| Het vagevuur op aarde. De impact van dienen en migratie van ongehuwde vrouwen op hun latere leven. Assenede, generatie 1830/1831. (Christa Matthys) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
DEEL I. SITUERING VAN HET ONDERZOEK
A. Inleiding
In mijn in 2003 ingediende licentiaatverhandeling geschiedenis onderzocht ik de levensloop van de personen die in 1830/31 in Assenede geboren werden[1]. Eén van de vervelende aspecten van een cohortanalyse[2], is dat de onderzoekspopulatie na verloop van tijd uitdunt door overlijden, door ‘verdwijning’ als gevolg van gebrekkige registratie en, in het geval van mijn scriptie, ook door migratie. Wilde ik mijn onderzoek immers binnen de vooropgestelde termijn van twee jaar beëindigen, dan zag ik mij voor de keuze gesteld: ofwel het hele, rijke Asseneedse gemeentearchief benutten óf mij beperken tot de basisbronnen en ook opzoekingen verrichten in de gemeenten waarnaar de proefpersonen verhuizen. Aangezien de kans op succes inzake kwantiteit, coherentie en nuance bij de eerste mogelijkheid het grootst was, heb ik het leven van de personen, voor zover zij in Assenede verblijven, trachten te reconstrueren aan de hand van alle daartoe geschikte bronnen in het gemeentearchief[3]. De opleiding Vrouwenstudies biedt mij de mogelijkheid om een bescheiden vervolg aan mijn verhandeling toe te voegen, waarbij de migratie van een deel van de cohorte wel onder de loep wordt genomen.
B. Probleemstelling
In mijn licentiaatverhandeling heb ik getracht indicaties van strategisch gedrag aan het licht te brengen[4]. Ik deelde mijn populatie op volgens beroepsklasse en geslacht. Inzake inkomensverwerving lijken gezinnen van werkers het meest beroep te doen op korte termijnstrategieën[5], terwijl ik bij de landbouwers meer strategieën op lange termijn vermoed[6]. Voor de ambachtelijke en tertiaire sector wijzen de gegevens minder in één richting. Belangrijker voor deze paper is het onderscheid naar geslacht. Behalve bij de landbouwers, waar ik weinig gendergebonden verschillen kon constateren, noteerde ik voor de mannen in alle beroepsgroepen meer indicaties voor lange termijnstrategieën dan voor vrouwen. Voor de jongens in het gezin worden tijdens de jeugd keuzes gemaakt die bijdragen aan hun latere sociale positie, terwijl meisjes vooral worden ingeschakeld voor inkomensverwerving hier en nu.
De enige mogelijke lange termijnstrategie voor vrouwen komt slechts voor bij een beperkte groep: het gaat om huwelijksmobiliteit. Twee vormen laten zich in mijn verhandeling onderscheiden. Enerzijds kunnen vrouwen proberen huwen met een sociaal beter gesitueerde partner. Anderzijds kan ook het óngehuwd samenwonen van (broers en) zussen de sociale positie ten goede komen. Ik ben ervan overtuigd dat de tweede vorm een strategie kán zijn, maar toevalsfactoren kunnen eveneens aan de basis liggen. Bij de eerste vorm is het waarschijnlijker dat er een bewuste en strategische keuze achter schuilgaat. Het is in een maatschappij waar sociale homogamie de regel is echter niet evident een beter gesitueerde huwelijkskandidaat te vinden.
Er zijn echter wel factoren die de kans verhogen. In de (beperkte) literatuur omtrent vrouwelijk dienstpersoneel, wordt er dikwijls op gewezen dat dienstbodes die in stedelijke bourgeoisie-milieu’s tewerkgesteld zijn, kennis en vaardigheden verwerven die ze van thuis uit niet meekrijgen, waardoor ze meer kans maken op een beter geplaatste huwelijkspartner[7]. Veel empirisch onderzoek is daar vooralsnog in België niet naar verricht[8]. Met deze studie wil ik een aanzet tot verandering brengen. Ik wil echter niet exclusief op een stedelijke context focussen. Terwijl een beperkte schare auteurs immers de stiefmoederlijke behandeling van ‘het dienstbodenvraagstuk’ in de historiografie aan de kaak stelt, verwaarlozen zij zelf het ruraal tewerkgestelde deel van de dienende bevolking (zie verder). Zij brengen daar allerlei goede redenen voor aan: beide groepen vertonen grote verschillen, zodat afzonderlijke behandeling gerechtvaardigd is, de migratie van plattelandsmeisjes naar de stad is een opvallend fenomeen, ... De mogelijkheid tot meer ophefmakende hypotheses rechtvaardigt echter niet de a-priori uitsluiting van rurale dienstboden uit het onderzoek.
