De angstfactor bij verkiezingen. Case-study: de herverkiezing van George W. Bush. (Bruno Fierens)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Algemene inleiding

 

Presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten zijn fascinerend: de manier waarop campagnes worden gevoerd en voortdurend worden geanalyseerd; de verschillende tactieken die gebruikt worden; de profilering van de kandidaten en hun familie.  Het zijn periodes die tot de verbeelding spreken. 

De verkiezingen van 2004 tussen George W. Bush en John Kerry waren onuitgegeven door de nawerking van de aanslagen van 11 september 2001 op de WTC-torens in New York en het daardoor toegenomen belang van terrorisme.  Na de verkiezingen gingen vele analisten akkoord met het idee dat de angst voor terrorisme en de aanslagen van 11 september George Bush aan zijn herverkiezing hebben geholpen.  In deze thesis is het de bedoeling te onderzoeken in welke mate dit zo is.  Was terrorisme dé dominante factor? Indien ja: hoe heeft Bush daar gebruik van kunnen maken?  Was dit het enige waar Bush in zijn campagne belang aan hechtte, of had hij nog andere aandachtspunten?  Kortom: hoe is Bush erin geslaagd herverkozen te worden?

Deze vragen brengen ons tot een bepaalde stelling, waarvan we uitgaan.  We vertrekken vanuit de hypothese dat president Bush voortdurend terrorisme als topic nr.1 in zijn campagne plaatste.  Dit hield de gevoelens van angst en onzekerheid initieel veroorzaakt door 9/11 bij vele mensen springlevend, gevoelens die de keuze voor sterk leiderschap zouden accentueren.  Hij profileerde zich dan als “tough”, zelfzeker en niet bang om zwaarwichtige beslissingen te nemen, terwijl hij zijn opponent als flip-flopper bestempelde.  Resultaat: mensen namen het zekere voor het onzekere en stemden in grotere mate voor Bush.

 

Om deze hypothese op haar juistheid te onderzoeken gaan we in verschillende stappen te werk.

     Allereerst worden de effecten van angst onderzocht.  Wat zijn de psychologische gevolgen van angst en ongerustheid?  Dit wordt in eerste instantie onderzocht op het niveau van het individu.  Daarna wordt bekeken wat deze gevoelens teweeg brengen in groepsverband.  Vervolgens gaan we dit specifiek aan verkiezingen koppelen: wat doen we anders wanneer we ons angstig en ongerust voelen en wat voor belang kan dat hebben bij verkiezingen?  Hierbij worden in het bijzonder de effecten van deze angstgevoelens op het individueel beslissingsproces nader bekeken.

Om te verstaan hoe mensen stemmen, wordt onderzocht naar welke eigenschappen ze bij de kandidaten op zoek zijn.  In dit kader worden gendereigenschappen en vooral leiderseigenschappen geanalyseerd. 

Zeker in Amerikaanse presidentsverkiezingen is de media van enorm belang.  Daarom worden op het einde van dit eerste deel ook enkele media-effecten, en de manier waarop door kandidaten met de media wordt omgegaan, onderzocht.

     Om te onderzoeken of Bush mede door angstgevoelens herverkozen is, wordt in een tweede deel onderzocht of die angstgevoelens wel degelijk aanwezig waren.  Waren Amerikanen in 2004 over het algemeen angstiger dan voor de aanslagen van 11 september?  Welke effecten hadden terreur en 9/11 voor de populariteit van president Bush?  Velen gaan ervan uit dat Bush 9/11 en terrorisme “gebruikt” heeft om herverkozen te worden.  Als dit het geval zou zijn geweest, was het dan ook een strategisch logische beslissing, rekening houdend met de  in dit tweede deel onderzochte effecten?

     In een derde deel worden niet de verkiezingen zelf, maar de verkiezingsuitslagen geanalyseerd.  Deze geven aan waarom mensen voor deze of gene kandidaat gestemd hebben.  D.m.v. van exit polls kan dit vrij precies onderzocht worden en kan een vergelijking gemaakt worden met vorige verkiezingen.  Welk type kiezer voor welke kandidaat heeft gestemd wordt in eerste instantie onderzocht.  Er wordt echter in dit derde deel vooral gekeken naar wat de belangrijkste thema’s en de doorslaggevende eigenschappen van de kandidaten waren bij de keuze van de kiezer.

     Met deze drie eerste delen is het dus de bedoeling te weten te komen wat angstgevoelens met zich mee brengen, of ze in de Verenigde Staten van na 9/11 wel degelijk aanwezig waren en of ze een rol gespeeld hebben bij de verkiezingen. 

Afsluitend, in een vierde deel, zullen dan de verkiezingen zelf geanalyseerd worden.  Eerst op het niveau van de kandidaten.  Hun persoonlijke geschiedenis wordt kort overlopen en hun manier van besluitvorming wordt geanalyseerd.  Dit heeft als bedoeling hun gelijkenissen, maar vooral hun verschillen duidelijk te maken.  Vervolgens worden de campagnes onderzocht.  Hoe waren deze georganiseerd?  Welke thema’s werden naar voren geschoven?  Wat waren de verschillende strategieën?  Hiervoor wordt ondermeer gebruik gemaakt van de campaign ads en speeches.  We zullen ons hier vooral op de Bush-campagne concentreren, aangezien we trachten te weten te komen in welke mate de angst voor terrorisme heeft meegespeeld in zijn herverkiezing.

 

Dit is een academisch werk en moet dus zo objectief mogelijk zijn.  Het is niet de bedoeling om de huidige mode aan deze kant van de Atlantische oceaan van het non-stop bekritiseren van Bush te volgen.  Wie hier dus 80 bladzijden vrolijke Bush-bashing verwacht moet ofwel stoppen met lezen, ofwel van ingesteldheid veranderen, anders zal hij bedrogen uitkomen.  Een mening over de herverkiezing van Bush laat ik aan de lezer over, ik probeer te analyseren voor welke redenen hij herverkozen is.

 

 

Deel I:  Theoretisch kader

 

Inleiding

 

In dit eerste deel worden verschillende theorieën vermeld en uitgelegd waarop de verdere analyses in het onderzoek gebaseerd zullen zijn.

     Angst is fundamenteel een individueel verschijnsel.  Daarom wordt eerst onderzocht wat het effect van angst op het individu is.  Vervormt het zijn kijk op de wereld?  Heeft het een effect op zijn levensvisie en beslissingen?  Beïnvloedt het zijn politieke keuzes?

     Het angstgevoelen begint bij het individu, maar mensen zijn altijd sociale wezens.  Het is dan ook logisch dat we vervolgens het onderzoek verplaatsen naar het samenlevingsniveau. Groepseffecten en –identiteiten zijn in de wetenschappelijke literatuur uitvoerig onderzocht.  Meer specifiek zijn groepsreacties op agressie van buitenaf bijzonder bruikbaar voor dit onderzoek.  Theorieën rond sociale identiteit en terror management zullen ons zeker vooruithelpen.  Deze wijden ook uit naar het belang van adequaat leiderschap in gevallen van agressie.  Voor deze thesis is het cruciaal te onderzoeken welke soort leiding mensen in bepaalde situaties wensen en hoe zich dat vertaald bij verkiezingen.  Sterk verwant daarmee is het onderzoek rond het belang van gendereigenschappen bij verkiezingen en in de politiek in het algemeen. 

     Bij verkiezingen hoort natuurlijk een bepaald stemgedrag en dat zal ook het derde grote aandachtspunt vormen.  Welke eigenschappen zijn determinerend bij de stemkeuze, hoe doorslaggevend zijn die gendereigenschappen en leiderschapsstijlen in crisismomenten, en hoe wordt daar bij verkiezingen mee omgesprongen? 

     Wetende dat het overgrote deel van de verkiezingsstrijd, en zéker in de Verenigde Staten, in de verschillende soorten media plaatsheeft, mag als afsluiter de rol van de media in het onderzoek zeker niet ontbreken.  Het feit dat het Amerikaans presidentschap een enorme mediatieke présence heeft verstevigt nog het idee dat de media en haar effecten niet over het oog gezien kunnen worden.  Media-effecten die in de communicatiewetenschappen bekent staan als agenda setting en priming zullen snel hun waarde bewijzen.

     Zoals de naam het aangeeft is dit eerste deel puur theoretisch maar daarom niet van minder belang.  Een goed verstaan van deze theorieën en concepten is voor een correcte toepassing ervan in de volgende fases van het onderzoek cruciaal.

 

 

1.  Individuele emoties

 

Emoties hebben een enorme impact op ons individueel welzijn.  Hoe we ons voelen beïnvloedt hoe we de wereld rond om ons zien, hoe we de anderen bekijken, hoe we ons gedragen, kortom: hoe we de zaken aanvoelen.  Het gevoelssysteem verschilt van andere systemen bij de mens in die zin dat hij heel a priori is.  Er bestaat een sterk causaal verband tussen emotie en gedrag.  Gevoelens bevinden zich veel dichter bij de bron van alles dan bijvoorbeeld het kennissysteem.  Vergeleken met pure kennis staat emotie gelijk aan motivatie.  Het komt op de eerste plaats in elke causale kettingreactie en beïnvloedt onze perceptie, onze kennisvergaring en de actie die daarop volgt.  Volgens Antonio Damasio, neurologist,  hebben gevoelens een geprivilegieerde status in ons “mentaal leven”.  Ze zijn onlosmakelijk verbonden met alle delen van ons lichaam, en aangezien alle andere actie in het brein plaatsheeft, hebben emoties een stapje voor.  Door dit stapje voor vormen ze een referentiepunt voor al de rest en hebben ze een enorme invloed op ons denken en doen.[1] Een alledaags voorbeeld maakt dit misschien wat duidelijker: de meeste autobestuurders zullen een ander rijgedrag vertonen wanneer ze na een verschrikkelijke ruzie achter het stuur kruipen, dan wanneer ze na een begrafenis op weg gaan.

