Homerische invloeden in de Koninklijke tombes te Vergina? (Catharina Boullart)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

POLEMIEK ROND DE IDENTITEIT VAN DE PERSONEN, BEGRAVEN IN DE KONINKLIJKE TOMBES TE VERGINA

 

(1) Inleiding:

 

 De grootste en heftigste discussie draait uiteraard rond de identiteit van de persoon voor wie Tombe II gebouwd werd.

 M. Andronicos ontdekte de site in 1977 en formuleerde zijn oorspronkelijke visie over de identiteit van de dode als volgt: "Basing my judgement on firm archaeological evidence, I believe I have the right to claim this tomb as that of Philip II" [48]. Waaruit zijn archeologisch bewijsmateriaal bestaat, komt verder in dit hoofdstuk uitvoerig aan bod.

 Men had dus waarschijnlijk met een grootse vondst te maken: de laatste rustplaats van een machtig koning van Macedonië en de vader van Alexander de Grote. Elke archeoloog zal er in zijn wildste fantasieën wel van dromen iets dergelijks bloot te leggen.

 Wanneer ik nu de literatuur hieromtrent doorneem, krijg ik de indruk dat een aantal vorsers op deze identiteitsproblematiek gesprongen zijn en alle mogelijke moeite van de wereld doen om te kunnen ontkennen dat het gaat om de man die Griekenland als zodanig voor het eerst verenigde.

 In 1980 publiceerde P.W. Lehmann in "The American Journal of Archaeology" het artikel "The so-called tomb of Philip II: a different interpretation", waarin zij, zoals blijkt uit de titel, de identificatie met Philippos II betwist. Ook haar argumenten zullen verder behandeld worden. Een jaar later verschijnt op dit artikel in hetzelfde tijdschrift een dubbel antwoord. E.A. Fredericksmeyer (Again the so-called tomb of Philip II) en W.M. Calder III (Diadem and barrel-vault: a note) vestigen de aandacht op enkele onhoudbare argumenten (zie ook verder in dit hoofdstuk) in haar betoog. "The American Journal of Archaeology" van het jaar 1982 bevat "The so-called tomb of Philip II: an addendum", waarin P.W. Lehmann haar stelling herhaalt. In 1983 ten slotte hernemen op hun beurt dezelfde twee auteurs hun standpunt in de respectievelijke artikels "Once more the diadem and barrel-vault at Vergina" en "Golden diadems again".

 Ietwat bitter reageerde M. Andronicos op de ontstane polemiek: "In spite of my original statement that the most important aspect was not the identity of the deceased but the finds themselves, the interest of many scholars has concentrated on the former" [49]. Het is een feit dat het overgrote deel van de literatuur over de tombes te Vergina het probleem van de identificatie behandelt.

 

(2) Philippos II versus Philippos III Arrhidaios:

 

 Naast de theorie dat het zou gaan om Philippos II is er een andere die opteert voor Philippos III Arrhidaios. Deze laatste was een zoon van Philippos II en een oudere halfbroer van Alexander de Grote. P.W. Lehmann schetst de historische situatie als volgt. Voor de herkomst van haar bronnen verwijs ik naar "The so-called tomb of Philip II: a different interpretation", American Journal of Archaeology 84, 1980, p. 529-530.

 Toen Philippos II vermoord werd, kwam Alexander de Grote aan de macht in plaats van Arrhidaios die door een ziekte niet geschikt was voor een militaire carrière. Na de dood van Alexander de Grote was het dan toch de beurt aan Arrhidaios die samen met de kort nadien geboren zoon van Alexander de Grote, Alexander IV, de heerschappij over Macedonië overnam. Hierbij nam Arrhidaios zijn vaders naam op in de zijne. Philippos III Arrhidaios huwde Adea, een kleindochter van Philippos II: zij nam de naam van Philippos II's moeder over en heette voortaan Eurydice. Zij werd door haar moeder in het krijgswezen opgeleid en stond in de plaats van de koning zelf aan het hoofd van de troepen. In 317 v. Chr. doodde Olympias, de moeder van Alexander de Grote, Philippos III Arrhidaios en pleegde Eurydice zelfmoord. Vervolgens regelde Cassander de moord op Olympias en werd hij zelf koning van Macedonië. Hij was het die Eurydice en Philippos III Arrhidaios begroef te Vergina, naar koninklijke gewoonte.

 P. Green[50] schrijft: "We must, I think, concede that Philip II and Cleopatra-Eurydice (zijn laatste vrouw), or, alternatively, Philip III Arrhidaios and Adea-Eurydice, are the only seriously viable candidates for the occupancy of tomb II and its antechamber". Er is inderdaad slechts sprake van twee kandidaten, maar dat betekent niet dat de zaak eenvoudig is. Het is niet uitzonderlijk dat dezelfde argumenten worden aangehaald om de beide alternatieven te staven, zoals leeftijd[51] en uiteraard geslacht. Sommige onderzoekers[52] zijn gelukkig zo breeddenkend om elementen uit de verschillende theorieën samen te brengen waar hen dat relevant toeschijnt. Er zijn argumenten gebaseerd op:

 

(a) archeologische interpretatie.

(b) medisch/ pathologisch onderzoek van de botresten:

(c) historische gronden.

 

 Om een beetje orde in de chaos te brengen, vat ik dit hoofdstuk op als het bijeen brengen van enerzijds de geformuleerde argumenten pro Philippos II (of contra Philippos III Arrhidaois) en anderzijds die voor Philippos III Arrhidaios (of tegen Philippos II). Afgezien van wat persoonlijk commentaar laat ik in het midden hoe de vork werkelijk in de steel zit. Ook W.R. Biers schrijft in 1992: "There is still no consensus of opinion as to who was buried in Tomb Two"[53].

