De schepenen van de stad en vrijheid Turnhout: 1621-1676, tussen Spanje en Oranje. Bijdrage tot de studie van het bestuur van een kleine stad. (Kevin Geuens)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

4. De schepenen van de stad en vrijheid Turnhout: een politiek, sociaal en economisch profiel

 

4.1. De schepenen van Turnhout: een afbakening van de onderzochte populatie en een verduidelijking van de gebruikte onderzoeksmethode

 

Met dit werk poog ik een beeld te schetsen van de schepenen van de stad en vrijheid Turnhout van het jaar 1621 tot het jaar 1676. Tot deze groep behoort dus elke schepen die een ambt bekleedde in deze onderzochte periode. De eerste zeven namen zijn deze van de schepenen die verkozen werden op de eerste werkdag na het feest van O. L. V. Lichtmis in 1621 en in functie bleven tot de definitieve vernieuwing van de magistraat op de zelfde dag van het volgende jaar. Zij waren dus schepen in het ‘ambtsjaar’ 1621-1622. Deze dubbele aanduiding van de datum is zoals uit het voorgaande blijkt, nodig aangezien een schepenmandaat (meestal) loopt van drie februari van het ene jaar tot drie februari van het volgende jaar. De laatste personen opgenomen in dit onderzoek zijn dus de schepenen gekozen op drie februari 1675 en hun ambtstermijn liep tot drie februari 1676.

De namen van de schepenen vond ik terug in het stadsarchief van Turnhout. De hoofdbron hiervoor waren de Proceduerboeken. In deze ‘schepenregisters’ werd namelijk bijna altijd de Acte van Jaergedinghe opgetekend. Dit was een speciale gerechtsprocedure, gehouden op de eerste dag na Driekoningen (meestal 7 januari dus), waarbij deze zeven oude en de zeven nieuwe schepenen aanwezig waren. Hun namen werden steeds vermeld, samen met een vermelding of het ging om een oude of een nieuwe schepen. Met het Jaargeding werden namelijk de gezworenen van het voorgaande jaar ontslagen van hun eed en werden zeven nieuwe schepenen gekozen, zodat men vanaf dan kon spreken van de zeven nieuwe en de zeven oude schepenen. Belangrijk voor de afbakening van de populatie zijn de namen van de oude schepenen. Dit zijn namelijk de namen van de schepenen die tot schepen verkozen waren voor het lopende ambtsjaar. Wanneer we dus bijvoorbeeld in de Acte van Jaergedinghe van acht januari 1622 de zeven namen van de oude schepenen terugvinden, weten we welke personen een schepenambt bekleedden in het ambtsjaar 1621-1622.

Het probleem is dat deze optekening van de oude schepenen een optekening post factum is. Het is namelijk niet de optekening van de namen van de personen die op de eerste werkdag na O. L. V. Lichtmis 1621 verkozen werden. Wel is het de optekening van de namen van die personen die op dat moment (acht januari 1622) beschouwd worden als de oude schepenen en op dat moment dus het ambt van schepen bekleedden.

Het is dus mogelijk dat gedurende het ambtsjaar 1621-1622 één van de schepenen gestorven is voor de eerste fase van de magistraatsvernieuwing in begin januari 1622 plaatsvond. Zoals boven reeds aangegeven, werd deze dan vervangen door één van de gezworenen. Het is dus mogelijk dat in een Acte van Jaergedinghe bij de oude schepenen een naam teruggevonden wordt van iemand, die bij de definitieve magistraatsvernieuwing in 1621 niet als schepen weerhouden werd en dus eigenlijk bekeken moet worden als gezworene. Het is de bedoeling om de populatie van dit werk te beperken tot die personen die effectief tot schepen verkozen zijn en plaatsvervangers hierin niet op te nemen. Ook oud-schepenen, die in de jaren na hun schepenambt, een functie als gezworene hadden en dan wegens het overlijden van een van de schepenen plots opnieuw een schepenambt kregen, worden in dit werk voor dat ambtsjaar bekeken als gezworene, aangezien dit de functie is die zij bij de verkiezing toebedeeld kregen.

Om dit probleem op te lossen kunnen we meestal terecht bij de Acte van Schooitinghe. De optekening hiervan vinden we terug in de Proceduerboeken. Deze akte is namelijk een neerslag van de definitieve magistraatswijziging. De namen van de zeven personen, die gekozen werden als schepenen, vinden we hier terug. Gebruikmakend van deze bron weten we met zekerheid wie de schepenen waren en kunnen we precies bepalen wie tot de populatie gerekend moet worden. Deze Acte van Schooitinghe kon ik echter lang niet altijd terugvinden. Daardoor moest ik mij vaak baseren op de Acte van Jaergedinghe, met de mogelijke problemen vandien.

Het werd moeilijker om de samenstelling van de schepenbank te reconstrueren wanneer ook deze Acte van Jaergedinghe niet terug te vinden was. Dit was het geval voor de jaren 1622-1627, 1628-1630, 1631-1632 en 1633-1642. Om deze leemtes op te vullen maakte ik gebruik van bronnen zoals de Goedenisboeken,de Kohieren van scheydingen en deylingen en de Weesboeken. In deze bronnen staan namelijk steeds de namen vermeld van de schepenen die present waren bij de opgetekende rechtshandelingen. In de Goedenisboeken gaat het om het verhandelen van onroerend goed. De Kohieren van scheydingen en deylingen bevatten verdelingen van sterfhuizen en akkoorden in dit verband. In de Weesboeken treden de schepenen op als oppermomboiren van de wezen. Hier moest wel rekening gehouden worden met de datum waarop een naam teruggevonden werd. Wanneer een naam namelijk opgetekend was in de periode tussen zeven januari en drie februari, de periode waarin Turnhout bestuurd werd door een college van veertien schepenen, kon dit zowel een naam zijn van een ‘oude schepen’ (dewelke we in dit verband dus zochten) als van een ‘nieuwe schepen’ die geen schepenambt bekleedde tijdens het lopende ambtsjaar. Op deze manier was ik in staat om de schepenbank voor de hierboven vermelde jaren te reconstrueren op één schepenfunctie na. Voor het ambtsjaar 1637-1638 kon ik slechts zes van de zeven namen terugvinden. Naar alle waarschijnlijkheid heeft deze leemte geen invloed op het aantal personen in de populatie. Het is eerder onwaarschijnlijk dat de ambtsperiode van deze niet geïdentificeerde schepen beperkt gebleven is tot dit ene ambt. Deze persoon zal waarschijnlijk reeds opgenomen zijn in de populatie vanwege het bekleden van een schepenfunctie op een ander moment.

Dit alles in acht genomen ben ik gekomen tot een populatie van zestig personen. In dit werk is het de bedoeling om deze zestig personen te gaan situeren op zowel politiek, sociaal als economisch vlak. Hiervoor maakte ik gebruik van een prosopografische methode.H. De Ridder-Symoens definieert prosopografie in haar artikel in ‘Bijdragen en Mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden’ als volgt:”De etymologie van het woord is prosopon graphein of beschrijving van het aangezicht. Een prosopografie is een kollektieve of groepsbiografie, waarin de eksterne karaktertrekken van een populatie die iets gemeenschappelijk heeft, beschreven wordt. Aldus worden gemeenschappelijke kenmerken van een groep actores in de geschiedenis blootgelegd. Een prosopografische studie is een studie die, vertrekkende van een vragenlijst, biografische gegevens verzamelt over een welomschreven groep mensen en op grond van deze verzamelde gegevens antwoorden vindt op historische vragen.”[105] D. J. Roorda spreeft in dit verband over “een werkwijze, die begint met het verzamelen van gegevens over bepaalde personen. Zijn deze gegevens … eenmaal beschikbaar voor een bepaald tijdvak en een voldoende aantal personen, kan de onderzoeker correlaties op het spoor komen en conclusies trekken zoals bijvoorbeeld over de homogeniteit en de cohesie van de groep en de verschuivingen die zich daarbinnen hebben voorgedaan.”[106] De onderzoeksgroep, de populatie, moet zeker en vast goed omschreven en afgelijnd worden en dit zowel op geografisch, chronologisch als thematisch vlak.[107] De in dit werk onderzochte populatie is op die manier afgebakend. Het gaat over die personen van de stad en vrijheid Turnhout die in de periode 1621-1675 gekozen werden om een schepenambt uit te oefenen. Het is aan de hand van een prosopografisch onderzoek dat het politiek, sociaal en economisch profiel van hen uitgewerkt zal worden.

 

 

4.2. De schepenen van de stad en vrijheid Turnhout als politieke functionarissen

 

4.2.1. Inleiding en doelstelling

 

In deze paragraaf bekijk ik de schepenen van de stad en vrijheid Turnhout in hun hoedanigheid van politieke functionarissen. De samenstelling van de schepenbank speelt hier een eersterangsrol, maar ook het vervullen van andere functies binnen en buiten de stad zullen hierin onderzocht worden.

 

Hiermee wil ik enig inzicht verschaffen in het politiek bestuur van de stad en vrijheid Turnhout gedurende de periode strekkende van het einde van het 12-jarig bestand, over de Vrede van Munster, tot de dood van prinses Amalia van Solms. Ik ga in op de vraag hoe moeilijk het was om als schepen verkozen te worden. Gaat het hier om een ‘democratisch’ bestuur of eerder om een oligarchie? Ook het bekleedden van andere stedelijke functies zal in dit verband onder de loep gehouden worden. Wat de invloed was van de heer op de invulling van het stadsbestuur is een onderwerp dat zeker en vast hier ook een plaats verdient. Een ander aspect dat in deze paragraaf aan bod zal komen is op welke manier men moet aankijken tegen een ambt als gezworene in het licht van het verkrijgen van een schepenambt. Tevens worden de doorgroeimogelijkheden in hogere bestuursechelons onderzocht. Was een functie als schepen van de stad en vrijheid Turnhout een ambt met uitzichten op aanstellingen in bijvoorbeeld de raad van Brabant of was het eerder een aanstelling die geen mogelijkheden bood om hogerop te geraken?

 

Dit zijn enkele aspecten die in deze paragraaf onderzocht zullen worden. Verder wordt de situatie voor en na de Vrede van Munster vergeleken. Heeft deze internationale politieke beslissing enige weerslag op het bestuur in Turnhout? Heeft de komst van Amalia van Solms enige invloed op de samenstelling van het stadsbestuur of behield ze de toenmalige situatie?

 

Naast een comparatief onderzoek in de dimensie van tijd, zal de stad en vrijheid Turnhout tevens vergeleken worden met een stad van ongeveer eenzelfde grote-orde, namelijk Herentals.

 

Op deze manier probeer ik aan de hand van een onderzoek van een zestigkoppige schepenpopulatie enkele conclusies te trekken in verband met het bestuur van de Turnhoutse stad en vrijheid van 1621 tot 1675.

 

4.2.2. Een volledige invulling van de schepenbank: een probleem

 

De schepenbank van de stad en vrijheid Turnhout bestond uit zeven schepenen.[108] Voor de 55 onderzochte jaren, van ambtsjaar 1621-1622 tot en met ambtsjaar 1675-1676, wil dit zeggen dat er 385 in te vullen schepenambten waren. Zoals hierboven reeds gezegd was het niet mogelijk om ze alle 385 in te vullen.[109] Voor het ambtsjaar 1637-1638 werden namelijk slechts zes van de zeven schepenen teruggevonden. Er werd dus slechts voor 384 schepenambten de dienende schepen teruggevonden. Alle hieropvolgende berekeningen werden dan ook gedaan met deze 384 ingevulde schepenambten als basisgetal en niet met de volledige 385.

 

Over de invulling van deze ene ontbrekende naam zou ik wel sterke vermoedens kunnen uiten, maar geen uitsluitsel kunnen geven. De bronnen leveren namelijk het bewijs dat personen, die slechts eenmalig deel uitmaken van het schepenbestuur, ook voorkomen. Hiermee wil ik zeggen dat de schepen, die de schepenbank voor het ambtsjaar 1637-1638 zou vervolledigen, zowel iemand kan zijn die reeds schepen geweest was (en dus reeds in de hier onderzochte populatie voorkomt) als een totaal nieuw iemand, waar we achteraf niets meer van vernemen. Voor de periode waarin het ambtsjaar 1637-1638 ligt, is de bronnenconstellatie niet echt gunstig. Zo werd voor zowel dit ambtsjaar zelf als voor de andere jaren in die periode de samenstelling van de schepenbank onderzocht aan de hand van secundaire bronnen zoals onder andere Goedenisboeken.[110] Daardoor weten we bijvoorbeeld niet wie er in die jaren diende als gezworene. De ‘ontbrekende schepen’ kon zowel iemand zijn die als ‘oude schepen’ opnieuw aangeduid was, als een verkozen ‘nieuwe schepen’. Wanneer dit eerste het geval was, heeft dit geen invloed op de grootte van de populatie, aangezien de schepen reeds opgenomen zou zijn vanwege zijn schepenfunctie in het voorgaande jaar. Wanneer het zou gegaan hebben om een ‘nieuwe schepen’ die verkozen werd, zijn er nog twee hoofdmogelijkheden. Deze ‘nieuwe schepen’ kon ofwel een ingeroepene ofwel een gansche persoon zijn. Wanneer deze een gansche persoon zou geweest zijn, zou het gaan om een nieuwe persoon en zodoende zou hij nog niet opgenomen zijn in de populatie, tenzij hij in de volgende jaren nog een andere schepenfunctie bekleed had. Indien het om een ingeroepene gegaan zou hebben, restten er twee mogelijkheden aangezien men om als ingeroepene verkozen te worden, minstens een jaar deel uitgemaakt moest hebben van de magistraat van de stad. Dit kon zowel een schepenfunctie als een functie als gezworene geweest zijn. Wanneer het hier een schepenfunctie betrof, is er geen enkel probleem wat de onderzoekspopulatie betreft, aangezien de desbetreffende schepen er reeds in opgenomen zou zijn.[111] Betrof het echter een voorgaande functie als gezworene, dan is de situatie minder eenduidig. Enerzijds is het immers mogelijk dat deze schepen in latere ambtsjaren ook als schepen tot de magistraat behoorde en is er zodoende geen probleem wat de onderzoekspopulatie betreft, aangezien deze dan reeds zou voorkomen in de populatie vanwege zijn latere schepenfunctie. Anderzijds zou het kunnen dat de ‘ontbrekende schepen’ gedurende latere ambtsjaren geen functie als schepen meer bekleedde en dus nog niet in de populatie opgenomen is. We zouden hier dan een schepen te weinig onderzoeken, hetgeen niet wenselijk is. Een aanduiding van de gezworenen van het ambtsjaar 1638-1639 zou kunnen helpen om uit te maken welke van de vele hierboven beschreven mogelijkheden het geval was. Zoals reeds gezegd, leverden de gebruikte bronnen voor het desbetreffende ambtsjaar geen informatie hieraangaande.

