| Rechts-radicalisme tussen Noordzee en Leiestreek: een analyse van het Vlaams Blok in West-Vlaanderen. (Matthias Vandezande) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
INLEIDING.
Wie de laatste jaren de politieke actualiteit in Europa volgde, merkt dat er een ruk naar rechts aan de gang is. Het meest heibel veroorzaakte het Oostenrijkse FPÖ, met als boegbeeld Haider, dat in 2000 zijn intrede in de regering maakte. Maar daar bleef het niet bij: in Italië sluitte de Forza Italia van premier Silvio Berlusconi akkoorden af met Gianfranco Fini's Alleanza Nationale en Umberto Bossi's Lega Nord. Beide partijen konden op die manier in 2001 aan de macht deelnemen.[1]
Oostenrijks buurland, Zwitserland, heeft bij monde van de Schweizerische Volkspartei (SVP), ook een radicaal-rechtse partij in eigen rangen. De SCP behaalde tijdens de parlementsverkiezingen van 1999 liefst 22,5%. Boegbeeld Blocher kreeg op dat moment de meeste stemmen achter zijn naam, maar door de verhouding tussen de kantons kreeg de SVP niet de meeste zetels. Al jarenlang zit er één SVP-er in de regering.[2]
Bij de recentste presidentsverkiezingen in Frankrijk verbaasde Le Pen vriend en vijand. Door de verdeeldheid in het linkse kamp, wist hij ex-premier Lionel Jospin uit te schakelen en samen met favoriet Jacques Chirac naar de tweede ronde door te stoten. Dit leidde tot bizarre situaties, waarbij zelfs de communistische partij zijn achterban opriep om front te vormen tegen het extreem-rechtse Front National en te stemmen voor hun andere 'vijand', Chirac. Uiteindelijk behaalde Jean-Marie Le Pen slechts 18% van de stemmen, hoewel het gros van de politieke wereld met een wrange smaak bleef zitten.
Als we verder naar het noorden gaan komen we bij Scandinavië terecht. Net zoals in de hierboven vermelde landen heeft ook hier een deel van de sociaal-democratische achterban, uit onvrede met het linkse beleid, aansluiting gezocht bij extreem-rechts. In Denemarken komen we terecht bij de Dansk Folkeparti met vrouwelijk boegbeeld Pia Kjaersgaard die tijdens de parlementsverkiezingen van 2001 12% bijeensprokkelde. In Noorwegen is er de Fremskrittspartiet van Carl Ivar Hagen die bij de parlementsverkiezingen van 2001 14,7% verzamelde.[3]
De rechts-radicale partijen in Duitsland kenden dan weer minder succes, vooral omwille van hun verdeeldheid. De Deutsche Volksunion van Gerhard Frey en Die Republikaner (REP) van Rolf Schlierer halen zelfs de 5% drempel niet, nodig om een zitje in het parlement te krijgen. De Nationaldemokratische Partei Deutschlands (NPD) met boegbeeld Udo Voigt is de oudste van deze partijtjes en kende vooral succes in de jaren zestig. Veel leden van deze partij komen uit extreme organisaties die verboden zijn.[4]
Nederland kende dan weer een apart hoofdstuk met Pim Fortuyn, die zich van Leefbaar Nederland afscheurde en tijdens de gemeenteraadsverkiezingen met de lijst Leefbaar Rotterdam de grootste partij in Rotterdam werd. Op 6 mei 2002 werd hij doodgeschoten. De pers werd na de moordaanslag op Fortuyn door de Nederlandse publieke opinie met de beschuldigende vinger gewezen. Zij zouden het klimaat geschapen hebben dat een moord op een politiek figuur zou kunnen rechtvaardigen. Sindsdien wordt hij niet meer als extreem-rechts versleten, maar wordt voortdurend de eufemistischer term 'rechts-populistisch' aangehaald. Aanvankelijk bestond al bij veel mensen schroom om hem met een bepaalde term te betitelen. De afstand die hij tussen zijn persoon en Filip Dewinter trok, maakte hem een stuk meer aanvaardbaar. Zijn seksuele geaardheid deed de meeste mensen meer op hun hoede zijn om een etiket op zijn lijf te kleven. Toch hebben al deze partijen één ding met elkaar gemeen: allemaal halen ze hun electoraal succes bij het hardere asielbeleid en een keiharde aanpak van criminaliteit. Ook al waren Fortuyn's oplossingen van een andere aard dan diegene die het Vlaams Blok voorstelde, toch kwam hij geregeld met controversiële uitspraken in de media. Dat Fortuyn niet met Dewinter wou spreken, was mijns inziens meer te wijten aan de angst voor het effect dat dit electoraal voor zijn partij zou geven. In Nederland beschouwt men Dewinter immers als een neonazi pur sang, terwijl Pim Fortuyn die de Islam een achterlijke godsdienst noemde, aangesproken werd met 'relnicht'.
