| Rechts-radicalisme tussen Noordzee en Leiestreek: een analyse van het Vlaams Blok in West-Vlaanderen. (Matthias Vandezande) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
DEEL 1: ACHTERGROND VAN VLAAMS BLOK-MANDATARISSEN EN -MILITANTEN.
1. Belang van de verschillende Vlaams-nationale verenigingen.
Zoals CD&V en SP.A verweven zijn met een vakbond en een ziekenfonds, zo kan men het Vlaams Blok aanzien als het partijpolitieke verlengstuk van het rechts-radicale Vlaams-nationalisme.
Dat rechts-radicale Vlaams-nationalisme bestaat uit verschillende groeperingen die buiten de partijpolitiek opereren. Geen enkele ervan werd door het Vlaams Blok opgericht en indien de partij zou verdwijnen, zouden deze groepen blijven bestaan. Ze zijn dan ook niet geïntegreerd in de partijstructuren en zijn bijgevolg geen mantelorganisaties van het Blok. Het onderscheid tussen partij en beweging betekent niet dat er geen ideologische, politieke of personele banden zijn tussen beide. Er is echter geen structurele vervlechting. Er zijn geen plaatsen voorbehouden voor afgevaardigden van de bevriende groepen, wat in andere partijen soms wel het geval is.[7]
Wel fungeren ze als een soort kweekvijver die uitmondt in een natuurlijke doorstroming naar de partijpolitieke kant.
Voorpost-voorzitter Johan Vanslambrouck verwoordde het in zijn blad Revolte als volgt: "(…)politiek is ruimer dan partijpolitiek. (…) Hoe de mensen denken wordt ook bepaald door de media, het onderwijs, de boeken die men leest en de films die men bekijkt, kortom door de cultuur in de brede zin van het woord. Wie diepgaande politieke hervormingen wil doorvoeren moet de geesten veroveren. En dat is bij uitstek het terrein van een niet-partijpolitieke beweging. (…) Een partij moet kiezers winnen en sluit om tactische redenen compromissen af. Dat is een onvermijdelijke consequentie van het partijpolitieke spel. (…) De beweging moet erover waken dat de zogenaamde standpunten (=korte termijn-politiek) van de partij blijven beantwoorden aan de strategische doelstellingen. En waar nodig moet de beweging gefundeerde kritiek leveren op het doen en laten van de partij. (…) Met de acties die wij voeren kunnen wij problemen aanpakken waar de partijpolitiek geen vat op heeft. Hier zijn wij een noodzakelijke (sic) aanvullen van de partijpolitieke strijd. Onze campagne waarbij we Engelstalige affiches overspuiten is hiervan een goed voorbeeld. (…) Partij en beweging gebruiken andere middelen, maar de uiteindelijke doelstellingen blijven uiteraard hetzelfde. Druk uitoefenen door kiezers te winnen voor een beginselvast nationalistisch programma is belangrijk en levert resultaten op. Deze electorale druk moet ondersteund worden met weldoordachte buitenparlementaire acties. Daar ligt de kern van onze opdracht." Een van die waarschuwingen kwam er bijvoorbeeld vanuit het Were-Di blad Dietsland-Europa door Lode Gerits toen de partij op 24 november 1991 grote sprongen voorwaarts maakte: "(…) Door de electorale groei mag de partij meer mensen in dienst nemen, zo wil het Belgische systeem. Een partijbureaucratie met bijhorende betaalde medewerkers gaat een eigen leven leiden, onvermijdelijk. Het risico bestaat dat ook het Vlaams Blok als structuur gaat zweven, los van en hoog boven wat zijn kiezers willen en wat bij de 'onderdanen' leeft. Een betaalde medewerker verdedigt belangen eerder dan ideeën. Dan zal het Blok een partij worden als de andere. " De bezorgdheid vanuit deze hoeken was niet onbegrijpelijk, een partij die vooral sterke banden had met het radicale deel van de Vlaamse Beweging, en voorheen vooral steunde op militantenwerk kreeg nu in elk van zijn diensten betaalde medewerkers.[8]
De buitenparlemenaire actiegroepen die gelieerd zijn met het Vlaams Blok oefenen dus een vorm van metapolitiek uit. Frank Vanhecke hechtte aan het begrip metapolitike een grote waarde en liet zich hierdoor inspireren op de theorie van Nieuw Rechts, een ideologische stroming die in 1965-1968 in Frankrijk ontstond en waarvan Alain de Benoist de belangrijkste ideoloog is. Nouvelle Droite verspreidde zich vanuit Frankrijk naar andere landen. Men wou de anti-egalitaire basis van het rechtse denken vernieuwen, waarbij de vernieuwing vooral lag op de wijze om de boodschap te verspreiden. Veel mensen die opkomen voor de partij kregen voordien hun vorming in het rechts-radicale deel van de Vlaamse beweging. In 1998 verklaart Frank Vanhecke nog dat het Vlaams Blok wat betreft mandatarissen en politiek personeel betreft bijna exclusief uit deze vijver vist.[9]
De navolgende biografieën lijken dit grotendeels te bevestigen, hoewel er toch personen zijn die door enkele jaren lid geweest te zijn, toch nog in het lokale bestuur van de partij werden opgenomen. Ook zijn er nogal wat gemeenteraadsleden die nog nooit het reilen en zeilen van een Vlaams-nationale organisatie hebben gevolgd.
Verder zijn er ook groeperingen die nauwe banden met het Vlaams Blok hebben, maar toch geen actieve rol in de partij vervullen. Hiermee worden de zogenaamde nostalgici, leden van het Sint-Maartensfonds en Hertog Jan van Brabant, bedoeld. Mensen als Jef François en André van Hecke, waren bij de oprichting van het Vlaams Blok betrokken, maar nemen momenteel nog weinig posities in de partijstructuren in. Geen enkele van hen is de auteur van ook maar één programmatekst van het Vlaams Blok.[10]
Soms blijken bepaalde groepen te radicaal te zijn, waardoor de partij zijn militanten oproept om niet deel te nemen aan activiteiten van niet-erkende groepen. Voorbeelden hiervan zijn het Vlaams-Nationaal Genootschap (VNG). Het zijn mensen die over een lidkaart beschikken, maar door wilde betogingen en gewelddadigheden geweerd worden. Dit Vlaams-Nationaal Genootschap ontstond na de uit de hand gelopen 'moskeewandeling' in Borgerhout op 21 oktober 1990. Na vechtpartijen met migranten en tegenbetogers, beslisten de organisatoren de andere geplande moskeewandelingen af te blazen. Diegenen die hiermee niet akkoord waren, richtten uiteindelijk het Vlaams-Nationaal Genootschap op met als bedoeling revanche te nemen.[11]
Voordat ik met de individuele biografieën begin, zal ik eerst een beknopte geschiedenis geven van de naoorlogse Vlaamse Beweging, bekeken vanuit de bril van deze Vlaams-nationale buitenparlementaire groeperingen. Deze organisaties kunnen een gematigd karakter hebben, zoals bij het Katholiek Vlaams Nationaal Hoogstudentenverbond (KVHV) en de Vlaams Volksbeweging het geval is, of eerder radicale standpunten huldigen zoals de Nationalistische Studentenvereniging (NSV). Doorheen de tijd wordt hun ideologie ofwel verscherpt of afgezwakt.
1.1. Het West-Vlaams particularisme en de evolutie ervan tot voor Wereldoorlog Twee.[12]
De aard en de organisatie van de Vlaamse Beweging in West-Vlaanderen heeft een verschillend karakter met die van de andere Vlaamse provincies. De basis van deze verschillen wordt historiografisch aangeduid met de term "West-Vlaams particularisme", een verzamelnaam die volgende onderdelen bevat: de gewesttaal, het traditionalisme, het katholicisme en ultramontanisme, de belangrijke rol van de geestelijkheid en de colleges, de sterke inplanting van de Vlaamse studentenbeweging, de nabijheid van de Franse taalgrens en het geïsoleerde karakter van de provincie.
De bekendste dragers van het West-Vlaams particularisme waren Guido Gezelle, Albrecht Rodenbach, Hugo Verriest, Adolf Duclos en L. De Bo. De Bo en Gezelle stonden aan de wieg van de West-Vlaamse school wat ervoor zorgde dat de snelle verfransing, die na 1830 in de colleges voorkwam, bij hen zowat onbestaande was.
Door de band met het Middelnederlands bleef men vasthouden aan de eigen volkstaal. Er was verzet tegen de Franstaligheid, maar ook tegen het protestantisme dat volgens hen de steriele Hollandse taal zou verspreiden.
Katholicisme maakte een integraal deel uit van de volksaard. Onder het volk, de lagere geestelijkheid en bij bisschoppen zoals Frans R. Boussen en Jean-Baptiste Malou had het ultramontanisme in West-Vlaanderen een ruime aanhang. Zo waren priesters in de 19e eeuw de dragers van het intellectuele leven, maar ook de voortrekkers van de Vlaamse Beweging in West-Vlaanderen.
Tijdens het laatste kwart van de 19e eeuw kwam geleidelijk verandering in het afgesloten karakter van de agrarische provincie. In het zuiden (de Leiestreek) eiste de industrie langzaam zijn plaats op. Vooral Roeselare was een bakermat voor het Vlaams-nationalisme o.a. door de invloed die het Klein Seminarie leverde. Door contacten met het Grootseminarie van Brussel verspreidde de Vlaamsgezindheid zich onder de scholieren, wat aanleiding gaf tot het ontstaan van de 'katholieke Vlaamse studentenbeweging', die zich vooral rond West-Vlaanderen concentreerde. Tijdens de jaren 1860 groepeerden de eerste kringen zich rond Izegem (1863), Kortrijk (1865), Roeselare (1869) en Brugge (1869). De katholieke scholieren en hun leraren dienden van de geestelijke overheid te zorgen dat de Vlaamse Beweging niet in een liberaal vaarwater zou terechtkomen.
Een tweede generatie kwam op de voorgrond met figuren als August Blancke, Juliaan Delbeke, Alfons Depla, Emiel de Visschere, Hendrik Persyn en Lodewijk Wostyn. Deze generatie werd gekenmerkt door een verruiming op verschillende vlakken.
Men wou een vernederlandsing van het gerecht, bestuur, leger en onderwijs bekomen. In 1890 nam Faict enkele vernederlandsingsmaatregelen waardoor het onderwijs stilaan naar tweetaligheid evolueerde. Niet overal werden de bisschoppelijke maatregelen strikt nageleefd. In de colleges van Kortrijk, Oostende en Veurne was het Nederlands de belangrijkste omgangstaal tussen leraars en leerlingen.
De dreiging van Wereldoorlog Een had een groot deel van de West-Vlaamse bevolking naar Nederland of het noorden van Frankrijk doen vluchten. Achter de frontlinie ontstond uit de Vlaamsgezinde werking van priesters, studenten en intellectuelen de Frontbeweging. Deze was bijna uitsluitend op West-Vlaamse bodem actief. De West-Vlamingen, die overigens het sterkst in het Belgisch leger waren vertegenwoordigd, hadden een groot aandeel in de beweging. De lange duur van de oorlog en de hierbij gepaard gaande ellende was een slechte voedingsbodem voor het activisme. De grootste groep flaminganten bleef immers een vijandige houding ten opzichte van de Duitsers aannemen (op uitzonderingen na, zoals de Raad van Vlaanderen en Jong-Vlaanderen). Eind 1917 werden er in Oostende, Brugge en Kortrijk propagandaburelen van de Raad van Vlaanderen gesticht.
Na de Eerste Wereldoorlog werd de Vlaamse Beweging in West-Vlaanderen door een radicaal en bijna exclusief karakter gekenmerkt. Het West-Vlaamse particularisme, de grote impact van de Vlaamse studentenbewegingen, de frontsoldaten en de Eerste Wereldoorlog met zijn nasleep droegen tot die radicalisering bij.
De West-Vlaamse vertegenwoordigers gingen voorop in de radicalisering of de Vlaams-nationale oriëntering van Vlaamse verenigingen, verbonden of politieke partijen. Gustaaf Sap leidde namens de Katholieke Vlaamse Volkspartij (KVV) voor het arrondissement Roeselare-Tielt de onderhandelingen over de komende verkiezingen met zowel de kiesassociatie als de Frontpartij. Omdat de associatie voorstander was van de afzwakking van het minimumprogramma werd de verdere samenwerking tussen de KVV en de Frontpartij opgezegd. In Roeselare-Tielt deed dit de Fronters afzien van het steunen van de Vlaamsgezinde kandidaten op de katholieke lijst, ook al konden de Fronters er geen eigen lijst samenstellen.
