Het UDPS: Een toekomst voor de Democratische Republiek Congo? (Maarten Loncin)

 

home lijst scripties inhoud  

 

"Among the numerous advantages promised by a well-constructed Union, none deserves to be more accurately developed than its tendency to break and control the violence of the faction. The friend of popular governments never finds himself so much alarmed for their character and fate as when he contemplates their propensity to this dangerous vice"
JAMES MADISON in
The Federalist Papers

 

"We have done all we could for him -- haven't we? But there is no disguising the fact, Mr Kurtz has done more harm than good to the Company. He did not see the time was not ripe for vigorous action. Cautiously, cautiously -- that's my principle. We must be cautious yet. The district is closed to us for a time. Deplorable! Upon the whole, the trade will suffer. I don't deny there is a remarkable quantity of ivory -- mostly fossil. We must save it, at all events -- but look how precarious the position is -- and why? Because the method is unsound." "Do you", said I, looking at the shore, "call it 'unsound method'?" "Without doubt," he exclaimed, hotly. "Don't you?"…
"No method at all," I murmured after a while.
Joseph Condrad, Heart of Darkness
 

(bron: Le Palmares)

 

INLEIDING

 

Mijn thesis gaat over de Union Démocratique Pour le Progrès Social (UDPS), één van de grootste oppositiepartijen uit de recente politieke geschiedenis in Congo. Een partij met een rijk verleden. Als men zich mij verdiept in het verleden van deze partij, dan kan men veel opsteken over de recente politieke evolutie in Congo.

Wegens omstandigheden ben ik niet naar Congo kunnen reizen om daar de mensen van het UDPS in levende lijve te ontmoeten. Wel heb ik verschillende mensen uit de partij in België kunnen ontmoeten en interviewen. Muamba Mumbunda bijvoorbeeld interviewde ik in het Afrika Instituut in Tervuren. Hij is lid van de partij en lid van het Nationale Comité van het UDPS. Hij vertelde me meer over wat voor mensen de partijmilitanten van het UDPS zijn. Ik heb ook Paul Kapita Shabangi kunnen interviewen, sinds een aantal jaar geen lid meer van de partij, maar wel één van de oude stichters van de partij. Paul Kapita Shabangi was ook driemaal minister in een regering onder leiding van het UDPS. Hij was op de hoogte van veel beslissingen die genomen werden tijdens de transitieperiode. Deze mensen hebben me belangrijke inside informatie kunnen geven.

Ik sprak ook met Jean Omasombo en Erik Kennes van het Afrika Instituut van Tervuren. Ik dank hen voor hun samenwerking. Ik sprak ook met Jozef Smets van de Belgische diplomatie over de visie van het Belgische departement Buitenlandse Zaken omtrent het UDPS. Last but not least had ik een gesprek met de buitenlandse vertegenwoordiger van het UDPS in België: Mpuila Tshipamba. Aldus kan ik een vrij realistisch, genuanceerd en ook diepmenselijk beeld van de partij schetsen.

Deze mensen hebben mij wat inside informatie kunnen geven. Maar de meeste informatie heb ik gehaald uit partijdocumenten en –manifesten en uit Belgische en Congolese kranten. En natuurlijk uit de vele wetenschappelijke essays en boeken die over Congo verschenen zijn. Afrikaanse politiek is voor een groot deel ook informeel. Congolese politici zetten niet alles op papier. Een stuk van deze informele informatie gaat aan mij voorbij. Maar dankzij de combinatie van documenten en persoonlijke getuigenissen, denk ik dat ik een waarheidsgetrouw beeld van de partij heb kunnen weergeven.

Gauthier de Villers (1997) schrijft het volgende over deze problematiek:

 

"N'ayant pu avoir recours à des formes systématiques d'enquête directe (interviews, observations), faisant largement appel à une presse zaïroise qui n'est que fort peu une presse d'investigation, nous appréhendons surtout le processus politique à partir de sa face émergée, visible (discours, textes, actions publiques et de ses aspects 'formels'. Mais cet angle de vue n'est pas un angle mort. Le système sociopolitique zaïrois fonctionne 'à l'informel', mais cela que ce qui est public, formel, officiel serait purement de l'ordre du décor, du masque, de l'apparence." (Gauthier de Villers, LaTransition Manquée, 1997, p. 15)

Ik heb getracht om mij niet te beperken tot een formele, Westerse visie op politiek. Partijstatuten, constitutionele verdragen, ideologische manifesten zijn niet geheel zonder waarde. Maar dat soort teksten spelen in de Afrikaanse politiek niet zo’n belangrijke rol. We moeten trachten een meer instrumentele benadering te vinden. We moeten er rekening mee houden dat veel Congolezen onder de armoedegrens leven. Dus ook veel politici. Is het dan verwonderlijk dat in een dergelijke omgeving ideologie niet zo'n belangrijke rol speelt?

De studie van een politiek fenomeen kan op twee verschillende manieren gebeuren. Een diachrone methode bestudeert de evolutie doorheen de tijd. Een synchrone methode kijkt enkel naar wat er in het heden gebeurt. Een diachrone studie heeft een aantal nadelen. Als men een fenomeen doorheen de tijd bekijkt, lijkt het alsof de huidige stand van zaken het eindproduct is in een evolutie. Dit is een teleologische houding. Zo’n benadering moet dus vermeden worden. Ondanks de methodologische bezwaren zal ik in het begin van mijn thesis deze werkwijze hanteren. De uiteindelijke bedoeling is het UDPS van vandaag begrijpen. Maar eerst zal ik de oorsprong van het UDPS proberen bloot te leggen. (Helmut Gaus, Staatstheorie, p. 3)

Voor ik begin met de geschiedenis van het UDPS, zal ik eerst een theoretisch kader geven. Alleen zo kunnen we de termen, die ik later zal gebruiken, beter begrijpen. Deze fase is die van de conceptualisering. De bedoeling is uiteindelijk niet alleen om de geschiedenis van een Congolese politieke partij te kennen. We moeten trachten te begrijpen hoe deze partij zich kan handhaven in het Afrikaanse politieke systeem. Heeft het Afrikaanse politieke systeem bepaalde specifieke kenmerken? In hoeverre is het Afrikaanse Politieke systeem verschillend van ons Belgische/West Europese politieke systeem. Hoe past het UDPS zich hieraan aan?

Verschillende politologen hebben reeds een theoretisch kader opgebouwd om Afrikaanse en Congolese politiek te begrijpen. Ik zal daarom in mijn thesis de analyses gebruiken van o.a. Crawford Young, Chris Allen, Theobald, Koen Vlassenroot…

Dit academiejaar studeerde ik het tweede semester aan de Universiteit van Leeds (Engeland). Ik volgde drie cursussen in Leeds. Eén daarvan heeft mij en de opbouw van deze thesis sterk beïnvloed. Het gaat om de cursus Political Corruption, gegeven door professor Morris Szeftel. Dat vak ging over het voorkomen van corruptie in Westerse landen en in Ontwikkelingslanden. We bestudeerden wat voor invloed corruptie had en heeft op de politieke systemen in kwestie. Cliëntelisme is een centraal concept in de studie van politieke corruptie. Dit vak heeft me ook geleerd dat cliëntelisme een centraal concept is in Afrikaanse Politiek. Daarom heeft cliëntelisme zo'n centrale plaats ingenomen in mijn thesis. Veel politieke problemen in Afrika in het algemeen en in Congo in het bijzonder, hebben iets te maken met dat cliëntelisme.

Het UDPS is altijd al een buitenbeentje geweest in de Congolese politiek. De ongewapende strijd die het nu al bijna 25 jaar voert, geeft het UDPS een gezaghebbende stem in de Congolese politiek. We zullen zien hoe het UDPS deze strijd gevoerd heeft. Eerst tegen de dictator Mobutu en dan tegen Kabila I en II. Maar meer dan een strijd tegen de dictatuur in Congo, moest het UDPS opboksen tegen een politiek systeem. Een politiek systeem gekenmerkt door patrimonialisme, corruptie en geweld.
Het is een politiek systeem waarin de wapens spreken. Voor een pacifistische partij als het UDPS was er geen plaats. Toch bleef het UDPS koppig verder strijden, om een plaatsje te vinden in dit politieke systeem.

De huidige verkiezingen, die een eind moeten maken aan jaren van conflict, worden geboycot door het UDPS. Ondanks alle buitenlandse en binnenlandse druk, weigert het UDPS mee te stappen in een oplossing opgedrongen door de internationale gemeenschap. Toch is het UDPS vandaag een belangrijke actor gebleven in de Congolese politiek. Voordat iedereen moord en brand begint te roepen over dit boycot, verdient het misschien de moeite om de argumenten van het UDPS onder de loep te nemen. Want als we een Afrikaanse oplossing willen nastreven in Congo, zal het UDPS zeker een deel van die oplossing uitmaken.

 

 

HOOFDSTUK 1: Het UDPS binnen het Afrikaans politiek systeem

 

De moderne Congolese politiek werd veel te vroeg geboren in 1960. De dekolonisatie gebeurde gewelddadig en werd slecht voorbereid door de Belgische overheid en de Belgische Koloniale Administratie. Hierdoor verkeerden de Congolese politieke partijen in een premature toestand op het moment dat het bestuur van het land aan hen werd overgedragen. Ook het UDPS werd door deze achtergrond gekenmerkt. In dit hoofdstuk willen we het UDPS eerst kaderen in een bredere Afrikaanse context.
 


CRAWFORD YOUNG: GELIJKENISSEN MET 1960

 

De bekende Amerikaanse Congospecialist Crawford Young (1963) somde in 1963 een aantal kenmerken van de Congolese politiek op. Sommige van die kenmerken zijn tragisch en bevreemdend genoeg, meer dan veertig later, nog altijd actueel.

  1. De Congolese politieke partijen worden net voor en na de onafhankelijkheid gekenmerkt door het ontbreken van politieke ervaring. Ze hebben geen politieke voorgeschiedenis. De politici in Congo werd geen leerproces gegund. Ze zijn op een onvolwassen manier beginnen aan politiek doen. De ontnuchtering over wat haalbaar was, is snel gekomen. Dat heeft de bevolking heel wantrouwig gemaakt tegenover politici. Het startsignaal van de moderne partij politiek weerklonk in december 1957. Toen werden lokale verkiezingen georganiseerd in de toenmalige hoofdstad Leopoldstad, nu Kinshasa. De volledige onafhankelijkheid kwam amper enkele jaren later. Westerse politieke partijen hebben een rijker verleden, en eigenlijk 200 jaar meer ervaring.

  2. De politieke partijen waren in de jaren ’50 en ’60 eigenlijk etnische organisaties. Dat vloeide voort uit het koloniale verleden. Politiek beoefenen werd door de koloniale overheid niet aangemoedigd tenzij het etnisch georganiseerd was. België gebruikte zoals andere koloniale mogendheden de verdeel-en-heersstrategie. De Congolese bevolking werd zo al van in het koloniale tijdperk langs etnische breuklijnen verdeeld. We zullen zien dat het UDPS daarentegen spreekt als een nationale partij en precies zal trachten die etnische breuklijnen te overbruggen. Vandaag speelt etniciteit opnieuw een belangrijke rol in de Congolese politiek.

  3. Er waren heel veel politieke bewegingen, partijen, groeperingen actief in Congo. Hierdoor zal geen enkele partij er in slagen een belangrijk deel van de Congolese bevolking te mobiliseren. Ook dat is vandaag een veelgenoemd probleem. Deze politiek versplintering leidt ook onvermijdelijk tot grote coalitieregeringen. Die hebben klassieke nadelen: moeilijk regeren en een zwakker bestuur. Met zovele politieke partijen is de competiviteit tussen de verschillende partijen moordend.

