Visies op de maatschappij in de Vroege Middeleeuwen: Het wereldbeeld van de Visigotische kerkelijke elite (589-711). (Frank Van Den Steen)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

V. Maatschappij en concilies: verandering en constanten

 

De bedoeling van dit hoofdstuk zal zijn om de lezer vertrouwd te maken met de inhoud van de verschillende concilies. Daarbij zal de weg van de chronologische benadering bewandeld worden: concilie na concilie zullen de teksten gehergroepeerd worden volgens de thema’s die behandeld worden. De drie gebruikte categorieën zijn daarbij de Kerk, de maatschappij en de politiek. Deze drie thema’s worden niet door ieder concilie in een of ander aspect van hun wezen behandeld. Men zal ze dan ook niet altijd allen tezamen in ieder concilie vertegenwoordigd zien, zeker niet in de provinciale concilies. De meerderheid van de nationale concilies behandelen daarentegen wel een of ander aspect van een van de drie voornoemde categorieën.

 

 

1. De take-off van het katholicisme in Spanje: Toledo III, 589

 

De dood van koning Leuvigild in 586 zal zeer snel leiden tot een totale koerswijziging in de religieuze oriëntatie van de Visigotische maatschappij. Rond 4 mei 589 immers kwam het eerste nationale concilie, op last van koning Reccared, te Toledo samen. Het opende met een toespraak van de koning, waarop de bisschoppen zich terugtrokken om gedurende drie dagen te vasten. Ze kwamen opnieuw bijeen op 8 mei, wanneer de koning hen nogmaals toespreekt en zijn tomus overhandigt. Deze tomus, die het program voor het verloop van het concilie bepaalt, wordt luidop door een van de clerici voorgelezen. Daarin maakte de koning duidelijk dat hij door God belast is geworden met de heerschappij over vele volkeren, en hij benadrukt dan ook zijn afhankelijkheid van de Schepper. Enkel door het geloof, en de bekering tot het ware geloof, kan de koning God danken voor de vele weldaden die hem verleend werden.

Na dit vertoog last de koning een theologisch discours in, waarbij hij zijn geloof in de heilige drievuldigheid bevestigt: er is slechts een God, die bestaat uit drie goddelijke personen.

De koning herinnert de lezer en toehoorder nogmaals aan zijn goddelijke missie: met Gods hulp bracht hij niet enkel de Visigoten tot het ware geloof, maar ook de Sueven, die zijn vader enkele jaren voordien overwonnen had. Deze volkeren bekeerden zich massaal, maar het was slechts een uiterlijke vorm van bekering. Daarom doet de koning nu een beroep op zijn bisschoppen om het volk werkelijk tot het ware geloof te brengen.

Hier neemt de koning de theologische draad weer op. In zijn betoog veroordeelt hij Arius en zijn dwaalleer, om vervolgens de orthodoxe leer te omarmen zoals die bepaald werd in de vier grote oecumenische concilies van Nicea, Constantinopel, Efeze en Chalcedon.

De tomus regius eindigt met de ondertekening door Reccared en zijn koningin, Baddo.

Onmiddellijk na het voorlezen van deze tomus barst een concert van vreugdekreten los. De katholieke bisschoppen zijn werkelijk in de zevende hemel. Om de intenties van de bekeerde Goten werkelijk te kunnen inschatten, spreekt een van de bisschoppen hen in naam van het ganse concilie vermanend toe, met de vraag zich uit te spreken voor het katholieke geloof en tegen de ariaanse ketterij. Het antwoord van de Goten ligt in het verlengde van de bisschoppelijke vraag, maar zij voegen er aan toe hen niet iedere fout kwalijk te duiden, maar er hen vriendelijk attent op te maken.

In een lijst van drieëntwintig artikels die op het verslag van de ondervraging volgt,  worden vervolgens een voor een de ariaanse geloofspunten geanathematiseerd[49]. Het eerste anathema veroordeelt al diegenen die het ariaanse geloof en de ariaanse gemeenschap willen herstellen, of er trouw aan blijven. De anathemata II tot en met X veroordelen al wie ook maar het kleinste punt omtrent de drievuldigheidsleer in vraag durft te trekken. Het elfde punt veroordeelt al wie gelooft dat er een ander geloof kan bestaan buiten het orthodox katholieke geloof, zoals vastgelegd in de vier oecumenische concilies. De punten XII, XIII en XIV anathematiseren diegenen die weigeren de vereiste lof en eer te brengen aan de heilige drievuldigheid. Het vijftiende anathema betreft de ariaanse praktijk van het wederdopen: katholieken die zich voor 580 tot het arianisme wensten te bekeren, moesten nogmaals gedoopt worden volgens de ariaanse riten. De katholieke traditie zet zich hiertegen af omdat zij oordeelt dat de doop slechts eenmalig kan zijn, en steeds geldig is, ongeacht de persoonlijke overtuiging van de priester. Dit houdt onder andere ook in dat de arianen die toetreden tot de katholieke Kerk, niet herdoopt mogen worden. Het volgende artikel slaat zij die geloof hechten aan de ariaanse riten in de ban. Het betreft hier vooral de toetreding van Romeinen (katholieken) tot de Visigotische Kerk (arianen), welke sinds het ariaanse concilie van 580 te Toledo vereenvoudigd werd door handoplegging, door het ontvangen van de communie uit handen van een ariaanse priester en het aanvaarden van de ariaanse drievuldigheidsleer, zoals bepaald in de woorden “gloria Patri per Filium in Spiritu Sancto”. De volgende anathemata zijn duidelijk gewijd aan het geloof en de geloofspunten zoals bepaald in de verschillende concilies. Artikel XVII veroordeelt de aanhangers van het ariaanse concilie van Rimini uit 359, en de daaropvolgende banvloek bevestigt nogmaals de waarde van het katholieke geloof, met een banvloek tot eeuwige verdoemenis voor zij die weigeren het katholieke geloof te aanvaarden. In de anathemata XIX tot en met XXII wordt al wie de vier oecumenische concilies misprijst, veroordeeld. Het laatste anathema herhaalt de voornaamste bepalingen van de voorgaande anathemata, gaat nog even dieper in op het belang van de concilies, en veroordeelt ten slotte nogmaals al diegenen die het katholieke geloof weigeren te aanvaarden.

Hierna volgt een uitgesponnen voorlezing van de geloofsbelijdenissen zoals bepaald in de concilies van Nicea en Chalcedon[50]. Dan volgen de handtekens van acht ex-ariaanse bisschoppen, van bekeerde priesters en diakens, evenals van de belangrijkste edellieden van de Goten die tot de katholieke Kerk toegetreden waren[51].

Na het feestelijke gedeelte van de toetreding der Goten tot de katholieke Kerk, richt de koning zich opnieuw tot het concilie. De koning heeft een klare kijk op de zaak: om het land te dienen en zijn onderdanen tot nut te zijn, mag zijn aandacht zich niet beperken tot het wereldlijke domein: met de hulp van Christus wil de koning ook de kerkelijke zaken eens goed onderzoeken[52]. De koning wil niet ieder detail aangaande de Kerk regelen. Neen, hij heeft een uitdrukkelijke wens: ‘ut omnes sacrificii tempore ante conmunionem corporis Christi vel sanguinis iuxta orientalium partium morem unanimiter clara voce sacratissimum fidei recenseant symbolum’[53]. De vorst kan zijn uitdrukkelijke wens ondersteunen met twee argumenten. Ten eerste voert hij aan dat het opzeggen van de geloofsbelijdenis, voor het ter communie gaan, de harten zuivert door het geloof. Het tweede argument wordt meer uitgewerkt, waarbij het geloof op zich een belangrijke rol speelt: door het naleven van deze bepaling, en het voortdurend herhalen van de geloofsbelijdenis, zal het geloof bij de bevolking toenemen en niemand zal inbreuken tegen het geloof nog langer kunnen verstoppen achter onwetendheid. Dit argument in het koninklijke vertoog lijkt verreweg het belangrijkste te zijn, zeker tegen de achtergrond van de recente gebeurtenissen met de massale bekering van Goten en Sueven.

De koning gaat nog even door met praten, en vermaant de bisschoppen om zijn wens als eerste gespreksonderwerp te behandelen. Verder laat hij hen de vrijheid om in strenge bewoordingen te verbieden wat in strijd is met de leer en op te leggen wat volgens de leer gedaan moet worden.

Na de vele koninklijke toespraken en de bekeringsceremonie van de arianen, vatte het concilie zijn wetgevende taak aan.

Dit concilie bevat enkel bepalingen over de kerkelijke en maatschappelijke sfeer. De politiek lijkt bewust buiten het concilie gehouden te zijn: de koning had voldoende macht om zijn politieke beslissingen te legitimeren zonder goedkeuring van de kerkelijke leiders. Waarschijnlijk achtte niemand het nodig of wenselijk dat het concilie politieke beslissingen kracht bij zou zetten.

Het eerste onderwerp waar de geestelijken zich mee bezig houden is dan toch niet ’s konings wens: door de jarenlange overheersing van het arianisme en het isolement van de Spaanse katholieken, achtten de bisschoppen het noodzakelijk om eerst en vooral alle bepalingen van katholieke concilies en alle decreten van de pausen te bevestigen en te eisen dat iedereen deze verordeningen na zou leven. Door de overmacht van het arianisme was een efficiënte controle van het gedrag van de geestelijken immers niet mogelijk. Alle scheefgegroeide situaties moeten nu weer rechtgetrokken worden en deze canon is daartoe een aanzet. Een zinnetje, dat er als het ware tussen geflanst is, vermeldt echter een specifiek misbruik: ‘nullus deinceps ad promerendos honores ecclesiasticos contra vetita canonum adspiret indignus’[54]. Het feit dat dit expliciet vermeldt wordt, midden algemene beschouwingen, kan er op wijzen dat het een wijdverbreid misbruik was om kerkelijke functies aan onwaardige priesters of leken te geven.

In de tweede canon wordt aan de wens van de koning gehoor gegeven en men verplicht nu iedere Kerk in Spanje en Gallië om de geloofsbelijdenis, zoals bepaald in het concilie van Constantinopel, voor het zeggen van het zondagse gebed, op te zeggen[55]. Voor dit concilie is dit de enige canon met een concrete bepaling over het verloop van de eredienst. Het nut en belang van deze canon werd hoger reeds besproken.

Als wij de resterende canones groeperen, dan valt meteen op dat de grootste groep bepalingen bevat omtrent het materiële en menselijke vermogen van de Kerk. Zo wordt het iedereen verboden om ook maar het geringste goed van de Kerk te ontvreemden. Er wordt wel onmiddellijk bij vermeld dat kerkelijke goederen wel degelijk gebruikt mogen worden om noden te lenigen, indien althans de belangen en rechten van de Kerk niet geschaad worden. De bisschop mag monniken en kerken binnen zijn diocees materieel bijspringen. Ook pelgrims, clerici en armen kunnen op de bijstand van de bisschop rekenen (c.3). Een bisschop die een klooster wil stichten, mag de monniken een kerk en wat goederen schenken, echter weer met de voorwaarde dat dit het kerkelijke bezit op geen enkele wijze mag aantasten (c.4). Sommige bisschoppen zien door het verdwijnen van de ariaanse kerk hun goederen toenemen (c.9), waardoor ze meer middelen in handen krijgen om de organisatie beter uit te bouwen, en om hun prestige te vergroten. Er wordt ook weerwerk geboden aan bezitters van eigenkerken. Dezen menen blijkbaar dat een gewijde kerk onder hun beheer kan blijven, echter, zo zien de bisschoppen dat niet, en verwijzend naar de oude canones eisen zij dan ook dat een gewijde (eigen)kerk, voortaan onder de administratie van de locale bisschop valt (c.19). Wanneer een slaaf die tot de fiscus behoort een kerk wil bouwen, dan moet de bisschop daarvoor eerst de goedkeuring van de koning afsmeken en verkrijgen (c.15). De Kerk moet ook haar belangrijkste instrument verdedigen: het menselijke potentieel waarover zij beschikt. Men mag daarbij niet uit het oog verliezen dat de Visigotische Kerk weliswaar refereerde aan haar geestelijken, maar dat zij gefundeerd was op een brede onderlaag van slaven en onderhorigen. Haar overlevingskansen waren nauw verbonden met het surplus dat door de eigen ondergeschikten gerealiseerd kon worden, en haar macht baseerde zich op de economische rijkdom, uitgedrukt in beheer van goederen en mensen[56]. In dit kader moeten we dan ook de canon plaatsen die bepaalt dat kerkelijke vrijgelatenen, evenals die vrijgelatenen die aan de Kerk toevertrouwd werden, zich nooit kunnen ontdoen van het beschermheerschap van de Kerk (c.6).

Clerici zijn blijkbaar een belangrijk element van prestige en rijkdom. Indien zij dat niet zouden zijn, dan valt het moeilijk te verklaren waarom de bisschoppen een bepaling moesten uitvaardigen die zegt dat men van clerici die tot de fiscus behoren, de koning niet mag vragen om hen te schenken (c.8). Misschien leefden clerici op fiscale gronden in een zeker vorm van autonomie, en zouden zij die autonomie verliezen wanneer zij door schenking in handen zouden vallen van lokale rijken.

Een kritiek die men kan formuleren bij deze opmerkingen over canones 6 en 8, is dat zij eerder te maken hebben met de macht van de Kerk dan met haar rijkdom. Deze kritiek is zeer terecht. Men mag immers niet vergeten dat rijkdom en macht hand in hand gingen en haast synoniemen waren (en zijn). De kritiek wordt nog indringender wanneer wij het concept macht ontdubbelen in de deelfacetten macht van het instituut Kerk en machtsuitoefening door bisschoppen. Dit laatste element kan men het belangrijkste noemen in de opbouw van kritiek. Is het namelijk niet zo, dat de bisschoppen, eerder dan de rijkdommen van de Kerk te vrijwaren, met deze bepalingen trachtten om hun macht over bepaalde leden van hun organisatie en van de samenleving te verstevigen? Priesters van het fiscale domein zijn immers gemakkelijker te controleren dan clerici van eigenkerken, en het rechtstreeks controleren van een deel van de vrijen (al zijn het dan “slechts” vrijgelatenen) is een belangrijk gegeven in de strijd om (totale) maatschappelijke controle.

We laten de maatschappij even voor wat ze is en keren terug naar de Kerk. De macht van de bisschoppen over de lagere clerus wil men op alle mogelijke wijzen bestendigen. De rechtspraak vormt daarin een belangrijk onderdeel: clerici mogen geen geding tegen andere clerici aanspannen voor een wereldlijke rechtbank; doen zij dat toch, dan verliezen zij die het geding aanspanden, automatisch het pleit (c.13). Clerici trachten dus de macht van hun bisschoppen te omzeilen en te ondermijnen door hen links te laten liggen. Dit mag ons niet helemaal verwonderen, want blijkens canon 20 zijn deze bisschoppen niet altijd even rechtvaardig voor hun ondergeschikten. Het betreft hier specifiek het innen van onrechtmatige belastingen en heffingen op de geestelijken. Uit de formuleringen blijkt dat dit schering en inslag moet geweest zijn, en dat sommige bisschoppen niet terug deinsden voor een politiek van intimidatie en wreedaardigheid: ‘Multorum querella … quia cognovimus episcopos per parrochias suas non sacerdotaliter sed et crudeliter desaevire et … exactiones dioecesis suae vel damna infligunt’[57]. De bisschoppen vrezen voor hun goede naam, en voor de eer van de Kerk, daarom eisen ze een onmiddellijke stopzetting van zulke schandelijke praktijken, ‘ne videamur in ecclesia Dei exactores potius quam Dei pontifices nominari’[58].

Niet alleen bisschoppen maken misbruik van hun positie, ook rechters en agenten van de schatkist durven kerkelijk personeel het bloed van onder de nagels pesten. Clerici en slaven werden gedwongen om persoonlijke diensten te leveren, of in de openbare sector te werken. Voortaan kan deze praktijk niet meer en zij die volharden, worden geëxcommuniceerd (c.21).

Dit concilie besteedt weinig woorden aan het canonieke gedrag van de geestelijken. Men ging er blijkbaar van uit dat de katholieke geestelijkheid een voorbeeldig, lees: kuis, leven leidde. Vooral diegenen die uit het arianisme kwamen, stonden onder verdenking: het feit dat zij allen getrouwd waren, zoals toegelaten in de ariaanse kerk, zal daar niet vreemd aan zijn. Bisschoppen, priesters en diakens die getrouwd waren, moeten vanaf dan gescheiden van hun vrouw leven. Al leven de echtgenoten dan wel apart, toch bepaalt het concilie dat de huwelijksband niet verbroken kan worden, en dat de echtgenoten de wederzijdse huwelijksplichten, behalve één, moeten blijven voortzetten. Celibataire clerici die toch contact hebben met vrouwen, moeten gestraft worden volgens de oude canones, en de vrouwen moeten verkocht worden (c.5).

Ledigheid is een te vermijden en bestrijden kwaad: tijdens de maaltijden aan de bisschoppelijke tafels wordt er teveel over van-alles-en-nog-wat gepraat, ten einde de tijd te verdrijven. Om de maaltijd toch nog enig nut te geven, bepalen de bisschoppen dat vanaf nu, tijdens iedere maaltijd, uit de heilige schriften voorgelezen wordt (c.7).

De Kerk wil ook zichzelf al instituut regelen. Daarom wordt in navolging van de oecumenische concilies bepaald dat iedere kerkprovincie eens per jaar moet samenkomen. De oude concilies schreven voor om tweemaal per jaar samen te komen, doch, dit achten de Visigotische bisschoppen niet noodzakelijk en niet wenselijk, gezien de uitgestrektheid van de Spaanse territoria en de armoede van enkele diocesen. Men moet samenkomen op 1 november, ‘ut discant quam pie et iuste cum populis agere debeant’. Het provinciale concilie is eigenlijk een lokaal wetgevend en rechtsprekend orgaan. De rechters en agenten van de schatkist moeten aanwezig zijn. Men bespreekt er nieuwe belastingen, eventuele misbruiken worden er aangekaart. Het is als het ware een controle orgaan, in handen van de Kerk, dat werkt op last van de koning. Op die manier ontstaat uiteraard een enorme verwevenheid, althans op lokaal niveau, van wereldlijke en kerkelijke aangelegenheden. Verder wordt ook nog bepaald dat de metropoliet de plaats van samenkomst mag kiezen, en dat het concilie niet ontbonden mag worden alvorens men een datum en een plaats heeft vastgelegd voor het volgende concilie (c.18).

Dit concilie besteedt ook ruimschoots aandacht aan welbepaalde groepen van de samenleving: weduwen, maagden en penitenten. Over weduwen en maagden wordt gezegd dat niemand hen kan dwingen om te huwen, en wanneer zij geloften aflegden van kuisheid, dan mogen zij die niet breken (c.10). Aan penitenten worden twee canones gewijd, waarin bepaald wordt wat de uiterlijke kenmerken van een penitent zijn (c12), en dat de penitent weldegelijk zijn boete moet voltrekken(c.11). De bisschop ziet toe op het uitvoeren van de uiterlijke wezenlijkheden: een man wordt het haar geknipt, vrouwen moeten andersoortige kledij aantrekken (c.12). De boete houdt in dat de boeteling zich verwijdert van de gemeenschap (van de communie) en dat hij samen met de andere penitenten regelmatig een handenoplegging ontvangt. Wanneer de bisschop vindt dat de boete volbracht is, dan mag de penitent opnieuw deelnemen aan de communie. Vervalt de boeteling in zijn oude zonden, dan wordt hij gestraft ‘secundum priorum canonum severitatem’, een straf die dus niet nader omschreven is (c.11).

De leek kent de christelijke praktijk blijkbaar nog niet grondig genoeg, want men moet sleutelen aan zijn gedrag. Zo verbieden de bisschoppen om nog langer uitbundig en weeklagend te wenen en bepaalde gezangen te zingen tijdens de begrafenis van geestelijken. De hele dienst moet sereen verlopen en de zangen die men aanheft mogen enkel psalmen zijn (c.22). De gelovigen moeten zich ook gedragen tijdens de naamfeesten van de heiligen: het zingen van schandelijke liederen terwijl men dan nog danst ook, is volkomen onaanvaardbaar, temeer daar deze praktijken de eredienst grondig verstoren (c.23).

Ook andere praktijken geven aanstoot in de ogen van de bisschoppen. Zo zouden er  in gans Spanje en Gallië heren zijn die hun slaven toelaten om tot de oude goden, tot beelden te bidden (c.16). Een nog groter schanddaad is die van de kindermoord. In bepaalde delen van Spanje willen de ouders de verantwoordelijkheid tegenover hun daden niet opvatten: het huwelijk is er nu eenmaal om nageslacht voort te brengen, niet om in ontucht te leven, en zij die hun aantal kinderen liever niet zien stijgen, moeten zich maar onthouden van iedere seksuele betrekking (c.17).

Dit concilie laat ons nog een canon ter bespreking: canon 14, die handelt over de joden. Hierin wordt bepaald dat de joden vanaf dan geen enkele ondergeschikte mogen hebben die het christelijke geloof aankleeft: geen vrouwen, geen concubines, geen slaven, geen burgers. Joden mogen niet trouwen met christelijke vrouwen, doen ze dat toch, en worden er kinderen geboren, dan moeten die kinderen volgens het christelijke geloof opgevoed worden. Het kopen van christelijke slavinnen voor eigen gebruik is ten strengste verboden, en het verbod dat het zwaarste weegt, bepaalt dat joden geen enkel openbaar ambt kunnen en mogen betrekken. Dit zou hen namelijk in staat stellen om op te treden, vanuit hun machtspositie als bijvoorbeeld rechter, tegen christelijke burgers. Bovendien moeten christenen die onteerd werden door joodse riten en door de besnijdenis, terugkeren naar hun vertrouwde geloof.

 

 

2. Concilies in het verlengde van Toledo III: triomf van de orthodoxie

 

In het verlengde van het belangrijke concilie Toledo III, komen een aantal provinciale concilies, en een klein nationaal concilie, samen die ons toelaten om over een tijdsspanne van een tiental jaar de kerkelijke activiteiten van naderbij te volgen. Nadien breekt een periode aan van vierendertig jaar met slechts drie concilies: het concilie van Toledo uit 610, dat van Egara uit 614 en tenslotte het tweede concilie van Sevilla uit 619 dat in een volgend hoofdstuk behandeld zal worden.

 

Narbonne, 589

 

Het eerste provinciale Visigotische concilie dat we behandelen heeft zijn oorsprong niet in Spanje, maar in Gallië, Narbonne in het huidige Frankrijk. Deze stad behoorde reeds vanouds tot het Visigotische Rijk en is één van de weinige steden die de Visigoten in Gallië konden behouden na hun nederlaag tegen de Franken in 507. Het is trouwens het enige ons overgeleverde Visigotische concilie van na 507 uit Gallië.

Dat dit concilie nog plaats heeft in hetzelfde jaar als het grote nationale concilie van Toledo III, kan wijzen op een zekere vorm van triomfalisme die de katholieke bisschoppen niet vreemd zal zijn geweest.

De eerste canon die onze aandacht trekt, bevat enkele richtlijnen om de liturgie te stroomlijnen. Zo zal men voortaan na iedere psalm eer aan God betuigen en worden er enkele langere psalmen gezongen, dan worden die in deeltjes opgesplitst om even te pauzeren en de Drievuldigheid te eren (c.2).

Kan de liturgie enige verbetering ondergaan, dan geldt dat des te meer voor de geestelijkheid. De geestelijken wordt het van nu af verboden om gekleurde, purperen, gewaden te dragen. Zulke kledij past bij de ijdelheid van het seculiere bestaan, niet bij de waardigheid van een geestelijke (c.1). Ook is het hen ten strengste verboden om zich op openbare plaatsen op te houden en zich in discussies te mengen. Doen ze dat wel, dan verliezen ze hun ambt, en als ze hervallen worden ze zelfs geëxcommuniceerd (c.3).

De boze wereld ligt overal op de loer en de bisschoppen willen er hun onderhorigen aan herinneren dat op het concilie van Nicea duidelijk gezegd is dat priesters zich verre moeten houden van samenzweringen van welke aard dan ook. Worden er geestelijken in complotten betrapt, dan worden zij gedurende een jaar in een klooster opgesloten opdat ze daar nederigheid zouden leren (c.5). In het klooster aangekomen kan de abt vrijelijk over de gestrafte beschikken. De abt moet hem echter wel slechts helpen op het rechte pad brengen en hem niet voor allerlei klusjes gebruiken, want doet hij dat wel, dan zal hij als straf voor een zekere tijd afgezet worden  (c.6).

Iedere geestelijke die iets op het getouw zet of beraamt tegen de Kerk, zal dan ook onmiddellijk afgezet worden, wegens gebrek aan trouw (c.7). Dat geldt des te meer voor die geestelijken die vinden dat de Kerk best wel enkele van haar overvloedige rijkdommen kan missen. Worden zij betrapt op het stelen of verhelen van kerkelijke goederen, dan wordt hen twee jaar verplichte boete opgelegd (c.8).

De lokale geestelijken moeten ook een stabiel leven leiden. Wanneer zij door hun bisschop ergens aangesteld werden en met een bepaalde taak belast werden, dan moeten zij daar ook blijven en zich gewetensvol van hun taak kwijten (c.10). Uiteraard, het gaat niet op om ongeletterde en onwetende geestelijken aan te stellen. Dit concilie eist dan ook dat enkel nog degelijk onderwezen priesters en diakens aangesteld zouden worden. Geestelijken die nu reeds in dienst genomen werden en nog steeds niet kunnen lezen of schrijven, moeten zich zo snel mogelijk daarin bekwamen. Van ongeletterde geestelijken mag men immers niet verwachten dat zij een voorbeeld voor het volk zouden zijn[59]. Weigeren zij een degelijke opleiding, of valt het te moeilijk om hen dat nog bij te brengen, dan moeten zij in een klooster opgesloten worden (c.11).

