| Het UDPS: Een toekomst voor de Democratische Republiek Congo? (Maarten Loncin) |
| home | lijst scripties | inhoud |
"Among the numerous advantages
promised by a well-constructed Union, none deserves to be more accurately
developed than its tendency to break and control the violence of the faction.
The friend of popular governments never finds himself so much alarmed for their
character and fate as when he contemplates their propensity to this dangerous
vice"
JAMES MADISON in The Federalist Papers
"We have done all we could for him -- haven't we? But there is no disguising the
fact, Mr Kurtz has done more harm than good to the Company. He did not see the
time was not ripe for vigorous action. Cautiously, cautiously -- that's my
principle. We must be cautious yet. The district is closed to us for a time.
Deplorable! Upon the whole, the trade will suffer. I don't deny there is a
remarkable quantity of ivory -- mostly fossil. We must save it, at all events --
but look how precarious the position is -- and why? Because the method is
unsound." "Do you", said I, looking at the shore, "call it 'unsound method'?"
"Without doubt," he exclaimed, hotly. "Don't you?"…
"No method at all," I murmured after a while.
Joseph Condrad, Heart of Darkness


(bron: Le Palmares)
Mijn thesis gaat over de
Union Démocratique Pour le Progrès Social
(UDPS), één van de grootste oppositiepartijen uit de recente politieke
geschiedenis in Congo. Een partij met een rijk verleden. Als men zich mij
verdiept in het verleden van deze partij, dan kan men veel opsteken over de
recente politieke evolutie in Congo.
Wegens omstandigheden ben ik niet naar Congo kunnen reizen om daar de mensen van
het UDPS in levende lijve te ontmoeten. Wel heb ik verschillende mensen uit de
partij in België kunnen ontmoeten en interviewen.
Muamba Mumbunda bijvoorbeeld interviewde ik in het Afrika Instituut
in Tervuren. Hij is lid van de partij en lid van het Nationale Comité van het
UDPS. Hij vertelde me meer over wat voor mensen de partijmilitanten van het UDPS
zijn. Ik heb ook Paul Kapita Shabangi kunnen interviewen, sinds een aantal jaar geen lid meer van de partij, maar wel
één van de oude stichters van de partij. Paul Kapita Shabangi was ook driemaal
minister in een regering onder leiding van het UDPS. Hij was op de hoogte van
veel beslissingen die genomen werden tijdens de transitieperiode. Deze mensen
hebben me belangrijke inside informatie kunnen geven.
Ik sprak ook met Jean Omasombo en Erik Kennes
van het Afrika Instituut van Tervuren. Ik dank hen voor hun
samenwerking. Ik sprak ook met Jozef Smets
van de Belgische diplomatie over de visie van het Belgische departement
Buitenlandse Zaken omtrent het UDPS. Last but not least had ik een gesprek met
de buitenlandse vertegenwoordiger van het UDPS in België:
Mpuila Tshipamba. Aldus kan ik een vrij
realistisch, genuanceerd en ook diepmenselijk beeld van de partij schetsen.
Deze mensen hebben mij wat inside informatie kunnen geven. Maar de meeste
informatie heb ik gehaald uit partijdocumenten en –manifesten en uit Belgische
en Congolese kranten. En natuurlijk uit de vele wetenschappelijke essays en
boeken die over Congo verschenen zijn. Afrikaanse politiek is voor een groot
deel ook informeel. Congolese politici zetten niet alles op papier. Een stuk van
deze informele informatie gaat aan mij voorbij. Maar dankzij de combinatie van
documenten en persoonlijke getuigenissen, denk ik dat ik een waarheidsgetrouw
beeld van de partij heb kunnen weergeven.
Gauthier de Villers (1997) schrijft het volgende over deze problematiek:
"N'ayant pu avoir recours à des formes systématiques d'enquête directe
(interviews, observations), faisant largement appel à une presse zaïroise qui
n'est que fort peu une presse d'investigation, nous appréhendons surtout le
processus politique à partir de sa face émergée, visible (discours, textes,
actions publiques et de ses aspects 'formels'. Mais cet angle de vue n'est
pas un angle mort.
Le système sociopolitique zaïrois fonctionne 'à l'informel', mais cela que ce
qui est public, formel, officiel serait purement de l'ordre du décor, du masque,
de l'apparence."
(Gauthier de Villers,
LaTransition Manquée, 1997, p. 15)
Ik heb getracht om mij niet te beperken tot een formele, Westerse visie
op politiek. Partijstatuten, constitutionele verdragen, ideologische manifesten
zijn niet geheel zonder waarde. Maar dat soort teksten spelen in de Afrikaanse
politiek niet zo’n belangrijke rol. We moeten trachten een meer instrumentele
benadering te vinden. We moeten er rekening mee houden dat veel Congolezen onder
de armoedegrens leven. Dus ook veel politici. Is het dan verwonderlijk dat in
een dergelijke omgeving ideologie niet zo'n belangrijke rol speelt?
De studie van een politiek fenomeen kan op twee verschillende
manieren gebeuren. Een diachrone methode
bestudeert de evolutie doorheen de tijd. Een
synchrone methode kijkt enkel naar wat er in het heden gebeurt. Een
diachrone studie heeft een aantal nadelen. Als men een fenomeen doorheen de tijd
bekijkt, lijkt het alsof de huidige stand van zaken het eindproduct is in een
evolutie. Dit is een teleologische houding. Zo’n benadering moet dus vermeden
worden. Ondanks de methodologische bezwaren zal ik in het begin van mijn thesis
deze werkwijze hanteren. De uiteindelijke bedoeling is het UDPS van vandaag
begrijpen. Maar eerst zal ik de oorsprong van het UDPS proberen bloot te leggen.
(Helmut Gaus, Staatstheorie, p. 3)
Voor ik begin met de geschiedenis van het UDPS, zal ik eerst een theoretisch
kader geven. Alleen zo kunnen we de termen, die ik later zal gebruiken, beter
begrijpen. Deze fase is die van de conceptualisering. De bedoeling is
uiteindelijk niet alleen om de geschiedenis van een Congolese politieke partij
te kennen. We moeten trachten te begrijpen hoe deze partij zich kan handhaven in
het Afrikaanse politieke systeem. Heeft het Afrikaanse politieke systeem
bepaalde specifieke kenmerken? In hoeverre is het Afrikaanse Politieke systeem
verschillend van ons Belgische/West Europese politieke systeem. Hoe past het
UDPS zich hieraan aan?
Verschillende politologen hebben reeds een theoretisch kader
opgebouwd om Afrikaanse en Congolese politiek te begrijpen. Ik zal daarom in
mijn thesis de analyses gebruiken van o.a. Crawford Young, Chris Allen,
Theobald, Koen Vlassenroot…
Dit academiejaar studeerde ik het tweede semester aan de Universiteit van Leeds
(Engeland). Ik volgde drie cursussen in Leeds. Eén daarvan heeft mij en de
opbouw van deze thesis sterk beïnvloed. Het gaat om de cursus Political
Corruption, gegeven door professor Morris Szeftel. Dat vak ging over het
voorkomen van corruptie in Westerse landen en in Ontwikkelingslanden. We
bestudeerden wat voor invloed corruptie had en heeft op de politieke systemen in
kwestie. Cliëntelisme is een centraal concept in de studie van politieke
corruptie. Dit vak heeft me ook geleerd dat cliëntelisme een centraal concept is
in Afrikaanse Politiek. Daarom heeft cliëntelisme zo'n centrale plaats ingenomen
in mijn thesis. Veel politieke problemen in Afrika in het algemeen en in Congo
in het bijzonder, hebben iets te maken met dat cliëntelisme.
Het UDPS is altijd al een
buitenbeentje geweest in de Congolese politiek. De ongewapende strijd die het nu
al bijna 25 jaar voert, geeft het UDPS een gezaghebbende stem in de Congolese
politiek. We zullen zien hoe het UDPS deze strijd gevoerd heeft. Eerst tegen de
dictator Mobutu en dan tegen Kabila I en II. Maar meer dan een strijd tegen de
dictatuur in Congo, moest het UDPS opboksen tegen een politiek systeem. Een
politiek systeem gekenmerkt door patrimonialisme, corruptie en geweld.
Het is een politiek systeem waarin de wapens spreken. Voor een pacifistische
partij als het UDPS was er geen plaats. Toch bleef het UDPS koppig verder
strijden, om een plaatsje te vinden in dit politieke systeem.
De huidige verkiezingen, die een eind moeten maken aan jaren van conflict,
worden geboycot door het UDPS. Ondanks alle buitenlandse en binnenlandse druk,
weigert het UDPS mee te stappen in een oplossing opgedrongen door de
internationale gemeenschap. Toch is het UDPS vandaag een belangrijke actor
gebleven in de Congolese politiek. Voordat iedereen moord en brand begint te
roepen over dit boycot, verdient het misschien de moeite om de argumenten van
het UDPS onder de loep te nemen. Want als we een Afrikaanse oplossing willen
nastreven in Congo, zal het UDPS zeker een deel van die oplossing uitmaken.
HOOFDSTUK 1: Het UDPS binnen het Afrikaans politiek systeem
De moderne Congolese politiek werd
veel te vroeg geboren in 1960. De dekolonisatie gebeurde gewelddadig en werd
slecht voorbereid door de Belgische overheid en de Belgische Koloniale
Administratie. Hierdoor verkeerden de Congolese politieke partijen in een
premature toestand op het moment dat het bestuur van het land aan hen werd
overgedragen. Ook het UDPS werd door deze achtergrond gekenmerkt. In dit
hoofdstuk willen we het UDPS eerst kaderen in een bredere Afrikaanse context.
CRAWFORD YOUNG: GELIJKENISSEN MET 1960
De bekende Amerikaanse Congospecialist Crawford Young (1963) somde in 1963 een aantal kenmerken van de Congolese politiek op. Sommige van die kenmerken zijn tragisch en bevreemdend genoeg, meer dan veertig later, nog altijd actueel.
De Congolese politieke partijen worden net voor en na de onafhankelijkheid gekenmerkt door het ontbreken van politieke ervaring. Ze hebben geen politieke voorgeschiedenis. De politici in Congo werd geen leerproces gegund. Ze zijn op een onvolwassen manier beginnen aan politiek doen. De ontnuchtering over wat haalbaar was, is snel gekomen. Dat heeft de bevolking heel wantrouwig gemaakt tegenover politici. Het startsignaal van de moderne partij politiek weerklonk in december 1957. Toen werden lokale verkiezingen georganiseerd in de toenmalige hoofdstad Leopoldstad, nu Kinshasa. De volledige onafhankelijkheid kwam amper enkele jaren later. Westerse politieke partijen hebben een rijker verleden, en eigenlijk 200 jaar meer ervaring.
De politieke partijen waren in de jaren ’50 en ’60 eigenlijk etnische organisaties. Dat vloeide voort uit het koloniale verleden. Politiek beoefenen werd door de koloniale overheid niet aangemoedigd tenzij het etnisch georganiseerd was. België gebruikte zoals andere koloniale mogendheden de verdeel-en-heersstrategie. De Congolese bevolking werd zo al van in het koloniale tijdperk langs etnische breuklijnen verdeeld. We zullen zien dat het UDPS daarentegen spreekt als een nationale partij en precies zal trachten die etnische breuklijnen te overbruggen. Vandaag speelt etniciteit opnieuw een belangrijke rol in de Congolese politiek.
Er waren heel veel politieke bewegingen, partijen, groeperingen actief in Congo. Hierdoor zal geen enkele partij er in slagen een belangrijk deel van de Congolese bevolking te mobiliseren. Ook dat is vandaag een veelgenoemd probleem. Deze politiek versplintering leidt ook onvermijdelijk tot grote coalitieregeringen. Die hebben klassieke nadelen: moeilijk regeren en een zwakker bestuur. Met zovele politieke partijen is de competiviteit tussen de verschillende partijen moordend.