 

(a) Philippos II:

 

(*) Skelet:

 

 (1) Schedel:

 

 De schedel vertoont een aantal afwijkingen die volgens J.H. Musgrave [54] niet uitsluitend het gevolg kunnen zijn van de effecten van het vuur bij de crematie. Voor gedetailleerde informatie over deze effecten verwijs ik naar "The skull from tomb II at Vergina: king Philip II of Macedon", The Journal of Hellenic Studies CIV, 1984, p. 61. Grosso modo komt het erop neer dat, volgens Musgrave's onderzoek[55], beenderen bij crematie weliswaar krimpen, zo'n 10 à 15 %, maar dit zeker niet op een asymmetrische wijze. Dit percentage wordt ook vermeld in F. Langenscheidt/ N.I. Xirotiris, "The cremations from the royal Macedonian tombs of Vergina", 1981, p. 145.

 F. Langenscheidt en N.I. Xirotiris [56] noteren in hun verslag over de menselijke resten uit tombe II te Vergina dat er geen aanduiding is van beschadiging of verandering van de beenderen ten gevolge van ziekte, noch van verwonding in de buurt van de rechteroogkas. Zij voegen er echter aan toe dat Philippos' blindheid alsook het feit dat hij kreupel was, niet noodzakelijkerwijze te zien zijn in de overgebleven beenderen. Ze ontkennen met andere woorden de identificatie niet op basis van hun antropologische onderzoekingen.

 J.H. Musgrave stelde onafhankelijk toch de volgende eigenaardigheden vast.

 

 (a) voorhoofd [57]:

 

 De bovenste rand van de oogkassen vertoont duidelijk een asymmetrie (figuur 22).

 

FIGUUR 22:

 

 

Voorhoofd:

 

 * Vergina, Tombe II, hoofdkamer, in gouden kist.

 * De pijl duidt het spoor van de wonde door een projectiel aan.

 

Archeologisch Museum Thessaloniki.

 

Herkomst afbeelding: Musgrave J.H., Neave R.A.H., Prag A.J.N.W., The skull from tomb II at Vergina: king Philip II of Macedon, J.H.S. CIV, 1984, plate II (b).

 

 

 J.H. Musgrave werkte met een reeks schedels die hij zelf verbrandde als vergelijkingsmateriaal zodat hij de effecten van het vuur kon nagaan. Bij deze proefschedels heeft zich ook een dergelijk fenomeen voorgedaan, maar het moet vermeld worden dat dit enkel het geval was op een exemplaar dat reeds beschadigd was. Dit betekent dat het vuur mogelijk de asymmetrie heeft geaccentueerd, maar dat dit slechts mogelijk was doordat er reeds vooraf sprake was van een verwonding.

 

 (b) jukbeen [58]:

 

 Volgens R.A.H. Neave [59] zijn er sporen van een genezen breuk op het rechterjukbeen.

 

 (c) bovenkaak[60]:

 

FIGUUR 23:

 

 

Linker- en rechterhelft van de bovenkaak, linker- en rechterjukbeen:

 

 * Vergina, Tombe II, hoofdkamer, in gouden kist.

 * De pijlen geven de asymmetrische curve van de zijkanten van de linker- en rechterhelft van de bovenkaak weer.

 

Archeologisch Museum Thessaloniki.

 

Herkomst afbeelding: Musgrave J.H., Neave R.A.H., Prag A.J.N.W., The skull from tomb II at Vergina: king Philip II of Macedon, J.H.S. CIV, 1984, plate II (c).

 

 De bovenkaak heeft een abnormale asymmetrie (figuur 23). De rechterkant is volgens J.H. Musgrave afwijkend, wat zou samenhangen met de verwonding aan het jukbeen waarover zonet sprake was.

 J.H. Musgrave en R.A.H. Neave beroepen zich erop hun onderzoek menigmaal te hebben herhaald alvorens de invloed van het vuur als minimaal te beschouwen.

 Vermoedelijk werden de rechterbovenkaak en het aansluitende jukbeen verwond op hetzelfde moment als het voorhoofd. Een aangeboren afwijking kan echter ook gedeeltelijk de oorzaak zijn van sommige anatomische bijzonderheden in de bovenkaak.

 

 (d) onderkaak[61]:

 

 De onderkaak vertoont zelfs meerdere anomalieën:

 (*) De hoogte van de gewrichtsknobbel (figuur 24 a, pijl 1), de processus coronoïdeus (pijl 2, dient voor de aanhechting van een spier[62]) en de incisura (pijl 3) zijn aan de rechterkant groter dan aan de linkerkant.

 

FIGUUR 24a:

 

 

Onderkaak:

 

 * Vergina, Tombe II, hoofdkamer, in gouden kist.

 * Pijl 1: linker gewrichtsknobbel.

 Pijl 2: linker processus coronoïdeus.

 Pijl 3: rechter incisura.

 

Archeologisch Museum Thessaloniki.

 

Herkomst afbeelding: Musgrave J.H., Neave R.A.H., Prag A.J.N.W., The skull from tomb II at Vergina: king Philip II of Macedon, J.H.S. CIV, 1984, plate II (d).

 

 (*) De rechterramus (de opstijgende tak aan de onderkaak[63]) is breder dan de linker. Bij de proefschedels was de krimping door crematie langs beide kanten gelijk: dat het vuur de linkerkant meer zou hebben aangetast, lijkt dus zeer onwaarschijnlijk.

 

 (*) De middenlijn tussen de linker- en de rechtersnijtanden is duidelijk naar rechts verschoven (figuur 24 b, kleine pijl). Ofwel is deze asymmetrie aangeboren, ofwel is ze in verband te brengen met de afwijking aan de bovenkaak.

 

FIGUUR 24b:

 

 

Onderkaak:

 

 * Vergina, Tombe II, hoofdkamer, in gouden kist.

 * Bovenaanzicht.

 * Kleine pijl: naar rechts verschoven middenlijn van de tanden. Grote pijl: neerwaartse beweging linker processus coronoïdeus.

 

Archeologisch Museum Thessaloniki.

 

Herkomst afbeelding: Musgrave J.H., Neave R.A.H., Prag A.J.N.W., The skull from tomb II at Vergina: king Philip II of Macedon, J.H.S. CIV, 1984, plate II (e).

 

 (*) De verdikking achteraan de linkerkant van de onderkaak (figuur 24 b, grote pijl) zou het gevolg zijn van een uitgesproken neerwaartse voortzetting van de voorste rand van de processus coronoïdeus.

