| Ons rijke wielerleven en de totalitaire regimes. Belgen in de Giro d’Italia en de Deutschland Rundfahrt. 1920-1940. (Stan Bovyn) |
| home | lijst scripties | inhoud |
Deze verhandeling wil een waarheidsgetrouw verhaal brengen van de wielersport en de totalitaire regimes die opkwamen tijdens het Interbellum. We zullen vooral peilen naar de organisatie, propaganda en mentaliteit die er achter schuil gaat. Dit gebeurt aan de hand van een analyse van de belangrijkste wedstrijd in de twee fascistische landen bij uitstek, Italië en Duitsland. Respectievelijk de ‘Giro d’ Italia’ en de ‘Deutschland Rundfahrt’ werden als nationale rittenwedstrijd in de jaren 1920-1940 door het fascisme geaccapereerd. De Giro werd jaarlijks gereden. De Rundfahrt kende iets minder continuïteit. We bespreken elk van beide in een apart deel. Het Giroverhaal is logischerwijze omvangrijker. In een derde deel volgt een analyse van de internationale kampioenschappen wielrijden die ofwel in het Italië van Mussolini ofwel in het Duitsland van Hitler werden ingericht.
Elk deel brengt als hoofdbrok een overzicht van de avonturen der Belgische deelnemers, hoewel de wedstrijden uiteraard nog heel wat anders te bieden hadden. Ze draaiden immers hoofdzakelijk op Italianen en Duitsers. Een focus op de Belgische renners is echter representatief voor onze analyse. Dit sportieve relaas is de wipplank naar andere aspecten. Tussen de regels speuren we naar antropologische gegevens om zo tot een algemene geschiedenis te komen. Ieder fenomeen kadert immers in een netwerk, een ‘grille’ van verschillende systemen. Aldus kan ook sport niet anders dan bekeken worden in configuratie met andere elementen. Ze kan slechts begrepen worden “tegen de achtergrond van de culturele kenmerken van de samenleving waarin zij voorkomt[1]”. Sport en spel zijn, zoals J. HUIZINGA zei, overal in een cultuur. Ook wielersport is steeds gelieerd met de universele aspecten van een cultuur, zijnde technologie, economische organisatie, sociale organisatie, politieke organisatie, ideologie, kunst- en expressievormen en communicatie[2]. Aangezien in de fascistische cultuur vooral de antropologische categorie ‘politieke organisatie’ het levensproces beheerste, zal deze tekst logischerwijze niet anders kunnen dan de wielersport vooral te beschrijven in het licht van de politieke situatie.
De titelwoorden ‘ons rijke wielerleven’ verwijzen reeds naar de dubbele doelstelling die beschreven werd in de vorige alinea. ‘Wielerleven’ geldt op zich, als sportief relaas, maar geldt ook als metafoor voor Karel Van Wijnendaele en zijn beschouwingen. Hij was de pionier der Vlaamse sportjournalistiek en schrijver van ‘Het Rijke Vlaamse Wielerleven’, een werk waarmee hij reeds een pareltje van een antiquarische antropologie opstelde. Deze figuur wordt dus zo’n beetje ons voorbeeld, en zijn beschouwingen onze voornaamste bron. Zeg maar, een vaste reisgezel op onze thesistoer. Door het tweeledig opzet worden niet alleen feiten uit de fascistische sport kenbaar gemaakt, maar wordt ook een deel van de natuur van haar politieke consumptie geïdentificeerd. Met dit laatste vullen we een vacuüm op, want zoals sporthistoricus P. ARNAUD schrijft, zijn er al redelijk veel feiten gekend in verband met de draai die het fascisme gaf aan de internationale sport, maar moet er nog veel ontdekt worden aangaande de diepere werking, de reikwijdte en de effecten[3]. Met deze specifieke studie, over de fascistische wielersport via Belgische bronnen, krijgen we detailinformatie uit onafhankelijke hand. Hoewel, als historicus moeten we goed nagaan of onze bronnen steeds onafhankelijk blijven. Ze stonden niet geïnstitutionaliseerd in de fascistische maatschappij, maar waren er misschien toch in enige mate door bezoedeld. Als echte buitenstaander wordt het hier de taak om zo empathisch mogelijk de gegevens te herinterpreteren en in te passen in de eindthesis dat de fascistische wielersport ons iets leert over de mens en zijn mentaliteit ten tijde van de fascistische regimes.
Om dit aan te tonen stellen we meerdere vragen. Hoe wordt de wielersport (ge)(mis)bruikt door de politiek? Wat zijn de verschillen in methode tussen het Duitse en Italiaanse fascisme? In hoeverre droeg het bij in de totstandbrenging van een fascistische mentaliteit? Om deze laatste vraag te beantwoorden lijkt onze afbakening in tijd eerder beperkt. Mentaliteiten gaan doorgaans over langere tijd dan twee decennia. Ze bewegen traag, “comme un lourd navire”, ( dixit P. ARIES, met zijn L’ enfant et la vie familiale sous l’ ancien régime grondlegger van de mentaliteitsgeschiedenis ). Zoals geweten werkte de Nieuwe Orde echter erg radicaal, ook op de geest. Bovendien wordt ook naar de verdere evolutie van de mentaliteit gekeken. In het afsluitende deel wordt buiten de tijdsafbakening getreden om een blik te werpen op de sportpolitiek en de mentaliteit erachter in deze tijd, in onze cultuur. Ook daarvoor zijn de histories der Belgische renners uit de jaren dertig nuttig, als een soort verre voorgeschiedenis. Met deze als specifieke invalshoek krijgen we een algemeen kader.
DEEL 1: MENSEN EN DINGEN UIT DE RONDE VAN ITALIE
Hoofdstuk 1: Italië, Sport en Fascisme
I. Historisch kader
Omstreeks 1919 kon in Italië de opkomst waargenomen worden van een nieuwe kracht, het fascisme. Haar grondleggers wilden de ontevredenheid en sociale onrust ( de ‘Twee Rode Jaren’ ) aanpakken die het schiereiland kenmerkten. Een revolutionair nationalistisch programma moest hiervoor instaan. De strijdgroep ‘Fascio di Combatimento’ werd opgericht. ‘Fascio’ was een Italiaanse term, afgeleid van het Latijnse ‘fasces’ dat verwees naar de lictorenbundel of roeden, symbool van de soevereiniteit en autoriteit van de Romeinse Republiek. Reeds sinds de jaren 1870 werd deze term gebruikt in de namen van radicaal nieuwe sociale en politieke bewegingen, meestal links. Ook de ‘Partito Fascisto’ – dit was de nieuwe naam van de groep geworden – had eerst de intentie om de arbeidersmassa voor zich te winnen. Benito Mussolini, die de beweging niet gecreëerd had, maar zichzelf handig tot haar ‘Duce’ (leider) had gegidst, zou de partij meer naar rechts trekken, volgend op zijn persoonlijke verschuiving[11]. Na een verleden in de arbeidersbeweging, agiterend voor de sociale revolutie, liet hij de communistische ideeën varen om de voorman der angstige middenstand en de stroman van de industriële elite te worden. Zijn heerszuchtig temperament was veel te ongeduldig geweest voor de Marxistische doctrine. Hij was een socialist en internationalist, maar alleen in theorie. Ook was hij revolutionair, maar nooit pacifist. Uiteindelijk kwam hij steeds uit bij zijn eigenzinnig patriottisme. Marinetti, profeet van het futurisme, noemde het ‘fysiologisch’[12]. In zijn ‘Portret van Mussolini’ uit 1929 beschreef hij de ‘somato-tonische sportman’ die onder het ‘linkse vernislaagje’ lag. Mussolini wou zich niet laten leiden door trage ideeën, maar ‘vrij zijn als de wind’. Deze typering uitte zich bijvoorbeeld in een met Marx tegenstrijdige houding ten opzichte van technologie: voor Mussolini werd dat een fenomeen op zich. Het ritme van de machines zou de levens gaan regelen, en ze beter en intenser maken. Vliegtuigpiloten kregen bijvoorbeeld al zijn sympathie (‘spiriti inquieti’ en ‘razza di dominatori’). Hij paste helemaal in de stroming van het futurisme[13].
Als agressief activist hitste hij zijn enorm gegroeide aanhang op. De ‘zwarthemden’ vereerden hun leider. Ze veroorzaakten allerlei opstootjes, en namen voor hem de straten in, met de vuist. Na de zogenaamde mars op Rome werd hij premier van het land in oktober 1922, leidend tot een nieuwe politieke dictatuur in 1925[14]. Hij zou zijn fascistisch systeem ‘totalitair’ noemen, doch een volledige ‘Fascistische Revolutie’ kreeg hij uiteindelijk niet doorgevoerd. De Italiaan bleef steeds in zekere mate verdeeld en eigenzinnig. Mussolini’s leer – eerder een tot daden stimulerend geloof - zou niet volledig ingeprent raken. In Duitsland zou dat met het eveneens onder de noemer ‘fascisme’ vallend Nationaal Socialisme, in het kort Nazisme, wel gebeuren. Hierdoor werden de specifiek Italiaanse wortels van de ‘nieuwe orde’ vaak veronachtzaamd, en in de populaire overlevering als een Duits fenomeen geproclameerd.
Mussolini wenste vooral een sterker Italië. Hoewel het vroegste fascisme nog tegen racisme en extreem imperialisme was geweest, werd in de jaren ‘30 zonder schroom Abessinïe, het latere Ethiopië, binnengevallen, als eerste flits in de droom van een nieuw Romeins imperium. Voor de realisering van deze droom werd een vorm van geweldcultus opgebouwd. Het Marscomplex gold als fascistisch ideaal van mannelijkheid. Sport kreeg hierin een grote rol. Het zogenaamde ‘sporting character’ zou zijn ideologische vervulling vinden in het fascisme[15]. Deze hoedanigheid had al een prehistorische oorsprong: ‘een soort exotische woestheid en sluwheid die van geen nut is voor de gemeenschap tenzij in vijandigheden met andere gemeenschappen’. Mussolini wenste dit temperament in zijn onderdanen, want ‘oorlog alleen is de hoogste spanning van alle menselijke activiteiten. Oorlog aandurven toont de edelheid van een volk’. Mussolini wilde de hele natie beschouwen als in een permanente staat van oorlog. Hierom moest het moreel en de ‘fighting spirit’ van de massa steeds onderhouden worden[16]. Deze militaire cultuur vond in de sport een afgeleid product. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Mussolini een erg uitgewerkte sportpolitiek toepaste[17].