Het vierde kenmerk is ook schrijnend actueel. Na het openen van de administraties en de verschillende regionale besturen voor Congolezen kwamen er 10 000 vacatures vrij. Iedereen die ook maar enigszins geschoold was, kreeg een postje. In de politieke partijen kon iedereen tevreden gesteld worden. Dit leidde tot immobilisme. Niemand was geneigd om over te gaan tot verkiezingen. Er valt immers alleen maar te verliezen. Ook vandaag zitten we in zo’n situatie. In de huidige transitieregering is bijna elke gewapende actor tevreden gesteld. Men is niet geneigd over te gaan tot verkiezingen omdat men alleen maar zijn privileges kan verliezen. (Crawford Young, Congo Political Parties Revisited, p. 77 - 80)
CHRIS ALLEN: EEN HISTORISCHE VERKLARING
Een actuele analyse van de Afrikaanse politiek geeft Chris Allen (1995) in zijn
essay “Understanding African Politics”. In dit artikel ontwerpt Allen zijn
“methodiek van de Afrikaanse politieke wetenschappen”. Volgens hem kan er wel
degelijk gesproken worden van één Afrikaanse politiek systeem. Als maar op de
juiste manier veralgemeend wordt. Afrika verdelen in verschillende categorieën
of verschillende politieke systemen is, volgens hem, niet zo belangrijk.
Er kan
veralgemeend worden als we de politieke geschiedenis van het Afrikaanse
continent bestuderen.
Ook dat kan ons helpen om het UDPS te situeren in zijn politieke context.
”I shall try to overcome the weakness of Chazan's
attempt to identify 'many Africas' by basing my categories on a comparison not
of events within individual state histories nor of the political forms that
feature in them, but of the sequences of events and forms that make them up. I
argue that there are a necessarily limited number of different sequences, which
are linked together to form a small number of basic histories, all of which
stern from one of two starting points, and into which (almost) all of the actual
histories of individual state will fall.”
(Chris Allen, Understanding African Politics, p. 303)
Allens artikel is inderdaad een reactie op Chazans interpretatie van
politiek in Afrika. Chazan behoort tot een groep politologen die de Afrikaanse
politieke systemen als te verschillend beschouwen om zomaar een algemene analyse
van dé Afrikaanse politiek te kunnen maken. Afrika is, volgens Chazan, zo’n
uitgestrekt en gevarieerd continent dat veralgemenen een zinloze ondermening is.
Wat is dan de taak van een politieke wetenschapper in Afrika? Moet hij zich
beperken tot de studie van afzonderlijke statensystemen en politieke culturen?
Een politoloog die een breder beeld wil scheppen van Afrika moet zich, volgens
deze benadering, inderdaad beperken tot het onderverdelen van landen (of in het
beste geval regio’s) in verschillende categorieën.
Een ander uiterste in de benadering is Afrika bekijken als een universeel en
inheems politiek systeem. Afrika kan ook begrepen worden als "een systeem van
éénmansbestuur" (Jackson & Rosberg, 1982; Sandbrook, 1985), "een vroeg-modern
politiek systeem" (Callaghy, 1984), "politiek vanuit de buik" (Bayart, 1989),
"een systeem van etniciteit" (Ingram, 1990) of "een systeem van chaos" (Kaplan).
(Chris Allen, Understanding African Politics, 1995, p. 302)
Deze theorieën sluiten aan bij de modernisatietheorie. Deze stelt dat de sleutel
tot de ontwikkeling ligt in het moderniseren van sociaal-economische en
politieke structuren. Het ideaal is de “legaal rationele staat” naar Westers
model, zoals geformuleerd door Weber. De Afrikaanse staten zijn met andere
woorden gewoon een vroege fase in de ontwikkeling naar Webers “legal rational
state”. Allen zet zich af tegen deze benadering. Omdat deze theorieën volgens
hem de toetsing met de realiteit niet doorstaan. En omdat de overgang van een premodern naar modern systeem meestal niet zo soepel verliep.
Congo is een voorbeeld van zo'n geweldadige overgangfase.
"What each of these authors does, is to identify
structures and processes common to many – but not all African states, and then
to write as if that exhausted all possibilities. Thus Senegal, Zaire, Cameroon
or Somalia become exemplars of African politics and African political systems in
general."
(Chris Allen, Understanding
African Politics, p. 302)
Allens analyse is relevant. Dankzij Chris Allen kunnen we de Congolese
politiek in zijn Afrikaanse context plaatsen. Congo maakt inderdaad deel uit van
de Afrikaanse geschiedenis. Een opvolging van gebeurtenissen die elk Afrikaans
land heeft meegemaakt en beïnvloed. De vraag is nu in welke mate dit echter de
Congolese politiek heeft beïnvloed.
Volgens Allen hebben Afrikaanse staten één ding gemeenschappelijk en dat is hun
voorgeschiedenis. Sommige gebeurtenissen hebben alle Afrikaanse landen
beïnvloed, zij het niet op dezelfde manier. Eén van die gebeurtenissen is de
kolonisatie. Volgens Allen is de kolonisatieperiode hét uitgangspunt om het
ontstaan van een politiek systeem in Afrika te verklaren. Wat Afrikaanse landen
nog gemeenschappelijk hebben is de dékolonisatie. Allen komt tot een
soortgelijke conclusie als Crawford Young (1985). Ook Allen ziet de
dekolonisering als een periode van fundamenteel belang in de ontwikkeling van
politieke systemen in Afrika.
(Crawford Young, Thomas Turner, The rise and decline of the Zairian state, p.
25-27)
De manier waarop de dekolonisering
georganiseerd werd, heeft de toekomst van veel Afrikaanse landen gehypothekeerd.
Aanvankelijk wilde België bijvoorbeeld een langzaam stappenplan volgen naar de
onafhankelijkheid van Congo. Geleidelijk zou in Congo een Afrikaanse elite
opgeleid worden. In 1950 had de Belgische Koloniale administratie eindelijk de
fatale fout begrepen die ze gemaakt had in de voorgaande jaren. Congolezen
waren tot dan uit het hoger onderwijs geweerd, zodat er rond 1950 zo goed als
geen hoger opgeleide Congolezen waren, in staat om een land te besturen. Om de
fout goed te maken, waren de tien jaren tot 1960 te kort.
Vanaf de jaren veertig kenden alle Afrikaanse staten ook de opgang van populair
nationalistische bewegingen. Die nationalistische beweging zou de Belgen van
strategie doen veranderen.
"While the different territories varied greatly in level of urbanisation, the
extent of labour migration, the size of the educated elite or of wage
employment, etc, the basic constituents of their social structures were similar,
as were the political histories that began in the 1940s with the development of
mass nationalism, especially in areas with relatively large towns and an
organised workforce."
(Chris Allen; Understanding
African politics, p. 303)
Door de opkomst van de nationalistische bewegingen, moest de dekolonisering
plots veel sneller gaan. Er was geen sprake meer van geleidelijke dekolonisering
of een stappenplan naar onafhankelijkheid. De dekolonisatie gebeurde opzettelijk
te snel om het radicale nationalistische partijen moeilijk te maken.
Groeperingen die de Westerse kolonisatoren vriendelijker gezind waren, hadden
het na de dekolonisatie gemakkelijker. De radicale nationalistische groeperingen
die hiermee geconfronteerd werden, vielen terug op minder eerbare methoden. Zij
begonnen met het cliëntelisme
en het steunen van lokale politici en/of stamhoofden.
"Faced, however with the activity of the radical
nationalists in West Africa in the late 1940 (and later most of East-Central
Africa), they [Britain, France, Belgium] responded by suppressing the radicals,
though not always their leaders, and offering rapid decolonisation to the
conservative wing. Decolonisation was now to occur in a matter of years not
decades, and to be achieved through a series of elections with mass, but not at
first universal, suffrage, allowing African governments to be formed with
successively more extensive powers. The elections were introduced with little
notice, sometimes only a few months, requiring nationalist organisations to
mobilize huge new electorates in a very short time. Those that succeeded had
combined two strategies for party building and creation of electoral support: a
reliance on individuals who already had considerable local followings, and the
use of clientelist (‘patronage’) politics to bind local notables to the party
and local voters to the candidates"(Chris Allen; Understanding African politics,
p. 304)
De opgang van het cliëntelisme in de Afrikaanse politiek
De
gehanteerde methoden van de nationalistische bewegingen waren cliëntelistisch.
Omdat die zo succesvol en lucratief waren.
Christopher Clapham (1982) definieert cliëntelisme als een “interactie tussen
ongelijken”. Iedereen kent zijn plaats in een cliëntelistisch netwerk. Het is
een hiërarchisch georganiseerde structuur waarin iedereen zijn eisen heeft maar
ook zijn bijdrage moet leveren. Maar allerbelangrijkst is: een cliëntelistisch
netwerk biedt zijn leden mogelijkheden die de staat niet meer kan bieden.
(Christopher Clapham, Private Patronage and Public Power, p. 4-5) De kiezers
wordt collectieve rijkdom beloofd (scholen, wegen, hospitalen enz.); de
plaatselijke kandidaten persoonlijke rijkdom (cash, land, opleiding voor de
kinderen enz.) (Chris Allen, Understanding African Politics, p. 304).
Elke politicus bouwt in de jaren na
de dekolonisering een cliëntelistisch netwerk onder zich. De mensen zijn
afhankelijk van hem, de politicus heeft hun stemmen nodig. De middelen om te
verdelen onder de cliënten, worden gehaald uit de staatskas.
Een hele generatie cliëntelistische politici is geboren.
"Thus the introduction of clientelist politics in the early 1950s as a device
for dealing effectively with the imposed decolonisation strategies of Britain,
France and Belgium lead over the next decade and half to the phenomenon known at
the time as "political
decay":
the rapid growth of politicised communalism, political conflict and violence,
abuse of political and human rights, and corruption. More importantly it created
its own political crisis, "a crisis of clientelism"."(Chris
Allen, Understanding African politics,; p. 305)
Cliëntelisme is sinds de dekolonisering een belangrijk concept in politiek
Afrika.
Cliëntelisme leidt tot zogeheten bad governance. Enkel een
aantal geprivilegieerden is beter af. Doordat publieke middelen worden
voorbehouden voor het cliëntelistisch netwerk, wordt met het algemeen welzijn
geen rekening gehouden. Politici zijn bezeten om aan de macht te komen en
zichzelf te verrijken. Begrijpelijk als controle over de staatskas de enige
mogelijkheid is om aan middelen te komen.
Opnieuw is de kolonisatie de oorzaak van dat cliëntelisme. De meeste Afrikaanse
landen kwamen onderontwikkeld uit de kolonisatieperiode. De Afrikaanse economie
was enkel gericht op grondstoffenvoorziening voor de kolonisator. Volgens
Theobald (1990) is onderontwikkeling een
belangrijke verklaring voor de ontwikkeling van cliëntelisme. Economische
onderontwikkeling stond economische vooruitgang en welvaart in de weg. Is het
verwonderlijk dat de politici de staat zien als een gigantische vetpot, en enige
kans op een betere toekomst?
Er was geen vermogende ondernemersklasse bij de onafhankelijkheid van vele Afrikaanse staten. In Europa was het deze klasse die een belangrijke rol speelde in de strijd tegen de staat en voor meer vrijheden. In Afrika ontstaat er een bureaucratische bourgeoisie die afhankelijk is van de staat om in haar welvaart te voorzien. (Theobald, Corruption, Development and Underdevelopment, p.95) Een verpauperde bevolking zal in een verpauperde staat eerst en vooral de "eigen" politicus aanspreken. Als de staat niet kan voorzien in een aantal basisvoorzieningen keert zijn bevolking de staat de rug toe. Het cliëntelistisch netwerk vult dit vacuüm op.
Cliëntelisme oorzaak van chaos en geweld
De staat is de enige bron van middelen. Daarom zijn politici zo
wanhopig naar macht over die staat. Zo wanhopig dat sommige politici bereid zijn
om etnische verschillen uit te buiten om de macht terug te grijpen. Cliëntelisme
is een vruchtbare voedingsbodem voor corruptie, etnische conflicten, politiek
beslecht door geweld en schending van de mensenrechten. Afrika zal er nooit
helemaal van verlost geraken, en clientelisme vormt spijtig genoeg de rode draad
doorheen zijn geschiedenis.
"Those who failed to gain power at national or local level tried to avoid
permanent exclusion by exploiting communal divisions. Ruling parties and
successful MP’s did (and would) not attempt to recruit the support of all their
constituents or every area of the country, and opposition groupings thus turned
to the excluded or disfavoured candidates, families, ethnic groups, churches or
Islamic organisations, areas, etc. Long-standing local (and subsequently
national) divisions became politicised, while party conflicts became redrawn and
reconstructed as communal conflicts."
