Tweedegeneratievreemdelingen: Waardige Belgen? Een onderzoek naar de juridische en administratieve praktijk van de optieprocedure te Antwerpen in de periode 1922-1923. (An Rommel)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

DEEL II: De nationaliteitswetgeving

 

In dit deel stel ik mij de vraag aan welke wijzigingen de nationaliteitswetgeving onderhevig was.  Het overzicht start in het negentiende eeuwse liberale België, waar het voor vreemdelingen van de tweede generatie niet moeilijk is de Belgische nationaliteit te verwerven.  Hierin komt verandering na de wereldbrand.  Door de Eerste Wereldoorlog is de natie geschonden.  Het vertrouwen in de spontane assimilatie van vreemdelingen is verdwenen en maakt plaats voor héél strenge procedures om de Belgische nationaliteit te verkrijgen.  Deze krijgen vorm in de nationaliteitswet van 15 mei 1922.  Het overzicht van de wetgeving eindigt aan het begin van de jaren dertig.  De restrictieve regelgeving blijft dan ook de norm.

 

 

I. De nationaliteitswetten van 1922, 1926, 1932

 

1. Ontwikkelingen voor de Eerste Wereldoorlog

 

De negentiende-eeuwse nationaliteitswetgeving is een kopie van de Franse Code Civil.  De Belgische nationaliteitswetgeving blijft lange tijd onveranderd.  Dat deze zo lang wordt gebruikt, is enerzijds te wijten aan een beperkte gemeenschap van immigranten en anderzijds aan het geringe belang dat verbonden is aan het bezit van de Belgische nationaliteit.  Het aantal naturalisatie-en optieaanvragen blijft tot het laatste kwart van de negentiende eeuw voorbehouden aan een select gezelschap van inwijkelingen.  Vanaf het einde van de negentiende eeuw zijn er steeds meer belangen aan het staatsburgerschap verbonden, en steeds meer vreemdelingen stellen zich kandidaat om toe te treden tot de Belgische natie.  Er vindt een spectaculaire stijging van aanvragen plaats.  Tot het derde kwart van de negentiende eeuw doet enkel de elite een beroep op de mogelijkheid om de Belgische nationaliteit te ontvangen.  Rond de eeuwwisseling wordt dit echter een massafenomeen.  In het laatste kwart van de negentiende eeuw begint de regering te schaven aan de nationaliteitswetgeving.  De staat stelt vertrouwen in de natie en in het assimileringsvermogen van de vreemdelingen en ze maakt de toegang tot de staat van Belg nog toegankelijker.  Bovendien vindt de wetgever het noodzakelijk om vreemdelingen die zich in België hebben gevestigd ook politiek te integreren.  Een cruciale stap in dit liberaliseringsproces is de nationaliteitswet van 1909.  Er worden verschillende maatregelen genomen die de drempel, vooral voor tweedegeneratievreemdelingen[77] sterk verlagen.  Dit gebeurt hoofdzakelijk uit de bekommernis om de Belgische natie éénduidig te definiëren.  Alle personen geboren in België en die er in 1909 minstens zes jaar verbleven hebben, en wiens vader ook in België is geboren, verkrijgen de Belgische nationaliteit.  De afstamming blijft het basisprincipe van de natie, maar geboorte uit in België gevestigde ouders en een daaropvolgend verblijf, worden als voldoende beschouwd om deel uit te maken van de Belgische natie.  Het verblijf in België en de maatschappelijke participatie garandeert dat de vreemdeling Belg wordt.[78]

Een indicatie dat aan de Belgische nationaliteit een toenemend belang wordt gehecht, is het succes dat een amnestieregeling had, in het laatste kwart van de negentiende eeuw.  Tweedegeneratievreemdelingen die verzuimd hebben een verklaring af te leggen in het jaar dat volgt op hun meerderjarigheid, kunnen door deze maatregel toch nog opteren.  Dit wordt in grote getale gedaan.  Vreemdelingen geboren in België, opteren ook meer en meer vooraleer zij meerderjarig worden.  In 1888 maakt de wetgever het mogelijk om de nationaliteitskeuze te doen op 18-jarige leeftijd waar dan ook gretig gebruik wordt van gemaakt.  Het aandeel van optiegerechtigde buitenlanders gaat de hoogte in.  Kwantitatieve gegevens bestaan niet, maar Caestecker en Rea proberen hier toch enigszins zicht op te krijgen door gebruik te maken van de volkstelling.  Het aandeel van de bevolking met een buitenlandse nationaliteit, geteld bij de volkstelling, dat in het daaropvolgende decennium Belg wordt, is toch vrij indrukwekkend.  Van de 171.438 vreemdelingen geteld in 1890 worden er in het daaropvolgende decennium 15.705 Belg, dus 9%.  In het eerste decennium van de twintigste eeuw wordt 7% van de buitenlandse bevolking Belg.

 

Voor de Eerste Wereldoorlog is het voor tweedegeneratievreemdelingen dus niet moeilijk om de Belgische nationaliteit te verkrijgen.  Het zijn ‘sluimerende’ Belgen.  Vreemdelingen die geboren worden in België uit buitenlandse ouders kunnen, tijdens het jaar dat volgt op hun meerderjarigheid, met een eenvoudige verklaring van inboorlingschap, toegang krijgen tot de Belgische natie.[79]  De wetgever veronderstelt dat de persoon die geboren is op de Belgische bodem, zich makkelijk aanpast aan de Belgische gemeenschap.  Het opteren voor de Belgische nationaliteit is een recht voor tweedegeneratievreemdelingen tot aan de Eerste Wereldoorlog.  Na de wereldbrand verandert dit, door het verraad van sommige Belgen van Duitse oorsprong.

 

2. De jaren na de wereldbrand

 

Na de Eerste Wereldoorlog wint het bezit van de Belgische nationaliteit aan belang.  De rechten en plichten eraan verbonden, worden door de staat verder uitgebouwd.  Dit toegenomen belang gaat echter gepaard met een restrictievere nationaliteitswetgeving.  De strengere eisen zijn het gevolg van ‘het verraad’ van sommige Duitse immigranten tijdens de oorlog.[80]

 

Op 2 oktober 1919 dient Justitieminister Vandervelde in de Kamer een wetsvoorstel in.  Hij wil paal en perk stellen aan de optieaanvragen, gedaan door vreemdelingen die tijdens de oorlog aan de verkeerde kant stonden.  Dit spruit voort uit een soort versterkt nationaal bewustzijn.  Dit versterkte nationaal bewustzijn is in 1909 echter ook aanwezig, alleen krijgt het dan een andere invulling.  Voor de Eerste Wereldoorlog overheerst het geloof in de superioriteit van de Belgische natie om vreemdelingen op te nemen in de schoot van de staat.  Na de Eerste Wereldoorlog is er een restrictief natie-idioom - zoals De Meester het noemt - aan de orde met loyaliteit en etniciteit als basis.