  4. Het vierde kenmerk is ook schrijnend actueel. Na het openen van de administraties en de verschillende regionale besturen voor Congolezen kwamen er 10 000 vacatures vrij. Iedereen die ook maar enigszins geschoold was, kreeg een postje. In de politieke partijen kon iedereen tevreden gesteld worden. Dit leidde tot immobilisme. Niemand was geneigd om over te gaan tot verkiezingen. Er valt immers alleen maar te verliezen. Ook vandaag zitten we in zo’n situatie. In de huidige transitieregering is bijna elke gewapende actor tevreden gesteld. Men is niet geneigd over te gaan tot verkiezingen omdat men alleen maar zijn privileges kan verliezen. (Crawford Young, Congo Political Parties Revisited, p. 77 - 80)

 

 

CHRIS ALLEN: EEN HISTORISCHE VERKLARING

Een actuele analyse van de Afrikaanse politiek geeft Chris Allen (1995) in zijn essay “Understanding African Politics”. In dit artikel ontwerpt Allen zijn “methodiek van de Afrikaanse politieke wetenschappen”. Volgens hem kan er wel degelijk gesproken worden van één Afrikaanse politiek systeem. Als maar op de juiste manier veralgemeend wordt. Afrika verdelen in verschillende categorieën of verschillende politieke systemen is, volgens hem, niet zo belangrijk.
Er kan veralgemeend worden als we de politieke geschiedenis van het Afrikaanse continent bestuderen. Ook dat kan ons helpen om het UDPS te situeren in zijn politieke context.

I shall try to overcome the weakness of Chazan's attempt to identify 'many Africas' by basing my categories on a comparison not of events within individual state histories nor of the political forms that feature in them, but of the sequences of events and forms that make them up. I argue that there are a necessarily limited number of different sequences, which are linked together to form a small number of basic histories, all of which stern from one of two starting points, and into which (almost) all of the actual histories of individual state will fall.”
(Chris Allen, Understanding African Politics, p. 303)

Allens artikel is inderdaad een reactie op Chazans interpretatie van politiek in Afrika. Chazan behoort tot een groep politologen die de Afrikaanse politieke systemen als te verschillend beschouwen om zomaar een algemene analyse van dé Afrikaanse politiek te kunnen maken. Afrika is, volgens Chazan, zo’n uitgestrekt en gevarieerd continent dat veralgemenen een zinloze ondermening is. Wat is dan de taak van een politieke wetenschapper in Afrika? Moet hij zich beperken tot de studie van afzonderlijke statensystemen en politieke culturen? Een politoloog die een breder beeld wil scheppen van Afrika moet zich, volgens deze benadering, inderdaad beperken tot het onderverdelen van landen (of in het beste geval regio’s) in verschillende categorieën.

Een ander uiterste in de benadering is Afrika bekijken als een universeel en inheems politiek systeem. Afrika kan ook begrepen worden als "een systeem van éénmansbestuur" (Jackson & Rosberg, 1982; Sandbrook, 1985), "een vroeg-modern politiek systeem" (Callaghy, 1984), "politiek vanuit de buik" (Bayart, 1989), "een systeem van etniciteit" (Ingram, 1990) of "een systeem van chaos" (Kaplan). (Chris Allen, Understanding African Politics, 1995, p. 302)


Deze theorieën sluiten aan bij de modernisatietheorie. Deze stelt dat de sleutel tot de ontwikkeling ligt in het moderniseren van sociaal-economische en politieke structuren. Het ideaal is de “legaal rationele staat” naar Westers model, zoals geformuleerd door Weber. De Afrikaanse staten zijn met andere woorden gewoon een vroege fase in de ontwikkeling naar Webers “legal rational state”. Allen zet zich af tegen deze benadering. Omdat deze theorieën volgens hem de toetsing met de realiteit niet doorstaan. En omdat de overgang van een premodern naar modern systeem meestal niet zo soepel verliep.
Congo is een voorbeeld van zo'n geweldadige overgangfase.

"What each of these authors does, is to identify structures and processes common to many – but not all African states, and then to write as if that exhausted all possibilities. Thus Senegal, Zaire, Cameroon or Somalia become exemplars of African politics and African political systems in general."
(Chris Allen, Understanding African Politics, p. 302)

Allens analyse is relevant. Dankzij Chris Allen kunnen we de Congolese politiek in zijn Afrikaanse context plaatsen. Congo maakt inderdaad deel uit van de Afrikaanse geschiedenis. Een opvolging van gebeurtenissen die elk Afrikaans land heeft meegemaakt en beïnvloed. De vraag is nu in welke mate dit echter de Congolese politiek heeft beïnvloed.

Volgens Allen hebben Afrikaanse staten één ding gemeenschappelijk en dat is hun voorgeschiedenis. Sommige gebeurtenissen hebben alle Afrikaanse landen beïnvloed, zij het niet op dezelfde manier. Eén van die gebeurtenissen is de kolonisatie. Volgens Allen is de kolonisatieperiode hét uitgangspunt om het ontstaan van een politiek systeem in Afrika te verklaren. Wat Afrikaanse landen nog gemeenschappelijk hebben is de dékolonisatie. Allen komt tot een soortgelijke conclusie als Crawford Young (1985). Ook Allen ziet de dekolonisering als een periode van fundamenteel belang in de ontwikkeling van politieke systemen in Afrika.
(Crawford Young, Thomas Turner, The rise and decline of the Zairian state, p. 25-27)

De manier waarop de dekolonisering georganiseerd werd, heeft de toekomst van veel Afrikaanse landen gehypothekeerd. Aanvankelijk wilde België bijvoorbeeld een langzaam stappenplan volgen naar de onafhankelijkheid van Congo. Geleidelijk zou in Congo een Afrikaanse elite opgeleid worden. In 1950 had de Belgische Koloniale administratie eindelijk de fatale fout begrepen die ze gemaakt had in de voorgaande jaren. Congolezen waren tot dan uit het hoger onderwijs geweerd, zodat er rond 1950 zo goed als geen hoger opgeleide Congolezen waren, in staat om een land te besturen. Om de fout goed te maken, waren de tien jaren tot 1960 te kort.

Vanaf de jaren veertig kenden alle Afrikaanse staten ook de opgang van populair nationalistische bewegingen. Die nationalistische beweging zou de Belgen van strategie doen veranderen.

"While the different territories varied greatly in level of urbanisation, the extent of labour migration, the size of the educated elite or of wage employment, etc, the basic constituents of their social structures were similar, as were the political histories that began in the 1940s with the development of mass nationalism, especially in areas with relatively large towns and an organised workforce." (Chris Allen; Understanding African politics, p. 303)

Door de opkomst van de nationalistische bewegingen, moest de dekolonisering plots veel sneller gaan. Er was geen sprake meer van geleidelijke dekolonisering of een stappenplan naar onafhankelijkheid. De dekolonisatie gebeurde opzettelijk te snel om het radicale nationalistische partijen moeilijk te maken. Groeperingen die de Westerse kolonisatoren vriendelijker gezind waren, hadden het na de dekolonisatie gemakkelijker. De radicale nationalistische groeperingen die hiermee geconfronteerd werden, vielen terug op minder eerbare methoden. Zij begonnen met het c
liëntelisme en het steunen van lokale politici en/of stamhoofden.

"Faced, however with the activity of the radical nationalists in West Africa in the late 1940 (and later most of East-Central Africa), they [Britain, France, Belgium] responded by suppressing the radicals, though not always their leaders, and offering rapid decolonisation to the conservative wing. Decolonisation was now to occur in a matter of years not decades, and to be achieved through a series of elections with mass, but not at first universal, suffrage, allowing African governments to be formed with successively more extensive powers. The elections were introduced with little notice, sometimes only a few months, requiring nationalist organisations to mobilize huge new electorates in a very short time. Those that succeeded had combined two strategies for party building and creation of electoral support: a reliance on individuals who already had considerable local followings, and the use of clientelist (‘patronage’) politics to bind local notables to the party and local voters to the candidates"(Chris Allen; Understanding African politics, p. 304)

 

 

De opgang van het cliëntelisme in de Afrikaanse politiek

De gehanteerde methoden van de nationalistische bewegingen waren cliëntelistisch. Omdat die zo succesvol en lucratief waren. Christopher Clapham (1982) definieert cliëntelisme als een “interactie tussen ongelijken”. Iedereen kent zijn plaats in een cliëntelistisch netwerk. Het is een hiërarchisch georganiseerde structuur waarin iedereen zijn eisen heeft maar ook zijn bijdrage moet leveren. Maar allerbelangrijkst is: een cliëntelistisch netwerk biedt zijn leden mogelijkheden die de staat niet meer kan bieden. (Christopher Clapham, Private Patronage and Public Power, p. 4-5) De kiezers wordt collectieve rijkdom beloofd (scholen, wegen, hospitalen enz.); de plaatselijke kandidaten persoonlijke rijkdom (cash, land, opleiding voor de kinderen enz.) (Chris Allen, Understanding African Politics, p. 304).

Elke politicus bouwt in de jaren na de dekolonisering een cliëntelistisch netwerk onder zich. De mensen zijn afhankelijk van hem, de politicus heeft hun stemmen nodig. De middelen om te verdelen onder de cliënten, worden gehaald uit de staatskas. Een hele generatie cliëntelistische politici is geboren.

"Thus the introduction of clientelist politics in the early 1950s as a device for dealing effectively with the imposed decolonisation strategies of Britain, France and Belgium lead over the next decade and half to the phenomenon known at the time as "political decay
": the rapid growth of politicised communalism, political conflict and violence, abuse of political and human rights, and corruption. More importantly it created its own political crisis, "a crisis of clientelism"."(Chris Allen, Understanding African politics,; p. 305)

Cliëntelisme is sinds de dekolonisering een belangrijk concept in politiek Afrika.
Cliëntelisme leidt tot zogeheten bad governance. Enkel een aantal geprivilegieerden is beter af. Doordat publieke middelen worden voorbehouden voor het cliëntelistisch netwerk, wordt met het algemeen welzijn geen rekening gehouden. Politici zijn bezeten om aan de macht te komen en zichzelf te verrijken. Begrijpelijk als controle over de staatskas de enige mogelijkheid is om aan middelen te komen.

Opnieuw is de kolonisatie de oorzaak van dat cliëntelisme. De meeste Afrikaanse landen kwamen onderontwikkeld uit de kolonisatieperiode. De Afrikaanse economie was enkel gericht op grondstoffenvoorziening voor de kolonisator. Volgens Theobald (1990) is onderontwikkeling een belangrijke verklaring voor de ontwikkeling van cliëntelisme. Economische onderontwikkeling stond economische vooruitgang en welvaart in de weg. Is het verwonderlijk dat de politici de staat zien als een gigantische vetpot, en enige kans op een betere toekomst?

Er was geen vermogende ondernemersklasse bij de onafhankelijkheid van vele Afrikaanse staten. In Europa was het deze klasse die een belangrijke rol speelde in de strijd tegen de staat en voor meer vrijheden. In Afrika ontstaat er een bureaucratische bourgeoisie die afhankelijk is van de staat om in haar welvaart te voorzien. (Theobald, Corruption, Development and Underdevelopment, p.95) Een verpauperde bevolking zal in een verpauperde staat eerst en vooral de "eigen" politicus aanspreken. Als de staat niet kan voorzien in een aantal basisvoorzieningen keert zijn bevolking de staat de rug toe. Het cliëntelistisch netwerk vult dit vacuüm op.

 

 

Cliëntelisme oorzaak van chaos en geweld

De staat is de enige bron van middelen. Daarom zijn politici zo wanhopig naar macht over die staat. Zo wanhopig dat sommige politici bereid zijn om etnische verschillen uit te buiten om de macht terug te grijpen. Cliëntelisme is een vruchtbare voedingsbodem voor corruptie, etnische conflicten, politiek beslecht door geweld en schending van de mensenrechten. Afrika zal er nooit helemaal van verlost geraken, en clientelisme vormt spijtig genoeg de rode draad doorheen zijn geschiedenis.