In deze paper zal via levensloopanalyse gepeild worden naar de impact van het dienstbodebestaan op het latere leven van vrouwen. Een centrale plaats zal worden toegekend aan de mogelijke gevolgen van het dienen voor huwelijks- en beroepsmobiliteit. Zoals het een degelijk onderzoek naar gezinsstrategieën betaamt, moet niet enkel naar de uitkomst van de dienende fase worden gekeken, maar ook naar de voorafgaande situatie. Bovendien kan het leven als dienstmeid veel verschillende vormen aannemen. Ook dat zal worden onderzocht. Deze vraagstelling is niet origineel. Zij is dezelfde als degene die in het reeds meermaals genoemde boek van Hilde Bras centraal staat[9]. Ook Bras onderzoekt ‘de achtergronden, invulling en gevolgen van dienen als fase in de levensloop’. Omdat de opzet van Bras’ studie zo goed als naadloos aansluit bij wat ik zelf wil onderzoeken – zij heeft bijvoorbeeld ook oog voor dienstmeiden op het platteland – leek het me gerechtvaardigd haar vraagstelling en verklaringsmodel (zie Figuur 1) over te nemen. Op die manier kan mij een gebrek aan innovativiteit verweten worden. Anderzijds kan ik mijn resultaten vergelijken met die van een veel grootser opgezette studie over een naburige regio. Bovendien verhindert eenzelfde vraagstelling en verklaringsmodel niet dat de manier waarop men de gegevens analyseert, verschillen vertoont. Een dergelijke studie is bovendien in België nog niet uitgevoerd. Het verklaringsmodel van Bras is weergegeven als Figuur 1. Ik zal er hier wegens plaatsgebrek niet verder op in gaan. Aan, het eind van deze paper kom ik er echter op terug. Aan de dienstmeisjes zelf wordt in de 19de eeuw voorgehouden dat zij door hun dienstbaar beroep hun tijd in het vagevuur serieus kunnen inperken en dat een plaatsje in de hemel voor hen is voorzien[10]. Het dienstbodeberoep wordt het ‘vagevuur op aarde’ genoemd. Ik wil nagaan of de periode van onderdanigheid de dienstmeisjes ook nog tijdens het leven voordeel oplevert, met andere woorden of zij al een stukje hemel op aarde verdienen.
De intrede in het dienstbodeberoep is niet enkel een professionele transitie. Het gaat immers gepaard met migratie (zie verder). Die migratie kan beperkt blijven tot het eigen dorp of de nabije omgeving, maar sommige meisjes laten hun geboortedorp tientallen kilometers achter zich. Het spreekt voor zich dat ook die uitwijking gevolgen kan hebben voor het verdere levenstraject. In de studie zal ik waar relevant en mogelijk ook de migratiebestemmingen in rekening brengen. De tweedeling stad/platteland zal meermaals een cruciaal onderscheid vormen.
C. Literatuur: levensloopanalyse en onderzoek naar dienstmeiden
C.1. Levensloopanalyse[11]
● Wat?
Levensloopanalyse is een onderzoeksmethode om de timing en het belang van bepaalde ‘events’ in het leven van een groep individuen na te gaan. Events zijn belangrijke gebeurtenissen in iemands leven. Essentieel aan de methode is het achterliggend dynamisch en contextuele perspectief. Het bestuderen van opeenvolgende ‘events’ in de levensloop gebeurt vanuit de opvatting dat elk ‘event’ een transitie van de ene positie naar de andere inhoudt. Events kunnen verschillend van aard zijn: demografisch, professioneel, ... en onderlinge combinaties vertonen. Niet enkel het voorkomen van een gebeurtenis wordt interessant geacht, maar ook het moment waarop ze plaatsvindt. Met andere woorden: ook de duur van de periode waarin men zich een bepaalde positie bevindt, brengt men in rekening. Daarnaast heeft de levensloopanalyse aandacht voor de relatie van het individu tot zijn eigen opgedane ervaringen, tot zijn directe sociale omgeving en tot de historische omstandigheden waarin hij leeft bij het bestuderen van events. Het individu wordt niet als een louter passief wezen beschouwd, maar als iemand die binnen bepaalde grenzen reageert op het voorkomen van externe gebeurtenissen. Dat maakt de levensloopanalyse geschikt voor het aan het licht brengen van ‘langzame’ maatschappelijke processen: vele ingrijpende ‘omwentelingen’ zijn niet het gevolg van een plotse en totale ommekeer, maar kenmerken zich door uiterlijke continuïteit en een constant aanpassingsvermogen, zoals bijvoorbeeld de verspreiding van loonarbeid. Dat zorgt er ook voor dat het levenslooponderzoek, naast de mogelijkheid om nauwkeuriger complexe en geïntegreerde socio-economische gegevens te verzamelen, als verdienste heeft dat een brugfunctie tussen micro- en macrobenaderingen kan vervullen: zowel de invloed die individuen van hun sociale omgeving ondergaan als de bijdrage die ze zelf leveren aan veranderingen in die omgeving worden zichtbaar.
Voor de vrouwenstudies biedt de levensloopanalyse dan ook een vruchtbaar methodologisch perspectief. Er zijn nog een aantal andere voordelen aan de methode gebonden vanuit feministisch oogpunt. Het levenslooponderzoek verwaarloost aandacht voor ‘afwijkende’ levenstrajecten niet, terwijl in de traditionele gezinssociologische studies veelal uitgegaan wordt van het gehuwde koppel. Op die manier staat de methode ‘overgeneralisatie’ in de weg[12]. De methode biedt bovendien op een verstandige manier weerwerk aan wat Eichler ‘familism’ noemt, het gelijkstellen van individuele verzuchtingen met die van het gezin. Intra-familiale machtsverhoudingen en spanningsvelden worden dan genegeerd. De levensloopbenadering gaat uit van een relationele visie tussen individu en gezinscontext.
