Vluchtelingenkwestie in de Belgische dagbladpers. Een inhoudsanalyse van de kranten verschenen onder Verhofstadt I. (Elena Martin)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Inleiding

 

Vluchtelingen en asielzoekers. Iedereen weet dat ze bestaan en iedereen heeft ook een mening over de vluchtelingen in de Belgische samenleving. Weinigen kunnen echter het verschil tussen beide aangeven. Wil men het onderscheid maken tussen vluchtelingen, asielzoekers en illegalen dan wordt het verschil tussen de drie groepen voor de meeste mensen nog onduidelijker.

     Met de regelmaat van de klok verschijnt er een bericht over de allochtone gemeenschap. De indruk wordt gewekt dat vreemdelingen dagelijks in het nieuws komen. Is dit ook zo of blijft het bij een indruk?

     De allochtone gemeenschap is een vruchtbare bodem voor criminelen wordt wel eens gezegd. Zijn vreemdelingen werkelijk vaak betrokken bij criminele praktijken? En komen ze enkel daardoor in de media? Of wordt er over vreemdelingen ook in een andere context geschreven?

     Vluchtelingen en asielzoekers vormen één van de kopzorgen van de Verhofstadt-regeringen. Ook nu anno 2005 worden kerken bezet door asielzoekers om druk uit te oefenen op de politici. Verhofstadt en zijn eerste regering kwamen aan de macht na het schandaal rond het overlijden van de asielzoekster Semira Adamu. Welk antwoord heeft de regering gegeven op de problematiek van de asielzoekers?

     Vreemdelingen hebben in België geen al te positief imago. Ze worden omschreven als paria’s, of profiteurs, niksnutten, bende criminelen, … Men kan zich afvragen of de media op een gekleurde wijze over vreemdelingen schrijft. Omschrijft de media ze met een gekleurd taalgebruik of houden ze het op neutrale termen?

     Zoals wel duidelijk is, dekt de term ‘vreemdeling’ heel wat gezichten. Een vreemdeling kan een migrant zijn, een vluchteling, een asielzoeker of een illegaal. Om de populatie van vreemdelingen in te perken, zal het onderzoek zich enkel toespitsen op de problematiek rond vluchtelingen. Wil men over vluchtelingen onderzoek voeren dan moeten asielzoekers en illegalen tevens worden opgenomen. Deze drie vormen het onderzoeksobject samen met het beleid dat gevoerd werd rond asielzoekers.

     In dit onderzoek zal getracht worden een antwoord te formuleren op elk van de bovenstaande vragen. Om het onderzoek overzichtelijk en haalbaar te maken worden enkel de dagbladen onderzocht uit de regeerperiode van Verhofstadt I (1999-2003). Het onderzoek heeft een beschrijvend doel en wil de manier van weergave van de vluchtelingenkwestie in de Belgische dagbladpers in kaart brengen. De uniciteit van ons land wil dat in twee verschillende talen kranten worden geschreven en uitgegeven. Bovendien kan men stellen, zonder op iemands tenen te trappen, dat Vlamingen en Franstaligen verschillend zijn. Ze reageren elk op hun manier op vreemdelingen en zullen er ongetwijfeld ook een andere mening over hebben. Om deze nuances in kaart te brengen worden de twee taalgroepen tegenover elkaar geplaatst in het onderzoek.

     In het eerste hoofdstuk zal het verschil tussen vluchtelingen en asielzoekers duidelijk gemaakt worden. Tevens zal er een woordje uitleg gegeven worden over de asielprocedure die in België van toepassing is. Vervolgens worden de asielaanvragen die van 1999 tot en met 2003 werden ingediend onder de loep genomen. Het eerste hoofdstuk wordt afgesloten met een korte toelichting van het beleid rond vluchtelingen onder Verhofstadt I.

     De manier waarop een gebeurtenis nieuws wordt, vormt het onderwerp van het tweede hoofdstuk. Er zal nader bekeken worden welke mogelijke processen er voor zorgen dat een gebeurtenis de media haalt. Ook worden de verschillende theorieën die hieromtrent werden ontwikkeld toegelicht. Het hoofdstuk wordt afgesloten met het overzicht van onderzoeken die tot nu toe gevoerd werden rond asielzoekers en vluchtelingen. Tevens wordt het Europees onderzoek besproken dat o.a. peilde naar de verschillen in houding van Vlamingen en Franstaligen tegenover asielzoekers en vreemdelingen.

     Het huidige Belgische krantenlandschap is gekenmerkt door een oligopolie. Enkele mediagroepen hebben de krantentitels in handen. Een overzicht hiervan alsook verdere toelichting over de kranten die opgenomen worden in het onderzoek vormen het onderwerp van het derde hoofdstuk.

     In het vierde hoofdstuk wordt het onderzoeksopzet toegelicht. Eerst worden de onderzoeksvragen uitgelegd. Vervolgens wordt de gekozen methode nader verklaard. En tenslotte wordt het waarnemingsinstrument onder de loep genomen.

     De onderzoeksresultaten vormen het onderwerp van het vijfde en laatste hoofdstuk. De verschillende resultaten worden per taalgroep en per krantenduo toegelicht.

 

 

1. Vluchtelingenkwestie

 

1.1. Situering

 

Tijdens de regeerperiode van Dehaene II vonden verschillende gebeurtenissen plaats waarbij asielzoekers de hoofdrol speelden. In september 1998 stierf Semira Adamu nadat ze hardhandig werd behandeld door de rijkswachters tijdens haar repatriëringsvlucht. Dit incident leidde tot betogingen van asielzoekers en hun sympathisanten. De toenmalige minister van Binnenlandse Zaken, Louis Tobback, nam zelfs ontslag (“Asielbeleid”, 31.12.1998, p. 6). Het andere spraakmakende evenement was de bezetting van de Begijnhofkerk in Brussel door asielzoekers. Deze bezetting werd gevolgd door andere over heel België (“Van den Bossche weerstaat kerkbezetters”, 06.11.1998, p. 1; Vranckx, 02.01.1999, p. 41) . Kerkasiel is geen recent fenomeen en werd al in het begin van de jaren 90 gebruikt als drukkingsmiddel op de politici. Zo werd de Begijnhofkerk in 1992 bezet door Roemeense vluchtelingen (POM, 29.10.1998, p. 5). Het Semira Adamu-dossier en de verschillende kerkbezettingen hebben de politici ertoe gebracht de asielwet te herzien. De nieuwe wet kwam er in 1998 en werd daarna tweemaal herzien. Het gesloten opvangcentrum 127 bis is voor iedereen in België een begrip geworden. Deze evenementen werkten als een sneeuwbal en onder Verhofstadt I werden diverse maatregelen getroffen om de situatie van de asielzoekers en vluchtelingen te verbeteren en de achterstand in de regularisatie weg te werken.

     De term vreemdeling kan verschillende situaties omvatten. Een vreemdeling kan een allochtoon zijn, een migrant, een asielzoeker, een illegaal, of een vluchteling. Om het onderwerp van dit onderzoek beter te kaderen volgt een bespreking van wie een vluchteling feitelijk is, welke procedure er in België gevolgd wordt, hoeveel aanvragen ingediend werden en door wie in de periode 1999-2003 en tenslotte welk beleid er gevoerd werd onder Verhofstadt I.

 

 

1.2. De vluchteling en de asielprocedure

 

Als definitie van vluchteling hanteert de Belgische staat deze die geformuleerd is in de Conventie van Genève van 1951. In de conventie wordt een vluchteling omschreven als diegene:

 

Die, […] uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil  inroepen, … (art. 1 A §2, Internationaal verdrag betreffende de status van Vluchtelingen)

 

     Na het doorlopen van de asielprocedure wordt bepaald of de asielzoeker als vluchteling erkend kan worden. In principe kan dus iedereen een asielaanvraag indienen, maar niet iedereen zal het statuut van vluchteling bekomen (Dienst Vreemdelingenzaken, s.d., z.p.).

     De asielprocedure wordt geregeld door de wet van 15 december 1980. Deze wet is meermaals aangepast. Daarnaast zijn er koninklijke besluiten en internationale verdragen waartoe België zich verbonden heeft en die een invloed uitoefenen op de Belgische asielprocedure.

     Deze procedure bestaat uit twee fasen. Een schematische voorstelling hiervan is te vinden in bijlage 1. Voor de feitelijke asielprocedure wordt gestart, wordt een onderzoek gevoerd naar de staat die verantwoordelijk is voor het onderzoeken van de asielaanvraag. Indien uit het onderzoek blijkt dat België verantwoordelijk is, wordt de asielaanvraag doorgegeven aan de Dienst Vreemdelingenzaken, een onderdeel van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Deze dienst bepaalt of de aanvraag ontvankelijk is. Indien de aanvraag ontvankelijk wordt verklaard, wordt deze doorgestuurd naar het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, afgekort CGVS. Het CGVS bepaalt of de asielzoeker het statuut van vluchteling krijgt. Tevens kan beroep worden ingediend bij de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen wanneer het statuut van vluchteling niet wordt verleend. Ook tegen de onontvankelijkheidsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken kan beroep worden aangetekend bij het CGVS (Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen, 2000, p. 17).

