Visies op de maatschappij in de Vroege Middeleeuwen: Het wereldbeeld van de Visigotische kerkelijke elite (589-711). (Frank Van Den Steen)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

I. Inleiding

 

De Visigoten zijn een vaak vergeten volk wanneer we het hier te lande over de geschiedenis van Europa hebben. Geschiedenisboekjes verwijzen er haast terloops naar, als de Visigoten al niet onderaan, bij de voetnoten belanden. Die onbekendheid heeft heel wat te maken met de beperktheid van de bronnen. Het is een vaststaand feit dat de bronnen niet overvloedig aanwezig zijn, en wanneer ze aanwezig zijn niet altijd even mededeelzaam zijn. Voor ons is de geschiedenis van het Iberische schiereiland trouwens iets wat verder van ons verwijderd ligt. Onze historici interesseren zich meestal slechts voor de geschiedenis van dat schiereiland wanneer zij de onze raakt of wanneer zij een belangrijke factor in de Europese of mondiale gebeurtenissen wordt.

En toch bieden Spanje en Portugal vele mogelijkheden voor het historische onderzoek. Een van die boeiende episodes is de Visigotische periode. Het is een lange periode, die een aanvang neemt ergens tussen 454 en 456 na Christus en tot een plots einde komt in het jaar 711. Die periode valt dan nog eens uiteen in twee delen met als scharnierdatum het jaar 589. In dat jaar werd een Visigotisch concilie gehouden dat de bekering van deze bevolkingsgroep tot het katholicisme moest bekronen. De eigenlijke bekering had waarschijnlijk enkele jaren voordien plaats, maar gezien de rol die de concilies nadien in het Visigotische tijdperk zouden vervullen, wordt naar dat eerste glorierijke concilie verwezen als baken voor een tijdperk.

Voor 589 waren de Visigoten officieel arianen en leefden zij daardoor min of meer gescheiden van het hen onderhorige Romeinse deel van de bevolking. Wat de neerslag daarvan was op het politieke, maatschappelijke en intellectuele leven, is niet meer te achterhalen. Bij de bekering van de Visigoten werden alle ariaanse documenten verbrand, en de hele periode is sowieso slecht gedocumenteerd.

En toch, vele Spaanse auteurs en vorsers van andere nationaliteiten hebben zich gewaagd aan de studie van de Visigoten. Het weinige wat ons nagelaten werd door de Visigoten heeft aanleiding gegeven tot talrijke geschriften, die op zijn minst een of ander aspect(je) van de Visigotisch geschiedenis belichten. Waarom er nog een aan toevoegen?

De concilies nu, die onze belangrijkste bron van informatie zijn voor de geschiedenis van de Visigoten in de zevende eeuw, hebben aanleiding gegeven tot heel wat studies, polemieken en theoretische beschouwingen. De concilies werden beschouwd als een ware politieke instantie, als een voorbeeld van ware politiek voor de enen, als een voorbeeld van de meest schandelijke vermenging van de belangen van Kerk en Staat voor de anderen. Nog anderen lichten er vooral de godsdienstige aspecten uit, in tegenstelling tot diegenen die enkel oog hebben voor de bijzonder harde aanpak van de joden door de Visigotische bisschoppen en koningen.

De manuscripten van de concilies zelf leenden zich zeer goed tot kritische studies van de teksten en tot het uitgeven van kritische en minder kritische uitgaven. Ook zijn er studies verschenen die mooi de inhoud van de concilies, concilie voor concilie, weergeven, maar zich niet wagen aan interpretaties.

Gezien de vele werken, reeds verschenen en door menigeen gelezen, wat hebben wij daar nog meer over te zeggen? Laat ons zeggen dat we ten stelligste hopen dat wat we hier neerschrijven helpt om de Visigotische geschiedenis uiteindelijk beter te kunnen kaderen. Onze bronnen zijn zoals bij haast iedere studie over de Visigoten, de voornoemde concilies. Kunnen wij uit die bronnen iets meer puren dan wat er al uit gepuurd werd? Wij zijn de eersten om dat te betwijfelen, maar misschien kan de lezing van de concilies zonder al te veel achtergrond, en nadien opgevuld met gegevens uit secundaire literatuur, een meer onbevangen beeld scheppen. Wellicht is het belangrijkste nog om dezelfde, reeds gekende gegevens, anders te ordenen. En niet een geschiedenis van de Visigoten schrijven. Evenmin een geschiedenis van de concilies of de Visigotische Kerk. Misschien moeten we eerder trachten te evoqueren hoe het leven toen was.

Evoqueren, allemaal goed en wel, maar leidt dat ergens toe? En vooral: hoe, wat en wie? We keren terug naar onze bronnen: de concilies. Geschreven door en voor bisschoppen en geestelijken. Geschreven in het Latijn voor de kerkelijke elite. We hebben dus te maken met een beperkte groep van mannen die kunnen lezen en schrijven. Uit hun geschriften kunnen wij misschien trachten te destilleren hoe zij de wereld zagen en ervoeren. Om tot zulke conclusies te komen, moeten we ons natuurlijk baseren op de bronnen, maar het zal evenzeer nodig zijn secundaire literatuur op de bronnen te betrekken en het gezond verstand zijn werk te laten doen.

 

 

II. Probleemstelling

 

Vooraleer met de eigenlijke licentiaatsverhandeling te starten, wordt hier een overzicht gegeven van de onderzoeksvragen waarop dit schrijven een antwoord probeert te geven.  Men kan dit onderzoek opdelen in vijf grote stukken, waarbij binnen elk deel een aantal vragen werden gesteld.

Het eerste deel kan vooral gezien worden als een beknopte introductie in de geschiedenis van de Visigoten. Alvorens immers de eigenlijke vragen van deze verhandeling trachten te beantwoorden, is het nodig om een duidelijk zicht te krijgen op het kader van de ruwe historische feiten. Daarbij komen vooral de politieke aspecten van de Visigotische geschiedenis aan bod.

            Met het tweede deel wordt het eigenlijke onderzoek aangevat. De vragen die daar gesteld worden zijn die naar de aard van de bronnen. Wie schreef de concilies, onze bronnen? Waar en hoe werden ze overgeleverd? We gaan daarbij vooral uitgebreid in op de uitgave van de bronnen die voor deze studie gebruikt werd. Ten slotte wordt ook nagegaan hoe we deze bronnen onder handen zullen nemen.

In het derde deel gaan we naar de bronnen zelf toe. We lezen de concilies met het methodologische kader, zoals dat in het voorgaande deel werd uitgewerkt, in het achterhoofd en geven reeds een eerste aanzet tot interpretatie. Dit in chronologische volgorde en concilie per concilie. Hier komt eveneens het eerste deel om de hoek kijken: de concilies kunnen immers geplaatst worden binnen het geschetste historische overzicht.

Kwamen in het derde onderdeel vele details aan het licht in een chronologische en haast continue stroom, dan wil het vierde een poging zijn om aan de hand van hetzelfde methodologische kader een eerder statische visie te geven van de onderwerpen die de concilies beroeren. Welk beeld krijgen we van de verschillende onderdelen van de samenleving als we de concilies allemaal op een hoop gooien?