● Theoretische invalshoeken
Levensloopanalyse staat voor een onderzoeksmethode, niet voor een theoretische invalshoek. Een aantal theoretische concepten lenen zich echter uitstekend tot combinatie met deze methodologische benadering.
Een veelgebruikt, maar sterk gecontesteerd concept is dat van ‘gezinsstrategieën’. Het begrip uit de gezinseconomie veronderstelt dat een gezin met een zeker doel voor ogen actief ingrijpt in zijn eigen leven en omstandigheden door het maken van bepaalde keuzes binnen de mogelijkheden en beperkingen van de omgeving. Door zijn actief en dynamisch karakter past het zeer goed bij het levenslooponderzoek. Het concept stamt nog uit de tijd dat men gezinnen als harmonieuze eenheden beschouwde. Ondertussen, onder andere onder invloed van feministische kritiek van bijvoorbeeld Hartmann en Scott[13], wordt ook de manier waarop interne conflicten met betrekking tot gemeenschappelijke en individuele doelen worden opgelost, gezien als deel van de strategie. Ook een louter rationalistische en economische invulling van het begrip is aangevochten, in die mate dat het concept in vraag werd gesteld. Ik hanteer ‘gezinsstrategie’ veeleer pragmatisch: ik besef dat via het concept slechts gedeeltelijk tot de dagelijkse realiteit kan worden doorgedrongen, maar daartegenover staat dat het uiterst nuttig is voor het opsporen en duiden van gedragingen van individuen en gezinnen en voor het inzichtelijk maken van de invloed van aanpassingen op gezinsniveau voor macro-verschuivingen.
Een tweede theoretisch concept, dat voor deze paper relevant is en zich laat koppelen aan het vorig begrip, is ‘positieverwerving’[14]. Hierbij onderzoekt men hoe de sociale positie die een individu bereikt, beïnvloed wordt door eigen ervaring dan wel door de van huis uit meegekregen hulpbronnen. Ook dit concept was aanvankelijk het voorwerp van feministische kritiek. Men paste het immers gewoon niet toe op vrouwen, omdat men er van uitging dat vrouwen nauwelijks eigen verworvenheden kenden, gezien hun lage opleidingsniveau. Dit concept heb ik in mijn licentiaatverhandeling niet expliciet gehanteerd. Impliciet was het echter wel aanwezig. In deze paper acht ik het dan ook relevant het begrip wel te vermelden.
● Literatuur
Onderstaand literatuuroverzicht is niet exhaustief[15]. Het dient enkel om mijn eigen onderzoek binnen de bestaande literatuur te positioneren.
De eerste levensloopstudies worden gepubliceerd in de jaren 1920/30. In de jaren ’60 gaat men van een oorspronkelijk kwalitatieve aanpak over naar een meer kwantitatieve benadering op basis van cohorten. Vooral de groeiende mogelijkheden voor elektronische verwerking vormen een doorbraak. Het is ook in deze periode dat de levensloopanalyse ook door niet-sociologen wordt ontdekt. In de geschiedenis biedt het levenslooponderzoek onder andere methodologische vernieuwing in het onderzoek naar de familie. Auteurs zoals Elder en Hareven bekritiseren de statische kijk op het familieleven van de traditionele gezinsociologie. Het levenslooponderzoek is zoals gezegd ook geschikt voor vrouwenstudies. George Alter [16] richt zijn onderzoek aan de hand van Vervierse bevolkingsregisters op de manier waarop gezinssamenstelling in het ouderlijk gezin en geografische herkomst invloed hebben op de latere levensloop van een aantal 19de eeuwse vrouwelijke leeftijdscohorten, onder andere op de familiale verbondenheid. Hoe vernieuwend ook, zijn werk blijkt vatbaar voor kritiek[17]. Terwijl Alter wel ‘afwijkende’ levenslopen onderzoekt, maakt hij zich op een andere manier schuldig aan overgeneralisatie: ‘class is almost entirely absent from Alter’s portrait.’ Het interpreteren van socio-culturele fenomenen aan de hand van kwantitatieve demografische gegevens wordt eveneens aan de kaak gesteld. Door kwalitatieve gegevens terzijde te laten, vervalt men algauw in stereotypen doordat de echte motieven voor bepaalde handelingen grotendeels buiten beeld blijven. In het huidig onderzoek bestaat dan ook de tendens om de kwantitatieve gegevens met kwalitatieve aan te vullen. In het werk van Bras worden naast kwantitatieve bronnen, ook brieven en interviews gebruikt[18]
C.2. Dienstpersoneel
● Wat is een ‘dienstbode’?