(Chris Allen; Understanding African politics, p. 304)
Na de dekolonisatie komen ook in Congo de etnische breuklijnen naar
boven.
Tshombe richtte de CONAKAT (Confédération des Associations Tribales du Katanga)
op.
Hij had de steun van de Bayeke en de Balunda. De Baluba richtten hun partij op,
BALUBAKAT. (Zinzen Walter, Mobutu van Mirakel tot Malaise, p 11-12) Op 11 juli
1960 riep Tshombe de onafhankelijkheid van Katanga uit. Ook Congo was het toneel
van etnische conflicten en zelfs afscheiding geworden.
Reactie op de 'clientelist crisis'
Dat is wat er gebeurde na de
dekolonisatie. Afrika werd geteisterd door geweld en chaos. Allen (1995) noemt
dit de "Clientelist Crisis". Er volgt een reactie. In de vorm van een
regimewisseling door militair ingrijpen. In sommige landen gebeurt de
regimewisseling vreedzaam. De bedoeling is hetzelfde: een stabiel, autoritair
systeem creëren. Dit systeem moet de etnische conflicten en chaos die volgde uit
de clientelistische crisis, het hoofd bieden. Zo ook in Congo. Jarenlang
legitimeerde Mobutu zijn regime als de enige manier om een einde te maken aan
etnische stammentwisten, chaos en geweld. Want een krachtdadig regime was het
wel. Mobutu troepen traden ongemeen hard op in de eerste en tweede Shaba oorlog
(weliswaar met hulp van buitenaf), tegen de studentenprotesten in 69. Op dat
moment zat er de schrik voor het leger goed in bij de Zaïrezen. Die demonstratie
van geweld verklaart waarschijnlijk de terughoudendheid bij veel groepen om het
regime op een gewelddadige manier uit te dagen, zelfs in de neergaande periode.
(Crawford Young, Reflections on the state decline and societal change in Zaire,
p. 2) Misschien is het daarom dat Mobutu pas 32 jaar later wordt omvergeworpen.
Allen somt op wat die autoritaire regimes typeert.
1) Aan de cliëntelistische netwerken wordt niet geraakt. De hele partijstructuur
hangt er immers van af. Men wil enkel iets doen aan de controle van dit
cliëntelisme.
2) Een sterk centraal gezag, dat gestalte wordt gegeven door een president met
uitgebreide bevoegdheden. Van deze president wordt verwacht dat hij als het ware
boven de partijpolitiek staat. Met genoeg middelen om het cliëntelistische
spelletje te kunnen meespelen en te manipuleren.
3) De creatie van een éénpartijstaat met de partij als belangrijkste
cliëntelistische verdeler van goederen. In Congo werd dat de MPR van Mobutu.
4) Deze regimes betekenden het einde van andere institutionele organen,
politieke partijen, parlementen, vakbonden, verkiezingen.
Deze hervormingen waren doeltreffend in die zin dat ze zorgden voor een zekere
mate van stabiliteit tot in de jaren 80. Democratie werd echter voor enkele
decennia in de koelkast gelegd. (Chris Allen, Understanding African Politics, p.
305-307)
Spoils politics of “Plunderpolitiek”
Allen (1995) maakt echter gewag van een enkele uitzondering, Zaïre. In Zaïre
heeft Mobutu immers het pad van hervormingen al in 1974 verlaten. Politiek wordt
vanaf dan gekenmerkt door wat Allen 'spoils politics’ (of plunderpolitiek)
noemt. Tot grote verrassing van iedereen boerde het Mobutu-regime helemaal niet
slecht in haar aanvangsjaren. Maar het Mobutu-tijdperk bestaat uit twee luiken:
de opgang en de neergang. Crawford Young (1985) erkent dat het "nieuwe regime"
van Mobutu succesvol was in de periode 1966-1974. Crawford Young typeert dit
regime als een autoritaire gecentraliseerde staat naar koloniaal model.
(Crawford Young, Reflections On The State Decline and Societal Change in Zaire, p. 2) Zolang de inkomsten uit koper binnenkwamen was er niks aan de hand. Mobutu
kon de dure cliëntelistische verdeel-en-heerspolitiek gemakkelijk meespelen. In
het midden van de jaren zeventig vielen die inkomsten echter weg, en stak de
"clientelist crisis" weer de kop op. Mobutu was niet meer bij machte om de
"clientelist crisis" te beheren.
"For what in retrospect proved but a fleeting moment (roughly, 1966-74), this project appeared to succeed. But a tidal wave of misfortune in the middle of the 1970s overwhelmed the regime: the copper price break, the rapid accumulation of a crushing debt burden for an ill-considered array of grandiose projecst, the fiasco of the zairianization, the costly gambit of losing involvement in the Angolan struggle in an unseemly alliance with South Africa and the United States. Since that time, time decline has been the predominant pattern." (Crawford Young, Reflections on The State Decline and Societal Change in Zaire, 1985, p2)
Allen heeft dit ook opgemerkt. De
onopgeloste "clientelist crisis" is de aanleiding voor een nieuw politiek
systeem. Cliëntelisme wordt nu tot in het uiterste doorgedreven. Het wordt een
systeem van zelfvernietiging: "spoils politics" of plunderpolitiek. Allen somt
daarvan opnieuw een aantal kenmerken op. (Chris
Allen; Understanding African politic, p. 304)
1) ‘Winner takes all’:
politieke strijd is ongemeen bitsig. Het is niet de bedoeling de bronnen van de
macht op een evenwichtige manier te verdelen. De winnaar eigent zich alles toe
en deelt geen cadeaus uit. De andere partij weet dit. De macht verliezen is dus
een dubbel zo harde nederlaag. Theobald (1990) noemt dit politiek als een
'zero-sum game'. De verschillen tussen de verschillende etnieën, tussen rijk en
arm zijn zo groot dat er geen consensus mogelijk is. Politiek wordt keihard
gespeeld. Men streeft niet alleen naar de macht maar ook naar de vernietiging
van tegenstanders.
"An atmosphere of acute distrust prevails; politics becomes a ruthless zero sum
contest in which contending parties strive not simply to stay on top but to
eliminate their opponents altogether. The political style is therefore,
conspirational: characterised by constant manoeuvring, the making and breaking
of alliances, carpet crossing, character assassination and sometimes physical
assassination."
(Theobald, Corruption, Development and
Underdevelopment, p.93)
Dit lijkt een waarheidsgetrouwe beschrijving van het "hof" van Mobutu, van wie
geweten is dat hij over lijken ging. Het zou ons te ver leiden om alle
complotten door en tegen Mobutu nu uit de doeken te doen. De bekendste
afrekeningen die Mobutu heeft laten uitvoeren zijn ongetwijfeld de moorden op
Lumumba en Moïse Tshombe.
Dat ‘winner takes all’ principe leidt ook tot een groeiend factionalisme binnen
partijen, iedereen wil immers een deel van de koek. Dat gegeven is interessanter
voor ons onderwerp, want we zien dat ook het UDPS geteisterd wordt door
factionalisme.
2) ‘Corruption/Looting of the economy’:
Het gebruiken van publieke middelen voor eigen gebruik is een bekend
verschijnsel in de Afrikaanse politiek. Theobald (1990) noemt dit
patrimonealisme. Hij probeert te verklaren waarom patrimonealisme meer voorkomt
in ontwikkelingslanden. Ontwikkelingslanden kennen een overontwikkeld (wat niet
wil zeggen goed een georganiseerd) staatsapparaat. En in landen met een overheid
met veel middelen is er nu eenmaal meer kans op patrimonealisme, aldus Theobald.
Maar dit is niet de enige factor die bepalend is, het Afrikaanse politieke
landschap speelt ook een
rol. Theobald heeft het over drie eigenschappen van de Afrikaanse politiek die
patrimonealisme mogelijk maken. Ten eerste, de aard van politiek bedrijven,
politiek als zero sum game (eerder vermeld). In zo'n onveilige omgeving heeft
een politicus een netwerk nodig om op terug te vallen. En het netwerk heeft hem
nodig, maar verwacht tegelijkertijd wederdiensten. Ten tweede de afwezigheid van
een bemiddelde ondernemersklasse. De zwakke economieën in de onderontwikkelde
staten reproduceerden geen onafhankelijke economische elite. In plaats daarvan
probeert men geld uit de staat te halen. Er ontstaat een niet-ondernemende
bureaucratische klasse. De derde reden die Theobald aanhaalt,
is een vingerwijzing naar Westerse bedrijven die de middelen ter beschikking
stelden van corrupte regimes. En zo hun levensduur verlengden. (Robin Theobald,
Corruption, Development and Underdevelopment, p. 93-94)
3) 'Economische crisis':
Crawford Young (1995) formuleert drie factoren die de Zaïrese economie
ondermijnd hebben. Eerst en vooral, de koper productie die volledig is
teruggevallen. Gécamines, het grootste Zaïrese mijnbedrijf, was decennialang de
motor van de economie. Maar door wanbeheer is het bedrijf nu nog maar een schim
van wat het ooit geweest is. In 1985 produceerde het 471 000 ton koper in 1995
nog maar 35 000 ton. Een tweede factor die de ontwikkeling van de economie bijna
onmogelijk maakte, was de stijgende staatsschuld. Van 3 miljard dollar in 1975,
tot 12.3 miljard dollar in 1995. Een derde factor was de zwakke munteenheid, en
een inflatie die steeg tot bijna belachelijke hoogte. Dit is zeer slecht voor
een goed ondernemersklimaat. (Crawford Young, Reflections on State Decline and
Societal Change in Zaire, 1995) Vandaag is de economische impasse in Congo
compleet.
4) 'Lack of Political Mediation':
Allen bedoelt dat er een gebrek aan overleg is tussen de staat en bepaalde
groepen ontevredenen in de samenleving. Dit is eigen aan een ondemocratisch
staatsbestel. Ook Mobutus regime liet geen overleg toe. Toch kon hij op één of
andere manier bepaalde signalen uit de samenleving opvangen. Soms reageerde hij
daar op, wat misschien mede de lange levensduur van zijn regime verklaart.
De geschiedenis van de Nationale Soevereine Conferentie van 1991 bewijst hoe ver
de consensus te zoeken is in de Congolese politiek. Zelfs terwijl rond hen het
land instort kunnen de politici in deze conferentie niet tot een akkoord bewogen
worden. Dit gebrek aan overleg zorgde voor een politieke impasse. Die politieke
impasse verklaarde op zijn beurt het onstabiele klimaat dat heerste in Zaïre
tijdens de transitieperiode.
5) 'Repression and Violence':
Repressie is één van de belangrijkste kenmerken van Mobutu's regime. De
vervolging van de UDPS militanten in de jaren 80 getuigt hiervan. (zie infra)
Mobutu had een goed uitgebouwd repressie apparaat te zijner beschikking. Het
UDPS had, zeker in haar beginjaren, steeds af te rekenen met dit
repressieapparaat. De geheime politie was overal, klaar om in te grijpen.
6) 'Communalism':
Etniciteit is het middel van mobilisatie bij uitstek geworden. Etniciteit wordt
hoe langer hoe belangrijker in de Congolese politiek. Men moet etniciteit hier
opvatten als een modern gegeven, niet als een primitief overblijfsel uit het
prekoloniale verleden van Congo. Etniciteit is immers een antwoord op moderne
ontwikkelingen. Etniciteit hangt duidelijk samen met cliëntelisme, ons centrale
concept. Mensen trachten de mislukte staat waarin ze leven, te vervangen door
iets anders. Ze grijpen terug naar hun etnie, want die kan hen de veiligheid en
de middelen bieden die de staat hen niet meer kan geven. (Bruce Berman, Dickson
Eyoh & Will Kymlicka, Etnicity & democracy in historical & comparative
perspective, p. 3-10)
Er zijn veel theorieën geschreven over etniciteit. De Congolezen beseffen dat
dit niet de manier is om tot een betere ontwikkeling te komen. De belangrijkste
politieke partijen van de huidige overgangsperiode zoals de MLC van
vice-president Jean-Pierre Bemba en de RCD vallen terug op hun lokale
uitvalsbasis, respectievelijk in de Evenaarsprovincie en de Kivu. Hoewel het
UDPS steeds geageerd heeft tegen wat ze zelf noemde 'tribalisme', valt ook die
partij nu terug op de lokale uitvalsbasis in de Kasaï. Hoewel de uitvalsbasis
van het UDPS in Kasaï ligt, heeft het UDPS steeds getracht dit te overstijgen,
door bijvoorbeeld mensen uit andere provincies in het bestuur te betrekken.