II. Mussolini’s sportpolitiek:
a) Algemeen
De breed uitgewerkte sportpolitiek kaderde in het opzet van een ‘nieuwe Italiaan’, die het fascisme op totalitaire wijze probeerde te creëren om een transformatie van het volkskarakter teweeg te brengen. De Italiaan was steeds ‘individualistisch en lui’ geweest, en diende nu ‘gedisciplineerd en efficiënt’ te worden[18].Via controle over de sport zouden jongeren en hun vaardigheden gemanipuleerd worden, en kon het fascisme zich verder promoten en verspreiden. Moderne principes der liberale democratie werden hierbij duidelijk terug opzij gezet. Het was echter geen terugkeer naar het Ancien Regime. In tegenstelling tot die periode gebeurde de manipulatie niet alleen met de instelling van een politiestaat. Massale inschakeling van een modern fenomeen als sport zorgde er evenzeer voor[19]. De ONB ( ‘Opera Nazionale Balilla’ ) - de organisatie die zowat een monopolie bezat in de jeugdbeweging - gebruikte sport in zeer grote mate in haar opvoeding en propaganda. Vanaf 1929 werd nauw samengewerkt met de scholen. Voor de 18 tot 20 jarigen, die niet studeerden, werd een bijkomende ‘opleiding voorzien: een beetje politiek, maar vooral veel ‘sportieve’ activiteiten, bijvoorbeeld een charge op leden van katholieke jeugdclubs. Ook de OND ( ‘Opera Nazionale Dopolavoro’ ), de nationale na-het-werk organisatie die het ontspanningsleven van de massa regelde, zette een hele sport(infra)structuur op poten. De werking van deze organisatie was echter neutraler. Het apolitieke karakter maakte het mogelijk dat ook degenen die niet veel van het fascisme moesten weten konden bereikt worden. Uiteindelijk was 80 % van de werknemers er lid van. Nooit werd het een tactiek van Mussolini om langs daar nationalistische en militaristische propaganda te voeren. Hij zag het louter als een belangrijk controleapparaat[20].
De basis van de sportpolitiek werd gevormd door gymnastisch-militaire opvattingen en de specifiek 20ste-eeuwse cultuur van snelheid en mechanisatie, gecombineerd met nationalisme en haar krachtige drang naar heroïsme[21]. Belangrijk was dus de promotie van zaken als gevechtssport, schermen, paardrijden, evenals aëronautische sport. De aandacht voor sport onder het fascisme was eens zo groot omdat de politiek er zelf min of meer als sport kon gezien worden: het huldigde een sportief beeld van leiderschap ( “form is power”; “the shapely and well-muscled torso of Mussolini gives charisma”[22] ) en staat ( zoals Marinetti plastisch omschreef: Italië als een worstelaar[23] ). Dit beeld kaderde binnen de body politics en het politiek atletisme van de ‘Duce’: een politiek leider is een atleet, die zijn grote fysische capaciteiten ten dienste van de geestelijke doelen weet te stellen[24]. Aldus achtte Mussolini zich de ‘primo sportivo d’ Italia’. Het was één en al fysiek narcisme van de kale, knoestige leider, maar het pompte wonderwel veel energie in het openbare leven. Aldus vormde hij op zich al één van de mythen die het wilsleven en de kracht van de bevolking dienden te stimuleren[25].
Onder het fascistisch bewind kende de sportpolitiek meerdere aspecten: gedurende een lange periode lag de nadruk op een soort 'sport voor allen', waarin super-atleten niet echt gewenst waren. Aan de andere kant was er ook de politiek van 'sport als propaganda' waarbij super-atleten volledig gemobiliseerd werden. Deze strekking werd steeds dominanter in de loop der jaren. Dit alles steeds om de gewenste transformatie te krijgen van het karakter van zijn volk. Toch was ‘Lo sport per tutti’ doorgaans het hoofddoel, sport voor allen. Elementaire vormen van motorische activiteit moesten onder de bevolking verspreid worden ter verbetering van de volksgezondheid, om een grotere productiekracht te verkrijgen en om het type van de burger-soldaat mogelijk te maken. Hierdoor kwam de massa inderdaad in aanraking met sport, doch er werd geen authentiek sportief bewustzijn gecreëerd. Het was een dwang, geen overtuiging, aldus F. FABRIZIO: alles wat deze sport-voor-allen beweging tegenwerkte werd als niet conform beschouwd[27]. Toch bleef de beweging vooral een mythe. Niet alleen louter cijfermatig, maar zoals gezegd ook qua beleving. Ze raakte niet doorgedrongen tot in alle lagen der bevolking en kon aldus de ‘inquadramento’ of de algemene integratie van en instemming met het fascisme die Mussolini nastreefde ook niet redden[28]. Sport bleef overwegend een burgerlijke aangelegenheid - sportievelingen ‘per elezione’ -, beoefend met de bedoeling van ontspanning. Het idee van de fascistische sportleiders om dan toch minstens deze elite te indoctrineren met het agonistische ideaal, als preparatie en stimulans voor ondermeer economische successen, slaagde evenmin volledig[29]. Voordelig voor de Nieuwe Orde was echter wel dat deze burgerlijke elite die voordien medezeggenschap had verworven door haar kans op sport de hernieuwde onderdrukking van dit recht, evenals de blokkering van andere culturele en sociale initiatieven, minder voelde.
Niet alleen faalde het sport-voor-allen beleid op zich. Eveneens werd de fascistische sportpolitiek bemoeilijkt door het opkomende (semi-)professionalisme van sommige sportlui. De eerste 4 jaar van het regime, tot 1926, had formeel verzet weerklonken tegen deze evolutie, maar in de praktijk is ze steeds ongemoeid gelaten en daarna meer en meer aangemoedigd geworden. Dit gebeurde niet zozeer op vraag van de sportmandatarissen, maar door de propaganda. De spectaculaire trekken konden immers de passie van de massa bevredigen, en met nationaal bekende sporters kon regionaal particularisme overstegen worden. De hele reeks van mythen rondom prestigieuze voetbalclubs en hun ‘matchen van de eeuw’, evenals rondom ‘de helden van de fiets’ pasten dus niet in de oorspronkelijke sportpolitiek, maar wel in de meer doorwegende propagandapolitiek. De atleten dienden als artefacten, te imiteren door de massa die door identificatie met hen de dagelijkse frustraties van het fascistisch regime kon overwinnen. De opgewekte gevoelens van nationale trots zouden daarenboven de interne eenheid bevorderen. En topprestaties van Italianen, vreemdelingen overwinnend, konden de sterkte van de natie tonen aan het buitenland.
Dr. Fabrizio geeft deze door de propaganda bepaalde sportpolitiek een uiterst kritische beoordeling: een verstikking van de sport[30]. Het educatieve aspect werd helemaal opzij geschoven ter wille van het agonale en het militaire. Wat recreatie moest zijn werd een ideologische indoctrinatie. Hierdoor was er zeer weinig bewegingsruimte voor sportclubs en organisaties. Alles werd gecentraliseerd, en veel aspecten van de sociale rol der sport gingen verloren. Aldus was de sportpolitiek er niet om de reële behoeften van het collectief te bevredigen, maar als een autoritair, repressief instrument om de ideologie mee uit te werken: geloof, waarden en gedrag ‘van boven’ opleggen met als doel: de nieuwe mens, de fascist. Was zijn globaal negatieve oordeel wellicht terecht, Fabrizio gaat te gemakkelijk uit van de compleet door de propaganda verteerde sportpolitiek die van een ‘sport voor allen’ een ‘indoctrinatie van allen’ maakte. Het eindresultaat was zo, maar voor een juistere kijk moet ook naar de grondprincipes van een politiek gekeken worden die eerst een zachtere integratie van de nieuwe ideologie voorstond. ( Of was dat de invloed van het pre-fascistische bestuur? ). Een blik op de sportpolitiek in het onderwijs geeft inzicht. In een vroegste fase lag de klemtoon nog op de progressieve educatie tot ‘nieuwe Italiaan’ in plaats van op de harde indoctrinatie door competitie en agonisme. In 1923 kreeg de ‘Ente Nazionale per l’ Educazione Fisica’ de kritiek te horen dat er teveel ‘sport’, in de moderne zin van het woord, was, ondermeer door de verplichte aansluiting bij een sport- of gymnastiekclub. Dit droeg niet voldoende bij tot de lichamelijke opvoeding. In 1925 kwam er dan ook een aanpassing van deze onderwijsreglementen. Voortaan zou er pas sprake mogen zijn van competitie vanaf de leeftijd van 17 jaar. In 1926 kreeg Giuseppe Monti vanuit de Fascistische Partij de opdracht om de Lichamelijke Opvoeding te structureren. Een goede organisatie kreeg hij echter niet op poten, zodat de ONB, een tak geworden van het Ministerie van Onderwijs, overnam onder leiding van Renato Ricci. Met hulp van enkele buitenlandse specialisten werd een beter omlijnd stelsel uitgedacht. Finaal was het einddoel van militaire aard, maar voor 18-jarige leeftijd werd daar niet specifiek op gewerkt. In vergelijking met andere West-Europese machten is er op dat moment geen grotere militarisering. Zelfs in Belgie was ‘weerbaarheid’ een doelstelling. Hoewel ‘gezondheid’ intussen al iets meer doorwoog, bleef de militaire traditie doorwerken in de lichamelijke opvoeding van ons land. Zo was tot eind jaren ’20 Generaal Lefébure de voorzitter van de Bond voor Lichamelijke Opvoeding. Zo had de universiteit van Gent militairen voor het gymnastiekonderwijs, en zo werden ook in het lagere onderwijs militairen ingeschakeld[31]. De Italiaanse lichamelijke opvoeding kon in die periode, tot de leeftijd van 18 jaar, nog ‘algemene training’ genoemd worden[32]. Voor de - 14-jarigen betekende dit algemene fysieke activiteiten, met recreatieve, hygiënische en fysiologische doeleinden. Voor + 14-jarigen kwamen daar dan sportactiviteiten bij. Sinds Monti hoorden hierbij roeien, tennis, schaatsen en ook fietsen. Wanneer er tijdens deze sporten competitie aan te pas kwam, was het opmerkelijk dat die dan verliep in een eigenzinnig kader, afwijkend van de Olympische maatstaven. Het gaat hier om uiterlijke aspecten zoals de lengtes van de zwembaden en de wielerpistes, respectievelijk 20m in plaats van 25m, en 313m in plaats van 333m. Blijkbaar wilde het fascistische regime zich in eerste instantie distantiëren van de Olympische - want buitenlandse - competities.
Al gauw werd deze stelling echter verlaten. Met het ‘Carta dello Sport’ in 1928 werd de werking aangepast. Dit document zorgde voor het keerpunt, ‘sportificatie’ ( sport als Engelse import ) en agonisme. Uiting van deze veranderende situatie is de houding ten opzichte van de Olympische beweging. Het Italiaans Olympisch Comité (CONI) kreeg veel fascistische aandacht, en kwam na een tijd volledig onder invloed van het regime. Begin 1930 werd zelfs even gewerkt aan een kandidatuur voor de Xe Olympiade, te houden in ’36. ( Spelen die uiteindelijk werden toegewezen aan de Weimar-republiek Duitsland – maar uitgevoerd en misbruikt door nazi-Duitsland[33]- ). Onder Minister van Educatie Giuseppe Bottai zou de competitiesport gedurende de jaren ’30 de recreatief-opvoedkundige lichamelijke opvoeding van Ricci meer en meer gaan opzij zetten. Een reden was het enorm stijgende aantal internationale competities, die een groot forum voor propaganda vormden. Italië moest er haar klasse tonen. Deze koerswijziging had ook te maken met de imperialistische politiek van Mussolini[34]. In dit opzicht werd de Tour de France belangrijker als duizend diplomatieke akten. Voortaan zouden Italiaanse atleten, de ‘azzurri’, gelden als ‘blauwe ambassadeurs’, handelend als ‘bisschoppen van de Italiaanse politiek’[35]. Het is niet te verwonderen dat alle sportorganisaties strikt gecontroleerd werden, en dus ook de wielerbonden ( Wielerbond en Italiaanse Touring Federatie). Deze politiek bracht resultaten mee, want op de Olympische Spelen van 1932 in Los Angeles haalde buiten het gastland niemand meer medailles dan Italië: Mussolini’s boys do well. ‘Popolo d’ Italia’, een gazet die opgericht was door Mussolini in Wereldoorlog I, schreef: ‘de nieuwe Italiaan heeft gewonnen’. Buitenlandse sportorganisaties zouden veel aandacht gaan schenken aan de werkwijze van het CONI, en haar charters in bepaalde mate overnemen. 40 jaar voor België was in Italië de ‘sport’ de ‘kroon van de lichamelijke opvoeding’ geworden.