 

Ik koos ervoor om niet toe te geven aan speculatie hieraangaande en gewoon te blijven werken met hetgeen door de bronnen aangereikt werd. Dit impliceert dat, zoals reeds hierboven aangegeven, verder gewerkt zal worden met 384 in plaats van 385 schepenambten. Het gebruik van dit niet exacte aantal in te vullen ambten heeft tot gevolg dat we geen volledig juiste weespiegeling van de situatie krijgen. De afwijking is echter te verwaarlozen, zodat het me inderdaad aangewezen lijkt om verder te werken met de 384 ingevulde schepenambten.

 

4.2.3. De magistraat van de stad en vrijheid Turnhout: democratie of oligarchie?

 

Het stedelijk bestuur van de stad en vrijheid Turnhout berustte bij een veertienkoppige magistraat, zeven schepenen en zeven gezworenen. De grootste bestuurlijke bevoegdheden lagen bij de zeven schepenen. Zij werden telkens aangesteld voor een mandaat van een jaar. Dit jaar begon op de eerste werkdag na O. L. V. Lichtmis en eindigde het volgend jaar op dezelfde datum. De in dit werk onderzochte periode loopt van het ambtsjaar 1621-1622 tot en met het ambtsjaar 1675-1676. Er wordt dus een periode van 55 jaar onderzocht.

 

Tabel 1: Verdeling van de toe te wijzen schepenfuncties vanaf het ambtsjaar 1621-1622
tot en met het ambtsjaar 1675-1676
[112]

standaardnaam

aantal schepenfuncties
vervuld tussen 1621 en 1676

LOOVEN Jacques van

28

VERDONCK Cornelis

26

EMPSSENS Mattheeuws

25

CLAESSEN Jacob

24

MALLANS Christiaen

24

MALLANTS Dierck

24

MEURS Matthijs van

22

METTEN Jan

18

METTEN Willem

15

WOUTERS Geeraert

13

VERMEULEN Adriaen

12

SCRIJVERS Jan

11

NUYDENS Cornelis

9

LOOMANS Nicolaes

8

VERHOFFSTADT Cornelis

7

VLOERS Anthonie

7

WILLEMS Willem

7

CORNELISSEN Anthoni

6

PAUWELS Jan

6

REIJNS Laureys

6

BEECKANT Michiel vanden

5

MAES Willem

5

BOECX Jan

4

CLEYMANS Cornelis

4

DONNEULX Adriaen

4

AERTS Anthoni

3

DIELS Guilliam

3

HOEVENAERS Wouter

3

MICHIELS Aernout

3

NUYDENS Jacob

3

THIENEN Jan van

3

VUEGHS Jan

3

ANTHONIS Cornelis

2

BROUWER Jacob de

2

DIELS Hendrik

2

KINDER Jan de

2

NUYENS Jan (Franssoon)

2

NUIJENS Jan (Sebastiaenssoon)

2

NUYENS Franchois

2

PLAS Anthonis van

2

SCHALUYNEN Willem van

2

SIBS Jacob

2

THEEUS Jan

2

VERSMISSEN Peeter

2

WIJNEN Michiel

2

WILLEMS Augustijn

2

WOUTERS Jan

2

AUGUSTIJNS Jan

1

BROECKHOVEN Laureijs van

1

CLEYMANS Ghysbrecht

1

CUYLAERTS Geeraert

1

GOYVAERTS Lodewijck

1

LAMBRECHTS Adriaen

1

LOOMANS Jan

1

MEEUS Matthys

1

PAPENBROEX Hendrick

1

PLAS Jan van de

1

VISSER Willem de

1

VUEGHS Sijmon

1

WILS Jacques vanden heuvel

1

totaal aantal onderzochte functies

384

gemiddeld aantal schepenfuncties

6,40

mediaan

3

 

Er waren dus 385 schepenfuncties te bekleden. Aangezien één schepenambt niet ingevuld kan worden, komt dit op 384 schepenambten. Deze 384 benoemingen werden ingevuld door 60 personen. Gemiddeld bekleedde elke schepen gedurende de onderzoeksperiode dus 6,40 schepenambten.[113] Wanneer we Tabel 1: Verdeling van de toe te wijzen schepenfuncties van het ambtsjaar 1621-1622 tot en met 1675-1676 bekijken, krijgen we zicht op de verdeling van de schepenambten over de verschillende dienende schepenen in de periode 1621-1622 tot 1675-1676. Hier blijkt dat het aantal schepenfuncties niet echt gelijk verdeeld is. Zo zien we dat de personen met de minste schepenbenoemingen slechts eenmaal een schepenambt bekleedden, terwijl Jacques van Looven, de schepen die het vaakst gekozen werd, er wel 28 bekleedde. Er zijn slechts 17 van de 60 schepenen die meer ambten bekleedden dan het gemiddelde. Wat wil zeggen dat minder dan drie op tien schepenen meer dan zes schepenfuncties uitvoerden.[114]

 

Grafiek 1: Procentueel aandeel van de vier groepen in het totaal
aantal toegewezen schepenfuncties
[115]

 

Om een duidelijker beeld te krijgen van de verdeling van de verschillende schepenfuncties, deelde ik de populatie op in vier groepen, namelijk de personen met meer dan 19 schepenfuncties, de schepenen die tien tot en met negentien posten bezetten, diegenen die vijf tot en met negen posten bezetten en tenslotte die schepenen die slechts een tot en met vier jaren in functie waren.[116] Wanneer we de onderzoekspopulatie op zulke manier verdelen, valt op dat de groep met meer dan negentien ambten uitzonderlijk veel van de te bezetten schepenfuncties inneemt. Deze groep omvat slechts 11,67% van het totale aantal verschillende dienende schepenen tijdens de periode 1621-1676. Toch bezetten zij praktisch de helft, meer bepaald 45,31%, van de 384 onderzochte schepenfuncties. Dit wil zeggen dat slechts zeven schepenen 173 schepenfuncties voor hun rekening namen. Wanneer we ook de groep schepenen, die tien tot en met negentien schepenambten bezetten, in rekening brengen, blijkt dat ongeveer 20% van de schepenen tussen 1621 en 1676 meer dan 60% van het totale aanbod aan schepenambten te beurt viel.[117] Hieruit kunnen we besluiten dat er een bepaalde groep schepenen waren die bestempeld kunnen worden als een schepen-elite, een toplaag onder de schepenen. Zij monopoliseerden het ambt van schepen.

 

Tabel 2: Vier verschillende schepengroepen en verdeling van de schepenfuncties over deze groepen[118]

 

 

aantal schepenen

procentueel aandeel in de populatie

aantal schepenfuncties

procentueel aandeel in de schepenfuncties

19+

7

11,67%

174

45,31%

10-19

5

8,33%

68

17,71%

5-9

10

16,67%

66

17,19%

1-4

38

63,33%

76

19,79%

totale populatie

60

100,00%

384

100,00%

 

4.2.4. Invloed van het groter politieke kader op de invulling van de schepenbank

 

4.2.4.1. Een algemene kijk

 

Om zicht te krijgen op de invloed van grote internationale politieke beslissingen en evoluties, deelde ik de onderzoeksperiode op in twee subperiodes, met de Vrede van Munster in 1648 als breekpunt. Op die manier zijn er dus twee periodes, namelijk één van 1621 tot 1648 en één lopend van 1648 tot 1676. Deze twee periodes zijn geschikt om met elkaar vergeleken te worden, aangezien beide periodes lang genoeg zijn om relevante conclusies te kunnen trekken. De eerste periode beslaat 27 ambtsjaren, terwijl de tweede 28 jaar lang is.

 

Tabel 3: Verdeling van de toe te wijzen schepenfuncties vanaf het ambtsjaar 1621-1622
tot en met het ambtsjaar 1647-1648
[119]

standaardnaam

aantal schepenfuncties
vervuld tussen 1621 en 1648

LOOVEN Jacques van

26

MALLANTS Dierck

24

VERDONCK Cornelis

23

CLAESSEN Jacob

20

METTEN Jan

18

NUYDENS Cornelis

9

VERHOFFSTADT Cornelis

7

PAUWELS Jan

6

BEECKANT Michiel vanden

5

MAES Willem

5

VERMEULEN Adriaen

5

EMPSSENS Mattheeuws

4

AERTS Anthoni

3

CORNELISSEN Anthoni

3

METTEN Willem

3

MICHIELS Aernout

3

NUYDENS Jacob

3

THIENEN Jan van

3

ANTHONIS Cornelis

2

DIELS Hendrik

2

MEURS Matthijs van

2

NUYENS Franchois

2

PLAS Anthonis van

2

SCHALUYNEN Willem van

2

CLEYMANS Ghysbrecht

1

LAMBRECHTS Adriaen

1

MALLANS Christiaen

1

MEEUS Matthys

1

PAPENBROEX Hendrick

1

WILS Jacques vanden heuvel

1

totaal aantal onderzochte functies

188

gemiddeld aantal schepenfuncties

6,27

mediaan

3

 

Gedurende de eerste 27 jaar was het Land van Turnhout een heerlijkheid, die direct onder de hertog van Brabant – op dat moment de Spaanse koning Filips IV - viel. Tijdens deze 27 ambtsjaren werden 30 personen verkozen tot schepen, wat betekent dat een schepen in deze eerste subperiode gemiddeld 6,27 schepenfuncties uitoefende. De verdeling van de 188 onderzochte schepenposten[120] is hier niet gelijk verdeeld, net zoals hierboven reeds aangetoond voor de ganse periode.[121] Wanneer we de dertig dienende schepenen opdelen in vier groepen volgens de criteria die reeds gebruikt werden om de schepenpopulatie van de hele onderzoeksperiode op te delen, blijkt ook nu weer dat we kunnen spreken van een toplaag onder de schepenen. Bijna 60% van de 188 schepenfuncties werden namelijk bezet door minder dan 17% van de schepenen. Deze cijfers zijn vergelijkbaar met deze die berekend werden voor de ganse periode. Wel is de kloof die gaapt tussen deze schepen-elite en de overigen groter dan voor de ganse onderzoeksperiode. Jan Metten, de laatste die we nog enigszins tot de schepen-elite kunnen rekenen, bezette namelijk nog achttien schepenposten. Achter hem gaapt een kloof van negen eenheden. Cornelis Nuydens, die negen maal verkozen werd, is dan pas de volgende in de lijst. Wanneer we de lijst over de gehele onderzoeksperiode bekijken, is er nergens zulke grote kloof zichtbaar.

 

Tabel 4: Verdeling van de toe te wijzen schepenfuncties vanaf het ambtsjaar
1648-1649 tot en met het ambtsjaar 1675-1676
[122]

standaardnaam

aantal schepenfuncties
vervuld tussen 1648 en 1676

MALLANS Christiaen

23

EMPSSENS Mattheeuws

21

MEURS Matthijs van

20

WOUTERS Geeraert

13

METTEN Willem

12

SCRIJVERS Jan

11

LOOMANS Nicolaes

8

VERMEULEN Adriaen

7

VLOERS Anthonie

7

WILLEMS Willem

7

REIJNS Laureys

6

BOECX Jan

4

CLAESSEN Jacob

4

CLEYMANS Cornelis

4

DONNEULX Adriaen

4

CORNELISSEN Anthoni

3

DIELS Guilliam

3

HOEVENAERS Wouter

3

VUEGHS Jan

3

VERDONCK Cornelis

3

BROUWER Jacob de

2

KINDER Jan de

2

LOOVEN Jacques van

2

NUYENS Jan (Franssoon)

2

NUIJENS Jan (Sebastiaenssoon)

2

SIBS Jacob

2

THEEUS Jan

2

VERSMISSEN Peeter

2

WIJNEN Michiel

2

WILLEMS Augustijn

2

WOUTERS Jan

2

AUGUSTIJNS Jan

1

BROECKHOVEN Laureijs van

1

CUYLAERTS Geeraert

1

GOYVAERTS Lodewijck

1

LOOMANS Jan

1

PLAS Jan van de

1

VISSER Willem de

1

VUEGHS Sijmon

1

totaal aantal onderzochte functies

196

gemiddeld aantal schepenfuncties

5,03

mediaan

2

 

In het tweede gedeelte van de onderzoeksperiode, strekkende van 1648 tot 1676, werd het Land van Turnhout een erfelijk leen van de familie Oranje-Nassau onder de soevereiniteit van de Spaanse Habsburgers. Gedurende de periode dat Amalia van Solms vrouwe van Turnhout was (1648-1676), werden 39 verschillende personen verkozen als schepen en zij vulden daarmee alle 196 schepenposten. Gemiddeld betekent dit iets meer dan vijf schepenambten per schepen.[123] Wanneer we dit vergelijken met de situatie voor de Vrede van Munster, zien we dat in dit tweede gedeelte van de onderzoeksperiode de schepenen gemiddeld een jaar minder zetelden dan in het eerste gedeelte van 1621 tot 1648. Hieruit zouden we kunnen afleiden dat na de Vrede van Munster de schepenbank van de stad en vrijheid Turnhout een democratischer aanblik kreeg. De in te vullen schepenfuncties werden namelijk ingevuld door meer verschillende personen.

 

Tabel 5: Samenstelling van de Turnhoutse schepenbank in de ambtsjaren
1674-1675 en 1675-1676
[124]

1674-1675

1675-1676

REIJNS Laeureijs

SCHRIJVERS Jan

DIELS Guilliam

BROUWER Jan de

DONNEULX Adriaen

CUYLAERTS Geeraert

LOOMANS Nicolaes

AUGUSTIJNS Jan

SCHRIJVERS Jan

LOOMANS Nicolaes

BROUWER Jan de

BROECKHOVEN Laureys van

WIJNEN Michiel

WIJNEN Michiel

Legende: De namen die onderstreept zijn, zijn deze van de schepenen die voordien
nooit eerder in het stadbestuur zaten.