     Angst is een emotie dat in onze samenleving schijnbaar steeds meer aanwezig is, en van alle negatieve emoties is angst volgens vele auteurs de meest toxische, degene met het meeste invloed.  Het heeft specifieke functies en ook belangrijke effecten.  De eerste functie van het angtsgevoelen is het omgaan met dreiging en gevaar.  Angst is een heel dominant gevoel, waardoor alle aandacht gaat naar het reduceren van de dreiging of het vernietigen van de bron van gevaar.  Zoals reeds gezegd neigt elke emotie tot het vervormen van perceptie.  Bij intense angstgevoelens is die vervorming zo sterk dat het leidt tot het negeren van alle informatie die niet bruikbaar is om een ontsnappingsroute te vormen.  Angst heeft voor ons ook zeer belangrijke gevolgen voor kennisvorming in het algemeen.  Het brengt tot oppervlakkige kennisname en vooringesteldheid.  Het reduceert het werkgeheugen maar maakt ook bepaalde zaken in het geheugen onwisbaar.  Het zorgt ervoor dat alle andere psychologische processen veel minder aandacht krijgen.[2] 

Deze dominantie kan tot verkeerde conclusies en ongepaste acties leiden, maar het moet gezegd worden dat angst een normaal, haast alledaags gevoel is.  Het kan daarbij ook cumulatief optreden.  Daarmee wordt bedoeld dat de snelheid waarmee angst optreedt en de grootte van het effect afhangt van het algemene angstniveau.  Anders gezegd: wanneer het algemene angstniveau in een samenleving laag is, kan iedereen op een veel betere manier met de alledaagse, “normale”, gevaren en dreigingen om.[3]  De reactie op dreiging hangt ook van persoonlijke kenmerken af.  Sommige mensen hebben een hoger angstpotentieel en zullen zich bij dreiging sneller angstig en onveilig voelen.  Anderen zijn stressbestendig of hebben een rustiger karakter en reageren genuanceerd.[4]

Een belangrijk gegeven bij het angstverschijnsel, en dan vooral bij traumatiserende gebeurtenissen, is het feit dat angst kan worden heropgeroepen.  Eender welke gebeurtenis, voorwerp of persoon kan een flashback veroorzaken en de initiële angst weer doen verschijnen.  Autosleutels na een dramatisch auto-ongeval of een bivakmuts na deel uitgemaakt te hebben van een gijzelingsdrama kunnen dit effect hebben.  Een wat actueler voorbeeld misschien: ook de stoerste visser van Thaïland zal, na dat hij driekwart van zijn familie in een Tsoenami heeft zien vergaan, meer dan waarschijnlijk niet met dezelfde ingesteldheid terug naar volle zee varen.  Maar we onthouden uit dit gegeven vooral dat angst herinnerd kan worden.[5]

     Emoties worden geassocieerd met bepaalde denkprocessen en herinneringen.  Zo wordt puur amusement vaak geassocieerd met de kindertijd en woede met dromen of plannen over de manier om zich te wreken.  Op dezelfde manier wordt angst geassocieerd met “dreigende” beelden en “gevaarlijke” herinneringen, én met inspanningen om een gevoel van veiligheid te creëeren.[6]

Angst is dus van alle emoties degene die het meest leidt tot een gevoel van controleverlies.  Daardoor brengt ze mensen ook tot actie, tot inspanningen om de situatie terug in hun voordeel te doen buigen.  Een in dit verband interessant concept is dat van anxiety.  Anxiety is een cluster van gevoelens waarin angst een hoofdrol speelt en waarmee andere gevoelens interageren.  Vrij vertaald zou men kunnen spreken over ongerustheid.  Het gaat hier dan over een pattern of emotions die veel minder voor verandering vatbaar is dan het gewone angstgevoelen, en ook minder tot dynamische reactie zal leiden. Depressie-patterns, bijvoorbeeld, draaien rond gevoelens van triestheid en op zichzelf gerichte woede.  Anxiety-patterns hebben als “spilgevoelen” angst.[7]  Bepaalde auteurs benadrukken dat die ongerustheid een toekomstgericht gevoel is.  Een mooie poging tot een complete en eenvoudige definitie: “deze verschrikkelijke gebeurtenis zou zich kunnen herhalen en ik zal het misschien niet aankunnen, maar ik moet klaar zijn om het te proberen”.  Daarom ook vinden sommigen dat de term “anxious apprehension” beter past bij het idee deze ongerustheid een gevoel is waarbij iemand zich klaarhoudt om met toekomstige, negatieve gebeurtenissen te kunnen omgaan.[8].  Ongerust zijn is een normaal en vaak ook bruikbaar gevoel (een student die in de blokperiode volledig gerust rondloopt, is bijvoorbeeld meestal slecht bezig).  De intensiteit van deze ongerustheid zal stijgen of dalen naar gelang de context waarin men zich bevindt, zowel individueel als gemeenschappelijk. Het is naar dit gemeenschappelijk niveau dat we ons nu begeven.

 

 

2.  Groepsreacties en –effecten

 

2.1.  De sociale identiteitstheorie

 

Volgens de regels van de sociale identiteitstheorie hebben mensen steeds de neiging een sociale identiteit te vormen.  Dit is het zelfbeeld dat we hebben op grond van ons lidmaatschap van sociale groepen.  We zien onszelf dus ook als groepslid en niet enkel als individu.[9]  Deze theorie wordt ook gebruikt om het verschijnsel van de stereotypes te verklaren, maar dat is voor dit onderzoek niet van wezenlijk belang.  Wat hier van belang is, zijn de verschijnselen van “ingroep favoritisme” en het “uitgroep homogeniteitseffect”.

Het “uitgroep homogeniteitseffect” brengt ons het gevoel van “het zijn toch allemaal dezelfden”.  Daardoor zien we de leden van andere groepen als meer op elkaar lijkend dat leden van groepen waartoe we zelf behoren.

Door het effect van “ingroep favoritisme” hebben mensen de neiging om gunstiger te denken over de leden van de eigen groep.  Mensen doen zeer veel in functie van zelfbehoud, daarom ook komt men in het leven zo vaak in situaties van “wij” vs. “zij”.  In elke situatie waarin een vorm van intergroep categorisatie ontstaat, zijn we geneigd een houding aan te nemen die discriminerend is voor de “uitgroep” en voordelig voor de “ingroep”.[10]

Hoe intenser een conflict tussen twee groepen, hoe intenser ook het effect van “ingroep favoritisme” en hoe gemakkelijker mensen zich met hun eigen groep gaan identificeren.  Intergroep competitie versterkt de groepscohesie en –coöperatie, en  dus de groepsidentiteit.  Bij intense conflicten spreekt men ook veel sneller over lafaards en vijanden wanneer men het heeft over mensen die van het groepsdenken afwijken.[11]

Dit favoriseren van de ingroep is heel sterk bij getraumatiseerde groepen.  Caroline Garland spreekt dan over de Adversity Groups.  Als meerdere personen een traumatiserende gebeurtenis meemaken zullen ze allen op hun eigen manier reageren, maar er heerst dan toch een gevoel tegenover buitenstaanders dat beschreven kan worden als: “je kan je niet inbeelden hoe verschrikkelijk het was want je was er niet”.  Adversity Groups vormen zich met een consensus.  Bepaalde mensen delen éénzelfde traumatiserende ervaring.[12]

Ingroep favoritisme is het gevolg van onze drang om een positief zelfbeeld te behouden.  Aangezien onze sociale identiteit deel uitmaakt van ons zelfbeeld, trachten we immers ook een positieve sociale identiteit te behouden.  Dit suggereert een positief beeld van de leiders van de eigen groep, en aangezien “ingroep favoritisme” sterker is bij intense conflicten, valt te verwachten dat het leidersbeeld ook positiever zal zijn in zulke gevallen. 

     Het incrementalisme leert ons dat abrupte veranderingen door weinig mensen worden geapprecieerd en gemakkelijk reacties uitlokken.  In die zin is iedereen van nature wat conservatief.  Dit komt goed overeen met de sociale identiteitstheorie en de menselijke drang naar zelfbehoud.  Die neiging tot conservatisme is dan ook ons volgend aandachtspunt.

 

2.2. Politiek conservatisme

 

Veel wetenschappelijke literatuur vertrekt vanuit het principe dat politieke keuzes afhangen van verschillende variabelen.  Mensen vormen een politieke ideologie o.b.v. hun kennis, hun situatie, of bijvoorbeeld de politieke overtuigingen van andere personen die voor hun belangrijk zijn.  Er is aangetoond dat ook verschillende psychologische factoren van belang zijn.  We vertrekken hier van het idee dat de keuze voor de conservatieve ideologie, zoals de keuze van eender welke andere ideologie, deels het resultaat is van het vervullen van bepaalde psychologische noden.[13]  Het is op die psychologische factoren dat we ons nu concentreren. 