In het jaar na de wapenstilstand hadden ze nog nagenoeg geen organisatie opgebouwd. Enkel Brugge en Oostende-Veurne-Diksmuide konden een lijst indienen, maar geen enkele West-Vlaamse kandidaat van de Frontpartij zou verkozen worden. Een nadeel voor het flamingantisme in West-Vlaanderen was de kuststreek, waar ten gevolge van het toerisme, de immigratie van welgestelde Franstaligen uit Brussel en Wallonië en de verkavelingspolitiek de gehele streek een Franse stempel meegaf. Het vieren van Vlaamse feesten was niet vanzelfsprekend. Toen de Oostendse burgemeester in oktober 1937 de kust een tweetalig statuut wenste te geven, stootte dit op verzet van het Brugse stadsbestuur en de meeste kustgemeenten.
Begin de jaren '20 evolueerden de leiders van de West-Vlaamse frontpartij in de richting van een traditioneel en reactionair-katholiek, anti-Belgisch Vlaams-nationalisme dat mee de basis moest vormen van een nieuwe corporatieve staatsinrichting. Vooral de katholieken waren voor hen de tegenstanders, omdat zij de grondwet naleefden en te weinig Vlaams waren. De belangrijkste ideologen van deze richting waren Joris van Severen, Jeroom Leuridan, de priesters Karel van der Espt en Odiel Spruytte.
Tijdens de jaren 1920 stelden de leiders van de West-Vlaamse Frontpartij zich steeds meer anti-parlementair op. Toch namen ze deel aan de verkiezingen omdat dit voor hen een uitstekend propagandamiddel was. De parlementsverkiezingen van 1921 leverde de eerste West-Vlaamse verkozenen voor de Frontpartij, die nu in alle arrondissementen met een lijst opkwam. De arrondissementen Kortrijk en Brugge waren de zwakke broertjes. Van Severen werd voor Roeselare-Tielt verkozen.
In de aanloop naar de parlementaire verkiezingen van 1925 had de West-Vlaamse Frontpartij zich gereorganiseerd en was het Katholiek Vlaams Nationaal Verbond (KVNV) opgericht. Van Severen werd de leider van het verbond. Geleidelijk aan sloop de Groot-Nederlandse gedachte in het West-Vlaamse Vlaams-nationalisme binnen. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1926 wist het KVNV het aantal gemeenteraadsleden te vervijfvoudigen. Opnieuw waren de resultaten voor Kortrijk en Brugge het slechtst. Vanaf het midden van de jaren 1920 werd een eigen Vlaams-nationale zuil uitgebouwd.
Omstreeks 1930 bereikte de spanning tussen katholieken en Vlaams-nationalisten niet alleen een hoogtepunt, maar zou ook de Vlaams-nationalistische zuil door de tegenstelling KVNV en Van Severen verdeeld raken. Joris Van Severen begon zich steeds meer onafhankelijk op te stellen ten opzichte van het KVNV en de spanningen tussen de groep-Leuridan en de groep-Van Severen nam toe. Toen Van Severen met de parlementaire verkiezingen van 1929 niet meer herverkozen werd, ging hij nog meer zijn eigen weg. In mei 1930 nam hij ontslag als leider van het KVNV. In september 1931 werd hij uit de partij gezet, waarop hij het Verdinaso stichtte. De eerste jaren was het vooral een West-Vlaamse beweging. Het genoot er alvast de grootste aanhang. In verkiezingstijd riep het Verdinaso op om blanco te stemmen. Vooral in Roeselare-Tielt bracht de oprichting van Verdinaso een zware slag toe aan het KVNV.
Om de eendracht te bewaren werd een reorganisatie van de gelederen van het KVNV noodzakelijk geacht. Democratie en federalisme bleven de leiders afwijzen. Men bleef vasthouden aan het doel een autoritaire en Groot-Nederlandse staat op te bouwen. Een aantal vooraanstaanden uit het KVNV raakte betrokken bij pogingen om een nieuwe Vlaams-nationale partij op te richten: het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV), met als doel het Verdinaso in te dammen.
Op 30 september 1933 besloten de gouwleiders om het KVNV te ontbinden en zich bij het VNV aan te sluiten. Spilfiguur van deze beweging was Staf De Clercq. Het VNV haalde in West-Vlaanderen 16% van de stemmen en 4 verkozenen: Jozef Devroe (Brugge), Reimond Tollenaere (Roeselare-Tielt), Jeroom Leuridan (Veurne-Oostende-Diksmuide) en Emile Butaye (Ieper). Vijftien VNV'ers werden tot provincieraadsleden verkozen.
Eind mei 1940 namen de Duitsers West-Vlaanderen in. Tijdens het eerste oorlogsjaar werden VNV'ers op belangrijke bestuursposten geplaatst. In West-Vlaanderen kreeg het VNV het voor het zeggen in het provinciebestuur. Over de naoorlogse periode werd bitter weinig historisch onderzoek over de Vlaamse Beweging in West-Vlaanderen gepubliceerd. Met mijn thesis probeer ik op die manier een nuttige bijdrage te leveren aan dit onderzoek door een fractie van het radicale Vlaams-nationalisme op lokaal vlak in kaart te brengen.
1.2. De Vlaamse Beweging in de jaren '50: het herwinnen van zelfvertrouwen.
Na de Tweede Wereldoorlog verkeerde het Vlaams-nationalisme, omwille van de collaboratie en repressie, in een crisis. Zelfhulpgroepen werden in de jaren '50 opgericht en spiegelden zich nog onwennig aan de structuren van de Nieuwe Orde uit de dagen van de oorlog.
Voor 1950 bestond er een losse actie voor hulp aan oud-oostfrontstrijders onder de naam Berkenkruis (dat later de naam van het ledenblad van het Sint-Maatensfonds zal worden). Vanaf 1950 was men actief onder het Verbond voor Vlaamse Oud-Oostfrontstrijders (VVOOS). In december 1953 kwam er een afscheuring van dit VVOOS tot stand onder de naam Sint-Maartensfonds waarbij de meeste oudstrijders uit de gewestelijke afdelingen zich aansloten. Niet enkel oud-oostfrontstrijders, maar ook voormalige geüniformeerde wapendragers, personen die tijdens de Tweede Wereldoorlog in opdracht van Duitse instanties of met toestemming van deze, wapens droegen waren welkom. Een groot deel van de leden zijn echter ex-Waffen-SS'ers. De bedoeling bestond er in materiële en morele steun aan oud-oostfrontstrijders en hun verwanten te verschaffen, waaronder hulpverlening via rechtskundige bijstand en het opsporen van vermisten. Verder probeert men een actief beeld over de oud-oostfronters naar voor te brengen. Romantisering van de hele problematiek is een vast onderdeel van de beweging.[13]
Of het nu om een dergelijke nostalgische hulpgroep ging of een meer politiek gerichte beweging, de vraag hoe men de Vlaamse beweging kon doen herleven stond centraal. De grote discussie richtte zich op het al dan niet partijpolitiek engageren van de beweging. Velen meenden dat het beter was om een algemene beweging op te starten die druk zou uitoefenen op de traditionele partijen, met name op de Christelijke Volkspartij (CVP). Vooral Hendrik Borginon wierp zich als woordvoerder van dit idee op.[14]
Een eerdere alliantie met de socialisten was al gesneuveld en aan de rechterzijde van de CVP bevond zich een politiek vacuum. Binnen de CVP voelde men stilaan de druk van vroegere collaborateurs. In een poging om enkele flamingantische stemmen te winnen, coöpteerde men voor de senaat enkele Vlaams-nationalisten die zich in de oorlog schuldig hadden gemaakt aan administratieve collaboratie. Verder ijverde de partij voor een wettelijke gelijkstelling van de Nederlandse en Franse taal. De liberalen op hun beurt bevonden zich eerder aan het spectrum van de Belgisch Socialistische Partij (BSP), die op haar beurt grote druk voelde van de Communistische Partij. Zij waren sterk gekant tegen elke vorm van flamingantisme en belichaamden het vroegere verzet. De publieke opinie was duidelijk: alles wat Vlaams was, werd geassocieerd met Duitsgezindheid. Het Belgisch patriottisme vierde in die dagen hoogtij. Het hoogtepunt van de anti-Vlaamse hetze was het opblazen van de Ijzertoren in 1946.[15]
Een dergelijke actie zette kwaad bloed bij verschillende Vlaamsgezinden, ook bij diegenen die België een loyaal hart toedroegen. Belangrijk was de Vlaamsgezinde houding die het katholicisme in die dagen aannam. In die jaren oefende ze immers een sterke controle uit op de bevolking, wat de verspreiding van die Vlaamsgezindheid enkel maar ten goede kwam.
Een ander voorbeeld van deze osmose vindt men terug in het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond (KVHV), een vereniging van katholieke Vlaamsgezinde studenten. Er waren 2 afdelingen: één in Gent aan de RUG en één in Leuven aan de KUL. Tijdens Wereldoorlog Twee opereerde men clandestien. De repressiedagen zorgden ervoor dat het KVHV zijn activiteiten niet onmiddellijk kon verder zetten. Op 19 maart 1945 nam het Gentse Verbond een nieuwe start. Aanvankelijk stelde men zich pro-Belgisch en fel leopoldistisch op. Men weigerde zich tot een politieke partij te bekennen. Wel werd van in het begin de nadruk op de katholieke beweging en de strijd tegen het communisme gelegd. Vanaf 1946 werden de contacten met Nederland terug opgebouwd en keerde het Vlaamse studentenverbond zich fel tegen de na-oorlogse anti-Vlaamse hetze, waarbij de dynamitisering van de Ijzertoren de belangrijkste exploot was. Het jaar 1947 betekende de definitieve doorbraak van het hernieuwde Vlaams-nationalisme in het KVHV. Op studentikoos vlak greep men terug naar de oude Rodenbachtraditie en zette men zich in om de sociale ontwikkeling van de Vlaamse studenten te behartigen.[16] Toch waren er ook dissidenten: verbondsleidingen wensten dat het Leuvense KVHV opnieuw zou aanknopen bij zijn vooroorlogse Vlaams-nationale traditie. Zij verenigden zich in en rond de volkskunstgroep De Kegelaar, die het Verbond verweet te veel bij de CVP aan te leunen en geen standpunt in te nemen tegen de, als anti-Vlaams ervaren, repressie. De Kegelaar ging binnen het KVHV een grootschalige eigen werking ontplooien en slaagde er in 1949 in het Verbond opnieuw een radicaal-Vlaamse koers te doen varen.[17]
Anderen, die eveneens teleurgesteld waren over de verruiming van de CVP, stichtten, naar aanleiding van de verkiezingen van 1949, de Vlaamse Concentratie, een beslissing die bij een aantal vooroorlogse Vlaams-nationalisten niet in goede aarde viel. De verkiezingsuitslag bleef bijzonder laag. Een aantal initiatiefnemers besliste om er toch mee door te gaan. Binnen de partijrangen bleef de twistvraag tussen partij of beweging een rol spelen.[18]
De koningskwestie en de royalistische sentimenten die het in Vlaanderen losweekte, deed de reïntegratie van de Vlaamse collaborateurs makkelijker verlopen.[19]
Toch bleef, vooral tijdens vergaderingen, de sfeer gevaarlijk. Represailles kwamen vooral uit de hoek van gewezen verzetslui. Ter bescherming tegen betogers werd in 1950 de Vlaamse Militanten Orde (VMO) als veiligheidsdienst door Bob Maes opgericht. Daarnaast was de VMO ook een propaganda- en actiegroep ter ondersteuning van de Vlaams-nationale politiek. De herinnering aan de vooroorlogse Vlaams-nationale partijmilities speelde bij de oprichting van de beweging beslist een rol: het woord 'Orde' was een doelbewuste verwijzing naar de Dinaso Militanten Orde. De VMO bezat geen echte organisatorische structuur. Men was immers bang om een veroordeling als privé-militie op te lopen. In maart 1952 werd de organisatie in de rangen van de Vlaamse Concentratie opgenomen. Bob Maes werd lid van het partijbestuur.[20]
Nadat de Vlaamse Concentratie bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1952 opnieuw een slecht resultaat behaalde, gingen een aantal voorstanders van de bewegingsformule over tot de stichting van de Vlaamse Volksbeweging (VVB). Inhoudelijk pleitte men voor een verregaande vorm van federalisering en amnestie. Toch kende men weinig succes en de parlementsverkiezingen van 1954 bezorgden haar de doodsteek.[21]
Diegenen die niet wensten verder te doen onder de Vlaamse Volksbeweging -die zich na 1954 niet meer met partijpolitiek inliet-, raakten in 1954 betrokken bij gesprekken omtrent een nieuw partijpolitiek initiatief, de Christelijke Vlaamse Volksunie (CVV). Een aantal bestuursleden hadden omwille van de tegenvallende resultaten de overstap naar de partijpolitiek gemaakt en zouden aan de basis van de VU staan.[22] Na de oprichting van de VU in 1954 bood de VMO zijn diensten aan. Net als bij de Vlaamse Concentratie speelde de VMO voor de VU een belangrijke rol bij de verspreiding van haar partijblad. De partij nam een dubbelzinnige houding ten opzichte van de VMO aan: enerzijds steunde men diens werking, maar tegelijkertijd wenste men dat de organisatie in de officiële parijstructuren zou ingepast worden. Een VMO-vergadering in oktober 1959 bevestigde uitdrukkelijk dat de VMO niet meer als onafhankelijke organisatie bestond en dat ze zich onderwierp aan de partijstatuten.[23]