De Kerk zit ook verveeld met geestelijken die – letterlijk – een loopje nemen met de eucharistieviering. Priesters die het altaar verlaten voor het einde van de mis zullen ter verantwoording geroepen worden. Sommige lectores en diakens durven het ook aan om voor einde van de mis hun albe af te leggen. De diakens kunnen daarbij rekenen op het verlies van hun gehele loon en hun job. De anderen zullen met zekere, niet nader bepaalde, straffen af te rekenen hebben (c.12). De lagere geestelijken in het algemeen moeten trouwens de nodige eer betonen aan hun superieuren. Doen zij dat niet, dan worden zij gestraft: subdiakens verliezen hun recht tot spreken, en als ze zich niet schikken verliezen ze zelfs hun vergoeding, de lagere rangen krijgen zweepslagen (c.13).

Dit concilie spreekt ook over heidense gebruiken zoals de toekomst voorspellen. Als men toekomstvoorspellers en waarzeggers in het huis van een Goot, Romein, Syriër, Griek of Jood aantreft, dan moet die openbaar zwaar gestraft worden met zeepslagen. Bovendien worden zulke personen als slaaf verkocht, en de opbrengst wordt onder de armen verdeeld. Degene bij wie een waarzegger aangetroffen wordt, wordt geëxcommuniceerd en moet bovendien een boete van zes ons goud aan de graaf betalen (c.14).

Een ander oud, maar in kerkelijke ogen schandelijk, gebruik dat blijft overleven, is dat velen, slaven zowel als vrijen op de vijfde dag van de week, donderdag, het werk neerleggen en er feestelijk bij lopen. Op die manier willen ze Jupiter eren, en dat is een misprijzen van God en zijn Kerk. Nu wordt het compleet verboden om op donderdag niet te werken, behalve als er een kerkelijk feest op valt. Vrije personen die zich niet storen aan dit gebod zullen gedurende een jaar geëxcommuniceerd worden en zullen boete moeten doen. Slaven worden gestraft met honderd zweepslagen en worden aan hun meesters uitgeleverd (c.15). Dit concilie hamert er dan ook op dat de enige dag waarop niet gewerkt mag worden, de zondag is. En dat is een absoluut verbod tot werken. Wie het toch niet kan laten, die moet aan de graaf zes solidi betalen, en betreft het een slaaf, dan wordt die gestraft met honderd zweepslagen (c.4).

De bisschoppen bemoeien zich tenslotte niet alleen met hun eigen gemeenschap, maar ook met die van de Joden. Deze moeten onmiddellijk stoppen met hun doden te begraven onder het zingen van bepaalde liederen. Ze moeten terugkeren naar hun oude gewoonten en gebruiken. En als ze anderszins zouden willen handelen, dan zullen ze verplicht worden tot het betalen van een boete van zes ons goud aan de graaf (c.9).

 

Sevilla I, 590

 

Het tweede provinciale concilie dat ons overgeleverd is, vond plaats in de hoofdstad van de provincie Baetica, Sevilla. Is het eveneens een provinciaal concilie dat gehouden werd met Toledo III nog vers in het geheugen, dan is de thematiek in vergelijking met Narbonne duidelijk beperkter en anders georiënteerd.

De clerici leven daar blijkbaar nog vaak samen met vrouwen, wat reeds verboden werd in het nationale concilie, en dus zien de bisschoppen zich genoodzaakt om er hun onderhorigen nogmaals aan te herinneren dat dit ten strengste verboden is. Willen de geestelijken niet luisteren, dan zal de bisschop de rechter opdracht geven om de vrouw(en) in beslag te nemen en te verkopen. Het verkregen geld van de verkoop moet onder de armen verdeeld worden. Maar handelen de rechters onder één hoedje met de onfortuinlijke priesters, dan kunnen die rechters rekenen op de excommunicatie (c.3).

De andere twee canones zijn volledig gewijd aan een concreet probleem van de Kerk van Écija dat aan het concilie gepresenteerd wordt. De vorige bisschop van Écija, Gaudentius, zou door het wegschenken van slaven aan zijn familie en door het vrijlaten van slaven enorme schade aan de plaatselijke Kerk hebben toegebracht. Het concilie gaat na in de oude canones wat er in zulk geval gebeuren moet, en komt tot de volgende besluiten.

Aangezien Gaudentius de vrijgelaten slaven niet compenseerde met goederen uit zijn eigen bezit, moet aan deze ex-slaven onmiddellijk de vrijheid ontnomen worden. De positie van de Kerk als machthebber staat hier namelijk op het spel. Die ‘hernieuwde’ slaven kunnen de hen toevertrouwde goederen enkel overlaten aan hun kinderen of kleinkinderen, en dezen kunnen die goederen op hun beurt nooit toevertrouwen aan een persoon die geen onderhorige van de Kerk is (c.1). Het zelfde geldt voor de slaven die hij zonder vergoeding aan zijn verwanten naliet. Bovendien wordt er via deze casus op gewezen dat deze regeling geldt voor iedere Kerk in de provincie Baetica (c.2).

 

Zaragoza II, 592

 

Dit concilie uit de provincie Tarraconensis staat geheel in het teken van de aanhechting van de ariaanse clerici en kerken bij de bestaande katholieke structuren. Zo wordt bepaald dat priesters en diakens die voorheen als ariaanse geestelijken werden aangesteld, opnieuw gewijd moeten worden door een katholieke bisschop en naar de katholieke canones moeten leven. Zoniet, dan worden zij van hun post en waardigheid vervallen verklaard (c.1).

Ariaanse kerken en relikwieën stellen specifieke problemen. De relikwieën die in ariaanse kerken aangetroffen werden, moeten door een bisschop aan de vuurproef onderworpen worden (c.2). Kerken die in naam van het katholieke geloof ingezegend werden door een ex-ariaanse bisschop, voordat die bisschop tot katholiek bisschop gewijd en aangesteld werd, moeten opnieuw ingezegend worden (c.3). Tot zover dit zeer summiere concilie.

 

Toledo, 597

 

Over dit concilie, dat waarschijnlijk het enige nationale concilie van zulke geringe omvang is dat ons is overgeleverd, bestaat heel wat discussie. Velen noemen dit concilie, gezien die geringe omvang gewoonweg een provinciaal concilie[60]. Anderen willen niet verder gaan dan het een ‘pluri-provinciaal’ concilie te noemen[61]. Ten slotte zijn er enkelen die het ronduit een nationaal concilie noemen, een mening die ook ik bijtreed[62].

Het argument van de ‘provincialen’ is, zoals gezegd, de geringe omvang van de schriftelijke neerslag van dit concilie. Het betreft hier inderdaad een geschrift van ‘slechts’ honderd negenenveertig woorden, maar Toledo V, algemeen aanvaard als zijnde een nationaal concilie, kan men evenmin betrappen op de aanwezigheid van duizenden woorden. Met de zeshonderd negenenzestig woorden die het rijk is, kan het bezwaarlijk een uitgebreid document genoemd worden. Dit argument is in mijn ogen dan ook een non-argument.

De ‘pluri-provincialen’ kan men dan weer inconsistentie aanwrijven. Orlandis, de verdediger van de ‘pluri-provinciale’ idee, is tevens voorvechter om – weliswaar genuanceerd – Zaragoza III een nationaal statuut toe te kennen. Dit is ten zeerste aanvaardbaar, maar dan moet men wel consequent doorredeneren, en ook Toledo 597 een nationaal statuut willen toekennen. Des temeer daar voor dit concilie de indicatoren overduidelijk zijn, wat niet van Zaragoza gezegd kan worden. Hier hebben we namelijk de handtekens van de bisschoppen uit de verschillende provincies. Op dit concilie was iedere provincie, al was het maar door twee bisschoppen, vertegenwoordigd. Voor mij is dat toch wel het duidelijkste bewijs dat, ongeacht de omvang van het document, we hier met een nationaal concilie te maken hebben.

De twee canones die ons van dit concilie nagelaten zijn, hebben beide betrekking op de interne keuken van de Kerk. Ten eerste wordt er een algemene kuisheid geëist bij alle geestelijken die een wijding ontvingen. Het gebod van de kuisheid zal dus niet alleen meer gelden voor de bisschoppen, maar ook voor de priesters en diakens. Wie niet in celibaat kan leven, zal worden opgesloten in een niet nader bepaalde instelling.

De tweede en tevens laatste canon bepaalt dat de prelaten er over moeten waken dat de kerkjes in hun bisdom leefbaar blijven. Als de inkomsten van het patrimonium van een bepaalde kerk het onderhoud van een priester niet toelaten, dan moet daar een diaken aangesteld worden. En als dat zelfs nog niet lukt, dan moet er toch op zijn minst een koster zijn.

 

Huesca, 598

 

Van dit concilie is slechts een kleine tekst overgeleverd die zelfs niet onderverdeeld is in canones. De behandelde materie bestaat slechts uit één onderwerp: de discipline van de clerus. Daarover wordt bepaald dat iedere bisschop al  zijn geestelijken ieder jaar bijeen moet roepen om hen de disciplinaire regels duidelijk te maken en uit te zoeken of er niets kwaads over hen gezegd wordt. Er moet ook onderzocht worden of ze geen overspel plegen met vrouwen “de quibus fama percurrit”[63].

 

Barcelona II, 599

 

Dit provinciale concilie, net als het voorgaande afkomstig uit Tarraconensis, heeft ons vier canones nagelaten. Deze hebben alle te maken met misbruiken in de Kerk.. Vooreerst mag men niets aanrekenen voor het ordineren van geestelijken (c.1) en evenmin voor het geven van chrisma aan de priesters (c.2). Leken kunnen niet tot bisschop gewijd worden, op geen enkele wijze. Zijn er leken die toch bisshop willen worden, dan moeten zij eerst de cursus honorum van de Kerk doorlopen. Nadien kunnen zij eventueel middels verkiezing door geestelijken en volk van het bisdom tot bisschop aangesteld worden (c.3).

Wanneer heilige maagden vrijwillig of onder dwang trouwen, en nadien niet uit eigen beweging die huwelijksstaat verlaten, dan worden zij en hun echtgenoten voor eeuwig in de ban van de Kerk geslagen(c.4).

 

Toledo, 610

 

Van dit concilie zijn er geen eigenlijke canones overgeleverd en het werd evenmin als afzonderlijk concilie bewaard. Bij het twaalfde concilie van Toledo zijn echter een decreet van koning Gundemarus en een beschikking van bisschoppen van de provincie Carthaginensis ingesloten die het vermoeden van een concilie ten tijde van voornoemde koning doen vermoeden. Verdere literatuur bevestigt dit[64].

Het is niet zomaar een concilie. In het decreet stelt de koning uitdrukkelijk dat hij wil dat Toledo officieel als metropool van de provincie Carthaginensis erkend zou worden. In de tekst staat duidelijk dat Toledo reeds eerder als metropool erkend was, maar blijkbaar moeten er toch enkele problemen gerezen zijn, daar de aanspraken van Toledo op de titel van metropool hier in bijzijn van de bisschoppen van de provincie extra in de verf gezet worden. Het decreet werd bovendien mede ondertekend door de metropoliet van Sevilla, Isidorus, de metropoliet van Mérida, en vierentwintig ‘gewone’ bisschoppen, niet afkomstig van de provincie van Cartagena[65].

De handtekens van de bisschoppen worden gevolgd door de beschikking van de bisschoppen van de provincie Carthaginensis zelve. Daarin bepalen zij inderdaad dat zij de bisschop van Toledo volledig als hun metropoliet zullen aanvaarden. Vervolgens de handtekeningen van vijftien bisschoppen van de voornoemde provincie[66].

 

Egara, 614

 

Dit concilie, het allerkleinste ons overgeleverd, is enkel een bevestiging van Huesca, 598. Bovendien wordt bepaald dat alle bepalingen betreffende priesters ook voor bisschoppen gelden.

 

 

3. Het stempel van Isidorus van Sevilla.

 

De aartsbisschop van Sevilla, Isidorus, heeft niet alleen blijk gegeven van zijn literaire kwaliteiten, maar ook van zijn wetgevende interesse. Dit blijkt zeker uit het concilie van Sevilla van het jaar 619 waarvan hij de voorzitter was. Van alle provinciale concilies is dit het enige waarvan de weerslag meer dan vierduizend woorden beslaat[67]. Het is in dit verband ook interessant dat het uitgebreidste nationale concilie, Toledo IV uit 633 eveneens door Isidorus werd voorgezeten[68].

 

Sevilla II, 619

 

De canones van dit concilie slaan alle op intern kerkelijke zaken. Bij dit concilie krijgen we trouwens een duidelijk beeld van het concilie als tribunaal voor kerkelijke geschillen[69]. Dat blijkt reeds uit de eerste canon. Het betreft een grensconflict tussen de bisschop van Málaga, Teudulfus en zijn collegae van de bisdommen Écija, Elvira en Cabra. Teudulfus beklaagt er zich bij het concilie over dat tijdens de militaire operaties tegen de Byzantijnen grote delen van zijn bisdom bij de voornoemde bisdommen gevoegd werden. Nu zijn bisdom volledig onder gezag van de Visigotische koning valt, eist hij dan ook dat de gebieden die voorheen integraal deel uitmaakten van zijn bisdom teruggegeven worden. De bisschoppen gaan daarmee akkoord en vragen dat er onderzocht wordt welke gebieden deel uitmaakten van het bisdom Málaga, en dat deze landsdelen dan opnieuw aan de jurisdictie van Málaga worden toevertrouwd.

Een ander conflict betreffende ‘een zekere kerk’ ontstond tussen de bisschoppen van Écija, Fulgentius, en van Córdoba, Honorius. Wie de eisende partij is, kan uit de canon niet opgemaakt worden. Het concilie maakt met dit geschil dan ook snel korte metten: blijkt uit onderzoek dat de parochie waarover sprake is, behoorde tot de verweerder, dan is het probleem opgelost; blijkt daarentegen dat de parochie oorspronkelijk tot het bisdom  van de eiser behoorde, dan nog blijft zij onder jurisdictie van de verweerder, omdat er reeds een termijn van dertig jaren verlopen was. De bisschoppen doen een beroep op de seculiere wetten en pauselijke besluiten om hun beslissing te staven: als er over usurpatie van een bepaald gebied binnen de dertig jaar geen klacht komt, dan is er nadien geen verhaal meer mogelijk[70].

De verdere bepalingen hebben betrekking op de onderhorigen van de Kerk zelf en niet op de door hen beheerde goederen en gebieden. Dat er wel eens iets mis kon lopen met de geestelijken is overduidelijk. De geestelijkheid van Baetica vormt daarop geen uitzondering.

Geestelijken moeten onder hun bisdom blijven ressorteren en mogen zich niet zomaar tot een andere bisschop wenden of zich in een ander bisdom vestigen. Dit wordt ons duidelijk gemaakt aan de hand van het geval van Ispassandus, een priester van het bisdom van Itálica, die zich wendde tot de Kerk van Córdoba. Het concilie bepaalt voor dit specifieke geval, en verder in het algemeen, dat iedere geestelijke die zich tot een ander bisdom wendt, onmiddellijk aan zijn oorspronkelijke bisdom ‘teruggegeven’ moet worden. De bisschop of beschermheer die weigert aan deze oproep gehoor te geven, wordt dan ook geëxcommuniceerd totdat de weggelopen geestelijke terecht is. Die geestelijke mag zich trouwens verheugen op een tijdelijk – gedwongen – bezoekje aan een of ander klooster. Interessant in dit opzicht is dat er verwezen wordt naar seculiere wetten betreffende landbouwkolonisten (c.3)[71].

Het concilie neemt akte van het feit dat er in Écija mannen tot priester of diaken gewijd werden die getrouwd zijn met weduwen. Zoiets kan niet. De vraag blijft of dit te maken heeft met de plicht voor geestelijken tot celibatair leven, of met het feit dat er weduwen bij betrokken zijn. Waarschijnlijk zal het echter een combinatie van beide elementen zijn; onze bisschoppen houden rekening met alles (c.4).

Het wijden van diakens en priesters roept ook problemen op voor het bisdom Cabra. De diaken Anianus doet het verhaal aan het concilie dat de (vorige?) bisschop een priester en twee diakens niet kon wijden omdat die bisschop ‘verhinderd werd door pijn aan de ogen’[72]. Dus legde de bisschop de geestelijken enkel de handen op, en liet het eigenlijke wijden over aan een of andere priester.

Zulk een euveldaad kan voor de bisschoppen van het concilie natuurlijk niet door de beugel, daar de kerkelijke hiërarchie duidelijk verbroken wordt. Daarom zouden ze graag die priester verhoren en veroordelen, ware het niet dat de man reeds overleden was en aan het oordeel van God overgeleverd. Een menselijk tribunaal kan dus niet meer over die man oordelen. De conclusies van dit voorval is echter wel dat die drie geestelijken, abusievelijk door de overleden priester gewijd, hun wijding kwijtspelen en hun ambt niet meer mogen waarnemen, echter niet zonder degelijke rechtspraak (c.5)[73].

In het kader van een passende rechtspraak kunnen we ook de volgende canon plaatsen. Daar wordt immers melding gemaakt over de onrechtvaardige afzetting van priester Fragitanus, van Córdoba, door zijn bisschop. Het concilie herstelt de man in de waardigheid van zijn ambt en vaardigt enkele algemene bepalingen uit. Daarin wordt het onrechtmatige handelen van sommige bisschoppen gehekeld, en wordt bepaald dat, hoewel bisschoppen de macht hebben om in hun eentje priesters aan te stellen, zij de macht niet hebben om in hun eentje een geestelijke af te zetten. Willen zij een geestelijke afzetten, dan moeten zij die geestelijke aanklagen voor een conciliair tribunaal. Dat tribunaal moet de aanklacht grondig onderzoeken alvorens een uitspraak te doen (c.6).

Agapius, reeds overleden, maar eertijds bisschop van Córdoba, stond de priesters van zijn diocees toe om bij zijn afwezigheid altaren op te richten en kerken in te wijden, ‘quod quidem non est mirum id praecepisse virum ecclesiasticis disciplinis ignarum et statim a saeculari militia in sacerdotale ministerium delegatum’[74]. Om te vermijden dat in het vervolg nog misverstanden ontstaan over wat een gewone priester nu wel of niet mag, geven de bisschoppen ons een lijstje mee. Het is priesters verboden: priesters, diakens en maagden te wijden; altaren op te richten, te zegenen en te zalven; kerken en altaren in te wijden; de Heilige Geest in te roepen bij het opleggen van de handen; chrisma te maken; met het chrisma te zalven; iemand tijdens de mis opnieuw in de gemeenschap op te nemen; officiële brieven te versturen; in het bijzijn van een bisschop het baptisterium te betreden of een kind te zalven; boetelingen opnieuw in de gemeenschap op te nemen zonder toestemming van de bisschop; en in aanwezigheid van een bisschop het sacrament van de eucharistie te voltrekken, het volk te onderrichten, de gelovigen te zegenen, te groeten en aan te sporen (c.7).

Dat de Kerk niet steeds op welwillendheid kon rekenen mag blijken uit het geval van de vrijgelatene Eliseus. Deze voormalige slaaf van de Kerk had het gemunt op de bisschop die hem vrijliet. Door middel van vergif wou hij namelijk de gezondheid van de bisschop danig ondergraven. En wat erger is, hij veroorzaakte blijkbaar serieuze schade aan zijn patronale kerk. Zulk een ondankbaarheid voor de pas verkregen vrijheid laat de bisschoppen geen andere optie dan de recent vrijgelatene opnieuw te degraderen tot slaaf. Uiteraard, enkel ter wille van het behoud van de misdadiger (c.8)[75].

De kerkelijke goederen worden niet alleen aangetast door ondankbare ex-slaven, maar evenzeer door bisschoppen die het blijkbaar nodig achten om hun economen uit de lekenstand te kiezen. Dit kan volgens de bisschoppen niet, want heeft Mozes niet gezegd: “Non arabis in bove simul et asino”[76]? Mensen van verschillende standen kunnen geen ambt bekleden binnen eenzelfde structuur. De economen zullen voortaan uit de geestelijkheid aangeduid worden. Doen de bisschoppen toch anders, door een leek te benoemen, of erger, door zelf econoom te spelen, dan zal hij niet alleen door Christus schuldig bevonden worden wegens wanbeheer van de goederen van de armen, maar ook door het concilie (c.9).

Op vraag van de abten van de provincie garandeert het concilie eeuwige bescherming en veiligheid voor de kloosters. Want sommige bisschoppen slagen er in (of het zou zich in de toekomst kunnen voordoen) om het al te bont te maken door kloosters te ontmantelen en op te heffen. Voor het concilie kan dit uiteraard niet, en moeten zulke onverlaten uit hun ambt en de christengemeenschap gezet worden en voor eeuwig geëxcommuniceerd worden. Bovendien moet een daartoe speciaal bijeengeroepen concilie het klooster met al zijn goederen herstellen (c.10).

De geestelijken verenigd op het concilie vinden mannenkloosters trouwens de geknipte instanties om bescherming en bijstand te verlenen aan vrouwenkloosters. Ze moeten daarbij allerlei taken op zich nemen, maar er moet wel aan enkele voorwaarden voldaan worden. Zo mag een monnik zonder de toestemming van de abdis niet verder komen dan het poortgebouw van het klooster. Als hij toegelaten wordt in het klooster, dan mag hij nooit met een non alleen zijn, er moeten minstens twee nonnen zijn, en liefst drie. De reden is uiteraard dat ‘quod etiam dictum nefas est’ vermeden moet worden[77]. De monnik mag hen niet vaak bezoeken en hij mag niet al te lang met ze praten, maar hij moet hen wel helpen met problemen, hen begeleiden en spirituele raad geven.

Onder de monniken moet er één aangeduid worden die reeds beproefd is en zijn waarde bewezen heeft, om de goederen van het vrouwenklooster te beheren. De abt kiest hem uit en de bisschop moet akkoord gaan met de keuze. Deze monnik zal instaan voor de landelijke en stedelijke bezittingen van de nonnen en moet hen ook die zaken verschaffen die ze nodig hebben zodat ze zich enkel aan hun goddelijke contemplatie en hun taken moeten wijden. Uiteraard, voor de bescherming, goedheid en prestaties die hun broeders hen leveren, geven de nonnen graag iets in de plaats: voor de kloosters die hen bijstaan zullen zij voortaan de kledij vervaardigen. En wie deze verordeningen niet gehoorzaamt, wordt natuurlijk in de ban van de Kerk geslagen (c.11).

Het zuiden van Spanje, grofweg de provincie Baetica, was en bleef een kruispunt van culturen. Tijdens de vroege Middeleeuwen stond deze streek nauw in contact met het gehele Middellandse Zeegebied[78]. Zo komt het dat dit concilie melding maakt van een vreemde Syriër die zich bij de bisschoppen meldde. Deze man verzekerde bisschop te zijn en als zodanig de ketterse leerstellingen van de acefalen aan te kleven[79]. Wat de redenen zijn voor zijn reis naar en verblijf in Spanje krijgen we niet te horen; de bisschoppen interesseren zich enkel voor zijn ketterij en het succes dat ze met die man boekten. Na lang aandringen, het aanvoeren van vele bewijzen en uitgesponnen discussies waren de Visigotische geestelijken er immers in geslaagd om de man te overhalen zijn ketterse leerstellingen te verlaten en de ware leer van de katholieke Kerk te omarmen (c.12).

De kwestie rond deze bekeerde acefale bisschop zorgde ervoor dat het concilie ook nog gedurende ruime tijd doorboomt over het dogma van de twee naturen in de persoon Christus. Het is een uitermate lange tekst en neemt met ongeveer 3087 woorden liefst 63% van de schriftelijke neerslag van dit concilie in beslag. Daarin tracht men met citaten uit de bijbel en de Kerkvaders aan te tonen dat het katholieke geloof het bij het rechte eind heeft, en dat het dogma van de twee naturen in de ene persoon Christus niet uit de lucht gegrepen, maar juist de enig mogelijke en ware conclusie is (c.13)[80].

 

Toledo IV, 633

 

Dit concilie kunnen we met recht en reden het belangrijkste concilie van de Visigotische periode noemen. Het is de start van de institutionalisering van het concilie als wetgevende, controlerende en consultatieve vergadering in de Visigotische wereld[81]. De concilies die nadien plaatsgrepen, verwezen steeds naar dit concilie als hun basis en uitgangspunt. Het is dan ook het meest omvangrijke concilie, met de meeste wetten (75 canones), en ook het grootste aantal woorden. Dat dit concilie een duidelijk kerkelijke inslag heeft, moge blijken uit het feit dat 61 van de 75 canones een of ander aspect van het kerkelijke leven behandelen.

De eerste canon is meteen een bevestiging van het katholieke geloof als het enig zaligmakende. Een heel theologisch discours wordt aangewend om dit duidelijk te maken, en inherent worden de geloofspunten duidelijk bepaald.

De liturgie en het kerkelijk leven staan nog niet helemaal op punt, en dit wil men nog wat bijschaven met accurate regels. In het verlengde van canon 1, waarin geponeerd werd dat het katholieke geloof het enig zaligmakende is, en dat dit geloof ondeelbaar is, wordt in de tweede canon geëist dat in gans Spanje en Gallië een en dezelfde rite van tel zou zijn. Verscheidenheid van rite zou immers snel kunnen leiden tot de idee dat een bepaalde provincie afvallig geworden is, en daardoor zou de Kerk maar een mal figuur slaan in de ogen van haar tegenstrevers.

Om verscheidenheid en verdeeldheid uit te roeien beschikt de Kerk echter over een krachtig instituut: het concilie zelve. Dat de organisatie van dit instituut zowel op nationaal als provinciaal vlak behoefte heeft aan spelregels is duidelijk. Deswege vaardigt het concilie enkele bepalingen uit, die hun nawerking kennen tot diep in de Middeleeuwen[82].