Het moge duidelijk zijn dat nog niet eens halverwege het decennium een zeer sterke competitiedrang gold. Die stond echter wel nog officieel in het teken van vreedzame internationale relaties. Sport werd een vitaal element in de buitenlandse politiek: banden werden hechter, problemen konden opgelost worden[36]. Bijvoorbeeld de grensoverschrijdende wielerwedstrijd Milaan-Turijn-Nice kaderde in dit opzet. Dit alles zou wijzigen na de Ethiopië-oorlog. Door deze imperiale daad kwam Italië ten opzichte van andere Europese mogendheden in een slecht daglicht te staan. Dat Mussolini niet terugdeinsde om de militaire toer op te gaan hadden vroegere uitspraken al lang aangekondigd. In Noord-Afrika werden ze hard gemaakt. De West-Europese reactie hierop is niet goed gebleken, ook niet voor de sport. De sancties keerden zich tegen de Italiaanse atleten: de Italiaanse sport kon niet meer boven de politiek staan, want ze was een creatie van het fascisme, en er in grote mate afhankelijk van. Volgend op de sancties van de Volkerenbond, zetten de Franse, Engelse en ook Belgische sportbonden daarom de eerste boycots op. Ook de wielersport ontsnapte niet: nadat in het sportblad ‘l’Auto’ negatieve politieke commentaren verschenen bleef een Italiaanse deelname aan de Tour de France in 1936 uit. Buitenlanders verschenen ook niet in de Giro. Dit speelde allemaal in de kaart van Mussolini die er zijn landgenoten tot meer agressiviteit kon ophitsen. Lange tijd had hij zich moeten ergeren aan het vredelievende klimaat dat de Italianen onderhielden ( Zo haatte hij het feit dat hij in eigen land geloofd werd voor zijn pacificerende rol, nadat hij door omstandigheden gearbitreerd had in een Tsjechisch-Duits conflict[37] ). Door de boycot voelde gans Italië zich het slachtoffer – deels een terecht gevoel -, en vanuit die positie werd de sportpolitiek zonder scrupules, maar dus niet helemaal door interne omstandigheden, gewijzigd. Het was het buitenland dat hen de internationale sport onmogelijk had gemaakt, en meer bereid om Mussolini te volgen. De Gazzetta dello Sport schreef dat die landen geen ridderlijkheid, kameraadschap, solidariteit en oprechte band vertoonden[38]. Voortaan zou Italië haar sporttegenstanders zelf zorgzaam uitzoeken. En haar atleten zouden voortaan in het buitenland sterk omkaderd worden om niet alleen te staan in die vijandige wereld. Vol tucht en discipline werd de Italiaanse sport een para-militaire aangelegenheid. De Westerse mogendheden hebben deze evolutie mee op gang gebracht, en daarna laten doorstomen zonder het te merken. Renato Ricci, de grondlegger van de Italiaanse sport in de jaren ’20 die voorheen al geprotesteerd had tegen de opkomst van de competitiedrift, zag het wel gebeuren en legde nu omwille van de overdreven militarisering zijn functies neer. Het was een enkeling die zijn Duce, de hoogste militaire leider ( na de koning, voorlopig ), niet volgde[39]. De groteske inspanningen om het karakter en houding van de Italianen te wijzigen zouden in die jaren 1937-38 hun top bereiken[40].
De in de voorgaande alinea geschetste situatie is niet bedoeld als sfeerbeeld om het militarisme van de fascistische sport te vergoelijken, maar die situatie was wel een realiteit. Het blijft een feit dat sportsancties en boycots eerst uitgingen van de West-Europese landen, waarop de Italiaanse sportwereld, uiteraard politiek gestuurd, reageerde. West-Europa had gehoopt met haar acties druk te zetten op de Italiaanse publieke opinie opdat die zou helpen om de buitenlandse politiek van haar regering te wijzigen[41]. Doch dit lukte niet. Toen in 1938 de oorlogssfeer meer gespannen werd kreeg Mussolini’s sportpolitiek, in tegenstelling tot zijn wel aan tegenstand onderhevige algemene politiek, net nog meer inval. Het nationalisme en militarisme droop ervan af. Zij die er kritiek op hadden werden bourgeoisie genoemd, gekenmerkt door ‘luiheid en traagheid’[42]. Het militaire aspect luidde ook een oriëntatie in naar spektakelsport omwille van de propagandawaarde. Nu werd ook de wielersport ingeschakeld. Gino Bartali werd specifiek klaargestoomd om de Tour van 1938 te winnen. Voor het WK was er een zelfde plan, maar dat slaagde niet. Dergelijke wielerevenementen werden meer en meer ritueel voorbereid door een chauvinistisch en belligerent taalgebruik. De fascistische sport gooide dan definitief haar masker af, met groot enthousiasme naar het oorlogsavontuur[43]. Het sportklimaat zou inderdaad gesublimeerd worden in het ware gevecht.
Deze studie zal in grotere mate een belichting geven van de aspecten propaganda en militarisering, simpelweg omdat de wielersport niet zo kaderde in dat andere aspect, het educatieve, van de sportpolitiek. Wanneer dit aspect blijkbaar toch doorschemert in ons Belgisch bronnenmateriaal, dan is dat wellicht omdat de sportjournalisten zich lieten bedotten, en de propaganda of paramilitaire doelen niet zagen of niet wilden zien. Alleen voor de periode 1922-1928 geldt dit niet. Toen was de Italiaanse sport zuiver. Ze trok zich meer op zichzelf terug. Tot ’36 was er dan een vredevolle propagandapolitiek. Na Ethiopië stond sport voor Mussolini helemaal in het teken van para-militaire activiteiten. Het valt te zien of deze fases ( autarkisme-propaganda-militarisering ) terug te vinden zijn in de wielrennerij, en meerbepaald de geschiedenis van de Giro.
b) Wielrennen
De wielersport kon eerst niet op de sympathie van de Duce kon rekenen. Mussolini was zelf, hoewel zich ‘amante del tutti gli sport’ noemend, geen fietsliefhebber. In geen enkel propagandablaadje valt hij te zien op een fiets, in tegenstelling tot talloze foto’s met motor, boot, wagen of vliegtuig. Nooit was hij op de opening of de afsluiting van de Giro - terwijl voetbalcompetities vaak door zijn aanwezigheid vereerd werden -. In zijn jeugd, toen nog als jong-socialist, had hij zelfs spijkers gestrooid als protest tegen de Giro, “dat symbool stond voor armoezaaiers en een levensstandaard van het verleden[45]”. Slechts een enkele maal groette hij de karavaan toen die passeerde in Rome op 28 mei 1928[46]. Was het louter zijn persoonlijke voorkeur die naar andere sporten ging, of kon er daarentegen een meer algemene betekenis aan verbonden worden[47]? Mogelijks het tweede. De wielrennerij was immers al goed gestructureerd voordat het fascisme er haar stempel op kon drukken. Bovendien kon het niet beschouwd worden als ‘fascistisch erg geschikt voor de doeleinden die het regime zich stelt[48]’. Het was een volkse sport in het vuile stof, met protagonisten die geen proper Italiaans praatten, en vaak regionalisering deed bovenkomen ( Girardengo, Binda, Brunero oftewel Piemontese, Lombardische, Toskaanse streekrenner met supportersclan ). Pas in de jaren ’30, met Learco Guerra, werden de renners ‘nationaal’. Guerra had eerst het Zuiden haar held gegeven, maar ingeschakeld als man van het regime – what’s in a name – kreeg hij supporters over het hele land. Met hem kon het fascisme bijkomend wat meer voet aan grond krijgen in het Zuiden[49].
De mensen kwamen de straat op voor de koers, en meer dan eens werden rust en orde verstoord. Dit botste met de idealen van de fascistische modernisering. Bovendien deed de fiets politiek teveel denken aan de ‘ciclisti rossi’, potentiële tegenstanders van het fascisme. In de jaren twintig gingen stemmen op dat de wielersport zijn tijd gehad had, en snel zou verdwijnen ten voordele van gemechaniseerde sporten, zoals bijvoorbeeld de ‘Mile miglia’- autorally of aëronautische sport, met piloten die door Mussolini de ‘perfezione dell essere nel senso psico-fisico’ genoemd werden. De renner daarentegen had niet het statuut van de mooie atleet, maar van het eerder ruwe personage. En tenslotte paste hij niet in het objectief van het regime om de jeugd tot sterke militairen te vormen. Ondermeer groepsdiscipline was in koers, in tegenstelling tot voetbal, al veel minder vereist. Door de leiding van de Scuola centrale della Farnesina’ ( de officiële eliteschool voor fascistische jongeren ) werd wielrennen bijgevolg niet beschouwd als leverancier van de “fysieke en psychische kwaliteiten die aan de krijger worden toegeschreven[50]”. Nog in 1929 verscheen in ‘Lo Sport fascista’ , het officiële sportblad van het regime, een artikel over de Giro: “De wielerronde van Italië is een evenement dat geen waardige commentaar kan vinden in ons tijdschrift, en ook , omwille van het professionalisme, ver verwijderd lijkt van de geest van de fascistische sporteducatie[51]”. Ook het moreel niet verantwoorde spektakelgehalte speelde, naast de niet passende atletische waarde een rol Een uitzondering die toch wat aandacht kreeg in officiële publicaties was Pietro Chiesi, winnaar van Milaan-San Remo, en bovenal zwarthemd[52]. Voor 1934 is echter het aantal wielrenners dat een medaille voor sportverdienste kreeg zeer gering. En wanneer er 25 sportkampioenen gelauwerd werden door Mussolini voor hun atletische waarde is er daar geen renner tussen.