 

Dit mag niet overroepen worden, want wanneer we de laatste twee ambtsjaren bekijken, zien we dat zeven van de veertien schepenfuncties bekleed werden door nieuwe personen, die nooit eerder een schepenfunctie uitgeoefend hadden.[125] Deze twee jaren kunnen beschouwd worden als overgangsjaren naar een nieuwe samenstelling van het Turnhoutse stadsbestuur. Het zou een eerste indicatie naar een generatiewissel genoemd kunnen worden. Het gaat om vijf schepenen waarvan twee voor de eerste maal tot schepen gekozen werden in het ambtsjaar 1674-1675 en waarvan de overige drie hun eerste aanstelling kregen in het daaropvolgende jaar. Dat het hier niet gaat om schepenen, die slechts enkele malen in het stadsbestuur zetelden, maar eerder om schepenen, die we misschien zelfs tot de top mogen rekenen, kan aangetoond worden door te kijken naar het aantal schepenfuncties die ze nog bekleedden na 1675. Zo zien we dat Jacob de Brouwer, die voor de eerste maal aangesteld werd in het ambtsjaar 1674-1675, later nog elf maal werd verkozen tot schepen. Geeraert Cuylaerts, voor het eerst schepen in 1675-1676, bleef vervolgens nog dertien jaar lang in functie.[126] Jan Augustijns en Michiel Wijnen gingen mogelijk een gelijkaardige politieke loopbaan tegemoet, maar stierven beiden terwijl ze nog in functie waren. Michiel Wijnen stierf tijdens zijn vijfde ambtsjaar[127] en Jan Augustijns heeft zelfs zijn eerste ambtsjaar niet kunnen uitdienen[128].[129] Laureijs van Broeckhoven was de enige die het gemiddelde aantal schepenfuncties niet haalde en toch pas na zijn carrière stierf.[130]

 

Wanneer we nu deze twee dienstjaren niet in rekening brengen en dus de periode tussen 1648-1649 en 1673-1674 onderzoeken, komen we tot een gemiddelde van om en bij de 5,5 schepenambten per schepen. Het verschil ten opzichte van het gemiddeld aantal schepenambten per schepen tijdens de eerste periode is op die manier niet meer zo groot. We kunnen hier dus niet echt spreken van een nieuwe trend. Het is niet zo dat na de Vrede van Munster het stadsbestuur van de stad en vrijheid Turnhout een meer democratische aanblik kreeg. We hebben hier niet te maken met een nieuwe politieke cultuur te Turnhout. Eerder kunnen we stellen dat na de Vrede van Munster de situatie niet veranderde ten opzichte van die voor 1648. Het vredesverdrag en de daarmee gepaard gaande bestuurswissel in het Land van Turnhout hebben zodoende geen zichtbare invloed gehad op de samenstelling van het stadsbestuur.

 

4.2.4.2. Enkele ambtsjaren van wat nabijer onderzocht

 

Zoals hierboven aangetoond is er geen trendbreuk waarneembaar over de gehele periode. Grote, politiek belangrijke gebeurtenissen op het nationaal en internationaal vlak hebben dus geen directe invloed op de samenstelling van de schepenbank van de stad en vrijheid Turnhout.

 

Wel is het mogelijk dat wanneer het Land van Turnhout een nieuwe heer of vrouwe kreeg, dat deze komaf wilde maken met het bestuur van de vorige heer en eigen vertrouwenspersonen op de schepenfuncties wilde plaatsen.[131] Hier wil ik de drie periodes, waarin Turnhout een andere heer kreeg toebedeeld, wat meer van nabij onder de loep nemen.

 

De heer of vrouwe heeft in principe slechts in beperkte mate inspraak in de verdeling van de schepenposten. Enkel door de aanstelling van de eerste twee schepenen, die later dan door coöptatie het verdere schepencollege verkiezen, had hij/zij inspraak in de samenstelling van het stadsbestuur. Tevens had hij of zij slechts de keuze uit de zeven oude schepenen en de zeven door hen gekozen nieuwe schepenen. Toch meen ik dat zij enigszins kunnen aansturen op een andere magistraat door de keuze van de eerste twee schepenen. Ook de plaats, die de schepenen toebedeeld kregen, speelt dus een zekere rol om te kunnen determineren of de nieuwe heer aanstuurde op een magistraatswijziging of niet. Deze plaats valt af te leiden uit de optekening van de Acte van Schooitinghe.[132]

Hier krijgen we de opsomming van de namen van de gekozen schepenen in de volgorde waarop ze gekozen zijn. In deze lijst vinden we de schepen, wonende in één van de gehuchten, de zogenaamde buitenschepen, dus uiteraard terug op de laatste plaats. De eerste twee schepenen zijn met andere woorden de twee schepenen die door de heer of vrouw van Turnhout aangesteld zijn. Wanneer we hier een verandering zien in vergelijking met de voorgaande jaren, geeft dit een mogelijke poging tot verandering van de magistraat aan.

 

De eerste machtswissel valt samen met het einde van het 12-jarig bestand. Met de dood van aartshertog Albrecht vielen de Zuidelijke Nederlanden opnieuw in Spaanse handen. Wel was aartshertogin Isabella nog tot 1633 landvoogdes van de Zuidelijke Nederlanden. We kunnen er dus van uitgaan dat er niet veel veranderde aan het beleid met betrekking tot de keuze en de aanstelling van de schepenen.

Wanneer we de samenstelling van de schepenbank bekijken, verschilt deze van het ambtsjaar 1620-1621 niet veel van deze van het ambtsjaar 1621-1622. Voor het jaar 1620-1621 vonden we slechts vijf schepenen terug, met name Dierck Mallants, Cornelis Verhoffstadt, Cornelis Verdonck, Jan Metten en Jacques van Looven. Zij zetelden zowel voor het jaar 1620-1621 als voor het jaar 1621-1622 als dienende schepenen. De overige twee schepenambten in het ambtsjaar 1621-1622 werden bezet door Cornelis Anthonis en door Anthonis vande Plas.[133] Op dit moment kan ik niet met zekerhied zeggen of zij al dan niet zetelden in het voorgaande ambtsjaar. Anthonis vande Plas behoorde in dat ambtsjaar zeker en vast tot de stadsmagistraat van de stad en vrijheid Turnhout, aangezien hij in het ambtsjaar 1619-1620 zetelde als schepen.[134] Het daaropvolgende jaar moet hij dus ten minste als gezworene deel uitgemaakt hebben van het Turnhoutse stadsbestuur. Een grote continuïteit is hier merkbaar. Men kan hieruit besluiten dat de overgang van een bestuur door de aartshertogen als een aparte staat van de Zuidelijke Nederlanden naar een nieuwe incorporatie in het Spaanse imperium geen invloed gehad heeft op de invulling van het stedelijke bestuur van de stad en vrijheid Turnhout. Ook het einde van het 12-jarig bestand heeft hierop geen impact gehad.

 

Tabel 6: Samenstelling van de Turnhoutse schepenbank voor
de ambtsjaren 1620-1621 en 1621-1622.
[135]

1620-1621

1621-1622

MALLANTS Dierck

MALLANTS Dierck

VERHOFFSTADT Cornelis

VERHOFFSTADT Cornelis

VERDONCK Cornelis

VERDONCK Cornelis

METTEN Jan

METTEN Jan

LOOVEN Jacques

LOOVEN Jacques

?

ANTHONIS Cornelis

?

PLAS Anthonis vande

 

De volgende periode, die van wat naderbij bekeken werd, is deze rond de Vrede van Munster in 1648. Dit vredesverdrag betekende namelijk dat het Land van Turnhout, waar de stad en vrijheid Turnhout toe behoren, als heerlijkheid niet meer direct aan de hertog van Brabant, in casu de Spaanse koning, toekwam, maar verder ging bestaan als een erfelijk leen van de familie Oranje-Nassau onder de soevereiniteit van de Spaanse koning. Tevens betekende de Vrede van Munster een einde aan de oorlog tussen het Spaanse imperium en de Republiek (zeker en vast op formeel vlak). Dit betekende een verlossing voor het sinds lang door oorlogsgeweld geplaagde Kempenland.

Deze politieke en militaire veranderingen brachten mogelijkerwijs ook veranderingen met zich mee betreffende de invulling van de Turnhoutse magistraat. Een oorlogstijd vraagt immers andere kwaliteiten van bestuurders dan een tijd van vrede doet. Tevens werden de eerste twee schepenen, die het verdere verloop van de verkiezingen van de schepenen en gezworenen bepaalden, niet langer door de kanselier van de Soevereine Raad van Brabant aangesteld, maar door de smalheer van het Land van Turnhout, namelijk Amalia van Solms. Om haar greep op haar nieuw verworven bezit duidelijk te laten blijken, zou het mogelijk geweest zijn de schepenen van ‘de oude garde’ uit te rangeren en vertrouwelingen van haar te laten verkiezen als schepen.

Om te onderzoeken of dit het geval geweest is, koos ik ervoor om de samenstelling van de magistraat te onderzoeken over een periode van vijf jaar, namelijk de periode vanaf het ambtsjaar 1646-1647 tot het jaar 1650-1651. Omdat de eerste tekenen van de bestuursovergang samenhangende met de Vrede van Munster reeds behandeld werden in enkele bijzondere regelingen op 8 januari en 27 december van het jaar 1647, leek het mij nodig het onderzoek te beginnen met het ambtsjaar 1646-1647. De Blijde Intrede van Amalia in haar nieuw bezit vond plaats op 8 september 1649, zodat het ambtsjaar, lopende van 1650 tot 1651, het eerste is na de ‘kennismaking’ van de Turnhoutenaren met hun nieuwe vrouwe en vice versa.[136] Tussen deze uitersten liggen alle belangrijke en relevante gebeurtenissen met betrekking tot de veranderde politiek-bestuurlijke en militair-maatschappelijke veranderingen in het Land van Turnhout in de periode rond de Vrede van Munster.[137]

 

Tabel 7: Samenstelling van de Turnhoutse schepenbank in de ambtsjaren 1646-1647,
1647-1648, 1648-1649, 1649-1650 en 1650-1651
[138]

1646-1647

1647-1648

1648-1649

VERDONCK Cornelis

VERDONCK Cornelis

VERDONCK Cornelis

CLAESSEN Jacob

MALLANTS Christiaen

MALLANTS Christiaen

EMPSSENS Mattheeuws

CLAESSEN Jacob

EMPSSENS Mattheeuws

MEURS Matthijs van

EMPSSENS Mattheeuws

LOOVEN Jacques van

CORNELISSEN Anthonie

LOOVEN Jacques van

MEURS Matthijs van

WILS Jacques vanden heuvel

MEURS Matthijs van

REIJNS Laureys

METTEN Willem

METTEN Willem

METTEN Willem

 

 

 

1649-1650

1650-1651

 

VERDONCK Cornelis

VERDONCK Cornelis

 

MALLANTS Christiaen

MALLANTS Christiaen

 

EMPSSENS Mattheeuws

CLAESSEN Jacob

 

LOOVEN Jacques van

EMPSSENS Mattheeuws

 

MEURS Matthijs van

WILLEMSSEN Willem

 

REIJNS Laureys

LOOMANS Jan

 

METTEN Willem

METTEN Willem

 

 

Wanneer we de samenstelling van de schepenbank van de stad en vrijheid Turnhout in deze turbulente periode van verandering bekijken, blijkt deze geen invloed hiervan te ondervinden. Er zijn weinig verschillen te bemerken tussen de samenstelling van de schepenbank voor het ambtsjaar 1646-1647 en de samenstelling voor het daaropvolgende ambtsjaar 1647-1648, hoewel de magistraat voor 1647-1648 verkozen werd na de beslissingen met betrekking tot de overgang van het Land van turnhout naar iemand van de Nassau familie. Vijf van de zeven schepenen, die dienden tijdens het jaar 1646-1647, met name Mattheeuws Empssens, Cornelis Verdonck, Willem Metten, Jacob Claessen en Matthijs van Meurs, bleven namelijk gedurende het volgende jaar in functie. De overige schepenposten van het ambtsjaar 1647-1648 werden ingevuld door Christiaen Mallants en Jacques van Looven. Deze laatste was gezworene gedurende het voorgaande jaar en had er op dat moment reeds een lange schepencarrière opzitten. Enkel Christiaen Mallants was nieuw, maar één nieuwe naam laat niet toe om te spreken van een verandering in de samenstelling van de schepenbank. Wanneer we de verdere evolutie van de invulling van de zeven schepenambten bekijken voor de onderzochte jaren, zien we ook hier weinig verschuivingen. Tijdens het ambtsjaar 1648-1649 waren dezelfde schepenen in functie als het voorgaande ambtsjaar, met uitzondering van Jacob Claessen, die in 1648 niet weerhouden werd als schepen en dus gezworene was voor dat jaar. In de schepenbank werd hij vervangen door Laureys Reijns. Voor het ambtsjaar 1649-1650 werden alle schepenen van het voorgaande ambtsjaar behouden en bleef Jacob Claessen tevens gezworene. In het laatste ambtsjaar, dat in dit verband onderzocht werd, zien we wel een wijziging optreden in de samenstelling van het college van schepenen. Zo vinden we de namen van Jacques van Looven, Cornelis Verdonck en Laureys Reijns niet langer terug bij de schepenen. Voor de eerste twee is dat niet verwonderlijk, aangezien zij reeds een hoge leeftijd bereikt hadden. Cornelis Verdonck stierf in 1650[139] en Jacques van Looven volgde hem snel in het volgende jaar[140]. Wat Laureijs Reijns betreft kunnen we kort zijn. Hij was dat jaar gewoon gezworene, om het volgende jaar opnieuw als schepen zijn opwachting te maken in het stadsbestuur. Tijdens het ambtsjaar 1650-1651 werden de drie andere schepenfuncties ingevuld door Jan Loomans, Willem Willemssen en Jacob Claessen, die weer schepen werd.[141]

We kunnen besluiten dat er een grote mate van continuïteit terug te vinden is in de samenstelling van het stadsbestuur van de stad en vrijheid Turnhout gedurende deze turbulente periode. Het veranderde politieke en militaire klimaat hadden ook deze maal geen enkele zichtbare impact op de invulling van het schepencollege. We vinden nergens sporen dat de nieuwe vrouwe van Turnhout, Amalia van Solms, de schepenkeuze naar haar hand probeerde te zetten en is er dus zeker geen vervanging merkbaar van Spaansgezinde schepenen door schepenen die eerder sympathiseerden met de familie Oranje-Nassau.

 

De laatste periode, waarin we de invloed van belangrijke politieke gebeurtenissen op de samenstelling van het Turnhoutse stadsbestuur willen onderzoeken, is deze rond de dood van Amalia van Solms. De vrouwe van Turnhout stierf op zeven februari 1675 en vanaf dan ging het bezit van het Land van Turnhout over op haar kleinzoon Willem III. Deze schonk deze heerlijkheid op één februari 1676 aan Maria van Zimmeren, een dochter van Amalia en een tante van Willem III. Aangezien het Land van Turnhout dus in het bezit blijft van de familie Oranje-Nassau lijkt het logisch dat er zich geen grondige veranderingen zouden voordoen met betrekking tot de invulling van de verschillende schepenmandaten in de periode.

Om een duidelijk beeld te krijgen en de situatie die bestond toen Amalia van Solms nog leefde niet te verwaarlozen, omvatte ik in dit onderzoek de ambtsjaren 1674-1675, 1675-1676, 1676-1677 en 1677-1678. Ik vertrok bij het onderzoek vanuit het ambtsjaar 1674-1675, omdat het overlijden van Amalia slechts enkele dagen later plaatsvond dan de tweede fase van de magistraatsvernieuwing in 1675 en mogelijk al beïnvloed werd door de nabije dood van de vrouwe van Turnhout. Het laatste ambtsjaar dat in dit verband vergeleken werd, is dat van 1677-1678. Op dat moment is de verlening van het vruchtgebruik aan Maria van Zimmeren reeds een feit en is de verandering voltrokken.

Voor deze periode is het tevens mogelijk om de volgorde van keuze van de verschilende schepenen op te sporen en zodoende enig inzicht te verwerven in mogelijke tendensen naar verandering, zoals hierboven reeds uit de doeken gedaan.[142] Wanneer we ook hier rekening mee houden, komen we tot de volgende samenstellingen van de schepenbank over de onderzochte ambtsjaren en de respectievelijke volgordes van keuze.

