De riemen van de provincie in verkiezingstijd. Een vergelijking van de provinciale verkiezingscampagnes 2003. (Peter Blank)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Hoofdstuk 1 Probleemstelling

 

Inleiding

 

Provincies zien het in verkiezingstijd als hun taak het publiek te informeren over belangrijke onderwerpen. Daarnaast willen provincies de kiezer ook het gevoel geven deel uit te maken van de verkiezingen. Het effect van een verkiezingscampagne wordt dan vaak gemeten aan de hand van onderzoek naar kennis onder het publiek. Deze vorm van onderzoek zegt vaak het beste of het doel van informeren of deel uit laten maken is bereikt en wordt in de meeste provincies jaarlijks uitgevoerd.

Waar deze vorm van onderzoek aan voorbijgaat is het analyseren van processen die spelen bij de bron van informatie. Of het nu gaat om spotjes, artikelen in dagbladen of internetactiviteiten; de manier waarop deze vormen van aandacht voor de verkiezingen tot stand komen, welke factoren hierbij van belang zijn en waar verbeteringen kunnen worden aangebracht, blijft in publieksonderzoek veelal onbelicht. In evaluatierapporten van provincies over de verkiezingen wordt hieraan wel aandacht besteed, maar blijft de vergelijking tussen provincies onbehandeld. Uit deze vergelijking kunnen juist interessante dingen naar voren komen.

Het bestuderen van de bron –het optreden van iedere provincie, en de provinciale en landelijke overheden bij elkaar – is moeilijk. Dit komt vooral door de grijze gebieden tussen provincies en andere partijen in de samenleving. De invloed van provincies hierin wordt door de een wel, door de ander niet onderkend. Voor hun eigen activiteiten zijn provincies zelf verantwoordelijk, voor de aandacht in bijvoorbeeld de regionale media in mindere mate. Dat maakt het in veel gevallen lastig aan te wijzen bij wie de verantwoordelijkheid ligt.

Het is de vraag welk effect provinciale en landelijke overheden sorteren met de verkiezingsactiviteiten die de kiezer moet informeren. Vertonen provincies onderling verschillen op bepaalde punten als gevolg van verschillen in aantal of soort activiteiten die zij voor de verkiezingen organiseren? Op welke punten is het beleid van de provincie tekortgeschoten wat betreft de informatievoorziening? Kan dit worden verbeterd en, op welke manier? En hoe verliep de onderlinge communicatie tussen provincies onderling en tussen provincie en landelijke overheid? Deze vragen zijn van belang wanneer, zoals in dit onderzoek, gekeken wordt naar het beleid van provincies en de interne en externe factoren waarmee zij in de aanloop naar Provinciale Statenverkiezingen te maken krijgen.

 

 

Onderwerp en doel

 

Het onderzoek gaat over het communicatiebeleid, zoals dat door de verschillende provincies is gevoerd, voorafgaande aan de Provinciale Statenverkiezingen 2003. Het onderzoek moet vaststellen in welke provincies het communicatiebeleid effectiever is uitgevoerd dan in andere. Hiervoor wordt enerzijds gekeken naar de activiteiten die per provincie zijn uitgevoerd om de kiezer te informeren of te motiveren. Anderzijds wordt de effectiviteit van deze activiteiten gemeten aan de hand van:

· de verkiezingsopkomst per provincie,

· het gebruik van de StemWijzer –de verkiezingshulp op internet–,

· de mate van media-activiteit,

· de tevredenheid van de verschillende hoofden Communicatie

· de deelnemende politieke partijen.

Deze vijf factoren moeten bij elkaar de effectiviteit van de provincie aantonen. Het verband dat vervolgens wordt gelegd tussen activiteit en effectiviteit van een provincie, moet uitwijzen of met het organiseren van activiteiten ook het nodige effect wordt bereikt. De vergelijking van de activiteit met de afzonderlijke factoren (bijvoorbeeld opkomst) zal eventuele verbanden hiertussen blootleggen.

De resultaten van dit onderzoek kunnen gebruikt worden voor toekomstige verkiezingscampagnes. De punten van zwakte van de huidige aanpak, die in dit onderzoek naar voren komen, kunnen in volgende beleidsplannen worden omzeild of tegengegaan. Maatschappelijk betekent dit dat de burger in de toekomst op een betere manier kan worden bereikt door de overheid, met als resultaat meer kennis en interesse bij het publiek over Provinciale Statenverkiezingen. Dit kan ertoe bijdragen dat het publiek ten aanzien van deze verkiezingen een actievere houding aanneemt en met een kritischer blik kijkt naar inhoudelijke en structurele aspecten van de provincie als bestuursorgaan.

Het betreft hier een beschrijvend/toetsend onderzoek, omdat wordt beschreven hoe ieder onderdeel van de effectiviteit gemeten kan worden en het verband tussen deze metingen vervolgens probeert aan te tonen. Het onderzoek kent naast een kwantitatieve ook een kwalitatieve component..

 

 

Probleemstelling

Het onderzoek zal worden gedaan naar de wijze van informeren van het kiezerspubliek door zowel de landelijke als de provinciale overheid, in de aanloop naar de Provinciale Statenverkiezingen, gehouden op 11 maart 2003. Er wordt gekeken hoe deze communicatie tussen zowel de verschillende provinciale overheden onderling, als tussen de provinciale en landelijke overheid verliep. Zo kan worden achterhaald welke structurele, dan wel toevallige factoren op de informatieoverdracht invloed hadden. Niet alleen probeert dit onderzoek elementen in het communicatiebeleid te verduidelijken en zo bij te dragen aan toekomstige campagnes. Het gaat er ook om vast te stellen wat het nut van een campagne is.

De aanpak van dit onderzoek veronderstelt dat het aantal activiteiten, ofwel de mate waarin de provincie actief is geweest, bijdraagt aan de mate waarin het publiek over de verkiezingen geïnformeerd is, daarmee verband houdend een politiek actievere burger (opkomst en gebruik StemWijzer) en een grotere aandacht van de media voor de verkiezingen. Het oordeel van zowel politieke partijen als van hoofden Communicatie over het verloop van het beleid zal naarmate deze drie genoemde factoren van kracht zijn, positiever uitvallen. Deze vijf factoren zullen in dat geval wijzen op een hogere effectiviteit van het beleid dat is gevoerd.

 

Vraagstelling:

In hoeverre was het communicatiebeleid van de verschillende provincies in de aanloop naar de Provinciale Statenverkiezingen 2003 effectief?

 

Deelvraagstelling:

1. In hoeverre waren de verschillende provincies in de aanloop naar de Provinciale Statenverkiezingen actief?

 

2a. In hoeverre was het communicatiebeleid van de verschillende provincies effectief, als gekeken wordt naar het verschil in verkiezingsopkomst ten opzichte van eerdere verkiezingen?

2b. In hoeverre was het communicatiebeleid van de verschillende provincies effectief, als gekeken wordt naar het gebruik van de provinciale StemWijzers?

 

3. In hoeverre was het communicatiebeleid van de verschillende provincies effectief, als gekeken wordt naar het oordeel van Hoofden Communicatie uit iedere provincie over het beleid?

 

4. In hoeverre was het communicatiebeleid van de verschillende provincies effectief, als gekeken wordt naar het oordeel van de provinciale politieke partijen over het beleid?

 

5. In hoeverre was het communicatiebeleid van de verschillende provincies effectief, als gekeken wordt hoeveel media-activiteit dit beleid heeft gegenereerd.

 

6. Welke suggesties ter vergroting van de effectiviteit van het communicatiebeleid van de verschillende provincies komen naar voren, als de deelvragen 2, 3, 4 en 5 met deelvraag 1 worden vergeleken?

 

 

Hoofdstuk 2 Theoretisch kader

 

In de politiek is, net als in het bedrijfsleven, behoefte aan effectieve communicatie. Het is in de afgelopen jaren steeds meer duidelijk geworden dat het bij effectieve communicatie niet gaat om het opvolgen van een aantal kant-en-klare tips. Wat gunstig is in de ene context kan in een andere desastreus uitpakken. Wat volgt is een behandeling van enkele theoretische aspecten die voor het onderzoek van belang zijn, telkens gerelateerd aan de praktijk van de Statenverkiezingen.

 

 

Politiek en maatschappij

 

Democratie

Schumpeter maakte als eerste onderscheid tussen een klassieke benadering van het begrip democratie en de moderne variant, de concurrentiedemocratie, hierop. De klassieke democratische theorie vatte hij samen als die institutionele regeling om tot politieke besluitvorming te komen, waarbij ten behoeve van het algemeen welzijn het volk zelf over de strijdpunten beslist door de verkiezing van individuen, die bijeen moeten komen om de wil van het volk uit te voeren. Volgens Schumpeter is de moderne benadering van democratie daarentegen de institutionele regeling om tot politiek besluitvorming te komen, waarbij individuen de beslissingsmacht verkrijgen door middel van een concurrentiestrijd om de stemmen van de burgers (Schumpeter, 1957, p. 250-252). Janowitz en Marvick (1956) leggen de nadruk op het feit, dat de taak van de kiezer in de theorie van de concurrentiedemocratie makkelijker is dan in de klassieke benadering. Als men echter nagaat wat er ook in de theorie van de concurrentiedemocratie van de kiezer wordt verwacht, dan is het nog maar de vraag of die taak werkelijk zo makkelijk is.

Dit kan worden getoond aan de hand van het responsible party model. Dit is in feite een systematische uitwerking van de eisen waaraan moet worden voldaan, wil het electoraat via de verkiezingen invloed kunnen uitoefenen op de besluitvorming. Een gedeelte van deze eisen heeft betrekking op de politieke partijen, een ander gedeelte op de kiezers. Omdat het hier geen kiezersonderzoek betreft, wordt alleen de eerste soort beschouwd. In de eerste plaats moeten de politieke partijen het electoraat verschillende alternatieven bieden, hetgeen wil zeggen dat er verschillen moeten bestaan tussen de partijen wat hun beleidsopvattingen betreft. Ten tweede moet er een bepaalde mate van samenhang bestaan binnen de politieke partijen.

Janowitz en Marvick (1956) hebben een poging gedaan om de criteria te operationaliseren, waaraan de concurrentiedemocratie moet voldoen, wil er sprake zijn van representative government. De moderne klassieke democratische theorie heeft volgens hen in reactie op de klassieke democratische theorie, vooral twee aspecten benadrukt. Ten eerste noemen zij de door Schumpeter (1957) ontwikkelde opvatting, dat concurrentie tussen de kandidaten het belangrijkste criterium is voor democratische verkiezingen. Politieke concurrentie is volgens hen echter niet genoeg om een representative government te verzekeren. De kwaliteit van een verkiezing vervolgens, hangt af van een vijftal factoren:

 

Bovenstaande criteria hebben aldus betrekking op verkiezingen in het algemeen en stellen min of meer vast of verkiezingen gelegitimeerd zijn. Wat dit onderzoek over de Provinciale Statenverkiezingen betreft, zijn vooral factor een en drie van belang. De opkomst bij deze verkiezingen ligt rond de vijftig procent. Op basis hiervan kan men echter niet met zekerheid zeggen dat er sprake is van desinteresse of ontevredenheid. Het vermoeden hiervoor bestaat echter wel. In dit onderzoek wordt daarom uitgegaan van onder meer een relatie tussen de opkomstcijfers en de effectiviteit van de ondernomen activiteiten. Deze activiteiten hebben daarnaast invloed op punt drie, in hoeverre er sprake is geweest van een discussie over de strijdpunten en kandidaten. De heftigheid van deze discussie wordt in dit onderzoek gemeten aan de hand van het StemWijzergebruik en de mate van media-aandacht.

 

Bij wijze van verduidelijking geeft de volgende passage een beeld van hoe er niet zelden tegen de provincie wordt aangekeken.

 

‘De in verhouding tot landelijke verkiezingen lage opkomst voor de provincie, is goed te verklaren door de redenen waarom kiezers stemmen te bezien. In de provincie bestaan nauwelijks aansprekende issues, laat staan onderwerpen die polariserend werken en dus meer kiezersinteresse opwekken. Dit hangt samen met de beperkte planning- en ordeningstaak van de provincie. Er valt zeker wel wat te kiezen, maar het spreekt nauwelijks tot de verbeelding. Daarnaast heeft ideologische verwantschap met een partij veel minder betekenis in de provinciale context. Ten derde blijven de provinciale lijsttrekkers van de partijen vaak onbekend voor de kiezer, ze weten niet hoe ze er uitzien, wat ze gedaan hebben en wat ze willen. Juist in een tijd waarin alles steeds meer draait om goed overkomen op televisie, is het uitblijven hiervan een groot gemis.

Het is daarom goed voor te stellen dat kiezers het ofwel laten afweten, of hun stem laten bepalen door wat er landelijk gebeurt. Dat maakt het op haar beurt verklaarbaar dat partijen nog steeds hun landelijke voortrekkers inzetten ter ondersteuning van provinciale kandidaten’ (Van der Eijk & Schild, 1992).

 

Het voorgaande citaat brengt met zich mee dat enige terughoudendheid op zijn plaats is bij het denken over decentralisatie van taken van het rijks- naar het provinciaal niveau. Er is hierbij zeker geen sprake van onderwerping van deze taken aan de instemming van en controle door kiezers via verkiezingen (Van der Eijk, et al., 1992).

 

Verkiezingen

 

Er bestaat geen overeenkomst over de vraag of, en zo ja aan welke eisen een politiek systeem, naast regelmatige, vrije en eerlijke verkiezingen, moet voldoen. Verkiezingen hebben een bijzondere betekenis door de gevolgen die zij hebben voor een politiek systeem. Verkiezingen dragen echter niet zonder meer bij tot democratie. Daarvoor is tenminste een aantal voorwaarden vereist. Uiteraard moet een vrije keuze gewaarborgd zijn, en moet de kiezersuitspraak consequenties hebben voor de personele bezetting van de te verkiezen posten. Verder moet de verkiezing open zijn, dat wil zeggen dat er geen restricties vooraf bestaan op welke partijen of kandidaten mee mogen dingen naar de kiezersgunst, en moeten vrijheid van meningsuiting, van vergadering en van drukpers er zorg voor dragen dat de partijen zich adequaat aan kiezers kunnen presenteren.

Als aan deze eisen is voldaan, wordt doorgaans aangenomen dat verkiezingen bijdragen aan democratische verhoudingen. Dan namelijk wordt in verkiezingen uitdrukking gegeven aan de liberaal-democratische waarden van politieke vrijheid, gelijkheid en volkssoevereiniteit. Onder deze omstandigheden wordt een kiezersuitspraak opgevat als het gevolg van individuele keuzes die om welke reden dan ook zijn gemaakt tussen de elkaar beconcurrerende partijen of kandidaten. Op dat moment kan de keuze worden opgevat als legitimering van de aan die keuze ontleende politiek macht.

In grote en complexe politieke systemen zijn moderne massamedia, en in het bijzonder televisie, onontbeerlijk om de noodzakelijke informatie over partijen en politici, hun standpunten en optreden en hun onderlinge verschillen te krijgen. De media fungeren daarbij niet slechts als ‘doorgeefluik’ voor de uitingen van politieke partijen, maar verschaffen op eigen initiatief informatie die naar hun mening nieuwswaarde heeft, of voor hun publiek noodzakelijk is om zich over het nieuws een adequaat oordeel te kunnen vormen. Daarnaast vervullen de media een controlefunctie, waarin pretenties van regering, partijen of anderen worden getoetst, becommentarieerd of geïnterpreteerd. De media leveren ook voor een aanzienlijk deel de stof voor de tussen burgers onderling plaatsvindende gesprekken, discussies en pogingen een ander van de eigen standpunten te overtuigen. Op deze manieren dragen de media bij aan de meningsvorming en het komen tot een politieke keuze onder kiezers (Van der Eijk, 1992).

Uit bovenstaande volgt dat de inhoudelijke kwaliteit van de politieke communicatie medebepalend is voor de legitimering van via verkiezingen verkregen politiek macht. In het kader van verkiezingen voor Provinciale Staten, is een van de eerste vragen die men zich moet stellen dan ook wat de inhoud van de politieke communicatie voorafgaand aan een verkiezing is geweest. In het verlengde daarvan ligt de vraag welke mogelijkheden kiezers daaruit hebben verkregen voor een relevante afweging van alternatieven.

Als een van de belangrijkste aspecten bij deze afweging kan de campagnevoering van de provinciale partijen worden gezien. Hierbij wordt het de kiezer immers duidelijk waartussen hij kan kiezen. Omdat deze campagnevoering veelal niet erg van de grond komt, zit hierin een probleem wat betreft de legitimatie. Naar aanleiding van de Statenverkiezingen van 1991 was de strekking van het betoog van de campagneleiders dat het aan de voorbereidingen door de campagneleiders niet heeft gelegen, wel aan de onvoorspelbare buitenwereld. De campagneleiders waren het er in opvallende mate over eens dat de lage opkomst structurele oorzaken heeft en niet geweten kan worden aan de campagne (Van Praag jr., 1992).

In theorieën over democratie wordt de nadruk gelegd op de noodzaak van vrije meningsuiting, vrije nieuwsgaring, vrijheid van drukpers en vrijheid van verspreiding van informatie. Deze worden gezien als basis voor voldoende inhoudelijke relevante en zinvolle politieke communicatie. De vrijheden leiden expliciet tot de voorwaarde dat de inhoud van politieke communicatie relevant moet zijn voor datgene wat door de verkiezingen wordt beslist. Vooral in geval van verkiezingen van de tweede orde (waartoe Provinciale Statenverkiezingen behoren), kan hierin een probleem zitten, willen die tenminste meer teweegbrengen dan alleen het doen bezetten van verkozen posities zonder verdere gevolgen voor legitimering, controle en representatie. Wil het electorale proces een heldere boodschap kunnen opleveren, dan is het op zijn minst noodzakelijk dat het electoraat adequaat is geïnformeerd over de belangrijkste problemen en doelstellingen, prioriteiten, concrete beleidsvoornemens en daadwerkelijk optreden van de aan de verkiezing deelnemende partijen (Van der Eijk, 1992).

In dit onderzoek is de bedoeling uit te vinden in hoeverre dit doel van informeren van de burger bereikt is. De indruk is dat men in vergelijking met voorgaande verkiezingen op dit gebied meer bereikt heeft, en dat dit in de toekomst nog zal toenemen.

 

 

Cultuur

 

Cultuur wordt vaak als het cement van een organisatie gezien. De impliciete gedachte is dat gemeenschappelijke opvattingen over omgaan met elkaar, klanten en leiding garant staan voor wederzijds begrip, samenwerking en identificatie met de organisatie en uiteindelijk het behalen van succes.[1] In het recente wetenschappelijke debat over de grondslagen van communicatie in organisaties is een aantal trends waar te nemen.

Allereerst wordt het belang van het geïntegreerd aanpakken van interne en externe communicatie onderstreept. Voortdurende afstemming is nodig om geen verschillen te laten ontstaan tussen bijvoorbeeld het beeld dat aan klanten over de organisatie wordt verspreid en de manier waarop mensen in de organisatie met elkaar omgaan. Ten tweede wordt interne communicatie steeds meer in direct verband gebracht met de cultuur en identiteit van de organisatie (zie o.a. Van Riel, 1992 en De Moor, 1996).

Uit ervaringen in de afgelopen jaren blijkt dat een organisatiecultuur niet te beheersen en verandering ervan niet van bovenaf te manipuleren is. Op het moment dat men de huidige organisatie van de provincie derhalve op verschillende punten niet goed zou functioneren, en dit te wijten is aan de organisatiecultuur, dan zou dit volgens dit uitgangspunt problemen geven. Voor de onbeheersbaarheid en onveranderlijkheid zijn volgens Koot twee redenen te noemen. Ten eerste dat mensen zelf zin toekennen aan hun bestaan. Leden van een organisatie bepalen zelf in hoeverre zij nieuwe werkelijkheidsconcepties en waarden als richtinggevend voor hun gedrag accepteren. In zekere mate kan gedrag nog worden afgedwongen, voor de achterliggende waarden geldt dat echter nauwelijks.

Een tweede belangrijke reden voor de geringe mate waarin cultuurverandering is te sturen is gelegen in het feit dat een cultuur met dezelfde cultuur veranderd moet worden. Omdat mensen alleen kunnen denken vanuit bestaande referentiekaders, zullen nieuwe concepten altijd via deze kaders geïnterpreteerd worden. De aanwezige cultuur is daarmee tegelijkertijd object van en middel tot verandering. Organisatiecultuurverandering impliceert dus altijd een ‘Baron van Münchhausen-probleem’: hoe trek ik mezelf uit het moeras? Een geplande en van bovenaf gestuurde transformatie van een niet meer zo jonge organisatie is dus een nauwelijks te realiseren doel (Koot, 1998).

