| Het Belgisch beleid inzake de vergrijzing. (Ronny Eelen) |
| home | lijst scripties | inhoud |
De vergrijzing van de bevolking is ongetwijfeld één van de uitdagenste sociaal-economische dossiers voor de komende decennia. Toch lijkt het desalniettemin dat het publieke debat hierover slechts de laatste jaren in volle hevigheid is losgebarsten. Stilaan dringt het ook tot de beleidsmakers door dat er een aantal zaken moet veranderen, teneinde de pensioenen betaalbaar te houden, de kosten van de ziekteverzekering beheersbaar te houden, enzovoort.
De maatregelen die dan worden genomen, worden onthaald op felle kritiek. De boodschap die moet worden meegedeeld is dan ook niet prettig. Weinigen vinden het een leuk idee dat ze bijvoorbeeld langer zullen moeten werken om het pensioenssysteem te schragen. Volgens sommigen is het dan ook weer niet zo erg gesteld met die vergrijzing zoals men het wil doen voorstellen.
Het onderzoek naar het beleid inzake de vergrijzing vormt de opdracht van deze scriptie. De term vergrijzingsbeleid verdient enige opheldering. Het is niet zo dat er een federale overheidsdienst vergrijzing bestaat. De problemen die de vergrijzing met zich meebrengt laten zich dan ook voelen op meerdere domeinen en diverse beleidsdragers en beleidsniveaus zijn ervoor verantwoordelijk. Een belangrijke factor is bijvoorbeeld het arbeidsmarktbeleid. De leeftijdspiramide van de bevolking zal ingrijpend van structuur veranderen. Steeds minder actieven gaan moeten instaan voor de pensioenen van de ouderen. De vraag rijst of er dan geen hervormingen nodig zullen zijn. Zal men de vervroegde uitstapregelingen moeten gaan afbouwen? Zal de pensioenleeftijd moeten worden opgetrokken? Is het repartitiesysteem zoals we dat in België kennen überhaupt nog houdbaar op langere termijn?
Ook gezondheidszorgbeleid is een uitermate belangrijk domein. Een stijging van het aantal ouderen brengt een snel oplopende gezondheidszorgfactuur met zich mee. Het is maar zeer de vraag hoe die gaat moeten worden betaald met gelijkblijvende inkomsten. Misschien zullen diepgaande veranderingen in de gezondheidszorgstructuur kostenbesparend werken. Of valt er meer heil te zoeken in een privatisering van de gezondheidszorg?
Er valt ook niet te vergeten dat beleid altijd het maken van keuzes impliceert. De keuzevrijheid wordt bepaald door de middelen die de overheid ter beschikking heeft. Het was voormalig begrotingsminister Vande Lanotte die met het idee van een Zilverfonds op de proppen kwam. Door de afbouw van de staatsschuld zou er budgettaire ruimte moeten worden gecreëerd die de schokken van de vergrijzing moest opvangen. Begrotingsbeleid is een ontegensprekelijk deel van het vergrijzingsbeleid. En ook hier zal moeten worden getracht om structurele overschotten te creëren op de begroting om de vergrijzingsgevolgen te temperen. De vraag is echter wel of deze intentie gaat kunnen worden hardgemaakt. Er zullen immers ook steeds andere politieke zaken op de agenda staan die de aandacht en de middelen van de politici zullen opeisen.
Samengevat, vergrijzingsbeleid behelst een groot aantal domeinen, en het is dus geen kant-en-klare afgebakende materie. De criteriumvraag die wordt gehanteerd is dan ook: ‘Welk beleid wordt gevoerd om de gevolgen van de vergrijzing op te kunnen vangen?’. Wat de verwachte gevolgen van de vergrijzing zullen zijn, zal dan ook in de eerste hoofdstukken vervat zitten.