7)
'Endemic instability & erosion of authority':
Congo is al lange tijd een onrustig land. Zelfs Mobutu's regime was ondanks zijn
uitgebreid repressieapparaat in se een instabiel regime. De muiterij en
plundering van Kinshasa en andere steden in september 1991 illustreren dit.
Maandenlang was het land onbestuurbaar. Axel Buyse (1994) schrijft dat de
Congolese bevolking in een soort shocktoestand was op dat moment. De
uitzichtloze armoede dreef een kampement soldaten in Ndjili tot de plundering
van Kinshasa. Deze chaos sloeg over naar andere militaire kampen overal in het
land. De chaos stak zelfs de bevolking aan, die ook begon te plunderen. De
gebeurtenissen van september 1991 lieten een verwoest land achter. (Axel Buyse,
Democratie voor Zaïre, p. 27-28)
Deze jarenlange instabiliteit zorgde ervoor dat de Democratische Republiek Congo
vandaag tweede staat in de Global Index of Failed
States. De index, opgesteld door het Amerikaanse tijdschrift
Foreign Policy, heeft voor het opstellen van
deze index verschillende variabelen uitgewerkt. Demografische druk,
vluchtelingenproblematiek, menselijk leed, economische crisis, legitimiteit van
de staat, mensenrechten, veiligheid, factionalisme en buitenlandse interventie
zijn de concepten die onderzocht werden. Op elk concept scoort Congo zeer slecht
(dus zeer hoog). Het tijdschrift besluit dat Congo een mislukte staat is
geworden. Congo is als mislukte staat een gevaar voor andere landen en zijn
eigen bevolking geworden. Congo is een onbestuurbaar land geworden.
(gelezen op
http://www.foreignpolicy.com/story/cms.php?story_id=3100 op 2 juli
2006)
Crawford Young (1995) koppelt een aantal gevolgen aan deze corruptie op grote schaal. Het is niet alleen een belangrijke verklarende factor in de economische crisis die Congo zal treffen vanaf het midden van de jaren 70. Het leidt ook tot ‘the decay of the public realm’. De staat baadt in een sfeer van corruptie. Dat tast de competentie, de geloofwaardigheid van al haar ambtenaren aan. De staat heeft het moeilijker en moeilijker om middelen te mobiliseren voor noodzakelijke infrastructuurwerken en voor andere overheidsaangelegenheden. (Crawford Young, Reflections on State Decline and Societal Change in Zaire, p.2)
Waarom het aanslepen van spoils politics?
Allen zit duidelijk verveeld met iets. Want hoe kan een politiek systeem als spoils politics tegelijk zo destructief zijn én het zo lang uithouden?
"Regime survival is potentially embarrassing for my model,..."
(Chris Allen, Understanding African politics,p. 309)
Met andere woorden, waarom bleef Mobutu, ondanks alle negatieve
kenmerken zopas opgesomd, 32 jaar aan de macht? Is dit eigen aan het systeem van
“plunderpolitiek”? Wat was de reactie vanuit de samenleving? Waarom schoten de
groepen die hierop wilden reageren tekort?
Allen formuleerde een aantal redenen die maakten dat Mobutu en andere spoils
politics systemen het zo lang uit hielden.
1) "Leadership skills":
Mobutu was volgens velen een charismatisch man, creatief en dynamisch. De manier
waarop hij beslissingen nam was direct en efficiënt. Hij was bij elke beslissing
betrokken. (Walter Zinzen, Mobutu van Mirakel tot Malaise, p. 67) Hij werd
gesteund door een gigantische propagandamachine. Hij was een genie in het
verzinnen van mobiliserende termen, zoals zaïrizering, "retroussons les
manches", "servir oui, se servir non", "le mal zaïrois",... Deze kwaliteiten als
leider hebben zeker mee bepaald waarom hij het zo lang heeft uitgezongen.
2) "Windfall gains"(meevallende
winsten):
Het belangrijkste wapen in de handen van Mobutu was zijn gigantische fortuin. Op
die manier kon hij bepaalde elites aan zich binden en de oppositie verdelen.
Zijn geld werd gebruikt om zijn cliëntelistische netwerk te onderhouden. Zo kon
hij de Nationale Soevereine Conferentie in zijn macht houden door 'partis
alimentaires' in het leven te roepen. Deze partijen zaten in de oppositie maar
steunden eigenlijk Mobutu. Voor het saboteren van de parlementaire dialoog werden ze rijkelijk beloond.
3) "External support":
De Belgische regering was lange tijd vrij onvoorwaardelijk in haar steun aan
Mobutu. Vooral de Belgische premier Wilfried Martens en zijn Buitenlandminister
Leo Tindemans steunden hem door dik en dun. In de jaren 90 werd Mobutu echter
een 'persona non grata' voor de Belgische diplomatie. Vandaag steunt België vrij
actief het transitieregime. De Belgische diplomatie hoopt dat president Kabila
de verkiezingen zal winnen. (gesprek met Jozef Smets, Belgische diplomatie, 5
juli 2006)
4) "Technical sophistication in repression":
Walter Zinzen (1995) laat zijn licht schijnen op de veiligheidsdienst van
Mobutu. Of beter gezegd, veiligheidsdiensten.
De veiligheidsdiensten van het leger zijn FIS
(Force d'Intervention Spéciale) en FAS (Force d'action Spéciale). Het verschil tussen de twee lijkt onduidelijk. De
burgerlijk veiligheidsdiensten zijn SNIP
(Service Nationale d'Intelligence et de Protection) en
ANIP (Agence Nationale d'Intelligence
Spéciale). Voor de ordehandhaving is er de
Gendarmerie, met verkeersafdeling en de
Garde Civile, zonder verkeersafdeling. En dan is er nog de
DSP (Division Spéciale Présidentielle), de
persoonlijke lijfwacht van de president. De DSP telde naar schatting zeven à
vijftienduizend goed getrainde Mobutu getrouwen. En dan is er ook nog de
SARM (Service d'Action et de
Renseignerments Militaire), een soort Politieke Politie naar Roemeens model.
(Walter Zinzen, Mobutu van Mirakel tot Malaise, p. 90-91)
Het valt op dat bijna elke veiligheidsdienst (behalve het DSP) een dubbelganger
heeft. Volgens Walter Zinzen wil Mobutu de veiligheidsdiensten op die manier
hopeloos verdelen zodat ze geen gevaar worden voor hem. Elke veiligheidsdienst
bespioneert de andere en Mobutu is de enige die op de hoogte is van alle
intriges. Een andere verklaring kan Theobalds (1990) verklaring van de
overontwikkelde staat in ontwikkelingslanden zijn. Zaïre had dus een uit de
kluiten gewassen veiligheidsdienst, en die heeft Mobutu mede zo lang aan de
macht gehouden.
Het einde van de ,,plunderpolitiek’’ of spoils politics
We mogen ons niet schuldig maken aan determinisme. Het is niet alleen door die
vier variabelen dat spoils politics in het algemeen en Mobutu in het bijzonder
zo lang stand hielden. Spoils politics is geen absoluut concept. Ook spoils
politics is onderhevig geweest aan veranderingen en hervormingen. Allen verdeelt
die hervormingen of reacties onder in drie categorieën. Er waren de
populistische revolte, de gecentraliseerde bureaucratische hervorming en
hervormingen die aan de gecentraliseerde bureaucratische hervorming verwant
waren.
Vooral die eerste twee zijn relevant voor het onderwerp van deze thesis.
Populistische revoltes ontstonden vanuit groeperingen die bestonden uit een
verarmde stedelijke onderklasse, radicale studenten, en georganiseerde
arbeiders, soms ook radicale ambtenaren. Ze reageerden op de zelfdestructieve
plunderpolitiek. Hoewel spoils politics een vrij lang leven beschoren was,
vervreemden hoe langer hoe meer mensen van het regime.
Op de lange duur ook mensen uit de elite. Chris Allen beschrijft dit als volgt:
"Part of the reason is that spoils politics
necessarily excludes not only mass participation but also increasingly large
sections of the elite, and some of the elite -- notably the professions -- may
come to share in popular judgements of the need for politicql transformation."
(Chris Allen, Understanding African Politics, p.310)
Hier ligt de oorsprong van het UDPS. De meeste van de dertien
stichtende leden hadden in de voorgaande jaren actief samengewerkt met het
regime. Eén van de Founding Fathers van de UDPS, Etienne Tshisekedi
bijvoorbeeld, heeft vanaf 1961 tot eind van de jaren zeventig steeds leidende
functies bekleed. Eerst in Lumumba's regering daarna in die van Mobutu. Op een
gegeven moment begint hij zich echter te roeren en valt hij uit de gratie van de
president.
Deze populistische beweging onderscheidde zich van andere groepen in die zin dat
ze een fundamentele verandering nastreefden van het politieke systeem. In plaats
daarvan plaatsten ze een andere, populistische manier van politiek bedrijven. Ze
zochten naar een authentieke, Afrikaanse oplossing. (Chris Allen, Understanding
African Politics, p311-312) Die gedachte was ook in het UDPS aanwezig. Dikonda,
de buitenlandse vertegenwoordiger van het UDPS in België, was een socioloog. Hij
had het vaak over 'traditioneel pluralisme'. In de Morgen van vrijdag 28 juni
1985 omschrijft Dikonda dat als volgt:
"Wij hebben een project voor een nieuwe samenleving, en daarin is
politiek pluralisme onmisbaar. Vooreerst is dat een traditionele wijze van
regeren in de oude Afrikaanse samenlevingen. Altijd waren er op zijn minst twee
groepen, twee wegen. De groep die regeert en de groep die hem verwacht op te
volgen -- en die groepen surveilleren elkaar onderling." (De Morgen, 28 juni
1985)
Het UDPS meent dus legitimiteit te vinden in een zogezegd authentieke Afrikaanse
oplossing. Al heeft de partij later haar opvattingen over democratie aangepast
en verbeterd.
Deze populistische revoltes leidden tot oprichting van een aantal populistische
regimes. Die populistische regimes transformeerden zichzelf al na korte tijd in
gecentraliseerde bureaucratische regimes (zoals in het geval van Ghana en
Uganda), of in factionalistische systemen (Burkina Faso) of in sommige gevallen
keerde de oude spoils politics terug (Liberia).
(Chris Allen; Understanding African politics, p. 310)
Hoewel de oorsprong van beiden
dezelfde is, verschilt het UDPS duidelijk van deze populistische revoltes. Het
UDPS heeft steeds geweldloos verzet gepredikt. Het eerste manifest "La Nouvelle
Société" is van de hand van Dikonda. De ondertoon is enthousiast en
onverzettelijk. Maar dit document blinkt vooral uit in gematigdheid. De
kernwoorden van het manifest zijn: geweldloosheid, tolerantie, pragmatisme en
democratie.
Pragmatisme wordt als volgt omschreven:
"L'UDPS, s'oppose au dogmatisme et par conséquent, à
la politique de "tout ou rien". Elle entend concilier les principes qui sont les
siens avec les données politiques objectives."
(La Nouvelle Société, UDPS, 1984)
Zoveel is duidelijk, hier zijn geen “echte” populisten aan het woord. En omdat ze nooit de macht gegrepen hebben, heeft Allen hen waarschijnlijk over het hoofd gezien.
Spoils politics voorbij: "mediated statehood"
Congo lijkt sinds 1990 in een
voortdurende transitieperiode te zijn terechtgekomen. Eerst was er de transitie
onder 'de hoede' van president Mobutu. Daarna die onder de hoede van de
internationale gemeenschap. De eerste transitie werd gegijzeld door president
Mobutu. Gauthier de Villers vatte deze transitie al samen als een volledige
mislukking. (Gauthier de Villers, La Transition Manquée, p. 20-21) Ik kan me
niet aan de indruk ontdoen dat de eindeloze transitieperiode niet meer is dan
een nieuwe fase van spoils politics.