De Statenverkiezingen staan qua grootte van de onderwerpen tussen de gemeenteraadsverkiezingen en landelijke verkiezingen in. Volgens de benadering waarbij het opkomstpercentage gerelateerd wordt aan de afstand van de onderwerpen tot de burger, is de verwachting dat het publiek voor de gemeenteraadsverkiezingen, waarbij het om onderwerpen dicht bij huis gaat, het makkelijkst te bereiken, interesseren en motiveren is. De landelijke overheid heeft daarnaast ook grote invloed op de persoonlijke levenssfeer, daar zij beslist over bijvoorbeeld de hoogte van belastingen, de organisatie van het onderwijs en de zorg en de handhaving van internationale betrekkingen. De provincie zit tussen de gemeentelijke en landelijke overheid in: zij richt zich vooral op de intermediaire positie, voert veel rijkstaken uit en houdt toezicht op gemeenten.

Een mogelijke verklaring voor het uitblijvende succes (gekeken naar het opkomstpercentage) van Provinciale Statenverkiezingen, is dat de onderwerpen waarover de provincie beslissingen treft, het publiek weinig raken. Deze zouden slechts in indirect verband staan tot de burger, wat er voor zorgt dat hij maar moeilijk voor deze verkiezingen warmloopt. De stelregel voor deze verklaring is dat het publiek minder geïnteresseerd is, naarmate verkiezingen zich meer op een algemeen niveau afspelen. Landelijke verkiezingen, ofwel de verkiezingen op het algemeen landelijk niveau, zijn slechts in trek omdat de media zich met man en macht op van alles en nog wat rondom deze verkiezingen storten. Naarmate het niveau lager wordt en de onderwerpen kleinschaliger, is er minder voor nodig om alle kiesgerechtigden middels de media en interpersoonlijke (mond-op-mond) communicatie te bereiken (de groep is immers kleiner). In elk geval speelt de betreffende overheid een bepalende rol in het overbrengen van deze informatie op het publiek.

Een andere verklaring voor het stemgedrag is het uitgangspunt dat de motivatie om te stemmen afneemt, naarmate de verstedelijking toeneemt. Vooral in landelijke provincies is deze ontwikkeling goed waar te nemen. Het steeds verder uitbreiden van stedelijke gebieden heeft zijn uitwerking op de trouwheid van de kiezer. Stedelijke gebieden zijn grootschaliger en anoniemer en zorgen ervoor dat mensen eerder geneigd zijn van hun recht op stemmen af te zien dan wanneer zij in een meer landelijk gebied zouden leven.

 

 

Toegang tot media

 

Processen van interactie tussen politiek en media spelen een voorname rol in dit onderzoek en zijn daarom relevant om nader te beschouwen. De politieke logica refereert aan de eisen aan het adres van de media van machtige en georganiseerde belangen in de maatschappij, zowel binnen als buiten de formele politieke institutie. De politieke logica is gericht op het behouden van de media voor de doeleinden van personen bij wie op dat moment de macht ligt, zowel bedrijfsmensen als machthebbers. In het algemeen werkt de politieke logica tegen de autonomie van de massamedia in, hoewel mediavrijheid gezien wordt als een vooraanstaand principe (McQuail, p. 484).

Voor provincies geldt in verkiezingstijd, met de steeds prominentere aanwezigheid van de media in de samenleving, dat de effectiviteit van hun informeren van het publiek steeds meer in handen ligt van deze media. In de aanloop naar de verkiezingen zijn de provincies nieuwswaardig voor de media. Deze nieuwswaardigheid hangt samen met de functie van koppeling tussen publiek en politiek, die de media binnen de samenleving innemen. Omdat het publiek bij verkiezingen gebruik maakt van zijn recht om invloed uit te oefenen op de politiek, is het een voor de media inherente taak hierover te rapporteren. Althans, dat is de situatie die zich in een perfect georganiseerde democratische staat zou voordoen.

Een onderwerp, in dit geval provinciale verkiezingen, dat nieuwswaardig is voor de media, wordt ook afhankelijk van de media. Het publiek ontleent het beeld dat het heeft van dit onderwerp immers voor een deel aan de media. Voor politieke partijen betekent dit vaak dat een verkiezingsprogramma een poging wordt om de nieuwsthema’s in de verkiezingscampagne te bepalen (Kleinnijenhuis, 1998).

Aangenomen dat de aandacht van (massa)media voor provinciale verkiezingen meer uitblijft dan die voor landelijke verkiezingen, is de constatering dat er ook in Nederland steeds meer sprake is van horse-raceverslaggeving wellicht van belang (Van Praag en Van der Eijk, 1999). In toenemende mate bestaat het nieuws uit meldingen over wie er succesvol is en wie niet. Een achterliggende verklaring is dat in onze informatiemaatschappij reputaties steeds belangrijker worden in beslissingen omdat het bewustzijn groeit dat men persoonlijk slechts een exponentieel afnemende fractie van de kennis bezit die men zou kunnen bezitten. Ook de aandacht voor opiniepeilingen groeit, omdat deze media de gelegenheid bieden om uitspraken te doen over het succes en het falen van politici. Daarnaast neemt de relatieve aandacht voor issue nieuws af, omdat journalisten lijken in te zien dat issue nieuws, zeker in een verkiezingsstrijd, voor kiezers minder motiverend is om deel te nemen aan de verkiezingen dan conflictgeoriënteerd nieuws of horserace nieuws (Kleinnijnenhuis, 1998). Omdat het in de provincie voor partijen veel moeilijker is zichzelf aan het publiek te presenteren, is er in kleinere mate conflicterend of horserace nieuws mogelijk, waardoor ook de media-aandacht zou kunnen achterblijven.

Als er gekeken wordt hoe de provinciale verkiezingen via de media op het publiek overkomen, dan moet er rekening mee worden gehouden, dat het imago van deze verkiezingen niet alleen afhangt van media-inhoud. Er is publieksonderzoek nodig om het beeld compleet te maken. Dat neemt niet weg dat de journalistiek een grote rol speelt bij de vorming van het imago bij het publiek.

In grote en complexe politieke systemen zijn moderne massamedia, en in het bijzonder televisie, onontbeerlijk om de noodzakelijke informatie over partijen en politici, hun standpunten en optreden en hun onderlinge verschillen te krijgen. De media fungeren daarbij niet slechts als ‘doorgeefluik’ voor de uitingen van politieke partijen, maar verschaffen op eigen initiatief informatie die naar hun mening nieuwswaarde heeft, of voor hun publiek noodzakelijk is om zich over het nieuws een adequaat oordeel te kunnen vormen. Daarnaast vervullen de media een controlefunctie, waarin pretenties van regering, partijen of anderen worden getoetst, becommentarieerd of geïnterpreteerd. De media leveren ook voor een aanzienlijk deel de stof voor de tussen burgers onderling plaatsvindende gesprekken, discussies en pogingen een ander van de eigen standpunten te overtuigen. Op deze manieren dragen de media bij aan de meningsvorming en het komen tot een politieke keuze onder kiezers (Van der Eijk, 1992).

McQuail (2000) onderscheidt vijf factoren waarvan de toegang van bronnen (in dit geval provincies en politieke partijen) tot de media afhangt, te weten:

 

· efficiënte bevoorrading van geschikt materiaal

· macht en invloed van de bron

· goede publieke relaties

· afhankelijkheid van de media van beperkte bronnen

· wederzijds zelfbelang bij de berichtgeving

 

Met deze kennis naar de provinciale verkiezingen kijkend, speelt het op de achtergrond blijven van deelnemende partijen waarschijnlijk een rol in het uitblijven van media-aandacht. Zonder politieke partijen die met uiteenlopende standpunten op de voorgrond treden, is er voor journalisten nauwelijks mogelijkheid om het nieuws op bovengenoemde manieren te brengen. Daardoor kan de interesse van de media, die zich idealiter in de positie van het publiek proberen te verplaatsen, voor deze verkiezingen afnemen.

In het kader van verkiezingen voor Provinciale Staten, is een van de eerste vragen die men zich moet stellen wat de inhoud van de politieke communicatie voorafgaand aan verkiezingen is geweest. In het verlengde daarvan ligt de vraag welke mogelijkheden kiezers daaruit hebben verkregen voor een relevante afweging van alternatieven. Als een van de belangrijkste aspecten bij deze afweging kan de campagnevoering van de provinciale politieke partijen worden gezien. Hierbij wordt het de kiezer immers duidelijk waartussen hij kan kiezen.

Er kan worden gesteld dat de massamedia niet centraal staan in dit politieke proces: partijen hebben vaak te weinig geld voor de inkoop van zendtijd op landelijke, dan wel regionale omroepen en zijn daardoor eerder geneigd de straat op de gaan om de burger op persoonlijke wijze over te halen, met alle gevolgen voor het bereik van dien. De mate van professionaliteit wat betreft media ligt voornamelijk bij het landelijke gedeelte van de partijen. Daarnaast blijft de aandacht vanuit de media zelf (‘free publicity’) vaak uit omdat er te weinig oog is voor de onderwerpen die er spelen. Een actieve opstelling van de provincie hierbij kan helpen om zowel politieke partijen als de media een actievere houding te laten aannemen.

 

 

Strategieën

 

Vatten we de provincie op als een professionele onderneming en verbinden we daaraan de kenmerken die voor dit soort van organisaties gelden, dan kan de provincie ook als zodanig benaderd worden. In dit opzicht valt het containerbegrip effectiviteit, het sleutelbegrip in dit onderzoek, te omschrijven als het resultaat van vooraf geformuleerde doelstellingen. Het gaat dan dus om de doeltreffendheid van de uiteindelijke doelen. In dit onderzoek wordt effectiviteit geformuleerd als de mate waarin het beleid met succes is uitgevoerd. Dit succes wordt vervolgens meetbaar gemaakt met behulp van vijf factoren. De meest logische metingen in dit soort onderzoek worden gedaan naar bereik, impact, kosten, verandering in kennis, attitude en gedrag als gevolg van een communicatie-uiting (Damoiseaux en Van Ruler, 1998). Van deze zes factoren wordt in het onderzoek voorhanden voorbijgegaan aan verandering in kennis (publieksonderzoek). Een vergelijkend onderzoek naar de invloed van de overheidscommunicatie op de verandering in kennis bij het publiek, kan een zeer goede aanvulling vormen.

In het Correspondentie, Consistentie en Correctheid (CCC)-model van Renkema is de effectiviteit van een uiting vooral gebaseerd op de correspondentie tussen zender en gebruiker. In aflopende mate van invloed op de effectiviteit kunnen vijf factoren worden onderscheiden: tekstsoort (welk medium wordt gebruikt), inhoud, opbouw (logisch, consequent), formulering (niet te moeilijk, te saai of te populair, eenheid van stijl) en presentatie (vormgeving) (Renkema, 1998). Hoewel deze theorie vooral bedoeld is voor de analyse van geschreven teksten (veelal brieven), kunnen op deze manier ook andere vormen van media worden bekeken.

Als kernprobleem van communicatie wordt vaak gezien de onzekerheid die het met zich meebrengt. Generaties van communicatiedeskundigen zijn opgegroeid met een communicatiemodel dat bestaat uit vier elementen die procesmatig aan elkaar worden gekoppeld: een zender stuurt een boodschap via een medium naar een ontvanger. Er kan aan worden toegevoegd dat hieruit een effect ontstaat dat door feedback weer door de zender kan worden opgevangen en kan leiden tot bijstelling van de geplande volgende boodschap.

In de literatuur wordt vaak gesteld dat men met relatief eenvoudige systemen op de achtergrond als bijvoorbeeld bovenstaand, redelijk veel te bereiken valt. De inzet van communicatiemiddelen lijkt te kunnen worden geoptimaliseerd met behulp van leerpsychologische en sociaal-psychologische theorieën (Van Woerkom, 1982). In de loop der tijd is men echter steeds vaker gaan onderkennen, dat communicatie-effecten niet zozeer de neerslag van een zorgvuldig uitgedachte boodschap zijn, maar eerder een constructie, afhankelijk van de interpretaties van de gebruiker. Deze interpretatie verschilt aanzienlijk per gebruiker en is sterk afhankelijk van tijd en plaats (Van Woerkom, 1998).

Van Woerkum onderscheidt vijf punten, waarmee rekening moet worden gehouden bij de analyse van communicatieprocessen:

Relevant om in het kader van deze vijf factoren die de onzekerheid van communicatie-effecten vergroten, te bekijken is onder andere de theorie over ‘framing’. Onder deze term wordt volgens Schön en Rein een ‘set of readiness to distinguish some aspects of the situation rather than others to classify and value these in this way rather than that’ (Schön & Rein, 1994). Frames gebruikt men vooral om in complexe situatie een zekere orde, stabiliteit en coherentie in te vinden (Turner, 1991). Door ‘frames’ zien we bepaalde zaken wel en andere niet. Ze worden historisch gevormd, vanuit een bepaalde cultuur en passen in een bepaalde identiteit. Vaak zijn ze impliciet. De totstandkoming en de invloed ervan op de verwerking van informatie is een moeilijk voorspelbaar mechanisme. Van Woerkum waarschuwt daarom voor een te grote lichtzinnigheid.

Ook empathieontwikkeling is van belang. Empathie is het vermogen om cognitieve en affectieve processen aan de gebruikerskant te stimuleren. Een zender die iets wil bereiken, moet zijn empathie met zijn doelgroep zien te verhogen. Dat kan alleen via intensieve interactie. Daarbij gaat het verder dan jezelf af te vragen wat precies de gewenste doelstelling is, en wat daarvoor de beste middelen zijn. De complexiteit van het proces is ook afhankelijk van de aard van de doelstelling. Een kennisverhogende campagne behoort eerder tot de mogelijkheden dan een campagne waarin wordt geprobeerd de gebruiker ergens van te overtuigen (persuasieve voorlichting).

Framing en empathieontwikkeling zijn voor dit onderzoek vooral van belang bij de ontvangst (perceptie) van door de (provinciale) overheid uitgezonden boodschappen door het publiek, welke van invloed is op attitudes en gedrag bij het publiek. Gedrag wordt in dit onderzoek in de vorm van StemWijzergebruik en opkomstpercentage gemeten.

 

 

Hypothesen

 

1. Het communicatiebeleid van een provinciale overheid blijkt effectiever, naarmate deze provincie actiever is geweest.

 

2a. Het verschil in verkiezingsopkomst is in een provincie in positieve zin groter ten opzichte van eerdere verkiezingen, naarmate deze provincie actiever is geweest.

2b. Het gebruik van de verschillende provinciale StemWijzers binnen een provincie is groter, naarmate deze provincie actiever is geweest.

 

3. Het oordeel van de communicatieadviseur van een provincie over het beleid is positiever, naarmate deze provincie actiever is geweest

 

4. Het oordeel van de verschillende politieke partijen van een provincie over het beleid is positiever, naarmate deze provincie actiever is geweest

 

5. De hoeveelheid media-activiteit binnen een provincie is groter, naarmate deze provincie actiever is geweest.

 

 

Hoofdstuk 3 Methode

 

Opzet

 

In alle twaalf provincies zijn verschillende activiteiten ondernomen, om de burger over de aanstaande verkiezingen te informeren. Deze worden allereerst in kaart gebracht en vormen de basis voor het maken van vergelijkingen tussen provincies onderling. Vervolgens wordt niet alleen gekeken naar de verkiezingsopkomst per provincie, maar ook naar de mate van gebruik van de twaalf verschillende provinciale StemWijzers. De laatste twee vormen een indicatie van het belang dat het publiek aan de provinciale verkiezingen hecht. Er is hierbij gekozen voor de StemWijzer, omdat deze in de aanloop naar de verkiezingen de belangrijkste gezamenlijke activiteit vormde en daarmee veelzeggend kan zijn over het succes van de gevoerde campagne. In alle twaalf provincies heeft de StemWijzer een prominente rol heeft gespeeld bij de poging het publiek bij de verkiezingen te betrekken. Ook is er een overeenkomst gesloten tussen het IPP (maker van de StemWijzer) en 14 regionale radio- en tv-zenders, die hierbij toegang kregen tot de resultaten op de verschillende stellingen van de StemWijzer in hun provincie. Het gebruik van de StemWijzer is voor de Provinciale Statenverkiezingen wat laag gebleven. Alleen in de dagen voor de verkiezingen was er een sterke toename in het gebruik te constateren.

Hiernaast wordt met behulp van telefonische interviews nagegaan hoe de hoofden Communicatie van de verschillende provincies het gevoerde communicatiebeleid van hun eigen provincie beoordelen. Naast dit telefonisch onderzoek wordt met enkele van hen persoonlijk gesproken, om dieper te kunnen ingaan opvallende resultaten in de provincie of gegevens uit de telefonische gesprekken. Bovendien wordt onderzocht hoe de deelnemende politieke partijen per provincie het communicatiebeleid van de provincie waarderen. Dit zal gebeuren aan de hand van een enquête, die per e-mail wordt verstuurd. Ook wordt in kaart gebracht hoe groot de variabele media-activiteit is geweest. Het gaat daarbij zowel om het attenderen van de burger op de aanstaande verkiezingen, als om de inhoudelijke weergave van de verkiezingen. Deze laatste factor voor de bepaling van de effectiviteit van het communicatiebeleid wordt onder meer vastgesteld aan de hand van twee interviews, te weten een met Hens Meengs, communicatieadviseur Interprovinciaal Overleg (IPO) voor de landelijke aandacht, en een met Leo Hauben, hoofdredacteur L1 en coördinerend voorzitter ROOS, een organisatie die de belangen behartigt van de publieke regionale omroepen in Nederland, voor de regionale media-aandacht. Het interview met de heer Meengs dient tevens als achtergrond voor de analyse van het verloop van de onderlinge communicatie tussen provincies en landelijke overheid. Hierop wordt ook ingegaan in de gesprekken met de Hoofden Communicatie.

Als onafhankelijke (effectsorterende) variabele geldt de activiteit van een provincie. De afhankelijke (effectmetende) variabele is de effectiviteit van het door een provincie gevoerde beleid. Deze effectiviteit wordt op zijn beurt vastgesteld aan de hand van vijf (sub-)afhankelijke variabelen, te weten de variabelen ‘opkomst’, ‘StemWijzergebruik’, ‘oordeel van de provincie’, ‘oordeel van de partijen’ en ‘media-activiteit’. Hieronder is schematisch weergegeven hoe de effectiviteit van het gevoerde beleid in dit onderzoek wordt vastgesteld.

 

Figuur1. Schematisch verband tussen activiteit en effectiviteit

 

 

Meetmethode

 

Door het onderzoeksobject, namelijk het communicatiebeleid, met verschillende werkwijzen te benaderen en te belichten, wordt geprobeerd een compleet beeld te verkrijgen.

 

 

Gegevensverzameling

 

Met behulp van vijf variabelen – opkomst, StemWijzergebruik, media-activiteit en de oordelen van de hoofden en politieke partijen– wordt geprobeerd het verband tussen activiteit en effectiviteit van het communicatiebeleid van provincies aan te tonen. Hieronder wordt weergegeven op welke wijze de vijf variabelen worden gemeten.

 

Communicatieactiviteiten

De gegevens die worden gevonden bij deelvraag 1 (communicatieactiviteiten) worden in kaart gebracht en dienen voor iedere provincie als startpunt voor de analyse van de rest van de gegevens. De gegevens bij deelvraag 1 worden naar waarde geschat door te kijken naar het aantal activiteiten dat is ondernomen en de grootte van het totaalbudget, dat voor deze activiteiten is begroot.[2] Om het communicatiebeleid te concretiseren is dus slechts gekozen voor het in kaart brengen van de communicatieactiviteiten en het budget als basis voor vergelijking. Het valt te verwachten dat er binnen iedere provincie afzonderlijk gestuit wordt op specifieke factoren die in het communicatieproces (in de breedste zin) van belang zijn geweest. Wanneer er in een bepaalde provincie ontevredenheid geconstateerd wordt over bijvoorbeeld de samenwerking met andere provincies, of de interesse van de media, dan zal hiervan rekenschap worden gegeven in de resultaten.

Vervolgens wordt op basis van vier aspecten per provincie een beoordeling gegeven. Deze vier aspecten zijn:

De vier aspecten worden afzonderlijk beoordeeld, waarna de vier scores per provincie bij elkaar opgeteld worden en er een gemiddelde kan worden berekend. Het hoogste gemiddelde wordt vervolgens gelijk gesteld aan tien, waarna voor de andere provincies de relatieve score wordt vastgesteld. Zo blijft de variabele activiteit onderling vergelijkbaar met de andere variabelen in het onderzoek.

 

Figuur 2. Factoren ter bepaling van activiteit

 

Opkomst en StemWijzers

De gegevens voor deelvraag 2 (opkomst en StemWijzer) worden, zoals vermeld, verkregen met behulp van de analyse van de website www.provincies.nl van het IPO en analyse van de gegevens over de StemWijzer binnen het IPP.

Voor iedere provincie is een StemWijzer ontwikkeld (voor de provincie Fryslân zelfs twee: een Nederlands- en een Friestalige versie). Deze StemWijzers zijn in de verschillende provincie door een uiteenlopend aantal mensen bezocht.