In 1954-1955 dreven de acties in het kader van de schoolstrijd het Vlaamse element van het KVHV wat naar de achtergrond, hoewel men voor een oplossing van dit conflict in federalistische zin pleitte. Verder werd er ook aandacht besteed aan de sociaal-economische achterstand van de Vlamingen. Met de campagne tegen de miskenning van de Nederlandse taal op de Wereldtentoonstelling in 1958, de hevige amnestiestrijd in 1959 en de anti-talentellingsactie (1959-1960) speelde het KVHV een voortrekkersrol in de doorbraak die de Vlaamse Beweging begin jaren 1960 kende met de Marsen op Brussel.[24]
Eind 1954 werden de restanten van de VVB en de Vlaamse Concentratie samengevoegd om een tweede leven te beginnen. Ondanks diverse pogingen bleef het bijzonder moeilijk om figuren uit links-vrijzinnige hoek te overtuigen. Op 8 juli 1956 pakte men uit met een Vlaams urgentieprogramma waarin alle eisen waren opgenomen die in de jaren '60 de basis zouden vormen voor de herleving van de Vlaamse beweging: vastleggen van de taalgrens; culturele autonomie met splitsing van het ministerie van onderwijs en van alle diensten met een taak van opvoeding en voorlichting; verbetering van de taalwetgeving inzake bestuursleden, onderwijs, gerecht en leger; een tweetalig statuut voor Brussel; de vernederlandsing van het bedrijfsleven; zetelaanpassing; een regionaal economisch beleid. De amnestie-eis werd in gematigde termen opgenomen en het begrip federalisme werd vooralsnog niet gebruikt. Deze fase was het begin van het 'idealistisch realisme' in de VVB. De strijdpunten weken niet veel af van deze die door het Algemeen Christelijk Werk(nem)ersverbond (ACW) geformuleerd werden. Contacten tussen de VVB en deze laatste bleven dan ook niet uit. Ook de katholiek-flamingantische pers, type De Standaard, steunde het programma. Mogelijk zag men in katholiek-flamingantische middens de VVB als wapen tegen de mogelijke heropstanding van een Vlaams-nationale partij. De VU reageerde lauwtjes op de VVB. Anderzijds waren er mensen die de VVB als een dekmantel van diezelfde VU zagen. Op 7 oktober 1956 volgde de stichtingsvergadering van de VVB. Een eerste grote succes boekte men met haar actie tegen het Franstalig karakter van de Wereldtentoonstelling in 1958. Via verschillende grote acties kreeg men bekendheid bij het publiek.[25]
Toen de schoolstrijd in 1958 geluwd was, kwam het Vlaams -nationalisme opnieuw sterker op de voorgrond. Dit uitte zich in de oprichting van een nieuwe studentenorganisatie, gelinkt met de VU, hoewel er geen rechtstreekse band met deze partij bestond. Ze bestond naast het KVHV, hoewel een dubbel lidmaatschap betrekkelijk veel voorkwam. Omstreeks de verkiezingen van 1958 werd de beweging onder de naam Volksuniestudenten opgericht aan de universiteiten van Gent en Leuven. Roeland Raes behoorde tot één van de stichters van de Gentse afdeling. Na een paar jaar werd de naam gewijzigd in Vlaams-Nationale Studentenunie (VNSU).[26]
1.3. Het progressievere karakter van de jaren '60.
In de jaren '60 voegde zich bij het communautaire conflict een economische dimensie. Vanaf het einde van de jaren '50 had Wallonië te maken met een verzwakkende industrie, terwijl Vlaanderen enkele jaren later een economische opgang meemaakte. In Waalse kringen wees men met een beschuldigende vinger naar de regering Eyskens-Lilar die de Vlamingen extra voordelen zou geboden hebben bij de in 1959 uitgevaardigde expansiewetten. Ontevredenheid over de grote besparingen die de regering met de Eenheidswet aankondigde leidden tot stakingen in Wallonië. De verkiezingen van 1961 reflecteerden het bestaande ongenoegen. De meerderheidspartijen verloren flink wat stemmen, terwijl de franssprekende communisten en de VU in succes toenamen. Na die verkiezingen gooiden de christen-democraten en de socialisten hun aanpak over een andere boeg. Er kwam extra ruimte voor een progressief sociaal beleid, naast een oplossing voor het taalconflict. Het succes van het Vlaams-nationalisme gaf de sympathisanten van het vooroorlogse VNV ook een impuls om het traditioneel rechtse denken binnen de Vlaamse beweging sterker naar voor te brengen. In de jaren '60 kreeg dit denken geleidelijk een samenhangende ideologie.[27]
Om de jeugd van hun ideologieën te overtuigen richtte men op het einde van 1960 het Vlaams-Nationaal Jeugdverbond (VNJ) op, geschapen naar het beeld van de vooroorlogse Vlaams-nationale jeugdbeweging. De bedoeling bestond erin de vele naoorlogse Vlaams-nationale jeugdgroepen te verzamelen. In 1963 bezat men in 15 Antwerpse en Oost-Vlaamse gemeenten scharen of afdelingen en er werden een 300-tal leden geteld. Met enige moeite raakte men dan ook in West-Vlaanderen van start. De uitbouw in de provincies Brabant en Limburg zou relatief zwak blijven. Geleidelijk groeide het aantal scharen terwijl de andere Vlaams-nationale jeugdgroeperingen van het toneel werden verdrongen.[28] Een uitgewerkte ideologie heeft men nooit aangenomen. Toch zijn er duidelijke stellingnamen: men huldigt solidarisme in plaats van marxisme en liberalisme, men wil amnestie en op ethisch standpunt is men tegen abortus gekant. In de jaren '60 vertaalde het Vlaams-nationalisme zich in federalisme. Officieel was men nog niet anti-Belgisch, hoewel een dergelijke houding niet werd afgewezen. Orde, discipline en gehoorzaamheid staan hoog aangeschreven en praktisch vertaalt dit zich in een piramidale structuur. Aan de top staat de verbondsleider. Een derde pijler is de aandacht voor de traditionele volkscultuur. Men besteedt veel aandacht aan zang, volksdans, oude volkse feesten, vendelzwaaien en huisvlijt. In hetzelfde verband gaat er grote aandacht naar oude Germaanse sagen en de propaganda van Germaanse symbolen zoals het runenalfabet. Daarnaast beoefent men sport, spel en jeugdbewegingstechnieken. Als besluit kan men dus stellen dat het VNJ tot het rechtse en traditionalistische kamp behoort.[29] Wat de verhouding tot de partijpolitiek betreft, probeerde men zich elke keer als een ongebonden organisatie voor te doen. In de beginjaren bestond er vanuit het VNJ wel de (vergeefse) vraag om een officiële overlegstructuur met de VU in het leven te roepen. Vele VNJ-scharen werden vanuit VU-afdelingen gesteund en vooral de traditionele nationalisten in de partij waren de jeugdbeweging goedgezind. Men was telkens in de marge van grote partijactiviteiten aanwezig of zorgde op die momenten voor kinderopvang. Tot ongenoegen van zijn leiding kreeg men op die manier lang het etiket 'Volksuniejeugd' opgekleefd.[30]
Naast deze jeugdbeweging die de rechtse ideologie propageerde, kwamen er sterke impulsen vanuit het in 1964 opgerichte Were Di, een Vlaams-nationalistische, radicaal-rechtse vereniging. Alhoewel het Verbond zich in verschillende Vlaamse steden en zelfs in Nederland uitbouwde, telde het nooit meer dan enkele honderden leden. Op het einde van de jaren '60 was er een terugval toen vele jongeren de vereniging verlieten vanwege de voelbare verrechtsing van de organisatie. Were Di kan beschouwd worden als een soort denktank van rechts-radicale Vlaams-nationalisten. Er bestaan talrijke contacten met Vlaams-nationalistische groeperingen zoals het KVHV en het Sint-Maartensfonds. Het ideeëngoed van Were Di was aanvankelijk gestoeld op de Groot-Nederlandse gedachte. Vanuit deze visie was men voorstander van een hertekenen van de Europese kaart op basis van het etnische nationalisme. Op socio-economisch vlak kunnen haar ideeën, bij monde van Karel Dillen, eveneens conservatief-revolutionair, met een solidaristische inslag, genoemd worden. Voor de praktische uitwerking van deze ideeën onderhield men buitenlandse contacten met gelijkgezinden. Hierdoor viel de organisatie op in Vlaanderen. Men steunde ook de Apartheidspolitiek die de blanke minderheid in Zuid-Afrika voerde. In dit verband kan men ook verwijzen naar de vereniging Vrienden van Zuid-Afrika en het in 1977 gestichte Protea.[31]
Were Di was uiterst belangrijk omdat ze een soort 'watchdog' was voor de ideologische richting die de VU insloeg. Tegelijk voegde zich een jongere generatie bij de VU en parallel hieraan groeide een progressieve en nieuw-linkse kern in de partij.
De verlinksing zorgde geregeld voor wrijvingen met de VMO. Begin jaren '60 telde deze beweging meer dan honderd vaste militanten. Wim Maes voerde in 1958 het vaste uniform in: een grijs hemd en zwarte das. Ondanks het succes van de organisatie bij de basis van de VU, kwam er al snel kritiek op de uniformstijl van de VMO. Dat de VMO op eigen initiatief acties ondernam waarvoor de VU dan de politieke verantwoordelijkheid diende te dragen, zorgde voor nog meer heibel. In september 1963 werd er in Oostende, tijdens een nachtelijke actie tegen Franstalige opschriften, heel wat schade aangericht. Toen de zaak aan het licht kwam, werd de relatie tussen de VMO en de VU onhoudbaar. Op 3 oktober 1963 vaardigden het VU-hoofdbestuur en de VMO-leiding een gemeenschappelijke verklaring uit: voortaan ging men elk een eigen weg op. De discussies over verdwijning of integratie van de VMO in de VU liepen hoog op in de partij. In mei 1964 kwam men tot volgend akkoord: de VMO-Antwerpen hield op te bestaan en zou zich als zelfstandige partij tot de Volksunie Militanten (VUM) omvormen. De problemen bleven aanhouden. Een definitieve breuk kwam er in juni 1966, de VUM werd opnieuw de VMO. Toch werden, tot 1971, de boetes die door de VMO werden veroorzaakt, betaald door de VU via fondsen. Na de dood van Wim Maes op 2 oktober 1968 dreigde de VMO af te glijden tot een extreem-rechtse knokploeg.[32]
De VMO bleef doorheen de jaren '60 radicaal-rechts in tegenstelling tot wat er bij het jongere publiek leefde. De grote economische bloei van de 'golden sixties' zorgde voor de cultivatie van het post-materialistische denken bij de jongere generatie. Welzijn werd belangrijker dan welvaart. Vanuit deze nieuw-linkse hoek kwam er kritiek op de levensstijl van de middenklasse, terwijl alternatieve manieren van leven een grotere aandacht kregen. Dit alles werd gemengd met Vlaams-nationalisme en het eerste voorbeeld van deze mengvorm kwam er met Leuven-Vlaams in 1968.[33]
In de late jaren '60 was de rol van het KVHV verzwakt ten voordele van de Vlaams-Nationale Studentenunie (VNSU). De revolte van mei 1968 bracht nieuwe studentenleiders zoals Paul Goossens, Ludo Martens en Walter de Bock op het voorplan. Die volgden een nieuw-linkse, confrontatiegerichte en radicale koers, met als doel een democratische universiteit te verkrijgen. Op 3 maart 1967 werd binnen het KVHV de Studentenvakbeweging (SVB) opgericht. Voor de SVB primeerde voortaan de strijd tegen het kapitalistische bestel die via een totaal-democratie gerealiseerd diende te worden. Het verzet van de flamingantische achterban leerde de SVB dat het KVHV geen goede voedingsbodem was om haar programma te realiseren en zodoende verliet men de vereniging in juni 1967, in oktober gevolgd door verbondspreses Goossens. De expansieplannen van de Université Catholique de Louvain (UCL) leidden begin 1968 tot de januarirevolte. In februari viel de regering vanden Boeynants over de kwestie Leuven en was de splitsing van de universiteit een feit. Vanaf 1968 richtte het KVHV zich sterk tegen de verlinksing die de meeste studentenverenigingen aanhingen. Men propageerde een rechts, katholiek-conservatief en anti-progressief denken. Een zaak had men wel gewonnen: het anti-belgicisme was inmiddels sterk ingeburgerd onder de jongere generatie.[34]