Uit de vraagstelling is duidelijk als criterium de intentie van de beleidsmensen wordt bekeken. Maar ook dit kan soms dubbelzinnig zijn. Zo besteedde de regering Verhofstadt II veel aandacht aan de jeugdwerkloosheid, die in België bijzonder hoog ligt. Ook dit zou men als een maatregel ter bestrijding van de vergrijzingseffecten kunnen aanzien, want meer jongeren aan de slag, vergroot de pensioensbasis. Het is uiteraard ook los van de vergrijzingsproblematiek een absolute noodzaak dat de jongerenwerkloosheid moet worden teruggedrongen.
Om het voor de beleidslieden eenvoudiger te maken de effecten van hun beleid te toetsen aan de vergrijzingsproblematiek, is er sinds enkele jaren een Studiecommissie voor de Vergrijzing die een jaarlijks rapport opstelt. De Commissie bestaat uit experten en hanteert een aantal economische modellen aan de hand waarvan men tot prognoses komt aangaande het vergrijzingsbeleid. De verslagen van deze commissie vormen dan ook een belangrijk ijkpunt waaraan in dit document van uit wordt gegaan. Het is goed steeds in het achterhoofd te houden dat het hier gaat over prognoses, die ook geregeld worden aangepast en die afhangen van de betrouwbaarheid van de gehanteerde modellen.
Als we het onderwerp verder afbakenen, dan moeten we ons ook de vraag stellen op welk beleidsniveau we ons in de scriptie gaan concentreren en welke tijdsperiode we onder de loep zullen nemen. Wat het eerste betreft: er wordt in principe op elk beleidsniveau aan vergrijzingsbeleid gedaan, van de gemeente tot in de Europese Unie. De kern van het vergrijzingsbeleid vinden we echter bij de federale overheid terug. Het is die overheid die in hoofdzaak bevoegd is voor het arbeidsmarktbeleid, de gezondheidszorg, de pensioenen. België zou België niet zijn, moesten ook de regio’s geen apart vergrijzingsbeleid hebben. De reikwijdte van deze bevoegdheden ligt minder ver, maar we achtten het toch belangrijk genoeg om aandacht te schenken aan het vergrijzingsbeleid van de Vlaamse overheid. Verwacht wordt trouwens dat het regionale niveau op het vlak van het vergrijzingsbeleid meer en meer bevoegdheden naar zich toe zal trekken in de toekomst.
België situeert zich in een internationale context. In de eerste plaats is het Belgisch lidmaatschap van de Europese Unie een belangrijke bron van regelgeving en sturing. Maar België is ook lid van talrijke andere (economische) organisaties die al dan niet op geregelde tijdstippen de gezondheid van de Belgische economie onderzoeken en aanbevelingen doen. Ook hier zal in het licht van het onderwerp van deze scriptie, bij worden stilgestaan.
Wat de afbakening in tijdsperiode aangaat, zullen we ons vooral concentreren op de periode van 2003 tot heden. Half 2003 trad immers de tweede regering Verhofstadt aan die zich voornam om van de strijd tegen de ongewenste effecten van de vergrijzing één van haar prioriteiten te maken. Dit is niets te vroeg, 2010, de datum waarop de eerste effecten van de vergrijzing zich zullen beginnen laten voelen, komt immers steeds dichter bij. Het werd dus hoog tijd dat er aan een aantal structurele problemen een oplossing zou worden geboden. Uiteraard zijn er voor 2003 wel maatregelen genomen die van belang zijn, maar men kan ervan uitgaan dat de discussie over vergrijzing ten volle is losgebarsten in de huidige legislatuur die vermoedelijk volgend jaar in juni zijn einde zal kennen. Wanneer er echter zaken uit het verder verleden belangrijk zijn om het huidige beleid te kunnen vatten, dan zullen we deze zeker vermelden. In de eerste plaats denken we dan aan de aandacht die we zullen geven aan de oprichting van het Zilverfonds in de eerste regering Verhofstadt. Dit omdat het Zilverfonds het sluitstuk is van de budgettaire strategie die de Belgische overheid ten aanzien van de begrotingsproblematiek hanteert. Ook zal niet worden nagelaten een blik in de toekomst te werpen, waar dit mogelijk is.