Tenslotte zal het vijfde en laatste deel een antwoord willen geven op de grondvraag van deze licentiaatsverhandeling: hoe ziet de wereld van de Visigotisch kerkelijke elite er uit? Wat blijft er in die wereld onveranderd en wat is nieuw? Wat zijn de principes van die wereld van de Visigotische bisschoppen?

 

 

III. Kort historisch overzicht

 

De bedoeling van dit korte historische overzicht is om de lezer, die meestal niet echt vertrouwd is met de verafgelegen geschiedenis van de Visigoten, wat achtergrondinformatie te verschaffen. Er dient meteen op gewezen te worden dat de geschiedenis van de Visigoten voor een groot deel in mysterie gehuld is bij gebrek aan bronnen. Het is dan nog vooral de politieke, militaire en bovenal kerkelijke geschiedenis die gekend is. De maatschappelijke, culturele en sociale geschiedenis van de Visigoten is slechts via omwegen kenbaar[1]. Dat over de maatschappelijke aspecten van de Visigotische maatschappij haast niets te kennen valt, hoeft ons misschien niet te verbazen, maar het is best interessant te zien dat vooral de geschiedenis van de Kerk gekend is. Dit is voornamelijk te wijten aan de aard van de bronnen die ons overgeleverd zijn: concilies en geschriften van geestelijken. Het zijn bovendien diezelfde documenten die ons (beperkte) informatie geven over de politieke, militaire en maatschappelijke aspecten van de geschiedenis van de Visigoten in Spanje.

In deze korte historische schets zal de lezer dan ook vergeefs zoeken naar informatie over het dagelijkse leven van de Visigotische koningen, edellieden of bisschoppen, laat staan van de contemporaine Jan-met-de-pet. Het is eveneens een kort overzicht daar het geenszins de bedoeling is om de gehele Visigotische geschiedenis in dit werk op exhaustieve wijze te bespreken. Laat er meteen op gewezen worden dat deze Abraham zijn mosterd haalde uit het beroemde werk van E. A. Thompson: The Goths in Spain[2].

Er dient hier eveneens op gewezen te worden dat het woord Spanje in de voorliggende tekst een andere lading dekt dan die welke we heden ten dage gewoonlijk gebruiken. Hier betekent Spanje: die gebieden die door de Visigoten beheerst worden, te weten het huidige Spaanse vasteland – minus enkele noordelijke gebieden waarvan de omvang niet gekend is[3], en de huidige Spaanse overzeese gebieden – samen met Gibraltar, Portugal, en Septimanië, een deel van het huidige Zuid-Frankrijk. Bovendien is dit grondgebied nogal veranderlijk doorheen de tijd: tot ergens in de jaren 620 had Byzantium een groot deel van de zuidoostelijke kusten onder zijn macht[4], en de noordelijke territoria lijken wisselende grenzen gehad te hebben.

 

 

1. De aanloop: de ariaanse koning Leuvigild (568-586).

 

In de geschiedschrijving wordt Leuvigild traditioneel gezien als een van de belangrijkste vorsten van de geschiedenis van Spanje. Dat aan zijn persoon en zijn regering zoveel belang gehecht wordt, is waarschijnlijk te wijten aan het feit dat hij de enige Visigotische koning is waarvan de regeerperiode beschreven wordt in de twee belangrijkste kronieken van die tijd: de ‘Historia vel origo Gothorum Wandalorum Sueborum’ van Isidorus van Sevilla en de ‘Chronica’ van Johannes van Biclarum. Het werk van Isidorus loopt tot het jaar 626, wijl de Chronica zich beperkt tot de jaren tussen 567 en 591. Daardoor beslaat het werk van Johannes enkel de regeerperiode van Leuvigild volledig (568-586). Deze kronieken zijn echter zeer laconiek en vertonen andere gebreken[5]. De Kroniek van de schrijver uit Biclarum wordt algemeen meer gevaloriseerd, maar blinkt nu ook niet echt uit door uitgebreide mededeelzaamheid.

Gelukkig vinden we bijkomende informatie over de Visigoten in de ‘Historiae’ van Gregorius van Tours en andere literaire bronnen. Die verspreide informatie is echter op meerdere punten problematisch en beperkt zich, wat Leuvigild betreft, tot berichten over het beveiligen en uitbreiden van het Visigotische territorium. De grondige herstructurering die Leuvigild in zijn koninkrijk doorvoerde heeft overigens evenmin eigen bronnen nagelaten. De codex die hij uitvaardigde, overleefde de tand des tijds niet en kon enkel gereconstrueerd worden via uitgebreide studie van het Liber Iudiciorum uit het jaar 654.

Maar die herstructurering moest nog even op zich laten wachten want bij het aantreden van Leuvigild verkeerde het Visigotische koninkrijk in een zware crisis: niet enkel grensconflicten met Franken, Sueven en Byzantijnen zorgden voor een permanente staat van oorlog, maar ook verschillende interne tegenstellingen en zelfs rebellieën. Vanaf het begin probeert Leuvigild deze situatie te bekampen door jaarlijks een militaire campagne te organiseren.

Vooreerst zette hij zijn zinnen op de Byzantijnse provincie Spania. Daar kon hij echter niet veel eer mee halen, en na enkele bescheiden campagnes liet Leuvigild de Byzantijnen dan ook met rust. In het jaar 572 kan hij zich eindelijk meester maken van Córdoba. De rebellie van deze stad droeg in hoge mate bij tot de instabiliteit en de crisis van het koninkrijk. De volgende jaren richtte Leuvigild zijn aandacht vooral op de noordelijke regionen van Spanje: enkele kleinere volkeren werden onderworpen, en het rijk der Sueven werd in een onderhorige positie gedwongen. Vermeldenswaard is ook de boerenopstand van 576 in Orospeda, de enige (gekende) plattelandsrevolte uit het Visigotische tijdperk.

In het jaar 579 komt zijn katholieke zoon en troonopvolger, Hermenegild, in opstand. Rond die zelfde tijd vallen de Basken de noordelijke territoria aan, en stoten door tot de Middellandse zee. Deze baskische inval wordt in het jaar 581 bedwongen, waarna de koning zijn aandacht kan richten op het bedwingen van de opstand van zijn zoon.

Deze laatste had zich ondertussen meester gemaakt van de belangrijke steden Sevilla en Mérida, en had bovendien contacten gelegd met de naburige Byzantijnen. De alliantie tussen Hermenegild en de Romeinen uit het oosten vermocht echter niet te weerstaan aan de macht van Leuvigilds leger en geldbuidel: na de Byzantijnen omgekocht te hebben, duurde het slechts tot 584 om de rebellie van zijn zoon de kop in te drukken.

Een jaar later slaagt hij er zelfs in om het Suevische rijk volledig te onderwerpen. Een opstand van de onderworpen Sueven wordt snel overwonnen, en zijn andere zoon, Reccared, verslaat op eclatante wijze het Frankische leger dat Septimanië aanviel. Dankzij een snelle reactie kan Reccared een raid houden op Frankisch grondgebied en zelfs de steden Cabaret en Beaucaire veroveren.

