| De Europese visie op de niet-Europeanen tijdens de verlichting 1687-1800. Casus: de westelijke en zuidwestelijke kuststrook van het Arabisch schiereiland (op basis van reisverhalen/- verslagen). Een geamuseerde neerbuigendheid verdringt huivering? (Pieter Deschoolmeester) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Hoofdstuk 4. DE Europese visie op de westelijke-en zuidwestelijke kuststrook van het Arabisch schiereiland tijdens de verlichting 1687-1800
Hiermee zijn we bij het belangrijkste gedeelte van deze scriptie aanbeland. Op basis van de in de voorgaande hoofdstukken geschetste ontwikkelingen in Europa en de invloed van deze ontwikkelingen op de visie op de buiten-Europese wereld in het algemeen, gaan we na of de geamuseerd neerbuigende en de bewonderende visie, respectievelijk ingegeven door het primitivisme en het exotisme, en de huiverende visie, ingegeven door de vijandige relatie die beide religies sinds de achtste eeuw typeerden, ook terug te vinden zijn in de reisverhalen/- verslagen over de Arabische wereld in het bijzonder, en meer bepaald in deze over de westelijke en zuidwestelijke kuststrook van het Arabisch schiereiland.
Op deze manier bekomen we drie houdingen (huivering, bewondering en geamuseerde neerbuigendheid) die we tegen elkaar kunnen afwegen. In het licht van de veralgemeende stelling van Karen Armstrong, volgens wie de Verlichte Europeanen niet langer huiverden voor de islamitische medemens, maar deze daarentegen bezagen met een geamuseerde neerbuigendheid, gaan we na in welke mate de huiverende en de geamuseerd neerbuigende passages in de reisverhalen/- verslagen zich tegenover elkaar verhouden. Doordat we in deze vergelijking ook de passages betrekken die getuigen van een zekere bewondering, wordt ons de mogelijkheid geboden om haar misschien iets te welomlijnde stellingname te nuanceren. Indien mogelijk gaan we nog na of er voor wat de beeldvorming betreft een verschil waar te nemen was tussen de inwoners van de Jemenitische en de Turkse steden van het Arabisch schiereiland enerzijds, en tussen deze stedelingen en de woestijnarabieren anderzijds.
We
zullen de waardegeladen persoonlijke uitlatingen van onze reizigers trachten te
ordenen rond de vier pijlers die we in het eerste hoofdstuk zeer uitvoerig
hebben toegelicht: de wetenschappelijke,
de religieuze, de politiek-institutionele en de socio-economische en culturele
pijlers. Bij de verantwoording van de passages uit de reisverhalen/- verslagen
die we in deze scriptie hebben opgenomen, zullen we telkens naar deze pijlers
verwijzen. Indien nodig, zullen we daarnaast refereren naar de andere
hoofdstukken van deze scriptie.
Voor wie zich een meer gedetailleerd beeld wil vormen van de in deze scriptie geciteerde reizigers, verwijzen we naar de bijlagen, waarin we de biografieën van elk van deze reizigers hebben opgenomen.
IV.A.1. Begripsbepaling
De historische context waarbinnen we de termen huivering, bewondering en geamuseerde neerbuigendheid gesitueerd en geïnterpreteerd moeten worden, hebben we reeds uitvoerig uiteengezet, de louter conceptuele betekenis ervan bleef daarentegen tot nu toe nog onbelicht. Daarom geven we eerst een korte begripsbepaling.
huivering, angst en afschuw
Het werkwoord huiveren wordt door van Dale op volgende twee manieren omschreven:[210] (1) een rilling voelen (van kou, afgrijzen, enz.) en (2) (voor iets) terugschrikken.
Een sterker woord voor schrik is angst. Deze term kent volgens van Dale drie betekenissen:[211] (1) een gevoel van beklemming en vrees, veroorzaakt door een (wezenlijk of vermeend) dreigend onheil of gevaar, (2) een algemeen gevoel van bedreigdheid of onveiligheid, (3) een kwelling.
De termen huiver, schrik en angst roepen vaak connotaties op met afschuw. Volgens van Dale kan de term afschuw op volgende manieren gedefinieerd worden:[212] (1) een hevig gevoel van afkeer of walging, dat men ondervindt als men geconfronteerd wordt met iets ontzettends, met name op zedelijk gebied, of met personen die zich daaraan schuldig maken, (2) iemand of iets dat een hevige afkeer opwekt.
Bedoeling is de persoonlijke uitlatingen van onze reizigers aan alle emoties die in verband kunnen worden gebracht met angst in de ruimere zin van het woord, te toetsen. Zoals reeds hoger gebleken, moeten we dit ‘angstgevoel’ zien in het licht van de eeuwenlange vijandige relatie tussen het christelijke Europa en de islam. Verder vermoeden we dat de term ‘huivering’ ook in de reisverhalen/- verslagen zal opduiken daar waar de menselijke waardigheid en vrijheid of de Europese morele en esthetische waarden en normen, met voeten werden getreden
geamuseerde neerbuigendheid en spot
van Dale omschrijft het bijvoeglijk naamwoord neerbuigend als volgt: (1) voor minderen tegemoetkomend, met name genadig, maar uit de hoogte, (2) alsof tegenover minderen of (3) uit de hoogte, met voorgewende minzaamheid.[213]
Het werkwoord amuseren krijgt in van Dale volgende betekenissen: (1) vermaken, (2) verstrooien, (3) aangenaam bezighouden, (4) zich diverteren.[214]
De combinatie van deze twee woorden tot geamuseerde neerbuigendheid impliceert met andere woorden een houding waarbij men zich als een meerdere ten opzichte van iets of iemand gedraagt en daar veel genoegen in schept.
Deze ingesteldheid kunnen we eveneens in verband brengen met spotten.[215] van Dale kent dit werkwoord drie betekenissen toe: (1) zich met belachelijk makende of oneerbiedende scherts uiten, (2) de draak steken met, of met belachelijk makende of oneerbiedige scherts bejegenen, of (3) zich niet storen aan, tarten. Het zelfstandige naamwoord spot wordt door van Dale omschreven als (1) de handeling van spotten, (2) de uitdrukking of blijk van spot, of (3) een voorwerp van bespotting.
Uiteraard kunnen we de geamuseerde neerbuigende visie niet los zien van de wetenschapsrevolutie en de daaropvolgende rationeel kritische geest der Verlichting, die voor Europa in de loop van de Moderne Tijden vele nieuwe perspectieven hadden geopend, en evenmin van de idee van het primitivisme.
Bewondering
Het werkwoord bewonderen wordt in van Dale als volgt omschreven: iets voortreffelijks, iets boven het alledaagse, met eerbiedige of goedkeurende verbazing beschouwen.[216] Verder vonden we ook de volgende definiëring terug:[217] ontzag hebben voor.
Hoogstwaarschijnlijk moeten we deze bewondering zien in het licht van het exotisme of de idee van de ‘edele wilde’, zoals we dit eerder in ons bestek hebben toegelicht.
Wel moet gezegd dat de emoties die aan de citaten ten grondslag lagen, op het eerste gezicht vaak dubbelzinnig te interpreteren waren. Daar woorden en zinnen namelijk pas hun specifieke betekenis krijgen in relatie met andere tekstuele elementen waaronder woorden, zinsdelen en zinnen, en eveneens met de bredere uitingssituatie en de ruimere socio-culturele situatie, speelden zowel de literaire als de reële context een fundamentele rol. Uiteraard hebben ook wij deze literaire en deze reële context waarbinnen de hierna volgende citaten moeten worden gesitueerd in acht genomen, ook al kunnen deze tekstfragmenten misschien vaak als geïsoleerde gevallen overkomen.
IV.A.2. Europa en het Arabisch schiereiland
Toen onze reizigers de westelijke kuststrook van het Arabisch schiereiland bezochten, troffen ze er een volk aan met een zeer rijke geschiedenis. Niet alleen was daar de bakermat van de islam te situeren, ook bekleedde dit schiereiland van oudsher een uiterst belangrijke rol in de handel tussen de Indisch- Aziatische, de Oost- Afrikaanse en de Europese ruimte. Zodoende schiep zowel het economisch als het religieus belang van dit schiereiland onvermijdelijk een diametrale band met het Europese continent: enerzijds wekte dit gebied omwille van zijn voor de intercontinentale handel uiterst strategische ligging heel wat jaloezie op bij de Europeanen, anderzijds werd hun belangstelling voor deze contreien evenwel getemperd door de aanwezigheid van de islam.
Alvorens we de reisverslagen/- verhalen analyseren, schetsen we in wat volgt hoe deze religieuze en economische relatie tussen beide cultuurgebieden in de loop der eeuwen is geëvolueerd.
