| Visies op de maatschappij in de Vroege Middeleeuwen: Het wereldbeeld van de Visigotische kerkelijke elite (589-711). (Frank Van Den Steen) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
De bedoeling van dit hoofdstuk zal zijn om de lezer vertrouwd te maken met de inhoud van de verschillende concilies. Daarbij zal de weg van de chronologische benadering bewandeld worden: concilie na concilie zullen de teksten gehergroepeerd worden volgens de thema’s die behandeld worden. De drie gebruikte categorieën zijn daarbij de Kerk, de maatschappij en de politiek. Deze drie thema’s worden niet door ieder concilie in een of ander aspect van hun wezen behandeld. Men zal ze dan ook niet altijd allen tezamen in ieder concilie vertegenwoordigd zien, zeker niet in de provinciale concilies. De meerderheid van de nationale concilies behandelen daarentegen wel een of ander aspect van een van de drie voornoemde categorieën.
1. De take-off van het katholicisme in Spanje: Toledo III, 589
De dood van koning Leuvigild in 586 zal zeer snel leiden tot een totale koerswijziging in de religieuze oriëntatie van de Visigotische maatschappij. Rond 4 mei 589 immers kwam het eerste nationale concilie, op last van koning Reccared, te Toledo samen. Het opende met een toespraak van de koning, waarop de bisschoppen zich terugtrokken om gedurende drie dagen te vasten. Ze kwamen opnieuw bijeen op 8 mei, wanneer de koning hen nogmaals toespreekt en zijn tomus overhandigt. Deze tomus, die het program voor het verloop van het concilie bepaalt, wordt luidop door een van de clerici voorgelezen. Daarin maakte de koning duidelijk dat hij door God belast is geworden met de heerschappij over vele volkeren, en hij benadrukt dan ook zijn afhankelijkheid van de Schepper. Enkel door het geloof, en de bekering tot het ware geloof, kan de koning God danken voor de vele weldaden die hem verleend werden.
Na dit vertoog last de koning een theologisch discours in, waarbij hij zijn geloof in de heilige drievuldigheid bevestigt: er is slechts een God, die bestaat uit drie goddelijke personen.
De koning herinnert de lezer en toehoorder nogmaals aan zijn goddelijke missie: met Gods hulp bracht hij niet enkel de Visigoten tot het ware geloof, maar ook de Sueven, die zijn vader enkele jaren voordien overwonnen had. Deze volkeren bekeerden zich massaal, maar het was slechts een uiterlijke vorm van bekering. Daarom doet de koning nu een beroep op zijn bisschoppen om het volk werkelijk tot het ware geloof te brengen.
Hier neemt de koning de theologische draad weer op. In zijn betoog veroordeelt hij Arius en zijn dwaalleer, om vervolgens de orthodoxe leer te omarmen zoals die bepaald werd in de vier grote oecumenische concilies van Nicea, Constantinopel, Efeze en Chalcedon.
De tomus regius eindigt met de ondertekening door Reccared en zijn koningin, Baddo.
Onmiddellijk na het voorlezen van deze tomus barst een concert van vreugdekreten los. De katholieke bisschoppen zijn werkelijk in de zevende hemel. Om de intenties van de bekeerde Goten werkelijk te kunnen inschatten, spreekt een van de bisschoppen hen in naam van het ganse concilie vermanend toe, met de vraag zich uit te spreken voor het katholieke geloof en tegen de ariaanse ketterij. Het antwoord van de Goten ligt in het verlengde van de bisschoppelijke vraag, maar zij voegen er aan toe hen niet iedere fout kwalijk te duiden, maar er hen vriendelijk attent op te maken.
In een lijst van drieëntwintig artikels die op het verslag van de ondervraging volgt, worden vervolgens een voor een de ariaanse geloofspunten geanathematiseerd[49]. Het eerste anathema veroordeelt al diegenen die het ariaanse geloof en de ariaanse gemeenschap willen herstellen, of er trouw aan blijven. De anathemata II tot en met X veroordelen al wie ook maar het kleinste punt omtrent de drievuldigheidsleer in vraag durft te trekken. Het elfde punt veroordeelt al wie gelooft dat er een ander geloof kan bestaan buiten het orthodox katholieke geloof, zoals vastgelegd in de vier oecumenische concilies. De punten XII, XIII en XIV anathematiseren diegenen die weigeren de vereiste lof en eer te brengen aan de heilige drievuldigheid. Het vijftiende anathema betreft de ariaanse praktijk van het wederdopen: katholieken die zich voor 580 tot het arianisme wensten te bekeren, moesten nogmaals gedoopt worden volgens de ariaanse riten. De katholieke traditie zet zich hiertegen af omdat zij oordeelt dat de doop slechts eenmalig kan zijn, en steeds geldig is, ongeacht de persoonlijke overtuiging van de priester. Dit houdt onder andere ook in dat de arianen die toetreden tot de katholieke Kerk, niet herdoopt mogen worden. Het volgende artikel slaat zij die geloof hechten aan de ariaanse riten in de ban. Het betreft hier vooral de toetreding van Romeinen (katholieken) tot de Visigotische Kerk (arianen), welke sinds het ariaanse concilie van 580 te Toledo vereenvoudigd werd door handoplegging, door het ontvangen van de communie uit handen van een ariaanse priester en het aanvaarden van de ariaanse drievuldigheidsleer, zoals bepaald in de woorden “gloria Patri per Filium in Spiritu Sancto”. De volgende anathemata zijn duidelijk gewijd aan het geloof en de geloofspunten zoals bepaald in de verschillende concilies. Artikel XVII veroordeelt de aanhangers van het ariaanse concilie van Rimini uit 359, en de daaropvolgende banvloek bevestigt nogmaals de waarde van het katholieke geloof, met een banvloek tot eeuwige verdoemenis voor zij die weigeren het katholieke geloof te aanvaarden. In de anathemata XIX tot en met XXII wordt al wie de vier oecumenische concilies misprijst, veroordeeld. Het laatste anathema herhaalt de voornaamste bepalingen van de voorgaande anathemata, gaat nog even dieper in op het belang van de concilies, en veroordeelt ten slotte nogmaals al diegenen die het katholieke geloof weigeren te aanvaarden.
Hierna volgt een uitgesponnen voorlezing van de geloofsbelijdenissen zoals bepaald in de concilies van Nicea en Chalcedon[50]. Dan volgen de handtekens van acht ex-ariaanse bisschoppen, van bekeerde priesters en diakens, evenals van de belangrijkste edellieden van de Goten die tot de katholieke Kerk toegetreden waren[51].
Na het feestelijke gedeelte van de toetreding der Goten tot de katholieke Kerk, richt de koning zich opnieuw tot het concilie. De koning heeft een klare kijk op de zaak: om het land te dienen en zijn onderdanen tot nut te zijn, mag zijn aandacht zich niet beperken tot het wereldlijke domein: met de hulp van Christus wil de koning ook de kerkelijke zaken eens goed onderzoeken[52]. De koning wil niet ieder detail aangaande de Kerk regelen. Neen, hij heeft een uitdrukkelijke wens: ‘ut omnes sacrificii tempore ante conmunionem corporis Christi vel sanguinis iuxta orientalium partium morem unanimiter clara voce sacratissimum fidei recenseant symbolum’[53]. De vorst kan zijn uitdrukkelijke wens ondersteunen met twee argumenten. Ten eerste voert hij aan dat het opzeggen van de geloofsbelijdenis, voor het ter communie gaan, de harten zuivert door het geloof. Het tweede argument wordt meer uitgewerkt, waarbij het geloof op zich een belangrijke rol speelt: door het naleven van deze bepaling, en het voortdurend herhalen van de geloofsbelijdenis, zal het geloof bij de bevolking toenemen en niemand zal inbreuken tegen het geloof nog langer kunnen verstoppen achter onwetendheid. Dit argument in het koninklijke vertoog lijkt verreweg het belangrijkste te zijn, zeker tegen de achtergrond van de recente gebeurtenissen met de massale bekering van Goten en Sueven.
De koning gaat nog even door met praten, en vermaant de bisschoppen om zijn wens als eerste gespreksonderwerp te behandelen. Verder laat hij hen de vrijheid om in strenge bewoordingen te verbieden wat in strijd is met de leer en op te leggen wat volgens de leer gedaan moet worden.
Na de vele koninklijke toespraken en de bekeringsceremonie van de arianen, vatte het concilie zijn wetgevende taak aan.
Dit concilie bevat enkel bepalingen over de kerkelijke en maatschappelijke sfeer. De politiek lijkt bewust buiten het concilie gehouden te zijn: de koning had voldoende macht om zijn politieke beslissingen te legitimeren zonder goedkeuring van de kerkelijke leiders. Waarschijnlijk achtte niemand het nodig of wenselijk dat het concilie politieke beslissingen kracht bij zou zetten.
Het eerste onderwerp waar de geestelijken zich mee bezig houden is dan toch niet ’s konings wens: door de jarenlange overheersing van het arianisme en het isolement van de Spaanse katholieken, achtten de bisschoppen het noodzakelijk om eerst en vooral alle bepalingen van katholieke concilies en alle decreten van de pausen te bevestigen en te eisen dat iedereen deze verordeningen na zou leven. Door de overmacht van het arianisme was een efficiënte controle van het gedrag van de geestelijken immers niet mogelijk. Alle scheefgegroeide situaties moeten nu weer rechtgetrokken worden en deze canon is daartoe een aanzet. Een zinnetje, dat er als het ware tussen geflanst is, vermeldt echter een specifiek misbruik: ‘nullus deinceps ad promerendos honores ecclesiasticos contra vetita canonum adspiret indignus’[54]. Het feit dat dit expliciet vermeldt wordt, midden algemene beschouwingen, kan er op wijzen dat het een wijdverbreid misbruik was om kerkelijke functies aan onwaardige priesters of leken te geven.
In de tweede canon wordt aan de wens van de koning gehoor gegeven en men verplicht nu iedere Kerk in Spanje en Gallië om de geloofsbelijdenis, zoals bepaald in het concilie van Constantinopel, voor het zeggen van het zondagse gebed, op te zeggen[55]. Voor dit concilie is dit de enige canon met een concrete bepaling over het verloop van de eredienst. Het nut en belang van deze canon werd hoger reeds besproken.