 

Tabel 8: Samenstelling van de Turnhoutse schepenbank voor de ambtsjaren
van 1674-1675 tot en met 1677-1678 in de respectievelijke keuze-volgorde
[143]

1674-1675

1675-1676

REIJNS Laeureijs

SCHRIJVERS Jan

DIELS Guilliam

BROUWER Jan de

DONNEULX Adriaen

CUYLAERTS Geeraert

LOOMANS Nicolaes

AUGUSTIJNS Jan

SCHRIJVERS Jan

LOOMANS Nicolaes

BROUWER Jan de

BROECKHOVEN Laureys van

WIJNEN Michiel

WIJNEN Michiel

 

 

1676-1677[144]

1677-1678

SCHRIJVERS Jan

BROUWER Jan de

CLEYMANS Peeter

CLEYMANS Peeter

BROUWER Jacob de

BROUWER Jan de

CUYLAERTS Geeraert

CUYLAERTS Geeraert

LOOMANS Nicolaes

LOOMANS Nicolaes

BROECKHOVEN Laureys van

BROECKHOVEN Laureys van

WIJNEN Michiel

WIJNEN Michiel

 

Wanneer we de samenstelling van het college der schepenen bekijken voor en na de dood van Amalia van Solms, zien we enkel dat Jan Augustijns er niet langer deel van uitmaakt. Dit wijst echter absoluut niet op een veranderde politiek ten opzichte van de schepenkeuze, maar is te verklaren door de dood van Jan Augustijns.[145] Na zijn dood werd hij vervangen door Peeter Cleymans, die de volgende jaren in functie bleef.[146]Ook in de volgorde van keuze zien we niet veel veranderingen optreden. Hier is er dus eerder sprake van continuïteit van verandering met betrekking tot de schepenkeuze en -volgorde[147]. Willem III en zijn tante Maria van Zimmeren lijken het werk van Amalia verdergezet te hebben.

 

4.2.5. De schepenen van de stad en vrijheid Turnhout en hun loopbaan in het college van schepenen

 

Het spreekt voor zich dat de personen, die schepen waren, gedurende de hier onderzochte periode, mogelijk niet enkel gedurende deze ambtsjaren in de schepenbank zaten. Ze kunnen reeds schepenambten vervuld hebben voor 1621 en uiteraard in functie gebleven zijn na de dood van Amalia van Solms in 1675. Zo was Jan Metten reeds acht jaar schepen en bekleedde Cornelis Verhoffstadt vijf van zijn twaalf schepenambten voor het aanvangsjaar van dit onderzoek.[148] Aan de andere kant zijn er bijvoorbeeld Jacob de Brouwer en Geeraert Cuylaerts, die na het einde van de onderzoeksperiode, respectievelijk nog elf en dertien maal gekozen werden als schepen[149].[150] Om uit te maken hoe belangrijk een schepen gedurende zijn leven in het bestuur van de stad en vrijheid Turnhout geweest is, moeten we niet enkel rekening houden met de schepenfuncties, die zij bekleedden gedurende de onderzoeksperiode, maar moeten we alle schepenambten, die zij gedurende hun gehele leven bezet hebben, in het onderzoek betrekken. Op deze manier kunnen we uitspraken doen over de schepenen zelf als politieke machthebbers en wordt de bestuurssamenstelling gedurende de onderzochte periode eerder naar de achtergrond verschoven.

 

Tabel 9: Totaal aantal schepenfuncties die de schepenen uit de periode 1621-1676
uitoefenden gedurende hun gehele leven
[151]

standaardnaam

aantal schepenfunctie
uitgeoefend in hele leven

LOOVEN Jacques van

33

VERDONCK Cornelis

31

MALLANTS Dierck

30

METTEN Jan

26

EMPSSENS Mattheeuws

25

CLAESSEN Jacob

24

MALLANS Christiaen

24

MEURS Matthijs van

22

METTEN Willem

15

CUYLAERTS Geeraert

14

BROUWER Jacob de

13

WOUTERS Geeraert

13

LOOMANS Nicolaes

12

VERHOFFSTADT Cornelis

12

VERMEULEN Adriaen

12

SCRIJVERS Jan

11

PAUWELS Jan

10

NUYDENS Cornelis

9

VLOERS Anthonie

7

WILLEMS Willem

7

CORNELISSEN Anthoni

6

REIJNS Laureys

6

BEECKANT Michiel vanden

5

BROECKHOVEN Laureijs van

5

MAES Willem

5

WIJNEN Michiel

5

AERTS Anthoni

4

BOECX Jan

4

CLEYMANS Cornelis

4

DONNEULX Adriaen

4

DIELS Guilliam

3

HOEVENAERS Wouter

3

MICHIELS Aernout

3

NUYDENS Jacob

3

PLAS Anthonis van

3

THIENEN Jan van

3

VISSER Willem de

3

VUEGHS Jan

3

ANTHONIS Cornelis

2

DIELS Hendrik

2

KINDER Jan de

2

NUYENS Jan (Franssoon)

2

NUIJENS Jan (Sebastiaenssoon)

2

NUYENS Franchois

2

SCHALUYNEN Willem van

2

SIBS Jacob

2

THEEUS Jan

2

VERSMISSEN Peeter

2

WILLEMS Augustijn

2

WOUTERS Jan

2

AUGUSTIJNS Jan

1

CLEYMANS Ghysbrecht

1

GOYVAERTS Lodewijck

1

LAMBRECHTS Adriaen

1

LOOMANS Jan

1

MEEUS Matthys

1

PAPENBROEX Hendrick

1

PLAS Jan van de

1

VUEGHS Sijmon

1

WILS Jacques vanden heuvel

1

totaal aantal onderzochte functies

456

gemiddeld aantal schepenfuncties

7,6

mediaan

3,5

 

Wanneer we de volledige loopbaan als schepen bekijken van de personen uit de onderzochte populatie, blijkt dat iedere schepen gedurende zijn loopbaan, gemiddeld 7,6 maal een schepenpost bezette.[152] Ook blijkt dat er grote verschillen bestaan in het aantal functies die iemand bekleed heeft.[153] Hier kunnen we een duidelijke groep onderscheiden die omschreven zou kunnen worden als een schepen-elite. Zij kapen beduidend meer ambten weg dan de doorsnee schepen en hebben dankzij en door hun lange verblijf in het stedelijke politieke brandpunt, wat de schepenbank toch was, een veel grotere impact op het bestuur dan de doorsnee schepen. Ook hier verdeelde ik de populatie in groepen naargelang het aantal schepenambten die ze bekleedden. De eerste groep, die meer dan negentien ambten waarnam, beschouw ik als de toplaag onder de schepenen. Deze bestaat uit acht personen. De schepenen, die toch nog een behoorlijk aantal jaren doorbrachten op het magistraatskussen, maar mijns inziens toch minder belangrijk en invloedrijk waren, bracht ik samen in een tweede groep, die tussen de tien en de negentien schepenfuncties waarnam. In deze groep vindt men negen personen terug. Daarna vormde ik een groep schepenen die vijf tot en met negen maal verkozen werden als schepen van Turnhout. Negen personen werden in deze groep ondergebracht. Tenslotte maakte ik nog een groep schepenen die slechts één tot en met vier maal in het schepencollege zetelden, waartoe de vierendertig overige schepenen behoren.

 

De eerste groep, die van de elite-schepenen, bestaat in volgorde van aantal beklede schepenfuncties uit Jacques van Looven met 33, Cornelis Verdonck met 31, Dierck Mallants met 30, Jan Metten met 26, Mattheeuws Empssens met 25, Jacob Claessen en Christiaen Mallants met 24 en tenslotte Matthijs van Meurs met 22 schepenambten. Als we bekijken wanneer deze elite-schepenen in functie waren, komen we tot de ontdekking dat de meeste onder hen vooral actief waren in de periode voor de Vrede van Munster in 1648.[154]

 

Tabel 10: Aantal schepenambten uitgeoefend door de elite-schepenen
gedurende hun gehele leven in functie van de periode waarin dit gebeurde
[155]

standaardnaam

totaal aantal schepenfuncties

periode

LOOVEN Jacques van

33

1612-1650

VERDONCK Cornelis

31

1616-1650

MALLANTS Dierck

30

1614-1645

METTEN Jan

26

1613-1640

EMPSSENS Mattheeuws

25

1644-1669

CLAESSEN Jacob

24

1623-1654

MALLANTS Christiaen

24

1647-1671

MEURS Matthijs van

22

1646-1669

 

Een wezenlijk verschil tussen de twee periodes – die voor en die na de Vrede van Munster - kunnen we hier niet uit afleiden. Wel is het mogelijk dat, door het veelvuldig aanwezig zijn in de stad en vrijheid Turnhout gedurende de periode van haar bezit, vrouwe Amalia van Solms beter kon inspelen op het gebeuren aldaar en daarom sneller kon ingrijpen wanneer iemand te oud dreigde te worden om zijn functie als schepen naar behoren te vervullen.

 

Wanneer we naar de sterftedata van deze elite-schepenen kijken, valt deze grote discrepantie tussen de twee periodes op. De top-schepenen uit de periode voor 1648 bleven bij wijze van spreken als schepen in functie tot in het graf,. Terwijl de top-schepenen, die vooral in het tweede gedeelte van de onderzoeksperiode actief waren, een zekere tijd van hun welverdiend ‘pensioen’ konden genieten.[156] Enige uitzondering hierop vormde Dierck Mallants, die na zijn ‘pensioen’ in 1645, nog een jaar diende als gezworene pas ongeveer twaalf jaar later de geest gaf.[157]

 

Tabel 11: Verschil tussen laatste ambtsjaar en datum van overlijden bij de elite-schepenen[158]

standaardnaam

laatste ambtsjaar als schepen

datum van overlijden[159]

verschil

LOOVEN Jacques van

1649-1650

14/11/1651

-2 jaar

MALLANTS Dierck

1644-1645

14/12/1657

+2 jaar

VERDONCK Cornelis

1650-1651

14/11/1650

-2 jaar

METTEN Jan

1639-1640

1639-1641

-2 jaar

EMPSSENS Mattheeuws

1668-1669

17/09/1690

+2 jaar

CLAESSEN Jacob

1653-1654

04/04/1654

-2 jaar

MALLANS Christiaen

1670-1671

19/05/1688

+2 jaar

MEURS Matthijs van

1668-1669

03/10/1691

+2 jaar

 

4.2.6. Een vergelijking van de situatie in de stad en vrijheid Turnhout met de situatie elders: Turnhout en Herentals, twee steden in het markgraafschap Antwerpen [160]

 

Net zoals er in Turnhout jaarlijks zeven schepenen en zeven gezworenen benoemd werden en tweejaarlijks een borgemeester, benoemde men in Herentals elk jaar zeven schepenen, vijf gezworenen, een rentmeester en een borgemeester.

 

We zien dat net zoals in Turnhout grote politieke gebeurtenissen, zoals de Vrede van Muntser in 1648 geen wezenlijke verandering in de magistraatssamenstelling bracht. Zo zetelden bijvoorbeeld Adriaen van Ysendijck (schepen van 1647 tot 1653) en Emanuel Verbruecken (bijna onafgebroken in de weth tussen 1634 en 1680) zowel voor als na 1648 in het Turnhoutse stadsbestuur.

 

Wanneer we de machtsverdeling in beide steden bekijken, merken we dat in beiden het overgrote deel van de macht bezet werd door een groep die vele (meer dan tien) ambten bekleedde. Wel zien we dat in Herentals het zwaartepunt van deze groep ligt bij de personen die tien tot negentien posten wegkaapten, terwijl in de stad en vrijheid Turnhout dit eerder te vinden is bij de echte elite, namelijk zij die twintig of meer maal verkozen werden. We moeten deze bevindingen wel enigszins relativeren aangezien de cijfers voor Herentals handelen over de zeven schepenen, vijf gezworenen, de borgemeester en de rentmeester, terwijl voorTurnhout enkel de schepenen weerhouden werden. De vele personen die enkel gezworene waren, zijn hier niet bijgerekend. Dit zorgt uiteraard voor enige afwijking.

 

Eenzelfde bemerking moet gemaakt worden wanneer we de participatie-indexen van deze twee Antwerpse steden gaan vergelijken. Over deze participatie-index zegt J. Dambruyne in zijn werk over het 16de-eeuwse Gentse ambachtswereld: “De participatie-index bekomt men door het aantal mandatarissen te vermenigvuldigen met honderd, en vervolgens het product te delen door het aantal mandaten. De index geeft aan hoeveel … er deelnamen aan het …bestuur rekening houdend met het aantal beschikbare plaatsen. De index varieert tussen één en honderd. Indien hij honderd bedraagt, betekent dit dat, in functie van het aantal te begeven bestuursmandaten, een beroep werd gedaan op het theoretisch maximaal aantal mandatarissen. Index honderd duidt met andere woorden op het streven vanwege … naar de groots mogelijke participatie … . Hoe lager het indexcijfer, hoe oligarchischer het … bestuur was.”[161] Met een participatie-index van 13,50 voor Herentals en een van 9,45 voor Turnhout hebben we dus te maken met twee oligarchische stadsbesturen. De participatie-graad van de stad en vrijheid Turnhout is nog vier eenheden lager dan deze van Herentals.

Ik ben de mening toegedaan dat de Turnhoutse participatie-graad zeker en vast hoger moet liggen wanneer men ook de gezworenen erbij betrekt, maar deze vallen buiten het opzet van dit werk. Wel weten we dat er jaarlijks zeker en vast drie gezworenen in het Turnhoutse stadsbestuur zaten die voordien nog nooit in de magistraat gezeteld hadden, namelijk de gansche personen. Die functie van gezworene betekende voor vele niet het begin van een verdere carrière binnen het Turnhoutse stadsbestuur. Er moeten dan ook veel gansche personen geweest zijn die later nooit meer een functie bekleed hebben. Het incorporeren van dezen zal naar mijn mening de participatie-index van Turnhout (schepenen en gezworenen) nog doen stijgen.

 

We stellen hier in ieder geval vast dat zowel Herentals als Turnhout bestuurd werd door een oligarchisch stadsbestuur.

 

4.2.7. Turnhoutse schepenen in andere politieke ambten in het 17de-eeuwse Turnhout

 

4.2.7.1. Een ambt als gezworene: een voorbereiding op een schepencarrière?

 

Zoals boven reeds vermeld, bestond de Turnhoutse magistraat uit veertien personen; zeven schepenen en zeven gezworenen. Deze laatste zeven bleven van de eigenlijke macht verstoken en hadden eerder administratieve en financiële taken en tevens een functie als opzichter. Tevens maakten deze zeven gezworenen deel uit van het corpus van de stad. Ze kwamen vaak met de schepenen in contact en moesten soms met hen samenwerken, zoals bijvoorbeeld bij de zittingen van het corpus. In deze bevoorrechte positie zaten de gezworenen ideaal om de werking van het college der schepenen te observeren en op die manier zich verder te bekwamen in hun ‘bestuurscapaciteiten’. Op die manier zou men een ambt als gezworene kunnen beschouwen als de ideale voorbereiding op een schepenambt.