Meerdere daden kon Leuvigild niet meer stellen, want ergens tussen 13 april en 8 mei 586 overleed de koning.

De belangrijkste verwezenlijkingen van zijn koningschap kunnen hier kort vermeld worden. Vooreerst zorgde hij duidelijk voor een sterkere positie van de monarch. Hij voerde een soort hofceremonieel in naar Byzantijns en laat Romeins model, met keizerlijk diadeem en gewaad. Tot voor zijn regering scheen het de gewoonte te zijn dat de koningen zich kleedden zoals iedereen en dat zij voor iedereen toegankelijk waren. Hij is ook de eerste Gotische koning die munt slaat in zijn eigen naam. Voordien sloegen de Visigoten munt in naam van de Byzantijnse keizers en door deze maatregel plaatst hij zich als het ware op gelijke hoogte met deze Romeinse keizers.

Na de lange overgangsperiode sinds Vouillé in 507, wanneer de hoofdstad van het rijk Toulouse was, is Leuvigild de eerste vorst die definitief voor Toledo als nieuwe hoofdstad kiest. In die lange periode, die meestal aangeduid wordt als “van het koninkrijk van Toulouse naar het koninkrijk van Toledo”, was het centrum van het rijk nu eens in deze en dan weer in een andere stad gevestigd. Toledo was reeds hoofdstad geweest onder Athanagild, maar met het aantreden van Liuva I, broer en voorganger van Leuvigild, werd het machtsknooppunt meteen naar Narbonne verplaatst.

De keuze voor Toledo kan vooral verklaard worden vanuit geografisch oogpunt: deze stad neemt een centrale positie in het Visigotische rijk, en ligt op ongeveer gelijke afstand van de belangrijkste vijanden: de Sueven in het westen, de Franken en Basken in het noorden en de Byzantijnen in het zuidoosten. Bovendien is Toledo een gemakkelijk te verdedigen stad, want langs drie zijden omgeven door de meanderende Taag en slechts een klein oppervlak innemend[6].

Aan Leuvigild worden eveneens heel wat wetgevende kwaliteiten toegeschreven. Het staat vrijwel vast dat hij een codex uitvaardigde ter vervanging van de codex van Eurik. Toch is van deze codex niets overgeleverd, zelfs de naam niet. Aan de hand van het Liber Iudiciorum uit de zevende eeuw, hebben historici een reconstructie kunnen maken die de Codex Revisus genoemd wordt. Volgens sommige auteurs is dit de eerste keer dat er in de Visigotische geschiedenis een wetboek wordt uitgevaardigd waarvan de wetten een territoriaal karakter hebben en gelden voor alle inwoners van Spanje[7].

 

 

2. Reccared en de bekering van de Visigoten (586-601).

 

Wanneer de oude koning in 586 komt te sterven, volgt zijn jongste zoon, Reccared, hem op. Reeds in 573 werd deze samen met zijn broer Hermenegild door zijn vader aan de troon geassocieerd, wat een verkiezing tot koning vergemakkelijkte. De kersverse ariaanse koning zat nog geen tien maanden op de troon, of hij liet zich tot het orthodox katholieke geloof bekeren. Dit zal een definitieve wending geven aan de geschiedenis van het Visigotische rijk. Om de bekering van de ganse natie te bespoedigen en vlot te laten verlopen, roept de koning een ariaans concilie bijeen. Het merendeel van de ariaanse bisschoppen aanvaardt de nieuwe religie. Er doen zich slechts drie kleine opstandjes voor: te Mérida wordt de samenzwering ontmaskerd door het doortastende optreden van de wakkere graaf Witterik. In Toledo is er een poging tot paleisrevolutie, met als spilfiguur de moederkoningin Goiswintha, die in verdachte omstandigheden aan haar levenseinde kwam. Tenslotte konden de opstandelingen in Septimanië rekenen op de nabijheid van de Franken om een rebellie uit te lokken.

Eenmaal al deze opstanden de kop ingedrukt waren, roept de koning in 589 een orthodox katholiek concilie samen, beter gekend onder de naam Toledo III, waar we het later uitgebreid zullen over hebben. Dit concilie kan beschouwd worden als de officiële en openbare verklaring van de bekering van de Visigoten tot het katholicisme.

De bekeerde ariaanse clerus mag op post blijven, en kan de eigen relikwieën bij de katholieken ingang doen vinden. Ariaanse kerken en hun goederen gaan integraal deel uitmaken van de officiële orthodoxe structuur. De bekering van de gotische natie tot het katholicisme wordt algemeen als de grootste verwezenlijking van Reccared beschouwd.

Meer feiten en daden uit het leven van Reccared als koning zijn er niet gekend, behalve dan het feit dat de koning naar aanleiding van zijn bekering en de bekering van zijn volk een belangwekkende briefwisseling met paus Gregorius de Grote onderhield. Vermeldenswaard, zeker in het kader van dit werk, is dat er tijdens zijn regeerperiode nog liefst zes kleinere synodes gehouden werden.

 

 

3. Sevilla aan de top en de verdrijving van de Byzantijnen (601-631).

 

In 601 sterft de koning en wordt hij opgevolgd door zijn bastaardzoon Liuva II.  Daar deze een moeder van lage afkomst heeft, kan hij niet rekenen op de nodige steun van de edellieden, en wordt in de zomer van 603 dan ook onttroond, de rechterhand afgehakt en later terechtgesteld. De dader is Witterik, die voorheen reeds de ariaanse samenzwering onthulde. Deze Witterik werd de nieuwe koning, maar van zijn daden is weinig bekend. Hij probeerde de Byzantijnse gebieden te veroveren, zonder al te veel succes en raakte betrokken in een internationaal conflict met de Bourgondiërs over het mislukte huwelijk tussen zijn dochter Ermenberg en koning Theodorik II van Bourgondië. Hij slaagde er bovendien in om de geestelijkheid en een deel van de adel tegen zich in het harnas te jagen. Het mag ons dan ook niet verwonderen dat hij tijdens een banket ergens in april 610 vermoord werd. Daarmee zal hij tevens de laatste Visigotische vorst zijn die op gewelddadige wijze aan zijn einde komt.

De opvolger van de vermoorde Witterik is Gundemarus. Deze vorst heeft niet al te veel op zijn actief, en dat mag ons geenszins verbazen aangezien de onfortuinlijke Gundemarus reeds in 612, vermoedelijk in februari of maart, overleed.

Zijn opvolger, Sisebut, was een fortuinlijker lot beschoren en kon regeren tot hij een natuurlijke dood stierf in 621. Hij voerde heel wat militaire campagnes tegen de Basken en de Byzantijnen. Toch was hij niet belust op oorlog voeren en bloedvergieten, en hield hij zich liever onledig met lezen en schrijven. Isidorus van Sevilla overwoog om hem zijn ‘Etymologiae’ op te dragen, wat hij uiteindelijk niet deed, maar enkele jaren later droeg hij hem effectief het werk ‘De Natura Rerum’ op. Sisebut was een begenadigd schrijver en schreef een gedicht over zons- en maansverduisteringen, het ‘Astronomicum’, naast het werk ‘Vita Desiderii’, een hagiografie waardig hagiografie genoemd te worden maar tevens een waar stukje onvervalste propaganda[8].