Met een ‘dienstbode’ of ‘dienstmeid’ bedoel ik hier een persoon die in voltijds, vast dienstverband is tewerkgesteld én bij zijn werkgever inwoont. Piette wijst erop dat niet alle (stedelijke) dienstbodes wonen bij de persoon die hen werk verschaft[19]. Ze geeft echter aan dat het vooral om mannelijk personeel gaat. Van Holen toonde aan dat op het platteland (althans in Assenede) bijna geen niet-inwonende dienstboden zijn[20]. Wat de attestaties voor mijn cohorte betreft, zijn alle personen die de beroepsvermelding ‘dienstbode’ meekrijgen, ingetrokken bij hun werkgever.
Piette stelt verder: ‘La nature des traveaux ne contitue donc pas un élément décisif pour déterminer qui est domestique et qui ne l’est pas.[21]’ Toch kiest ze er zelf voor om enkel stedelijk, huishoudelijk dienstpersoneel te onderzoeken omdat het agrarisch dienstpersoneel ‘participe à un tout autre processus de travail, le traval productif, radicalement opposé au traval non-productif du personnel de maison.[22]’ Het is met betrekking tot dienstpersoneel echter bijzonder moeilijk vast te stellen of hun taken daadwerkelijk tot één van de twee domeinen behoren. De tweedeling is in praktijk niet zo strict[23]. Een boerenmeid die is aangenomen om op het erf te werken, helpt mogelijk ook mee in het huishouden. Een dienstmeid bij een winkelier, helpt wellicht ook al eens in de winkel. Volgens Piette zelf zijn deze ‘travailleurs hybrides’ vrij talrijk[24]. Op basis hiervan, wil ik op voorhand niet één van de groepen uitsluiten. Ik ga er immers vanuit dat zowel het ‘productief’ als ‘niet-productief’ dienen de persoon vaardigheden kan bijbrengen die impact hebben op haar later leven. Ik ben mij er wel van bewust dat de aard van het dienen wel een verschillende impact veroorzaakt. Daarom zal ik de tweedeling stad-platteland in de loop van deze paper wel hanteren.
Daarbij moet men wel steeds voor ogen houden dat ook niet al het rurale dienstpersoneel agrarisch dienstpersoneel is. Van Holen toonde voor Assenede aan dat de agrarische dienstbodes wel het leeuwendeel van het inwonend personeel uitmaken[25]: in 1846 werkt in Assenede 3,9% van de bevolking als meid. 3,6% werkt als meid in de landbouw. Het onderscheid stad/platteland blijft ook relevant als een meisje in een niet agrarisch milieu terecht komt omdat het verhuizen naar een stedelijke context een veel grotere met de vertrouwde leefwereld betekende dan een betrekking op het platteland.
● Literatuur
‘Hét literatuuroverzicht over dienstpersoneel’ bestaat niet. Dat heeft te maken met de moeilijkheid om het begrip ‘dienstbode’ af te bakenen[26]. Iedere onderzoekstak volgt daarbij zijn eigen interesses. Mijn literatuuroverzicht maakt, op basis van mijn eigen omschrijving van dienstpersoneel, een opsplitsing in twee stromingen. Enerzijds komt in de meer traditionele, kwantitatieve, sociaal-economische studies naar arbeidsverdeling op het platteland de rol van agrarisch dienstpersoneel in de productiviteit aan bod[27]. Personeel met niet-agrarische bezigheden wordt vaak over het hoofd gezien en dienstbodes met huishoudelijke taken wordt voor dit soort onderzoek helemaal uitgesloten omdat hun arbeid niet productief is. Anderzijds is sinds de jaren 1990 een stroming van vooral vrouwelijke onderzoekers op gang gekomen die juist die ‘niet-productieve’ en lang verwaarloosde groep van vooral stedelijke dienstboden op de voorgrond wil brengen. Sociologe Diane De Keyzer publiceerde een vulgariserend boek omtrent de leefwereld van 20ste eeuws huispersoneel[28]. Voor Vlaanderen verscheen naar aanleiding van een tentoonstelling ‘Upstairs Downstairs’[29]. Het meest complete en wetenschappelijke werk over stedelijk dienstpersoneel tot op vandaag is echter dat van de reeds geciteerde Valérie Piette[30]. In haar gepubliceerde proefschrift komt zowel het dagelijks leven van de bodes als hun sociale en juridische positie aan bod. Zij maakt voor haar onderzoek gebruik van een uiteenlopend aanbod kwantitatieve en kwalitatieve bronnen.
C.3. Dienstboden en levensloop
Voor België bestaan nog geen werken die via levenslooponderzoek inzicht trachten te verwerven in het dienstbodebestaan. En ook voor andere landen is, gezien de nog steeds geringe populariteit van levensloopanalyse als onderzoek naar dienstbodes, de oogst mager. In Nederland besteden enkele artikels omtrent ‘migratie als gezinsstrategie’ in ‘Levensloop en levenslot’ van Jan Kok[31] aandacht aan de impact van migratie van ongehuwde jongeren, onder andere als dienstbode, op hun latere leven. Het omvangrijkste werk is echter het in de probleemstelling besproken boek van Hilde Bras[32]. Vanuit een dergelijke probleemstelling is de door mij weergegeven beschrijving van dienstpersoneel het meest relevant, zo blijkt ook uit haar boek. Helaas geeft Bras zelf geen expliciete omschrijving van een ‘dienstmeid’. Het is echter duidelijk dat ze inwonen personeel in steden en op het platteland bedoeld.