"Those who failed to gain power at national or local level tried to avoid permanent exclusion by exploiting communal divisions. Ruling parties and successful MP’s did (and would) not attempt to recruit the support of all their constituents or every area of the country, and opposition groupings thus turned to the excluded or disfavoured candidates, families, ethnic groups, churches or Islamic organisations, areas, etc. Long-standing local (and subsequently national) divisions became politicised, while party conflicts became redrawn and reconstructed as communal conflicts." (Chris Allen; Understanding African politics, p. 304)

Na de dekolonisatie komen ook in Congo de etnische breuklijnen naar boven. Tshombe richtte de CONAKAT (Confédération des Associations Tribales du Katanga) op. Hij had de steun van de Bayeke en de Balunda. De Baluba richtten hun partij op, BALUBAKAT. (Zinzen Walter, Mobutu van Mirakel tot Malaise, p 11-12) Op 11 juli 1960 riep Tshombe de onafhankelijkheid van Katanga uit. Ook Congo was het toneel van etnische conflicten en zelfs afscheiding geworden.

 

 

Reactie op de 'clientelist crisis'

 

Dat is wat er gebeurde na de dekolonisatie. Afrika werd geteisterd door geweld en chaos. Allen (1995) noemt dit de "Clientelist Crisis". Er volgt een reactie. In de vorm van een regimewisseling door militair ingrijpen. In sommige landen gebeurt de regimewisseling vreedzaam. De bedoeling is hetzelfde: een stabiel, autoritair systeem creëren. Dit systeem moet de etnische conflicten en chaos die volgde uit de clientelistische crisis, het hoofd bieden. Zo ook in Congo. Jarenlang legitimeerde Mobutu zijn regime als de enige manier om een einde te maken aan etnische stammentwisten, chaos en geweld. Want een krachtdadig regime was het wel. Mobutu troepen traden ongemeen hard op in de eerste en tweede Shaba oorlog (weliswaar met hulp van buitenaf), tegen de studentenprotesten in 69. Op dat moment zat er de schrik voor het leger goed in bij de Zaïrezen. Die demonstratie van geweld verklaart waarschijnlijk de terughoudendheid bij veel groepen om het regime op een gewelddadige manier uit te dagen, zelfs in de neergaande periode. (Crawford Young, Reflections on the state decline and societal change in Zaire, p. 2) Misschien is het daarom dat Mobutu pas 32 jaar later wordt omvergeworpen.

Allen somt op wat die autoritaire regimes typeert.
1) Aan de cliëntelistische netwerken wordt niet geraakt. De hele partijstructuur hangt er immers van af. Men wil enkel iets doen aan de controle van dit cliëntelisme.

2) Een sterk centraal gezag, dat gestalte wordt gegeven door een president met uitgebreide bevoegdheden. Van deze president wordt verwacht dat hij als het ware boven de partijpolitiek staat. Met genoeg middelen om het cliëntelistische spelletje te kunnen meespelen en te manipuleren.

3) De creatie van een éénpartijstaat met de partij als belangrijkste cliëntelistische verdeler van goederen. In Congo werd dat de MPR van Mobutu.

4) Deze regimes betekenden het einde van andere institutionele organen, politieke partijen, parlementen, vakbonden, verkiezingen.

Deze hervormingen waren doeltreffend in die zin dat ze zorgden voor een zekere mate van stabiliteit tot in de jaren 80. Democratie werd echter voor enkele decennia in de koelkast gelegd. (Chris Allen, Understanding African Politics, p. 305-307)
 

 

Spoils politics of “Plunderpolitiek”

Allen (1995) maakt echter gewag van een enkele uitzondering, Zaïre. In Zaïre heeft Mobutu immers het pad van hervormingen al in 1974 verlaten. Politiek wordt vanaf dan gekenmerkt door wat Allen 'spoils politics’ (of plunderpolitiek) noemt. Tot grote verrassing van iedereen boerde het Mobutu-regime helemaal niet slecht in haar aanvangsjaren. Maar het Mobutu-tijdperk bestaat uit twee luiken: de opgang en de neergang. Crawford Young (1985) erkent dat het "nieuwe regime" van Mobutu succesvol was in de periode 1966-1974. Crawford Young typeert dit regime als een autoritaire gecentraliseerde staat naar koloniaal model. (Crawford Young, Reflections On The State Decline and Societal Change in Zaire, p. 2) Zolang de inkomsten uit koper binnenkwamen was er niks aan de hand. Mobutu kon de dure cliëntelistische verdeel-en-heerspolitiek gemakkelijk meespelen. In het midden van de jaren zeventig vielen die inkomsten echter weg, en stak de "clientelist crisis" weer de kop op. Mobutu was niet meer bij machte om de "clientelist crisis" te beheren.

 

"For what in retrospect proved but a fleeting moment (roughly, 1966-74), this project appeared to succeed. But a tidal wave of misfortune in the middle of the 1970s overwhelmed the regime: the copper price break, the rapid accumulation of a crushing debt burden for an ill-considered array of grandiose projecst, the fiasco of the zairianization, the costly gambit of losing involvement in the Angolan struggle in an unseemly alliance with South Africa and the United States. Since that time, time decline has been the predominant pattern." (Crawford Young, Reflections on The State Decline and Societal Change in Zaire, 1985, p2)

 

Allen heeft dit ook opgemerkt. De onopgeloste "clientelist crisis" is de aanleiding voor een nieuw politiek systeem. Cliëntelisme wordt nu tot in het uiterste doorgedreven. Het wordt een systeem van zelfvernietiging: "spoils politics" of plunderpolitiek. Allen somt daarvan opnieuw een aantal kenmerken op. (Chris Allen; Understanding African politic, p. 304)

1) ‘Winner takes all’: politieke strijd is ongemeen bitsig. Het is niet de bedoeling de bronnen van de macht op een evenwichtige manier te verdelen. De winnaar eigent zich alles toe en deelt geen cadeaus uit. De andere partij weet dit. De macht verliezen is dus een dubbel zo harde nederlaag. Theobald (1990) noemt dit politiek als een 'zero-sum game'. De verschillen tussen de verschillende etnieën, tussen rijk en arm zijn zo groot dat er geen consensus mogelijk is. Politiek wordt keihard gespeeld. Men streeft niet alleen naar de macht maar ook naar de vernietiging van tegenstanders.

"An atmosphere of acute distrust prevails; politics becomes a ruthless zero sum contest in which contending parties strive not simply to stay on top but to eliminate their opponents altogether. The political style is therefore, conspirational: characterised by constant manoeuvring, the making and breaking of alliances, carpet crossing, character assassination and sometimes physical assassination." (Theobald, Corruption, Development and Underdevelopment, p.93)

Dit lijkt een waarheidsgetrouwe beschrijving van het "hof" van Mobutu, van wie geweten is dat hij over lijken ging. Het zou ons te ver leiden om alle complotten door en tegen Mobutu nu uit de doeken te doen. De bekendste afrekeningen die Mobutu heeft laten uitvoeren zijn ongetwijfeld de moorden op Lumumba en Moïse Tshombe.

Dat ‘winner takes all’ principe leidt ook tot een groeiend factionalisme binnen partijen, iedereen wil immers een deel van de koek. Dat gegeven is interessanter voor ons onderwerp, want we zien dat ook het UDPS geteisterd wordt door factionalisme.

2) ‘Corruption/Looting of the economy’:
Het gebruiken van publieke middelen voor eigen gebruik is een bekend verschijnsel in de Afrikaanse politiek. Theobald (1990) noemt dit patrimonealisme. Hij probeert te verklaren waarom patrimonealisme meer voorkomt in ontwikkelingslanden. Ontwikkelingslanden kennen een overontwikkeld (wat niet wil zeggen goed een georganiseerd) staatsapparaat. En in landen met een overheid met veel middelen is er nu eenmaal meer kans op patrimonealisme, aldus Theobald.

Maar dit is niet de enige factor die bepalend is, het Afrikaanse politieke landschap speelt ook een
rol. Theobald heeft het over drie eigenschappen van de Afrikaanse politiek die patrimonealisme mogelijk maken. Ten eerste, de aard van politiek bedrijven, politiek als zero sum game (eerder vermeld). In zo'n onveilige omgeving heeft een politicus een netwerk nodig om op terug te vallen. En het netwerk heeft hem nodig, maar verwacht tegelijkertijd wederdiensten. Ten tweede de afwezigheid van een bemiddelde ondernemersklasse. De zwakke economieën in de onderontwikkelde staten reproduceerden geen onafhankelijke economische elite. In plaats daarvan probeert men geld uit de staat te halen. Er ontstaat een niet-ondernemende bureaucratische klasse. De derde reden die Theobald aanhaalt, is een vingerwijzing naar Westerse bedrijven die de middelen ter beschikking stelden van corrupte regimes. En zo hun levensduur verlengden. (Robin Theobald, Corruption, Development and Underdevelopment, p. 93-94)

3) 'Economische crisis':
Crawford Young (1995) formuleert drie factoren die de Zaïrese economie ondermijnd hebben. Eerst en vooral, de koper productie die volledig is teruggevallen. Gécamines, het grootste Zaïrese mijnbedrijf, was decennialang de motor van de economie. Maar door wanbeheer is het bedrijf nu nog maar een schim van wat het ooit geweest is. In 1985 produceerde het 471 000 ton koper in 1995 nog maar 35 000 ton. Een tweede factor die de ontwikkeling van de economie bijna onmogelijk maakte, was de stijgende staatsschuld. Van 3 miljard dollar in 1975, tot 12.3 miljard dollar in 1995. Een derde factor was de zwakke munteenheid, en een inflatie die steeg tot bijna belachelijke hoogte. Dit is zeer slecht voor een goed ondernemersklimaat. (Crawford Young, Reflections on State Decline and Societal Change in Zaire, 1995) Vandaag is de economische impasse in Congo compleet.

4) 'Lack of Political Mediation':
Allen bedoelt dat er een gebrek aan overleg is tussen de staat en bepaalde groepen ontevredenen in de samenleving. Dit is eigen aan een ondemocratisch staatsbestel. Ook Mobutus regime liet geen overleg toe. Toch kon hij op één of andere manier bepaalde signalen uit de samenleving opvangen. Soms reageerde hij daar op, wat misschien mede de lange levensduur van zijn regime verklaart.

De geschiedenis van de Nationale Soevereine Conferentie van 1991 bewijst hoe ver de consensus te zoeken is in de Congolese politiek. Zelfs terwijl rond hen het land instort kunnen de politici in deze conferentie niet tot een akkoord bewogen worden. Dit gebrek aan overleg zorgde voor een politieke impasse. Die politieke impasse verklaarde op zijn beurt het onstabiele klimaat dat heerste in Zaïre tijdens de transitieperiode.

5) 'Repression and Violence':
Repressie is één van de belangrijkste kenmerken van Mobutu's regime. De vervolging van de UDPS militanten in de jaren 80 getuigt hiervan. (zie infra) Mobutu had een goed uitgebouwd repressie apparaat te zijner beschikking. Het UDPS had, zeker in haar beginjaren, steeds af te rekenen met dit repressieapparaat. De geheime politie was overal, klaar om in te grijpen.

6) 'Communalism':
Etniciteit is het middel van mobilisatie bij uitstek geworden. Etniciteit wordt hoe langer hoe belangrijker in de Congolese politiek. Men moet etniciteit hier opvatten als een modern gegeven, niet als een primitief overblijfsel uit het prekoloniale verleden van Congo. Etniciteit is immers een antwoord op moderne ontwikkelingen. Etniciteit hangt duidelijk samen met cliëntelisme, ons centrale concept. Mensen trachten de mislukte staat waarin ze leven, te vervangen door iets anders. Ze grijpen terug naar hun etnie, want die kan hen de veiligheid en de middelen bieden die de staat hen niet meer kan geven. (Bruce Berman, Dickson Eyoh & Will Kymlicka, Etnicity & democracy in historical & comparative perspective, p. 3-10)

Er zijn veel theorieën geschreven over etniciteit. De Congolezen beseffen dat dit niet de manier is om tot een betere ontwikkeling te komen. De belangrijkste politieke partijen van de huidige overgangsperiode zoals de MLC van vice-president Jean-Pierre Bemba en de RCD vallen terug op hun lokale uitvalsbasis, respectievelijk in de Evenaarsprovincie en de Kivu. Hoewel het UDPS steeds geageerd heeft tegen wat ze zelf noemde 'tribalisme', valt ook die partij nu terug op de lokale uitvalsbasis in de Kasaï. Hoewel de uitvalsbasis van het UDPS in Kasaï ligt, heeft het UDPS steeds getracht dit te overstijgen, door bijvoorbeeld mensen uit andere provincies in het bestuur te betrekken.