Tijdens Mobutu's regime konden we reeds zien dat de grenzen van het plunder
politiek bereikt waren. Crawford Young stelde reeds in 1995 een 'decay van
public realm' vast, vandaag kunnen we de ondergang van de Congolese staat
aankondigen (Crawford Young, Reflections on State Decline and Societal Change,
p. 2-3). Hoewel Congo niet te vergelijken is met de Somalische situatie, hebben
de Congolese spoilers een andere manier gevonden om de Congolese staat te
bypassen.
Koen Vlassenroot & Timothy Raeymaekers (2006) beschrijven nauwgezet de overgang
van 'spoils politics' naar 'mediated statehood':
"While state power initially was a vehicle to manipulate access to the distribution of resources, the destruction of the formal economy provoked a shift towards a decentralised patronage network and towards control over clandestine trade networks." (Koen Vlassenroot & Timothy Raeymaekers, Nor Mobutu nor chaos why Congo's elections will not lead to democracy, p.2)
De staat is niet meer de vetpot die
het vroeger was, dus moeten 'spoilers' het geweer van schouder veranderen.
Lokale actoren beginnen de staat te beconcurreren. Dat de overheid niet meer in
staat is om zijn wil overal op te dringen, laat staan de veiligheid te
waarborgen, opent perspectieven voor de lokale machtshebbers. Lokale
clandestiene netwerken worden actief in het smokkelen van natuurlijke rijkdommen
en het heffen van tol. Zo ontstaat er meer en meer een parallelle
machtstructuur. De macht van de staat wordt uitgehold. De Congolese staat,
nochtans berucht om haar hardhandige optreden moet vandaag meerdere clandestiene
netwerken dulden, die de controle over grote delen van het grondgebied
overnemen.
Conflict zit in dit systeem ingebakken. Politieke veranderingen komen enkel door
de loop van een geweer. Dit is volgens Koen Vlassenroot en Timothy Raeymaekers
(2006) het grootste gevaar van 'mediated statehood'. Conflict is een bron van
inkomen voor de meeste milities. Deze milities hebben dan ook alle belang bij
dat Congo een conflictrijke omgeving blijft. Zolang er oorlog in Congo is,
blijven deze milities de sluiswachters en tolheffers. Het gevaar is dat de
Congolese politiek in een permanente staat van 'wartime politics' zou
terechtkomen.
(Koen Vlassenroot & Timothy Raeymaekers, Nor Mobutu nor chaos why Congo's
elections will not lead to democracy, p.3-4-5)
Het democratisch deficit van 'mediated statehood' is navenant.
Niet de representativiteit maar wel het aantal strijders die een militie kan op
de been kan roepen, is van belang. Voor een ongewapende politieke partij als het
UDPS is het moeilijk om hier tegen op te tornen. Het UDPS is nochtans niet
helemaal ongewapend. Ook het UDPS kan soms gewelddadig uit de hoek komen. Dat
lijkt de taak voor de jonge partij leden, de zogenaamde 'parlementaires debout',
soms ook wel politieke hooligans genoemd. De toekomst moet uitmaken of ook het
UDPS zich aangepast heeft aan dit nieuwe politieke systeem.
Deze omgeving is een
antidemocratische omgeving. Verkiezingen organiseren in een land waar gewapende
groepen de plak zwaaien is een hachelijke onderneming. De Verenigde Naties
helpen dan ook mee de rust te bewaren in Congo. De rebellen werden in een
transitieregering betrokken in de hoop dat ze de wapens zouden neerleggen en
zich zouden omvormen tot volwaardige politieke bewegingen.
Evolueert de Congolese politiek naar “machine politics”?
Dat deze redenering een te naïeve redenering is, leert ons James C
Scott. Congo lijkt nu in het beste geval af te stevenen op 'machine politics'.
Machine politics verwijst naar de maffia-achtige netwerken die ontstonden in
stedelijk Amerika, op het einde van de negentiende eeuw. In die chaotische
stedelijke omgeving vielen de inwijkelingen terug op hun vertrouwde netwerken.
Scott (1989) omschrijft deze machines als:
"Rather, it is a nonideological organization interested less in political
principle than in securing and holding office for its leaders and distributing
income to those who run it and work for it."
(J C Scott, Corruption, Machine Politics and Political Change, p.
276)
Scott omschrijft in wat voor omstandigheden die politieke “machines” de
kop op steken. Vooral als (1) de politieke leiders door verkiezingen aangewezen
worden, (2) er een systeem van algemeen enkelvoudig kiesrecht bestaat, en er (3)
uitermate hoge concurrentie tussen de verschillende partijen bestaat, vinden
deze politieke machines opgang. Ontwikkelingslanden zoals Congo bieden een
sociale context aan die een vruchtbare voedingsbodem is voor machine politics.
Vooral woelige periodes, zoals tijden van verkiezingen zijn het gevaarlijkst.
"When the social disorganization accompanying urbanization and economic change is particularly severe and of long duration, when it is compounded by deep cultural differences, and when competitive elections with a universal suffrage are introduced early, the pressures toward machine politics will be vastly greater than when demographic change is gradual and less severe…" (JS Scott, Corruption, Machine and Political Change, p. 279)
Als deze woorden bewaarheid worden,
staat Congo nog moeilijke tijden te wachten. De verkiezingen kunnen een nieuw
begin inluiden. Wil Congo evolueren naar een echt democratisch regime dan zal
met de concepten die ik hier heb uiteengezet rekening moeten gehouden worden.
Hopelijk kunnen de fouten die in het verleden gemaakt werden, vermeden worden.
Het UDPS verwijt de internationale gemeenschap precies dit: dat ze geen
allesomvattende analyse heeft gemaakt van het democratiseringsproces in Congo.
En dat ze geen oog heeft voor de gevoeligheden van de Congolese politiek.
Hoofdstuk twee: de geschiedenis van het UDPS
DEEL I: De clandestiene geschiedenis van de partij (1982-1990)
INLEIDING
1977: Joseph-Désiré Mobutu Sese Seko is al twaalf jaar aan de macht en
hij zal nog twintig jaar aan de macht blijven. We kunnen niet rond de figuur van
Mobutu. Hij heeft ondanks zichzelf een belangrijke rol gespeeld in het ontstaan
van de oppositiepartij UDPS, de Unie voor Democratie en Sociale Vooruitgang.
Mobutu kwam via een coup aan de macht in 1965 en zou de 32 daaropvolgende jaren
Congo in een ijzeren greep houden. De Mobutu-era is uiteraard een belangrijke
periode in de recente geschiedenis van Congo. De invloed daarvan is nog niet
voorbij. Tot op vandaag hypothekeert Mobutu de kansen van Congo om zich te
ontwikkelen. Zaïre was 32 jaar een dictatuur. Toch was de Mobutu-era geen
monolithische periode. Op sommige momenten moest of wilde Mobutu zijn greep op
Congo verslappen. Dikwijls waren het schijnbewegingen, maar periodes van
ontdooiing zijn er wel degelijk geweest.
Jean-Claude Willame (1987) schreef de geschiedenis van het UDPS van 1978 tot
1987. Hij situeert de oorsprong van het UDPS in de schoot van het Mobutu-regime
zelf. De founding fathers waren inderdaad politiek actief in dat regime. Met
name in de eenheidspartij van toen: het MPR, Mouvement Populaire pour la
Révolution, van Mobutu. De eenheidspartij waar elke Zaïrese burger automatisch
lid van werd.
1978 is één van die zeldzame periodes van ontdooiing geweest. Mobutu is degene
die alles in gang gezet heeft. Jarenlang had hij Congo in een ijzeren greep.
Maar hij beseft dat hjij de greep op het gebeuren verliest. Het economische
mirakel uit het begin van zijn regime is immers voorbij. Er moet iets gebeuren.
Op 25 november 1977 geeft Mobutu een eigenaardige speech die de geschiedenis zal
ingaan als zijn "Discours sur le Mal Zairois",
oftewel zijn visie op wat hijzelf de Zaïrese ziekte noemt. In die speech hekelt
hij de corruptie in zijn land, zonder daarbij de verantwoordelijkheid van zijn
eenheidspartij MPR uit de weg te gaan. Hij gaat nog verder. Als één van de
oorzaken van de corruptie in zijn land, geeft hij ook het democratisch deficit
aan.
Mobutu begint met die speech een
Zaïrese “glasnost”. Nog voor die in de Sovjetunie moest uitgevonden worden. Maar
ze zal in Congo van korte duur zijn. Toch is het hek van de dam. Er komt een
golf van kritiek op het regime. Mobutu’s speech van 25 november 1977 is heel
belangrijk voor de ontstaansgeschiedenis van het UDPS. Mobutu zal hierna de
kritiek nooit helemaal onder controle krijgen. Tijdens deze “glasnost” van
Mobutu stelt hij drie politieke remedies voor. Mobutu pleit voor een operatie
schone handen in de administratie en de justitie. Hij pleit ook voor een
liberalisering en voor meer vrijheid van meningsuiting.
Maar het blijft niet bij woorden. Mobutu’s discours heeft belangrijke
consequenties. Het parlement wordt door een wet van
4 juni 1978 in ere hersteld. Dat parlement bestaat, naar goede
gewoonte in een éénpartijstaat, alleen uit leden van het MPR van Mobutu. Er
ontstaat echter een dynamiek in het parlement. De parlementsleden beginnen de
parlementaire controle serieus te nemen. Controle op de uitvoerende macht, op de
rechterlijke macht, en ook op de openbare instellingen. De parlementairen maken
gretig gebruik van de hefbomen die hen geboden worden: interpellaties,
schriftelijke vragen, mondelinge vragen, en zelfs onderzoekscommissies.
Het Congolese parlement begint zowaar op een Westers, democratisch werkend
parlement te lijken. Wat het parlement niet kan, is het de uitvoerende macht
naar huis sturen. Dat is net het tere punt in de zogezegde emancipatie van het
parlement. Een motie van wantrouwen is de machtigste die een parlement bezit,
maar dat kan nu net niet. Algauw maken de parlementairen kennis met de grenzen
van de bewegingsruimte die hun door Mobutu was gegeven. Mobutu weet door een
paar handige verschuivingen in de regering en door het opnemen van een aantal
oppositie figuren in zijn regering de rust in het parlement te herstellen. Toch
is deze kortstondige “Zaïrese glasnost” een belangrijke periode geweest. De kiem
van het latere UDPS ligt in dat parlement. Sommige parlementairen kunnen nu niet
meer zwijgen. Tshisekedi is één van hen. Tshisekedi zal in deze periode een
eerste maal in conflict komen met Mobutu.
BLOEDBAD OP DIAMANTDELVERS IN KASAI
In juli 1979 komt er de eerste serieuze aanvaring tussen Tshisekedi en Mobutu.
In Katekelay in Oost-Kasaï schieten soldaten op artisanale diamantdelvers.
Tshisekedi is van de streek. Hij schrijft op 23 juli 1979 samen met vier andere
parlementairen die ook afkomstig zijn uit Kasaï, een brief naar president. De
brief is rechtstreeks gericht aan de president, de toon is kritisch tot
beschuldigend. Tshisekedi klaagt de moordpartij aan, maar ook andere
wantoestanden. Het is misschien wel de eerste keer dat iemand zo formeel tegen
Mobutu durft ingaan.
Tshisekedi en de andere parlementairen worden door Mobutu op de beruchte
legerkazerne Camp Tschatshi in de hoofdstad Kinshasa ontboden. Mobutu is razend.
De president bedreigt de vier en dwingt hen een officieel bericht te
ondertekenen, waarin gewag wordt gemaakt van maar drie doden in plaats van 200.
Dat incident wordt het eerste grote openlijke conflict tussen Tshisekedi en
Mobutu. De vier parlementairen worden er nog maar eens aan herinnerd hoe
gevaarlijk het is oppositie te voeren in het Zaïre van Mobutu. Nochtans blijft
ondertussen de kritiek op het regime doorgaan in het weliswaar verzwakt
parlement.
Mobutu grijpt in. Hij schroeft de macht van het parlement volledig terug. In
februari 1980 is het parlementaire sprookje uit. Mobutu kondigt twee besluiten
af die hem opnieuw alle touwtjes in handen geven. Het eerste besluit gaat erover
dat Mobutu opnieuw zelf het politiek bureau van het MPR zal samenstellen. Vele
opstandige parlementairen maakten deel uit van dat politiek bureau en hadden net
een zekere autonomie weten te verwerven.