Een deel van de bronnen die in dit onderzoek zijn betrokken, zijn van de overheid zelf afkomstig. Aan de hand van verslagen van de Studiecommissie voor de Vergrijzing en het Planbureau, de beleidsverklaringen van de regering, het regeerakkoord en andere officiële documenten werd er nagegaan wat de diverse intenties, initiatieven, prognoses en beoordelingen waren van de voorbije regeerperiode. Tevens zijn het daarnaast de vele artikels uit Vlaamse kranten, aan de hand waarvan getracht werd het maatschappelijke en politieke debat rond het vergrijzingsvraagstuk te vatten. Tenslotte is er ook gebruik gemaakt van boeken en naslagwerken, vooral voor de theoretische onderbouw en om cijfergegevens in de scriptie te verwerken.
Na de eerste hoofdstukken, waarin het begrip vergrijzing nader zal worden uitgewerkt, wordt de aandacht toegespitst op het beleid. De concrete beslissingen en maatregelen zullen worden uitgelicht. Veel belang zal er gaan naar het totstandkomen van de verschillende politieke beslissingen. In België wordt het sociaal beleid grotendeels in samenspraak met de sociale partners gevoerd. Elke beslissing is zo mogelijk een compromis tussen de werkgevers en de werknemersorganisaties. Elk akkoord is het resultaat van een proces, met op de achtergrond verschillende visies en belangen. Meer nog dan gewoon een droge weergave te maken van de sociale akkoorden en regeringsbeslissingen, zal in deze scriptie uitvoerig worden ingegaan op het totstandkomen er van. De knelpunten en verschillende visies komen zo uitvoerig aan bod. Er zal een focus worden gelegd op de ideologische benadering van het probleem door de verschillende actoren. Uiteindelijk zou iedereen na het lezen van deze scriptie een goed beeld moeten hebben van het hele maatschappelijke debat over vergrijzing en de actoren ervan identificeren, alsmede de problemetiek van de vergrijzing tre kunnen plaatsen binnen de Belgische context.
Hoofdstuk 1: De vergrijzing: definiëring en probleemschets.
Vooraleer we de specifieke beleidsmatige aspecten van de vergrijzingsproblematiek onder de loep zullen nemen, moeten we eerst bekijken wat het begrip ‘vergrijzing’ juist inhoudt. De analyse van het begrip ‘Vergrijzing’ valt uiteen in enerzijds een demografische benadering van het probleem en anderzijds een economische analyse die op de demografische veranderingen geënt is.
1.1. Demografische prognose.
Het dient benadrukt dat de cijfers waarvan hier gebruik zal worden gemaakt slechts prognoses zijn van de federale overheidsdienst economie, Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, en dat het dus gaat over gefundeerde projecties waar voorzichtig mee moet worden omgesprongen.
Fig:1. prognose van het bevolkingscijfer over heel België en per gewest, naar leeftijdscategorie in absolute cijfers.