Net zoals tijdens het concilie Toledo III, wordt hier bepaald dat gezien de omstandigheden er slechts éénmaal per jaar samengekomen moet worden[83]. Maar de geestelijken, rechters en ‘potentes’ moeten dan ook effectief samenkomen. Om daarvoor te zorgen kan de metropoliet aan de koning vragen om een ‘executor’ aan te stellen. Het provinciale concilie zal immers fungeren als tribunaal waarbij bisschoppen, rechters, ‘potentes’ en om het even wie voor hun wandaden aangeklaagd kunnen worden. In tegenstelling met Toledo III, waar de dag voor samenkomst werd vastgelegd op 1 november, wordt die nu verlegd naar 18 mei, in volle lente, ‘quando herbis terra vestitur et pabula germinum inveniuntur’[84]. Deze canon bepaalt verder dat zaken van algemeen kerkelijk belang zoals vraagstukken rond het geloof, op een nationaal concilie behandeld moeten worden (c.3).

Bovendien vaardigt dit concilie een lange canon uit, met als opschrift ‘Formula qualiter concilium fiat[85], het befaamde ‘ordo de celebrando concilio’. In deze vierde canon wordt omstandig beschreven hoe een concilie nu eigenlijk hoort te verlopen. Op de eerste dag, voor het krieken van de dag, moet iedereen de kerk waar het concilie plaats zal grijpen, verlaten. Alle ingangen van de kerk worden afgesloten, behalve diegene waarlangs de bisschoppen zullen binnenschrijden. De deurwachters houden allen de wacht bij die ene ingang. Daar verzamelen ook alle bisschoppen opdat ze samen de kerk kunnen betreden en hun zitplaatsen innemen. Vervolgens worden die priesters binnengelaten die om één of andere reden aanwezig mogen zijn. Nadat die priesters plaatsgenomen hebben, mogen ook de aangeduide diakens de kerk betreden. De bisschoppen moeten in een kring zitten. Achter hen nemen de priesters plaats, eveneens gezeten. De diakens daarentegen moeten blijven rechtstaan, zodat ze in het vizier van de bisschoppen blijven.

Wanneer de geestelijken aldus plaats genomen hebben, mogen ook de uitgekozen leken binnengaan. Onder deze leken bevinden zich de notarissen die nodig zijn om voor te lezen en nota te nemen. Ten slotte worden de deuren gesloten.

Aldus in langdurige stilte gezeten, en ‘cor totum habentes ad Deum’[86], zegt plots een diaken: ‘bidt’, en allen werpen zich ter aarde. Na lange tijd ‘cum fletibus atque gemitibus’ gebeden te hebben, staat een oudere bisschop op die het gebed des Heren zegt, terwijl de rest op de grond blijft liggen. Wanneer iedereen op het gebed met amen geantwoord heeft, zegt de diaken: ‘Staat op’. Als de conciliegangers opnieuw plaatsgenomen hebben, neemt de diaken, die een albe draagt, het boek waarin de canones staan, en leest die bepalingen voor die betrekking hebben op het vieren van concilies. Vervolgens spreekt de bisschop hen toe: ‘Ecce, sanctissimi sacerdotes, recitatae sunt ex canonibus priscorum patrum sententiae de concilio celebrando; si qua igitur quempiam vestrum actio conmovet, coram suis fratribus proponat’.

Indien iemand dan gewag maakt van een probleem dat tegen de canones ingaat, dan moet het concilie over dit probleem beraadslagen tot er een oplossing uit de bus komt. Wanneer er iemand van buiten de kerk, zij het een leek of een clericus, een probleem wil aankaarten, dan moet hij dat laten weten aan de aartsdiaken van de metropolitane kerk. Deze aartsdiaken maakt de boodschap over aan het concilie dat de klager de toestemming geeft om zijn klacht uiteen te komen zetten.

Geen enkele bisschop mag de vergadering verlaten voor het einde, en dat einde mag er niet komen voordat alle problemen behandeld werden. Bij het einde moeten de akten overigens door iedere bisschop persoonlijk ondertekend worden, opdat men zou geloven dat God zelf zich onder de bisschoppen bevond, daar de kerkelijke zaken besloten werden op een rustige wijze, ver van alle tumult (c.4).

Verdeeldheid in de Kerk komt vooral tot uiting wanneer het gaat om de dag voor het vieren van Pasen. Dit feest is het meest fundamentele gegeven in de christelijke liturgie. Verdeeldheid over zulk een fundamenteel feest wordt dan ook aangezien als nefast voor het gezag en de macht van de Kerk. Daarom roepen de bisschoppen een consultatiesysteem in het leven, waarbij de metropolieten drie maand voor de Epifanie, via brieven, met elkaar een datum voor het paasfeest afspreken. Nadien moeten de metropolieten deze datum tijdig mededelen aan hun suffragaanbisschoppen (c.5).

Een rituele gebeurtenis die ten zeerste met het paasfeest verbonden was, is de doop. Via de doop kan een buitenstaander toetreden tot de christelijke gemeenschap. Dit is een ritueel dat men in iedere christelijke kerk kent. En toch roept dit fundamenteel sacrament in Spanje hevige reacties op, daar de arianen gewend waren aan de drievoudige onderdompeling, en daar dit ook de officiële wijze van handelen was in de Roomse Kerk, dus ook bij de katholieken in Spanje onder ariaans bestuur[87]. Om de verwijzingen naar het arianisme volledig te bannen, opteren de bisschoppen uiteindelijk voor de enkelvoudige doop. Om dit aanvaardbaar te maken (in katholiek Spanje was namelijk ook de drievoudige doop overheersend), gebruikt men de autoriteit van de reeds jaren overleden paus Gregorius de Grote, en men bouwt een solide theologisch discours op. Het probleem wordt opgelost door te verwijzen naar God. Er is immers slechts één God, maar er zijn wel drie goddelijke personen, dus, zo redeneert men, enkelvoudige of drievoudige onderdompeling zijn slechts twee aspecten, twee veruitwendigde vormen, van een en dezelfde entiteit (c.6).

We blijven in dezelfde paassfeer. Pasen en de ermee verbonden doop veroorzaakten discussie, maar ook goede vrijdag. Sommige geestelijken achtten het blijkbaar niet noodzakelijk om die dag te vieren, en hielden de poorten van de kerk gesloten (c.7). Bovendien vond men vasten op die dag een absoluut nutteloze ‘bezigheid’(c.8). Op een aantal plaatsen –blijkbaar vooral in Galicië[88]– heeft men ook de betekenis van de paaswake niet goed begrepen: dán moet men de godslamp en de paaskaars zegenen en ontsteken, om de verrijzenis van Christus te anticiperen. Dit tegendraads handelen strijkt natuurlijk regelrecht tegen de haren van de bisschoppen in, die streng manen om de kerkelijke geboden betreffende de paastijd te onderhouden (c.9).

Aan Pasen wordt veel aandacht besteed, maar ook andere liturgische momenten en gebruiken worden van naderbij behandeld. In zekere zin nog aansluitend bij de sfeer van Pasen, is de bepaling dat men tijdens de vasten het halleluja niet mag zingen, en dat men zich ook werkelijk van vlees moet onthouden (c.11). De ordening van de verschillende onderdelen van de mis ligt de bisschoppen ook na aan het hart. Men moet de heer niet loven na het epistel (ofte voor het evangelie), maar onmiddellijk na het evangelie (c.12). Enkele priesters waarderen blijkbaar de kerkelijke bepalingen niet, en slaan het canonieke gebod, dat men iedere dag het Onze Vader moet bidden (c.10), duchtig in de wind. Wie daar voortaan nog op betrapt wordt, zal berecht worden, en zijn waardigheid verliezen.

Een wezenlijk onderdeel van iedere kerkelijke dienst is het zingen van hymnen en psalmen. Toch wijzen enkele priesters de hymnen af, omdat men een aantal hymnen niet terug vindt in de Heilige Schriften. Deze hymnen zingt men aan het einde van de psalmen en luiden als volgt: “Gloria et honor Patri et Filio et Spiritui Sancto in secula seculorum” en “Gloria in excelsis Deo et in terra pax hominibus bonae voluntatis”. Diegenen die vanaf nu echter deze hymnen verwerpen, zullen geëxcommuniceerd worden (c.13). Een bepaalde hymne, genaamd “hymnus trium puerorum” moet zelfs in iedere mis gezongen worden (c.14). Bovendien moet men op het eind van de psalmen niet zomaar “Gloria Patri” zeggen, maar wel “Gloria et honor Patri”, zo willen het immers de Schriften bij monde van David en Johannes de Evangelist (c.15). Het gloria moet ook gezegd worden aan het eind van blijde responsoria (c.16). Gelijklopend met het niet aanvaarden van bepaalde hymnische formules, weigeren sommige priesters om het bijbelse boek Apocalyps als goddelijk geïnspireerde literatuur te beschouwen. Iedereen wordt voortaan echter verplicht om het te aanvaarden, en om er uit voor te lezen van Pasen tot en met Pinksteren (c.17).

In de Spaanse Kerk bestond ook een veelvoud aan rituele ordening van het hoogtepunt van de mis: de eucharistie. Vanaf nu wordt er echter bepaald dat de priester eerst het zondagse gebed moet uitspreken, daarna het volk en het brood en de wijn zegenen, en pas dan de hosties uitdelen. Ook wordt er een vaste orde vastgelegd over wie waar ter communie mag en moet gaan: de bisschoppen en levieten voor het altaar, de clerus in het koor, en het volk buiten het koor (c.18).

De geestelijkheid zelve wordt ook ruimschoots behandeld. Daarbij komen de kerkelijke structuren in al haar facetten, met wijdingen en machtsuitoefening, alsmede het gedrag van de geestelijken aan bod.

Hoe moeten geestelijken gewijd en aangesteld worden? Er zijn uiteraard verschillende stappen in dit proces, waarbij men een kerkelijke cursus honorum moet doorlopen om uiteindelijk de hoogste wijding te ontvangen. De wijding tot het hoogste ambt, bisschop, stelt dan ook het meeste problemen: het is een zeer gegeerde positie. Daarom bepalen de bisschoppen dat hun opvolgers vrij moeten zijn van een aantal kenmerken, wat de weg tot het episcopaat duidelijk omlijnde, en in zeker opzicht nauwer maakte. Niet toegelaten zijn: misdadigers, zij die in opspraak gebracht werden, zij die openbaar bekenden een vergrijp gepleegd te hebben, ketters, zij die de ketterse doop ontvingen en zij die herdoopt werden, gehandicapten, gehuwden, zij die ooit met een vrouw trouwden die geen maagd was, ontuchtigen, slaven, neofieten en wereldlijken, soldaten, zij die verbonden zijn aan het koninklijke hof, ongeletterden, zij die jonger zijn dan 30 jaar, zij die de kerkelijke ambten niet doorliepen, intriganten, zij die hun postje willen kopen, en tenslotte diegenen die door hun voorganger werden aangeduid. Bovendien moet de nieuwe bisschop gekozen worden door de clerus en het volk van de stad waar hij bisschop zal zijn. Daaraan moet dan nog eens de goedkeuring van de metropoliet en zijn collega’s suffraganen gehecht worden. De nieuwe bisschop wordt gewijd in een kerk die de metropoliet aanduidt, en daar moeten op zijn minst drie bisschoppen aanwezig zijn, waaronder liefst de metropoliet. Komt de metropolitane zetel vrij, dan moet de nieuwe metropoliet echter verplicht gewijd worden in een kerk van de metropool. De bisschoppen die niet aanwezig kunnen zijn, moeten bovendien een brief sturen, waarin ze verklaren akkoord te gaan met de aanstelling van de bisschop in kwestie (c.19).

Geestelijken moeten ook aan enkele kwaliteiten voldoen alvorens tot priester gewijd te kunnen worden. Hierbij gaat men vooral uit van de levenservaring die zij kunnen opdoen. Daarom moeten zij minstens 25 jaar zijn om tot leviet en 30 jaar zijn om tot priester gewijd te kunnen worden. Als zij die leeftijd bereikt hebben, hebben ze al een zekere levensweg afgelegd en kan men daaruit nagaan of zij wel waardig zijn voor een kerkelijk ambt (c.20).

Voordat bisschoppen en priesters aangesteld kunnen worden, moeten zij dus aan enkele voorwaarden voldoen, maar ook nadat zij aangesteld zijn, moeten zij aan een zeker patroon beantwoorden. De Kerk eist van haar bedienaren gehoorzaamheid aan de interne regels, en een voorbeeldig leven. Dit houdt in dat elke vorm van seksuele relaties verboden is, zowel voor bisschoppen (c.21) als voor priesters, diakens (c.23) en parochiepriesters (c.27). Bovendien moeten er mensen zijn die kunnen getuigen over de kuisheid van de levenswandel van de geestelijken. Deze getuigen wonen bij voorkeur bij de bisschop en de andere geestelijken in (c.22 en c.23). Van de parochiepriesters eist men slechts dat zij een gelofte afleggen in handen van de bisschop; een effectieve controle op het platteland is niet mogelijk (c.27). Op die manier ontstaat er een systeem van sociale controle dat de bedienaren van de Kerk, en bijgevolg de Kerk zelf, moet vrijwaren van iedere vorm van blamage. Om zulk een vorm van uitgebreide sociale controle aanvaardbaar te maken, wil men er de priesters vanaf het begin vertrouwd mee maken. Neofieten laat men in een gemeenschappelijk huis samenleven, onder toezicht van een waardige ouderling, die hen onderricht in de leer, en hen ver moet houden van al wat ruikt naar wellustigheid. Bevindt zich onder de neofieten een wees, dan staat deze, samen met zijn goederen, onder rechtstreeks beschermheerschap van de bisschop (c.24).

Discipline kan men uiteraard slechts van iedereen verwachten, indien iedereen ook de spelregels kent. Daarom eist men ook van de bisschoppen, die moeten toezien op het gedrag van hun onderhorige geestelijken, dat zij de canones en de heilige Schriften kennen (c.25). Men kan deze eis kaderen in de algemene eis tot geletterdheid van de bisschoppen, en binnen een kerkelijke idee die tot heden voortleeft: ‘ignorantia mater cunctorum errorum’[89]. In dit geheel kan men ook canon 26 plaatsen, waar men verlangt dat de priesters van rurale kerken bij hun aanstelling een rituaal meekrijgen, ten einde de riten correct uit te voeren.

Een zwaar vergrijp, waar men niet zomaar aan voorbij kan gaan, bestaat hierin dat geestelijken, van iedere stand, die toch wel geacht worden om de dragers te zijn van de ene ware religie, zich richten tot heidenen. Sommige clerici voelden zich blijkbaar zo onzeker, dat zij een toevlucht zochten bij magiërs, tovenaars, waarzeggers, zieners, voorspellers en nog andere beoefenaars van occulte praktijken. Als men voortaan een geestelijke betrapt op een van deze onbetamelijke praktijken, dan wordt hij uit zijn ambt ontzet (c.29).

Wanneer nu blijkt dat een geestelijke zijn taken niet naar behoren vervult, dan kan hij afgezet worden door een concilie. Komt men na verloop van tijd echter te weten dat de geestelijke in kwestie ten onrechte afgezet is, dan kan men hem herbevestigen in zijn ambt, volgens zijn waardigheid en de gangbare riten (c.28)[90].

Een apart onderdeel van de kerkelijke wetgeving vormt de beschrijving van de bisschoppelijke prerogatieven en de uitoefening van de bisschoppelijke macht. De belangrijkste taak van een bisschop bestaat er natuurlijk in om zijn christelijke volgelingen te hoeden en te beschermen, vooral de armen. Ze vervullen hierin een belangrijke taak, want als zij merken dat de rechters en de machtigen de rechten van de armere bevolking in gedrang brengen, dan moet de bisschop dit onmiddellijk mededelen aan de koning (c.32). De bisschop kan ook in dienst staan van de koning, maar moet zich dan wel houden aan de regels die hem door de Kerk opgelegd zijn. Een koning kan een bisschop vragen om een rechtbank voor te zitten en recht te spreken, maar het kerkelijke recht staat dit enkel toe indien er tenminste geen doodstraf in de maak is. Zal de beklaagde toch ter dood veroordeeld worden, dan mag de bisschop zich niet beschikbaar stellen om recht te spreken (c.31). Bisschoppen die een diocees aan de grens beheren, kunnen bovendien in opdracht van de koning een diplomatieke rol vervullen, wat de Kerk toelaat. Maar, zij mogen geen buitenlandse gezanten ontvangen buiten het gezag van de koning om (c.30).

Wat ook ressorteert onder de bisschoppelijke macht, maar er niet altijd tegen bestand is, is het kerkelijke bezit. In de vroege Middeleeuwen was de Kerk, als een van de erfgenamen van de keizerlijke fiscale gronden, een ware grootgrondbezitter. Dit bezit wilde men steeds vermeerderen, en trachtte men zo goed en zo kwaad als het kon te verdedigen tegen usurpatoren die het maar niets vonden dat de ‘doodse’ Kerk al die middelen in handen had. Zelfs in eigen rangen bevonden zich een aantal individuen die de kerkelijke goederen aanwendden ter vermeerdering van de persoonlijke rijkdom. Vooral de bisschoppen, die de machtsmiddelen in handen hadden, profiteerden van hun positie om zichzelf te verrijken en daardoor een groter prestige te laten toekomen. Enkelen gaan daarin zoverre dat zij door hun inhaligheid gehele parochies van hun middelen beroven, zodat daar zelfs geen priester meer kan wonen om de diensten voor te gaan. Opdat de parochies zouden blijven voortbestaan, mogen de bisschoppen voortaan, zoals reeds in de oecumenische concilies bepaald werd, slechts een derde van de inkomsten uit offeranden, cijnzen en opbrengsten opeisen voor hun persoonlijk gebruik (c.33).

De inkomsten van een bisschop hangen af van zijn parochies, en hij heeft er dus alle belang bij om zoveel mogelijk (liefst rijke) parochies te hebben. Het geharrewar van het einde van het Romeinse Rijk, en de lange overheersing door arianen, maakten het mogelijk dat de kennis over de territoriale kerkelijke indeling van Spanje gedeeltelijk teloor ging. Dientengevolge kwam het vaak voor dat parochies in de grensstreek wisselden van bisschop. Met de bekering tot het katholicisme van de Visigoten krijgt de Kerk opnieuw de kans om zich toe te leggen op haar eigen ordening. Ook de territoriale structuren krijgen opnieuw aandacht, en worden geherdefinieerd naar Romeins model. Zo kwam men tot de vaststelling dat vele parochies onder het ‘verkeerde’ gezag ressorteerden. Vele bisschoppen wilden daarom de reorganisatie strikt doorvoeren, en eisten hun teloorgegane gebieden opnieuw op. Daardoor ontstonden vele conflicten, en een oplossing drong zich op. Het concilie ging er voortaan van uit dat de inkomsten uit een parochie, die reeds dertig jaar in handen waren van een en hetzelfde diocees, onder dit diocees bleven (c.34), maar dat de inkomsten van een nieuwe kerk, die op zulk een grondgebied opgericht zou worden, toekwamen aan de bisschop in wiens diocees officieel het grondgebied lag (c.35). Men gaat er immers van uit dat het halen van inkomsten uit ‘vreemd’ grondgebied, ook al duurde dit meer dan dertig jaar, niet gelijkstaat aan het bezit van de jurisdictie over dat grondgebied[91]. Bisschoppen die er echter op een of andere manier toe bijgedragen hebben dat de bezittingen van een ander diocees toenamen, moeten daarvoor beloond worden, zeker indien het hen beloofd was (c.37). Bijzondere aandacht verdienen ook leken die de Kerk materieel bijspringen. Het concilie gaat er namelijk van uit dat de Kerk alle armen moet bijstaan, maar dat het des temeer geldt voor diegenen die eerst iets aan de Kerk schonken, maar nadien in armoede vervielen (c.38). Om de bisschoppelijk taak wat te verlichten, staat het concilie toe, dat het beheer van kerkelijke goederen gedelegeerd kan worden aan een econoom. Deze econoom moet een geestelijke zijn (c.48).

Als beheerder van de goederen, moet de bisschop ieder jaar een reis maken langs al zijn parochies. Zo kan hij zien wat de lokale noden zijn, en tegelijkertijd biedt dit hem de kans om de levenswandel van de clerici te controleren (c.36).

Op rondreis door zijn diocees krijgt de bisschop te kampen met velerlei vormen van oncanoniek gedrag, dat kan gaan van onbedoelde overtredingen tot bewust tegen de regels in gaan. In sommige streken zijn de diakens blijkbaar zo overmoedig, dat zijzelf het eerste koor opeisen en de priesters verwijzen naar het tweede (c.39), en bovendien durven zij het aan om twee stola’s te dragen, wijl dit zelfs den bisschop verboden is (c.40.)! Het uiterlijke kenmerk bij uitstek van de geestelijkheid is de tonsuur. In Spanje bestonden twee vormen van tonsuur: in het ene geval liet men veel haar staan, en scheerde men enkel een cirkelvormig gedeelte weg, in het andere geval scheerde men bijna alles weg, behalve een cirkelvormig bosje haar. De eerstgenoemde praktijk, die nog veel voorkwam in Galicië, doet te veel denken aan de ariaanse ketters, en daarom eist het concilie dat voortaan de andere methode gebruikt zou worden (c.41).

Een probleem waar Kerken van alle tijden mee te kampen hebben, is de verplichting en gelofte tot celibatair leven en het al dan niet naleven van deze regel. Om te verkomen dat een geestelijke op verkeerde gedachten komt, mogen bij hem geen vrouwen inwonen die geen directe familie zijn (c.42). Betrapt men een geestelijke op een verhouding of affaire met een vrouw, dan wordt de vrouw verkocht, en de clericus moet boete doen (c.43). Lagere clerici mochten blijkbaar wel trouwen, mits toestemming van de bisschop; trouwen zij echter met een weduwe, een verstotene of een hoer, dan moet de bisschop hen scheiden (c.44).

Dat geestelijken niet alleen geestelijke, maar ook wereldlijke aspiraties hebben, bleek reeds uit het voorgaande. Dat dit zich niet enkel beperkte tot het seksuele, mag blijken uit wat volgt. Geestelijken die de wapens opnemen tijdens een of andere opstand, moeten opgesloten worden in een klooster, wanneer men hun wandaden ontdekt (c.45). Blijkbaar zijn er ook clerici die het niet zo nauw nemen met grafschennis. Wanneer zij hierop betrapt zouden worden, dan moeten zij verwijderd worden uit de kerkelijke rangen, opdat de civiele overheid hen ter dood zou kunnen veroordelen (c.46). De wereldlijke handelingen die geestelijken verrichten, geschieden echter niet altijd uit vrije wil. Een nieuw besluit bepaalt daarom dat zij voortaan niet meer opgeroepen kunnen worden om een openbaar werk te verrichten (c.47).

Een aparte klasse binnen het kerkelijke bestel vormen de monniken. Wanneer een monnik intreedt, en zijn geloften aflegt, persoonlijk of bij monde van zijn ouders, dan kan de persoon in kwestie nooit terug keren naar de seculiere wereld (c.49). Dat geldt ook voor seculiere geestelijken die monnik willen worden, en een bisschop mag zich niet verzetten tegen de wens van een priester om een heiliger leven te gaan leiden (c.50). De macht van de bisschop over de kloosters en hun bewoners is trouwens beperkt: de bisschop mag de monniken aansporen tot een beter leven, hij mag de abt en andere functionarissen aanduiden, en hij mag corrigerend optreden wanneer de regel overtreden werd (c.51). Wat men allerminst kon dulden zijn zwervende monniken. Sommigen lopen weg uit het klooster, en vestigen zich niet alleen in de seculiere wereld, maar durven het ook nog eens aan om te trouwen! Deze onverlaten – wanneer men ze vindt – kunnen op geen genade rekenen, en moeten in het klooster van herkomst levenslang boete doen (c.52).

Buiten de kerkelijke structuren vindt men in de Visigotische maatschappij nog een aantal groepen die speciaal de aandacht van de Kerk trekken. Zo zijn er groepen religieuzen, die ergens gevestigd zijn of rondtrekken, die niet passen binnen het traditionele schema van reguliere en seculiere geestelijkheid. Dit – in kerkelijke ogen – probleem van oncontroleerbare groepen lost men op door de bisschoppen, in wier territoria zij zich bevinden, te verplichten om hen ofwel in kloosters te stoppen, ofwel als seculiere geestelijken op te nemen (c.53).

Een andere maatschappelijke groep waar de Kerk interesse voor toont, maken geen deel uit van de geestelijkheid, maar vormen toch een te onderscheidene sociale entiteit. In de eerste plaats gaat het hier om de boetelingen. Met deze term duidt men hier die personen aan, die publiek boete doen, en de uiterlijke kenmerken van de geestelijkheid aannemen, zonder evenwel een wijding te ontvangen. Zij mogen niet meer terugkeren naar het wereldlijke leven (c.55), wel ligt er voor hen een kerkelijke loopbaan in het verschiet, tenminste als zij bij het ontvangen van het sacrament van de boete zeiden dat ze een zonde bedreven hadden, maar deze niet concretiseerden (c.54). Ten tweede zijn er specifieke groepen van religieuze vrouwen: weduwen en heilige maagden, en vrouwelijke boetelingen. Deze vrouwen mogen evenmin terugkeren naar het wereldse leven (c.55). Er is echter een wezenlijk verschil tussen seculiere en religieuze weduwen: religieuze weduwen kunnen onder geen enkel beding opnieuw trouwen (zij namen immers een religieuze kledingswijze aan), wijl seculiere weduwen dadelijk na de dood van hun man te kennen gaven dat zij later eventueel wel nog eens zouden willen trouwen, wat hen dan ook vrijstond (c.56).