Mobutu’s tweede maatregel stelt
zelfs een einde aan het recht op interpellatie van het parlement. Voortaan
moeten interpellaties in het parlement eerst goedgekeurd worden door de Chef, de
Stichter en de President van de staat. De macht wordt opnieuw volledig
geconcentreerd in de persoon van Mobutu.
Op de
parlementaire zitting van 4 februari 1980 verklaart Mobutu het volgende.
"Sans chercher à établir des responsabilités, si nous réfléchissons bien, nous
avons été nous même pris au piège du système institué pour la composition des
membres du Bureau Politique. C’est à dire l’élection, dans une élection, tout le
monde peut passer. C’est l’électorat, maître de jeu, qui apprécie le candidat en
fonction de toutes sortes de critères qui lui sont propres. Dès lors, il s’est
créé une situation anachronique qui fait que le President de la République que
je suis a parfois eu le sentiment d’être plus un President-Délégué Général qu’un
Chef d’Etat lors de certaines réunions du Bureau Politique.
Ce n‘est pas normal. (…)" (Jean-Claude
Willame, Chronique d'une Opposition Politique: l'UDPS (1978-1987), p. 14-15)
Opvallend genoeg komt het meeste protest van de parlementairen er naar
aanleiding van Mobutu’s eerste maatregel en niet de tweede maatregel. Namelijk
over het naar zich toetrekken van de macht in het Politiek Bureau van het MPR.
UDPS EN DEMOCRATIE
Volgens Prof. Dr. Omasongo van het Afrika Instituut in Tervuren zal Tshisekedi
later steeds een aanhanger van sterk bestuur blijven. Aanvankelijk wilden de
kritische parlementairen het MPR gebruiken voor hun hervormingen. Het MPR kan
voor een sterk bestuur zorgen, als zij aan het roer staan. Dit komt nu in
gevaar, door Mobutu’s maatregelen.
Mobutu gebruikt steeds de klassieke argumenten om zich tegen democratie te
blijven kanten. William Tordoff (2002) heeft het er in "Government and Politics
in Africa" over: de meeste politieke dictaturen in Afrika zijn uiterst
terughoudend om democratiserende maatregelen te nemen. Ze gebruiken daarvoor
steeds dezelfde argumenten: namelijk dat een multipartijenstelsel steeds
etnische verschillen zal aanwakkeren. Ook zou multipartisme sociale herverdeling
in de weg staan, politieke onlusten aanwakkeren, en tenslotte de ontwikkeling
van het land belemmeren. Later zal dit streven voor een multipartijenstelsel
voor het UDPS een cruciale eis in haar discours zijn. (William Tordoff,
Government and politics in Africa)
In 1980 zal de eis voor een multipartijenstelsel allesbehalve een belangrijk
strijdpunt zijn voor het UDPS. Volgens Omasongo zijn de parlementairen van 1979
aanvankelijk helemaal niet revolutionair gezind. Ze sparen Mobutu niet in hun
kritiek. Maar ze koppelen hier aanvankelijk geen democratisch gedachtegoed aan
vast. Hun hervormingen beperkten zich tot de eenheidspartij MPR waar ze allemaal
lid van waren. Die ambigue houding in haar standpunt over democratische
vernieuwing blijft een teer punt voor het UDPS in haar discours die eerste
jaren.
Eén van leiders van de partij, professor Dikonda, had zo zijn eigen visie over
de Afrikaanse democratisering. Dikonda was in 1982 naar Brussel gevlucht om daar
het verzet verder te zetten. Hij zal jarenlang de woordvoerder van het UDPS
zijn. In De Morgen van 28 juni 1985 vergelijkt hij de Afrikaanse democratie met
"traditioneel pluralisme". Hiermee gaat hij in tegen de zogezegde
"Bantoedemocratie", waarop Mobutu een beroep deed om zijn ondemocratische regime
te legitimeren. Dikonda omschreef de bestuursvorm in veel stammen, zoals de
Bacongo en de Baluba als traditioneel pluralisme.
"Bij deBakongo heb je de opvolgers van de koning,
zijn zonen waaruit de opvolger wordt gekozen. Binnen dat kiescollege wordt
campagne gevoerd. Bij de Baloeba in Kasai heb je aan de ene kant de regeerders
en aan de andere kant deoppositie – degenen die aanspraak maken op de opvolgers
diehet beleid kontroleren, die de zwakheden van regeerders opsporen, enz. (...)
Het feit dat wij vinden dat er minstens twee partijen moeten zijn, speelt niet
alleen op het niveau van ideologische meningsverschillen- het gaat om de
mogelijkheid tot kontrole op het beleid." (De Morgen, 28 juni 1985)
Dikonda kijkt anders aan tegen democratie. Zijn visie verschilt van
een Westerse analyse van democratie. Westerse analisten zullen bijvoorbeeld meer
de persoonlijke vrijheden die democratie met zich meebrengt, beklemtonen. Voor
Dikonda is het vooral van belang dat democratie een betere bestuursvorm
oplevert.
1980: BEGIN VAN EEN ZAÏRESE PERESTROJKA?
Achteraf is het moeilijk te zeggen waarom Mobutu aan zijn discours over Le Mal
Zairois begonnen is. Het zag er in ieder geval veelbelovend uit. Er was een
grote wil tot hervormen. Hij kon een Zaïrese Perestroika inluiden. De vraag is
of de antidemocratische Mobutu van februari 1980 een andere Mobutu is dan deze
die op 25 november 1977 aanzette tot meer democratie. Mobutu was niet veranderd.
De omstandigheden waren dit wel.
Het leidt ons te ver om in te gaan op de slabakkende economische situatie van
1977. Hoe dan ook had de Zaïrisering een verwoestend effect op de economie. Dat
kwam bovenop de instorting van de koperprijs. Maar in 1977 breekt ook de eerste
Shaba-oorlog uit. De kwetsbaarheid van het regime wordt ineens heel duidelijk.
Het mirakel van Mobutu uit de jaren 60 is omgeslagen in een malaise, zoals
Walter Zinzen dit zo mooi verwoordde in zijn boek "Mobutu Van Mirakel tot
Malaise." Mobutu’s regime stond zwak. Daar moet de oorzaak voor de plotselinge
hunkering naar hervorming te zoeken zijn. Zijn regime had een
“legitimeringsboost” nodig.
Vandaag weten we dat echte democratisering het laatste was wat Mobutu in gedachten had. Crawford Young (1987) analyseert deze periode van ontdooiing. Volgens Young was democratie gewoon een middel voor Mobutu om zijn tanende legitimiteit terug op te krikken. Zelfs de meest autoritaire regimes hebben een zekere mate van legitimiteit nodig. Mobutu's regime rustte niet alleen op repressie. In periodes van tanende populariteit waren - goed geënsceneerde - verkiezingen dé manier om zijn regime opnieuw leven in te blazen. Het stimuleren van een oppositiebeweging had Mobutu helemaal niet in gedachten.
"But these elements were deemed insufficient: "democracy" too, required
incorporation into state doctrine--particularly at a moment when the regime was
badly shaken by an invasion by a ragtag band of Shaba insurgents from Angola
(repulsed by Maroccan troops with Western logistical support), and when it
desperately needed respectability abroad to avert foreclosure by its private and
public creditors."
(Crawford Young, Election in Zaïre, p. 189)
Toch zullen Tshisekedi en andere later vooraanstaande leiders van het
UDPS, zoals Makanda en Ngalula zich, ondanks de intimidaties, opwerpen als de
voortrekkers van een parlementair front.
De volgende mijlpaal is de brief van de dertien
parlementairen. Deze brief van eind 1980 is belangrijk voor de
politiek in Congo en voor de ontwikkeling van de partij UDPS. Het was moedige
daad, Mobutu had kort tevoren alle oppositie formeel verboden. De brief is een
eis tot ontvoogding. Vandaag is de brief, 25 jaar na publicatie, nog steeds
mijlpaal in de geschiedenis van de partij. Op www.udps.net (de website voor
uitgeweken partijleden) wordt de brief opgenomen in de openingspagina. Ter ere
van de 25ste verjaardag van de brief. Dit gemeenschappelijke document
is voor het politiek bewustzijn van de UDPS militanten van onschatbare waarde.
Het wordt door hen aangevoeld als de stichtende tekst van de partij. Hoewel er
nog 2 jaar zouden verlopen voor de partij effectief gesticht zou worden. In
memoranda van de partij wordt dikwijls gewag gemaakt van de brief.
Dit
toont de grote legitimerende kracht van de brief aan.
"Pourtant,
cette Lettre ouverte fait littéralement de la République démocratique du Congo
un État indépendant et souverain, lequel dispose réellement de son destin
politique. Cette dernière fait véritablement du Congolais un Citoyen,
c’est-à-dire un être humain disposant des droits et des libertés. Donc, cela
signifie que les Congolais cessent définitivement d’être un ramassis de
populations indigènes ou autochtones. De plus, ce fameux Mémorandum de 52 pages
invente, à n’en pas douter, une nouvelle Nation [essentiellement composée de
Citoyens libres]. Aussi façonne-t-il un nouveau Peuple [véritable détenteur de
la Souveraineté politique] au cœur du vaste continent africain.
Par conséquent, ce 25e anniversaire est naturellement l’occasion pour
chaque Congolaise et chaque Congolais de s’imprégner du message profond véhiculé
par ce document fondateur d’une nouvelle société. C’est l’occasion de s’imbiber
de ce texte inédit qui balise l’avenir d’un Peuple nouveau. Aussi est-il le
moment de poser la question de savoir ce qui reste pratiquement du Mémorandum de
52 pages. Ainsi, dans le contexte de fin de la Transition politique échue le
jeudi 30 juin 2005 à minuit, quelle place occupe-t-elle encore la fameuse Lettre
ouverte du 1er novembre 1980 au Maréchal-dictateur Mobutu Sese Seko
du Zaïre dans le combat du Peuple congolais en faveur de la démocratisation
institutionnelle et de la libéralisation politique ? Face à la cabale
internationale contre le Congo, à la menace permanente de balkanisation du
territoire national, à la confiscation du pouvoir d’État par le régime des
mercenaires et imposteurs locaux ou étrangers depuis le jeudi 30 juin 2005, aux
effets dévastateurs du néo-esclavagisme, que représente-t-il exactement ce
document inspirateur de la résistance politique et stimulateur de la lutte
démocratique ?"
(http://www.udps.net/congo.php?articleId=95
gelezen op dinsdag 20 december 2005)
Hierna gaat het heel snel voor de dertien parlementairen. De reactie
van Mobutu laat niet op zich wachten. De gebeurtenissen volgen zich snel op. 31
december 1980: arrestatie van Ngalula. 1 januari 1981: arrestatie van 5 andere
parlementairen (Tshisekedi, Lusanga, Makanda, Kapita, Kanana). 2 januari: de
immuniteit van de parlementairen wordt opgeheven. 12 januari: het parlementair
mandaat van de dertien wordt hen afgenomen. Sommigen wordt zelfs de uitoefening
van hun politieke en burgerlijke rechten afgenomen. Het verlies van je
burgerlijke rechten hield op dat moment in Zaïre de verbanning naar je
geboortestreek in.
13 januari: verschijning voor het centraal comité van het MPR. 20 januari:
verbanning naar geboortestreek in Kasai en Shaba, waar ze in feitelijke
gevangenschap leven. (Amnesty International International Secretariat, Zaïre the
case of a veteran Zaïrian politician: Ngalula Mpandanjila, p. 2-3)
Opeens lijkt het regime van Mobutu een heel dynamische en geoliede
repressiemachine te zijn. Het parlement werkt tijdens deze periode enkel als een
stemmachine van Mobutu’s macht. Zo hoort het volgens Mobutu ook te zijn. Toch is
tijdens hun verbanning de bewegingsruimte van de zes parlementairen blijkbaar
niet helemaal beperkt. Want ze slagen erin de internationale gemeenschap om hulp
te roepen. De verontwaardiging in de internationale gemeenschap is groot, en er
wordt uiteindelijk druk uitgeoefend op het Mobutu regime om de zes vrij te
laten. Wat uiteindelijk discreet gebeurt in oktober 1981.