Bij deze indicator zijn er twee mogelijke oorzaken aan te wijzen voor de hoeveelheid bezoekers. Ten eerste is er wat wel genoemd wordt de basisinteresse bij de burger voor verkiezingen. Deze wordt onder meer bepaald door het normen- en waardenpatroon van de inwoners van een provincie. De tweede mogelijke oorzaak ligt in de effectiviteit van het communicatiebeleid, zoals dat door provincies is gevoerd. In de ene provincie is meer gedaan om de burger op de aanwezigheid van de StemWijzer op het internet (o.a. op www.stemwijzer.nl en, voor bijvoorbeeld Drenthe, op www.drenthe.nl) te wijzen, dan in de andere. Met de regio-omroepen in alle provincies is in het kader van de StemWijzer een samenwerking afgesproken. De StemWijzer werd ook op de sites van de omroepen geplaatst en de omroepen maakten daarvoor extra publiciteit. In ruil hiervoor kregen zij de beschikking over de gegevens van de bezoekersaantallen en de scores op de stellingen, welke in de verkiezingsprogrammering gebruikt konden worden. Over de effectiviteit van deze samenwerking zal worden ingegaan in het interview met de coördinerend hoofdredacteur van ROOS. De gegevens over bezoekersaantallen van de verschillende StemWijzers komen uit het IPP-archief. Er wordt voor deze bepaling gekeken naar het gebruikersaantal, dus het aantal mensen dat de StemWijzers heeft bezocht.

De scores voor de opkomst worden gecorrigeerd voor de factor ‘basisopkomst’. Dit gebeurt door deze factor voor iedere provincie op te tellen bij het cijfer dat overeenkomt met de plaats van deze provincie in de rangorde van opkomst 2003. Net als bij deelvraag 1, ontstaat bij deelvraag 2 zowel voor ‘opkomst’ als voor ‘StemWijzergebruik’ per provincie een beoordeling. Bij ‘StemWijzergebruik’ is niet gekozen voor een correctie op basis van gegevens over eerdere provinciale verkiezingen, omdat de huidige situatie onvoldoende vergelijkbaar is met die van vier jaar geleden. Om dezelfde reden wordt ook voor de nu volgende andere factoren niet gecorrigeerd op basis van eerdere gegevens.

 

Oordeel hoofden Communicatie

Er worden telefonische interviews gehouden met de hoofden Communicatie van iedere provincie. Deze personen zijn betrokken bij zowel het opstellen als uitvoeren van het provinciale communicatiebeleid en worden derhalve in staat geacht een goed overzicht over het geheel te hebben.

Bij deze persoonlijke interviews (deelvraag 4) zal het gaan om kwalitatief onderzoek. Het object van onderzoek bij kwalitatief, interpretatief onderzoek is de leefwereld van de betrokkenen, hun betekeniswereld en werkelijkheidsconstructies. Niet alleen wetenschappers interpreteren die werkelijkheid, het is een voorgeïnterpreteerde werkelijkheid, omdat zij als leefwereld al betekenis gekregen heeft voor en door de betrokkenen. In het onderzoek moet daaraan recht worden gedaan en dat heeft gevolgen voor de methodische werkwijze (Wester, p.21).

In deze interviews wordt naast de verkiezingen ingegaan op de vraag welke van de vijf variabelen (media-activiteit, opkomst, StemWijzergebruik, oordeel hoofden en oordeel politieke partijen) als meest zeggend over de effectiviteit van het beleid wordt geacht, welke daarna, enzovoorts. Het stramien aan vragen dat in ieder interview zal terugkomen is opgesteld door dit voor te leggen aan medestudenten en aan de interne opdrachtgevers van het IPO en IPP. De uiteindelijke terugkerende vragenlijst bevat tien vragen plus een vraag naar de rangorde van de te onderzoeken variabelen (zie bijlage V).

Wie de betekenissen in interacties of de perspectieven van waaruit gehandeld wordt wil achterhalen, moet zich een ‘insiderview’ aanmeten. Dit betekent dat men vaak participerende observatie toepast, waarin men in nauw contact met de betrokkenen staat. De onderzoeker moet leren denken en voelen zoals de deelnemers dat doen. Alleen op die manier kan hij zicht krijgen op belangrijke aandachtspunten voor de probleemstelling (Wester, p.32).

Voor het eerste deel van deze deelvraag wordt met behulp van drie onafhankelijke beoordelaars een oordeel gevormd over hoe effectief de geïnterviewden het communicatiebeleid van hun eigen provincie inschatten. De beoordelaars nemen de uitgetypte interviews door en becijferen deze op grond van welke inschatting de geïnterviewde zelf over het door zijn of haar eigen provincie uitgevoerde communicatiebeleid maakt. Eigenlijk wordt dus geprobeerd te achterhalen welk oordeel impliciet al in de uitgetypte interviews staat. De beoordelingen bij elkaar vormen de gemiddelde, uiteindelijke score voor deze variabele. Daarnaast wordt aan de beoordelaars wordt gevraagd opvallende dingen te noteren, welke worden meegenomen bij de weergave van algemene conclusie op basis van de interviews. Dit vormt het tweede gedeelte van deze deelvraag.

De oordelen van de geïnterviewde communicatiemensen over het gevoerde communicatiebeleid zijn natuurlijk afhankelijk van een aantal factoren. Met de factor ambitie, bijvoorbeeld, kan moeilijk rekening worden gehouden. Daarnaast kunnen ook factoren als overdrijving, inschatting op basis van onzekerheden en stemming een rol spelen. De factoren overdrijving en inschatting op basis van onzekerheden kunnen in zekere mate worden gecontroleerd door te kijken naar de onafhankelijk van het interview verzamelde gegevens over bijvoorbeeld StemWijzergebruik, media-activiteit, en dergelijke. Verder zal met dit punt rekening worden gehouden bij de paragraaf over de weging van de vijf in dit onderzoek spelende factoren.

 

Hiernaast is het van belang de resultaten van dit materiaal te bezien in het licht van aanbevelingen die in de conclusie kunnen worden opgenomen. Zo kunnen bepaalde argumenten met behulp van de resultaten op de deelvragen op waarheid getoetst worden, of kunnen tussen deze twee elementen juist verbanden worden gelegd. Dat betekent dat naast het coderen van de interviews en het opstellen van een rangorde van ‘meest positief’ tot ‘meest negatief’, de interviews gebruikt worden om op zoek te gaan naar verbanden. Dit vereist een open houding tijdens een interview, om zo de mogelijkheid te houden in de interviews op een spoor gezet te worden. Een open benadering wil zeggen dat je als onderzoeker in het begin vooral op algemene categorieën let om orde te scheppen in de gebeurtenissen (Wester, p.33). In dit verband is ook belangrijk de ‘theoretical sampling’-benadering, waarbij men belangrijke elementen van de theorie tegenkomt en op zoek gaat naar nieuwe gevallen. Voor dit onderdeel van het onderzoek is specifiek gekozen voor de Grounded Theory Approach van Glaser en Strauss (1967). Deze procedure kenmerkt zich door de uitwerking van een analytisch kader aan de hand van voortdurende vergelijking van gevallen.

De Grounded Theory is hier gekozen omdat over de gesprekken tevoren niet exact vaststaat wat er boven tafel komt. Juist voor de mogelijkheid hierin enige speling toe te laten, leent deze benadering zich goed. De methode is in beginsel bedoeld voor de ontwikkeling van theorieën, aan de hand van het zorgvuldig verwerken van de gegevens. Hoewel het niet de bedoeling is een nieuwe theorie uit te vinden, kan deze benadering tot belangrijke en vernieuwende inzichten leiden, die bij de interpretaties van de gevonden gegevens op alle deelvragen verduidelijkend kunnen werken. Ook kan dit leiden tot bijstelling van onderzoeksvragen en probleemstelling.

Het probleem van uitgetikte versies van interviews is dat de berg papier die dat oplevert een barrière vormt voor de analyse. De onderzoeker moet dan ook op basis van deze interviews een nieuwe reeks gegevens maken, gesystematiseerd rond bepaalde thema’s of interviewtopics (Rubin, 1980, p.201). Op deze manier ontstaat een bestand met uitgewerkte gegevens.

De benadering beslaat vier fasen: de exploratiefase, de specificatiefase, de reductiefase en de integratiefase (Wester, p.53), welke moet worden gezien als de structuur, de basis voor de interpretatie van de gegevens.

 

1. Exploratie

Deze fase kenmerkt zich door het formuleren van zoveel mogelijk begrippen en het op het spoor komen van patronen in het materiaal.

2. Specificatie

Deze fase is vooral gericht op het zo nauwkeurig mogelijk uitwerken van de centrale begrippen. Voor elk van de begrippen wordt de cyclus gegevens verzamelen, analyseren en reflecteren net zo lang doorlopen tot een begrip ‘verzadigd’ is. Dat wil zeggen dat er geen nieuwe informatie over de inhoud van het begrip gevonden wordt. In deze fase wordt vervolgens toegewerkt naar categorieën, dimensies, eenheden en tenslotte samenhang.

3. Reductie

In de reductiefase wordt gezocht naar wat de kern van te ontwikkelen theorie zou kunnen zijn. Dit kernbegrip reduceert het complexe beeld van het onderzoeksveld tot een bepaald thema of proces dat centraal blijkt te zijn in de onderzochte situaties. Een mogelijke ingang om te bepalen wat het kernbegrip is, is het uitzoeken wat voor de betrokkenen in het veld het meest saillante probleem is, en hoe ze daarover praten.

4. Integratie

De laatste fase kenmerkt zich door het uitwerken van de theorie. Dit kan door verbindingen te leggen met een bestaande theorie of door op zoek te gaan naar gevallen die maximaal verschillen van de onderzochte gevallen.

 

Omdat het voor dit onderzoek niet noodzakelijk is een nieuwe theorie te ontwikkelen, zal de laatste fase voor zover mogelijk achterwege gelaten worden. Het is belangrijker op zoek te gaan naar kernbegrippen en verbindingen (fase 1-3), en deze te relateren aan de antwoorden op de andere deelvragen. Na het proces stap voor stap doorlopen te hebben worden de resultaten hiervan puntsgewijs in hoofdstuk 4 opgenomen.

 

Oordeel politieke partijen

Per provincie worden ongeveer twaalf politieke partijen die aan de Provinciale Statenverkiezingen hebben deelgenomen[3] benaderd met dezelfde enquête in de vorm van een vragenlijst. Hieronder zijn tien partijen die in iedere provincie hebben deelgenomen, plus twee provinciale partijen. De twee laatste zijn erbij genomen om rekening te houden met de specifieke provinciaal politieke accenten in iedere provincie. In totaal worden dus 144 partijen aangeschreven. De gegevens die benodigd zijn om een antwoord op deelvraag 4 (oordeel politieke partijen) te krijgen, worden verkregen uit vragenlijstonderzoek. Stellingen hiervoor zijn opgesteld aan de hand van de aanpak in dit onderzoek. De stellingen gaan onder meer over de tevredenheid over media-activiteit, opkomst en activiteiten van de provincie. Er worden veel stellingen met dezelfde strekking, maar een andere zinsopbouw gebruikt. De conceptversie van de stellingen (25 stuks) wordt eerst door twintig willekeurige studenten in het Atrium ingevuld en vervolgens voorgelegd in de trajectgroep, waarna de minst bruikbare stellingen eruit gegooid worden en ongeveer tien overblijven (zie bijlage III). Op een vijftal stellingen geeft iedere partij antwoord op een vijfpuntsschaal (Likert-scale). De verkregen antwoorden worden in SPSS verwerkt, waarna voor iedere partij en voor iedere provincie wordt vastgesteld hoe effectief het gevoerde beleid door de provincie wordt geacht.

Per provincie worden de scores van alle deelgenomen partijen op de stellingen bij elkaar opgeteld, waardoor een totaalscore kan worden vastgesteld. De hoogste score wordt net als bij de eerdere variabelen gelijkgesteld aan tien, waarna voor de rest van de provincies de met deze tien de overeenkomende score wordt gerekend.

Naast vijf stellingen wordt de partijen gevraagd aan te geven welke van de vijf vast te stellen variabelen zij als meest zeggend inschatten over de effectiviteit van het beleid, welke daarna, enzovoorts. Dit wordt gedaan ter ondersteuning van de beargumentering die moet uitwijzen welke variabelen zwaarder wegen dan andere. Tenslotte wordt de partijen de mogelijkheid geboden om op- of aanmerkingen te geven, door dit in de vorm van een open vraag te stellen.

 

Media-activiteit

Onder media-activiteit wordt hier verstaan de activiteit van de media, door direct of indirect toedoen van de provincie of landelijke overheid, voorafgaande aan de Provinciale Statenverkiezingen. Het is de vraag of er binnen een actievere provincie, meer media-activiteit werd gegenereerd dan binnen een minder actieve provincie.

Er wordt gemaakt van de cijfers over omroepen, zoals die te vinden zijn op http://www.orn.nl. Omroep Reclame Nederland (ORN) is sinds 1993 de marketing- en verkooporganisatie van de regionale tv -en radiozenders. ORN is onderdeel van de stichting ROOS, welke enig aandeelhouder van ORN is. Er is voor gekozen de provincies naar marktaandeel van de radio- en tv-omroepen gezamenlijk te ordenen. Het marktaandeel staat hierbij voor het percentage kijkers of luisteraars naar een bepaald programma of bepaalde zender, gepercenteerd op het totale kijk- of luisterpubliek. De beoordeling wordt vastgesteld door voor zowel de tv- als voor de radio-omroepen per provincie een beoordeling te geven en hiervan het gemiddelde te nemen. Zo ontstaat de beoordeling voor de variabele ‘marktaandeel regionale media’. De cijfers voor iedere provincie over het gemiddelde marktaandeel van radio en tv gezamenlijk, tonen de aanwezigheid van de regionale omroepen in een provincie.

Ten tweede wordt gekeken naar de hoeveelheid uitingen door zowel provincie als regionale omroepen via pers en regionale omroep, wat aangeeft hoeveel activiteit in een provincie in grote lijnen is gegenereerd. Aan de hand van het aantal activiteiten van provincie en omroep worden voor beide factoren beoordelingen gegeven. Als er binnen een provincie voorafgaande aan de verkiezingen onderzoek is verricht in het kader van de verkiezingen, wordt voor de intensiteit van dit onderzoek een beoordeling gegeven. Provincies waar geen onderzoek is geweest, krijgen voor dit onderdeel een punt.

Uit de gehouden interviews met communicatiemensen worden passages gehaald, die betrekking hebben op de media-activiteit in het kader van de verkiezingen. Op basis hiervan worden de provincie beoordeeld op haar media-activiteit. Bij deze beoordelingen wordt gelet op wat de statements over de media-activiteit duidelijk maken en in hoeverre in de statements zaken naar voren komen die konden bijdragen aan een grotere media-activiteit. Voor aandacht is het erg belangrijk dat politieke partijen zich uiten, waardoor er verschillen ontstaan en er iets te kiezen valt. Daarom wordt voor het vaststellen van deze factor per provincie ook rekening gehouden met eventuele opmerkingen over de mate van (in)activiteit van politieke partijen. Daarnaast wordt van belang geacht de relatie die de provincie met de regionale persdiensten en omroepen heeft.

De beoordelingen worden door drie onafhankelijke beoordelaars gegeven. Hiervan wordt het gemiddelde berekend. Door het eerste gedeelte (activiteit provincie en omroep) en het tweede deel (beoordelingen interviews en onderzoek) bij elkaar op te tellen en het gemiddelde te berekenen, ontstaat de score voor de variabele media-activiteit.

Ook wordt een beeld gevormd van de landelijke aandacht die er voor de verkiezingen is geweest. Dit is vooral van belang om het beeld van de media-activiteit te completeren en om de provinciale media-activiteit tegen de landelijke af te zetten.

 

Figuur 3. Factoren ter bepaling van media-activiteit per provincie

 

Weging

Voordat met de gevonden resultaten gerekend kan gaan worden, dient te worden vastgesteld welke waarde iedere deelvraag afzonderlijk kan worden toebedeeld. De zes metingen, te weten deelvraag 1 en daarnaast deelvraag 2 t/m 5, resulteren uiteindelijk in zes rangordes, ieder lopend van 1 t/m 12. De gegevens verkregen op deelvraag 2 t/m 5 zullen voor iedere provincie een beeld geven van de effectiviteit van de onder deelvraag 1 behandelde activiteiten. Het is nu moeilijk te beargumenteren waarom de verkregen resultaten van de ene deelvraag zwaarder dienen te worden meegewogen dan resultaten van een andere deelvraag. Omdat het onderzoek ook, en misschien vooral, een kwalitatieve component kent, kunnen de resultaten hiervan voor deze bepaling gebruikt worden. Tijdens de interviews zal om deze reden, zoals aangegeven, ook worden ingegaan op de vraag welke factoren volgens de geïnterviewden zelf belangrijke rollen spelen, om hierover meer duidelijkheid te krijgen. Aan de 144 politieke partijen wordt zoals beschreven gevraagd om in te schatten welke variabele belangrijker is dan andere en zo de vijf variabelen op te stellen van ‘meest zeggend over effectiviteit’ tot ‘minst zeggend over effectiviteit’. Aan de hand van de 156 beschouwingen op deze rangschikking, wordt vastgesteld welke variabelen zwaarder en welke lichter wegen, door hiervan het gemiddelde te berekenen.

Daarnaast wordt iedere deelvraag afzonderlijk in relatie tot de andere deelvragen geanalyseerd. Hiervoor wordt gekeken naar de onzekerheid per variabele. Hieronder wordt verstaan de hoeveelheid argumenten er bestaan die aangeven dat de gevonden resultaten afhangen van andere factoren dan de te meten effectiviteit. Voor de variabele opkomst kan bijvoorbeeld worden aangedragen dat een hoger dan gemiddeld deel van de bevolking thuis bleef als gevolg van verkiezingsmoeheid of griep. Ook argumenten die juist bevestigen dat de score op een bepaalde variabele vrij zeker is, tellen hierbij mee. Door dit voor iedere variabele te doen, waarbij overleg gevoerd zal worden met derden, kan voor iedere deelvraag een ‘onzekerheidsscore’ worden bepaald. Deze worden dus slechts bepaald door het aantal argumenten die de onzekerheid verhogen min het aantal argumenten die de onzekerheid verlagen. Op deze manier kan opnieuw worden vastgesteld welke variabelen zwaarder en welke lichter wegen.

Door deze te vergelijken met de uitkomsten van zowel de oordelen van de hoofden als van de politieke partijen over deze rangorde, wordt de omgerekende score voor de afzonderlijke variabelen bepaald. De uiteindelijke rangorde bepaalt welke conclusies per provincie getrokken kunnen worden, en welke verbeterpunten kunnen worden aangegeven. Vervolgens kunnen de conclusies voor de provincies onderling worden vergeleken.

 

 

Hoofdstuk 4 Uitvoering

 

Voor iedere provincie afzonderlijk wordt in dit hoofdstuk per deelvraag behandeld welke resultaten er zijn gevonden. Voor deelvraag 1 betekent dat per provincie een opsomming van de verschillende verkiezingsactiviteiten per provincie, met de vermelding van de begroting. Hierna volgt een weergave van de beoordeling die volgt uit de gevonden gegevens. Daarbij wordt rekening gehouden met het kiezerspotentieel per provincie. Voor deelvraag 2 betekent dit een korte weergave van de gevonden cijfers over opkomst en StemWijzer. Bij deelvraag 3 wordt aan de hand van de uitgewerkte kwalitatieve interviews bepaald, welk oordeel per provincie aangehouden kan worden. Deelvraag 4 draait om de oordelen van politieke partijen. Hierbij wordt per provincie een opsomming gegeven per partij, waarbij ook de totaalscores per provincies vermeld worden. Bij deelvraag 5 wordt per provincie behandeld hoeveel media-aandacht aan de verkiezingen is geschonken, waarbij ook een onderverdeling per provincie zal worden gemaakt.

Om de verschillende deelvragen in gewicht vergelijkbaar te maken is het nodig om de beoordelingen op iedere deelvraag zo om te rekenen, dat de provincie met de beste beoordeling een tien scoort.

 

 

Deelvraag 1: activiteit van de provincie

 

Landelijk

Landelijke activiteiten die vanuit BZK en het IPO en IPP zijn opgezet en gecoördineerd en in iedere provincie zijn uitgevoerd waren:

- Reclamespot ‘U komt toch ook?’ op alle regionale radio- en tv-omroepen. Deze was bedoeld om de kiezer te informeren over het feit dat er verkiezingen waren en over te halen naar de stembus te komen.

- StemWijzer, Programvergelijking en Kandidaat op Maat, uitgevoerd door het IPP in opdracht van het IPO. Deze activiteiten werden dus landelijk gecoördineerd, maar hadden in iedere provincie een andere invulling. Ook de aandacht die aan deze activiteiten werd besteed, verschilde per provincie.