Met Dewinter komen we uiteraard bij het Vlaams Blok terecht, dat verkiezing na verkiezing, meer stemmen binnenhaalt. Van een militant en schreeuwerig partijtje bouwde men zich tot een goed geoliede pr-machine om. Het blijft een kopzorg voor de andere partijen, want het cordon sanitaire is blijkbaar niet de ideale oplossing om de partij te doen krimpen.
Dit krimpen doet men vooral omwille van het imago dat deze partij reeds 25 jaar met zich meezeult, een imago van een extremistische en gevaarlijke groepering te zijn. Terecht kan men zeggen dat hun aura bij de enen gehaat en bij de anderen geliefd is. Het overgrote deel van het publiek heeft wel een mening over deze partij en tegenwoordig mag zoiets als een eigenaardig feit aanzien worden. Tussen de officiële partijpublicaties, zowel in hun blaadjes als op het internet, als bij de berichtgeving in de traditionele pers gaapt een hemelsbreed verschil. Terwijl de partij er alles aan doet om hun standpunten bij het grote publiek geliefd te maken, probeert de pers er dan weer alles aan te doen om het Vlaams Blok verdacht te maken bij dit grote publiek. Deze constant argwanende stemming tussen twee maatschappelijke fenomenen -een groot deel van de pers en een politieke paritij-, fascineerde mij. Iets wat in je geest als 'gevaarlijk' gegrift staat, draagt een grotere spanning met zich mee en daarom trok dit onderwerp mij dus aan. De hevige reacties die de partij in bepaalde bewegingen oproept, maakten het voor mezelf als buitenstaander nog een stuk interessanter om deze partij tot kern van mijn onderzoek te maken. De discussie rond het al of niet aanvaarden van het Vlaams Blok blijft er één tussen ideologieën. En dat ideologieën sterke wapens zijn is een algemeen bekend gegeven.
Mijn thesisonderwerp behandelt uiteraard niet alle extreem-rechtse partijen in Europa, maar enkel het Vlaams Blok. Daarbij beperk ik me ook nog eens tot West-Vlaanderen. Het Vlaams Blok staat bij velen synoniem voor Antwerpen waar men het grootste electorale succes behaalt. De reden is het onveiligheidsgevoel, waar de partij handig op in weet te hameren. Tijdens de laatste gemeenteraadsverkiezingen (2000) kwam deze partij met behoorlijk aantal lijsten aandraven. Sterkste stijger hierin was net West-Vlaanderen. Er ontstaat een steeds grotere bereidheid bij de mensen om hun gezicht met de partij te verbinden en op een lijst te staan. Daarom is het onterecht om deze partij enkel te lokaliseren op de Scheldestad, want in de andere provincies krijgt men eveneens een groeiend aantal kiezers.