     Zodra een asielzoeker ons land binnenkomt, kan deze asiel aanvragen op de luchthaven of bij de Dienst Vreemdelingen Zaken in Brussel. De keuze van één van deze twee mogelijkheden bepaalt o.a. de opvang van de asielzoeker. Indien de asielzoeker zijn/haar aanvraag ingediend heeft op de luchthaven wordt hij/zij ondergebracht in het gesloten centrum 127bis in Steenokkerzeel voor de duur van de ontvankelijkheidfase. Dient de asielzoeker echter zijn/haar aanvraag in bij de Dienst Vreemdelingen Zaken dan wordt hij/zij voor dezelfde periode ondergebracht in een open opvangcentrum of bij een lokaal opvanginitiatief. Indien de aanvraag ontvankelijk verklaard is, moet de asielzoeker zich wenden tot het OCMW om een woonplaats te vinden (Meireman, Meuleman, Billiet, De Witte & Wets, 2004, pp. 18-19). Voor de verdere bespreking van de opvang van asielzoekers van 1999 tot en met 2003 verwijzen we naar de volgende paragrafen in dit hoofdstuk.

 

 

1.3. Asielaanvragen van 1999 tot en met 2003

 

Grafiek1: Aantal asielaanvragen per jaar

Bron: Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, 2004, p. 59

 

In 1999 werden 35.778 aanvragen ingediend. In vergelijking met 1998 betekent dit een stijging van bijna 14.000 aanvragen. De meeste asielzoekers kwamen uit ex-Joegoeslavië (38%) en uit de voormalige Sovjet-Unie (18%). De overige 44% kwam uit Roemenië, Rwanda, Congo, Albanië, … (Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen, 2000, pp.19-20). Het grote aandeel van ex-Joegoeslaven kan verklaard worden door de oorlog in de Balkan in de jaren 90.

     In 2000 werden 41.940 aanvragen ingediend. Het is een stijging van meer dan 6.000 aanvragen. Dit is het grootste aantal aanvragen dat de afgelopen dertien jaren werd ingediend (Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen, 2004, p. 59). Ook hier vormden de asielzoekers uit ex-Joegoeslavië en de voormalige Sovjet-Unie de grootste groepen, met respectievelijk 14% en 23% (Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen, 2001, p. 36).

     De daaropvolgende drie jaren daalden de aanvragen spectaculair. In 2001 waren het maar 23.540, in 2002 18.210 en in 2003 werden maar 16.209 aanvragen ingediend. In 2001 bleef de grootste groep uit Europa komen. Maar in 2002 en in 2003 kwamen de aanvragen vooral uit Afrika (Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen, 2004, p. 60).

     Voor de periode 1999-2003 werden gemiddeld 26% van de aanvragen die het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen (CGVS) doorgestuurd kreeg als ontvankelijk verklaard. Hiermee is het statuut van vluchteling nog niet erkend, maar wordt er verder onderzoek gevoerd. In diezelfde periode erkende het CGVS in totaal 5.700 vluchtelingen. Men kan dit cijfer niet plaatsen tegenover de 26% ontvankelijk verklaarde dossiers aangezien het CGVS te kampen heeft met een ernstige achterstand. In 2003 was er een achterstand van 24.949 dossiers (Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen, 2004, pp. 72-73).

     De grootste groep van erkende vluchtelingen kwamen in 1999, 2000 en 2001 uit Rwanda. In 2002 werd de grootste groep gevormd door Congolezen. En in 2003 werden vooral Afghanen erkend als vluchtelingen (Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen, 2004, pp. 76-77).

 

 

1.4. Het asielbeleid en de desbetreffende wetgeving onder Verhofstadt I

 

In het regeerakkoord werd de regularisatie van illegalen opgenomen. De criteria werden opgesteld waaraan de asielzoekers moesten beantwoorden om hun situatie te regulariseren. In aanmerking kwamen asielzoekers die al maximum vier jaar wachtten op een beslissing betreffend hun asielaanvraag, de asielzoekers die niet konden terugkeren en dit om redenen onafhankelijk van hun eigen wil, ernstig zieke personen, asielzoekers die duurzame relaties hadden ontwikkeld in België en asielzoekers die problematische humanitaire omstandigheden konden doen gelden. De noodzakelijke wetgeving om dit uit te voeren werd in het najaar 1999 en het voorjaar 2000 goedgekeurd en toegepast (Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen, 2000, p. 77). De wet is gekend als “Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk”, of kortom de Regularisatiewet. Deze wet was enkel van toepassing voor vreemdelingen die al op 1 oktober 1999 in België verbleven. Op basis van die wetgeving werden in 2000 32.662 dossiers ingediend (Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen, 2001, pp. 19-20). Bijna één derde van deze dossiers werd in Brussel ingediend. Uit Vlaanderen kwamen 9.422 dossiers en uit Wallonië 6.346. In 77% van de dossiers werd de aanvraag om humanitaire redenen gedaan. De meest voorkomende nationaliteiten in deze dossiers waren: Congo, Marokko en ex-Joegoeslavië (Van Dorsselaer, 02.03.2000). De regularisatiewet betreft een éénmalige procedure. Het gevolg van dit beleid is dat verschillende collectieve uitwijzingen naar Oost-Europa en Afrika werden georganiseerd (Federale Regering, s.d., z.p.). De volledige regularisatieprocedure moest afgerond zijn in één jaar tijd, maar in februari 2002 (twee jaar nadat alle aanvragen ingediend werden) waren er nog steeds 8.000 dossiers waarover nog geen officiële beslissing genomen was (bbd, 01.02.2002).

     In haar beleidsverklaring van 17 oktober 2000 verklaarde de regering de asielprocedure te willen verkorten en vereenvoudigen. Bovendien werd materiële steun verkozen boven financiële steun aan asielzoekers die een aanvraag hebben ingediend. Tevens werd besloten om nieuwe opvangcentra te openen (Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen, 2001, p. 21). In november 2000 werden nieuwe hervormingen aangekondigd in het asieldossier. De Conventie van Dublin werd vertaald naar Belgische maatregelen. Deze conventie bepaalt dat een asielzoeker een aanvraag indient in de eerste lidstaat van de Schengenlanden waar hij of zij aankomt. Hiervoor werden loketten aan de grensovergangen geplaatst waar asielzoekers zich kunnen melden. Hierna worden de asielzoekers doorverwezen naar één van de drie aanmeldcentra waar ze verblijven voor de rest van de asielprocedure. Indien de aanvraag gegrond verklaard is, moet de beslissing binnen de zes maanden vallen. Wenst men in beroep te gaan wanneer de beslissing negatief is, kan dit bij de Administratieve Rechtbank voor Asiel. De rol van de Raad van State wordt hierdoor beperkt tot het beoordelen of er fouten zouden gemaakt zijn tegen de procedureregels. Daarnaast besliste de regering in november 2000 om speciale opvang te voorzien van niet-begeleide minderjarigen (Falter & Dobbelaere, 10.11.2000).

 

1.4.1  De opvang van asielzoekers onder Verhofstadt I

 

Bij aankomst in België wordt een asielzoeker naar een opvangcentrum doorverwezen of naar het OCMW (Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen, 2000, p. 111). Zijn plaats van inschrijving wordt bepaald door de Dispatchingcel. De opvangcentra vallen onder de bevoegdheid van de federale overheid en het Rode Kruis. Daarnaast bestaan er overkoepelende organisaties die zich over de opvang van asielzoekers ontfermen en de lokale opvanginitiatieven waaronder de OCMW’s vallen. (Dienst Vreemdelingenzaken, s.l., z.p.). België telt 17 federale centra en 22 centra beheerd door het Rode Kruis. Deze centra zijn verspreid over Vlaanderen, Wallonië en Brussel. Voor een volledig overzicht van de centra wordt verwezen naar bijlage 2. Daarnaast bestaan ook opvangaccommodaties beheerd door Ociv (Overlegcentrum voor de Integratie van Vluchtelingen) en Ciré (Coordination et Initiatives pour Réfugiés et Etrangers), de socialistische mutualiteiten en de OCMW’s. De opvang van asielzoekers is in de eerste fase van de aanvraag enkel materieel (Federale Agentschap voor Opvang van Asielzoekers, 2004, p. 16).