1.4. Einde van de jaren '60 en de jaren '70: een duidelijke radicalisering.
Deze jaren staan in het teken van toenemende tegenstellingen tussen de taalgemeenschappen, de culturele dominantie van nieuw-links en de impact van de economische crisis op de publieke opinie. Als reactie op het dominerende nieuw-linkse gedachtengoed kwam er vanuit Frankrijk een nieuwe culturele beweging die de rechts-radicale vleugel steunde. Deze beweging opereerde onder de naam 'Nouvelle Droite', en werd in 1968 opgezet met Alain de Benoist als belangrijkste ideoloog. De algemeen aanvaarde mensenrechten, de strijd voor sociale gelijkheid en het taboe dat sinds 1945 rond fascisme ontstaan was, werd openlijk in vraag gesteld. Het succes van 'Nouvelle Droite' inspireerde eveneens radicaal-rechtse groepen in België. In 1971 kwam: 'The Nouvel Europe Magazine. La voix de la majorité silencieuse' op de markt.[35] Het is duidelijk dat de slogan, 'wij zeggen wat u denkt', die door het Vlaams Blok wordt gebruikt, zijn mosterd haalde uit de zin 'la voix de majorité silencieuse'. Ook het door Luc Pauwels opgerichte TEKOS (Teksten, Kommentaren en Studies) zette zich in om het 'Nouvelle Droite'-gedachtengoed in Vlaanderen en Nederland te verspreiden.
Nu de splitsing van de Leuvense universiteit een feit was en de Vlaamse problematiek aan relevantie verminderde, diende het KVHV zijn leidinggevende rol af te staan aan de SVB, die de motor werd van een nieuw-linkse studentenbeweging. Het aantal leden van het KVHV daalde. Pogingen om zich bij het SVB te voegen stuitte op verzet van de traditionalistische vleugel, die in mei 1970 definitief de macht overnam.[36] Die traditionalistische vleugel liet zich door het 'Nouvelle Droite'-gedachtengoed inspireren, met als resultaat de stichting van de extreem-rechtse Nationalistische Studentenvereniging (NSV) in 1976 door Edwin Truyens. De aanleiding hiervoor was onenigheid binnen het toenmalige presidium tussen de radicaal-nationalistische, extreem-rechtse strekking rond Edwin Truyens (ook actief in Were Di) enerzijds, en de meer pluralistisch-nationalistische richting rond onder meer Bart Vandermoere[37] anderzijds. KVHV-nationaal steunde in 1976 de strekking Vandermoere, waarop Truyens met zijn aanhang in 1976 de NSV stichtte. 'Signaal' werd het ledenblad van de groepering, maar onderging later een naamsverandering in 'Branding'. In de beginjaren waren vele gangmakers binnen de NSV actief bij Voorpost en de VMO, twee bewegingen waarmee het in de toekomst een goede relatie zou blijven houden.[38] De VMO bleef nog steeds de meest gewelddadige Vlaams-nationalistische groepering. Achter de schermen ontbond zich een machtsstrijd tussen Bert Eriksson, die vanaf 1971 leider werd, en Xavier Buisseret. Laatstgenoemde nam de leiding over van april 1974 tot oktober 1977. Daarna kwam Eriksson terug op het voorplan, waarop Buisseret met het extreem-rechtse tijdschrift Haro begon naast het officiële VMO-blad Alarm. In de redactie zaten naast Siegfried Verbeke, uitgever van negationistische geschriften, ook Roeland Raes. Naast deze perikelen scheurden zich ook twee, zo mogelijk nog radicalere, splintergroepen af: Wolfsangel (1973) en het Vlaams-Nationaal Legioen (1974).[39] Deze twee kenden slechts een kortstondig bestaan.
Om een alternatief tegenover de VMO te bieden richtte Luc Vermeulen, die uit Were Di was vertrokken, in 1976 Voorpost op: een extreem-rechtse en radicaal Vlaams-nationale actiegroep die vooral door jonge militanten werd bemand. Inhoudelijk leunde men dicht bij het gedachtegoed van Were Di en Dietsland Europa aan. Voorpost geeft maandelijks het sympathisantenblad Revolte uit en het ledenblad Voorpost Berichten.[40] Men heeft afdelingen in Nederland, Zuid-Afrika en Frans-Vlaanderen. In Frans-Vlaanderen heet de groep Voorpost/Avant-garde en wordt hij geleid door Jean-Yves Wattelaer. Johan Lubbe was voorzitter van Voorpos Suid-Afrika en werd na zijn overlijden in 1994 opgevolgd door Henk van de Graaf.[41]
Het gedachtengoed van 'Nouvelle Droite' deed zich vanaf 1969 ook binnen de rangen van het VNJ voelen. Er ontstonden ideologische wrijvingen tussen de verbondsleiding en de gouwleiding van Antwerpen. De basis voor dit conflict werd gevormd door de aanwezigheid van enkele Wiking-jugendleden op activiteiten van het VNJ-Antwerpen. Hiermee toonde de Antwerpse afdeling aan een meer radicale en Germaanse koers te willen varen, geïnspireerd door het biologische denken uit 'Nouvelle droite'.[42] In 1971 verstrakten de standpunten waarop gouwleider Piet Vereecken, samen met dienstoverste Jef Lijs en gewestleider Erik Claus uitgesloten werden. De meeste leden van de gouw en het oudercomité, onder leiding van VU-senator Hector Goemans, weigerden deze ontslagen te aanvaarden en in 1971 vormde het VNJ-Antwerpen zich tot het Algemeen Vlaams-Nationaal Jeugdverbond (AVNJ) om. Het AVNJ noemde zich nadrukkelijk Germaans, verzette zich tegen materialisme en 'rasvernietiging' en vond dat nationalisme en socialisme haaks ten opzichte van elkaar stonden. De beweging telde aanvankelijk ongeveer tweehonderd leden, maar door interne problemen daalde dit cijfer spoedig. Hierdoor veranderde na 1975 de werking. De klemtoon kwam op elitevorming en kaderscholing voor jongeren te liggen. Het AVNJ onderhield in eigen land goede contacten met de VMO en de oostfrontersorganisatie Hertog Jan van Brabant. In het buitenland waren er in de jaren 1970 goede contacten met de Duitse Wiking-Jugend en Europe-Jeunesse in Frankrijk. Deelname van AVNJ'ers aan VMO-activiteiten en de herhaalde aanwezigheid van militanten uit de Franse Fédération d'Action nationale et européenne zorgde echter meermaals voor problemen met de gerechtelijke instanties. Dit was één van de oorzaken die tot de ontbinding van de laatste twee AVNJ-groepen in 1986 leidde. In de herfst van dat jaar probeerden voormalige AVNJ-leden onder de naam Vlaamse Jeugd een nieuwe beweging te vormen. De extreem-rechtse groep legde sterk de nadruk op volkskunst en lanceerde een nieuw tijdschrift onder de naam 'Vogelvrij!'. De Vlaamse Jeugd slaagde er niet in een nieuw publiek te bereiken en het initiatief viel na enkele jaren weer uiteen. Een deel vervoegde de jongerengroep De Vrijbuiter, terwijl een kleine kern doorging met het organiseren van volkse activiteiten. Deze groep evolueerde uiteindelijk tot een vriendenkring voor ex-AVNJ - en Vlaamse Jeugd-leden.[43]
Zoals eerder aangehaald kwam het anti-belgicisme, omwille van de groeiende wrijvingen tussen de taalgemeenschappen, nog sterker op de voorgrond. Het Front Democratique des Francophones (gesticht in 1967), het Rassemblement Wallon en de VU kenden een stijgend succes. In 1970 werd België via een staatshervorming gefederaliseerd. Er ontstonden drie gemeenschappen -een Franse, een Nederlandse en een Duitse- en drie gewesten -Vlaanderen, Wallonië en Brussel-. De stijgende economische malaise, vooral in Wallonië, verscherpte eveneens de communautaire conflicten.[44] De staatshervorming werd door het VNJ uitdrukkelijk afgewezen. Voor hen diende Vlaanderen onafhankelijk te worden, om zich vanuit die tussenfase met Nederland te verenigen. Men evolueerde dus tot een Diets-nationalistische of Heel-Nederlandse vereniging. Theoretisch althans, want pogingen om een Nederlandse afdeling van het VNJ op te richten, liepen op niets uit. Na het Egmontpact en de oprichting van het Vlaams Blok werd de partijpolitieke verhouding een delicate zaak. De relatie tussen de VU en het VNJ bekoelde door de geleidelijke overstap van de traditionele nationalisten naar het Vlaams Blok. Vandaag krijgt men, opnieuw tot ongenoegen van de leiding, het etiket 'Vlaams Blok-jeugd' opgekleefd.[45]
Een niet-partijpolitieke beweging die zich vooral zou richten op taaltoestanden en eveneens verzet bood tegen de staatshervorming was het in 1932 opgerichte Taal Aktie Komitee (TAK). Men wenste een overkoepeling te worden van bestaande strijdverenigingen en vond dat noch de VU, noch de niet-partijpolitieke Vlaamse Beweging - in het bijzonder de VVB - hier een voldoende basis voor bood. De enige structuur binnen het TAK was een raad van tien mensen die de acties uitstippelden. Deze spitsten zich vooral toe op de taaltoestanden in Brussel en de taalgrensgemeenten. Daarnaast ijverde men sterk voor amnestie en werden ook andere programmapunten binnen het radicale Vlaams-nationalisme aangekaart. Tussen oktober 1974 en het midden van 1976 draaide het conflict rond de lokettenkwestie in Schaarbeek. Daarbij kwam het vaak tot harde confrontaties.[46]
1.5. De één zijn dood, het Blok zijn brood: het Egmontpact.
1.5.1. Duiding van het Egmontpact.[47]
Het Egmontpact maakte samen met de Stuyvenbergakkoorden het Gemeenschapspact uit, een ambitieus plan dat tot communautaire vrede diende te leiden. Op 24 mei 1977 werd, na wekenlange onderhandelingen, in het Egmontpaleis, de akkoorden ondertekend door christen-democraten, socialisten, VU en het FDF.
Met het Gemeenschapspact werd de drieledige gewestvorming geïnstitutionaliseerd. Op structureel vlak voldeed het Pact aan de wensen van de Franstaligen: er kwam een Waals en een autonoom Brussels gewest. Men had met 3 soevereine machten te maken, waarvan de raden ordonnanties konden stemmen. Deze hadden dezelfde rechtskracht als wetten en decreten. De gewestraden werden rechtstreeks en proportioneel verkozen, hun executieve werd door de raden aangeduid. De gewesten werden exclusief voor de plaatselijke materies bevoegd, zoals de 'zachte' sociaal-economische sector. Via dotaties zou 11% van de nationale kredieten aan de gewesten worden overgemaakt.
De Nederlandstalige partijen gingen met deze 3 gewesten akkoord indien ze in Brussel niet overheerst zouden worden. Dit was echter wel het geval en naast de in 1970 aan de gemeenschappen toegekende culturele materies, kwam er een uitbreiding naar de persoonsgebonden materies. Aangezien gemeenschappen in Brussel bevoegd waren voor hun instellingen, zouden de persoonsgebonden materies aan de Brusselse gewestraad, waar de Vlamingen in de minderheid waren, onttrokken worden. Zo konden Vlamingen in Brussel, voor zowel de culturele als de persoonsgebonden materies, terecht bij Vlaamse instellingen of bij instellingen daarvoor opgericht door de Vlaamse gemeenschap.