D. Methode: levensloopanalyse in praktijk
D.1. Bronnen
De bronnen die zich het best lenen om er levenslooponderzoek op toe te passen, zijn bevolkingsregisters. Deze gemeentelijke bron wordt ingevoerd ten tijde van de Franse Revolutie. Hij bevat een statisch aspect, namelijk de optekening van individuele gegevens, geografisch geordend per huishouden en gebaseerd op tienjaarlijkse volkstellingen én een dynamisch aspect, aangezien men er opvolgelijke wijzigingen in burgerlijke staat, verblijfplaats, … eveneens in noteert. In de registers vind ik dus de belangrijkste events en de huishoudelijke context van een individu. De meest grondige levensloopanalyses combineren de gegevens uit de registers met andere reeksen uit het gemeentearchief die individuele gegevens bevatten. Mijn eigen licentiaatverhandeling heeft bewezen dat dergelijke werkwijze een behoorlijke verfijning van de gegevens oplevert. Aangezien ik voor deze opdracht nog eens meer dan tien verschillende gemeentearchieven heb bezocht, heb ik mij in dit geval in de andere gemeenten beperkt tot de basisbronnen. Een opsomming van alle geconsulteerde registers, is te vinden in de bibliografie. De kwaliteit van de bevolkingsregisters verschilt sterk van gemeente tot gemeente. Per locatie de eigenaardigheden opsommen zou mij hier te ver leiden. Ik verwijs naar Bijlage 1. In de meeste gemeenten zijn de registers voorzien van een alfabetische index. De ervaring leert echter dat deze niet altijd de hele lading van het register dekken. In een aantal gemeenten heb ik de gezochte persoon dan ook slechts gevonden door folio na folio het hele register te doorzoeken. Het spreekt vanzelf dat dit in Gent, waar de indexen alleen al omvangrijker zijn dan de eigenlijke bevolkingsboeken in de meeste gemeenten, niet mogelijk was.
Enkel iedere persoon die vermeld staat als ‘(dienst)meid’ of ‘(dienst)bode’, heb ik beschouwd als dienstbode. Steeds woonde men op het adres van de werkgever. Ook meer specifieke benamingen, zoals keukenmeid, zijn in rekening gebracht.
D.2. Techniek
De levensloopbenadering is in hoofdzaak kwantitatief, al kan gepleit worden voor kwalitatieve aanvullingen. Ze levert een innoverende statistische techniek die het mogelijk maakt te achterhalen welke van een reeks mogelijke factoren bij een bepaalde transitie of de timing ervan de meest doorslaggevende is: de event history analysis. De event history analysis vraagt een intensieve computerverwerking en om de techniek op adequate wijze te kunnen toepassen moet de proefpopulatie een zekere omvang hebben. Ik ontbeer zowel de statistische kennis als een omvangrijke dataset. Het spreekt dan ook voor zich dat mijn verwerking zich hier zal beperken tot een aantal eenvoudige technieken, zoals het berekenen van gemiddelden of procentuele waarden. Zelf acht ik dit de belangrijkste beperking van mijn onderzoek. Ik kan er alleen maar voor pleiten dat grootschaliger elektronische databestanden beschikbaar worden gemaakt.
Om de verwerking van gegevens vlot te laten verlopen, maakte ik voor mijn licentiaatverhandeling en dit eindwerk gebruik van een zelf geconstrueerde Access-databank. Iedere persoon krijgt daarin een uniek identificatienummer. Dat is nodig omdat sommige namen, bijvoorbeeld Melanie Mussche (148 en 149) meerdere keren voorkomen. Wanneer ik voorbeelden uit de cohorte aanhaal, zal ik daar tussen haakjes steeds het identificatienummer bijplaatsen.
De resultaten van de berekeningen in deze paper, kunnen afwijken van de resultaten die in mijn licentiaatverhandeling zijn weergegeven. Bijvoorbeeld met betrekking tot de huwelijksleeftijd zijn er voor de ambachtelijke sector grote verschillen (p. 40). Door voor dit onderzoek bijkomende opzoekingen te verrichten in andere gemeentearchieven, kon ik de reeds vergaarde informatie aanvullen en opnieuw de berekeningen uitvoeren. De resultaten in dit eindwerk zijn dus de meest betrouwbare omdat ze op basis van meer gegevens zijn bereikt. Indien er inderdaad verschillen zijn, zijn de resultaten hier te verkiezen boven die in mijn scriptie.