 

Wanneer we kijken hoeveel percent van de schepenen, die gediend hebben tussen 1621 en 1676, zulke ‘opleiding’ genoten hadden vooraleer ze een eerste schepenambt waarnamen, blijkt dat dit voor minder dan de helft van het totale aantal schepenen het geval was. Slechts drieëntwintig van de zestig schepenen waren minstens een jaar gezworene voor ze een eerste maal gekozen werden als schepen, hetgeen neerkomt op 38,3%.[162]

De ‘elite-groep’ onder de schepenen, diegene met een schepencarrière van minstens twintig ambtsjaren, benadert dit globaal gemiddelde heel sterk. Drie schepenen van de acht waren namelijk gezworene vooraleer ze aan hun loopbaan als schepen begonnen. Dit wil zeggen 37,5%. Voor de tweede groep, diegene met tien tot en met negentien dienstjaren als schepen, zien we een duidelijke verhoging wat betreft het percentueel aandeel van diegene die eerst gezworene geweest zijn. 55% werd namelijk niet verkozen in hun eerste jaar dat ze kandidaat schepen waren. Echt spectaculair is deze percentuele verhoging niet te noemen. Tussen de twee genoemde cijfers ligt het gemiddelde van de groep schepenen die vijf tot negen jaar schepen waren. Vier van de negen schepenen waren namelijk voordien al gezworene, hetgeen komt op zo’n 44,4%. Van de laatste groep tenslotte, die met vier of minder ambtsjaren als schepen, was slechts 32,3% gezworene voor hun eerste schepenjaar. Dit getal is het laagste van de vier groepen en zit dan ook een eindje onder het globale gemiddelde van 38,3%.[163]

 

Uit deze groepsgemiddelden valt niet meteen iets relevants af te leiden. De verschillen tussen de groepen zijn niet bijzonder groot, zodat er niet meteen naar een verband gezocht kan worden tussen succes en de ‘gezworene-gemiddelden’. Bovendien zit er op de gemiddelden van de elite-schepenen en de laatste groep schepenen (die met een tot en met vier schepenjaren) slechts een te verwaarlozen vijf procent. De verhouding is voor zowel de succesvolle als de minder succesvolle praktisch dezelfde.

Hetgeen al deze cijfers, zowel het globaal als het groepsgemiddelde, ons wel leren, is dat het voor het verdere verloop van een stedelijke politieke carrière in het Turnhout van de 17de eeuw geen rol speelt of men nu één of meerdere jaren gezworene geweest is vooraleer men effectief verkozen werd als schepen. Het ambt als gezworene kunnen we in dit verband zeker en vast niet beschouwen als een voorbereiding of een opleiding tot een schepenambt.

 

4.2.7.2. Schepenen en het vervullen of cumuleren van andere functies binnen en buiten de Turnhoutse stedelijke politiek en administratie

 

Wat betreft de mogelijke functies van Turnhoutse schepenen buiten het Turnhouste stedelijke kader kan ik hier kort zijn. Nergens vinden we enige aanwijzing dat één van de zestig Turnhoutse schepenen ‘promotie gemaakt heeft’ en bijvoorbeeld in de Raad van Brabant gezeteld heeft. Ook na consultatie van het werk van Gaillard aangaande deze Raad, vond ik nergens een naam van één van de Turnhoutse schepenen terug.[164]

Enkel in het Familie-archief van de familie Cleymans vond ik een aanwijzing terug. Ghysbrecht Cleymans zou Controleur-Generaal van zijne Majesteyts Licenten ten platte landen geweest zijn.[165] Deze functie moet iets te maken gehad hebben met de controle op de licentenhandel. Deze handel gebeurde tussen personen uit twee vijandige naties en aangezien het gaat over ten platte landen ben ik de overtuiging toegedaan dat het gegaan moet hebben om handel tussen de Zuidelijke en Noordelijk Nederlanden. De korte afstand van Turnhout tot de grens sterkt mijns inziens dit vermoeden.

 

Binnen de politiek en administratie van de stad en vrijheid Turnhout waren de onderzochte schepenen wel actief. Zo was opnieuw Ghysbrecht Cleymans van 1618 tot 1626 gezworen klerk of substituut van secretaris Guilliam Proost[166] en vervulde hij samen met A. W. van Alphen van 1629 tot 1633 de functie van rentmeester.[167] Verder waren er nog vele schepenen, die naast de functie van schepen (en gezworene), nog andere ambten bekleedden. Zo werden er ambten als borgemeester, collecteur en ontvanger-generaal, bedezetter, collecteur, aalmoezenier, Heilige-geestmeester en kerkmeester uitgeoefend door schepenen uit de hier onderzochte populatie. Het ambt dat de schepenen het vaakst uitoefenden naast hun normale schepen-activiteiten was dat van borgemeester, het hoofd van de stedelijke financiële organisatie. Dertien schepenen bekleedden deze functie, hetgeen samen goed was voor ongeveer dertig dienstjaren, waarvan het eerste aanving in 1617 en het laatste eindigde in 1673. Meer dan de helft van de jaren van 1617 tot en met 1673 was één van de zestig hier onderzochte schepenen borgemeester. Collecteur en bedezetter waren de Turnhoutse schepenen ook vaak. Beide posten werden door acht schepenen bekleed. Vijf schepenen waren dan weer collecteur- en ontvanger-generaal. Sporadisch was bovendien een schepen actief als kerk- of Heilige-Geestmeester of als aalmoezenier.[168]

 

Tabel 12: Overzicht van de andere functies in het Turnhoutse bestuur en de Turnhoutse administratie door de schepenen uit de dienstjaren van 1621-1622
tot en met 1675-1676
[169]

Standaardnaam

Borg.

C. en O.-Gen.

Bed.

Coll.

Aalm.

H.-G.-M.

Kerkm.

ANTHONIS Cornelis

X

 

 

X

 

 

 

BEECKANT Michiel vanden

X

 

 

 

 

 

 

BOECX Jan

X

 

 

 

X

 

X

BROECKHOVEN Laureijs van

 

 

X

X

 

 

 

BROUWER Jacob de

 

 

X

 

 

 

 

CLAESSEN Jacob

 

X

 

X

 

 

 

CUYLAERTS Geeraert

 

 

 

X

 

 

 

DIELS Hendrik

X

 

X

 

 

 

 

EMPSSENS Mattheeuws

X

 

 

 

 

 

 

HOEVENAERS Wouter

 

 

 

 

X

 

 

LOOMANS Jan

 

 

X

 

 

 

 

LOOMANS Nicolaes

X

 

 

 

 

 

 

LOOVEN Jacques van

X

 

 

 

 

 

 

MALLANS Christiaen

 

X

 

 

X

 

 

MALLANTS Dierck

 

X

 

 

 

 

 

MEURS Matthijs van

X

 

 

X

 

 

 

NUYDENS Cornelis

 

 

 

X

 

 

 

PAUWELS Jan

 

X

 

X

 

 

 

PLAS Anthonis van

 

X

 

 

 

 

 

REIJNS Laureys

X

 

 

 

 

 

 

SIBS Jacob

X

 

X

 

 

 

 

THEEUS Jan

 

 

 

 

 

 

X

VERMEULEN Adriaen

X

 

X

 

 

 

 

VLOERS Anthonie

X

 

 

 

 

 

 

VUEGHS Sijmon

 

 

 

 

X

 

 

WILLEMSSEN Willem

 

 

X

X

 

 

 

WILS Jacques vanden heuvel

 

 

X

 

 

 

 

WOUTERS Geeraert

X

 

 

 

X

X

 

 

13

5

8

8

5

1

2

 

Het feit, dat er zoveel andere functies in de stedelijke administratie door schepenen bekleed werden, duidt nogmaals op het oligarchische karakter van het stadsbestuur van Turnhout. En dan zijn in deze berekeningen de familieleden van de schepenen nog niet bijgeteld.

 

4.2.8. De Turnhoutse schepenbank, een representatie van de gehele stad?

 

Zoals boven reeds uitgelegd werd, bestond de Turnhoutse schepenbank uit zeven leden, zes afkomstig uit het stedelijk centrum en één buitenschepen uit een van de gehuchten.[170] Er is echter nergens gespecificeerd waar precies uit het stedelijk centrum de eerste zes schepenen vandaan kwamen. Hier wil ik onderzoeken of er een evenredige verdeling van vertegenwoordigers is tussen de vier centrumwijken van de stad en vrijheid Turnhout. Tevens neem ik de buitenschepenen onder de loep om uit te zoeken uit welke van de gehuchten zij afkomstig zijn.

 

Het stedelijk centrum rond de markt werd opgedeeld in vier stadswijken, die gelegen zijn rondom één van de vier hoofdstraten van Turnhout en dezelfde naam dragen, namelijk de Herentalsstraat, de Gasthuisstraat, de Otterstraat en de Potterstraat. Deze onderverdeling in vier wijken vond ik terug in fiscale bronnen zoals de Bedenboeken en de Kohieren van het Hooftgeld. De opgetekende belastingen stonden hierin steeds per wijk gerangschikt. Aan de hand van deze onderverdeling kon ik voor de schepenen uit deze vier stadswijken hun woonplaats bepalen. Van de zestig schepenen, die behoren tot de hier onderzochte populatie waren er drieënvijftig afkomstig uit het stedelijk centrum en dienden er zeven als buitenschepen.[171] Van deze drieënvijftig ‘binnenschepenen’ was ik aan de hand van de Bedenboeken en de Kohieren van het Hooftgeld in staat om voor eenenveertig van hen de wijk terug te vinden waar zij belastingen betaalden. Hier ga ik er vanuit dat deze schepenen effectief woonden in de wijk waar zij belastingen betaalden.

 

De hier volgende gegevens bekwam ik aan de hand van enerzijds de Bedenboeken voor de jaren 1629-1631, 1637-1639, 1639-1641, 1641-1643, 1651-1653, 1655-1657 en 1669-1671[172] en anderzijds de Kohieren van het Hooftgeld van de jaren 1646, 1648, 1650, 1656 en 1674.[173] Na onderzoek van deze twee basisbronnen, verifieerde ik de uitkomst nogmaals aan de hand van enkele specifieke woonplaatsen van schepenen, die ik vond in Notariële akten, Kohieren van scheydinge en deylinge , Familie archieven en in enkele artikels.

 

Tabel 13: Overzicht van de woonplaatsen (fiscale omschrijvingen)
 van de schepenen van de periode 1621-1676
[174]

standaardnaam

aantal schepenfuncties uitgeoefend tussen

1621 en 1676

woonplaats

LOOVEN Jacques van

28

Potterstraat

VERDONCK Cornelis

26

Herentalsstraat

EMPSSENS Mattheeuws

25

Herentalsstraat

CLAESSEN Jacob

24

Gasthuisstraat

MALLANS Christiaen

24

Otterstraat

MEURS Matthijs van

22

Otterstraat

METTEN Jan

18

Oosthoven

METTEN Willem

15

Oudturnhout

WOUTERS Geeraert

13

Gasthuisstraat

VERMEULEN Adriaen

12

Dijcksijde

SCHRIJVERS Jan

11

Gasthuisstraat

LOOMANS Nicolaes

8

Herentalsstraat

VERHOFFSTADT Cornelis

7

Potterstraat

VLOERS Anthonie

7

Otterstraat

WILLEMSSEN Willem

7

Gasthuisstraat

CORNELISSEN Anthoni

6

Gasthuisstraat

PAUWELS Jan

6

Potterstraat

REIJNS Laureys

6

Otterstraat

BEECKANT Michiel vanden

5

Herentalsstraat

BOECX Jan

4

Gasthuisstraat

DONNEULX Adriaen

4

Potterstraat

DIELS Guilliam

3

Herentalsstraat

MICHIELS Aernout

3

Herentalsstraat

NUYDENS Jacob

3

Otterstraat

VUEGHS Jan

3

Oosthoven

ANTHONIS Cornelis

2

Otterstraat

BROUWER Jacob de

2

Gasthuisstraat

DIELS Hendrik

2

Herentalsstraat

KINDER Jan de

2

Potterstraat

NUYENS Franchois

2

Potterstraat

PLAS Anthonis van

2

Otterstraat

SCHALUYNEN Willem van

2

Potterstraat

SIBS Jacob

2

Oudturnhout

THEEUS Jan

2

Herentalsstraat

VERSMISSEN Peeter

2

Herentalsstraat

WIJNEN Michiel

2

Oosthoven

WOUTERS Jan

2

Oosthoven

AUGUSTIJNS Jan

1

Potterstraat

BROECKHOVEN Laureijs van

1

Otterstraat

GOYVAERTS Lodewijck

1

Potterstraat

LAMBRECHTS Adriaen

1

Otterstraat

LOOMANS Jan

1

Gasthuisstraat

MEEUS Matthys

1

Otterstraat

PAPENBROEX Hendrick

1

Potterstraat

PLAS Jan van de

1

Potterstraat

VISSER Willem de

1

Gasthuisstraat

VUEGHS Sijmon

1

Potterstraat

WILS Jacques vanden heuvel

1

Potterstraat

Legende: De buitenschepenen zijn cursief gedrukt.

 

Hieruit bleek dat dertien schepenen afkomstig waren van de Potterstraat, tien uit de Otterstraat en negen uit zowel de Gasthuis- als de Herentalsstraat.[175] We zouden hieruit kunnen besluiten dat de Potterstraat het best vertegenwoordigd geweest zou moeten zijn in het 17de-eeuwse Turnhoutse schepencollege.