     Voor een betere organisatie van de opvang van de asielzoekers werd in 2001 een overkoepelende organisatie, het Federaal Agentschap voor Opvang van Asielzoekers (Fedasil), opgericht. Deze heeft als opdracht ‘de organisatie en beheer te verzekeren van de verschillende modaliteiten inzake onthaal en opvang van asielzoekers, alsook de coördinatie van de vrijwillige terugkeer’ (Federale Agentschap voor Opvang van Asielzoekers, 2004, p. 8). Fedasil valt onder de bevoegdheid van de minister van Maatschappelijke Integratie, verantwoordelijk voor de opvang van asielzoekers.

     Het jaar 2000 was een recordjaar wat betreft asielaanvragen. Dit had tot gevolg dat de opvangcapaciteit van de Belgische staat de stroom van asielzoekers niet kon opvangen. Daarom besloot de regering om in 2001 vier federale centra te openen. Maar na een juridische procedure werd één ervan in maart 2002 gesloten. In september van datzelfde jaar werd een ander federaal centrum geopend. Het jaar daarop werd één centrum geopend en eind 2003 werden twee federale centra gesloten (Federale agentschap voor Opvang van Asielzoekers, s.d., z.p.).

 

 

1.4.2. Repatriëring van asielzoekers

 

Asielzoekers die geen statuut van vluchteling hebben gekregen kunnen ofwel vrijwillig het land verlaten ofwel het land verlaten via gedwongen terugkeer. De vrijwillige terugkeer wordt georganiseerd door de Internationale Organisatie voor Migratie. De asielzoekers krijgen een financiële steun en tevens wordt hun terugreis betaald. De gedwongen terugkeer valt onder de verantwoordelijkheid van de Dienst Vreemdelingenzaken. Begeleidende politieagenten worden enkel ingeschakeld indien de asielzoeker bij een eerste poging zich verzet heeft tegen zijn repatriëring (Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen, 2000, pp. 120-123). Fedasil is sinds zijn oprichting in 2001 verantwoordelijk voor de coördinatie van de vrijwillige terugkeer van de uitgeprocedeerde asielzoekers (Federale Agentschap voor Opvang van Asielzoekers, 2004, p. 8). Tevens is deze organisatie verantwoordelijk voor de opvang van asielzoekers die een beroep hebben aangetekend tegen het niet verkrijgen van het statuut van vluchteling. Deze mensen worden dan doorverwezen naar vier opvangcentra: Bevingen, Florennes, Kapellen en het Klein Kasteeltje in Brussel (Federale Agentschap voor Opvang van Asielzoekers, 2003, p.19).

 

 

1.5. Besluit

 

Niet elke asielzoeker kan in België het statuut van vluchteling verkrijgen. Hiervoor moet een procedure, bestaande uit twee fasen, doorlopen worden. In de eerste fase worden asielzoekers opgevangen in open centra. Het OCMW speelt pas een rol in de opvang van asielzoekers in de tweede fase. Onder Verhofstadt I werd een éénmalige regularisatieprocedure ingesteld. Naast deze maatregel om de situatie van asielzoekers in België te reguleren werden ook verschillende centra opgericht om de toevloed van asielzoekers op te vangen. De aanvragen die werden ingediend stegen in 2000 met 41.993 aanvragen. Dit waren er 6.167 meer dan in 1999. Na deze forse stijging daalde het aantal aanvragen tot 16.235 in 2003. Dit gebeurde o.a. dankzij het vernieuwde asielbeleid.

 

 

2. Een gebeurtenis wordt nieuws

 

In de communicatiewetenschappen wordt al jarenlang onderzoek gevoerd naar de rol van de media in de weergave van de werkelijkheid. In dit hoofdstuk zal aandacht besteed worden aan de manier waarop een gebeurtenis nieuws wordt en welke theorieën hieromtrent ontwikkeld werden. Ook worden de voorgaande studies gevoerd over de voorstelling van vluchtelingen en asielzoekers in de dagbladen toegelicht.

 

 

2.1. Hoe wordt een gebeurtenis nieuws?

 

In de communicatiewetenschappen heersen twee visies over hoe een gebeurtenis nieuws wordt. In deze theorieën worden de volgende vier elementen op verschillende wijzen gerangschikt: gebeurtenissen, nieuwswaarden, de interesse van het publiek voor het nieuws en de berichtgeving van het nieuws. In de eerste visie komen de vier elementen in deze volgorde voor:

 

Gebeurtenissen à nieuwswaarden à berichtgeving à interesse van het publiek

 

Gebeurtenissen worden door journalisten geselecteerd op basis van de nieuwswaarden. De geselecteerde gebeurtenissen worden beschreven en voorgelegd aan het publiek . Het publiek zal deze gebeurtenissen opnemen afhankelijk van hun interesse ervoor.

     In de tweede visie wordt de volgorde veranderd:

 

Interesse van het publiek à nieuwswaarden à gebeurtenissen à berichtgeving

 

In deze tweede visie is de interesse van het publiek voor sommige onderwerpen het startpunt van de berichtgeving. Op basis van deze interesse worden nieuwswaarden opgesteld die bepalend zijn voor de selectie van gebeurtenissen die nieuws worden (McQuail, 1993, p. 208)

     In de volgende paragrafen worden eerst de verschillende functies van de dagbladen toegelicht, gevolgd door de wijze waarop journalisten nieuws selecteren. Hierin zal meer aandacht besteed worden aan de nieuwswaarden die bepalend zijn voor de nieuwsselectie zoals de bovenstaande visies duidelijk gemaakt hebben. Tenslotte worden de theorieën over nieuwsselectie behandeld.

 

2.1.1. De functies van de dagbladen

 

Kranten vervullen net als andere massamedia vooral een mediërende rol tussen het publiek en datgene wat in de wereld gebeurt. Deze rol kent verschillende aspecten. Een krant kan een spiegel zijn van wat er gebeurt in de samenleving, het kan de gebeurtenissen vertalen in een verstaanbare taal, het is een wegwijzer, het is een plaats waar informatie gewonnen kan worden en waar opinies geuit kunnen worden, … (McQuail, 1993, p. 51). Al deze verschillende aspecten van de krant wordt door verschillende wetenschappers vertaald in een aantal functies, dat een krant zou moeten vervullen.

     Een dagblad vervult drie functies: een informatiefunctie, een commentaarfunctie en een sociusfunctie. (Tillema, s.d., p. 7). De drie functies zijn terug te vinden in de verschillende soorten van krantenartikels die er bestaan. Zo deelt Van Poecke (2004, pp. 21-34) krantenartikels in volgens informatieve, duidende en opiniërende genres. De informatieve genres waaronder éénkolommers, het nieuwsbericht, de verslagen en dergelijke vallen vervullen de informatiefunctie van een krant. De duidende genres, zoals de nieuwsanalyse, en de opiniërende genres, zoals het commentaarstuk, vervullen op hun beurt de commentaarfunctie van een dagblad.

     De sociusfunctie van een krant is bepalend voor wie een bepaalde krant leest. Binnen het krantenlandschap hebben jarenlang de verschillende ideologieën bepaald wie welke krant las. Zo koos een katholiek voor De Standaard en een socialist voor De Morgen. Deze ideologische verschillen zijn nu vervaagd. Een andere scheidingslijn is die van kwaliteitskranten versus populaire kranten. Deze scheidingslijn zorgt ook voor een andere berichtgeving, zowel naar inhoud als naar stijl. Populaire kranten zijn meer sensatiegericht. In kwaliteitskranten wordt een zakelijkere stijl gehanteerd. Er moet echter opgemerkt worden dat ook deze scheidingslijn aan het vervagen is.

     Een gelijkaardige indeling van de functies van de media vindt men terug in het werk van van Cuilenburg e.a. Deze wetenschappers hebben het over vier functies die de media in een democratie moeten vervullen. Deze functies zijn: informeren, opniniëren, kritisch zijn en het dienen als forum. Het informeren over de evenementen in de maatschappij is de eerste functie die de media horen te vervullen in een democratie. Vervolgens moeten ze een bepaalde interpretatie geven aan en een beoordeling vormen over de evenementen. Ze moeten ook als waakhond optreden, maar ook hete hangijzers in de samenleving aan bod laten komen. Tenslotte moet er plaats gegeven worden aan discussie (van Cuilenburg, Leeuw, te Pas, van den Heuvel & Jurgens, 1990, p. 20). Deze opiniërende functie wordt tevens opgegeven door Bleyer (1971, p. 90) die ook aan kranten drie functies toekent: een informatiefunctie, waardoor het publiek een zo volledig en accuraat mogelijk beeld krijgt van wat er zich in de wereld afspeelt; een uitleggende rol, waardoor de lezers kunnen begrijpen wat er gebeurt en zich hierover een mening kunnen vormen; en een opiniërende functie dat de mensen duidelijk moet maken wat het beste zou zijn voor de meerderheid van de samenleving.