Ook op plaatsen waar er minder sprake is van grote concentraties migranten of gigantische misdaadcijfers weet een partij als het Vlaams Blok zich in het electorale landschap te verankeren. Een grote factor hiervoor mag gezocht worden bij de ontevredenheid ten opzichte van de huidige politieke koers, de zogenaamde kloof tussen burger en politiek die wel degelijk reëel is en die bij heel wat stemmers wel degelijk voelbaar is. Naast de grote kern van ontevredenen die uit onmacht of verbittering voor het Vlaams Blok stemmen, zijn er ook nog -weliswaar geringer in aantal- mensen die dit uit Vlaams-nationale overtuigingen doen. Hoewel men tegenwoordig op andere vlakken electoraal scoort, ligt de basis van de partij bij het Vlaamse volksnationalisme. Vlaams-nationalisme is een fenomeen die niet uitzonderlijk is voor West-Vlaanderen en een sterke historische verankering kent.
Motivering van het onderwerp en methodologische problemen.
Een onderzoek naar het Vlaams Blok in West-Vlaanderen werd me vanuit verschillende hoeken afgeraden: een extreme partij zou zich immers nooit blootgeven. Dit argument kreeg ik vooral te horen van mensen die, indien ze rond dit thema onderzoek zouden leveren, zelf van een ontmaskeringsprincipe zouden vertrekken. Over deze partij werd en wordt door academici en perslui heel wat afgeschreven, maar omdat het Vlaams Blok juist bij de meeste perslui en het gros der politieke partijen als een extremistische groepering bekend staat, vertrekken bepaalde auteurs van dit principe. De meest grove voorbeelden vond men bij Hugo Geysels[5] terug die alle regels van de historische kritiek aan zijn laarzen lapte. Heel wat subtieler gaat het er bij Mark Spruyt aan toe. Wie dieper kijkt ziet dat zelfs deze persoon met zijn gerenommeerd imago de trucendoos bovenhaalt. Een van die trucs bestaat uit het selectief overnemen van oorspronkelijke citaten met als uiteindelijk doel een verkeerd beeld weer te geven. Zonder enige pretenties te willen vertonen, kan ik stellen dat zijn boeken zeker waarde bezitten, maar uiterst voorzichtig doornomen moeten worden.[6]
Verder werd me het onderwerp ook afgeraden door mandatarissen van het Vlaams Blok zelf. Volgens Vlaams Blok-secretaris en fractieleider in de West-Vlaamse provincieraad, Kurt Ravyts, is het ondoenbaar om -zelfs met deze geografische afbakening- de geschiedenis en uitbouw van de partij op een volledige manier weer te geven, o.a. omwille van de omvang van het onderwerp. Maar, is niet elke thesis selectief? Een echte dieptethesis wordt het dus niet en de reden ligt hoofdzakelijk bij de eenduidigheid van het soort bronnen dat ik ter beschikking kreeg. Slechts van één persoon kon ik -hoewel geselecteerd- de partijverslagen inkijken. Toch verwijt ik hen hiermee niets, want voor een politieke partij -elkeen heeft zijn schandaaltjes en ruzies- blijft het moeilijk om de hele interne keuken op de straatstenen te gooien. In een archief geldt immers ook een zekere tijdsduur vooraleer men inzage krijgt. Bedoeling hiervan is het te onderzoeken object geen schade te berokkenen. Bijgevolg kon ik beroep doen op twee soorten bronnen: de officiële partijbladen en diverse interviews met mandatarissen. Allebei hebben ze hun nadelen. Enerzijds heb je het nationale partijblad: "Het Vlaams Blok", anderzijds de lokale bladen, zoals ''t Blok in Brugge', 'de West-Vlaamse Inzet', 'de Zuid-West-Vlaamse Inzet', 'de Viertorre', etc. Wat opvalt is dat deze lokale bladen niet veel lokaal nieuws weergeven, maar net als het nationale blad vooral blijven stilstaan op binnen- en buitenlandse gebeurtenissen. Gegevens over het reilen en zeilen binnen de kernen vind je er zelden in. Meestal zijn ze dus te oppervlakkig om als volwaardige bron bij dit onderzoek te gebruiken. Beroep doen op het mondelinge geheugen lukt beter, maar toch zijn ook hier heel wat beperkingen op te sommen zeker als je dit zowat als enige bron dient te gebruiken. Velen die zich met de partij inlieten, hadden weinig oog voor de