De vorst in de Zuid-Nederlandse anekdotenbundel (17de eeuw): deugdzame held of een mens als ieder ander? (Diewer van der Meijden)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Inleiding

 

Deze verhandeling situeert zich binnen het domein van de cultuurgeschiedenis.  Het thema “beeldvorming van vorsten” kan veel verschillende ladingen dekken en het onderzoek naar deze ruime thematiek kan vanuit veel verschillende invalshoeken aangevat worden. Wij hebben als opzet de beeldvorming rond vroeg- Moderne vorsten te bestuderen aan de hand van volkse anekdoten- en kluchtboeken, die in de Zuidelijke Nederlanden verschenen zijn in de loop van de zeventiende eeuw. Kluchtboeken, zoals er in de zeventiende eeuw talloze verspreid raakten in geheel Europa, zijn verzamelingen van korte prozateksten, die het midden houden tussen moppen en de iets langere anekdoten en novellen.  Anekdotenbundels leunen hier dicht tegen aan.  Ook zij hebben de bedoeling geestig en vermakelijk te zijn[1]. Beide worden gekenmerkt door een realistische schijn, een lineair verloop, waarin de daden en de personen kort voorgesteld worden en een al dan niet humoristische pointe of climax.[2]

 

 

Bronnenmateriaal

 

Op basis van de Short Title Catalog Vlaanderen en het bibliografische werk van P. Schmidt[3], J. Koopmans en P. Verhuyck[4] en E. Van Heurck[5] hebben wij kennis gemaakt met het bronnenmateriaal dat wij nadien nader bestudeerden. Daarbij is gebleken dat de hoeveelheid van het materiaal omgekeerd evenredig is aan de bestudering ervan.  De bundels op zich zijn wel bekend en een aantal komische anekdoten, voornamelijk rond Karel V, kunnen door velen naverteld worden, maar als echte historische bron zijn de anekdotenbundels totnogtoe nauwelijks gebruikt.  Dit zou te maken kunnen hebben met het feit dat vele kluchtboeken en anekdotenbundels moeilijk toegankelijk zijn. Van vele boeken bestaat immers maar één exemplaar of is er slechts één bewaard.  Bovendien gaat het vaak om anonieme bundels met uiteenlopende titels, die niet altijd even adequaat gecatalogiseerd zijn[6]

 

Wij hebben ons voor dit onderzoek in eerste instantie gericht op een aantal boeken en bundels op naam van de Brusselse boekverkoper en toneelschrijver Johannes, Joannes of Joan De Grieck. Een eerste werk heeft als titel De heerelijcke ende vrolijcke daeden van keyser Carel den V[7].  Dit boek, dat kan omschreven worden als een bonte verzameling moraliserende en komische legenden in de vorm van een ‘Schwankbiographie’[8], doet niet alleen dienst als volksboek, maar vertoont eveneens kenmerken van een vorstenspiegel.  Het verscheen voor het eerst in 1671 en kende talrijke herdrukken, zowel in het Nederlands als in het Frans.[9]  Het auteurschap is echter niet onbetwist.  In de verschillende uitgaven wordt het werk slechts eenmaal op naam gezet van Johannes en alle andere keren op naam van Judocus De Grieck.  A. Van Loven stelt dat er geen onweerlegbare bewijzen zijn om het auteurschap aan Johannes te ontnemen, maar dat een aantal feiten wel sterk wijzen in de richting van zijn jongere broer Judocus.[10]  Een tweede door ons geconsulteerde werk is De droeve ende blyde Wereldt [11]  Dit boek verscheen voor het eerst in 1671.  Zoals de titel reeds aangeeft komen er zowel vrolijke als droevige verhalen in aan bod.  Een derde boek van de hand van Johannes De Grieck is Den wysen Gheck [12].  Het dateert uit 1672 en is een bundeling van wijsheden, grappige verhalen en legenden van allerhande auteurs, die niet bij naam genoemd worden.  Een vierde boek dat wij ter hand namen, was De sotte wereldt.[13]  Het dateert uit 1682 en bevat een opsomming van de ‘sodtheydten’ van allerhande personen.  Uit de titel kan men reeds afleiden dat het werk voornamelijk komische anekdoten bevat.  Volgens A.Van Loven is ook dit werk mogelijk van de hand van Judocus De Grieck[14].  Andere werken van de hand van Johannes De Grieck werden ook door ons geconsulteerd, maar bleken niet interessant voor ons onderzoek.[15]

 

Daarnaast consulteerden wij ook een aantal anonieme bundels.  Een eerste was  ’t Verdrijf des droefheyts ende melancholie.[16]  Deze bundel, daterend uit de vroege achttiende eeuw, bestaat uit twee delen.  Een eerste deel bestaat uit een groot aantal anekdoten, mirakelverhalen, remedies, beschouwingen, raadsels, uitspraken van filosofen, keizers, pausen en andere belangrijke historische figuren, waarvan er een aantal interessant waren voor ons onderzoek.  Het tweede deel omvat een aantal “sentenciën”, die wij voor ons niet nuttig achtten.  Het manuscript is nooit in druk verschenen en de compilator ervan is tot op heden onbekend.  Een precieze datering ontbreekt eveneens.  De laatste datum die in het handschrift zelf vermeld wordt is ‘het jaer 1708’, wat als terminus postquem beschouwd kan worden.[17]

 

Een tweede anonieme bundel heeft als titel Ghenuechelijcke ende recreatieve exempelen.[18]  Hierin troffen wij voornamelijk anekdoten aan over anonieme vorsten.  Interessant is wel, dat een aantal van die anekdoten ook terug te vinden zijn in de laatste door ons geconsulteerde bundel, namelijk Den seer vermaeckelijcken kluchtvertelder[19]

 

In deze verhandeling willen wij niet alleen stilstaan bij de komische anekdote.  Zowel in de vorstenspiegels, met hun talloze exempla, als in de anekdotenbundels vinden wij een welbepaalde deugdenethiek terug.  Om de oorsprong en de diepgaande invloed van dit fenomeen te achterhalen, hebben wij beroep gedaan op een aantal bronnen die voornamelijk handelen over de deugd en de praktijk van het deugdzaam leven.  Het gaat in eerste instantie om een aantal geschriften van de minderbroeder Bonifacius Maes.  Zijn werkje Wynckel der Deughden[20], richt zich in eerste instantie tot zijn neef Antonius Nyssens, maar behandelt de christelijke deugdenleer duidelijk met ruimere pedagogische bedoelingen.  Een tweede werkje van deze auteur verscheen in hetzelfde jaar,1673, en draagt als titel Deughde-iacht.[21]  In zijn derde werk Soete beweginghen uyt d’ aendachtigheyt op den ghecruysten Christus[22], legt hij volledig de nadruk op de deugdzaamheid naar het voorbeeld van Christus.  Tot slot bestudeerden we in deze context ook het werkje De deughden van Ferdinandus II, keyser van Roomen geschreven door de Jesuït Guilielmus Germaeus de Lamormaini en in 1638 ‘verduytscht’ door Franciscus De Smidt.[23]  Het boekje is het laatste volume van een vierdelige biografie van keizer Ferdinand II van Habsburg en behandelt specifiek de vele deugden waar de keizer in uitblonk.  Onze keuze is precies op deze werken gevallen, omdat zij, net zoals de door ons bestudeerde anekdotenbundels, geschreven zijn voor een ruim publiek.