Als wij de resterende canones groeperen, dan valt meteen op dat de grootste groep bepalingen bevat omtrent het materiële en menselijke vermogen van de Kerk. Zo wordt het iedereen verboden om ook maar het geringste goed van de Kerk te ontvreemden. Er wordt wel onmiddellijk bij vermeld dat kerkelijke goederen wel degelijk gebruikt mogen worden om noden te lenigen, indien althans de belangen en rechten van de Kerk niet geschaad worden. De bisschop mag monniken en kerken binnen zijn diocees materieel bijspringen. Ook pelgrims, clerici en armen kunnen op de bijstand van de bisschop rekenen (c.3). Een bisschop die een klooster wil stichten, mag de monniken een kerk en wat goederen schenken, echter weer met de voorwaarde dat dit het kerkelijke bezit op geen enkele wijze mag aantasten (c.4). Sommige bisschoppen zien door het verdwijnen van de ariaanse kerk hun goederen toenemen (c.9), waardoor ze meer middelen in handen krijgen om de organisatie beter uit te bouwen, en om hun prestige te vergroten. Er wordt ook weerwerk geboden aan bezitters van eigenkerken. Dezen menen blijkbaar dat een gewijde kerk onder hun beheer kan blijven, echter, zo zien de bisschoppen dat niet, en verwijzend naar de oude canones eisen zij dan ook dat een gewijde (eigen)kerk, voortaan onder de administratie van de locale bisschop valt (c.19). Wanneer een slaaf die tot de fiscus behoort een kerk wil bouwen, dan moet de bisschop daarvoor eerst de goedkeuring van de koning afsmeken en verkrijgen (c.15). De Kerk moet ook haar belangrijkste instrument verdedigen: het menselijke potentieel waarover zij beschikt. Men mag daarbij niet uit het oog verliezen dat de Visigotische Kerk weliswaar refereerde aan haar geestelijken, maar dat zij gefundeerd was op een brede onderlaag van slaven en onderhorigen. Haar overlevingskansen waren nauw verbonden met het surplus dat door de eigen ondergeschikten gerealiseerd kon worden, en haar macht baseerde zich op de economische rijkdom, uitgedrukt in beheer van goederen en mensen[56]. In dit kader moeten we dan ook de canon plaatsen die bepaalt dat kerkelijke vrijgelatenen, evenals die vrijgelatenen die aan de Kerk toevertrouwd werden, zich nooit kunnen ontdoen van het beschermheerschap van de Kerk (c.6).
Clerici zijn blijkbaar een belangrijk element van prestige en rijkdom. Indien zij dat niet zouden zijn, dan valt het moeilijk te verklaren waarom de bisschoppen een bepaling moesten uitvaardigen die zegt dat men van clerici die tot de fiscus behoren, de koning niet mag vragen om hen te schenken (c.8). Misschien leefden clerici op fiscale gronden in een zeker vorm van autonomie, en zouden zij die autonomie verliezen wanneer zij door schenking in handen zouden vallen van lokale rijken.
Een kritiek die men kan formuleren bij deze opmerkingen over canones 6 en 8, is dat zij eerder te maken hebben met de macht van de Kerk dan met haar rijkdom. Deze kritiek is zeer terecht. Men mag immers niet vergeten dat rijkdom en macht hand in hand gingen en haast synoniemen waren (en zijn). De kritiek wordt nog indringender wanneer wij het concept macht ontdubbelen in de deelfacetten macht van het instituut Kerk en machtsuitoefening door bisschoppen. Dit laatste element kan men het belangrijkste noemen in de opbouw van kritiek. Is het namelijk niet zo, dat de bisschoppen, eerder dan de rijkdommen van de Kerk te vrijwaren, met deze bepalingen trachtten om hun macht over bepaalde leden van hun organisatie en van de samenleving te verstevigen? Priesters van het fiscale domein zijn immers gemakkelijker te controleren dan clerici van eigenkerken, en het rechtstreeks controleren van een deel van de vrijen (al zijn het dan “slechts” vrijgelatenen) is een belangrijk gegeven in de strijd om (totale) maatschappelijke controle.
We laten de maatschappij even voor wat ze is en keren terug naar de Kerk. De macht van de bisschoppen over de lagere clerus wil men op alle mogelijke wijzen bestendigen. De rechtspraak vormt daarin een belangrijk onderdeel: clerici mogen geen geding tegen andere clerici aanspannen voor een wereldlijke rechtbank; doen zij dat toch, dan verliezen zij die het geding aanspanden, automatisch het pleit (c.13). Clerici trachten dus de macht van hun bisschoppen te omzeilen en te ondermijnen door hen links te laten liggen. Dit mag ons niet helemaal verwonderen, want blijkens canon 20 zijn deze bisschoppen niet altijd even rechtvaardig voor hun ondergeschikten. Het betreft hier specifiek het innen van onrechtmatige belastingen en heffingen op de geestelijken. Uit de formuleringen blijkt dat dit schering en inslag moet geweest zijn, en dat sommige bisschoppen niet terug deinsden voor een politiek van intimidatie en wreedaardigheid: ‘Multorum querella … quia cognovimus episcopos per parrochias suas non sacerdotaliter sed et crudeliter desaevire et … exactiones dioecesis suae vel damna infligunt’[57]. De bisschoppen vrezen voor hun goede naam, en voor de eer van de Kerk, daarom eisen ze een onmiddellijke stopzetting van zulke schandelijke praktijken, ‘ne videamur in ecclesia Dei exactores potius quam Dei pontifices nominari’[58].
Niet alleen bisschoppen maken misbruik van hun positie, ook rechters en agenten van de schatkist durven kerkelijk personeel het bloed van onder de nagels pesten. Clerici en slaven werden gedwongen om persoonlijke diensten te leveren, of in de openbare sector te werken. Voortaan kan deze praktijk niet meer en zij die volharden, worden geëxcommuniceerd (c.21).
Dit concilie besteedt weinig woorden aan het canonieke gedrag van de geestelijken. Men ging er blijkbaar van uit dat de katholieke geestelijkheid een voorbeeldig, lees: kuis, leven leidde. Vooral diegenen die uit het arianisme kwamen, stonden onder verdenking: het feit dat zij allen getrouwd waren, zoals toegelaten in de ariaanse kerk, zal daar niet vreemd aan zijn. Bisschoppen, priesters en diakens die getrouwd waren, moeten vanaf dan gescheiden van hun vrouw leven. Al leven de echtgenoten dan wel apart, toch bepaalt het concilie dat de huwelijksband niet verbroken kan worden, en dat de echtgenoten de wederzijdse huwelijksplichten, behalve één, moeten blijven voortzetten. Celibataire clerici die toch contact hebben met vrouwen, moeten gestraft worden volgens de oude canones, en de vrouwen moeten verkocht worden (c.5).
Ledigheid is een te vermijden en bestrijden kwaad: tijdens de maaltijden aan de bisschoppelijke tafels wordt er teveel over van-alles-en-nog-wat gepraat, ten einde de tijd te verdrijven. Om de maaltijd toch nog enig nut te geven, bepalen de bisschoppen dat vanaf nu, tijdens iedere maaltijd, uit de heilige schriften voorgelezen wordt (c.7).
De Kerk wil ook zichzelf al instituut regelen. Daarom wordt in navolging van de oecumenische concilies bepaald dat iedere kerkprovincie eens per jaar moet samenkomen. De oude concilies schreven voor om tweemaal per jaar samen te komen, doch, dit achten de Visigotische bisschoppen niet noodzakelijk en niet wenselijk, gezien de uitgestrektheid van de Spaanse territoria en de armoede van enkele diocesen. Men moet samenkomen op 1 november, ‘ut discant quam pie et iuste cum populis agere debeant’. Het provinciale concilie is eigenlijk een lokaal wetgevend en rechtsprekend orgaan. De rechters en agenten van de schatkist moeten aanwezig zijn. Men bespreekt er nieuwe belastingen, eventuele misbruiken worden er aangekaart. Het is als het ware een controle orgaan, in handen van de Kerk, dat werkt op last van de koning. Op die manier ontstaat uiteraard een enorme verwevenheid, althans op lokaal niveau, van wereldlijke en kerkelijke aangelegenheden. Verder wordt ook nog bepaald dat de metropoliet de plaats van samenkomst mag kiezen, en dat het concilie niet ontbonden mag worden alvorens men een datum en een plaats heeft vastgelegd voor het volgende concilie (c.18).
Dit concilie besteedt ook ruimschoots aandacht aan welbepaalde groepen van de samenleving: weduwen, maagden en penitenten. Over weduwen en maagden wordt gezegd dat niemand hen kan dwingen om te huwen, en wanneer zij geloften aflegden van kuisheid, dan mogen zij die niet breken (c.10). Aan penitenten worden twee canones gewijd, waarin bepaald wordt wat de uiterlijke kenmerken van een penitent zijn (c12), en dat de penitent weldegelijk zijn boete moet voltrekken(c.11). De bisschop ziet toe op het uitvoeren van de uiterlijke wezenlijkheden: een man wordt het haar geknipt, vrouwen moeten andersoortige kledij aantrekken (c.12). De boete houdt in dat de boeteling zich verwijdert van de gemeenschap (van de communie) en dat hij samen met de andere penitenten regelmatig een handenoplegging ontvangt. Wanneer de bisschop vindt dat de boete volbracht is, dan mag de penitent opnieuw deelnemen aan de communie. Vervalt de boeteling in zijn oude zonden, dan wordt hij gestraft ‘secundum priorum canonum severitatem’, een straf die dus niet nader omschreven is (c.11).
De leek kent de christelijke praktijk blijkbaar nog niet grondig genoeg, want men moet sleutelen aan zijn gedrag. Zo verbieden de bisschoppen om nog langer uitbundig en weeklagend te wenen en bepaalde gezangen te zingen tijdens de begrafenis van geestelijken. De hele dienst moet sereen verlopen en de zangen die men aanheft mogen enkel psalmen zijn (c.22). De gelovigen moeten zich ook gedragen tijdens de naamfeesten van de heiligen: het zingen van schandelijke liederen terwijl men dan nog danst ook, is volkomen onaanvaardbaar, temeer daar deze praktijken de eredienst grondig verstoren (c.23).
Ook andere praktijken geven aanstoot in de ogen van de bisschoppen. Zo zouden er in gans Spanje en Gallië heren zijn die hun slaven toelaten om tot de oude goden, tot beelden te bidden (c.16). Een nog groter schanddaad is die van de kindermoord. In bepaalde delen van Spanje willen de ouders de verantwoordelijkheid tegenover hun daden niet opvatten: het huwelijk is er nu eenmaal om nageslacht voort te brengen, niet om in ontucht te leven, en zij die hun aantal kinderen liever niet zien stijgen, moeten zich maar onthouden van iedere seksuele betrekking (c.17).