Deze koning was zeer religieus, en haast fanatiek met zijn godsdienst bezig. Dit vertaalt zich in een zeer rigoureuze en harde politiek naar de joden toe. Onder impuls van de koning moeten de joden verplicht gedoopt worden, tegen de wil van de Kerk en de joden in. Openlijke kritische geluiden tegen deze gang van zaken horen we niet tijdens het leven van de monarch, maar wanneer hij dood is wordt zijn al te strenge joodse politiek veroordeeld door het vierde concilie van Toledo van 633.

Sisebut kon zich laten opvolgen door zijn zoon Reccared II, maar deze overleed na slechts een paar dagen geregeerd te hebben. Als opvolger werd de energieke Swinthila gekozen. Tijdens zijn tienjarige regeerperiode, van 621 tot 631, zal hij er in slagen om in de eerste jaren van zijn regering op de Basken een klinkende overwinning te behalen en de Byzantijnen van het Iberische territorium te verdrijven. Daar de kroniek van Isidorus stopt in 625 is ons over de latere jaren van Swinthila weinig bekend. In 631 wordt hij afgezet door Sisenand, met behoud van leven.

 

 

4. Een periode van instabiliteit (631-642).

 

Wat we weten over Sisenand is uiterst beperkt, en kennen we vooral via het vierde concilie van Toledo. Vermeldenswaard is dat Sisenand de troon veroverde dankzij de hulp van de Frankische koning Dagobert. Na zijn aantreden had hij echter af te rekenen met vele revoltes in gans zijn rijk, en zag zich daardoor genoodzaakt om het concilie van Toledo, dat gepland was voor het jaar 632, uit te stellen tot laat in het jaar 633. De man was geen lang vorstelijk leven beschoren, want op 12 maart 636 overleed hij.

Ook over zijn opvolgers is bitterweinig geweten. Chintila, die het vier jaar uithield, tot 640, had af te rekenen met hevige rebellies en zocht de steun van de Kerk door twee nationale concilies samen te roepen. Toledo V, het eerste concilie dat hij samenriep, staat volledig in het teken van de monarchie en de politieke situatie.

Chintila wou rebellieën en usurpaties te slim afzijn door zijn zoon Tulga aan de troon te associëren, en onder kerkelijke banvloeken al diegenen te bedreigen die iets tegen zijn nageslacht zouden ondernemen. Het verbale geweld kon er Chindaswinth, een oude samenzweerder, echter niet van weerhouden om via een ultieme usurpatie twaalf jaar van anarchie tot een einde te brengen: in 642 zette hij Tulga af en besteeg zelf de troon.

 

 

5. Chindaswinth en Recceswinth: stabiliteit en hervormingen (642-672).

 

Bij het bestijgen van de troon had Chindaswinth de gezegende leeftijd van negenenzeventig jaar bereikt. De oude koning, die reeds in vele samenzweringen betrokken was geweest, is zich wel bewust van de blijvende dreiging van mogelijke samenzweringen. Daarom laat hij kort na zijn troonsbestijging al diegenen terechtstellen waarvan hij wist dat ze ooit eens tegen een koning hadden samengezworen. Gedurende zijn ganse regeerperiode zou hij niet minder dan 200 Gotische edellieden en 500 burgers naar de dood gevoerd hebben.

Bovendien trachtte hij via allerlei maatregelen de clans die tegen hem ageerden te neutraliseren of voor zich te winnen. De koning liet heel wat goederen confisqueren om ze vervolgens onder zijn getrouwen te verdelen. Bovendien zorgde hij er voor dat de weduwen en dochters van zijn vermoorde tegenstanders huwden met zijn medestanders en clangenoten. Door het invoeren van een verbod op huwelijken tot en met de zesde graad trachtte hij een middel in te bouwen om het vormen van clans en de concentratie van goederen en landerijen te beperken en zelfs te verhinderen.

Chindaswinth heeft het duidelijk niet op de edellieden begrepen, en benoemt zelfs fiscale slaven en vrijgelatenen tot ambtenaar op hoge posten aan het hof. Op die manier hing de koning niet automatisch af van enkel de edelen om te kunnen besturen. Om dezelfde reden zal hij ervoor zorgen dat de bisschoppen meer bevoegdheden krijgen in de administratie. Zo zet hij niet alleen de adel voor een goed deel buiten spel, maar hoopt hij ook een meer effectieve controle op de administratie en tegelijkertijd op de bisschoppen te verkrijgen.

Deze koning moet zich voor zijn beleid echter niet te veel verlaten op de Kerk. Dit menen we ten minste mogen op te maken uit het feit dat hij slechts één nationaal concilie samenroept, vier jaar na zijn aantreden, in 646. Dit concilie is trouwens een van de enige tekenen van welwillendheid tegenover de Kerk. Deze koning streefde er immers naar om de macht van de bisschoppen zoveel mogelijk aan banden te leggen, door restrictieve maatregelen, en door het binden van de bisschoppen[9].

Samen met zijn zoon Recceswinth, die hij aan de troon associeerde op 20 januari 649[10], zorgde hij voor de vernieuwing van de wetgeving en de uitgave van een nieuwe codex. Deze wordt algemeen de Lex Visigothorum of het Liber Iudiciorum genoemd. Dit wetboek is zeer belangrijk: het werd gepubliceerd en bekrachtigd door Recceswinth, en bleef gedurende de rest van de Visigotische periode enorm belangrijk.

Wanneer Recceswinth op 30 september 653 alleenheerser wordt, hebben de nieuwe wetten die zijn vader en hij uitvaardigden, reeds voor een grondige verandering gezorgd van de administratie. Vooral de rechtspraak zelve wordt grondig tegen het licht gehouden, waarbij een oude wet speciaal herhaald wordt die het de rechters verbiedt om recht te spreken in zaken waarover het wetboek niet voorziet. Het probleem moet rechtstreeks voor de koning gebracht worden, die een uitspraak zal doen en desgewenst een nieuwe wet publiceren, in overleg met de hoge beambten en de geestelijken[11].

Het lijkt ook deze koning te zijn die voor een totale verandering zorgde in de lokale administratie. De oude Romeinse instelling van de curia wordt sterk afgezwakt. De bevoegdheden van de leden van de curia worden door de koning verdeeld onder de bisschoppen en de gerechtsdienaren. Door de wetten van Chindaswinth en Recceswinth worden evenzeer de overblijfselen van de Romeinse provinciale structuren afgebroken. De nieuwe wetten zijn trouwens de enig geldige: ieder ander wetboek wordt verboden in de rechtspraak, en zeker het gebruik van de Romeinse wetten wordt scherp veroordeeld.