 

Grafiek 2: Aantal schepenen uit de periode 1621-1676 per burgerwijk[176]

Maar we moeten hierbij ook rekening houden met het aantal functies dat deze schepenen uit de Potterstraat uitgeoefend hebben. Van deze dertien schepenen bekleedden er tien slechts één tot en met vier functies in de onderzoeksperiode. De schepenen uit de Potterstraat bekleedden elk gemiddeld nog geen vijf schepenambten, terwijl die uit de Otterstraat er bijna zeven, die uit de Gasthuisstraat bijna acht en die uit de Herentalsstraat meer dan acht bekleedden. De schepenen uit de vier centrumwijken die meer dan negen schepenposten bezetten komen dan ook vooral uit deze laatste drie burgerwijken.[177]

 

Tabel 14: De uitgeoefende schepenfuncties per wijk en gemiddeld aantal schepenfuncties
per schepen per wijk
[178]

 

aantal schepenen

aantal schepenfuncties

gemiddeld aantal schepenfuncties

Herentalsstraat

9

76

8,44

Gasthuisstraat

9

69

7,67

Otterstraat

10

69

6,90

Potterstraat

13

57

4,38

totaal

41

271

 

 

Toch kunnen we hieruit besluiten dat er in de raad der schepenen van de stad en vrijheid Turnhout een ongeveer evenredige verdeling is wat de verdeling van de eerste zes schepenfuncties over de vier burgerwijken betreft, niettegenstaande dat hier voor zover we weten geen reglementen voorhande waren. Iedere wijk bezette namelijk ongeveer één vierde van het hier onderzochte aantal schepenfuncties.[179]

 

Grafiek 3: Percentage ‘binnen’-schepenfuncties uitgeoefend door schepenen van de verschillende burgerwijken

 

Maar hoe zit het met de buitenschepenen? Hier zien we niet meteen een overwicht van een bepaald gehucht. F. Vanderputte schreef in het overzichtswerk aangaande de Turnhoutse geschiedenis “Turnhout Groei van een stad”: “In de 18de eeuw waren dit steeds burgers uit het voornaamste Turnhoutse gehucht, Oud-Turnhout.”.[180] Over de hier onderzochte periode kunnen we niet hetzelfde zeggen. We zien inderdaad Willem Metten die afkomstig was van Oud-Turnhout en die vijftien jaar zetelde als buitenschepen. Daarentegen was er bijvoorbeeld zijn vader Jan Metten, wonende in Oosthoven, die achttien maal verkozen werd en Adriaen Vermeulen die twaalf maal zetelde en woonde te Dijcksijde.[181] Gedurende de onderzoeksperiode waren er in het totaal zeven buitenschepenen, vier afkomstig van Oosthoven, twee van Oud-Turnhout en één van Dijcksijde.

We kunnen hier dus zeker niet spreken van een monopolie van Oud-Turnhout op de functie van buitenschepen. Eerder kunnen we hier spreken van een overwicht van Oosthoven.

 

4.2.9. Conclusie, de stad en vrijheid Turnhout en haar schepenen

 

De Turnhoutse schepenbank telde zeven leden. Zes van hen waren afkomstig uit het stedelijke centrum rond de markt en de zevende, de ‘buitenschepen’ woonde in een van de vele gehuchten rond het centrum.

 

Het Turnhoutse stadbestuur kan worden beschouwd als een soort van oligarchie. Gemiddeld bekleedde een Turnhoutse schepen tussen 1621 en 1676 ongeveer 6,40 schepenfuncties, hoewel er ook vele schepenen waren die slechts een maal verkozen werden. Aan de andere kant waren er ook enkele ‘elite-schepenen’ die gedurende lange tijd deel bleven uitmaken van de Turnhoutse stadsmagistraat. Zo waren er onder meer Jacques van Looven die gedurende de onderzoeksperiode 28 maal gekozen werd als schepen en Cornelis Verdonck die 26 keer bij de gelukkige hoorde.[182]

We zien geen verschil tussen de periode voor en die na de Vrede van Munster. Noch de grote politieke en militaire gebeurtenissen, noch het veranderende heerlijke bestuur van de stad en vrijheid Turnhout had enige invloed op de keuze en de samenstelling van de schepenbank.

 

We zagen tevens dat de oligarchische tendenzen die te zien waren in het Turnhoutse stadsbestuur geen alleenstaand gegeven was. Ook in Herentals bleek dit het geval te zijn.

We zagen onder andere dat de Turnhoutse schepenen vaak naast hun schepenfuncties gedurende hun carrière nog andere functies uitoefenden in de Turnhoutse administratie en politiek. Verdere carrièremogelijkheden op regionaal of nationaal vlak waren er echter niet. Tevens zagen we dat een ambt als gezworene niet gezie moet worden als een voorbereiding op een schepenfunctie.

 

Tenslotte bleken de vierburgerwijken, de Herentalsstraat, de Gasthuisstraat, de Otterstraat en de Potterstraat in het schepencollege van de stad en vrijheid Turnhout praktisch evenredig vertegenwoordigd te zijn. Afspraken of reglementen bestonden hier echter niet voor. Toch kunnen we zien dat de schepenen uit de eerste drie wijken gemiddeld beduidend langer dienden dan de anderen.[183] Ook wat de representatie van de gehuchten betrof, konden we geen echte primus inter pares aanduiden zoals in de 18de eeuw het geval was, maar toch onderscheidden we een overwicht van Oosthoven. We kunnen uit dit alles dus besluiten dat de stad en vrijheid Turnhout in de periode tussen het einde van het 12-jarig Bestand in 1621 tot de dood van prinses Amalia van Solms in 1675 bestuurd werd door een oligarchisch stadsbestuur, met schepenen afkomstig uit heel Turnhout.

 

4.3. De huwelijkspolitiek van de Turnhoutse schepenen: de vorming van een oligarchie?

 

4.3.1. Het terugvinden van de huwelijksdatum

 

De huwelijksdata zijn terug te vinden in de parochieregisters, die de huwelijken optekenen gevierd in de parochie Sint-Pieter en in de parochie Sint-Bavo. Wanneer de naam van een schepen in de parochieregisters slechts één maal voorkomt in de periode waarin hij mogelijk trouwde, kunnen we er vanuitgaan dat het huwelijk opgetekend onder zijn naam inderdaad door die bepaalde schepen is aangegaan. Wanneer we te maken hebben met namen die twee, drie of meerdere keren voorkomen, moeten we eerst elders de naam van de vrouw terugvinden. Hiervoor gebruikte ik de Kohieren van scheydinge en deylinge, de Notarisprotocollen, de verschillende familiearchieven en enkele artikels. Wanneer we de naam van de schepen zijn vrouw hebben, is het niet moeilijk meer om de overeenstemmende huwelijksdatum terug te vinden in de parochieregisters. De juiste huwelijksdatum kan ook teruggevonden worden door het beschikken over de naam van een kind van de onderzochte schepen. We kunnen de geboortedatum van het kind in kwestie zoeken in de parochieregisters, die de geboortes optekenen. Bij deze geboorteregistratie staat vaak ook de naam van de moeder van het kind vermeld. Met deze naam kon ik de overeenstemmende huwelijksdatum vinden. Wanneer we geen vrouw of kinderen terugvinden, wil dit niet zeggen dat de schepen in kwestie bij voorbaat niet getrouwd was. De bronnenconstellatie is namelijk niet steeds even volledig.

 

Het probleem voor het terugvinden van de huwelijksdata situeert zich dan ook daar. De parochieregisters, die de huwelijken optekenden voor de parochie van Sint-Pieter, die het centrum van de stad en het grootste gedeelte van de vrijheid besloeg, gaan terug tot het jaar 1574. Deze voor de andere parochie, namelijk deze van Sint-Bavo, die onder meer het belangrijkste gehucht Oud-Turnhout omvatte, zijn terug te vinden vanaf het jaar 1650. Voor personen, die trouwden voor deze data was het niet mogelijk om een huwelijksdatum terug te vinden. Vooral voor de parochie Sint-Bavo vormt dit een probleem.

 

Om deze leemtes op te vullen zou mogelijk de geboortedatum van het eerste kind van de schepen een indicatie kunnen geven in de richting van de huwelijksdatum. Wel moeten we dan eerst de naam van de vrouw van de schepen in kwestie via een andere bron, zoals bijvoorbeeld Kohieren van scheydinge en deylinge, te weten komen. We zien namelijk dat het eerstgeboren kind steeds slechts korte tijd na het huwelijk het levenslicht zag. Meestal is dit slechts ongeveer een jaar. Toch moeten we het nodige voorbehoud maken wanneer we de geboortedatum van het ‘eerste kind’ nemen als aanduiding van de huwelijksdatum. We zijn er namelijk niet zeker van of het wel gaat om het eerste kind, zeker niet als het gaat om data, die zich situeren vlak na de aanvang van de optekening in de parochieregisters.

Zo is er bijvoorbeeld het geval van de schepen Michiel Wijnen van Oosthoven. Deze schepen had voor zo ver geweten vier kinderen: Peeter, Sijmen, Magdalena en Cathalijn. Deze informatie vond ik terug in de Kohieren van scheydingen en deylingen.[184] Tevens vond ik hier de naam van de moeder van de kinderen terug, met name Heylken Coppens, zijn vrouw. Vervolgens ging ik op zoek naar de datum van hun huwelijk. Aangezien Michiel Wijnen woonachtig was in Oosthoven onder Oud-Turnhout[185], moesten zij onder normale omstandigheden gehuwd zijn in de ‘buitenkerk’ van Sint-Bavo. In de parochieregisters, die de huwelijken optekenden, vond ik hen echter niet terug. Wanneer ik vervolgens de geboortedata van hun vier kinderen ging opzoeken, vond ik er hier twee van terug. Zo vond ik dat Sijmen Wijnen geboren was op elf februari 1655[186] en Peeter Wijnen op elf april 1651.[187] In de Kohieren van scheydinge en deylinge in de acte de dato elf juni 1667 vonden we hen terug als minderjarige kinderen. Hun zussen Magdalena en Cathalijn waren op dat moment reeds getrouwd, respectievelijk met Andries Volders en Jacob Dieltkens. Zij waren dus ongetwijfeld ouder dan hun broers en zagen waarschijnlijk reeds het levenslicht voor het jaar 1650, het tijdstip waarop de parochieregisters van de parochie van Sint-Bavo aanvangen. Daarom vinden we ze er niet in terug. In dit geval is het dan ook niet verantwoord om de geboortedatum van het oudste kind (waar de geboortedatum van geweten is) van Michiel Wijnen, te gebruiken als een eerste aanwijzing voor de huwelijksdatum van Michiel Wijnen en Heylken Coppens.

 

Met deze casus wil ik duidelijk maken dat het historisch niet volledig verantwoord is om de leemtes in de gezochte huwelijksdata op te vullen door de geboortedatum van een oudste kind. Het is nooit zeker of het effectief om het oudste kind gaat. In dit geval was het overduidelijk, maar vaak is dit niet het geval. Wanneer we te maken hebben met nieuw ingeweken personen, kunnen we niet weten of zij reeds kinderen hadden voor hun komst naar Turnhout. Tenslotte moeten we er rekening mee houden dat bronnen zoals de Kohieren van scheydinge en deylinge meestal de op dat moment nog levende kinderen vermelden. Ook de namen van de zonen en dochters, die reeds getrouwd waren en misschien reeds kinderen hadden vooraleer ze stierven, vinden we hier vaak terug. Er wordt echter nooit een woord gerept over die kinderen die zeer vroeg stierven, bijvoorbeeld als peuter of zelfs als baby. De kindersterfte was nog hoog in de periode die in dit werk onderzocht wordt. Als voorbeeld hiervan kunnen we de casus van Mattheeuws Empssens en Maria Aerts aanhalen. In de Kohieren van scheydinge en deylinge vonden we dit koppel terug.[188] Bij later onderzoek naar hun huwelijksdatum bleek dat zij trouwden in de Sint-Pieterskerk te Turnhout op dertig juni 1638.[189] In de Kohieren stond tevens dat zij vijf kinderen hadden, namelijk Cornelia, Anna, Catharina, Anthonie en Maria Dina. Wanneer we de hierboven uiteengezette deductiemethode hierop toepassen om een huwelijksdatum te berekenen, komen we bedrogen uit. Het oudste kind van Mattheeuws en Maria dat in de Kohieren voorkomt, is Cornelia Empssens, die geboren werd op zeven maart 1641.[190] Daar vanuit gaande zouden we bij deze datum een jaar kunnen aftrekken, zodat we op een huwelijksdatum komen van omstreeks maart 1640. Zoals hierboven reeds gezegd, trouwden zij op dertig juni 1638. Dit verschil van twee jaar is te verklaren door het feit dat Cornelia niet het oudste kind was van het koppel, maar pas het tweede. Anna Empssens werd namelijk reeds geboren op vier december 1638.[191] Hieruit blijkt nog eens dat het deduceren van een huwelijksdatum uit de vroegste teruggevonden geboortedatum niet steeds even accuraat en succesvol is.

Daarom opteerde ik ervoor om dit in verband met dit onderzoek niet te doen.

 

4.3.2. ‘Carrière of gezin?’: de relatie tussen huwelijk en een start van een carrière als schepen

 

In deze paragraaf onderzoek ik het moment waarop de schepenen van de stad en vrijheid Turnhout trouwden. Was dit vóór hun eerste schepenfunctie, zodat het huwelijk en de familie van de echtgenote misschien een rol speelden in het al of niet verkrijgen van een schepenpost? Of huwden de schepenen pas nadat ze een schepenfunctie bekleed hadden, zodat ze misschien door hun macht op stedelijk vlak een groter aanzien verkregen en daardoor een betere partij konden strikken voor hun huwelijk. Tegelijkertijd wordt hier onderzocht welke leeftijd de schepenen hadden, wanneer zij een eerste maal deel uitmaakten van de Turnhoutse schepenbank.

 

4.3.2.1. Het berekenen van de huwelijksleeftijd

 

Het kunnen berekenen van een huwelijksleeftijd staat of valt met het terug kunnen vinden van geboorte- en huwelijksdata van de verschillende hier onderzochte schepenen. Wat de huwelijksdata bleek dit geen groot probleem te vormen, maar het terugvinden van de geboortedata van de schepenen stelde meer problemen. Zo was ik slechts voor tien personen in staat om de datum van geboorte te achterhalen. Op een populatie van zestig personen is dit niet veel. Mijn resultaten werden echter mede bepaald door de aanwezige bronnen.

 

De geboortedata zijn terug te vinden in de parochieregisters. Zowel de parochieregisters van Sint-Pieter als die van Sint-Bavo tekenen de geboortes op. Deze van Sint-Pieter beginnen vanaf het jaar 1566. Die van Sint-Bavo zijn pas vanaf 1650 terug te vinden. Tevens werd ik, net zoals bij het terugvinden van de huwelijksdata, geconfronteerd met het feit dat de naam van een schepen meestal meerdere keren voorkwam in de parochieregisters in de periode waarin het mogelijk was dat de schepen in kwestie geboren werd. Dit wil zeggen dat voor bijna elke persoon meerdere geboortedata en dus ook meerdere ouders mogelijk waren. Met andere woorden, het was noodzakelijk om in andere bronnen informatie aangaande de ouders van de schepenen te vinden en op die manier tot de enige correcte geboortedatum te komen. De namen van beide ouders worden bijna nooit teruggevonden. Meestal gaat het enkel om de naam van de vader. Dit kan in de vorm van een patroniem zijn, maar ook kan de volledige naam van de vader in een of andere akte vermeld zijn. Het vinden van de naam van de vader was evenwel niet altijd voldoende om de geboortedatum van de onderzochte schepen te vinden. Soms bleek hij gewoon niet in de parochieregisters voor te komen.