     De informatiefunctie van een krant verplicht de journalisten om uit het aanbod van gebeurtenissen die gebeurtenissen te selecteren die nieuws zullen worden. Hoe dit kan gebeuren is het onderwerp van het volgend deel.

 

2.1.2. Journalisten en de nieuwsselectie

 

Journalisten moeten hun functie van gatekeeper vervullen. Hiervoor zullen ze uit het aanbod van gebeurtenissen die hen aangereikt worden gebeurtenissen selecteren die relevant genoeg zijn om opgenomen te worden in de media waarvoor zij werken. Witte geeft hiervoor een negental selectiecriteria. Eerst en vooral mogen de gebeurtenissen niet te lang aanslepen. Vervolgens moeten de gebeurtenissen relevant zijn voor het referentiekader van de lezers. Dit toont aan dat de sociusfunctie van een krant een invloed heeft op de nieuwsselectie. Hoe meer een gebeurtenis gerelateerd kan worden aan een persoon, hoe groter de kans dat de gebeurtenis een nieuwsfeit wordt. Vervolgens speelt de negativiteit van de gebeurtenissen ook een rol. Hier geldt ook: hoe negatiever de gevolgen van de gebeurtenis, hoe groter de kans om opgenomen te worden. Nabijheid is tevens een belangrijke selectiecriterium (Witte, 2002, pp. 168-170). Al deze criteria worden overheerst door de ruimte die een bepaald dagblad aan nieuwsfeiten geeft.

     Niet enkel het referentiekader van de lezer is bepalend bij de selectie van gebeurtenissen, maar ook het referentiekader van de journalist zelf. Het referentiekader van de journalist bepaalt hoe hij/zij de problemen definieert, hoe naar mogelijke oorzaken wordt gezocht, … In het referentiekader vervullen de eigen waarden van de journalist een belangrijke rol. Witte vermeldt dat ‘recent onderzoek [er] geen twijfel over [laat] bestaan dat de persoonlijke opvattingen een directe invloed hebben op de informerende en opiniërende nieuwsproducten die met waarden verband houden’ (Witte, 2002, p. 172). De journalist selecteert op basis van wat hij denkt het referentiekader van zijn lezers te zijn, maar deze komt zelden overeen met het werkelijke referentiekader van de lezers (Witte, 2002, p. 173). Het selectiekader van de journalist is niet eenduidig uit zijn artikels af te leiden. Noch worden deze waarden expliciet in het krantenartikel vermeld (Gans, 1980, pp. 39-40).

     De doelstellingen van het mediabedrijf waartoe de journalist behoort beïnvloeden de nieuwsselectie. Tunstall onderscheidt twee soorten: ‘revenue goals’ en ‘non-revenue goals’. van Cuilenburg e.a. vertalen deze doelstellingen als volgt: ‘revenue goals’ zijn doelstellingen zoals het beogen van winst maken en ‘non-revenue goals’ zijn doestellingen zoals bijvoorbeeld het verwerven van prestige. In onze kapitalistische landen nemen ‘revenue goals’ meestal de bovenhand. Hieruit zou besloten kunnen worden dat de adverteerders bepalend zouden zijn voor de selectie van gebeurtenissen. Maar zonder publiek is krantenverkoop niet mogelijk en dus ook geen winstgevend mediabedrijf. In de praktijk zal er dus vooral sprake zijn van winstgevende doelstellingen waarmee tevens rekening wordt gehouden met de doelgroep (van Cuilenburg e.a., 1990, pp. 56-57).

     Volgens Gans en aanhangers van de gatekeepingtheorie hebben journalisten een functie van doorgeefluik bij nieuwsselectie. Zoals hierboven vermeld bestaan er verschillende criteria. Deze criteria kunnen verschillen van onderzoeker tot onderzoeker.

     Het is duidelijk dat een journalist niet als een enkeling, los van alle invloed, van gebeurtenissen nieuws kan maken. Mc Quail (1993, pp. 141-162) heeft al deze invloeden in één schema ondergebracht.

 

 

Figuur 1: De verschillende invloedsbronnen op een journalist

Bron: McQuail, 1993,  p. 142

    

     Een eerste belangrijke beïnvloeding is deze van de relatie van de journalist met de maatschappij. De complexiteit van de relatie van een krant met de maatschappij vloeit voort uit het feit dat een krant zowel een economisch product is als een dienst verleent. Hierdoor heeft een mediabedrijf twee verschillende soorten doelstellingen zoals Tunstall ze onderscheidt (zie voorgaande pagina). Een krant moet daarnaast ook nog de keuze maken of ze neutraal blijft tegenover wat er zich in de maatschappij afspeelt of dat ze daarentegen partij neemt voor één of andere strekking.

     Daarnaast bestaat er de beïnvloeding van de klanten, de aandeelhouders en de leveranciers. Zonder aandeelhouders en lezers kan er van een krant geen sprake zijn. Maar ook leveranciers beïnvloeden het mediabedrijf.

     Een derde bron van beïnvloeding is de relatie met de bronnen. Binnen deze visie valt de gatekeepingtheorie waarin men de journalist als een filter ziet van de informatie die hij krijgt van verschillende bronnen. Deze bronnen kunnen dus via de journalist in zekere mate bepalen wat nieuws wordt.

     De relaties binnen het mediabedrijf zelf vormen de vierde bron van beïnvloeding. De interne hiërarchie en de bedrijfscultuur, maar ook de algemene redactionele lijn spelen een rol in de selectie van nieuws.

     Als laatste bron van beïnvloeding is er de relatie tussen de journalisten en hun publiek. Via opiniebijdragen en dergelijke kunnen lezers hun mening uiten. De visie die journalisten hebben over hun publiek, datgene wat volgens hen hun publiek belangrijk vindt,… beïnvloeden de selectie van de gebeurtenissen.

     Uit het bovenstaande blijkt dus dat datgene wat bepaalt of een gebeurtenis nieuws wordt, een complex geheel is. Nieuwsselectie wordt beïnvloed door de selectiecriteria die in mediabedrijven worden gehanteerd. Ook wordt dit proces beïnvloed door het referentiekader van de journalist, van het mediabedrijf waarvoor het werkt, en dat van de lezer. Deze elementen worden in de volgende paragraaf theoretisch verder uitgewerkt.

 

2.1.3. Theorieën over nieuwsselectie en nieuwsbepaling

 

Twee belangrijke theorieën over nieuwsselectie en nieuwsbepaling zijn de gatekeepingtheorie en de agenda-settingtheorie. Ze trachten te achterhalen hoe een gebeurtenis nieuws kan worden. Aangezien deze theorieën de processen bestuderen die nodig zijn om van een gebeurtenis nieuws te maken worden ze eerst toegelicht. Vervolgens spitst dit onderdeel zich toe op framing. Bij framing ligt het accent op de referentiekaders gehanteerd door de journalisten.

 

2.1.3.1. Gatekeeping

 

Een proces waar de nieuwsselectie bepaald wordt door o.a. journalisten wordt gatekeeping genoemd. Via verschillende kanalen kunnen journalisten op de hoogte gebracht worden van wat zich in de wereld afspeelt. Vervolgens moeten ze hieruit selecteren wat ze als nieuws naar de burger zullen brengen. (Van den Bulck, 2004, p. 27).

     Gans onderscheidt in de traditie van gatekeeping vier theoriestromingen. Deze stromingen zijn:

     In de eerste stroming wordt de journalist gezien als een persoon die nieuws selecteert op basis van zijn professionele beoordeling. De journalist zou dus niet beïnvloed worden door andere factoren. In de tweede stroming gaan de wetenschappers een stap verder. Zij gaan er vanuit dat het mediabedrijf zijn invloed heeft op de nieuwsselectie. Men denkt hierbij o.a. aan winst maken maar ook aan de invloed van de hiërarchie binnen het mediabedrijf. Volgens de derde stroming weerspiegelt de journalist de lezers eenvoudig weg de evenementen die in de maatschappij voorkomen zoals deze werkelijk voorkomen. De visie in de laatste stroming is dat andere krachten als de economie, de heersende waarden en normen het selecteren van gebeurtenissen beïnvloedt of dat de nieuwsselectie wordt beheerst door de bronnen zelf (Gans, 1980, pp.78-79).