 

 Volgens J.H. Musgrave[64] behoorde de schedel toe aan een man die zijn rechteroog verloor en misschien zware letsels opliep aan de rechterkant van zijn gelaat, zo'n 18 jaar voor zijn dood. De wonden waarvan de schedel getuigt, zijn gelijkaardig aan diegene waaraan Philippos II leed volgens de overlevering.

 

 (2) Tanden:

 

 Twee tanden die gevonden werden in de schitterende larnax (figuur 15) in de hoofdkamer van Tombe II werden door een antropoloog toegeschreven aan een man, ouder dan 32 jaar[65]. Philippos II was 46 toen hij vermoord werd.

 

 (3) Beenderen:

 

 In een recentere publikatie, waarvan de eerste druk dateert uit 1984[66], wordt zelfs vermeld dat het antropologische onderzoek van de beenderen voor de dode een leeftijd vooropstelt tussen 40 en 50 jaar. Dit resultaat vormt langs de ene kant nog steeds geen contradictie met de vorige stelling "ouder dan 32" en langs de andere kant benadert het Philippos' leeftijd dichter, namelijk 46 jaar.

 Elders[67] ziet men de leeftijd, afgeleid uit de beenderen, wel iets ruimer, namelijk tussen 35 en 55 jaar oud. Voor de manier waarop men een leeftijdsbepaling uitvoert, verwijs ik naar F. Langenscheidt/ N.I. Xirotiris, "The cremations from the royal Macedonian tombs of Vergina", 1981, p. 148-153.

 

(*) Gelaat:

 

 

Philippos II

* wassen model
* gereconstrueerd hoofd met haar, baard en huidskleur.
Herkomst afbeelding: foto verkregen van "The University of Manchester".

 

 (1) Reconstructie:

 

 Moderne technieken laten toe aan de hand van een schedel een aangezicht te reconstrueren dat dicht aanleunt bij het originele voorkomen van dit individu. Deze methode wordt ook door de politie aangewend ter identificatie van onbekende en reeds ontbonden lijken.

 Wat ons hier bijzonder interesseert, is het resultaat van deze techniek op de schedel uit Tombe II te Vergina, een onderzoek uitgevoerd door Dr. R.A.H. Neave, verbonden aan de Universiteit van Manchester.

 De manier van werken wordt uitvoerig beschreven in "The skull from tomb II at Vergina, king Philip II of Macedon", The Journal of Hellenic Studies CIV, 1984, p. 65-68.

 Zoals reeds vermeld zijn er sporen van een verwonding in de buurt van de rechteroogkas. De wonden moeten zich een aanzienlijke tijd voor de dood van het individu hebben voorgedaan en zijn vergelijkbaar met een wonde veroorzaakt door een projectiel dat langs boven inslaat. Onafhankelijk van de hoek waarin iets dergelijks gebeurd is, moet het rechteroog van ons personage hierdoor het zicht hebben verloren. Zonder twijfel liet het ongeluk ook een lelijk litteken na, zeker als we de toenmalige verzorgingsmogelijkheden in acht nemen. Een diepe snee moet diagonaal over het rechteroog gelopen hebben, zo valt af te leiden uit de sporen van de verwonding op de schedel zelf. Door te weinig of onaangepaste verzorging is het mogelijk dat, bij verlies van een oog, de oogkas volledig dichtgroeit en de oogleden deel uitmaken van deze natuurlijke genezing. Figuur 25 a toont het mogelijke effect van een dergelijk oogletsel. De reconstructie van het litteken gaat terug op een gelijkaardige wonde bij een Canadees houthakker. Hem overkwam het ongeluk 16 jaar tevoren (ongeveer hetzelfde interval als tussen de verwonding en de dood van ons personage) en zijn kwetsuur bleef verscheidene weken onverzorgd.

 Het is deze wonde die zo cruciaal is voor het herkennen van de schedel als zijnde die van Philippos II. Didymus Chalcenterus[68], een schrijver uit de 1ste eeuw v. Chr., merkt immers in zijn commentaren op Demosthenes op dat: "Het rechteroog van de koning werd uitgeschoten toen hij, tijdens het beleg van Methone, de belegeringswerktuigen en hun beschermende schilden inspecteerde" (Phil. XI 22). De slag bij Methone vond plaats in 354 v. Chr., 18 jaar voor Philippos II vermoord werd. Dit komt perfect overeen met de door de antropologen J.H. Musgrave[69] en R.A.H. Neave[70] vastgestelde periode tussen de verwonding en de dood van het individu in Tombe II te Vergina.

 De finale "aankleding" van het hoofd zoals te zien op figuur 25 berust op basis van gelijktijdigheid: het haar is verward als was het individu een dag gaan jagen (jachtfries op de gevel van tombe II, figuur 4 a+b ), een korte baard en snor werden toegevoegd in dezelfde stijl als die van de ivoren hoofdjes (onder andere figuur 5 c) die in de tombe gevonden zijn.

 De zonet behandelde reconstructie van het gelaat heeft een uitgesproken mannelijk resultaat, ondanks de eerder licht gebouwde schedel, maar volgens R.A.H. Neave[71] is een dergelijke combinatie geen uitzondering.