 

Vanuit de literatuur omtrent verschillende vorsten zijn wij tot de vaststelling gekomen dat er een grote gelijkenis moet bestaan tussen de exempla die gebruikt worden in de vorstenspiegels en de anekdoten die we zelf hebben doorgenomen.  Om deze vaststelling te toetsen en vervolgens verder uit te werken hebben wij ons bronnenmateriaal nog uitgebreid met een beperkt aantal vorstenspiegels.  Vooreerst namen wij de Institutio Principis Christiani[24] van de humanist Desiderius Erasmus door.  Wij zijn er ons van bewust dat dit werk meer dan een eeuw ouder is dan ons overige bronnenmateriaal, maar het feit dat een groot deel van de anekdoten handelen over keizer Karel V maakte dat wij het gebruik van deze bron gerechtvaardigd vonden.  Bovendien is dit werk een van de meest toonaangevende humanistische vorstenspiegels, waarin het antieke en christelijke gedachtengoed op schitterende wijze tot een synthese worden gebracht.[25]  Wij concentreerden ons vervolgens op twee vorstenspiegels met sterk biografische inslag, waarin opnieuw Karel V de hoofdrol speelt.  Het gaat om de werken Histoire de l’Empereur Charles V[26] en La vie de l’Empereur Charles V[27]. Tot slot bestudeerden wij het werk Het leven van Filips II, koning van Spanien[28] van de hand van de Italiaanse calvinistische historicus en schrijver Gregorio Leti.  Het aantal door ons bestudeerde vorstenspiegels mag vrij klein lijken, wij willen er evenwel ook op wijzen dat een aantal van de reeds eerder genoemde bronnen, ook kunnen opgevat worden als vorstenspiegels en als dusdanig eigenlijk een dubbele functie hebben in deze verhandeling.  Wij denken dan in eerste instantie aan het werk De heerelijcke ende vrolijcke daeden van keyser Carel den V van Johannes of Judocus De Grieck en aan De deughden van Ferdinandus II, keyser van Roomen, van Guilielmus Germaeus De Lamormaini.

 

Naast de verheven deugdenethiek, die wij zowel in de anekdotenbundels als in de vorstenspiegels terugvinden, treffen wij in het eerstgenoemde genre ook een heel eenvoudig vorstenbeeld aan.  We krijgen dan de vorst als ‘gewone’ mens te zien.  De oorsprong van dit ‘menselijke vorstenbeeld’ zijn de christelijke waarden van nederigheid en naastenliefde.  We hebben deze christelijke leer en de boodschap naar de gelovigen, die ermee samenhangt, bestudeerd aan de hand van een aantal willekeurige zeventiende-eeuwse devotieboekjes.  Het selectiecriterium dat onze keuze bepaald heeft, is heel eenvoudig: de devotieboekjes moesten zich richten tot het hetzelfde ruime publiek als de anekdotenbundels en de deugdenliteratuur.  In de enorme hoeveelheid dergelijke devotieboekjes zie in deze periode het licht zagen, is het een onmogelijke zaak gebleken meer informatie te achterhalen omtrent de auteurs, overwegend geestelijken, en de onstaanscontext.[29]  Inhoudelijk vertonen al deze devotieboekjes sterke gelijkenissen.  Afhankelijk van de orde waartoe de auteur behoort, worden er echter andere accenten gelegd en wordt de christelijke leer strenger of vrijer geïnterpreteerd.

 

 

Inhoud

 

In een eerste hoofdstuk staan we stil bij de verwantschap tussen het genre van de vorstenspiegel, dat veelvuldig gebruik maakt van historische of bijbelse exempla om de theoretische raadgevingen te staven, en dat van de anekdotenbundel, waarin we verhaaltjes terugvinden die heel sterk aanleunen bij de bovengenoemde exempla.  We bespreken vooreerst kort de kenmerken en de historiek van beide genres, om vervolgens stil te staan bij de band tussen beiden.  Een aantal werken zijn in deze context van onschatbare waarde geweest.  Vooreerst is er het artikel Die deutschen Fürstenspiegel des 17. Jahrhunderts.  Regierungslehren und Politische pädagogiek[30] van de hand van R.A. Müller, dat mij een duidelijk beeld gaf van de kenmerken en evoluties in het vorstenspiegelgenre vanaf de Middeleeuwen tot de zeventiende eeuw.  Wat betreft de geschiedenis en genrebeschrijving van de anekdotenbundels, ben ik veel verschuldigd aan P. Schmidt[31], J. Koopmans, P. Verhuyck[32] en J. Verberckmoes[33].  Waar ik de link probeerde te leggen tussen beide genres op basis van een aantal kenmerkende eigenschappen, had ik dan weer niet zonder het werk van E. Moser-Rath[34] gekund.

 

In het tweede hoofdstuk van deze verhandeling staan wij stil bij de deugdenethiek, die we zowel in de vorstenspiegels als in de anekdotenbundels kunnen terugvinden.  In een poging de oorsprong van dit fenomeen te achterhalen, hebben wij beroep gedaan op het moraaltheologische werk van Alisdair MacIntyre.[35]  Om het fenomeen zelf beter te begrijpen en het mechanisme erachter te bestuderen hebben we beroep gedaan op een aantal bronnen die we hierboven reeds vermeld hebben.  De indeling van het hoofdstuk is grotendeels gebaseerd op de indeling die we in de bronnen hebben kunnen aantreffen en die duidelijk op de christelijke leer is gestoeld.  We bespreken eerst de drie goddelijke deugden: geloof, hoop en liefde.  Vervolgens staan we stil bij de vier kardinale deugden: matiging, dapperheid, wijsheid en rechtvaardigheid.  Voorts bespreken we een aantal losse deugden die we ook als dusdanig in de bronnen aantroffen.  Als besluit bespreken keizer Karel V, de ultieme belichaming van het humanistische ideaal van de ‘princeps christianus et perfectus’.

 

In het derde hoofdstuk verlaten we de verheven deugdzaamheid om als het ware een blik te werpen ‘achter de schermen’.  We gaan voorbij aan de roemrijke daden en overwinningen van koningen en keizers, maar gaan op zoek naar de verhalen waarin de vorst eventjes buiten zijn functie treedt en in contact komt met de eenvoudigste van zijn onderdanen.  We behandelen hierbij een aantal ‘bouwstenen’ die typisch zijn voor deze verhalen: maskering en ontmaskering, gelijkheid en ongelijkheid, ... We staan in eerste instantie stil bij de politieke relatie tussen een vorst en zijn onderdanen.  Vervolgens concentreren we ons op het contact off the record.  We bekijken wat de anekdotenbundels ons vertellen over de contacten aan het hof en daarbuiten.  Vooral in het contact van de vorst met de boeren en ambachtslieden vinden we een zekere ‘nederigheid’ terug, die een christelijke oorsprong heeft.  Uit de anekdoten trachten we een aantal patronen de destilleren, die we dan confronteren met de christelijke idealen, zoals ze beschreven worden in de toenmalige volkse devotieboekjes.  Vervolgens staan we stil bij de menselijke kantjes van de vorsten, zoals die in de anekdoten verhaald worden: lichamelijke begeerte, jaloezie, dronkenschap en gevoel voor humor.  Tot slot laten we twee belangrijke cultuur- en literatuurhistorici aan het woord: Elfriede Moser-Rath en Peter Burke[36].  Beide hebben hun eigen mening over het ‘imago’ van de vroeg-moderne vorsten en de machinaties die dit imago vormen en vervormen.

 

Na dit derde hoofdstuk proberen wij een besluit te formuleren en daarin de zaken op een rijtje te zetten, die ons zijn opgevallen in ons onderzoek naar de beeldvorming over vorsten in de anekdotenbundels.

 

 

Hoofdstuk 1:

Vorstenspiegels en anekdotenbundels

Op zoek naar de logica en functie van beide genres.

 

1.1  De  vorstenspiegel

 

1.1.1  Terminologie

 

Een vorstenspiegel is een werk waarin het modelbeeld van een vorst beschreven wordt. Een dergelijk geschrift kan opgevat zijn als een levensbeschrijving van een beroemd vorst of als een dichterlijk ideaalbeeld van een historische persoon.  Inhoudelijk omvat de vorstenspiegel ethische leerstellingen over rechten en plichten, bevoegdheden en beperkingen van de vorstelijke macht.[37] Het genre behoort tot het domein van de politieke theorie, maar omvat meestal geen systematisch uitgewerkte staatsleer.  In de vorstenspiegel richt de staatstheoreticus zich tot de leek, namelijk de vorst, die geen theoretische opleiding heeft gehad, met de bedoeling hem zijn abstracte leer duidelijk te maken.[38]   Kenmerkend voor het genre is dan ook het gebruik van talloze historische voorbeelden of exempla, die de deugden waarover een goede vorst moet beschikken in de verf zetten.  Deze exempla zijn meestal ontleend aan de heidense en christelijke Oudheid, de mythologie en aan de Bijbel.[39]  Populaire voorbeelden zijn Hercules, Alexander de Grote, Caeser, Augustus, Karel de Grote en David en Salomon en Christus.[40]  Zij personifiëren de deugden die van belang zijn voor een vorst: rechtvaardigheid, gematigdheid, dapperheid, vrijgevigheid, mildheid, wijsheid, grootmoedigheid, waarheid, trouw, ...