     Vele theorieën suggereren dat angst, dreiging en onzekerheid kunnen verbonden worden met een stijgend conservatisme.  Of beter: de drang naar het doen verdwijnen van die angst en onzekerheid kan geassocieerd worden met politiek conservatisme.  Het is dus best mogelijk dat mensen uit minder begunstigde sociale groepen, die logischerwijze voor verandering zouden kiezen, kiezen voor een conservatieve ideologie om onzekerheid, ongerustheid en angst tegen te gaan.[14] 

De ideologie van het conservatisme heeft, zoals vele complexe theorieën, zowel een harde kern als secundaire elementen.[15]  De harde kern of primaire aspecten zijn tweevoudig.  Allereerst een aversie voor verandering.  Rossiter’s definitie van conservatisme is op dit vlak duidelijk: “an attitude of opposition to disruptive social, economic, legal, religious, political or cultural change”.[16]  Een tweede kernelement is de houding ten opzichte van sociale ongelijkheid.  Voor de linkervleugel in de politiek is sociale gelijkheid een doel, voor de conservatieve vleugel is sociale ongelijkheid een maatschappelijk feit waarmee gewerkt moet worden.  De secundaire aspecten van conservatisme zijn hier belangrijker.  Historisch gezien hebben vele verschillende zaken mensen gebracht tot de conservatieve keuze.  De voorliefde voor bestaande normen en waarden, het straffen van bedreigende groepen of personen, het idealiseren van leidende figuren of de voorkeur voor orde en stabiliteit kunnen allen determinant zijn. 

Een empirisch onderzoek van 2003 heeft getracht zoveel mogelijk aspecten te controleren op hun significantie voor de politiek conservatieve keuze.  Glaser & co. hebben deze aspecten verdeeld in drie grote groepen theorieën, die ze daarna in een aantal operationele termen vertaald hebben.  De theorieën over de individuele, persoonlijke verschillen; de theorieën die handelen over het vervullen van existentiële noden en de theorieën over de rationalisatie van sociale systemen.  Deze drie grote groepen worden overlopen en telkens worden de voor dit onderzoek relevante aspecten van naderbij bekeken.

     Bij de persoonlijke aspecten zijn verschillende concepten van belang.  T. Adorno ontwikkelde een studie over de autoritaire persoonlijkheid.[17]  Dit is een persoonlijkheid die zich kenmerkt door bv. conventionalisme, en autoritaire submissie.  Met dit laatste wordt bedoeld een onderworpen en onkritische attitude tegenover geïdealiseerde autoriteiten van de “ingroep”, wat een raakpunt vormt met de eerder vermelde sociale identiteitstheorie.  Ook macht en stoerheid zijn kenmerken van autoritaire persoonlijkheden, waarbij de neiging hoort zich te identificeren met machtige figuren.  Sterk verbonden met, maar toch verschillend van de autoritaire persoonlijkheid is het concept van intolerantie van ambiguïteit.[18]  Mensen die voor dit concept hoog scoren zien de wereld niet als een complex iets.  Ze bekijken hem in zwart-wit: machtig vs. zwak, moreel vs. immoreel, goed vs. slecht.  Budner definieerde afkeer van ambiguïteit als: “the tendency to perceive ambiguous situations as sources of threat”.[19]  Deze houding leidt tot premature conclusies, simplistische visies en stereotypes.  In hun zoektocht naar zekerheid offeren vele mensen een grote dosis complexiteit op.  Mensen, bevolkingen, staten en religies worden sterk gepolariseerd bekeken.  Of goed, of slecht; maar een tussenweg wordt zoveel mogelijk vermeden. 

Het onzekerheidsgevoel, en hoe mensen ermee omgaan, komt in vele theorieën terug.  Volgens Wilson is conservatisme het resultaat van een motivatie die haar bron vindt in angst en ongerustheid.[20]  De neiging om angstig en ongerust te worden bij onzekerheid is voor hem de basis voor een conservatieve attitude.  Er zijn veel mogelijke angstverwekkers.  Dood, anarchie, vreemdelingen, verandering, ambiguïteit, complexiteit en anderen maken vele mensen onzeker en genereren reacties zoals etnocentrisme, militarisme, wraak en morele rigiditeit.  Politiek conservatisme is hier dus het resultaat van de drang naar het reduceren van dreiging en onzekerheid.

     Politieke keuzes en opinievorming zijn individuele keuzes maar steeds het resultaat van een cognitief proces.  Dit is het proces waarbij mensen informatie selecteren, analyseren en verwerken om tot kennis te komen en zich daarmee een opinie vormen.  In de theorieën die handelen over existentiële noden komt het cognitief proces regelmatig terug.  Zo ook in de lay epistemics theory[21].  Centraal in deze theorie is de nood aan “cognitive closure”.  Daarmee bedoelt men het feit dat mensen over elk onderwerp een vaststaande opinie verkiezen boven dubbelzinnigheid en onzekerheid.  Om zekerheid te vinden hebben mensen informatie nodig en daar gaan ze op een gemotiveerde manier op zoek.  Dit wil zeggen dat ze informatie zoeken en selecteren die ze naar opinievorming en dus cognitieve zekerheid kan brengen.  Belangrijk hierbij is dat de nood aan cognitieve zekerheid stijgt wanneer er tot actie moet overgegaan worden, zoals bijvoorbeeld bij tijdsdruk.  Verderbouwend rond dit concept hebben Webster en Kruglanski een onderzoek verricht rond de nood aan cognitieve zekerheid[22].  Daaruit was af te leiden dat de drang naar cognitieve zekerheid de neiging benadrukt informatie die deze zekerheid mogelijk maakt te omarmen en vooral niet los te laten.  Hoe dringender de nood aan zekerheid, hoe sneller het cognitieve proces zal verlopen.  Bij hoge nood wordt minder informatie verwerkt en worden minder opinies bekeken.  Met andere woorden, men neemt letterlijk het zekere voor het onzekere.  Volgens het onderzoek van Webster en Kruglanski is de nood aan cognitieve zekerheid te associëren met sociale stereotypering, het zich verzetten tegen overtuigende invloeden, het toegeven aan primacy-effecten (waarover later meer) en het verwerpen van andere opinies.  Kortom: het streven voor het behoud van de status-quo[23], wat natuurlijk sterk met het conservatieve denken verbonden is.  

Bijzonder interessant is de vrij nieuwe Terror Management Theory.[24]  De basisgedachte hier is dat het omgaan met zijn eigen mortaliteit brengt tot meer conservatief denken.  Genuanceerder: het brengt tot het verdedigen van de gemeenschappelijke cultuur.  Mensen proberen zo lang mogelijk hun confrontatie met de dood te vermijden, en als die confrontatie plaatsvindt is er sprake van een existentiële angst.  Die kan een zeer paralyserend effect hebben en om dat tegen te gaan wordt zoveel mogelijk geïdentificeerd met de gangbare waarden en normen.  In gevallen waar de mens sterk geconfronteerd wordt met zijn mortaliteit (met als passend en verwacht voorbeeld: de aanslagen van 9/11!) zijn dus bepaalde reacties te verwachten.  Het verdedigen en identificeren van de gemeenschappelijke waarden en wereldvisie zal stijgen, waarbij de tolerantie t.o.v. deviërende visies en culturele en politieke alternatieven zal dalen.  Degenen die de geliefde eigen waarden contesteert (of erger: aanvalt) worden snel gestigmatiseerd en wanneer het moet ook gestraft.  De intensiteit van deze reacties zal afhangen van de sterkte van de confrontatie met de eigen dood.

     In de derde groep theorieën, degene over de rationalisatie van sociale systemen, is vooral een deel van de System Justification Theory van belang.  Deze theorie gaat verder in de gedachte dat mensen de neiging hebben een maatschappelijke status quo te verdedigen.  Ook degenen die komen uit gedefavoriseerde groepen, van wie logischerwijze het omgekeerde verwacht wordt, pleiten meestal voor het behoud van het systeem dat ze kennen, en dan vooral wanneer dat systeem bedreigd wordt.[25]  Nogmaals, en dit komt voort uit Festinger’s logica van cognitieve dissonantie[26], mensen verkiezen meestal het zekere boven het onzekere.  Ook al is het systeem niet voordelig, toch gaan veel mensen verkiezen hem te behouden, want een slecht systeem valt te verkiezen boven geen systeem.