Voorbeelden genoeg dat wielrennen geen stokpaardje was in de fascistische sportpolitiek. Voor de nationale wielerronde, de ‘Giro d’ Italia’ werd de afkeur pragmatisch opzij geschoven. De Giro was één van de speciale evenementen die het sportblad ‘Gazzetta dello Sport’ jaarlijks organiseerde[53]. Het was ermee begonnen in 1909. Daarmee was het haar concurrent ‘Corriere della Sera’, die al autoraces hield, te snel af geweest. Die eerste Giro was een zware en tot de verbeelding sprekende klus[54]. Hierdoor was de wedstrijd van in het begin een massa-evenement geweest. De mensen waren de straten opgekomen daar waar de renners passeerden, en om het publiek elders te informeren waren de grote middelen ingezet ( borden waarop het laatste telegramnieuws uithing en een speciale Giro-telefoonlijn op het nummer 33.68). De winnaar had kunnen rekenen op grote beroemdheid, en een flink prijzenbedrag. Met zijn prestatie had hij meer dan 5000 lire verdiend, het veertigvoudige van een arbeiders maandloon. De volgende edities werden enkel grootser. De Giro werd het toppunt van de bij het plebs enorm geliefde wielersport ( un bene povero e da poveri[55] ). Het was zo’n groot forum dat Mussolini er zich eind jaren ’20 in engageerde. Hij kon er zijn populariteit doen groeien. Gedurende de jaren ’30 is het een steeds groter machtsinstrument van de Duce geworden[56]. De vrijheid om een kamp te kiezen die het volk kreeg in deze wielerwedstrijd diende als compensatie voor de één-partij politiek. De rivaliteiten tussen renners en hun supporters waren voer voor discussies, in pers, en in het dagelijks gesprek. In al dat gepalaver werd de vrijheid van mening niet onderdrukt door politieke censuur. De publieke opinie werd echter gedeeltelijk gestuurd, want organisator ‘La Gazzetta dello Sport’ stond onder Mussolini’s invloed. Hij subsidieerde hen, en vroeg in ruil een organisatiestijl ten gunste van zijn persoon: inleggen van etappes langs wegen en plaatsen die de kwaliteit van zijn regime toonden (over zijn nieuwe snelwegen, langs openbare werken die hij uitgevoerd had, … ). Nog belangrijker was dat de verslaggeving over de wedstrijd in zijn kaart speelde. Dit betekende geen exotisch taalgebruik, in casu aan het Frans ontleende termen ( veritalianisering ), een hoe langer hoe meer belligerente verteltrant ( sport als burgerlijke versie van oorlog ), politiek-ideologische toespelingen, eerbetuigingen en dies meer: De ‘Gazzetta dello Sport’ verhaalde dat haar ‘campioni dell ciclismo’ niet alleen ‘hun mooie strijd voor de rijkelijke premie’ ( geschonken door Mussolini ) voerden, maar vooral om zich een ‘waardige vertegenwoordiging van de vernieuwde nationale ziel’ te tonen. Dit waren fenomenen die men ook in sportjournalistiek naast die over de Giro kon waarnemen.
D. MARCHESINI schreef dat de wielersport initieel niet de massale politieke invloed onderging die andere sporten kenden, en dat ze steeds minder politiek geladen is gebleven, ook voor het buitenland[57]. Zo werd de Italiaanse voetbalploeg uitgefloten op de wereldbeker ’38 in Frankrijk, doch Gino Bartali werd geloofd en geprezen toen hij de Tour won in datzelfde jaar. De renner was toen evenzeer al een staatsproduct, en dat heeft men ons inziens in het buitenland zeker gezien. De staatssteun aan het wielrennen verliep op subtielere wijze, in een minder arrogante sfeer dan degene die rond de voetbalploeg hing. In ‘34 hadden de ‘azzurri’ de wereldtitel behaald met sympathie van ieder, maar met de Olympische titel in de ’36 en de hernieuwing van de wereldtitel in ’38 hadden ze zich vooral een reputatie van vechtjassen opgebouwd. De wielersport daarentegen behield een meer vriendschappelijk karakter. Men wist bovendien ook dat een persoon als Bartali zelf niet te hoog opliep met het fascisme, diepgelovig katholiek zijnde[58]. Volledig politiek neutraal was wielrennen echter niet. De sancties en boycots na de Ethiopië-crisis uitten zich immers ook in de wielersport: in 1936 kwamen geen buitenlandse ploegen deelnemen in de Giro, en een Italiaans team bleef ook afzijdig in de grootste buitenlandse ronde, de ‘Tour de France’. Hoewel lange tijd als politiek neutraal aanzien, had de wielersport in de westerse landen toen toch ook een te fascistisch aureool gekregen, zoals het Italiaans voetbalteam. De sportsbonzen cultiveerden daarop de situatie waarin Italiaanse sporters ( coureurs ) alleen kwamen te staan tegen de vertegenwoordigers uit de kapitalistische landen. Het Italiaans olympisch comité (CONI) zou iets gaan doen aan deze ‘solitudine’. Het institutionaliseerde de ‘sportieve ambassadeurs’ die de atleten voortaan bijstonden, ook op het extra-sportieve vlak. Formeel kregen ze die hulp voor het verdedigen van hun economische interesses, maar bovenal werden ze erdoor gedisciplineerd. Een deelname aan een buitenlandse wedstrijd werd nu wel voorbereid op de beste manier, maar raakte ook ingeschakeld in een controleapparaat: ‘jullie moeten volhardend, ridderlijk, en sterk zijn. Herinner je eraan dat wanneer je strijdt buiten onze grenzen, dat op dat moment de eer en het sportief prestige der natie afhangt van jullie spieren, en bovenal jullie geest’[59]. Een voorbeeld bij uitstek van deze situatie is de historie van het Italiaanse team dat deelnam aan de Ronde van Frankrijk in 1938. De renners Favalli, Bini, Mollo, Bergamaschi, Servadei, Cottur, Vicini, Martano, Simonini, en kopman Gino ‘il Pio’ Bartali werden op en top begeleid, en ter wille van een ideale opbouw zelfs weerhouden van de eigen Giro. Ze moesten in topvorm verschijnen. ‘Het regime kon zich het risico van niet te winnen niet permitteren[60]’. Gelukkig wist Bartali inderdaad de zege te behalen, eeuwige roem verdienend. Hij werd een model voor de gewone Italiaan, te beapplaudisseren en te imiteren. Coureurs zoals Bartali, werden voorgesteld als een soort mythes, kaderend in het statuut van sport als aan de bevolking voldoening gevend element. Vooral veel jongeren zouden zo, via de sport, ook het regime en haar ideologie accepteren: de wielersport als propaganda. De Giro was het grootste voorbeeld.
Hoe groot was nu het effect van de fascistische kadering van dit evenement op de betrokkenen? Aan de hand van de beschouwingen in de Belgische wielerpers van die tijd wordt hierop een antwoord gezocht. Pasten de feiten in de evolutie van de sportpolitiek? Kunnen we tussen de regels van deze sportartikels door iets lezen over de mogelijks evoluerende mentaliteit van de Italiaanse bevolking? Zal Mussolini’s politiek zijn gewenste effect bereiken? We zoeken een antwoord in wat volgt, om te beginnen in het sportieve relaas.
Hoofdstuk 2: De Belgisch - Italiaanse as
«…ze zijn wel voornemens het rond hen al aan stukken te bijten en te klauwen als het moet. Ei, we zien hier en daar een sceptisch lachje uitpuisten, dat wil zeggen: al goed en wel van te WILLEN, de kwestie is van te MOGEN… er is het voorbeeld van andere, niet minder geduchte Vlaamse Leeuwen, die vroeger in dat Italiaansche vangnet geraakten…»[62]
I. Oorsprong en evolutie
De Belgisch - Italiaanse ‘as’ liep parallel met de sportpolitiek: in de periode voor het ‘Carta dello Sport’ plooide Italië zich op zichzelf terug en werden buitenlandse invloeden afgewezen. Van Belgen in de Giro was geen sprake. Wanneer vervolgens de ‘sportificatie’ plaats nam, en competitie belangrijker werd, kwamen er wel contacten. De Belgen maakten terug hun opwachting. Wanneer in de eindfase van Mussolini’s regime sport een para-militaire aangelegenheid werd, waren internationale prestaties van het hoogste belang. De Belgen kwamen, zagen en werden overwonnen. Was wielrennen niet die neutrale sport die Marchesini en anderen beschrijven? Deze overeenstemming met de sportpolitiek is alleszins te opmerkelijk om te ontkennen. Ze spruit echter niet voort uit een loutere oorzaak-gevolgtrekking. De analyse van onze bronnen toont dat niet alleen de evolutie van sportpolitiek een rol speelde. Economische omstandigheden, individuele daden, internationale toestanden, het toeval, een kluwen van invloeden komen aan het licht. Voor de periodisering laten we ons echter leiden door de sportpolitiek:
22-28: autarchie
28-36: propaganda
36-39: para-militarisering
II. Geen Belgische deelname in de eerste jaren van het fascisme.
Nog voor het Mussolini tijdperk hadden enkele Belgen van zich laten horen in de Giro[63]. Marcel Buysse, dat ‘prachtig beeld van Vlaamsche spierkracht’, zoals Van Wijnendaele hem beschreef, was zelfs al eens 3e geworden in de eindstand. In de Giro van 1919 was dat. In 1920 eindigde hij 6e. Het was één van zijn laatste prestaties. Jongere broer Lucien Buysse nam een jaar later met een 4e plaats echter de fakkel over. Althans voor eventjes, want de Giro van 1922 was al minder (opgave met louter één enkele 7e plaats in een rit), en daarna werd het helemaal stil. Verderop in de jaren ’20 kwamen er geen Belgische prestaties meer. In 1924 was even sprake dat Lucien Buysse, Pier Goossens en Henri Stockelynck zouden deelnemen, maar finaal ging dat idee niet door. Enkel in 1928 stonden nog eens 2 Belgen aan de start ( Gust Mortelmans en Aimé Dossche[64] ), maar slechts als ‘koetsier’, d.w.z. knecht, net zoals een paar Fransen en een Zwitser. Ze legden er na enkele ritten de wapens bij neer. Buiten een 4e plaats voor Dossche in de zesde rit hadden ze niet veel kunnen rapen. Het was immers het tijdperk der ‘campionissimi’, zoals Girardengo en Binda, die zowat alles voor zich opeisten[65]. De Belgische pers had dan ook slechts inbeperkte mate aandacht voor de Giro ( in Sportwereld een tiental regels als ritverslag en het klassement ). Geen enkele buitenlander schitterde nog. De Giro was verwaterd van een tot in 1920 voor 1/3 door buitenlanders betwiste wedstrijd tot een nationaal onderonsje. Zelfs die enkele Franse, Zwitserse of Belgische knechten bleven uiteindelijk weg. Dit paste in de sportpolitiek der beginjaren van het Mussolini-regime: distantiëring[66]. Buitenlanders raakten bovendien veel rijkelijker aan de bak in de Tour de France. Na 1928 viel er in de Giro geen kruimel meer te rapen. De tijd dat constructeurs zoals ‘Bianchi’ en ‘Legnano’ knechten tegen hoge prijs inhuurden was voorbij. Van Wijnendaele zag dat de lires opraakten[67]. Lange tijd hadden Italiaanse fabrikanten gunstige tijden gekend - het land had financieel immers iets meer overschot na de oorlog dan bijvoorbeeld België - en eigen ploegen, rond een Italiaanse vedette, in stand kunnen houden. Doch na 10 jaar werd de kost gewoon te groot. De fietsindustrie was er over haar eerste hoogconjunctuur heen. Finaal kwamen sommige Italianen hun geluk bij ons beproeven. Hier, waar de wielrennerij merkwaardig genoeg net opgang maakte na meerdere slechte jaren, waren deze renners meer geliefd dan in eigen land[68].