 

Vorstenspiegels nemen vaak de vorm aan van historische kronieken, biografieën, toneelstukken of lofdichten.  Een waterdichte afbakening van het genre is dan ook onmogelijk.  De scheidslijnen die reeds getrokken werden, zijn bovendien het gevolg van een recente behoefte aan systematisering.  Dit heeft als gevolg dat de werken die onder deze noemer geplaatst worden, inhoudelijk meestal los staan van elkaar.[41]  De meeste vorstenspiegels worden bovendien geschreven door professoren of hogere ambtenaren[42], die daarnaast ook historische, filosofische of theologische werken op hun naam hebben staan.  Ook dit gegeven bemoeilijkt de afbakening van het genre.

 

1.1.2    Korte historiek

 

Het vorstenspiegelgenre ontstaat in het antieke Griekenland, wanneer na de ondergang van de democratische regimes, de macht in de stadstaten overgenomen wordt door ‘monarchen’.  Als eerste voorbeeld geldt het werk Ad Nicoclem.[43] Daarin verwerkt de Griekse redenaar Isocrates (436-338 v. Ch.) de oude Griekse adelethiek tot een leer die kan toegepast worden op de basileus of alleenheerser.  Centraal in zijn leer staat de opvatting dat de koning een filosoof moet zijn.  De vorst moet zelf helder kunnen denken om goed en kwaad te onderscheiden en zo de juiste beslissingen te nemen.[44] Hij wordt gekenmerkt door de vier Platoonse of natuurlijke deugden, namelijk wijsheid, bezonnenheid, moed en rechtvaardigheid.  Vanuit de idee van de geschiedenis als ‘magistra vitae’ meent Isocrates bovendien dat de vorst een degelijke opleiding in de geschiedenis moet krijgen.  Isocrates’ ideeën blijven doorheen de hele Oudheid toonaangevend.  Daarnaast zijn ook de ideeën van Aristoteles toonaangevend  geweest.    De Romeinen nemen het Griekse basileusprincipe over en verbinden het met hun eigen ideeën omtrent de ‘princeps’ of keizer.  Voorbeelden hiervan vinden we terug in het werk van de redenaar en advocaat Cicero (106- 43 v. Ch.) en van de filosoof en literator Seneca (5 v. Ch.- 65 na Ch.).  Vooral de dynamiek tussen de begrippen ‘utile’ en ‘bonum’, die bescheven en geananlyseerd wordt door Cicero in zijn werk De Officiis, zal centraal komen te staan in het politieke denken in de vorstenspiegel vanaf de Renaissance.[45]

 

Het basileusprincipe van Isocrates is in de vroege Middeleeuwen onbekend.  De vorstenspiegels krijgen vanaf dan een duidelijk christelijk kader en ontwikkelen zich los van de antieke voorbeelden.  Voornamelijk in de achtste en negende eeuw kent het genre een grote bloei in het kader van de Karolingische Renaissance.  Het Karolingische rijk is een christelijk imperium, waarin Kerk en Staat nauw met elkaar worden verbonden.  Dit kan verklaren waarom de vorstenspiegels in die periode meestal geschreven worden door bisschoppen.[46]  Zij proberen in hun geschriften het keizerlijk gezag een plaats te geven tegenover de Kerk en de keizerlijke aanspraken te verzoenen met de universele machtsclaim van de paus.  De auteurs leggen sterk de nadruk op de kennis en heiligheid van de toekomstige monarchen, in navolging van de grote Bijbelse koning Salomon.[47]  De Karolingische vorstenspiegels zijn echter voornamelijk een tijdelijk fenomeen en raken snel uitgebloeid.[48]

 

Tussen de elfde en de vijftiende eeuw wordt het genre als het ware heruitgevonden.[49]  Auteurs als  Johannes van Salisbury (1115/1120- 1180), Thomas van Aquino (1224/1225- 1274), Aegidius Romanus (1245- 1316) en Engelbert van Admont (ca. 1250- 1331) werken hun staatsfilosofische ideeën uit op een hoog theoretisch-speculatief niveau in de vorm van een vorstenspiegel[50].  In deze geschriften propageert men de idee van de vorst of ‘princeps christianus’ als een deel van de universele politieke leer en niet als een natuurlijke en individuele persoon.  De hoog-Middeleeuwse vorstenspiegel neemt dan ook eerder de vorm aan van een staatsfilosofie dan van een ‘gepersonaliseerde’ vorstenspiegel. De christelijke ethiek wordt centraal gesteld.[51]  Een vorst moet gericht zijn op het goede, op het ‘salus publica’ of christelijke heil van zijn onderdanen.  Hij wordt gekenmerkt door de drie goddelijke en vier kardinale deugden[52], respectievelijk geloof, hoop en liefde en matiging, moed, bezonnenheid en rechtvaardigheid. Deze laatste vier worden beschouwd als natuurlijke deugden, die door de vorst zelf verworven moeten worden.  Bovendien is de vorstelijke macht afkomstig van God.  De vorst is de belangrijkste bemiddelaar in het verbond dat God heeft afgesloten met de mensen op aarde.[53]  Deze idee heeft grote gevolgen voor de onderdanen: wie zich tegen de vorst keert, keert zich automatisch ook tegen God.  Deze verhouding wordt vaak uitgedrukt met behulp van de lichaamsmetafoor.  De vorst is het hoofd van het lichaam van de staat.[54]  De staat is een organisch geheel, waarvan de onderdelen harmonisch samenwerken op voorwaarde dat het hoofd (de vorst) en het hart op de juiste plaats zitten.  Een staat is pas gezond als er gerechtigheid heerst of, met anderde woorden, als de mensen het goede doen en hun verantwoordelijkheden opnemen.  De vorst, als hoofd van de staat, is de persoon bij uitstek die zijn verantwoordelijkheid moet opnemen en erover moet waken dat alle delen van het lichaam goed functioneren.  In deze periode worden de vorstenspiegels voornamelijk aangeduid met de term ‘speculum regis’, waarmee de nadruk wordt gelegd op de algemene voorbeeldfunctie van deze geschriften: niet deze of gene specifieke vorst maar de vorst als onderdeel van de staatstheorie wordt hiermee bedoeld.

 

In de vroege Moderne tijd blijft het vorstenspiegelgenre bestaan, maar het ondergaat een grote inhoudelijke verandering onder invloed van het humanisme.  De nadruk komt te liggen op de moraal en het genre krijgt een bredere didactisch-pedagogische bedoeling.  Dit komt voor het eerst tot uiting in het werk van Petrarca (1304- 1374).[55]  De Middeleeuwse idee van ‘princeps christianus et optimus’ krijgt een ruimer doel: men wil via de vorstenspiegel niet alleen de vorst opvoeden, maar via hem ook het volk waarover hij regeert.[56]  Erasmus geeft dit duidelijk aan in zijn Institutio Principis Christiani:

 

“Princeps vel ob hoc ipsum cavere debet, ne malus sit, ne tam multos exe(m)plo suo reddat malos.  Et vel ob hoc studebit esse bonus, quo tam multos efficiat meliores.”[57]

 

Bovendien verschijnen de vorstenspiegels in toenemende mate in druk, waardoor ze ook buiten het hof verspreid raken.[58]  Deze evolutie kadert in een algemene toename van de geletterdheid van de ambtenarij en administratie, die een aanvang neemt vanaf de twaalfde eeuw.  Vanaf dan maakt men aan de universiteiten kennis met de geschriften van Griekse denkers als Aristoteles en wordt een enorme hoeveelheid geschriften over wetenschappen, filosofie en ethiek geproduceerd.[59]  De uitvinding van de boekdrukkunst in de 15de eeuw bespoedigt dit proces en legt nog meer nadruk op het principe van geletterdheid.  Dit heeft ook gevolgen voor de vorstenspiegels.  Het aantal exemplaren verdubbelt in de tweede helft van de eeuw en de invloed van de humanisten op het genre neemt gevoelig toe.[60]

 

De vorst wordt als het ware losgemaakt uit de politieke leer en wordt in de vorstenspiegel benaderd als een persoon op zich.[61]  Dit kunnen we een proces van ‘concretisering’ noemen: het gaat niet alleen meer om de vorst als hoofd van de staat, maar meer en meer om een welbepaalde persoon.  De humanistische vorstenspiegels sporen de vorst aan een ‘princeps christianus et perfectus’ te worden.  Het kernwoord in hun betogen is steeds ‘virtus’, waarmee zij een houding van mannelijke verfijning op basis van de beoefening van de deugdenethiek op het oog hebben.  Om hun opvattingen kracht bij te zetten, citeren zij veelvuldig uit de Bijbel, de werken van kerkvaders, klassieke auteurs en filosofen.[62]  Bovendien doen zij meer en meer beroep op exempla of narratieve voorbeelden om hun soms abstracte theorieën te verhelderen. 