|
In absolute cijfers |
2000 |
2010 |
2020 |
2030 |
2040 |
2050 |
|
België |
10.280.670 |
10.529.690 |
10.723.828 |
10.894.288 |
10.964.632 |
10.952.581 |
|
0-19 jaar |
2.416.147 |
2.344.140 |
2.274.612 |
2.272.188 |
2.243.270 |
2.228.643 |
|
20-59 jaar |
5.615.112 |
5.681.656 |
5.521.385 |
5.279.113 |
5.221.584 |
5.166.305 |
|
60-64 jaar |
518.665 |
649.030 |
722.633 |
695.854 |
637.833 |
658.309 |
|
65 jaar en meer |
1.730.746 |
1.854.864 |
2.205.198 |
2.647.133 |
2.861.945 |
2.899.324 |
|
Brussels Hoofdstedelijk Gewest |
967.266 |
999.702 |
1.031.056 |
1.063.102 |
1.088.846 |
1.106.362 |
|
0-19 jaar |
227.379 |
235.223 |
231.950 |
233.399 |
233.433 |
232.380 |
|
20-59 jaar |
537.422 |
559.486 |
573.341 |
572.628 |
576.519 |
579.628 |
|
60-64 jaar |
42.461 |
50.903 |
55.928 |
58.414 |
56.738 |
60.052 |
|
65 jaar en meer |
160.004 |
154.090 |
169.837 |
198.661 |
222.156 |
234.302 |
|
Vlaams Gewest |
5.960.772 |
6.079.433 |
6.141.421 |
6.175.230 |
6.147.271 |
6.070.318 |
|
0-19 jaar |
1.362.536 |
1.298.904 |
1.238.137 |
1.225.585 |
1.200.624 |
1.185.052 |
|
20-59 jaar |
3.271.838 |
3.276.168 |
3.137.201 |
2.934.534 |
2.863.198 |
2.803.462 |
|
60-64 jaar |
317.757 |
377.601 |
433.958 |
414.334 |
371.246 |
371.317 |
|
65 jaar en meer |
1.008.641 |
1.126.760 |
1.332.125 |
1.600.777 |
1.712.203 |
1.710.487 |
|
Waals Gewest |
3.368.055 |
3.450.555 |
3.551.351 |
3.655.956 |
3.728.515 |
3.775.901 |
|
0-19 jaar |
827.083 |
810.013 |
804.525 |
813.204 |
809.213 |
811.211 |
|
20-59 jaar |
1.823.904 |
1.846.002 |
1.810.843 |
1.771.951 |
1.781.867 |
1.783.215 |
|
60-64 jaar |
158.447 |
220.526 |
232.747 |
223.106 |
209.849 |
226.940 |
|
65 jaar en meer |
558.621 |
574.014 |
703.236 |
847.695 |
927.586 |
954.535 |
Bron: FOD Economie, KMO, Middenstand en energie.
http://www.statbel.fgov.be/figures/d23_nl.asp#3 op 7/7/2006
Wanneer we de cijfers van figuur 1 bekijken, dan zien we dat de bevolking over heel België van 2000 tot 2050 vermoedelijk zal stijgen van 10 280 000 inwoners tot ongeveer 10 952 000 inwoners. Dit is een bevolkingsaanwas van 6,50% over 50 jaar. Doch de cijfers verschillen regionaal nogal sterk. Voor het Vlaams Gewest zou de groei minder dan 2% bedragen, voor Wallonië 12 % en voor het Brussels Hoofdstedelijk gewest maar liefst 14 %. Het aandeel inwoners van het Vlaams Gewest zal dus vermoedelijk dalen van 58% van de hele Belgische bevolking in 2000 tot 55,4 % van de totale bevolking in 2050. Op zich is er niet direct een achteruitgang van de totale bevolking te constateren op deze termijn. Wat echter van een groter belang is dan de indeling naar gewest is de leeftijdsstructuur van de populatie. Hiervoor kan de tabel van figuur 2 ons van nut zijn. De leeftijdsgroep tot 60 jaar vertegenwoordigde in het jaar 2000 nog 78,1% van de totale bevolking. De 60+ generatie is bijgevolg goed voor 21,9% van de gehele Belgische bevolking.