 

Gemeenschappelijke noemer van deze theorieën en concepten: angst en onzekerheid brengt tot een stijgend politiek conservatisme, waarmee vooral bedoelt wordt het verdedigen en instandhouden van de gemeenschappelijke cultuur.  Het onderzoek van Glaser & co. bevestigd in grote mate deze hypothese.[27]  Intolerantie van ambiguïteit en het vermijden van onzekerheid zijn beiden significant verbonden met het conservatieve denken.  Conservatieven zijn geen grote liefhebbers van ambiguïteit, nieuwigheid en onzekerheid (r = -0.27).  De relatie met cognitieve complexiteit is ook significant, maar dan negatief.  De autoritaire persoonlijkheid van Adorno is zeer sterk verbonden met politiek conservatisme (r = 0.46), evenals de nood aan cognitieve zekerheid, zij het wat minder.  Een belangrijk gegeven is dat de hypothese dat conservatieven meer gevoelig zijn voor angst en agressie bevestigd wordt (r = 0.30).  Dreiging, gevaar, agressie en angst zullen bij conservatieven, al dan niet onbewust, een grotere motivatie zijn dan bij liberaal denkenden.  Voor conservatieven is de wereld misschien minder complex, maar in ieder geval gevaarlijk.  De existentiële angst over de eigen mortaliteit speelt bij hun dan ook een grotere rol.  Empirische studies bevestigen dat er een sterke band bestaat tussen de besproken reacties op het bedreigen van gemeenschappelijke culturele waarden en conservatief denken.  In de lijn van de terror management theory valt dus te verwachten dat bij terroristische aanslagen, die het beste voorbeeld zijn van de bedreiging van het systeem en zijn waarden, de aantrekkelijkheid van het politiek conservatisme zal stijgen, aangezien dit conservatisme het best de eigen waarden verdedigt.  De geschiedenis leert ons dat dit niet altijd het geval is.  Hitler en Franklin D. Roosevelt zagen beide de stemmen voor hun partij enorm stijgen omdat ze een antwoord beloofden op de economische crisis, waarbij Roosevelt een linkse beweging leidde en Hitler een extreem-rechtse.  Toch suggereert veel wetenschappelijke literatuur dat in crisismomenten veel mensen de neiging hebben om de voorkeur te geven aan autoritaire leiders en instellingen die zekerheid, stabiliteit en structuur verzekeren.  In 1997 ondernam McCann een onderzoek over de presidentiële verkiezingen in de Verenigde Staten tussen 1788 en 1992 en de mate waarin de sociale, economische en politieke toestanden in die periode bedreigend waren voor de Amerikaanse maatschappij.[28]  De resultaten tonen aan dat tijdens periodes van dreiging, presidentiële kandidaten die hoger scoorden op vlak van macht, daadkracht en sterkte verkozen werden met een grotere marge dan in periodes van “non-dreiging”.  Ook Glaser & co. vinden een significant verband tussen de bedreiging van de stabiliteit van het sociale systeem en politiek conservatieve keuzes en opinies (r = 0.47). 

Het politieke denken is afhankelijk van vele factoren maar zoals figuur 1 aangeeft zijn de manier waarop mensen omgaan met angst en dreiging determinant bij de ontwikkeling van een politieke ideologie.

 

Figuur 1: An integrative model of political conservatism as motivated social cognition

Bron: J. GLASER; J.T. JOST; A.W.KRUGLANSKI en F.J. SULLOWAY, “Political Conservatism as Motivated Social Cognition” in Psychological Bulletin Vol. 129 No. 3, 2003, 368

 

Figuur 1 geeft een goed overzicht van significante factoren.  Angst en dreiging; intolerantie van ambiguïteit; het vermijden van onzekerheid; de nood aan cognitieve zekerheid; terror management, of het omgaan met de eigen mortaliteit; en het verdedigen van het maatschappelijk systeem zijn motieven voor politieke keuzes. 

     Voor het overgrote deel van de mensen wordt politieke keuze vertaald in een eenvoudige daad: stemmen.  Stemmen doen mensen op een kandidaat, en meestal is dat in de kandidaat met de voor hun beste eigenschappen.  Het is naar die eigenschappen en hun belang voor de kiezer dat we ons nu keren.

 

 

3. Stemgedrag

 

Om de zoveel jaar wordt van elke burger verwacht dat hij zijn stem laat horen door te kiezen voor een bepaalde persoon of partij.  Die stem kan bepaald worden door meerdere factoren.  De kandidaat heeft de beste ideeën, is een sympathieke figuur, is een man of vrouw, komt uit dezelfde regio, enz.  Algemeen kan gezegd worden dat mensen stemmen op de kandidaat van wie ze denken dat het de juiste persoon op de juiste plaats op het juiste moment zal zijn.  Vooral het moment, de situatie, blijkt aan belang te hebben gewonnen.  Een mooi voorbeeld is het feit dat in 2000 Gerhard Schröder kanselier is kunnen blijven door zijn gepaste reactie op de overstromingen in zijn land, net voor de verkiezingen.[29]  Leiders moeten niet enkel ageren, ze moeten ook correct kunnen reageren.  Voor verschillende situaties wordt een verschillende manier van leiden verwacht.  Extreem bekeken: tijdens een wereldoorlog wordt niet dezelfde leiding verwacht als tijdens een economisch gunstige vredestijd.  Indien er, hypothetisch, bij deze twee voorbeelden simultaan verkiezingen zouden zijn, zouden voor de kiezer totaal andere kandidaatseigenschappen van belang zijn.  Het is interessant om even stil te staan het spectrum van eigenschappen.  Daarvoor maken we eerst gebruik van de ideeën rond genderverschillen, daarna bespreken we een studie over adequaat leiderschap.

 

3.1.  Gendereigenschappen

 

Genderverschillen zijn niet hetzelfde als seksuele verschillen.  Sekse slaat op biologisch bepaalde, fysieke verschillen tussen mannen en vrouwen.  Gender kan men vertalen als “geslachtsidentiteit”.  Het zijn de in socialisatieprocessen gevormde eigenschappen die als mannelijk of vrouwelijk omschreven worden.  Door socialisatie-instanties zoals de ouders,de school, de familie- en vriendenkring en de media zijn hebben zich in de loop der tijd traditionele geslachtsidentiteiten of gendereigenschappen gevormd.  Men spreekt over zachte “roze” eigenschappen die horen bij de vrouwenrol, en harde “blauwe” eigenschappen die horen bij de mannenrol.  Bij de “roze”, vrouwelijke eigenschappen horen loyaal, toegeeflijk, liefhebbend, begrijpend, bescheiden, warm, teder en zacht zijn, graag troosten en van kinderen houden.  Allemaal zaken die verband houden met warmte en expressie.  Bij de “blauwe” mannenrol horen eigenschappen als assertief, krachtig, analytisch, eerzuchtig, agressief en zelfstandig zijn, opkomen voor de eigen overtuigingen en leiderschapskwaliteiten bezitten.  Eigenschappen die allen verbonden zijn met competentie.[30] 

In deze studie zullen vooral de mannelijke eigenschappen van belang zijn.  Zoals hoger uitgelegd brengt angst vaak tot het beschermen van de eigen maatschappijwaarden, en dus de voorkeur hebben voor een kandidaat die dat zo goed mogelijk kan bewerkstelligen.  De studie die we nu bekijken bevestigt dit.

 

3.2.  Leiderseigenschappen

 

In 2004 onderzochten Amerikaanse academici hoe “mortality salience”, of het besef van zijn eigen eindigheid, de politieke keuzes en het stemgedrag wijzigt in functie van de leiderschapseigenschappen van de kandidaten.  De hypothese was dat participanten die aan hun mortaliteit herinnerd werden, gemakkelijker zouden worden aangetrokken tot, en dus kiezen voor, een charismatische leider.  Charismatisch leiderschap komt in veel wetenschappelijke literatuur terug.  In zijn meest extreme vorm spreekt men over leiders die “a special magnetic quality that fills followers with awe and adoration” [31]hebben.  Andere eigenschappen zijn hier van groter belang.  Charismatische leiders steken meestal de kop op in crisisperiodes, periodes waar grote dreiging en onzekerheid heerst.  In zulke momenten zoeken mensen naar zelfzekere leiders.  Leiders die hun het gevoel geven dat ze deel uit maken van een groter geheel, waardoor ze zelf ook meer zelfvertrouwen kweken.  Leiders die de nood aan het beschermen van het waardesysteem, die we afleiden uit de terror management theory en de system justification theory, zo goed mogelijk realiseren.

In dit specifiek onderzoek[32] werd de charismatische leider beschreven als iemand met hoge verwachtingen van zijn volgelingen; met vertrouwen in de capaciteiten van diezelfde groep; die risicovolle maar gecalculeerde beslissingen neemt; en het belang van een gezamenlijke visie en sterke groepsidentiteit benadrukt.  Twee andere leiderschapsstijlen werden beschreven.  Doelgerichte leiders, die hoge maar realiseerbare doelstellingen vooropstellen en die willen bereiken door efficiënte herverdeling en het delegeren van verantwoordelijkheden; en relatiegerichte leiders, die hun volgelingen met respect, compassie en vertrouwen behandelen en die communicatie tussen leider en volgelingen benadrukken. 

De resultaten bleken in lijn met de hypothese.  Participanten die op voorhand herinnerd werden aan hun eigen mortaliteit bleken in hogere mate te kiezen voor de charismatische leider.  Zoals tabel 1 laat zien vaart de doelgerichte leider in beide situaties vrij goed met telkens een aantal stemmen boven de 40%.  Het is het verschil tussen de relatiegerichte - in gendertermen: “zachte”- leider, en de charismatische - “harde” – leider die treffend is.  Bij “normaal” stemgedrag krijgt de charismatische leider een magere 4% van de stemmen.  Bij “mortaliteitgemotiveerd” stemmen stijgt dat aantal tot 31%!  Die winst vertaalt zich in grote mate in verlies voor de relatiegerichte kandidaat.  Er is dus een duidelijke band tussen het besef van de eigen mortaliteit en de keuze van een bepaalde leiderschapsstijl, wat voor dit onderzoek van cruciaal belang is.

 

Tabel 1: Onderzoek bij 190 studenten in Brooklyn College rond keuze van leiderschap in functie van mortaliteitsbesef in 2004. 
Resultaten in procenten.

Bron: F. COHEN, J. GREENBERG, M. MAXFIELD, T. PYSZCZYNSKI en S. SHELDON, Fatal Attraction. The Effects of Mortality Salience of Charismatic, Task-Oriented, and Relationship-Oriented Leaders, 2004

Bron: F. COHEN, J. GREENBERG, M. MAXFIELD, T. PYSZCZYNSKI en S. SHELDON, Fatal Attraction. The Effects of Mortality Salience of Charismatic, Task-Oriented, and Relationship-Oriented Leaders, 2004

 

Een leiderschapsstijl hanteren is één zaak, die stijl moet ook bekend geraken bij het kiespubliek.  Daarvoor is de media van groot belang.  Daarom is het ook logisch dat we enige aandacht vestigen op de media-effecten.