 

In 1513 schrijft de Florentijnse historicus en politicus Niccolo Machiavelli het politieke werk Il Principe.   In dit werk, dat zowel een staatsleer als een vorstenspiegel genoemd kan worden, gaat de auteur sterk in tegen de principes van klassieke denkers als Aristoteles en Cicero.  Voor Machiavelli staat niet de ethiek, maar wel de politieke macht centraal.[63]  Terwille van het behoud of de uitbreiding van de politieke macht, zijn alle middelen toegelaten. Hoever een heerser daarin mag gaan is niet volledig duidelijk.  Enerzijds zijn geweld en oorlog volledig gerechtvaardigd in functie van de machtsontplooiing en moet een heerser zich daar sterk op toeleggen.[64]  Toch raadt Machiavelli de toekomstige heersers ook aan om de rechten van de onderdanen te respecteren.  In een maatschappij zijn altijd twee groepen: een groep aanzienlijken en een groep ‘eenvoudige’ onderdanen.  Een man verwerft altijd absolute macht dankzij een van die twee groepen.  Het is echter best als heerser naar voor geschoven te worden door het gewone volk, want eenmaal de macht in handen, is een vorst zelfstandig en kan hij er op rekenen gehoorzaamd te worden door een grote groep mensen.[65]  Hij kan de macht best consolideren door krachtdadig maar tegelijk rechtvaardig op te treden, grootse daden te stellen, de kunsten en wetenschappen te stimuleren en handel, industrie en landbouw te bevorderen.  Bovendien is tirannie volgens de toenmalige staatsopvatting geen vorm van macht, maar een uitdrukking van onwetendheid en incompetentie.[66]  De bestaande deugdenethiek wordt dus niet volledig afgewezen, maar wel grondig bevraagd en geanalyseerd.[67]  Een aantal stereotype thema’s komen aan bod: hoe een vorst aanzien kan verwerven, hoe hij vleiers uit de weg moet gaan, wat hij op het gebied van de oorlogsvoering dient te doen, ...  Maar zijn gedachtengoed wijkt op verschillende punten grondig af van de traditionele opvattingen over macht en gezag.  De grondidee van zijn politieke denken is een heel mechanische visie op mens en maatschappij: beide worden geregeerd door de natuurwetten en kunnen niet anders dan daaraan gehoorzamen.  De geschiedenis kent aldus een cyclisch en repetitief verloop omdat de mens zich nu eenmaal voortdurend herhaalt in zijn handelingen.[68]  In die zin staat zijn werk los van de andere humanistische vorstenspiegels, die juist heel sterk de uniciteit en grootsheid van deze of gene vorst willen benadrukken.

 

Twee vorstenspiegels uit het einde van de 16de eeuw hebben een bijzondere invloed gehad op de verdere evolutie van het genre.  Vooreerst is er het werk Politicorum sive civilis doctrinae libri sex, geschreven door Justus Lipsius in 1589.  Het is gebaseerd op de denkbeelden van het Italiaanse humanisme en omvat een algemene vorstenleer, die los van elke staatsrechterlijke constellatie kan worden toegepast.[69]  Ook dit geschrift heeft een grote invloed gehad op de opvattingen over de deugden in de 17de eeuwse vorstenspiegels.  Daarnaast is er het geschrift Les six livres de la république, geschreven door Jean Bodin en voor het eerst uitgegeven te Parijs in 1586.  Dit werk is ruimer dan een vorstenspiegel, maar heeft ook duidelijk een plaats in de traditie van de deugden- en vorstenethiek.  Bodin heeft een grote invloed op latere vorstenspiegels via zijn definitie van de vorstelijke souvereiniteit.

 

1.1.3    De vorstenspiegel in de zestiende en de zeventiende eeuw

 

Van de 15de tot en met de 18de eeuw kennen de Europese staten een enorme administratieve uitbouw.  Dit heeft een invloed op de opvattingen over heerschappij en koningschap.  Hoewel men daarvan zeker sporen aantreft in de vorstenspiegels, wordt het traditionele vorstenbeeld niet omvergeworpen. 

 

De ideeën die de Middeleeuwse vorstenspiegels domineren, blijven grotendeels van kracht in de 17de eeuw.  De auteurs blijven hun vorstenbeeld scheppen vanuit de opvatting dat de vorst zijn macht krijgt van God.[70]  Deze band met een transcendente entiteit maakt dat de vorst boven zijn onderdanen staat en voor hen zelfs ontoegankelijk is.  Er wordt ook heel wat aandacht besteed aan de plaats van de vorst in de staat en het staatsrecht.  Vanuit de overtuiging dat de vorst een ‘potentia absoluta’ krijgt van God, proberen juristen vast te leggen wat de plichten en vrijheden zijn van de vorst. Zij baseren zich hiervoor voornamelijk op het soevereiniteitsbegrip van Jean Bodin. De soeverein is diegene, die enkel God als hogere macht boven zich heeft en binnen de staat enkel aan God verantwoording verschuldigd is.[71]  Voorts wordt de vorstelijke macht beperkt door het natuurrecht dat overal en altijd geldig is. 

 

Hoewel de vorst dus enkel aan God verantwoording verschuldigd is, moet hij zich wel in dienst stellen van het algemeen welzijn van zijn onderdanen.  Het doel van zijn heerschappij moet steeds het ‘salus publica’ of het ‘bonum commune’ zijn.[72]  Het verbond tussen vorst en onderdanen wordt uitgedrukt door de begrippen ‘gehoorzaamheid’ en bescherming’.  De vorstenspiegelauteurs noemen dit verbond een organisch verbond en gebruiken nog steeds de metafoor van het lichaam van de staat om hun opvattingen te verduidelijken.  We treffen dit ook reeds aan bij Erasmus:

 

“Quod si haec quoque vocabula te delectat, at illud memineris, facito, quod ab ethicis quoque philosophis et perspectum et proditu(m) est, non alius modi esse imperiu(m) principis in populum, quam quale est animi in corpus.  Dominatur animus corpori, quod magis sapiatq(ue) corpus, sed dominator magno corporis com(m)odo potiusq(ue) suo:& animu(m) regnare in corpore, felicitas est corporis.  Quod cor est in corpore animantis, id est princeps in republica.  Si cor syncerum est, quonia(m) sanguinis ac spirituum fonst est, vitam impartit universo corpori: sin vitiatum fuerit, exitium adfert membris omnibus.  Veru(m) ut ea pars in corpore animantis omnium postrema solet corru(m)pi & in hac extremas vitae reliquias superesse putant: ita decet principem, si quis morbus corripuerit populum, ab omni stulticiae lue quam integerrimum esse.”[73] 

 

De traditionele Middeleeuwse deugdenethiek wordt niet afgewezen, maar ondergaat een wezenlijke verandering.  In navolging van Machiavelli stelt men het statische en bovennatuurlijke karakter van de deugden in vraag.  Een vorst moet nog steeds gekenmerkt worden door prudentia, iustitia, maiestas, magnaminitas, temperantia, liberalitas, fides, veritas, fortitudo, virtus, auctoritas en clementia, maar deze deugden moeten beschouwd worden als natuurlijke en dynamische principes, die aansluiten bij de politieke realiteit.[74]   De deugdenethiek vormt bovendien een bescherming tegen de steeds dreigende tirannie.  Een prins wordt van nature immers gekenmerkt door oorlogszucht, gewelddadigheid en onverschrokkenheid.  Het beoefenen van de deugden moet ervoor zorgen dat hij deze ‘passiones’ enkel inzet om een gerechtvaardigd doel te bereiken.[75]  