Dit concilie laat ons nog een canon ter bespreking: canon 14, die handelt over de joden. Hierin wordt bepaald dat de joden vanaf dan geen enkele ondergeschikte mogen hebben die het christelijke geloof aankleeft: geen vrouwen, geen concubines, geen slaven, geen burgers. Joden mogen niet trouwen met christelijke vrouwen, doen ze dat toch, en worden er kinderen geboren, dan moeten die kinderen volgens het christelijke geloof opgevoed worden. Het kopen van christelijke slavinnen voor eigen gebruik is ten strengste verboden, en het verbod dat het zwaarste weegt, bepaalt dat joden geen enkel openbaar ambt kunnen en mogen betrekken. Dit zou hen namelijk in staat stellen om op te treden, vanuit hun machtspositie als bijvoorbeeld rechter, tegen christelijke burgers. Bovendien moeten christenen die onteerd werden door joodse riten en door de besnijdenis, terugkeren naar hun vertrouwde geloof.
2. Concilies in het verlengde van Toledo III: triomf van de orthodoxie
In het verlengde van het belangrijke concilie Toledo III, komen een aantal provinciale concilies, en een klein nationaal concilie, samen die ons toelaten om over een tijdsspanne van een tiental jaar de kerkelijke activiteiten van naderbij te volgen. Nadien breekt een periode aan van vierendertig jaar met slechts drie concilies: het concilie van Toledo uit 610, dat van Egara uit 614 en tenslotte het tweede concilie van Sevilla uit 619 dat in een volgend hoofdstuk behandeld zal worden.
Narbonne, 589
Het eerste provinciale Visigotische concilie dat we behandelen heeft zijn oorsprong niet in Spanje, maar in Gallië, Narbonne in het huidige Frankrijk. Deze stad behoorde reeds vanouds tot het Visigotische Rijk en is één van de weinige steden die de Visigoten in Gallië konden behouden na hun nederlaag tegen de Franken in 507. Het is trouwens het enige ons overgeleverde Visigotische concilie van na 507 uit Gallië.
Dat dit concilie nog plaats heeft in hetzelfde jaar als het grote nationale concilie van Toledo III, kan wijzen op een zekere vorm van triomfalisme die de katholieke bisschoppen niet vreemd zal zijn geweest.
De eerste canon die onze aandacht trekt, bevat enkele richtlijnen om de liturgie te stroomlijnen. Zo zal men voortaan na iedere psalm eer aan God betuigen en worden er enkele langere psalmen gezongen, dan worden die in deeltjes opgesplitst om even te pauzeren en de Drievuldigheid te eren (c.2).
Kan de liturgie enige verbetering ondergaan, dan geldt dat des te meer voor de geestelijkheid. De geestelijken wordt het van nu af verboden om gekleurde, purperen, gewaden te dragen. Zulke kledij past bij de ijdelheid van het seculiere bestaan, niet bij de waardigheid van een geestelijke (c.1). Ook is het hen ten strengste verboden om zich op openbare plaatsen op te houden en zich in discussies te mengen. Doen ze dat wel, dan verliezen ze hun ambt, en als ze hervallen worden ze zelfs geëxcommuniceerd (c.3).
De boze wereld ligt overal op de loer en de bisschoppen willen er hun onderhorigen aan herinneren dat op het concilie van Nicea duidelijk gezegd is dat priesters zich verre moeten houden van samenzweringen van welke aard dan ook. Worden er geestelijken in complotten betrapt, dan worden zij gedurende een jaar in een klooster opgesloten opdat ze daar nederigheid zouden leren (c.5). In het klooster aangekomen kan de abt vrijelijk over de gestrafte beschikken. De abt moet hem echter wel slechts helpen op het rechte pad brengen en hem niet voor allerlei klusjes gebruiken, want doet hij dat wel, dan zal hij als straf voor een zekere tijd afgezet worden (c.6).
Iedere geestelijke die iets op het getouw zet of beraamt tegen de Kerk, zal dan ook onmiddellijk afgezet worden, wegens gebrek aan trouw (c.7). Dat geldt des te meer voor die geestelijken die vinden dat de Kerk best wel enkele van haar overvloedige rijkdommen kan missen. Worden zij betrapt op het stelen of verhelen van kerkelijke goederen, dan wordt hen twee jaar verplichte boete opgelegd (c.8).
De lokale geestelijken moeten ook een stabiel leven leiden. Wanneer zij door hun bisschop ergens aangesteld werden en met een bepaalde taak belast werden, dan moeten zij daar ook blijven en zich gewetensvol van hun taak kwijten (c.10). Uiteraard, het gaat niet op om ongeletterde en onwetende geestelijken aan te stellen. Dit concilie eist dan ook dat enkel nog degelijk onderwezen priesters en diakens aangesteld zouden worden. Geestelijken die nu reeds in dienst genomen werden en nog steeds niet kunnen lezen of schrijven, moeten zich zo snel mogelijk daarin bekwamen. Van ongeletterde geestelijken mag men immers niet verwachten dat zij een voorbeeld voor het volk zouden zijn[59]. Weigeren zij een degelijke opleiding, of valt het te moeilijk om hen dat nog bij te brengen, dan moeten zij in een klooster opgesloten worden (c.11).
De Kerk zit ook verveeld met geestelijken die – letterlijk – een loopje nemen met de eucharistieviering. Priesters die het altaar verlaten voor het einde van de mis zullen ter verantwoording geroepen worden. Sommige lectores en diakens durven het ook aan om voor einde van de mis hun albe af te leggen. De diakens kunnen daarbij rekenen op het verlies van hun gehele loon en hun job. De anderen zullen met zekere, niet nader bepaalde, straffen af te rekenen hebben (c.12). De lagere geestelijken in het algemeen moeten trouwens de nodige eer betonen aan hun superieuren. Doen zij dat niet, dan worden zij gestraft: subdiakens verliezen hun recht tot spreken, en als ze zich niet schikken verliezen ze zelfs hun vergoeding, de lagere rangen krijgen zweepslagen (c.13).
Dit concilie spreekt ook over heidense gebruiken zoals de toekomst voorspellen. Als men toekomstvoorspellers en waarzeggers in het huis van een Goot, Romein, Syriër, Griek of Jood aantreft, dan moet die openbaar zwaar gestraft worden met zeepslagen. Bovendien worden zulke personen als slaaf verkocht, en de opbrengst wordt onder de armen verdeeld. Degene bij wie een waarzegger aangetroffen wordt, wordt geëxcommuniceerd en moet bovendien een boete van zes ons goud aan de graaf betalen (c.14).
Een ander oud, maar in kerkelijke ogen schandelijk, gebruik dat blijft overleven, is dat velen, slaven zowel als vrijen op de vijfde dag van de week, donderdag, het werk neerleggen en er feestelijk bij lopen. Op die manier willen ze Jupiter eren, en dat is een misprijzen van God en zijn Kerk. Nu wordt het compleet verboden om op donderdag niet te werken, behalve als er een kerkelijk feest op valt. Vrije personen die zich niet storen aan dit gebod zullen gedurende een jaar geëxcommuniceerd worden en zullen boete moeten doen. Slaven worden gestraft met honderd zweepslagen en worden aan hun meesters uitgeleverd (c.15). Dit concilie hamert er dan ook op dat de enige dag waarop niet gewerkt mag worden, de zondag is. En dat is een absoluut verbod tot werken. Wie het toch niet kan laten, die moet aan de graaf zes solidi betalen, en betreft het een slaaf, dan wordt die gestraft met honderd zweepslagen (c.4).
De bisschoppen bemoeien zich tenslotte niet alleen met hun eigen gemeenschap, maar ook met die van de Joden. Deze moeten onmiddellijk stoppen met hun doden te begraven onder het zingen van bepaalde liederen. Ze moeten terugkeren naar hun oude gewoonten en gebruiken. En als ze anderszins zouden willen handelen, dan zullen ze verplicht worden tot het betalen van een boete van zes ons goud aan de graaf (c.9).
Sevilla I, 590
Het tweede provinciale concilie dat ons overgeleverd is, vond plaats in de hoofdstad van de provincie Baetica, Sevilla. Is het eveneens een provinciaal concilie dat gehouden werd met Toledo III nog vers in het geheugen, dan is de thematiek in vergelijking met Narbonne duidelijk beperkter en anders georiënteerd.
De clerici leven daar blijkbaar nog vaak samen met vrouwen, wat reeds verboden werd in het nationale concilie, en dus zien de bisschoppen zich genoodzaakt om er hun onderhorigen nogmaals aan te herinneren dat dit ten strengste verboden is. Willen de geestelijken niet luisteren, dan zal de bisschop de rechter opdracht geven om de vrouw(en) in beslag te nemen en te verkopen. Het verkregen geld van de verkoop moet onder de armen verdeeld worden. Maar handelen de rechters onder één hoedje met de onfortuinlijke priesters, dan kunnen die rechters rekenen op de excommunicatie (c.3).
De andere twee canones zijn volledig gewijd aan een concreet probleem van de Kerk van Écija dat aan het concilie gepresenteerd wordt. De vorige bisschop van Écija, Gaudentius, zou door het wegschenken van slaven aan zijn familie en door het vrijlaten van slaven enorme schade aan de plaatselijke Kerk hebben toegebracht. Het concilie gaat na in de oude canones wat er in zulk geval gebeuren moet, en komt tot de volgende besluiten.
Aangezien Gaudentius de vrijgelaten slaven niet compenseerde met goederen uit zijn eigen bezit, moet aan deze ex-slaven onmiddellijk de vrijheid ontnomen worden. De positie van de Kerk als machthebber staat hier namelijk op het spel. Die ‘hernieuwde’ slaven kunnen de hen toevertrouwde goederen enkel overlaten aan hun kinderen of kleinkinderen, en dezen kunnen die goederen op hun beurt nooit toevertrouwen aan een persoon die geen onderhorige van de Kerk is (c.1). Het zelfde geldt voor de slaven die hij zonder vergoeding aan zijn verwanten naliet. Bovendien wordt er via deze casus op gewezen dat deze regeling geldt voor iedere Kerk in de provincie Baetica (c.2).
Zaragoza II, 592
Dit concilie uit de provincie Tarraconensis staat geheel in het teken van de aanhechting van de ariaanse clerici en kerken bij de bestaande katholieke structuren. Zo wordt bepaald dat priesters en diakens die voorheen als ariaanse geestelijken werden aangesteld, opnieuw gewijd moeten worden door een katholieke bisschop en naar de katholieke canones moeten leven. Zoniet, dan worden zij van hun post en waardigheid vervallen verklaard (c.1).