uitbouw van hun eigenlijke afdeling en wisten me bitter weinig te vertellen. Hun kern is of was zodanig klein, dat ze deze taak als een embryonaal gegeven ervaarden. Velen zagen het als een rariteit dat net hierover een proefschrift werd geschreven. Verder waren cruciale personen en kroongetuigen zoals Leo Vandeweghe, Jef Nagels of Patrick Faveere reeds gestorven of naar het buitenland geëmigreerd. Een enkeling wenste geen informatie af te staan, hoewel ik mag zeggen dat de bereidheid tot medewerking globaal gezien groot was. Ontelbare keren bleek de informatie ook tegenstrijdig te zijn. De grote moeilijkheid die elke thesisstudent heeft om een aantal losse feiten tot een coherent geheel om te vormen werd bij mezelf nog eens aangevuld met het feit dat het in veel gevallen onmogelijk bleek om deze tegenstrijdige informatie te confronteren met andere bronnen, wegens een gebrek hieraan. In de tekst zitten af en toe hiaten, die door niemand konden opgelost worden. Daarom is deze thesis een basis die verre van af is. Qua informatiegehalte zou een dergelijk onderwerp het best door iemand van de partij zelf gemaakt worden. Die hebben inzage in elke bron. Het nadeel is dan wel dat de studie weinig objectiviteit zou vertonen. Als een student een dergelijk onderzoek aanvat, krijgt men een omgekeerd scenario: de graad van objectiviteit verhoogt, maar gaat wel omgekeerd evenredig met het informatiegehalte. Verder wil ik ook nog vermelden dat er in Anzegem, Damme, Nieuwpoort en Oudenburg geen personen beschikbaar waren om mij uitleg te verschaffen.
Het onderwerp dat ik behandel is bijzonder actueel, wat zowel voor- als nadelig is. Het belangrijkste voordeel is dat het voor velen herkenbaar is. Als één van de nadelen geldt dat het heel wat moeilijker is om je objectiviteit te bewaren. Hoe verder men in de tijd terug gaat, hoe groter de afstand wordt tussen de onderzoeker en het geschiedkundig object dat hij bestudeert. Onderzoek leveren naar het Vlaams Blok in West-Vlaanderen kan men amper als historisch bestempelen, gezien de jonge leeftijd van de partij. Het feit dat vele kernen in deze provincie enkele maanden voor de gemeenteraadsverkiezingen in 2000 werden gesticht, versterkt deze voorgaande gedachte.
Structuur en probleemstelling.
Het onderzoek bestaat uit 2 delen: in het eerste deel probeer ik via mini-biografieën een robotbeeld van lokale mandatarissen en militanten te verkrijgen. Heel belangrijk hiervoor zijn de buitenparlementaire, rechts-radicale en Vlaams-nationalistische verenigingen die de ideologische onderbouw leveren voor de latere doorstroming naar de partij toe. Welke van die verenigingen zijn er van belang geweest bij mijn doelgroep? Komen de ondervraagden uit een traditionele Vlaams-nationale familie? Was er in familiale kring sprake van collaboratie of verzet tijdens Wereldoorlog Twee en zo ja, had dit gevolgen voor de periode na de oorlog (repressie,…)? Heeft men ooit deel uitgemaakt van de Volksunie (VU) en zo ja, wat was de reden om de overstap naar het Vlaams Blok te maken? Zijn er eventueel ook mensen die niet meteen uit Vlaamsgezinde overwegingen besloten de rangen van deze partijen te vervoegen? Via de leeftijd van de personen probeer ik eventuele verschillen tussen de oudere en jongere generatie te ontdekken. Een ervan kan -logischerwijs- zijn dat een groot deel van de jongere generatie nooit met de VU in aanraking is gekomen en zodoende voor het eerst kennis maakt met een partijcultuur. Verder probeer ik ook een sociaal beeld van de personen te schetsen door na te gaan welk beroep hun ouders hebben uitgeoefend en welke opleiding ze zelf genoten hebben. Zijn de mandatarissen terug te vinden in de lagere -, de midden- of de hogere sociale klasse? Hiermee heb ik vooral op mondelinge bronnen moeten steunen en het blijkt al duidelijk dat men dit onderdeel niet zwart-wit kan benaderen. De waarheid is grijs en een keurslijf om te zeggen wie nu precies de mensen zijn die voor het Vlaams Blok opkomen bestaat niet.