- Ook de Open Dag is landelijk gecoördineerd, om op die manier op landelijk niveau enigszins eenheid te krijgen in de activiteiten die per provincie werden ondernomen. De organisatie en invulling hiervan is echter geheel door de provincies zelf gebeurd.

- Website http://www.provincies.nl, waarop per provincie gegevens stonden vermeld, het verkiezingsnieuws werd bijgehouden en er veelvuldig werd doorverwezen naar onder andere de verkiezingssites van de provincies en de StemWijzer.

- Website http://www.allesoverdeverkiezingen.nl, waarop erg veel informatie te vinden was over de verkiezingen, het verkiezingsnieuws per provincie werd bijgehouden en de programmering per provincie stond vermeld.

 

Per provincie

Bij onderstaande activiteiten dient te worden opgemerkt dat het hier gaat om door de provincies zelf genoemde activiteiten. Daardoor kan het zijn, dat bepaalde (onbelangrijke of mislukte) activiteiten niet zijn genoemd. Bij de bestudering hiervan is er echter van uitgegaan dat de kwantiteit van de activiteiten veelzeggend is voor de activiteit op zich van de provincie. Naast deze kwantiteit is de kwaliteit van de activiteiten van belang. De kwaliteit wordt hier bepaald door te kijken naar het budget dat in totaal voor de activiteiten per provincie is begroot. Het aantal activiteiten plus het budget laat de basis zien, van waaruit iedere provincie haar taak om de burger over de verkiezingen te informeren heeft uitgevoerd. Hierbij dient wel te worden opgemerkt dat het budget in sommige provincies niet geheel nauwkeurig is opgegeven, doordat sommige provincies slechts de begroting voor de publiekscommunicatie hebben opgeschreven, terwijl andere hierbij ook vermelden wat er werd uitgegeven aan activiteiten die slechts zijdelings met de verkiezingen te maken hadden.

Deze basis zegt in feite nog niets over de effectiviteit van de uitgevoerde activiteiten. Bij de landelijke uitgevoerde activiteiten (waaraan alle provincies deelnamen), is het hulpmiddel ‘Kandidaat op maat’ door een aantal provincies buiten beschouwing gelaten. Deze centraal door het IPP georganiseerde activiteit kwam in menig provincie maar moeizaam op gang en heeft in het algemeen haar vruchten niet afgeworpen. Bij provincies die deze activiteit nadrukkelijk wel genoemd hebben, is deze activiteit daarom als opvallend beschouwd. Hieronder staat nogmaals schematisch de rekenwijze.

 

Figuur 4. Factoren ter bepaling van activiteit

 

Drenthe

· Nieuwjaarsbijeenkomst

· Oproepkaart en kandidatenlijst

· Televisieserie ‘Westerbrink 1’

· Televisiespotjes

· Radiospotjes (Skik)

· Verkiezingsspotjes ‘U komt toch ook’ (RTV)

· Posters / driehoeksborden

· Brief aan jongeren (Commissaris van de Koningin)

· Folder voor jongeren

· Gastcolleges

· StemWijzer en Programvergelijking

· Themadebatten in de regio

· Websites Portaal Drenthe (www.drenthe.info) en www.drenthe.nl

· Chatsessie en telefonisch spreekuur

· Advertentie ‘Ik ga stemmen’

Budget 315.000 euro

 

Bovenstaand rijtje laat zien dat de provincie Drenthe een groot aantal (15) activiteiten heeft uitgevoerd. Dit komt ook terug in de begroting. Voor de nieuwjaarsbijeenkomst moet worden opgemerkt dat het publiek deze moeilijk kon relateren aan de Provinciale Statenverkiezingen, met de landelijke verkiezingen van 22 januari nog voor de boeg. Opvallende elementen zijn de relatief uitgebreide tv-serie ‘Westerbrink’, de radio- en tv-spotjes met medewerking van de bekende band Skik en de brief aan jongeren van de Commissaris van de Koningin.

 

Flevoland

· Open Dag (debat)

· Verschillende debatten, maar onduidelijke organisatie (veel door omroep gedaan)

· Verkiezingsspotjes ‘U komt toch ook’ (RTV)

· Spotje op tv

· Spotje op radio

· FutureNetwork

· Internetsite

· StemWijzer en Programvergelijking

Budget 158.000 euro

 

In Flevoland zijn acht verschillende activiteiten ondernomen. Geen van de activiteiten kunnen in vergelijking met andere provincies echter als opvallend worden gezien.

 

Fryslân

· RTV spotjes

· Internetsite

· Abriposters

· Open dag (niet alleen in provinciehuis, ook in districtskantoren en plattelandskantoren)

· Ondersteunende advertenties

· Verkiezingsspotjes ‘U komt toch ook’ (RTV)

· Future Network

· StemWijzer en Programvergelijking

Budget 217.000 euro

 

Ook in deze provincie is met Future Network samengewerkt.

 

Gelderland

· Aanplakbiljetten

· Billboards

· Partijstands

· Open dag provinciehuis

· Verkiezingsspotjes ‘U komt toch ook’ (radio, tv)

· Tv-spotje omroep Gelderland

· Pagina in huis-aan-huisblad

· Brief Commissaris van de Koningin

· Posters in openbare gebouwen

· Posters in bushalte

· Folders, partijlijsten

· Radio spotje (omroep Gelderland)

· Reclame op de bus

· Stemwijzer en Programvergelijking

· Internetpagina van de provincie

· [Gld.] Magazine

· Video 'Wat nou provincie'

Budget 300.000 euro

 

Een relatief groot budget heeft de provincie Gelderland uitgetrokken voor een uitgebreide hoeveelheid verschillende activiteiten, waarbij opvallen de brief van de Commissaris van de Koningin, het [Gld.] Magazine en de video ‘Wat nou provincie’.

 

Groningen

· Verkiezingsspotjes op regionale tv en radio-omroep, stadsradio-omroep Groningen en Rebecca Radio (jongeren)

· Stemwijzer en Programvergelijking

· Open Dag (stands politieke partijen, debat)

· Future Network

· Driehoeksborden met posters

· Verkiezingsspotjes ‘U komt toch ook’ (RTV)

· Folders voor Open Dag (bibliotheken, politieke partijen)

· Internetsite

Budget: 130.000 euro

 

Groningen heeft vooral op radiogebied veel bekendheid proberen te bewerkstelligen. Daarnaast is samengewerkt met bureau Future Network, om jongeren te bereiken.

 

Limburg

· Open Huis

· Algemene folders

· Welkomstpakket nieuwe kiesgerechtigden

· Stemkroeg[4]

· Verkiezingslogo

· De Stemwijzer, Programvergelijking en Kandidaat op maat

· Themavoorlichting op onderwijsinstellingen (met de Stembus)

· Stembus

· Verkiezingsplein op internet

· Posters (waarbij een versie voor jongeren)

· Verkiezingsspotjes ‘U komt toch ook’ (RTV)

· Informatie op de Provinciepagina in de Huis en huisbladen

· Publicaties en advertenties in de media

· Verkiezingsflyer (waarbij een versie voor jongeren)

Budget: 88.000 euro

 

Gekeken naar het aantal verschillende activiteiten (15) is Limburg in verhouding tot het budget ontzettend divers geweest. Bezigheden die eruit springen zijn hierbij Kandidaat op maat, het Verkiezingsplein op internet en de Stembus.

 

Noord-Brabant

· Oproepkaart en kandidatenlijst

· Verkiezingsspotjes ‘U komt toch ook’ (RTV)

· Verkiezingssite Stembrabant.nl

· Informatiepakket op Stembrabant.nl

· StemWijzer en Programvergelijking

· Open Dag (8 maart)

· E-cards via Stembrabant.nl

· Campagne Provincie in de Buurt

· Afspraken met omroep Brabant over een vijftal debatten

Budget 325.000 euro

 

Noord-Brabant heeft in verhouding tot andere provincies gezien het budget een relatief klein aantal verschillende activiteiten ondernomen. Als opvallende activiteit kan worden gezien de intensivering van Provincie in de Buurt, een programma dat ook buiten verkiezingstijd loopt. Verder is het opvallend dat met Omroep Brabant is afgesproken een vijftal debatten te organiseren en uit te zenden.

 

Noord-Holland

· Oproepkaart en kandidatenlijst

· Verkiezingsspotjes ‘U komt toch ook’ (RTV)

· Fysieke aandachtstrekker bij provinciale gebouwen

· Internetsite

· Betaalde uitzendingen op TV Noord-Holland en AT5: Hoff in Holland (gemiddeld publiek van een kleine 30.000 kijkers)

· Betaalde uitzendingen TV-Noord-Holland: spotjes politieke partijen

· Lijsttrekkersdebat 10 maart (live uitgezonden via TVNH)

· Huis-aan-huispagina

· Amsterdamse Weekmedia

· Mailing naar gemeentemedia en brief commissaris Borghouts

· Weekbericht

· Verkiezingsbijeenkomsten in de regio

· Open dag 8 maart

· Radiospots op City FM

· Freecards en studycards

· Informatiebrochure jongeren

· Stemwijzer, kandidaat op maat en programmavergelijking

· Logo op enveloppen

· Advertentie ‘kiezers bedankt’

· Op Dreef

Budget 200.000 euro

 

De provincie Noord-Holland heeft 19 verschillende activiteiten ontwikkeld, en is daarmee de meest diverse provincie. Eruit springen de Kandidaat op maat, de spotjes van politieke partijen op TV Noord-Holland, de uitzendingen op TV Noord-Holland en AT5 genaamd Hoff in Holland en de brief van de Commissaris van de Koningin Borghouts aan alle burgemeesters in Noord-Holland met daarin een oproep om de inwoners van hun gemeente die 18 jaar zijn geworden te attenderen op de Statenverkiezingen.

 

Overijssel

· Startbijeenkomst: discussie “Overijsselse politiek ontmoet de Overijsselse pers”, gehouden in provinciehuis

· Overijsselse Avonden; 5 discussiebijeenkomsten in een caféachtige ambiance.

· Paginagrote advertentie in de regionale dagbladen

· StemWijzer en Programvergelijking

· Verkiezingsspotjes ‘U komt toch ook’ (RTV)

· Jongerenacties, waaronder kaart CvdK nieuwe stemgerechtigden

· Digiboerderij

· Digitaxi

· Internetsite

· Open Dag van de provincie op 24 locaties in de provincie

· Huis aan Huis verkiezingskrant

· Spotjes op tv

· Spotjes op radio

Budget: 200.000 euro

 

Overijssel is meer dan andere provincies op het digitale vlak actief geweest. Vooral de Digiboerderij, een ‘echte’ boerderij waarin provinciale bestuurders vergaderden en andere activiteiten verrichten om het publiek via het internet bij de bestuurders te betrekken, verkreeg veel aandacht in de media. Deze is daarom opvallend te noemen. Verder worden ook de Open Dag op 24 verschillende locaties en de 5 discussiebijeenkomsten (Overijsselse Avonden) als opvallend aangemerkt.

 

Utrecht

· Stemwijzer en Programvergelijking

· Redactionele advertenties in huis-aan-huisbladen, Utrechts Nieuwsblad en Amersfoortse Courant

· debatten

· Verkiezingsspotjes ‘U komt toch ook’ (RTV)

· ‘De stemronde van Utrecht

· oproepkaart

· Radio M (spotjes)

· Radio M (de Stem van M)

· Regio TV (Utrecht Centraal)

· Markten en in winkelcentra (verkiezingskaravaan)

· Future Network

· Drie publieksdebatten op zaterdag 8 maart: 'De provincie komt naar u toe'.

Budget 438.000 euro

 

Utrecht een van de grootste begrotingen van alle provincies opgegeven. Dit heeft echter ook te maken met de al eerder vermelde onduidelijkheid of alle provincies ook de activiteiten die, naast de verkiezingsgerelateerde publiekscommunicatie, eventueel zijdelings voor de verkiezingen van belang waren, in de begroting hebben meegenomen. Als opvallende activiteiten in deze provincie kunnen worden gezien de samenwerking met Future Network en de verkiezingskaravaan.

 

Zeeland

· StemWijzer en programvergelijking

· Verkiezingsspotjes ‘U komt toch ook’ (RTV)

· Internetsite www.zeeland.nl

· Open Huis (met gratis vervoer)

· Voorstellen bij IPO neergelegd voor sms-actie en songfestival

· Jongerenactie

Budget 220.000 euro (plus 279.000 euro voor jongerenactie 4 jaar)

 

Zeeland heeft met inbegrip van de jongerenactie van vier jaar het hoogste budget van alle provincies. Omdat een periode van vier jaar erg verschilt met die van enkele maanden, zoals voor andere provincies is begroot, is dit deel van de begroting gedeeld door vier. Door de begroting te nemen die loopt vanaf een jaar voor de verkiezingen, is deze beter te vergelijken met die van andere provincies. Zeeland komt hiermee op een begroting van 289.750 euro. De voorstellen voor een sms-actie en een songfestival die bij het IPO zijn neergelegd en de jongerenactie gelden als opvallende activiteiten.

 

Zuid-Holland

· Verkiezingsspotjes ‘U komt toch ook’ (RTV)

· 33 afleveringen 'Wandelingen'

· 5 specials-avonden

· lijsttrekkersdebat (uitgezonden)

· 5 debatten in de provincie

· Open Dag

· Affiches

· Internetsite

· 5 advertenties in huis-aan-huisbladen

· Stoppers op reguliere advertenties van de provincie

· Kieskrant

· Future Network

Budget 500.000 euro (waarvan 90.000 uit de lopende begrotingvan de afdeling Communicatie)

 

Zuid-Holland scoort gemiddeld qua aantal verschillende activiteiten dat is ondernomen (13), waarbij de 33 afleveringen van ‘Wandelingen’, de vijf specials-avonden op tv-West en –Rijnmond, de vijf debatten in de provincie, de vijf spots plus reminders op stadsradio Den Haag en Rotterdam en CityFM en de samenwerking met Future Network.

 

Rekenmethode

 

Om te bepalen welke rangorde met bovenstaande gegevens kan worden opgesteld is het gemiddelde genomen van de beoordelingen op de onderdelen budget, aantal georganiseerde activiteiten en aantal opvallende activiteiten. Dit gemiddelde is vervolgens gerelateerd aan het kiezerspotentieel per provincie. Een provincie met meer kiezers heeft ook een zwaardere taak hen te bereiken. De moeite die de provincie doet om hen te bereiken dient dus groter te zijn, al naar gelang de provincie meer potentiële kiezers heeft. De beoordeling per provincie van het aantal kiezers is bepaald door de provincie met het grootste aantal kiezers een tien toe te kennen, en de scores van de rest hieraan te relateren, en voor elk van deze cijfers vervolgens het omgekeerde (10 - cijfer) te berekenen. De cijfers op de andere onderdelen zijn tot stand gekomen, door de provincie met de hoogste score een tien toe te kennen, en de rest van de provincies het cijfer te geven dat hieraan op grond van hun score relateert. Dit leidt tot onderstaande tabel.

 

 

Budget

C

#

Act.

C

Act.

#

Opv.act.

C

Opv. act.

C

Gemid.

#

Kiezers

C Kiezers

C

Eind

C

Omg.

Drenthe

315,000

6,3

15

7,5

3

6,0

6,6

310.000

8,7

7,7

10,0

Flevoland

158,000

3,2

8

4,0

0

0,0

2,4

250.000

8,9

5,7

7,4

Fryslân

217,000

4,3

8

4,0

1

2,0

3,4

500.000

7,9

5,7

7,4

Gelderland

300,000

6,0

17

8,5

3

6,0

6,8

1.480.000

3,8

5,3

6,9

Groningen

130,000

2,6

8

4,0

2

4,0

3,5

445.000

8,1

5,8

7,5

Limburg

88,000

1,8

14

7,0

3

6,0

4,9

914.000

6,1

5,5

7,1

Noord-Brabant

325,000

6,5

9

4,5

2

4,0

5,0

1.770.000

2,5

3,8

4,9

Noord-Holland

200,000

4,0

20

10,0

4

8,0

7,3

1.868.000

2,1

4,7

6,1

Overijssel

200,000

4,0

13

6,5

3

6,0

5,5

820.000

6,5

6,0

7,8

Utrecht

438,000

8,8

12

6,0

2

4,0

6,3

830.000

6,5

6,4

8,3

Zeeland

289,750

5,9

6

3,0

2

4,0

4,3

283.000

8,8

6,6

8,6

Zuid-Holland

500,000

10,0

12

6,0

5

10,0

8,7

2.370.000

0,0

4,4

5,7

Tabel 1. Activiteit van iedere provincie in een cijfer uitgedrukt

 

De rekenmethode is in onderstaand kader voor twee provincies uitgewerkt.

Rekenvoorbeeld

Drenthe (hoogste cijfer):

  • (6,3 +7,5 + 6,0)/3 = 6,6

  • (6,6 + 8,7)/2 = 7,7

  • 7,7 = hoogste cijfer = 10,0 à oftewel 7,7 / (7,7/10,0) = 10,0

Noord-Brabant (laagste cijfer):

  • (6,5 + 4,5 + 4,0)/3 = 5,0

  • (5,0 + 2,5)/2 = 3,8

  • 3,8/ (7,7/10,0) = 4,9

 

Op de onafhankelijke variabele ‘activiteit’ scoort de provincie Drenthe veruit het hoogst (10,0). Op de tweede plaats komt Zeeland (8,6), gevolgd door Utrecht (8,6). Het laagst scoren de provincies Noord-Holland (6,1), Zuid-Holland (5,7) en Noord-Brabant (4,9).

 

Conclusie

De uitkomsten op deze variabele worden als startpunt beschouwd voor de analyse van de andere (afhankelijke) variabelen. Een provincie die op deze variabele hoog scoort, zal volgens de gestelde hypothese ook goede resultaten behalen op de andere variabelen, die tezamen de effectiviteit van het beleid meten.

De grootte van het kiezerspotentieel blijkt erg bepalend voor de uitkomsten. Zuid-Holland, die qua budget en activiteiten het hoogst scoort, doet gerelateerd aan het aantal kiezers onder voor de meeste andere provincies. De goede resultaten voor Drenthe, Fryslân, Groningen en Zeeland zijn ook grotendeels door deze factor veroorzaakt. Flevoland valt gezien het lage aantal kiesgerechtigden ietwat tegen, terwijl Utrecht, met een gemiddeld aantal kiesgerechtigden, relatief sterk naar voren komt. Opvallend is daarnaast dat in sommige opzichten vergelijkbare provincies als Noord- en Zuid-Holland en Fryslân en Groningen elkaar niet ver ontlopen op deze variabele.

 

Discussie

De vaststelling van de variabele ‘activiteit’ is gedaan zonder rekening te houden met de mate waarin het budget efficiënt is besteed. De ene provincie is handiger dan de andere in het laag houden van de kosten om hetzelfde te bereiken. Het is niet zo dat een hoger budget automatisch staat voor een grotere activiteit van de provincie. Om deze reden wordt het budget meegerekend als onderdeel van het gemiddelde cijfer voor het aantal activiteiten, het aantal opvallende activiteiten en het budget. Door deze aanpak speelt het budget geen bepalende rol in de vaststelling van de variabele ‘activiteit’.

 

 

Deelvraag 2: opkomstcijfers en gebruik StemWijzer (Bron: http://www.provincies.nl)

 

Opkomst

Onderstaande tabel toont welke beoordeling iedere provincie krijgt op grond van de opkomst in 2003 ten opzichte van die in 1999.

 

 

Opkomst 2003

Verschil t.o.v. basisopkomst 1999

C

Drenthe

56,2 %

+4,1%

9,8

Flevoland

45,4 %

+1,1%

2,6

Fryslân

57,8 %

+3,8%

9,0

Gelderland

51,2 %

+4,2%

10,0

Groningen

55,4 %

+3,8%

9,0

Limburg

44,6 %

0,0%

0,0

Noord-Brabant

41,6 %

-3,6%

-8,6

Noord-Holland

45,4 %

+3,9%

9,3

Overijssel

51,6 %

+1,4%

3,3

Utrecht

50,7 %

+3,0%

7,1

Zeeland

51,6 %

+1,4%

3,3

Zuid-Holland

45,4 %

+3,9%

9,3

Tabel 2. Verschil in opkomst per provincie in een cijfer uitgedrukt

 

Rekenvoorbeeld

Gelderland (hoogste cijfer):

  • 4,2% = hoogste percentage = 10,0 à oftewel 4,2 / (4,2/10,0) = 10,0

Noord-Brabant (laagste cijfer):

  • -3,6 / (4,2/10,0) = -8,6

 

De opkomst bij de Provinciale Statenverkiezingen lag het hoogst in Fryslân (57.8%) en het laagst in Noord-Brabant (41.6%). Vier jaar eerder werd de hoogste opkomst eveneens in Fryslân gemeten (54.0%), terwijl de laagste in Noord- en Zuid-Holland gemeten werd (beide 41.5%). Hieruit volgt dat het minimum vrijwel niet is verschoven (van 41.5 naar 41.6%), terwijl het maximum met 3.2% steeg. De overall opkomst in 2003 was 49.7%, terwijl dit vier jaar eerder op 47.5% lag. De grootste stijger in opkomst was Gelderland (+4.2%), Noord-Brabant de grootste daler (-3.6%). Noord-Brabant was hiermee de enige van de twaalf provincies die een negatieve score ten opzichte van de verkiezingen in 1999 behaalde.