III. Belgen in de propagandastrijd
Officiële afvaardigingen naar het buitenland waren in het algemeen zeldzaam. Zo werd het wachten tot 1930 voor zich weer grote internationale deelnemersvelden vormden: in de Ronde van Frankrijk van dat jaar werden opnieuw Italianen en Duitsers verwacht. Opgewekt schreef Van Wijnendaele dat we het super-patriotisme nu wel gehad hadden. De grensoverschrijdende wedstrijd Turijn-Brussel in 1930 leek een voorbode van de hechtere Italiaans-Belgische banden. Ter gelegenheid van het Eeuwfeest der Belgische staat organiseerde de ‘Belgische Wielrijders Bond’ deze prachtige wedstrijd, waarvoor sommige renners zelfs wegbleven uit de Ronde van Frankrijk[69]. Medewerking van de Italiaanse bond werd verkregen. Hiermee werd een idee uit 1920 van een Antwerpen-Milaan opgeraapt. De banden tussen België en Italië waren nauwer geworden door het huwelijk van de Italiaanse kroonprins, de hertog van Piëmont, met de Belgische prinses Marie-José. Hierdoor werd de Italiaanse dynastie, het Huis van Savoie, beschermheer van de wedstrijd, en haar verblijfplaats Turijn het vertrekpunt[70]. De Italiaan Grandi zou de overwinning behalen. Een jaar na deze feestelijk wedstrijd hadden we weer landgenoten in de Giro. Omdat de Tour toen in landenformue werd verreden waren de plaatsen er beperkter en kwam een Giro welgelegen als alternatief[71]. Decroix, Delanoi, Aerts en Lambaets konden knecht gaan spelen voor een Italiaanse broodheer. In 1932 konden de Belgen echter hun eigen kans gaan. Demuysere, Decroix en J. Vervaecke werden in een Italiaanse ploeg opgenomen, maar ze dienden zich niet op te offeren voor een Italiaans kopman. Zolang ze maar de belangen van hun sponsor, fietsenfabrikant Ganna, dienden. Hetzelfde gold ook voor de Fransen, Zwitsers en Duitsers aan de start. Van deze vreemden had men zich in Italië tot dan toe geen juist beeld gevormd, vooral niet van de Belgen. “Door hun brio zijn deze laatsten nu echter heel populair”, schreef Van Wijnendaele in zijn Giro-eindbeschouwing[72]. Deze nieuwe Belgisch-Italiaanse wielerkennismaking verliep inderdaad gunstig.
De ontvangst was gastvrij. De verzorging (hotels, voeding) bleek ook zeer goed, en het onthaal van het publiek was fantastisch. De vroegere histories van Italianen die in koers de vreemdelingen van de fiets reden bleken bovendien achterhaald. In de zevende etappe van Foggia naar Napels schitterde Demuysere. Slechts enkelen konden in zijn spoor blijven. Aan de meet werd hij in de sprint nog door een Italiaanse wieltjeszuiger geklopt, doch alleman erkende zijn grote klasse[73]. Bovendien kwam hij op de tweede plaats in de algemene rangschikking. Hierdoor kwam in België een grote golf van interesse voor de Giro op gang. Een landgenoot die het over de Alpen ging waarmaken! Velen herinnerden uit de straffe verhalen van vroeger hoe moeilijk het was om tegen die Italiaanse overmacht op te tornen. Een paar dagen later ontstonden geruchten: Jef had iets voorgehad. De redactie van Sportwereld werd met ongeruste vragen bestookt. Hoe zat het nu met Demuysere? Antwoord in de editie van 1 juni. “ Demuysere en …. Zijn doodelijk ongeval. Van alle kanten werd ons gevraagd wat er met Demuysere gebeurd was. Sommigen zeiden: een ongeval. Anderen spraken van een aanslag. Een derde relaas ging over een moordpoging en de verschrikkelijke dood der Werviknaar, vermoord door de fascisten. Noch min noch meer! Het gaat goed met Jef…[74]”. Hoe die mare ontstaan is blijft een raadsel. Jef verkeerde immers steeds in blakende gezondheid, de leidersplaats van Pesenti bestokend. Uiteindelijk moest hij zich neerleggen bij de tweede plaats, maar ook die werd beloond: de Belgen werden ontvangen in het gebouw van organisator ‘Gazetto dello Sport’ en ontvingen daar een gouden medaille en een uurwerk, geschenken die persoonlijk uitgingen van Mussolini[75].
In 1933 stonden er dus weer Belgen aan de startlijn in Milaan. Dit keer waren ze met z’n vijven: Rebry, Dignef, Moerenhout, Loncke en Demuysere. Die laatste trok ten aanval vanaf de eerste etappe, verreden in een geweldig onweer. Onderweg naar Genua ontbond hij zijn duivels in die mate dat enkel ‘campionissimo’ Alfredo Binda mee kon. Guerra, de andere grote favoriet, kende talloze moeilijkheden en werd meteen op aanzienlijke achterstand geplaatst. In de 5e etappe van Florenzano naar Grosseto kwam hij stevig op de eerste plaats in het klassement. Het was een rit over 4 bergen die weerom beheerst werd door de grote kampioenen Binda, Guerra en Demuysere. ’s Anderendaags zou hij in de roze leiderstrui, voorzien van het fascistische embleem, Rome kunnen binnenrukken[76]. Zo werd Demuysere de eerste Belg die de lictorenbundel droeg, zijn borst nat makend in naam van het fascisme.
Bijna werd het een intocht in mineur, want Demuysere viel in volle finale na een botsing met een bereden gendarm. Gelukkig kon hij tijdig terugkeren in het peloton om deel te nemen aan de massasprint. Hierbij deed zich weer een val voor. Ditmaal was Guerra het grootste slachtoffer. Het Romeinse publiek dat hun lieveling in een plas bloed zag liggen zorgde voor oproer. Met spijt moesten ze zijn opgave (door hersenschudding) aanvaarden. Ook onze landgenoot Dignef gaf die dag op, na nog een andere val, een botsing met een toeschouwer. ’s Anderendaags bleef het kalmer. De Belgische verslaggevers voorspelden echter dat Demuysere niet moest hopen op meer van dergelijke kalme dagen: “ Het was vroeger al erg, maar nu is er nog eens de geest van Mussolini en het fascisme die de nationale trots boven alles plaatst…”[77]. Ze zouden hem dus gaan bestoken. Binda, volop gesteund door zijn vele companen, kwam aan de leiding. Demuysere zakte naar twee[78]. Doch hij leek de moed niet op te geven. In Vlaanderen hoopte men op een krachttoer, maar een tijdrit over 76 km – de eerste ooit in de Giro - bracht de beslissing. Binda reed gemiddeld 39 Km/u – over wegen die helemaal niet zo goed liepen als heden ten dage – en won voor Demuysere[79]. Deze klus had hij alleen moeten klaren, zonder hulp van zijn knechten. De Giro sleurde zich de laatste dagen naar het einde. Niemand durfde Binda nog aanvallen. Hoe dan ook, twee jaar op rij tweede: Demuysere had dat niet slecht gedaan. Met zijn prestaties maakte hij de Italiaans-Belgische as heel wat sterker.
In 1934 mocht Demuysere vrijelijk bepalen wie hij meebracht naar de ronde van het land ‘waar de citroenen groeien’. Zijn knecht Felicien Vervaeke won de 8e etappe van Bari naar-Campobasso, terwijl hijzelf 11e werd in het algemeen klassement. Dit waren sterke resultaten die zowel in België als in Italië geapprecieerd werden. Desalniettemin zat de Italiaans-Belgische relatie een jaar later tijdens de aanloop naar de 23e Giro voor het eerst met een haar in de boter (of is het olijfolie ). De grote baas van de Giro, Armando Cougnet, liet hierop al snel horen dat de Belgen wel gewenst waren in hun Ronde, maar het moesten goede zijn[80]. En de eerste lijst met renners die Demuysere had binnengebracht bracht in dat opzicht geen voldoening. Gevolg was dat Demuysere de enige Belgische vertegenwoordiger werd. De vreemde inbreng diende in dat jaar dan maar te komen van een sterke Franse delegatie ( met onder andere Maurice Archambaud die 5e zou eindigen). Voor Demuysere zelf was slechts nog een dienende rol weggelegd. Hij volbracht deze nieuwe taak, zoals hij voordien de rol van kopman met brio gespeeld had. Als superknecht van Giuseppe Olmo, de vierde van het jaar voordien, en een favoriet voor deze editie, wist hij zelf toch nog twee maal tweede te eindigen in een rit ( de zesde en de dertiende, achter zijn kopman voor wie hij de sprint aantrok ).Een andere lovenswaardige prestatie leverde hij in de 8e rit toen hij zijn lekgereden kopman opwachtte, terugbracht in de groep, en vervolgens zelf pech kende. Waarna hij uiteraard alleen de achtervolging op het peloton moest volbrengen[81]. Zijn vierde en laatste Giro was de minst glorieuze, maar hij zal er als broodrenner toch tevreden mee geweest zijn: voldoende premies met kopman Olmo finaal op het podium - weliswaar het laagste schavot -, en een eigen klassement dat ook nog enige lires opleverde namelijk de 6e prijs in het vreemdelingenklassement ( 39e in totaal ). Hiermee kwam een voorlopig einde aan een mooie periode van Belgische prestaties in de Giro. De Italianen klaarden het weer alleen. Zij hadden volop zelfvertrouwen, want terwijl op politiek gebied Italië haar imperiale kracht begon te tonen in Noord-Afrika, en haar economische vitaliteit met dag en nacht op volle toeren draaiende fabrieken, ging ook de wielrennerij crescendo. In ’35 konden ze het zich permitteren om na hun nationale ronde weg te blijven uit de nochtans lukratieve Tour de France. In de ‘tweede Giro’, die van pistemeetings doorheen het ganse schiereiland, viel immers heel wat meer te verdienen.
Foto: Demuysere, Loncke, Vervaecke: rozetruidrager en etappewinnaars in de Giro[82].
IV. Belgen kunnen niet op tegen para-militaire Italianen
In 1936 organiseerde Mussolini naast de Giro ook andere wedstrijden die talrijke toeschouwers lokten. Koersen met tanks. Kort daarop zou hij ze inzetten in datgene wat hij net nog iets heftiger vond dan sport, zijnde zijn koloniale koersen oorlog in Ethiopië. Dit heet internationaal hangijzer had gevolgen op de buitenlandse deelnames aan de giro. Er deden gewoon geen vreemdelingen mee. Ook geen Duitsers met wie op politiek vlak nochtans juist een as was gesmeed. De Belgen bijvoorbeeld namen toen deel aan de tweede Ronde van Spanje die min of meer gelijktijdig verreden werd, met succes trouwens[83].