 

Tabel 15: Gemiddelde huwelijksleeftijd van de schepenen

standaardnaam

totaal aantal schepenfuncties

geboorte-
datum
[192]

huwelijks-
datum
[193]

huwelijks-
leeftijd

MEURS Matthijs van

22

12/11/1617

06/01/1641

23

NUYENS Jan (Franssoon)

2

16/04/1624

30/05/1648

24

VUEGHS Sijmon

1

14/08/1616

06/02/1641

24

BROUWER Jacob de

13

25/01/1629

14/04/1654

25

MALLANTS Christiaen

24

26/12/1614

13/11/1640

25

DIELS Guilliam

3

02/04/1636

26/07/1689

53

gemiddelde huwelijksleeftijd

29

 

 

 

 

Om de huwelijksleeftijd te kunnen bepalen moet zoals reeds gezegd, zowel de geboorte- als de huwelijksdatum van een persoon bekend zijn. Voor de tien personen, waarvan ik de geboortedatum kon terugvinden, was ik slechts voor zes van hen ingelicht over hun huwelijksdatum. Het gaat om vijf personen die trouwden in het midden van hun twintiger jaren, namelijk Jacob de Brouwer en Christiaen Mallants die huwden op vijfentwintigjarige leeftijd, Sijmon Vueghs en Jan Nuyens Franssoon die één jaartje jonger waren toen ze in het huwelijksbootje stapten en tenslotte nog Matthijs van Meurs die met zijn drieëntwintig de jongste teruggevonden bruidegom was. De enige schepen die hierbij uit de toon valt is Guilliam Diels, die pas als drieënvijftigjarige man de huwelijksbeloften uitsprak.[194] Hoewel het hier gaat om slechts zes personen en dit aantal niet echt groot genoeg is om hier relevante conclusies uit te trekken met betrekking tot de gehele schepenpopulatie van 1621 tot 1675, blijkt hier toch enigszins uit dat de gemiddelde schepen trouwde op betrekkelijk jonge leeftijd, midden twintig zoiets. We mogen hier veronderstellen dat deze leeftijd courant was in de gehele schepenpopulatie, te meer aangezien de zes onderzochte personen op politiek vlak niet tot dezelfde politieke groep behoorden. Wanneer we de zes onderzochte schepenen onderverdelen in de vier groepen, zoals die hierboven op politiek vlak steeds samengesteld werden, zien we dat twee onder hen, Christiaen Mallants en Matthijs van Meurs, gedurende hun carrière meer dan negentien schepenposten bekleed hebben. In de volgende groep, die met personen met tien tot en met achttien verkozen mandaten, vinden we Jacob de Brouwer terug. De overige drie tenslotte vinden we terug in de vierde groep (1-4 schepenambten), waarbij Guilliam Diels drie, Jan Nuyens Franssoon twee en Sijmon Vueghs één schepenfunctie wisten te bemachtigen. Deze zes vormen een zeer heterogene groep, zodat we toch enige indicatie krijgen in verband met de huwelijksleeftijd van de onderzochte schepenen, alhoewel dat echte conclusies niet getrokken kunnen worden vanwege het te kleine aantal personen dat kon onderzocht worden.

 

We zien hier dus dat de gemiddelde huwelijksleeftijd zich situeert rond de vijfentwintig jaar, de leeftijd waarop men in de 17de eeuw politiek volwassen geacht werd en waarop men dus verkozen kon worden als schepen.

 

4.3.2.2. Het berekenen van de leeftijd bij aanvang van het eerste ambtsjaar als schepen

 

Net zoals bij het berekenen van de leeftijd waarop de schepenen trouwden, is het hier ook noodzakelijk om de geboortedata van de verschillende schepenen te weten. Zoals in de vorige paragraaf reeds gezegd, zijn we hierover slechts ingelicht voor tien personen. Van deze tien schepenen weten we wel het jaar waarin ze voor de eerste maal verkozen werden als dienende schepen. Deze informatie vond ik terug in de Proceduerboeken, waarin de verschillende dienende schepenen jaarlijks staan opgetekend.

 

Tabel 16: Gemiddelde leeftijd bij aanvang van eerste ambtsjaar als schepen

standaardnaam

geboortedatum

jaar van
eerste schepenambt

leeftijd bij eerste schepenambt

MEURS Matthijs van

12/11/1617

1646

28

METTEN Jan

08/12/1582

1613

30

MALLANS Christiaen

26/12/1614

1647

32

DIELS Guilliam

02/04/1636

1672

35

NUIJENS Jan (Sebastiaenssoon)

02/08/1620

1662

41

BROUWER Jacob de

25/01/1629

1674

45

NUYENS Jan (Franssoon)

16/04/1624

1672

47

VUEGHS Jan

02/08/1620

1670

49

VUEGHS Sijmon

14/08/1616

1672

55

SIBS Jacob

15/03/1592

1669

76

gemiddelde leeftijd bij eerste schepenambt

44

 

 

 

We zien dat de hier onderzochte schepenen gemiddeld vierenveertig jaar waren bij hun eerste verkiezing tot schepen.[195] Maar wanneer we het geval van Jacob Sibs buiten beschouwing laten, bekomen we een gemiddelde van veertig jaar. Dit wil zeggen dat men niet verkozen werd van zodra men politiek volwassen geacht werd, namelijk wanneer men vijfentwintig jaar was. Blijkbaar werden dus eerder mensen met iets meer ervaring verkozen. Deze berekening van de leeftijd bij aanvang van hun eerste schepenambt kan echter niet volledig getransponeerd worden naar de gehele onderzochte populatie van schepenen, daarvoor zijn er te weinig gegevens voorhanden.

 

Wel kunnen we deze ‘verkiezingsleeftijd’ enigermate op een andere manier te weten komen. We kunnen namelijk de leeftijd bij de eerste verkiezing tot schepen reconstrueren aan de hand van de gemiddelde huwelijksleeftijd en de periode die zit tussen het huwelijk en het moment waarop men voor het eerst in het college van schepenen zetelde.

 

4.3.2.3. ‘Eerst carrière en dan pas gezin?’: een vergelijking tussen de huwelijksleeftijd en de leeftijd bij de eerste verkiezing tot schepen

 

Om te kijken of de onderzochte schepenen trouwden voor hun eerste ambt als schepen of juist reeds een ambt bezet hadden op het moment dat ze huwden, kunnen we de huwelijksleeftijd vergelijken met de leeftijd, die ze hadden op het ogenblik dat ze voor de eerste keer tot schepen verkozen werden. Zoals hierboven reeds gezegd, beschik ik hier slechts over de geboortedata van tien schepenen, zodat ik enkel de respectievelijke leeftijden voor deze tien personen kan berekenen.

 

Om een beeld te krijgen of de gemiddelde schepen huwde voor of na een eerste schepenambt, volstaat het echter om de huwelijksdatum te vergelijken met de datum, waarop men voor het eerst als schepen verkozen werd.

 

Van tweeëndertig personen kon ik de huwelijksdatum terugvinden, zodat ik voor deze tweeëndertig de tijd kon berekenen die tussen hun huwelijk en hun eerste schepenambt zat. Aangezien ik voor twee van deze tweeëndertig personen enkel gegevens over hun tweede huwelijk kon terugvinden, verkoos ik deze twee schepenen buiten beschouwing te laten. Het is namelijk de bedoeling te onderzoeken of het huwelijk mogelijk beïnvloed werd door een voorgaande benoeming tot schepen of omgekeerd het huwelijk een rol speelde in die benoeming tot schepen. Wanneer men voor een tweede keer huwt, is er sprake van een totaal andere situatie. Men heeft op dat moment onder normale omstandigheden zijn leven al voor een groot gedeelte opgebouwd en dus speelt de mogelijke beïnvloeding hier minder.

 

Tabel 17: Gemiddeld aantal jaren tussen huwelijk en eerste verkiezing tot schepen

standaardnaam

huwelijksdatum

jaar van eerste schepenambt

aantal jaren tussen huwelijk en eerste schepenambt

AERTS Anthoni

10/01/1616

1618

2

CLEYMANS Ghysbrecht

03/02/1629

1633

3

NUYDENS Cornelis

16/05/1623

1627

3

BOECX Jan

20/06/1662

1659

4

DIELS Hendrik

19/06/1622

1628

5

EMPSSENS Mattheeuws

30/06/1638

1644

5

MEURS Matthijs van

06/01/1641

1646

5

CLAESSEN Jacob

11/08/1616

1623

6

MALLANS Christiaen

13/11/1640

1647

6

VERHOFFSTADT Cornelis

18/10/1605

1614

8

NUYENS Franchois

07/09/1621

1631

9

VERSMISSEN Peeter

11/06/1658

1669

10

THEEUS Jan

29/07/1642

1654

11

CORNELISSEN Anthoni

10/01/1617

1630

13

VISSER Willem de

21/03/1656

1671

14

DIELS Guilliam

26/07/1689

1672

18

BROUWER Jacob de

14/04/1654

1674

19

WILLEMS Augustijn

22/02/1650

1670

19

WILS Jacques vanden heuvel

02/06/1626

1646

19

PLAS Jan van de

0?/01/1684

1664

20

PAPENBROEX Hendrick

10/01/1612

1633

21

LOOMANS Jan

16/01/1627

1650

23

NUYENS Jan (Franssoon)

30/05/1648

1672

23

KINDER Jan de

13/09/1644

1669

24

THIENEN Jan van

16/01/1611

1641

30

VUEGHS Sijmon

06/02/1641

1672

30

HOEVENAERS Wouter

03/09/1628

1661

32

VLOERS Anthonie

30/01/1630

1663

33

GOYVAERTS Lodewijck

27/11/1636

1671

34

WILLEMSSEN Willem

24/06/1614

1650

35

gemiddel aantal jaren tussen huwelijk en eerste schepenambt

16 jaar

 

 

Legende: De schepenen, die huwden nadat ze reeds minstens eenmaal verkozen waren
als schepen, zijn in de tabel cursief gedrukt.

 

De meeste schepenen, negentig procent, huwden nog voor hun eerste jaar als lid van het college van schepenen. Enkel Jan Boecx, Guilliam Diels en Jan vande Plas huwden na het vervullen van hun eerste schepenambt, respectievelijk vier, achttien en twintig jaar erna. Gemiddeld zat er ongeveer zestien jaar tussen het huwelijk en het vervullen van een eerste schepenfunctie. [196]

 

Wanneer we de onderzochte schepenen gaan opdelen in de verschillende politieke groepen[197], zoals hierboven reeds enkele malen gebeurde, zien we dat het aantal jaren tussen huwelijk en eerste schepenambt, veel verschilt van groep tot groep.

De eerste groep, die in dit geval slechts vier personen omvat, huwde gemiddeld 5,5 jaar voor het eerste jaar waarin zij zetelden als schepenen. Dit is een groot verschil met de overige groepen, waar men respectievelijk 13,5, 20 en 18 jaar na zijn huwelijk pas een eerste schepenfunctie bekleedde.[198]

Ten eerste heeft dit verschil invloed op de leeftijd waarop men een eerste schepenpost bekleedde. Logischerwijs ligt deze leeftijd voor de top-schepenen veel lager dan voor de overige groepen. Ten tweede kunnen we hieruit besluiten, dat het prestige dat men had als schepen, geen invloed had op het gemak of het moment waarop men een geschikte huwelijkspartner vond. Het grote tijdsverschil tussen de twee gebeurtenissen bewijst dit. Het huwelijk kan gezien worden als iets dat geen directe gevolgen heeft voor een politieke carrière als schepen. Enkel voor de elite onder de schepenen speelt de factor ‘huwelijk’ een grotere rol. Hier is niet zozeer het moment van het huwelijk van belang, dan wel de familiale context van de bruid. Het belang van deze familiebanden wordt hierna nog verder uit de doeken gedaan.

 

4.3.2.4. Een verdere berekening van de leeftijd, waarop men voor het eerst zetelde in de schepenbank van de stad en vrijheid Turnhout

 

Zoals hierboven aangetoond hebben we een goed idee van de gemiddelde leeftijd waarop de schepenen van de stad en vrijheid Turhout in het huwelijksbootje stapten. Ze huwden namelijk rond hun vijfentwintigste. Tevens hebben we hierboven berekend hoeveel tijd er gemiddeld zat tussen het (eerste) huwelijk van de schepenen en het jaar waarop ze voor het eerst verkozen werden tot schepen. Dit was namelijk ongeveer 16 jaar.

 

Een eerste indicatie van de leeftijd, waarop men voor het eerst lid werd van de schepenbank te Turnhout, werd hierboven reeds aangeboden. De gemiddelde leeftijd daarvoor bedroeg ongeveer veertig jaar. Wanneer we rekening houden met de hierboven vermelde getallen, stel ik vast dat deze leeftijd bij benadering zou moeten kloppen. Wanneer men namelijk huwt op vijfentwintigjarige leeftijd en ongeveer zestien jaar later voor de eerste maal een schepenpost in de wacht sleepte, diende men inderdaad ongeveer rond zijn veertigste verjaardag voor een eerste maal als schepen.

Nogmaals druk ik er op dat het hier niet gaat om volledig correcte en betrouwbare gegevens. Vanwege het schaars bruikbare bronnenmateriaal kan ik hier enkel een goed onderbouwde gissing maken aangaande deze leeftijd.

 

4.3.3. Huwelijkspatronen: een netwerk van huwelijken onder de schepenen van de stad en vrijheid Turnhout

 

Hier onderzoek ik in welke mate de schepenen van de stad en vrijheid Turnhout onderling verbonden worden door familiale banden. Er wordt gekeken of het magistraatsambt op enige wijze doorgegeven wordt van vader op zoon. Tevens probeer ik een antwoord te vinden op de vraag in welke mate het huwelijk een rol speelde in het monopoliseren van de schepenmacht in handen van enkele families. Anders gezegd: “Kan het stadsbestuur van de stad en vrijheid Turnhout beschouwd worden als een vorm van oligarchie?”.

 

4.3.3.1. Het schepenambt, een overerfbare functie?

 

Zien we dat zonen van schepenen na hun vader zetelden in de magistraat van Turnhout? Was er sprake van een vorm van ‘erfelijkheid’ van het schepenambt? Hierop probeer ik een antwoord te verschaffen.

 

Om een antwoord te vinden, moeten we eerst onderzoeken wie de ouders zijn van de personen van de onderzochte schepenpopulatie. Hierover krijgen we informatie verstrekt in de parochieregisters, die de geboortes optekenen. Zoals reeds aangehaald, zijn deze niet voor de gehele periode beschikbaar. Anderzijds komen soms patroniemen voor, zodat het afleiden van de naam van de vader geen probleem meer vormt. Tevens vond ik nog informatie aangaande de ouders in meer exemplarische bronnen zoals de Notarisprotocollen, de Kohieren van scheydinge en deylinge en de familie archieven die zeer uiteenlopende stukken bevatten. Bovendien leverde de consultatie van enkele artikels nog nuttige gegevens op. Op die manier was ik in staat voor twintig schepenen de naam van hun vader te weten te komen. Moeilijker was het om de mogelijke magistraatsfuncties van deze vaders terug te vinden. Aangezien deze mogelijk politiek actief waren voor 1621, dus voor de onderzoeksperiode, was dit niet evident.