 

 

4. Media-effecten

 

In 1987 publiceerden Shanto Iyengar en Donald R. Kinder een belangrijk onderzoek over de effecten van media en meer specifiek van nieuws op televisie.[33]  Ze onderscheidden twee effecten die verbonden zijn en ook cruciaal blijken voor dit onderzoek.  We bespreken ze achtereenvolgens.  Daarna gaan we nog even in op het belang dat nieuwsvorming heeft voor staatsleiders en waarom ze die vorming mee bepalen.

 

4.1.  Agenda-setting

 

Iyengar en Kinder vertrokken van de hypothese dat problemen die grote aandacht krijgen in het nieuws op de nationale zenders de problemen worden waaraan de kijkers het meeste belang hechten.  Dit hebben ze in een aantal experimenten gecontroleerd.[34]  Sequentiële experimenten, om de kortere termijn-effecten te onderzoeken; en ook (time series) experimenten, om te controleren of er op lange termijn ook iets aan te merken viel. 

In de sequentiële experimenten werden participanten blootgesteld aan verschillende nieuwsedities die telkens zeer defensiegericht waren.  Een controlegroep werd nieuws getoond die neutraal was, wat in dit geval betekend zonder verwijzingen naar defensie.  Voor en na de “nieuwssessies” werd de participanten gevraagd verschillende onderwerpen zoals inflatie, milieu, burgerrechten, enz. een graad van belang te geven.  De resultaten bleken in lijn met de hypothese.  Er was een significante wijziging te merken bij de experimentele groep: defensiegerelateerde onderwerpen werden voor deze groep een groter probleem. 

In een daaropvolgend experiment werd ook ondervonden dat de intensiviteit van nieuws een verschil maakt.  Niet enkel problemen die aan bod komen worden voor de kijkers belangrijker, problemen die kwantitatief het meest aan bod komen worden voor de kijkers ook de belangrijksten. 

Deze effecten verdwenen niet na een paar uur, hun werking bij de participanten was in weken te meten.  De vraag was nu of deze agenda-setting ook op langere termijn bleef bestaan.  Om dit te onderzoeken werd gezocht naar trends in nieuws op televisie over een langere periode.  Die trends werden daarna vergeleken met de evoluties in de publieke opinie.  Weer bleek de hypothese correct: er was een significant verband die over de jaren heen te vinden was en ook na controle van andere mogelijke variabelen aanwezig bleef.  In de jaren 70 waren inflatie en werkloosheid een steeds terugkomende topic in het nieuws, ze bleken voor de Amerikaanse publieke opinie ook de belangrijkste nationale problemen.  Hetzelfde kan gezegd worden over de communistische dreiging in de jaren 80.

Agenda-setting effecten zijn dus zowel op korte- als op lange termijn te vinden, maar ze zijn niet permanent.  Wanneer het nieuws haar aandachtspunt wijzigt, wijzigt die van de kijker mee.  Hierbij kunnen we twee belangrijke bemerkingen maken.  Ten eerste is hier enkel aangetoond dat nieuws de issues die van belang zijn mee bepaalt, niet dat ze de opinievorming zelf beïnvloedt.  Dat wordt het best uitgedrukt door een veelgeciteerd citaat: “the press may not be successful much of the time in telling people what to think, but it is stunningly successful in telling people what to to think about”[35] Ten tweede is het natuurlijk zo dat media de enige factor is die bepaalt wat we belangrijk vinden.  Ook al is ze van significant belang, ze is één van de vele bepalende elementen.

 

4.2.  Priming

 

Het priming-concept[36] gaat er van uit dat de bevolking zijn leiders beoordeelt op de zaken die het meeste nieuwsaandacht krijgen.  Ook dit effect werd door Iyengar en Kinder in verschillende experimenten getoetst.  De logica achter dit effect houdt verband met het cognitief proces dat voordien besproken is.  Om een opinie te vormen kunnen mensen onmogelijk met alles rekening houden.  Ze gebruiken dus wat voorhanden ligt, de zaken die het politiek geheugen naar boven brengt.  Dat geheugen wordt, d.m.v. het agenda-setting effect, enorm beïnvloedt door de media.  Wanneer we rekening houden met de presidentiële aanwezigheid in televisienieuws, waarover later meer, is het duidelijk dat priming van groot belang is voor de opinievorming rond de president.  Die opinievorming kan meerdere facetten aannemen.  Priming, in dit geval bij beoordeling van de president, kan zich rond twee aspecten vormen.  Afhankelijk van wat op dat moment van belang is zal het effect zich concentreren op de verwezenlijkingen of op het karakter van de president.  Aangezien vele mensen niet bijzonder politiek geïnteresseerd zijn en zich een oordeel vormen op andere zaken dan prestaties is priming rond karakter voor een president, en zeker in geval van verkiezingen, een belangrijk gegeven.  Verschillende karaktertrekken krijgen meer of minder aandacht bij elke president.  Tijdens de ambstperiode van president Carter werd nieuws gedomineerd door de vraag of hij zijn job wel aankon?  Hij werd dan ook geconfronteerd met de gijzeling van Amerikaanse diplomaten in Iran en met de aanval van de Sovjetunie op Afghanistan.  President Reagan moest vooral inflatie- en werkloosheidsproblemen aanpakken en bij hem was de vraag niet of hij capabel was, maar wel of hij die problemen wel verstond en er genoeg belang aan hechtte?[37]

Iyengar en Kinder toonden ook aan dat priming intensiever wordt wanneer zaken geprofileerd worden als de verantwoordelijkheid van de president.  Dit kan voor de opinievorming rond de president zowel negatief als positief zijn.  Afhankelijk van het onderwerp zullen presidenten zichzelf dan ook in de media profileren als meer of minder verantwoordelijk.  Presidenten hebben een niet te onderschatten impact op wat nieuws is.  Hoe sterk die invloed is en hoe presidenten daarmee omgaan is zeker een bespreking waard.

 

4.3.  Presidenten en nieuwsvorming

 

Wat zijn de factoren die bepalend zijn om van iets, nieuws te maken?  Twee onderzoekers, Galtung en Ruge, kwamen in de jaren 60 tot de conclusie dat een gebeurtenis meer kans had om een nieuwsfeit te worden indien ze aan bepaalde kenmerken voldeed.[38]  In het geval van de president van de Verenigde Staten zijn drie van deze kenmerken zeer duidelijk van toepassing.  Allereerst elitelanden en elitepersonen.  President Bush is momenteel de ultieme elitepersoon van het ultieme eliteland.  Hij haalt dus zeer gemakkelijk het nieuws.  Wanneer hij persconferenties of toespraken geeft, maar ook wanneer hij gaat fietsen met Lance Armstrong (nog een elitepersoon, dus dubbel nieuwswaardig), zijn record verbreekt op een five mile-run of zelfs zich verslikt in een pretzel.  In het geval van Bill Clinton was ondermeer  een hond kopen een nieuwswaardig feit.  Vervolgens verhoogt de duidelijkheid van gebeurtenissen als ze aan personen kunnen worden opgehangen, wat personificatie heet.  Zeker in de Verenigde Staten worden politieke campagnes besproken als een strijd tussen twee personen.  Het beleid van de Amerikaanse administratie wordt meestal afgeschilderd als het persoonlijk beleid van de president. 

Nieuws, en dan vooral op nationale televisie, is dus zeer vaak presidentieel nieuws.  In 1980 bijvoorbeeld was de president in de avondeditie van het nieuws op CBS in 60% van de onderwerpen terug te vinden![39]  Dit is ook een gevolg van het feit dat presidenten en hun adviseurs inspelen op wat hierboven besproken is.  Steeds meer “maken” presidenten nieuws.  Het onderzoek van Iyengar en Kinder maakt duidelijk dat dit zeer voordelig kan zijn.  Wanneer de president spreekt luisteren de meeste zenders, en daarmee ook miljoenen Amerikanen.[40]  Omdat publieke steun zo belangrijk is, doen presidenten er goed aan hoe ze in de media komen maximaal te controleren.  Leon Panetta, chief of staff van Bill Clinton, legt uit dat het belangrijk was,

           

To create a focus for the President each day....what was the event, what was the message that

he wanted to get across that day that fit the agenda that he was trying to implement on the

Hill?  And so part of the discussion in the morning was what is that focus today, how do we want to get the message out, is the event properly prepared, are the releases done, have we done all the background work, is the statement done for the President?[41]

 

Die media-aandacht is voor presidenten die trachten herverkozen te worden een niet te onderschatten voordeel.  Presidenten vragen en krijgen meestal al de zendtijd die ze wensen.[42]  Als ze die zendtijd goed gebruiken hebben ze al een stapje voor op hun challenger, want agenda-setting en priming zijn concepten die tijdens verkiezingen van significant belang zijn[43].  Kandidaten doen dus alles wat ze kunnen om nieuws te maken met als doel wat zij belangrijk vinden ook belangrijk te maken voor de kiezer.

 

 

Besluit

 

Dit theoretisch kader vormt de ruggengraat van het onderzoek dat volgt.  De concepten en theorieën die besproken zijn moeten steeds in het achterhoofd gehouden worden voor de rest van deze thesis.