Al wie van ‘vijandige’ oorsprong’ is, wordt als verdacht beschouwd.  Minister Vandervelde wil dat alle opties, afkomstig uit vijandelijke mogendheden of uit landen die medestanders waren van deze staten, nietig worden verklaard.  Dit moet gebeuren met alle vaderlandskeuzes die toegekend geweest zijn vanaf 1 augustus 1914.  Deze wet is van toepassing op alle vormen van optie en geldt ook voor nationaliteitsloze vreemdelingen die vroeger de Duitse nationaliteit bezaten.  Zelfs vreemdelingen die niet met de agressor samenwerkten, moeten even hard aangepakt worden, omdat ze nu eenmaal afkomstig zijn uit een vijandig land.  Vandervelde maakt één uitzondering, namelijk voor vreemdelingen die gedurende de oorlog eervol gediend hebben in het Belgische leger of in een ander geallieerd leger, en voor vreemdelingen die onweerlegbare bewijzen hebben geleverd van gehechtheid aan de natie België.

Tenslotte wordt er door de Justitieminister ook een overgangstermijn voorzien van drie jaar voor vreemdelingen van de tweede generatie en kinderen van genaturaliseerde vreemdelingen, die door de oorlogsomstandigheden, in het jaar dat volgde op hun meerderjarigheid, niet hebben kunnen opteren voor de Belgische nationaliteit.  Binnen deze overgangstermijn kunnen ze dit alsnog doen.  Belgen die om dezelfde reden niet in staat zijn geweest om afstand te doen van hun nationaliteit, krijgen één jaar uitstel. 

De kamercommissie brengt slecht een aantal formele wijzigingen aan in dit voorstel.  Zowel de Kamer als de Senaat keuren het wetsvoorstel van Justitieminister Vandervelde unaniem goed.  Het vertrouwen in de natie is geschonden en elke Duitser is per definitie verdacht.[81]   

 

De wet van 1919 op de nationaliteitsopties is slechts bedoeld als een overgangsmaatregel, in afwachting van een grondige herziening van de nationaliteitswetgeving.  Het voorbereidende werk voltooit de Conseil de Législation in juli 1920, en op 14 juli dient minister Vandervelde een nieuw wetsontwerp in.[82]

 

3. De wet van 15 mei 1922: de Belgische nationaliteit wordt een gunst

 

De wetgever gelooft niet meer in een Belgische natie waarin de vreemdelingen zich spontaan assimileren.  De gehechtheid aan België moet bewezen worden.  De diepgewortelde vrees voor de destabilisatie van de natie door niet-loyale elementen noopt de politieke elites ertoe de natie heel restrictief af te bakenen.  Het lidmaatschap van de Belgische natie moet verdiend worden.[83]  Afstamming uit Belgische ouders wordt opnieuw opgewaardeerd.  Geboorte en/of verblijf in België vormen geen garantie meer voor de verwerving van de Belgische nationaliteit.  Volgens de memorie van toelichting beoogt de nieuwe wetgeving

 

“…twee eischen die zich even krachtig doen gelden: de noodzakelijkheid om eene gastvrije wetgeving te behouden voor de vreemdelingen die verdienen naar rechten Belg te worden, daar zij door de in onze scholen genoten opvoeding of door een langdurig verblijf in België in feite bijna Belg zijn, en de noodzakelijkheid om het door den wetgever van 1909 aan den dag gelegde naïeve vertrouwen te laten varen, door het treffen van voorzorgsmaatregelen tegen ongewenschte vreemdelingen, tegen dewelke men als minste bezwaar kan aanvoeren dat zij slechts de juridische voordelen die de staat van Belg medebrengt, wenschen te bezitten, terwijl zij met hart en ziel aan hunne oorspronkelijke nationaliteit verknocht blijven.”[84]

 

Volgens De Beus wil de wetgever door de wet van 1922 het volgende programma verwezenlijken: de opheffing van het jus soli-beginsel; de openbaarmaking van het verzoek tot nationaliteitskeuze; de weigering van elke optieverklaring of verzoek tot naturalisatie die uitgaat van een vreemdeling in wiens land de wet het toelaat om zijn nationaliteit te behouden, zelfs wanneer hij/zij een andere nationaliteit verwerft[85]; eerbiediging van het beginsel van de individuele vrijheid, namelijk niemand kan gedwongen worden om tegen zijn wil in de natie opgenomen te worden of daarin te blijven; zoveel mogelijk de eenheid van nationaliteit behouden in één gezin en het verbod om meer dan één nationaliteit te bezitten.[86]

 

Vanaf nu moet iedere optieaanvraag individueel onderzocht worden.  De wetgevende macht geeft haar bevoegdheid inzake de beslissing af aan de rechterlijke macht.  De eenvoudige mechanismen van voor de oorlog moeten plaats maken voor een restrictieve, op en top discretionaire procedure.  Terwijl de optie voor de Eerste Wereldoorlog een recht was, ziet de Belgische staat dit nu als een gunst.  Kandidaat-Belgen moeten modelburgers zijn, moreel onbesproken, volstrekt loyaal tegenover de Belgische natie en alle banden met het land van herkomst moeten worden verbroken.

De behandeling moet volgens de Conseil de Législation eigenlijk gebeuren via een onafhankelijk administratief orgaan.  Het oordelen over een optieaanvraag geschiedt het best door

 

“…eener bestuursoverheid die niet kan verdacht worden van partijdigheid ingegeven door kliekjesgeest of dorpspolitiek.”[87]

 

In afwachting van de oprichting hiervan, wordt de bevoegdheid toevertrouwd aan het Belgische gerecht, maar het moet in essentie een administratieve kwestie blijven.  De rechtbank moet zijn beslissing echter wel motiveren, zodat het mogelijk is beroep aan te tekenen tegen de uitspraak.[88]

 

De voorwaarden die de Belgische staat verbindt aan het verkrijgen van de Belgische nationaliteit via optie, worden hieronder besproken.

 

3.1  De voorwaarden[89]

 

Tweedegeneratievreemdelingen verliezen het recht op een vrij makkelijke toetreding tot de Belgische natie.  Het is niet meer voldoende dat de optant verlangt Belg te worden, de vreemdeling moet bewijzen leveren van de gehechtheid aan België.