In 1937 was de boycot opgeheven met 15 buitenlandse deelnemers op een totaal van 93. Het werd echter een flauwe Giro van hun zijde, want alle 23 ritten en de top in de rangschikking waren voor de Italianen. Op een verre 31e respectievelijk 35e plaats eindigden de Belgen Deloor en Beeckman[84]. Schepers, Dignef en Huts gaven op. In 1938 stond opnieuw een 4-tal landgenoten aan de startlijn van een Giro die getekend werd door de afwezigheid der ‘campionissimi’. Hierdoor stond zowel in Italië, als in België het vuur voor de Giro op een lager pitje. Van Overberghe, Declercq, Kamiel Michielsen en Christiaensen moesten de legendarische reputatie der Fiaminghi (‘uit de streek van Demuysere’) ophouden.
Na een Giro zonder buitenlanders in ’36 leek de editie van ’39 ook nog eens louter Italiaans te gaan worden. Door het zogenaamde ‘Pakt van Staal’ dat Mussolini en Hitler juist gesloten hadden, en dat niet veel anders was dan een oorlogsakkoord, werd Italië in dat jaar terug geboycot in tal van sporten. De Giro-directie zocht zelf ook geen buitenlanders meer aan. Zeker de Fransen konden het vergeten. De relatie tussen de twee landen was erg slecht geworden. Nochtans was de Franse opinie zeer lange tijd gematigd gebleven, ondanks de vele anti-Franse maatregelen van Mussolini. Na het opzeggen van alle diplomatieke akkoorden door Italiaans Minister van Buitenlandse Zaken Ciano, en na het ‘Pacte d’ Acier’ was die opinie echter helemaal gekanteld en unaniem vijandig geworden ten opzichte van de Romeinse dictator. Zelfs de rechtse stromingen zeiden nu ‘Adieux à l’Italie’[85]. Midden deze oorlogsspanning werd toch nog een sportieve uitzondering gemaakt: één land werd uitgenodigd, en het zou niet de Asmogendheid Duitsland zijn. Het was goede wielervriend België. Mogelijks speelden de dynastieke banden tussen de twee landen ook een rol. Zeven Vlamingen namen deel, zijnde Van Teemsche, Van Oppen, Van Houtte, Bekaert, Desmedt, Claeys en Clautier. Karel Van Wijnendaele aanzag onze renners als een echte vredesactie….«We zijn de EENIGE VREEMDEN, echter ook de EENIGE GENODIGDEN, wat er dus op wijst in de angstwekkende internationale beslommeringen van het ogenblik, dat tegenover ons althans die bedroevende vooropstelling niet bestaat, welke tusschen andere naties schijnt te heerschen.Wij betreuren dergelijke verhoudingen, des te meer daar wij de sport steeds hebben aanzien als een factor van toenadering en verbroedering onder alle volken. Het zal ons na afloop dan ook ongemeen aangenaam aandoen te mogen vernemen dat de houding onze Belgische vertegenwoordigers in de Giro, een heilweert effect heeft gemaakt op den geest van het Italiaans volk, ook buiten alle sportbegrip[86]”. Karels wens van ‘het heilweert effect’ kwam zeker voor een stuk uit, want gedurende de 20 dagen van de wedstrijd werden de ‘sette fiaminghi’ steeds uitbundig toegejuicht. Het Italiaanse volk toonde zich zeer vriendschappelijk en sportief. De meest bedroevende vooropstellingen rond deze deelname groeiden trouwens in eigen land: omdat de 7 Vlamingen in de beginfase van de wedstrijd niet tegen de Italiaanse overmacht opkonden, had de Waalse sportkrant ‘Les Sports’ naar het schijnt geschreven dat ze maar beter naar huis konden komen: ‘ze klagen maar dat de Italiaanse coureurs hen geen zege gunnen, maar ze kunnen gewoon niet beter, en overdrijven over de tegenstand’. ‘Het Nieuwsblad’ bleef de renners echter steunen en pakte ‘Les Sports’ aan. Ze wees op het afwezig zijn van een Waal in de ploeg als reden om zo krenkend te spreken. Een heuse communautaire twist[87]! ‘Les Sports’, een ons inziens brave, koningsgetrouwe krant – getuige het frequente citeren van ‘les sages mots du roi’ -, deed er dan maar het zwijgen toe[88]. Uiteindelijk behaalden de Belgen nog een paar ereplaatsen in de ritten ( ondermeer een tweede plaats voor Claeys ) en een top 30 voor Van Oppem in het eindklassement, zodat ze nog tevreden huiswaarts keerden. Bovendien gingen de speciale premies voor buitenlanders volledig naar de Vlamingen. Dit betekende 20 800 lire extra. Een flinke boterham die de 7 netjes verdeelden. Als enige buitenlanders waren ze wel een beetje een hond in het kegelspel geweest, maar hun vredesactie was zeker geslaagd. En ze waren bij de paus geweest[89].
Omtrent deze opvallende deelname in een toch wel gespannen klimaat werden enkele beschouwingen gebracht door de journalisten van Sportwereld. Echte duiding, met aandacht voor de politieke afwikkelingen van het ogenblik, kon dat niet genoemd worden. Dat was ook niet nodig, want sport hoort een neutraal fenomeen te zijn. Toch zouden er in tijden van sportboycot bewegingen misschien minder neutrale meningen geopperd kunnen geweest zijn. Waren er milieus die liever geen vaderlandse vertegenwoordiging zagen? Om na te gaan hoe de houding was in verschillende politieke stromingen werd een persanalyse uitgevoerd.
Kranten zoals ‘Het Nieuwsblad’ en ‘Le Soir’ die te plaatsen vallen in het midden van het politieke spectrum konden niet neutraler zijn in hun sportcommentaren. Voor de Waalse krant was de Belgische Girodeelname amper nieuws. In enkele regels werd regelmatig, maar niet dagelijks, een ritverslag gegeven, met het klassement. Sporten als hockey, kayak, jeu de boule kregen er veel meer aandacht. Hetzelfde gold voor het liberale ‘Le Matin’. De Antwerpse edities van deze Franstalige krant hadden evenmin interesse voor de koers. Dit is logisch. Sport was algemeen wel een burgerlijke aangelegenheid, maar wielrennen specifiek was dat al lang niet meer. Rechtse bladen zoals ‘Volk en Staat’ en ‘Le Pays Reel’ kwamen ook niet tot opiniërende stukken. De aandacht van de vlaams-nationalistische krant verslapte naarmate de prestaties der Belgen achter bleven, hoewel er begrip was voor de moeilijkheden. De belofte “we zullen ’t er over hebben bij hun terugkeer” werd niet nagekomen. In de krant van Leon Degrelle kwam de Giro amper aan bod. Er werd aangekondigd dat er 7 Belgen gingen deelnemen, maar van het verdere verloop kwam niets meer aan bod. Een maand later werd de Ronde van Duitsland ( ‘van Groot-Duitsland’ titelde Volk en Staat steevast ) veel ruimer beschreven. De nationale prestaties in de geloofde ‘grootste ronde van de wereld’ waren er ook een stuk beter. Wat tenslotte het socialistische ‘Vooruit’ betreft, is het verwonderlijk dat er met een dagelijks feitenrelaas meer aandacht is voor de Giro dan bij de extreem rechtse bladen. Zij vond het misschien niet zo erg om dagelijks te moeten berichten dat de Belgen er ‘eerder een droevig figuur’ sloegen[90]. Concluderend valt op dat er nooit diepgaande duiding was. Sport was een verschijnsel op zich dat op zich beschreven werd.
Ondanks de in Oost-Europa reeds op gang zijnde oorlog werd in 1940 toch weer een editie voorbereid. Het moet Mussolini nijdig gemaakt hebben dat zijn volk zich nog bezighield met dergelijke wielerstrijd, terwijl de Duitse kompanen al lang overwinningen vierden in de krijg. Hij liet de propagandamachinerie dan ook ‘à bloc’ draaien, opdat de Italiaanse oorlogszucht zo zou toenemen dat hij eindelijk zijn asverplichtingen zou kunnen nakomen. Intussen kregen de Belgen van de wielerbonzen weer een uitnodiging. Het bleek enigszins moeilijk om een Belgische ploeg te vormen[91]. Veel rijders zagen een trip naar Italië niet meer zitten. Er was die grote onzekerheid die al het WK in Varese belast had. Eén rijder was echter wel ten zeerste bereid. Alberik Schotte had ‘goesting’! Zijn kandidatuur werd echter door de Italiaanse organisatoren geweigerd. Hij was niet gekend genoeg. Na de oorlog, die de Belgische deelname aan de editie van ’40 inderdaad verhinderde, zou ‘Briek’ zijn bekendheid ruim doen stijgen…
Hoofdstuk 3: Historish-antropologische analyse
«… In elk geval ware ‘t zoveel beter wilden de heeren van de politiek het bij hun dingen houden, en de betalers van de sport hun pot laten koken lijk ze hem gaarne eten …»[92]
De renners draaiden niet alleen mee in een wielercircus, maar ook in een fascistische maatschappij, inclusief propagandamolen. Eind jaren ‘30 zou ‘l’ Auto’ het Franse sporttijdschrift van Tour-organisator Henri Desgrange, niet meer mogen gelezen worden in het land van Mussolini. Het blad had politiek betoog bij de sport veroordeeld, en kritiek uitgeoefend op de Italiaanse leidende kringen die de sport brachten om politieke propaganda te maken. Het belang kennend van ‘l’Auto’ was dit niet goed voor de internationale sportcontacten. De banden tussen Desgrange en de Italiaanse Wielervereniging werden erdoor gebroken: Italiaanse renners kregen van hun bond het verbod om nog in Frankrijk te rijden. Dit besluit bleek echter meer om indruk te maken, dan om nageleefd te worden. In dit conflict zou Karel Van Wijnendaele zijn vriend Desgrange diplomatisch gelijk geven. Hij zag er het bewijs in dat men in Italië te ‘ongenadig omspringt met de vrijheid van menschen en gedachten’. Zijn kritiek had wel niet tot gevolg dat Sportwereld gebannen werd. Waarschijnlijk werd het Vlaamse blad sowieso niet echt gelezen over de Alpen, en bovendien was de internationale relatie België-Italië in het algemeen al veel minder gespannen dan die tussen grootmachten en Mediterrane tegenspelers Frankrijk en Italië.
De climax van deze twist rond de inmenging van Mussolini in het sportgebeuren werd gespeeld in 1939. Bij de ouverture was Karel Van Wijnendaele minder kritisch geweest. De inmenging had hij, wat de Giro betrof, voor het eerst waargenomen in 1926. In Sportwereld had hij het over de ‘sportieve wenk van den Duce Mussolini’. Die schonk toen voor het eerst een geldprijs aan de top-5 van de ronde. 20 000 lire in totaal. Van Wijnendaele zag ‘nogmaals bevestigd dat de gezagsvoerders en overheden hoe langer hoe meer de sport aanwakkeren en er het nut van inzien’. Over zoiets kon hij, de pater in sportkostuum,een groot voorvechter der sport alleen maar verheugd zijn. In de loop der jaren zou hij zijn gedacht lichtjes wijzigen, zoals moge blijken uit het citaat bovenaan deze pagina.