Verder werden de gemeenschappen bevoegd voor de taalwetgeving in de homogene taalgebieden. De onderwijsbevoegdheid werd slechts gedeeltelijk naar de gemeenschappen overgeheveld. Net zoals dat voor de gewestordonnanties gold, hadden de gemeenschapsdecreten kracht van wet. Toch konden ze niet van fiscale autonomie genieten. Via dotaties werd een krediet van zowat 13% naar de gemeenschappen overgeheveld.
In Brussel konden de Franstaligen zich niet mengen met de Vlaamse instellingen die het Vlaams-culturele en persoonsgebonden beleid uitstippelden. Om te vermijden dat het aantal Nederlandstaligen tot een onbenullig getal zou terugvallen werd de Brusselse gewestraad samengesteld uit het dubbel aantal leden van het aantal volksvertegenwoordigers van die gewestraden.
Het feit dat men in de Brusselse gewestregering bij consensus regeerde, was een bescherming tegen de minorisatie van de Nederlandstaligen. Het verplichtte beide taalgroepen tot samenwerking. Maar de juridische inhoud van de consensusregel was nog iets anders: men raakte het niet eens of het een louter ontslagrecht of een vetorecht inhield.
Door het protest van de Franstaligen werd de Brusselse executieve niet paritair samengesteld. Van de 7 leden waren er 2 Nederlandstalig. Hierdoor kregen ze ook maar 2 bevoegdheidspakketten toegeschoven. Bij ontstentenis van een politiek akkoord over de bevoegdheidsverdeling, werden de 'harde' beleidsmateries aan de Franstaligen voorbehouden.
Omwille van de Franstalige dominantie in de 19 Brusselse gemeentebesturen dienden de Nederlandstaligen zelf hun eigen culturele initiatieven op touw te zetten. Een probleem was wel dat de Brusselse gemeentebesturen en OCMW's voor de meeste en belangrijkste persoonsgebonden materies instonden. Probleem: ze werden door Franstaligen overheerst. De Vlaamse onderhandelaars poogden dan ook de gemeentelijke persoonsgebonden materies door de Vlamingen zelf te laten beheren. Vandaar dat in de oprichting van gemeentelijke gemeenschapscommissies werd voorzien. Zij konden over culturele zaken, het onderwijs en communautaire aspecten van persoonsgebonden materies adviseren of er voorstellen over formuleren. De commissies werden proportioneel samengesteld. Ten aanzien van de persoonsgebonden materies bezat men een beroepsrecht, dat door het Brussels college zou worden behandeld. Indien er geen eensgezindheid bereikt werd, zou de omstreden beslissing geschorst worden. De toepassing van de schorsing hield wel heel wat leemten in: de samenwerking tussen de gemeenschappen stond of viel bij de goede wil van de Franstaligen.
Wat gold voor de Nederlandstaligen in de Brusselse gemeenten, diende ook van tel te zijn voor de Franstaligen in de 6 randgemeenten. Ook daar werden gelijkaardige gemeenschapscommissies opgericht. Hoewel er sprake was van ééntalig Nederlands gebied, werd de Franstalige gemeenschap bevoegd verklaard om Franstalige instellingen in de 6 randgemeenten op te richten. Overigens kon de Brusselse Franstalige cultuurcommissie haar werkzaamheden naar de 6 randgemeenten uitbreiden, zodat de band tussen Franstalig Brussel en de Rand kon worden aangescherpt. Indien het advies van de gemeentelijke gemeenschapscommissie niet werd opgevolgd, werd het beroep in laatste instantie door de paritaire ministerraad behandeld. Dit was een sluitende waarborg, temeer daar de taalvoogdij over de 6 randgemeenten in nationale handen bleef.
Het Gemeenschapspact stelde verder dat de Franstaligen in de 6 randgemeenten dezelfde rechten kregen als de Nederlandstaligen in de Brusselse gemeenten. Als, met andere woorden, de Nederlandstaligen in Brussel iets konden bedingen, dan konden de Franstaligen ook dezelfde rechten of instellingen opeisen in de 6 randgemeenten. Kortom, de verfransing in de 6 randgemeenten kon worden verdergezet en het homogeen Nederlandstalig karakter van die gemeenten kreeg een enigszins fictief karakter. Het territorialiteitsprincipe werd op de helling gezet. Sterker nog, de faciliteiten werden uitgebreid.
Verder was er ook het inschrijvingsrecht, waardoor meerderjarige Franstalige inwoners van Vlaams-Brabant zich fictief in één van de Brusselse gemeenten konden inschrijven en daar over administratieve, fiscale, sociale en juridische faciliteiten konden beschikken. In relatie tot de overheid werden individuele dossiers in het Frans afgehandeld. De Vlaamse onderhandelaars aanvaardden dit, op voorwaarde dat het limitatief was en er geen electorale rechten aan verbonden waren. Na 20 jaar was het inschrijvingsrecht uitdovend. Het Egmontpact vatte het inschrijvingsrecht ruimer op. Wie ervan gebruik wenste te maken, kon voor de parlements-, de gewestraads- en de Europese verkiezingen in Brussel gaan stemmen. Aanvankelijk was het recht ook niet uitdovend.
Het inschrijvingsrecht stuitte op hevig protest bij de niet-partijpolitieke Vlaamse beweging. Toch was het protest eerder een principiële zaak, want men diende immers een bijzonder omslachtige procedure te doorstaan vooraleer men van het recht gebruik kon maken. Enkel in de 6 randgemeenten kon men dit langer dan 20 jaar gebruiken. Toch dient men de hele zaak te relativeren, want via de faciliteiten had men deze rechten al. Wel bepaalde het Gemeenschapspact dat de Franstalige kinderen uit de Egmontomschrijvingen kleuter- en lagere school konden lopen in de 6 randgemeenten. Deze bepaling was fundamenteel in tegenstelling met de taalwet en dus ongrondwettelijk.
Ook het electorale aspect had voor de Vlamingen geen negatieve gevolgen. Indien men daarvan gebruik maakte, kon men enkel stemmen voor een kandidaat in Brussel. Het zou geen invloed uitoefenen op de machtsverhoudingen in de rand. Eigenlijk zou het machtsaandeel van de Franstaligen in de rand sowieso geneutraliseerd worden door de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde in een kiesarrondissement Brussel en een kiesarrondissement Halle-Vilvoorde. Daardoor konden de Franstaligen uit de rand hun stem niet meer uitbrengen in het arrondissement Halle-Vilvoorde, zodat de kans op Franstalige verkozenen uit de rand veel geringer werd. Daartegenover zou het machtsaandeel van de Vlamingen in de rand erop vooruitgaan, temeer daar een communautaire apparentering van de Vlaamse lijsten uit Halle-Vilvoorde met die uit Leuven werd voorzien.
Maar welke invloed zou het recht op de machtsverhoudingen in de Brusselse gewestraad uitoefenen? Indien het aantal Egmontkiezers boven de 25.000 uitsteeg, werd het aantal te begeven zetels van de Vlaamse Brusselaars bedreigd, ten voordele van een vermoedelijke zetelwinst in de rand. Indien het aantal Egmontkiezers niet boven de 25.000 uitsteeg, kon het recht enkel een zetelverschuiving veroorzaken binnen het Franstalige kiezerskorps.
De inrichting van de
staatsinstellingen werd aan het federale model aangepast. Zo kwam het pact aan
de hervorming van het tweekamerstelsel tegemoet. Het zwaartepunt van de
nationale besluitvorming lag voortaan bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers.
De bevoegdheden van de Senaat werden fel afgezwakt. Toch bleef het orgaan
medebeslissend bij een grondwetsherziening en inzake wetten aangenomen met een
bijzondere meerderheid. Verder bepaalde het de normen waaraan de Brusselse
bi-communautaire instellingen moesten voldoen. Voor de bevoegdheden van
nationale materie, of in andere aangelegenheden van nationaal belang, vervulde
de Senaat de rol van reflexiekamer. Verder werd de Senaat een afspiegeling van
de Vlaamse numerieke meerderheid. Maar, ten aanzien van een grondwetsherziening
of goedkeuring van wetten met een bijzondere meerderheid zou de Senaat beslissen
met een aanwezigheidsquorum en een meerderheid per taalgroep. Dit is een vorm
van pariteit. Ten aanzien van elke nieuwe stap in de staatshervorming dienden de
gemeenschappen samen te werken. Kortom, qua samenstelling werd de Senaat de
emanatie van de gewesten. Qua medebeslissende of staatshervormende bevoegdheden
werd de Senaat de emanatie van de gemeenschappen. Niet enkel de senatoriële
bevoegdheden, ook het aantal senatoren werd drastisch verminderd. Van
provinciale senatoren was geen sprake meer omwille van de afschaffing van de
provincies door de gemeenschappen. Ook de gecoöpteerde senatoren en de senatoren
van rechtswege behoorden tot het verleden. Er kwam ook een generatiewissel.
Voordien diende men veertig jaar te zijn om verkiesbaar gesteld te worden. Omdat
het Gemeenschapspact de vertegenwoordigers van de Senaat trapsgewijs samenstelde
uit de vertegenwoordigers van de gemeenschapsraden veranderde dit.
Tegenover de afschaffing van de provincies, werd in de oprichting van subgewesten voorzien. Boven de gemeenten, maar onder het gewest, kwamen 25 subgewesten: 13 in Vlaanderen, 11 in Wallonië en 1 in Brussel. De provinciale administratie bleef wel behouden. Aan het hoofd zouden 11 provinciegouverneurs worden aangesteld, die als een soort regeringscommissaris zouden optreden.
In mei 1977 werd het Gemeenschapspact ondertekend. De regering-Tindemans II had 75% van de kiezers achter zich geschaard. Toch hield men het slechts 16 maanden uit voordat Tindemans het ontslag van de regering aanbood. De loodzware procedure leidde echter tot een achtjarige samenwerking. Wat de kiezer ook zou beslissen, dezelfde coalitie zou behouden blijven. Deze achtjarige samenwerking verried bovendien het ontluikende wantrouwen tussen sommige partijen en eerste minister Tindemans. Het waren de partijvoorzitters Hugo Schiltz van de VU en Willy Claes van de toen nog unitaire BSP die reeds tijdens de onderhandelingen de achtjarige samenwerking in een clausule wensten op te nemen. Tindemans liet van in het begin weten dat voor hem de uitbreiding van de culturele autonomie de voornaamste realisatie was. Daardoor vreesden de VU en de Waalse socialisten dat de globale staatshervorming in de vergeethoek zou belanden. Tindemans kon zich bovendien niet met het pact verzoenen, waardoor het aan een sterke leider ontbrak.
Bovendien was het pact op sommige punten ongrondwettelijk. De tegenstanders waren zowel binnen als buiten de regering te vinden. Vlamingen en Franstaligen hielden er tegengestelde interpretaties op na.
Voeg hierbij de intense oppositie van de niet-partijpolitieke Vlaamse beweging en het overgrote deel van de Vlaamse pers, en het hoeft geen betoog dat de slaagkansen van het pact serieus gehypothekeerd werden. Met de vertwijfelde basis of achterban werden weinig contacten gelegd. Enkel Wilfried Martens en Hugo Schiltz boden enig weerwerk aan de tegenstanders. Tussen hen en de buitenparlementaire Vlaamse beweging ontstond kortsluiting. Vooral de taalaspecten lagen de Vlaamse beweging bijzonder zwaar op de maag.
Het compromis Brussel en de Rand, gekoppeld aan de structurele autonomie voor gemeenschappen en gewesten en de hervorming van de instellingen hielden belangrijke maatschappelijke repercussies in. Vanuit de partijen waren er dan ook meerdere essentiële partijpolitieke - of machtsbezwaren.
Bovendien liep de confrontatie van de traditionele met de federalistische partijen op een sisser uit. Tot slot werden enkele onverzoenbare federalistische en unitaristische strekkingen binnen enkele partijen waargenomen, wat veelal het gevolg van een generatiekloof was.