 E. Mitropoulou echter, die duidelijk de identificatie met Philippos II tegenspreekt, noteert in "The origin and significance of the Vergina symbol", Ancient Macedonia, fifth international symposium, volume 2, p. 947, dat E.N. Borza in 1981 de stelling geformuleerd heeft dat de resultaten van het antropologische onderzoek niet bruikbaar zijn omdat de gecremeerde resten gekrompen zijn en aldus moeilijk om mee te werken. E. Mitropoulou concludeert daaruit het volgende: "So it is better to forget Andronikos' and anthropologists' arguments about the bones". Het is niet mijn bedoeling enige partijdigheid te laten gelden: ik wil enkel aan de hand van de beschikbare informatie voor mezelf tot een standpunt komen, zij het dan onder voorbehoud, maar deze uitspraak van E. Mitropoulou vind ik wel kras. Ten eerste kan, naar mijn idee, E.N. Borza in 1981 wel van mening zijn dat er met de beenderen van Tombe II niets aan te vangen is, maar dat alleen wil nog niet zeggen dat de onderzoeksresultaten van J.H. Musgrave en R.A.H. Neave[72], gepubliceerd in 1984, waardeloos zijn. Daarenboven, en dat stoort me toch wel het meest, rept E. Mitropoulou in 1993 met geen woord over de gelaatsreconstructie die er overigens reeds in 1984 was. Ik kan me moeilijk indenken dat gerenommeerde antropologen ( J.H. Musgrave wordt ook door I. Morris[73] aangehaald) zich met materiaal zouden bezighouden dat niet bruikbaar is en dat ze er bovendien de nieuwste technieken op zouden toepassen. Aanvullend wil ik ook vermelden dat E. Mitropoulou de antropologen F. Langenscheidt en N.I. Xirotiris[74] citeert wanneer die schrijven dat de geslachtsbepaling "somewhat difficult" is. Drie bladzijden verder echter noteren diezelfde onderzoekers[75], en nu citeer ik: " We tend to evaluate more the morphological characteristics which point toward masculine sex rather than the apparent feminine gracility of the skeleton. With high probability the cremated remains from the main chamber of tomb II are those of a male individual." Hiermee zijn ze overigens dezelfde mening toegedaan als R.A.H. Neave, namelijk dat een licht gebouwde schedel niet noodzakelijkerwijze een aanwijzing is voor het vrouwelijke geslacht.

 De techniek van de geslachtsbepaling wordt behandeld in F. Langenscheidt/ N.I. Xirotiris, "The cremations from the royal Macedonian tombs of Vergina", 1981, p. 145-148.

 

 (2) Vergelijkingsmateriaal:

 

 A.J.N.W. Prag[76] past de bevindingen van zijn collega R.A.H. Neave[77] toe op de portretten die gekend zijn van enerzijds Philippos II en anderzijds Philippos III Arrhidaios, in een poging tot identificatie te komen.

 

 (a) Philippos III Arrhidaios:

 

 De munten waarop Philippos III Arrhidaios afgebeeld staat, leveren ons weinig op wat zijn uiterlijk betreft doordat de vorsten na Alexander de Grote met opmerkelijk weinig individualiteit werden afgebeeld. De portretten zijn eerder een combinatie van Alexanders uiterlijk, goddelijke iconografie en realiteit[78].

 Ander portretmateriaal van Philippos III Arrhidaios is eveneens beperkt, maar een aantal exemplaren kunnen wel worden aangehaald. In hoeverre men zich echter aan de hand van deze voorbeelden een idee kan vormen van Philippos III Arrhidaios' verschijning is nog zeer de vraag, want de uitbeeldingen zijn alles behalve gelijkend.

 

 (*) Marmeren hoofd uit Napels: (Figuur 26)

 

 

FIGUUR 26:

 

 

Philippos III Arrhidaios?

 

 * Marmer.

 

Museo Nazionale Napoli: Nr. 187 (138).

 

"originele foto verkregen van het Ministero per i Beni e le Attività Culturali, Soprintendenza per i Beni Archeologici delle province di Napoli e Caserta."

 

 Voor de identificatie zie V. Von Graeve, "Zum Herrscherbild Philipps II und Philipps III von Makedonien", Archäologische Anzeiger 1973, p. 256-258.

 De figuur heeft een weke, vlezige mond en kin, een nogal puntige neus en zware wenkbrauwen.

 

 (*) Alexander sarcofaag[79]: (Figuur 27, pijl)

 

FIGUUR 27:

 

 

Alexandersarcofaag:

 

 * Gevelveld.

 

Herkomst afbeelding: Von Graeve V., Zum Herrscherbild Philipps II und Philipps III, A.A. 1973, p. 259, abb. 24.

 

 De neus en de wenkbrauwen zijn rechter en het hoofd vierkanter dan bij het hoofd van Napels.

 

 (*) Eén van de vijf ivoren hoofdjes uit de tombe te Vergina zelf zou volgens A.M.P. Giallombardo en B. Tripodi[80] eveneens Philippos III Arrhidaios voorstellen. Maar, zo schrijft A.J.N.W. Prag[81], deze identificatie is gebaseerd op de stelling dat het individu, begraven in Tombe II te Vergina, Philippos III Arrhidaios ìs.

 

 Veel valt er over Philippos III Arrhidaios' uiterlijk uit de afbeeldingen niet te distilleren. Er kan hoogstens sprake zijn van misschien een lange, lichte haakneus[82].

 

 (b) Philippos II:

 

 Ik beperk me wat de bespreking van de voorbeelden betreft tot de beschrijving van die aspecten die rechtstreeks te maken hebben met het gelaat. Voor meer gedetailleerde informatie kan men terecht bij de publikaties waarnaar verwezen wordt in de tekst en de bijbehorende voetnoten.

 

 (*) Kapsa-munt[83]: (Figuur 28)

 

FIGUUR 28:

 

 

Munt:

 

 * Kapsa.

 * Zilver.

 * Beeltenis Philippos II.

 

Privé-verzameling:

 

 * Foto door Dr. M.J. Price.

 

Herkomst afbeelding: Musgrave J.H., Neave R.A.H., Prag A.J.N.W., The skull from tomb II at Vergina: king Philip II of Macedon, J.H.S. CIV, 1984, plate VI (a).

 

 We zien het rechterprofiel van een man met een vierkant hoofd, diepliggende ogen en vlezige gelaatstrekken. De neus is recht en de kin smal.

 Belangrijk is het litteken dat zichtbaar is aan het rechteroog.

 

 (*) Tarsus-medaillon[84]: (Figuur 29)

 

FIGUUR 29:

 

 

Medaillon:

 

 * Tarsus.

 * Goud.

 * Beeltenis Philippos II (detail).

 

Bibliothèque Nationale Paris.

 

Herkomst afbeelding: Musgrave J.H., Neave R.A.H., Prag A.J.N.W., The skull from tomb II at Vergina: king Philip II of Macedon, J.H.S. CIV, 1984, plate VI (c).

 

 Afgebeeld is een zwaar gebouwd persoon met een vierkant hoofd en een dikke nek met opmerkelijke adamsappel.