     De nieuwsselectie kan op basis van organisatorische factoren of op basis van inhoudelijke factoren gebeuren. De mogelijke factoren zijn: de formele hiërarchie, de informele hiërarchie, de infrastructuur van de organisatie, de technische structuur en de deadline. Een tweede manier om het nieuws te selecteren is op basis van inhoudelijke factoren, ook wel nieuwswaarden genoemd (Van den Bulck, 2004, pp. 27-29). Galtung en Ruge stelde in 1965 de volgende lijst op: frequentie, drempelfactor, ondubbelzinnigheid, betekenis, consonantie, verrassing, continuïteit, variatie, betrekking op elite-naties en op elite-personen, personificatie en negativisme (van Cuilenburg e.a., 1990, pp. 47-49). Warren publiceerde dertig jaar eerder een lijst met factoren die de selectie bepalen. Uit deze lijst vullen volgende factoren de lijst van Galtung en Ruge aan: suspense, seks, emoties, vooruitgang en geweld (Van den Bulck, 2004, pp. 31-32).

     Bovenstaande factoren bepalen tevens hoe over een gebeurtenis wordt bericht gegeven. Vervolgens wordt het verhaal geschreven. Hiervoor kunnen verschillende schrijfstijlen gebruikt worden. Bovendien moeten de journalisten er over waken dat hun teksten neutraal en gebalanceerd zijn ( Van den Bulck, 2004, p. 33). Deze verschillen in formulering zijn zichtbaar in de verschillende schrijfstijl die gehanteerd wordt in kwaliteitskranten en in populaire kranten.

 

2.1.3.2. Agenda-setting

 

De grondleggers van de agenda-settingtheorie zijn McCombs en Shaw. In 1972 onderzochten ze de invloed van de media op wat belangrijk was bij de Amerikaanse kiezers. Ze stelden als hypothese dat de onderwerpen die veel aandacht kregen in de media een invloed zouden hebben op wat de kiezers belangrijk zouden vinden. Hiervoor werden de massamedia tijdens de Amerikaanse presidentiële campagne in 1968 onderworpen aan onderzoek. Ze onderzochten of dat wat de kiezers van Chapel Hill (één van de kandidaten) als belangrijke elementen van de campagne opnoemde ook daadwerkelijk terug te vinden waren in de inhoud van de campagne. Hun onderzoek bewees niet dat de agenda-settingfunctie van massamedia bestaat, maar wel dat resultaten overeen kwamen met de condities die zouden vervuld moeten worden indien er sprake zou zijn van een agenda-settingfunctie. Toch kan uit het onderzoek besloten worden dat de media hun lezers beïnvloeden (McCombs & Shaw, 1972, pp. 176-187). Hun onderzoek was de eerste stap van jarenlang onderzoek naar de invloed van de agenda van de media op dat van het publiek en de overheid.

     Naast gatekeeping is dus agenda-setting ook een theorie over wat bepaalt of een gebeurtenis nieuws wordt. De theorie onderzoekt de thema’s die het publiek, de media en de overheid belangrijk vinden. De lijst van belangrijke thema’s noemt het de agenda. De agenda-settingtheorie gaat na in hoeverre de media de agenda van het publiek bepalen. Het tracht een antwoord te vinden op de vraag: in hoeverre bepalen media wat belangrijk is voor de leden van een samenleving en wat minder belangrijk is? Daarnaast bestudeert het de agenda van de media en dat van de overheid. Dit concept houdt in dat er een relatie bestaat tussen datgene wat er in de media veel aandacht krijgt en datgene wat het publiek belangrijk vindt (McCombs, 1993, pp.61-62; Edelstein, 1993, p. 85). De media bepaalt waarover het publiek een mening moet hebben (Brosius & Weimann, 1996, p. 562). De media-agenda komt tot stand door de media-inhoud die journalisten en de mediabedrijven publiceren. De leden van de samenleving reageren hierop. Deze verschillende reacties groeperen zich tot de publieke agenda gevormd wordt (Lasorsa, 1997, p. 155).

     Er bestaan dus drie mogelijk agenda’s: die van de media, die van het publiek en die van overheid. Deze agenda’s kunnen elkaar onderling beïnvloeden. Dit leidt tot een typologie van negen mogelijke beïnvloedingsprocessen.

 

Tabel 1: De negen beïnvloedingsprocessen binnen de agenda-settingtheorie

Affected Agenda

Agenda Source

Media

Public

Decision Makers

Media agenda

1

2

3

Public agenda

4

5

6

Decision makers’ agenda

7

8

9

Bron: Brosius & Weimann, 1996, p. 563

 

     De meerderheid van de onderzoeken in de agenda-setting-stroming onderzoeken de invloed van de media op de agenda van de publiek, op de agenda van de beleidsmakers en de invloed van het publiek op de agenda van de beleidsmakers. Er is veel minder aandacht gegeven aan de invloed die het publiek kan hebben op de media en binnen het publiek zelf. Het is de invloed die leden van het publiek op de publieke agenda kunnen hebben die Brosius en Weimann onderzocht hebben. Ze vertrekken vanuit de visie dat het actieve publiek zelf nieuws opmerkt en doorgeeft. Hierdoor kan het een invloed uitoefenen op de publieke agenda en op de agenda van de media. De onderzoekers stellen vier beïnvloedingsmodellen:

 

     Early recognizers zijn leden van het publiek die een voortrekkersrol spelen. Uit de resultaten blijkt dat alle vier modellen opgaan afhankelijk van de situatie en het moment dat het plaats vindt (Brosius & Weimann, pp. 562-566; pp. 575-577).

     Interessant voor ons onderzoek is de relatie tussen de media en het publiek. Dit beïnvloedingsproces van de media op het publiek kan men media agenda-setting noemen. Hieronder verstaan Rogers en Dearing de onderzoeken which examines the antecedents of media content relating to issue definition, selection and emphasis’ (Kosicki, 1993, p. 101). Rogers en Dearing stipuleren tevens dat door het regelmatig bericht geven over een bepaald onderwerp de media ervoor zorgt dat dit onderwerp de publieke agenda zal halen (Dearing & Rogers, 1996, p. 62).

     In zijn artikel ‘Problems and Opportunities in Agenda-Setting Research’ somt Kosicki de typische kenmerken van agenda-setting op. Allereerst handelt deze theorie over het belang van de onderwerpen. Bovendien worden deze onderwerpen steeds door de onderzoeker opgebouwd en niet door het publiek. Vervolgens gaat de focus van de onderzoeksstroming uit naar zowel de media-inhoud als de perceptie door het publiek. Daarnaast wenst agenda-setting te werken met onderwerpen geschikt voor een bepaalde agenda. Maar soms wordt één enkel onderwerp onderzocht. Tenslotte wordt deze theorie voorgesteld als een effect van specifieke media-inhoud of trend in deze inhoud (Kosicki, 1993, pp. 104-105).

     Agenda-settingtheorie onderzoekt wie wie beïnvloedt in de relatie van de politiek met de media. Het tracht ook te achterhalen in welke mate er sprake is van beïnvloeding. Uit onderzoeken blijkt dat de politiek de media zou beïnvloeden, maar er bestaat geen eensgezindheid onder de wetenschappers. De relatie tussen de politiek, de media en het publiek wordt door Kleinnijenhuis als volgt geformuleerd: ‘het publiek volgt (in beperkte mate) de media die (in grote mate) de politiek volgen’ (Van Aelst, 2004, pp. 71-72).

     Uit verschillende onderzoeken die de invloed van de media op de agenda van het publiek bestuderen blijkt dus dat er inderdaad sprake is van beïnvloeding. Deze onderzoeken hebben aangetoond dat de invloed van radio, geschreven pers en televisie niet dezelfde is. Het laatste medium heeft de kleinste beïnvloedingskracht van de drie media. Ook de plaats die een gebeurtenis krijgt in het medium beïnvloedt de mate waarin de agenda van publiek wordt bepaald. Een gebeurtenis op de voorpagina van een krant zal meer besproken worden dan een gebeurtenis die bijvoorbeeld in de regionale bladzijden wordt geplaatst (Witte, 2002, p. 209). De lage beïnvloedingskracht van televisie in vergelijking met de geschreven pers kan verklaard worden door het feit dat de geschreven pers de mogelijkheid biedt aan haar lezers om de informatie door te nemen op hun tempo of om het later nogmaals door te nemen. Mensen nemen zelden het televisiejournaal op zodat ze het later opnieuw kunnen bekijken. Een krant kan men echter zo vaak herlezen als men wilt. Het herlezen gebeurt ook op het tempo dat de lezer bepaalt (Wanta, 1997, pp.142-143).