IV.A.2. a. De economische band
Wanneer we er een kaart bijhalen zien we dat het Arabisch schiereiland op het knooppunt ligt van drie continenten: Afrika, Europa en Azië. Het wordt respectievelijk door de Rode Zee, de Perzische Golf en de Sinaïregio van deze continenten gescheiden. Enkel in het noorden is dit schiereiland met de landmassa van voor-Azië verbonden. De Arabieren echter beweren op een eiland te wonen. Dit maken ze hard door te wijzen op het feit dat hun eiland of ‘djazirat al-Arab’ niet alleen langs drie zijden door zeeën -de Perzische Golf, de Indische Oceaan en de Rode Zee- maar in het noorden eveneens door de ondoordringbare Grote Arabische Woestijn omsloten is.
Ze mogen dan wel beweren op een eiland te wonen, zich isoleren van de rest van de wereld hebben de Arabieren nooit gedaan. Een brug vormend tussen de Aziatische, Europese en Afrikaanse wereld speelden ze immers van oudsher een belangrijke rol in de internationale handel. Deze handel betrof zowel uitheemse als inheemse producten.
Tot de uitheemse producten behoorden ondermeer ivoor uit Oost- Afrika, zout en specerijen uit Indië, katoen uit Gujarat of porseleinwaren uit China. Deze producten werden door Indische en Arabisch schepen via de zuidelijke havens van het Arabisch schiereiland geïmporteerd. Van daaruit bereikten ze de Europese markt via de wierookroute, een belangrijke internationale karavaanweg, die liep langs de westkust van het Arabisch schiereiland en die de Jemenitische havens met de wereld van de Middellandse Zee verbond.
Wierook, mirre, Arabische gom, parels, rozijnen, aloë en later koffie en paarden behoorden tot de voornaamste inheemse producten die de Arabieren exporteerden. Deze producten vond men enkel terug in het zuidwesten van het Arabisch schiereiland, want slechts daar heerste er door toedoen van de moessonwinden een tropisch klimaat. Voornamelijk in de maanden juli en augustus veroorzaakte deze wind hevige regenval, waardoor de relatieve vochtigheid in deze streek soms kon oplopen tot 90%. Daarenboven kende zuidwest Arabië een gemiddelde temperatuur van 30° Celsius, en daalde deze zeer zelden onder de 20° Celsius. Al deze factoren maakten de Jemenitische bodem zeer vruchtbaar en uiterst geschikt voor de landbouw.[218]
Reeds sinds het eerste millennium vóór onze tijdrekening deden deze gunstige condities bloeiende handelsrijkjes in de zuidwestelijke regio van het Arabisch schiereiland ontstaan. [219] Het machtigste rijkje was Saba, met als hoofdstad Marib. Enerzijds dankt deze stad haar bekendheid aan een legendarische stuwdam, de dam van Marib, die in de Oudheid als één van de zeven wereldwonderen werd gezien, waarvan de bouw startte in de zesde eeuw voor Christus, en die een oppervlakte van maar liefst duizend hectare land van irrigatiewater kon voorzien,[220] anderzijds wordt de stad Marib nog vaak in verband gebracht met de legende van de koningin van Sheba of Saba. Volgens die overlevering zou de beeldschone vorstin van Saba zich, nadat ze met de Joodse koning Salomon het bed had gedeeld, omstreeks 950 vóór Christus tot het jodendom hebben bekeerd.[221]
Het verbouwen van en de handel in deze landbouwproducten en ook in uitheemse producten, vormden het fundament van de welvaart en voorspoed van de zuidwestelijke Arabische volkeren. Dit wekte al zeer vroeg in de geschiedenis de belangstelling op van andere culturen, waaronder de Romeinen, bij wie Jemen beter bekend stond als ‘Gelukkig Arabië’ of ‘Arabia Felix’. De eerste confrontatie tussen de Europese en de pre-islamitische Arabische cultuur vond plaats onder de heerschappij van Keizer Augustus. Toen vertrok Aelius Gallus, de gouverneur van Egypte, in 25/24 vóór Christus met een leger van 25.000 soldaten naar Jemen met de bedoeling de zuidelijkste punt van de vruchtbare halve maan te veroveren en dit gebied bij het Romeinse Rijk in te lijven.[222] Gebrek aan water en ziekte dwongen de Romeinen echter om zich terug te trekken en af te zien van een verdere uitbreiding van hun Imperium Romanum.[223]
De Romeinen bleven echter niet lang bij de pakken zitten. Na deze beschamende aftocht begon het noordwestelijke deel van het Arabisch schiereiland hun aandacht te trekken, meer bepaald het rijk van de Nabateeërs, dat zich omstreeks het begin van onze jaartelling tot één van de machtigste rijken van het Arabisch schiereiland had ontwikkeld. [224] Deze nomaden leefden oorspronkelijk in de vlaktes van Centraal Azië, maar waren afgezakt naar het bergachtige gebied rond Shera, in het zuiden van het huidige Jordanië. Het economische en culturele hart van het Nabateïsche rijk was Petra, een stad volledig in de rotsen uitgehouwen. Omwille van het rotsachtige landschap stond dit rijk bij de Romeinen beter bekend als ‘Stenig Arabië’. Het was een ondoordringbaar en onvruchtbaar gebied. Landbouw was er haast onmogelijk. Bovendien kende het een continentaal klimaat en werd het in tegenstelling tot Zuid- Arabië voortdurend door watergebrek geplaagd. Rivieren, meren of stromen waren er niet, enkel vond men hier en daar bronnetjes en soms stortbeken.
Toch wenste Rome dit gebied in het Imperium Romanum te integreren, dit niet met het oog op een eventuele bevolkingskolonisatie, maar louter om op deze manier de zo belangrijk geworden handelsroute tussen de Oost- Afrikaanse, Indisch- Aziatische en Europese markt te kunnen controleren. Het Nabateïsche rijk vormde immers de natuurlijke brug tussen deze markten. Vandaar dat Noord- Arabië in 106 na Christus door de Romeinse keizer Trajanus werd geannexeerd. Tevens richtte hij er de Provincia Arabia op.
In de zesde eeuw kwam er echter een einde aan de gewichtige rol die Noord- Arabië tot dan toe op economisch vlak had gespeeld. Allerhande interne en externe verwikkelingen veroorzaakten toen een politiek machtsvacuüm, waardoor de nomadische elementen van de Noord- Arabische bevolking opnieuw vrij spel kregen. Ethiopische invallen en het breken van de dam van Marib, hadden er bovendien toe geleid dat ook Zuid- Arabië in een diepe crisis verkeerde. Hierdoor kon een andere regio van het Arabisch schiereiland, namelijk de Hidjaz, het gebied rond Mekka en Medina, de controle op de uit Indië en Afrika afkomstige handelsgoederen volledig naar zich toe trekken. Het voornaamste centrum van de Hidjaz was Mekka. Deze stad lag niet alleen op een kruispunt van verschillende handelsroutes naar Egypte, Syrië, Jemen en Mesopotamië, ook was ze door de aanwezigheid van het pre-islamitsche heiligdom, de Kaba, uitgegroeid tot het belangrijkste bedevaartcentrum van het Arabisch schiereiland.
Het ontstaan van de islam en de razendsnelle opmars die deze religie in de daarop volgende eeuwen maakte, deed de Europeanen noodgedwongen afzien van hun poging de rol van de Arabische kooplieden als tussenschakel voor de import van Aziatische, Afrikaanse en Indische producten over te nemen. Omdat de bescherming van de eigen grenzen tegen een islamitische overrompeling prioritair was, werd dit plan dan ook op de lange baan geschoven. Zodoende was het wachten tot het einde van de vijftiende eeuw vooraleer zich opnieuw Europeanen naar de tot dan toe relatief onbekende Arabische wateren en landstreken durfden te begeven. In 1487 belastte de Portugese koning Jao II de twee avonturiers Petrus Covillanius en Alfonsus Paiva met de opdracht de Rode Zeekust te verkennen en in kaart te brengen. Alhoewel deze succesvolle missie voor de Portugezen ongetwijfeld nieuwe perspectieven had geopend, konden de verkenningen en ontdekkingen van Covillanius en Alfonsus Paiva slechts op geringe belangstelling rekenen. De omzeiling van het Afrikaanse continent door Bartholomeas Dias eiste in dezelfde periode namelijk alle aandacht op. Bovendien werden de prestaties van beide ontdekkingsreizigers in 1498 opnieuw overschaduwd toen Vasco Da Gama als eerste Europeaan het Indisch subcontinent bereikte.