 Volgens A.J.N.W. Prag[85] zien we hier geen litteken omdat ons het linkerprofiel wordt getoond. Sterker nog: men mag zelfs stellen dat het linkerprofiel getoond wordt om het litteken aan de rechterkant te verbergen. De afbeelding van het linkerprofiel ondersteunt met andere woorden de identificatie met Philippos II.

 

 (*) "Alcibiades" hoofdtype[86]: (Figuur 30)

 

FIGUUR 30:

 

 

Philippos II:

 

 * "Alcibiades" hoofdtype.

 

Kopenhagen, Ny Carlsberg Glyptothek.

 

Herkomst afbeelding: Von Graeve V., Zum Herrscherbild Philipps II und Philipps III, A.A. 1973, p. 245, abb. 4.

 

 Dit is een eerder klassiek geïdealiseerde weergave en dus minder waardevol voor de bepaling van het werkelijke uitzicht van de persoon.

 (*) Marmeren hoofd uit Kopenhagen[87]: (Figuur 31 a)

 

FIGUUR 31a:

 

 

Philippos II:

 

 * Rome?

 * Griekse marmer.

 * Herme: vooraanzicht.

 * Hoogte: 0,34 m.

 

Kopenhagen, Ny Carlsberg Glyptothek: Nr. 2466.

 

 * Verworven in 1909.

 * Foto van het museum.

 

Herkomst afbeelding: Musgrave J.H., Neave R.A.H., Prag A.J.N.W., The skull from tomb II at Vergina: king Philip II of Macedon, J.H.S CIV, 1984, plate VI (d).

 

 Harde, hoge jukbeenderen en een vooruitgestoken kin.

 Van belang is het lichte verschil in de weergave van de beide ogen.

 

 (*) Ivoren portretkopje uit de tombe te Vergina[88] zelf: (Figuur 5 c)

 

FIGUUR 5c:

 

 

Philippos II:

 

 * Vergina, Tombe II, hoofdkamer.

 * Ivoor.

 * Miniatuurhoofdje dat mogelijk een onderdeel was van het rustbed.

 * Hoogte: 0,032 m, maximale breedte: 0,021m, dikte: 0,017m.

 * 350-325 v. Chr.

 

Archeologisch Museum Thessaloniki: Nr. 11.

 

Herkomst afbeelding: Andronicos M., Vergina, the royal tombs and the ancient city, Ekdotike Athenon S.A., Athens 1993, fig. 81, p. 127.

 

 Dit hoofdje is slechts 0,032 m hoog en stelt een volwassen, bebaarde man voor, waarvan M. Andronicos[89] de leeftijd schat op 40 à 45 jaar. In M. Andronicos' beschrijving is er ook sprake van kracht en vastberadenheid naast onderdrukte tekenen van uitputting. Meer concreet moeten we opmerken dat het gelaat een geprononceerde haakneus bevat alsook het zeer belangrijke gegeven dat het linkeroog nauwer en levendiger schijnt dan het rechteroog dat meer open lijkt te zijn en een blinde indruk maakt. Daarenboven is in de rechterwenkbrauw een litteken op te merken.

 Eventueel kan er sprake zijn van een onevenwichtige opbouw van de twee jukbeenderen[90].

 

 (*) Marmeren hoofd uit Chicago: (Figuur 32)

 

FIGUUR 32:

 

 

Philippos II:

 

 * Marmer.

 

Chicago, Field Museum of Natural History: Nr. 26749.

 

 * Foto van het museum.

 

Herkomst afbeelding: Musgrave J.H., Neave R.A.H., Prag A.J.N.W., The skull from tomb II at Vergina: king Philip II of Macedon, J.H.S. CIV, 1984, plate VII (c).

 

 We zien een persoon met een dikke nek, een zwaar, vlezig aangezicht en een vierkantig hoofd met diepliggende ogen. De kin schijnt vooruitgestoken te hebben. De kop toont eveneens een kort geknipte baard.

 Volgens A. Oikonomides[91] duidt het onregelmatige rechteroog op de wonde die Philippos II had opgelopen.

 

 Voor Philippos II beschikken we over meer gegevens: een vierkantig aangezicht, dat mogelijk asymmetrisch was, met zware gelaatstrekken, een opvallende adamsappel en een haakneus. Het rechteroog is blind en de rechterwenkbrauw is door een litteken doorsneden.

 

 (c) Vergelijking:

 

 Bekijken we nu opnieuw figuur 25 a alsook het profiel van het gereconstrueerde hoofd (figuur 25 b), dan stellen we vast dat er inderdaad sprake is van een haakneus, en zelfs geen lichte, een duidelijk zichtbare adamsappel en, volgens mij het meest cruciale bewijs voor de identificatie met Philippos II, een litteken aan het rechteroog.

 

(*) Chronologie:

 

 Om te beginnen moet ik meedelen dat de data die ik in het platenalbum bij de verschillende voorwerpen genoteerd heb voornamelijk afkomstig zijn uit M. Andronicos' boek "Vergina: the royal tombs and the ancient city", Ekdotike Athenon S.A., Athens, 1993, eenvoudigweg omdat ook de meeste prenten uit deze rijk geïllustreerde publikatie afkomstig zijn. De lezer zou er in verband met dit cijfermateriaal rekening mee moeten houden dat op het vlak van de chronologie, zoals hij nog zal merken bij de verdere lectuur van deze scriptie, heel wat onenigheden bestaan. De exacte jaartallen, vermeld in het platenalbum, zijn dus niet als absoluut zeker te beschouwen.

 Het geheel kan volgens M. Andronicos[92] gedateerd worden tussen 350 en 325 v. Chr. Men steunt hierbij op potscherven, de vondst van de resten van een brandstapel en ook op de tombes zelf.

Op basis van de datering van verschillende voorwerpen als wapens, vazen, sculptuur en dergelijke beweert M. Andronicos[93] dat een datum rond 340 v. Chr. verwacht mag worden.

 Door de pracht en de praal van de vondsten die in Tombe II werden aangetroffen, bestaat er geen onenigheid over de interpretatie van de tombe als zijnde koninklijk.