Ariaanse kerken en relikwieën stellen specifieke problemen. De relikwieën die in ariaanse kerken aangetroffen werden, moeten door een bisschop aan de vuurproef onderworpen worden (c.2). Kerken die in naam van het katholieke geloof ingezegend werden door een ex-ariaanse bisschop, voordat die bisschop tot katholiek bisschop gewijd en aangesteld werd, moeten opnieuw ingezegend worden (c.3). Tot zover dit zeer summiere concilie.
Toledo, 597
Over dit concilie, dat waarschijnlijk het enige nationale concilie van zulke geringe omvang is dat ons is overgeleverd, bestaat heel wat discussie. Velen noemen dit concilie, gezien die geringe omvang gewoonweg een provinciaal concilie[60]. Anderen willen niet verder gaan dan het een ‘pluri-provinciaal’ concilie te noemen[61]. Ten slotte zijn er enkelen die het ronduit een nationaal concilie noemen, een mening die ook ik bijtreed[62].
Het argument van de ‘provincialen’ is, zoals gezegd, de geringe omvang van de schriftelijke neerslag van dit concilie. Het betreft hier inderdaad een geschrift van ‘slechts’ honderd negenenveertig woorden, maar Toledo V, algemeen aanvaard als zijnde een nationaal concilie, kan men evenmin betrappen op de aanwezigheid van duizenden woorden. Met de zeshonderd negenenzestig woorden die het rijk is, kan het bezwaarlijk een uitgebreid document genoemd worden. Dit argument is in mijn ogen dan ook een non-argument.
De ‘pluri-provincialen’ kan men dan weer inconsistentie aanwrijven. Orlandis, de verdediger van de ‘pluri-provinciale’ idee, is tevens voorvechter om – weliswaar genuanceerd – Zaragoza III een nationaal statuut toe te kennen. Dit is ten zeerste aanvaardbaar, maar dan moet men wel consequent doorredeneren, en ook Toledo 597 een nationaal statuut willen toekennen. Des temeer daar voor dit concilie de indicatoren overduidelijk zijn, wat niet van Zaragoza gezegd kan worden. Hier hebben we namelijk de handtekens van de bisschoppen uit de verschillende provincies. Op dit concilie was iedere provincie, al was het maar door twee bisschoppen, vertegenwoordigd. Voor mij is dat toch wel het duidelijkste bewijs dat, ongeacht de omvang van het document, we hier met een nationaal concilie te maken hebben.
De twee canones die ons van dit concilie nagelaten zijn, hebben beide betrekking op de interne keuken van de Kerk. Ten eerste wordt er een algemene kuisheid geëist bij alle geestelijken die een wijding ontvingen. Het gebod van de kuisheid zal dus niet alleen meer gelden voor de bisschoppen, maar ook voor de priesters en diakens. Wie niet in celibaat kan leven, zal worden opgesloten in een niet nader bepaalde instelling.
De tweede en tevens laatste canon bepaalt dat de prelaten er over moeten waken dat de kerkjes in hun bisdom leefbaar blijven. Als de inkomsten van het patrimonium van een bepaalde kerk het onderhoud van een priester niet toelaten, dan moet daar een diaken aangesteld worden. En als dat zelfs nog niet lukt, dan moet er toch op zijn minst een koster zijn.
Huesca, 598
Van dit concilie is slechts een kleine tekst overgeleverd die zelfs niet onderverdeeld is in canones. De behandelde materie bestaat slechts uit één onderwerp: de discipline van de clerus. Daarover wordt bepaald dat iedere bisschop al zijn geestelijken ieder jaar bijeen moet roepen om hen de disciplinaire regels duidelijk te maken en uit te zoeken of er niets kwaads over hen gezegd wordt. Er moet ook onderzocht worden of ze geen overspel plegen met vrouwen “de quibus fama percurrit”[63].
Barcelona II, 599
Dit provinciale concilie, net als het voorgaande afkomstig uit Tarraconensis, heeft ons vier canones nagelaten. Deze hebben alle te maken met misbruiken in de Kerk.. Vooreerst mag men niets aanrekenen voor het ordineren van geestelijken (c.1) en evenmin voor het geven van chrisma aan de priesters (c.2). Leken kunnen niet tot bisschop gewijd worden, op geen enkele wijze. Zijn er leken die toch bisshop willen worden, dan moeten zij eerst de cursus honorum van de Kerk doorlopen. Nadien kunnen zij eventueel middels verkiezing door geestelijken en volk van het bisdom tot bisschop aangesteld worden (c.3).
Wanneer heilige maagden vrijwillig of onder dwang trouwen, en nadien niet uit eigen beweging die huwelijksstaat verlaten, dan worden zij en hun echtgenoten voor eeuwig in de ban van de Kerk geslagen(c.4).
Toledo, 610
Van dit concilie zijn er geen eigenlijke canones overgeleverd en het werd evenmin als afzonderlijk concilie bewaard. Bij het twaalfde concilie van Toledo zijn echter een decreet van koning Gundemarus en een beschikking van bisschoppen van de provincie Carthaginensis ingesloten die het vermoeden van een concilie ten tijde van voornoemde koning doen vermoeden. Verdere literatuur bevestigt dit[64].
Het is niet zomaar een concilie. In het decreet stelt de koning uitdrukkelijk dat hij wil dat Toledo officieel als metropool van de provincie Carthaginensis erkend zou worden. In de tekst staat duidelijk dat Toledo reeds eerder als metropool erkend was, maar blijkbaar moeten er toch enkele problemen gerezen zijn, daar de aanspraken van Toledo op de titel van metropool hier in bijzijn van de bisschoppen van de provincie extra in de verf gezet worden. Het decreet werd bovendien mede ondertekend door de metropoliet van Sevilla, Isidorus, de metropoliet van Mérida, en vierentwintig ‘gewone’ bisschoppen, niet afkomstig van de provincie van Cartagena[65].
De handtekens van de bisschoppen worden gevolgd door de beschikking van de bisschoppen van de provincie Carthaginensis zelve. Daarin bepalen zij inderdaad dat zij de bisschop van Toledo volledig als hun metropoliet zullen aanvaarden. Vervolgens de handtekeningen van vijftien bisschoppen van de voornoemde provincie[66].
Egara, 614
Dit concilie, het allerkleinste ons overgeleverd, is enkel een bevestiging van Huesca, 598. Bovendien wordt bepaald dat alle bepalingen betreffende priesters ook voor bisschoppen gelden.
3. Het stempel van Isidorus van Sevilla.
De aartsbisschop van Sevilla, Isidorus, heeft niet alleen blijk gegeven van zijn literaire kwaliteiten, maar ook van zijn wetgevende interesse. Dit blijkt zeker uit het concilie van Sevilla van het jaar 619 waarvan hij de voorzitter was. Van alle provinciale concilies is dit het enige waarvan de weerslag meer dan vierduizend woorden beslaat[67]. Het is in dit verband ook interessant dat het uitgebreidste nationale concilie, Toledo IV uit 633 eveneens door Isidorus werd voorgezeten[68].
Sevilla II, 619
De canones van dit concilie slaan alle op intern kerkelijke zaken. Bij dit concilie krijgen we trouwens een duidelijk beeld van het concilie als tribunaal voor kerkelijke geschillen[69]. Dat blijkt reeds uit de eerste canon. Het betreft een grensconflict tussen de bisschop van Málaga, Teudulfus en zijn collegae van de bisdommen Écija, Elvira en Cabra. Teudulfus beklaagt er zich bij het concilie over dat tijdens de militaire operaties tegen de Byzantijnen grote delen van zijn bisdom bij de voornoemde bisdommen gevoegd werden. Nu zijn bisdom volledig onder gezag van de Visigotische koning valt, eist hij dan ook dat de gebieden die voorheen integraal deel uitmaakten van zijn bisdom teruggegeven worden. De bisschoppen gaan daarmee akkoord en vragen dat er onderzocht wordt welke gebieden deel uitmaakten van het bisdom Málaga, en dat deze landsdelen dan opnieuw aan de jurisdictie van Málaga worden toevertrouwd.
Een ander conflict betreffende ‘een zekere kerk’ ontstond tussen de bisschoppen van Écija, Fulgentius, en van Córdoba, Honorius. Wie de eisende partij is, kan uit de canon niet opgemaakt worden. Het concilie maakt met dit geschil dan ook snel korte metten: blijkt uit onderzoek dat de parochie waarover sprake is, behoorde tot de verweerder, dan is het probleem opgelost; blijkt daarentegen dat de parochie oorspronkelijk tot het bisdom van de eiser behoorde, dan nog blijft zij onder jurisdictie van de verweerder, omdat er reeds een termijn van dertig jaren verlopen was. De bisschoppen doen een beroep op de seculiere wetten en pauselijke besluiten om hun beslissing te staven: als er over usurpatie van een bepaald gebied binnen de dertig jaar geen klacht komt, dan is er nadien geen verhaal meer mogelijk[70].
De verdere bepalingen hebben betrekking op de onderhorigen van de Kerk zelf en niet op de door hen beheerde goederen en gebieden. Dat er wel eens iets mis kon lopen met de geestelijken is overduidelijk. De geestelijkheid van Baetica vormt daarop geen uitzondering.
Geestelijken moeten onder hun bisdom blijven ressorteren en mogen zich niet zomaar tot een andere bisschop wenden of zich in een ander bisdom vestigen. Dit wordt ons duidelijk gemaakt aan de hand van het geval van Ispassandus, een priester van het bisdom van Itálica, die zich wendde tot de Kerk van Córdoba. Het concilie bepaalt voor dit specifieke geval, en verder in het algemeen, dat iedere geestelijke die zich tot een ander bisdom wendt, onmiddellijk aan zijn oorspronkelijke bisdom ‘teruggegeven’ moet worden. De bisschop of beschermheer die weigert aan deze oproep gehoor te geven, wordt dan ook geëxcommuniceerd totdat de weggelopen geestelijke terecht is. Die geestelijke mag zich trouwens verheugen op een tijdelijk – gedwongen – bezoekje aan een of ander klooster. Interessant in dit opzicht is dat er verwezen wordt naar seculiere wetten betreffende landbouwkolonisten (c.3)[71].
Het concilie neemt akte van het feit dat er in Écija mannen tot priester of diaken gewijd werden die getrouwd zijn met weduwen. Zoiets kan niet. De vraag blijft of dit te maken heeft met de plicht voor geestelijken tot celibatair leven, of met het feit dat er weduwen bij betrokken zijn. Waarschijnlijk zal het echter een combinatie van beide elementen zijn; onze bisschoppen houden rekening met alles (c.4).