Voor het Arabisch schiereiland bleef deze gebeurtenis niet zonder gevolgen. Door de verlegging van de handelsroutes moest de handel van Indische en Aziatische producten door de Rode Zee aan belang inboeten. Bovendien konden de Indische producten die via de Portugese zeeroute de Europese markt bereikten veel goedkoper worden verkocht. De lagere verkoopprijs werd bekomen door het feit dat de Portugese (en later ook andere Europese handelaars), doordat ze over ruimere schepen beschikten, de transportkosten konden drukken. Deze vaartuigen boden hen immers de kans meer koopwaar te verschepen. Daarenboven konden ze hierdoor meer proviand meenemen, zodat ze niet om de haverklap bevoorraad dienden te worden en dus minder kostbare tijd verloren ging. De route die de Arabische handelaars via de Rode Zee volgden, was daarentegen een uiterst complexe en tijdrovende onderneming. Varen op de Rode Zee zonder kennis van de verraderlijke zeestromingen, getijden, winden en riffen, was namelijk onmogelijk. De Arabische stuurlui werden gedwongen zich te beperken tot het gebruik van kleinere schepen met geringere diepgang, en tot kustvaart. Doordat sommige delen van de Rode Zee onbevaarbaar waren, moest de koopwaar bovendien meermaals gelost en overgeladen worden op kamelen, die deze handelswaar dan via de karavaanroutes over een bepaalde afstand naar de plaats waar het volgende schip hen opwachtte om de zeereis verder te zetten, vervoerden.
De plaatselijke autoriteiten zagen in dit voortdurend aanleggen, laden en lossen, uiteraard een geschikte kans om via een willekeurige tolheffing en taxatie de stadskas te spijzen. Naar schatting verhoogden al deze activiteiten de verkoopprijs met 50%.[225] Voor de Europese markt kwam de ontdekking van de zeeroute langs de Kaap dan ook als een godsgeschenk. De ergste slachtoffers waren de handeldrijvende Jemenieten en Arabieren, die het grootste segment van de bevolking uitmaakten. Velen verloren hun broodwinning, en al gauw vertaalde deze socio-economische crisis zich politiek. In de bergachtige en woestijnachtige regio’s langs de oostelijke Rode Zeekust barstte een verwoede strijd tussen de lokale machthebbers om de schaarse grondstoffen los. Deze rivaliteit zou eeuwen duren en maakte elk vooruitzicht op een politieke eenmaking onmogelijk.[226]
Ook al hadden de Portugezen door de omzeiling van het Afrikaanse continent een einde weten te maken aan de ooit zo winstgevende handel via de Rode Zee, toch bleven deze contreien hun aandacht trekken. De Portugese kroon liet vooral een oog vallen op de strategisch gelegen handelsposten aan de Zuid-Arabische kust. Met de bedoeling deze als ravitailleringsposten op de route naar Indië in hun ‘Estado Da India’ in te schakelen, veroverden de Portugezen in 1507 (tijdelijk) de eilanden Perim en Socotra op de Mamloeken, en ondernamen ze een tevergeefse poging Aden voor zich te winnen.[227]
Terwijl de Portugese aanwezigheid in Zuid- Arabië geleidelijk aan kon toenemen, bleef de noordelijke kuststrook van Arabië, het gebied van Mekka tot en met de Sinaï, voor de Europeanen lange tijd verboden en dus onbekend terrein. Uit schrik om de controle op de handel in Indische producten via de Rode Zee helemaal te verliezen, duldden de plaatselijke autoriteiten er onder geen beding Europeanen. Bovendien kon men in dit gebied, waar de voor de islam Heilige Plaatsen en Heiligdommen zich bevonden, christelijke pottenkijkers missen als kiespijn. Vaak op straffe van executie, werd aan de Europeanen elke toegang tot de steden Mekka en Medina ontzegd. De enige mogelijkheid om als blanke in deze landstreken veilig te reizen en om de steden Mekka en Medina te bezichtigen, was zich, vermomd in de traditionele Arabische klederdracht, aan te sluiten bij een Arabische handels- of pelgrimskaravaan.
De eerste Europeaan die op deze manier een voet binnen de muren van de steden Mekka en Medina heeft kunnen zetten, en ons dit nog heeft kunnen navertellen, was de Italiaan Ludovici Di Varthema. In 1503 vatte hij op eigen initiatief een vijf jaar durende reis aan, die hem zou brengen naar alle uithoeken van de toenmalige bekende en onbekende Afrikaans- Aziatische wereld.[228] Zorgvuldig werden zijn belevenissen bij zijn terugkeer te boek gesteld, en in diverse talen uitgegeven. Vooral de nauwkeurige beschrijving van Mekka en Medina betekende voor velen in Europa een ware openbaring. Het mysterieus en mythisch waas dat rond deze verboden steden en hun territoria was gehuld, kon immers definitief worden doorprikt.
Koffie uit Mocha
Naast deze éne Italiaan en heel wat Portugezen, wekte de oostelijke Rode Zeekust vanaf het begin van de zeventiende eeuw de belangstelling van andere Europese nationaliteiten. Die verhoogde interesse was te danken aan één specifiek drankje, waarvan Europa in de zeventiende eeuw algemeen de smaak te pakken had gekregen, namelijk koffie. Het drinken van koffie gaat terug op een oud vijftiende-eeuws ritueel gebruik in de Zuid- Arabische wereld. Sinds 1450 consumeerden Arabieren dit zwarte drankje om bij de uitoefening van religieuze riten de alertheid te verhogen en vermoeidheid tegen te gaan.[229] Volgens de traditie zou een zekere Omar al Shadhili de oppeppende eigenschap van koffie hebben ontdekt, toen hij uit Mocha werd verbannen en in de bergen noodgedwongen moest overleven op een dieet van koffiebessen.[230]
Oorspronkelijk was de koffieplant afkomstig uit het Ethiopische bergland. In de loop van de zestiende eeuw werd deze naar Jemen geëxporteerd.[231] Zodoende raakten in diezelfde eeuw de bijzondere genoegens van het koffiedrinken algemeen in de islamitische wereld bekend, en omstreeks 1650 was er ook in Europa een ruime belangstelling voor. Aanvankelijk dronk men koffie als medicijn tegen hoofd-, keel- en oorpijn. Vanaf 1650 echter, toen er overal in Europa koffiehuizen, waar de elite en gegoede burgerij zich konden verpozen, verrezen, werd koffie gedronken als genotsmiddel.[232]
Alhoewel in het begin enkel de gegoede klasse zich een kopje koffie kon veroorloven, kwam koffie in de loop van de achttiende eeuw binnen het bereik van steeds meer bevolkingsgroepen. De verspreiding van dit nieuw consumptiegoed over de diverse lagen van de bevolking is volgens de economische wet van vraag en aanbod gemakkelijk te verklaren: door de stijgende vraag naar koffie was men gedwongen het aanbod te verhogen -dit kon men onder andere doen door vanaf 1720 ook buiten Jemen en Ethiopië met succes de koffieplant te verbouwen- en uiteraard had de verhoging van dit aanbod een drastische prijsdaling tot gevolg. Zodoende steeg de koffieconsumptie in Europa van een half miljoen pond per jaar in 1700 tot ruim 100 miljoen pond aan het einde van de achttiende eeuw.[233]
Tot op vandaag is er een grote vraag naar Jemenitische koffie. Die populariteit heeft deze koffie niet alleen te danken aan het unieke chocoladeachtige aroma, maar eveneens aan het feit dat deze koffiesoort zich zeer gemakkelijk laat mixen met minder geurende en minder smaakhebbende soorten, zodat koffie van een ‘inferieure’ kwaliteit toch nog op de markt kan worden gebracht.[234]
Tot aan het begin van de achttiende eeuw groeide de koffiestruik enkel in het Ethiopische bergland en in het vruchtbare heuvelland van de zuidwesthoek van het Arabisch schiereiland. De belangrijkst uitvoerhaven was Mocha, een havenstad die op 4 dagreizen lag van Beit al-Fakih, de grootste koffiemarkt van Zuid- Arabië. Deze regio had het monopolie op de koffiehandel.