 

De kandidaat-Belg moet beantwoorden aan verschillende criteria.  Alle personen in België geboren uit vreemde ouders en de personen, in een vreemd land geboren uit ouders van wie één Belg is, kan Belg worden door de nationaliteitskeuze (= optie)[90].  Zelfs wanneer de vader of moeder een andere nationaliteit aangenomen heeft dan de Belgische, kan het kind opteren.  De grondwet van het land van oorspong van de belanghebbende mag niet toelaten dat de oorspronkelijk nationaliteit behouden blijft.  De optant moet dus duidelijk bewijzen dat hij/zij de vorige nationaliteit verliest, van zodra de Belgische wordt verworven.  Dit gebeurt door een getuigschrift voor te leggen, afgeleverd door de bevoegde overheid van het land.  Dit getuigschrift wordt het bewijs van wetgeving genoemd.  Deze bepaling heeft de bedoeling om Duitsers (in feite alle vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land dat haar onderdanen toelaat een nieuwe nationaliteit aan te nemen, zonder de oude te verliezen) a priori uit te sluiten van de optieprocedure.

Deze voorwaarde wil ik illustreren met een voorbeeld uit de praktijk, waaruit blijkt dat de rechterlijke macht het ontbreken van het bewijs van wetgeving af en toe door de vingers ziet.  Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer het gaat om Turkse onderdanen.  Lucie S. vraagt de optie aan op 28 november 1932.  Het Turkse consulaat kan geen bewijs van wetgeving afleveren, daar een Turkse onderdaan nooit van nationaliteit mag veranderen.  De procureur des Konings vraagt raad aan het ministerie van Justitie.  Dit ministerie oordeelt dat de Turkse wetgeving vijandig staat tegenover het verwerven van een andere nationaliteit.  Wanneer een Turks onderdaan toch een andere nationaliteit aanneemt, moet hij/zij het Turkse grondgebied binnen het jaar verlaten, zoniet wordt deze persoon uit het land gezet.  Vervolgens mag hij/zij nog slechts één keer terugkeren binnen de drie maanden.  Het ministerie van Justitie vindt dit strijdig met de mensenrechten.  Eén van de programmapunten van de nationaliteitswet van 1922 was precies de klemtoon op de individuele vrijheid.  Lucie S. krijgt de Belgische nationaliteit, zonder een bewijs van wetgeving te kunnen voorleggen.[91]     

 

Aan het verwerven van de Belgische nationaliteit via optie zijn er tevens verblijfsvoorwaarden verbonden. De kandidaat-Belg moet in België gewoonlijk[92] verblijven.  De reden hiervoor is

 

“… que le centre principal d’habitation soit situé en territoire belge; il faut que l’intéressé soit élevé parmi nous, qu’il vive avec nous, qu’il soit en contact constant avec les Belges, pour qu’il puisse s’adapter à notre esprit, à notre mentalité, à nos mœurs.”[93]

 

De optiegerechtigde moet gedurende het jaar dat aan zijn verklaring voorafgaat in België verblijven en moet ofwel van zijn veertien tot achttien jaar in België hebben gewoond ofwel gedurende negen jaar.  De duur van het verblijf wordt echter ingekort, wanneer een persoon Belg wil worden waarvan één van de ouders de staat van Belg heeft bezeten.  Dan is het voldoende dat de optant gedurende het jaar dat voorafgaat aan de optieverklaring in België verblijft. 

Wanneer de vader van de optant in het buitenland werkt, in opdracht van de Belgische staat, kan dit verblijf in het buitenland tijdens de minderjarigheid, gelijkgesteld worden met een verblijf in België.

 

De minimumleeftijd waarop een vreemdeling van de tweede generatie de optieverklaring kan doen, is 16 jaar.  Minderjarige kinderen, die nog niet geëmancipeerd[94] zijn, moeten toestemming krijgen van de ouders.  Wanneer dit niet mogelijk is van de grootouders,  wanneer deze ook hun toestemming niet kunnen geven is goedkeuring vereist van de familieraad.

De verklaring moet afgelegd worden vóór de belanghebbende zijn of haar tweeëntwintigste verjaardag heeft bereikt, dus na deze datum is de keuze niet meer ontvankelijk.  Het volstaat dat de optiegerechtigde zijn verklaring heeft ondertekend voor zijn/haar tweeëntwintigste verjaardag.  De andere formaliteiten kunnen later in orde worden gebracht.[95]  De vreemdeling die echter kan bewijzen dat hij verhinderd is geweest om de optieverklaring te doen voor de uiterste datum, kan van de vervallenverklaring ontslaan worden door de rechtbank die beslist over de inwilliging van de keuze.  Het is aan de rechtbank om te beslissen of de vertraging gegrond is.

 

De procedure, verbonden aan de nationaliteitskeuze, is door de nationaliteitswet van 1922 vrij complex gemaakt.  Terwijl het, onder de wet van 1909, voldoende was een verklaring af te leggen voor een ambtenaar van de burgerlijke stand, worden de aanvragen vanaf 1922 onderworpen aan een gerechtelijk onderzoek en komen er heel wat formaliteiten bij te pas.

 

3.2 Hoe gebeurt de optieverklaring?

 

Toen de wet van 8 juni 1909 nog in voege was, volstond het om een eenvoudige verklaring af te leggen bij de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand.  De optant verkreeg de Belgische nationaliteit, wanneer hij/zij voldeed aan een aantal voorwaarden.   Door de wet van 15 mei 1922 wordt de inwilliging afhankelijk gemaakt van de Belgische overheid.  De wetgever schuift zijn bevoegdheid echter door naar de rechtbank.  De rechterlijke macht mag discretionair beslissen of de kandidaat-Belg een waarachtige Belg is.  De rechters moeten de geschiktheid van de belanghebbende onderzoeken.[96]  Hoe de rechterlijke macht dit dient in te vullen, wordt niet wettelijk omschreven.  De moraliteit en de loyaliteit tegenover de Belgische natie tijdens de oorlog moeten zeker worden onderzocht.  De wetgevende macht laat evenwel blijken dat de geschiktheid verder moet gaan dan het louter verifiëren van het loyalisme, namelijk

 

«Pour que l’étranger devienne Belge, il doit avoir donné des preuves d’assimilation à notre vie nationale, d’attachement à la Belgique, à ses mœurs et à ses institutions.»[97]

 