     Allereerst is duidelijk geworden dat het concept angst niet te onderschatten is, en heel wat met zich meebrengt.  Het is een heel dominant gevoel dat ons denken en doen regelmatig beïnvloedt.  Eén van de besproken onderzoeken heeft bevestigt dat bij angst en onzekerheid mensen meer aversie hebben voor ambiguïteit en complexiteit, dat ze sneller zekerheid en duidelijkheid willen vinden en dat het cognitief proces dan ook sneller verloopt.  Eenvoudiger gezegd: bij confrontatie met angst, dreiging en ongerustheid willen mensen klare, duidelijke taal horen.  “Ja” of “nee” verkiezen ze dan stelselmatig boven “ja, maar…” of  “nee, behalve wanneer…”.

     Niet enkel mensen, ook groepen mensen hebben een reactie op angst en dreiging.  Bij de meeste zal die reactie, door onze fundamentele drang naar een positief zelfbeeld, neigen naar het zo sterk mogelijk identificeren met de sociale groep.  Vooral bij confrontatie met zijn eigen mortaliteit wordt die neiging groter.  De Terror Management- en System Justification Theories tonen aan dat mensen bij zulke confrontatie zo sterk mogelijk identificeren met de gangbare waarden en normen en hun gemeenschappelijke cultuur verdedigen, een gevolg van de zoektocht naar zekerheid en stabiliteit.

     Logischerwijze gaan ze dan ook leiding verkiezen die zoveel mogelijk die zekerheid en stabiliteit verzekert.  Zoals aangetoond bestaat er een significante band tussen het reeds vermelde mortaliteitsbesef, die de existentiële angst voor onze eigen dood naar boven brengt, en de keuze voor een bepaalde leiderschapsstijl.  Bij acuter mortaliteitsbesef kiezen mensen sneller voor “harde”, charismatische leiders.  Leiders die het groepsgevoel versterken en het zelfvertrouwen opkrikken.

     Het verspreidingsniveau van angst in een samenleving is natuurlijk afhankelijk van de algemene context, maar ook van de manier waarop ermee wordt omgegaan, in het bijzonder in de media.  De effecten van agenda-setting en priming zijn geen fabeltjes.  Nieuws, en hoofdzakelijk nieuws op televisie, beïnvloedt zeer duidelijk waarover mensen denken en waarop ze hun politici beoordelen.  Wát nieuws wordt, en hoe ze daarop reageren, is dus tijdens verkiezingen voor kandidaten van groot belang, zeker bij de sterk gepersonifieerde presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten.  Wanneer een zittende president zijn positie verdedigt, wat het geval is in dit onderzoek, vertrekt hij een met een klein voordeel zijnde het feit dat het presidentschap in de Verenigde Staten mee het nieuws maakt.  Hij heeft dankzij zijn grote aanwezigheid in de media meer kans om zaken die hij belangrijk vindt, of waar hij zich gunstig tegenover kan profileren, ook belangrijk te maken voor het publiek.  

     Angst kan dus theoretisch een verschil maken bij verkiezingen.  Dit onderzoek zal proberen aan te tonen dat dit in werkelijkheid ook het geval kan zijn.     

 

 

Deel II: Het belang van 9/11 voor de herverkiezing van George W. Bush

 

Inleiding

 

Dit tweede deel concentreert zich op de belangrijke psychologische effecten van de terroristische aanslagen op de WTC-torens op 9 september 2001 (verder nine-eleven of gewoon 9/11).  Zonder deze gebeurtenissen zou dit onderzoek waarschijnlijk nooit tot stand zijn gekomen, aangezien deze aanslagen voor de onderzochte angstfactor “zorgen”.

     Tom Korologos, ambassadeur van de Verenigde Staten in België, onderstreepte bij een onderhoud met Leuvense studenten in 2005 dat Europeanen zich niet konden inbeelden welk effect 9/11 had op de Amerikaanse bevolking.  Amerikanen waren voor 11 september 2001 nooít op eigen bodem aangevallen.  Aanvallen van buitenaf zijn in de Verenigde Staten niet in het collectieve geheugen gegrift zoals in bijna alle Europese landen.  Enig relativeringsvermogen op dat vlak is bij Amerikanen dus bijna niet te vinden.  Voor hun was 9/11 een schok zonder weerga en de meeste mensen hadden volgens Korologos een gevoel van: “you did it once but we are going to make sure you can’t ever do it again”.[44] 

     Allereerst wordt besproken welke psychologische impact 9/11 veroorzaakt heeft en of deze bij de Amerikaanse bevolking overal even groot was.  Ook de persistentie in de tijd van deze effecten zullen onderzocht worden.

Vervolgens worden de relaties tussen herinneringen aan 9/11 en terreur met de populariteit van president George W. Bush besproken.  Voor het verdere verloop van deze thesis zijn deze verbanden van groot belang.  Als deze kunnen worden aangetoond en van enige proportie zijn dan zijn ze verkiezingstactisch van enorme waarde.  Een accentuering van deze factoren en een correcte profilering ertegenover bij de verkiezingen van 2004 zouden strategisch dan nuttig zijn.

 

 

1.  De impact van 9/11

 

Enkel het feit al dat men nu spreekt over het “pre-“ en “post-9/11” tijdperk toont aan dat deze terroristische aanslagen een keerpunt waren in de Amerikaanse geschiedenis.  Voor de meeste Amerikanen kwamen de aanslagen van 9/11 totaal onverwacht,  wat de psychologische gevolgen ervan des te scherper maakte.  Zoals reeds besproken doet een dergelijke schokkende gebeurtenis ons beseffen dat we toch maar fragiele, sterfelijke wezens zijn.  Vele mensen gaan dan hun leven weer in perspectief plaatsen en zich focussen op de écht belangrijke zaken.  Vooral de nood aan het zien van familie en vrienden was na de aanslagen een prominent opkomend gevoel.  Een verhoogd patriottisme en een verdieping van religieuze gevoelens waren ook verwachte gevoelens die bij vele mensen aanwezig waren. [45]

Net na de aanslagen was de reactie bij de meeste mensen één van verhoogde stress, angst en ongerustheid.  De reactie was het sterkst bij de inwoners van New York, wat te verwachten was aangezien een groot aantal bewoners de aanslagen van dichtbij hebben meegemaakt. Toch werd de hele Amerikaanse bevolking sterk getroffen.  Een enquête genomen tussen de vijf en acht dagen na de aanslagen toont aan dat 90 procent van de volwassenen stressymptomen vertoonden.  Die symptomen zijn te vertalen als slaapstoornissen, concentratieproblemen en voortdurende herinneringen aan de aanslagen.  Ook bij kinderen staken gelijkwaardige symptomen de kop op.[46]

Behalve stress werden ook gevoelens van angst en ongerustheid gerapporteerd en ook al waren ze bij vele mensen tanend, bij een significante groep waren ze hardnekkig.  Figuur 3 maakt duidelijk dat de angst voor toekomstig terrorisme en de ongerustheid over de veiligheid van zijn familie zes maanden na de aanslagen nog sterk aanwezig waren.

 

Figuur 2: Angstniveaus in de Verenigde Staten twee en zes maanden na de aanslagen van 9/11

Bron: G. FAIRBROTHER en S. GALEA, Terrorism, Mental Health and September 11, The Century Foundation, New York, 2005, 26

 

De persistentie van angst kan ook gezien worden in de post-9/11-context.  De onaangename ontdekking van anthrax in een aantal brieven op verschillende plaatsen in de VS en de gestoorde sluipschutter in het gebied rond Washington D.C. zijn zaken die zeker niet vreemd zullen zijn aan het behouden van een hoger algemeen angstgevoelen in de Verenigde Staten.[47]

     Begin 2002 werd een enquête uitgevoerd bij 1900 Amerikanen waarvan de resultaten een verhoogde angst en ongerustheid voor een deel bevestigen.[48]  40 procent van de Amerikanen zeggen dat  9/11 hun serieus aangegrepen heeft op persoonlijk vlak.  Dat persoonlijk aanvoelen versterkt de effecten van de sociale identiteitstheorie en de system justification theory die besproken zijn in het eerste deel.  Eigenlijk kunnen we hier spreken over één gigantische  adversity group, wat ingroep- en uitgroepeffecten versterkt.

Bijna een kwart (24 procent) van de Amerikanen zeggen ook dat ze zich ongeruster en depressiever voelen dan op eender welk ander moment in hun leven.  Van die 24 procent zegt een groot deel wel dat deze gemoedstoestand het gevolg is van persoonlijke en financiële problemen.  Toch rapporteert 16 procent dat hun gestegen angst en ongerustheid een direct gevolg is van de aanslagen van 9/11.  In reëele termen komt dit neer op meer dan 40 miljoen Amerikanen, en bij presidentiële verkiezingen kan geen enkele kandidaat zich veroorloven dit aantal te negeren.  Zeker niet door het feit dat de Verenigde Staten politiek steeds meer gepolariseerd zijn.[49] Landslide victories, overwinningen die echte zegetochten zijn, worden steeds onwaarschijnlijker.  De resultaten bevinden zich voor beide kandidaten meestal dicht bij de  50 procent stemmen.

     De ontstane gevoelens van angst en ongerustheid zijn bij de meeste wel beperkt in de tijd.  81 procent van de Amerikanen zeggen dat ze proberen te vergeten en toekomstgericht denken.  Slechts 21 procent zegt te vrezen dat een familielid het slachtoffer wordt van een terroristische aanslag, wat veel minder is dan wat gerapporteerd werd net na 9/11.  Dit wil niet zeggen dat de tijd bij alle Amerikanen even helend is.  Er is in de Verenigde Staten sprake van een “trauma gap”. [50]  Tijd heelt vele wonden, maar niet bij iedereen even snel.