 

Conclusie

 

De verschillen op deze variabele blijken aanzienlijk, wat het maken van vergelijkingen tussen provincies ten goede komt. De resultaten voor de noordelijke provincies Fryslân, Groningen en Drenthe vallen net als bij de onafhankelijke variabele ‘activiteit’ positief uit. Noord- en Zuid-Holland laten een gelijke stijging in opkomst zien.

De provincie Overijssel neemt een vierde plaats in qua opkomstpercentage, maar komt ten opzichte van de verkiezingen in 1999 als een van de mindere provincies naar voren. De vraag is dan of deze provincie niet teveel wordt benadeeld door de gehanteerde methode. Er wordt echter van uitgegaan dat het relatieve opkomstpercentage meer zegt over de basisinteresse van de kiezer dan het absolute percentage. Een opvallend hoge relatieve opkomst zegt meer over het success van de verkiezingscampagne, dan een opvallend hoge absolute opkomst.

 

StemWijzer

 

 

StemWijzergebruik (# adviezen)

Per 1000 inwoners

C

Drenthe

10.966

23,17

5,6

Flevoland

9.918

26,47

6,3

Fryslân

16.348 (provincie Fryslân)

25,93

 

 

3.718 (provinsje Fryslân)

5,90 (totaal 31,82)

7,6

Gelderland

51.533

26,44

6,3

Groningen

23.799

41,73

10,0

Limburg

14.908

13,04

3,1

Noord-Brabant

36.414

15,12

3,6

Noord-Holland

48.471

18,94

4,5

Overijssel

19.871

18,16

4,4

Utrecht

28.693

25,23

6,0

Zeeland

9.869

26,32

6,3

Zuid-Holland

58.041

17,07

4,1

Tabel 3. StemWijzergebruik per provincie in een cijfer uitgedrukt

 

Bij het corrigeren van het StemWijzergebruik is gebruik gemaakt van het aantal inwoners in plaats van het aantal kiesgerechtigden van een provincie. De StemWijzer hoeft namelijk niet slechts door kiesgerechtigden worden ingevuld, dit kan door de gehele bevolking worden gedaan. De hoogste score voor het gecorrigeerde StemWijzergebruik werd gemeten in de provincie Groningen (10,0), die met 41.73 adviezen per 1000 inwoners ruim boven de rest uitstak. Drenthe, Flevoland, Fryslân, Gelderland, Utrecht en Zeeland zaten allen tussen de 23 en 32 adviezen per 1000 inwoners. Voor Fryslân zijn de Friese en de Nederlandse versie bij elkaar opgeteld. De scores voor Zuid-Holland, Overijssel, Noord-Holland, Noord-Brabant Limburg bevonden zich tussen de 13 en 19 adviezen per 1000 inwoners, met als laagste Limburg met 13.04 adviezen (3,1). Zie bijlage II voor het verloop van de standen per provincie in de week voor de verkiezingen.

 

Conclusie

 

Wederom hebben de provincies Noord- en Zuid-Holland vergelijkbare scores. Drenthe komt in vergelijking tot de eerder variabelen minder uit de voeten op de StemWijzer. De verschillen tussen ‘opkomst’ en ‘StemWijzergebruik’ zijn in ieder geval goed te zien (l=.13). Drenthe, Noord- en Zuid-Holland stijgen sterk in opkomst, maar hebben een laag StemWijzergebruik. Flevoland en Zeeland zijn laag in ‘opkomst’, maar scoren gemiddeld op de StemWijzer. Limburg, Noord-Brabant en Overijssel hebben daarentegen zowel een lage score op de variabele ‘opkomst’ als ‘StemWijzergebruik’.

 

 

Deelvraag 3: oordelen provincies over gevoerde beleid

 

Bij het contact opnemen met de verschillende Hoofden Communicatie bleek al snel dat een aantal van hen voor een langere periode met vakantie was, waardoor het gesprek met het plaatsvervangend hoofd gehouden moest worden. In meerdere provincies werd echter aangegeven dat het interview voor het verkrijgen van de meest accurate en uitvoerige informatie het beste met de persoon die voor en tijdens de verkiezingscampagne op het gebied van communicatie het meest actief was geweest. In plaats van met het Hoofd Communicatie, bleek dit alternatief erg waardevol omdat op deze manier met de meest deskundige personen in contact getreden kon worden. Deze personen waren globaal genomen bekwaam en behulpzaam. Al met al kan worden gezegd dat uiteindelijk met (een van) de verkiezingsexpert(s) van iedere provincie is gesproken.

Een nadeel van deze aanpak is dat de vergelijking tussen provincies op grond van wat de hoofden Communicatie beweren, is hiermee weggevallen. Daarvoor in de plaats is de verkregen informatie uitvoeriger en gedetailleerder, waardoor er juist weer een betere vergelijking tussen de provincies kan worden getrokken.

Voorafgaande aan ieder gesprek is het evaluatierapport van de betreffende provincie over de Provinciale Statenverkiezingen 2003, mits voorhanden, doorgenomen. Dit zorgde ervoor dat bepaalde vragen overbodig werden en er diepgaander op andere onderwerpen kon worden ingegaan. In acht van de twaalf provincies is van dit rapport voorafgaande aan het interview gebruik gemaakt. Twee provincies (Overijssel en Fryslân) hadden het rapport nog niet afgerond en in twee andere provincies (Zeeland en Flevoland) is geen evaluatie van de verkiezingen gemaakt. In enkele provincies is gebruik gemaakt van de conceptversie van het rapport, omdat deze nog niet officieel goedgekeurd was door het bestuur.

Bij deze deelvraag is ervoor gekozen om met behulp van drie beoordelaars een oordeel te vormen over hoe effectief de geïnterviewden het communicatiebeleid van hun eigen provincie inschatten. De drie beoordelingen worden gemiddeld, waarna een rangorde wordt opgesteld die aangeeft welke provincie haar eigen communicatiebeleid het ‘meest positief’ beoordeelt, tot en met welke provincie dit beleid het ‘meest negatief’ beoordeelt. Aan alle beoordelaars is daarnaast gevraagd opvallende dingen te noteren, die worden meegenomen bij de analyse van de interviews in het tweede gedeelte van deelvraag 3.

 

Beoordeling

 

De codeurs kregen gedurende twintig minuten instructies over hoe de interviews te beoordelen. Er werd hen gevraagd cijfers te geven op drie variabelen:

Bovenstaande drie onderdelen kwamen in ieder interview terug, in het een uitgebreider dan in het ander. Dit is een van de redenen waarom deze onderdelen gekozen zijn ter bepaling van de beoordeling. De beoordeling moet op een of andere manier voor iedere provincie volgens een vaste procedure verlopen om vergelijkingen te mogen trekken. Naast de overall aanwezigheid van deze drie onderwerpen in de interviews, biedt de beoordeling van drie variabelen de codeurs de gelegenheid de teksten in te delen in hapbare brokstukken ter bevordering van de overzichtelijkheid.

De drie gekozen oordelen vormen samen een beeld van de activiteiten en de media-aandacht (deelvraag 1 en 5) en het indirecte oordeel van de provincie (deelvraag 3). Bij deze beoordeling worden dus drie van de vijf deelvragen meegenomen. Bij het oordeel over de ondernomen activiteiten horen naast de voor de hand liggende activiteiten logischerwijs ook de mate waarin de provincie iets betekent heeft in het licht van het faciliteren van politieke partijen en de moeite die de provincie deed om de regionale media voor zich te interesseren. De StemWijzer (deelvraag 2) was een landelijk georganiseerde activiteit en valt dus buiten de beoordeling. Alle provincies hadden hier bovendien ongeveer hetzelfde oordeel over, of althans spraken hierover in ongeveer vergelijkbare termen. Het oordeel over het opkomstpercentage is buiten beschouwing gelaten, omdat dit verder niet in direct verband staat met het oordeel over het optreden van de provincie. Het oordeel van politieke partijen (deelvraag 4) over het optreden van de provincie was slechts bij enkele provincies bekend, en leent zich daarom niet voor het maken van vergelijkingen tussen provincies. Ook deze factor is buiten beschouwing gelaten.

Van de drie oordelen werd aangenomen dat zij impliciet in de antwoorden van de geïnterviewden zaten opgesloten. Het was aan de codeurs om deze eruit te destilleren op grond van positieve en negatieve uitingen ten aanzien van de drie onderdelen in het interview. Het ging daarbij niet slechts om het bij elkaar optellen van de positieve uitingen en deze af te zetten tegen de negatieve uitingen, hierbij kwam ook de weging van de verschillende uitingen ten opzichte van elkaar kijken. Als er in een provincie werd vermeld dat er, bijvoorbeeld, wel wat meer tv-programma’s gemaakt hadden mogen worden, dan woog dat zwaarder dan een vermelding van het feit dat er een betere planning op na moest worden gehouden (hetgeen in veel provincies het geval was). Het uiteindelijke oordeel op een van de onderdelen kwam tot stand door een nauwkeurige afweging van datgene wat over het beleid van de provincie gezegd werd. Bij de beoordeling werd gewerkt met halve punten. Een beoordeling nauwkeuriger dan met halve punten leek onrealistisch, omdat er, naast achting van de hoeveelheid, geaardheid en zwaarte van de uitingen, op basis van een algemene indruk cijfers werden gegeven.

Er is met de codeurs uitgebreid gediscussieerd over de te hanteren methode zodat het voor de codeurs redelijkerwijs duidelijk was wat er van hen werd verwacht. De vraag rees of de codeurs bij dit beoordelen niet in feite hun eigen oordeel gaven over wat zij dachten dat het oordeel van de provincies was. Dat was inderdaad het geval en bood het voordeel dat het oordeel van de provincie over haar eigen optreden een stap werd doorgevoerd en door onafhankelijke beoordelaars voor een tweede maal beoordeeld werd.

Drie codeurs hebben de interviews in tijdsbestek van vijf uur beoordeeld op de drie onderdelen, wat in de volgende becijfering resulteerde:

 

 

Activiteiten

Media

Mis/anders

C gemidd.

Drenthe

7,2

7,3

6,8

7,1

Flevoland

6,8

6,0

6,3

6,4

Fryslân

6,8

8,0

6,5

7,1

Gelderland

7,0

7,3

6,7

7,0

Groningen

7,5

6,8

7,0

7,3

Limburg

7,0

6,8

6,3

6,7

Noord-Brabant

7,2

5,7

6,5

6,5

Noord-Holland

7,5

6,7

6,7

7,0

Overijssel

7,5

7,3

6,8

7,2

Utrecht

7,3

5,7

6,7

6,6

Zeeland

7,0

7,3

7,5

7,3

Zuid-Holland

6,3

6,7

5,7

6,2

Tabel 4. Oordelen Hoofden Communicatie in een cijfer uitgedrukt

 

Wat opvalt, is dat de gemiddelde totaalscores elkaar niet veel ontlopen. Van Groningen en Zeeland als hoogste met een score van 7,3, gaat het tot Zuid-Holland als laagste met een score van 6,2.

Voor de intercodeursbetrouwbaarheid, die minimaal .70 moet bedragen, werd een te lage waarde (Cronbach’s a=.096) gevonden. Toen is geprobeerd de betrouwbaarheid te vergroten door provincies als Zuid-Holland en Zeeland niet mee te nemen in de berekening. De waarde steeg hierdoor echter niet snel genoeg. Bovendien zou het weglaten van enkele provincies betekenen dat deze ook in volgende berekeningen niet zouden mogen worden meegeteld. Er is toen voor gekozen de factor media-aandacht buiten beschouwing te laten. Hierdoor werd de betrouwbaarheid voldoende groot (a=.757).

Dit hield echter wel in, dat de interviews niet langer op basis van het oordeel over de verkregen aandacht in de media geanalyseerd zijn, waardoor het idee van beoordelen volgens de opzet van dit onderzoek niet meer geldt. De overgebleven cijfers tonen daarentegen nog steeds het oordeel van de provincie over een aantal factoren, en er wordt verondersteld dat de werkelijkheid hiermee tot op redelijke hoogte benaderd wordt. Bijkomend voordeel van deze methode is dat iedere provincie in de berekening is meegenomen en er dus in een later stadium op basis van alle provincies vergelijkingen getrokken kunnen worden. Onderstaande tabel toont de uiteindelijke scores, met in de laatste kolom de omgerekende beoordelingen.

 

 

Activiteiten

Mis/anders

C gemidd.

C omger.

Drenthe

7,2

6,8

7,1

9,6

Flevoland

6,8

6,3

6,4

9,0

Fryslân

6,8

6,5

7,1

9,2

Gelderland

7,0

6,7

7,0

9,5

Groningen

7,5

7,0

7,3

10,0

Limburg

7,0

6,3

6,7

9,2

Noord-Brabant

7,2

6,5

6,5

9,5

Noord-Holland

7,5

6,7

7,0

9,7

Overijssel

7,5

6,8

7,2

9,9

Utrecht

7,3

6,7

6,6

9,6

Zeeland

7,0

7,5

7,3

10,0

Zuid-Holland

6,3

5,7

6,2

8,2

Tabel 5. Oordelen Hoofden Communicatie (zonder media) in een cijfer uitgedrukt

 

Rekenvoorbeeld

Groningen (hoogste cijfer):

  • (7,5 + 7,0)/2 = 7,3)

  • 7,3 = hoogste cijfer = 10,0 à oftewel 7,3 / (7,3/10,0) = 10,0

Zuid-Holland (laagste cijfer):

  • (6,3 + 5,7)/2 = 6,2

  • 6,2/ (7,3/10,0) = 8,2

 

Resultaten interviews

 

Hieronder volgen enkele resultaten die uit de toepassing van de Grounded Theory in de methoden van Wester werden gevonden in het kader van het oordeel van provincies over de verkiezingscampagne.

 

Algemeen

· Ongenoegen over (uitblijvende) aandacht voor de verkiezingen in vooral landelijke media, daarnaast in mindere mate in regionale dagbladen.

· Partijen moeten zich meer gaan manifesteren, met het dualisme wordt het belang hiervan groter.

· Opkomstpercentages hebben in vrijwel iedere provincie een grote rol van betekenis, hoewel het belang hiervan hier en daar wordt tegengesproken.

· Onduidelijkheid over aan te nemen positie van de provincie, die zowel de partijen wil faciliteren, als neutraal wil blijven

· De politiek moet herkenbaarder worden door beleid aan personen te koppelen, een verpersoonlijking van de politiek

· Bij debatten en discussies is de burger toch meer geïnteresseerd in gemeentelijke onderwerpen. Ondanks de inspanningen staan provincies redelijk ver van de burger af. De debatten worden veelal afgeschilderd als mat.

 

Provincies vergeleken

· Veel provincies zijn gericht op jongeren, van wie uit onderzoek blijkt dat zij het minst geïnteresseerd zijn. De samenwerking door vijf provincies met het jongerenbureau Future Network is hier een duidelijk voorbeeld van.

· In provincies waar sprake is van stijging in opkomst, relateert men sneller aan een goede campagne als oorzaak voor het opkomstpercentage.

· De campagne in Gelderland heeft is waarschijnlijk succesvol geweest door het verkorten van de periode van campagnevoering, waardoor de intensiteit toenam. De huis-aan-huis bezorgde brief van de Commissaris van de Koningin van Gelderland, het door Omroep Gelderland uitgezonden tv-debat en het inkopen van zendtijd op televisie door grote partijen waren de sleutels tot het succes.

· Voor de enige niet-stijgers in opkomst, Noord-Brabant en Limburg, lijken niet direct oorzaken aanwijsbaar, hoewel beiden achterblijven qua budget en Noord-Brabant qua diversiteit in de aanpak

· Randstedelijke provincies plus Noord-Brabant pleiten voor verdergaande samenwerking, in de vorm van een general practice met de mogelijkheid voor lokale en regionale verschillen

· Buitenrandstedelijke provincies leggen nadruk op provinciale gevoelens (bijv. Drent voelt zich Drent), waardoor de behoefte aan samenwerking minder is.

 

In bijlage VII is een deel van de tussentijdse documentatie opgenomen, langs welke weg tot bovenstaande resultaten gekomen kon worden.

 

Conclusie

 

Van alle variabelen is het oordeel van de provincie over het gevoerde beleid het moeilijkst vast te stellen. Van de geïnterviewde communicatiedeskundigen kan niet worden verwacht hun eigen provincie in een slecht daglicht te zetten. Om die reden was het noodzakelijk om verschillende codeurs een oordeel te laten vormen op basis van de indruk die men van de antwoorden in het interview kreeg. Door slechts met onafhankelijke codeurs te werken, die als ‘leken’ precies te horen kregen op welke criteria de interviews beoordeeld moesten worden, is geprobeerd zo betrouwbaar en nauwgezet mogelijke resultaten voor deze variabele te verkrijgen.

De uitkomsten lopen niet sterk uiteen; het verschil tussen de hoogste (Zeeland en Groningen) en de laagste (Limburg) bedraagt slechts 0,6 punt, omgerekend 0,8 punt. Omdat de resultaten een gemiddelde zijn van zorgvuldig vastgestelde beoordelingen, waarbij (daarmee moet rekening worden gehouden) geen provincie uiterst negatief was over zijn eigen provincie, kunnen de kleine verschillen in de gemiddelden toch duiden op eventuele grotere verschillen in de werkelijkheid. Het feit dat geen enkele provincie haar eigen functioneren in ernstige mate bekritiseert (geen onvoldoendes), zorgt er eigenlijk voor dat de verschillen niet op een schaal van tien, maar op een schaal van vijf gevonden moeten worden.

Groningen, Drenthe en Zeeland, die op basis van de interviews alledrie gerekend worden tot de provincie die eerder hun eigen weg zullen gaan, dan samenwerking met andere provincies te ondernemen, komen opvallend goed uit de voeten op deze variabele. Dit zou betekenen dat provincies die meer op zichzelf gericht zijn actiever, effectiever of eenvoudigweg beter in staat zijn verkiezingscampagnes te ontwikkelen en uit te voeren. Aan de andere kant kan dit resultaat staan voor een ietwat defensieve houding van communicatiedeskundigen van meer op zichzelf gerichte provincies, ten opzichte van andere provincies. De wil om de huidige manier van werken in stand te houden en/of veranderingen tegen te gaan, overstijgt in dat geval de wil om middels een zelfkritische houding te komen tot verbeteringen in het beleid.

Bij deze variabele kan de gedachte naar voren komen, dat het oordeel over de eigen provincie te hoog uitvalt in provincies met een positief resultaat op de variabele ‘opkomst’. Een verklaring hiervoor biedt het gevonden resultaat uit de interviews dat de opkomst vaak een belangrijke factor is in het discours over de verkiezingen.

 

 

Opkomst

Oordeel

Drenthe

9,8

9,6

Flevoland

2,6

9,0

Fryslân

9,0

9,2

Gelderland

10,0

9,5

Groningen

9,0

10,0

Limburg

0,0

9,2

N-B

-8,6

9,5

N-H

9,3

9,7

Overijssel

3,3

9,9

Utrecht

7,1

9,6

Zeeland

3,3

10,0

Z-H

9,3

8,2

Tabel 6. Vergelijking tussen opkomst en oordelen Hoofden Communicatie

 

Uit de vergelijking tussen beide variabelen blijkt dat Drenthe, Gelderland, Groningen en Noord-Holland op beide goed uit de voeten komen. Fryslân en Zuid-Holland boeken wel een positief resultaat qua opkomst, maar vallen in vergelijking met andere provincies tegen op het oordeel van de provincie. De theorie dat het positieve oordeel sterk in relatie zou staan tot het opkomstpercentage, lijkt dus niet op te gaan (l=.24).

 

Discussie

De oorzaak voor het kleine verschil van 1,1 punt tussen de hoogste en laagste score heeft waarschijnlijk te maken met de moeilijkheidsgraad van de beoordelingen. Hoewel tijdens de beoordelingssessie niet direct aanleidingen zijn gevonden om het beoordelen als ‘onmogelijk’ te bestempelen, drukt dit resultaat wel degelijk een onzekerheid uit.