1.5.2. De weerslag van het pact op de Vlaams-nationale organisaties.
Tijdens de tweede helft van de jaren '70 was er sprake van een geleidelijke radicalisering binnen het VNSU. Op dat moment kende men 3 vaste kernen: Gent, Brussel en Leuven. De grote verwarring van het Egmontpact in 1977 luidde echter het einde van de studentenbeweging in. Hoewel de vereniging zich officieel tegen het Egmontpact verzette, kwam het intern tot conflicten tussen voor-en tegenstanders van de VU-partijtop. In Leuven verdween de VNSU omstreeks 1979, terwijl de afdeling Brussel zich omstreeks 1980 aansloot bij de Volksunie-Jongeren (VUJO).[48]
In het Sint-Maartensfonds maakte het Egmontpact de tegenstelling tussen de gematigde en radicale elementen wakker. De ideologische meningsverschillen ontstonden in het najaar van 1978. Radicalen als Frans Vierendeels, Bert Hendrickx en Jef François eisten dat het fonds meer politieke standpunten zou innemen, onder meer tegen de progressieve vleugel van de Volksunie (VU) en tegen het Egmontpact. De gematigden, met onder meer Jef Desseyn en Vincx, wilden de oud-oostfronters reïntegreren in de Vlaamse beweging. Zij plaatsten de inzet van de oostfronter in de christelijke strijd tegen het bolsjewisme centraal en vroegen om begrip voor de collaboratie op basis van het Vlaams-nationalistische ideaal. De radicale vleugel koppelde de rehabilitatie van de oostfronter aan de herwaardering van het nationaal-socialistische gedachtegoed. Aanvankelijk bleef de eenheid bewaard, maar toen op voorstel van Vincx de statuten van het fonds werden 'verruimd' door de belangenverdediging van de geüniformeerde wapendragers gelijk te stellen met die van de oud-oostfrontstrijders, begon de Brabantse gewestelijke afdeling met de uitgave van een eigen blad 'Periodiek Contact' (november 1979) en werd een eigen vereniging met de naam Hertog Jan Van Brabant (april 1980) opgericht. In 1984 kwam het tot een verzoening. De radicalen kregen opnieuw een aanzienlijke stem in de hereniging. Het afzweren van het nationaal-socialistische gedachtengoed door de gematigde fractie gebeurde wellicht eerder om strategische dan om ideologische redenen.[49]
1.5.3. Barsten in de VUe: het ontstaan van de Vlaams-Nationale Partij, de Vlaamse Volkspartij en zijn uiteindelijke gemeenschappelijke deler.[50]
Op 1 oktober 1977 stichtte Karel Dillen, als rechtstreeks gevolg van het Egmontpact, in Antwerpen de Vlaams Nationale Partij (VNP) op. De oprichters van deze radicale Vlaams-nationalistische partij waren, naast Karel Dillen en diens echtgenote Madeleine Koninckx, gewezen VU-senatoren Leo Wouters en Geeraard Slegers, Walter Peeters, Renaat Wenmeekers, Renaat Vanheusden, Paul Mortelmans, Gerda Vercauteren, Wilfried Aers, Wim Verreycken, Frans Wymeersch en Xavier Buisseret. Mia Dujardin werd verantwoordelijke uitgever voor het partijblad "De Vlaams Nationalist", dat voor het eerst in december 1977 verscheen. Dillen vertrok reeds in 1971 uit de Volksunie en tegelijk uit de partijpolitiek. Hij engageerde zich in radicaal-nationalistische verenigingen als Were Di.
Na de Egmontverkiezingen stapten veel Were Di-leden naar de Vlaams Nationalistische Partij (VNP) over. De eerste VNP-activiteit was de deelname aan de betoging van het Anti-Egmontkomitee - een overkoepeling van het verzet tegen het Egmontpact - in Dilbeek op 23 oktober 1977.
Naast Dillen verliet ook VU-senator Lode Claes de partij om als onafhankelijke in de senaat te zetelen. Hij stichtte op 19 november 1977 de Vlaamse Volkspartij (VVP). De 2 waren op het eerste zicht anti-Egmontpartijtjes, hoewel de visie van Claes en Dillen verschilde. De eerste liet zich omringen door intellectuelen en wou bij de volgende verkiezingen meerdere zetels in het parlement halen. De VVP was een brede centrumpartij die een volwaardige politieke rol diende te hebben. Dillen daartegenover omringde zich met een schare militanten die hij uit de VU had opgevist en stelde zich tot doel een drukkingsgroep tegenover de 'verlinkste' VU te vormen. Toch waren er mensen die de 2 liever zagen samensmelten, zoals Bert Van Boghout. De VNP was in oorsprong een stuk radicaler dan de VVP: nationalisme, solidarisme en rechts waren sleutelwoorden. Verschillende standpunten zoals nationalisme versus internationalisme, het Europa der volkeren en gastarbeiders bleven hun bestaansrecht hebben in het verdere verloop van de partij.
Met het oog op de parlementaire verkiezingen van december 1978 kwamen de kopstukken van VNP en VVP bijeen op een vergadering in Antwerpen. Een akkoord werd niet bereikt, voornamelijk omwille van de onenigheid die er heerste rond de beginselverklaring en het programma. Tijdens het eerste VNP-congres in het Euro-Crest Hotel in Antwerpen werd een akkoord tot verkiezingskartel bereikt, voornamelijk door de dreiging van Dillen dat hij niet zou aarzelen om in Brussel, het werkterrein bij uitstek van Claes, als lijsttrekker te fungeren. Voor Dillen ging het enkel om een technisch akkoord en zeker geen samensmelting. De kartellijst zou op voorstel van Leo Wouters Vlaams Blok heten. Dillen en Claes trokken respectievelijk de lijst in Antwerpen en Brussel. Het verkiezingsprogramma werd op 1 december 1978 aan de pers voorgesteld.
Tegen alle verwachtingen in had Claes te weinig stemmen om verkozen te worden, in tegenstelling tot Dillen die met 2.817 voorkeurstemmen een zetel in de Kamer van Volksvertegenwoordigers kreeg. De Vlaams Blok-lijst haalde in totaal 75.945 stemmen voor de Kamer en 80.809 voor de Senaat wat neerkwam op zo'n 1,5% van de in Vlaanderen uitgebrachte stemmen. Verder werden ook 2 provincieraadsleden verkozen: Jos Buyst (VVP) en Piet Van Den Bergh (VNP). De ontgoocheling van Claes leidde tot het opgeven van het akkoord met de VNP in januari 1979. Een aantal personen, zoals Edwin Truyens, betreurden dit en namen de overstap naar de VNP. Het kwam al snel tot een akkoord en de oprichting van een nieuwe partij: het Vlaams Blok, dat officieel van start ging op 28 mei 1979. Voor de Europese verkiezingen in juni 1979 diende de partij geen lijst in omwille van financiële redenen. Wel werd voorgesteld om de amnestielijst van Edgar Delvo te steunen. Uiteindelijk kon die laatste geen lijst indienen waardoor een oproep volgde om blanco te stemmen. Van een echte partij was geen sprake, want de Vlaams-nationale initiatieven waren vooral te vinden bij actiegroepen als Voorpost, TAK, NJSV en NSV. Alleen bij verkiezingen was er een grote mate van activiteit.
1.6. De jaren '80 en '90: van beweging tot partij.
1.6.1. Vlaams-nationale organisaties en radicalisme.
Stilaan ontstond een groeiend zelfvertrouwen onder de militanten van rechts-radicale groeperingen. Met hun agressieve propaganda namen ze de democratische orde op de korrel en geregeld ondernam men illegale operaties. Op het einde van de jaren '80 en het begin van de jaren '90 was er een electorale doorbraak van de radicaal-rechtse partijen in zowel het nederlandstalige als het franstalige deel van België.[51]
Een voorbeeld hiervan was de VMO die op basis van de wet op privé-milities in 1934 gerechtelijk werd verboden. Een veertigtal militanten kreeg voorwaardelijke straffen of geldboetes, terwijl leider Eriksson 1 jaar celstraf kreeg. Velen wensten de VMO echter niet op te geven en op 12 december 1983 werd dan ook een opvolger aangekondigd onder de naam Odal-groep. Van de organisatie ging slechts weinig dynamiek uit en op 22 maart 1986 kondigde Eriksson de heroprichting van de VMO aan. De feitelijke leiding kwam in handen van Werner Van Steen, een figuur met neonazi-sympathieën. Midden 1987 namen Eriksson, Eggermont en anderen ontslag uit de VMO uit protest tegen Van Steen. Onder impuls van Eggermont werd een vzw gevormd rond het blad Alarm. Men nam afstand van het neofascistisch denken en optreden van de ontbonden VMO en werd een onafhankelijk Vlaams-nationaal maandblad dat aanleunde bij de denkbeelden van onder meer het TAK en de VVB.[52]
Het KVHV kende opnieuw een verrechtsing. De extreem-linkse tegenacties bij Vlaamse betogingen te Leuven, alsook de Koude Oorlog-problematiek waren hier illustraties van. Na 1983 evolueerde het KVHV naar een pragmatisch en 'positief kritisch' nationalisme. Met de acties voor de federalisering van het onderwijs in 1985-1987 werd de werking op een concreet thema toegespitst. Vanaf 1987 begon de partijpolitieke polarisatie tussen de VU en het Vlaams Blok ook op het KVHV te wegen. Het KVHV had op zijn rechterflank ook af te rekenen met de NSV.[53] Het succes van die laatste was en is sterk afhankelijk van de leidinggevende figuren in de verschillende afdelingen. In Leuven liet men zich in de late jaren '80 opmerken door agressieve acties, gericht tegen de erkende studentenkoepel en de linksgeörienteerde organisaties. Inhoudelijk leunt men sterk aan bij de oudere nationalistische groeperingen zoals Were Di en diens uitgave Dietsland Europa. Die laatste wordt door de NSV-leiding beschouwd als de ideologische basis voor de eigen activiteiten. Sinds de opkomst van het Vlaams Blok volgt de NSV trouw de poltieke strijdpunten die door deze partij worden aangebracht. Vele kaderleden en politici van het Vlaams Blok hebben in hun studententijd voor de NSV gemiliteerd.[54]
Het radicalere standpunt zorgde voor een extremer standpunt van de VVB rond Vlaams-nationalisme. Het nieuwe bestuur met voorzitter Peter de Roover probeerde de VVB een nieuw elan te geven. Men speelde een grote rol in de oprichting van het Aktiekomitee Vlaanderen '90. Het Aktiekomitee -dat het merendeel van de nationalistische verenigingen verzamelde- hield in mei 1990 en april 1991 massabetogingen rond een radicaal eisenpakket. Daarin werden eisen omtrent de splitsing van de provincie Brabant en het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde opgenomen. Ook de splitsing van de sociale zekerheid kwam aan bod.[55]
In die periode was er een goede samenwerking tussen de TAK-leiding en het bestuur van de VVB. Eind 1991 sloten de 2 organisaties een samenwerkingsakkoord met enkele gemeenschappelijke bestuursleden tot gevolg. Zo leek het TAK wel de actiegroep van de VVB te worden.[56]
In april 1991 organiseerde de VVB opnieuw een algemeen congres. De vereniging zette er de stap naar een openlijke, separatistische stellingname: een onafhankelijke Vlaamse staat in Europa werd het hoofddoel. De grotere activiteit en de radicalisering had sinds 1989 een verdubbeling van het ledenaantal tot gevolg. Daarbij vonden vooral traditionele nationalisten hun weg terug naar de VVB. Onder hen heel wat leden van de VU, zoals Walter Peeters, die het niet meer met de koers van hun partij eens waren. Daarnaast werden ook veel traditionele nationalisten uit het Vlaams Blok lid. Ondanks het feit dat men zich onthoudt van een stellingname op sociaal-maatschappelijk vlak, blijft men weinig mensen uit het linkse spectrum aantrekken.[57]
De nieuwe strijdvaardigheid van de niet-partijgebonden Vlaamse Beweging onder impuls van een verjongde en geradicaliseerde VVB had zijn invloed op het KVHV - Leuven dat vanaf 1990-1991 opnieuw een radicaal-Vlaamse koers ging varen en in de lijn van de VVB naar een separatistisch standpunt evolueerde. Sedert 1992 wordt er gepleit voor een neoconservatieve frontvorming waarbij de Vlaamse problematiek vanuit een rechts-liberale invalshoek werd benaderd.[58]
5.2. De doorbraak van de partijpolitieke spreekbuis in het radicale Vlaams-nationale milieu.[59]
Op 8 november 1981 nam het Vlaams Blok voor de tweede maal deel aan de wetgevende verkiezingen. Met 66.426 stemmen voor de Kamer en 71.754 voor de Senaat verloor de partij zo'n 9.000 stemmen. Dillen behield echter zijn zetel.