De grootste maatschappelijke groep waar de kerk meende extra aandacht aan te moeten besteden, waren de joden. De Visigotische geestelijkheid vindt dat zij bekeerd moeten worden. Men mag daarbij echter niet tot geweld verleid worden. De joden moeten de vrije keuze krijgen om zich te bekeren. Het concilie verzet zich hierbij uitdrukkelijk tegen de gedwongen bekeringen ten tijde van koning Sisebut[92], maar het zegt wel dat die bekeringen geldig waren, en niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden. Daarom moeten alle joden die zich uit vrije wil of gedwongen bekeerden, verplicht worden te geloven en aan de katholieke feesten deel te nemen (c.57). De joden handelen echter niet op eigen houtje: door hulp van christenen, zelfs van geestelijken en bisschoppen, blijven zij afvallig van het katholieke geloof, en volharden zij in de boosheid van hun heidense geloof. Christenen die in het voordeel van de joden blijven handelen, zullen dan ook uit de kerkgemeenschap gezet worden, en zullen voor eeuwig verdoemd blijven (c.58). Bekeerde joden die trouwens hun oude geloofspraktijken opnieuw aankleven, en zich bovendien vergrijpen aan het toepassen van de besnijdenis, moeten door de plaatselijke bisschop gestraft worden. Besneden ze hun kinderen, dan worden deze van hen gescheiden en aan goede christenen toevertrouwd om hen op te voeden; betrof het slaven, dan worden deze onmiddellijk vrijgelaten, ter compensatie voor hun verminking (c.59). Men gaat zelfs nog een stapje verder: bekeerde joden mogen niet meer in het gezelschap van oude geloofsgenoten verkeren. Betrapt men hen hierop, dan worden ze gestraft, en de ongelovigen worden in het openbaar slagen toegediend (c.62). Om de homogeniteit van de samenleving te versterken, en de joden uit te schakelen, wil de Kerk dat voortaan de kinderen van joodse ouders aan hun ouders ontnomen worden en dat zij bij christelijke ouders geplaatst worden om er een christelijke opvoeding te krijgen (c.60). Deze praktijk mag er echter niet toe leiden dat de kinderen geen recht meer zouden hebben op de goederen van hun natuurlijke joodse ouders (c.61). In de praktijk was de situatie uiteraard veel complexer, en waren er reeds vele gemengde huwelijken tot stand gekomen. Daarover namen de bisschoppen het besluit dat kinderen uit dergelijke huwelijken automatisch de katholieke godsdienst als geloof opgelegd kregen. De ouder die tot de joodse gemeenschap behoorde, moest zich bekeren ten einde het huwelijk te laten voortbestaan (c.63). Nog enkele andere bepalingen aangaande de joden: ze mogen geen openbaar ambt waarnemen (c.65), ze mogen geen christelijke slaven bezitten (c.66), en bekeerde joden verliezen hun recht om te getuigen als zij hun plicht aan de katholieke godsdienst verzuimden (c.64).

Een andere groep welke de speciale aandacht van de Kerk opriep, zijn de vrijgelatenen, vooral die vrijgelatenen die voortkomen uit kerkelijke rangen en liberti die door derden aan het beschermheerschap van de Kerk werden toevertrouwd. Om als slaaf van de Kerk vrijgelaten te kunnen worden, moet er eerst aan enkele voorwaarden voldaan worden. De Kerk is bovenal een machtig instituut dat angstig waakt over zijn bezittingen. Een slaaf wordt ook gerekend tot het kapitaal van de Kerk, en heeft zo een economische waarde, en vormt een basis voor de kerkelijke macht. Indien een bisschop nu een of meerdere slaven vrij wil laten, dan moet dat gecompenseerd worden met een goed, een gift of een aantal slaven met dezelfde waarde als de slaven die men vrijlaat (c.67), zoals bepaald volgens de aloude canones (c.69). Voldoet de bisschop niet aan deze voorwaarde, dan valt de vrijgelatene opnieuw onder het onzalige juk van de slavernij (c.67). Bovendien blijft de vrijgelatene met zijn bezittingen en nageslacht onder het beschermheerschap van de Kerk (c.69), met verplichtte corvees en gehoorzaamheid, waaraan hij zich niet kan onttrekken. Tracht hij dat toch, dan moet hij voor de bisschop een verklaring afleggen waarin hij zijn onderdanigheid aan de Kerk en zijn oorsprong als kerkelijke slaaf erkent (c.70). Onttrekt de vrijgelatene zich effectief aan het gezag van de Kerk mits hulp van derden, dan vervalt zijn vrijlating (c.71).

Wil de bisschop die hem vrijlaat daarentegen de dubbele waarde van de ex-slaaf compenseren, en gaat het concilie van zijn provincie daarmee akkoord, dan moet dit concilie een geschreven document ter bevestiging van de volledige vrijlating afleveren, en dan is de vrijgelatene volledig vrij, en is hij niet langer verplicht tot corvees. Zulk een vrijgelatene is er evenwel toe gehouden om de Kerk nooit aan te klagen of met een bezwarend getuigenis te lasteren (c.68).

Ook andere instellingen en particulieren laten slaven vrij. In sommige gevallen vertrouwen zij die vrijgelatenen toe aan het beschermheerschap van de Kerk. De bisschoppen zijn er dan ook toe gehouden om de vrijheid van die mensen te waarborgen en ervoor te zorgen dat zij ten volle over hun peculium kunnen beschikken (c.72). Dit kapittel leert ons waarschijnlijk ook iets over de inhoud van het beschermheerschap van de bisschoppen ten aanzien van de kerkelijke vrijgelatenen: hun vrijheid vrijwaren tegenover derden, en hun peculium beschermen.

Vrijgelatenen van derden kunnen trouwens kerkelijke ambten waarnemen, maar dan moeten zij wel volledig vrijgelaten zijn, en niet meer gebonden aan hun heer door een of andere verplichte dienst (c.73). Indien de Kerk het nodig acht, kan men trouwens ook kerkelijke vrijgelatenen wijden. Zij moeten echter ook volledig vrijgelaten zijn alvorens zij een kerkelijke waardigheid kunnen bekleden (c.74).

Het laatste kapittel van dit concilie, kapittel 75, is van politieke aard om de koninklijke positie te verstevigen en duidelijk in de verf te zetten. De inspirator van dit kapittel is overduidelijk, en het wordt ons zelf letterlijk medegedeeld: koning Sisenand. Hij had enkele jaren geleden, door samenzwering en met hulp van een legereenheid van de Frankische koning Dagobert, koning Swinthila afgezet[93]. Om Swinthila en zijn clan volledig buitenspel te zetten, wordt over Swinthila, zijn vrouw en hun familie door het concilie de banvloek uitgesproken. Sisenand vreest immers dat wat hij deed met zijn voorganger, ook hem zou kunnen geschieden. In dat kader moeten we dan ook de hele theologische verklaring in dit kapittel omtrent koninklijke eden verklaren. Treffend is de gelijkenis die gemaakt wordt met het oudtestamentische koningschap van David. Net als de Israëlische koningen werden de Visigotische koningen immers gezalfd door een man Gods, een bisschop. De gezalfde wordt aanzien als een persoonlijke beschermeling van de God, en iets ondernemen tegen deze beschermeling is al even erg als het lasteren van God. Wanneer men het opneemt tegen de koning verbreekt men een goddelijk contract tussen het volk en de koning. In een formule, die driemaal in min of meer dezelfde woorden herhaald wordt, wordt al wie iets onderneemt tegen het volk, het vaderland en bovenal de koning, in de eeuwige ban der verdoemenis gedaan.

 

 

4. Koning zoekt kerkelijke steun: Chintila

 

Gedurende de korte regeerperiode van koning Chintila treden maar liefst twee nationale concilies samen. Deze vorst, die zijn voorganger van de macht verdreef en vreest dat hetzelfde hem of zijn opvolger zou kunnen overkomen, heeft de Kerk nodig om hem tot steun te dienen. Na deze koning verwatert de conciliaire activiteit: tussen 638 en 680 hielden de kerkelijke herders slechts drie nationale en vier provinciale concilies.

 

Toledo V, 636

 

Dit concilie, gehouden in het jaar 636, tijdens het eerste regeringsjaar van koning Chintila, is vooral van politieke aard, en concentreert zich met name op de koninklijke macht.

Slechts één kapittel, het eerste, is gewijd aan de kerkelijke sfeer, en blijft beperkt tot de liturgische organisatie. Het betreft hier het instellen van nieuwe litanieën, om openlijk boete te doen en vergiffenis te vragen voor de zonden van het hele koninkrijk, die gedurende drie dagen gehouden moeten worden, vanaf 13 december, ieder jaar opnieuw. Valt er een zondag in die periode, dan moeten de litanieën de volgende week gehouden worden.

De zeven kapittels die nog resten beogen de monarchie te reguleren. De basisidee die aan de grondslag ligt van ieder kapittel, is dat de koning en zijn nageslacht gevaar lopen en beschermd moeten worden tegen usurpatoren. In kapittel 2 en 7 wordt expliciet verwezen naar Toledo IV. Er wordt nog extra bepaald dat het volk zijn koning en zijn afstammelingen moet liefhebben, dat men hen te hulp moet snellen wanneer er hen onrecht dreigt aangedaan te worden, dat men geen gedingen tegen hen mag aanspannen (c.2), en dat aan het einde van ieder concilie kapittel 75 van Toledo IV luidop moet voorgelezen worden (c.7).

Om potentiële usurpatoren iedere hoop op goede afloop te ontnemen, bepaalt het concilie dat iedere koning die niet met algemene stem verkozen wordt en die niet tot het volk der Goten behoort, geëxcommuniceerd wordt en in de banvloek van God wordt gedaan (c.3). De kans was inderdaad niet gering dat iemand zijn ogen op de troon liet vallen en de macht in eigen handen wilde hebben. Al wie samenzweert, of ook maar iets tegen de koning onderneemt, wordt geëxcommuniceerd (c.4). Men gaat zelfs een stap verder wanneer bepaald wordt dat al wie de koning verwenst buiten de gemeenschap van de Kerk geplaatst wordt (c.5)

De opvolgers van de koning, waarbij men ervan uitgaat dat ze legitiem aan de macht gekomen zijn, moeten beloven dat ze de vertrouwelingen van de voorgaande koning niets zullen ontnemen. Want, zo redeneert men, indien men de medewerkers van de overleden koning alles ontneemt, dan zal de nieuwe koning op geen medewerkers en getrouwen meer moeten rekenen daar hen aan het einde van zijn regering toch alles ontnomen zal worden (c.6)

Ten slotte krijgt de koning een nieuw soort macht: voortaan mag hij de vergrijpen van misdadigers vergeven en hun straf ongedaan maken. Hij krijgt met andere woorden het recht om gratie te verlenen (c.8).

 

Toledo VI, 638

 

Dit concilie vond plaats op 9 januari 638, het tweede regeringsjaar van Chintila.

In de eerste plaats behandelt dit concilie een aantal vraagstukken van de interne kerkelijke keuken. De geloofsbelijdenis en het bevestigen van het katholieke geloof als het enig zaligmakende nemen daarbij een voorname plaats in. Vooral de problematiek van de heilige drievuldigheid blijft de bisschoppen bezighouden (c.1). De litanieën die door het vorige concilie werden ingesteld, worden blijkbaar niet goed nageleefd, want het tweede kapittel moet er nogmaals op hameren om de nieuwe praktijk ook werkelijk uit te voeren.

Niet alleen liturgische en dogmatische materies zorgen voor interne troebelen, ook de geestelijkheid zelf draagt daartoe bij. Een aantal geestelijken bereiken hun ambt namelijk niet op de geëigende weg. Het kopen van kerkelijke waardigheid lijkt schering en inslag geweest te zijn. Voortaan zal het oude gebod “anathema danti et accipienti” strikt nageleefd worden (c.4).

Dat geestelijken inderdaad niet steeds op het geestelijke gericht zijn, mag ook blijken uit het feit dat sommige clerici kerkelijke goederen trachten te ontvreemden. Om dit te vermijden, moet er voortaan een schriftelijk contract worden opgesteld waarin vermeld staat dat de geestelijke de hem toegewezen goederen op precario in gebruik heeft (c.5).

Uit de besluiten over het beheer van kerkelijke goederen blijkt trouwens ook een nauwe verwevenheid met het hof. De Kerk beschermt al haar goederen, maar de goederen die door de koning geschonken werden, verdienen bijzondere protectie. Niemand kan een goed van de Kerk ontvreemden, onder welke omstandigheid ook. De goederen die aan de Kerk werden toevertrouwd dienen immers om in het onderhoud van de armen te voorzien, en moeten gekoesterd worden als beloning voor de milde schenkers (c.15).

De intern kerkelijke belangen vermengen zich met de maatschappelijke belangen van de Kerk in één welbepaalde groep: de kerkelijke vrijgelatenen. Zij blijven immers deel uitmaken van de Kerk, van het kerkelijke patrimonium, maar zijn tegelijkertijd een belangrijke sociale groep. De Kerk wil de controle over deze unieke groep dan ook geenszins teloor zien gaan. Daarom moeten de vrijgelatenen het beschermheerschap van de Kerk erkennen, en beloven dat zij steeds ten haren dienste zullen staan. Wanneer er nu een nieuwe bisschop aangesteld wordt, dan moeten zij die geloften herhalen en de akte waarin hun vrijlating bepaald werd kunnen voorleggen. Doen zij dat niet, dan worden zij opnieuw slaaf en kunnen nooit meer vrijgelaten worden (c.9). Sommige vrijgelatenen waren blijkbaar zeer vindingrijk om op zijn minst hun kroost aan het kerkelijke gezag te onttrekken. Een aantal ouders liet zijn kinderen adopteren door derden en nog anderen gingen een stap verder door niet alleen voor hun kinderen, maar ook voor henzelf nieuwe meesters te zoeken. Dit betekent natuurlijk een enorm verlies aan menselijk potentieel (economisch) voor de Kerk. Voortaan zullen ouders dan ook verplicht worden om de opvoeding van hun kinderen aan de bisschop toe te vertrouwen, teneinde de machtsstructuren te bestendigen (c.10)

De aandacht voor de maatschappij betrekt zich vooral op dezelfde groepen die reeds aangehaald werden bij Toledo IV. Religieuze mannen en vrouwen mogen zich niet onttrekken aan hun religieuze status. Zij zijn en blijven gebonden door de uiterlijke kenmerken die gepaard gaan met hun religieuze status, zoals het habijt en de tonsuur. Wordt deze bepaling geschonden, dan moeten de overtreders op passende wijze door de bisschop gestraft worden (c.6). Hetzelfde geldt trouwens voor boetelingen die menen dat zij zich aan de kerkelijke autoriteit kunnen onttrekken (c.7). Toch moeten we hier voorbehoud maken, want indien de boeteling, vóór het ontvangen van de het sacrament van de boete, getrouwd was, dan mag hij in sommige omstandigheden terugkeren naar zijn echtgenote. Dit geldt vooral voor jongere mensen die de boetedoening niet aankunnen en door overdreven seksuele onthouding wel eens overspel zouden kunnen plegen (c.8).

Van maatschappelijk belang, maar uitzonderlijk om opgenomen te worden in een concilie, is de bepaling dat niemand voor het gerecht gedaagd kan worden als de aanklager niet opdaagt, als de burgerlijke en kerkelijke wetten niet onderzocht worden en als blijkt dat de aanklager niet in de positie verkeert om als aanklager op te treden. Deze bepalingen gelden niet in geval van majesteitsschennis (c.11).

De bepalingen van dit concilie betreffende de joden worden allen gecondenseerd weergegeven in kapittel 3. Vooreerst wordt medegedeeld dat de koning in samenspraak met zijn bisschoppen niet langer zal toelaten dat in zijn rijk niet-katholieken verblijven. Daarover zijn de bisschoppen ten zeerste verheugd, maar zij achten het nodig om ook de toekomst veilig te stellen en te eisen, onder bedreiging van het anathema der verdoemenis, dat ieder toekomstige koning aan zijn eed zou toevoegen dat hij niets zal ondernemen wat ook maar enigszins ten voordelen van de joden zou kunnen zijn. Bovendien worden in een adem alle oudere canones met wetgeving over (tegen) joden herbevestigd, zonder evenwel de concrete bepalingen te herhalen (c.3).

Een besluit dat niet goed thuis te brengen is, maar dat zowel politiek als maatschappelijk geïnterpreteerd kan worden, wordt geformuleerd in canon 13. Daar wordt namelijk gezegd dat de hovelingen in al wat ze doen door het gewone volk geëerd moeten worden. Omgekeerd moeten de hovelingen het gewone volk met liefde bejegenen en hen tot voorbeeld van burgerzin dienen.

De besluiten die van zuiver politieke aard zijn, hebben allen betrekking op de monarchie. Er worden zware straffen ingesteld op verraders en overlopers naar vijanden, maar zij kunnen ook rekenen op een strenge maar rechtvaardige vorm van koninklijke genade (c.12). Om de koninklijke getrouwen te beschermen beslist dit concilie dat zij na de dood van de koning door diens opvolger niet uit hun ambt ontzet kunnen worden en evenmin hun goederen verliezen. Het staat de koning evenwel vrij om ontrouwen en nutteloze waardigheidsbekleders te ontslaan (c.14). Om het leven van de koning en zijn nageslacht te vrijwaren wordt trouwens, net zoals in het vorige concilie, bepaald dat opstandelingen en samenzweerders hardhandig aangepakt zullen worden. Tezamen met deze bepalingen kondigt dit concilie opnieuw de voorwaarden af om koning te mogen worden (c.17). Nog een apart kapittel wil extra hameren op de bescherming van de koninklijke afstammelingen (c.18).

Als overkoepelend gegeven voor deze thematiek wijzen de kerkvaders erop dat de onderdanen hun koning en zijn nakomelingen met liefde moeten bejegenen, en dat ieder koninklijk persoon en ieder koninklijk goed onschendbaar is. Want, de koning kan over Gods hulp beschikken, en brengt rust en welvaart in het land (c.16).

 

 

5. Chindaswinth en Recceswinth: barre conciliaire tijden

 

We gaven in het vorige hoofdstuk reeds aan dat deze periode niet echt uitpuilde van de conciliaire activiteiten. Deze twee vorsten, vader en zoon, hebben blijkbaar genoeg macht om zich zonder al te veel kerkelijke steun op het politieke toneel te bewegen, al zien zowel vader als zoon zich bij het begin van hun troonsbestijging wel genoodzaakt om een beroep te doen op de bisschoppen.

 

Toledo VII, 646

 

Dit concilie, dat samenkwam in 646, tijdens het vijfde regeringsjaar van Chindaswinth,  zal zich vooral bezighouden met problemen van kerkelijke aard, en in het bijzonder de geestelijkheid in al zijn facetten.

Vooreerst zijn er bepalingen van liturgische aard: als de bisschop of een priester tijdens de dienst ziek wordt, dan moet die zonder onderbreken voortgezet worden door een andere geestelijke die zich in de buurt van de bisschop bevindt. De bisschop moet deze geestelijke eerst zijn zegen geven, tenzij er per toeval een andere bisschop aanwezig zou zijn (c.2). Ook voor de begrafenis van een bisschop gelden speciale voorschriften: de overleden bisschop moet begraven worden door een collega, die tijdig verwittigd moet worden, en die zijn plicht niet mag verzuimen op straffe van een één jaar durende excommunicatie (c.3).

De discipline binnen de Kerk houdt de bisschoppen ten zeerste bezig. Afwijkend gedrag wordt niet getolereerd. Kluizenaars en rondzwervende geestelijken worden dermate bedreigend ervaren dat zij opgesloten moeten worden in het klooster waar zij zich het dichtst bij bevinden. Zo kunnen zij gecontroleerd worden op het geloof en op hun gedrag. Voortaan mogen er wel nog kluizenaars zijn, maar dan moeten zij eerst een degelijke kerkelijke opleiding genoten hebben, en moeten zij reeds enkele jaren deel hebben uitgemaakt van een kloostergemeenschap. (c.5)

In een apart kapittel wordt de toestand van de Galicische Kerk in het algemeen en de vraatzucht van haar bisschoppen in het bijzonder besproken. De priesters van enkele parochies konden niet langer aanzien hoe de bisschoppen de lokale kerken in armoede stortten, en dienden klacht in bij het concilie. Om de situatie enigszins recht te trekken en de kerkjes van Galicië te ontlasten, neemt het concilie de volgende beslissingen: de bisschoppen mogen voortaan aan iedere parochie maximum twee solidi per jaar als bijdrage vragen, de abdijen en kloosterkerken mogen niet belast worden; wanneer de bisschoppen hun parochies gaan inspecteren, dan moeten zij de kosten voor die parochies niet nodeloos opdrijven door een gevolg van meer dan vijftig personen mee te nemen en er langer dan één dag te blijven (c.4).

Enkele besluiten die kaderen binnen de kerkelijke sfeer, maar met een duidelijk politieke inslag, gaan in op het doen en laten van geestelijken, voornamelijk bisschoppen.

In de eerste plaats is er een ietwat onschuldige beslissing die van de bisschoppen uit de nabijheid van Toledo verlangt dat zij minstens één maand per jaar in de hoofdstad verblijven (c.6). Een tweede politiek gekleurde bepaling, die heel wat verder reikt en vooral geestelijken maar ook leken betreft, gaat nader in op het verraad aan het volk, het land en de koning. De algemene beslissing is dat iedere verrader of onruststoker die gevat wordt, zeer zwaar gestraft zal worden, door excommunicatie, confiscatie van goederen en het verliezen van openbare rechten. Indien het de koning echter behaagt, dan staat het hem vrij om genade te verlenen aan hen die eventueel berouw zouden hebben (c.1).

 

Toledo VIII, 653

 

Dit concilie, dat plaatsgreep onder Chindaswinth’s opvolger, Recceswinth, houdt zich eveneens vooral met kerkelijke aangelegenheden bezig. Op aandrang van de koning worden er echter enkele politieke thema ’s aangesneden en heeft men ook aandacht voor de maatschappelijke positie van de joden.

Het concilie vangt aan met een uitgebreide geloofsbelijdenis en een duidelijke veroordeling van iedere vorm van ketterij (c.1).

Om het geloof trouwens op een correcte manier te verspreiden, moeten de geestelijken eerst een basisopleiding genoten hebben. Dit houdt in dat zij het psalterium vanbuiten kennen, evenals de gebruikelijke gezangen en de hymnen. Bovendien moeten zij weten hoe ze een doopsel moeten toedienen. Priesters die de wijding ontvingen en deze basiskennis niet bezitten, moeten gedwongen worden om zich te scholen. Nieuwelingen kunnen trouwens niet meer gewijd worden zonder bewijs geleverd te hebben van een gedegen kennis van deze beperkte onderwerpen (c.8). In dezelfde sfeer van kerkelijk leven en liturgie, kunnen we een volgend kapittel plaatsen. Er staat met een uitvoerig theologisch discours beschreven dat de vasten weldegelijk onderhouden dient te worden. Blijkbaar zijn er maar al te vaak enkele geestelijken die zich op een gemakzuchtige wijze aan dit kerkelijk gebod onttrekken. De gulzigheid van sommige prelaten lijkt zelfs zo ver te gaan dat zij zich zelfs niet houden aan de voorgeschreven spijzen voor Pasen (c.9).

De ondeugden van de geestelijken reiken evenwel verder. Tegen corrupte wijdingen en simonie wil dit concilie hard optreden, en neemt niet zomaar een beslissing, maar zorgt ervoor dat deze goed ondersteund is met theologische argumenten. Clerici die betaalden of geld ontvingen voor een kerkelijk ambt verliezen hun waardigheid. Leken worden voor dezelfde feiten in de eeuwige kerkban geslagen (c.3).

Wat evenwel ten zeerste de aandacht van de bisschoppen trekt is de klacht van sommige geestelijken die onder dwang gewijd werden. Deze geestelijken argumenteerden namelijk dat hun wijding, aangezien ontvangen uit angst of onder dwang, geenszins geldig kon zijn. Hun vrije wil was immers niet gerespecteerd. De reactie van de bisschoppen hiertegen is zeer krachtig en categoriek. Vooreerst gebruiken zij het argument dat iedere religieuze daad van de bisschoppen (het wijden van kerken, chrisma en priesters) door niemand ongedaan gemaakt kan worden. De woorden krijgen een ferme toon wanneer de argumentatie luidt dat zelfs kinderen en andere onwetenden het doopsel ontvingen, en dat niemand twijfelt aan de geldigheid ervan, en dat men daarom evenmin kan twijfelen aan de geldigheid van de wijding van priesters, die dat dan nog meestal deden om aan de dood of straffen te ontsnappen. De priesters die nu klagen over hun wijding zijn volgens de bisschoppen ondankbare mannen die de goddelijke gave niet waard zijn. Toch moeten zij op post blijven. Indien zij echter hun post verlaten of trachten te verlaten en kiezen voor het wereldse leven en of de huwelijkse staat, dan moeten zij aan Kerk en maatschappij onttrokken worden, en in een klooster opgesloten worden om boete te doen. (c.7)

Om interne disputen te verzoenen en met de mantel der liefde te dedekken, beslissen de bisschoppen dat het hoogste gezag bij de vergadering van verenigde bisschoppen ligt: het concilie. Interne conflicten betreffende het geloof moeten steeds op een concilie besproken worden. Een beslissing over geschillen wordt genomen met een gewone meerderheid, waar de verliezende partij zich naar schikken moet. Doet zij dat niet, dan worden de bisschoppen van de minderheidsgroep voor één jaar in de ban geslagen (c.11).

Is de christelijke wereld niet echt een homogene wereld, dan is dat niet enkel omdat de christenen onderling verdeeld zijn, maar ook omdat niet alle inwoners christenen zijn. De joden zijn menig bisschop een doorn in het oog, en zij dringen er met aandrang op aan dat de joden binnen het orthodoxe katholieke geloof geleid worden. Dien aangaande beperkt het concilie er zich toe om de bepalingen uit Toledo IV te bevestigen (c.12).