     In het meer dan 30 jaren durend onderzoek gevoerd naar de effecten van de media-agenda zijn drie onderzoeksdomeinen te onderscheiden: modellen in de overdracht van informatie van de media-agenda naar de publieke agenda, de voorwaarden voor agenda-setting en de invloeden op de agenda van de media. In het onderzoek dat de laatste jaren gevoerd wordt, wordt een dimensie toegevoegd. Tot dan toe onderzocht men enkel of de media een invloed hadden op wat de mensen denken. Nu onderzoekt men ook of de agenda van de media een invloed heeft op hoe mensen denken over de onderwerpen die de media voorleggen. Men kan dus spreken van twee niveaus in het onderzoek naar de invloed van de media op het publiek. Het onderscheid tussen deze twee niveaus wordt door Ghanem als volgt gevisualiseerd:

 

Figuur 2: De twee niveaus van de agenda-setting en de drie hypothetische effecten

Bron: Ghanem, 1997, p. 4

 

     Op basis van deze twee niveaus werden drie hypothetische effecten ontwikkeld. De eerste hypothese stelt dat de onderwerpen behandeld in de media diegen zijn die terug te vinden zijn in de publieke agenda. Bovendien zijn de onderwerpen die de meeste aandacht kregen in de media ook diegene die de meeste aandacht krijgen van het publiek. Deze hypothese is het onderwerp geweest van jaren onderzoek. In de tweede hypothese stellen de onderzoekers dat de manier waarop een onderwerp behandeld wordt in de media een invloed heeft op de manier waarop de mensen denken over het onderwerp (attributes à objects). De laatste hypothese zegt dat de manier waarop een onderwerp behandeld wordt in de media een invloed heeft op het belang dat het publiek aan het onderwerp hecht (attributes à attributes). De ‘attributes’ worden door onderzoekers ook frames genoemd. Het onderscheid tussen het onderzoek gevoerd naar frames en dat van de derde hypothese van de agenda-setting is dat framing enkel de frames onderzoekt die de media voortbrengen. Onderzoekers in de agenda-settingtraditie zullen ook de invloed op de publieke agenda onderzoeken (Ghanem, 1997, pp. 3-6).

 

2.1.3.3. Framing

 

Framing is één van de middelen om de publieke agenda te beïnvloeden (d’Haenens & de Lange, 2001, p. 849). Het verschil tussen framing en agenda-setting ligt in het feit dat agenda-setting onderzoekt waarover de mensen praten en framing hoe de mensen over de gebeurtenissen praten (Semetko & Valkenburg, 2000, pp. 93-94).

     Framing wordt door Entman als volgt gedefinieerd: ‘To frame is to select some aspects of a perceived reality and make them more salient in a communication text, in such a way as to promote a particular definition of a problem, causal interpretation, moral evaluation and/or treatment recommendation for the item described’ (Entman, 1993, p. 52). Deze definitie kan aangevuld worden met de definitie die door Dearing en Rogers wordt voorgesteld. Zij definiëren framing als een selectieprocedure die door de media wordt uitgevoerd (Dearing & Rogers, 1996, pp.63-64). Frames vervullen dus verschillende functies: problemen definiëren, oorzaken vaststellen, morele beoordelingen vormen en oplossingen voorstellen.

     Deze heersende definitie van framing wordt aangevochten door Scheufele. Hij stelt dat deze definitie frames gelijk stelt aan schema’s. Hij wil in de definitie een nuance aanbrengen en schema’s gebruiken naast frames. Hij heeft het meer specifiek over ‘congitive frame’ die hij als volgt definieert: ‘as a consistent bundle of schemata, which emerges in discourse, exchanges with other discourses and influences information processing’ (Scheufele, 2004, pp. 403-405).

     Framing steunt op het sociaal constructivisme. Een persoon bouwt zijn visie van de realiteit op, op basis van eigen ervaring, uitwisseling van ervaringen met gelijken en met de interpretatie van gegevens die hij of zij uit de media haalt (Scheufele, 1999, p. 105). Deze informatie kan opgeslagen worden in mediaframes of individuele frames. Voor een definitie van mediaframes verwijst men naar de voorgaande paragraaf waar de definitie van Entman voor framing wordt opgenomen. Dezelfde auteur definieert individuele frames als ‘mentally stored clusters of ideas that guide individuals’ processing of information’ (Entman, 1993, p. 53). Adoni en Mane plaatsen de media centraal in het opbouwen van een realiteit. Deze realiteit noemen ze symbolische realiteit. Deze bestaat volgens de wetenschappers naast de objectieve en de subjectieve realiteit (Frissen & Wester, 1997, p. 21). Men kan stellen dat de symbolische realiteit uit mediaframes is opgebouwd. En dat de subjectieve realiteit op basis van individuele frames is geconstrueerd.

 

Tabel 2: De indeling van frames volgens B. Scheufele

 

System areas (selection)

Levels

Politicians/Political system

Jounalists/ Media system

Recipients/Society

Level of cognition

1

4

7

Level of discourse

2

5

8

Level of discourse product

3

6

9

Bron: Scheufele, 2004, p. 402

 

     Scheufele stelt een andere indeling van de mogelijke frames voor. Hij spreekt van drie niveaus op twee assen. De eerste as, de horizontale, omvat ‘the journalist or the media system’, ‘recipients or society’ en ‘political, economical, cultural, etc. actors, groups or organizations’. De tweede as, de verticale, omvat tevens drie mogelijke opties. Als eerste mogelijke categorie is er een frame ‘…as a cognitive complex of related schemata for references…’. Een tweede mogelijkheid is een frame in de ‘public or inter-media discourse’ en tenslotte een frame als een ‘textual structure of discourse products’. Wat in ons onderzoek van belang is het ‘journalists/media system’ op de verticale as. Dit systeem omvat drie niveaus: ‘level of cognition’, ‘level of discourse’ en ‘level of discourse product’ (Scheufele, 2004, p. 402). Uit de hierboven vermelde verdelingen van frames kan men stellen dat het bij framing steeds gaat om structuren die helpen bij het opbouwen en het percipiëren van de werkelijkheid (Koenig, 2004, p. 2).

     Vijf types frames werden door Semetko en Valkenburg gevonden: conflict frame, human intrest frame, economic consequences frame, morality frame en responsiblity frame. Het eerste frame houdt in dat de nadruk in het artikel ligt op een conflict tussen individuen, groepen of instituties. Het tweede type frame benadrukt de persoonlijke, emotionele zijde van de gebeurtenis. Vervolgens worden de economische consequenties van het evenement benadrukt in het derde frame. In het vierde en voorlaatste frame wordt de religieuze of morele zijde van een probleem in de verf gezet. Tenslotte komt in het vijfde frame de verantwoordelijkheid voor de gebeurtenis aan bod. De verantwoordelijkheid wordt gelegd bij de overheid, individuen of groepen (d’Haenens & de Lange, 2001, p. 850). Deze frames zijn generische frames en kunnen toegepast worden op eender welk onderwerp. Daarnaast bestaan tevens themagebonden frames die op te sporen zijn via een kwalitatief onderzoek.

     Koenig (2004, p. 4) haalde vier generische frames uit zijn literatuuronderzoek. Deze zijn: conflict frame, human intrest frame, economic consequences frame en morality frame.

     Naast de bovenstaande categorisering van frames, onderscheidt Koenig ‘master frames’ of anders genoemd: ‘metanarratives’. Drie ‘master frames’ duiken regelmatig op in de literatuur: de ‘ethno-nationalist frame’, de ‘liberal-individualist citizenship frame’ en de ‘harmony with nature frame’.

     Kosicki (1993, p. 117) ziet o.a. framing als een mogelijke theorie voor media-effecten, naast agenda-setting. Hij kaart de mogelijkheid aan dat framing niet uit de agenda-setting-theorie zou voortvloeien. Als reden voor zijn visie zegt hij: ‘[framing] begin from explicit cognitive perspectives and lead in new directions unanticipated by the original agenda-setting model’. Maar helemaal zeker is hij niet aangezien hij enkele regels later schrijft: ‘Whether this is best understood as an extension of agenda setting or as the supplanting of agenda setting by other perspectives is as yet unknown’ (Kosicki, 1993, p.118). Volgens McCombs, Shaw en Weaver daarentegen is framing wel degelijk een voortvloeisel uit de agenda-setting-theorie (Scheufele, 1999, p. 103).

     Verschillende wetenschappers bespreken de gebreken van framingonderzoek en trachten elk een oplossing te bieden. Entmann (1993, p. 51) beklemtoont het nut van een theoretische samenhang voor alle stromingen binnen de framingstrekking. Zoals eerder vermeldt stelt hij een definitie voor framing waarin de verschillende functies (selecteren, definiëren, diagnose stellen, morele beoordelingen maken, oplossingen aanbieden) aan bod komen. Hij sluit zijn pleidooi af met het aantonen van het nut van een éénduidig concept van framing zodat het voor verschillende soorten onderzoek gebruikt zou kunnen worden. Dus niet alleen binnen de communicatiewetenschap maar ook binnen alle sociale wetenschappen en psychologie. Indien frames op een éénduidige wijze geformuleerd zouden worden, kunnen volgende onderwerpen in het sociaal onderzoek er baat bij vinden: ‘audience autonomy’, ‘journalistic objectivity’, ‘content analysis’en ‘public opinion and normative democratic theory’ (Entman, 1993, pp. 56-57).