In oktober 1982 kwamen er gemeenteraadsverkiezingen. Het congres dat op 19 september 1982 in Beveren plaatsvond, had als thema: 'solidarisme en gemeentepolitiek'. In totaal kwam men in 27 gemeenten met een lijst op. Bijna overal haalde men minder dan 1%. In Mechelen kwam men net aan 1,6%, maar het was vooral Antwerpen dat met 5,2% het grootste succes kende. Het leverde de partij 2 zetels in de gemeenteraad op, voorbehouden voor Eric Deleu en Piet Mulder.
In het kader van de 'uitzendingen door derden' werd in 1983 zendtijd gegeven aan de partij. De verzorging was in handen van de Nationalistische Omroepstichting (NOS) onder leiding van Wim Verreycken.
De eerste jaren na de Egmontzaak lag de klemtoon sterk op het communautaire probleem, hoewel de vreemdelingenproblematiek geregeld aan bod kwam. Het terugkeerbeleid voor niet-Europese vreemdelingen maakte sinds 1978 deel uit van het verkiezingsprogramma en tijdens de verkiezingscampagne van 1981 werd voor het eerst gebruik gemaakt van de slogan: '400.000 werklozen, waarom dan nog gastarbeiders?' In 1983 diende Dillen een wetsvoorstel in dat voorzag in een premie voor gastarbeiders die naar hun land van herkomst vertrokken. Op 25 maart 1984, de 'Internationale Dag tegen Racisme', congresseerde de partij in de Beneluxzaal van het Brusselse congressenpaleis. Volgens de partij diende het vrij verkeer van werknemers te worden afgeschaft. Illegale en criminele vreemdelingen dienden naar hun land van herkomst teruggestuurd te worden. Op de arbeidersmarkt dienden autochtonen voorrang te krijgen. In hetzelfde jaar volgden nog de Europese verkiezingen, waar de partij aan participeerde. In Antwerpen behaalde men meer dan 5%.
Bij de wetgevende verkiezingen van oktober 1985 boekte de partij met 85.391 stemmen een lichte winst. Het bleef opnieuw bij één Kamerzetel, waardoor Dillen opnieuw op post bleef. In hetzelfde jaar behaalde men ook 2 verkozenen voor de Antwerpse provincieraad: Nico Michielsen en Filip Dewinter. Uit ontgoocheling wegens het gebrek aan succes, besloot Dillen in november 1985 zijn plaats af te staan aan een jongere kracht: Gerolf Annemans.
In 1987 kwam er communautaire heibel in de anti-belastingspartij RAD-UDRT (Respect voor Arbeid en Democratie). Roger Frankinouille, voorzitter van de Vlaamse vleugel van de partij was van mening dat de Vlamingen minder aan bod kwamen in de partij. De Vlaamse vleugel stapte over naar het Vlaams Blok. Op 3 april werd een akkoord tussen de RAD en het Vlaams Blok gesloten.
In hetzelfde jaar kwam er ook veel verzet tegen de toenmalige voorzitter van het IJzerbedevaartcomité, Paul Daels. Hij voerde dat jaar een regiewijziging door met als gevolg dat de 'Stem van Suid-Afrika' en het 'Wilhelmus' niet langer samen met de Vlaamse Leeuw zouden gezongen worden. Zuid-Afrika bleef een gevoelig punt binnen het radicale Vlaams-nationalisme. Een IJzerbedevaarderscomité werd opgericht dat het verzet tegen Paul Daels coördineerde. Dit verzet was enkel een dekmantel om te protesteren tegen het progressievere karakter die door de bestuurders aan de bedevaart werd meegegeven. Door de verschillende protesten op de weide werd de kloof tussen de radicalen en de gematigden binnen de Vlaamse Beweging meer dan ooit duidelijk.
Tot 1987 werd er weinig werk gemaakt van een jongerenbeweging. Enkel Jongeren-Aktief, onder leiding van Xavier Buisseret, betrok deze doelgroep bij de partij, maar de werking splitste zich vooral toe op Antwerpen en omgeving. Toch waren ook ouderen bij de beweging betrokken. Samen met Jongeren-Aktief richtten Hans Carpels, Frank Vanhecke, Werner Marginet, Jurgen Ceder, Jan Vandenbroucke en Filip Dewinter 'Vlaams Blok Jongeren' (VBJ) op. Dewinter werd de eerste VBJ-voorzitter, zowel voor het partijbestuur als de partijraad. In de partijraad voegde VBJ-secretaris Werner Marginet zich bij hem. Deze stap was een schakel in de strategie om de partij een verjongingskuur te laten ondergaan. Het eerste congres vond op 3 oktober 1987 in het cultureel centrum RIX in Deurne plaats. 'Rechts zonder complexen' was het thema. Zowat de hele leiding van het VBJ heeft zijn sporen verdiend in de NSV.
Voor de wetgevende verkiezingen van 13 december 1987 werd de Kamerlijst getrokken door Gerolf Annemans. Tweede op die lijst was uittredend provincieraadslid Filip Dewinter, lijstduwer werd ex-RAD-er Roger Frankinouille. Karel Dillen trok de Senaatslijst met Wim Verreycken als eerste opvolger. Ditmaal ging men de verkiezingen in met de beruchte slogan 'Eigen Volk Eerst'. Dankzij de handtekeningen van de CVP beschikte men over een nationaal nummer. Men behaalde 117.988 stemmen voor de Kamer en 123.025 stemmen voor de Senaat. Dit was een stijging van respectievelijk 32.597 en 33.081 meer dan in 1985. Een derde van de stemmen kwam uit het arrondissement Antwerpen, maar ook Mechelen met 4,7% en Sint-Niklaas met 3,5% deden het voor de partij niet onaardig.
In 1988 waren er gemeenteraadsverkiezingen. In 58 gemeenten en steden werden lijsten ingediend. Drie campagnethema's stonden centraal: Vlaamse onafhankelijkheid, veiligheid en immigratie, elk aangevuld met eigen, lokale aandachtspunten. De uitslag werd voor de eerste maal een succes. De Morgen drukte de volgende dag een zwarte voorpagina af met daarop de titel: 'Zwarte zondag in Antwerpen'. Men behaalde er 17,7% van de stemmen, wat hen 10 van de 55 gemeenteraadszetels opleverde. Men werd de derde grootste partij van de stad. De meeste van de 54.163 uitgebrachte stemmen leken afkomstig te zijn uit de volkswijken.
Begin februari 1989 lanceerde Agalev-voorman Jos Geysels een voorstel om een interpartijenprotocol af te sluiten waarin men zich zou verbinden niet samen te werken met anti-democratische partijen. Op 10 mei 1989 werd het verdrag, 'cordon sanitaire' genoemd, ondertekend door SP-voorzitter Frank Vandenbroucke, CVP-voorzitter Herman Van Rompuy, PVV-voorzitter Annemie Neyts en parlementsleden Paul Van Grembergen (VU) en uiteraard Jos Geysels (Agalev) zelf.
Op 18 juni 1989 namen de verkiezingen voor het Europees Parlement en de Brusselse Hoofdstedelijke Raad plaats. Karel Dillen trok de lijst voor de Europese verkiezingen, Gerolf Annemans werd lijstduwer. Eerste opvolger was Frank Vanhecke. De lijst voor de Brusselse Hoofdstedelijke Raad werd getrokken door Joris Van Hauthem. Op de tweede plaats stond Roeland Van Walleghem. Voor de Europese verkiezingen haalde de partij 241.117 stemmen, voldoende om Karel Dillen naar Straatsburg te zenden. In de Senaat werd hij opgevolgd door Wim Verreycken. In de Brusselse Hoofdstedelijke Raad haalde men één verkozene, Joris Van Hauthem. De partij kreeg er 2,6 % van de stemmen. Er werd een technische fractie in het Europese Parlement gevormd, de 'Technische Fractie Europees Rechts (TFER)', tussen de Republikaner, het Front National en het Vlaams Blok.
Hoewel het Vlaams Blok in zijn grondbeginselen uit 1977 had gesteld dat het gezin de hoeksteen van de samenleving was, duurde het tot 1991 eer het partijbestuur besliste om aan dit onderwerp haar jaarlijks congres te wijden met als resultaat het aannemen van 31 resoluties, o.a. de invoering van een meervoudig familiaal stemrecht waarbij ouders een extra stem per kind konden uitbrengen. Verder wenste men de rol van de thuiswerkende ouder herwaarderen via de invoering van een opvoedersloon.
Toen de VU in 1991 de regering verliet, gaven ook de andere partijen er de brui aan. De verkiezingen werden voor 24 november 1991 gepland. De partij pakte met een folder uit waarop 2 bokshandschoenen in combinatie met de slogan: 'uit zelfverdediging' prijkten.
De uitslag stond bekend als 'Zwarte Zondag'. Het Vlaams Blok haalde 10,3% van de stemmen. Overal in Vlaanderen ging de partij er fors op vooruit. Op arrondissementeel niveau haalde men in Antwerpen 20,7%. De lijst voor de Antwerpse provincieraad, onder aanvoering van Ignace Lowie, behaalde er 29%. Dit resultaat leverde hen 18 zetels op. In Kamer en Senaat won de partij 15 zetels bij.
In de media en bepaalde lagen van de bevolking begon het protest tegen de partij te groeien. Op 22 maart 1992 trokken duizenden betogers door Brussel voor het collectief 'Hand-in-Hand' met de bedoeling 'Zwarte Zondag' te herdenken..
In het voorjaar van 1992 publiceerde het Vlaams Blok bij monde van Filip Dewinter zijn meest omstreden publicatie. Het '70-puntenplan' bestond uit radicale maatregelen met de bedoeling om migranten die hier woonden het een stuk moeilijker te maken.
Dankzij de wet op de partijfinanciering, die vanaf 1992 van kracht werd, beschikte de partij over extra middelen. Dit was nodig, want met een dergelijke electorale groei diende men zich beter te structureren. In elke provinciehoofdplaats kwam er een Vlaams Bloksecretariaat. Via de stichting van het Nationalistisch Vormingsinstituut (NVI) organiseerde men vormingsdagen en werden brochures en programmaschriften uitgegeven. De Vereniging voor Vlaams Blok Mandatarissen (VVBM) stonden de mandatarissen van de partij bij.
Vanaf 1993 werd meer aandacht geschonken aan een harde criminaliteitsbestrijding. Filip De Man maakte de associatie met het lakse vreemdelingenbeleid en de losse mentaliteit van de jaren '60. Concrete voorstellen waren de afschaffing van de wet Lejeune, het aanpakken van de witte boord- en vreemdelingencriminaliteit, geen legalisering van hard- en softdrugs en een aanpak van de mediacriminaliteit. Ook economische problemen werden gelinkt met de migrantenproblematiek. Om een antwoord te geven op het Globaal Plan van premier Dehaene en de daarmee gepaard gaande besparingen startte men midden november 1993 de campagne 'Werk Voor Eigen Volk Eerst'. Verder kwam er een 'Zwartboek Werkloosheid' waarin het vreemdelingenaandeel in die werkloosheid werd beschreven. Al bij al nogal tegenstrijdig.
Eind april '94 stelde het Vlaams Blok zijn campagne voor de Europese verkiezingen van 12 juni voor. De slogan heette 'Grote Kuis' en had als symbool een bezem. Men maakte allusie op de traditionele politici, die men ervan beschuldigde van de gewone burger te profiteren terwijl de dagdagelijkse problemen niet aangepakt werden. Verder verzette de partij zich tegen het gemeentelijk stemrecht voor vreemdelingen. Voor deze verkiezingen haalde men 463.919 of 12,6% van de stemmen in Vlaanderen, een stijging van 60.000 in vergelijking met 1991. Het leverde de partij een tweede zetel op, die naar Frank Vanhecke ging. In West-Vlaanderen en Limburg, de 2 zwakste provincies voor de partij, steeg men eveneens.
Dezelfde bezem werd, met de nieuwe slogan, 'Orde op zaken', gebruikt voor de gemeenteraadsverkiezingen van 1994, waarmee men in 138 gemeenten opkwam. Met dit resultaat bereikte men zo'n 42% van de gemeenten en zo'n 65% van de bevolking. In Antwerpen was Filip Dewinter lijsttrekker voor de kamer, Wim Verreycken was dit in dezelfde stad voor de senaat. De partij hoopte in de stad op 15 van de 55 zetels, uiteindelijk worden het er 18. Zo'n 28% van de stemmen werden gehaald, een stijging met 2% tegenover de parlementaire verkiezingen van 1991. In 68 gemeenten wist men 204 vertegenwoordigers te plaatsen. De stijging is spectaculair, want tijdens de vorige legislatuur wist men slechts 23 verkozenen in 10 gemeenteraden te installeren. In de provincieraad van Antwerpen zaten 16 Vlaams Blokkers, in Limburg 3, in Oost-Vlaanderen 6, In West-Vlaanderen 3 en in de nieuwe provincie Vlaams-Brabant 6.