Fig:2. prognose van het bevolkingscijfer over heel België en per gewest, naar leeftijdscategorie in procenten.
|
In procenten |
2000 |
2010 |
2020 |
2030 |
2040 |
2050 |
|
België |
100,0% |
100,0% |
100,0% |
100,0% |
100,0% |
100,0% |
|
0-19 jaar |
23,5% |
22,3% |
21,2% |
20,9% |
20,5% |
20,3% |
|
20-59 jaar |
54,6% |
54,0% |
51,5% |
48,5% |
47,6% |
47,2% |
|
60-64 jaar |
5,0% |
6,2% |
6,7% |
6,4% |
5,8% |
6,0% |
|
65 jaar en meer |
16,8% |
17,6% |
20,6% |
24,3% |
26,1% |
26,5% |
|
Brussels Hoofdstedelijk Gewest |
9,4% |
9,5% |
9,6% |
9,8% |
9,9% |
10,1% |
|
0-19 jaar |
2,2% |
2,2% |
2,2% |
2,1% |
2,1% |
2,1% |
|
20-59 jaar |
5,2% |
5,3% |
5,3% |
5,3% |
5,3% |
5,3% |
|
60-64 jaar |
0,4% |
0,5% |
0,5% |
0,5% |
0,5% |
0,5% |
|
65 jaar en meer |
1,6% |
1,5% |
1,6% |
1,8% |
2,0% |
2,1% |
|
Vlaams Gewest |
58,0% |
57,7% |
57,3% |
56,7% |
56,1% |
55,4% |
|
0-19 jaar |
13,3% |
12,3% |
11,5% |
11,2% |
10,9% |
10,8% |
|
20-59 jaar |
31,8% |
31,1% |
29,3% |
26,9% |
26,1% |
25,6% |
|
60-64 jaar |
3,1% |
3,6% |
4,0% |
3,8% |
3,4% |
3,4% |
|
65 jaar en meer |
9,8% |
10,7% |
12,4% |
14,7% |
15,6% |
15,6% |
|
Waals Gewest |
32,8% |
32,8% |
33,1% |
33,6% |
34,0% |
34,5% |
|
0-19 jaar |
8,0% |
7,7% |
7,5% |
7,5% |
7,4% |
7,4% |
|
20-59 jaar |
17,7% |
17,5% |
16,9% |
16,3% |
16,3% |
16,3% |
|
60-64 jaar |
1,5% |
2,1% |
2,2% |
2,0% |
1,9% |
2,1% |
|
65 jaar en meer |
5,4% |
5,5% |
6,6% |
7,8% |
8,5% |
8,7% |
|
Bron: FOD Economie, KMO, Middenstand en energie. http://www.statbel.fgov.be/figures/d23_nl.asp#3 op 7/7/2006
|
||||||
Wanneer we deze cijfers nu projecteren naar het jaar 2050 dan constateren we dat de zestigplussers maar liefst 32,5% van de bevolking zal beslaan. Dat is een stijging met 10,6%. Het aandeel van de jongere generaties in de totale bevolking daalt dus, maar ook het absoluut aantal jongeren zal dalen door een lager geboortecijfer. In figuur 1 zien we dat in 2000 de groep jongeren tot 20 jaar uit 2.416.147 eenheden bestaat. In 2050 zouden dit er nog maar 2.228.643 zijn of een daling met 7,76% over 50 jaar, dit is de zogenaamde ontgroening. Het aandeel jongeren vermindert op lange termijn dus niet alleen relatief maar ook absoluut.
Algemeen bekeken kan men de vergrijzing, zoals die in België en andere Westerse landen te beurt zal vallen, aan twee fenomenen toeschrijven. Ten eerste aan een dalend geboortecijfer en ten tweede aan een toenemend aantal ouderen in de bevolking, mede door een voorspelde stijgende levensverwachting.
Een enkeling zou misschien kunnen voorstellen om de regering een meer demografische politiek te laten voeren, waardoor het krijgen van kinderen wordt aangemoedigd, maar dit is weinig realistisch. Het aantal potentiële kinderen daalt al jaren en ongeboren moeders krijgen ook geen kinderen. Indien zelfs alle vruchtbare vrouwen voortaan 2 kinderen zouden krijgen, dan nog zou de demografische wisseling tot 2080 duren.[1]