In het midden van de zevende eeuw lijkt er dus een sterke wind van anti-Romeinse gevoelens door de Visigotische wereld te waaien. Die anti-Romeinse, anti-imperiale gevoelens zijn echter al veel ouder, en terug te voeren tot Isidorus van Sevilla, die de Romeinen zo slecht mogelijk wil voorstellen om de Gotische geschiedenis meer luister bij te zetten[12].

In de lange regeerperiode van Recceswinth, van 20 januari 649 tot 1 september 672, gebeurde er uiteraard nog meer dan enkel het uitvaardigen van een nieuw wetboek. Kort na de dood van zijn vader, kreeg de jonge koning te maken met een opstand uitgelokt door verbannen Visigoten. Meteen na het neerslaan van de opstand, roept de koning een nationaal concilie samen te Toledo op 16 december 653. Opvallend is dat de koning daarbij smeekt om opnieuw over het recht tot het verlenen van gratie te beschikken, net na een opstand. Het was zijn eigen vader geweest die in het concilie dat hij samenriep, alle bisschoppen de eed had laten zweren om voortaan geen enkele verrader meer gratie te verlenen[13].

De lange regering van deze koning zal ongetwijfeld wel getuige geweest zijn van meerdere boeiende gebeurtenissen, maar afgezien van het feit dat we weten dat onder zijn regering nog twee provinciale concilies en één – slecht bezocht – nationaal concilie samenkwamen en dat er ook nog eens oorlog moet geweest zijn, is er bitter weinig geweten over deze ganse periode zoals – we zeiden het reeds – voor de ganse Visigotische periode.

 

 

6. De laatste decennia: crisis (672-711).

 

Na de dood van Recceswinth, werd dezelfde dag nog, op 1 september 672, een nieuwe koning gekozen. De energieke Wamba weigerde eerst, maar stemde uiteindelijk toe zonder de kroon te aanvaarden op de plaats waar de koning overleden was. Pas met de terugkeer van het koninklijke gevolg in Toledo, werd Wamba op 19 september door metropoliet Quiricius gekroond.

Het begin van zijn regering begint meteen onder een slecht gesternte: alle noordelijke territoria staan in vuur en vlam. De koning zag zich genoopt tegen de Basken ten strijde te trekken, en het volgende jaar rebelleerde het gehele cantabrische gebied. Bovendien kreeg de koning tijdens zijn campagne in Cantabrië te horen dat eveneens de provincie Narbonensis ontvlamd was. Als de weerlicht stuurt hij zijn trouwe graaf Paulus naar de opstandige provincie ten einde het noorden in één campagne onder controle te brengen. Onderweg naar de rebellen vat Paulus echter het plan op om de rebellie bij te staan en zichzelf tot koning uit te roepen. Zijn plan lijkt wonderwel te werken, maar Wamba wordt snel op de hoogte gebracht, dwingt door vlugge en wrede acties de Basken op de knieën en rept zich in ijlende vaart naar zijn afvallige graaf. Deze ex-graaf en kersverse koning van Narbonne en een deel van de provincie Tarraconensis, is geen maat voor Wamba, en wordt dezelfde zomer nog gevangen genomen.

Daarmee komt een eind aan de rebellies in het noorden, maar niet aan allerlei gevoelens van haat en misprijzen die de kop opsteken wanneer Gallia Narbonensis ter sprake komt. Wij, aldus Julianus van Toledo, hebben met die Galliërs niet van doen; wij, de stoere Spanjaarden, die hen toch wel steeds komen verdedigen tegen die verdorven Franken, terwijl zij de joden niet aanpakken zoals het hoort, en terwijl zij misschien wel met de Franken samenwerken tegen de Visigoten[14].

Het einde van de regeerperiode van deze koning gaat gepaard met duister gemanoeuvreer van de hovelingen. Uit het twaalfde concilie van Toledo, van 9 januari 681, blijkt dat er iets raars met de koning aan de hand was. Op zondag 14 oktober 680[15], wordt de koning plots dodelijk ziek. De koning onderging het ritueel van de boetedoening, werd als monnik gekleed en werd getonsureerd. Voordat hij zou sterven, worden hem nog twee documenten voor de neus geschoven die hij persoonlijk ondertekende. Deze documenten bepalen dat na de dood van Wamba Erwig koning moet worden, en dat Julianus deze zo snel mogelijk moet wijden. De manier waarop Wamba hier zijn opvolger aanduidt is volledig in strijd met de Visigotische spelregels, zoals bepaald tijdens het vierde concilie van Toledo van 633[16].

Wat echter meer is, Wamba sterft niet. Hij geneest en wil de troon weer bestijgen, maar op het zesde concilie van Toledo werd bepaald dat een boeteling geenszins koning kan zijn[17]. Wamba protesteerde heftig tegen de gang van zaken, en het heeft er alle schijn van dat de bisschoppen wel iets hadden kunnen regelen indien zij wilden, maar dat zij niet ingingen op de smeekbeden van de ex-koning[18]. Of het door de ouderdom, de ingehouden woede, of eventueel moord komt, we weten het niet, maar Wamba overleefde het voorval niet lang en was zeker dood voor 4 november 683[19].

De nieuwe koning nu, Erwig, liet zich kronen op 21 oktober 681. Gedurende de korte, zes jaar durende regeerperiode van deze vorst, kwamen er maar liefst drie nationale concilies samen. Een van deze concilies stond enkel in het teken van kerkelijke problemen, maar de andere twee zijn duidelijk politiek geïnspireerd. Dit wordt vaak geïnterpreteerd als een zoeken naar steun van Erwig bij de Kerk[20], of nog als een samenwerking tussen koning en Kerk om de ware toedracht van de machtswissel te verdoezelen[21].

Deze koning lijkt bovendien volledig te capituleren voor adellijke druk: op 1 november van het jaar 683 scheldt de koning de schulden die eigenaars van slaven aan de belastingen verschuldigd zijn, kwijt. De grootste slaveneigenaars zijn uiteraard de edellieden[22]. Eveneens komt hij de adel tegemoet door rebellen van adellijken bloede algehele amnestie te verlenen. Ook in de aanpassing van de codex van Recceswinth heeft de koning immer zijn adellijke steunpilaren in gedachten[23].

Dit kan er allemaal op wijzen dat de koning niet echt veel vermocht tegen zijn edele onderdanen en een politiek van verzoening en zelfs onderdanigheid moest voeren. Wiens brood men eet, diens woord men spreekt. Maar wie eet wiens brood? Het lijkt er inderdaad sterk op dat Erwig een soort ‘compromiskoning’ zonder al te veel macht was. Bij het aanduiden van een opvolger duidt hij niet een van zijn eigen zonen aan, maar een schoonzoon, lid van een rivaliserende clan.

Deze schoonzoon, Egica, op 14 november 687 aangeduid als opvolger, wordt op 24 november van datzelfde jaar tot koning gekroond[24]. Dat het om rivaliserende clans gaat wordt duidelijk aangetoond door het vijftiende concilie van Toledo. De koning vraagt er expliciet aan de bisschoppen om ontslagen te worden van de dure eden die Erwig hem liet zweren ten einde er zeker van te zijn dat Egica zijn eigen schoonfamilie in raad en daad bij zou staan en zou beschermen. Die eden hielden ook in dat het volk de familie van Erwig trouw moest blijven[25].