 

Het Ciceroniaanse adagium ‘historia magistra vitae’ is ook in de 17de eeuw van toepassing.  De vorstenspiegels zijn opgebouwd rond twee begrippenparen.  Het koppel ‘experientia’ en  ‘exemplum’, dat staat voor de kracht van historische voorbeelden, wordt verbonden met het duo ‘scientia’ en ‘doctrina’, waarmee men de theoretische kennis bedoelt.  De vorst moet dus een ‘princeps litteratus’ of ‘rex philisophus’ zijn.  Hieraan ten grondslag ligt de Erasmiaanse opvatting dat de mens ‘maakbaar’ of ‘vormbaar’ is: ‘Homines non nascuntur, sed finguntur’.[76]  Bovendien zijn de humanisten ervan overtuigd dat de harmonie in de samenleving gewaarborgd wordt door de zedelijkheid van de vorst.[77]  Concreet betekent dit dat een degelijke opvoeding en opleiding de vorst in staat stellen om het goede te willen en te regeren met een grote verantwoordelijkheidszin voor zijn land en onderdanen.  Erasmus dringt er bijvoorbeeld op aan dat een prins opgeleid wordt in aardrijkskunde en geschiedenis en dat hij zelf vaak andere landen gaat bezoeken, om in staat te zijn de vrede te handhaven[78].  Alleen een vorst die niet in ondeugd vervalt is in staat ook zijn onderdanen te verheffen tot een deugdzaam bestaan.  Dit principe bestaat reeds van in de Oudheid, maar zal pas vanaf de late Middeleeuwen sterker aan bod komen.  Idealiter zou een prins opgeleid moeten worden in de theologie, metafysica, ethiek, economie, politieke theorie, geometrie en geneeskunde.[79]  In de 17de eeuw is het ondenkbaar dat een vorst zonder degelijke theoretische en morele opleiding aan de macht komt.[80]  

 

Om de theoretische leerstellingen te verduidelijken, maken de auteurs veelvuldig gebruik van ‘exempla’.  Dit is geen nieuw gegeven.  Ook in de Oudheid en de Middeleeuwen wordt dit pedagogische principe toegepast in de vorstenspiegel.  In de loop van de 16de en 17de eeuw wordt er echter niet meer alleen verwezen naar de klassieke of Bijbelse voorbeelden, maar in toenemende mate ook naar roemrijke figuren uit het eigen nationale verleden.[81]  Zo wordt er vaak verwezen naar Karel de Grote en in latere tijden ook naar zijn naamgenoot Karel V, die gelden als de ware ‘principes perfecti’. 

 

De kracht van het exempel kan nauwelijks overschat worden.  De idee dat bepaalde waarden en deugden van de ene vorst op de andere worden doorgegeven en dat men zich op die manier geplaatst weet in een eindeloze lijn van verhevenheid en uiterste goedheid, heeft een enorme uitwerking, niet alleen op de vorsten zelf, maar ook op de toehoorders of lezers van de verhalen die hiervan getuigen.  Dit wordt duidelijk aangegeven in de biografie van keizer Ferdinand II:

 

“Uut dit vast ende levendich gheloove in Godt, waer door sijne siele Gode en de godtlijcke mysterien seer toeghedaen was, is gesproten dien vierigen iever van de Catholijcke Religie te beschermen en te verbreyden, door den welcken hy oock vermaerste Keysers oft te boven is ghegaen oft hun ghelijck gheweest is en sijne naer-volghers een weerdich exempel om naer te volgen achtergelaten heeft.[82]

 

De auteurs verwijzen echter niet alleen naar positieve voorbeelden, maar bouwen hun ideale vorstenbeeld ook op in contrast met negatieve figuren.[83]  Vaak zoeken ze hun inspiratie dan toch in de klassieke oudheid en beschrijven ze het lot van de Romeinse keizer Nero, de laatste telg van de Julisch-Claudische dynastie.  Deze keizer, wiens regering kan samengevat worden onder de noemer wreedheid, machtswellust en waanzin, heeft tegen het einde van zijn leven zoveel tegenstanders, dat hij Rome omtovert tot een soort politiestaat om zijn macht te kunnen behouden.[84]  Maar hij is natuurlijk het anti-voorbeeld bij uitstek voor de auteurs die het ‘rex christianissimus’-principe[85] huldigen, omwille van zijn wrede christenvervolgingen.  Erasmus verwijst in zijn Institutio Principis Christiani graag naar de ‘crudelissimus Nero’.[86]  Ook Johannes De Grieck beschrijft de wreedheden van Nero in zijn anekdotenbundel Den wysen Gheck.[87]

 

De 17de eeuwse vorstenspiegels kunnen opgedeeld worden in twee kategorieën[88], die teruggaan op de 13de eeuwse staatsleer.  Vooreerst is er een Aristotelische model, gebaseerd op het werk De Regimine Principum van Aegidius Romanus.  Dit bestaat uit drie grote delen, namelijk de Ethiek, waarin de deugdenleer uiteengezet wordt, vervolgens de Economie, waarin de opvoeding aan bod komt en tenslotte de Politiek, waarin de auteur stilstaat bij het bestuur en de administratie.  Daarnaast is er een pseudo-Thomistisch model, bestaande uit zeven onderdelen, namelijk een aantal algemene adviezen, gevolgd door een betoog over de verhouding van de vorst tot God en de Kerk, een deugdenleer, een uiteenzetting over de verstandhouding tussen de vorst en zijn omgeving, zijn zonen, zijn onderdanen en tenslotte zijn vijanden.

 

Het genre ondergaat in de loop van de 16de en de eerste helft van de 17de eeuw onmiskenbaar de invloed van de Reformatie.  Kenmerkend voor de reformatorische vorstenspiegels is dat ze meestal geschreven worden door hofpredikanten, die hun vorst trachten te wijzen op zijn algemene menselijke zwakheid en zijn zondigheid.[89]  De vorst moet de staatsreligie dienen en beschermen en daartoe scholen oprichten en visitaties verrichten.  De deugdenethiek blijft echter grotendeels ongewijzigd.  De Reformatie bewerkstelligt dat de religie een grotere rol gaat spelen in het vorstelijke ambtsideaal.  De plicht van de vorst tegenover zijn land en zijn volk krijgt hier ook een religieuze betekenis.[90] De belangrijkste bronnen zijn dan ook de brieven van Paulus en de Psalm David Canticum.

Naast de traditionele vorstenspiegels, die zich vooral concentreren op de figuur van de vorst,  komen er vanaf de tweede helft van de 17de eeuw ook algemene regeringshandleidingen op de markt.  Deze worden gekenmerkt door hun onpersoonlijke en zakelijke toon en hun juridische benadering van de vorstelijke macht.  Hoewel deze handboeken veel sterker aansluiten bij de maatschappelijke realiteit en vertrekken uit begrippen als het ‘utilitas publica’ en het ‘bonum commune’, verdringen ze de traditionele vorstenspiegels die stoelen op de traditionele politieke ethiek, niet meteen uit hun positie.

 

 

1.2  De klucht en de anekdote

 

1.2.1  Terminologie en kenmerken

 

Een kluchtboek is een verzameling van korte, geestige prozaverhaaltjes, die ergens tussen mop, ankedote en novelle instaan.[91]  Anekdotenbundels leunen hier dicht tegen aan.  Ook zij hebben de bedoeling geestig en vermakelijk te zijn. Beide worden gekenmerkt door een realistische schijn, een lineair verloop, waarin de daden en de personen kort voorgesteld worden en een humoristische pointe of climax.[92] De term ‘anekdotè’ komt uit het Grieks en betekent ‘nieuw, niet vrijgegeven voor publicatie, onuitgegeven’.  Met deze benaming wordt reeds een belangrijk kenmerk aangegeven: het anekdotengenre is sterk gericht op al wat nieuw(s) is.  Daarbij moet men rekening houden met het feit dat de grens tussen realiteit en fictie niet altijd even scherp gesteld wordt. Andere benamingen voor het genre zijn ‘facetiae’ (Latijn), ‘facéties’ (Frans), ‘jests’ (Engels), ‘Schwank und Witz’ (Duits).