De grootste profiteurs van de ’koffieboom’ die in Europa heerste waren aanvankelijk de Turkse handelaars. Zij brachten namelijk de Zuid- Arabische koffie tegen woekerprijzen op de Europese markt. Wilden de Europeanen goedkopere koffie bekomen, dan waren ze genoodzaakt die zelf te gaan halen. De koffiehandel was echter seizoensgebonden. Het moment waarop de koffiebonen geoogst konden worden, en overeenstemmend de kwaliteit ervan, waren telkens sterk afhankelijk van de weersomstandigheden van de voorbije groeiperiode. Bovendien was Mocha omwille van de moesonwinden niet elk moment van het jaar per schip bereikbaar. De onvoorspelbare oogst en de seizoensgebonden vertrek- en aankomstmogelijkheden werkten uiteraard sterke prijsfluctuaties in de hand. Vaak moesten Europese kooplieden immers maandenlang wachten op hun koopwaar, en naarmate het aantal Europese schepen in dezelfde periode in de rede van Mocha toenam, steeg natuurlijk de aankoopprijs van de koffie.[235]
Ondanks de voor de Europeanen soms ongunstige condities zette de imam van Jemen alles in het werk om duurzame handelsrelaties met de diverse Europese compagnieën op te bouwen. Dit deed hij door hen van bijzondere rechten te laten genieten. Zo hoefden ze slechts 3 % in- en uitvoerrechten te betalen, terwijl de niet-Europese kooplieden soms tot 9 % dienden neer te leggen. Uiteraard had deze imam met dit charmeoffensief een bijbedoeling. Hij hoopte namelijk dat de komst van de Europese kooplieden de koffieteelt zou stimuleren, waardoor hem de kans zou geboden worden zijn inheemse belastingsinkomen te verhogen. [236]
Het probleem van de seizoensgebonden aankoop-en vertrekdata hebben de Europese mogendheden opgelost door in Mocha factorijen op te richten. Dit betekende het begin van een toename van de Europese aanwezigheid in het zuidelijke deel van het Arabisch schiereiland. Reeds in 1618 beschikten de Noordelijke Nederlanders en de Engelsen er over factorijen.[237] Deze handeldrijvende naties kwamen toen echter nog geen koffie halen. Dit gebeurde pas een decennium later, toen de ‘koffieboom’ in Europa was losgebarsten. Waarschijnlijk wilden de Engelsen aanvankelijk langs deze weg Indische producten aanschaffen, en blijkbaar slaagden ze in hun opzet, want van alle Europese factorijen die zich in Mocha bevonden, zal deze van de Engelsen het langst stand houden. Ze bleef er namelijk tot het einde van de negentiende eeuw.[238]
Ook de Noordelijke Nederlanders hadden zich een decennium vóór het koffiedrinken algemeen in Europa verspreid raakte, in Mocha gevestigd. Dit deden ze met de bedoeling er aan de Jemenitische bevolking fijne specerijen en Indisch textiel tegen edelmetaal te verkopen, zodat men de aanvoer van zilver uit het vaderland kon beperken.[239] Deze handel was echter niet al te winstgevend. In tegenstelling tot de Engelsen, en na een hevig dispuut met de Turkse bevelhebber van Aden in 1620, waarbij de goederen uit de Nederlandse pakhuizen in beslag werden genomen, hebben de Nederlanders hun factorij in Mocha kort na de oprichting moeten opdoeken. Een goede tien jaar later voeren ze opnieuw naar Mocha, waar ze een tweede maal probeerden een permanente factorij op te richten. Door de gespannen politieke situatie als gevolg van de oorlog die de lokale bevolking op dit moment tegen de Turkse bezetter begonnen was, moesten de Hollanders hun plannen opnieuw voor een tijdje opbergen.[240] Pas rond 1693-95 werden hun inspanningen eindelijk beloond.[241] Profiterend van de rust die er was teruggekeerd en inspelend op de grote Europese vraag naar koffie, was een permanente Nederlandse factorij in Mocha omstreeks 1700 een feit. De Nederlandse koffiehandel op Mocha zou trouwens tussen 1715-20 zijn hoogtepunt bereiken.[242]
Terzelfder tijd arriveerde omstreeks 1720 het eerste Oostendse schip op de rede van deze koffiestad.[243] Met de komst van de Zuidelijke Nederlanders kende de Zuid-Arabische koffiehandel er opnieuw een concurrent bij. Weliswaar bleef het bij een zeer bescheiden handel, omdat de Zuidelijke Nederlanders, net zoals de Denen en de Portugezen, die toen eveneens een vaste stek probeerden te verwerven in de koffiehandel, niet over een factorij beschikten.
Een decennium eerder hadden de Fransen Mocha bereikt. Als directeur en kapitein van een handelscompagnie van Saint-Malo begaf Jean de La Roque zich in 1708 naar deze havenstad, om er naar eigen zeggen als ‘les premiers d’entre tous les Euopéens ce qui sont avisez de faire en droiture et sans l’entremise des autres Nations, un commerce en ce pays-là, singulièrement le commerce du café’ uit te bouwen. Op deze manier hoopte hij Frankrijk, voor wat de aanvoer en de aankoop van koffie betrof, van Turken, Hollanders en Engelsen onafhankelijk te maken.[244] Net zoals de handel tussen de Franse Compagnieën en de koffiestad, kende de Franse factorij te Mocha een zeer kort bestaan. Na een halve eeuw lagen de activiteiten al praktisch helemaal stil. Toch bleven Franse schepen tot aan het einde van de achttiende eeuw, dit evenwel op zeer onregelmatige basis, de rede van Mocha aandoen.[245]
Tenslotte dacht blijkbaar ook de Zweedse Oost-Indische Compagnie een graantje van de winstgevende koffiehandel te kunnen meepikken, toen deze halfweg de achttiende eeuw een zekere C.H. Braad op prospectie naar deze contreien zond.[246]
Het verval van de koffiehandel
Doordat de koffiestruik oorspronkelijk enkel groeide in het Ethiopische hooggebergte en in het gebied rond Mocha hadden de Jemenieten het monopolie op dit in Europa zo gegeerde zwarte drankje. Vandaar dat ze de export van koffiezaden en plantjes altijd hebben verboden. Toch konden ze niet verhinderen dat de koffieplant omstreeks 1700 naar Nederlands Indië, Afrika en Zuid-Amerika werd gesmokkeld.[247] De Nederlanders brachten de Arabische koffiestruik eerst naar Java, en dan naar Suriname. De Fransen smokkelden op hun beurt enkele koffiestekjes naar het eiland Bourbon, en vervolgens naar Haïti, dat omstreeks 1730 zou uitgroeien tot de grootste koffieproducent ter wereld. Zodoende kon men de Arabische koffie op een veel grotere schaal verbouwen, of liever laten verbouwen door zwarte of Indonesische slaven. Bovendien kon men deze koffie heel wat eenvoudiger en vooral goedkoper bekomen dan deze uit Mokka. Het overaanbod aan koffie vertaalde zich uiteraard al gauw in een drastische prijsdaling.[248] Dit had tot logische gevolg dat de diverse Europese compagnieën de intensieve koffiehandel met Mocha moesten staken. De permanent bemande factorijen werden geleidelijk aan verlaten, en één voor één trokken de Europeanen zich uit Mocha terug.
Vanaf het derde decennium van de achttiende eeuw zouden de Europese compagnieën nog slechts zeer incidenteel schepen naar de rede van Mocha zenden. Vanaf halfweg de achttiende eeuw werd de westkust van het Arabisch schiereiland hoofdzakelijk nog enkel door Europese reizigers op weg naar de Oost-Indiën, of door Europese wetenschappers die er al dan niet in dienst van één of ander vorstenhuis, wetenschappelijke observaties gingen verrichten, bezocht.
IV.A.2.b. De religieuze band
Voor onze Europese reizigers betekende een reis naar het Arabisch schiereiland een reis naar de bakermat van de islam, de religie waarmee ze reeds 11 eeuwen lang op vijandelijke voet hadden geleefd. In het voorgaande hoofdstuk hebben we reeds in grote lijnen uiteengezet hoe de dreiging van en de huivering voor de islam het christelijke Europa transformeerde tot één hechte monoliet. In wat volgt belichten we kort en bondig hoe deze dreiging zich concreet uitte. Centraal hierin staat de expansiepolitiek van de islamitische religie.
De islam ontstond in het begin van de zevende eeuw. Het was een antwoord op een hardnekkige mentale en sociale crisis, die haar wortels kende in de toename van ongelijkheid binnen de over Mekka heersende clans, dit als gevolg van de gunstige economische positie die de Hidjaz, zoals we hoger hebben aangestipt, na het economisch verval van zowel Zuid- als Noord- Arabie bekleedde. Te midden van deze crisis moeten we het opstaan van de profeet Mohammed, die met zijn prediking een religieus antwoord probeerde te bieden op het klimaat van onrust dat toen in Mekka heerste, situeren.