 

 

Deelvraag 4: oordelen politieke partijen

 

De uitnodiging met de URL van de enquête is zoveel mogelijk verstuurd naar de campagneleiders van alle partijen. Deze hebben het meeste contact te onderhouden met de provincies en zijn daardoor het beste in staat te oordelen over het functioneren van de provincie. Indien het geval zich voordeed dat het adres van de campagneleider van een partij niet achterhaald kon worden, dan wel dat er überhaupt geen sprake was van een campagneleider (bijvoorbeeld bij kleine partijen[5]), is ervoor gekozen de vragenlijst te versturen naar fractievoorzitters van partijen. Het is in zulke gevallen onduidelijk wie men het beste kan aanspreken. Uitgangspunt was personen aan te schrijven, die dicht op het werk en de organisatie van de provincie zaten, waardoor zij haar goed kunnen beoordelen. Er kan gezegd worden dat een kleine afstand tot de provincie gepaard gaat met een kleinere onafhankelijkheid. Dit wordt in het onderzoek echter ondervangen door de uitslag van de enquête te relateren aan de opkomstcijfers en het gebruik van de StemWijzer (zie hoofdstuk 3). Dit vormt een controle op de veronderstelling dat partijen de stellingen onafhankelijk van verkiezingsresultaten beantwoorden.

Nadat was vastgesteld welke personen het beste konden worden aangeschreven, is hen een e-mail gestuurd met daarin het verzoek de in de mail opgenomen link (http://pb.ipp-opiniewijzer.nl) aan te klikken en de stellingen en bijbehorende vragen te beantwoorden. De website waarnaar de link verwees was vrij eenvoudig van opzet en bestond uit een blauwe achtergrond waarop in het zwart de stellingen en vragen zichtbaar waren. De enquête kon worden opgestuurd door onder aan de enquête op ‘verzenden’ te klikken. Op de stellingen moest een antwoord zijn gegeven, voordat de enquête kon worden opgestuurd. Probeerde men de vragenlijst op te sturen zonder alle stellingen te hebben ingevuld, dan kreeg men een melding dat niet alle stellingen waren ingevuld.

Van de in totaal ongeveer 140 aangeschreven partijen is een respons van 47 ingevulde enquêtes verkregen. Inzendingen zonder vermelding van de provincienaam werden ontvangen van de LPF, GroenLinks en SGP (allen een maal) en de VVD (twee maal).

Slechts in één provincie werd de enquête door dezelfde partij meer dan een keer ingevuld (GroenLinks Zeeland). Met enige zekerheid is dit veroorzaakt doordat meerdere personen binnen de partij zijn gevraagd de enquête in te vullen. Alleen de eerste enquête die door de partij is ingevuld, is meegenomen in de berekening. Zuid- en Noord-Holland zijn met vijf partijen de meest actieve provincies wat betreft het invullen van de enquête. Onderstaande tabel toont de scores van de verschillende provincies op de variabele ‘oordeel politieke partijen over het door de provincie gevoerde beleid’.

 

 

Deelgenomen partijen

#

Score

C

Drenthe

VVD, CDA

2

2,8

9,0

Flevoland

SP, VVD, LPF, D66

4

1,8

5,8

Fryslân

FNP, VVD, D66

3

2,3

7,4

Gelderland

GroenLinks, D66

2

1,9

6,1

Groningen

D66, Partij voor het Noorden, PVDA, VVD

4

2,0

6,5

Limburg

VVD, LPF

2

2,6

8,4

Noord-Brabant

ChristenUnie-SGP, CDA

2

2,6

8,4

Noord-Holland

VVD, Leefbaar Noord-Holland, PvdA, D66, GroenLinks

5

1,9

6,1

Overijssel

D66, SGP, VVD, GroenLinks

4

3,1

10,0

Utrecht

D66, VVD, SGP

3

2,2

7,1

Zeeland

GroenLinks, SGP, PvdA

3

2,0

6,5

Zuid-Holland

D66, SGP, GroenLinks, Leefbaar Zuid-Holland, SP

5

2,0

6,5

Tabel 7. Oordelen politieke partijen per provincie in een cijfer uitgedrukt

 

Rekenvoorbeeld

Overijssel (hoogste cijfer):

  • 3,1 = hoogste cijfer = 10,0 à oftewel 3,1 / (3,1/10,0) = 10,0

Flevoland (laagste cijfer):

  • 1,8/ (3,1/10,0) = 5,8

 

De enige provincie met een gemiddelde score hoger dan 3,0 is Overijssel (3,1). Drenthe (2,8), Noord-Brabant (2,6), Limburg (2,6), Fryslân (2,3), Utrecht (2,2), Groningen, Zeeland en Zuid-Holland (ieder 2,0) hebben een score tussen 2,0 en 3,0. Noord-Holland,Gelderland (1,9) en Flevoland (1,8) zitten daar als enigen onder.

Omdat de populatie erg klein is (12 maal 12 partijen= 144 partijen), en hieruit een steekproef van minder dan wordt een derde van de populatie geanalyseerd, is het niet zeker of er betrouwbare conclusies kunnen worden getrokken. Berekeningen omtrent deze onbetrouwbaarheid vallen buiten de mogelijkheden van SPSS, een computerprogramma voor statistische berekeningen. Er is om deze reden vanuit gegaan dat de data voorhanden voldoende betrouwbaar zijn om mee door te rekenen.

De scores zijn vastgesteld aan de hand van de antwoorden door de partijen op acht stellingen die samen de variabele ‘effectiviteit van het beleid van de provincie’. De enquête omvatte in totaal negen stellingen, maar de laatste stelling (stelling 9: ‘De lichte stijging in opkomst bij de verkiezingen is niet het gevolg geweest van de activiteiten van de provincie.’) is in de berekening niet meegenomen. Deze bleek een andere component te meten en was niet met de andere stellingen in een betrouwbare schaal in te delen.

De acht stellingen meten samen de de variabele effectiviteit, maar zijn onder te verdelen in de volgende drie subgroepen:

Hieronder valt het informeren van het publiek over de verkiezingen en de Open Dag en de mate waarin politieke partijen zich konden profileren.

Onder deze component valt de stellingen over het betrekken van het publiek bij de verkiezingen, het organiseren van debatten en het mobiliseren van de media.

Deze component omvat de onderwerpen kennisverhoging als gevolg van de StemWijzer en het wijzen op de Programvergelijking.

Er is niet voor gekozen aan de hand van de afzonderlijke subgroepen berekeningen te maken. De groepen vormen tezamen een schaal die voldoende betrouwbaar is om de effectiviteit mee vast te stellen (a=.70). Factoranalyse wijst dus uit dat de acht stellingen per stelling minimaal een a van .60 meten (zie bijlage IV). De verschillen binnen de populatie van twaalf provincies zijn significant (F=2.550, p<.05). Overijssel scoort op basis van een LSD-significantietoets significant hoger (p<.05) dan alle andere provincies, behalve Drenthe (p=.51), Limburg en Noord-Brabant (p=.24). De provincie Flevoland scoort significant lager (p<.05) dan de provincies Overijssel, Drenthe, Limburg en Noord-Brabant. Ook het verschil in score op de variabele ‘effectiviteit’ tussen Randstedelijke provincies (Flevoland, Noord-Holland, Utrecht en Zuid-Holland) en landelijke provincies is significant (t=2.523, df= 37, p(tweezijdig)<.05).

Hieronder staan deze uitkomsten in tabelvorm voor iedere provincie ten opzichte van de andere. Hieruit is af te lezen hoe groot de kans is dat het gevonden verschil tussen twee provincies op toeval berust. Als dit getal kleiner is dan .05, spreken we van een significant verschil. Voor het overzicht zijn alleen de significante scores in de tabel opgenomen. Onder iedere provincie staat de gemiddelde score van alle partijen aangeven.

 

LSD

Dr

Flev

Frys

Geld

Gron

Lim

N-B

N-H

Ov

Utr

Zeel

Z-H

Drenthe

(2,8)

X

0.014

0.18

0.066

0.048

 

 

0.018

 

 

0.049

0.041

Flevoland

(1,8)

0.014

X

 

 

 

0.04

0.04

 

0.002

 

 

 

Fryslân

(2,3)

 

 

X

 

 

 

 

 

0.03

 

 

 

Gelderland

(1,9)

 

 

 

X

 

 

 

 

0.01

 

 

 

Groningen

(2,0)

 

 

 

 

X

 

 

 

0.004

 

 

 

Limburg

(2,6)

 

0.04

 

 

 

X

 

 

 

 

 

 

Noord-Brabant

(2,6)

 

0.04

 

 

 

 

X

 

 

 

 

 

Noord-Holland (1,9)

 

 

 

 

 

0.062

0.062

X

 

 

 

 

Overijssel

(3,1)

 

0.002

0.03

0.01

0.004

 

 

0.001

X

0.24

0.003

0.004

Utrecht

(2,2)

 

 

 

 

 

 

 

 

0.024

X

 

 

Zeeland

(2,0)

0.041

 

 

 

 

 

 

 

0.003

 

X

 

Zuid-Holland

(2,0)

0.049

 

 

 

 

 

 

 

0.004

 

 

X

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tabel 8. Significante verschillen tussen de oordelen politieke partijen per provincie

 

Voor een verdere vergelijking tussen de Randstedelijke provincies en de landelijke provincies, is gebruik gemaakt van clusters. Deze clusters worden gevormd door voor één partij de scores in alle provincies onderling te vergelijkingen. Door het constant houden van de partij, kunnen betrouwbaardere uitspraken worden gedaan. D66 heeft de enquête in zowel in vier Randstedelijke provincies als in vier landelijke provincies ingevuld. De VVD reageerde in vijf landelijke en in drie Randstedelijke provincies. Het verschil tussen de Randstad en daarbuiten was voor D66 en VVD afzonderlijk niet significant (resp. t=1.188, df=6, p(tweezijdig)=.28 en t=2.388, df=6, p(tweezijdig)=.05). Voor beide partijen geldt echter dat de score op de variabele effectiviteit hoger ligt buiten de Randstad, dan erbinnen. Bij elkaar genomen bleek het verschil tussen Randstad en daarbuiten wel significant (t=2.471, df=14, p(tweezijdig)<.05). Buiten de Randstad wordt het beleid van de provincie door deze twee partijen dus significant positiever beoordeeld dan binnen Randstad.

Daarnaast kunnen clusters worden gevormd door slechts die partijen in iedere provincie mee te tellen, die voor en na de verkiezingen de grootste waren. Het gaat dan om de partijen CDA, PvdA en VVD. Omdat er door deze selectie groepen ontstaan waarbij het aantal gevallen minder dan twee is, kunnen de provincies op deze manier niet onderling vergeleken worden. De verschillen binnen de populatie blijken op deze manier niet significant (F=1.471, p=.41).

Een ander criterium om de gegevens te clusteren en de resultaten betrouwbaarder te maken, is het selecteren op partijgrootte. Als voor elke provincie alleen die partijen worden meegeteld die in iedere provincie vertegenwoordigd waren, zijn de verschillen binnen de populatie van provincies ook significant bevonden (F=4.179, p<.01). Op deze manier worden de provincies onderling beter vergelijkbaar. Overijssel scoort ook nu significant hoger (p<.01) dan alle andere provincies behalve Drenthe (p=.36), Limburg en Noord-Brabant (p=.11). Deze methode laat provinciale partijen buiten beschouwing. Deze partijen worden veelal als minder professioneel en extremer gezien dan landelijke partijen (wat ook blijkt uit de resultaten). De scores voor provinciale partijen zijn significant lager (F=2,879, df=43, p(tweezijdig)<.01). Resultaten kunnen hierdoor geflatteerd zijn. Daarnaast is er niet in iedere provincie door een provinciale partij aan de enquête deelgenomen. Het maken van betrouwbare vergelijkingen wordt hierdoor verder verstoord. Omdat de resultaten met behulp van deze laatste manier van selecteren betrouwbaarder zijn, is ervoor gekozen met de cijfers die hieruit voortkomen verder te werken. Dit leidt tot de volgende resultaten:

 

 

Deelgenomen partijen

#

Score

C

Drenthe

VVD, CDA

2

2,8

8,8

Flevoland

SP, VVD, LPF, D66

4

1,8

5,6

Fryslân

VVD, D66

2

2,2

6,9

Gelderland

GroenLinks, D66

2

1,9

5,9

Groningen

D66, PVDA, VVD

4

3,2

10,0

Limburg

VVD, LPF

2

2,6

8,1

Noord-Brabant

ChristenUnie-SGP, CDA

2

2,6

8,1

Noord-Holland

VVD, PvdA, D66, GroenLinks

4

2,1

6,6

Overijssel

D66, SGP, VVD, GroenLinks

4

3,1

9,7

Utrecht

D66, VVD, SGP

3

2,2

6,9

Zeeland

GroenLinks, SGP, PvdA

3

2,0

6,3

Zuid-Holland

D66, SGP, GroenLinks, SP

4

2,2

7,1

Tabel 9. Oordelen politieke partijen per provincie in een cijfer uitgedrukt

 

Rekenvoorbeeld

Groningen (hoogste cijfer):

  • 3,2 = hoogste cijfer = 10,0 à oftewel 3,2 / (3,2/10,0) = 10,0

Flevoland (laagste cijfer):

  • 1,8/ (3,2/10,0) = 5,6

 

De provincie Groningen is door deze methode op de eerste plaats beland (10,0), op de voet gevolgd door Overijssel (9,7). Flevoland blijft de provincie met de laagste score (5,6). Vooral de provincies Groningen, Noord- en Zuid-Holland hebben voordeel van deze aanpak.

Het CDA heeft in twee provincies de enquête ingevuld, in Drenthe en in Noord-Brabant. Beide provincies worden door deze partij identiek beoordeeld (score 1,94). D66 beoordeelt de provincie in Overijssel uitzonderlijk hoog, in Zuid-Holland daarentegen laag. In Flevoland, Fryslân, Groningen, Noord-Holland, Utrecht en Gelderland wordt de provincie door deze partij gemiddeld beoordeeld. Ook GroenLinks deelt de provincie in Overijssel een hoog cijfer toe, terwijl dit in Zeeland aan de lage kant zit. De SGP laat voor de provincie Overijssel de hoogste van alle beoordelingen van alle partijen noteren (3,39), terwijl zij de provincie in Utrecht en Zuid-Hollland een gemiddeld cijfer geeft. De VVD is samen met de PvdA het meest gematigd in het oordeel over de provincie, en laat de hoogste score noteren in Limburg, de laagste in Utrecht.

Tenslotte is gecontroleerd of de beoordelingen van partijen over de provincie niet in direct verband stonden met de resultaten die zij bij de verkiezingen boekten. De correlatie tussen beide variabelen bleek te laag om deze relatie serieus te nemen.

 

Conclusie

 

De provincie Groningen komt op deze variabele het best uit de voeten, de provincie Gelderland het slechtst. De verschillen binnen de populatie van provincies blijken significant groot en er zijn onderling veel grote verschillen te vinden tussen provincies.

Verder zijn er binnen de verschillende afdelingen van landelijk georganiseerde partijen grote verschillen te vinden. Hierbij moet wel de kanttekening worden gemaakt dat de oorzaak voor deze verschillen niet (slechts) hoeft te liggen in de verschillen tussen provincies. De afdeling van een landelijke partij in een noordelijke provincie kan bijvoorbeeld wezenlijk anders zijn dan de afdeling van dezelfde partij in een zuidelijke provincie.

 

 

Deelvraag 5: media-activiteit

 

De factor media-activiteit is niet eenvoudig vast te stellen, omdat hierbij zeer veel aspecten een rol spelen. Allereerst wordt gekeken naar de ‘aanwezigheid’ van regionale radio- en tv-omroepen binnen een provincie om iets te kunnen zeggen over de mogelijkheden die er in elke provincie op dit gebied bestonden. Daarnaast wordt gekeken naar de hoeveelheid uitingen door provincie én regionale omroepen via pers en regionale omroep, wat aangeeft hoeveel activiteit in een provincie in grote lijnen is gegenereerd. Verder wordt meegenomen of er in een provincie onderzoek werd gedaan in het kader van de verkiezingen. Tenslotte worden uit de gehouden interviews met communicatiemensen van de verschillende provincies statements gehaald, die betrekking hebben op de media-aandacht in het kader van de verkiezingen.

 

Landelijk

De landelijke verkiezingen verkregen veel meer aandacht dan de provinciale. De aandacht van de media voorafgaande aan de Tweede Kamerverkiezingen wordt wel omschreven als een waar bombardement. Bij de Provinciale Statenverkiezingen had men niet alleen te kampen met weinig interesse vanuit de media, maar ook met een relatief negatieve manier van berichtgeven. In een periode van een half jaar valt 77,7% (ofwel 209 publicaties) van alle berichtgeving over de Statenverkiezingen. Daarbij is sprake is van overwegend neutrale berichtgeving (80,9%). Er zijn daarnaast meer negatieve (14,8%) dan positieve publicaties (4,3%). In de twee dagen voor de verkiezingen valt 22,3% (ofwel 60 publicaties) van alle berichtgeving over de Statenverkiezingen. Dit betekent dat ruim een kwart van alle berichtgeving over de Statenverkiezingen gevallen is op deze twee dagen. De publiciteit is in deze periode veel negatiever dan ervoor. Het percentage negatieve artikelen stijgt tot 38,8% van de berichtgeving in deze periode. Een meerderheid van de media houdt zich echter aan neutrale (46,7%), een minderheid aan positieve (15%) berichtgeving.

 

Per provincie

De aandacht die de provincie voor haar activiteiten voor zich opeist, heeft waarschijnlijk invloed op de aandacht van pers en omroepen voor de provincie. Maar misschien is het voor deze aandacht nog belangrijker dat politieke partijen zich presenteren, waardoor er verschillen ontstaan en er iets te kiezen valt. Daarom is voor het vaststellen van deze factor per provincie ook rekening gehouden met eventuele opmerkingen over de mate van (in)activiteit van politieke partijen. Daarnaast wordt van belang geacht de relatie die de provincie met de regionale persdiensten en omroepen heeft.

Aan de hand van het aantal activiteiten van provincie en omroep worden voor beide factoren rangordes opgesteld. Als er binnen een provincie voorafgaande aan de verkiezingen onderzoek is verricht in het kader van de verkiezingen, is voor de intensiteit van dit onderzoek een beoordeling gegeven. Provincies waar geen onderzoek is geweest, scoren op dit onderdeel een 1.

Aan iedere provincie wordt vervolgens een cijfer toegekend voor de hoeveelheid media-aandacht en de verschillende invloeden die hierbij een rol spelen op basis van de statements uit de interviews. Bij het geven van deze beoordelingen is gelet op wat de statements over de media-aandacht duidelijk maken en in hoeverre in de statements zaken naar voren komen die konden bijdragen aan een grotere media-aandacht. Deze cijfers zijn door drie onafhankelijke beoordelaars gegeven. Hiervan is het gemiddelde berekend.

 

Figuur 5. Factoren ter bepaling van media-activiteit per provincie

 

Cijfers regionale omroepen

 

Voor het eerste gedeelte van deelvraag 5 – de cijfers over het marktaandeel van de verschillende regionale omroepen – is op de website http://www.orn.nl een aantal uitdraaien gemaakt waaruit deze gegevens werden opgemaakt. Onderstaande tabellen geven aan hoe groot het marktaandeel en de luisterdichtheid van regionale radio- en tv-omroepen binnen de verschillende provincies in de maanden januari en februari 2003 waren, over de hele week van 7.00u tot 19.00u gemeten, met een doelgroep van 10 jaar en ouder.

 

Radio

 

 

 

 

Station

Marktaandeel in %

Luisterdichtheid (abs.)

Groningen

Radio Noord

35

41.000

Fryslân

Omrop Fryslân

24,4

36.140

Drenthe

Radio Drenthe

18,4

21.632

Gelderland

Radio Gelderland

17,4

66.040

Zeeland

Omroep Zeeland

16,5

13.360

Noord-Brabant

Omroep Brabant

15,9

86.772

Overijssel

Radio Oost

15,8

37.245

Limburg

L1 Radio (Omroep Limburg)

13,7

35.532

Zuid-Holland

Radio Rijnmond

13

42.427

Noord-Holland

Radio Noord-Holland

9,5

49.302

Flevoland

Omroep Flevoland

8,9

6.204

Zuid-Holland

Radio West

8,2

27.360

Utrecht

Radio M FM 100.1

3,8

8.892

Tabel 10. Marktaandeel en luisterdichtheid van regionale radio-omroep per provincie

 

Het marktaandeel van Radio Noord in Groningen stijgt in de onderzoeksperiode ver boven die van andere omroepen uit. Radio M FM 100.1 scoort het laagst wat betreft marktaandeel.

 

TV

 

 

 

 

Station

Marktaandeel in %

Kijkdichtheid (abs.)