1.2. Definitie vergrijzing.
Uit het voorgaande kunnen we het begrip ‘vergrijzing’ omschrijven als de aanzienlijke relatieve en absolute verschuiving in de leeftijdsstructuur van een bepaalde populatie van de jongere naar de oudere leeftijdscategorieën. Dit is dan ook het fenomeen dat we in de scriptie onder de loep zullen nemen, tenminste toch het beleid ten aanzien van de problemen die deze vergrijzing met zich meebrengt. De vergrijzingsproblematiek zal vooral van toepassing zijn op de periode 2010-2050.[2]
1.3. Gevolgen Vergrijzing.
Nu we weten wat deze vergrijzing op demografisch vlak met zich meebrengt, komt het er op aan om de gevolgen die deze verandering in de structuur van de bevolking met zich meebrengt te kunnen schatten. Nadat de analyse van de problematiek van de vergrijzing is gemaakt, en er verschillende prognoses zijn geprojecteerd om een toekomstbeeld te kunnen scheppen, zal dan de beleidsaanpak van deze problemen kunnen worden geanalyseerd.
De verandering in de demografische structuur van de bevolking heeft serieuze consequenties. Een eerste en meest besproken problematiek zijn de pensioenen. Het wettelijk pensioen wordt gefundeerd door het repartitiestelsel, dit wil zeggen dat de pensioenen van de huidige generatie gepensioneerden wordt gesubsidieerd door de generatie werkenden. Wanneer het aandeel van de gepensioneerden aanzienlijk vergroot, zal er bijgevolg meer druk vallen op de schouders van de actieven.
Een andere bijkomende last is de financiering van de gezondheidszorg, die met de stijgende leeftijd van de bevolking onvermijdelijk zal toenemen in omvang. Zeker wanneer men in ogenschouw neemt dat de gemiddelde levensverwachting vermoedelijk zal toenemen van 75,06 jaar in 2000 tot 83,90 jaar in 2050 voor mannen, en van 81,53 jaar in 2000 en 88,88 jaar in 2050. [3]
Met wat er in de demografische prognose is aangetoond, hoeft het geen verwondering te wekken dat de allerhoogste leeftijdscategorieën in relatief en absoluut aandeel van de bevolking zullen toenemen. In 2000 waren er 58.591 90-plussers en 967 100-plussers. In 2050 zal dit vermoedelijk zijn opgelopen tot respectievelijk 261.600 90-plussers en 8.331 100-plussers.[4] Niet alleen het aantal ouderen neemt toe, maar dus ook het aantal zeer oude mensen die een grotere kans zullen hebben dat ze medische bijstand zullen nodig hebben. De geneeskundige vooruitgang is hier voor een deel het slachtoffer van zijn eigen succes.
De lasten die de vergrijzing op de maatschappij legt, zijn dus vooral in het kamp van de pensioenen en de gezondheidszorg te situeren. Het is een verhaal dat meerzijdig valt te benaderen. Niet de pensioenen zijn het probleem, wel zal de financieringsbasis van het pensioensysteem zal slinken. Ook op de gezondheidszorg, zal een finacieringsprobleem kennen. De vergrijzingsproblematiek is er dus vooral één van centen en van de bereidheid om van de vergrijzing een budgettaire prioriteit te maken. Hierop zal verder in deze scriptie worden ingegaan.
1.4. Besluit.
De vergrijzing heeft zijn oorsprong in een sterk veranderende leeftijdsstructuur in de bevolking. Tussen vandaag en 2050 zal het aantal ouderen relatief en absoluut toenemen. Dit kan gevolgen hebben op de financiering van enkele sociale zekerheidsdomeinen zoals de pensioenen en de gezondheidszorg.
Hoofdstuk 2: economische prognoses in verband met de vergrijzing.
Nu bepaald is waarop het begrip ‘vergrijzing’ slaat, en nu de kernproblematiek van het fenomeen is aangehaald, loont het de moeite om te onderzoeken in welke mate de problemen van de financiering van de pensioenen en de gezondheidszorg, zich zullen voordoen binnen de specifiek Belgische context. Op die manier zal aan het licht komen wat de structurele obstakels zijn die zich in de toekomst in het kader van de vergrijzing zullen voordoen.