7) 'Endemic instability & erosion of authority':
Congo is al lange tijd een onrustig land. Zelfs Mobutu's regime was ondanks zijn uitgebreid repressieapparaat in se een instabiel regime. De muiterij en plundering van Kinshasa en andere steden in september 1991 illustreren dit. Maandenlang was het land onbestuurbaar. Axel Buyse (1994) schrijft dat de Congolese bevolking in een soort shocktoestand was op dat moment. De uitzichtloze armoede dreef een kampement soldaten in Ndjili tot de plundering van Kinshasa. Deze chaos sloeg over naar andere militaire kampen overal in het land. De chaos stak zelfs de bevolking aan, die ook begon te plunderen. De gebeurtenissen van september 1991 lieten een verwoest land achter. (Axel Buyse, Democratie voor Zaïre, p. 27-28)

Deze jarenlange instabiliteit zorgde ervoor dat de Democratische Republiek Congo vandaag tweede staat in de Global Index of Failed States. De index, opgesteld door het Amerikaanse tijdschrift Foreign Policy, heeft voor het opstellen van deze index verschillende variabelen uitgewerkt. Demografische druk, vluchtelingenproblematiek, menselijk leed, economische crisis, legitimiteit van de staat, mensenrechten, veiligheid, factionalisme en buitenlandse interventie zijn de concepten die onderzocht werden. Op elk concept scoort Congo zeer slecht (dus zeer hoog). Het tijdschrift besluit dat Congo een mislukte staat is geworden. Congo is als mislukte staat een gevaar voor andere landen en zijn eigen bevolking geworden. Congo is een onbestuurbaar land geworden.
(gelezen op http://www.foreignpolicy.com/story/cms.php?story_id=3100 op 2 juli 2006)

Crawford Young (1995) koppelt een aantal gevolgen aan deze corruptie op grote schaal. Het is niet alleen een belangrijke verklarende factor in de economische crisis die Congo zal treffen vanaf het midden van de jaren 70. Het leidt ook tot ‘the decay of the public realm’. De staat baadt in een sfeer van corruptie. Dat tast de competentie, de geloofwaardigheid van al haar ambtenaren aan. De staat heeft het moeilijker en moeilijker om middelen te mobiliseren voor noodzakelijke infrastructuurwerken en voor andere overheidsaangelegenheden. (Crawford Young, Reflections on State Decline and Societal Change in Zaire, p.2)

 

 

Waarom het aanslepen van spoils politics?

 

Allen zit duidelijk verveeld met iets. Want hoe kan een politiek systeem als spoils politics tegelijk zo destructief zijn én het zo lang uithouden?

"Regime survival is potentially embarrassing for my model,..." (Chris Allen, Understanding African politics,p. 309)

Met andere woorden, waarom bleef Mobutu, ondanks alle negatieve kenmerken zopas opgesomd, 32 jaar aan de macht? Is dit eigen aan het systeem van “plunderpolitiek”? Wat was de reactie vanuit de samenleving? Waarom schoten de groepen die hierop wilden reageren tekort?
Allen formuleerde een aantal redenen die maakten dat Mobutu en andere spoils politics systemen het zo lang uit hielden.

1) "Leadership skills":
Mobutu was volgens velen een charismatisch man, creatief en dynamisch. De manier waarop hij beslissingen nam was direct en efficiënt. Hij was bij elke beslissing betrokken. (Walter Zinzen, Mobutu van Mirakel tot Malaise, p. 67) Hij werd gesteund door een gigantische propagandamachine. Hij was een genie in het verzinnen van mobiliserende termen, zoals zaïrizering, "retroussons les manches", "servir oui, se servir non", "le mal zaïrois",... Deze kwaliteiten als leider hebben zeker mee bepaald waarom hij het zo lang heeft uitgezongen.

2) "Windfall gains"(meevallende winsten):
Het belangrijkste wapen in de handen van Mobutu was zijn gigantische fortuin. Op die manier kon hij bepaalde elites aan zich binden en de oppositie verdelen. Zijn geld werd gebruikt om zijn cliëntelistische netwerk te onderhouden. Zo kon hij de Nationale Soevereine Conferentie in zijn macht houden door 'partis alimentaires' in het leven te roepen. Deze partijen zaten in de oppositie maar steunden eigenlijk Mobutu. Voor het saboteren van de parlementaire dialoog werden ze rijkelijk beloond.

3) "External support":
De Belgische regering was lange tijd vrij onvoorwaardelijk in haar steun aan Mobutu. Vooral de Belgische premier Wilfried Martens en zijn Buitenlandminister Leo Tindemans steunden hem door dik en dun. In de jaren 90 werd Mobutu echter een 'persona non grata' voor de Belgische diplomatie. Vandaag steunt België vrij actief het transitieregime. De Belgische diplomatie hoopt dat president Kabila de verkiezingen zal winnen. (gesprek met Jozef Smets, Belgische diplomatie, 5 juli 2006)

4) "Technical sophistication in repression":
Walter Zinzen (1995) laat zijn licht schijnen op de veiligheidsdienst van Mobutu. Of beter gezegd, veiligheidsdiensten. De veiligheidsdiensten van het leger zijn FIS (Force d'Intervention Spéciale) en FAS (Force d'action Spéciale). Het verschil tussen de twee lijkt onduidelijk. De burgerlijk veiligheidsdiensten zijn SNIP (Service Nationale d'Intelligence et de Protection) en ANIP (Agence Nationale d'Intelligence Spéciale). Voor de ordehandhaving is er de Gendarmerie, met verkeersafdeling en de Garde Civile, zonder verkeersafdeling. En dan is er nog de DSP (Division Spéciale Présidentielle), de persoonlijke lijfwacht van de president. De DSP telde naar schatting zeven à vijftienduizend goed getrainde Mobutu getrouwen. En dan is er ook nog de SARM (Service d'Action et de Renseignerments Militaire), een soort Politieke Politie naar Roemeens model. (Walter Zinzen, Mobutu van Mirakel tot Malaise, p. 90-91)

Het valt op dat bijna elke veiligheidsdienst (behalve het DSP) een dubbelganger heeft. Volgens Walter Zinzen wil Mobutu de veiligheidsdiensten op die manier hopeloos verdelen zodat ze geen gevaar worden voor hem. Elke veiligheidsdienst bespioneert de andere en Mobutu is de enige die op de hoogte is van alle intriges. Een andere verklaring kan Theobalds (1990) verklaring van de overontwikkelde staat in ontwikkelingslanden zijn. Zaïre had dus een uit de kluiten gewassen veiligheidsdienst, en die heeft Mobutu mede zo lang aan de macht gehouden.

 

 

Het einde van de ,,plunderpolitiek’’ of spoils politics

We mogen ons niet schuldig maken aan determinisme. Het is niet alleen door die vier variabelen dat spoils politics in het algemeen en Mobutu in het bijzonder zo lang stand hielden. Spoils politics is geen absoluut concept. Ook spoils politics is onderhevig geweest aan veranderingen en hervormingen. Allen verdeelt die hervormingen of reacties onder in drie categorieën. Er waren de populistische revolte, de gecentraliseerde bureaucratische hervorming en hervormingen die aan de gecentraliseerde bureaucratische hervorming verwant waren.

Vooral die eerste twee zijn relevant voor het onderwerp van deze thesis. Populistische revoltes ontstonden vanuit groeperingen die bestonden uit een verarmde stedelijke onderklasse, radicale studenten, en georganiseerde arbeiders, soms ook radicale ambtenaren. Ze reageerden op de zelfdestructieve plunderpolitiek. Hoewel spoils politics een vrij lang leven beschoren was, vervreemden hoe langer hoe meer mensen van het regime.
Op de lange duur ook mensen uit de elite. Chris Allen beschrijft dit als volgt:

"Part of the reason is that spoils politics necessarily excludes not only mass participation but also increasingly large sections of the elite, and some of the elite -- notably the professions -- may come to share in popular judgements of the need for politicql transformation."
(Chris Allen, Understanding African Politics, p.310)

Hier ligt de oorsprong van het UDPS. De meeste van de dertien stichtende leden hadden in de voorgaande jaren actief samengewerkt met het regime. Eén van de Founding Fathers van de UDPS, Etienne Tshisekedi bijvoorbeeld, heeft vanaf 1961 tot eind van de jaren zeventig steeds leidende functies bekleed. Eerst in Lumumba's regering daarna in die van Mobutu. Op een gegeven moment begint hij zich echter te roeren en valt hij uit de gratie van de president.

Deze populistische beweging onderscheidde zich van andere groepen in die zin dat ze een fundamentele verandering nastreefden van het politieke systeem. In plaats daarvan plaatsten ze een andere, populistische manier van politiek bedrijven. Ze zochten naar een authentieke, Afrikaanse oplossing. (Chris Allen, Understanding African Politics, p311-312) Die gedachte was ook in het UDPS aanwezig. Dikonda, de buitenlandse vertegenwoordiger van het UDPS in België, was een socioloog. Hij had het vaak over 'traditioneel pluralisme'. In de Morgen van vrijdag 28 juni 1985 omschrijft Dikonda dat als volgt:

 

"Wij hebben een project voor een nieuwe samenleving, en daarin is politiek pluralisme onmisbaar. Vooreerst is dat een traditionele wijze van regeren in de oude Afrikaanse samenlevingen. Altijd waren er op zijn minst twee groepen, twee wegen. De groep die regeert en de groep die hem verwacht op te volgen -- en die groepen surveilleren elkaar onderling." (De Morgen, 28 juni 1985)

Het UDPS meent dus legitimiteit te vinden in een zogezegd authentieke Afrikaanse oplossing. Al heeft de partij later haar opvattingen over democratie aangepast en verbeterd.

Deze populistische revoltes leidden tot oprichting van een aantal populistische regimes. Die populistische regimes transformeerden zichzelf al na korte tijd in gecentraliseerde bureaucratische regimes (zoals in het geval van Ghana en Uganda), of in factionalistische systemen (Burkina Faso) of in sommige gevallen keerde de oude spoils politics terug (Liberia).
(Chris Allen; Understanding African politics, p. 310)

Hoewel de oorsprong van beiden dezelfde is, verschilt het UDPS duidelijk van deze populistische revoltes. Het UDPS heeft steeds geweldloos verzet gepredikt. Het eerste manifest "La Nouvelle Société" is van de hand van Dikonda. De ondertoon is enthousiast en onverzettelijk. Maar dit document blinkt vooral uit in gematigdheid. De kernwoorden van het manifest zijn: geweldloosheid, tolerantie, pragmatisme en democratie. Pragmatisme wordt als volgt omschreven:

"L'UDPS, s'oppose au dogmatisme et par conséquent, à la politique de "tout ou rien". Elle entend concilier les principes qui sont les siens avec les données politiques objectives."
(La Nouvelle Société, UDPS, 1984)

 

Zoveel is duidelijk, hier zijn geen “echte” populisten aan het woord. En omdat ze nooit de macht gegrepen hebben, heeft Allen hen waarschijnlijk over het hoofd gezien.

 

 

Spoils politics voorbij: "mediated statehood"

 

Congo lijkt sinds 1990 in een voortdurende transitieperiode te zijn terechtgekomen. Eerst was er de transitie onder 'de hoede' van president Mobutu. Daarna die onder de hoede van de internationale gemeenschap. De eerste transitie werd gegijzeld door president Mobutu. Gauthier de Villers vatte deze transitie al samen als een volledige mislukking. (Gauthier de Villers, La Transition Manquée, p. 20-21) Ik kan me niet aan de indruk ontdoen dat de eindeloze transitieperiode niet meer is dan een nieuwe fase van spoils politics.