Het tweede deel belicht de uitbouw van de partij in West-Vlaanderen. Dit deel is meteen ook het moeilijkste omwille van redenen die ik hierboven heb belicht. Personen die het prille begin hebben meegemaakt in één bepaalde gemeente, blijken niet altijd bereikbaar te zijn. Bepaalde kernen zijn zo klein dat slechts één persoon in staat bleek te zijn wat informatie te geven. Voor deze -voornamelijk recent gestichte kernen- blijkt het verhaal veelal volgens een gelijkaardig scenario te verlopen. Bijgevolg ligt de kern van dit werk niet in een opeenstapeling van feitjes, belangrijker in dit deel is de verspreiding van de partij doorheen West-Vlaanderen. In welke gemeenten komen ze op en waar niet? Hoe groot is hun electoraal succes? Hoe lang bestaan ze er al? Bevatten de gemeenten met een goed werkende kern gemeenschappelijke kenmerken? De maatschappelijke en ruimtelijke context van een gemeente kan bijdragen tot het succes van een rechts-radicale partij. Vragen waar iedereen op dit moment aan denkt handelen over misdaad en het aantal migranten. In welke mate is er hierin een patroon te ontdekken? Indien mogelijk probeer ik dan te achterhalen of er een groot percentage mensen voor de VU stemden en of er bijgevolg een Vlaams-nationale traditie aanwezig was. De moeilijkheid is dat de VU vaak onder een alternatieve naam naar de lokale verkiezingen trok. Verder dien ik ook op te merken dat ik slechts bij mijn conclusie over de verspreiding van de partij over West-Vlaanderen bij de parlementaire verkiezingen zal stil staan. In die kantons waar men een hoge score voor de parlementaire verkiezingen haalt en er geen kern aanwezig is, zal ik een algemene verklaring proberen aanreiken.
Kort samengevat probeer ik met dit proefschrift te komen tot een schets van de uitbouw van het Vlaams Blok, een nagaan van de factoren die in West-Vlaanderen een belemmering of een aansporing zijn voor diens verspreiding en het opstellen van een robotfoto van diens mandatarissen en militanten.
|
|
[1] H. VAN HUMBEECK, "De gids loopt op zijn laatste benen", Knack, jg. 32, nr. 11, 2002, pp. 85-86.
[2] ibid., p. 86.
[3] ibid., pp. 83-85.
[4] ibid., p. 84.
[5] HUGO GIJSELS. Het Vlaams Blok. Leuven, Kritak, 1992, 308 p.
HUGO GIJSELS. Open je ogen voor het Vlaams Blok ze sluit. Leuven, Kritak, 1994, 222 p.
[6] MARC SPRUYT. Grove borstels: stel dat het Vlaams Blok morgen zijn programma realiseert, hoe zou Vlaanderen er dan uitzien?. Leuven, Van Halewijck, 1995, 291 p.
MARC SPRUYT. Wat het Vlaams Blok verzwijgt. Leuven, Van Halewijck, 2000, 337 p.