De volgende confrontatie zal uiteindelijk tot een definitieve breuk leiden. Voor
de goede orde: de partij UDPS bestond toen eigenlijk nog niet. De afvallige
parlementairen waren er aanvankelijk niet op uit om een nieuwe partij te
stichten. Ze wilden hun kritiek ventileren binnen de structuren van de MPR. De
houding van de Mobutu-administratie bleef echter steeds vijandig. De dertien
werden als stichters van een revolutionaire partij behandeld, hoewel ze dit
aanvankelijk niet waren. Op de duur zat er echter niets anders op dan zich als
een revolutionaire actor te gedragen. Het is een vorm van self fulfilling
prophecy geweest.
Er komen onderhandelingen tussen de regering en de partij. De bedoeling van die
onderhandelingen was voor het UDPS de vorming van een politieke partij zonder de
wet te overtreden. Een tweede partij was immers formeel verboden volgens de
Zaïrese grondwet. Die onderhandelingen slaan al na één maand af. De standpunten
van de twee partijen verschillen gewoon teveel als het gaat over het hervormen
van partijstelsel.
Het is maart 1982 en we staan op een tweesprong in de geschiedenis van de
partij. Nu moet men kiezen: uit het MPR stappen of in het MPR blijven. De 13
opereerden tot dan binnen het MPR. Voor Tshisekedi was dit een belangrijk punt.
“De kritiek die we geven, geven we als lid van het MPR”, zo klonk het nog in de
brief van de dertien. Van 1977 tot 1982 zijn de dertien een strekking, een
groepering binnen de MPR partij. In maart 1982 zullen de wegen scheiden.
Nu de onderhandelingen met de autoriteiten zijn afgeslagen, zijn de 13
parlementairen meer dan ooit loslopend wild geworden. Kibassa, Lumbu, Lusanga,
Kyungu, Tshisekedi, Makanda, Ngalula, Kapita, Kanana, Ngalula, Dia, Biringanine,
allemaal worden ze in de loop van de maand maart opgepakt. Ze worden ondervraagd
door een veiligheidscommissie. Dit blijken later de voorbereidingen van een
politiek proces te zijn. De beschuldiging: schending van de Zaïrese grondwet,
die meer dan één politieke partij verbiedt. Het proces duurt slechts 2 dagen en
resulteert in een verwachte uitslag: 15 jaar gevangenschap.
Mobutu blijft erbij. Hij aanvaardt slechts 1 partij, de zijne. De dertien
parlementairen hebben geprobeerd een alternatieve partij aanvaardbaar te maken
voor het regime. Ze merken nu dat er geen bewegingsruimte is voor een
oppositiepartij in Zaïre. De partij moet zich nu verder ontwikkelen op een
clandestiene manier. De terughoudendheid van in het begin is echter verdwenen.
Voor het eerst beschouwen ze zichzelf als een echte partij. Er is geen reden
meer voor een diplomatieke opstelling. Waarom nog op eieren lopen, vragen de
dissidenten zich af.
1980-1987: DE REPRESSIE
Als we de persberichten van toen doornemen, zien we dat in de periode die volgt,
veel kopstukken vooral bezig zijn zichzelf in leven te houden. Berichtgeving is
problematisch in dergelijke conflictsituaties. Een overzicht van de Belgische
krantencommentaren van toen, laat ons wel toe om een indruk krijgen van het
gewelddadige politieke klimaat van toen.
Ik zou hieronder een beeld willen scheppen van de terreur die het Mobutu regime
pleegde tegen de dertien stichters van de partij, en tegen gewone partij
militanten in de periode 82-87. De documenten die Amnesty International rond die
tijd vrij gaf, zijn vernietigend voor Mobutu’s regime. Amnesty International kan
beschouwd worden als een onpartijdige neutrale actor en is gerenommeerd als het
gaat om het documenteren van schendingen van de mensenrechten.
Op 23 september 82 in La Libre Belgique:
"Zaïre: Ngalula dans le coma" ..."Le Député Ngalula, l’un des treize
parlementaire parlementaires zairois condamnés pour avoir voulu fonder un parti
politique, se trouve hospitalisé dans un état grave après avoir été mordu par un
serpent venimeux dans sa cellule dans le haut Zaïre..."
Op 9 november 82 in De
Morgen: "Toestand Zairese parlementsleden onrustwekkend".
"...De parlementairen worden volgens de UDPS nauwelijks gevoed en krijgen
nauwelijks medische hulp. Bovendien wordt hen het bezoek ontzegd van de naaste
familieleden. Het UDPS heeft bij monde van Dikonda een oproep gericht tot het
Rode Kruis om de gevangen genomen parlementsleden ter hulp te snellen..."
Op 17 april 83 in de Morgen: "Nieuwe
arrestaties in Zaïre". Kibassa, Maliba, Ngalula,Mpandajila,Tschikedi wa
Mulumba, Mpinga en Lusanga Ngiele werden zondagochtend 4 uur samen met
familieleden en vrienden, waaronder ook enkele kinderen, door groene baretten
van het Zaïrese leger opgepakt en met onbekende bestemming weggevoerd."...
Op 15 juni 83 in Le Soir:
"Rencontre avec un des treize parlementaires libérés par la récente amnistie
de Mobutu"... "Dia Onken-A-Mbel (gevangen van juli 82 tot mei 83): Non , je
n’ai jamais été torturé mais la souffrance morale était grande . J’ai souffert
le plus de la solitude et de la promiscuité. Je me trouvais avec cinq cent
cinquante détenus de droit commun qui…"…Le 19 mai grâce à un petit poste de
radio que j’ai entendu le discours du president Mobutu annonçant l’amnistie .
Mais il me fallut attendre cinq jours interminables pour apprendre de la bouche
même du procureur général de Lumumbashi que j’étais libéré…"
Op 24 augustus 83 in de Morgen:
" Nieuwe Moboetoe-Repressie": "Tijdens het bezoek van Amerikaanse
parlementsleden aan Kinsjasa, medio augustus jl. is het in de Zaïrese hoofdstad
tot fikse rellen gekomen. De 13 Zaïrese parlementsleden, die onlangs na een
jarenlange gevangenschap zijn vrijgelaten, werden door Moboetoe’s militaire
politie afgetroefd en een tijdlang gevangen gehouden. Hetzelfde overkwam
tientallen van hun medestanders. Voor het leven van tenminste één onder hen
wordt gevreesd."... "Toen barstte de hel los. Militaire politie in burgerkleren
sloot de parking van het hotel af. Auto’s, waarmee de UDPS-militanten naar
Kinsjasa waren gekomen werden vernield. De dertien werden publiekelijk geschopt
en geslagen met koppelriemen. Nadien zijn ze meegevoerd naar de kelders van het
Kamp Tchatsi, een militair complex in de buurt van de Zaïrese hoofdstad.
Hetzelfde lot overkwam tenminste 50 andere manifestanten... "'s Avonds zijn dan
de meeste arrestanten vrijgelaten, zij het dat velen onder hen zonder kleren of
bezittingen op straat zijn gegooid"..."Intussen is er nog geen spoor van de
gearresteerde Bossassi, een vroegere medewerker van Moboetoe, thans lid van de
UDPS."... "De Zaïrese president ontkende dat de brutaliteiten gepleegd waren
door militairen. Hij noemde de herrieschoppers "onverantwoordelijken van de
MPR-jongeren". (De MPR is MoBoetoe’s eenheidspartij).
Dat wordt door getuigen tegengesproken."...
Op 18 oktober 83 in La Libre Belgique:
"Les opposants Zaïrois retournent en prison". "Les cinq principaux
membres du "groupe des treize" ont été arrêtés après l’ échec de la
reconcialiation."...
Rapport van Amnesty International (december 1983):
List of eight zaïrians reportedly to their villages of origin.
Amnesty geeft hier een lijst van 19 opgepakte personen.
Op 11 maart 85 in Le Soir: "Incidents
au Kasaï Oriental:" "Des incidents armés ont opposé le 5 mars à Mupompa,
petite bourgade de deux cent cinquante habitants de la province diamantifère du
Kasaï Oriental, des opposants au regime du president Mobutu aux forces de
l’ordre zaïroise, a annoncé vendredi le porte-parole du government."…
Op 14 oktober 85 in De
Morgen: "Moboetoe laat leider van de 13 aanhouden:" "De
Zaïrese overheid heeft een voorman van de Union pour la Démocratie et le Progrès
Social, Tshisekedi Wa Mulumba gearresteerd. Hij wordt beschuldigd van een
aanslag op de staatsveiligheid, een klacht waarvoor…"
Op 13 mei 86 in Le Soir:
"L’O.N.U. accuse Kinshasa d’avoir violé les droits des treize
parlementaires." Le comité des droits de l’homme des Nations Unies a rendu
publiques des considérations très sévères pour le Zaïre à la date du 26 mars à
la suite d’une action introduite par les advocates belges Mes Eric Vergauwen et
Robert Cherles Goffin, des treize parlementaires (qui ne sont plus que sept
aujourd’hui, les autres sont rentré dans les rangs) qui depuis 1981 ont été
arêtés, condamnés, placés en residence surveillée en raison de la publiqucation
d’une lettre ouverte au president du Zaïre critiquant le regime.
Rapport van Amnesty International (in oktober 1986):
"Zaïre-the case of a veteran zaïrian politician: Ngalula Mpandanjila".
"Ngalula Mpandanjila is a veteran politician from Zaire's Kasai Oriental region
who has spent much of the past six years in prison or banished to remote towns
and villages because of his criticisms of government policies and his support
for a campaign to establish a second political party in Zaire, which is a
one-party state."
Dit rapport bevestigt ook het bericht uit la Libre Belgique van 23 september
over Ngalula’s slangenbeet in de gevangenis van Osio, 25 km van Kisangani.
Jean-Claude Willame (1987) omschrijft deze periode als een periode waarin de
UDPS militanten vogelvrij verklaard zijn door het regime. Zonder dat hen één of
andere vorm van formele beschuldiging wordt voorgelegd, wisselen zich periodes
van internering, vrijlating, verbanning elkaar af.
(Jean-CLaudeWillame, Chronique d'une opposition politique: l'UDPS (1978-1987, p.
72)
Soms zijn er toch nog periodes van détente.
De
periode rond de 25ste verjaardag van de onafhankelijkheid van Zaïre
was zo’n periode. Met de ogen van de wereld op Zaïre gericht, wil Mobutu in 1985
bewijzen dat zijn regime een respectabel regime is. Die periodes van détente
worden echter steevast gevolgd door periodes van hardnekkiger repressie.
Oktober-november 1985 zijn ongemeen hard voor de partijmilitanten. Enkel
politiek strategische redenen in hoofde van Mobutu kunnen deze fluctuaties
verklaren.
Na verloop van tijd begint zich een werkwijze in de repressie af te tekenen. De
tactiek is in oktober en november 1985 dubbel: ten eerste keihard de gewone
partijleden raken. De cijfers zijn hallucinant voor oktober en november 1985. Er
zijn 66 operaties tegen gewone partijmilitanten. 24 overvallen door milities. 27
gevallen van agressie, verbanning, arrestatie. 26 huizen zijn verwoest of in
brand gestoken. 4 à 6 mensen zouden vermoord zijn. De 13 stichters van het UDPS
daarentegen worden vanaf eind 1985 doelbewust minder hard geraakt. Het gaat van
huisarrest tot verbanning naar de geboortestreek. Dit zijn methoden waarvoor de
internationale gemeenschap minder gevoelig was. Al is verbanning naar de
geboortestreek in een land zoals Congo te vergelijken met een middeleeuwse
vergeetput. (Jean Claude Willame, Chronique d'une opposition Politique, p. 91)
De berichtgeving over folteringen en vervolgingen is eindeloos. De repressie
door het regime was keihard. Dat heeft de verdere vorming van een politieke
partij in de jaren 80 onmogelijk gemaakt. De partij was verboden vanaf haar
ontstaan tot in 1990. Dat heeft belangrijke consequenties voor de werking van
een partij. De repressie heeft de geschiedenis van de partij bepaald.
DE AKKOORDEN VAN GBADOLITE.
Er komt toenadering tussen de overheid en het UDPS vanaf eind 1986. Die
toenadering leiden uiteindelijk tot de akkoorden van Gbadolite in juni 1987.
Waarom nu wel die toenadering? Volgens Willame zijn er aantal redenen.