Belangrijk hierbij zijn de verslagen van de Studiecommissie voor de Vergrijzing. De wet van 5 september 2001 tot waarborging van een voortdurende vermindering van de overheidsschuld en tot oprichting van een Zilverfonds, hield ook de oprichting in van een Studiecommissie voor de Vergrijzing (ScvV). Die had als taak jaarlijks de budgettaire en sociale gevolgen van de vergrijzing te onderzoeken. Hierbij doet ze een beroep op de werkzaamheden en de secretariaatsondersteuning van het Federaal Planbureau. De weerslag van dit studiewerk wordt gepubliceerd in het jaarlijks rapport van de ScvV.[5] De Studiecommissie kan ook op eigen initiatief of op verzoek van de regering, onderzoek verrichten naar specifieke aangelegenheden i.v.m. de vergrijzing.[6]
Ook het federaal planbureau, dat zijn infrastructuur aan de studiecommissie aanbiedt, heeft in het verleden al prognoses ronde de vergrijzing gedaan. Hiervan zullen we ons dan ook bedienen.
2.1. Basishypotheses.
De macro-economische hypothese valt op te delen in twee centrale hypothesen, nl. de hypothese rond de ontwikkeling van de productiviteitstoename en de hypothese rond de structurele werkloosheidsgraad op de lange termijn. Beiden hypotheses zijn gebaseerd op de langetermijnevoluties, zoals die in het verleden zijn opgetekend. Ze gaan uit van een aantal gelijkblijvende gedragingen en een ongewijzigde institutionele en gelijkblijvende context.[7] Voorts wordt er soms ook nog melding gemaakt van een hypothese rond het sociaal beleid, dit is bijvoorbeeld voor de berekening van de budgettaire kost van de vergrijzing van belang.
2.1.1. De hypothese rond de productiviteitstoename.
Sinds 1913 kunnen we beschikken over informatie over de productiviteitsgroei van de Belgische economie. Die productiviteitsgroei verschilt naargelang de periode waarin deze is opgetekend. Van 1913 tot 2002 bekeken, bedraagt de productiviteitsgroei gemiddeld 1,91%, maar dit is een bedrieglijk cijfer want de groei fluctueert nogal over de hele periode. Zo is de stijging van 1952 tot 2002 gemiddeld 2,52%, maar in de periode 1970-2002 is er dan weer een terugval merkbaar (gemiddeld 2,01%) en van 1980 tot 2002 is de groei zelfs maar 1,55%.[8]
Het is duidelijk dat de jaren ’60 symbool stonden voor een productiviteitsboom. De lagere productiviteit van de laatste jaren ligt deels aan de toename van de deeltijdse arbeid.[9]
Sinds lang neemt het Federaal Planbureau 2 scenario’s in acht voor de verdere ontwikkeling van de productiviteitgroei per tewerkgestelde. Namelijk een groei van 2,25% op lange termijn en een groei van 1,75%.[10] De wet die de oprichting van het Zilverfonds gebiedt, maant de Studiecommissie voor de vergrijzing aan tot voorzichtigheid in de ramingen, en algemeen wordt dan ook door de commissie uitgegaan van het meest voorzichtige scenario van 1,75%.[11] Toch lezen we in de door het Federaal Planbureau opgestelde rapport: ‘Verkenning van de Financiële Evolutie, van de Sociale Zekerheid, 2000-2050. De Vergrijzing en de Leefbaarheid van Het Wettelijk Pensioensysteem’, dat deze organisatie zelf de 1,75% als het alternatief scenario neemt en de 2,25% als referentiescenario, omdat de 2,25%-prognose, rekening houdend met de beperkingen van het arbeidsaanbod, het best overeenstemt met de productiviteitsgroei zoals die bekend is van de langst bekende periode 1820-2000.[12]