De persoon die meent dat hij optiegerechtigd is, kan zich aanbieden op het Parket van de Rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar hij verblijft.  Daar wordt de verklaring opgenomen en neergeschreven door de procureur des Konings in een daartoe bestemd register.  De aanvrager moet ook een aantal documenten afleveren, namelijk zijn of haar geboorteakte, een eventuele huwelijksakte; certificaten van een gewoonlijk verblijf in België; een certificaat van nationaliteit; een uittreksel uit de geboorteaktes en huwelijksakte van de ouders, desnoods een bewijs dat één van de ouders Belg is geweest; het bewijs dat de grondwet van het land van oorsprong niet toelaat om een vreemde nationaliteit te behouden indien men een nieuwe, in dit geval de Belgische bekomt.  Volgens De Beus moeten de volgende documenten ook nog aan het dossier worden toegevoegd.  De kandidaat-Belg moet een bewijs van goed gedrag en zeden en een biografische nota bij de aanvraag stoppen.  De nota moet de volgende dingen aangeven: de maatschappelijke stand, beroep, vorig verblijf in het buitenland, waar en hoelang, de reden waarom men de Belgische nationaliteit wil verwerven, de betrekkingen in België, de verdiensten tegenover het land, middelen van bestaan, waar de optant zijn/haar opvoeding heeft genoten en desnoods de aanduiding van roerende en onroerende goederen die de aanvrager bezit in België of elders.  Dit moet gebeuren daar uit de besprekingen van de Kamer van Volksvertegenwoordigers is gebleken dat de

 

“aangevers moeten voldoen aan vereischten van zedelijkheid, in den ruimen zin van het woord, en van gehechtheid aan België”.[98] 

 

Onmiddellijk nadat de verklaring is afgelegd, zorgt de procureur des Konings ervoor dat de verklaring bekend wordt gemaakt door plakbrieven aan de deur van het gemeentehuis en aan de huisdeur van de kandidaat-Belg.  De aanvraag tot het verwerven van de Belgische nationaliteit moet ook gepubliceerd worden in het dagblad van de provincie.  Deze openbaarmaking heeft als doel het publiek te verwittigen dat de belanghebbende zijn verklaring tot nationaliteitskeuze heeft afgelegd en dat een onderzoek is ingesteld naar de geschiktheid van de aanvrager.  De affiche vermeldt ook hoelang het onderzoek loopt.  Iedere burger mag zich tegen de optieverklaring verzetten.  De personen die feiten kennen die aantonen dat de belanghebbende niet waardig is de Belgische nationaliteit te ontvangen, worden uitgenodigd om dit kenbaar te maken aan het Parket of aan zijn vertegenwoordiger.  De mensen die in de omgeving van de aanvrager wonen, moeten kunnen oordelen over het feit of hij/zij Belg kan worden.[99]

Ondertussen wordt door de gerechtelijke en de plaatselijke politie een onderzoek gevoerd naar de geschiktheid van diegene die de aanvraag heeft ingediend.  Er wordt een verslag opgemaakt door de politie en de burgemeester.

De procureur des Konings vraagt aan de vrederechter, van het arrondissement waar de optant woont, een advies over de geschiktheid van de kandidaat-Belg.  De vrederechter formuleert deze aanbeveling aan de hand van de bundel documenten die in het dossier aanwezig zijn.

Wanneer het onderzoek is afgerond, wordt de zaak aanhangig gemaakt bij de Rechtbank van eerste aanleg.  De Kamer besliste dat het niet één enkel rechter is, maar de hele rechtbank[100] die een uitspraak moet doen over de optieverklaringen.[101]  In een openbare zitting geeft de procureur des Konings zijn advies en de belanghebbende wordt gehoord, met of zonder bijstand van een advocaat.  De procureur des Konings vertegenwoordigt eigenlijk de Belgische gemeenschap.  Hij moet nagaan of de optant waardig is om Belg te worden, of hij/zij voldoende gevoelens van gehechtheid aan België toont.[102]  De rechtbank bepaalt over de inwilliging van de nationaliteitskeuze.  De rechters moeten twee punten nagaan, namelijk of de wettelijke voorwaarden vervuld zijn en of de aanvrager geschikt is om in de Belgische gemeenschap te worden opgenomen.  De rechters moeten wijzen op de zedelijkheid van de kandidaat-Belg en op de gehechtheid aan het land.[103]  Tegen de beslissing van de rechtbank is beroep mogelijk.  Binnen de vijftien dagen kunnen zowel de procureur des Konings als de optant beroep aantekenen tegen het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg, bij het Hof van Beroep.  Wanneer deze aanvraag ontvankelijk is verklaard, worden de debatten hernomen.  De procureur-generaal geeft zijn advies en de kandidaat-Belg wordt opnieuw gehoord.  Het Hof van Beroep neemt de eindbeslissing.[104]  De beslissing tot inwilliging van de nationaliteitskeuze is slechts geldig vanaf de dag dat de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand deze overschrijft.  De ambtenaar ontvangt van de procureur des Konings een beslissing tot inwilliging van de nationaliteitskeuze.  Het positieve resultaat van het vonnis schrijft hij over in het geboorteregister of op een in het dubbel gehouden bijzonder register. 

 

Na een definitieve weigering van de optieaanvraag kan de kandidaat-Belg opnieuw opteren, wanneer hij/zij denkt te voldoen aan de opgelegde criteria en nieuwe blijken van gehechtheid aan België vertoont.[105]

 

Ex-Belgen worden tevens onderworpen aan strengere maatregelen in de nieuwe nationaliteitswet.  De terugverwerving van de Belgische nationaliteit kan enkel gebeuren, wanneer deze ex-Belgen waardig worden bevonden terug opgenomen te worden in de Belgische natie.

 

3.3 Terugverwerving van de Belgische nationaliteit

 

Ook voor ex-Belgen voorziet de wet van 15 mei 1922 in een aantal restrictievere maatregelen.  Toen de wet van 1909 nog geldig was, konden ex-Belgen vrij makkelijk de Belgische nationaliteit terugkrijgen, maar nu behandelt de wetgever ex-Belgen als andere vreemdelingen.  Een voorbeeld hiervan zijn de oorspronkelijk Belgische echtgenotes van ex-Belgen of vreemdelingen.  Deze vrouwen verloren hun Belgische nationaliteit door het huwelijk.  Na een echtscheiding of de dood van hun man, kunnen ze de Belgische nationaliteit terug krijgen, maar dit enkel door optie.  De Conseil de Législation wil de absolute garantie dat deze vrouwen in kwestie loyaal zijn tegenover België en zich met hun vaderland verbonden voelen.  De etnisch-biologische afkomst van de betrokkenen staat niet langer garant voor loyaliteit tegenover en een gevoel van verbondenheid met de natie.  Deze categorie ex-Belgen is aangewezen op de optieprocedure.  Het is de rechtbank die –zoals bij alle ‘vreemdelingen’ – moet vaststellen of de aanvragers wel de ‘juiste sentimenten’ bezitten.  De minimumvoorwaarden worden voor deze categorieën wel versoepeld, maar de automatische verwervingsmechanismen van de Belgische nationaliteit maken plaats voor een restrictieve, discretionaire en geïndividualiseerde procedure.[106]