1) Ten eerste is er geen vertegenwoordiging van het UDPS in het buitenland meer.
Eén van de manieren waarop het UDPS oppositie voerde, was vanuit het buitenland.
Dat valt nu weg. Dikonda is uit de partij gegooid na een aantal onverkwikkelijke
affaires die Dikonda’s positie onmogelijk hebben gemaakt.
2) De tweede reden is het stilzwijgen van de buitenlandse overheden. Voor de
Verenigde Staten en België, de twee meest betrokken staten in Zaïre zijn de
mensenrechten in de periode 1985-1987 geen reden meer om de relaties met Zaïre
op de helling te zetten. De voorgaande jaren hadden nochtans bewezen dat Mobutu
wel degelijk vatbaar was voor diplomatieke druk. Maar een veranderende publieke
opinie en een heropflakkering van de Koude Oorlog maakt dat buitenlandse
mogendheden veel geduldiger zijn met Mobutu’s regime. Hierdoor staat het UDPS er
meer dan ooit helemaal alleen voor.
Colette Braeckman neemt in le Soir van 9 oktober 1988 de Belgische regering
zwaar onder vuur.
Ze beschuldigt de Belgische diplomatie bijna van lafheid.
"Lorsque les dirigeants américaines, se rendaient à
Moscou, ils n'hésitaient pas à rendre visite à Andrei Sakharov, ou à s'informer
de son sort lorsqu'il était relégué. A Kinshasa, ministres et diplomates belges
n'ont pas de telles audaces: ils préfèrent s'en remettre aux journalistes pour
avoir des nouvelles du célèbre opposant qui habite à quelques minutes de
l'ambassade."
(Le Soir, 9 oktober 88)
Met die 'célèbre opposant' bedoelt Braeckman Etienne Tshisekedi. Met het gebrek
aan lef vanwege de Belgische diplomatie, alludeert ze misschien aan het feit dat
het tijdens Tshisekedi laatste verbanning doodstil in Belgische diplomatieke
kringen.
3) De derde reden is een aantal hervormingen in de schoot van de overheid die
zorgde voor een soort openheid die onderhandelingen mogelijk maakten. Het
ontslag van eerste minister Kengo Wa Dondo wordt door het UDPS als een
vertrouwenswekkende maatregel beschouwd. Het UDPS had immers geen vertrouwen in
deze eerste minister.
4) De laatste factor die leidt tot toenadering is de repressie van de voorgaande
jaren. Het heeft de leiders van de partij uitgeput. En hen tot onderhandelingen
gedwongen. Uiteindelijk blijven de UDPS-militanten mensen met gezinnen die
onderhouden moeten worden. Muamba Mumbunda spreekt hierover in het interview dat
ik met hem had (zie infra). De repressie betekent voor veel mensen in de eerste
plaats werkloosheid. In een land zonder sociaal vangnet, zoals Congo, is dat een
fatale gebeurtenis. Sommigen zijn dan ook gemakkelijker vatbaar voor
incorporatie in het systeem. Tshisekedi en Kanana, een andere stichter van de
partij, zijn bemiddelde mensen. Kanana was een diamantair, voor hij in de
politiek ging. Tshisekedi was lange tijd actief in Mobutu’s regime. Beiden
hebben geen financiële problemen. Voor hen is het dan ook gemakkelijker om de
‘strijd’ voort te zetten. Kibassa daarentegen was blut en een betaalde job in
Mobutu’s regime zou voor hem veel problemen oplossen.
5) Tschilombo Munyengayi van de universiteit van Kinshasa heeft het ook nog over
iets anders dat kan meegespeelt hebben. Namelijk de ziekte van Makanda. Hij was
één van de stichters van de partij. Door de voortdurende verbanningen en
gevangenschap was hij volkomen uitgeput en zwaar ziek. Tshisekedi en Kibassa
zouden onderhandelingen gestart hebben om Makanda te redden. Door een verzoening
met Mobutu zou Makanda dan misschien toch een uitreisvisum krijgen om zich te
laten verzorgen in een buitenlands ziekenhuis. (Tschilombo Munyengayi, Dossier
sur l'Enrégistrement de l'UDPS, 2005, p. 2)
De onderhandelingen leiden in 1988 tot de zogeheten akkoorden van Gbadolite. Dat akkoord is na de open brief van de dertien aan de president de tweede mijlpaal in de geschiedenis van de partij.
Er wordt onderhandeld over twee zaken. Ten eerste over een grondwetwijziging. Meer bepaald artikel 33 van de grondwet wil het UDPS veranderd zien. Dat artikel zegt dat Zaïre en de eenheidspartij MPR één zijn. Het MPR regelt alles in Zaïre: de politiek, de cultuur en de samenleving. Elke Zaïrees is lid van de partij. Het UDPS wil een recht tot vorming van politieke strekkingen binnen het MPR mogelijk maken. Dat is duidelijk een afgezwakking tegenover de oorspronkelijke eis tot een meerpartijensysteem.
Ten tweede onderhandelt men ook over het opnemen van de leiding van het UDPS in het Comité Central van het MPR. En over het aanstellen van een aantal andere partij prominenten aan hoofd van een aantal nationale ondernemingen.
Pas in januari 1988 verspreidt de Zaïrese ambassade in Brussel hierover een persbericht. Het is een document, ondertekend door Ngalula, Mpindu, Kibassa en Tshisekedi:
"Le document déclare que le groupe a adhéré aux principes suivants: l'oubli du passé, l'affirmation et le respect de la diversité d'opinions de même que la nécessité de la mise en oeuvre de l'exercice de cette liberté et de sa libre expression, mais au sein du MPR, et enfin le respect de son chef et de l'unité nationale. Le groupe accepte aussi l'article 33 de la constitution qui prévoit que le MPR est la nation zaïroise organisée politiquement, que sa doctrine est le mobutisme et que tout zairois est membre d'office du MPR.." (Jean-Claude Willame, Chronique d'une Opposition Politique: l'UDPS (1978-1987), p. 101)
De beweging lijkt vakkundig geïncorporeerd in het regime. Het document dat Jean-Claude Willame heeft geschreven over het UDPS, "Chronique d'une opposition politique: L'UDPS (1978-1987)", eindigt hier. Willame ziet dit akkoord dan ook als een eindpunt voor het UDPS. Het regime heeft toegevingen gedaan. Belangrijke UDPS kopstukken krijgen medezeggenschap. Willame besluit dan ook als volgt:
"Une chose est certaine: le "ralliement" de l'UDPS ne pouvait ëtre considéré
comme une reddition sans conditions. Le fait qu'en octobre 1987 deux du groupe
des treize, Ngalula et Kibassa, firent leur entrée au Comité Central et plus
précisément dans la Commission Constitutionelle de ce Comité donnait une
indication plus claire sur le portée des concessions: desormais, deux
personnalités importantes de lUDPS, qui recouvraient leur droit politique,
étaient "autorisés" à négocier avec leurs pairs du Comité Central les
modifications à apporter à la constitution Zaïroise."
(Jean-Claude Willame, Chronique d'une Opposition Politique: l'UDPS (1978-1987),
p. 107)
DE PARTIJ VALT UITEEN IN TWEE VLEUGELS
De akkoorden van Gbadolite worden de aanleiding tot een bitter conflict
binnen de partij. Het begint al bij de interpretatie van het akkoord.
Tshisekedi - jurist van opleiding - interpreteert zoals altijd het akkoord naar
de letter. De term politieke partij is uit de grondwet verdwenen. Het monopolie
van het MPR is, volgens hem, dus opgeheven. Hij concludeert dat Zaïre geen
éénpartijstaat meer is. En dat het UDPS het nu eindelijk tegen het MPR kan
opnemen in verkiezingen. Hij verkondigt deze interpretatie op een politieke
tournee in het buitenland. Dat zal hem opnieuw in de gevangenis brengen bij zijn
terugkomst. Daarover later meer.
Ngalula en Kibassa, de twee kopstukken, die opgenomen worden in het Comité
Central interpreteren dit akkoord anders. Ze willen werken binnen het kader van
de éénpartijstaat die Zaïre is. Ze denken voor veranderingen te kunnen zorgen en
wel als een groep of strekking binnen het MPR.
Veel partijmilitanten aanvaarden de akkoorden van Gbadolite niet. Velen hebben
het over het “Verraad van Gbadolite”. Dat zal de aanleiding zijn voor een
scheuring in de partij. De verschillende interpretaties verraden een diepe
tweespalt in de partij tussen een gematigde en een extremistische vleugel. Deze
twee vleugels zullen tot op vandaag de dag de twee belangrijkste tegenwerkende
krachten binnen de partij blijven. Ook Muamba Mumbunda praat hierover (zie
interview Muamba Mumbunda).
De extremistische vleugel bestaat uit studenten en jongeren. De meeste van hen
hebben geen werk. Ze komen uit alle provincies van het land. Ze ontmoeten elkaar
aan dagbladhandelaars om te discussiëren over politiek, de hele dag lang. Men
noemt dit "les parlementaires debout". Dit zijn heetgebakerde kerels die soms
erg gewelddadig kunnen reageren. Muamba Mumbunda noemt ze "politieke hooligans".
Maar het is de trouwste achterban van Tshisekedi. Belangrijk is dat hun
loyaliteit niet voortvloeit uit een etnische achtergrond. Volgens Muamba
Mumbunda, zelf lid van het nationale comité van de partij, maakt deze groep
ongeveer 40 procent uit van de partij. Deze groep moet het hebben van hun
ideeën.
De andere vleugel is de gematigde vleugel. Dat is de elite van de partij. Deze
groep bestaat uit bemiddelde mensen. Ze komen uit dezelfde provincie als
Tshisekedi. Belangrijke figuren zijn bijvoorbeeld Mukendi en Mutanda. Zij zijn
twee zakenmensen. Mutanda is de uitgever van de krant La Tempête de Tropique.
Tshisekedi rekent op hen om de partijkas te spekken. Maar deze groep doet meer.
Ze zorgt ook voor nuttige contacten. Deze zakenelite is immers actief in een
aantal organisaties in het middenveld. Sommigen van hen zijn zelfs actief in
diplomatieke kringen. Men maakt gebruik van deze contacten om zo het UDPS te
introduceren in deze kringen.
Deze tweespalt in de partij wordt ook een confrontatie tussen Tshisekedi en
Kibassa. Kibassa was meer een gematigde politicus, bereid tot samenwerking met
het dictatoriale regime. Tshisekedi was meer van de harde lijn.
Men mag de tweespalt in de partij niet opvatten als een definitieve breuk binnen
de partij. Tshisekedi blijft nog steeds in contact met Kibassa. De twee
tendenzen bestaan in de partij en voeren een echte strijd om de macht, aldus
Muamba Mumbunda. Muamba Mumbunda werkt als onderzoeker aan de universiteit van
Kinshasa. Hij zit in het kamp van de gematigden. Hij kan zich maar moeilijk
identificeren met de radicale vleugel. De belangen verschillen teveel tussen
deze twee vleugels. Muamba Mumbunda is niet de eerste de beste. Hij kan een
curriculum voorleggen. De meeste radicalen of extremisten niet. Zij hebben
daarom niks te verliezen, aldus Mumbunda. Voor de partijmilitanten is de
dynamiek tussen deze twee vleugels hoe dan ook positief voor de democratische
werking van de partij. Ze verwijzen daarbij dikwijls naar de Franse
socialistische partij, die ook verschillende strekkingen heeft.
TSHISEKEDI AANVAARDT DE AKKOORDEN VAN GBADOLITE
NIET
Tshisekedi en andere kopstukken vertrekken na de akkoorden van Gbadolite naar
Europa om hun wonden van de repressie te laten helen in Europese ziekenhuizen.
Tshisekedi profiteert van de gelegenheid om een aantal persconferenties te
geven. Hij roept de internationale gemeenschap op tot waakzaamheid. Hij blijft
ook op Mobutu's schenen stampen. Bovendien plant Tshisekedi een manifestatie bij
zijn thuiskomst. Maar de veiligheidsdienst is ook op het appel. De betoging
loopt uit op gevechten. Tshisekedi raakt gewond. De maand daarop nodigt hij de
internationale pers uit in het huis van Kibassa.
Nu is Mobutu’s "geduld" echt op. Opnieuw wordt Tshisekedi verbannen. Mobutu
raa