Niet enkel de maatschappij en de Kerk behoeven ordening, ook de bestuurlijke instanties kunnen best wat ordening en rechtlijnigheid verdragen. Voor de rust en de vrede in het land, en opdat de Kerk kan floreren, is er behoefte aan stabiele gezagsorganen. De belangrijkste instelling is de monarchie: de legitimiteit van iedere wetgeving (ook de concilies worden door de koningen bevestigd), vloeit voort uit de vorst. Opdat een vorst zijn gezag doeltreffend kan uitoefenen, is het niet zozeer belangrijk dat hij almachtig is, maar wel dat hij door een zo breed mogelijke laag van de bestuurlijke elite en de bevolking geschraagd wordt. Om de vorst voor allen aanvaardbaar te maken, zal hij voortaan gekozen worden volgens een procedure die de bisschoppen en edelen evenwichtig toeschijnt. De koning moet gekozen worden in de koninklijke stad, Toledo, of in de stad waar de vorige koning overleed, bij stemming, door de bisschoppen en de hofadel. Koningen die op een andere manier de troon zouden bestijgen, worden automatisch vervallen verklaard. Pretendenten moeten het katholieke geloof aanhangen, en voldoen aan de algemene fatsoensregels (c.10).

Een nog belangrijker politiek punt betreft verraad aan de koning en het vaderland, en in het bijzonder de moeilijke omstandigheden van diegenen die voordien verraad pleegden en in ballingschap gestuurd werden. Men zoekt in dit concilie een oplossing om hun onaangename situatie enigszins te verzachten zonder evenwel de valse eden die gezworen werden tegen de legitieme koning geheel te willen vergeten. Men steekt een goed onderbouwd theologisch discours af om de barmhartigheid te laten prevaleren boven de gestrengheid van de straffen. Dit discours is er geheel op gericht om de valse eden in een zeer slecht daglicht te plaatsen, en om tevens aan te tonen dat de barmhartigheid een wezenlijk christelijk, ja, zelfs goddelijk, kenmerk is. Door dit contrast zeer scherp te formuleren, bereiken de bisschoppen dat het koninklijk mededogen en de koninklijke clementie als het ware onovertroffen zijn en een goddelijke oorsprong hebben. Bovendien benadrukt het concilie dat eden ten gunste van de koning, het vaderland en het volk ten zeerste nageleefd en gecontroleerd moeten worden. Om al deze bevindingen van de bisschoppen te staven wordt verwezen naar talloze christelijke schrijvers en bijbelse fragmenten (c.2).

 

Toledo IX, 655.

 

Het negende concilie van Toledo had een provinciaal karakter, maar vaardigde desalniettemin enkele belangwekkende canones uit.

Sommige gelovigen die het zich kunnen veroorloven geven aan de Kerk goederen om hun hemel te verdienen en vergiffenis te krijgen. De status van die goederen is echter onduidelijk. Behoren ze de Kerk toe? Of de erfgenamen van de schenker? Of zijn ze van niemand? Deze verwarrende toestand leidt ertoe dat heel wat geestelijken, zelfs bisschoppen, zich die goederen toe-eigenen door hen bij hun persoonlijk vermogen te voegen of door hen als bezittingen van een episcopale kerk te beheren.

De kerkelijke gebruiken bepalen echter dat de geoffreerde goederen daar bewaard moeten worden waar ze de nagedachtenis van de schenker in leven houden. Om die inhaligheid van de geestelijken in te perken doet de Kerk een beroep op de kinderen, kleinkinderen en verwanten van de offeraar door hen toe te staan om een oogje in het zeil te houden. Worden de goederen ontvreemd door een lagere geestelijke, dan moet die aangeklaagd worden bij zijn bisschop of bij de rechter; een bisschop moet bij de metropoliet aangeklaagd worden; en de metropoliet zelf zal zijn eventueel wangedrag voor de koning mogen uitleggen. Deze bepaling wil echter geen vrijgeleide zijn voor de familieleden van de schenker om zelf naar eigen goeddunken over die goederen te beschikken. Daarom wordt hen dreigend gevraagd om zelf niets schandelijks te doen, en slechts over die zaken te waken, en enkel datgene te nemen wat hen als rechtmatige compensatie toekomt (c.1).

Bisschoppen kunnen niet alleen inhalig zijn, maar bekwamen zich ook in nalatigheid en leedvermaak. Stichters van kerken en kloosters moeten vaak met lede ogen aanzien hoe de door hen opgerichte gebouwen en instellingen door laksheid van de bisschop ten onder gaan. Om dit in het vervolg te voorkomen laat het concilie toe dat de stichter de nodige maatregelen mag nemen om zijn gebouwen te onderhouden. Bovendien mag hij zelf een beheerder voor zijn kerk kiezen en deze aan de bisschop presenteren om hem te wijden en aan te stellen. De bisschop kan deze beheerder echter weigeren en in samenspraak met de stichter een geschiktere kandidaat zoeken. Zoekt de bisschop op eigen houtje een beheerder, en stelt hij deze aan, dan zal zijn beslissing ongeldig verklaard worden (c.2).

Wanneer een geestelijke voor een of andere geleverde prestatie iets van de bezittingen van de Kerk aan diegene die de prestatie leverde moet geven, dan moet dat duidelijk in de boeken ingeschreven worden. De redenen voor de prestatie en voor de vergoeding moeten helder weergegeven worden om de rechtvaardigheid ervan te kunnen vaststellen, of eventueel frauduleus handelen aan te kunnen tonen (c.3).

Wat de Kerk ook vooral wil vermijden, is dat er een vermenging ontstaat tussen de private goederen van de bisschoppen en de goederen van de Kerk. Dit is vooral van belang in het kader van testamenten waarbij eventueel kerkelijke goederen op sluikse wijze aan de verwanten van de bisschop overgemaakt zouden kunnen worden (c.4).

Wil de bisschop een klooster of een kerk stichten in zijn bisdom, dan is daar in principe niets op tegen, als het de bezittingen van de episcopale kerk maar niet aantast. Zo mag hij aan het gestichte klooster niet meer dan één vijftigste van het totaal van de inkomsten van zijn kerk afstaan. Voor een kerk zonder klooster die hij wil stichten, of voor een kerk waar hij begraven wil worden, mag dit bedrag slechts oplopen tot één honderdste van de kerkelijke inkomsten. Bovendien moet de bisschop kiezen tussen ofwel een klooster, ofwel een kerk. Twee stichtingen, dat mag niet (c.5).

Deze bepaling wil echter geenszins de autonomie van de bisschop totaal fnuiken. Zo kan de bisschop vrijelijk beslissen over het derde van de inkomsten van de hem onderhorige kerken dat hem toekomt om de kerken te herstellen. Het is te zeggen: de bisschop kan dit derde teruggeven aan de kerk die het opbracht, of hij kan het aan een andere kerk toekennen. En de bisschoppelijke beslissing is onherroepelijk (c.6).

Bij de dood van een geestelijke, moeten de verwanten zich melden bij de overste van die geestelijke, alvorens zich een hen toegewezen goed, dat de geestelijke toebehoorde, toe te eigenen. Er moet namelijk eerst duidelijk nagegaan worden wat van de Kerk en wat van de overleden geestelijke is. Was de overleden geestelijke een diaken of een priester, dan moeten de verwanten zich tot de bisschop wenden, was het een bisschop, dan moet de metropoliet aangesproken worden, en was het de metropoliet zelve, dan moet zijn opvolger of het concilie aangeklampt worden (c.7).

Als een geestelijke een bepaalde beslissing neemt die de bezittingen van de kerk in gevaar brengt en die bovendien in strijd is met de kerkelijke bepalingen, dan geldt de verjaringstermijn van dertig jaar niet vanaf de dag van die beslissing, maar vanaf de dag van het overlijden van die geestelijke (c.8).

Overleden geestelijken moeten ook begraven worden en diegene die daarvoor moet zorgen, is de bisschop. Als vergoeding voor zijn verplaatsing en de geleverde diensten mag de bisschop, in samenspraak met de lokale verantwoordelijken, van een rijke kerk goederen vorderen ter waarde van één pond goud en van een arme kerk ter waarde van een half pond goud. De bisschop moet tevens een inventaris opstellen en deze opsturen naar zijn metropoliet. Van de goederen, in die inventaris beschreven, mag de metropoliet niets opeisen, in tegendeel, hij moet net waken over de bescherming van die kerk en haar goederen (c.9).

Tot zover de bepalingen over de goederen van de Kerk en hoe men daarmee om moet springen. Of misschien niet helemaal. Want er volgen nog een hele reeks canones die betrekking hebben op het menselijke potentieel van de Kerk, de figuurlijke melkkoeien die reeds een vorm van emancipatie mochten ondervinden: de vrijgelatenen. En al zijn het dan geen goederen, zij vormen ontegenzeggelijk een belangrijke pijler in de kapitaalstructuur van de Kerk.

Slaven zijn gemakkelijker te controleren dan vrijgelatenen, en dus voordeliger voor de Kerk. Daarom trachten de bisschoppen de vrijlating van slaven zo lang mogelijk uit te stellen. Wil een bisschop slaven vrijlaten, dan kunnen die pas vrijkomen na de dood van die bisschop (c.12). De vrijgelatenen en hun nageslacht moeten trouwens steeds gehoorzaam aan de Kerk en in het bijzonder aan hun bisschop blijven (c.14). Dit houdt onder meer in dat die vrijgelatenen en hun afstammelingen nooit met een vrije Romein of Goot mogen trouwen. Doen ze dit toch en worden er kinderen geboren in zulk een huwelijk, dan kunnen die kinderen nooit de volledige vrijheid genieten. De vrijgelatenen en al hun nakomelingen (dus ook diegenen die geboren werden uit een vrije moeder of vader) blijven onderhorigheid aan de Kerk verschuldigd (c.13 en 14). Vrijgelatenen zijn gehoorzaamheid verschuldigd zoals de vrijgeborenen, en niet zoals de slaven, en ze kunnen dan ook rekenen op rechtspraak zoals die van toepassing is voor vrije mensen, althans als ze die gehoorzaamheid stipt en oprecht nakomen (c.15).

De vrijgelatenen kunnen de Kerk niet alleen schade toebrengen door zichzelf aan haar gezag te onttrekken, maar ook door kerkelijke goederen op slinkse wijze aan derden te verkopen. Daarom, willen zij in het vervolg goederen van de Kerk verkopen, dan moeten zij die goederen eerste aan hun bisschop voorleggen die het recht van voorkoop kan doen gelden. Tekent de bisschop dit recht af, dan mag de vrijgelatene zijn goed verkopen  aan wie hij wil. De opbrengst van de verkoop komt integraal de ex-slaaf toe (c.16).

Het slavenbestand van de Kerk herbergt ook een potentieel aan kerkelijke bedienaren. De slaaf moet dan wel van onbesproken gedrag zijn alvorens hij gewijd kan worden. Wordt hij effectief gewijd, dan moet de bisschop deze slaaf vrijlaten, want een onvrije kan onmogelijk tot de stand der geestelijken behoren (c.11).

Dit concilie verbindt trouwens het onzedelijke gedrag van de clerici met de zorg voor het patrimonium. Werden voorheen enkel de geestelijken gestraft voor hun oncanonieke bezigheden, dan wordt nu ook het eventuele nageslacht dat uit aanstootgevende relaties geboren werd, gestraft. Op die manier tracht men de activiteiten van de geestelijken in te perken of men tracht er althans voor te zorgen dat de uiterlijke tekenen van die activiteiten niet openbaar worden. Het nageslacht wordt immers zwaar gestraft: zelfs als de moeder vrijgeboren was, dan nog vervallen ze tot ordinaire slaafjes van de Kerk en kunnen zij niets van de bezittingen van hun ouders erven. De geestelijken mogen voor hun wangedrag uiteraard ook een passende persoonlijke straf verwachten (c.10).

De laatste canon van dit concilie handelt over de gedoopte joden. De bisschoppen staan zeer wantrouwig tegenover deze groep en vrezen voor een mogelijke ‘herjudaïsering’ van de bekeerlingen. Daarom moeten de joden op de belangrijkste christelijke feestdagen zich bij de bisschoppen melden. Ze moeten de feesten meevieren tijdens de openbare vieringen, zodat de bisschop hun feestgedrag kan nagaan en controleren of hun geloof wel oprecht is (c.17).

 

Toledo X, 656

 

Dit nationale concilie kwam bijeen onder de regering van koning Recceswinth, op 1 december 656. Het is in omvang een zeer bescheiden concilie, maar behandelt niettemin enkele boeiende onderwerpen.

Het vraagstuk van de verering van de Moeder Gods duikt tijdens dit concilie als eerste op. De dag die men gewoonlijk toekent aan Maria valt namelijk af en toe binnen de vasten, of zelfs op Pasen. Helaas, op zulke dagen mag men geen heiligen herdenken. Daarom waren verschillende provincies met eigen oplossingen op de proppen gekomen voor dit probleem. Maar verschillen in feesten kunnen bij het volk gemakkelijk leiden tot de opvatting dat er scheuringen zijn. Om de Moeder Gods nu toch nog passend en in eenheid te kunnen eren, passen de bisschoppen aan dit probleem een mouw door de feestdag te verplaatsen. Ze beslissen dat de Heilige Maagd voortaan ieder jaar acht dagen voor het feest van de geboorte van Christus herdacht zal worden, namelijk achttien december (c.1).

Een ander probleem dat de Kerk intern bezig houdt is dat van de goederen die op slinkse wijze versluisd worden door bisschoppen die het niet zo nauw nemen met de kerkelijke bepalingen betreffende simonie en het kerkelijke patrimonium. Enkele bisschoppen bekwamen zich zodanig in hebzucht dat zij op onwettige wijze familieleden en trawanten geestelijke ambten toebedelen om via die weg kerkelijke goederen te verduisteren. Wordt in het vervolg zulk een praktijk nogmaals vastgesteld, dan verliezen de valse geestelijken hun ambt, en worden de betrokken bisschoppen in de ban geslagen; bovendien moeten zij de dubbele waarde van de verheelde goederen terugbetalen (c.3).

In Visigotisch Spanje waren Kerk, maatschappij en politiek nauw verstrengeld. De bisschoppen hielden zich dan ook bezig met uitgesproken maatschappelijke thema’s, die natuurlijk binnen het overheersende religieuze kader pasten. Een belangrijke problematiek behelst die van weduwen die zich in een religieus leven engageerden. Zij moeten zich houden aan de aloude regels en bovendien moeten zij haar beloften geschreven en ondertekend afleggen in bijzijn van een bisschop of een gemachtigde. Vanaf dit ogenblik is de weduwe verplicht om steeds, altijd en overal, een speciaal habijt te dragen. Ook moet zij het gezicht bedekken met een rode of zwarte sluier. (c.4). Weduwen die zich met allerlei excuses wensen terug te trekken uit het religieuze leven, moeten met alle mogelijke middelen tegengehouden worden. De bisschoppen moeten hen proberen te overhalen met woorden, maar wanneer dat niet lukt, dan staat het hen vrij om de vrouwen met geweld het habijt aan te trekken, in het klooster op te sluiten en in de ban te slaan. Dit geldt ook voor vrouwen die geen geloften aflegden, maar zich uit vrije wil een religieus habijt aantrokken. Vervallen de vrouwen na hun boete nogmaals in hun oude neigingen, dan worden zij levenslang in een klooster opgesloten en krijgen zij zware straffen opgelegd (c.5).

Ook kinderen kunnen op bisschoppelijk aandacht rekenen. Enkele ouders wensen voor hun kinderen immers een religieus leven, waarop zij hun kinderen tonsureren en religieuze kledij doen dragen. Wanneer de kinderen ouder worden, kan het echter zijn dat deze niet langer het religieuze leven willen leiden dat hen voorbestemd was. Dat zint de bisschoppen niet: eenmaal getonsureerd, eenmaal het religieuze habijt gedragen, eenmaal een religieus leven begonnen, kan men zich niet meer terugtrekken. De bisschoppen voeren wel een regel in om de religieuze ijver van sommige ouders ten aanzien van hun kinderen te minderen. Zo mogen ouders enkel in plaats van hun spruiten beslissen tot de leeftijd van tien jaar. Hebben de kinderen deze leeftijd overschreden, dan hebben de ouders op religieus gebied niets meer over hun kroost te zeggen (c.6).

Een probleem dat de bisschoppen ten zeerste bezighoudt betreft het verkopen van slaven door collegae. Een discours, dat bijna de helft van de geschreven neerslag van het concilie beslaat, vol bijbelse citaten, toont aan dat het beneden iedere bisschoppelijke waardigheid is om christelijke slaven te verhandelen. Vooral wanneer deze slaven in handen van joden vallen is er sprake van een groot probleem. Er zijn zelfs enkele gevallen bekend van slaven die, omdat hun nieuwe meester joods was, zich bekeerden tot het jodendom. Bisschoppen die er zulke praktijken op na houden, worden vergeleken met Judas die Christus verried. De straf voor zulke bisschoppen moet dan ook in verhouding zijn, id est zeer zwaar (c.7).

Politieke kwesties blijven ook de Kerk parten spelen. Om zichzelf buiten schot te houden, bepaalt het concilie dat geestelijken die verraad plegen aan de koning, het volk of het land, hun waardigheid meteen verliezen. Zulke geestelijken, van lector tot metropoliet, kunnen enkel hopen op koninklijke vergevingsgezindheid (c.2).

 

Mérida, 666

 

Als enige uit de Visigotische periode van de provincie Lusitania werd ons dit concilie van Mérida overgeleverd. De bisschoppen kwamen samen in de kerk van het heilige Jeruzalem op 6 november van het jaar 666. Het vaardigde in totaal drieëntwintig canones uit, waarvan we de laatste echter niet zullen behandelen daar deze canon enkel een bevestiging van het concilie is, samen met de handtekens van de bisschoppen.

In de eerste plaats willen de bisschoppen van dit concilie hun geloof bepalen en daar duidelijk uitdrukking aan geven. De geloofsbelijdenis wordt opgezegd en de goddelijke genade wordt afgesmeekt (c.1), waarna de bisschoppen zich van hun wetgevende taak kwijten.

De bisschoppen vinden dat de pas uitgedrukte eenheid van geloof enkel waar geacht kan worden als er ook eenheid van ritus is. Daarom zullen de vespers tijdens de feestdagen in de kerken van Lusitania gelezen worden na het aanbieden van de kaars, en vóór het weerklinken van het teken (c.2).

Dit concilie voert een unieke ceremonie in om de oorlogvoerende koning (hier expliciet vermeld: koning Recceswinth) bij te staan. De bisschoppen moeten er namelijk voor zorgen dat gedurende iedere militaire campagne er een speciale dienst gehouden wordt om te bidden voor het veilig behoud van de koning, zijn troepen en het volk, en voor het verlenen van de overwinning aan de koning. Er moet gebeden worden totdat de koning opnieuw in zijn paleis is, en als iemand deze bepaling naast zich neerlegt, dan zal die geëxcommuniceerd worden (c.3).

Zijn er problemen in een provincie, dan moeten die op het concilie opgelost worden, en problemen waren er genoeg. Wil het concilie echter succesvol zijn, dan moeten de bisschoppen allemaal aanwezig zijn, of toch op zijn minst een gepaste afgevaardigde sturen. De meest geschikte afgevaardigde voor een bisschop is de aartspriester, maar indien deze niet kan komen, dan moet een gewone priester aangeduid worden. In geen enkel geval kan men echter een diaken aanstellen. Diakens zijn immers veel te jong, en moeten steeds voorrang verlenen aan hun ouderen en meerderen, de priesters (c.5).

Concilies moeten bovendien jaarlijks gehouden worden op de plaats die de metropoliet aanduidt, en bisschoppen die daar geen gehoor aan geven door weg te blijven, moeten geëxcommuniceerd worden. Die banvloek duurt echter maar tot het volgende concilie, dan kan de bisschop zijn zaak bepleiten en eventueel in ere hersteld worden. In tussentijd mogen er echter geen maatregels genomen worden waardoor de bisschop al te zeer beangstigd zou worden (c.7).

Interessant is ook dat we hier duidelijk zien dat de provinciale concilies niet alleen door de metropoliet worden samengeroepen, maar tevens koninklijke goedkeuring nodig hebben, en zelfs op bevel van de koning samen komen (c.5 en c.7)[94]. Suffragaanbisschoppen moeten eigenlijk op iedere uitnodiging van hun metropoliet ingaan, bijvoorbeeld om de belangrijkste feesten te vieren. Hij mag daarbij geen enkel excuus aanvoeren om niet te gaan, tenzij eventueel ziekte, maar dan moet de bisschop wel een eigenhandig ondertekende brief zenden met een duidelijke uiteenzetting van de feiten. Blijkt nadien dat de bisschop gezond was, dan wordt hij geëxcommuniceerd (c.6).

Aan de hand van de klacht van bisschop Sclua, van de kerk van Idanha tegen zijn collega Iustus uit Salamanca betreffende grondgebied, herhaalt dit concilie nogmaals de regel die algemeen geldig is bij zulke conflicten: na verloop van dertig jaar heeft de eiser geen verhaal meer. Toch zal de metropoliet een speciale commissie sturen om na te gaan welk gebied wie toekomt. Hier roepen de bisschoppen elkaar ook op om over het eigen territorium te waken en zich niet zomaar grond te laten afpakken (c.8).

Voor het beheer van zijn gebied en een goede werking van zijn diensten, moet de bisschop natuurlijk over voldoende en geschikt personeel beschikken. Deswege bepaalt het concilie dat iedere bisschop een aartspriester, een aartsdiaken en een primiclerius moet aanstellen. Die geestelijken die aldus werden aangesteld moeten zich nu plots niet beter gaan voelen dan hun collegae of zelfs de bisschop. Indien het hen wat teveel naar het hoofd zou stijgen, dan zullen ze met veel plezier in de banvloek van de Kerk gedaan worden (c.10).

Heeft de bisschop nood aan meerdere priesters en andere geestelijken in zijn episcopale Kerk, dan kan hij naar alle vrijheid die geestelijken laten en doen overkomen naar de bisschopszetel. Die overgeplaatste geestelijken moeten de bisschop gehoorzaam zijn en blijven. De bisschop moet hen een zeker loon verschaffen zodat zij in hun onderhoud kunnen voorzien. Toch blijven overgeplaatste priesters verantwoordelijk voor en kunnen zij genieten van de goederen van de landelijke kerk vanwaar zij komen. Ter vervanging van die priesters moeten er echter wel andere geestelijken aangesteld worden, die eveneens een rechtvaardig inkomen genieten (c.12).

Ook de priesters van de landelijke kerken moeten er voor zorgen dat ze genoeg geestelijken hebben om de diensten ordelijk te laten verlopen. Naar goed vermogen en volgens de mogelijkheden van de lokale kerk moet de priester dan ook gepaste mannen uit de slaven zoeken om hem bij te staan. De priester moet instaan voor het onderhoud en de kledij van die geestelijken. De geestelijken zijn in ruil gehoorzaamheid aan de priester en de belangen van de Kerk verschuldigd (c.18).

Er wordt in het concilie ook over geklaagd dat sommige priesters, abten en diakens hun bisschop helemaal niet de eer bewijzen die hem toekomt, en ronduit tegendraads handelen wanneer de bisschop op inspectieronde door zijn diocees trekt. Voortaan moet iedere geestelijke dan ook, op straffe van excommunicatie, de nodige eer aan zijn bisschop vertonen en naar eigen kunnen en vermogen op een waardige wijze ontvangen op zijn tocht door het bisdom (c.11).

Vereisen het geloof, de uiterlijke structuren en werkingsinstrumenten van de Kerk reglementen, dan geldt dit evenzeer, of nog meer, voor de dragers en verspreiders van het geloof, voor de onderhouders van de structuren en voor diegenen die instaan voor de werking van de Kerk.

Vooral de hoogste gezagsdragers moeten een voorbeeld stellen. Daarom moet de metropoliet in handen van zijn suffraganen plechtig beloven een kuis, ingetogen en rechtschapen leven te leiden. Voor de suffraganen geldt dat zij die geloftes afleggen in handen van de metropoliet. Dit geldt ook voor die bisschoppen die op last van de koning door de metropoliet van een andere provincie werden geordineerd (c.4).

De inhaligheid van de geestelijken is ondertussen al welbekend. De priesters die aangesteld zijn om het chrisma aan hun collegae uit te delen durven daar blijkbaar kosten voor aanrekenen. En dat mag niet. Eveneens zijn er priesters die voor het dopen van kinderen allerlei uitvluchten zoeken om toch maar iets aan de ouders te kunnen ontfutselen. Ten strengste verboden. Maar wordt hen iets in alle vrijheid aangeboden, dan moeten ze dat niet afslaan, maar juist met dankbaarheid aanvaarden (c.9).

Daar een aantal kerken weinig goederen bezitten en zij dus geen geestelijke fulltime in zijn onderhoud kunnen voorzien, zijn er een aantal geestelijken die verantwoordelijk zijn voor meer dan één kerk. Ze moeten dan ook die verantwoordelijkheid opnemen. Dit houdt in dat ze minstens iedere zondag in elke kerk de mis moeten lezen. Doen de priesters in kwestie dat niet, dan weten zij wat hen boven het hoofd hangt: excommunicatie (c.19).

Deze laatste dekt in wezen een dubbele laag: enerzijds wordt er gewezen op het gedrag van de clerici, anderzijds op de rijkdommen van de Kerk van Lusitania. Die lijn loopt door in een aantal andere canones. Zo wordt in canon dertien een soort stimulans voor de lagere geestelijken gecreëerd: als ze goed presteren, dan kan de bisschop beslissen om hen een kerkelijk goed in gebruik te geven. Blijkt na zekere tijd dat de geestelijke zijn goederen verwaarloost, dan kan de bisschop die goederen opnieuw naar zich toetrekken (c.13).