Het wijden van diakens en priesters roept ook problemen op voor het bisdom Cabra. De diaken Anianus doet het verhaal aan het concilie dat de (vorige?) bisschop een priester en twee diakens niet kon wijden omdat die bisschop ‘verhinderd werd door pijn aan de ogen’[72]. Dus legde de bisschop de geestelijken enkel de handen op, en liet het eigenlijke wijden over aan een of andere priester.
Zulk een euveldaad kan voor de bisschoppen van het concilie natuurlijk niet door de beugel, daar de kerkelijke hiërarchie duidelijk verbroken wordt. Daarom zouden ze graag die priester verhoren en veroordelen, ware het niet dat de man reeds overleden was en aan het oordeel van God overgeleverd. Een menselijk tribunaal kan dus niet meer over die man oordelen. De conclusies van dit voorval is echter wel dat die drie geestelijken, abusievelijk door de overleden priester gewijd, hun wijding kwijtspelen en hun ambt niet meer mogen waarnemen, echter niet zonder degelijke rechtspraak (c.5)[73].
In het kader van een passende rechtspraak kunnen we ook de volgende canon plaatsen. Daar wordt immers melding gemaakt over de onrechtvaardige afzetting van priester Fragitanus, van Córdoba, door zijn bisschop. Het concilie herstelt de man in de waardigheid van zijn ambt en vaardigt enkele algemene bepalingen uit. Daarin wordt het onrechtmatige handelen van sommige bisschoppen gehekeld, en wordt bepaald dat, hoewel bisschoppen de macht hebben om in hun eentje priesters aan te stellen, zij de macht niet hebben om in hun eentje een geestelijke af te zetten. Willen zij een geestelijke afzetten, dan moeten zij die geestelijke aanklagen voor een conciliair tribunaal. Dat tribunaal moet de aanklacht grondig onderzoeken alvorens een uitspraak te doen (c.6).
Agapius, reeds overleden, maar eertijds bisschop van Córdoba, stond de priesters van zijn diocees toe om bij zijn afwezigheid altaren op te richten en kerken in te wijden, ‘quod quidem non est mirum id praecepisse virum ecclesiasticis disciplinis ignarum et statim a saeculari militia in sacerdotale ministerium delegatum’[74]. Om te vermijden dat in het vervolg nog misverstanden ontstaan over wat een gewone priester nu wel of niet mag, geven de bisschoppen ons een lijstje mee. Het is priesters verboden: priesters, diakens en maagden te wijden; altaren op te richten, te zegenen en te zalven; kerken en altaren in te wijden; de Heilige Geest in te roepen bij het opleggen van de handen; chrisma te maken; met het chrisma te zalven; iemand tijdens de mis opnieuw in de gemeenschap op te nemen; officiële brieven te versturen; in het bijzijn van een bisschop het baptisterium te betreden of een kind te zalven; boetelingen opnieuw in de gemeenschap op te nemen zonder toestemming van de bisschop; en in aanwezigheid van een bisschop het sacrament van de eucharistie te voltrekken, het volk te onderrichten, de gelovigen te zegenen, te groeten en aan te sporen (c.7).
Dat de Kerk niet steeds op welwillendheid kon rekenen mag blijken uit het geval van de vrijgelatene Eliseus. Deze voormalige slaaf van de Kerk had het gemunt op de bisschop die hem vrijliet. Door middel van vergif wou hij namelijk de gezondheid van de bisschop danig ondergraven. En wat erger is, hij veroorzaakte blijkbaar serieuze schade aan zijn patronale kerk. Zulk een ondankbaarheid voor de pas verkregen vrijheid laat de bisschoppen geen andere optie dan de recent vrijgelatene opnieuw te degraderen tot slaaf. Uiteraard, enkel ter wille van het behoud van de misdadiger (c.8)[75].
De kerkelijke goederen worden niet alleen aangetast door ondankbare ex-slaven, maar evenzeer door bisschoppen die het blijkbaar nodig achten om hun economen uit de lekenstand te kiezen. Dit kan volgens de bisschoppen niet, want heeft Mozes niet gezegd: “Non arabis in bove simul et asino”[76]? Mensen van verschillende standen kunnen geen ambt bekleden binnen eenzelfde structuur. De economen zullen voortaan uit de geestelijkheid aangeduid worden. Doen de bisschoppen toch anders, door een leek te benoemen, of erger, door zelf econoom te spelen, dan zal hij niet alleen door Christus schuldig bevonden worden wegens wanbeheer van de goederen van de armen, maar ook door het concilie (c.9).
Op vraag van de abten van de provincie garandeert het concilie eeuwige bescherming en veiligheid voor de kloosters. Want sommige bisschoppen slagen er in (of het zou zich in de toekomst kunnen voordoen) om het al te bont te maken door kloosters te ontmantelen en op te heffen. Voor het concilie kan dit uiteraard niet, en moeten zulke onverlaten uit hun ambt en de christengemeenschap gezet worden en voor eeuwig geëxcommuniceerd worden. Bovendien moet een daartoe speciaal bijeengeroepen concilie het klooster met al zijn goederen herstellen (c.10).
De geestelijken verenigd op het concilie vinden mannenkloosters trouwens de geknipte instanties om bescherming en bijstand te verlenen aan vrouwenkloosters. Ze moeten daarbij allerlei taken op zich nemen, maar er moet wel aan enkele voorwaarden voldaan worden. Zo mag een monnik zonder de toestemming van de abdis niet verder komen dan het poortgebouw van het klooster. Als hij toegelaten wordt in het klooster, dan mag hij nooit met een non alleen zijn, er moeten minstens twee nonnen zijn, en liefst drie. De reden is uiteraard dat ‘quod etiam dictum nefas est’ vermeden moet worden[77]. De monnik mag hen niet vaak bezoeken en hij mag niet al te lang met ze praten, maar hij moet hen wel helpen met problemen, hen begeleiden en spirituele raad geven.
Onder de monniken moet er één aangeduid worden die reeds beproefd is en zijn waarde bewezen heeft, om de goederen van het vrouwenklooster te beheren. De abt kiest hem uit en de bisschop moet akkoord gaan met de keuze. Deze monnik zal instaan voor de landelijke en stedelijke bezittingen van de nonnen en moet hen ook die zaken verschaffen die ze nodig hebben zodat ze zich enkel aan hun goddelijke contemplatie en hun taken moeten wijden. Uiteraard, voor de bescherming, goedheid en prestaties die hun broeders hen leveren, geven de nonnen graag iets in de plaats: voor de kloosters die hen bijstaan zullen zij voortaan de kledij vervaardigen. En wie deze verordeningen niet gehoorzaamt, wordt natuurlijk in de ban van de Kerk geslagen (c.11).
Het zuiden van Spanje, grofweg de provincie Baetica, was en bleef een kruispunt van culturen. Tijdens de vroege Middeleeuwen stond deze streek nauw in contact met het gehele Middellandse Zeegebied[78]. Zo komt het dat dit concilie melding maakt van een vreemde Syriër die zich bij de bisschoppen meldde. Deze man verzekerde bisschop te zijn en als zodanig de ketterse leerstellingen van de acefalen aan te kleven[79]. Wat de redenen zijn voor zijn reis naar en verblijf in Spanje krijgen we niet te horen; de bisschoppen interesseren zich enkel voor zijn ketterij en het succes dat ze met die man boekten. Na lang aandringen, het aanvoeren van vele bewijzen en uitgesponnen discussies waren de Visigotische geestelijken er immers in geslaagd om de man te overhalen zijn ketterse leerstellingen te verlaten en de ware leer van de katholieke Kerk te omarmen (c.12).
De kwestie rond deze bekeerde acefale bisschop zorgde ervoor dat het concilie ook nog gedurende ruime tijd doorboomt over het dogma van de twee naturen in de persoon Christus. Het is een uitermate lange tekst en neemt met ongeveer 3087 woorden liefst 63% van de schriftelijke neerslag van dit concilie in beslag. Daarin tracht men met citaten uit de bijbel en de Kerkvaders aan te tonen dat het katholieke geloof het bij het rechte eind heeft, en dat het dogma van de twee naturen in de ene persoon Christus niet uit de lucht gegrepen, maar juist de enig mogelijke en ware conclusie is (c.13)[80].
Toledo IV, 633
Dit concilie kunnen we met recht en reden het belangrijkste concilie van de Visigotische periode noemen. Het is de start van de institutionalisering van het concilie als wetgevende, controlerende en consultatieve vergadering in de Visigotische wereld[81]. De concilies die nadien plaatsgrepen, verwezen steeds naar dit concilie als hun basis en uitgangspunt. Het is dan ook het meest omvangrijke concilie, met de meeste wetten (75 canones), en ook het grootste aantal woorden. Dat dit concilie een duidelijk kerkelijke inslag heeft, moge blijken uit het feit dat 61 van de 75 canones een of ander aspect van het kerkelijke leven behandelen.
De eerste canon is meteen een bevestiging van het katholieke geloof als het enig zaligmakende. Een heel theologisch discours wordt aangewend om dit duidelijk te maken, en inherent worden de geloofspunten duidelijk bepaald.
De liturgie en het kerkelijk leven staan nog niet helemaal op punt, en dit wil men nog wat bijschaven met accurate regels. In het verlengde van canon 1, waarin geponeerd werd dat het katholieke geloof het enig zaligmakende is, en dat dit geloof ondeelbaar is, wordt in de tweede canon geëist dat in gans Spanje en Gallië een en dezelfde rite van tel zou zijn. Verscheidenheid van rite zou immers snel kunnen leiden tot de idee dat een bepaalde provincie afvallig geworden is, en daardoor zou de Kerk maar een mal figuur slaan in de ogen van haar tegenstrevers.
Om verscheidenheid en verdeeldheid uit te roeien beschikt de Kerk echter over een krachtig instituut: het concilie zelve. Dat de organisatie van dit instituut zowel op nationaal als provinciaal vlak behoefte heeft aan spelregels is duidelijk. Deswege vaardigt het concilie enkele bepalingen uit, die hun nawerking kennen tot diep in de Middeleeuwen[82].
Net zoals tijdens het concilie Toledo III, wordt hier bepaald dat gezien de omstandigheden er slechts éénmaal per jaar samengekomen moet worden[83]. Maar de geestelijken, rechters en ‘potentes’ moeten dan ook effectief samenkomen. Om daarvoor te zorgen kan de metropoliet aan de koning vragen om een ‘executor’ aan te stellen. Het provinciale concilie zal immers fungeren als tribunaal waarbij bisschoppen, rechters, ‘potentes’ en om het even wie voor hun wandaden aangeklaagd kunnen worden. In tegenstelling met Toledo III, waar de dag voor samenkomst werd vastgelegd op 1 november, wordt die nu verlegd naar 18 mei, in volle lente, ‘quando herbis terra vestitur et pabula germinum inveniuntur’[84]. Deze canon bepaalt verder dat zaken van algemeen kerkelijk belang zoals vraagstukken rond het geloof, op een nationaal concilie behandeld moeten worden (c.3).