Volgens de traditie zou Mohammed geboren zijn in 570. Hij behoorde tot de Hasjim-clan, die vóór het losbarsten van de sociale crisis één van de rijkste clans van Mekka was. Op zijn veertigste verjaardag, in 610, werd hij door Allah, in de hoedanigheid van de Engel Gabriël, tot het profeetschap geroepen. Tot aan zijn dood in 632 openbaarde Allah hem beetje bij beetje de grondbeginselen van de islamitische religie, een religie die op 5 pijlers berustte.
Allah gebood elke moslim: [249]
1. op vastgestelde tijdstippen te bidden -eerst driemaal per dag, later vijfmaal- en dit met het gezicht naar de Kaba in Mekka gericht;
2. aalmoezen te schenken aan alle armen die erom vroegen;
3. te vasten tijdens de maand ramadan;
4. minstens één maal in zijn leven een bedevaart naar Mekka te ondernemen;
5. te zweren geen enkele God buiten Allah, en geen enkele profeet buiten Mohammed te erkennen.
Net zoals het christendom en het Jodendom zette de islam aan tot de verering van één godheid. De prediking van het monotheïsme betekende een doorn in het oog van de families en stammen, die hun brood enerzijds met het onderhoud van de aan diverse astrale goden gewijde heiligdommen in Mekka, en anderzijds met de opvang en tijdelijke huisvesting van de bedevaarders, verdienden. De oppositie tegen Mohammed groeide gestaag en dwong hem en zijn schare volgelingen in 622 te emigreren naar Medina. Medina bood de gevluchte moslims echter onvoldoende grond om te bewerken, waardoor de ze gedwongen werden een andere bron van inkomsten aan te boren: roof- en plundertochten op de rijk beladen handelskaravanen van en naar Mekka.[250] Dit had tot gevolg dat er tussen Mekka en Medina een harde strijd, met wisselende kansen voor elk van beide partijen, losbarstte. Het conflict werd beslecht in 630, toen Mohammed en de Medinenzers erin slaagden Mekka in te nemen. De profeet had een belangrijke slag thuis gehaald. Van overal op het Arabisch schiereiland kwamen stamhoofden naar Mohammed om met hem een akkoord te sluiten en zich tot de islam te bekeren. Jemen behoorde tot de eerste gebieden die tot de islam overgingen. Reeds in 625 zou de schoonzoon en neef van de profeet, Ali ibn Abu Talib, de islam naar Zuid- Arabië hebben gebracht. In 630 besloot de Perzische gouverneur van Yemen, Badhan, zich bij het islamitische rijk van de Arabieren aan te sluiten en tot het nieuw geloof over te gaan.[251]
Snel rekende Mohammed af met zijn laatste tegenstanders. Hij verbood de verering van alle heidense godenbeelden, brak de macht van de joodse stammen, die zich sinds de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 massaal op het Arabisch schiereiland hadden gevestigd, en nam hun bezittingen in beslag. Bij zijn dood, in 632, was gans het Arabisch schiereiland tot de islam overgegaan, dit althans in principe, en had Mohammed, in zijn eentje, vrede weten te brengen in het door stammentwisten verscheurde Arabië. [252]
Niet alle Arabieren stonden echter te popelen om moslim te worden. Vooral de nomadische stammen, zowel in Noord- als in Zuid- Arabië, boden hevig weerstand. Slechts gewapenderhand en pas onder het bestuur van Abu Bakr, de eerste opvolger van Mohammed, kon men deze stammen overhalen zich definitief aan het gezag van Medina te onderwerpen.[253] Van een volledige onderwerping is er nooit sprake geweest. De nomadische- en semi-nomadische stammen van Zuid- en Noord-Arabië erkenden wel officieel de islam, maar ontrokken zich zo gauw ze de kans zagen al even snel aan het centrale gezag. In werkelijkheid bleven de lokale machthebbers, dit in tegenstelling tot de sedentaire gebieden, waar de bekering en onderwerping zeer vlot verliep, de ontoegankelijke woestijn- en berggebieden controleren.
Abu Bakr staat beter bekend als het brein achter de eerste expansiegolf van de islam. Deze expansiegolf beperkte zich voorlopig nog tot Noord- Afrika en Mesopotamië, maar was de voorbode van wat het Europese continent een eeuw later te wachten zou staan. Onder het kalifaat van Medina werden achtereenvolgens Irak, Perzië tot aan de Oxusrivier, Egypte en Tunesië veroverd.
De eerste gewelddadige confrontatie tussen het islamitische rijk en het christelijke Europa vond plaats net na de dood van de vierde kalief, toen het bestuur van de Arabische wereld in handen kwam van de Umayyadendynastie. Damascus, in Syrië, was onder deze dynastie de nieuwe hoofdstad van het imperium. Van hieruit werd de tweede expansiegolf van de islam gecoördineerd. In 710 bereikte het moslimleger de straat van Gibraltar, overspoelden de Arabische troepen het Iberisch schiereiland, staken ze de Pyreneeën over, en drongen ze het land van de Rhone en de Garonne binnen. In 719 veroverden de Arabieren Narbonne, en in 732 stonden ze voor de poorten van Poitiers, waar ze na een gevecht van 7 dagen door Karel Martel werden verslagen. In 759 kon Pepijn de Korte Narbonne bevrijden, waardoor de Arabieren tot aan de Pyreneeën werden teruggedreven. Niettemin hadden ze met deze veroveringen het startschot gegeven tot een bijna elf eeuwen lang durende periode van een afwisselend openlijke en latente, maar ontegensprekelijk permanent aanwezig zijnde dreiging van de islam voor het Europese continent. Tevens werden hiermee de fundamenten gelegd van een vijandsbeeld, dat pas omstreeks 1700, met de vrede van Karlowitz, de eerste barsten zou beginnen te vertonen.
Omstreeks 1100, dit onder impuls van de Kruistochten, bereikte de christelijke haat voor de islam een ongekend hoogtepunt. Dit vertaalde zich in het feit dat toen praktisch alle Europese vorsten unaniem achter de oproep van de paus stonden om duizenden Europeanen naar de Levant te sturen met de bedoeling er de door de gehate Turken ingepalmde Heilig Plaatsen opnieuw te veroveren. De solidariteit onder de laat- middeleeuwse Europese vorsten, graven en hertogen was enorm. Bovendien slorpte de oorlog met de bezetters van het Heilig Land zodanig veel krachten op dat de Europese machthebbers zich allerminst durfden of konden moeien in binnen- Europese conflicten, laat staan er zelf één te ontketenen. Het gemeenschappelijk vijandsbeeld had dus ontegensprekelijk een stabiliserende functie.
Parallel met de Kruistochten in het Heilige Land werd tevens de herovering van het Iberisch schiereiland op de Moren, de zogenaamde Reconquista, aangevat. Pas met de herovering van Granada in 1492 kon deze bloedige episode in de Europese geschiedenis worden afgesloten.
Toen Bagdad, dat na de val van de Umayyaden onder de Abassieden de hoofdzetel van het Arabische- islamitische rijk was geworden, in 1258 door roofzuchtige Mongoolse hordes werd verwoest, kon men in Europa even op adem komen. Na dit voorval maakte men van Cairo het bestuurscentrum van de Arabische wereld. Hierdoor kwam de Syrisch- Egyptische dynastie der Mamloeken aan de macht. Feit was dat de verplaatsing van de hoofdzetel van de Arabische wereld naar Cairo voor Europa zowel positieve als negatieve gevolgen had.
Enerzijds versnelde deze gebeurtenis de verbrokkeling van het ooit zo machtige Arabische rijk, een verbrokkeling die reeds tijdens het kalifaat van Damascus een aanvang had genomen en die de Europeanen enkel maar konden toejuichen, anderzijds werd het culturele en economische hart van wat er toen nog van het Arabische eenheidsrijk restte, naar het oostelijke bekken van de Middellandse zee verplaatst, waardoor een eventuele islamitische overrompeling van de Balkan steeds reëler werd.
Doordat het Mamloekische rijk bovendien de Hidjaz, Jemen, Egypte, Syrië en het land van de Eufraat omvatte, [254] bekleedden de Mamloeken binnen de Arabische wereld een zeer prominente rol: ze controleerden en beschermden immers de doortocht naar de Heilige steden Mekka en Medina en hadden van de Rode Zee een Egyptisch meer gemaakt, met als logische gevolg dat ze hun prestige en invloed naar de overige islamitische potentaten en uiteraard ook naar de Europese landen toe enorm zagen stijgen.