Figuur 1. Hilde Bras’ Verklaringsmodel met betrekking tot de oorzaken, invulling en gevolgen van de dienstbodefase in de levenslopen van vrouwen (Bron: BRAS (Hilde), Op cit, p. 26)
|
gezinsomstandigheden |
|
besluitvorming in gezinnen |
|
timing van transities in dienstbodenfase |
|
|
|
|
|
|
|
• economische hulpbronnen |
→ |
|
|
|
|
• sociale hulpbronnen |
|
|
|
|
|
• gezinssamenstelling |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
individueel verworven ervaring |
|
• belangen van de ouders |
|
• intrede in het dienstbodenberoep |
|
|
|
|
|
• beroepsloopbanen |
|
• dienen |
→ |
|
→ |
• migratietrajecten |
|
• werkgeverspositie |
|
↓ |
|
• trouwen |
|
• migratie |
|
|
|
• huwelijkspositie |
|
|
|
• belangen van de dochter |
|
• vestigingsplaats |
|
periode- en plaatsgebonden omstandigheden |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
• geboortecohort |
→ |
|
|
|
|
• type woonplaats |
|
|
|
|
|
• regio |
|
|
|
|
E. Casus
E.1. Assenede[33]
Voor mijn licentiaatverhandeling viel de keuze op Assenede omwille van mijn bekendheid met de gemeente, maar vooral omwille van het uitstekend bewaarde gemeentearchief.
Assenede ligt in Oost-Vlaanderen, 20 à 25 kilometer ten noorden van Gent en grenzend aan het Zeeuws-Vlaamse Sas van Gent. De Belgische buurgemeenten zijn Bassevelde, Boekhoute, Oosteeklo, Ertvelde en Zelzate. Assenede heeft een noordelijk polderlandschap, dat in de middeleeuwen op de zeearmen is gewonnen en een zuidelijk, dichtbevolkt zandgedeelte. Door haar gunstige ligging aan het water groeit de gemeente in de middeleeuwen uit tot een bloeiend middeleeuws stadje, hoofdplaats van het ‘Asseneder Ambacht’. Tijdens de Nieuwe Tijden is de glorietijd over, maar door een aantal auteurs wordt het 19de eeuwse Assenede wel nog beschouwd als een regionaal verzorgingscentrum. Dat heeft te maken met de aanwezigheid van bepaalde diensten, ambachten en handelsactiviteiten in de gemeente: er zijn bijvoorbeeld notarissen, er is een hospitaal, ... Toch is het vooral een agrarische gemeente, waar de linnennijverheid halverwege de 19de eeuw een minder belangrijke rol speelt dan in de meeste omringende gemeenten. De gemeente is dan iets meer dan 3200 ha groot en telt tussen de 4000 en 5000 inwoners. In de polders zijn vrij grote, meer gespecialiseerde en marktgerichte landbouwbedrijven gevestigd, terwijl op de zandgronden de kleinere, zelfvoorzienende gezinsbedrijfjes het meest voorkomen. Algemeen is er een tendens van bevolkingsgroei, maar met periodes van terugval en stagnatie, vooral ten tijde van economische crisissen. De dubbele crisis van 1846 slaat bijvoorbeeld diepe wonden. De teloorgang van de linnennijverheid komt, ondanks de mindere vertegenwoordiging ervan in Assenede, al hard aan, maar vooral de landbouwcrisis (steeds hogere pacht voor steeds kleinere en dus minder zelfvoorzienende bedrijfjes) heeft door het grote aandeel pacht in de gemeente een enorme impact.
De grotere bedrijven zorgen voor meer tewerkstellingsmogelijkheden in de landbouw dan dat in gemeenten met veel linnennijverheid het geval is. Terwijl in veel gemeenten wevers en spinsters (textielsector) het grootste deel van de bevolking uitmaken, zijn dat in Assenede de werklui[34]. De vermelding ‘werkman’ of ‘werkvrouw’ is natuurlijk erg vaag en heeft al menig historicus doen zuchten. Het gaat om ongeschoolde loonafhankelijken die, in tegenstelling tot dienstboden, niet in vast dienstverband werken. Meestal gaat het om dagloners die slechts worden ingezet volgens het werk dat voorhanden is. Volgens zowel Tondeleir als Van Holen zijn werkmannen in Assenede gemiddeld 94 à 96 dagen per jaar in de agrarische sector tewerkgesteld, werkvrouwen 55 à 60 dagen[35]. Een groot deel van het jaar zijn deze agrarische werknemers dus werkloos, zijn ze actief in andere sectoren en/of bewerken ze een eigen lapje grond.
E.2. Generatie 1830/31
Ik koos voor deze generatie omdat zij doorheen de bronnen het best te volgen is. De bevolkingsregisters vóór 1830 zijn van dermate geringe kwaliteit dat reconstructie van levenslopen zo goed als onmogelijk is. Wil men bronnen van na 1900 inkijken, dan stuit men op privacywetten. De generatie van 1830/31 is dus over de langst mogelijke periode te volgen.
De aanvangspopulatie omvat 144 meisjes. Al heel snel dunt de groep uit door ‘verdwijningen’[36] en vooral door overlijdens. Ook eerste emigraties die niet met het beroep van dienstbode te maken hebben, veroorzaken het (eventueel tijdelijk) uit beeld verdwijnen van personen. Huwelijksmigratie is daar een voorbeeld van. Uiteindelijk kan ik van 39 meisjes zeggen dat ze ooit als dienstmeid hebben gewerkt. 29 onder hen zijn ook ooit als dienstmeisje geëmigreerd. 34 meisjes die ik minstens tot hun 15de kon volgen, hebben nooit als dienstbode gewerkt. Procentueel is 53,4% ooit meid geweest, tegenover 46,6% niet-meiden. Het percentage meiden ligt dus erg hoog. Op de Zeeuwse eilanden gaat slechts 24% uit de cohorte van 1835-52 ooit dienen[37]. Pas enkele decennia later worden daar cijfers rond de helft bereikt. De vrij goede agrarische tewerkstellingsmogelijkheden in Assenede zelf en het feit dat in Vlaanderen al vroeger grotere industriesteden met een om personeel vragende burgerij zijn dan in Zeeland, spelen wellicht een rol.