 

Kluchten en anekdoten worden gekenmerkt door twee constanten:  ze moeten kort zijn en hun doel is ‘prodesse et delectare’, of anders gezegd ‘het nuttige aan het aangename koppelen’.  Beiden hebben een nauwe band met de populaire orale cultuur: verhalen en vertellen is typisch menselijk.  Bovendien is ook lachen en humor een wezenskenmerk van de mens.  Dit kan verklaren waarom moppen en anekdoten ook als literair genre overal in Europa populair zijn van in de Middeleeuwen tot op vandaag.  Het ‘nut’ is echter niet puur intellectueel: vanuit de humorenleer, worden kluchten en komische anekdoten bovendien gezien als een goede remedie tegen melancholie.[93]

 

Het ‘delectare’ wordt door de auteur van het boekje De heerelycke ende vrolycke daeden van Keyser Carel den V bloemrijk aangekondigd:

 

“(...) dit laet ick my ontschieten wel wetende dat dit teghenwoordigh Boecxken in het door-wandelen van de wereldt al eenighen aenstoot sal lyden, niet teghenstaende gheef ick het Vat (als-men seyt) wat locht, op dat den Leser dus te beter uyt dese heerelycke ende vrolycke daeden syn ghenoeghen magh trecken: (...)  vermits onse eeuwe, aen de voorgaende, in trouwe Onder daenen als wel willende Borgheren niet wycken en moet, ende dien volghende alle ghetrouwe Lief-hebbers vant’ Vader-landt, is’t niet in’t gheheel, ten minsten en eenigh deel dese loffelycke Daeden van onsen allerghenaedighsten Heere ende Keyser Carel den V. Sullen behaeghen.”[94]

 

 

Ook het ‘prodesse’ wordt hier impliciet aangegeven: voor trouwe burgers en onderdanen is het leerrijk en nuttig belangrijke gebeurtenissen en personen uit de vaderlandse geschiedenis te kennen.

 

Het zou echter een grote misvatting zijn te denken dat alle klucht- en anekdotenbundels enkel bestaan uit moppen en komische verhalen.  Wanneer we er de inhoudstafels van een aantal bundels op naslaan vinden we een heel uiteenlopend gamma aan verhaaltjes:  persoonsbeschrijvingen, opsommingen van deugden, triomfantelijke overwinningsverhalen, grafschriften, persoonlijke gebeden, raadsels, gedichten, ...  Humor en ernst worden voortdurend afgewisseld, waardoor het geheel een weinig transparante structuur krijgt.  De komische en ernstige anekdote vertonen echter wel eenzelfde kenmerk en dat is dat ze sterk moraliserend zijn.  Beide zijn als het ware de richtlijnen voor de juiste beslissing en handelingswijze in een bepaalde concrete situatie.  Aldus nemen ze de vorm aan van een exemplum.  De hoofdpersoon stelt bepaalde daden die al dan niet prijzenswaardig zijn en dus wel of niet nagevolgd moeten worden.  Hij personifieert een of meerdere deugden of ondeugden en is op die manier woordvoerder van bepaalde ethische ideeën.  De moraliserende anekdote vertrekt vanuit een sterk ‘heroïsche’ invalshoek, wat typisch is voor de klassieke en renaissancistische maatschappij.[95]

 

De komische anekdote werkt volgens een specifiek mechanisme, waardoor deze een andere uitwerking heeft dan de ernstige variant.  De twee vitale elementen zijn realisme en humor.  Het verhaal bijvoorbeeld over de ontmoeting van de vorst met een van zijn onderdanen krijgt een realistisch gehalte doordat de auteur het gebeuren tracht te dateren en localiseren. 

 

“In’t jaer 1540. op den dagh van S. Matthys, wasser tot Brussel groote vreught, ter oorsaecke van d’inkomste van Don Ferdinand Roomsch Koningh: op welcken avondt, langh naer het sluyten van de poort, quam aldaer syne Keyserlijcke Majesteyt van Gent, in post, vergheselschap met den Heer van Bueren, en myn Heer van Condé: doch alsoo hun den doncker overviel, klopten sy tot Berchem (een dorp ontrent Brussel) eenen man op, om hun te lichten, (...)”[96].

 

In het bovenstaande voorbeeld is de datering en localisering uitzonderlijk specifiek.  Meestal is de omschrijving veel vager en legt de auteur alleen de link met een belangrijke gebeurtenis of regeringsdaad.  Het realisme wordt nog vergroot doordat de andere personen in het verhaal bij naam genoemd worden.  Deze realistische elementen maken het  verhaal tot een historisch relaas. 

 

Het samenspel van dit realisme met een tweede element, namelijk humor, kan niet eenduidig geanalyseerd worden.[97]  Enerzijds wordt het realistische karakter onderuitgehaald doordat de gebeurtenis wordt voorgesteld als een grap.  Maar anderzijds wordt het realisme ook versterkt door de specifieke elementen die geridiculiseerd worden: eten en drinken, flatulentie, seksuele driften, ...  Zijn de mensen op dit vlak immers niet allemaal gelijk?  Of  je nu koning, keizer of boer bent, iedereen gaat zich wel eens te buiten aan drank of ‘laat zich wel eens iets ontvliegen’.  Het komische element zit steeds vervat in een heel menselijke en voor iedereen herkenbare zaak. 

 

Een ander specifiek aspect in de komische anekdote, is het feit dat de auteur speelt met contrasten.  Het komische zit heel vaak in de ontmoeting van twee uiterste culturen: de koning en zijn elitaire hofcultuur tegenover de eenvoudige boer of ambachtsman.   En ook dit geeft een dubbel resultaat: enerzijds wordt het verschil tussen beide culturen benadrukt, anderzijds is er wel contact mogelijk tussen beide partijen, waarbij zij bijna elkaars gelijke zijn.  Dit is dan echter meestal het gevolg van een achterliggende ongelijkheid: de koning weet dat hij koning is, maar de boer weet dat niet.

 

Het is opvallend hoe groot de continuïteit is binnen het genre van in de Middeleeuwen tot in de Barok, hoewel externe factoren, zoals het ontstaan van de boekdrukkunst en de religieuze oorlogen, een grote invloed hebben op de verspreiding en de functie van het genre.  Dezelfde vertelstof wordt eindeloos hergebruikt doorheen de tijd.  In 1615 vertelt de jezuïet Antoine de Balinghem in zijn boek Après dinées hoe Karel V in Gent een slapende dronkaard aantreft in de goot en hem laat overbrengen naar het paleis om hem voor een dag koning te maken.[98]  Hetzelfde verhaal vinden wij terug in de anekdotenbundel Den wysen Gheck van Johannes De Grieck uit 1672, maar dan met de Bourgondische hertog Filips de Goede in de hoofdrol.  Een ander verhaal, waarin een arme boer aan de koning een karrenvracht rapen schenkt en daarvoor rijkelijk beloond wordt, speelt zich nu eens af aan het Franse hof[99], dan weer in de Nederlanden.[100]    Ook het verhaal van de vermetele bedelaar, die niet tevreden is met de aalmoezen die hij van de koning krijgt, wordt zowel aan het hof in Parijs[101] als in Brussel[102] gesitueerd.