 Philippos II werd vermoord in 336 v. Chr. en binnen het gestelde interval is hij de enige Macedonische koning die stierf en begraven werd in Aigeai, volgens de literaire traditie[94]. Voor de identificatie van Vergina met het antieke Aigeai door N.G.L. Hammond met wat extra informatie zie G. Huxley, "Baanes the Notary on "Old Edessa" ", Greek, Roman and Byzantine Studies 24, 1983, p. 253-257.

 

 Het is eveneens interessant een blik te werpen op de muurschildering van het fries (figuur 4 a+b) op de voorgevel van Tombe II. Deze jachtscène zou een voorloper kunnen zijn van het prototype van de mozaïek van Napels (figuur 33).

 

FIGUUR 33:

 

 

Mozaïek:

 

 * Pompeï.

 * Slag van Alexander, detail.

 

Napoli, Museo Nazionale.

 

Herkomst afbeelding: Childs B. (ed.), The search for Alexander: an exhibition, Boston 1980, fig. 14, p. 31.

 

De vorsers zijn het erover eens dat dit prototype van de beroemde Alexandermozaïek gedateerd moet worden rond 317 v. Chr. Kunsthistorisch gezien is het jachtfries[95] te Vergina wel analoog hieraan, maar technisch is het minder hoogstaand zodat een vroegere datering voor de hand ligt. In dit verband maakt P.W. Lehmann[96] "a final comment", namelijk dat Plinius de Oudere vermeldt dat Philoxenos van Eretria een schildering maakte over het gevecht tussen Alexander en Darius voor niemand minder dan koning Cassander (Naturalis Historiae 35.36.110). Haar formulering als ware het een retorische vraag doet me alleen verwonderd opmerken dat dit inderdaad perfect klopt met de algemeen aanvaarde datering rond 317 v. Chr., maar dat het geen afbreuk doet aan de vroegere datering van het jachtfries te Vergina op stilistische basis. Met andere woorden, ik begrijp de functie van deze opmerking in Lehmanns argumentatie pro Philippos III Arrhidaios niet.

 

 

FIGUUR 17a:

 

 

Gorytus:

 

 * Vergina, Tombe II, voorkamer.

 * Verguld zilver.

* Koker voor pijl en boog.

* Maximale hoogte: 0,465 m, breedte: 0,255 m, basisbreedte: 0,19 m.

* 350-325 v. Chr.

 

Archeologisch Museum Thessaloniki: Nr. 3.

 

Herkomst afbeelding: Vokotopoulo J. (ed.), La civilisation grecque: Macédoine Royaume d'Alexandre le Grand, Ministère de la culture de Grèce, ICOM-Comité national hellénique, Athènes 1993, nr. 259, p. 221.

 

 De gouden gorytus (figuur 17 a) ten slotte wordt gedateerd rond het midden van de 4de E. v. Chr. en dat komt overeen met de soortgelijke Scythische exemplaren, gevonden in Rusland. M. Andronicos werkt deze overeenkomsten uit in "Vergina: the royal tombs and the ancient city", Ekdotike Athenon S.A., Athens, 1993, p. 181-186. Losstaand hiervan vond ik een voorbeeld in L. Galanina/ N. Grach/ B. Piotrovsky, "Scythian art", Phaidon Oxford, Aurora Leningrad, 1987, fig. 224-225. De hier afgebeelde gouden gorytusbedekking is gedateerd in het laatste kwart van de 4de eeuw v. Chr., meet 27,3 x 46,8 cm en werd in 1863 opgegraven uit de Chertomlyk-heuvel in de toenmalige Yekaterinoslav Provincie. Het voorwerp bevindt zich nu in de Hermitage, St. Petersburg. Het heeft volledig dezelfde vorm als ons exemplaar van Vergina, waarvan de gedetailleerde beschrijving volgt in hoofdstuk VI. De figuratieve en meer abstracte versieringsbanden bevinden zich bij de beide voorwerpen precies op dezelfde plaats en hebben zelfs dezelfde verhoudingen. Ook begint in de twee gevallen de uitbeelding van het verhaal rechts op de middenstrook en loopt ze op het bovenste pand in de tegenovergestelde richting verder. Enkel het onderwerp is verschillend: te Vergina staan er oorlogstaferelen afgebeeld, terwijl het Scythische exemplaar ons scènes uit het leven van Achilles toont. Dat wijst overigens eveneens op Griekse invloed bij de Scythen, net zo goed als omgekeerd. De Scythische geschiedenis, die beschreven staat op p. 12-15 in het hierboven vermelde boek over Scythische kunst, kende inderdaad menig contact met de Grieken. Wat ons in het kader van dit onderzoek het meest aanbelangt, is de gewapende confrontatie in 339 v. Chr. van de Scythische koning Atheas met Philippos II van Macedonië[97].

 Voor een gedetailleerd overzicht van de datering van de tombes te Vergina zie M. Andronicos, "Vergina the royal tombs and the ancient city", Ekdotike Athenon S.A., Athens, 1993, p. 221-224.

 

(*) Vondsten:

 

 (1) Beenplaten: (Figuur 20)

 

 

FIGUUR 20:

 

 

Beenplaten:

 

* Vergina, Tombe II, voorkamer, naast gorytus tegen marmeren deur naar hoofdkamer.

* Verguld brons.

 * 3,5 cm verschil in hoogte.

 * Rechter; hoogte: 0,415 m, maximale breedte: 0,097m.

 Linker; hoogte: 0,38 m, maximale breedte: 0,09 m.

* 350-325 v. Chr.

 

Archeologisch Museum Thessaloniki: Nr. 2.

 

Herkomst afbeelding: Andronicos M., Vergina, the royal tombs and the ancient city, Ekdotike Athenon S.A., Athens 1993, fig. 150, p. 187.

 

 De beide exemplaren zijn niet gelijk qua grootte en vorm. De ene beenplaat is smaller dan de andere en wat de lengte betreft, verschillen ze zo'n 3,5 cm[98].