Tijdens Mobutu's regime konden we reeds zien dat de grenzen van het plunder politiek bereikt waren. Crawford Young stelde reeds in 1995 een 'decay van public realm' vast, vandaag kunnen we de ondergang van de Congolese staat aankondigen (Crawford Young, Reflections on State Decline and Societal Change, p. 2-3). Hoewel Congo niet te vergelijken is met de Somalische situatie, hebben de Congolese spoilers een andere manier gevonden om de Congolese staat te bypassen.

Koen Vlassenroot & Timothy Raeymaekers (2006) beschrijven nauwgezet de overgang van 'spoils politics' naar 'mediated statehood':

 

"While state power initially was a vehicle to manipulate access to the distribution of resources, the destruction of the formal economy provoked a shift towards a decentralised patronage network and towards control over clandestine trade networks." (Koen Vlassenroot & Timothy Raeymaekers, Nor Mobutu nor chaos why Congo's elections will not lead to democracy, p.2)

 

De staat is niet meer de vetpot die het vroeger was, dus moeten 'spoilers' het geweer van schouder veranderen. Lokale actoren beginnen de staat te beconcurreren. Dat de overheid niet meer in staat is om zijn wil overal op te dringen, laat staan de veiligheid te waarborgen, opent perspectieven voor de lokale machtshebbers. Lokale clandestiene netwerken worden actief in het smokkelen van natuurlijke rijkdommen en het heffen van tol. Zo ontstaat er meer en meer een parallelle machtstructuur. De macht van de staat wordt uitgehold. De Congolese staat, nochtans berucht om haar hardhandige optreden moet vandaag meerdere clandestiene netwerken dulden, die de controle over grote delen van het grondgebied overnemen.

Conflict zit in dit systeem ingebakken. Politieke veranderingen komen enkel door de loop van een geweer. Dit is volgens Koen Vlassenroot en Timothy Raeymaekers (2006) het grootste gevaar van 'mediated statehood'. Conflict is een bron van inkomen voor de meeste milities. Deze milities hebben dan ook alle belang bij dat Congo een conflictrijke omgeving blijft. Zolang er oorlog in Congo is, blijven deze milities de sluiswachters en tolheffers. Het gevaar is dat de Congolese politiek in een permanente staat van 'wartime politics' zou terechtkomen.
(Koen Vlassenroot & Timothy Raeymaekers, Nor Mobutu nor chaos why Congo's elections will not lead to democracy, p.3-4-5)

Het democratisch deficit van 'mediated statehood' is navenant.
Niet de representativiteit maar wel het aantal strijders die een militie kan op de been kan roepen, is van belang. Voor een ongewapende politieke partij als het UDPS is het moeilijk om hier tegen op te tornen. Het UDPS is nochtans niet helemaal ongewapend. Ook het UDPS kan soms gewelddadig uit de hoek komen. Dat lijkt de taak voor de jonge partij leden, de zogenaamde 'parlementaires debout', soms ook wel politieke hooligans genoemd. De toekomst moet uitmaken of ook het UDPS zich aangepast heeft aan dit nieuwe politieke systeem.

Deze omgeving is een antidemocratische omgeving. Verkiezingen organiseren in een land waar gewapende groepen de plak zwaaien is een hachelijke onderneming. De Verenigde Naties helpen dan ook mee de rust te bewaren in Congo. De rebellen werden in een transitieregering betrokken in de hoop dat ze de wapens zouden neerleggen en zich zouden omvormen tot volwaardige politieke bewegingen.

 

Evolueert de Congolese politiek naar “machine politics”?

Dat deze redenering een te naïeve redenering is, leert ons James C Scott. Congo lijkt nu in het beste geval af te stevenen op 'machine politics'. Machine politics verwijst naar de maffia-achtige netwerken die ontstonden in stedelijk Amerika, op het einde van de negentiende eeuw. In die chaotische stedelijke omgeving vielen de inwijkelingen terug op hun vertrouwde netwerken. Scott (1989) omschrijft deze machines als:

 

"Rather, it is a nonideological organization interested less in political principle than in securing and holding office for its leaders and distributing income to those who run it and work for it." (J C Scott, Corruption, Machine Politics and Political Change, p. 276)

Scott omschrijft in wat voor omstandigheden die politieke “machines” de kop op steken. Vooral als (1) de politieke leiders door verkiezingen aangewezen worden, (2) er een systeem van algemeen enkelvoudig kiesrecht bestaat, en er (3) uitermate hoge concurrentie tussen de verschillende partijen bestaat, vinden deze politieke machines opgang. Ontwikkelingslanden zoals Congo bieden een sociale context aan die een vruchtbare voedingsbodem is voor machine politics. Vooral woelige periodes, zoals tijden van verkiezingen zijn het gevaarlijkst.

 

"When the social disorganization accompanying urbanization and economic change is particularly severe and of long duration, when it is compounded by deep cultural differences, and when competitive elections with a universal suffrage are introduced early, the pressures toward machine politics will be vastly greater than when demographic change is gradual and less severe…" (JS Scott, Corruption, Machine and Political Change, p. 279)

 

Als deze woorden bewaarheid worden, staat Congo nog moeilijke tijden te wachten. De verkiezingen kunnen een nieuw begin inluiden. Wil Congo evolueren naar een echt democratisch regime dan zal met de concepten die ik hier heb uiteengezet rekening moeten gehouden worden. Hopelijk kunnen de fouten die in het verleden gemaakt werden, vermeden worden.
Het UDPS verwijt de internationale gemeenschap precies dit: dat ze geen allesomvattende analyse heeft gemaakt van het democratiseringsproces in Congo. En dat ze geen oog heeft voor de gevoeligheden van de Congolese politiek.

 

 

Hoofdstuk twee: de geschiedenis van het UDPS

 

DEEL I: De clandestiene geschiedenis van de partij (1982-1990)

 

INLEIDING

1977: Joseph-Désiré Mobutu Sese Seko is al twaalf jaar aan de macht en hij zal nog twintig jaar aan de macht blijven. We kunnen niet rond de figuur van Mobutu. Hij heeft ondanks zichzelf een belangrijke rol gespeeld in het ontstaan van de oppositiepartij UDPS, de Unie voor Democratie en Sociale Vooruitgang.

Mobutu kwam via een coup aan de macht in 1965 en zou de 32 daaropvolgende jaren Congo in een ijzeren greep houden. De Mobutu-era is uiteraard een belangrijke periode in de recente geschiedenis van Congo. De invloed daarvan is nog niet voorbij. Tot op vandaag hypothekeert Mobutu de kansen van Congo om zich te ontwikkelen. Zaïre was 32 jaar een dictatuur. Toch was de Mobutu-era geen monolithische periode. Op sommige momenten moest of wilde Mobutu zijn greep op Congo verslappen. Dikwijls waren het schijnbewegingen, maar periodes van ontdooiing zijn er wel degelijk geweest.

Jean-Claude Willame (1987) schreef de geschiedenis van het UDPS van 1978 tot 1987. Hij situeert de oorsprong van het UDPS in de schoot van het Mobutu-regime zelf. De founding fathers waren inderdaad politiek actief in dat regime. Met name in de eenheidspartij van toen: het MPR, Mouvement Populaire pour la Révolution, van Mobutu. De eenheidspartij waar elke Zaïrese burger automatisch lid van werd.

1978 is één van die zeldzame periodes van ontdooiing geweest. Mobutu is degene die alles in gang gezet heeft. Jarenlang had hij Congo in een ijzeren greep. Maar hij beseft dat hjij de greep op het gebeuren verliest. Het economische mirakel uit het begin van zijn regime is immers voorbij. Er moet iets gebeuren. Op 25 november 1977 geeft Mobutu een eigenaardige speech die de geschiedenis zal ingaan als zijn "Discours sur le Mal Zairois", oftewel zijn visie op wat hijzelf de Zaïrese ziekte noemt. In die speech hekelt hij de corruptie in zijn land, zonder daarbij de verantwoordelijkheid van zijn eenheidspartij MPR uit de weg te gaan. Hij gaat nog verder. Als één van de oorzaken van de corruptie in zijn land, geeft hij ook het democratisch deficit aan.

Mobutu begint met die speech een Zaïrese “glasnost”. Nog voor die in de Sovjetunie moest uitgevonden worden. Maar ze zal in Congo van korte duur zijn. Toch is het hek van de dam. Er komt een golf van kritiek op het regime. Mobutu’s speech van 25 november 1977 is heel belangrijk voor de ontstaansgeschiedenis van het UDPS. Mobutu zal hierna de kritiek nooit helemaal onder controle krijgen. Tijdens deze “glasnost” van Mobutu stelt hij drie politieke remedies voor. Mobutu pleit voor een operatie schone handen in de administratie en de justitie. Hij pleit ook voor een liberalisering en voor meer vrijheid van meningsuiting.

Maar het blijft niet bij woorden. Mobutu’s discours heeft belangrijke consequenties. Het parlement wordt door een wet van 4 juni 1978 in ere hersteld. Dat parlement bestaat, naar goede gewoonte in een éénpartijstaat, alleen uit leden van het MPR van Mobutu. Er ontstaat echter een dynamiek in het parlement. De parlementsleden beginnen de parlementaire controle serieus te nemen. Controle op de uitvoerende macht, op de rechterlijke macht, en ook op de openbare instellingen. De parlementairen maken gretig gebruik van de hefbomen die hen geboden worden: interpellaties, schriftelijke vragen, mondelinge vragen, en zelfs onderzoekscommissies.

Het Congolese parlement begint zowaar op een Westers, democratisch werkend parlement te lijken. Wat het parlement niet kan, is het de uitvoerende macht naar huis sturen. Dat is net het tere punt in de zogezegde emancipatie van het parlement. Een motie van wantrouwen is de machtigste die een parlement bezit, maar dat kan nu net niet. Algauw maken de parlementairen kennis met de grenzen van de bewegingsruimte die hun door Mobutu was gegeven. Mobutu weet door een paar handige verschuivingen in de regering en door het opnemen van een aantal oppositie figuren in zijn regering de rust in het parlement te herstellen. Toch is deze kortstondige “Zaïrese glasnost” een belangrijke periode geweest. De kiem van het latere UDPS ligt in dat parlement. Sommige parlementairen kunnen nu niet meer zwijgen. Tshisekedi is één van hen. Tshisekedi zal in deze periode een eerste maal in conflict komen met Mobutu.


BLOEDBAD OP DIAMANTDELVERS IN KASAI

In juli 1979 komt er de eerste serieuze aanvaring tussen Tshisekedi en Mobutu. In Katekelay in Oost-Kasaï schieten soldaten op artisanale diamantdelvers. Tshisekedi is van de streek. Hij schrijft op 23 juli 1979 samen met vier andere parlementairen die ook afkomstig zijn uit Kasaï, een brief naar president. De brief is rechtstreeks gericht aan de president, de toon is kritisch tot beschuldigend. Tshisekedi klaagt de moordpartij aan, maar ook andere wantoestanden. Het is misschien wel de eerste keer dat iemand zo formeel tegen Mobutu durft ingaan.

Tshisekedi en de andere parlementairen worden door Mobutu op de beruchte legerkazerne Camp Tschatshi in de hoofdstad Kinshasa ontboden. Mobutu is razend. De president bedreigt de vier en dwingt hen een officieel bericht te ondertekenen, waarin gewag wordt gemaakt van maar drie doden in plaats van 200. Dat incident wordt het eerste grote openlijke conflict tussen Tshisekedi en Mobutu. De vier parlementairen worden er nog maar eens aan herinnerd hoe gevaarlijk het is oppositie te voeren in het Zaïre van Mobutu. Nochtans blijft ondertussen de kritiek op het regime doorgaan in het weliswaar verzwakt parlement.

Mobutu grijpt in. Hij schroeft de macht van het parlement volledig terug. In februari 1980 is het parlementaire sprookje uit. Mobutu kondigt twee besluiten af die hem opnieuw alle touwtjes in handen geven. Het eerste besluit gaat erover dat Mobutu opnieuw zelf het politiek bureau van het MPR zal samenstellen. Vele opstandige parlementairen maakten deel uit van dat politiek bureau en hadden net een zekere autonomie weten te verwerven.