 

Er zijn twee categorieën ex-Belgen die de Belgische nationaliteit terug kunnen verwerven door middel van optie.  De eerste categorie zijn vrouwen die gehuwd geweest zijn met een vreemdeling of met een man die vrijwillig een vreemde nationaliteit verwierf.  Vrouwen die hun Belgische nationaliteit verliezen door het huwelijk, kunnen deze echter behouden, wanneer ze een verklaring afleggen binnen de zes maanden vanaf de dag van het huwelijk, teneinde de Belgische nationaliteit te behouden. Wanneer ze dit niet hebben gedaan, kunnen ze slechts na de ontbinding van het huwelijk de Belgische nationaliteit terug verwerven via optie.  Het is voldoende dat de vrouw een jaar gewoonlijk verblijf heeft gehad in België voordat ze een optieverklaring aflegt.  Kinderen verliezen de Belgische nationaliteit wanneer de ouder, die over hen bewaarrecht uitoefent[107], een vreemde nationaliteit verwerft.  De Belgische nationaliteit kan terug verkregen worden door een verklaring van nationaliteitskeuze af te leggen tussen de 18 en 22 jaar en nadat deze personen gedurende één jaar in België hebben verbleven.[108]

Het is niet nodig dat deze beide categorieën een bewijs van wetgeving afleveren, gevraagd door artikel 7 van de wet van 1922, namelijk waarin staat dat de aanvrager de vorige nationaliteit niet kan behouden wanneer de Belgische wordt verkregen.  Deze ex-Belgen zitten in een meer gunstige positie.[109]

 

De nationaliteitswet van 15 mei 1922 blijkt nog een aantal onvolmaaktheden te bevatten.  De minister van Justitie Hymans wil hier een mouw aanpassen door een nieuwe nationaliteitswet in te voeren.  Deze komt er op 4 augustus 1926.                       

 

4. De wet van 4 augustus 1926: de restrictieve procedure blijft de norm

 

Op 24 november 1925 dient Justitieminister Hymans een nieuw wetsvoorstel in betreffende de nationaliteitswetgeving.  Het is volgens Hymans noodzakelijk om betwistingen en discussies te vermijden, en het aantal twijfelachtige of onbepaalde nationaliteiten tot een minimum te beperken.  In de uiteenzetting van de motieven voor de nieuwe wet wordt teruggegrepen naar de woorden van de minister van Justitie Bara, die hij uitsprak naar aanleiding van de debatten rond de nationaliteitswet van 1 juni 1878.

 

«Il n’y a rien de plus délicat et de plus difficile, que l’interprétation des lois relatives à l’indigénat.»[110]

 

De wet van 15 mei 1922 voldoet blijkbaar niet om alle onzekerheid rond de verwerving van de Belgische nationaliteit uit te sluiten.  De vorming van nieuwe staten na de oorlog en de hereniging van versnipperde regio’s, zorgt voor twijfel rond bepaalde casussen.  De administratieve en juridische autoriteiten stoppen disproportioneel veel tijd in het onderzoeken van deze gevallen.  Met deze nieuwe wet wil de overheid dit probleem uit de weg ruimen.  Dit doet ze vooral door de heropening of verlenging van bepaalde uitsteltermijnen voor het verkrijgen, het terugverwerven of het verliezen van de Belgische nationaliteit.[111]   

De restrictieve optieprocedure, bepaald door de wet van 1922, blijft echter de norm.  Op één punt wordt het strenge karakter afgezwakt.  De Kamer stelt namelijk voor om de affichering van de optieaanvraag aan de voordeur van de kandidaat-Belg af te schaffen.[112]  Sommige tweedegeneratievreemdelingen zien ervan af om een optieaanvraag in te dienen, omwille van de openbare bekendmaking.  Wanneer de omgeving hen als Belg beschouwt, maakt de belanghebbende niet graag bekend dat dit in werkelijkheid anders is.  Somerhausen, de rapporteur van de nieuwe wet in de Kamer, geeft de volgende reden voor de verandering:

 

«Nous connaissons de nombreux cas où des personnes parfaitement honorables, et ayant toujours fait preuve d’un attachement sincère envers la Belgique, renoncent à l’option à cause de cette formalité.  Ces personnes sont considérées par tout le monde comme étant Belges, et elles éprouvent une aversion insurmontable pour cet affichage qui révélera à tout le monde une nationalité qu’à tort ou à raison elles considèrent comme une tare.  Ce sont précisément les personnes les plus attachées à notre pays et les plus dignes d’obtenir la nationalité belge qui y renoncent pour le motif que tout le monde comprendra.  L’affichage est non seulement vexatoire, il est aussi pratiquement inutile.  Il n’arrive pour ainsi dire jamais que, sur le vu de l’affiche, des personnes envoient des renseignements aux autorités compétentes au sujet de l’optant.»[113] 

 

Somerhausen vindt dat de maatschappij vertrouwen moet hebben in het Openbaar Ministerie en in de gerechtelijke en de gemeentelijke politie.  Het onderzoek geleid door het Parket voorziet in voldoende garanties dat enkel vreemdelingen die waardig zijn de Belgische nationaliteit te krijgen, toegelaten zullen worden tot de Belgische natie.[114]  De affichering aan het gemeentehuis en de publicatie in een provinciale krant blijven behouden.

Het onderzoek dat ik gevoerd heb naar de optieaanvragen in Antwerpen tussen 1922 en 1933, bevestigt de woorden van Somerhausen.  Maria T. doet een optieaanvraag op 2 mei 1923.  Deze kandidaat-Belgische vraagt dat de voorgeschreven aanplakking aan haar voordeur niet zou gebeuren, daar men in de buurt niet weet dat Maria van Duitse afkomst is.[115]  De opmerking van Somerhausen dat de aanplakking bijna nooit reacties oplevert, blijkt ook in Antwerpen te kloppen.  In slechts twee gevallen, van de 196 die in het kader van deze scriptie werden onderzocht[116], komen spontane reacties van mensen die zich niet akkoord verklaren met een eventuele toekenning van de Belgische nationaliteit.  Tweemaal gaat het om personen die verdacht worden van samenwerking met de Duitse bezetter.[117]  Wat meer voorkomt zijn getuigenissen van buren op vraag van de gerechtelijke politie. 