Begin jaren ‘30 zag hij echter nog geen graten in het sportbeleid dat de Duce voerde. In ‘Het Algemeen Nieuws’ – de extra-sportieve bladzijdes bij ‘Sportwereld’ – had hoofdopsteller Paul De Mont wel reeds kritiek geuit op Mussolini’s machtswaanzin[93], maar Van Wijnendaele zelf bleef lovend, getuige zijn analyse over de ‘Sportbeweging in Italië’: hij had gezien hoe 4 politieagenten ( twee in de auto, en twee per moto ) het verkeerrond de koers regelden. Alle mensen hadden een heilige schrik van hen, want ze handelden in naam van het Fascisme. “‘t Is goed te zien dat deze politieke instelling van aanzien en gezag is! Nooit heb ik weten tegenstribbelen. Men is daar eeuwen voor: ‘de plaag der ongewenste volgers’ is er niet omdat sport er staat onder bescherming der Regeerende macht van Mussolini zelf…[94]”. Van Wijnendaele vond het spijtig dat er hier geen viertal fascistische agenten waren, al was het maar om ongevallen te beletten. Verder maakte hij de vergelijking met België waar de senators de wielrijders een plaag voor het verkeer in de auto noemden, terwijl de bestuurders van het land daar toonbeelden waren van beschermers der sport. Zo gaf regeringsafgevaardigde Spozetti de start van een etappe, net als Garelli, een ander lid van het ‘Besturend Leven’. Hun milities, de ‘zwarthemden’, waren steeds aanwezig. Bij de start in Milaan was een heel garnizoen van dienst om alles in goede banen te leiden, met militair gezag[95]. Ook koersdirecteur Colombo had dergelijk beschikkingsrecht, commandant in het leger zijnde[96]. “De heele Ronde van Italië staat onder hooge bescherming van Mussolini! Gelukkige inrichters!!”
De Giro was in die tijden ook in andere opzichten een organisatie waar de Belgen flink van opkeken. In eigen land waren er wedstrijden waar iets te rapen viel, maar het prijzengeld in de Giro was andere koek: 600 000 BF via de ‘Prijs van den Duce’ 10 000 lire; ‘Prijs der Fascistische Partij’ 11 000 lire; ‘CONI-prijs’ 10000 lire; voor de ‘Roze Trui’: 500 lire per dag. Hierbij kwamen nog eens erepremies: ‘Premie van den Duce’ voor de eerste vijf, gaande van 10000 tot 2000 lire; ‘Premie der Fascistische Partij’ van 5000 tot 1000 lire. De 35000 lire voor de eindzege in 1938 kwam toendertijd overeen met zo’n 100 000 BF. De gemiddelde Italiaan verdiende 3000 lire per jaar[97]. Naast het prijzengeld was er ook de populariteit van het wielrennen. In Vlaanderen werd ze steeds maar hoger, maar de Italianen waren eens zo veel begeesterd. “ Nog nooit meegemaakt, zo’n zingende en tierende massa….”. Het waren fanatieke toeschouwers, maar toch sportsman genoeg want “de vreemde overwinnaar werd zoo wel en zoo hartelijk toegejuicht als iemand van het eigen ras[98]”. En hun adoratie kende geen grenzen: urenlang stonden ze op wacht voor de hotels der renners. Midden in de koers kwamen ze langszij rijden om een bloementuil of een ander geschenk te overhandigen. En met hun petjes vagen ze het kleinste stofje weg van de piste waarop voor de zege moest gesprint worden. “ We kijken onze ogen uit. In Italië mag men alles verwachten[99]”. Dat gold eveneens wat betreft de persbelangstelling. Van Wijnendaele kon qua fanatisme niet op tegen zijn confraters. Alles deden ze ervoor om zich steeds zo dicht mogelijk bij de renners op te kunnen houden: “ Die Italiaanse gazetschrijvers zijn zot. ‘t Is een mirakel als er niemand verongelukt Ik kreeg kiekenvlees; ziende hoe ze zwieren en slingeren in hun auto’s, zeker in de afdaling[100]”. Toch waren het goede collega’s, want het respect was groot.
Mindere aangenaam voor de Belgen was echter de wijze van koersen: het waren vaak erg lamme wedstrijden, maar met des te opvliegendere renners. Dit had natuurlijk alles te maken met het specifiek Italiaanse ploegenspel[101]. Demuysere zei na de editie van 1932: “ Het was vaak geen koers, maar een wandeling. Alle strijdlust werd getemperd door de overmacht van Guerra en Binda en hun legers[102]”. Probeerde men als vreemdeling toch eens aan te vallen, op het moment dat zij hun gezondheidswandeling wilden, dan stond er een erg kwade reactie te wachten. ” Nogal onsportief en heethoofdig[103]”, vond Christiaens na zijn deelname in 1938. Omkoperij had in dit systeem uiteraard ook zijn plaats, maar er werd meestal weinig misbaar over gemaakt. Casella en Guerra gingen in 1934 toch te ver en kregen een sanctie. Het wierp “een treurig licht op de Italiaanse koerswereld[104]”, maar veranderde weinig. Van Wijnendaele noemde het later de “belachelijke, schandalige manier van Italianen om op voorhand te bepalen wie moet winnen[105]”. Dit ploegenspel en bijhorende knechtensysteem was erg typisch, en zorgde voor het speciale tijdperk der ‘campionissimi’. De Italianen vereerden hun kampioenen. Hun afwezigheid bezorgde steeds een fikse knauw in het toeschouwersaantal. Voor jonge renners was het niet zelden moeilijk om door te breken[106].
Deze beschrijvingen van het knechtensysteem getuigen van de grote betekenis van status in de sociale organisatie van de toenmalige Italiaanse fascistische cultuur. Deze vorm van stratificatie maakte opwaartse mobiliteit in de wielerhiërarchie niet gemakkelijk. Dit systeem heeft de Italiaanse wielrennerij groot gemaakt. De ‘campionissimi’ stuurden haar naar ongekende hoogten wat betreft populariteit. Bovendien zorgde het voor een zekere stabiliteit in de economische situatie van de renners. De reciprociteit in het systeem zorgde dat zowel de kopman als de waterdrager verzekerd was van voldoende inkomen. Dit systeem bracht mee dat elkeen zijn specifieke taak had te vervullen om op meeval te rekenen van de anderen. Ook de kopman ontkwam daar niet aan. De dag dat Binda opgaf in de eindfase van een Giro, ontmoete Van Wijnendaele een huilende man op de trein. Die was zo aangedaan omdat de opgave een wereldkampioen onwaardig was. Het respect voor Binda kreeg daar een knauw. Als hij zijn plicht als kopman niet volbracht daalde het respect en de adoratie van de toeschouwers en gazettenschrijvers. De knecht die dan in zijn plaats won moest ook niet op de grootste sympathie rekenen. Slechts wanneer ieder zijn plicht deed volgens de plaats in de hiërarchie kende de aanbidding zoals eerder beschreven geen grenzen[107]. Tenzij financiële barrières uiteraard, want zoals in andere landen trof men op de tribunes aan de finish waar te betalen viel niet zoveel supporters aan. Daar vond men dan echter de sportbestuurders en journalisten, en die waren al even fanatiek, stoefend en pochend over hun favorieten[108].
Dit heftige en opvliegende karakter kan er toe brengen om de Italiaanse cultuur een classificatie op te spelden van wat bepaalde antropologen ( de School van ‘cultuur en persoonlijkheid’ ) ‘Dionysisch’ noemen. We komen er in deel 4 op terug, tijdens een vergelijking met de nazi-cultuur. Mussolini wilde dit wijzigen, maar hij slaagde niet volledig in het opzet van een ‘Nieuwe Italiaan’. De Giro was allerminst het meest geschikte instrument. De ‘Dionysische’ massa’s op de straten die hij van in het begin vreesde bleven aanwezig. Ook nog in 1939 ontaarde hun begeestering in oproer. Het begon nochtans kalmpjes: “De toeschouwers juichten onze jongens uitbundig toe… Alles verliep in de grootste orde, zodat we wel enigszins verwonderd waren dat het met de uitbundige Italianen, die soms wat al te uitbundig kunnen zijn, zoo goed verliep. Ze hielden ons echter een kleine verrassing voor… de politie moest eraan te pas komen: Bartali was op komst…er ontstond roering. De politie had goed alle mogelijke middelen te gebruiken, aan de volksgeestdrift scheen maar geen einde te willen komen. Het ging zelfs zo ver dat de politie overrompeld werd en de ordedienst helemaal in de war gesteld…[109]”.
Op dat punt heeft Mussolini het karakter van de bevolking niet kunnen wijzigen. Hij heeft echter wel hun nationalistische geest kunnen vergroten, en zichzelf als grootste inspirator van die geest kunnen laten erkennen. KVW beschreef: “Mussolini is de God. Zijn troon is gemaakt van het geweldigste fanatisme!”. Met die extase rond zijn persoon vergrootte hij de Dionysische cultuur alleen maar. Karel Van Wijnendaele pleitte niet voor de politiek van de Duce, maar zijn politiek pleitte wel voor zijn persoon, zijn charisma: “Hij is een man, een leider, een groote figuur. Ik ga niet akkoord met alles van zijne politiek, maar hij heeft het land gered, en economisch de lire gered”. Van Wijnendaele wil zich niet over hem uitspreken, maar geeft wel mee dat hij beter is dan “een zwakke Romanov[110], … niet zomaar wat paraderend. Een denker, een man van daad[111]”. Nogmaals wordt gezegd dat deze artikels niet dienen om stemming te maken, maar om een beeld te schetsen. “Van die politiek is het leven gemaakt: het Maatschappelijk Leven… Mussolini is er, denkt, handelt en bepaalt het maatschappelijk leven, men moet het over hem hebben[112]”. In 1932 was zijn invloed al duidelijk merkbaar onder de bevolking. Tijdens één van de eerste ritten van dat jaar passeerde het peloton langs een monument ter ere van de overwinning op Duitsland in 1918. Juist daar, in Vittorio Veneto nabij de Oostenrijkse grens, was een Duitser, Herman Buse, gaan lopen. Alle toeschouwers waren hiervoor kwaad op de renners. Hun nationale trots was gekrenkt. Van Wijnendaele maakte de vergelijking met het nationaliteitsgevoel van de bedevaarders naar de Ijzertoren in Vlaanderen. Er was een duidelijk verschil: “Eerder ‘Nooit meer Oorlog. Bovendien is het bij ons slechts een minderheid[113]”, hoewel hij dacht dat daar ook verandering in zou komen.