De offerandes tijdens de verschillende diensten zijn een belangrijke vorm van inkomsten voor de Kerk. Deze inkomsten dienen niet om te accumuleren, maar om uit te delen onder de geestelijkheid, en kunnen als een soort loon beschouwd worden. Alle inkomsten worden verzameld en aan de bisschop voorgelegd. Deze verdeelt het bedrag in drie gelijke delen. Het eerste deel komt integraal de bisschop zelve toe. Het tweede deel is voor de priesters en diakens, en moet onder hen verdeeld worden volgens de moeite die ze zich getroostten tijdens de diensten. Het laatste deel is voor de subdiakens en de overige lagere clerus. Ook voor hen geldt een verdeling volgens verdienste, die gebeurt onder toezicht van de primiclerius (c.14).

Bepaalden vroegere concilies dat de bisschop een derde van de inkomsten van de rurale kerken kan opeisen, dan leggen de bisschoppen van dit concilie er de nadruk op dat het een derde is, en niets meer! Die inkomsten moet de bisschop trouwens aanwenden om de kerken te onderhouden en zo nodig te verbouwen. Daartoe moet de bisschop een priester aanstellen die enkele kerken onder zijn hoede krijgt om toezicht te houden. Kerken die zelf geen inkomsten hebben, moeten ook onderhouden worden, en dat valt volledig onder de bevoegdheid en de zorg van de bisschop, wiens kerk ook de kosten moet dragen (c.16).

Een aparte categorie van goederen, de slaven, kan op een speciale manier van de Kerk vervreemd worden. Slaven kunnen vrijgelaten worden, maar dan wel onder bepaalde voorwaarden. Wat van belang is, is vooral dat de Kerk er geen nadeel van ondervindt. Daarom kunnen slechts die vrijgelatenen hun vrijheid behouden, wanneer zij werden vrijgelaten door een bisschop die zelf voldoende goederen aan de Kerk schonk. Als een opvolger ongeregeldheden ontdekt, dan worden de vrijgelatenen opnieuw slaven. Vrijgelatenen moeten dan ook steeds de akte van hun vrijlating kunnen voorleggen, en zij mogen zich nooit aan het beschermheerschap van de Kerk onttrekken (c.20).

Om de goederen van de Kerk te beschermen, maar tevens om de rechten van belanghebbenden te beschermen, bepaalt deze kerkvergadering dat een bisschop bij testament aan zijn vrienden, zijn slaven en vrijgelatenen, of om het even wie, kerkelijke goederen mag schenken, indien hij ten minste het drievoudige of meer van de waarde van die geschonken goederen uit eigen patrimonium aan de Kerk had nagelaten. Is dat zo, dan heeft zijn opvolger geen verhaal. Vertrouwde de bisschop aan die personen bovendien kerkelijke goederen toe, niet als eigendom, maar om ermee te werken, te negotiëren, dan krijgt de vertrouweling uiteraard enkele rechten. Door met die roerende en onroerende goederen te werken, vermeerderen de vertrouwelingen het vermogen van de Kerk. Wanneer de goederen uiteindelijk terug de Kerk toevallen, dan moet zij die vertrouwelingen belonen. Van de onroerende goederen moet hen een tiende gegeven worden, en bij roerende goederen moet de bisschop een passend deel aan de vrijgelatene, slaaf of vriend van zijn voorganger geven (c.21).

Slaven zijn verhandelbare goederen, maar evenzeer mensen. De woede van sommige bisschoppen en priesters kan zo groot zijn, dat zij hun slaven voor misdrijven al te zwaar en onpassend straffen. Daarbij gaat men over tot het afrukken of afsnijden van lichaamsdelen. Wanneer dit effectief gebeurd is, dan moet de rechter van de stad optreden en de bisschop veroordelen, zonder de bisschop echter al te veel door het slijk te halen. Zieke priesters verdenken nogal licht een van hun slaven die hen door middel van een of ander tovermiddel ziek zou hebben gemaakt. Als straf laten ze die slaaf dan martelen en ‘per multam impietatem detrimentare’. In het vervolg moeten priesters niet meer zelf overgaan tot maatregelen, maar moeten zij hun bisschop op de hoogte brengen. De bisschop zal vervolgens de rechter vragen om een onderzoek in te stellen. Is er dan effectief sprake van een misdrijf, dan moet de bisschop rechtspreken (c.15).

Dode bisschoppen kunnen zeer gevaarlijk zijn. Zeker voor diegenen die op een of andere manier aan zijn autoriteit gebonden waren. En zeker voor zij die kwaad spreken of met slechte bedoelingen roddelen over de overledene. Wordt een priester daarop betrapt, dan moet hij drie maanden boete doen, een diaken vijf maanden, een subdiaken, een clericus of een andere geestelijke met een hoge graad, negen maanden. Betrapt men een geestelijke van lagere rang, dan mag die zich verheugen op een traktatie van vijftig zweepslagen. Leken die dankzij de Kerk een zekere opvoeding genoten, of kerkelijke goederen beheren, worden in afwachting van hun definitieve straf in de ban geslagen. Kerkelijke slaven krijgen een staf volgens hun belang: er zijn immers respectabele slaven en slaven zonder enig belang. De respectabele slaven worden gedurende zes maand geëxcommuniceerd, en voor de gewone slaven staat een straf op het menu naar smaak van de bisschop (c.17).

De canon die ons nog ter bespreking voorligt, nummer tweeëntwintig, bepaalt nogmaals voor het concilie als geheel, dat wie de normen van dit concilie niet naleeft, door de metropoliet en alle suffraganen geëxcommuniceerd zal worden, ongeacht de rang en graad van de overtreder (c.22).

 

 

6. De concilies als maatschappelijke en politieke barometer

 

De laatste fase van de Visigotische geschiedenis kent een ware explosie van conciliaire activiteit. Onder de regering van koning Wamba, worden in hetzelfde jaar, 675, liefst twee provinciale concilies gehouden. Zijn opvolgers maken het nog bonter en weten van geen ophouden: Erwig en Egica laten onder hun beider regeerperiode, over een tijdsspanne van veertien jaar liefst zeven nationale concilies samenkomen.

 

Toledo XI, 675

 

Aan dit concilie van de provincie Carthaginensis namen op 7 november 675 zeventien bisschoppen deel. Alvorens hun wetgevende taken aan te vatten, beklagen de bisschoppen het feit dat er reeds vele jaren voorbij gingen zonder ook maar een concilie. Het ontbreken van conciliaire activiteiten leidde er immers al te snel toe dat de bisschoppen zich niet meer zo katholiek gedroegen. Op initiatief van koning Wamba zitten de bisschoppen nu samen om de wantoestanden recht te trekken.

Vooreerst wordt in een lange uiteenzetting lucht gegeven aan de goede bedoelingen van de bisschoppen en hun geloofsovertuigingen. Een goed uitgewerkte tekst wil getuigenis afleggen van het ene ware geloof en de geloofspunten die daarbij horen welke alle bisschoppen aankleven[95].

Om ervoor te zorgen dat alles opnieuw naar wens zou verlopen, moet vooreerst de eenheid van rite in de provincie hersteld worden. De ritus die men gewoon is in de metropolitane Kerk moet door de andere bisschoppen in hun eigen Kerk toegepast worden: “sic enim iustum est ut inde unusquisque sumat regulas magisterii unde honores consecrationem accepit, ut iuxta maiorum decreta sedes quae unicuique sacerdotalis mater est dignitatis sit et ecclesiasticae magistra rationis”[96]. Abten die bovendien een eigen ritus volgen, moeten de diensten die openbaar zijn, t.t.z. de vespers, de metten en de mis, echter wel volgens de gebruiken van hun bisschop vieren. En de bisschoppen die tegen deze bepalingen ingaan, moeten zes maanden bij de metropoliet boete doen, opdat zij door tranen van zijn zonden gezuiverd zouden worden, en de nodige kennis zouden opdoen om de diensten juist te vieren. Op dezelfde manier moeten de bisschoppen optreden tegen de hen onderhorige geestelijken (c.3).

Uiteraard, als de geestelijken de regels niet kennen, dan kunnen ze er zich ook niet aan houden. Daarom moeten de metropolieten en de bisschoppen ervoor zorgen dat ze op tijd en stond hun ondergeschikten onderwijzen in de leer en de regels van de Kerk. Zijn alle geestelijken degelijk onderricht, dan kunnen zij op een natuurlijke wijze de christelijke leer uitdragen. De clerici moeten zich dan ook toeleggen op de studie van de geschriften, ofwel uit vrije wil, ofwel onder dwang (c.2). Om eenheid van rite en gedrag te krijgen, moeten de bisschoppen wel een voorbeeld zijn, en hun onenigheid en onderlinge twisten achterwege laten (c.4).

Het moment bij uitstek om de eendracht en het wederzijdse respect te tonen, het concilie, wordt al te vaak belachelijk gemaakt door te lachen of om het even welk geluid te produceren. De bisschoppen die daar voortaan nog op betrapt worden, zullen dan ook uit de vergadering gezet worden, en moeten drie dagen boete doen (c.1). Een ander paar mouwen is de organisatie van het concilie op zich. De bisschoppen lopen over van de goede voornemens en willen er nu eens werkelijk werk van maken om jaarlijks samen te kunnen komen. Wanneer de vorst of de metropoliet hen bijeenroept, dan mogen zij geenszins hun kat sturen, tenzij ze liever één jaar geëxcommuniceerd willen worden. Is er geen koninklijk bevel, dan nog moeten de bisschoppen samenkomen. Blijkt nu dat ze liever niet binnen de termijn van één jaar samenkomen, dan worden de bisschoppen van de provincie collectief gedurende een jaar geëxcommuniceerd (c.15).

Om de kerkelijke diensten uit te voeren, moeten de geestelijken over enkele kwaliteiten beschikken, maar het is evenzeer wenselijk dat zij enkele gebreken ontberen. Clerici die bezeten zijn door demonen en daardoor epileptische aanvallen krijgen, mogen geenszins voorgaan. Weet de bisschop echter dat de geestelijke in kwestie niet bezeten is, maar enkel aan de ziekte lijdt, dan moet deze gedurende een jaar vrijgesteld worden, en kan later eventueel opnieuw door de bisschop aangesteld worden (c.13).

Een goede gang van zaken in de liturgie vereist dat er een zekere continuïteit zij. Om dit te bereiken vraagt het concilie met aandrang aan die kerken die voldoende tijd, plaats en middelen hebben dat zij bij iedere voorganger en zanger een helper zouden plaatsen. Is de dienst reeds begonnen, dan mag die door niets onderbroken worden: wordt de geestelijke plots ziek, zakt hij in elkaar, wordt hij razend, of raakt hij door angst bevangen, “the show must go on”. Daarom moet er dus steeds een helper in de buurt zijn, die indien nodig de dienst kan voortzetten (c.14).

Bisschoppen bedienen zich, ten einde hun ambt te verkrijgen, gaarne van niet-menselijke helpers: geld en cadeautjes. Om dit voortaan te vermijden, moeten diegenen die op het punt staan de hoogste kerkelijke wijding te ontvangen, plechtig beloven dat ze zich niet schuldig gemaakt hebben aan simonie om zover te geraken. Onze bisschoppen zijn echter maar al te realistisch en weten dat ze met hun verheven principes zichzelf ondermijnen. Daarom wordt verder bepaald dat bisschoppen waarvan vaststaat dat ze zich schuldig maakten aan simonie hun post slechts tijdelijk verliezen en gedurende twee jaar boete moeten doen, ten einde oprecht opnieuw in de gemeenschap opgenomen te worden en de waardigheid van hun ambt op zich te kunnen nemen (c.9).

Ook de onderhorigen van de bisschoppen verdienen graag een centje bij, en zelfs met medeweten van die laatsten. En hier situeert zich de kritiek van het concilie: de bisschoppen moeten paal en perk stellen aan het feit dat geestelijken betaald worden voor het toedienen van de doop, het vormsel of het promoveren van lagere geestelijken. Doen de bisschoppen dat niet, dan worden ze voor twee maanden geëxcommuniceerd. Handelen de geestelijken echter op eigen houtje, dan worden ze persoonlijk gestraft volgens rang en stand: een priester wordt drie maanden geëxcommuniceerd, een diaken vier maanden. De lagere geestelijkheid wordt getrakteerd op zweepslagen en een passende banvloek (c.8).

De bisschoppen en de kerkelijke rectoren moeten trouwens bij hun aanstelling een aparte gelofte afleggen met de belofte om de aloude en recentere canones nooit te zullen overtreden. Dit moet voor het concilie voldoende zijn om de garantie te verkrijgen dat de aangestelde geestelijken een waardig leven zullen leiden zoals dat bij hun status past (c.10).

Na hun aanstelling blijken bisschoppen toch nog vatbaar voor onchristelijk gedrag. Er zijn er die als rechter onbillijk handelen door op voorhand partij te kiezen. Anderen vinden de religieuze taken waarvoor ze werden aangesteld maar niets, en laten zich leiden door wereldse aspiraties. Daarbij gaan ze diefstal, andere misdaden en zelfs moord niet uit de weg. De woorden van La Fontaine “Tout homme est homme, et les moines surtout” indachtig, kunnen we dit ook van onze bisschoppen zeggen: ze kennen maar al te goed de verlokkingen waaraan hun collegae en zijzelf blootstaan.

Daarom willen ze maar al te graag hun fouten met de mantel der kerkelijke ‘liefde’ toedekken. Bisschoppen met een persoonlijk patrimonium moeten de schade uiteraard vergoeden, of weigeren zij, dan kunnen ze boete doen tot ze op betere gedachten komen. De armlastige bisschoppen echter, kunnen de kerken die zij beheren, niet doen opdraaien voor de wandaden die zij persoonlijk begingen. Zij moeten dan ook boete doen volgens een soort tarief: de waarde van de boete uitgedrukt in solidi moet met twee vermenigvuldigd worden om het aantal dagen van boetedoening te bekomen. Wordt een bisschop veroordeeld tot een boete van 10 solidi, dan doet hij 20 dagen boete. De eisende partij blijft uiteraard zonder vergoeding.

Een echt zwaar vergrijp is natuurlijk ontucht plegen met de vrouw, de dochter of de kleindochter van een of andere magnaat. Of het vermoorden van een edelman of een vrouwe. Dan is de bisschop het spreekwoordelijke haasje. Hij wordt voor de rest van zijn leven in de ban van de Kerk geslagen en kan slechts op het einde van zijn leven opnieuw tot de katholieke gemeenschap toetreden (c.5).

Als rechter mag een bisschop bovendien geen enkel vonnis uitspreken waardoor de veroordeelde ter dood gebracht moet worden, of verminkt moet worden. De bisschop mag noch persoonlijk executeren, noch de ter dood veroordeelde door anderen laten terechtstellen. Doet hij dat toch, dan verliest hij de eer van zijn wijding en zijn ambt en wordt hij geëxcommuniceerd (c.6).

Wil de bisschop een van zijn onderhorigen straffen, dan moet hij de straf publiekelijk opleggen. Deze maatregel wordt uitdrukkelijk genomen om machtsmisbruik van de bisschop te vermijden. Is de bisschop van oordeel dat de straf niet openbaar opgelegd mag worden, dan moet hij ervoor zorgen dat de beschuldigde voor een tribunaal kan verschijnen van minimum drie bisschoppen. Bovendien moet de verantwoordelijke bisschop persoonlijk de akte waarin de straf bepaald wordt, ondertekenen (c.7).

De Kerk wil uiteraard ook waken over haar grote kudde gelovigen. De schaapjes handelen nu echter eenmaal niet steeds zoals de herders wel zouden willen. Zo zijn er onverlaten die het aandurven om de eucharistie, die ze van de bisschop ontvingen, niet tot zich te nemen. Dit duidelijke misprijzen moet bestraft worden met niet mis te verstane straffen. Was het een gelovige die zo handelde, dan wordt die voor altijd geëxcommuniceerd. Een ongelovige mag zich aan zweepslagen verwachten en eeuwige verbanning. Voor beiden is er echter een uitweg mogelijk: na een oprechte boetedoening gedurende vijf jaar kunnen ze opnieuw tot de gemeenschap toetreden. Die strenge straffen gelden niet voor kinderen die uit onwetendheid handelen of zieken en stervenden die onmogelijk de hostie die zij ontvingen kunnen doorslikken (c.11).

Ten slotte willen de bisschoppen nog eens in het algemeen blijk geven van hun barmhartigheid en vergevingsgezindheid. Voor al diegenen die onder de strenge regels van de penitentie moeten leven geldt voortaan het volgende: liggen zij op sterven, dan moet hen onmiddellijk de vergiffenis geschonken worden, en moeten zij opnieuw toegelaten worden tot de christengemeenschap, des te meer wanneer zij daar uitdrukkelijk om smeekten. Sterft een persoon zonder vergiffenis gekregen te hebben, dan nog moet hij in de kerken herdacht worden. En men mag zeker het financiële niet vergeten: de giften die voor de arme overledene aangeboden worden moeten aanvaard worden (c.12).

Een allerlaatste canon dankt de Heer nogmaals voor het mogen vieren van het concilie en bevestigt nogmaals alle nieuwe en oude kerkelijke voorschriften en bepalingen (c.16).

 

Braga III, 675

 

Het enige concilie uit de provincie Galicië dat we hier behandelen, begint met een duidelijke definiëring van het katholieke geloof door enkele theologische beschouwingen en het formuleren van de geloofsbelijdenis. De aard van dit concilie is provinciaal en deze synode behandelt slechts kerkelijke vraagstukken.

Een eerste probleem waar de Galicische Kerk zich voor geplaatst ziet, is het verkeerd uitvoeren van de eucharistie door sommige priesters. Sommigen durven het aan om in plaats van wijn melk te consacreren. Anderen bieden de gelovigen dan weer hosties aan die in wijn gedompeld werden. Nog anderen bestaan het zelfs om in plaats van wijn aangelengd met water aan te bieden, gewoon druiven bij de hostie te presenteren. En druiven, dat is ten eerste geen wijn, en ten tweede zeker geen aangelengde wijn!

Voor het concilie stuk voor stuk flagrante overtredingen van de eucharistie zoals die oorspronkelijk bedoeld was. Zegende Christus niet een beker met wijn? Was dat geen wijn die aangelengd was met water om de eenheid tussen de Heer en zijn volk aan te duiden? En diegene die op het laatste avondmaal brood nuttigde dat in wijn was gedoopt, was dat niet Judas de verrader? Niemand zal in het vervolg dan ook nog de oorspronkelijke regels voor de eucharistie overtreden, en gebeurt dat toch, dan zal de priester in kwestie een passende penitentie ondergaan (c.1).

Het concilie is zeer geschokt te horen dat enkele bisschoppen, maar niet alleen bisschoppen, het heilige vaatwerk gebruiken voor persoonlijk gebruik. Sommigen deinzen er blijkbaar niet voor terug om er uit te eten, en, godbetert, er zelfs vlees uit te eten! De geestelijken die op dergelijke praktijken nog betrapt zullen worden, verliezen hun rang en waardigheid. Leken worden voor zulk een misdaad bestraft met de eeuwige excommunicatie. Dezelfde straffen gelden voor al wie oneigenlijk gebruik maakt van kerkelijke ornamenten, gebruiksvoorwerpen, kaarsen of kledij, of deze goederen te koop zou aanbieden of wegschenken (c.2).

Bisschoppen moeten zich ook houden aan de kledingsvoorschriften die hen werden opgelegd. Bij iedere dienst die zij voorgaan, moeten ze de stool dragen, als teken van hun waardigheid, en als teken van de deugden. Het kledingsstuk moet zo gedrapeerd worden dat het de nek bedekt, en over beide schouders ligt. Op de borstkas van de bisschop moet de stool vervolgens een kruis vormen. Op die wijze moet de stool gedragen worden, en wie nog anders handelt, zal geëxcommuniceerd worden (c.3).

Dat bisschoppen soms heilig verklaard werden ná hun dood, weerhoudt er enkele Galicische bisschoppen niet van om reeds tijdens hun leven voor zichzelf een heilig aureool te creëren. Daartoe laten ze zich bij het vieren van de feesten van de heiligen in processie rondvoeren. De bisschoppen bekleden zich met de heilige relikwieën en laten zich in praalstoelen door diakens, met alben bekleed, ronddragen. Dit is voor het concilie je reinste heiligschennis, en als straf wordt een verbod tot het vieren van de diensten door de overtreders afgekondigd (c.5).

Geestelijken die kerkelijke ambten verkopen, evenals diegenen die zulke ambten kopen, verliezen onmiddellijk hun ambt en kerkelijke waardigheid. De canon verwijst expliciet naar voorgaande concilies en aloude canones, en in het bijzonder naar het vierde oecumenische concilie, dat van Chalcedon(c.7).

Hoe moeten de bisschoppen hun clerici dan straffen die een misdrijf begingen? Er zijn er die overgaan tot het toedienen van zweepslagen, maar zulke praktijken kan het concilie niet goedkeuren, meer bepaald niet wanneer ‘het lijdende voorwerp’ een priester, een abt of een diaken zou zijn. Deze ondergeschikten van de bisschop zijn immers niet de minsten, en zijn zelfs zijn directe medewerkers. Indien een bisschop te veel zijn macht zou misbruiken, kan hij ook niet het nodige respect van zijn onderdanen verwachten. Welke straf een bisschop dan moet toepassen wordt niet gezegd, maar het staat wel vast dat hij, wanneer hij zweepslagen toediende, geëxcommuniceerd en verbannen wordt (c.6).

Het concilie voelt zich genoodzaakt om er nog eens, zij het kort, op te hameren dat de clerici een kuis leven moeten leiden. Zij mogen met geen enkele vrouw samenleven die niet hun moeder is. Het is zelfs verboden om met naaste vrouwelijke familieleden samen te leven. Tenzij er een waardige en geschikte persoon mee inwoont die van de kuisheid van de geestelijke kan getuigen. Voor de overtreder echter geen nood: de straf bestaat uit zes maanden boetedoening (c.4).

Wat de goederen van de Kerk betreft, moeten de bisschoppen er voor zorgen dat deze toenemen, en zeker niet door hun toedoen verminderen. Het concilie maakt gewag van bisschoppen die de slaven van de Kerk inzetten voor hun persoonlijk gewin, maar ondertussen de kerkelijke zaak verwaarlozen en schade toebrengen. De vastgestelde schade moet aan de Kerk vergoed worden uit het persoonlijke patrimonium van de kerkelijke behoeder. Kan deze echter aantonen dat hij zijn eigen goederen gebruikte om zijn kerk een dienst te bewijzen, dan moet hem de waarde van de geleverde prestatie – wat die ook zij – vergoed worden (c.8).

 

Toledo XII, 681

 

Dit nationale concilie, dat samenkwam in 681, begint met een uitgebreide geloofsbelijdenis, om nogmaals de Heilige Drievuldigheid als beginsel te omlijnen (c.1).

De bisschoppen moeten afrekenen met een schandelijke praktijk in eigen rangen: enkele collegae nuttigen niet iedere mis de heilige hostie! Zij dragen meerdere missen per dag op, en menen dat het goed is om slechts tijdens de laatste mis het lichaam des Heren te nuttigen. Zo ziet het concilie dat echter niet. Telkens er ter communie gegaan wordt, moeten ook de bisschoppen hieraan deelnemen (c.5).

Vele woorden (706) worden in de schriftelijke neerslag van dit concilie besteed aan de ordening van de kerkelijke structuren op het Iberische schiereiland. Concreet wordt de beslissing van koning Wamba waardoor het monastieke plaatsje Chaves tot status van bisdom werd verheven, ongedaan gemaakt. Daar de bisschop van Chaves niet zocht naar persoonlijke roem, maar door de koning verzocht werd om bisschop te worden, mag hij zijn waardigheid en ambt behouden. Dan wel niet meer als bisschop van Chaves, maar wanneer de bisschop van Itálica overleden zal zijn, zal hij titularis worden van die episcopale Kerk. (c.4)[97].

Nog wordt bepaald betreffende de benoemingen van bisschoppen, dat de metropoliet van Toledo voortaan in samenspraak met de koning in om het even welke provincie bisschoppen op vrijgekomen plaatsen mag benoemen. Deze maatregel neemt men om al te lange intervallen tussen het overlijden van de oude bisschop en het benoemen van een nieuwe, te vermijden. De uitgestrektheid van het Visigotische territorium verhindert immers een snelle en efficiënte communicatie met Toledo. Dit mag dan al een plausibele reden zijn, we kunnen ons niet van de indruk ontdoen dat deze maatregel vooral de koninklijke macht ten goede komt. De nieuwe bisschoppen worden immers niet meer verkozen door het volk en de clerus, maar worden rechtstreeks aangeduid door de koning, en zijn hem bijgevolg dankbaar, en dus een handig instrument in het koninklijke apparaat. Uiteraard, de bisschop van Toledo moet zijn zegen geven, en de nieuwe bisschop moet zich onderwerpen aan zijn eigen metropoliet, maar de koning heeft het laatste woord (c.6)[98].

Aan de organisatie van de provinciale concilies wordt ook wat bisschoppelijke aandacht besteed. Voortaan wordt geëist, op straf van excommunicatie voor al diegenen die weigeren, dat ieder jaar op 1 november per provincie een concilie moet samenkomen (c.12).

Het concilie behandelt nog heel wat thema’s die met de Kerk te maken hebben, maar eerder een maatschappelijke en politieke aard hebben.

Zo behandelt canon 2 de geldigheid van de penitentie. Mensen die schijnbaar op sterven liggen, of bewusteloos zijn, en die de penitentie en de laatste sacramenten ontvangen, maar er toch nog bovenop komen, moeten zich aan de verplichtingen van de penitentie houden. Zij kunnen er op geen enkele manier aan ontkomen. Kinderen worden kort na de geboorte immers ook gedoopt, zo luidt de redenering, en zij hebben daarbij ook niets in de pap te brokken. Bovendien is het voor hun eigen goed. De bisschoppen wordt op het hart gedrukt om iedere overtreder bij de lurven te vatten, zeker wanneer een penitent de wapens zou opnemen. Dit concilie wil de bisschoppen echter geen vrijgeleide geven om zelf om het even wie onder dwang de penitentie toe te dienen. Daarom wordt bepaald dat bisschoppen die dat toch doen voor één jaar geëxcommuniceerd worden.