Bij het begin van de vijftiende eeuw werd het rijk van de Mamloeken bedreigd door de Ottomanen, een nieuwe opkomende macht, die rond het midden van de veertiende eeuw, uit de restanten van het Seldjoekensultanaat van Rum in Anatolië, was ontstaan. Met de opkomst van de Ottomanen werd de vrees die de Europeanen voor een islamitische overrompeling van de Balkan koesterden werkelijkheid. Onder Bayezid I (1389-1403) drongen deze Ottomanen namelijk tot diep in de Balkan door en tussen 1451 en 1481 had Mehmed II van deze Ottomaanse Turken de dominante machtshebbers in het oostelijke bekken van de Middellandse zee gemaakt. Tevens verkreeg hij als heerser van de beide kusten van de Bosporus de absolute controle over de toegang tot de rijke graanvelden rond de Zwarte Zee en door de verovering van Constantinopel in 1453 maakte hij een einde aan het ooit zo machtige Byzantijnse rijk.[255]
In Constantinopel vestigden de Ottomaanse Sultans naar Byzantijns model een absolute heerschappij, waar ingewikkelde hofrituelen gebruikelijk waren. Voor het christelijke Europa waren sombere tijden aangebroken, want de Ottomanen, die zichzelf zagen als de verdedigers van een grensstaat, begonnen een Jihad tegen alle vijanden van de islam, meer bepaald tegen de christenen in het westen en tegen de sji’itische Safawiden in het oosten.[256] Deze jihad was buitengewoon succesvol. Selim I (1512-20) versloeg in 1514 bij Kalderon zijn sji’itische aartsrivaal Shah Ismail, waardoor de opmars van het Iraanse rijk in het oosten kon worden gestuit. Door de verovering van Hongarije in 1526 en het Ottomaanse beleg van Wenen in 1529, drong zijn opvolger, Suleiman de Wetgever, dan weer diep in het westen door.
In 1516 verpletterden de Ottomanen het Mamloekenleger in Aleppo, en op hun weg naar Egypte slaagden ze erin Jeruzalem en Damascus te bezetten. In 1517 werd Cairo bereikt, waar de Mamloekische heersers hun Ottomaanse belagers zonder bloedvergieten de sleutels van de Heilige steden Mekka en Medina overhandigden. Zodoende waren de Ottomanen in navolging van de Mamloeken heer en meester over de islamitische wereld en hadden zij de zo begeerde economische controle over de Rode Zee verworven. Met de inlijving onder Suleiman de Wetgever (1520-1566) van Algiers, Tunis, Bagdad, Tripoli, Zuid-Arabië en Bahrein kende het Ottomaanse rijk zijn grootste uitgestrektheid en bereikte de Ottomaanse Sultan tevens het toppunt van zijn macht.[257]
Na de dood van Suleiman kwam de macht in handen van een reeks onbekwame en corrupte Sultans. Dit, gepaard gaande met allerhande interne sociale opstanden als gevolg van een hardnekkige financiële crisis en het verlies van het leeuwendeel van hun Middellandse zeevloot op de Spanjaarden en de Venetianen bij de slag van Lepanto in 1571, brachten de Ottomaanse suprematie omstreeks 1600 hevig aan het wankelen. De doodsteek werd hen toegebracht in 1699 met het vredesverdrag van Karlowitz, dat, zoals we reeds hebben aangehaald, de Ottomaanse Sultan verplichtte afstand te doen van Hongarije en zijn leger geleidelijk aan uit de Balkan terug te trekken. Sinds het sluiten van dit verdrag zag het tanende Ottomaanse rijk van verdere veroveringen in westelijke richting af en begon het voor het eerst sinds de islamitische expansie het belang van een vredespolitiek met het christelijke Europa in te zien.
IV.A.3. De westkust van het Arabisch schiereiland onder Ottomaans en Arabisch bestuur
De crisis die het Ottomaanse rijk in de zeventiende eeuw doormaakte liet zich ook op het Arabisch schiereiland gevoelen. Nog geen eeuw nadat Suleiman de Wetgever met de verovering van Aden in 1538 en het jaar erop met de inname van de Tehama, de kuststrook van Noord- Jemen, de ganse westelijke kuststrook van het Arabisch schiereiland onder Ottomaans bestuur had gebracht, had de vruchtbare zuidwestelijke regio zich immers reeds van het Ottomaanse juk weten te ontrukken, dit ondanks de maatregelen die de Sultan om separatistische opstanden in de kiem te smoren, had doorgevoerd. Hij was er zich namelijk ten volle van bewust dat de Arabische provincies, die sinds hun vroegste geschiedenis altijd naar autonomie hadden gestreefd, niet zomaar het Ottomaanse gezag zouden erkennen. Vandaar dat, dit om deze en andere vergelegen gebieden aan zich te binden, door de Ottomanen werd overgegaan tot de oprichting van een sjaria- staat. De sjaria werd de officiële wetgeving van het land. De kadi’s, zijnde de wetskenners, hun adviseurs, zijnde de moefti’s, en de leermeesters, gingen officieel deel uitmaken van de overheid. Op deze manier vormden ze een morele en religieuze schakel tussen de Sultan en zijn onderdanen. Dit partnerschap, tussen de staat en de oelema of rechtsgeleerden, stelde de bevolking in de Arabische wereld in staat de Turkse heerschappij te accepteren. [258]
Het bestuur van de Heilige steden Mekka en Medina was in handen van ‘sharifs’ of sheriffs. Deze bestuurders erkenden nog wel de Turkse Sultan als hun meester en beschermheer, maar regeerden in feite zo goed als autonoom en stonden dus zelf in voor de belastingsinning en voor het onderhoud van het ambtenarenapparaat en het leger.[259]
In de andere steden van de Hidjaz waren lokale gouverneurs, die geacht werden de Turkse Sultan onvoorwaardelijk te steunen en te gehoorzamen, aangesteld.
De woestijnbewonende Arabieren van de Hidjaz, de Bedoeïenen, die in stamverband leefden, gehoorzaamden noch aan de lokale gouverneurs, noch aan de Sultan, maar aan hun sjeik of emir, de leider van hun clan. Omdat de meeste pogingen van de Ottomanen om deze stammen aan zich te onderwerpen faliekant waren afgelopen, liet de Sultan deze autonome clans zoveel mogelijk met rust.
De provincie Jemen, het gebied ten zuiden van de Heilige plaatsen, die gelegen was tussen de steden Abu Arish, Aden, Hudayda en Sana, vormde tot omstreeks 1630 een wingewest van de Ottomaanse Sultan.[260] Hij benoemde er een beylerbeyi of provinciegouverneur, die meestal een vertrouweling van hem was. Deze bestuurder werd telkens aangesteld voor een periode van drie jaar en kon zonder schriftelijke toestemming van de Sultan geen belangrijke beslissingen doorvoeren.[261] Onder supervisie van de Sultan coördineerde de beylerbeyi vanuit Sana de militaire, fiscale en politieke organisatie van de Jemenitische provincie. In deze stad was zijn paleis gevestigd. Regelmatig ging de provinciegouverneur op inspectieronde doorheen zijn rijk. Op zijn ronde bezocht hij de lokale gouverneurs -ook wel aga’s of amirs genoemd- van de Jemenitische steden om de belastingen te innen. De beylerbeyi had immers geld nodig om zijn soldaten en het ambtenarenapparaat te kunnen betalen. Daarenboven werd ook nog een groot deel van de belastingsinkomsten naar de schatkist van de Sultan van Constantinopel doorgesluisd. Als wingewest moest de provincie Jemen maximale winsten opbrengen, en dit zonder bijkomende kosten. Winst zonder kosten, was dan ook het motto van de Turkse Sultan.
Het bereiken van deze doelstelling ging voor de Jemenitische bevolking ten koste van een uiterst zware belastingsdruk. Bovendien aarzelden de belastinginners vaak niet om geweld te gebruiken.[262] Voor de autochtone bevolking was die situatie niet langer houdbaar. In 1627, onder het tirannieke bestuur van de immer dronken provinciegouverneur Haydar, kwam de Jemenitische bevolking in opstand. Deze opstand resulteerde in een grootschalige oorlog tegen de gehate Turkse bezetter.[263] De leiders waren de Zaydietische imams Kasim en diens zoon Muhammad. Verschillende fronten werden tegelijk geopend. Eén voor één konden de door de Turken ingenomen steden ingepalmd worden. In 1627 veroverden de Arabieren Aden, Djibla, Zabid en Sana en in 1629 werd het Turks garnizoen uit de citadel van Ta’is verdreven. Zodoende hadden de Turken toen enkel nog Mocha en Zabid in handen, steden die ze in 1635 definitief verloren. Na de herovering door de Arabieren van deze laatste steden kwam een exodus van Turkse gouverneurs, kadi’s, kapiteins, vlootaanvoerders, dienaars, soldaten en haremvrouwen op gang.[264] Pas in 1849 zou Jemen opnieuw een Ottomaanse provincie worden. [265]
De Jemenitische opstand vond geen navolging in het noordelijk gebied van de West- Arabische kuststrook. Mekka en Medina bleven onder de beschermende vleugels van de Turkse Sultan een autonome koers varen. Bovendien had deze de andere steden van de Hidjaz nog te strak in zijn greep, waardoor elke opstand tegen het Turks gezag gedoemd was te mislukken. Ook de diverse Bedoeïenenclans wilden zich niet geïntegreerd zien in één groter staatkundig geheel, maar wensten eerder hun traditionele nomadische en autonome levenswijze ongestoord verder te zetten.