2.1.2 De hypothese rond de structurele werkloosheid op lange termijn.
De ramingen van de structurele werkloosheidsgraad zijn eerder broos, en ze lijken te tenderen naargelang de werkloosheidsgraad. De Studiecommissie voor de Vergrijzing hanteerde tot 2004 een cijfer van 7,3% structurele werkloosheid op de lange termijn. Sinds 2004 is dit cijfer geactualiseerd, wat resulteert in een lichte stijging tot 7,5% van de beroepsbevolking.[13]
Het Planbureau baseert zich op de officiële definitie van de Federale Overheidsdienst voor Tewerkstelling en Arbeid. Achteromkijkend, constateren ze dat er in de periode 1952-2002 een structurele werkloosheidsgraad van 7,2% gold. In de periode 1952-1978 was de werkloosheidsgraad heel wat lager, daarna veel hoger. Verwacht wordt dat de geanticipeerde daling van de beroepsbevolking ertoe zal bijdragen dat de werkloosheidsgraad vanaf 2010 ook zal dalen. Met al deze factoren rekening houdend, komt het Federaal Planbureau uit op een prognose van 7,6% structurele werkloosheid op de langere termijn, hetgeen dicht in de buurt ligt van de raming van de Studiecommissie voor de Vergrijzing. Dit lijkt een voluntaristisch cijfer, gezien de huidige hoge werkloosheidsgraad, maar is in historisch perspectief gezien zeker niet onhaalbaar, mits een actief werkgelegenheidsbeleid.[14]
2.1.3. De hypothese rond het sociaal beleid.
Een van de meest onzekere factoren in de verschillende projecties totnogtoe, is het sociaal beleid. Dit is immers erg afhankelijk van de verschillende politieke voorkeuren van de aan de macht zijnde partijen. Desondanks houdt de Studiecommissie voor de vergrijzing rekening met een jaarlijkse welvaartsaanpassing van de pensioenen en de sociale uitkeringen van 0,5%. Uit het verleden (periode 1956-2002) blijkt dat de jaarlijks toegekende welvaartsaanpassingen gemiddeld 1,75% lager liggen dan de productiviteitsgroei of de reële loonstijging, wat gezien de 1,75% hypothese die de commissie hanteert voor de productiviteitsgroei, zou neerkomen op een gemiddelde nul-welvaartsaanpassing. [15]
De commissie acht het echter weinig waarschijnlijk dat er geen enkele welvaartsaanpassing zal plaatsvinden. In een verouderende samenleving met een stijgende levensverwachting, zal het electoraal gewicht van de gepensioneerden aanzienlijker worden. Het is daarom dat men rekening houdt met een beperkte welvaartsaanpassing en dat men de 0,5%-hypothese hanteert.[16] Na de maatregelen die de regering Verhofstadt II had genomen in het kader van het Generatiepact, betreffende de welvaartsaanpassing van de sociale uitkeringen en de verhoging van de loongrenzen, heeft de commissie het scenario zonder welvaartsaanpassing van de uitkeringen verlaten. Door de maatregelen in het Generatiepact werd de historisch geobserveerde loskoppeling tussen welvaartsaanpassing en loongroei immers structureel verminderd.[17]
2.2. De macro-economische prognose van de vergrijzing.
2.2.1. De werkgelegenheidsgraad.
Uit de samenvoeging van de twee belangrijkste basishypothesen over de productiviteitstoename en de structurele werkloosheid, berekent de Studiecommissie voor de vergrijzing dat de totale werkgelegenheidsgraad matig zal toenemen.[18] Het federaal planbureau komt dan weer tot de conclusie dat de projectie van de hypothesen tot een gemiddelde nulgroei van de werkgelegenheid over de hele projectieperiode (2000-2050) zal leiden, wat overeenkomt met de voorbije gemiddelde groei van de Belgische economie tijdens de langst bekende periode.[19]
2.2.2. De BBP-groei per hoofd van de bevolking.