Wanneer de Kerk zich met de maatschappij bezighoudt, dan zijn het vooral restrictieve maatregelen die genomen worden. Zo ook betreffende de joden. Alle wetten die ooit tegen de joden afgekondigd werden, worden vermeld en bevestigd door het concilie. Zelfs de canones die in Toledo VI en Toledo VIII alle voorgaande wetten bevestigden, worden opnieuw bevestigd (c.9)

In een maatschappij moeten er echter ook vrijhavens zijn, waar vervolgde, achtervolgde en opgejaagde mensen even in veiligheid kunnen rusten: een asiel. De Kerk speelt hierin blijkens deze canon wellicht een belangrijke rol. De asielzoekers – niet in de huidige betekenis van het woord – zijn veilig in de gewijde plaatsen, en mogen zich bovendien tot dertig passen buiten het bereik van de poorten van de gebouwen bevinden. Wie zich daaraan niet houdt, wordt geëxcommuniceerd. De bisschoppen moeten echter niet te stoutmoedig worden bij het verlenen van asiel. Wanneer de achtervolgers een zekere eed afleggen in handen van de bisschop, dan moet deze laatste de asielzoekers overdragen aan de achtervolgers. Doet hij dat niet, dan moet hij de schade vergoeden, en wanneer de asielzoekers uit de kerk zouden vluchten, dan zal de bisschop daar verantwoordelijk voor gesteld worden (c.10).

Een vraagstuk dat de bisschoppen enigszins verontrust betreft de oude gebruiken van de rurale bevolking, en in het bijzonder die van de slaven. Het aansteken van fakkels en het aanbidden van beelden, bronnen, stenen, bomen en hemellichamen wordt sterk veroordeeld. De bisschoppen zeggen dat ze deze personen eigenlijk ter dood moeten veroordelen, maar dat doen ze niet, want, zo zeggen ze, de duivel is de naam van de dood zelf, en zij die er duivelse praktijken op na houden zijn dus eigenlijk al ter dood veroordeeld. Wat moet er dan met de dolende heidenen gebeuren? De bisschop of de rechter moet eerst en vooral in actie schieten, wat vooral het toedienen van zweepslagen inhoudt. Nadien zijn er twee mogelijkheden. Ofwel wordt de geketende slaaf aan zijn meester overgedragen: de meester moet dan wel zweren dat hij er zal op toezien dat de slaaf niet meer in zijn oude wanpraktijken vervalt; komt de eigenaar zijn eed niet na, dan wordt hij gedurende één jaar in de ban geslagen. Ofwel wordt de slaaf voor de koning gebracht die hem naar eigen goeddunken berecht. Er is echter nog een mogelijkheid die de bisschoppen niet over het hoofd wensen te zien: degenen die er heidense praktijken op na houden, kunnen ook vrije mensen zijn! Voor hen is de straf even ongenadig: zij blijven ten eeuwigen dage geëxcommuniceerd en worden verbannen naar een zeer onaangename uithoek van het land (c.11).

Een praktijk die er voor de bisschoppen evenmin door kan is dat mannen hun vrouwen zomaar in de steek laten. De enige geldige reden om dat te doen is overspel. Maar wanneer er geen overspel mee gemoeid is, dan moet de man onverrichter zake naar zijn echtgenote wederkeren. Doet hij dat niet, dan blijft hij in de ban van de Kerk totdat hij terugkeert naar zijn vrouw. Dit geldt des te meer voor de hoge dignitarissen aan het koninklijke hof. Wanneer zij zich niet laten vermurwen tot een terugkeer bij hun vrouwen, dan worden zij niet alleen geëxcommuniceerd, maar verliezen zij ook hun ambt aan het hof en hun waardigheid, dit evenzo totdat zij opnieuw het gezelschap van hun echtgenotes opzoeken. Met deze toegevoegde bepaling over de hofdignitarissen belanden we uiteraard op het politieke toneel (c.8).

In dit kader kunnen we ook de canon belichten die een eind maakt aan de maatschappelijke en politieke uitsluiting van een groot deel van de edellieden. Vele edelen werden immers in de ban geslagen wegens hun deelname aan de samenzwering tegen de vorige koning, Wamba[99]. Daarbij verloren zij ook ieder recht om nog langer als getuige op te treden. Nu worden zij in hun rechten hersteld, en mogen zij bovendien opnieuw getuigen in zaken die al dertig jaar eerder aanhangig gemaakt en afgesloten werden (c.7).

De koninklijke macht prevaleert boven die van de Kerk en haar bisschoppen, en dat blijkt duidelijk uit wat volgt. De koning moet immers met lede ogen aanzien dat vele van de edelen die hij opnieuw tot zijn hof toelaat, nog steeds niet deel mogen uitmaken van de kerkelijke gemeenschap en nog steeds geen deel mogen nemen aan de communie. Daarom verlangt hij dat voortaan de edelen die hij in hun waardigheid herstelde ook door de Kerk opnieuw aanvaard zouden worden. Hij heeft daar een goed argument voor: die edelen misdeden namelijk niets tegen de Kerk, maar wel tegen de koninklijke waardigheid, tegen het volk en tegen het vaderland. Als de koning nu, als belichaming van deze drie abstracte termen, de misdadigers opnieuw accepteert, dan moet de Kerk dat ook doen (c.3)!

We belanden helemaal in de politieke sfeer met de eerste canon die de belangrijke politieke gebeurtenissen van het voorgaande jaar kadert en bevestigt. De vorige koning, Wamba, was immers ziek geworden, en men had hem de penitentie en de laatste sacramenten toegediend. Achteraf kwam de koning weer bij bewustzijn, maar eenmaal de penitentie toegediend, kan die niet meer ongedaan gemaakt worden. De koning moet dus uit het wereldse leven treden. Dit is echter een moeilijk punt, omdat de koning leeft, maar tegelijkertijd in de ogen van de maatschappij dood is. De nieuwe koning wil zich dus zo snel mogelijk gelegitimeerd zien door het concilie. Het concilie bekrachtigt dan ook enkele documenten waarin Wamba duidelijk en in eigen woorden zijn macht overdraagt aan Erwig. Het concilie ontslaat het volk eveneens in het nakomen van de eed van trouw, gezworen aan Wamba. Een nieuwe eed verbindt de nieuwe koning met het volk (c.1).

 

Toledo XIII, 683

 

Dit concilie, dat met alle bisschoppen aanwezig of vertegenwoordigd één van de best bezochte concilies van Visigotisch Spanje was, kwam op 4 november 683 samen, bijna drie jaar na het vorige concilie. De tomus die de koning voorlegt behandelt heel wat politieke thema’s: hij wil genade verlenen aan de opstandelingen die samenzwoeren met de noordelijke graaf Paulus, verloren privilegies herstellen, de achterstallige belastingsschuld kwijtschelden, en slaven en vrijgelatenen weren van de hofambten. Het mag ons dan ook niet verwonderen dat de helft van de canones van dit concilie aandacht besteden aan de politieke kwesties.

Sommige bisschoppen en lagere geestelijken getuigen van een waar gebrek aan geloof en durven het zelfs aan om God op een zeer subtiele manier te beledigen. Ze ontdoen het altaar van zijn kleed, nemen ornamenten weg die noodzakelijk zijn voor de eredienst, doven de godslamp of verbieden gewoonweg het vieren van de mis. Om alles weer goed te maken met God en met hun gemeenschap, moeten de boosdoeners boete doen voor de metropoliet van hun provincie. Weigeren zij dat, dan blijven zij voor eeuwig verdoemd, met – uiteraard – verlies van hun waardigheid en kerkelijk ambt (c.7).

Bisschoppen zijn trouwens gehouden om bevelen van hun metropolieten op te volgen. Wanneer een metropoliet, of de koning, zijn suffraganen oproept om naar de metropool te komen voor het vieren van de belangrijke kerkfeesten, om bij te staan bij rechtspraak, om zichzelf bij het gerecht aan te bieden, of om de koning hulp te bieden, dan moeten zij daaraan onmiddellijk gehoor geven. Afwezigheid wordt slechts geduld in geval van ziekte, bij hevige overstromingen en zware stormen. De geldigheid van die redenen moet trouwens bewezen kunnen worden ‘idoneis testibus’ (c.8).

Priesters en bisschoppen die de riten van de boete opgelegd kregen, willen duidelijkheid over hun situatie: mogen zij hun functie blijven uitoefenen, of moeten zij zich terugtrekken uit de wereld? Na allerlei theologische argumenten gewikt en gewogen te hebben, komt het concilie tot de volgende besluiten. Zo wordt bepaald dat zulke geestelijken weldegelijk hun ambt mogen blijven waarnemen, want de rite van de boete is net een opstapje naar grotere heiligheid en zuiverheid.

Dit wil echter niet zeggen dat deze regeling voor alle penitenten zou gelden. Heeft de penitent op het moment van het ontvangen van het sacrament van de boete namelijk bekend dat hij een doodzonde begaan heeft, dan verliest hij automatisch iedere aanspraak op zijn ambtelijke waardigheid. Heeft de penitent niets openlijk bekend, en hield hij een eventuele hoofdzonde voor zichzelf, dan is het aan hem om zelf uit te maken of de voordelen van zijn ambt al dan niet opwegen tegen zijn gemoedsrust (c.10).

Kerkelijke waardigheidsbekleders gaan ook zwaar uit de bocht wanneer zij hulp verschaffen aan voortvluchtige geestelijken, zowel seculiere als reguliere, en hen eventueel zelfs moedwillig verbergen. Om zulke wandaden in de toekomst te voorkomen, worden een reeks straffen ingesteld waarbij de zwaarste straffen gereserveerd zijn voor de lagere geestelijkheid en de lichtste straffen voor de hoogste ambtsbekleders (c.11).

Het feit dat er voortvluchtige geestelijken zijn toont al aan dat het in de interne keuken van de kerk ook niet altijd rozengeur en maneschijn hoeft te wezen. Dit blijkt ook uit de volgende bepalingen. Lagere geestelijken die bij de metropoliet een zaak tegen hun eigen bisschop aanhangig maken, mogen door hun eigen bisschop niet in de ban geslagen worden, alvorens hun eventuele schuld ontegenzeggelijk vaststaat. Voor bisschoppen die tegen hun metropoliet een geding lopende hebben, geldt hetzelfde. Zij moeten zich echter wenden tot een andere metropoliet, en als die weigert om de zaak te behandelen, dan moeten zij zich tot de koning richten. Wordt de belaagde zonder meer toch in de ban geslagen, dan wordt die straf ongeldig verklaard, en keert zich zelfs tegen diegene die de straf uitsprak (c.12).

Het concilie wil in een apart hoofdstukje de kerkelijke en politieke bepalingen uit het voorgaande nationale concilie, Toledo XII, extra kracht bijzetten door een voor een de items van dat concilie te overlopen en unaniem nogmaals goed te keuren (c.9).

Op het politieke vlak neemt dit concilie enkele zeer belangrijke beslissingen. Zo wordt de edelen die deelnamen aan de samenzwering van de afvallige graaf Paulus tegen de koning vergiffenis geschonken. Ze worden ook in al hun rechten hersteld, en kunnen hun verbeurdverklaarde goederen opnieuw in bezit nemen. De koning gaat zelfs verder in zijn clementie en schenkt alle edelen die ooit in de koninklijke ban geslagen waren – zelfs door reeds lange tijd overleden vorsten – hun rechten terug. De nadruk lijkt daarbij te liggen op het recht om te getuigen in de rechtbank en om van een minimum aan vrijheden en gerechtelijke service te kunnen genieten (c.1).

Men kan moeilijk de indruk ontlopen dat de tweede canon van dit concilie zeer belangrijk is. We kunnen misschien zelfs gewagen van een ‘habeas corpus’ wet, zij het enkel voor de hofdignitarissen en hoge geestelijken. Er wordt uitdrukkelijk bepaald dat de koning voortaan niemand meer zomaar kan berechten. Eerst en vooral moet er een eerlijk proces gevoerd worden, waarbij men niet mag overgaan tot het toedienen van zweepslagen, het verbeurdverklaren van goederen, het ketenen, folteren of opsluiten van de beschuldigde; evenmin mag men hem uit zijn ambt ontheffen.

De aangeklaagde moet verschijnen voor een rechtbank die samengesteld is uit de bisschoppen, de groten van het paleis en de gardingen; een rechtbank die dus is samengesteld uit gelijken. Er worden de beschuldigde heel wat rechten toegekend, en de koning die hier tegenin zou handelen, zelfs in geval van manifest verraad, zal zonder pardon in de banvloek van de Kerk geslagen worden. Deze bepaling wil de koning en zijn administratie echter niet lamleggen: een onbekwame ambtenaar, hoe hoog in rang ook, die blijk geeft van wanbeheer kan zonder al te veel verhaal door de koning aan kant geschoven worden (c.2).

De koning is werkelijk in een vrijgevige bui, en vermindert zowaar de ondraaglijke fiscale lasten. Het moet daarbij gaan om achterstallige belastingen, want er wordt letterlijk gezegd: “et tantum de ipsis tributis praecipiens thesauris publicis exhiberi, quae exacta et non inlata fuisse constiterint”[100]. Men kan zich de vraag stellen of deze toegeeflijkheid van de koning, samen met de voorgaande canones werkelijk berust op vrijgevigheid en clementie, dan wel op een gebrek aan legitimiteit en macht.

Om de macht van de koning aan banden te leggen en de edellieden nog meer bescherming te geven, wordt eveneens gedecreteerd dat voortaan geen enkele slaaf of vrijgelatene nog gepromoveerd kan worden tot hofdignitaris. Er wordt echter wel een uitzondering gemaakt voor de slaven en vrijgelatenen die verbonden waren aan koninklijke gronden of diensten (c.6).

Dat de koning werkelijk weinig macht heeft, en de toekomst ronduit somber tegemoet ziet, mag blijken uit de twee volgende bepaling die specifiek betrekking hebben op wat er dient te gebeuren na het overlijden van de vorst.

Het concilie bepaalt nadrukkelijk dat de kinderen, kleinkinderen, verwanten en aangetrouwde familie van de koning samen met de koningin door de volgende generatie edelen en bisschoppen beschermd moeten worden, en dat er geen samenzweringen tegen hen ondernomen mogen worden. De gebruikelijke bestraffing bestaat uit het uitspreken van een eeuwige banvloek over al wie maar de gedachte zou koesteren om tegen deze canon in te gaan. Bovendien wordt deze maatregel uitdrukkelijk verklaard als een compensatie voor de koninklijke goedheid die de edelen reeds mochten ondervinden in voorgaande bepalingen (c.4).

Aangaande de koninklijke weduwe wordt verder bepaald dat niemand nog met haar mag trouwen of schandelijke contacten met haar mag hebben. Dit verbod wordt genomen om de nagedachtenis aan de koning niet te bezoedelen, en om enig roddelen – wat wel eens schadelijk kon zijn – over de koninklijke familie te voorkomen (c.5).

 

Toledo XIV, 684.

 

Dit concilie, dat samenkwam op 14 november 684, staat geheel in het teken van de bespreking en aanvaarding van het derde concilie van Constantinopel. Dit zesde oecumenische concilie wijdde zich aan het probleem van het monotheletisme, een stroming die de monofysieten trachtte te verzoenen met het officiële othodox-katholieke dogma dat Christus bestaat uit “één persoon en twee naturen, een menselijke en een goddelijke, onderscheiden maar niet verdeeld, één, maar niet gelijksoortig”[101].

Om deze verzoening te bewerkstelligen, voeren de monotheleten een nieuw begrip in: de eenheid van wil en handelen in Christus[102]. Dit hield dus in dat Christus bestond uit één persoon, met een tweevoudige natuur en een eenheid van wil en werken. Om het maar eenvoudig te houden. Uiteraard is ook dit in strijd met de officiële kerkelijke leer, en het zesde oecumenische concilie zal daar dan ook heftig tegen reageren.

De Visigotische bisschoppen en koning worden door paus Leo II opgeroepen om de gewichtige beslissingen van Constantinopel III te onderschrijven en over het ganse grondgebied uit te dragen. Omdat Toledo XIII nog maar net verlopen was, en het uiterst moeilijk was om alle bisschoppen op zulke korte tijdspanne opnieuw bijeen te roepen, roept de koning op tot het houden van provinciale kerkvergaderingen. Toledo XIV is dan ook een concilie dat provinciaal geweest zou zijn, ware het niet dat er verschillende vertegenwoordigers waren van de andere provincies, die de beslissingen van dit concilie moesten voorleggen ter goedkeuring aan hun respectieve vergaderingen (c.1)[103].

De bisschoppen gaan ten stelligste akkoord met de besluiten uit het concilie van Constantinopel, dat ze grondig onderzochten (c.5) alvorens het de nodige eer te bewijzen (c.6), een plaats te geven in de bestaande collecties (c.7) en het met eigen theologische argumenten nogmaals te ondersteunen (c.8 en 9).

Omstandig leggen de bisschoppen uit hoe een pauselijke brief hen opriep tot het houden van een nationaal concilie (c.2), en geven ze de redenen waarom ze daartoe niet kunnen overgaan. Het vorige concilie, zoals reeds gezegd, was net beëindigd, en bovendien was het putje winter, wat het al moeilijke reizen nog onaangenamer maakt (c.3). In een gezamenlijke brief zullen de bisschoppen overigens aan de paus laten weten dat die redenen zeer zeker geldig zijn en dat zij er alles aan zullen doen om de besluiten van het zesde oecumenische concilie onder alle geestelijken van het Visigotische rijk te verspreiden, en via een aangepaste vulgarisering zelfs onder het volk (c.4).

Om toekomstige problemen met eventuele ketterijen te vermijden zegt het concilie bovendien dat er over goddelijke zaken niet gediscuteerd moet worden. Goddelijke zaken zijn er om geloofd te worden, discussieert men daarover, dan staat men al met een been in de ketterij (c.10). In een aparte canon wordt er nadruk op gelegd dat alle bisschoppen akkoord gaan met de getroffen maatregelen en de antwoorden aan de paus. Het gehele concilie wordt voorgesteld als een verdediging tegen eventuele aanvallen op de Visigotische Kerk omdat zij geen algemeen concilie hielden (c.11).

In een laatste canon wordt God gedankt voor het goede verloop van de vergadering en wordt Hem gesmeekt om de koning te beschermen waarna het concilie formeel gesloten wordt (c.12).

 

Toledo XV, 688.

 

Dit concilie, dat op 11 mei 688 op last van de koning samen kwam, liet geen canones als zodanig na. Het concilie behandelt twee zware thema’s die weergegeven worden in een doorlopende tekst. De bisschoppen zijn zozeer in beslag genomen door het theologische probleem en het politieke vraagstuk dat zich stelde, dat zij geen tijd zagen om zich nog bezig te houden met problemen van disciplinaire aard[104].

Dit concilie is een zeer druk bezocht concilie. Met 66 diocesen, of een 85% van het totaal aantal diocesen, vertegenwoordigd, is dit het derde meest bezochte, en het laatste sterk bezochte concilie van de Visigotische periode[105].

Koning Egica riep dit concilie bijeen omwille van een zeer gewichtig politiek en ethisch probleem waarvoor hij zich geplaatst zag: zijn voorganger en schoonvader, koning Erwig had hem namelijk twee eden laten zweren welke Egica tegenstrijdig en niet complementair leken te zijn. De eerste eed hield in dat Egica zijn vrouw en haar broers, zijn schoonmoeder, en alle verwanten van koning Erwig in raad en daad bij zou staan, en actief beschermen, vooral in gerechtelijke aangelegenheden[106].

De tweede eed hield dan weer in dat de nieuwe koning al zijn onderdanen moet beschermen, niemand schade toe mag brengen en rechtvaardig moet heersen. Nadat het concilie die beide eden vergeleken had, kwam het inderdaad tot de conclusie dat ze contradictoir waren. Het zag zich dan ook genoodzaakt om enkele fundamentele standpunten in te nemen, teneinde het probleem te kunnen oplossen. Zo komt men tot het vergelijk dat de verplichting tegenover het volk zwaarder weegt dan de verplichting tegenover slechts een familie[107].

Als klap op de vuurpijl liet koning Erwig zijn onderdanen ook nog eens een eed van trouw aan zijn nageslacht zweren[108].

Dit hield geenszins in dat het concilie de eed aan de koninklijke familie volledig vervallen verklaarde. Er werd namelijk verder bepaald dat de koning zijn verwanten moet behandelen zoals het volk en het volk evenzeer lief moet hebben als zijn verwanten. Bovendien verbreekt het concilie evenmin de eed die Erwig het volk liet zweren om zijn nakomelingen in geval van nood bij te staan. De bisschoppen zijn immers van mening dat zulk een eed de gerechtigheid geenszins in de weg staat[109].

De hoge kerkvergadering behandelt als voornaamste thema echter nog steeds het vraagstuk van het monotheletisme en de problemen die ontstaan zijn uit de correspondentie met Rome daarover. Een uitgebreid theologisch discours wordt naar voor gebracht over triniteit en de menswording van Christus.

Toen de Visigotische bisschoppen de concilieteksten betreffende de goedkeuring van het zesde oecumenische concilie naar Rome zonden, werd een schrijven van Julianus, primaat van Spanje, bijgevoegd, Apologeticum genaamd, om het standpunt van de bisschoppen te verduidelijken.

Deze tekst roept bij paus Benedictus II echter enkele bezwaren op die hij dan ook kenbaar maakt aan zijn Visigotische ambtgenoten. Prompt reageren dezen met een schrijven, dat hen echter niet bevredigt, daar zij zich door deze kritiek, als bewuste vertegenwoordigers van de Visigotische Kerk, in hun waardigheid, theologische kwaliteiten en rechtgelovigheid aangetast voelen. Daarom willen zij nogmaals het probleem uitvoerig behandelen[110].

De kritiek van Benedictus heeft betrekking op vier punten van het Apologeticum, waarvan wij er hier slechts twee kennen.

Het eerste punt van betwisting slaat op de uitspraak: “voluntas genuit voluntatem sicut sapientia sapientiam” uit het Apologeticum[111]. De Visigotische bisschoppen gaan ervan uit dat deze kritiek van Benedictus te wijten is aan een oppervlakkige lectuur van het geschrift en een gebrek aan kennis bij de paus van de kerkvaders. De paus vertrekt van de idee dat de ordening van alle zaken reeds vastligt volgens dewelke “het woord uit de geest voortkomt, evenals de rede en de wil, en zij is niet omkeerbaar zodat men zou kunnen zeggen dat zoals het woord en de wil voortkomen uit de geest, dat evenzo de geest voortkomt uit het woord en de wil”[112]. Voor de paus is het niet mogelijk om op basis van deze redenering te aanvaarden dat de wil voortkomt uit de wil.

Het concilie formuleert daarop de kritiek dat zij niet redeneren zoals de mensen nu eenmaal gewoon zijn, noch op een relativistische wijze, maar dat zij redeneren volgens de essentie van de zaak: zoals de wijsheid uit de wijsheid voortkomt, zo ook de wil uit de wil[113]. De theologische uiteenzettingen gaan nog een tijdje door en dienen om het eigen gelijk te onderstrepen en anderen te overtuigen.

Het tweede twistpunt dat de paus formuleert is de bewering van de Visigotische bisschoppen als zou Christus drie naturen hebben. Dit gaat voor de paus veel te ver, en lijkt hem gewoonweg ondoordacht. Met zekere hoogmoed beginnen de bisschoppen hun antwoord door te zeggen dat zij zich niet schamen om de waarheid te verdedigen. Om hun standpunt te staven, steunen zij vooral op de bijbel. Daar wordt op vele plaatsen gezegd dat de mens zowel uit een lichaam als een ziel bestaat.

Het concilie stelt dat Christus in zich zowel het goddelijke als het menselijke verenigt. En in die – overdrachtelijke – zin, zeggen de bisschoppen, is het inderdaad juist dat Christus twee naturen heeft, maar in de eigenlijke betekenis verenigt Christus in zich drie naturen: ziel en lichaam van de mens, en het woord van God. Deze laatste zienswijze vinden de bisschoppen veel waardevoller en juister dan die van de twee naturen, en wel hierom. Ten eerste is de eigenlijke betekenis van iets veel beter te vatten dan de overdrachtelijke betekenis, en ten tweede geeft de interpretatie van de twee naturen in Christus aanleiding tot ketterijen. Op die manier kan het apollinarisme beweren dat Christus geen menselijke ziel heeft, en kan het manicheïsme de menswording van de zoon van God loochenen. Met de interpretatie van de drie naturen in Christus maken deze ketterijen geen schijn van kans, aldus de bisschoppen.

 

Zaragoza III, 691.

 

Dit concilie, dat op 1 december 691 samenkwam, is zonder meer een buitenbeentje in deze rij van nationale concilies. Voor velen is het een louter provinciaal concilie – het vond nu eenmaal plaats in de provinciehoofdplaats Zaragoza – voor anderen daarentegen is het op zijn minst een “interprovinciale” vergadering. Persoonlijk ben ik geneigd om de tweede stelling te volgen, en het zelfs als een volwaardig nationaal concilie voor te stellen, dankzij en ondanks de argumenten van Orlandis[114].

De argumentatie van Orlandis volgt meerdere sporen. Een eerste element dat hij aanhaalt is dat er nergens expliciet gezegd wordt dat het om een provinciaal concilie gaat. Kan dit argument zwak lijken, dan heeft hij nog meerdere aanwijzingen om aan te nemen dat dit een nationaal concilie was. Zo zijn de bepalingen van dit concilie van algemene aard, en hebben zij betrekking op de bisschoppen van alle provinciën. Bovendien past het concilie bepalingen uit voorgaande nationale concilies aan, en corrigeert ze zelfs.