Jemen mag dan wel een metamorfose van een Turkse kolonie naar een onafhankelijk imamaat, van een militair onder de knoet gehouden provincie naar een autonome staat die door brede lagen van de bevolking werd gedragen, ondergaan hebben,[266]de prijs die het ervoor heeft moeten betalen was niet mals. Het duurde namelijk verscheidene jaren vooraleer het land zich enigermate van de verwoestende oorlog die tussen de Arabieren en de Turken had gewoed, kon herstellen. [267] Onenigheid over wie de nieuwe imam zou worden sleurde het land bovendien mee in een politieke crisis. Tussen de bevrijder van Jemen, Muhammad, en zijn jongere broers, barstte er kort na de verdrijving van de Turken een strijd om het imamaat los. Op een gegeven moment riepen vier imams zich tegelijkertijd uit tot soeverein van de voormalige Turkse provincie.[268] Uiteindelijk behaalde Muhammad de bovenhand, maar de rivaliteit tussen hem en zijn broers verdween niet en kenmerkte de rest van de politieke geschiedenis van Jemen. Het landsbestuur bleef wel binnen de Zaydietische dynastie. Tot op het einde van de achttiende eeuw waren de over Jemen heersende imams namelijk nakomelingen van de Zaydietische imams Kasim en Muhammad of van Muhammads misnoegde broers, die eertijds net naast de titel van imam hadden gegrepen. De onderlinge machtsstrijd binnen de Zaydietische dynastie maakte een politieke eenheid in Jemen onmogelijk. Vanaf het begin van de achttiende eeuw werd het land door bloedige burgeroorlogen geteisterd. De burgeroorlog van 1731 had tot gevolg dat Aden en Lahij onafhankelijke sultanaten werden. Ook de Hadramaut en de noordelijke Tehama stonden aan het einde van de achttiende eeuw niet langer onder het gezag van de in Sana residerende imam.[269]
IV.B. DE EUROPESE VISIE OP HET ARABISCH SCHIEREILAND
IV.B.1. De wetenschappelijke kennis
Laten we voor dit hoofdstuk over de perceptie van onze reizigers omtrent de wetenschappelijke kennis der Arabieren direct met de deur in huis vallen en beginnen met een uitspraak van de Duitse reiziger Carsten Niebuhr:
‘Het is dikwijls bezwaarlijk met lieden in kennis te komen, welken van de inwoners voor geleerd gehouden, worden. Wanneer men al eenige maale toegang tot hun huis krijgt, baart het hun doch geen genoegen, door een vreemdeling met vraagen overladen te worden. Men moet derhalve naar alles, wat men begeert te weten, maar als in ’t voorbij gaan vragen.’ [270]
Uit dit citaat blijkt dat de Arabieren er niet van hielden om door vreemdelingen op hun kennis te worden getoetst. Niebuhr heeft in dit citaat echter verzuimd een verklaring te geven voor het feit dat de Arabieren elk wetenschappelijk debat uit de weg gingen. Dit deed bij ons intrigerende vragen rijzen. Was deze terughoudende reactie misschien een zelfbeschermende reflex, dit precies omdat de Arabieren geen noemenswaardige kennis hadden om over te converseren? Of hadden de Arabieren gewoon geen kennis en schuwden ze elk debat om te voorkomen dat ze door de mand zouden vallen?
Indien de tweede veronderstelling zou opgaan en onze Verlichte reizigers de Arabieren, net als de ‘redeloze’ zwarte Afrikanen, die niet in staat waren om kennis op te doen, als een volk zonder kennis zagen, zouden we de link kunnen leggen met de idee van primitivisme, zoals we die in het derde hoofdstuk van deze scriptie hebben toegelicht.
Hierin wezen we op het feit dat menig Verlichtingsfilosoof, naast de uiterlijke kenmerken die we aan de hand van een fragment uit de Encyclopedie van Diderot en D’Alembert hebben geschetst, kennis, vernuft of intellect als hét onderscheidend kenmerk tussen mens en dier aannam, en dat het dier, in tegenstelling tot de ‘redelijke’ mens, werd gezien als een ‘onnozel’ wezen. Omdat we tevens zagen dat het toen in Verlichte middens gebruikelijk was de ‘andere’ te associëren met deze ‘redeloze’ dieren, en in het bijzonder met apen, denken we maar aan de denigrerende wijze waarop Montesquieu, Kant en Blumenbach hun zwarte medemensen afschilderden, kunnen we de vraag stellen of ook onze reizigers hun Arabische gastheer met ‘onnozele’ dieren vergeleken. [cfr.III.4.]
Deze denigrerende opvatting dook slechts tweemaal in onze reisverhalen/- verslagen op. Bovendien was het in beide gevallen nog eens onduidelijk of de desbetreffende auteurs wel bewust op een dergelijke vergelijking met dieren aanstuurden. In het éne geval werd ze geopperd door Irwin, in het andere door Carsten Niebuhr. Toen Irwin ter hoogte van Medina het anker uitwierp en enkele lokale vrouwen, gezeten op ezeltjes, hem tegemoet kwamen, beschreef hij ze als volgt:
‘Il est presque impossible de présenter un aspect plus misérable et plus stupide que celui de ces pauvres femmes. Leur insensibilité les confond avec les animaux qu'elles conduisent, et sur lesquels elles ne paroissent avoir aucune supériorité.’[271]
Ook over de woestijnarabieren schreef hij dat ze hem wel zeer ‘semblables aux animaux sauvages’ overkwamen.[272]
Verder vonden we in het reisverslag van Carsten Niebuhr een passage terug waarin hij, eveneens al dan niet moedwillig, gelijkenissen zag tussen het gedrag van dieren en dat van sommige Arabieren. Hij schreef namelijk gezien te hebben:
‘dat de Arabiers in ’t open veld (…) zo gingen zitten, dat zij maar alleen van het voorste gedeelte hunnen voeten ondersteund waren (…) en deze houding heeft veel overeenkomst met die der aapen’.[273]
Op deze twee (dubieuze) gevallen na, vonden we het principe van ‘dierlijke associatie’ in geen enkel ander reisverhaal/- verslag terug. Daarom kunnen we gerust stellen dat onze reizigers de Arabieren in hoofdzaak als mensen, en niet als ‘redeloze’ en ‘hersenloze’ wezens beschouwden. Dit impliceert dat ze hen dan ook alle eigenschappen toeschreven die een mens kenmerken, inclusief het vermogen om kennis te verwerven.
Het niveau van deze kennis liet echter te wensen over, dit bleek althans uit de doorgenomen reisverhalen/- verslagen. Volgens Carsten Niebuhr konden de Arabieren ‘niet loochenen dat anderen hen in wetenschappen overtroffen’, ook al ‘hielden zij zig zelven voor de schrandersten onder alle natien’.[274] Dit bevestigt ons eerste vermoeden, namelijk dat de Arabische kennis in Europese ogen als niet noemenswaardig en dus als minderwaardig werd aanzien.
In welke mate de Europese reizigers van zichzelf dachten de Arabieren in wetenschappelijke kennis overtroffen te hebben, lichten we in wat volgt toe. Achtereenvolgens confronteren we hun astronomische en optische, en ook hun medische, maritieme en geschiedkundige kennis met deze van onze Europese reizigers.
IV.B.1.a. De astronomische en optische kennis
Centraal in het eerste hoofdstuk van deze scriptie stond de vooruitgang die de wetenschappen sinds het begin van de Nieuwe Tijd hadden geboekt, dit met een ongekend hoogtepunt in de laat- zeventiende en de achttiende eeuw. Alhoewel deze revolutie zich op alle terreinen van de wetenschap voordeed, kwam ze aanvankelijk het sterkst op het domein van de astronomie tot uiting. Hiervoor verwezen we naar de theorieën van Copernicus, Galilei en Kepler, drie astronomen die het traditionele geocentrische wereldbeeld van Aristoteles en Ptolomeus doorbraken en een nieuw wereldbeeld, namelijk het heliocentrisme, introduceerden. [cfr.I.A.1.]