De uitwijking van dienstboden zorgt voor het grootste deel van de emigratie van de ongehuwde populatie. Slechts vier andere ongehuwden verlaten ooit om een andere reden de gemeente. Justina De Bruycker (41) en Viergenie Martens (140) worden elk in een krankzinnigengesticht opgenomen. Coleta Van Bouchaute (196) gaat in 1856 als ‘religieuze’ naar Antwerpen, maar komt na twee jaar alweer terug en huwt later nog. Viergenie Van Streydonck trekt op haar 54ste als landbouwster naar Kaprijke.
A. Intreden als dienstbode: sociale achtergronden
Ook om mogelijke beweegredenen voor verschillen in invulling van de dienstbodefase te verklaren, zal ik naar de sociale achtergrond van de Asseneedse dienstmeiden verwijzen. Een eerste stap in de analyse is echter na te gaan of het sociale milieu van het ouderlijk gezin invloed heeft op het al dan niet intreden in het dienstbodeberoep.
A.1. Beroep van vader als verklarende variabele voor intrede in het dienstbodeberoep
Er bestaan verschillende bronnen die informatie bevatten over de sociale positie van een 19de-eeuws persoon[38]. Onder andere kadastrale bronnen en belastingslijsten kunnen een aanduiding geven van iemands rijkdom. Het wel of niet ondertekenen van de huwelijksakten geeft een indicatie van zijn/haar geletterdheid. Idealiter combineert de onderzoeker al deze gegevens[39]. Dan pas krijgt men een vrij nauwkeurig beeld van de sociale positie. In mijn licentiaatverhandeling heb ik die werkwijze toegepast op de gezinnen van de proefpersonen zelf. Daar die manier van werken zeer arbeidsintensief is, wordt het levenslooponderzoek in de praktijk vaak gevoerd met een beperkt aantal bronnen en dus een beperkt aantal indicatoren. Aangezien de bevolkingsregisters de belangrijkste bron zijn en de belangrijkste sociale indicator daarin de beroepsvermeldingen zijn, komt het definiëren van iemands sociale positie vaak neer op het vermelden van zijn/haar beroep. Dat houdt een zekere vertekening in. Er is bijvoorbeeld een groot verschil tussen een landbouwer met 5 ha grond in gebruik en één met 20 ha. Toch is overeenkomst tussen professionele en sociale structuur groot genoeg om veelzeggend te zijn. Aangezien ik over het ouderlijk gezin van de cohorteleden slechts summiere informatie heb, zal ik mij ook hier beperken tot het aanhalen van het beroep van de vader. Volgens Paping is dit trouwens de belangrijkste verklarende variabele als het aankomt op het al dan niet intreden als dienstbode[40].
Om na te gaan of bij bepaalde beroepsgroepen[41] het beroep van dienstmeid aantrekkelijker is dan bij anderen, mag men niet enkel naar het vaderlijk beroep van de meiden kijken. De verschillende beroepsgroepen zijn immers niet homogeen over de bevolking verdeeld. Men moet de resultaten vergelijken met die voor de meisjes die nooit als bode hebben gewerkt (Tabel 1).
|
Tabel 1. Beroepsverdeling vaders[42] |
||
|
beroep vader |
dm |
niet dm |
|
landbouw |
1 |
9 |
|
werkman |
17 |
16 |
|
ambacht |
16 |
4 |
|
tertiair |
5 |
5 |
|
totaal |
39 |
34 |
Uit Tabel 1 vallen een aantal zaken op. In de werkmansgezinnen en gezinnen waarvan de vader in de tertiaire sector werkt, zijn de verschillen tussen het aantal meiden en niet-meiden klein, met een licht overwicht van de meiden. Zoals gezegd bestaat de mogelijkheid van een onderschatting van het aantal dienstmeiden door onderregistratie. Interessanter zijn de vaststellingen voor de landbouwers en de ambachtelijken. Terwijl bij de eerste het dienstbodeberoep nauwelijks voorkomt, lijkt het bij de tweede bijzonder populair.
Bij het zoeken naar mogelijke verklaringen voor dit fenomeen, zal ik trachten per beroepsgroep de perspectieven van het dienen voor zowel de ouders als de meisjes uiteen te zetten. Daarbij doe ik een beroep op onderzoeksresultaten in de bestaande literatuur, die ik afweeg tegen de Asseneedse context. Mogelijke voor- en nadelen van dienen in het algemeen komen hier aan bod. In volgende paragrafen wordt rekening gehouden met bestemming en dergelijke.