 

Bepaalde verhalen worden in identiek dezelfde vorm opgenomen in contemporaine bundels.  Zo is bij voorbeeld het verhaal van de Franse koning die een luis op zijn schouders heeft, opgenomen in de bundels Den seer vermaeckelijcken kluchtvertelder (s.d.) en  Ghenuechelijcke ende recreatieve exempelen (1627). [103]  Een ander verhaal, dat eveneens in beide bundels is opgenomen, is het verhaal “Van den vorst, de Vorstinne ende den stommen.[104]

 

“Een Hertoogh reedt door sijn Landt met sijn Huysvrouwe, ende bleef by eenen Edelman ter herberge. Dese Edelman hadde een Soon die stom was.  Alsmen at, soo diende den stomme seer  eerlijck ende hoffelijck ter Taefel ende stont hem seer wel aen al wat hy dede.  De Vorst wilde met hem spreken.  De Vader seyde dat hy niet spreken en kost.  De Vorstinnen dacht dat waer een goed dienaer voor u, want hy soude swijgen, en voor hem en dorste gy u niet schaemen.  Sy badt haeren Man dat hy haer dien tot eenen Dienaer krijghen soude.  Den Edelman en kond’ het den Vorst niet weygeren.  De Vorstinnen nam den stommen met haer t’huys, ende als den Vorst hem somtijdts buyten wat gonck vermaecken, dan deed’ het de Vorstinne van ghelijcken, en daer quamp by haer somtijdts een Edelman, somtijdts een Ruyter.  Doen merckte die stomme wel watter gaens was.  Naer dat den stommedaer eenighe jaeren ghewoont hadde, reedt den Vorst wederom tot den stommens Vader en namp hem mede, dat hy sijn vrienden besoecken soude.  Den Stomme diende den Vorst wederom ter Tafel, ende den Vorst seyde tot des stommens Vader: is uw soon stom uyt’er naturen, of is’t hem gekomen van sieckten, oft hoe heeft hy’t ghekreghen?  Den Vader seyde: Hy en is niet stom, hy kan wel spreken, maer hy en kan niet verswijghen, hy segget al uyt dat hy weet, ende alsoo beschaemt hy de lieden, want hy de waerheyt seyt?  Ende daerom heb ick hem eens geheeten dat hy swijgen soude, ende soo heeft hy sedert al ghesweghen.  Doen seyde den Vorst tot den Vader: Lieve Vader laet hem spreken, ick bidde u daerom.  De vader seyde: wel aen Soon seght onsen goeden heer wat.  De Soon sprack: Ghenadighe Heer, uw’ Vrauwe is die alder grootste Hoer, die in’t Landt is.  De Vorst seyde, swijght ghy hebt te veel gheseydt, ick heb’t van te vooren wel gheweten.”

 

Hoewel de verhaalstof dus steeds ‘gerecycleerd’ wordt, ontlenen de klucht- en anekdotenverzamelingen hun inhoud toch aan een behoorlijk uitgebreid bronnenmateriaal: Germaanse sagen, christelijke heiligenlevens en mirakelverhalen, klassieke verhalen en legenden, geschriften van grote klassieke auteurs, Middeleeuwse ridderromans, vitae van vorsten...[105]  Personages uit alle lagen van de bevolking komen aan bod: boeren, waarden, arme dronkaards, boswachters, ambachtslieden, edelen, koningen, keizers en pausen.

 

1.2.2  Korte historiek

 

Het eerste voorbeeld van kluchtliteratuur vinden we reeds in het hellenistische Griekenland.  Daar verschijnt tussen de 3de en 5de eeuw een bundel genaamd De Lachvriend (Philogelos) van de hand van een zekere Hierakles Philandros.  Aangezien dit werk een geïsoleerde positie inneemt in die tijd en geen aantoonbare navolging krijgt, kunnen we niet stellen dat dit het begin is van een echte traditie.  Pas in de Middeleeuwen krijgt het klucht- en anekdotengenre echt zijn vorm.  Aanvankelijk zijn deze korte vertellingen niet gebundeld.  Ze worden overgeleverd als losse verhaaltjes en stammen vermoedelijk af van twee types verhalen uit de Occitaanse troubadourscultuur, namelijk de vida ( leven) en razo (commentaar).[106]  Hoe groot de verwantschap is tussen deze orale genres en de kluchtliteratuur is echter moeilijk te achterhalen.  Voorts is er ook een aanwijsbare beïnvloeding vanuit Middeleeuwse narratieve genres, zoals de fabel, de boerde, het exemplum en het langere epos, chanson de geste en heiligenleven. 

 

Een aantal kenmerken van deze genres wordt vanaf de 13de eeuw overgenomen in de klucht- en anekdotenliteratuur.  In deze periode ontstaan immers de eerste bundels: een hele collectie moppen en korte verhaaltjes wordt samengebracht en onder één titel verspreid.  Onder invloed van een nieuw Italiaans genre, de novella, en de reeds bestaande heiligenlevens ontwikkelt zich dan geleidelijk aan een anekdoten- en kluchtboek, geconcentreerd rond één bepaalde persoon, bij voorkeur een beroemde vorst of heer uit de eigen gewesten.[107]  Het moge duidelijk zijn dat in dat laatste geval, de samenhang tussen de verhalen en anekdoten groter wordt en dat men meer aansluiting zoekt bij bepaalde historiografische genres.  Men tracht de verhalen een hoger realiteitsgehalte te geven door ze op te bouwen rond een bekende historische persoon, op een welbepaalde plaats en tijd.

 

De uiteindelijke overwinning in de 14de en 15de eeuw van het proza als literaire drager voor narratieve teksten, geeft de onderhoudende literatuur een enorme impuls.  Andere stimulerende factoren zijn het ontstaan van de boekdrukkunst en de interesse van de humanisten voor het genre.  De Italiaanse humanist Gian Francesco Poggio Bracciolini (1380- 1459) brengt omstreeks 1450 een bundel korte kluchten in het Latijn op de markt onder de titel Facetiae.[108]  Deze kan gelden als het eerste moderne kluchtboek.  Enkele jaren later verschijnt van zijn hand ook de bundel Bugiale (Het Leugenpaleis), een verzameling moppen en korte grappige verhaaltjes.   Ook andere humanisten leggen zich toe op het genre.  Het is de ideale manier om hun literaire overtuigingskracht aan te scherpen: wie er immers in slaagt zijn lezers aan het lachen te brengen of op zijn minst aangenaam te onderhouden, is een overtuigend schrijver.[109] 

 

Hoewel het genre vanaf de late Middeleeuwen een enorme populariteit en verspreiding kent, is het blijkbaar in de 16de eeuw in de Nederlanden niet volledig vanzelfsprekend om kluchtenverzamelingen uit te geven.  Een zekere ‘deugdelijkheid’ moet steeds worden nagestreven.  Dit blijkt bijvoorbeeld uit de verantwoording van de verzamelaar of drukker in het voorwoord van de kluchtboeken.  De lezer moet immers gerustgesteld worden dat het boek niet zondig is.  De kritiek van een humanist en kluchtenverzamelaar als Erasmus op de  Italiaanse kluchtenbundels van Poggio, is daar ook een voorbeeld van.  Lachen en grappen is volgens hem noodzakelijk, want eeuwig studeren leidt tot droefheid, maar het hoeft niet noodzakelijk obsceen, lomp en onkuis te worden.[110]  Samen met andere humanisten lanceert hij een nieuw type kluchtboek.  Het gaat om Latijnse schoolboeken, waarin allerhande prozaverhaaltjes, epigrammen, poëzie en erudiete en moraliserende uitspraken van verschillende auteurs worden samengebracht.  Hier is het ‘prodesse’ dubbel van tel: naast tekstcommentaar en grammatica, krijgen de scholieren ook een stevige portie onderricht in de goede moraal.  De belangrijkste voorbeelden van dit genre zijn de verzameling Iocorum veterum ac recentium duae centuriae van de Leuvense professor Adriaen van Baerland (1486- 1538) en het Apophthegmatum Opus van Erasmus.

 

In de 16de eeuw rollen er in Antwerpen, ondanks de godsdienstoorlogen, toch enkele anekdotenbundels in het Nederlands van de drukpers.  Ook het komische boek, een verlengstuk van de kluchtboeken in de fictionele literatuur, kent een opgang.  Vooral de Schwankbiografie, een soort anekdotenbiografie, waarin allerhande grappen en grollen in de vorm van een levensbeschrijving aan één bepaalde persoon worden toegedicht, wordt een populair genre.[111]  Het bekendste voorbeeld hiervan is de van oorsprong Hoog-Duitse historie van Uilenspiegel.  Het in de Nederlanden gedrukte Uilenspiegelboekje is belangrijk, omdat het als eerste de lezers uitdrukkelijk aanspoort om te lachen met de vertelinhoud.[112]  Ook andere komische boekjes raken verspreid in de Zuidelijke Nederlanden.  Opvallend is de combinatie van traditie en vernieuwing: bestaande thema’s worden in een nieuw kleedje gestoken.  Bovendien kent het kluchtenmateriaal een enorme geografische mobiliteit:  vergelijkende studie van Duitse, Engelse, Franse en Nederlandse kluchtverzamelingen toont aan dat er sprake is van een grote uniformiteit in de compilaties en vertalingen.[113]  De populariteit van de kluchten en anekdoten blijft dus niet beperkt tot een nationale traditie of taal.