In april 1995 werd de campagne voorgesteld die de wetgevende verkiezingen van 21 mei 1995 voorafging. De affiche bestond uit de slogan 'Nu afrekenen!' en had als symbool een gebalde vuist. Opnieuw verwees men naar de traditionele partijen en de regering-Dehaene. Op 21 mei 1995 bleek dat de partij nog steeds het grootst was in Antwerpen. Men kon in totaal 32 parlementsleden naar Kamer, Senaat, Vlaams Parlement en de Brusselse Hoofdstedelijke Raad sturen.
Op 8 juni 1996 maakte Karel Dillen bekend dat hij ontslag nam als voorzitter. Enkele jaren geleden had hij al aan de partijraad verzocht om zijn opvolger aan te duiden. Pas op het congres kwam er zekerheid over de identiteit van de opvolger. Het werd Frank Vanhecke die in zijn speech beklemtoonde dat de partij nooit een gematigder koers zou varen. Karel Dillen zetelt nog steeds in het Europees Parlement en is erevoorzitter van het partijbestuur.
1.7. De partijstructuur van het Vlaams Blok.
1.7.1. Het partijbestuur.[60]
Het partijbestuur is samengesteld uit:
-de voorzitter.
-de ondervoorzitter.
-de verslaggever.
-de penningmeester.
-de verantwoordelijke voor de propaganda.
-de verantwoordelijke voor de organisatie.
-de hoofdredacteur van het partijblad.
-de voorzitter van Vlaams Blok-Jongeren.
-de voorzitter van de financiële commissie.
-de verantwoordelijke voor de studiedienst.
-de verantwoordelijke voor de omroepstichting.
-de verantwoordelijke voor het persbeleid.
-de vertegenwoordiger van de Vereniging van Vlaams Blok Mandatarissen (VVBM).
Het partijbestuur beslist in alle zaken van dagelijks beheer en heeft residuaire bevoegdheden. Het neemt standpunten in, verspreidt mededelingen en brengt verslag uit aan de partijraad. Men bepaalt de te volgen tactieken, werkt in overleg met de partijraad de strategie uit en geeft richtlijnen aan de ondergeschikte besturen. Verder behandelt dit orgaan alle klachten inzake personen en alle betwistingen in verband met provinciale, arrondissementele of plaatselijke besturen. Het brengt terzake advies uit bij de partijraad. Elk lid heeft de bevoegdheid om voor de taken, waarvoor hij of zij bevoegd is, na goedkeuring van het partijbestuur een speciale commissie op te richten die het partijbestuur adviseert. In de schoot van het partijbestuur werkt een dagelijks bestuur dat ter uitvoering van de besluiten alle materiële beschikkingen treft. Zijn daden zijn enkel beperkt tot het financiële vlak.
1.7.2. De partijraad.[61]
In het Vlaams Blok staat de partijraad hiërarchisch het hoogst aangeschreven. Het beleidsorgaan is samengesteld uit:
-de leden van het partijbestuur.
-1 afgevaardigde per arrondissement.
-de provinciale voorzitters en 1 afgevaardigde per provincie van de provincieraadsleden.
-de volksvertegenwoordigers en senatoren.
-een bijzonder vertegenwoordiger voor Brussel.
-met een opdracht belaste leden, voorgedragen door het partijbestuur.
-een afgevaardigde van de VBJ.
De partijraad bespreekt alle politieke materies en treft belangrijke beslissingen met betrekking tot de strategische en politieke koers. Voor de ondergeschikte besturen en organen worden algemene richtlijnen verstrekt. Verder wordt hun werking beoordeeld. Ernstige moeilijkheden in een arrondissement moeten door de arrondissementsvoorzitter aan de partijraadsvoorzitter voorgelegd worden. Tuchtaangelegenheden en klachten worden besproken na advies van het partijbestuur. Bij alle congressen en kaderdagen wordt de inhoud door dit orgaan bepaald. Heel belangrijk is het controlerecht op alle publicaties, ook van lagere organen. Dit met de bedoeling om eventuele teksten te wijzigen. Bestuursleden worden aangesteld of ontslagen door de partijraad. Deze maatregel kwam er vooral door het gevaar om juridische veroordelingen - met het oog op racisme - op te lopen.
1.7.3. Het provinciaal bestuur.[62]
Het provinciaal bestuur treedt op als bijzondere schakel tussen partijbestuur en -raad en de ondergeschikte besturen. De provinciale voorzitter is belast met de rapportering van de activiteiten in zijn provincie aan partijbestuur of -raad. Hij waakt over de naleving van het huishoudelijk reglement en de politieke lijn in zijn provincie. Men heeft de bevoegdheid om controle uit te oefenen op de naleving van richtlijnen door ondergeschikte besturen.
1.7.4. Het arrondissementeel bestuur.[63]
Ieder arrondissement wordt geleid door ten minste:
-een voorzitter.
-een secretaris.
-een penningmeester.
-een vertegenwoordiger van de Vlaams Blok Jongeren.
-andere verantwoordelijken, indien door de geldende regels aangesteld.
Het arrondissementeel bestuur is verantwoordelijk voor de doorstroming van alle toepasselijke informatie van de hogere naar de lagere geledingen en omgekeerd, bijvoorbeeld het overmaken van de verslagen van alle vergaderingen naar het nationaal secretariaat. Het coördineert de werking van afdelingen en kernen en de controle erop. Verder controleert het de naleving van het huishoudelijk reglement in het arrondissement. Het verwijst klachten naar het bevoegde hogere bestuur door. Men is financieel verantwoordelijk voor de verkiezingscampagne van de arrondissementele lijsten voor Kamer, Senaat en provincie. Alle persoonlijke propaganda valt echter ten laste van de betrokken kandidaat. Verder dient men ook in te staan voor de nationalistische vorming van de afdelingsbesturen en partijleden en belegt het minstens 1 maal per jaar een algemene ledenvergadering ter bespreking van het vorige werkjaar en ter voorbereiding van het volgende.
De arrondissementsvoorzitter is verantwoordelijk voor de verdediging van alle punten die door het arrondissement zijn voorgedragen in de partijraad.
1.7.5. De arrondissementsraad.[64]
De arrondissementele raad bestaat uit:
-het voltallige arrondissementsbestuur.
-de afdelingsvoorzitters of kernverantwoordelijken.
-de vertegenwoordigers van de VBJ-afdelingen of kernen.
De arrondissementele raad treedt op als gespreksforum tussen het arrondissementsbestuur en de vertegenwoordigers van afdelingen of kernen. Zij is verantwoordelijk voor de bespreking van alle voorgelegde teksten, in het bijzonder de voorgestelde congresteksten.
1.7.6. Andere bepalingen.[65]
De huidige voorzitter duidt zelf zijn opvolger aan voor een periode van 3 jaar. Na 3 jaar stelt het eensgezind partijbestuur als college verlenging voor of vervanging op gemotiveerd advies, waarover de partijraad beslist bij consensus.
De functie van partijvoorzitter en partijondervoorzitter is niet cumuleerbaar met een actieve provinciale of arrondissementele functie. De leden van het partijbestuur worden aangesteld door de partijraad. Niemand kan voor meer dan 1 functie aangesteld worden. Kandidaten worden functie per functie voorgedragen door het aftredend partijbestuur.
|
|
[7] MARC SPRUYT, Grove borstels…, pp. 56-58.
[8] MARC SPRUYT, Wat het Vlaams Blok…, pp. 20-21.
[9] ibid., pp. 20-21.
[10] MARC SPRUYT, Grove borstels…, p. 39.
[11] ibid., p. 40.
[12] FILIP BOUDREZ. "West-Vlaanderen", in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, Tielt, Lannoo, 1998, pp. 3687-3704.
[13] NICO WOUTERS, "Sint-Maartensfonds", in: Nieuwe…, pp. 2754-2755.
[14] BART DE WEVER, "Vlaamse Volksbeweging", in: Nieuwe…, pp. 3484-3488.
[15] LOUIS VOS, "The extreme right in post-war Belgium: from nostalgia to building for the future", in: Modern Europe after fascism, 1943-1980s, New York, Columbia University Press, 1998, s.p.
[16] KOEN PALINCKX, "Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond Gent (KVHV-Gent)", in: Nieuwe…, pp. 1605-1606.
[17] WILFRIED WEETS, "Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond Leuven (KVHV-Leuven)", in: Nieuwe…, pp. 1606-1611.
[18] BART DE WEVER, "Vlaamse…", pp. 3484-3488.
[19] LOUIS VOS, art. cit., s.p.
[20] BART DE WEVER, "Vlaamse Militanten Orde - Vlaamse Militanten Organisatie", in: Nieuwe…, pp.3465-3467.
[21] BART DE WEVER, "Vlaamse…", pp. 3484-3488.
[22] BART DE WEVER, "Vlaamse…", pp. 3484-3488.
[23] BART DE WEVER, "Vlaamse Militanten Orde…", pp. 3465-3467.
[24] ibid.
[25] BART DE WEVER, "Vlaamse…", pp. 3484-3488.
[26] KOEN PALINCKX & WILFRIED WEERTS, "Vlaams-nationale studentenunie (VNSU)", in: Nieuwe…, pp.3331-3332.
[27] LOUIS VOS, art. cit., s.p.
[28] BART DE WEVER, "Vlaams-nationaal jeugdverbond", in: Nieuwe…, pp. 3327-3328.
[29] ibid., p. 3328.
[30] ibid.
[31] NICO WOUTERS, "Verbond van Nederlandse Werkgemeenschappen Were Di", in: Nieuwe…, pp. 3207-3208.
[32] BART DE WEVER, "Vlaamse Militanten…", pp. 3465-3467..
[33] LOUIS VOS, art.cit., s.p.
[34] WILFRIED WEETS, "Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond Leuven…, pp. 1609-1610.
[35] LOUIS VOS, art. cit., s.p.
[36] WILFRIED WEETS, "Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond Leuven…, p.1610.
[37] Filip Dewinter zou later in Antwerpen uitgespeeld worden tegen deze VU-mandataris en zou hierbij het pleit winnen.
[38] PETER VERLINDEN, "Nationalistische Studentenvereniging (NSV)", in: Nieuwe…, pp. 2158-2159.
[39] BART DE WEVER, "Vlaamse…", p. 3466.
[40] PETER VERLINDEN, "Voorpost", in: Nieuwe…, pp. 3561-3562.
[41] MARC SPRUYT, Grove borstels…, p. 38.
[42] BART DE WEVER, "Vlaams-Nationaal…", p. 3327.
[43] JAN CREVE, "Algemeen Vlaams Nationaal Jeugdverbond (AVNJ), in: Nieuwe…, pp. 256-257.
[44] LOUIS VOS, art.cit., s.p.
[45] BART DE WEVER, "Vlaams Nationaal…, p. 3328.
[46] BART DE WEVER, "Taal Aktie Komitee (TAK)", in: Nieuwe…, pp.2946-2948.
[47] ERIC VAN DE CASTEELE, "Gemeenschapspact", in: Nieuwe…, pp.1246-1251.
[48] KOEN PALINCKX & WILFRIED WEETS, "Vlaams…", p. 3334.
[49] NICO WOUTERS, "Sint-Maartensfonds …", p. 2755.
[50] WIM WIENEN, Vlaams Blok: 20 jaar rebel, 1977-1997, Brussel, Frank Vanhecke, pp. 17-23.
[51] LOUIS VOS, art.cit., s.p.
[52] BART DE WEVER, "Vlaamse…", pp.3466-3467.
[53] WILFRIED WEETS, "Katholiek…", p. 1610.
[55] FRANK SEBERECHTS, "Aktiekomitee Vlaanderen '90", in: Nieuwe…,p. 232.
[56] BART DE WEVER, "Taal…", pp.2947-2948.
[57] BART DE WEVER, "Vlaamse…", p. 3488.
[58] WILFRIED WEETS, "Katholiek…", p. 1610.
[59] WIM WIENEN, op.cit., pp. 17-148.
[60] KRISTA ALEN, LEO DE WAELE, FILIP DEWINTER, etc., Vlaams Blok politiek zakboekje 1994, Brussel, Nationalistisch Vormingsinstituut, pp. 183-186.
[61] Ibid., pp. 186-191.
[62] Ibid.pp. 197-198.
[63] Ibid., pp. 199-201.
[64] Ibid., p. 201.
[65] Ibid, pp. 191-192.