Dat in landbouwersgezinnen weinig kinderen elders als personeelslid gaan inwonen, is vooral logisch vanuit het standpunt van de ouders. Door de eigen kinderen op het bedrijf in te schakelen, spaart men kosten[43]. Anders moet men zelf beroep doen op dienstpersoneel. Mogelijk is het ook voor veel meisjes een mooi vooruitzicht hun vertrouwde omgeving niet te moeten inruilen voor een meer onbekend milieu. Als er toch sprake is van de beslissing om dienstmeid te worden, kan dat enerzijds te maken hebben met het feit dat het ouderlijk landbouwbedrijf te klein is om alle kinderen werk te verlenen of anderzijds met afwijkende aspiraties van de dochter. Aan de hand van één meid met landbouwwortels kan ik hierover natuurlijk geen uitspraken doen.
De ambachtelijke sector in Assenede is zeer heterogeen. Allerlei beroepen, gaande van loonafhankelijke wevers met laag sociaal aanzien tot zelfstandige slachters die tot de gemeentelijke elite behoren, zijn erin vertegenwoordigd. In deze groep is de correspondentie tussen beroep en sociale status dan ook het kleinst. Toch is er één gemeenschappelijk kenmerk: de nijverheden zijn georganiseerd in kleine bedrijven. Deze hebben geringe tewerkstellingsmogelijkheden en hebben dikwijls ook beperkte financiële mogelijkheden[44]. Uit mijn licentiaatverhandeling bleek dat zonen in dergelijke gezinnen zelf vaak ook een beroep in de ambachtelijke sector aanleren[45]. In de zonen wordt dus geïnvesteerd op lange termijn. De meisjes moeten op korte termijn bijdragen aan het gezinsinkomen als naaister of dienstmeid. Ook hier ziet het er naar uit dat vooral de belangen van de ouders behartigd worden. Toch zal ik verder ook de mogelijkheid opperen dat dienen ook voor sommige dochters uit deze gezinnen zelf gunstig kan zijn. Op basis van de vaststelling dat het grootste percentage dienstbodes in mijn populatie voorkomt bij de ambachtelijken en niet bij de werklui, ben ik het alvast met Piette eens dat de hypothese van de armzalige achtergrond van dienstpersoneel moet genuanceerd worden[46].
A.2. Andere voorhuwelijkse beroepen cohorteleden
Om nog meer zicht te krijgen op de mogelijk motieven om dienstmeid te worden, moet men ook rekening houden met andere beroepen die jonge vrouwen kunnen opnemen. Van de 33 gekende meisjes die nooit als dienstmeid werken, zijn er 7 voor wie geen voorhuwelijks beroep wordt opgegeven. Bij drie ervan is hun slechte gezondheid een mogelijke oorzaak van hun werkloosheid: zij sterven in 1845, 1846 en 1849. Van twee anderen (73, 108) behoort de vader tot de plaatselijke elite[47], waardoor de dochters niet hoeven te werken. Bij de laatste twee kan gebrekkige registratie er de oorzaak van zijn dat geen beroep is opgegeven. Het lijkt er in elk geval op dat, op enkele rijke of gebrekkige meisjes na, ook alle jonge vrouwen die geen dienstmeid worden, een beroep uitoefenen. Meestal is dat hetzelfde beroep als de ouders, zo blijkt uit Tabel 2.a.
Tabel 2.a. Voorhuwelijkse beroepen niet dienstmeiden[48]
|
beroep dochter/vader |
landbouwer |
werkman |
ambacht |
tertiair |
totaal |
|
landbouwster |
7 |
0 |
1 |
0 |
8 |
|
landbouwster/handel |
0 |
0 |
0 |
1 |
1 |
|
werkvrouw |
1 |
11 |
1 |
0 |
13 |
|
werkvrouw/kleding of textiel |
0 |
2 |
0 |
0 |
2 |
|
kleding of textiel |
0 |
0 |
1 |
0 |
1 |
|
handel |
0 |
0 |
0 |
1 |
1 |
|
totaal |
8 |
13 |
3 |
2 |
26 |
Deze tabel bevestigt ook dat in landbouwmiddens de dochters thuis op de boerderij tewerkgesteld worden. Meisjes uit werkersgezinnen, die niet als inwonende meid gaan werken, worden zelf ook werkvrouw, eventueel aangevuld met andere activiteiten. Zowel voor de ouders als voor de dochters, hangt hier vaak een dosis onzekerheid aan vast[49]. Terwijl inwonend dienstpersoneel op basis van het contract werkzekerheid heeft voor een iets langere periode, worden werklui maar aangeworven naargelang er werk voor handen is. Allerlei factoren, zoals seizoensschommelingen of de grootte van de opbrengst spelen hierin mee. Voor de ouders betekent dit bovendien dat zij niet worden ontslaan van de kosten voor voeding en onderdak van hun kind. Anderzijds brengt een werkvrouw meer geld binnen dan een dienstmeid én kunnen de ouders hun kinderen meer controleren. Er kan worden aangenomen dat de afgifte van het loon aan de ouders hier veel minder voor discussie vatbaar is dan bij de dienstmeiden.
Zoals verder zal blijken, zijn er een aantal meiden, van wie de loopbaan als dienstbode slechts van korte duur is of een aantal keer onderbroken wordt. Van zeventien personen weet ik met zekerheid dat zij voor hun huwelijk nog een ander beroep dan dat van dienstbode hebben uitgeoefend.