Het belangrijkste argument, lijkt het mij, is echter dat dit concilie zich niet beperkt tot kerkelijke zaken, maar zich ook actief bemoeit met de nationale politiek. De regeling betreffend koningin-weduwen wordt immers aangepast en strenger gemaakt. Een provinciaal concilie zou zulke maatregel nooit voldoende kracht hebben kunnen bijzetten.

Daar het echter niet expliciet bewezen is dat dit concilie een nationaal karakter had, is enige voorzichtigheid geboden. De voorliggende – indirecte – bewijzen lijken mij echter voldoende om dit concilie als nationaal van karakter te beschouwen. Als het dan inderdaad een nationaal concilie is, dan is dit waarschijnlijk het enige nationale concilie dat men niet in Toledo liet plaatsgrijpen.

De eerste canon die dit concilie uitvaardigt, stelt dat een kerk enkel op zondag door een bisschop gewijd mag worden. Als enkel een zondag waardig wordt bevonden als dag om een bisschop te wijden, hoeveel te meer geldt dit dan niet voor een kerk? Praktijken die daar tegenin handelen, worden ten strengste verworpen (c.1).

Pasen roept ook problemen op. Hoewel dit reeds in Toledo IV aan bod gekomen was, en daar een consultatiesysteem in het leven was geroepen, moeten de bisschoppen nogmaals aandringen om slechts op een en dezelfde datum Pasen te vieren. De bisschoppen van iedere provincie wordt nogmaals verzocht om jaarlijks hun metropoliet te polsen, teneinde allen op dezelfde dag Pasen te vieren (c.2).

Disciplinaire problemen zijn er vooral in de kloosters. Door het gaan en komen van vele bezoekers, of door het inwonen van leken, worden vele monniken afgeleid van hun eigenlijke bezigheden, en worden zij als het ware meegesleurd in de maalstroom van het wereldse leven. Het is net de bedoeling van kloosters om de monniken van de buitenwereld af te zonderen, en dus zien de bisschoppen zich genoodzaakt om in te grijpen. Ze bepalen dat voortaan geen enkele leek het klooster meer mag betreden, behalve diegenen die door het leven reeds beproefd werden, armen en noodlijdenden. Het voedsel voor deze stakkers mag enkel verkregen worden via aalmoezen.

Bezit het klooster verder nog over een relatief afgelegen bezoekersruimte, dan mogen daar passanten opgevangen worden, maar weer enkel onder voorwaarde dat het contemplatieve leven van de monniken daar niet onder lijdt (c.3).

Niet alleen de monniken, maar ook de bisschoppen gaan soms hun boekje te buiten en betonen zich minder geestelijk dan ze behoren te zijn. Onder valse voorwendsels gebeurde het namelijk meermaals dat slaven die vrijgelaten werden door een voorgaande bisschop, opnieuw in de slavernij vervallen door schraapzuchtig optreden van de nieuwe prelaat.

Zoals immers bepaald in de negende canon van Toledo VI, moeten de vrijgelatenen telkens er een nieuwe bisschop aangesteld wordt, zich binnen het jaar aan deze voorstellen en hem verzekeren van hun vrijheid door het voorleggen van de akte waarin hen hun vrijheid verleend werd. Doen zij dat niet binnen de afgesproken termijn, moedwillig of uit vergetelheid, dan worden zij opnieuw slaaf.

Bisschoppen die op die wijze handelen, kan dus eigenlijk niets aangewreven worden. Maar dit concilie vindt dat er meer mededogen in het spel mag zijn, en bepaalt dat voortaan de nieuwe bisschop zijn administratie de opdracht moet geven om uit te zoeken welke slaven door zijn voorganger vrijgelaten werden, en dat hij deze vrijgelatenen dan ook moet oproepen om hun vrijlatingsakte voor te leggen (c.4).

Dit concilie, we zeiden het reeds, heeft ook een zeker politiek belang. Wordt in Toledo XIII, vijfde canon, bepaald dat de koningin-weduwe met geen andere man meer mag trouwen of betrekkingen hebben, dan gaat dit concilie nog een stapje verder. In het belang van de koningin, zo wordt gesteld, mag ze niet alleen niet hertrouwen, maar moet ze ook nog eens religieuze geloften afleggen. En alsof dat nog niet genoeg zou zijn, dan moet ze bovendien nog opgesloten worden in een klooster. Koningin-weduwen, zo zegt het concilie, staan immers bloot aan vele gevaren en aan de minachting van het volk, waarover ze eens regeerden. In een klooster zit ze veilig, en kan ze rustig wachten tot ze van wereldse koningin overgaat naar eeuwige koningin (c.5). Daar is ze trouwens geen concurrente meer voor de nieuwe gezagsdragers.

 

Toledo XVI, 693.

 

Op 2 mei 693 kwam dit concilie samen te Toledo, en behandelde een ware mix aan problemen van sociale, kerkelijke en politieke aard.

Van direct belang voor de Kerk zijn die bepalingen die ingaan tegen de hebzucht van enkele bisschoppen. Sommigen laten het zich niet ongelegen om zoveel ze kunnen de hen onderhorige parochies uit te persen. De vergadering van bisschoppen zegt duidelijk dat het aan een bisschop inderdaad toegestaan is een derde deel van de inkomsten van een parochiale kerk te vorderen. Maar dan moet de bisschop wel zorgen voor het onderhoud van die kerk, en mag hij geen andere goederen of diensten vorderen.

Ziet de bisschop af van het derde van de inkomsten, dan moet de parochie in kwestie zelf instaan voor het onderhoud van haar kerk. Een parochie die tien slaven heeft of meer, moet trouwens een eigen priester hebben die instaat voor het beheer, onderhoud en zielenheil van zijn parochianen. Heeft een parochie minder dan tien slaven, dan moet zij steun zoeken bij een nabijgelegen kerk.

Handelen de bisschoppen tegen deze bepalingen in, dan worden zij één maand in de ban geslagen, opdat zij hun lesje zouden leren en voortaan blijk zouden geven van degelijk bestuur (c.5).

Sommige priesters weten echt niet wat ze doen, en kennen blijkbaar zelfs de elementairste zaken van hun geloof niet. Op het concilie wordt een gebruik aangeklaagd dat hieruit bestaat, dat sommige priesters stukjes brood consacreren in plaats van het brood in zijn geheel. “Heeft Christus niet eerst het brood gezegend en dan pas uitgedeeld?”, vragen de bisschoppen zich af. Iedere priester zal er in de toekomst dan ook aan gehouden zijn om een brood in zijn geheel te zegenen en pas nadien te breken en uit te delen. Zo een priester dat gebod zou weigeren en stukjes brood blijven zegenen, dan wordt hij een jaar lang in de ban van de Kerk geslagen (c.6).

Dit concilie legt de bisschoppen bovendien ook de verplichting op om de bepalingen van de provinciale concilies duidelijk te verspreiden en mede te delen aan alle lagen van de bevolking. De achterliggende en geëxpliciteerde reden is, dat wanneer iedereen de regels van de Kerk kent, hij er ook meer toe gehouden zal zijn en niet langer aan kan voeren dat hij handelde uit onwetendheid. Wie immers ingaat tegen de bepalingen van de concilies, zal gedurende twee maanden geëxcommuniceerd worden (c.7).

Op maatschappelijk vlak is dit een zeer interessant concilie. Er wordt hartelijk gefulmineerd tegen joden, homoseksuelen, zelfmoordenaars en beeldenaanbidders. Onder deze laatsten worden al diegenen gerekend die iets aanbidden dat niet God is. Het kan gaan om stenen, bronnen, bomen, sterren, enzovoort… Aan de geestelijken en andere lokale gezagsdragers wordt met aandrang gevraagd om een oogje in het zeil te houden en kordaat op te treden tegen deze heiligschenners. Weigeren zij dat te doen, dan worden zij uit hun ambt ontzet, en gedurende één jaar geëxcommuniceerd. De goederen die bij offergaven aan beelden, bomen, sterren, etc. gegeven worden, moeten trouwens naar de dichtstbijzijnde kerk gebracht worden en daar aan God gewijd worden.

Mensen die meewerken om de onverlaten te verdedigen, worden overigens in de eeuwige ban geslagen. Edellieden moeten bovendien nog drie pond goud opleggen, en gewone lieden worden gestraft met honderd zweepslagen, het afscheren van het haar en bovendien verliezen zij de helft van hun bezittingen (c.2)

Homoseksuelen die betrapt worden bij het plegen van hun praktijken, kunnen allerminst op de genade van de bisschoppen rekenen. Zonder uitzondering wordt hen allen een eeuwige verbanning opgelegd: bisschoppen, priesters, diakens en alle personen van lagere rang. De hogere geestelijkheid verliest uiteraard zijn ambt en wordt in de ban geslagen. De lagere orden en graden worden bovendien nog eens belaagd met een straf van honderd zweepslagen en zij worden allen kaalgeschoren. Bovendien wordt hen iedere mogelijkheid ontzegd om op het einde van hun leven opnieuw toe te treden tot de christelijke gemeenschap en de laatste sacramenten te ontvangen (c.3).

Zelfmoordenaars en wanhopende mensen zijn echt wel een zielig zootje. De penitentie en andere straffen die opgelegd kunnen worden, vallen sommige lui zo zwaar, dat zij beginnen wanhopen en overgaan tot zelfdoding. Enkelen falen echter in hun daad, en er moet hen eens goed duidelijk gemaakt worden dat wanhopen echt niet kan. Daarom, wanneer ze na hun mislukte wanhoopsdaad wat aan de betere hand zijn, moeten zij onmiddellijk in de ban geslagen worden voor een periode van twee maanden. Dat zal hen leren, en je zal zien, ze zullen snel van gedacht veranderen (c.4)!

De maatschappelijke groep die aan de wieg stond van het christendom, en er zeer verwant mee was, de joodse gemeenschap, heeft de christenen steeds gefascineerd. Is het niet omdat Christus eigenlijk een jood was, dan wel omdat zij Hem eigenhandig omgebracht zouden hebben. Deze ongelovigen nu, zo stelt het concilie, moeten ofwel bekeerd worden – desnoods met geweld – ofwel, wanneer zij weigeren zich te bekeren, moeten zij met nog zwaardere straffen gepijnigd worden.

Om de joden over de streep van de bekering te krijgen, worden hen tal van belastingsvoordelen in het vooruitzicht gesteld. Zij die jood willen blijven, moeten de zware, reeds bestaande lasten, op zich blijven nemen. Deze canon bevestigt eerder de wetten van de koning dan dat het een eigen standpunt terzake ontwikkelt (c.1)[115].

Op het politieke vlak worden alweer enkele maatregelen genomen ter bescherming van het koninklijke nageslacht. Nam koning Erwig enkele jaren tevoren nog maatregelen om zijn nakomelingen en verwanten te beschermen, dan ziet nu ook koning Egica zich daartoe genoopt. De bisschoppen nemen enkele richtlijnen aan die door henzelf en al hun opvolgers, evenals door de huidige en toekomstige edellieden en koningen, gevolgd moeten worden om de kinderen en verwanten van de koning op geen enkele manier moedwillig schade toe te brengen. Bovendien bepalen ze dat er iedere dag, behalve op goede vrijdag, voor het heil en de bescherming van koning Egica en zijn clan gebeden moet worden, in iedere kerk van het land (c.8).

Concreet behandelt dit concilie een geval van verraad aan de koning, verraad door de vorige metropoliet van Toledo, Sisibertus, dan nog wel. Er werd reeds een decreet aangenomen door het concilie om hem te veroordelen[116], maar de bisschoppen willen dat hun besluit nogmaals expliciet in de akten van het concilie opgenomen wordt, teneinde dat decreet meer kracht bij te zetten. Sisibertus blijft verstoten van de christelijke gemeenschap door de banvloek, hij is voor eeuwig zijn ambt en eer kwijt.

Zijn bezittingen werden verbeurd verklaard en komen de koning toe, ten eeuwigen dage wordt hij verbannen. Als enige toegift doet het concilie nog dat hij op het einde van zijn leven opnieuw de communie mag ontvangen. Voor Sisibertus, als man Gods, moet het evenwel een enorme straf geweest zijn om te wachten tot zijn dood om opnieuw ter communie te mogen gaan.

Meteen zijn alle komende generaties geestelijken gewaarschuwd: al wie het plan opvat om zoals Sisibertus tegen de koning samen te zweren, en dus zijn eed van trouw aan de koning te breken, zal een zelfde lot beschoren zijn (c.9).

De concrete bepalingen betreffende Sisibertus worden nogmaals in het algemeen herhaald en ondersteund met argumenten uit oude canonieke wetten. Bovendien wordt een bezwerende formule voorgelegd om al wie zijn eden breekt tegenover het vaderland, het volk en de koning het angstzweet te doen uitbreken. Om deze eed nog meer kracht bij te zetten, wordt hij drie maal herhaald (c.10).

 

Toledo XVII, 694.

 

Het allerlaatste concilie dat ons is overgeleverd uit Visigotische tijden, kwam samen op 9 november 694. Hoewel er geen namen van deelnemers aan dit concilie zijn overgeleverd, weten we dat het een druk bezocht concilie was[117].

Rond de paastijd blijft blijkbaar een vage waas hangen, en de bisschoppen achten het nodig om enkele regels nogmaals te herhalen. Zo is het verboden om tijdens de vasten te dopen. Het concilie staat er daarom niet alleen op dat er niet gedoopt wordt, maar ook dat de deuren van het baptisterium gesloten worden en verzegeld worden met een afdruk van de ring van de bisschop in het zegel (c.2).

Witte donderdag moet een speciale dag zijn: het is de laatste dag die Christus levend doorbracht. Om zijn nederigheid te tonen, ging Christus over tot het wassen van de voeten van zijn discipelen. Als Christus dat al deed met zijn ondergeschikten, zo redeneren ze op het concilie, dan geldt dat des te meer voor de bisschoppen die slechts gewone mensen zijn. Voortaan zal er dus geen ontkomen meer aan zijn: de bisschoppen van Spanje en Gallië moeten op witte donderdag de voeten van hun priesters en diakens wassen. Volgen ze dit voorschrift niet, dan worden ze twee maanden geëxcommuniceerd (c.3)

Enkele bisschoppen maken het al te bont, en verkwisten de kerkelijke goederen, door er zelf op te azen, door ze te verkopen, of nog door ze gewoonweg weg te schenken. Vooral de voorwerpen die de kerk moeten versieren, of dienen voor de eredienst, lijken zeer in trek te zijn bij de hogere geestelijkheid. Om paal en perk te stellen aan wat wij heden witteboordencriminaliteit zouden noemen, heeft het concilie enkele uiterst doeltreffende maatregelen in petto. Betrapte bisschoppen worden onmiddellijk afgezet en blijven van de communie verstoken tot hun laatste dag. Als men bovendien kan achterhalen wat de waarde was van de gestolen goederen, dan kan de Kerk het verschuldigde bedrag van de bisschop, zijn nakomelingen of verwanten terugeisen (c.4).

De vergadering van bisschoppen beveelt ook aan om voortaan iedere maand litanieën te houden, en wel om de volgende redenen. Er moet gebeden worden om de glorie van de Kerk te vergroten, voor de veiligheid van de koning, voor de redding van het volk, ter vergiffenis van de zonden, om de duivel uit de harten te verdrijven en om het medelijden van de Heer af te smeken (c.6).

De regeling voor het houden van concilies is ook voor precisering vatbaar. Voor het beginnen van de eigenlijke conciliaire beraadslagingen, lasten de kerkvaders reeds een vastenperiode in van drie dagen. Onze Visigotische bisschoppen bepalen dat deze dagen gereserveerd moeten worden voor goddelijke en theologische overpeinzingen. Andere onderwerpen kunnen nadien behandeld worden (c.1).

Niet alleen het volk is bijgelovig, en bisschoppen zijn niet enkel schraapzuchtig. Ook bisschoppen kunnen bijgelovig zijn, en geen klein beetje. Of wat gedacht van het feit dat bisschoppen dodenmissen lezen ten einde de persoon op wie de mis betrekking heeft werkelijk de dood in te jagen? De bisschop die net een voorbeeld van christelijkheid moet zijn voor de gelovigen, kan zich uiteraard niet inlaten met zulke schandelijke praktijken. Doet hij dat wel, dan is er maar één remedie mogelijk: excommunicatie en eeuwige verbanning. Als toegift mag hij op zijn stervensbed echter wel de laatste sacramenten ontvangen (c.5).

De meest infame bevolkingsgroep blijft voor de Visigoten natuurlijk die van de joden. De laatste ons overgeleverd Visigotische canon neemt alweer de joden in het vizier. Ditmaal lijkt er echter een zeer gegronde reden voor te zijn. In de canon wordt expliciet vermeld dat de joden van Spanje een opstand planden en de troon wilden usurperen. De opstandelingen zullen dan ook zwaar gestraft worden. Er wordt verwezen naar een besluit van de koning.

De joden verliezen niet alleen al hun goederen, maar ze worden ook nog eens allemaal tot slaaf gemaakt. Er volgen deportaties zodat geen enkele jood meer verblijft op de plaats waar hij oorspronkelijk in Spanje woonde. Kinderen die de leeftijd van zeven jaar bereikt hebben worden van hun ouders weggerukt, en kinderen van eenzelfde gezin mogen niet samen opgroeien. Van godsdienstvrijheid was al geen sprake, maar werd de joodse godsdienst vroeger min of meer getolereerd, dan wordt die nu compleet verboden (c.8)[118].

In het licht van deze samenzwering moeten we ook de zevende canon van dit concilie zien. Daarin wordt nogmaals gezegd dat de gezworen eed van trouw aan koning en vaderland niet licht verbroken kan worden. Er wordt ook verder op gehamerd dat, eens de koning overleden, er aan zijn weduwe, nakomeling en verwanten niets tekort gedaan mag worden. Nieuwe koningen, legale of usurpatoren, moeten de ex-koninklijke clan niet alleen in leven laten, maar zij mogen ook niet op onwettige wijze aan hun goederen raken. Doen zij dat toch, dan worden zij in de eeuwige banvloek geslagen en overgedragen aan de kwalijke praktijken van de duivel (c.7).

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[49] VIVES, J., e.a., Concilios visigóticos e hispano-romanos, Barcelona-Madrid, 1963, p. 118-121.

[50] Ibidem, p. 121-122.

[51] Ibidem, p. 122-123.

[52] Ibidem, p. 123: sed etiam in adiutorio Christi extendimus nos ad ea quae sunt coelestia cogitare.

[53] Ibidem, p. 124.

[54] Ibidem, p.125.

[55] Ibidem, p.125.

[56] VERLINDEN, C., L’Esclavage dans l’ Europe Médiévale. Tome Premier. Péninsule Ibérique – France, Brugge, 1955, p. 100.

[57] VIVES, J., e.a., o.c., p.132.

[58] Ibidem, p.132.

[59] Ibidem, p.148-149: quia non potest nisi legendo aedificare populum.

[60] MAGNIN, L’Église wisigothique au VIIe siècle, Paris, 1912, p.113.

[61] ORLANDIS, J., RAMOS-LISSÓN, D., Die Synoden auf der Iberischen Halbinsel bis zum Einbruch des Islam (711), Paderborn-München-Wien-Zürich, 1981, p.129.

[62] MARTÍNEZ, G., Toledo, 597, in: Diccionario de Historia Eclesiástica de España, Madrid, 1 (1972), p.568.

[63] VIVES, J., e.a., o.c., p.158.

[64] MAASSEN, F., o.c., p.219, en VIVES, J., e.a., o.c., p.IX-X

[65] VIVES, J., e.a., o.c., p.403-407.

[66] Ibidem, p.407-409.

[67] Volgens mijn telling zijn het ongeveer 4892 woorden.

[68] Toledo IV: 7064 woorden.

[69] ORLANDIS, J., La iglesia en la España Visigótica y Medieval, Pamplona, 1976, p.81-83.

[70] VIVES, J., e.e., o.c., p.164, quod si et limites legitimus eandem baselicam non concludet sed tam longi temporis probatur obiecta praescribtio, appellatio repetentis episcopi non valebit, quia illi tricennalis obiecto silentium ponit. Hoc enim et saecularium principum edicta praecipiunt et praesulum Romanorum decrevit auctoritas.

[71] Ibidem, p.165, Scribitur enim in lege mundiali de colonis agrorum, ut ubi esse quisque iam coepit ibi perduret.

[72] Ibidem, p.166, oculorum detentus dolore

[73] Ibidem, p.166, Tales enim merito iudicati sunt removendi…

[74] Ibidem, p.167.

[75] Ibidem, p.169, ut quorum libertas perniciosa est sit salutifera servitus.

[76] Ibidem, p.169.

[77] Ibidem, p.170.

[78] RETAMERO, F., As coins go home: Towns, Merchants, Bishops and Kings in Visigothic Hispania, p.271-277, in: The Visigoths. From the migration periods to the seventh century, p.271-320.

[79] VIVES, J., e.a., o.c., p.170: quidam ex haerese Acefalorum natione Syrus, ut adsserit (sic) ipse esse episcopus, duarum in Christo naturarum proprietatem abnegans et deitatem passibilem asserens.

[80] Ik vermoed dat Isidorus, als geleerde en voorzitter van het concilie, het brein is achter deze tekst, en trouwens achter het geheel van dit concilie.

[81] ORLANDIS, J., Le royaume wisigothique et son unité religieuse, in: L’Europe Héritière de l’Espagne Wisigothique, p.15.

[82] MUNIER, C., L’ordo de celebrando concilio wisigothique. Ses remaniements jusqu’au Xe siècle, in: Revue des Sciences Religieuses, 37 (1963), p.250-271.

[83] VIVES, J., e.a., o.c., Toledo III, c.18, p.131.

[84] Ibidem, p.189.

[85] MANSI, J. D., Sacrorum conciliorum nova et amplissima collectio, pars IX, col.611.

[86] VIVES, J., e.a., o.c., p.189-190.

[87] SCHÄFERDIEK, K., Die Kirche in den Reichen der Westgoten und Suewen bis zur Errichtung der westgotischen katholischen Staatskirche, Berlin, 1967, p.157-162.

[88] VIVES, J., e.a., o.c., p.194: ‘ut propter unitatem pacis in Gallicanis ecclesiis conservetur’.

[89] VIVES, J., e.a., o.c., p. 202.

[90] Ibidem, p.203: ut si episcopus fuerit recipiat coram altario de manu episcoporum orarium, annulum et baculum; si presbyter orarium et planetam; si diaconus orarium et albam; si subdiaconus patenam et calicem; sic et reliqui gradus ea in reparationem sui recipiant, quae quum ordinarentur perceperant.

[91] Ibidem, p.205: Sicut diocessim alienam tricenalis possessio tollit, ita territorii conventum non adimit, ideoque basilicae quae novae conditas fuerint ad eum procul dubio episcopum pertinebunt, cuius conventus esse constiterit.

[92] THOMPSON, E., The Goths in Spain, Oxford, 1969, p.165-168 en KATZ, S., The Jews in the Visigothic and Frankish kingdoms of Spain and Gaul, Cambridge-Massachusetts, 1937, p.11-12.

[93] THOMPSON, E. A., The Goths in Spain, p.171-172.

[94] VIVES, J., e.a., o.c., p.328 en p.330: regiam iussionem en p.330: quae res non extra regiam agitur volumtatem (sic).

[95] VIVES, J., e.a., o.c., p.344-354.

[96] Ibidem, p.356.

[97] VIVES, J., e.a., o.c., p. 392,  Iam vero de cetero generale potentes edictum, si quis contra haec apostolica iussa, si quis contra haec canonum interdicta venire caverit, ut in locis illis episcopum eligat fieri ubi episcopus numquam fuit, sit anathema in conspectu omnipotentis Dei et insuper tam ordinans quam ordinatus gradum sui ordinis perdat, quia non solum antiquorum patrum decreta sed et apostolica ausus est convellere instituta.

[98] Ibidem, p 394, quosquumque regalis potestas elegerit.

[99] THOMPSON, E. A., The Goths in Spain, p.220-226.

[100] VIVES, J., e.a., o.c., p.419

[101] Summa. Encyclopedie en Woordenboek in kleur, 13, p.351.

[102] Ibidem, p.353.

[103] MARTÍNEZ DÍEZ, G.,  Toledo XIV, 684, in: Diccionario de Historia Eclesiástica de España, Madrid, 1 (1972); p.570.

[104] ORLANDIS, J., RAMOS-LISSÓN, D., o.c., p.293.

[105] Ibidem, p.280.

[106] VIVES, J., e.a., o.c., p.464-465.

[107] Ibidem, p.464-467.

[108] Ibidem, p.451.

[109] Ibidem, p.468-471.

[110] ORLANDIS, J., RAMOS-LISSÓN, D., o.c., p.283-284.

[111] Ibidem, p.284.

[112] VIVES, J., e.a., o.c., p.453, naturali ordine cognoscimus quia verbum ex mente originem ducit, sicut ratio et volumtas (sic): et converti non possunt ut dicatur, quia sicut verbum et volumtas (sic) de mente procedit, ita mens de verbo aut volumtate (sic).

[113] Ibidem, p.453, nos autem non secundum hanc comparationem humanae mentis neque secundum relativum sed secundum essentiam diximus: Volumtas ex volumtate (sic) sicut et sapientia ex sapientia.

[114] ORLANDIS, J., RAMOS-LISSON, D., o.c., p.294-296.

[115] VIVES, J., e.a., o.c., p.497, quoniam gloriosi et amatoris Christi Egicanis principis nostri fervens intentio et prompta devotio huius admirabilis medelae peritiam his adhibere contendit.

[116] Ibidem, p.508, qui etiam per decreti nostri definitionem iam et loco et honore privatus existit.

[117] Ibidem, p.522, ... plerique Spaniarum et Galliarum pontifices convenissemus.

[118] Zie ook: THOMPSON, E., o.c., p.247-248.