Mobutu’s tweede maatregel stelt zelfs een einde aan het recht op interpellatie van het parlement. Voortaan moeten interpellaties in het parlement eerst goedgekeurd worden door de Chef, de Stichter en de President van de staat. De macht wordt opnieuw volledig geconcentreerd in de persoon van Mobutu. Op de parlementaire zitting van 4 februari 1980 verklaart Mobutu het volgende.
 

"Sans chercher à établir des responsabilités, si nous réfléchissons bien, nous avons été nous même pris au piège du système institué pour la composition des membres du Bureau Politique. C’est à dire l’élection, dans une élection, tout le monde peut passer. C’est l’électorat, maître de jeu, qui apprécie le candidat en fonction de toutes sortes de critères qui lui sont propres. Dès lors, il s’est créé une situation anachronique qui fait que le President de la République que je suis a parfois eu le sentiment d’être plus un President-Délégué Général qu’un Chef d’Etat lors de certaines réunions du Bureau Politique. Ce n‘est pas normal. (…)" (Jean-Claude Willame, Chronique d'une Opposition Politique: l'UDPS (1978-1987), p. 14-15)

Opvallend genoeg komt het meeste protest van de parlementairen er naar aanleiding van Mobutu’s eerste maatregel en niet de tweede maatregel. Namelijk over het naar zich toetrekken van de macht in het Politiek Bureau van het MPR.
 

 

UDPS EN DEMOCRATIE

Volgens Prof. Dr. Omasongo van het Afrika Instituut in Tervuren zal Tshisekedi later steeds een aanhanger van sterk bestuur blijven. Aanvankelijk wilden de kritische parlementairen het MPR gebruiken voor hun hervormingen. Het MPR kan voor een sterk bestuur zorgen, als zij aan het roer staan. Dit komt nu in gevaar, door Mobutu’s maatregelen.

Mobutu gebruikt steeds de klassieke argumenten om zich tegen democratie te blijven kanten. William Tordoff (2002) heeft het er in "Government and Politics in Africa" over: de meeste politieke dictaturen in Afrika zijn uiterst terughoudend om democratiserende maatregelen te nemen. Ze gebruiken daarvoor steeds dezelfde argumenten: namelijk dat een multipartijenstelsel steeds etnische verschillen zal aanwakkeren. Ook zou multipartisme sociale herverdeling in de weg staan, politieke onlusten aanwakkeren, en tenslotte de ontwikkeling van het land belemmeren. Later zal dit streven voor een multipartijenstelsel voor het UDPS een cruciale eis in haar discours zijn. (William Tordoff, Government and politics in Africa)

In 1980 zal de eis voor een multipartijenstelsel allesbehalve een belangrijk strijdpunt zijn voor het UDPS. Volgens Omasongo zijn de parlementairen van 1979 aanvankelijk helemaal niet revolutionair gezind. Ze sparen Mobutu niet in hun kritiek. Maar ze koppelen hier aanvankelijk geen democratisch gedachtegoed aan vast. Hun hervormingen beperkten zich tot de eenheidspartij MPR waar ze allemaal lid van waren. Die ambigue houding in haar standpunt over democratische vernieuwing blijft een teer punt voor het UDPS in haar discours die eerste jaren.

Eén van leiders van de partij, professor Dikonda, had zo zijn eigen visie over de Afrikaanse democratisering. Dikonda was in 1982 naar Brussel gevlucht om daar het verzet verder te zetten. Hij zal jarenlang de woordvoerder van het UDPS zijn. In De Morgen van 28 juni 1985 vergelijkt hij de Afrikaanse democratie met "traditioneel pluralisme". Hiermee gaat hij in tegen de zogezegde "Bantoedemocratie", waarop Mobutu een beroep deed om zijn ondemocratische regime te legitimeren. Dikonda omschreef de bestuursvorm in veel stammen, zoals de Bacongo en de Baluba als traditioneel pluralisme.

"Bij deBakongo heb je de opvolgers van de koning, zijn zonen waaruit de opvolger wordt gekozen. Binnen dat kiescollege wordt campagne gevoerd. Bij de Baloeba in Kasai heb je aan de ene kant de regeerders en aan de andere kant deoppositie – degenen die aanspraak maken op de opvolgers diehet beleid kontroleren, die de zwakheden van regeerders opsporen, enz. (...) Het feit dat wij vinden dat er minstens twee partijen moeten zijn, speelt niet alleen op het niveau van ideologische meningsverschillen- het gaat om de mogelijkheid tot kontrole op het beleid." (De Morgen, 28 juni 1985)

Dikonda kijkt anders aan tegen democratie. Zijn visie verschilt van een Westerse analyse van democratie. Westerse analisten zullen bijvoorbeeld meer de persoonlijke vrijheden die democratie met zich meebrengt, beklemtonen. Voor Dikonda is het vooral van belang dat democratie een betere bestuursvorm oplevert.
 

 

1980: BEGIN VAN EEN ZAÏRESE PERESTROJKA?

Achteraf is het moeilijk te zeggen waarom Mobutu aan zijn discours over Le Mal Zairois begonnen is. Het zag er in ieder geval veelbelovend uit. Er was een grote wil tot hervormen. Hij kon een Zaïrese Perestroika inluiden. De vraag is of de antidemocratische Mobutu van februari 1980 een andere Mobutu is dan deze die op 25 november 1977 aanzette tot meer democratie. Mobutu was niet veranderd. De omstandigheden waren dit wel.

Het leidt ons te ver om in te gaan op de slabakkende economische situatie van 1977. Hoe dan ook had de Zaïrisering een verwoestend effect op de economie. Dat kwam bovenop de instorting van de koperprijs. Maar in 1977 breekt ook de eerste Shaba-oorlog uit. De kwetsbaarheid van het regime wordt ineens heel duidelijk. Het mirakel van Mobutu uit de jaren 60 is omgeslagen in een malaise, zoals Walter Zinzen dit zo mooi verwoordde in zijn boek "Mobutu Van Mirakel tot Malaise." Mobutu’s regime stond zwak. Daar moet de oorzaak voor de plotselinge hunkering naar hervorming te zoeken zijn. Zijn regime had een “legitimeringsboost” nodig.

Vandaag weten we dat echte democratisering het laatste was wat Mobutu in gedachten had. Crawford Young (1987) analyseert deze periode van ontdooiing. Volgens Young was democratie gewoon een middel voor Mobutu om zijn tanende legitimiteit terug op te krikken. Zelfs de meest autoritaire regimes hebben een zekere mate van legitimiteit nodig. Mobutu's regime rustte niet alleen op repressie. In periodes van tanende populariteit waren - goed geënsceneerde - verkiezingen dé manier om zijn regime opnieuw leven in te blazen. Het stimuleren van een oppositiebeweging had Mobutu helemaal niet in gedachten.

 

"But these elements were deemed insufficient: "democracy" too, required incorporation into state doctrine--particularly at a moment when the regime was badly shaken by an invasion by a ragtag band of Shaba insurgents from Angola (repulsed by Maroccan troops with Western logistical support), and when it desperately needed respectability abroad to avert foreclosure by its private and public creditors." (Crawford Young, Election in Zaïre, p. 189)

T
och zullen Tshisekedi en andere later vooraanstaande leiders van het UDPS, zoals Makanda en Ngalula zich, ondanks de intimidaties, opwerpen als de voortrekkers van een parlementair front.

De volgende mijlpaal is de brief van de dertien parlementairen. Deze brief van eind 1980 is belangrijk voor de politiek in Congo en voor de ontwikkeling van de partij UDPS. Het was moedige daad, Mobutu had kort tevoren alle oppositie formeel verboden. De brief is een eis tot ontvoogding. Vandaag is de brief, 25 jaar na publicatie, nog steeds mijlpaal in de geschiedenis van de partij. Op www.udps.net (de website voor uitgeweken partijleden) wordt de brief opgenomen in de openingspagina. Ter ere van de 25ste verjaardag van de brief. Dit gemeenschappelijke document is voor het politiek bewustzijn van de UDPS militanten van onschatbare waarde. Het wordt door hen aangevoeld als de stichtende tekst van de partij. Hoewel er nog 2 jaar zouden verlopen voor de partij effectief gesticht zou worden. In memoranda van de partij wordt dikwijls gewag gemaakt van de brief.
Dit toont de grote legitimerende kracht van de brief aan.

"Pourtant, cette Lettre ouverte fait littéralement de la République démocratique du Congo un État indépendant et souverain, lequel dispose réellement de son destin politique. Cette dernière fait véritablement du Congolais un Citoyen, c’est-à-dire un être humain disposant des droits et des libertés. Donc, cela signifie que les Congolais cessent définitivement d’être un ramassis de populations indigènes ou autochtones. De plus, ce fameux Mémorandum de 52 pages invente, à n’en pas douter, une nouvelle Nation [essentiellement composée de Citoyens libres]. Aussi façonne-t-il un nouveau Peuple [véritable détenteur de la Souveraineté politique] au cœur du vaste continent africain.

Par conséquent, ce 25e anniversaire est naturellement l’occasion pour chaque Congolaise et chaque Congolais de s’imprégner du message profond véhiculé par ce document fondateur d’une nouvelle société. C’est l’occasion de s’imbiber de ce texte inédit qui balise l’avenir d’un Peuple nouveau. Aussi est-il le moment de poser la question de savoir ce qui reste pratiquement du Mémorandum de 52 pages. Ainsi, dans le contexte de fin de la Transition politique échue le jeudi 30 juin 2005 à minuit, quelle place occupe-t-elle encore la fameuse Lettre ouverte du 1er novembre 1980 au Maréchal-dictateur Mobutu Sese Seko du Zaïre dans le combat du Peuple congolais en faveur de la démocratisation institutionnelle et de la libéralisation politique ? Face à la cabale internationale contre le Congo, à la menace permanente de balkanisation du territoire national, à la confiscation du pouvoir d’État par le régime des mercenaires et imposteurs locaux ou étrangers depuis le jeudi 30 juin 2005, aux effets dévastateurs du néo-esclavagisme, que représente-t-il exactement ce document inspirateur de la résistance politique et stimulateur de la lutte démocratique ?" (http://www.udps.net/congo.php?articleId=95 gelezen op dinsdag 20 december 2005)

Hierna gaat het heel snel voor de dertien parlementairen. De reactie van Mobutu laat niet op zich wachten. De gebeurtenissen volgen zich snel op. 31 december 1980: arrestatie van Ngalula. 1 januari 1981: arrestatie van 5 andere parlementairen (Tshisekedi, Lusanga, Makanda, Kapita, Kanana). 2 januari: de immuniteit van de parlementairen wordt opgeheven. 12 januari: het parlementair mandaat van de dertien wordt hen afgenomen. Sommigen wordt zelfs de uitoefening van hun politieke en burgerlijke rechten afgenomen. Het verlies van je burgerlijke rechten hield op dat moment in Zaïre de verbanning naar je geboortestreek in.
13 januari: verschijning voor het centraal comité van het MPR. 20 januari: verbanning naar geboortestreek in Kasai en Shaba, waar ze in feitelijke gevangenschap leven. (Amnesty International International Secretariat, Zaïre the case of a veteran Zaïrian politician: Ngalula Mpandanjila, p. 2-3)

Opeens lijkt het regime van Mobutu een heel dynamische en geoliede repressiemachine te zijn. Het parlement werkt tijdens deze periode enkel als een stemmachine van Mobutu’s macht. Zo hoort het volgens Mobutu ook te zijn. Toch is tijdens hun verbanning de bewegingsruimte van de zes parlementairen blijkbaar niet helemaal beperkt. Want ze slagen erin de internationale gemeenschap om hulp te roepen. De verontwaardiging in de internationale gemeenschap is groot, en er wordt uiteindelijk druk uitgeoefend op het Mobutu regime om de zes vrij te laten. Wat uiteindelijk discreet gebeurt in oktober 1981.