     Na 9/11 is het algemene angst- en ongerustheidsniveau dus gestegen,  maar niet bij iedereen even sterk of even duidelijk.  Lorna Wienstock, een psychotherapeute gespecialiseerd in problemen veroorzaakt door ongerustheid verwoordt het zo: “many people are walking around in a state of generalized anxiety.  People feel a sense of dread and apprehension.  They feel more vulnerable[51].

     Hoe deze gevoelens voor George W. Bush een potentieel politiek voordeel waren wordt nu besproken.

 

 

2.  Terreur, 9/11 en presidentiële populariteit

 

2.1.  Waarschuwingen voor terreur en steun voor de president

 

In 2004 onderzocht Robb Willer, professor aan de Cornell University, het effect van waarschuwingen voor terreuraanslagen komende van de regering op de populariteit van president Bush.  Grotendeels gebaseerd op de reeds besproken sociale identiteitstheorie formuleerde hij twee hypotheses.  Ten eerste dat waarschuwingen voor terreuraanslagen een positief effect hebben op de steun van de Amerikanen voor hun president.  Bovendien zou dit  niet enkel gelden voor Bush’s aanpak van terrorisme.  Het zogenaamde “halo-effect”, dat perfect overeenkomt met de vereenvoudiging van het cognitief proces, zorgt ervoor dat mensen zich in crisisperiodes vastklampen aan de eerste certitudes die ze kunnen vinden.  Vanuit deze logica zou de steun voor president Bush, die dan gezien wordt als de ultieme problem-solver, ook in andere domeinen moeten groeien.  Vandaar de tweede hypothese: waarschuwingen voor terreur komende van de regering hebben ook een positief effect op de steun voor president Bush in zaken die niet onmiddellijk terrorismegerelateerd zijn, zoals bijvoorbeeld zijn economische aanpak.

Als onafhankelijke variabele gebruikte Willer voor zijn onderzoek de waarschuwingen van de regering voor terreuraanslagen die vermeld stonden in de Washington Post tijdens de periode van het onderzoek, zijnde van de eerste februari 2001 (dus vóór 9/11) tot negen mei 2004.  De afhankelijke variabele waren de tevredenheid over het beleid van de president en de tevredenheid over het presidentieel economisch beleid.  Die data werden verzameld door de bekende Gallup Organization.  Zij zijn het resultaat van telefooninterviews met telkens 1000 volwassenen met de vragen: “Do you approve or dissaprove of the way George W. Bush is handling his job as president?” en “Do you approve or dissaprove of the way George W. Bush is handling the economy?”.  Willer controleerde ook de duurte van het onderzochte effect en maakte metingen met verschillende controlevariabelen.

De resultaten komen volledig overeen met de hypotheses.  Waarschuwingen voor terreur verhogen het algemene tevredenheidsniveau over het werk van de president.  Zelfs in de meest gecontroleerde metingen kwam elke waarschuwing overeen met een stijging van 2.75 procent aan steun voor president Bush.  Dit telt alleen voor “verse” waarschuwingen van niet meer dan een week oud.  De hypothese klopt dus, maar is slechts beperkt in de tijd.  Ook de tweede hypothese werd bevestigd.  Bij alle verschillende metingen hadden waarschuwingen voor terreuraanslagen van een week oud een significant en positief effect op de steun voor het economische beleid van de president.

Willer’s onderzoek bevestigt dus de neiging van mensen om hun leider te steunen in gevallen van dreiging van buitenaf, in dit geval het steunen van president Bush na waarschuwingen voor terroristische aanslagen komende vanuit de regering.[52]

     Dit gegeven is van wezenlijk belang voor dit onderzoek.  Het betekent dat in geval van verkiezingen president Bush er best aan deed zoveel mogelijk waarschuwingen voor terreur vrij te geven, aangezien het zijn populariteit ten goede kwam.  Verkiezingsspecialisten zoals Karl Rove, persoonlijke adviseur van president Bush, zal dit meer dan waarschijnlijk niet ontgaan zijn, maar dit is voer voor het laatste deel van deze thesis.  Nu wordt onderzocht wat de relatie is tussen het mortaliteitsbesef en herinneringen aan 9/11 met de populariteit van president Bush.

 

2.2.  Mortaliteitsbesef, 9/11 en steun voor George W. Bush

 

Mensen schuwen angst en onzekerheid, en het meeste van al de existentiële angst voor hun eigen sterven.  Een verhoogd mortaliteitsbesef of mortality salience brengt tot het sterker verdedigen van de gangbare waarden en normen, van de gemeenschappelijke cultuur.  Het zorgt ook voor een verhoogde steun voor charismatische leiders.  Dit is in een notendop waar de Terror Management Theory voor staat.

     Het feit dat de populariteit van George W. Bush voor de aanslagen van 9/11 rond de 50 procent hingen, en onmiddellijk erna naar nooit geziene hoogtes van bijna 90 procent schoten[53], lijkt ons te sturen naar een bevestiging van deze theorie.  Een studie van 2004 onderzocht d.m.v. experimenten verschillende relaties die voor deze thesis van groot nut zijn.  Allereerst het verband tussen een verhoogd mortaliteitsbesef en de steun voor president Bush, vervolgens de link tussen herinneringen aan 9/11 en een verhoogd mortaliteitsbesef en uiteindelijk de relatie tussen de populariteit van president Bush en herinneringen aan 9/11.  We bespreken deze belangrijke experimenten achtereenvolgens.

 

2.2.1. Het verband tussen mortality salience en de populariteit van Bush

 

In gevallen van crisis hangt de aantrekkingskracht van de leider grotendeels af van zijn capaciteit om letterlijk en symbolisch de mensen gerust te stellen.  Met zijn militaire acties in Afghanistan en Irak, zijn patriottistische retoriek, zijn zelfzekerheid en zijn religieuze verwijzingen is president Bush onder de logica van terror management waarschijnlijk een goede “geruststeller”. 

Om dit wetenschappelijk vast te leggen werd een experiment uitgevoerd waarbij een aantal mensen in een toestand van verhoogd mortaliteitsbesef werden gebracht.  Om daartoe te komen werd ervoor gezorgd dat een groep mensen over hun eigen dood reflecteerden.  Hiervoor werd ze twee vragen gesteld: “please briefly describe the emotions that the thought of your own death arouses in you” en “Jot down, as specifically as you can, what you think will happen to you as you physically die and once you are physically dead”.  Een controlegroep werd in “neutrale” toestand gehouden door ze vragen te stellen over televisie.  Na een korte pauze werd aan alle participanten een tekst voorgelegd die hoogst positief was over het beleid van Bush i.v.m. 9/11 en de invasie in Irak.  Vervolgens werd gevraagd d.m.v. een schaal van 1 tot 5 (1 = “strongly agree” en 5 = “strongly disagree”) te reageren op de volgende drie vragen: “To what extent do you endorse this statement?”, “I share many of the attitudes expressed in the above statement” en “Personally, I feel secure knowing that the President is doing everything possible to guard against any further attacks against the United States”.

De resultaten kwamen volledig overeen met de verwachtingen.  Voor elk van de drie vragen waren de participanten die zich in een toestand van verhoogd mortaliteitsbesef bevonden significant positiever over de ideeën verkondigt in de voorgelegde tekst.  Een hoger mortality salience-niveau komt de populariteit van president Bush dus ten goede.[54]

 

2.2.2. De link tussen mortality salience en 9/11

 

In een tweede experiment werd onderzocht of het denken aan de aanslagen van 9/11 dezelfde effecten heeft als het reflecteren over zijn eigen sterfelijkheid.  Hij werd kort na 9/11 uitgevoerd, ongeveer één maand.

Het is belangrijk erop te wijzen dat onderzoek heeft uitgewezen dat er een verschil is tussen een bewust en onbewust verhoogd mortaliteitsbesef.  Het bewust reflecteren over de eigen sterfelijkheid zal veelal leiden tot het vermijden van bepaalde zaken, bijvoorbeeld stoppen met roken omdat een vriend een hartinfarct had of het wegblijven van metrostations na de aanslagen van Madrid of Londen.  Onbewust met sterfelijkheid bezig zijn zal leiden tot reeds besproken reacties zoals een verhoogd vertrouwen in zijn eigen wereldvisie en een groter zelfvertrouwen[55].  Daarom wordt in dit experiment voor een verhoogd mortaliteitsbesef gezorgd op subliminale wijze.

Het idee was dat subliminale verwijzingen naar 9/11 zouden resulteren in grotere toegankelijkheid in ons brein van gedachten over dood en sterven, of een verhoogd mortaliteitsbesef.  Aan de participanten werd een onderzoek voorgeschoteld dat uit drie delen bestond.  Eerst een persoonlijkheidstest, onbelangrijk voor het feitelijke experiment.  Vervolgens een proef waarbij gezegd moest worden of bepaalde woorden bij elkaar hoorden of niet. Hierbij  flitsten drie woorden op een computerscherm en de respondent moest telkens aanduiden of het eerste en het derde woord te associëren waren.  Bij de experimentele groep flitste in het midden telkens 911 of WTC als subliminale verwijzingen.  Bij de controlegroep was het middelste woord een neutrale 573.