 

Daarnaast pleit Hymans dus, voor een verlenging van de bestaande uitsteltermijnen voor de verwerving, herkrijging of verlies van de Belgische nationaliteit.  Ook voor de optieaanvragen wil de Justitieminister zo’n ingreep.  De ‘vreemdelingen’ die aan alle voorwaarden voldoen om een optieaanvraag in te dienen, maar dat niet hebben gedaan, krijgen alsnog de kans om binnen een termijn van drie jaar na de afkondiging van de wet een aanvraag in te dienen.  Dit  voordeel zal geweigerd worden aan vreemdelingen die onderworpen waren aan de militieplicht in België, maar deze niet hebben vervuld.[118]

 

In de jaren dertig zijn er steeds meer aanvragen afkomstig van vreemdelingen van de eerste generatie om toe treden tot de Belgische natie.  De minister van Justitie Janson wil hiertegen optreden.  Hij grijpt in door opnieuw veranderingen in de nationaliteitswetgeving aan te brengen.  De nieuwe wet is enkel gericht op eerstegeneratievreemdelingen.  De optieprocedure wordt niet gewijzigd.

 

5. De wet van 15 oktober 1932: de klemtoon op assimilatie

 

In mei 1931 dient Justitieminister Janson in de Kamer een wetsvoorstel in, om de nationaliteitswetgeving nogmaals te wijzigen in restrictieve zin.  Dit is het gevolg van een ‘stortvloed van aanvragen’, zoals minister Janson het uitdrukt.  De wet van 1932 heeft enkel gevolgen voor de personen die aangewezen zijn op de naturalisatieprocedure.  Vreemdelingen van de tweede generatie worden niet geviseerd.     

 

Tweeduizend naturalisatieaanvragen wachten op een behandeling.  De economische crisis en de daarmee gepaard gaande verstrakking van het vreemdelingenbeleid, leidt er toe dat meer en meer vreemdelingen, via de gewone naturalisatie de Belgische nationaliteit willen verkrijgen.  Door de agitatie die er is tegen de aanwezigheid van buitenlanders, vinden vele vreemdelingen het nuttig een aanvraag in te dienen om toegang te krijgen tot de Belgische natie.  Het zou hun broodwinning en hun verblijf veilig kunnen stellen.  Sommigen hopen te kunnen genieten van de Belgische verzorgingsstaat.  Anderen willen de Belgische nationaliteit als zekerheid voor het verblijf.[119]

Janson geeft expliciet te kennen dat de ‘toestroom’ van vreemdelingen een aanpassing vergt van de voorwaarden.  Hij wil het aantal aanvragen stabiliseren.  De Justitieminister laat zich negatief uit over deze kandidaat-Belgen[120].  Deze personen worden, ondanks hun verblijf in België, niet beschouwd als een deel van de Belgische natie en hun motivatie voor de toetreding tot de natie wordt verdacht gemaakt.  De inwijkelingen vragen enkel de naturalisatie aan met de heel en al persoonlijke bedoeling van de voordelen te genieten die aan de Belgen voorbehouden worden.

Joostens, hoofd van de afdeling ‘Burgerlijke Stand en nationaliteit van de stad Brussel’ gaat wat dieper in op deze vooroordelen in zijn beschrijving van de kandidaat-Belgen als

 

«Des cosmopolites du petit négoce, établis en Belgique comme au centre le  plus commode de leurs affaires, pour aller rapidement dans tous les pays de l’Europe occidentale et qui ne sollicitaient la naturalisation que pour se livrer plus librement à leurs déplacements continuels.  Leur désir d’être belge se réduisait, somme toute, à une question de passeports et de visas, surtout  pour les anationaux.»[121]

 

Ook het feit dat vreemdelingen Belg willen worden om te kunnen genieten van de voordelen van de verzorgingsmaatschappij wordt negatief onthaald.  Janson stelt dat er misbruik wordt gemaakt van de generositeit van de wetgeving.  Een naturalisatieaanvraag moet geïnspireerd zijn door idealistische waarden - namelijk; vaderlandsliefde, loyaliteit en natiebewustzijn - en niet door materialistische verlangens.  De overheid kan door deze verstrenging vreemdelingen blijven uitsluiten van de verzorgingsmaatschappij.

Janson legt de nadruk op assimilatie als noodzakelijke voorwaarde voor het verkrijgen van de Belgische nationaliteit.  Het minimumverblijf voor de gewone naturalisatie wordt verdubbeld van vijf naar tien jaar. Voor de parlementaire commissie die het wetsvoorstel behandelt, is dit noodzakelijk om zich te kunnen verzekeren dat de assimilatie (assimilation accomplie) voltooid is.[122] 

 

Terwijl de basisvoorwaarden voor de verkrijging van de Belgische nationaliteit verscherpt worden, wil Janson de procedure voor ex-Belgen die de Belgische nationaliteit opnieuw willen verkrijgen, versoepelen.  Ex-Belgen die hun oorspronkelijke nationaliteit verloren door de vrijwillige verwerving van een buitenlandse nationaliteit, hoeven voortaan niet langer de naturalisatieprocedure te doorlopen.  De optieprocedure – na een verblijfsperiode van drie jaar – volstaat voor Janson.  In de wet wordt de periode verminderd tot twee jaar.  Dit duidt opnieuw op de assimilatie als een belangrijk gegeven.  Ex-Belgen kunnen zich namelijk, in de ogen van Janson, gemakkelijker assimileren dan vreemdelingen stricto sensu.[123]

Niet alle ex-Belgen kunnen echter op deze voorkeursbehandeling rekenen.  Janson bepaalt in zijn wetsvoorstel dat alleen ‘Belgen door herkomst’ van deze ‘gunst’ kunnen genieten.