In Vlaanderen heeft het politieke regime zich echter nooit zo dominant opgesteld dat het de mentaliteit van haar mensen revolutionair meende te kunnen veranderen. Het heeft het steeds gehouden bij het zoeken naar compromissen tussen de aanwezige mentaliteiten. Het fantasme van een absolute eenheid drong hier niet in dezelfde mate door. De nood aan imago bleef ook veel lager. België hield van haar neutraliteit, en bleef verstandelijk low-profile, wat van Mussolini niet gezegd kon worden. De uitstraling van zijn land moest vanaf de eerste indruk groots zijn: “Je komt het land in langs Chiasso. Alles is er kraaknet, mooi geverfd, netheid orde en tucht van de douaniers. Mussolini zal hier gepasseerd zijn en gezegd hebben: hier vormt zich de eerste indruk. Die moet goed zijn. Stemmig maken met kleuren en klanken. Hij is erin geslaagd. ‘t Lijkt wel een ‘bon-marché’ waar men klanten wil aantrekken door de uitstalramen[114]“. Op dergelijk kleinschalig uiterlijk vertoon van een regime valt niets te zeggen, maar Mussolini hield het daar echter niet bij. Megalomane projecten rezen op, en de Girokaravaan moest ze op haar parcours meer dan eens in de verf zetten. De wielersport als verheerlijking van de politiek. Het was typisch totalitair hoe de politieke organisatie alle andere sferen ( sociale organisatie, kunst, economie - in mindere mate succesvol -,… ) in haar greep hield. Enige politieke overkoepeling mag en moet er zijn, maar onder het fascisme was die overkoepeling te drukkend op de sport. Volgens het verhaal dat de Italiaanse journalisten in het begin van de jaren ’30 opdisten aan Van Wijnendaele zou er enkel morele steun en niets anders ( bijvoorbeeld geld ) van de regering uitgegaan zijn naar de Giro[115]. Dit was in tegenstelling met de opkomende kritieken over de grote politieke invloed, en in tegenstelling met de waarheid. In plaats van steun ging er vooral morele druk uit. Zo hield de regering zich niet alleen bezig met de organisatie van de Giro, maar ook met de ploeg voor de Ronde van Frankrijk, die de internationale faam hoog moest houden, niet als individu’s, maar als Italianen. Constructeurs stribbelden vaak tegen om hun rijder af te staan en te laten rijden voor andere dan hun belangen, maar aangezien nationale politiek toen dominant stond boven hun economie haalden ze steeds bakzeil. Het moesten tijden worden van nationale trots en patriottisme. Sportieve glansprestaties waren van het grootste belang. Zij dienden het volk, de staat en de leider. En zijn eisen waren schijnbaar hoog, zeker in de Giro: “De overwinning zal in het land van Mussolini blijven. De Duce, die zoo op Italiaanse overwinningen in de vreemde is gesteld, zou wat al te veel brieschen, indien de vreemde kompaenen zijn onderdanen op eigen wegen verslaan….[116]”. Dit citaat verdient nuancering, want er was continuïteit met de tijd voordat Mussolini aan de macht kwam. Toen konden thuisrijders evenmin verdragen dat vreemdelingen hen de zege afsnoepten. Edoch,… “toen was er nog geen Duce die zich persoonlijk met den koers inliet, prijzen gaf om des te beter de overmacht en de hoge waarde van zijn renners en diensvolgens zijn ras uit te bazuinen…[117]”. Ook hier is weerom een nuancering vereist, namelijk dat Mussolini’s drang naar Italiaanse prestaties niet zozeer ontsproot uit de wens om de overmacht van zijn ras uit te bazuinen, maar om een transformatie van het karakter te verkrijgen, door stichtende voorbeelden. De jaren ’30 waren er vol van: op de Olympische Spelen van Los Angeles deden Italiaanse atleten het verre van slecht. Zij kwamen tot deze glorieuze resultaten na een zeer nauwgezette opvolging en disciplinering door de sportoverheid. De Italiaanse voetbalsport kende een hoogconjunctuur met het vergaren van twee wereldtitels op rij. In 1934 in Uruguay en in 1938 te Parijs (een titel die internationaal niet zo hoog werd aanzien als die van vier jaar eerder ). Met de preparatie van Bartali voor de Tour ’38 volgde het meest gekende wielervoorbeeld. Dit was een succesvolle sportpolitiek, maar de vrijheid in het kiezen van waarden, normen en principes was voor de atleten onbestaande[118]. “Wie niet danst zoals men voren fluit moet uit de ronde[119]”. Giuseppe Olmo wenste eens een bepaalde wedstrijd te rijden, maar de Italiaanse wielerbond wou hem elders aan het werk. “Olmo kon buigen.” Van Wijnendaele voegde er aan toe. “Gelukkig zijn wij nog niet zoo ver, in ons demokratisch landeke…[120]”
Conclusie
Mussolini en het fascistisch bestuur gaven aan de wielersport geen voorname plaats in hun sportpolitiek. Slechts omwille van haar propagandawaarde werd ze ondersteund. Toch kan gezien worden hoe het algemene sportbeleid gevolgen heeft op de jaarlijkse rittenkoers ‘Giro d’ Italia’, en op de ‘Belgisch-Italiaanse As’: in de eerste, autarkische fase waren er geen buitenlandse deelnemers. Omwille van economische redenen werd deze fase ook na het ‘Carta dello Sport’ van 1928 lichtjes verlengd, maar toen uiteindelijk de competitieve sport meer invloed begon te krijgen boven de recreatief-educationele lichaamscultuur kwamen er ook weer buitenlanders, waaronder Belgen, naar de Giro, vooral kaderend in fascistische propagandadoeleinden. Toen na 1936 het para-militaire meer begon door te wegen, verloor ook de wielersport in enige mate haar neutraliteit, in tegenstelling met wat auteurs als MARCHESINI beweren. Er volgden boycots en acties tegen de Giro. De Belgen deden een heuse ‘vredesactie’ met hun deelname in 1939. Toch mag de invloed van het officiële sportbeleid op de Giro niet overschat worden, zeker niet in vergelijking met voetbal. Iets wat Karel Van Wijnendaele wel schromelijk deed. Hij liet uitschijnen dat wielrennen in Italië de hoogste fascistische steun kreeg, centraal stond in de politiek, en aldus in veel opzichten een voorbeeld kon zijn voor de Belgische (sport)leiders. Mussolini’s propaganda had blijkbaar anders gewerkt dan bedoeld. Diens grootste betrachting om met de sport een transformatie van het karakter van zijn volk te bewerkstelligen is niet volbracht, zeker niet door de inschakeling van de wielersport of de Giro. Die steeds populairder wordende professionele en spektakelrijke – initieel laakbare hoedanigheden - activiteit dreef wel het nationalisme op, maar veranderde niets aan het weinig gedisciplineerde en heftige volkskarakter.
DEEL 2: MENSEN EN DINGEN UIT DE RONDE VAN DUITSLAND
Hoofdstuk 1: Duitsland, Sport en Nazisme
I. Historisch kader
Deze schets vangt niet zo vroeg aan als die van het Italiaanse hoofdstuk. Het fascisme beleefde in Duitsland zijn doorbraak immers enkele jaren later. Pas omstreeks 1928 begon de ‘nieuwe orde’ aan haar opgang. De ‘Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP) verkreeg een paar zetels in de Rijksdag. Ze noemde zich ‘nationaal’ om de militaire geest te vleien die was blijven voortleven sinds WO I, en ‘socialistisch’ (maar anti-communistisch) om te kunnen rekenen op de brede volkslagen. Haar leider was de mislukte kunstenaar en fantast Adolf Hitler, Oostenrijker van geboorte, maar reeds van jongs af pan-germaans nationalist. Tijdens WO I was hij met veel passie vrijwilliger in het Duitse leger geweest, en na de pijnlijke nederlaag uit wraak- en heerszucht in de politiek gestapt, eerst slechts als één van vele dissidenten, maar later, na een korte opsluiting, ongelooflijk snel opgang makend. In 1933 stelden de traditionele kopstukken, in de hoop hem ermee te ‘temmen’, Hitler aan als rijkskanselier, leider van de regering. Vanuit die positie, en vanuit het vuistrecht der nazi’s op straat, groeide echter zijn militaire dictatuur: Ein Volk, ein Reich, ein Führer . De verdeeldheid, onzekerheid en economische ellende van het na-oorlogse Duitsland hadden de lokroep van een sterke macht zeer aantrekkelijk gemaakt.
Hitler zou het volk willen herenigen tot één natie, op te vatten als een lichaam, samenvallend met de staat, die zo niet meer te onderscheiden viel van de burgerlijke maatschappij. Deze organische opvatting vergat de tegenstelling gemeenschap – staat. Een tegenstelling die nochtans klassiek was sinds Ferdinand Tönnies er zijn politieke theorie op bouwde in 1887[123]. Hitler zag de Duitse staat, in principe iets kunstmatig, als een super-Gemeinschaft’, radicaal organisch. De leden van de gemeenschap zouden volkomen solidair zijn met elkaar. Heel die gemeenschap, die gericht was op de schepping van de nieuwe mens, zou zo een spontane samenhang kennen[124]. De gedachte van eenheid ging echter gepaard aan de gedachte van een boze vijand, een parasiet die het lichaam van de natie bedreigde, een dissident die zorgde voor verdeeldheid. Zaak was dus om die vijand – en het was de jood die in die rol gedwongen werd -uit te drijven[125]. Daarnaast was het een kwestie van het eigen lichaam sterk te houden, de atletische natie-staat. Sport was hierom een staatsaangelegenheid
II. Sportpolitiek der nazi’s
a) Algemeen
Duitsland had een traditie van gepolitiseerde lichaamscultuur, bijvoorbeeld het ‘Turnen’ van F.L. Jahn die ijverde voor een vrij en verenigd Duitsland[126]. Deze nationalist bespeelde tijdens zijn ‘Turnsessies’ met fanatieke redevoeringen de geesten van zijn pupillen, en bewoog hen tot progressief-liberale acties. De ‘Turn’-beweging had later veel aanzien gekregen, en stond nog sterk toen de nazi’s aan de macht kwamen. De moderne sport was echter al aan een felle opgang bezig en zou het te isolationistische Turnen verdringen. Karl Krummel, die vanaf 1923 de structuur der Duitse lichamelijke opvoeding uittekende, gaf haar een voorname rol. Hij ging hiermee verder toen hij deze functie behield onder het nazi-regime. Boksen kwam bij op het curriculum van het jongensonderwijs. Naar het Italiaanse sportificeringsvoorbeeld (zie infra) werd ook de nazi-lichaamscultuur een Sport-cultuur. Hitler zou deze cultuur sterk laten uitbouwen., want sport vormde het middel bij uitstek om de individuele mens te ontwikkelen ter versterking van het volk, een Herrenvolk, zonder zwakkelingen. Het zou al te erbarmelijk zijn om misschien wel geestelijk verheven, maar slappe jongelingen te hebben.
In de thesis van Paul Janssen lezen we 5 achtergronden van de sportpolitiek[127]. Ten eerste, de kwaliteit van het ras doen stijgen door de lichamelijke gezondheid te verhogen. Ten tweede, het superioriteitsprincipe dat aangetoond moest worden in competities bijvoorbeeld op de Olympische Spelen van 1936 te Berlijn. Ten derde, een anti-intellectualisme. Ten vierde, de dienstfunctie in de zin van het aanwenden van de gesterkte krachten voor het volk. En ten vijfde, Sport-voor-allen, massasport die moest aantonen dat het gehele volk achter het nazisme stond, leidend tot een grote verrichting van de gemiddelde groep. Dit punt was belangrijker dan het hebben van zoveel mogelijk toppers. Superatleten hielden immers steeds een spanning in tussen individuele ambitie en het collectief van het volk. Het was een spanning die niet opgelost zou raken, want Duitsland wenste natuurlijk niet achter te blijven in de Olympische recordjacht. Vaak opperde men dat de elite atleet niet anders kon dan groeien uit de accumulatie van energie van zo’n sterke gemeenschap en haar hoge gemiddelde. Sporthelden creëren bleef officieel echter niet belangrijk