 M. Andronicos[99] onderscheidt drie mogelijke verklaringen hiervoor:

 

 (a) Verschillende antieke auteurs vermelden dat Philippos II kreupel was. Justin en Plutarchus[100] schrijven dit toe aan een ernstige wonde in de dij die hem toegebracht werd door een speer tijdens de aanval op de Triballoi, een Thrakische stam, in 339 v. Chr. De beenplaten zouden aangepast zijn aan het verschillend bewegen van de beide benen als gevolg van deze verwonding.

 (b) De beenplaten werden gedragen wanneer men met pijl en boog ging schieten. Aangezien men daarbij knielde, was een verschillende uitvoering van de beenplaten vereist.

 Een dergelijke verklaring lijkt me ver gezocht. Mogelijk is hiermee wel de verschillende lengte van de beenplaten verklaard, maar ik zie persoonlijk niet in waarom het ene exemplaar ook smaller zou moeten zijn dan het andere, terwijl dat in het vorige geval eventueel wel kan doordat de spieren in het ene been niet meer zo ontwikkeld zijn als in het andere ten gevolge van de verwonding.

 

 (c) De eigenaar van de beenplaten had van nature ongelijke benen. A.J.N.W. Prag vermeldt in "The skull from tomb II at Vergina: king Philip II of Macedon", The Journal of Hellenic Studies CIV, 1984, p. 76, voetnoot 43, dat onderzoek op de bewuste beenderen nog niet verricht is, en in de literatuur over dit onderwerp heb ik hierover in latere publikaties niets meer vernomen.

 

 Over deze beenplaten merkt P.W. Lehmann[101] op dat de vondst zich situeerde in de voorkamer en niet in de hoofdkamer waar zich volgens haar waarschijnlijk de wapens van de koning bevonden. M. Andronicos heeft de wapens in de beide vertrekken allemaal aan de koning toegeschreven, voegt ze er enigszins beschuldigend aan toe. M. Andronicos[102] zelf beschouwt het verschil tussen de beenplaten op zich niet als een beslissende factor, maar hij laat zich toch terloops ontvallen dat "It remains unexplained and unresolved by these who reject the tomb's attribution to Philip II". In mijn onderzoek ben ik echter wel op een verklaring gestoten van de hand van E. Mitropoulou die in de argumentatie bijzonder sceptisch is tegenover de identificatie met Philippos II. Op basis van vergelijkingen met beenplaten gevonden te Derveni, die ook van een verschillend formaat waren, stelt E. Mitropoulou[103] dat het mogelijk de gewoonte was edellieden te begraven met een ceremonieel paar beenplaten waarvan één exemplaar stamde uit de adolescentie van de overledene en het andere uit zijn volwassenheid. Vandaar, zo voegt de auteur er aan toe, dat in Tombe III, waarin een persoon begraven ligt die nog tijdens de adolescentie gestorven is, de beenplaten geen noemenswaardige verschillen vertonen. Als dit correct is dan kunnen de beenplaten niet meer gelden als mogelijk bewijsmateriaal voor de identificatie met Philippos II, maar ook niet ertegen.

 N.G.L. Hammond[104] heeft een dubbele verklaring voor de ongelijke beenplaten, en meerbepaald voor hun aanwezigheid in de voorkamer.

 

 (a) Aangezien de hoofdkamer reeds gesloten was, werden sommige grafgiften voor de koning noodgedwongen in de voorkamer geplaatst. E.N. Borza[105] merkte op dat de beenplaten en de gorytus (figuur 17 a) de enige objecten waren die ontbraken in de ceremoniële wapenrusting uit de hoofdkamer.

 

 (b) In "The search for Alexander, an exhibition", Boston, 1980, p. 182, beschrijft men deze beenplaten en geeft men het commentaar dat het linkerbeen van de eigenaar korter en zwakker moet geweest zijn dan het rechter. Het probleem is nu echter dat Philippos II gewond was aan het rechterbeen. Misschien, zo schrijft N.G.L. Hammond, werd per ongeluk in de voorkamer één beenplaat van de koning en één beenplaat van de krijger-koningin geplaatst. Een dergelijke uitspraak lijkt me echter te zijn ontsproten aan een wanhopige poging alsnog een verklaring voor het fenomeen te kunnen poneren, terwille van de verklaring. Het lijkt me verstandiger in zo'n geval toe te geven geen antwoord te hebben op de gestelde vraag. E. Mitropoulou's gelijkaardige verklaring is dan heel wat acceptabeler.

 Als de beenplaten behoren aan Philippos II (en er geen sprake is van het door E. Mitropoulou verondersteld ceremoniële gebruik twee beenplaten van verschillende paren bij te zetten), redeneert P. Green[106], dan moet hij onafhankelijk van al zijn verwondingen op de koop toe nog een aangeboren, misvormd linkerbeen gehad hebben. Uit voetnoot 18 van "The royal tombs of Vergina: a historical analysis", Philip II, Alexander the Great and the Macedonian heritage, Washington, 1982, p. 136, blijkt dat het niet onmogelijk is dat Philippos II aan kinderverlamming zou hebben geleden. Het is wel zo dat we hierover niets terugvinden in de overgebleven literaire bronnen. Mijn eerste reactie was er één van ongeloof. De normale gang van zaken binnen het Macedonische koningshuis was immers dat de koningszoon zijn vader zou opvolgen en met een dergelijk vooruitzicht lijkt het onwaarschijnlijk dat er met geen enkel woord gerept wordt over het op zijn minst zorgwekkend te noemen feit dat een toekomstige koning getroffen werd door polio. Bij nader onderzoek beschouw ik deze theorie toch wel als aanvaardbaar om twee redenen:

 

 (*) Het zou onjuist zijn te besluiten dat er nooit over geschreven werd omdat we er niets van terugvinden. Men mag niet vergeten dat de geschreven bronnen onderhevig zijn aan een accidentele selectie en bewaring en dat wat tot ons komt louter door het toeval wordt bepaald.

 

 (*) Daarenboven acht ik het zelfs mogelijk dat Philippos II inderdaad aan kinderverlamming heeft geleden zonder dat men zich daarover aan het hof publiekelijk druk zou hebben gemaakt. Reeds in hoofdstuk III, de inleiding, bracht ik de opvolging van Amyntas III ter sprake. Philippos II was de jongste van drie zonen en werd slechts koning door de vroegtijdige dood van zijn beide broers. Zijn heerschappij lag met andere woorden niet direct in de lijn der verwachtingen en men behoefde zich dan ook geen zorgen te maken over Philippos II's gezondheidstoestand, althans niet om politieke redenen.

