruik.
In: Milieuproblemen en duurzame ontwikkeling (Red. R.J.M. Cörvers en J. de Kraker).
Open Universiteit Nederland, Heerlen. Deel 4 p.11-46.
5. EMIS (Energie en milieu informatiesysteem voor het Vlaamse Gewest), 2002
Vlaamse Navigator Milieuwetgeving
http://www.emis.vito.be/navigator/Scripts/contents.asp [laatst herzien 7-7-2006]
6. Europese Gemeenschappen, 2000
Het EU-beleid: zuiver water.
Europese Commissie Luxemburg (Luxemburg)
7. Europese Gemeenschappen, 2004
Kwaliteit van het zwemwater. Mei 2004 (badseizoen 2003).
Europese Commissie Luxemburg (Luxemburg)
8. Gezondheidsraad, 2001
Microbiële risico’s van zwemmen in de natuur.
Publicatie nr.2001/25.
Gezondheidsraad, Den Haag (Nederland).
9. Jong, J. de, 1996
Waterbeheer in de komende eeuw. Kringloop.
In: Natuur & Techniek, 1996, jaargang 64, afl.6, pag.30 e.v.
RIZA, Lelystad (Nederland).
10. Kasteren, J. van, 2002
Duurzame technologie: ontwikkeling van een houdbare wereld.
Wetenschappelijke bibliotheek van Natuur & Techniek, deel 73.
Veen Magazines, Amsterdam (Nederland).
11. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2003
Milieubeleidsplan 2003-2007.
http://www.mina.be/uploads/MBP_milieubeleidsplan_20032007.pdf [bezocht 1-7-2006]
12. Ministerie VROM, 2006
Dossier zwemwater en zwembaden. Vraag en antwoord.
http://www.vrom.nl/pagina.html?id=7802 [bezocht 9-6-2006]
13. MIRA, afdeling Meetnetten en Onderzoek (AMO), 2001
Milieurapport Vlaanderen
MIRA-S 2000: Samenvatting.
http://www.milieurapport.be/portals/sitesource/uploads/docs/Registered%20Users/miraS2000-NLsam.pdf [bezocht 4-7-2006]
14. MIRA, afdeling Meetnetten en Onderzoek (AMO),2005
Milieurapport Vlaanderen
MIRA-T 2005: Milieu-indicatoren in zakformaat.
Vlaamse Milieumaatschappij, Aalst (België).
15. MNP(Milieu en Natuur Planbureau), 2005
Kwaliteit zwemwater, 1992-2004. Milieu- en Natuurcompendium.
http://www.mnp.nl/mnc/i-nl-0248-print.html [laatst herzien 22-9-2005]
16. Quartel, D.F.H. de, 2004
Milieutechnologie.
In: Milieuproblemen en duurzame ontwikkeling (Red. R.J.M. Cörvers en J. de Kraker).
Open Universiteit Nederland, Heerlen. Deel 3 p.179-210.
17. Reijnders, L. en E.W.H.M. Fredrix, 2004
Duurzame voeding.
In: Milieuproblemen en duurzame ontwikkeling (Red. R.J.M. Cörvers en J. de Kraker).
Open Universiteit Nederland, Heerlen. Deel 4 p.71-100.
18. Reijnders, L., 2004
Een natuurwetenschappelijke kijk op het milieuvraagstuk.
In: Milieuproblemen en duurzame ontwikkeling (Red. R.J.M. Cörvers en J. de Kraker).
Open Universiteit Nederland, Heerlen. Deel 1 p.49-88.
19. RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu), 2002
Zwemmen in natuurwater niet zonder risico, 2001. Infectieziektenbulletin.
http://www.rivm.nl/infectieziektenbulletin/bul1304/grz.html [laatst herzien 12-4-2002].
20. Test Aankoop, 2002
Zoet water: goede voornemens. Kwaliteit van recreatiestranden.
In: Test Aankoop 455 jg.2002 p.21-25.
Test-Aankoop, Brussel (België).
21. VMM (Vlaamse Milieumaatschappij) en ZG(Vlaams Agentschap Zorg & Gezondheid),
2006
De nieuwe zwemwaterrichtlijn. Een vooruitblik. (Red. M. Van den Kerchhove en
anderen).
Vlaamse Milieumaatschappij, Aalst (België).
22. VMM (Vlaamse Milieumaatschappij), 2004
VMM controleert zwemwater aan zee en in binnenland.
In: Verrekijker – september 2004, p.24-27.