Groningen

TV Noord

6,6

12.558

Fryslân

Omrop Fryslân

4,3

8.976

Zeeland

Omroep Zeeland

3,9

6.340

Overijssel

TV Oost

3,3

9.040

Drenthe

TV Drenthe

3,1

5.865

Limburg

L1 TV (omroep Limburg)

2,9

6.622

Noord-Holland

AT5

2,1

8.820

Noord-Brabant

Omroep Brabant TV

2,2

13.650

Zuid-Holland

TV Rijnmond

1,7

7.230

Gelderland

TV Gelderland

1,7

12.592

Zuid-Holland

TV West

1,2

8.532

Flevoland

Omroep Flevoland TV

1,1

1.210

Noord-Holland

TV Noord-Holland

0,9

3.414

Utrecht

Regio TV Utrecht

0,9

1.834

Tabel 11. Marktaandeel en kijkdichtheid van regionale tv-omroep per provincie

 

In de provincies Noord-Holland en Zuid-Holland, waar twee regionale tv- en/of radio-omroepen bestaan, zijn de marktaandelen voor deze twee bij elkaar opgeteld. De ordening van de provincies betreffende de marktaandelen voor regionale radio- en tv-omroepen ziet er als volgt uit:

 

 

Rangorde

Groningen

1

Fryslân

2

Drenthe

3

Zeeland

3

Zuid-Holland

5

Overijssel

6

Gelderland

7

Limburg

8

Noord-Brabant

8

Noord-Holland

8

Flevoland

11

Utrecht

12

Tabel 12. Rangorde voor marktaandeel regionale omroepen per provincie

 

Zowel Drenthe en Zeeland als Noord-Brabant, Limburg en Noord-Holland komen op dezelfde positie in de rangorde terecht. Dat betekent dus dat deze provincies op dit aspect vergelijkbaar zijn. Opvallend is dat zowel Omroep Brabant TV als de regionale omroepen in Noord-Holland (TV Noord-Holland en AT5) met een gemiddelde kijkdichtheid van ruim 13.000 personen (hoogste van alle provincies), op de 7e plaats belanden. Het relatieve cijfers worden hier echter belangrijker geacht dan de absolute, omdat de eerste veel meer zegt over de aanwezigheid van regionale omroepen binnen een provincie.

 

Activiteit via regionale omroep(en) per provincie

 

Er is voor gekozen deze variabele te behandelen volgens de ordening in de vorige paragraaf, in plaats van in alfabetische volgorde zoals bij de activiteiten per provincie (deelvraag 1). Dit maakt de behandeling van de verschillende provincies overzichtelijker. Een aantal van onderstaande uitingen van regionale omroepen staan ook vermeld bij deelvraag 1 over de ondernomen activiteiten van de provincie. Dit is gedaan omdat, zoals ook in het voorstel staat aangegeven, deze activiteiten gerekend worden tot de media-uitingen via pers of regionale omroep en van deze uitingen wordt aangenomen dat ze invloed hadden op de activiteit van pers en/of omroep(en) in de verschillende provincies. De deelname aan het ontwikkelen van de StemWijzer en Programvergelijking is hierbij achterwege gelaten, omdat alle provincies hieraan hun medewerking verleenden en er daarom op deze factor geen verschillen zijn aan te wijzen.

 

Groningen

 

Fryslân

· RTV spotjes (ook op Rebecca radio)

· Ondersteunende advertenties

· Verkiezingsspotjes (radio, tv)

· Provincie Fryslân heeft in haar voorgenomen activiteiten ook gezet het actief benaderen van de media voor free-publicity

· Omrop Fryslân TV zond op woensdag 26 februari voor het allereerst een vergadering van Provinciale Staten live uit. Het ging om een door de 'oppositiepartijen' aangevraagd spoeddebat over de zweeftrein, in Fryslân hét item van de aanstaande Statenverkiezingen.

 

Omdat er geen verdere gegevens over de programmering op Omrop Fryslân voorhanden zijn, is deze factor niet vast te stellen en niet meegenomen in de beoordeling.

 

Drenthe

· Televisieserie ‘Westerbrink 1’

· Televisie- en radiospotjes (Skik)

· Verkiezingsspotjes (radio, tv)

· Advertentie ‘Ik ga stemmen’

· Drenthe Kiest, het verkiezingsprogramma van TV Drenthe, werd vanaf een maand voor de verkiezingen elke dinsdag om 18.20 uur uitgezonden (en elk uur in de herhaling).

· Radio Drenthe besteedde in de rubriek Drenthe Kiest wekelijks aandacht aan de Provinciale Verkiezingen op dinsdag 11 maart 2003. Iedere donderdag tussen 17.30 en 18.00 uur.

 

Zeeland

· Verkiezingsspotjes (radio, tv)

· Zeeuwse Kringen was het politiek nieuwscafé van Omroep Zeeland. Het werd iedere vrijdag van 16 tot 17 uur rechtstreeks uitgezonden vanuit jazzcafé Desafinado in Middelburg. Presentatoren Bob Lagaay, Gauke Veen en Aad van der Wouden praatten met politici en andere gasten over het nieuws van de week

 

Zuid-Holland

· Verkiezingsspotjes (radio, tv)

· 5 advertenties in huis-aan-huisbladen

· Stoppers op reguliere advertenties van de provincie

· Kieskrant

· Vanaf begin februari zendt TV West op werkdagen de serie ‘De 250 kilometer van Zuid-Holland’ uit. Een verslaggever wandelt vanaf het Provinciehuis met wisselende lijsttrekkers langs allerlei actuele punten uit het provinciale beleid. In het Rijnmondgebied neemt een Rijnmond verslaggever het over. Een dag voor de verkiezingen eindigt de wandeling, en dus ook de serie, weer bij het Provinciehuis.

· Van maandag 3 maart tot en met vrijdag 7 maart zond TV West dagelijks een special uit van elk 12 minuten. De specials waren een samenwerking tussen Radio TV West en Radio Rijnmond..

· Radio West zond op deze dagen dagelijks een kort radiodebat uit.

· Op maandag 10 maart zond TV West om 21.00 en 23.30 uur het lijsttrekkersdebat uit. Dit debat had plaats in het Provinciehuis. Het lijsttrekkersdebat werd op dinsdag 11 maart herhaald.

· Op 11 maart begon Radio West omstreeks 18.00 uur met de live uitzending.

 

Overijssel

· Paginagrote advertentie in de regionale dagbladen

· Huis aan Huis verkiezingskrant

· Spotjes op tv

· Spotjes op radio

· Op zaterdag 8 maart om 18.21 uur was op TV Oost het eenmalige tv-programma ‘Politici Onder de Pannen’ te zien, waarin presentatrice Dorothy Oosting met regionale lijsttrekkers de keuken inging. Onder leiding van chef-kok Theo Bakker bereidt het gezelschap eendrachtig een viergangenmaaltijd.

· Op 11 maart, de verkiezingsdag zelf, deed RTV Oost verslag van de stembusgang. Radio Oost peilde overdag de sfeer en de opkomst bij de stembureaus, en zorgde ’s avonds op regelmatige tijden voor de laatste uitslagen en achtergronden.

· Sinds 8 januari bracht RTV Oost op woensdag een wekelijks programma rond de provinciale verkiezingen onder de titel "11 maart". Per aflevering stond één onderwerp centraal dat eerst vanuit een concrete situatie werd belicht en daarna via een provinciebrede stelling werd besproken.

· Elke werkdag tussen 11.00 uur en 11.30 uur was vanaf 26 februari een provinciale lijsttrekker te gast in Het Overijssels Hart, het lunchprogramma van Radio Oost. Op 10 maart was Overijssels commissaris van de koningin Jansen te gast tussen 11.00 uur en 11.30 uur.

 

Gelderland

· Pagina in huis-aan-huisblad

· Verkiezingsspotjes (radio, tv)

· [Gld.] Magazine

· Video 'Wat nou provincie'

· In aanloop naar de verkiezingen zonden Radio en TV Gelderland een serie live tv-programma’s uit, genaamd De Stem van Gelderland. TV Gelderland zond De Stem van Gelderland zes woensdagen uit. In de programma's gingen zittende en aankomende politici met elkaar in debat.

· Zaterdagavond 8 maart was op TV Gelderland een speciale aflevering te zien van de Huiskamer TV Show, vanuit de woonkamer van Jan Kamminga, de commissaris van de koningin in Gelderland.

· Zondagavond 9 maart gingen de lijsttrekkers van de verkiezingen met elkaar in debat op TV Gelderland.

 

Limburg

· Verkiezingsspotjes (radio, tv)

· Informatie op de Provinciepagina in de huis-aan-huisbladen

· Publicaties en advertenties in de media

· In het radioprogramma Trefpunt was iedere zondag om 11.00 uur een van de debatten uit een serie van drie uitgezonden.

· Op donderdag 6 maart en vrijdag 7 maart zond L1 twee themadebatten uit rond de verkiezingen.

· L1 TV zond op de avond voor de verkiezingen een debat uit tussen de lijsttrekkers in Provinciale Staten. Het debat duurde een uur.

 

Noord-Holland

· Betaalde uitzendingen op TV Noord-Holland en AT5: Hoff in Holland (gemiddeld publiek van een kleine 30.000 kijkers)

· Betaalde uitzendingen TV Noord-Holland: spotjes politieke partijen

· Huis-aan-huispagina

· Amsterdamse Weekmedia

· Radiospots op City FM

· Advertentie ‘kiezers bedankt’

· Op Dreef

· Van 3 t/m 9 maart was er op TV Noord-Holland dagelijks in de nieuwsuitzending 4 minuten verkiezingsnieuws. Vanaf het nieuws van 18.00 uur in elke nieuwsuitzending.

· Op 10 maart van 18.15 tot 19.00 uur: op Radio en TV Noord-Holland een lijsttrekkersdebat met de lijsttrekkers van VVD, PvdA, CDA, GroenLinks, D66 en SP.

· Op Radio Noord-Holland waren er iedere werkdag gesprekken met lijsttrekkers, uitgezonden om 07.50 uur.

· Op 11 maart was er de hele dag door berichtgeving vanuit stembureaus.

 

Flevoland

· Verschillende debatten uitgezonden

· Verkiezingsspotjes (radio, tv)

· Zondag 23 februari om 10.30 uur zond TV Flevoland het programma 'Ondernemend

Flevoland' uit met daarin de vraag: wat kunnen ondernemers verwachten van

de Flevolandse politiek?

· In de maanden januari, februari en maart verschillende lijsttrekkers te gast in het wekelijkse

interviewprogramma "Over Flevoland Gesproken"

· TV Flevoland heeft een lijsttrekkersdebat en een programma tijdens de uitslagenavond.

· In de dagelijkse nieuwsuitzendingen aandacht voor actuele ontwikkelingen tijdens de

verkiezingscampagne

 

Noord-Brabant

· Campagne Provincie in de Buurt

· Verkiezingsspotjes (radio, tv)

· Omroep Brabant had iedere week het Streekspel, waarin elke week drie vragen over het nieuws dat Brabant bezighield.

· In Lijsttrekker op pad was een radioreportage over een door een lijsttrekker zelf gekozen onderwerp, dat wordt door de TV gefilmd en zowel in de vorm van radio-item als in de vorm van tv-item op dezelfde dag (niet hetzelfde tijdstip) werd uitgezonden.

· Elke zaterdag (m.u.v. carnavalszaterdag) was er op Brabant Radio het programma Stemmingmakerij, een politiek café met muziek, cabaret en (provinciale) politiek en mensen die dingen oppakken die de overheid laat liggen.

· Middagcafé was de lunchuitzending op Brabant Radio tussen 12 en 14. Een lijsttrekker was daar een uur te gast en was de rode draad door het programma. Gesprekken van persoonlijke en politieke aard werden afgewisseld met muziek overig nieuws.

· Een vijftal lijsttrekkersdebatten op Brabant TV van 40 minuten met alle 11 lijstrekkers, in verschillende samenstelling.

· In Baas in Brabant namen 'gewone' mensen plaats op de stoel van Commissaris van de Koningin Houben en vertelden wat er in hun provincie moest gebeuren, als zij de baas van Brabant zouden zijn. De stoel reisde rond door de provincie. Zowel voor radio (ochtenduitzending) als tv (nieuwsuitzending 's avonds).

 

Utrecht

· Redactionele advertenties in huis-aan-huisbladen, Utrechts Nieuwsblad en Amersfoortse Courant

· ‘De stemronde van Utrecht’

· Radio M (spotjes)

· Radio M (de Stem van M)

· Regio TV (Utrecht Centraal)

· RTV Utrecht zette de politiek in de week voorafgaande aan de verkiezingen centraal. Dit gebeurt middels debatten, documentaires en 1 op 1-gesprekken.

· Voor TV was dit te volgen via het programma Utrecht Centraal en via de radio middels De Stem van M.

 

Oordeel activiteit provincie ter vergroting media-activiteit

 

Voor de beoordeling van deze factor op de variabele ‘media-activiteit’, is per provincie een aantal uitspraken opgenomen, die verduidelijking geven over hoe actief provincies zijn geweest en welke overtuigingen zij mee laten spelen bij de organisatie van de verkiezingscampagne. De voor de beoordeling gebruikte passages uit de interviews zijn vanwege hun omvang als bijlage opgenomen (bijlage I). De volgende gemiddelden werden voor deze factor gevonden:

 

 

Beoordeling interview

Groningen

6,4

Fryslân

8,1

Drenthe

6,9

Zeeland

5,8

Zuid-Holland

5,7

Overijssel

5,7

Gelderland

6,9

Limburg

6,2

Noord-Brabant

5,2

Noord-Holland

6,3

Flevoland

5,9

Utrecht

4,8

Tabel 13. Oordeel Hoofden Communicatie over media-activiteit per provincie in een cijfer uitgedrukt

 

Rekenmethode

 

Voor de bepaling per provincie van de variabele media is het gemiddelde genomen van drie cijfers. Het eerste cijfer volgt uit de marktaandelen die de verschillende regionale omroepen per provincie hadden in de maanden januari en februari 2003. Daarnaast werd iedere provincie beoordeeld op het actief proberen de mate van media-aandacht voor verkiezingsgerelateerde items te vergroten. Dit vergroten bestaat uit:

Van deze drie cijfers is het gemiddelde berekend, waarna dit is afgezet tegen het kiezerspotentieel binnen elke provincie. Voor een provincie met meer kiezers is het moeilijker om iedereen te bereiken. De activiteit van de provincie dient dus toe te nemen al naar gelang het aantal kiezers groter is.

Het laatste cijfer komt tot stand door naar het aantal programma’s per omroep over de Provinciale Statenverkiezingen te kijken. Dit aantal wordt bij elkaar opgeteld. Als er staat dat het een wekelijkse uitzending betreft wordt dit gerekend vanaf een maand voor de verkiezingen (dus vier maal). De mogelijkheid bestaat dat deze informatie over de programmering voorafgaande aan de verkiezingen niet volledig is, maar aangenomen is dat het grootste deel van de verkiezingsaandacht is vermeld. Voor dit onderdeel zijn de onderstaande resultaten gevonden.

 

 

# activ. prov.

C

C interv.

C onderz.

C act. prov.

C corr.#kiezers

C prov.

Groningen

3

3,8

6,4

6,5

5,6

8,1

6,9

Fryslân

4

5,0

8,1

7,1

6,7

7,9

7,3

Drenthe

4

5,0

6,9

9,0

7,0

8,7

7,9

Zeeland

1

1,3

5,8

1,0

2,7

8,8

5,8

Zuid-Holland

8

10,0

5,7

1,0

6,6

0

3,3

Overijssel

4

5,0

5,7

1,0

3,9

6,5

5,2

Gelderland

4

5,0

6,9

1,0

4,3

3,8

4,1

Limburg

3

3,8

6,2

1,0

3,7

6,1

4,9

Noord-Brabant

2

2,5

5,2

7,0

4,9

2,5

3,7

Noord-Holland

7

8,8

6,3

1,0

5,4

2,1

3,8

Flevoland

4

5,0

5,9

1,0

4,0

8,9

6,5

Utrecht

7

8,8

4,8

1,0

4,9

6,5

5,7

Tabel 14. Activiteit van provincies op mediagebied in een cijfer uitgedrukt

 

Rekenvoorbeeld

Drenthe (hoogste cijfer):

  • 5,0 + 6,9 + 9,0 = 7,0

  • (7,0 + 8,7)/2 = 7,9

 

Onderstaande tabel laat de uitslagen voor deze deelvraag zien. De laatste kolom geeft de omgerekende score weer, zoals zij bij de uiteindelijke berekening van de effectiviteit per provincie zal worden gebruikt.

 

 

C marktaand.

C prov.

# act.omroep

C act. omr.

C EIND

Omgerekend

Groningen

10

6,9

32

10,0

9,0

10,0

Fryslân

6,7

7,3

-

-

7,0

7,8

Drenthe

5

7,9

8

2,5

5,1

5,7

Zeeland

5,3

5,8

4

1,3

4,1

4,6

Z-H

5,3

3,3

32

10

6,2

6,9

Overijssel

5,5

5,2

16

5

5,2

5,8

Gelderland

3,8

4,1

8

2,5

3,5

3,9

Limburg

3,9

4,9

7

2,2

3,7

4,1

N-B

4,2

3,7

30

9,4

5,8

6,4

N-H

3,6

3,8

18

5,6

4,3

4,8

Flevoland

2,1

6,5

9

2,8

3,8

4,2

Utrecht

1,3

5,7

14

4,4

3,8

4,2

Tabel 15. Media-activiteit per provincie in een cijfer uitgedrukt

 

Rekenvoorbeeld

Groningen (hoogste cijfer):

  • (10,0 + 6,9 + 10,0)/3 = 9,0

  • 9,0 = hoogste cijfer = 10,0 à oftewel 9,0/ (9,0/10,0) = 10,0

Gelderland (laagste cijfer):

  • (3,8 + 4,1 + 2,5)/3 = 3,5

  • 3,5/ (9,0/10,0) = 3,9

 

Conclusie

 

Opvallend is het grote verschil (2,2 punt) dat ontstaat tussen de provincie die op deze variabele de grootste activiteit vertoont, Groningen, en de provincie met de op een na grootste activiteit, Fryslân. Het verschil tussen Fryslân en de derde in de rij, Zuid-Holland, is met bijna een heel punt eveneens groot. Het grote onderscheid wordt grotendeels veroorzaakt door het zwaar mee laten wegen van de activiteit van de omroep. Bij deze factor is iedere inroostering in de programmering van de regionale omroep van aandacht aan de Statenverkiezingen is geschonken, meegeteld. Op die manier konden er grote verschillen tussen provincies ontstaan. Omdat deze factor van groot belang is voor het overbrengen van informatie aan het publiek, is deze aanpak zinvol. De aanwezigheid van verschillen is daarnaast belangrijk voor het maken van vergelijkingen tussen provincies in een later stadium.

De beoordelingen van de interviews op basis van enkele treffende passages varieert van 8,1 voor Fryslân tot 4,8 voor Utrecht. Cijferbepalende factoren zijn in de ene provincie eenvoudiger aan te geven dan in de andere, wat niet alleen aan de hoeveelheid informatie, maar ook aan de manier van praten ligt. Het valt op dat de geïnterviewde personen (voornamelijk communicatieadviseurs) zijn veel provincies aangeven een goede relatie met de media te hebben en dat geen enkele provincie aangeeft dat er niet voldoende zou zijn georganiseerd.

Als we de factor marktaandeel wat nader in ogenschouw nemen, blijkt dat er van de eerste zes provincies slechts een tot de Randstad behoort. Opvallend genoeg bevindt daarnaast het hele noordoostelijke deel van Nederland (Groningen, Fryslân, Drenthe en Overijssel) zich in deze groep. Hiermee wint dit gedeelte van het land dus stevig op deze variabele ten opzichte van de rest van het land. Bovendien kunnen voor een deel van deze noordoostelijke groep provincies verbanden worden gelegd tussen deze variabele en de variabelen ‘opkomst’ (voor Groningen, Fryslân en Drenthe) en ‘StemWijzergebruik’ (voor Groningen en Fryslân).

 

Discussie

 

Het oordeel dat op basis van de statements uit de interviews is vastgesteld, zou misschien minder zwaar meegewogen moeten worden, omdat een ‘eerlijke’ provincie hierdoor anders teveel benadeeld zou worden. Maar omdat deze factor slechts een van vier factoren is, en bovendien gebleken is dat de verschillende beoordelingen elkaar niet veel ontlopen, is dit niet gedaan. De twee beoordelingen worden bij elkaar opgeteld, waarna het gemiddelde wordt berekend. Daardoor wordt het verschil grotendeels gemaakt door het onderscheid tussen de beoordelingen van het onderzoek dat is verricht voor de verkiezingen.

Op het moment dat partijen zich meer in de picture gaan spelen, zal de media-aandacht toenemen. Hier kan de provincie onmogelijk volledig voor verantwoordelijk worden gehouden. Dit betekent dat de variabele media wellicht een iets lossere relatie heeft tot het doen en laten van de provincie dan in dit onderzoek wordt aangenomen.