Bovendien vaardigt dit concilie een lange canon uit, met als opschrift ‘Formula qualiter concilium fiat[85], het befaamde ‘ordo de celebrando concilio’. In deze vierde canon wordt omstandig beschreven hoe een concilie nu eigenlijk hoort te verlopen. Op de eerste dag, voor het krieken van de dag, moet iedereen de kerk waar het concilie plaats zal grijpen, verlaten. Alle ingangen van de kerk worden afgesloten, behalve diegene waarlangs de bisschoppen zullen binnenschrijden. De deurwachters houden allen de wacht bij die ene ingang. Daar verzamelen ook alle bisschoppen opdat ze samen de kerk kunnen betreden en hun zitplaatsen innemen. Vervolgens worden die priesters binnengelaten die om één of andere reden aanwezig mogen zijn. Nadat die priesters plaatsgenomen hebben, mogen ook de aangeduide diakens de kerk betreden. De bisschoppen moeten in een kring zitten. Achter hen nemen de priesters plaats, eveneens gezeten. De diakens daarentegen moeten blijven rechtstaan, zodat ze in het vizier van de bisschoppen blijven.
Wanneer de geestelijken aldus plaats genomen hebben, mogen ook de uitgekozen leken binnengaan. Onder deze leken bevinden zich de notarissen die nodig zijn om voor te lezen en nota te nemen. Ten slotte worden de deuren gesloten.
Aldus in langdurige stilte gezeten, en ‘cor totum habentes ad Deum’[86], zegt plots een diaken: ‘bidt’, en allen werpen zich ter aarde. Na lange tijd ‘cum fletibus atque gemitibus’ gebeden te hebben, staat een oudere bisschop op die het gebed des Heren zegt, terwijl de rest op de grond blijft liggen. Wanneer iedereen op het gebed met amen geantwoord heeft, zegt de diaken: ‘Staat op’. Als de conciliegangers opnieuw plaatsgenomen hebben, neemt de diaken, die een albe draagt, het boek waarin de canones staan, en leest die bepalingen voor die betrekking hebben op het vieren van concilies. Vervolgens spreekt de bisschop hen toe: ‘Ecce, sanctissimi sacerdotes, recitatae sunt ex canonibus priscorum patrum sententiae de concilio celebrando; si qua igitur quempiam vestrum actio conmovet, coram suis fratribus proponat’.
Indien iemand dan gewag maakt van een probleem dat tegen de canones ingaat, dan moet het concilie over dit probleem beraadslagen tot er een oplossing uit de bus komt. Wanneer er iemand van buiten de kerk, zij het een leek of een clericus, een probleem wil aankaarten, dan moet hij dat laten weten aan de aartsdiaken van de metropolitane kerk. Deze aartsdiaken maakt de boodschap over aan het concilie dat de klager de toestemming geeft om zijn klacht uiteen te komen zetten.
Geen enkele bisschop mag de vergadering verlaten voor het einde, en dat einde mag er niet komen voordat alle problemen behandeld werden. Bij het einde moeten de akten overigens door iedere bisschop persoonlijk ondertekend worden, opdat men zou geloven dat God zelf zich onder de bisschoppen bevond, daar de kerkelijke zaken besloten werden op een rustige wijze, ver van alle tumult (c.4).
Verdeeldheid in de Kerk komt vooral tot uiting wanneer het gaat om de dag voor het vieren van Pasen. Dit feest is het meest fundamentele gegeven in de christelijke liturgie. Verdeeldheid over zulk een fundamenteel feest wordt dan ook aangezien als nefast voor het gezag en de macht van de Kerk. Daarom roepen de bisschoppen een consultatiesysteem in het leven, waarbij de metropolieten drie maand voor de Epifanie, via brieven, met elkaar een datum voor het paasfeest afspreken. Nadien moeten de metropolieten deze datum tijdig mededelen aan hun suffragaanbisschoppen (c.5).
Een rituele gebeurtenis die ten zeerste met het paasfeest verbonden was, is de doop. Via de doop kan een buitenstaander toetreden tot de christelijke gemeenschap. Dit is een ritueel dat men in iedere christelijke kerk kent. En toch roept dit fundamenteel sacrament in Spanje hevige reacties op, daar de arianen gewend waren aan de drievoudige onderdompeling, en daar dit ook de officiële wijze van handelen was in de Roomse Kerk, dus ook bij de katholieken in Spanje onder ariaans bestuur[87]. Om de verwijzingen naar het arianisme volledig te bannen, opteren de bisschoppen uiteindelijk voor de enkelvoudige doop. Om dit aanvaardbaar te maken (in katholiek Spanje was namelijk ook de drievoudige doop overheersend), gebruikt men de autoriteit van de reeds jaren overleden paus Gregorius de Grote, en men bouwt een solide theologisch discours op. Het probleem wordt opgelost door te verwijzen naar God. Er is immers slechts één God, maar er zijn wel drie goddelijke personen, dus, zo redeneert men, enkelvoudige of drievoudige onderdompeling zijn slechts twee aspecten, twee veruitwendigde vormen, van een en dezelfde entiteit (c.6).
We blijven in dezelfde paassfeer. Pasen en de ermee verbonden doop veroorzaakten discussie, maar ook goede vrijdag. Sommige geestelijken achtten het blijkbaar niet noodzakelijk om die dag te vieren, en hielden de poorten van de kerk gesloten (c.7). Bovendien vond men vasten op die dag een absoluut nutteloze ‘bezigheid’(c.8). Op een aantal plaatsen –blijkbaar vooral in Galicië[88]– heeft men ook de betekenis van de paaswake niet goed begrepen: dán moet men de godslamp en de paaskaars zegenen en ontsteken, om de verrijzenis van Christus te anticiperen. Dit tegendraads handelen strijkt natuurlijk regelrecht tegen de haren van de bisschoppen in, die streng manen om de kerkelijke geboden betreffende de paastijd te onderhouden (c.9).
Aan Pasen wordt veel aandacht besteed, maar ook andere liturgische momenten en gebruiken worden van naderbij behandeld. In zekere zin nog aansluitend bij de sfeer van Pasen, is de bepaling dat men tijdens de vasten het halleluja niet mag zingen, en dat men zich ook werkelijk van vlees moet onthouden (c.11). De ordening van de verschillende onderdelen van de mis ligt de bisschoppen ook na aan het hart. Men moet de heer niet loven na het epistel (ofte voor het evangelie), maar onmiddellijk na het evangelie (c.12). Enkele priesters waarderen blijkbaar de kerkelijke bepalingen niet, en slaan het canonieke gebod, dat men iedere dag het Onze Vader moet bidden (c.10), duchtig in de wind. Wie daar voortaan nog op betrapt wordt, zal berecht worden, en zijn waardigheid verliezen.
Een wezenlijk onderdeel van iedere kerkelijke dienst is het zingen van hymnen en psalmen. Toch wijzen enkele priesters de hymnen af, omdat men een aantal hymnen niet terug vindt in de Heilige Schriften. Deze hymnen zingt men aan het einde van de psalmen en luiden als volgt: “Gloria et honor Patri et Filio et Spiritui Sancto in secula seculorum” en “Gloria in excelsis Deo et in terra pax hominibus bonae voluntatis”. Diegenen die vanaf nu echter deze hymnen verwerpen, zullen geëxcommuniceerd worden (c.13). Een bepaalde hymne, genaamd “hymnus trium puerorum” moet zelfs in iedere mis gezongen worden (c.14). Bovendien moet men op het eind van de psalmen niet zomaar “Gloria Patri” zeggen, maar wel “Gloria et honor Patri”, zo willen het immers de Schriften bij monde van David en Johannes de Evangelist (c.15). Het gloria moet ook gezegd worden aan het eind van blijde responsoria (c.16). Gelijklopend met het niet aanvaarden van bepaalde hymnische formules, weigeren sommige priesters om het bijbelse boek Apocalyps als goddelijk geïnspireerde literatuur te beschouwen. Iedereen wordt voortaan echter verplicht om het te aanvaarden, en om er uit voor te lezen van Pasen tot en met Pinksteren (c.17).
In de Spaanse Kerk bestond ook een veelvoud aan rituele ordening van het hoogtepunt van de mis: de eucharistie. Vanaf nu wordt er echter bepaald dat de priester eerst het zondagse gebed moet uitspreken, daarna het volk en het brood en de wijn zegenen, en pas dan de hosties uitdelen. Ook wordt er een vaste orde vastgelegd over wie waar ter communie mag en moet gaan: de bisschoppen en levieten voor het altaar, de clerus in het koor, en het volk buiten het koor (c.18).
De geestelijkheid zelve wordt ook ruimschoots behandeld. Daarbij komen de kerkelijke structuren in al haar facetten, met wijdingen en machtsuitoefening, alsmede het gedrag van de geestelijken aan bod.
Hoe moeten geestelijken gewijd en aangesteld worden? Er zijn uiteraard verschillende stappen in dit proces, waarbij men een kerkelijke cursus honorum moet doorlopen om uiteindelijk de hoogste wijding te ontvangen. De wijding tot het hoogste ambt, bisschop, stelt dan ook het meeste problemen: het is een zeer gegeerde positie. Daarom bepalen de bisschoppen dat hun opvolgers vrij moeten zijn van een aantal kenmerken, wat de weg tot het episcopaat duidelijk omlijnde, en in zeker opzicht nauwer maakte. Niet toegelaten zijn: misdadigers, zij die in opspraak gebracht werden, zij die openbaar bekenden een vergrijp gepleegd te hebben, ketters, zij die de ketterse doop ontvingen en zij die herdoopt werden, gehandicapten, gehuwden, zij die ooit met een vrouw trouwden die geen maagd was, ontuchtigen, slaven, neofieten en wereldlijken, soldaten, zij die verbonden zijn aan het koninklijke hof, ongeletterden, zij die jonger zijn dan 30 jaar, zij die de kerkelijke ambten niet doorliepen, intriganten, zij die hun postje willen kopen, en tenslotte diegenen die door hun voorganger werden aangeduid. Bovendien moet de nieuwe bisschop gekozen worden door de clerus en het volk van de stad waar hij bisschop zal zijn. Daaraan moet dan nog eens de goedkeuring van de metropoliet en zijn collega’s suffraganen gehecht worden. De nieuwe bisschop wordt gewijd in een kerk die de metropoliet aanduidt, en daar moeten op zijn minst drie bisschoppen aanwezig zijn, waaronder liefst de metropoliet. Komt de metropolitane zetel vrij, dan moet de nieuwe metropoliet echter verplicht gewijd worden in een kerk van de metropool. De bisschoppen die niet aanwezig kunnen zijn, moeten bovendien een brief sturen, waarin ze verklaren akkoord te gaan met de aanstelling van de bisschop in kwestie (c.19).