De bisschoppen vonden in hun beschikking een compromis tussen de waardigheid van de koning, het algemeen belang en het belang van de familie van Erwig. De koning wordt dus niet ontslaan van zijn eden, maar deze worden wel substantieel aangepast zodat het algemeen belang niet zou kunnen lijden onder het belang van één welbepaalde familie. Egica zal dus volens nolens met zijn schoonfamilie moeten samenleven.

Wat het aantal nationale concilies per koning betreft, spant deze monarch ongetwijfeld de kroon: liefst vier concilies werden gevierd die van ver of dicht een politiek thema aansneden. Die concilies volgen elkaar uiterst snel op: in 688 te Toledo, in 691 te Zaragoza en tenslotte in 693 en 694 opnieuw te Toledo. De eerste twee concilies wijzen op een crisis die met de troonsbestijging gepaard ging, de laatste twee wijzen op latere crisissen.

In 693 ontstaat er een samenzwering tegen de koning. De protagonist van deze samenzwering is de metropoliet van Toledo, een Visigoot, Sisebert genaamd. De man die de samenzweerders op de troon willen krijgen, een zekere Suniefredus, lijkt zelfs gedurende bepaalde tijd Toledo in handen gehad te hebben. Enkele munten wijzen in die richting[26]. De koning bepaalt dan ook dat al wie samenzwoer om hem te vermoorden en het volk schade toe te brengen, uit zijn ambt ontzet zal worden, zijn goederen zal verliezen en slaaf van de fiscus zal worden, evenals zijn nakomelingen. Metropoliet Sisebert wordt door het zestiende concilie van Toledo berecht. De geestelijke wordt geëxcommuniceerd, en verliest al zijn bezittingen[27].

Door de samenzwering van 693 zocht de koning toevlucht tot de bisschoppen. Het zeventiende concilie van Toledo, van 694, laat ons echter zien dat er nog iets “rotten in the state of” de Visigoten is. De uiterst strenge wetten die Erwig uitvaardigde tegen de joden, zorgden ervoor dat deze mensen onder de regering van Egica alsmaar wanhopiger werden. De joden begonnen een samenzwering, ook met joden overzee[28], en misschien speelde ook het nieuws van de naderende Arabieren een rol. Immers, reeds enkele jaren later, in 698 werd Carthago definitief door de Mohammedanen veroverd.

De samenzwering van de joden werd echter tijdig ontmaskerd, waardoor de koning als redder des vaderlands, en vooral als redder van het katholieke Spanje erkend werd. Maar het is misschien wel mede dankzij deze koning dat Spanje voor lange tijd onder Islamitische heerschappij zou vallen. Als repressie laat hij de joden immers deporteren en hen door het concilie van 694 uit al hun rechten zetten. Het is niet ondenkbaar dat de joden de invallers van 710 als bevrijders zagen voor de tirannie die voortduurde onder Egicas opvolgers.

Met het zeventiende Toledaanse concilie als het laatste overgeleverde uit de Visigotische periode en de vele concilies uit de twee voorgaande decennia, verdwijnen meteen de voornaamste bronnen voor de kennis van het einde van de Visigotische geschiedenis[29]. Het einde van het rijk van de Visigoten is aldus in nevelen gehuld. We weten echter dat Egica bleef regeren tot ergens in 702. Reeds op 15 november 700 had hij zijn zoon Wittiza aan de troon geassocieerd. Deze, volgens een chroniqueur uit het jaar 754, milde koning regeerde tot 710. Hij schijnt een politiek van verzoening gevoerd te hebben, echter niet voor de joden.

Na de dood van Wittiza usurpeert een zekere Roderik de troon, gesteund door de adel en hovelingen. Zijn rijk zal echter niet lang duren, want in 711 reeds wordt zijn leger in de pan gehakt door de Arabier Tarik ibn Ziyad. Wat de redenen zijn voor de landing van de Arabieren op Spaans grondgebied is onzeker, maar het is een feit dat de nieuwe meesters van Spanje eerst en vooral een burgeroorlog onder Visigoten moesten bedwingen[30]. Misschien is deze interne oorlog de aanleiding voor de landing van de Arabieren? Misschien was een of andere factie niet akkoord met de usurpatie door Roderik, en begon dus een oorlog tegen deze? En leidde dat er misschien toe dat een van de strijdende partijen buitenlandse hulp inriep zoals bijna een eeuw daarvoor Sisenand de hulp van Dagobert inriep? We weten het niet. Zeker is dat de Visigoten weggevaagd werden, hoewel ze in het noordoosten wisten te overleven. Een zekere Achila kon Roderik opvolgen, maar meer is daar ook niet over geweten[31].

 

 

IV. De documenten: de schriftelijke neerslag van de concilies

 

1. De bronnen en hun overlevering

 

Wat in deze teksten ‘concilie’ genoemd wordt, zou beter ‘schriftelijke neerslag van de concilies genoemd’ worden. Een concilie is immers, strikt genomen, “… een vergadering over geloof, zeden en tucht, waaraan verschillende hoogwaardigheidsbekleders (o.a. bisschoppen) deelnemen”[32]. In het taalgebruik van de vakliteratuur worden met het woord concilie echter ook de conciliaire teksten aangeduid, en dit gebruik wordt hier nagevolgd.

Een interessantere vraag is die naar de overlevering van die vroegmiddeleeuwse teksten. In het voorwoord van de uitgave die hier gebruikt werd, wordt uitgebreid ingegaan op de gebruikte teksten[33]. Vives gebruikte voor zijn uitgave zes handschriften waarvan er drie geschreven zijn in Visigotisch schrift, en de andere helft in Romeinse schrijfstijl.

Als basis voor zijn uitgave gebruikt Vives de Codex Albeldensis, ook wel Codex Vigilanus genoemd, welke bewaard wordt in de archieven van het Escoriaal en opgesteld werd in het jaar 976[34]. Teksten die niet voorkomen in deze codex, werden gehaald uit de volgende handschriften: ten eerste de Codex Aemilianensis, uit het Escoriaal en van het jaar 992, vervolgens de Codex Matritense, manuscript 10041, uit de Spaanse nationale bibliotheek van Madrid, van het jaar 948, ten derde de Codex Gerundensis, uit de Biblioteca Catedral van Gerona, elfde eeuw, ten vierde de Codex Urgelensis, uit het Archivo Catedral van Seo de Urgel, tiende tot elfde eeuw, en tenslotte de Codex Passioneus uit de Biblioteca Angelica te Rome, negende tot tiende eeuw. Voor de tomus van de koning, voorafgaand aan het derde concilie van Toledo, baseerde Vives zich bovendien op enkele teksten van het manuscript H, zoals uitgegeven in de Monumenta Germaniae Historia, Epistolae II.