Als afsluiter moesten respondenten een test afleggen over woordperceptie.  Ze kregen 34 woordfragmenten te completeren met het eerste woord dat bij hun opkwam.  Van die 34 fragmenten waren er zes die zowel neutraal als “sterftegerelateerd” completeerbaar waren.  Eén van de fragmenten was bijvoorbeeld COFF_ _, wat met COFFEE of COFFIN gecompleteerd kon worden.  De zes mogelijke “mortality salience-woorden” waren buried, skull, murder, stiff, coffin en grave.

Om het onbewuste van de middelste woorden te controleren werd achteraf gevraagd hoeveel woorden de respondenten bij de flitsen telkens zagen en of ze soms meer dan twee woorden zagen?  40 van de 46 participanten zagen telkens twee woorden en slechts één participant rapporteerde dat hij misschien meer dan twee woorden zag.

De vraag of subliminale verwijzingen naar de (toen) recente terroristische aanslagen de toegankelijkheid van mortaliteitsgedachten verhoogde kon na het experiment positief beantwoord worden.  De respondenten in de experimentele groep antwoordden significant meer “sterftegerelateerd”.

Hiermee wordt de link tussen herinneringen aan 9/11 en een verhoogd mortaliteitsbesef bevestigd.[56]  Wanneer men de twee reeds besproken experimenten bij elkaar legt klinkt het logisch dat herinneringen aan 9/11 zullen leiden tot grotere steun voor president Bush.  Dit wordt in het volgende experiment nog eens apart onderzocht.

 

2.2.3. Het verband tussen 9/11 en de populariteit van Bush

 

Met een derde experiment werd gezocht naar een bevestiging van het verwacht verband.  Herinneringen aan 9/11 zouden dus daadwerkelijk de populariteit van Bush ten goede komen.  Om dit te testen werd een onderzoek uitgevoerd waarbij de participanten, studenten in dit geval, in drie groepen verdeeld werden.  Een deel werd opgezadeld met een hoger mortaliteitsbesef en een andere groep met een verhoogd besef voor het gevaar van terrorisme.  De controlegroep werd ook negatief “bewerkt”.  Zij kregen de gevoelens mee van een opkomend examen, wat normale studenten niet laaiend enthousiast maakt.  Achteraf kregen de participanten de voor Bush lovende tekst te lezen die reeds gebruikt werd in het eerste experiment, en dezelfde drie vragen te beantwoorden.  Als afsluiter moesten respondenten ook hun politieke oriëntatie aanduiden op een schaal gaande van zeer conservatief tot zeer liberaal.

Figuur vier laat duidelijk zien dat de band tussen herinneringen aan 9/11 en de populariteit van Bush bevestigd wordt.

 

Figuur 3: Steun voor George W. Bush in functie van een verhoogd mortaliteits- en terrorismebesef

Bron:  J. ARNDT, F. COHEN, A.COOK, J, GREENBERG e.a., “Deliver Us from Evil: The Effects of Mortality Salience and Reminders of 9/11 on Support for President George W. Bush” in Personality and Social Psychology Bulletin Vol. 30 No. 9, Sage Publications, 2004, 1143

 

Een belangrijke vaststelling is ook dat deze relatie niet afhangt van de politieke oriëntatie.  Zowel de “conservatieven” als de “liberalen” in het experiment zijn gevoelig voor het vastgestelde effect.  “Liberalen” onverwacht zelfs iets meer, maar daarvoor bestaat geen klinkende uitleg.

 

Figuur 4:  Steun voor George W. Bush in functie van een verhoogd mortaliteits- en terrorismebesef en van politieke oriëntatie

Bron: J. ARNDT, F. COHEN, A.COOK, J, GREENBERG e.a., “Deliver Us from Evil: The Effects of Mortality Salience and Reminders of 9/11 on Support for President George W. Bush” in Personality and Social Psychology Bulletin Vol. 30 No. 9, Sage Publications, 2004, 1144

 

Men kan zich natuurlijk afvragen of “de populariteit van Bush” niet vertaald kan worden in “de populariteit van de leider”?  In crisissituaties verhoogt de steun voor de leider sowieso, of Bush president is of iemand anders zou dus eigenlijk niet veel uitmaken.  Om dit te controleren werd nog een bijkomend vierde experiment uitgevoerd.

 

2.2.4. Het verband tussen een verhoogd mortaliteitsbesef en de populariteit van president Bush

 

Om specifiek de populariteit van Bush te testen werd een 2x2-experiment uitgevoerd.  Een deel van de participanten werd een hoger mortaliteitsbesef “toegewezen”, terwijl een controlegroep met gedachten over intense pijn kreeg af te rekenen.  In een tweede deel moesten respondenten dan toevalsgewijs George W. Bush of John Kerry, presidentskandidaat in 2004, evalueren door vier vragen te beantwoorden.  “How favorably do you view George W. Bush/John Kerry?”, “To what extent do you admire George W. Bush/John Kerry?”, “to what extent do you have confidence in George W. Bush/John Kerry as a leader?”  en “if you vote in the upcoming presidential election, how likely is it you will vote for George W. Bush/John Kerry?”.  De antwoorden werden d.m.v. schalen geregistreerd en dan samengebracht.  Ook naar de politieke oriëntatie werd weer gepeild.  Figuur 6  laat duidelijk zien wat de tendens is.

 

Figuur 5: Steun voor president George W. Bush en presidentskandidaat John Kerry in functie van hogere pijn- en mortaliteitsbesef

Bron: J. ARNDT, F. COHEN, A.COOK, J, GREENBERG e.a., “Deliver Us from Evil: The Effects of Mortality Salience and Reminders of 9/11 on Support for President George W. Bush” in Personality and Social Psychology Bulletin Vol. 30 No. 9, Sage Publications, 2004, 1145

 

Deze resultaten suggereren dat een verhoogd mortaliteitsbesef niet voor elke leider even voordelig kan zijn, maar er wordt aangetoond dat dit specifiek voor George W. Bush wel heel voordelig is.  Hij beantwoord zelfs letterlijk de vraag over het potentieel voordeel bij verkiezingen.  Een verhoogd mortaliteitsbesef zou zich volgens dit experiment direct in meer stemmen voor president Bush vertalen.  Bovendien geven de resultaten aan dat dit ongeacht de politieke oriëntatie het geval is.[57] 

Waarom dit het geval is kan deels beantwoordt worden met het onderzoek dat we in het eerste deel besproken hebben over leiderschapsstijlen.  Bush zal waarschijnlijk meer bij de categorie van de charismatische leiders horen dan John Kerry.  Hoe dat komt en hoe Bush en zijn verkiezingsteam ingespeeld hebben op het aangetoonde verband wordt in het laatste deel van deze thesis onderzocht.

 

 

Besluit

 

In dit tweede deel zijn belangrijke feiten en effecten aangetoond. 

Allereerst is het duidelijk geworden dat het algemene angst- en ongerustheidsniveau in de Verenigde Staten na 9/11 de hoogte ingesprongen is.  9/11 was een traumatiserende gebeurtenis zonder precedent en ze wekt bij een significant aantal Amerikanen nog sterke gevoelens op.  De theoretische gevolgen van een verhoogd angstniveau kennen we.  Enkele ervan zijn, een korter cognitief proces, het zich vastklampen aan zekerheden en het defensief optreden t.o.v. zijn culturele waarden.  Als gevolg daarvan stijgt de populariteit van de leider ook in crisismomenten.  Daarbij komt nog dat angst en ongerustheid gevoelens zijn die gemakkelijk terug de kop opsteken. 

Het onderzoek van Willer heeft aangetoond dat dit niet alleen theoretisch is.  Berichten die zeggen dat de mogelijkheid van terroristische aanslagen nooit veraf zijn verhogen daadwerkelijk de populariteit van president Bush, en niet alleen op het niveau van terrorismebestrijding.

     In het tweede onderzoek dat besproken is was een verhoogde mortality salience, of terwijl een verhoogd mortaliteitsbesef, een kerngegeven.  Arndt & co. hebben achtereenvolgens aangetoond dat een verhoogd mortaliteitsbesef voordelig was voor de populariteit van president Bush, dat herinneringen aan 9/11 voor een verhoogd mortaliteitsbesef zorgden en dat herinneringen aan 9/11 ook in direct verband konden gebracht worden met een toegenomen steun voor president Bush.  Bovendien waren deze effecten niet gebonden aan politieke oriëntatie en ook specifiek gericht op George W. Bush.   Arndt & co hebben dus aangetoond dat, om herverkozen te worden, president Bush er blijkbaar voordeel uit haalt om de mensen zoveel mogelijk 9/11 en terrorisme voor de geest te halen.

 

Bij deze bevindingen zijn een paar opmerkingen te maken.  Ten eerste is het gemakkelijk om de besproken kleinschalige experimenten ook kleinschalig te bekijken.  Een paar kleine experimenten met weinig participanten die dan een groot effect zouden moeten aantonen.  Er mag niet vergeten worden dat dit experimenten zijn van een meer dan degelijk academisch niveau.  Er is dus nagedacht over hun representativiteit.  De aangetoonde effecten mogen dus geëxtrapoleerd worden en na extrapolatie zijn de effecten spectaculair.

Ten tweede zijn deze effecten spectaculair maar waarschijnlijk niet algemeen.  Zoals vermeld waren er steeds meer Amerikanen die rapporteerden dat ze 9/11 achter zich wilden laten en toekomstgericht denken.  Het aandeel van de Amerikaanse bevolking dat de gevolgen van 9/11 nog sterk ondervond werd met de tijd alsmaar kleiner, en daarmee ook het potentieel voordeel bij verkiezingen.