 

Figuur 3: Een model voor framing-onderzoek

Bron: Scheufele, 1999, p. 115

 

     Scheufele op zijn beurt stelt een model voor waarin al het onderzoek naar framing ondergebracht kan worden. In dit model zijn ‘frame building’ en ‘frame setting’ interessante elementen voor ons onderzoek. Frame building omvat de processen die de creatie van of verandering in frames kunnen teweeg brengen. Een mogelijke beïnvloedingsbron zijn de journalisten. Vervolgens kunnen ook de politieke kleur en de routines van het medium een invloed hebben op het vormen en veranderen van frames. Een laatste bron is een amalgaam van externe factoren zoals politici, drukkingsgroepen, verenigingen en dergelijke. Frame setting handelt over welke frames toegankelijk zijn: aan welke frames denkt het publiek het eerst?, welke komt het eerst op? (Scheufele, 1999, pp. 115-116).

 

 

2.2. Voorgaand onderzoek over de wijze waarop de media over vluchtelingen en asielzoekers rapporteert

 

In dit onderdeel wordt de aandacht gevestigd op onderzoeken gevoerd naar de berichtgeving over asielzoekers en vluchtelingen. Daarnaast wordt de studie van Semetko en Valkenburg naar het gebruik van frames opgenomen. Deze onderzoekers hebben getracht generische frames te onderscheiden. Het onderzoek van d’Haenens en de Lange is een vervolg op dit onderzoek, maar toegepast op vluchtelingen. Het onderdeel wordt afgerond met de resultaten van het European Social Survey wat betreft de houding van de Belgen tegenover immigranten en asielzoekers.

     Coole (2002) beschrijft de voorstelling van asielzoekers in de Britse media voor en na de moord op een Turkse asielzoeker in Schotland in 2001. Het blijkt dat Britse media voor dit incident hoofdzakelijk negatief over asielzoekers schreven. Dit zorgde voor een klimaat van onrust en vijandigheid. De verschillende pogingen die werden ondernomen om dit imago te veranderen werden gekelderd door de sensationele schrijfstijl die sommige Britse media hanteerden. Heel wat asielzoekers hadden een universiteitsdiploma op zak en hadden in hun land van herkomst een carrière opgebouwd. Door omstandigheden moesten ze uit hun land vluchtten. Desondanks dat deze asielzoekers respectabele mensen bleken te zijn, werden ze door journalisten als criminelen beschreven en schreef men minachtend over hen. Na de moord op de Turkse asielzoeker werd door de media niets ondernomen om dit negatieve imago te veranderen (Coole, 2002, pp. 839- 840).

     Als conclusie op de berichtgeving over de moord op de Turkse asielzoeker besluit Coole dat de journalisten niet altijd even correct waren en eerder sensationeel schreven. Bovendien heeft de berichtgeving de stereotypen over asielzoekers versterkt, alsook de stereotypen over de autochtonen. In de berichtgeving vóór de moord gaven de journalisten de indruk dat de komst van asielzoekers een gevaar betekende voor de lokale bevolking. De moord zorgde voor een minder harde en minder negatieve berichtgeving over asielzoekers (Coole, 2002, pp. 850-851).

     Staes voerde samen met Lerouge in de eerste helft van de jaren 90 een onderzoek naar de berichtgeving over allochtonen en aanverwante thema’s in de Belgische pers. Dit onderzoek moest dienen als basis voor het uitschrijven van richtlijnen, aanbevelingen en een gedragscode door de Werkgroep Media en Migranten binnen de Algemene Vereniging van Beroepsjournalisten in België. Dit verkennend onderzoek had als onderzoeksvraag: Hoe wordt over allochtonen en aanverwante thema’s in de geschreven pers bericht? (Lerouge & Staes, 1994, pp. 5-6). Zowel de Nederlandstalige als Franstalige en de Duitstalige dagbladen werden onderzocht ermee rekening houdend dat alle provincies vertegenwoordigd waren. Het onderzoek werd gevoerd naar routineberichtgeving en crisisberichtgeving. Routineberichtgeving houdt in dat er zich geen bijzondere gebeurtenis heeft plaatsgevonden en dat de berichtgeving over alledaagse onderwerpen gaat. Onder crisisberichtgeving wordt ‘de verslaggeving over een crisisgebeuren dat duidelijk verband houdt met het onderzoeksobject en zich onaangekondigd voordoet’ (Staes, 1996, p. 90) verstaan. Naast migranten wordt ook de thematiek rond asielzoekers opgenomen in het onderzoek. Aangezien ons onderzoek over routinebeschrijving zal handelen, wordt enkel dit aspect van het onderzoek verder toegelicht.

     Het onderzoek naar de routineberichtgeving vond plaats in mei 1993. De artikels werden geselecteerd op basis van criteria i.v.m. actoren, thema’s, de vermelding van nationaliteit, geboorteland, religie, etniciteit, cultuur of huidskleur. Vervolgens werd uit de artikels nog eens een selectie gemaakt van 100 krantenartikels.

     Uit de resultaten bleek dat het meest voorkomende onderwerp van de artikels de criminaliteit was, gevolgd door politiek. De meest voorkomende actors waren migranten, vreemdelingen en vluchtelingen. Er werd zelden verwezen naar hun etniciteit, religie of huidskleur. De meest frequent behandelde thema’s in de krantenartikels waren politiek, sociaal en achtergrond (Staes, 1996, pp. 90-99).

     Uit de vergelijking tussen Nederlandstalige en Franstalige artikels bleek dat veel meer Franstalige artikels over het onderwerp terug te vinden waren in de regionale pagina’s. Een mogelijke verklaring hiervoor kan het regionale karakter zijn van de Franstalige kranten. Indien men de inhoudelijke aspecten vergeleek, dan bleek er een meerderheid aan Franstalige artikels te zijn die niet handelden over een actueel gebeuren. Inhoudelijk behandelden ze dezelfde onderwerpen met op nummer één criminaliteit, gevolgd door politiek (Lerouge & Staes, 1994, p. 106).

     Semetko en Valkenburg gingen op zoek naar de frames die gehanteerd werden in de journalistieke bijdrage over het Europese beleid. Hiervoor onderzochten ze zowel de geschreven pers als de televisie tijdens de ontmoeting van de Europese staatshoofden in Amsterdam in 1997. Uit hun onderzoek bleek dat er geen significant verschil bestaat tussen type media, maar wel tussen kwaliteit- en sensationele media.

     Hun onderzoeksvragen waren de volgende: ‘Does the use of frames vary significantly by outlet? Does the use of frames vary significantly by topic?’ (Semetko & Valkenburg, 2000, pp. 96-97). Om een antwoord te kunnen formuleren op deze vragen werd een kwalitatieve inhoudsanalyse van de frames uitgevoerd in de Nederlandse nationale media van 1 mei tot 20 juni 1997. Drie nationale televisiezenders en vier nationale kranten werden geselecteerd. Om de frames te kunnen ontdekken werd er gewerkt met twintig ja/nee-vragen. Per frame werden minimum drie vragen opgenomen die over de frame handelen. De analyse bevatte alle verhalen die handelde over het Nederlands of Europees beleid, politici of één van de volgende vier thema’s: Europese integratie, drugs, criminaliteit, integratie en etnisch raciale onderwerpen (Semetko & Valkenburg, 2000, p. 98).

     Uit dit onderzoek bleek dat het responsability frame meer werd gebruikt gevolgd door het conflict frame. Het morality frame werd zelden of nooit gebruikt in Nederlandse journalistieke bijdragen. De meeste artikels handelden over Europa of Europese integratie en criminaliteit. Om de eerste onderwerpen te behandelen hanteerden journalisten het responsability frame en het economic consequences frame. Voor de criminaliteit werd eerder een beroep gedaan op het human intrest frame. Als het responsability frame gehanteerd werd, werd de overheid als verantwoordelijke aangeduid ( Semetko & Valkenburg, 2000, pp. 103-105).

     d’Haenens en de Lange onderzochten de gehanteerde frames in de Nederlandse regionale dagbladen.  De centrale vraag van de studie luidde: ‘how does news reporting (news framing) on asylum seekers and asylum seekers’ centres in De Gelderlander and the Haarlems Dagblad differ from the Rotterdams Dagblad and the Zwolse Courant?’ (d’Haenens & de Lange, 2001, p. 851). Deze kranten werden geselecteerd omdat in hun regio een asielcentrum geopend werd. In sommige regio’s werd de opening van het centrum positief onthaald. In andere regio’s werd het eerder negatief onthaald. De onderzoekers veronderstelden dat het verschil in houding tegenover de centra weerspiegeld zou worden in de regionale dagbladen. Daar waar de houding eerder negatief was, werd het gebruik van het economic consequences frame verwacht en daar waar de houding positief was, het gebruik van het human intrest frame en het morality frame.