De volgende confrontatie zal uiteindelijk tot een definitieve breuk leiden. Voor de goede orde: de partij UDPS bestond toen eigenlijk nog niet. De afvallige parlementairen waren er aanvankelijk niet op uit om een nieuwe partij te stichten. Ze wilden hun kritiek ventileren binnen de structuren van de MPR. De houding van de Mobutu-administratie bleef echter steeds vijandig. De dertien werden als stichters van een revolutionaire partij behandeld, hoewel ze dit aanvankelijk niet waren. Op de duur zat er echter niets anders op dan zich als een revolutionaire actor te gedragen. Het is een vorm van self fulfilling prophecy geweest.

Er komen onderhandelingen tussen de regering en de partij. De bedoeling van die onderhandelingen was voor het UDPS de vorming van een politieke partij zonder de wet te overtreden. Een tweede partij was immers formeel verboden volgens de Zaïrese grondwet. Die onderhandelingen slaan al na één maand af. De standpunten van de twee partijen verschillen gewoon teveel als het gaat over het hervormen van partijstelsel.

Het is maart 1982 en we staan op een tweesprong in de geschiedenis van de partij. Nu moet men kiezen: uit het MPR stappen of in het MPR blijven. De 13 opereerden tot dan binnen het MPR. Voor Tshisekedi was dit een belangrijk punt. “De kritiek die we geven, geven we als lid van het MPR”, zo klonk het nog in de brief van de dertien. Van 1977 tot 1982 zijn de dertien een strekking, een groepering binnen de MPR partij. In maart 1982 zullen de wegen scheiden.

Nu de onderhandelingen met de autoriteiten zijn afgeslagen, zijn de 13 parlementairen meer dan ooit loslopend wild geworden. Kibassa, Lumbu, Lusanga, Kyungu, Tshisekedi, Makanda, Ngalula, Kapita, Kanana, Ngalula, Dia, Biringanine, allemaal worden ze in de loop van de maand maart opgepakt. Ze worden ondervraagd door een veiligheidscommissie. Dit blijken later de voorbereidingen van een politiek proces te zijn. De beschuldiging: schending van de Zaïrese grondwet, die meer dan één politieke partij verbiedt. Het proces duurt slechts 2 dagen en resulteert in een verwachte uitslag: 15 jaar gevangenschap.

Mobutu blijft erbij. Hij aanvaardt slechts 1 partij, de zijne. De dertien parlementairen hebben geprobeerd een alternatieve partij aanvaardbaar te maken voor het regime. Ze merken nu dat er geen bewegingsruimte is voor een oppositiepartij in Zaïre. De partij moet zich nu verder ontwikkelen op een clandestiene manier. De terughoudendheid van in het begin is echter verdwenen. Voor het eerst beschouwen ze zichzelf als een echte partij. Er is geen reden meer voor een diplomatieke opstelling. Waarom nog op eieren lopen, vragen de dissidenten zich af.

 

1980-1987: DE REPRESSIE

Als we de persberichten van toen doornemen, zien we dat in de periode die volgt, veel kopstukken vooral bezig zijn zichzelf in leven te houden. Berichtgeving is problematisch in dergelijke conflictsituaties. Een overzicht van de Belgische krantencommentaren van toen, laat ons wel toe om een indruk krijgen van het gewelddadige politieke klimaat van toen.
Ik zou hieronder een beeld willen scheppen van de terreur die het Mobutu regime pleegde tegen de dertien stichters van de partij, en tegen gewone partij militanten in de periode 82-87. De documenten die Amnesty International rond die tijd vrij gaf, zijn vernietigend voor Mobutu’s regime. Amnesty International kan beschouwd worden als een onpartijdige neutrale actor en is gerenommeerd als het gaat om het documenteren van schendingen van de mensenrechten.

Op 23 september 82 in La Libre Belgique: "Zaïre: Ngalula dans le coma" ..."Le Député Ngalula, l’un des treize parlementaire parlementaires zairois condamnés pour avoir voulu fonder un parti politique, se trouve hospitalisé dans un état grave après avoir été mordu par un serpent venimeux dans sa cellule dans le haut Zaïre..."

Op 9 november 82 in De Morgen: "Toestand Zairese parlementsleden onrustwekkend". "...De parlementairen worden volgens de UDPS nauwelijks gevoed en krijgen nauwelijks medische hulp. Bovendien wordt hen het bezoek ontzegd van de naaste familieleden. Het UDPS heeft bij monde van Dikonda een oproep gericht tot het Rode Kruis om de gevangen genomen parlementsleden ter hulp te snellen..."

Op 17 april 83 in de Morgen: "Nieuwe arrestaties in Zaïre". Kibassa, Maliba, Ngalula,Mpandajila,Tschikedi wa Mulumba, Mpinga en Lusanga Ngiele werden zondagochtend 4 uur samen met familieleden en vrienden, waaronder ook enkele kinderen, door groene baretten van het Zaïrese leger opgepakt en met onbekende bestemming weggevoerd."...

Op 15 juni 83 in Le Soir: "Rencontre avec un des treize parlementaires libérés par la récente amnistie de Mobutu"... "Dia Onken-A-Mbel (gevangen van juli 82 tot mei 83): Non , je n’ai jamais été torturé mais la souffrance morale était grande . J’ai souffert le plus de la solitude et de la promiscuité. Je me trouvais avec cinq cent cinquante détenus de droit commun qui…"…Le 19 mai grâce à un petit poste de radio que j’ai entendu le discours du president Mobutu annonçant l’amnistie . Mais il me fallut attendre cinq jours interminables pour apprendre de la bouche même du procureur général de Lumumbashi que j’étais libéré…"

Op 24 augustus 83 in de Morgen: " Nieuwe Moboetoe-Repressie": "Tijdens het bezoek van Amerikaanse parlementsleden aan Kinsjasa, medio augustus jl. is het in de Zaïrese hoofdstad tot fikse rellen gekomen. De 13 Zaïrese parlementsleden, die onlangs na een jarenlange gevangenschap zijn vrijgelaten, werden door Moboetoe’s militaire politie afgetroefd en een tijdlang gevangen gehouden. Hetzelfde overkwam tientallen van hun medestanders. Voor het leven van tenminste één onder hen wordt gevreesd."... "Toen barstte de hel los. Militaire politie in burgerkleren sloot de parking van het hotel af. Auto’s, waarmee de UDPS-militanten naar Kinsjasa waren gekomen werden vernield. De dertien werden publiekelijk geschopt en geslagen met koppelriemen. Nadien zijn ze meegevoerd naar de kelders van het Kamp Tchatsi, een militair complex in de buurt van de Zaïrese hoofdstad. Hetzelfde lot overkwam tenminste 50 andere manifestanten... "'s Avonds zijn dan de meeste arrestanten vrijgelaten, zij het dat velen onder hen zonder kleren of bezittingen op straat zijn gegooid"..."Intussen is er nog geen spoor van de gearresteerde Bossassi, een vroegere medewerker van Moboetoe, thans lid van de UDPS."... "De Zaïrese president ontkende dat de brutaliteiten gepleegd waren door militairen. Hij noemde de herrieschoppers "onverantwoordelijken van de MPR-jongeren". (De MPR is MoBoetoe’s eenheidspartij). Dat wordt door getuigen tegengesproken."...

Op 18 oktober 83 in La Libre Belgique: "Les opposants Zaïrois retournent en prison". "Les cinq principaux membres du "groupe des treize" ont été arrêtés après l’ échec de la reconcialiation."...

Rapport van Amnesty International (december 1983): List of eight zaïrians reportedly to their villages of origin. Amnesty geeft hier een lijst van 19 opgepakte personen.

Op 11 maart 85 in Le Soir: "Incidents au Kasaï Oriental:" "Des incidents armés ont opposé le 5 mars à Mupompa, petite bourgade de deux cent cinquante habitants de la province diamantifère du Kasaï Oriental, des opposants au regime du president Mobutu aux forces de l’ordre zaïroise, a annoncé vendredi le porte-parole du government."…

Op 14 oktober 85 in De Morgen: "Moboetoe laat leider van de 13 aanhouden:" "De Zaïrese overheid heeft een voorman van de Union pour la Démocratie et le Progrès Social, Tshisekedi Wa Mulumba gearresteerd. Hij wordt beschuldigd van een aanslag op de staatsveiligheid, een klacht waarvoor…"

Op 13 mei 86 in Le Soir:
"L’O.N.U. accuse Kinshasa d’avoir violé les droits des treize parlementaires." Le comité des droits de l’homme des Nations Unies a rendu publiques des considérations très sévères pour le Zaïre à la date du 26 mars à la suite d’une action introduite par les advocates belges Mes Eric Vergauwen et Robert Cherles Goffin, des treize parlementaires (qui ne sont plus que sept aujourd’hui, les autres sont rentré dans les rangs) qui depuis 1981 ont été arêtés, condamnés, placés en residence surveillée en raison de la publiqucation d’une lettre ouverte au president du Zaïre critiquant le regime.

Rapport van Amnesty International (in oktober 1986): "Zaïre-the case of a veteran zaïrian politician: Ngalula Mpandanjila".
"Ngalula Mpandanjila is a veteran politician from Zaire's Kasai Oriental region who has spent much of the past six years in prison or banished to remote towns and villages because of his criticisms of government policies and his support for a campaign to establish a second political party in Zaire, which is a one-party state."
Dit rapport bevestigt ook het bericht uit la Libre Belgique van 23 september over Ngalula’s slangenbeet in de gevangenis van Osio, 25 km van Kisangani.

Jean-Claude Willame (1987) omschrijft deze periode als een periode waarin de UDPS militanten vogelvrij verklaard zijn door het regime. Zonder dat hen één of andere vorm van formele beschuldiging wordt voorgelegd, wisselen zich periodes van internering, vrijlating, verbanning elkaar af.
(Jean-CLaudeWillame, Chronique d'une opposition politique: l'UDPS (1978-1987, p. 72)

Soms zijn er toch nog periodes van détente.
De periode rond de 25ste verjaardag van de onafhankelijkheid van Zaïre was zo’n periode. Met de ogen van de wereld op Zaïre gericht, wil Mobutu in 1985 bewijzen dat zijn regime een respectabel regime is. Die periodes van détente worden echter steevast gevolgd door periodes van hardnekkiger repressie. Oktober-november 1985 zijn ongemeen hard voor de partijmilitanten. Enkel politiek strategische redenen in hoofde van Mobutu kunnen deze fluctuaties verklaren.

Na verloop van tijd begint zich een werkwijze in de repressie af te tekenen. De tactiek is in oktober en november 1985 dubbel: ten eerste keihard de gewone partijleden raken. De cijfers zijn hallucinant voor oktober en november 1985. Er zijn 66 operaties tegen gewone partijmilitanten. 24 overvallen door milities. 27 gevallen van agressie, verbanning, arrestatie. 26 huizen zijn verwoest of in brand gestoken. 4 à 6 mensen zouden vermoord zijn. De 13 stichters van het UDPS daarentegen worden vanaf eind 1985 doelbewust minder hard geraakt. Het gaat van huisarrest tot verbanning naar de geboortestreek. Dit zijn methoden waarvoor de internationale gemeenschap minder gevoelig was. Al is verbanning naar de geboortestreek in een land zoals Congo te vergelijken met een middeleeuwse vergeetput. (Jean Claude Willame, Chronique d'une opposition Politique, p. 91)

De berichtgeving over folteringen en vervolgingen is eindeloos. De repressie door het regime was keihard. Dat heeft de verdere vorming van een politieke partij in de jaren 80 onmogelijk gemaakt. De partij was verboden vanaf haar ontstaan tot in 1990. Dat heeft belangrijke consequenties voor de werking van een partij. De repressie heeft de geschiedenis van de partij bepaald.


DE AKKOORDEN VAN GBADOLITE.

Er komt toenadering tussen de overheid en het UDPS vanaf eind 1986. Die toenadering leiden uiteindelijk tot de akkoorden van Gbadolite in juni 1987. Waarom nu wel die toenadering? Volgens Willame zijn er aantal redenen.