 

«[…] il est des personnes chez qui, après la perte volontaire de notre nationalité, une réassimilation au Belge ne peut s’admettre qu’avec beaucoup de circonspection, se sont celles qui, étrangère d’origine, devenues Belges par naturalisation ou par mariage, ayant perdu cette nationalité belge par l’acquisition volontaire d’une nationalité étrangère, voudraient redevenir Belges.»[124]

 

Er wordt hier een discriminerend onderscheid gemaakt tussen Belgen door herkomst enerzijds en Belgen door naturalisatie of huwelijk anderzijds.  Maar wat moeten we verstaan onder Belgen door herkomst?  Janson volgt hiervoor twee vonnissen die bepalen dat een Belg door herkomst, alle personen zijn

 

«[…] ceux qui sont Belges de toute autre manière que par mariage ou par naturalisation.»[125]

 

Dit betekent dus dat de personen die de Belgische nationaliteit verwerven via optie ook als Belgen door herkomst worden beschouwd, naast de Belgen door afstamming, dus de Belgen door toepassing van het jus sanguinis.[126]  Koelman, een lid van de Kamercommissie ter zake, stelt dat vreemdelingen die de Belgische nationaliteit door optie kunnen verkrijgen eigenlijk al de ‘kiem’ van de Belgische nationaliteit in zich dragen.[127]

 

De wet van 15 mei 1922 bepaalt dat de naturalisatie van een vreemdeling geen gevolgen inhoudt voor de nationaliteit van de echtgenote.  Hier wil de kamercommissie iets aan veranderen.  Zowel de echtgenote als de kinderen van de man die de Belgische nationaliteit via naturalisatie verkrijgen, worden toegelaten tot de optieprocedure.[128]  De wil van de vrouw blijft zo gerespecteerd, en ook de eenheid van het gezin wordt niet al te veel verstoord.  De optieprocedure is nu immers heel wat soepeler dan de dure, lange en moeilijke naturalisatieprocedure.  Bovendien worden de ‘nationale belangen’ niet geschonden.  Het is immers de rechterlijke macht die over de optieaanvragen beslist.  Tenslotte zal de maatregel ook volgens de commissie het aantal naturalisatieaanvragen gevoelig verminderen.[129]

 

Het is opvallend dat de voorwaarden voor naturalisatie heel wat strenger worden, terwijl de voorwaarden voor de optie gelijk blijven.  Janson legt in zijn wetsvoorstel sterk de nadruk op ‘assimilatie door verblijf’ en dit is natuurlijk ten gunste van vreemdelingen van de tweede generatie. 

De optanten blijven echter nog steeds aan een gerechtelijk onderzoek onderworpen, en moeten aan een hele reeks voorwaarden voldoen.  Het toekennen van de Belgische nationaliteit via optie blijft, ook na de wet van 1932, nog steeds een gunst en blijft afhankelijk van de subjectieve interpretatie van de rechterlijke macht.[130]

 

6. Kosten verbonden aan de optie[131]

 

Een rondzendbrief van 31 juli 1923 maakt de volgende beslissing bekend, genomen door de minister van Financiën.  De kosten uitgegeven voor de bekendmaking van de optieverklaring moeten door de aanvrager betaald worden.  De overheid verlangt dus van de personen die de Belgische nationaliteit willen verkrijgen, dat ze voldoende levensmiddelen hebben om deze kosten te dekken.  Ook de zegel-en registratierechten moeten door de optant worden betaald.  Wanneer de kandidaat-Belg echter een getuigschrift van onvermogen[132] kan voorleggen heeft hij/zij recht op een gratis procedure.

 

Het artikel 155 van de wet van 2 januari 1926 verplicht tot een registratierecht van 100 Fr., bij de verwerving van de hoedanigheid van Belg.  Deze som wordt geïnd bij de verzending van het definitieve vonnis.  Deze rechten worden verhoogd met een tiende door de wet van 23 maart 1932, met een tweede tiende door het koninklijk arrest  van 13 januari 1933.  Het arrest van 12 juni 1933 bepaalt de kosten op 200 Fr.

 

Deze kosten zijn niet hoog genoeg om bepaalde sociale klassen uit te sluiten, zoals bij de naturalisatie wel het geval is.  Bovendien kan de optiegerechtigde bij het voorleggen van een getuigschrift van onvermogen een gratis procedure krijgen.

 

 

II. Besluit

 

Voor de Eerste Wereldoorlog ondervinden tweedegeneratievreemdelingen geen problemen om lid te worden van de Belgische natie.  Vreemdelingen die geboren worden in België uit buitenlandse ouders kunnen, tijdens het jaar dat volgt op hun meerderjarigheid, met een eenvoudige verklaring van inboorlingschap toegang krijgen tot de Belgische natie.  De wetgever veronderstelt dat de persoon die is geboren op de Belgische bodem zich makkelijk aanpast aan de Belgische gemeenschap.  Tot aan de Eerste Wereldoorlog is de optie een recht voor tweedegeneratievreemdelingen.  Na de wereldbrand wordt de Belgische nationaliteit voor hen, net als voor vreemdelingen van de eerste generatie, een gunst.

Het toegenomen belang aan de Belgische nationaliteit verbonden, gaat gepaard met een restrictievere nationaliteitswetgeving.  De strengere eisen  zijn het gevolg van ‘het verraad’ van sommige Duitse immigranten tijdens de oorlog.  Vanaf nu wordt iedere optant onderworpen aan een gerechtelijk onderzoek.  De wetgevende macht schuift haar bevoegdheid inzake de beslissing door naar de rechterlijke macht.  De rechters mogen discretionair beslissen of de kandidaat-Belg al dan niet geschikt is om lid te worden van de Belgische natie.  Het is niet meer voldoende dat de aanvrager verlangt Belg te worden.  Vreemdelingen van de tweede generatie verliezen het recht op een vrij makkelijke toetreding tot de Belgische natie met de wet van 15 mei 1922. 

De wetten van 1926 en 1932 veranderen niets essentieels aan de optieprocedure.  In 1926 wordt het strenge karakter op één punt afgezwakt.  De affichering van de optieaanvraag aan de voordeur van de kandidaat-Belg wordt afgezwakt.  Verder worden er in de wet van 1926 vooral uitsteltermijnen ingevoerd.  De nationaliteitswet van 1932 heeft als doel het aantal naturalisatieaanvragen te doen dalen.  Deze procedure wordt dan ook heel wat strenger gemaakt.  Tweedegeneratievreemdelingen worden niet geviseerd; aan de optieprocedure wordt niet gesleuteld.

 

Wat de praktische gevolgen zijn van deze strengere wetgeving komt aan bod in het volgende hoofdstuk.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[77] Definitie uit Caestecker en Rea (2002), p.75: Tweedegeneratievreemdelingen zijn nakomelingen van immigranten, die ondanks de geboorte in het land waarheen hun ouders geïmmigreerd waren toch nog een buitenlandse nationaliteit hebben.  Tweedegeneratievreemdelingen sensu lato zijn niet geboren in het immigratieland van hun ouders, maar hebben op jonge leeftijd, met hun ouders hun land van geboorte verlaten.

[78] Caestecker en Rea (2002), pp.76-78.

[79] Caestecker en Rea (2002), p.75.

[80] Caestecker en Rea (2002), p. 88-89

[81] De Meester, De uiterwaarden van de natie, (1997), pp.165-168

[82] Ibidem, p.171.

[83] Ibidem, p. 174

[84] De Beus (1924), p.9.