 Deze lijn kunnen we zelfs doortrekken naar Philippos III Arrhidaios. Deze was wel de oudste, nog niet gestorven zoon van Philippos II en in de overgebleven teksten is er over hem wel sprake van een ziekte waardoor niet hij, de oudste, zoals het de gewoonte was, maar zijn jongere halfbroer Alexander III Philippos II opvolgde.

 

 P.W. Lehmann[107] ziet het verband niet tussen een wonde in de dij en een verschil in lengte en vorm van benen en beenplaten. Wat de benen betreft, kan ik het met haar eens zijn, aangezien Philippos II de verwonding in de dij slechts drie jaar voor zijn dood op 46-jarige leeftijd opliep. Benen van verschillende lengte komen volgens mijn medische kennis enkel voor wanneer er zich onregelmatigheden voordoen op een moment dat het personage zich nog in de groeifase bevindt, zodat die eventueel gestopt wordt voor het ene, maar niet voor het andere been. Voor haar opmerking met betrekking tot de beenplaten zelf lijkt me M. Andronicos' verklaring dat de verschillen nodig waren voor het anders bewegen van de beide benen wel aanneembaar, wat niet wil zeggen dat ik deze theorie verkies boven de vele andere die zonet ter sprake kwamen, wel integendeel.

 W.L. Adams[108] ten slotte acht het lengteverschil tussen de beenplaten niet zo belangrijk en ik citeer: "Since most people have slightly differing proportions from one side to the other, the shorter greave would not necessarily be a major point"; 3,5 cm kan ik echter nauwelijks "slightly" verschillend noemen.

 

 (2) Zeef[109]: (Figuur 11 a)

 

FIGUUR 11a:

 

 

Zeefje:

 

 * Vergina, Tombe II, hoofdkamer.

 * Zilver.

 * 171,45 gr.

 * 350-325 v. Chr.

 

Archeologisch Museum Thessaloniki.

 

Herkomst afbeelding: Andronicos M., Vergina, the royal tombs and the ancient city, Ekdotike Athenon S.A., Athens 1993, fig. 108, p. 148.

 

 Op de onderkant van de rand staat, zoals reeds vermeld, de volgende inscriptie: ( figuur 11 b). is de genitief van de naam Machatas en Philippos II had een schoonbroer die zo heette en deel uitmaakte van het Macedonische koningshuis.

 

FIGUUR 11b:

 

 

Inscriptie:

 

 * Vergina, Tombe II, hoofdkamer.

 * Op zilveren zeefje.

 * 350-325 v. Chr.

 

Archeologisch Museum Thessaloniki.

 

Herkomst afbeelding: Andronicos M., Vergina, the royal graves in the Great Tumulus, A.A.A. X, 1977, fig. 31 (9), p. 72.

 

 E. Mitropoulou[110] merkt op dat dit niet zonder meer betekent dat de tombe aan Philippos II moet worden toegewezen. Het is inderdaad zeer goed mogelijk dat Philippos III Arrhidaios later in het bezit kwam van die bewuste zeef.

 

 (3) Fries:

 

FIGUUR 4a:

 

Klik om te vergroten

 

Jachtfries:

 

 * Vergina, Tombe II, voorgevel.

 * Algemeen zicht.

 * Lengte: 5,56 m, hoogte: 1,16 m.

 * 340-330 v. Chr.

 

Herkomst afbeelding: Andronicos M., Vergina, the royal tombs and the ancient city, Ekdotike Athenon S.A., Athens 1993, fig. 58, p. 102-103.

 

 

FIGUUR 4b:

 

Klik om te vergroten

 

Jachtfries:

 

 * Vergina, Tombe II, voorgevel.

 * Tekening.

 

Herkomst afbeelding: Andronicos M., Vergina, the royal tombs and the ancient city, Ekdotike Athenon S.A., Athens 1993, fig. 59, p. 102-103.

 

 Naast de chronologische argumentatie ziet M. Andronicos[111] ook door de inhoud van de muurschildering (figuur 4 a+b) af van een identificatie met Philippos III Arrhidaios. Aangezien er, zo schrijft M. Andronicos, geen mythologische verklaring voor de afbeelding mogelijk is, representeert ze een onderdeel van het leven van de overledene. Van Philippos III Arrhidaios wordt in de geschriften geen gewag gemaakt van een bijzondere interesse voor de jacht.

 

FIGUUR 4d:

 

 

Jachtfries:

 

 * Vergina, Tombe II, voorgevel;

 * Detailtekening, volwassen ruiter die leeuw treft met speer.

 

Herkomst afbeelding: Andronicos M., Vergina, the royal tombs and the ancient city, Ekdotike Athenon S.A., Athens 1993, fig. 71, p. 116.

 

 N.G.L. Hammond[112] beweert daarenboven Philippos II zelf op de schildering te kunnen identificeren (figuur 4 d). De enige oudere man in de afbeelding is namelijk de ruiter die op het punt staat de leeuw te doden. Dat moet de koning zijn. Enkel de linkerkant van zijn gelaat wordt getoond vanwege de ernstige verwonding aan de rechterkant, voegt dezelfde auteur eraan toe in de latere publikatie "The royal tombs at Vergina: evolution and identities", Annual of the British School at Athens 86, 1991, p. 75. Van de twee andere ruiters, en dus leden van de koninklijke familie, neemt er één de centrale positie van de schildering in (figuur 4 c). Hij is goed zichtbaar, draagt een lauwerkrans en heeft opvallende ogen, een karakteristiek aspect van Alexander[113]. Hij moet de opvolger van de koning zijn. Rekening houdend met de leeftijden die in de schildering tot uitdrukking komen, is hier slechts de combinatie Philippos II - Alexander de Grote mogelijk.

 

FIGUUR 4c:

 

 

Jachtfries:

 

 * Vergina, Tombe II, voorgevel.