 

De Contrareformatie veroorzaakt aanvankelijk geen wezenlijke achteruitgang in de productie van klucht- en anekdotenboeken. De clerus, die zowat alle aspecten van het leven onder controle probeert te krijgen, onderkent blijkbaar de educatieve waarde van het genre.  Dit verklaart waarom de kluchten- en anekdotenverzamelingen ook na het midden van de zestiende eeuw blijven bestaan.[114]  In het eerste kwart van de 17de eeuw verandert de situatie: er komen een aantal ‘zuiverende’ maatregelen van de Mechelse en Gentse bisschoppen in samenspraak met de aartshertogen Albrecht en Isabella.[115]    Bovendien wordt een aantal bundels uitgebannen door de kerkelijke censuur.  Het feit dat er in de loop van de 17de eeuw een enorme achteruitgang komt in de productie van eigen klucht- en anekdotenveramelingen in de Zuidelijke Nederlanden, is deels het gevolg van deze zedelijke verstrenging.  Elk boek moet immers een ‘approbatie’ of toestemming krijgen om gedrukt en verspreid te worden.  Andere beïnvloedende factoren zijn de religieuze twisten en de scheiding van de Nederlanden.  De inhoudelijke transformatie onder invloed van de Contrareformatie is al met al beperkt: de kluchten en anekdoten evolueren opmerkelijk weinig onder invloed van de gebeurtenissen, al worden kluchten over protestanten wel een nieuw onderdeel.[116]   Tegen het einde van de eeuw, neemt de productie van het genre in Antwerpen, hét drukkerscentrum van het zuiden, weer gevoelig toe.

 

 

1.3  Vorstenspiegels en anekdoten

 

1.3.1    Grote gelijkenissen

 

Vorstenspiegels en de volkse klucht- en anekdotenbundels zijn aan elkaar verwant.  Op het eerste zicht lijkt dit een vreemde zaak.  De vorstenspiegel is immers een elitair genre, dat bedoeld is voor een heel beperkt publiek: de toekomstige monarch en zijn naaste omgeving.  Het is op de eerste plaats een vorstelijk leerboek.  De klucht- en anekdotenliteratuur is daarentegen bedoeld voor een heel ruim publiek en wordt op grote schaal verspreid.  De bedoeling is meervoudig: vermaak, onderricht in moraal en het in herinnering brengen van belangrijke personen of gebeurtenissen.[117]  Toch is de band tussen beide genres onmiskenbaar.

 

In beide genres wordt er gebruik gemaakt van hetzelfde bronnenmateriaal.  Zo worden in de kluchtboeken en anekdotenbundels verhalen over David, Salomon en Christus, heidense vorsten als Alexander de Grote, Julius Caesar en Augustus, mythologische  helden als Atlas, Jason, Hercules en Juppiter en christelijke vorsten als Karel de Grote voortdurend herverteld.[118]  Ook de wijsheden van klassieke auteurs en filosofen en uitspraken van andere gedenkwaardige personen worden erin gebundeld.  In vorstenspiegels treffen we ditzelfde materiaal aan.  Erasmus bijvoorbeeld, verwijst in zijn Institutio principis Christiani naar de boeken van Salomon, het Nieuwe Testament, de Moralia van Seneca en Plutarchus, uittreksels uit de geschriften van Aristoteles en Plato en naar De Officiis van Cicero.[119] 

 

De vorstenspiegels en anekdotenbundels vertonen ook grote gelijkenissen qua functie.    Enerzijds geven ze het goede voorbeeld en zijn ze dus ‘exemplarisch’, anderzijds brengen ze gedenkwaardige personen in herinnering en spelen ze dus ook een rol in de historische vorming van de lezer.  Zoals we reeds hebben besproken, propageren de vorstenspiegels een heel traditionele deugdenethiek.  De heersers zijn steeds ‘ideale’ heersers.  Deze deugden vinden we ook terug in de anekdotenliteratuur.  De vorsten die daar ten tonele worden gevoerd, personifiëren duidelijk een of meerdere kwaliteiten.  Aan de basis hiervan ligt de Middeleeuwse opvatting dat de vorst heel nauw verbonden is met God.  In de dertiende eeuwse vorstenspiegels lanceert men de idee van ‘rex imago Dei’[120] of een koning naar het beeld en de gelijkenis van God.

 

In de 17de eeuw is de gelijkenis tussen beide genres zo groot, dat ze soms inwisselbaar lijken.  Het publiek van beide genres wordt gelijkmatiger.  Reeds van in de Middeleeuwen is de vorstenspiegel een literair genre.  De verspreiding ervan is dan echter beperkt, aangezien het meestal de vorm aanneemt van een staatstheoretisch traktaat en op die manier een hogere intellectuele vorming van de lezer vereist.  In de loop van de Nieuwe Tijd wordt het genre gepopulariseerd, zodat het een ruimer publiek kan bereiken.  De vorstenspiegel gaat in toenemende mate de vorm aannemen van een biografie.  Het gaat dan meestal om de levensbeschrijving van een beroemde vorst uit het verleden, die als voorbeeld moet dienen voor een toekomstige heerser.[121]  Deze zelfde tendens zien we ook in de anekdotenbundels: zij krijgen meer samenhang doordat ze opgebouwd worden rond één bepaalde persoon.  Naarmate de vorstenspiegel en anekdotenbundel sterker biografisch georiënteerd worden, neemt het fictionele karakter toe, hoewel beide genres zich erop beroepen gebaseerd te zijn op historische feiten.  In de vorstenspiegel wordt het beeld van de vorst uitermate geïdealiseerd.  In de anekdotenliteratuur worden de verhalen opgesmukt met allerhande ‘pittige’ details, om de amusementswaarde te verhogen.  Naarmate de vorstenspiegel dus ‘lichter verteerbaar’ wordt voor de lezer, gaat hij dichter aanleunen bij de anekdotenbundel.

 

Beide genres hebben een sterk pedagogische inslag.  Hoewel de vorstenspiegel aanvankelijk enkel bedoeld is als leerboek voor de toekomstige heerser, wordt deze pedagogische waarde uitgebreid onder invloed van het humanisme: niet alleen de vorst, maar ook het volk kan langs deze weg opgevoed worden.[122]  De anekdotenbundel heeft reeds van bij zijn ontstaan de bedoeling nuttig te zijn.  Ook hier zal het humanisme echter sporen nalaten: de anekdote wordt een medium om morele lessen over te brengen.

 

Een van de anekdotenbundels die wij bestudeerd hebben kan de bovenstaande evoluties perfect illustreren.  Het gaat om het werk De heerelycke ende vrolycke daeden van keyser Carel den V., geschreven door Johannes de Grieck en verschenen te Antwerpen in 1671. Het boek telt 172 verhalen, die opgedeeld kunnen worden in drie categorieën.  Vooreerst is er een groep verhalen van historische aard, waarin belangrijke daden en gebeurtenissen uit het leven van de keizer verteld worden: zijn geboorte, zijn kroning, de oorlogen en vredesverdragen waarin hij betrokken was, enz.  Tot een tweede categorie kunnen we alle teksten rekenen, waarin uitspraken en adviezen van de keizer, zijn deugden, zijn grafschrift, zijn wapenspreuk, enz.  aan bod komen.  Een derde groep verhalen behoort tot het komische genre.  Het gaat om een twintigtal anekdoten[123], waarin de keizer volkse figuren als boeren, ambachtslieden, waarden, waardinnen en narren, ontmoet, wat tot grappige gebeurtenissen leidt. 

 

De vraag is nu tot welk genre dit gevarieerde boek gerekend moet worden.  Hoewel deze bundel door hedendaagse onderzoekers ondergebracht wordt in de categorie ‘volksboek’[124] of specifieker ‘Schwankbiografie’[125], stelt de auteur zijn boek zelf voor als een vorstenspiegel[126].  Aan het begin van het boek, na zich verantwoord te hebben tegenover de lezer, richt hij zich tot alle monarchen van zijn tijd.