Geestelijken moeten ook aan enkele kwaliteiten voldoen alvorens tot priester gewijd te kunnen worden. Hierbij gaat men vooral uit van de levenservaring die zij kunnen opdoen. Daarom moeten zij minstens 25 jaar zijn om tot leviet en 30 jaar zijn om tot priester gewijd te kunnen worden. Als zij die leeftijd bereikt hebben, hebben ze al een zekere levensweg afgelegd en kan men daaruit nagaan of zij wel waardig zijn voor een kerkelijk ambt (c.20).
Voordat bisschoppen en priesters aangesteld kunnen worden, moeten zij dus aan enkele voorwaarden voldoen, maar ook nadat zij aangesteld zijn, moeten zij aan een zeker patroon beantwoorden. De Kerk eist van haar bedienaren gehoorzaamheid aan de interne regels, en een voorbeeldig leven. Dit houdt in dat elke vorm van seksuele relaties verboden is, zowel voor bisschoppen (c.21) als voor priesters, diakens (c.23) en parochiepriesters (c.27). Bovendien moeten er mensen zijn die kunnen getuigen over de kuisheid van de levenswandel van de geestelijken. Deze getuigen wonen bij voorkeur bij de bisschop en de andere geestelijken in (c.22 en c.23). Van de parochiepriesters eist men slechts dat zij een gelofte afleggen in handen van de bisschop; een effectieve controle op het platteland is niet mogelijk (c.27). Op die manier ontstaat er een systeem van sociale controle dat de bedienaren van de Kerk, en bijgevolg de Kerk zelf, moet vrijwaren van iedere vorm van blamage. Om zulk een vorm van uitgebreide sociale controle aanvaardbaar te maken, wil men er de priesters vanaf het begin vertrouwd mee maken. Neofieten laat men in een gemeenschappelijk huis samenleven, onder toezicht van een waardige ouderling, die hen onderricht in de leer, en hen ver moet houden van al wat ruikt naar wellustigheid. Bevindt zich onder de neofieten een wees, dan staat deze, samen met zijn goederen, onder rechtstreeks beschermheerschap van de bisschop (c.24).
Discipline kan men uiteraard slechts van iedereen verwachten, indien iedereen ook de spelregels kent. Daarom eist men ook van de bisschoppen, die moeten toezien op het gedrag van hun onderhorige geestelijken, dat zij de canones en de heilige Schriften kennen (c.25). Men kan deze eis kaderen in de algemene eis tot geletterdheid van de bisschoppen, en binnen een kerkelijke idee die tot heden voortleeft: ‘ignorantia mater cunctorum errorum’[89]. In dit geheel kan men ook canon 26 plaatsen, waar men verlangt dat de priesters van rurale kerken bij hun aanstelling een rituaal meekrijgen, ten einde de riten correct uit te voeren.
Een zwaar vergrijp, waar men niet zomaar aan voorbij kan gaan, bestaat hierin dat geestelijken, van iedere stand, die toch wel geacht worden om de dragers te zijn van de ene ware religie, zich richten tot heidenen. Sommige clerici voelden zich blijkbaar zo onzeker, dat zij een toevlucht zochten bij magiërs, tovenaars, waarzeggers, zieners, voorspellers en nog andere beoefenaars van occulte praktijken. Als men voortaan een geestelijke betrapt op een van deze onbetamelijke praktijken, dan wordt hij uit zijn ambt ontzet (c.29).
Wanneer nu blijkt dat een geestelijke zijn taken niet naar behoren vervult, dan kan hij afgezet worden door een concilie. Komt men na verloop van tijd echter te weten dat de geestelijke in kwestie ten onrechte afgezet is, dan kan men hem herbevestigen in zijn ambt, volgens zijn waardigheid en de gangbare riten (c.28)[90].
Een apart onderdeel van de kerkelijke wetgeving vormt de beschrijving van de bisschoppelijke prerogatieven en de uitoefening van de bisschoppelijke macht. De belangrijkste taak van een bisschop bestaat er natuurlijk in om zijn christelijke volgelingen te hoeden en te beschermen, vooral de armen. Ze vervullen hierin een belangrijke taak, want als zij merken dat de rechters en de machtigen de rechten van de armere bevolking in gedrang brengen, dan moet de bisschop dit onmiddellijk mededelen aan de koning (c.32). De bisschop kan ook in dienst staan van de koning, maar moet zich dan wel houden aan de regels die hem door de Kerk opgelegd zijn. Een koning kan een bisschop vragen om een rechtbank voor te zitten en recht te spreken, maar het kerkelijke recht staat dit enkel toe indien er tenminste geen doodstraf in de maak is. Zal de beklaagde toch ter dood veroordeeld worden, dan mag de bisschop zich niet beschikbaar stellen om recht te spreken (c.31). Bisschoppen die een diocees aan de grens beheren, kunnen bovendien in opdracht van de koning een diplomatieke rol vervullen, wat de Kerk toelaat. Maar, zij mogen geen buitenlandse gezanten ontvangen buiten het gezag van de koning om (c.30).
Wat ook ressorteert onder de bisschoppelijke macht, maar er niet altijd tegen bestand is, is het kerkelijke bezit. In de vroege Middeleeuwen was de Kerk, als een van de erfgenamen van de keizerlijke fiscale gronden, een ware grootgrondbezitter. Dit bezit wilde men steeds vermeerderen, en trachtte men zo goed en zo kwaad als het kon te verdedigen tegen usurpatoren die het maar niets vonden dat de ‘doodse’ Kerk al die middelen in handen had. Zelfs in eigen rangen bevonden zich een aantal individuen die de kerkelijke goederen aanwendden ter vermeerdering van de persoonlijke rijkdom. Vooral de bisschoppen, die de machtsmiddelen in handen hadden, profiteerden van hun positie om zichzelf te verrijken en daardoor een groter prestige te laten toekomen. Enkelen gaan daarin zoverre dat zij door hun inhaligheid gehele parochies van hun middelen beroven, zodat daar zelfs geen priester meer kan wonen om de diensten voor te gaan. Opdat de parochies zouden blijven voortbestaan, mogen de bisschoppen voortaan, zoals reeds in de oecumenische concilies bepaald werd, slechts een derde van de inkomsten uit offeranden, cijnzen en opbrengsten opeisen voor hun persoonlijk gebruik (c.33).
De inkomsten van een bisschop hangen af van zijn parochies, en hij heeft er dus alle belang bij om zoveel mogelijk (liefst rijke) parochies te hebben. Het geharrewar van het einde van het Romeinse Rijk, en de lange overheersing door arianen, maakten het mogelijk dat de kennis over de territoriale kerkelijke indeling van Spanje gedeeltelijk teloor ging. Dientengevolge kwam het vaak voor dat parochies in de grensstreek wisselden van bisschop. Met de bekering tot het katholicisme van de Visigoten krijgt de Kerk opnieuw de kans om zich toe te leggen op haar eigen ordening. Ook de territoriale structuren krijgen opnieuw aandacht, en worden geherdefinieerd naar Romeins model. Zo kwam men tot de vaststelling dat vele parochies onder het ‘verkeerde’ gezag ressorteerden. Vele bisschoppen wilden daarom de reorganisatie strikt doorvoeren, en eisten hun teloorgegane gebieden opnieuw op. Daardoor ontstonden vele conflicten, en een oplossing drong zich op. Het concilie ging er voortaan van uit dat de inkomsten uit een parochie, die reeds dertig jaar in handen waren van een en hetzelfde diocees, onder dit diocees bleven (c.34), maar dat de inkomsten van een nieuwe kerk, die op zulk een grondgebied opgericht zou worden, toekwamen aan de bisschop in wiens diocees officieel het grondgebied lag (c.35). Men gaat er immers van uit dat het halen van inkomsten uit ‘vreemd’ grondgebied, ook al duurde dit meer dan dertig jaar, niet gelijkstaat aan het bezit van de jurisdictie over dat grondgebied[91]. Bisschoppen die er echter op een of andere manier toe bijgedragen hebben dat de bezittingen van een ander diocees toenamen, moeten daarvoor beloond worden, zeker indien het hen beloofd was (c.37). Bijzondere aandacht verdienen ook leken die de Kerk materieel bijspringen. Het concilie gaat er namelijk van uit dat de Kerk alle armen moet bijstaan, maar dat het des temeer geldt voor diegenen die eerst iets aan de Kerk schonken, maar nadien in armoede vervielen (c.38). Om de bisschoppelijk taak wat te verlichten, staat het concilie toe, dat het beheer van kerkelijke goederen gedelegeerd kan worden aan een econoom. Deze econoom moet een geestelijke zijn (c.48).
Als beheerder van de goederen, moet de bisschop ieder jaar een reis maken langs al zijn parochies. Zo kan hij zien wat de lokale noden zijn, en tegelijkertijd biedt dit hem de kans om de levenswandel van de clerici te controleren (c.36).
Op rondreis door zijn diocees krijgt de bisschop te kampen met velerlei vormen van oncanoniek gedrag, dat kan gaan van onbedoelde overtredingen tot bewust tegen de regels in gaan. In sommige streken zijn de diakens blijkbaar zo overmoedig, dat zijzelf het eerste koor opeisen en de priesters verwijzen naar het tweede (c.39), en bovendien durven zij het aan om twee stola’s te dragen, wijl dit zelfs den bisschop verboden is (c.40.)! Het uiterlijke kenmerk bij uitstek van de geestelijkheid is de tonsuur. In Spanje bestonden twee vormen van tonsuur: in het ene geval liet men veel haar staan, en scheerde men enkel een cirkelvormig gedeelte weg, in het andere geval scheerde men bijna alles weg, behalve een cirkelvormig bosje haar. De eerstgenoemde praktijk, die nog veel voorkwam in Galicië, doet te veel denken aan de ariaanse ketters, en daarom eist het concilie dat voortaan de andere methode gebruikt zou worden (c.41).