1) Ten eerste is er geen vertegenwoordiging van het UDPS in het buitenland meer. Eén van de manieren waarop het UDPS oppositie voerde, was vanuit het buitenland. Dat valt nu weg. Dikonda is uit de partij gegooid na een aantal onverkwikkelijke affaires die Dikonda’s positie onmogelijk hebben gemaakt.

2) De tweede reden is het stilzwijgen van de buitenlandse overheden. Voor de Verenigde Staten en België, de twee meest betrokken staten in Zaïre zijn de mensenrechten in de periode 1985-1987 geen reden meer om de relaties met Zaïre op de helling te zetten. De voorgaande jaren hadden nochtans bewezen dat Mobutu wel degelijk vatbaar was voor diplomatieke druk. Maar een veranderende publieke opinie en een heropflakkering van de Koude Oorlog maakt dat buitenlandse mogendheden veel geduldiger zijn met Mobutu’s regime. Hierdoor staat het UDPS er meer dan ooit helemaal alleen voor.

Colette Braeckman neemt in le Soir van 9 oktober 1988 de Belgische regering zwaar onder vuur.
Ze beschuldigt de Belgische diplomatie bijna van lafheid.

"Lorsque les dirigeants américaines, se rendaient à Moscou, ils n'hésitaient pas à rendre visite à Andrei Sakharov, ou à s'informer de son sort lorsqu'il était relégué. A Kinshasa, ministres et diplomates belges n'ont pas de telles audaces: ils préfèrent s'en remettre aux journalistes pour avoir des nouvelles du célèbre opposant qui habite à quelques minutes de l'ambassade."
(Le Soir, 9 oktober 88)

Met die 'célèbre opposant' bedoelt Braeckman Etienne Tshisekedi. Met het gebrek aan lef vanwege de Belgische diplomatie, alludeert ze misschien aan het feit dat het tijdens Tshisekedi laatste verbanning doodstil in Belgische diplomatieke kringen.

3) De derde reden is een aantal hervormingen in de schoot van de overheid die zorgde voor een soort openheid die onderhandelingen mogelijk maakten. Het ontslag van eerste minister Kengo Wa Dondo wordt door het UDPS als een vertrouwenswekkende maatregel beschouwd. Het UDPS had immers geen vertrouwen in deze eerste minister.

4) De laatste factor die leidt tot toenadering is de repressie van de voorgaande jaren. Het heeft de leiders van de partij uitgeput. En hen tot onderhandelingen gedwongen. Uiteindelijk blijven de UDPS-militanten mensen met gezinnen die onderhouden moeten worden. Muamba Mumbunda spreekt hierover in het interview dat ik met hem had (zie infra). De repressie betekent voor veel mensen in de eerste plaats werkloosheid. In een land zonder sociaal vangnet, zoals Congo, is dat een fatale gebeurtenis. Sommigen zijn dan ook gemakkelijker vatbaar voor incorporatie in het systeem. Tshisekedi en Kanana, een andere stichter van de partij, zijn bemiddelde mensen. Kanana was een diamantair, voor hij in de politiek ging. Tshisekedi was lange tijd actief in Mobutu’s regime. Beiden hebben geen financiële problemen. Voor hen is het dan ook gemakkelijker om de ‘strijd’ voort te zetten. Kibassa daarentegen was blut en een betaalde job in Mobutu’s regime zou voor hem veel problemen oplossen.

5) Tschilombo Munyengayi van de universiteit van Kinshasa heeft het ook nog over iets anders dat kan meegespeelt hebben. Namelijk de ziekte van Makanda. Hij was één van de stichters van de partij. Door de voortdurende verbanningen en gevangenschap was hij volkomen uitgeput en zwaar ziek. Tshisekedi en Kibassa zouden onderhandelingen gestart hebben om Makanda te redden. Door een verzoening met Mobutu zou Makanda dan misschien toch een uitreisvisum krijgen om zich te laten verzorgen in een buitenlands ziekenhuis. (Tschilombo Munyengayi, Dossier sur l'Enrégistrement de l'UDPS, 2005, p. 2)

De onderhandelingen leiden in 1988 tot de zogeheten akkoorden van Gbadolite. Dat akkoord is na de open brief van de dertien aan de president de tweede mijlpaal in de geschiedenis van de partij.

Er wordt onderhandeld over twee zaken. Ten eerste over een grondwetwijziging. Meer bepaald artikel 33 van de grondwet wil het UDPS veranderd zien. Dat artikel zegt dat Zaïre en de eenheidspartij MPR één zijn. Het MPR regelt alles in Zaïre: de politiek, de cultuur en de samenleving. Elke Zaïrees is lid van de partij. Het UDPS wil een recht tot vorming van politieke strekkingen binnen het MPR mogelijk maken. Dat is duidelijk een afgezwakking tegenover de oorspronkelijke eis tot een meerpartijensysteem.

Ten tweede onderhandelt men ook over het opnemen van de leiding van het UDPS in het Comité Central van het MPR. En over het aanstellen van een aantal andere partij prominenten aan hoofd van een aantal nationale ondernemingen.

Pas in januari 1988 verspreidt de Zaïrese ambassade in Brussel hierover een persbericht. Het is een document, ondertekend door Ngalula, Mpindu, Kibassa en Tshisekedi:

 

"Le document déclare que le groupe a adhéré aux principes suivants: l'oubli du passé, l'affirmation et le respect de la diversité d'opinions de même que la nécessité de la mise en oeuvre de l'exercice de cette liberté et de sa libre expression, mais au sein du MPR, et enfin le respect de son chef et de l'unité nationale. Le groupe accepte aussi l'article 33 de la constitution qui prévoit que le MPR est la nation zaïroise organisée politiquement, que sa doctrine est le mobutisme et que tout zairois est membre d'office du MPR.." (Jean-Claude Willame, Chronique d'une Opposition Politique: l'UDPS (1978-1987), p. 101)

 

De beweging lijkt vakkundig geïncorporeerd in het regime. Het document dat Jean-Claude Willame heeft geschreven over het UDPS, "Chronique d'une opposition politique: L'UDPS (1978-1987)", eindigt hier. Willame ziet dit akkoord dan ook als een eindpunt voor het UDPS. Het regime heeft toegevingen gedaan. Belangrijke UDPS kopstukken krijgen medezeggenschap. Willame besluit dan ook als volgt:

 

"Une chose est certaine: le "ralliement" de l'UDPS ne pouvait ëtre considéré comme une reddition sans conditions. Le fait qu'en octobre 1987 deux du groupe des treize, Ngalula et Kibassa, firent leur entrée au Comité Central et plus précisément dans la Commission Constitutionelle de ce Comité donnait une indication plus claire sur le portée des concessions: desormais, deux personnalités importantes de lUDPS, qui recouvraient leur droit politique, étaient "autorisés" à négocier avec leurs pairs du Comité Central les modifications à apporter à la constitution Zaïroise." (Jean-Claude Willame, Chronique d'une Opposition Politique: l'UDPS (1978-1987), p. 107)
 

 

DE PARTIJ VALT UITEEN IN TWEE VLEUGELS

De akkoorden van Gbadolite worden de aanleiding tot een bitter conflict binnen de partij. Het begint al bij de interpretatie van het akkoord. Tshisekedi - jurist van opleiding - interpreteert zoals altijd het akkoord naar de letter. De term politieke partij is uit de grondwet verdwenen. Het monopolie van het MPR is, volgens hem, dus opgeheven. Hij concludeert dat Zaïre geen éénpartijstaat meer is. En dat het UDPS het nu eindelijk tegen het MPR kan opnemen in verkiezingen. Hij verkondigt deze interpretatie op een politieke tournee in het buitenland. Dat zal hem opnieuw in de gevangenis brengen bij zijn terugkomst. Daarover later meer.

Ngalula en Kibassa, de twee kopstukken, die opgenomen worden in het Comité Central interpreteren dit akkoord anders. Ze willen werken binnen het kader van de éénpartijstaat die Zaïre is. Ze denken voor veranderingen te kunnen zorgen en wel als een groep of strekking binnen het MPR.

Veel partijmilitanten aanvaarden de akkoorden van Gbadolite niet. Velen hebben het over het “Verraad van Gbadolite”. Dat zal de aanleiding zijn voor een scheuring in de partij. De verschillende interpretaties verraden een diepe tweespalt in de partij tussen een gematigde en een extremistische vleugel. Deze twee vleugels zullen tot op vandaag de dag de twee belangrijkste tegenwerkende krachten binnen de partij blijven. Ook Muamba Mumbunda praat hierover (zie interview Muamba Mumbunda).

De extremistische vleugel bestaat uit studenten en jongeren. De meeste van hen hebben geen werk. Ze komen uit alle provincies van het land. Ze ontmoeten elkaar aan dagbladhandelaars om te discussiëren over politiek, de hele dag lang. Men noemt dit "les parlementaires debout". Dit zijn heetgebakerde kerels die soms erg gewelddadig kunnen reageren. Muamba Mumbunda noemt ze "politieke hooligans". Maar het is de trouwste achterban van Tshisekedi. Belangrijk is dat hun loyaliteit niet voortvloeit uit een etnische achtergrond. Volgens Muamba Mumbunda, zelf lid van het nationale comité van de partij, maakt deze groep ongeveer 40 procent uit van de partij. Deze groep moet het hebben van hun ideeën.

De andere vleugel is de gematigde vleugel. Dat is de elite van de partij. Deze groep bestaat uit bemiddelde mensen. Ze komen uit dezelfde provincie als Tshisekedi. Belangrijke figuren zijn bijvoorbeeld Mukendi en Mutanda. Zij zijn twee zakenmensen. Mutanda is de uitgever van de krant La Tempête de Tropique. Tshisekedi rekent op hen om de partijkas te spekken. Maar deze groep doet meer. Ze zorgt ook voor nuttige contacten. Deze zakenelite is immers actief in een aantal organisaties in het middenveld. Sommigen van hen zijn zelfs actief in diplomatieke kringen. Men maakt gebruik van deze contacten om zo het UDPS te introduceren in deze kringen.

Deze tweespalt in de partij wordt ook een confrontatie tussen Tshisekedi en Kibassa. Kibassa was meer een gematigde politicus, bereid tot samenwerking met het dictatoriale regime. Tshisekedi was meer van de harde lijn.

Men mag de tweespalt in de partij niet opvatten als een definitieve breuk binnen de partij. Tshisekedi blijft nog steeds in contact met Kibassa. De twee tendenzen bestaan in de partij en voeren een echte strijd om de macht, aldus Muamba Mumbunda. Muamba Mumbunda werkt als onderzoeker aan de universiteit van Kinshasa. Hij zit in het kamp van de gematigden. Hij kan zich maar moeilijk identificeren met de radicale vleugel. De belangen verschillen teveel tussen deze twee vleugels. Muamba Mumbunda is niet de eerste de beste. Hij kan een curriculum voorleggen. De meeste radicalen of extremisten niet. Zij hebben daarom niks te verliezen, aldus Mumbunda. Voor de partijmilitanten is de dynamiek tussen deze twee vleugels hoe dan ook positief voor de democratische werking van de partij. Ze verwijzen daarbij dikwijls naar de Franse socialistische partij, die ook verschillende strekkingen heeft.
 

 

TSHISEKEDI AANVAARDT DE AKKOORDEN VAN GBADOLITE NIET

Tshisekedi en andere kopstukken vertrekken na de akkoorden van Gbadolite naar Europa om hun wonden van de repressie te laten helen in Europese ziekenhuizen. Tshisekedi profiteert van de gelegenheid om een aantal persconferenties te geven. Hij roept de internationale gemeenschap op tot waakzaamheid. Hij blijft ook op Mobutu's schenen stampen. Bovendien plant Tshisekedi een manifestatie bij zijn thuiskomst. Maar de veiligheidsdienst is ook op het appel. De betoging loopt uit op gevechten. Tshisekedi raakt gewond. De maand daarop nodigt hij de internationale pers uit in het huis van Kibassa.

Nu is Mobutu’s "geduld" echt op. Opnieuw wordt Tshisekedi verbannen. Mobutu raa