Daarnaast moet worden opgemerkt dat bij deze deelvraag noodgedwongen voorbij wordt gegaan aan een aantal zaken. Ten eerste hadden cijfers over marktaandelen van de verschillende regionale dagbladen ook meegenomen kunnen worden bij de vaststelling van de media-activiteit per provincie. Daarbij moet echter rekening worden gehouden met de overschrijding van sommige regionale dagbladen van provinciegrenzen en het aantal dagbladen per provincie sterk verschilt. Het is ook raadzaam het aantal, de oplagen en de verschijningsfrequentie van huis-aan-huisbladen hierin te betrekken. Voor dit onderzoek, waarin eerder wordt gedoeld op het in grote lijnen weergeven van factoren, om ze in groter verband te betrekken, gaat dit onderzoek te ver. Het is aan te bevelen het onderzoek naar media-activiteit tijdens Statenverkiezingen wel te verrichten en vergelijkingen tussen provincies te trekken, om zodoende meer greep te krijgen op de invloeden van media-activiteit.

Ten tweede worden de verschillende factoren (aandacht via pers, omroepen) niet aan elkaar gerelateerd, om zo een gewogen oordeel te vormen. Het is bijvoorbeeld waarschijnlijk dat de lancering en/of het onderhoud van een internetsite minder impact heeft dan het ontwikkelen van een tv-spot. Vaak werkt het zo, dat het aantal bezoekers van een website pas toeneemt als er in de reguliere media (zoals radio, tv of dagbladen) aandacht aan is besteed. Om deze reden is ervoor gekozen de factor internet bij deze deelvraag achterwege te laten.

 

Weging Respondenten

 

De verschillende geïnterviewden van de communicatieafdelingen geven gemiddeld aan dat de variabele media-activiteit (16 punten) veruit het meeste zegt over het effect van het communicatiebeleid. Daarna komen respectievelijk de variabelen opkomst (33 punten), oordeel provincie (36 punten), oordeel partijen (38 punten) en mate van gebruik StemWijzer (40 punten) op relatief kleine afstand van elkaar. De variabele media is dus volgens deze personen gemiddeld twee keer zo veelzeggend over het beleid dan de andere factoren. Deze uitkomsten waren voldoende betrouwbaar (a=.69)

Een van de vragen van de enquête was om aan te geven in welke volgorde de vijf variabelen volgens de respondenten geplaatst moet worden om de effectiviteit te meten. Hierin zat een verschil met de vraag die aan de geïnterviewden gesteld werd over hetzelfde onderwerp, in die zin dat men bij de enquête de verschillende variabelen met behulp van schuifjes op een schaal kon indelen (zie http://pb.ipp-opiniewijzer.nl). Respondenten konden bijvoorbeeld aangeven dat media-activiteit een 4,8 scoorde, terwijl het oordeel van de provincie een 1,2 scoorde. Zodoende ontstond er een nauwkeuriger resultaat. De respondenten vonden gemiddeld wederom media-activiteit het meest zeggend over de effectiviteit van het uitgevoerde beleid (138,3 punten), daarna de opkomst (118,4). De scores voor de StemWijzer (102,8) en het oordeel van de politieke partijen zelf (103,8) ontliepen elkaar nauwelijks, terwijl het oordeel van de provincie (89,9) gemiddeld als minst duidelijk makend over de effectiviteit werd beschouwd.

 

Onzekerheidsfactor

 

De onzekerheidsfactor wordt bepaald door het aantal argumenten dat aangeeft dat de gevonden resultaten afhangen van andere factoren dan de te meten effectiviteit. Voor elk van de variabelen wordt nu geschetst welke aspecten een rol spleen, waarna voor iedere variabele een score wordt bepaald. Deze score speelt mee bij de bepaling welke factor in het onderzoek zwaarder en welke lichter weegt. Omdat deze factor de kwalitatieve component van de verschillende argumenten buiten beschouwing laat, en er zo een onzekerheid wordt gecreëerd, wordt de uitslag hiervan voor de helft meegeteld.

De variabele opkomst staat zonder meer ter discussie als het gaat om de invloed die de effectiviteit van een bepaald beleid hierop heeft. In veel provincies is opkomstverhoging als hoofddoelstelling genomen. In deze provincies ziet men een goede opkomst eenvoudig als de belangrijkste graadmeter voor de effectiviteit van het gevoerde beleid. In andere provincies daarentegen, is men het er veel minder over eens dat een effectief uitgevoerd beleid überhaupt invloed kan hebben op de opkomst. In onderzoek is de relatie tussen deze twee factoren nooit aangetoond en een snelle blik over het scala aan aspecten dat van invloed is op de vraag of kiezers wel of niet gaan stemmen, maakt duidelijk dat het moeilijk is over deze factor iets te zeggen.[6] Voor dit scala aan aspecten kan gedacht worden aan het weer (in Limburg en Noord-Brabant regende het op de verkiezingsdag), de (basis)interesse voor verkiezingen (na binnen een jaar al viermaal verkiezingen te hebben meegemaakt; daarnaast vielen de verkiezingen voor Limburg en Brabant vlak na carnaval), het humeur van kiezers op de verkiezingsdag en of kiezers tijd hebben naar de stembus te komen. Deze factoren zijn op hun beurt vaak weer afhankelijk van andere factoren. Een effectief uitgevoerd beleid stelt de kiezer op de hoogte van de verkiezingen en zorgt ervoor dat zijn of haar interesse wordt gewekt, met als gevolg dat de wil tot stemmen op verkiezingsdag aanwezig is en er ook daadwerkelijk gestemd gaat worden. Het beleid van de provincie voert als het ware een strijd tegen de ‘stemremmende’ factoren. Deze strijd kan ofwel worden opgevat als een verloren zaak, omdat ‘stemremmende’ factoren altijd zwaarder zullen wegen dan het effect van het beleid, ofwel als een kwestie waarbij het effect van het beleid overwint, mits dit goed genoeg is uitgevoerd. Door ertussenin te gaan zitten en ervan uit te gaan dat het beleid slechts van invloed kan zijn op die kiezers, bij wie de ‘stemremmende’ factoren minder sterk gegrond zijn en/of bij wie er sprake is van een bepaalde openheid jegens provinciale verkiezingen, is de meest waarschijnlijke onzekerheidsscore bereikt (score: 4 punten).

Het StemWijzergebruik vindt plaats op het internet (www.stemwijzer.nl), waarmee direct de grootste factor van onzekerheid duidelijk wordt. Een pc en internet komen bij ouderen en lager opgeleiden beduidend minder vaak voor dan bij andere bevolkingsgroepen. Voor genoemde groepen is er wel sprake van een sterke groei. De ‘achterstand’ op jongeren en hoger opgeleiden is echter zo groot dat het niet aannemelijk is dat deze binnen afzienbare tijd ingelopen zal zijn. Tweederde van het internetgebruik wordt gerealiseerd door mannen; 70 procent wordt gerealiseerd door personen met een middelbare (beroeps)opleiding of hoger en meer dan de helft van het gebruik door personen jonger dan 35 jaar (CBS, 2003). Buiten het internet is er aandacht besteed aan de StemWijzer door alle regionale radio-omroepen. Dit zal bij de ene omroep meer zijn geweest dan bij de andere; cijfers hierover zijn echter niet achterhaald. De effectiviteit van het beleid van de provincie wordt voor deze variabele daarnaast tegengegaan door de al eerder genoemde uitblijvende spreiding onder de bevolking van het gebruik van internet, maar ook door factoren als basisinteresse in verkiezingen en of kiezers tijd en zin vinden om van de StemWijzer gebruik te maken (score: 4 punten).

Ook tussen de variabele media-activiteit en effectief beleid van de provincie staan een aantal belemmerende factoren. De hoeveelheid aandacht die de media besteedden aan de verkiezingen, komt slechts ten dele op het conto van de provincie. Zoals in veel provincies ook wordt aangegeven, bepalen de media-instanties uiteindelijk zelf wat zij wel en niet publiceren. Daarnaast beslissen ze zelf over de geaardheid (positief of negatief) van de berichtgeving, hoewel ook hier gezegd kan worden dat een goede band met de provincie hierop van invloed is. Wanneer er in verkiezingstijd belangrijke andere gebeurtenissen plaatsvinden (binnen of buiten een provincie), dan heeft dit invloed op de aandacht die media aan de verkiezingen besteden. Verder is het zo dat veel regionale mediabedrijven aan het bezuinigen zijn en daardoor minder journalisten hebben om hetzelfde werk te doen. Zoals ook in de interviews wordt aangegeven, schieten de provinciale verkiezingen er dan wel eens bij in (score: 3 punten).

Het oordeel van mensen van de communicatieafdelingen van de verschillende provincies is wellicht gekleurd doordat zij hierbij niet onafhankelijk staan van het object waarover zij oordelen. Het kan zijn dat er ‘eerlijke’ en ‘oneerlijke’ provincies zijn, maar wat betreft de uitingen over kwalitatieve zaken als ‘tevredenheid’ of ‘effectiviteit’ is dit onmogelijk te achterhalen. Naast partijdigheid en de aspecten vanuit de provincie en daarbuiten die daarop van invloed zijn, lijkt de relatie tussen de effectiviteit van het beleid en het oordeel van de provincie hierover vrij sterk (score: 1 punt).

Als bezwaar bij het oordeel van politieke partijen over de effectiviteit kan worden aangedragen de positionering van partijen ten opzichte van de provincie, en vice versa, vrij onduidelijk is. Provincies staan hier vaak wat anders tegenover dan partijen, in die zin dat ze andere verwachtingen hebben. Waar provincies zichzelf vrijwaren van enige hulp aan partijen omdat ze het zelf moeten doen, zien partijen in de provincie een opstapje om zichzelf te kunnen profileren.[7] Deze onduidelijkheid kan leiden tot en verkeerde interpretatie van de rollen die men speelt en dientengevolge een beoordeling op grond van andere veronderstellingen dan welke in dit onderzoek worden aangehouden. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat partijen het beleid van de provincie beoordelen met in het achterhoofd het aantal stemmen dat zij zelf bij de verkiezingen behaalden. Een slecht resultaat kan botgevierd worden op het beleid dat de provincie heeft gevoerd. Omdat er van onvoldoende partijen een reactie is ontvangen, om te bepalen of hiervan sprake is, wordt dit bij deze weging als factor meegenomen. De mogelijkheid dat partijen onvoldoende op de hoogte zijn van het optreden van de provincie, wordt bij deze weging uitgesloten, omdat in de verstuurde e-mail uitdrukkelijk is gevraagd de enquête in te laten vullen door een persoon met goed zicht hierop (score: 2 punten).

 De hier gehanteerde methode roept vraagtekens op wat betreft validiteit. Deze is toch doorgezet, omdat hij in combinatie met de resultaten van de persoonlijke interviews en de enquetes wordt uitgevoerd, waardoor cijfers die de werkelijkheid tekort doen deels worden opgevangen door de andere resultaten. Daarnaast is deze laatste methode in het onderzoek opgenomen, om de gedachten over de verschillende variabelen iets meer te concretiseren. Zo wordt voorkomen dat we op gegeven moment totaal vergeten zijn waar we het over hebben.

 

Resultaten

 

Omgerekend komen bovenstaande bevindingen op de volgende becijfering neer:

 

Variabelen

Interviews

Enquête

Onzekerheid/2

Totaal

C omgerekend

Opkomst

2,1

1,2

2

5,3

6,6

StemWijzergebruik

2,5

1,3

2

5,8

6,0

Media-activiteit

1

1

1,5

3,5

10,0

Oordeel provincie

2,3

1,5

0,5

4,3

8,1

Oordeel partijen

2,4

1,3

1

4,7

7,4

Tabel 16. Weging per afhankelijke variabele in een cijfer uitgedrukt

 

Rekenvoorbeeld

Media-activiteit (hoogste cijfer):

  • 1 + 1 + 1,5 = 3,5

3,5 = hoogste cijfer = 10,0 à oftewel 3,5/ (3,5/10,0) = 10,0

 

Uit de berekeningen en overwegingen blijkt dat de media-activiteit (10,0) het meeste zegt over de effectiviteit van het beleid, terwijl het gebruik van de StemWijzer hierover het minst duidelijk maakt (6,0).

 

Conclusie

 

De resultaten op dit onderdeel worden gebruikt om de deelvragen op basis van logische analyse en oordelen van deskundigen aan elkaar te relateren. Daardoor wordt de betrouwbaarheid van uitspraken die op grond van de resultaten worden gedaan groter. De meeste deskundigen zien opvallend genoeg de media-activiteit als meest belangrijke indicator voor het succes van de provinciale verkiezingscampagne. Opvallend, omdat juist deze variabele gezien kan worden als degene die het minst direct aan het handelen van de provincie gelieerd is. In de gehouden interviews met de communicatie-experts van de provincies wordt talloze keren benadrukt dat de media uiteindelijk zelf beslissen hoeveel aandacht aan welke onderwerpen wordt gewijd. Goed beschouwd biedt deze uitkomst een bevestiging dat met de gekozen onderzoeksopzet, waarin media-activiteit direct in verband wordt gebracht met de activiteit van een provincie, een oordeel over de

provincie kan worden vastgesteld.

 

Hoofdstuk 5 Resultaten

 

Algemeen

 

De vijf deelvragen leiden, na het toepassen van weging tot het volgende overzicht per deelvraag. De activiteit van iedere provincie kan hier vergeleken worden met de vijf onafhankelijke variabelen.

 

Provincies

Activiteiten

Opkomst

StemWijzer

Provincies

Partijen

Media-act.

Drenthe

10,0

9,8

5,6

9,6

8,8

5,7

Flevoland

7,4

2,6

6,3

9,0

5,6

4,2

Fryslân

7,4

9,0

7,6

9,2

6,9

7,8

Gelderland

6,9

10,0

6,3

9,5

5,9

3,9

Groningen

7,5

2,6

10,0

10,0

10,0

10,0

Limburg

7,1

0,0

3,1

9,2

8,1

4,1

Noord-Brabant

4,9

-8,6

3,6

9,5

8,1

6,4

Noord-Holland

6,1

9,3

4,5

9,7

6,6

4,8

Overijssel

7,8

3,3

4,4

9,9

9,7

5,8

Utrecht

8,3

7,1

6,0

9,6

6,9

4,2

Zeeland

8,6

3,3

6,3

10,0

6,3

4,6

Zuid-Holland

5,7

9,3

4,1

8,2

7,1

6,9

Tabel 17. Activiteit en afhankelijke variabelen per provincie in een cijfer uitgedrukt

 

Als de uitkomsten van de weging op deze tabel worden toegepast, komt het geheel er als volgt uit te zien:

 

Provincies

Activiteiten

Opkomst

StemWijzer

Provincies

Partijen

Media-act.

Drenthe

10,0

64.68

33.60

77.76

65.12

57.00

Flevoland

7,4

17.16

37.80

72.90

41.44

42.00

Fryslân

7,4

59.40

45.60

74.52

51.06

78.00

Gelderland

6,9

66.00

37.80

76.95

43.66

39.00

Groningen

7,5

17.16

60.00

81.00

74.00

100.00

Limburg

7,1

.00

18.60

74.52

59.94

41.00

Noord-Brabant

4,9

-56.76

21.60

76.95

59.94

64.00

Noord-Holland

6,1

61.38

27.00

78.57

48.84

48.00

Overijssel

7,8

21.78

26.40

80.19

71.78

58.00

Utrecht

8,3

46.86

36.00

77.76

51.06

42.00

Zeeland

8,6

21.78

37.80

81.00

46.62

46.00

Zuid-Holland

5,7

61.38

24.60

66.42

52.54

69.00

Tabel 18. Activiteit en afhankelijke variabelen per provincie na weging

 

Rekenvoorbeeld

Groningen: weging media-activiteit (10,0)

10,0 * 10,0 = 100,0

Limurg: weging StemWijzer (6,0)

   3,1 * 6,0 = 18,6

 

In een staafdiagram:

 

Figuur 6. Vergelijking activiteit met afhankelijke variabelen

 

Dit leidt tot het volgende gemiddelde op de afhankelijke variabele ‘effectiviteit van het gevoerde communicatiebeleid’:

 

Provincies

Effectiviteit

Effectiviteit omgerekend

Drenthe

49,8

9,0

Flevoland

35,3

6,4

Fryslân

51,5

9,3

Gelderland

44,0

7,9

Groningen

55,4

10,0

Limburg

32,4

5,9

Noord-Brabant

27,7

5,0

Noord-Holland

44,0

7,9

Overijssel

43,1

7,8

Utrecht

42,4

7,6

Zeeland

39,0

7,0

Zuid-Holland

45,7

8,3

Tabel 19. Afhankelijke variabele effectiviteit per provincie in een cijfer uitgedrukt

 

Rekenvoorbeeld

Groningen (hoogste cijfer):

  • 55,4 = hoogste cijfer = 10,0 à oftewel 55,4/ (55,4/10,0) = 10,0

Noord-Brabant (laagste cijfer):

  • 27,7/ (55,4/10,0) = 5,0

 

In een staafdiagram ziet de (omgerekende) effectiviteit van iedere provincie afgezet tegen de activiteit er als volgt uit:

 

Figuur 7. Vergelijking activiteit en effectiviteit

 

De provincie Groningen scoort het hoogst (10,0) op de variabele ‘effectiviteit van het gevoerde communicatiebeleid’, gevolgd door Fryslân (9,3) en Drenthe (9,0). Flevoland (6,4), Limburg (5,9) en Noord-Brabant (5,0) scoren het laagst.

Binnen de populatie van provincies zijn de verschillen op de omgerekende variabele ‘effectiviteit van het gevoerde beleid’ significant (t=18.44, df.=11, p<.01). Dat betekent, dat de kans dat de gevonden verschillen binnen de populatie op toeval berusten, verwaarloosbaar klein is.

Deze resultaten worden beïnvloed door de grote variatie in de cijfers voor de opkomstpercentages. Deze is ontstaan doordat de provincies Limburg en Noord-Brabant gelijk bleven respectievelijk daalden op deze variabele, terwijl de andere provincies een stijging lieten zien. Omdat deze variabele door de variatie in zeer grote mate bepalend is voor de uitkomsten op de gezamenlijke variabele ‘effectiviteit’, is het interessant om na te gaan hoe de scores er uitzien, als de variabele opkomst achterwege wordt gelaten. Daarnaast blijken de vier afhankelijke variabelen zonder ‘opkomst’ een betrouwbare schaal te vormen (a=.64), terwijl dit met de variabele ‘opkomst’ niet het geval is (a=.50).

 

Figuur 8. Vergelijking activiteit en effectiviteit zonder 'opkomst'

 

De provincie Groningen staat nu veruit aan kop (10,0), gevolgd door Fryslân (7,9), Overijssel (7,5) en Drenthe (7,4). Limburg en Flevoland vormen nu samen de sluitpost (6,2), terwijl Gelderland hier net boven zit. Alleen voor de provincie Noord-Brabant heeft deze ingreep grote gevolgen gehad. Hoewel het beleid van deze provincie (afgezien van de variabele opkomst) positiever wordt beoordeeld dan veel andere provincies, scoort zij alles bij elkaar genomen de laagste score. Ook op de variabele ‘activiteit van de provincie’(deelvraag 1) scoort zij het laagst van alle provincies.

Als de (afhankelijke) variabele ‘effectiviteit’ naast de omgerekende (onafhankelijke) variabele ‘activiteit van de provincie’ geplaatst wordt (zie onderstaande tabel), dan valt op dat de verschillen vrij groot zijn.

 

 

Activiteit

rangorde

Eff. omgerekend

rangorde

Drenthe

10,0

1

9,0

3

Flevoland

7,4

6

6,4

10

Fryslân

7,4

6

9,3

2

Gelderland

6,9

9

7,9

5

Groningen

7,5

5

10,0

1

Limburg

7,1

8

5,9

11

Noord-Brabant

4,9

12

5,0

12

Noord-Holland

6,1

10

7,9

5

Overijssel

7,8

4

7,8

7

Utrecht

8,3

3

7,6

8

Zeeland

8,6

2

7,0

9

Zuid-Holland

5,7

11

8,3

4

Tabel 20. Rangorde provincies voor activiteit en effectiviteit

 

De rangorde van de variabele ‘activiteit van de provincie’ is geen significant verklarende factor voor de variantie in de afhankelijke variabele ‘effectiviteit’ (r²=.178, F=2.165, p=.17). Wel is te zien dat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen zich op beide variabelen in de top zes bevinden en Noord-Brabant als enige op beide variabelen dezelfde plaats in de rangorde behoudt (12). Verder scoren de provincies Zuid-Holland, Noord-Holland, Gelderland, Groningen en Fryslân aanzienlijk hoger dan op grond van hun scores op de variabele ‘activiteit van de provincie’ verwacht mag worden. De provincies Zeeland, Utrecht en Overijssel scoren lager op de variabele ‘effectiviteit’ dan voorspeld.

Als we wederom de variabele ‘opkomst’ buiten beschouwing laten, blijkt er de onafhankelijke variabele nog minder verklarend te zijn voor de variantie in de ‘effectiviteit van het gevoerde beleid’ (r²=.072, F=.773, p=.40).

Onderstaande tabel laat de rangordes op alle variabelen zien, zoals zij op grond van de uitkomsten per deelvraag zijn op te stellen.

 

 

Activiteit

Opkomst

StemWijzer

Provincies

Partijen