Die manuscripten die Vives gebruikt, hebben allen, afgezien van hier en daar enkele teksten, hetzelfde gemeen: de teksten die zij bevatten worden algemeen de ‘Hispana’ genoemd[35], een verzameling canonieke teksten. Dit zijn teksten die de kerkelijke discipline willen regelen, waarbij het kan gaan om een bundeling van conciliaire teksten, pauselijke brieven en zelfs bisschoppelijke uitvaardigingen[36]. Het gaat daarbij om teksten die een zekere autoriteit bezitten en waarin de rechter, priester of administrator een oplossing kan vinden voor canonieke problemen die zich voordoen.

Fransen deelt de verzamelingen in volgens de criteria “systematisch” en  “niet-systematisch”. De niet-systematische verzamelingen zijn die welke teksten groeperen die eenzelfde oorsprong hebben. Zij verzamelen in feite de bronnen ontstaan in een bepaald gebied. De keuze van welke teksten verzameld worden, en hoe deze teksten overgeleverd worden, is echter niet zonder problemen en kan zelfs een belangrijke geschiedkundige betekenis hebben[37]. Daar onze teksten voortkomen uit de Hispana, een “niet-systematische” verzameling, worden de “systematische” verzamelingen hier niet besproken.

Die niet-systematische verzamelingen kwamen vooral tot stand tussen de vierde en negende eeuw. De Hispana, ontstaan in de zevende eeuw[38], en zo genoemd omdat ze ontstaan is te Sevilla (Hispalis) in Spanje (Hispania)[39], verzamelt Griekse, Afrikaanse, Gallische en Spaanse concilies[40]. Voor de Griekse en Afrikaanse concilies baseerde(n) de redacteur(s) van de Hispana zich op de verzameling “Dionysiana”, samengesteld te Rome in de vijfde eeuw, en zo genoemd naar zijn auteur, Dionysius Exiguus[41]. Wie echter de auteur is van de Hispana, is onmogelijk te achterhalen. Het staat vast dat de Hispana ten tijde van Isidorus van Sevilla geschreven is, maar het werk toeschrijven aan de bisschop van Sevilla is net een brug te ver[42].

Uit de lijst die Maassen meegeeft in zijn werk, blijkt overduidelijk dat het vierde concilie van Toledo reeds deel uitmaakte van de eerste redactie van de Hispana[43]. In de daarop volgende pagina’s toont hij overtuigend aan dat Toledo IV inderdaad van in het begin deel uitmaakte van die verzameling[44]. Ieder handschrift bevat immers deze concilies als basis. De verdere aanvullingen, vooral met Spaanse concilies is zeer belangrijk daar de verschillende redacties van de Hispana de enige kanalen van overlevering van die Visigotische concilies zijn.

Die Spaanse concilies zijn niet in iedere codex gelijkmatig overgeleverd. Het tiende Toledaanse concilie bijvoorbeeld vertoont een grote verscheidenheid wat overlevering betreft. De zevende canon van dit concilie, die verbiedt om christelijke slaven aan joden en heidenen te verkopen, ontbreekt in de handschriften van Seo de Urgel en Gerona[45]. Bovendien bevat niet ieder handschrift alle concilies. Sommige collecties werden eerder afgesloten, en geven enkele latere concilies niet meer mee.

 

 

2. De publicatie door Vives

 

Wanneer we nu de keuze van Vives confronteren met de kritiek van Maassen op de verschillende handschriften, dan komt die keuze er zeer goed uit. Zo blijkt ook duidelijk dat Vives, door gebruik van zeven verschillende handschriften, alle teksten die in verband staan met de concilies in een band heeft weten uit te geven.

De uitgave van Vives is echter niet zonder problemen. In zijn inleiding zegt hij expliciet dat hij het Latijn van de handschriften, met allerhande fouten tegen de Latijnse spraakkunst, letterlijk overgenomen heeft. Dit stelt ons voor het probleem van de uiterst moeilijke vertaalbaarheid. De auteur onderkende dit probleem echter, en voorzag de tekst van een keurige en verstaanbare Spaanse vertaling. Zo wordt de tekst meer dan verstaanbaar en laat zelfs een snellere lectuur toe dan een uitgave die enkel een kritisch getranscribeerde Latijnse versie zou bevatten. Voor verwijzingen en aanhalingen heeft men dan natuurlijk te maken met een krakkemikkig Latijn, wat soms storend kan werken.

Die zogenaamd letterlijke transcriptie is hinderlijk om nog een reden. In diezelfde inleiding geeft de auteur namelijk toe dat hij níet letterlijk getranscribeerd heeft. Hij geeft toe dat er in die handschriften van rond de tiende eeuw een grote inconsistentie heerst: kopiisten gebruiken in een zelfde tekst zowel antieke schrijfwijzen als lettercombinaties die ontstonden door beïnvloeding van de zich ontwikkelende Romaanse talen. En die inconsistentie wil hij toch opvangen door geromaniseerde vormen opnieuw naar het Latijnse origineel om te buigen. We kunnen het de auteur vergeven, in een streven naar een evenwicht tussen getrouwheid aan het handschrift en leesbaarheid voor de hedendaagse gebruiker. Toch had ik persoonlijk liever ofwel een transcriptie naar het origineel gezien, zonder concessies aan de lezer (die bovendien een vertaling heeft), ofwel een volledig herziene uitgave, met aanpassingen ten einde vlot leesbaar Latijn te verkrijgen.

Kritiek die niet zozeer de auteur als wel de uitgave zelf betreft, is de slordigheid die toch wel hier en daar in de tekst sloop. Wanneer de Spaanse tekst reeds af en toe manifeste schrijffouten bevat, dan kan men zich afvragen hoe het met de Latijnse tekst gesteld is. Een Latijn dat al gecorrumpeerd werd door de afschrijvers uit de tiende eeuw. Op plaatsen waar het Latijn echt slecht, haast onleesbaar is, werd geopteerd voor de uitgave van Mansi[46].

 

 

3. Benadering van de bronnen: de methodologie

 

Wanneer wij de tekst van een Visigotisch concilie ter hand nemen en even doorsnuffelen, dan merken we een veelvoud aan bepalingen, die echter allen een gemeenschappelijke band hebben: het christelijke geloof, de Kerk, de christengemeenschap of nog de kerkelijke belangen. Om de teksten echter beter te begrijpen, kunnen wij niet eenvoudigweg stellen dat alles toch wel christelijk geïnspireerd is, en dus alles op een hoop gooien.