[85] Dit was bedoeld als maatregel om Duitsers te weren.  De Conseil de Législation haalt scherp uit naar de Duitse wet Delbruck van 22.07.1913 die het etnische karakter van de Duitse natie verscherpte, en borg stond voor een zeer inclusieve politiek voor Auslanddeutsche.  Wie van Duitse afkomst was, en in het buitenland verbleef, kon volgens artikel 25 van de wet Delbruck de Duitse nationaliteit behouden, ook als de emigrant in kwestie een andere nationaliteit verwierf.  Daarop stelde de Conseil de Législation dat voor elke vreemdeling die volgens de nationaliteitswetgeving van het land van herkomst zijn of haar oorspronkelijke nationaliteit kan behouden, a priori uitgesloten is van de optieprocedure. Uit De Meester, De uiterwaarden van de natie, (1997); p. 176.

[86] De Beus (1924), p. 9.

[87] De Beus (1924), p. 44

[88] De Meester, De uiterwaarden van de natie, (1997), pp.176-179.

[89] De Beus (1924), pp. 34-41

[90] Een kind volgt altijd de nationaliteit van de vader.  Wanneer de moeder van Belgische nationaliteit is of was kan het kind echter wel opteren. Uit Standaert (1938), p. 39.

[91] RAB, B EA Antwerpen, 32.0536.1, dossier 1970 (aanvraag: 28/11/1932)

[92] De kandidaat-Belg moet werkelijk wonen op het Belgische grondgebied, een reële woning tussen de Belgische bevolking.  De rapporteur van de wet van 1922 signaleerde in de Kamer dat een kind geboren uit vreemde ouders, met geen enkele Belgische origine, slechts kan opteren wanneer zijn vorming, zijn opleiding, sporen vertonen van Belgische gevoelens.  Uit Standaert (1938), p.96.

[93] Standaert (1938), p.96

[94] Personen zijn geëmancipeerd wanneer ze niet meer onder voogdij staan van hun ouders of van een andere aangewezen persoon.

[95] Standaert (1938), p.93

[96] Caestecker en Rea (2002), p. 90.

[97] Pasinomie (1922), p. 115

[98] De Beus (1924), p. 42

[99] Standaert (1938), p.102

[100] drie rechters waarvan er één voorzitter is

[101] Standaert (1923), p. 46

[102] Standaert (1938), p. 104

[103] L’idonéité doit comprendre le loyalisme, la sincérité et la moralité de l’intéressé  (DE PAGE, t. Ier, n°352; STANDAERT, LES NOVELLES, n°135; Ann.parlem., Chambre, 15 juin 1926, p. 1626-1632; Bruxelles, 23 octobre 1932, Pand. Pér., 381; trib. Liège, 18 décembre 1924; Belg. Jud., 1925, 182).  Mais les tribunaux ne pourraient empiéter sur le terrain des convictions politiques et philosophiques qui sont garanties par la liberté d’opinion; mais peuvent être retenus des faits certains qui, quoique se rattachent aux convictions politiques de l’intéressé, démontrent que l’attachement à la patrie belge n’est ni réel, ni sincère. Uit Closset (1970), p.81.  Dit wordt later nog besproken bij de gepubliceerde jurisprudentie.

[104] Standaert (1938), p.104.

[105] Standaert (1923), p. 54

[106] De Meester, De uiterwaarden van de natie, (1997), pp.189-190.

Deze restrictieve procedures voor ex-Belgen worden wel afgezwakt door amnestiemaatregelen en uitsteltermijnen. Hierover leest u verder meer.

[107] De persoon die het bewaarrecht over een kind uitoefent is diegene die voogd is van het kind.

[108] De Beus (1924), pp. 74-78.

[109] Il n’a pas paru nécessaire ni juste de soumettre l’option ici prévue, comme la précédente, à la restriction de l’article 7 de la loi du 15 mai 1922, toujours parce que la femme belge qui a acquis par mariage une nationalité étrangère et veut redevenir belge, a paru mériter d’être traitée une faveur particulière. Uit Pasinomie, 1932, p.521.

[110] Pasinomie (1926), p. 840

[111] Pasinomie (1926), p. 840

[112] De Meester, De uiterwaarden van de natie, (1997), pp.190-193

[113] Pasinomie (1926), pp. 843-844

[114] Ibidem, p. 844

[115] RAB, B EA Antwerpen, 32.0536.1, dossier 255 (aanvraag: 02/05/1923)

[116] Vanaf 1926 moet de aanplakking aan de huisdeur niet meer gebeuren.  De optieaanvraag wordt wel nog openbaar gemaakt door de publicatie in een provinciekrant en door de aanplakking aan het gemeentehuis.  Het spreekt natuurlijk voor zich dat dit niet zoveel impact heeft.

[117] RAB, B EA Antwerpen, 32.0536.1, dossiers 110 (aanvraag:19/11/1922) en 120 (aanvraag: 09/12/1922)

[118] Pasinomie (1926), p. 838

[119] Caestecker en Rea (2002), p.93.

[120] Minister Janson viseert vooral eerstegeneratievreemdelingen

[121] Caestecker en Rea (2002), pp. 93-96.

[122] Caestecker en Rea (2002), pp. 93-96

[123] De Meester, De uiterwaarden van de natie, (1997), p.207.

[124] Ibidem, p.208.

[125] Joostens (1933),p.39

[126] Standaert (1938), p.35.

[127] De Meester, De uiterwaarden van de natie, (1997), p. 209  Dit onderscheid waarbij Belgen door naturalisatie tweederangs-Belgen zijn gold reeds in de negentiende eeuw.  Zo was de scheidingslijn in de negentiende eeuw voor het uitwijzingsbeleid, niet die tussen Belg en buitenlander maar wel tussen immigrant en ingeborene.  Uit Caestecker (1997), p. 330.  De woorden van Koelman sluiten aan bij de heersende opvatting over vreemdelingen van de tweede generatie.

[128] Joostens (1933), p.35.

[129] De Meester, De uiterwaarden van de natie, (1997), p.206

[130] Op het einde van de jaren veertig, lokten een aantal uitspraken van rechter Vautier heel wat controverse uit.  In 1948 ontkende hij de staat van Belg aan een Joodse overlevende geboren en getogen in België omwille van het louter vertoeven in een niet-Belgisch milieu.  Rechter Vautier werd echter telkens teruggefloten door het Hof van Beroep dat de tweedegeneratievreemdelingen als sluimerende Belgen beschouwde.  Uit: Caestecker en Rea (2002), p. 92

[131] Standaert (1938), pp. 105-106

[132] Bijlage 12