Verder zagen we dat de exploratie van de macrokosmos zonder de uitvinding van diverse optische instrumenten, waaronder Galilei’s lenzentelescoop en Newtons spiegeltelescoop, nooit mogelijk was geweest. Ondermeer dankzij deze instrumenten groeide bovendien de overtuiging dat het heelal oneindig was, en de aarde een zonnesplinter, die eertijds door een komeet van de zon was losgerukt.
Deze veronderstellingen konden verder worden gestaafd door Newtons gravitatietheorie, een theorie die door latere wetenschappers -denken we maar aan Halley- om de loop van de kometen te voorspellen en om de precieze duur ervan te berekenen, werd aangewend.
Doordat deze wet daarenboven niet alleen op de beweging der planeten, maar ook op gans het universum toepasbaar bleek te zijn, waren de Europese wetenschappers er op het einde van de achttiende eeuw in geslaagd het mysterie van de kosmos volledig te ontrafelen. [cfr.I.A.2.]
Laten we even concreet peilen naar de reacties van onze reizigers toen ze geconfronteerd werden met de kennis die de Arabieren hadden van de astronomie en de optica. Beginnen doen we met de Duitse ingenieur Carsten Niebuhr, volgens wie het ‘niet alleen den oosterschen sterrenkundigen, maar ook alle vernuftigen Mohammedaanen zeer wel bekend’ was dat ‘de schaduw der aarde eene maansverduisternis, en de maan in zijnen stand tusschen de zonn’en de aarde eene zonneverduistering veroorzaakt’.[275]
Net als de Europese sterrenkundigen wisten de geleerde moslims kennelijk ook hoe zons- of maansverduisteringen wetenschappelijk verklaard konden worden, maar uit het volgende citaat van Niebuhr bleek dat slechts een minderheid van hen kon voorspellen wanneer en waar dergelijke eclipsen zouden plaatsvinden:
‘Zomtijds hoewel zelden vind men onder de Mohamedaanen nog eenen geleerde die zonne en maanetaningen berekenen, en eenen almanak maken kan.’ [276]
Indien er toch geleerde Mohammedanen waren, ‘welke eene zonsverduistering vooraf bepalen kunnen,’ werden zij volgens Niebuhr door het gewone volk ‘voor groote geleerden zo wel in de geestelijke als waereldlijke wetten, en ook voor bekwaame geneesheren gehouden’.[277]
Het toeval wil dat deze eer te beurt viel aan de Heer Forskall, één van de kompanen van Niebuhr. Op weg naar Djedda waren ze namelijk getuige van een zonsverduistering. In het reisverslag van Niebuhr lezen we immers:
‘Wijl nu den eclips door den heer Forskall voorspeld op den zelven tijd in viel, geloofden onze Mohammedaanen vastelijk, dat hij ook een groot geneeskundige moest zijn.’ [278]
Het gewone volk had duidelijk geen enkele notie van sterrenkunde. Vandaar dat Niebuhr schreef dat men ‘alleen zelden eener onder hun (…) vind, die de sterren kent. En wie verwagt dit ook?’ .[279] Klaarblijkelijk had hij geen al te hoge verwachtingen van de astronomische kennis van de gewone Arabische lieden. Het verbaasde hem daarom niet dat velen onder hen meenden dat hij ‘verborgene kunsten moest verstaan’ omdat hij ‘de sterren dikwijls waarnam’[280] en dat men nog vaak onder het gemeen het ‘verdigtzel’ hoorde dat ‘de hemellichaamen bij hunne verduistering door eenen grooten visch vervolgd worden’. Een zonsverduistering in de Arabische wereld werd dan ook spontaan gevolgd door een bizar ritueel, waarbij ‘de wijven en kinders dan schielijk (…) lopen met hunne metaalen bekkens, en ketels boven op hunne huizen, en een vreeslijk geraas (…) maken om den visch te verjagen’. [281]
De onkunde van de Arabieren, zowel op het vlak van de sterrenkunde als van de optica, zorgde er bovendien voor dat onze reizigers meermaals in komische situaties terecht kwamen. Met de bedoeling hun toekomstige lezers optimaal te kunnen verstrooien, aarzelden de auteurs uiteraard niet deze situaties uitvoerig en gedetailleerd te beschrijven. Toen bijvoorbeeld Jean de La Roque zijn spiegel aan enkele nieuwsgierige Bedoeïenen overhandigde, leverde dit hem het volgende grappige citaat op:
‘Il n’y a rien de plus plaisant que de voir les Arabes du commun devant un miroir. Ils se voient dedans sans se connoître, parce qu’ils ne se mirent jamais chés eux. Ils se trouvent leurs figures ridicules, et rient de toute leur force, voiant que leur image dans la glace fait les mêmes grimaces et les mêmes actions que la surprise et l’étonnement leur font faire. Leur méchante humeur les prend d’abord apres croiant qu’il y a quelqu’un derrière la glace qui les contrefait pour se mocquer d’eux. Ils regardent derrière le miroir, ou bien ils passent la main pour l’attraper, et le badinage va si loin, qu’il faut enfin retirer le miroir pour empêcher qu’il ne soit pas cassé.’ [282]
Jean de La Roque voegde er volledigheidshalve wel aan toe dat dit soort gedrag enkel voorkwam bij de Bedoeïenen, die een teruggetrokken bestaan leidden, dus bij hen die ver weg en geïsoleerd van de steden leefden.
Carsten Niebuhr kwam in een gelijkaardige situatie terecht toen zijn collega Forskall in Dsjesan, een nederzetting in het grensgebied tussen het Koninkrijk Jemen en de Hidsjaz, enkele Arabieren voorstelde zijn sterrenkijker op een vrouw die zich in de verte bevond, te richten. Omdat de sterrenkijker alle voorwerpen omgekeerd voorstelde, waren deze Arabieren ‘verwonderd als zij dat wijf met de voeten omhoog zagen gaan, dat de klederen niet neerwaard vielen’. [283]
De manier waarop de Arabieren deze optische instrumenten bezagen, lokte bij de Europeanen niet enkel gelach uit. Soms werkte hun overdreven belangstelling en verwondering aanstekelijk en werd dit gedrag zelfs als hinderlijk ervaren. Zo moest bijvoorbeeld Bruce James zijn vertrek uit Yambo noodgedwongen enkele uren uitstellen omdat hij bij het opbergen van enkele instrumenten, waaronder een telescoop, een kwadrant, een zeemanshorloge en een thermometer, de aandacht van een wat al te leergierige kadi had gewekt. Over hem schreef de duidelijk geïrriteerde Bruce het volgende:
‘Il ne me demanda aucune excuse de s’être ainsi introduit chez moi. Mais il fit une exclamation, en disant combien il étoit heureux. Puis sans me regarder, il passa du télescope à la montre au thermomètre, en s’écriant: ah! tibe! ah! tibe! Que c’est beau! à peine jettoit-il les yeux sur moi. Il sembloit je crois, que je n’étois pas digne de son attention. Mais il examina, il toucha tout avec beaucoup de soin. Il mania même si bien la couverture de cuivre de l’alidade, qui renfermoit le petit plond et le crin, qu’il avoit l’air d’un homme plus versé qu’on ne l’est ordinairement dans la connoissance des instruments d’astronomie.’ [284]
Tenslotte begon ook Niebuhr het gedrag van de verwonderde Arabieren meer dan moe te worden. Vooral toen het voorhof van het huis waar hij en zijn reisgezellen onderdak hadden gevonden zich met een ganse menigte nieuwsgierige Arabieren had gevuld, kon hij het niet nalaten te schrijven dat, alhoewel zij ‘allen zeer voldaan waren dat zij zulke zonderlinge vreemdelingen in hunne stad gekregen hadden, (…) en zich allen zeer beleefd betoonden, zij ons nogthans zomtijds verveelden’ omdat ‘alles wat zij maar zagen hen vreemd (…) scheen te zijn en als was het ook werkelijk niets, zo zogten zij er doch iets aan te vinden. Bij elke nieuwe zaak riepen zij van verwondering uit ‘Allah akbar’ of God is groot’. [285]
Voorgaande citaten spreken voor zich. Niet alleen hadden de Europese reizigers geen al te hoge dunk van de Arabische astronomische en optische kennis, bovendien leidde precies deze onkunde vaak tot hilarische en amusante situaties, die de auteurs niet nalieten in geuren en kleuren in hun reisverslagen/-verhalen te beschrijven. Diezelfde geamuseerd neerbuigende toon vonden we terug wanneer onze reizigers in contact kwamen