     De onderzoekers hanteerden de vragenlijst opgesteld door Semetko en Valkenburg (2002) voor de analyse van de news frames. Als aanvulling op deze vragenlijst werd er ook een beroep gedaan op het gebruik van sleutelwoorden en metaforen. De onderzochte periodes varieerden van dagblad tot dagblad afhankelijk van de opening van het asielcentrum. Steeds werden dezelfde criteria gehanteerd om de periode af te bakenen. Het begin van de periode werd bepaald door de opening van het centrum en deze eindigde twaalf maanden later. Hiernaast werden ook geconstrueerde weken in 2000 gebruikt om het verschil te onderzoeken tussen regionale en nationale dagbladen. (d’Haenens & de Lange, 2001, pp. 851-852).

     Uit de resultaten bleek dat het gebruik van de frames niet volledig overeenkwam met de vooropgestelde hypothesen. Zo werd in de Zwolse Courant meer gebruik gemaakt van het human intrest frame dan verwacht. In deze regio werd de opening van het asielcentrum negatief onthaald. Bovendien ondersteunden de artikels in deze krant niet het conflict frame. Op basis van hun onderzoek stelden d’Haenens en de Lange vast dat onafhankelijk van het feit dat de opening van het asielcentrum negatief of positief werd onthaald, het voornaamst gehanteerde frame dat van human intrest was. De andere vastgestelde verschillen waren krantgebonden en waren niet te linken aan de reactie van de bevolking (d’Haenens & de Lange, 2001, pp. 854- 858).

     Het laatste besproken onderzoek is deze van de European Social Survey dat al verschillende jaren uitgevoerd wordt in 22 landen. De toegepaste techniek is face-to-face interview. In België hebben 1245 Vlamingen en 654 Franstaligen boven de 15 jaar deelgenomen aan het onderzoek dat in 2002 werd afgenomen. In totaal werden 58 items onderzocht, waarvan zeven over de asielthematiek handelden. Een eerste analyse gebeurde op basis van individuele uitspraken. In de twee taalgemeenschappen was men van mening dat er in België verhoudingsgewijs te veel asielzoekers zijn. Tevens trok men in twijfel of de asielzoekers echt angst hebben om terug te keren naar hun land. Op de vijf andere items zijn er verschillen ontdekt. Franstaligen bleken in het algemeen toleranter te zijn dan Vlamingen. Er waren meer Franstaligen te vinden om een soepelere beoordeling van de aanvragen in te voeren. 22,8% van de Franstaligen waren er voor en 67,3% van de Vlamingen waren er tegen. Maar 13,5% was voor een soepelere aanpak te vinden. Bijna twee op de vijf Vlamingen vond dat de asielzoekers tijdens de behandeling van hun aanvraag opgevangen moeten worden in een gesloten centrum. In Franstalig België was het maar één op vijf en 55,6% was hier radicaal tegen. Franstaligen waren er ook meer voor te vinden om asielzoekers een financiële steun te verlenen tijdens de behandeling van hun aanvraag. In Vlaanderen was 60% tegen. Wat betreft de toestemming geven om te werken zolang de asielaanvraag loopt hadden zowel Vlamingen als Franstaligen er een positieve houding tegenover. Wel waren er meer Vlamingen (24,9%) tegen dan Franstaligen (20,7%). Op het laatste item, gezinshereniging, waren Franstaligen verdeeld. 36,3% was voor, 38,8% was tegen en 21,2% zei hierover geen mening te hebben. Vlamingen waren hier met een grote meerderheid tegen (59,6%). Bij deze resultaten moet opgemerkt worden dat de respons in Franstalig België lager lag dan in Vlaanderen. Men kan er dus vanuit gaan dat diegenen die geantwoord hebben al een positievere houding hadden tegenover het onderwerp (Meireman e.a., 2004, pp. 79-85).

     Vervolgens werden de achterliggende houdingen onderzocht. Vlamingen en Franstaligen verschilden enkel op het toelaten van vreemdelingen en de houding tegenover de asielproblematiek. Franstaligen waren significant meer geneigd om allerlei migranten toe te laten en stonden gemiddeld positiever tegenover de opvang van asielzoekers. Deze houdingen werden geanalyseerd in het licht van een aantal sociale kenmerken. De achterliggende houdingen waren minder uitgesproken dan de individuele uitspraken. Zo werd in de verdere analyse niet gevonden dat de Vlaming zich meer bedreigd zou voelen, of meer voorwaarden zou opstellen voor het toelaten van vreemdelingen in ons land. Wel werd vastgesteld dat de Vlaming minder tolerant is om vreemdelingen toe te laten, in het bijzonder asielzoekers. De sociale kenmerken die een invloed hebben op de houding tegenover het toelaten van immigranten en tegenover de asielproblematiek zijn de volgende: de opleiding (hoe hoger, hoe positiever); cultureel conservatisme (hoe hoger, hoe negatiever); kerkelijke betrokkenheid (hoe hoger, hoe positiever). Mensen met een groot sociaal vertrouwen en die sociaal hulpvaardig zijn, hadden ook een positievere houding tegenover asielzoekers. De verschillen zijn het meest uitgesproken bij het testen van de houding tegenover het toelaten van immigranten (Meireman e.a., 2004, pp. 86-92).

 

 

2.3. Besluit

 

Wat bepaalt of een gebeurtenis nieuws wordt, is een mix van verschillende elementen zoals: de nieuwswaarden, het referentiekader van de journalist, de doelstellingen van de mediabedrijven, het referentiekader van de lezer, … Deze mix van elementen wordt tevens beïnvloed door de verschillende functies die een dagblad hoort te vervullen. Hoe dit alles met elkaar interageert wordt door onderzoekers al decennia lang onderzocht. In de gatekeepingtraditie stelt men o.a. de journalist als centrale speler. De agenda-settingtraditie plaats de agenda van de media, dat van het publiek en dat van de overheid in relatie met elkaar. Het zijn de beïnvloedingsprocessen tussen deze drie agenda’s die bepalen wat nieuws wordt. De laatste traditie is dat van framing. Hier staan de referentiekaders centraal. Het zijn zij die bepalen hoe over het nieuws geschreven zal worden. Dit wordt geïllustreerd in de verschillende besproken onderzoeken over vluchtelingen. Tenslotte wordt in het laatste onderzoek de houding van de Nederlandstaligen en de Franstaligen tegenover de asielproblematiek geanalyseerd. Uit het onderzoek bleek dat er inderdaad verschillen zijn tussen de Belgen. Franstaligen zouden in het algemeen toleranter zijn dan de Nederlandstaligen. In het komend onderzoek zal getracht worden te onderzoeken of er ook verschillen zijn in de berichtgeving in de dagbladen tussen de Nederlandstalige en de Franstalige kranten. Bovendien zal aan de hand van de besproken onderzoeken getracht worden een beeld te vormen van hoe over de vluchtelingenkwestie in de Belgische dagbladen bericht gegeven wordt.

 

 

3. Krantenlandschap in België

 

België telt in het begin van de 21ste eeuw negen titels in Vlaanderen die verdeeld worden door drie onafhankelijke krantengroepen. In Franstalig België wordt de markt beheerst door drie groepen die samen 14 krantentitels uitgeven. Daarnaast wordt ook de Financiële Economische Tijd , l’Echo en Grenz-Echo uitgegeven. Bijna 60 jaar geleden telde ons land 53 titels en 41 krantengroepen (Huypens, 2002, pp. 66-69).

     Indien men het krantenlandschap indeelt volgens ideologische strekking bekomt men de volgende verdeling:

 

Tabel 3: Ideologische verdeling van de kranten in België

 

Vlaanderen

Wallonië

Katholieke titels

66,7% (marktaandeel)

27,8% (marktaandeel)

 

De Standaard

Het Nieuwsblad

De Gentenaar

Het Volk

La Libre Belgique

 

Gazet van Antwerpen

Het Belang van Limburg

Vers l’Avenir

L’Avenir du Luxembourg

Le Jour/Le Courrier

Liberale titels

30% (marktaandeel)

28,3% (marktaandeel)

 

Het Laatste Nieuws

De Nieuwe Gazet

La Nouvelle Gazette

La Province

 

 

IPM:

La Dernière Heure-Les Sports

Socialistische titel

5,3% (marktaandeel)

 

 

De Morgen