Inderdaad, bekijken wij de concilies met onze hedendaagse kijk op de wereld, dan kunnen we alvast drie grote sferen van belangstelling ontwaren: het kerkelijke, het maatschappelijke en het politieke. Om deze ruwe indeling iet of wat te verfijnen en beter te ondersteunen, werd hier gebruik gemaakt van de methodologie van Hartmann[47], en de aanpassingen op deze methodologie door Vanderputten[48]. Er dient hier echter op gewezen te worden dat we bewust niet geopteerd hebben voor het uiterst verfijnde structurele kader van deze auteurs. Het is immers niet de bedoeling van deze studie om de details van alle canones samen te voegen in een gedetailleerd theoretisch geheel. De bedoeling is net om de lezer in het hoofdstuk waarin concilie per concilie besproken wordt, vertrouwd te maken met de details. En daarop volgend, in het samenvattende hoofdstuk, waarin die vele details samenvloeien, wordt getracht een klein overzicht te geven, volgens de hieronder gegeven structuur:

 

1. De Kerk

         a. Het personeel

         b. Het bezit

         c. De macht

         d. De instellingen

         e. De kernactiviteiten

2. De Maatschappij

         a. De joden

         b. De weduwen, de heilige maagden en de wezen

         c. Heidense gebruiken en relicten

         d. Slaven en vrijgelatenen

3. De politiek

 

Er zij hier meteen ook op gewezen dat het samenvattende hoofdstuk slechts een aanloop is tot een interpretatief hoofdstuk, waarin getracht zal worden om de uiteindelijke vraag van deze studie te beantwoorden: wat is het wereldbeeld van onze Visigotische elite? In welke wereld leven de bisschoppen? Hoe ervaren zij hun wereld?

In vroegere studies wordt steeds gehamerd op het verschil tussen provinciale en nationale concilies. Die verschillen komen tot uiting in de grootte van de concilies, de behandelde thematiek en het aantal neergeschreven woorden. Wat de behandelde themata betreft, valt het meteen op dat politieke kwesties nooit behandeld werden op provinciale concilies.Voor de grootte van de concilies geldt dat de provinciale schaarser bezocht werden: enkel de bisschoppen van één kerkelijke provincie nemen deel aan het concilie, wijl aan de nationale concilies in principe alle bisschoppen van Spanje deelnemen. Tenslotte, het aantal geschreven woorden per concilie verschilt nogal. De nationale concilies hebben over het algemeen een grotere schriftelijke neerslag dan de provinciale concilies. Enkele provinciale concilies worden echter gekenmerkt door een woordenvloed die vergeleken kan worden met die van de nationale.

In deze studie hebben wij getracht op die verschillen te wijzen bij het behandelen van de concilies in hun chronologie. Voor het verdere ‘gebruik’ van de concilies bij het beschrijven van de Visigotische leefwereld, werd van deze indeling echter afgestapt. De strikte verdeling tussen provinciale en nationale concilies brengt immers geen wezenlijke hulp om de uiteindelijke interpretatie te verfijnen.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[1] WOOD, I, Social relations in the Visigothic kingdom from the Fifth to the Seventh Century: the example of Mérida, in: HEATHER, P. ed., The Visigoths. From the Migration Period to the Seventh Century. An ethnographic perspective, San Marino, 1999, p.191-223.

[2] THOMPSON, E. A., The Goths in Spain, Oxford, 1969.

[3] Ibidem, p.2; p.184, alwaar “the Basques” duidelijk omschreven worden als “abroad”.

[4] Ibidem, p.334.

[5] Ibidem, p.7, als volgt over het werk van Isidorus: “As a eulogy of the Goths it may have served some purpose. As a history it is unworhty of the famous savant who wrote it. He could hardly have told us less, except by not writing at all. A few lines on each reign record a few events without cause or consequence. The king has neither personality nor policy. Having learned his name, the dates of his accession and his murder, and a few actions of his with no chronology within the reign, no context and little comment, we pass on to his shadowy succesor”.

[6] MUSSET, L., Las invasiones. Las oleadas germánicas, Barcelona, 1973, p. 170: “Quizás la elección final de Toledo como capital de los Visigodos se explica en parte por el hecho de que este reducto de 5 hectáreas estaba al abrigo de una repetición de la catástrofe del 507, en la cual se habían mostrado indefendibles las 90 hectáreas de la gran muralla de Toulouse”.

[7] ALVARADO PLANAS, J., El problema del germanismo en el derecho español. Siglos VI-XI, Madrid, 1997, p.15-103.

[8] THOMPSON, E. A., o. c., p.163, en MANITIUS, M., Geschichte der Lateinischen Literatur des Mittelalters. Erster Band. Von Justinian bis zur Mitte des Zehnten Jahrhunderts, München, 1911, p.187-188. In dit koninklijke geesteskind worden koning Theodorik II van Bourgondië en zijn koningin Brunhild als de slechteriken voorgesteld die Desiderius ter dood brachten.

[9] THOMPSON, E. A., o.c., p.195-196.

[10] Ibidem, p.199.

[11] Ibidem, p.211.

[12] TEILLET, S., Des Goths à la nation gothique, p.463-472.

[13] THOMPSON, o.c., p.200.

[14] Ibidem, p.227-228.

[15] Ibidem, p.229.

[16] VIVES, J., MARÍN MARTÍNEZ, T., MARTÍNEZ DÍEZ, G., Concilios Visigóticos e Hispano-Romanos (=España Cristiana, Textos, vol. 1), Madrid, 1963, p.217-221.

[17] Ibidem, p.244-245.

[18] THOMPSON, o.c., p.230, “But, if the nobility and the bishops had wanted Wamba to continue his reign, the law could easily have been waived”.

[19] Ibidem, p.231.

[20] Ibidem, p.230.

[21] Ibidem, p.231.

[22] Ibidem, p.233.

[23] Ibidem, p.239.

[24] Ibidem, p.242.

[25] VIVES, J., e.a., o.c., p.450-452 en p.464-468.

[26] THOMPSON, E. A., o.c., p.244.

[27] VIVES, J., e.a., o.c., p.508-509.

[28] THOMPSON, E. A., o.c., p.247.

[29] Ibidem, p.249.

[30] Ibidem, p.250.

[31] Ibidem, p.251.

[32] Summa. Encyclopedie en Woordenboek in kleur, Antwerpen-Utrecht, 1973, 4, p.417.

[33] VIVES, J., e.a., o.c., p.VII-X.

[34] Ibidem, p.XIII.

[35] Ibidem, p.XII.

[36] FRANSEN, G., Les collections canoniques, Turnhout, 1973, p.12.

[37] Ibidem, p.13.

[38] MAASSEN, F., Geschichte der Quellen und der Literatur des canonischen Rechts im Abendlande. T1, Die Rechtssammlungen bis zur Mitte des 9. Jahrhunderts, Graz, 1957, p.215.

[39] FRANSEN, G., o.c., p.16.

[40] MAASSEN, F., o.c., p.678-682, geeft de inhoud van de oudste vorm van de Hispana weer.

[41] FRANSEN, G., o.c., p.18.

[42] MAASSEN, F., o.c., p.697-698

[43] Ibidem, p.682.

[44] Ibidem, p.683-689.

[45] Ibidem, p.705-706.

[46] MANSI, J.D., Sacrorum conciliorum nova et amplissima collectio, partes IX – XII, Florentia, 1762 – 1765.

[47] HARTMANN, W., Die synoden der Karolingerzeit im Frankenreich und in Italien, Paderborn-München-Wien-Zürich, 1989, p.399-451.

[48] VANDERPUTTEN, S., Capitularia en Religie. Het normatieve beleid van de Karolingers inzake Kerk en religie en de conjunctuur van een maatschappelijk discours (c.750-900) (Licentiaatsverhandeling), Gent, 1998, p.48-55.