Een probleem waar Kerken van alle tijden mee te kampen hebben, is de verplichting en gelofte tot celibatair leven en het al dan niet naleven van deze regel. Om te verkomen dat een geestelijke op verkeerde gedachten komt, mogen bij hem geen vrouwen inwonen die geen directe familie zijn (c.42). Betrapt men een geestelijke op een verhouding of affaire met een vrouw, dan wordt de vrouw verkocht, en de clericus moet boete doen (c.43). Lagere clerici mochten blijkbaar wel trouwen, mits toestemming van de bisschop; trouwen zij echter met een weduwe, een verstotene of een hoer, dan moet de bisschop hen scheiden (c.44).
Dat geestelijken niet alleen geestelijke, maar ook wereldlijke aspiraties hebben, bleek reeds uit het voorgaande. Dat dit zich niet enkel beperkte tot het seksuele, mag blijken uit wat volgt. Geestelijken die de wapens opnemen tijdens een of andere opstand, moeten opgesloten worden in een klooster, wanneer men hun wandaden ontdekt (c.45). Blijkbaar zijn er ook clerici die het niet zo nauw nemen met grafschennis. Wanneer zij hierop betrapt zouden worden, dan moeten zij verwijderd worden uit de kerkelijke rangen, opdat de civiele overheid hen ter dood zou kunnen veroordelen (c.46). De wereldlijke handelingen die geestelijken verrichten, geschieden echter niet altijd uit vrije wil. Een nieuw besluit bepaalt daarom dat zij voortaan niet meer opgeroepen kunnen worden om een openbaar werk te verrichten (c.47).
Een aparte klasse binnen het kerkelijke bestel vormen de monniken. Wanneer een monnik intreedt, en zijn geloften aflegt, persoonlijk of bij monde van zijn ouders, dan kan de persoon in kwestie nooit terug keren naar de seculiere wereld (c.49). Dat geldt ook voor seculiere geestelijken die monnik willen worden, en een bisschop mag zich niet verzetten tegen de wens van een priester om een heiliger leven te gaan leiden (c.50). De macht van de bisschop over de kloosters en hun bewoners is trouwens beperkt: de bisschop mag de monniken aansporen tot een beter leven, hij mag de abt en andere functionarissen aanduiden, en hij mag corrigerend optreden wanneer de regel overtreden werd (c.51). Wat men allerminst kon dulden zijn zwervende monniken. Sommigen lopen weg uit het klooster, en vestigen zich niet alleen in de seculiere wereld, maar durven het ook nog eens aan om te trouwen! Deze onverlaten – wanneer men ze vindt – kunnen op geen genade rekenen, en moeten in het klooster van herkomst levenslang boete doen (c.52).
Buiten de kerkelijke structuren vindt men in de Visigotische maatschappij nog een aantal groepen die speciaal de aandacht van de Kerk trekken. Zo zijn er groepen religieuzen, die ergens gevestigd zijn of rondtrekken, die niet passen binnen het traditionele schema van reguliere en seculiere geestelijkheid. Dit – in kerkelijke ogen – probleem van oncontroleerbare groepen lost men op door de bisschoppen, in wier territoria zij zich bevinden, te verplichten om hen ofwel in kloosters te stoppen, ofwel als seculiere geestelijken op te nemen (c.53).
Een andere maatschappelijke groep waar de Kerk interesse voor toont, maken geen deel uit van de geestelijkheid, maar vormen toch een te onderscheidene sociale entiteit. In de eerste plaats gaat het hier om de boetelingen. Met deze term duidt men hier die personen aan, die publiek boete doen, en de uiterlijke kenmerken van de geestelijkheid aannemen, zonder evenwel een wijding te ontvangen. Zij mogen niet meer terugkeren naar het wereldlijke leven (c.55), wel ligt er voor hen een kerkelijke loopbaan in het verschiet, tenminste als zij bij het ontvangen van het sacrament van de boete zeiden dat ze een zonde bedreven hadden, maar deze niet concretiseerden (c.54). Ten tweede zijn er specifieke groepen van religieuze vrouwen: weduwen en heilige maagden, en vrouwelijke boetelingen. Deze vrouwen mogen evenmin terugkeren naar het wereldse leven (c.55). Er is echter een wezenlijk verschil tussen seculiere en religieuze weduwen: religieuze weduwen kunnen onder geen enkel beding opnieuw trouwen (zij namen immers een religieuze kledingswijze aan), wijl seculiere weduwen dadelijk na de dood van hun man te kennen gaven dat zij later eventueel wel nog eens zouden willen trouwen, wat hen dan ook vrijstond (c.56).
De grootste maatschappelijke groep waar de kerk meende extra aandacht aan te moeten besteden, waren de joden. De Visigotische geestelijkheid vindt dat zij bekeerd moeten worden. Men mag daarbij echter niet tot geweld verleid worden. De joden moeten de vrije keuze krijgen om zich te bekeren. Het concilie verzet zich hierbij uitdrukkelijk tegen de gedwongen bekeringen ten tijde van koning Sisebut[92], maar het zegt wel dat die bekeringen geldig waren, en niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden. Daarom moeten alle joden die zich uit vrije wil of gedwongen bekeerden, verplicht worden te geloven en aan de katholieke feesten deel te nemen (c.57). De joden handelen echter niet op eigen houtje: door hulp van christenen, zelfs van geestelijken en bisschoppen, blijven zij afvallig van het katholieke geloof, en volharden zij in de boosheid van hun heidense geloof. Christenen die in het voordeel van de joden blijven handelen, zullen dan ook uit de kerkgemeenschap gezet worden, en zullen voor eeuwig verdoemd blijven (c.58). Bekeerde joden die trouwens hun oude geloofspraktijken opnieuw aankleven, en zich bovendien vergrijpen aan het toepassen van de besnijdenis, moeten door de plaatselijke bisschop gestraft worden. Besneden ze hun kinderen, dan worden deze van hen gescheiden en aan goede christenen toevertrouwd om hen op te voeden; betrof het slaven, dan worden deze onmiddellijk vrijgelaten, ter compensatie voor hun verminking (c.59). Men gaat zelfs nog een stapje verder: bekeerde joden mogen niet meer in het gezelschap van oude geloofsgenoten verkeren. Betrapt men hen hierop, dan worden ze gestraft, en de ongelovigen worden in het openbaar slagen toegediend (c.62). Om de homogeniteit van de samenleving te versterken, en de joden uit te schakelen, wil de Kerk dat voortaan de kinderen van joodse ouders aan hun ouders ontnomen worden en dat zij bij christelijke ouders geplaatst worden om er een christelijke opvoeding te krijgen (c.60). Deze praktijk mag er echter niet toe leiden dat de kinderen geen recht meer zouden hebben op de goederen van hun natuurlijke joodse ouders (c.61). In de praktijk was de situatie uiteraard veel complexer, en waren er reeds vele gemengde huwelijken tot stand gekomen. Daarover namen de bisschoppen het besluit dat kinderen uit dergelijke huwelijken automatisch de katholieke godsdienst als geloof opgelegd kregen. De ouder die tot de joodse gemeenschap behoorde, moest zich bekeren ten einde het huwelijk te laten voortbestaan (c.63). Nog enkele andere bepalingen aangaande de joden: ze mogen geen openbaar ambt waarnemen (c.65), ze mogen geen christelijke slaven bezitten (c.66), en bekeerde joden verliezen hun recht om te getuigen als zij hun plicht aan de katholieke godsdienst verzuimden (c.64).
Een andere groep welke de speciale aandacht van de Kerk opriep, zijn de vrijgelatenen, vooral die vrijgelatenen die voortkomen uit kerkelijke rangen en liberti die door derden aan het beschermheerschap van de Kerk werden toevertrouwd. Om als slaaf van de Kerk vrijgelaten te kunnen worden, moet er eerst aan enkele voorwaarden voldaan worden. De Kerk is bovenal een machtig instituut dat angstig waakt over zijn bezittingen. Een slaaf wordt ook gerekend tot het kapitaal van de Kerk, en heeft zo een economische waarde, en vormt een basis voor de kerkelijke macht. Indien een bisschop nu een of meerdere slaven vrij wil laten, dan moet dat gecompenseerd worden met een goed, een gift of een aantal slaven met dezelfde waarde als de slaven die men vrijlaat (c.67), zoals bepaald volgens de aloude canones (c.69). Voldoet de bisschop niet aan deze voorwaarde, dan valt de vrijgelatene opnieuw onder het onzalige juk van de slavernij (c.67). Bovendien blijft de vrijgelatene met zijn bezittingen en nageslacht onder het beschermheerschap van de Kerk (c.69), met verplichtte corvees en gehoorzaamheid, waaraan hij zich niet kan onttrekken. Tracht hij dat toch, dan moet hij voor de bisschop een verklaring afleggen waarin hij zijn onderdanigheid aan de Kerk en zijn oorsprong als kerkelijke slaaf erkent (c.70). Onttrekt de vrijgelatene zich effectief aan het gezag van de Kerk mits hulp van derden, dan vervalt zijn vrijlating (c.71).
Wil de bisschop die hem vrijlaat daarentegen de dubbele waarde van de ex-slaaf compenseren, en gaat het concilie van zijn provincie daarmee akkoord, dan moet dit concilie een geschreven document ter bevestiging van de volledige vrijlating afleveren, en dan is de vrijgelatene volledig vrij, en is hij niet langer verplicht tot corvees. Zulk een vrijgelatene is er evenwel toe gehouden om de Kerk nooit aan te klagen of met een bezwarend getuigenis te lasteren (c.68).
Ook andere instellingen en particulieren laten slaven vrij. In sommige gevallen vertrouwen zij die vrijgelatenen toe aan het beschermheerschap van de Kerk. De bisschoppen zijn er dan ook toe gehouden om de vrijheid van die mensen te waarborgen en ervoor te zorgen dat zij ten volle over hun peculium kunnen beschikken (c.72). Dit kapittel leert ons waarschijnlijk ook iets over de inhoud van het beschermheerschap van de bisschoppen ten aanzien van de kerkelijke vrijgelatenen: hun vrijheid vrijwaren tegenover derden, en hun peculium beschermen.
Vrijgelatenen van derden kunnen trouwens kerkelijke ambten waarnemen, maar dan moeten zij wel volledig vrijgelaten zijn, en niet meer gebonden aan hun heer door een of andere verplichte dienst (c.73). Indien de Kerk het nodig acht, kan men trouwens ook kerkelijke vrijgelatenen wijden. Zij moeten echter ook volledig vrijgelaten zijn alvorens zij een kerkelijke waardigheid kunnen bekleden (c.74).
Het laatste kapittel van dit concilie, kapittel 75, is van politieke aard om de koninklijke positie te ve