 

Vervolgens moesten de zonen van de schepenen onder de loep genomen worden. Hun namen vond ik in de bovenvermelde bronnen, namelijk de parochieregisters die de geboorten optekenen, Kohieren van scheydinge en deylinge, de Notariële akten, Familie-archieven en enkele artikels. Wanneer ik de namen van de zonen had, moest ik nog zien uit te vissen of zij in de magistraat gezeteld hadden of niet. Hiervoor bleek het werk van Huygaerts een welkome hulpbron.[199] In dit werk zijn namelijk lijsten opgenomen van de samenstelling van de Turnhoutse stadsmagistraat van 1653 tot 1789. Voor de schepenfuncties van de onderzochte schepenen verkoos ik dit werk evenwel niet te gebruiken. Voor het grootse gedeelte van de onderzochte periode moesten namelijk de originele archiefbronnen gebruikt worden en ik verkoos om dit te blijven doen voor de overige jaren, ondanks weet te hebben van werk van Huygaerts. Op die manier kon ik de gegevens in de lijsten van Huygaerts verifiëren aan de hand van de door mij opgezochte gegevens in de archiefbronnen. Aangezien de zonen van de onderzochte schepenen mogelijk functies in het stadsbestuur hebben uitgeoefend buiten de onderzochte periode, vertrouwde ik in dit verband op het werk van Huygaerts. Op die manier kon ik nagaan of er sprake was van opvolging van de door mij onderzochte schepenen in het Turnhoutse stadsbestuur.

 

Zoals gezegd was het niet evident om de mogelijke magistraatsfuncties van de vaders van de schepenen terug te vinden. De functies bekleed voor 1621 vallen namelijk buiten het bestek van dit werk.[200] Wel kon ik vaststellen dat er tijdens de onderzochte periode van het ambtsjaar 1621-1622 tot en met 1675-1676 drie gevallen waren waarbij ik kon vaststellen dat enkele jaren na het laatste ambtsjaar in de stadsmagistraat van de vader, zijn zoon zijn plaats kwam opvullen. Het natrekken van de zonen van de onderzochte schepenen bleek makkelijker. Zo vond ik negen zonen, die in hun vaders voetstappen volgden en in de stedelijke politiek stapten Zo waren er Dierck Mallants en zijn zoon Christiaen[201], Christiaen Mallants en zijn zoon Balthazar[202], Jan Metten en zijn zoon Willem[203], Franchois Nuyens en zijn zoon Jan Franssoon[204], Jan Schrijvers en zijn zoon Jacobus[205], Wouter Hoevenaers en zijn zoon Symon[206], Sijmon Vueghs en zijn zonen Hendrick en Melchior[207].[208] Aan de hand van enkele hieronder beschreven casussen schets ik het beeld van enkele van deze vaders en zonen

 

Dierck Mallants bezette in het ambtsjaar 1645-1646 na een uitzonderlijk lange carrière in de stadsmagistraat, voor de laatste maal het magistraatskussen. Hij diende drie jaar als gezworene en werd wel dertig maal verkozen tot schepen. Daarnaast was hij ook nog verscheidene malen ontvanger-generaal. Zijn zoon, Christiaen Mallants, verscheen reeds twee jaar later, in het ambtsjaar 1647-1648, voor het eerst in de Turnhoutse stadsmagistraat. In navolging van zijn vader bouwde hij een lange loopbaan uit in het stadsbestuur. Zo maakte hij zesentwintig jaar onafgebroken deel uit van de magistraat, waaronder vierentwintig als schepen en twee als gezworene. Vijf jaar na het ‘pensioen’ van Christiaen Mallants, zien we weer een telg uit deze familie in de magistraat van de stad en vrijheid Turnhout. De zoon van Christiaen, Baltazar Mallants, zet de traditie verder en zetelde in het college der schepenen vanaf het jaar 1678-1679 tot en met het jaar 1686-1687, waarna hij in het ambtsjaar 1687-1688 nog korte tijd diende als gezworene[209], tot zijn dood op twee februari 1688.[210] Hieruit kunnen we besluiten dat gedurende minstens achtenzestig jaar van de 17de eeuw de familie Mallants één van de grote politieke spelers was in de Turnhoutse stadsmagistraat.

 

Eenzelfde beeld kunnen we schetsen van de familie Metten uit Oud-Turnhout/Oosthoven. Jan Metten werd voor het eerst verkozen tot buitenschepen in het ambtsjaar 1613-1614. In die hoedanigheid bleef hij zevenentwintig jaar lid van de Turnhoutse stadsmagistraat, met uitzondering van het jaar 1623-1624, waar hij niet verkozen werd, maar wel lid bleef van de magistraat als gezworene. Drie jaar na zijn dood werd de familie Metten reeds opnieuw vertegenwoordigd in het Turnhoutse stadsbestuur door zijn zoon Willem Metten. Deze zetelde onafgebroken in de magistraat van 1643 tot het ambtsjaar 1666-1667, waarin hij stierf op vier oktober 1666.[211] Op dit punt raakte ik het spoor van de familie Metten in de stadsmagistraat van de stad en vrijheid Turnhout even bijster. Directe opvolging vond ik namelijk niet terug. Het werk van Huygaerts bood hier enige hulp. In het ambtsjaar 1711-1712 (en waarschijnlijk opnieuw in het ambtsjaar 1717-1718) zien we namelijk een zekere Jan Metten Andriessone zetelen als gezworene.[212] Deze Jan Metten is de zoon van Andries Metten, de zoon van Willem Metten.[213] Verder komen we in de drie volgende ambtsjaren nog twee personen tegen die de naam Metten droegen, respectievelijk Adriaen Metten, gezworene in 1712-1713, en Willem Metten, gezworene in de jaren 1713-1714 en 1714-1715. [214] Of het hier om kleinkinderen gaat van Willem Metten is niet met zekerheid te zeggen. Wel kunnen we hier weer spreken van een soort ‘erfelijkheid’ van een magistraatszetel. Door deze ‘overerving’ zetelde de familie Metten, in de personen van Jan en Willem Metten praktisch onafgebroken in de Turnhoutse stadsmagistraat van 1613 tot 1667.

 

Het ‘overerven’ van een functie als schepen of gezworene blijft niet beperkt tot de elite-schepenen. Ook minder belangrijke figuren en families passen in dit plaatje.

Zo was Franchois Nuyens schepen tussen 1631 en 1633 en het volgende jaar 1633-1634 was hij gezworene. Zo’n veertig jaar later zien we zijn zoon zetelen als schepen in de ambtsjaren 1672-1673 en 1673-1674 en het daaropvolgende jaar nog eens als gezworene. Ook hier zien we dat zowel vader als zoon in de stadsmagistraat een rol gespeeld hebben.

 

We kunnen dat ‘overerven’ echter niet veralgemenen. Het is geen algemene regel dat een schepen door minstens één zoon opgevolgd wordt in het stadsbestuur van de stad en vrijheid Turnhout. Het is louter een mogelijkheid, geen waarschijnlijkheid. Wel kunnen we stellen dat op die manier van ‘overerven’ bepaalde families gedurende lange tijd schepenposten bezetten en zo veel invloed konden uitoefenen op het stedelijk bestuur van Turnhout. Er waren nog andere manieren waarop schepen-families hun macht en aanzien konden behouden en uitbreiden. Een daarvan was het huwelijk. Dit wordt besproken in de volgende paragraaf.

 

4.3.3.2. Huwelijkspolitiek in het kader van machtsverwerving en machtsbestendiging

 

In het vorige gedeelte werd duidelijk dat het schepenambt vaak ‘overgeërfd’ wordt van vader op zoon en dat zo een familie voor vele jaren deel kan uitmaken van de schepenbank. Op die manier wordt voor een zekere mate van continuïteit gezorgd in het bestuur en konden bepaalde families een groot gedeelte van de macht voor zich monopoliseren. Maar hier stopt het niet. Als we de huwelijkspolitiek van verschillende schepenfamilies bekijken, komen we tot de vaststelling dat macht en aanzien hier een grote rol in speelden.

Hier wil ik enkele vormen van huwelijkspolitiek belichten, die voorkwamen bij de Turnhoutse schepenen in de door mij onderzochte periode, waarna ik in het volgende deelthe wat dieper wil ingaan op twee families die door middel van huwelijken een heel netwerk opbouwden.

Vaak smeedden twee families een band door middel van het huwelijk. Zo huwde Christiaen Mallants op dertien november 1640 Maria Geertmans.[215] Deze was de dochter van Marcus Geertmans, die borgemeester was geweest en Jenneke van Meurs, de zus van oud-schepen Rochus van Meurs.[216] Op die manier ontstond er een soort band tussen drie belangrijke families te Turnhout. Tevens leidde dit tot ingewikkelde verwantschappen binnen de Turnhoutse schepenbank zelf. Zo waren de schoonouders van schepen Christiaen Mallants, met name Marcus Geertmans en Jenneke van Meurs, tegelijkertijd de oom en tante van schepen Matthijs van Meurs.[217] Zulke verwantschap vormde schijnbaar helemaal geen probleem voor het uitoefenen van een schepenfunctie, aangezien deze twee schepenen gedurende zeer lange tijd samen in de magistraat zetelden.

 

Een sprekend voorbeeld van zulke band, die gesmeed werd tussen verschillende schepenfamilies, is het geval van de huwelijken van Anthonie Aerts en Hendrick Papenbroecx. Het gaat hier namelijk over een ‘dubbelhuwelijk’. Anthonie Aerts, die vier jaar schepen was en ook nog een jaar gezworene, trouwde op tien januari 1616 met Anna Papenbroecx, de zus van Hendrick Papenbroecx.[218] Deze Hendrick Papenbroecx, die één jaar als schepen en nog eens twee jaren als gezworene in het stadsbestuur zat, huwde diezelfde dag, de tiende januari, met Anna Aerts, de zus van de bovenvermelde Anthonie Aerts.[219] In dit geval huwden twee schepenen op dezelfde dag met mekaars zus. Dit is te toevallig om niet afgesproken te zijn. Het gaat naar alle waarschijnlijkheid om een zorgvuldig uitgekiende datum en strategie om het verbond tussen de familie Aerts en de familie Papenbroecx kracht bij te zetten.

 

Het zijn niet enkel de schepenen zelf die strategische huwelijken aangingen en op die manier de banden tussen families aanhaalden. Ook de huwelijken van hun kinderen droegen hier sporen van. Het voorbeeld bij uitstek hier is het huwelijk van Baltazar Mallants en Anna Empssens.[220] Baltazar Mallants was de zoon van Christiaen Mallants. Deze was met zijn vierentwintig jaar lange schepencarrière van 1647 tot 1671 een van de politieke zwaargewichten uit de Turnhoutse stedelijke politiek in de tweede helft van de 17de eeuw. Anna Empssens was dan weer de dochter van Mattheeuws Empssens en Anna Aerts.[221] Haar vader Mattheeuws was ook een van de politieke topfiguren binnen het stedelijke Turnhout van de tweede helft van de 17de eeuw. Hij bekleedde een schepenfunctie van 1644 tot 1669. Door het huwelijk van Balthazar en Anna werden twee van de machtigste en belangrijkste schepenfamilies van de 17de eeuw verenigd.

 

Deze voorbeelden van ‘strategische huwelijken’ kwamen geregeld voor bij de Turnhoutse schepenen van de 17de eeuw. Toch zou het incorrect zijn om te beweren dat enkel zulke verbintenissen voorkwamen. Vanzelfsprekend kwamen huwelijken buiten de ‘schepenkring’ tevens voor. Uit wat voor familie deze kwamen, kan ik niet zeggen; dat valt buiten het bestek van dit onderzoek. Het is dus mogelijk dat het gaat om dochters van schepenen van naburige dorpen, maar evengoed kan het gaan om de dochter van een keuterboertje uit Veedijck Dit valt met het huidig gevoerd onderzoek niet uit te maken, hoewel deze laatste mogelijkheid mij toch enigszins vergezocht en onrealistische lijkt.

 

4.3.3.3. De schepenfamilies van Meurs en Mallants en hun huwelijksstrategie

 

In deze casus wordt de verwevenheid van enkele schepenfamilies onderzocht. De familie Mallants en de familie van Meurs vormen de belangrijkste in dit opzicht. Hiervoor maak ik in de eerste plaats gebruik van de artikels over beide families in het tijdschrift Taxandria.[222] Tevens steun ik op de bevindingen van mijn eigen archiefonderzoek in het Stadsarchief van Turnhout.

 

Beide families zijn in het begin van de onderzoeksperiode, 1621, nog betrekkelijk nieuw in de stad en vrijheid Turnhout. Zo dook de familie van Meurs pas in de tweede helft van de 16de eeuw op te Turnhout, met onder andere de huwelijken van Jan van Meurs en Mattheus van Meurs, met respectievelijk Elisabeth Walschaerts op zesentwintig februari 1585 en Hadewigis Mercx op achtentwintig november 1584. Deze laatsten Matheus van Meurs en Hadewigis Merx waren de stamvader en –moeder van de latere schepenfamilie.[223]

Wat de familie Mallants betreft, kunnen we stellen dat deze nog later ten tonele verscheen in Turnhout. Met Dierck Mallants, getrouwd met Sara van Brecht, traden ze wel meteen op de voorgrond, wanneer hij op vierentwintig juni 1621 benoemd werd tot Collecteur-generaal van de belastingen te Turnhout.[224]

 

We kunnen niet stellen dat deze twee families rechtstreeks met elkaar verbonden zijn, maar aangezien ze dezelfde huwelijksstrategie volgden, kwamen ze uiteindelijk onherroepelijk bij dezelfde personen uit.

Vervolgens wil ik hier eerst de huwelijken van de schepenfamilie van Meurs bespreken. Daarna onderzoek ik deze van de familie Mallants, om later de raakpunten tussen deze twee families even toe te lichten. Tenslotte zou ik de invloed van deze huwelijkspolitiek op de machtsverdeling binnen de stad en vrijheid Turnhout even van naderbij willen bekijken.

 

De familie van Meurs is naar alle waarschijnlijkheid afkomstig uit Noord-Nederland. Wanneer zij in Turnhout arriveerden, moet zij reeds enig aanzien genoten hebben, aangezien ze meteen opgenomen werd in één van de belangrijkste families van de stad.

Zoals hierboven vermeld, trouwt Jan van Meurs namelijk met Elisabeth Walschaerts, die familie was van Quirijn Walschaerts, secretaris van de stad in 1595.[225] Wat de familiale band tussen Jan van Meurs en de stamvader van de hier onderzochte schepenfamilie Mathijs van Meurs was, kan niet met zekerheid gezegd worden.

Matheus van Meurs had samen met zijn vrouw Hadewigis Mercx zes kinderen. Eén ervan, Jan van Meurs, bleef jongman. Hij was koopman en was een vermogend man, hetgeen blijkt uit zijn vreemd testament. Drie van hun kinderen, twee dochters en een zoon, trouwden met leden van de familie Diels. Rochus van Meurs trouwde met Helwigis Diels en Maeyken van Meurs huwde Jan Diels. Heyltien van Meurs trouwde met Hendrick Diels, die ongeveer zeven jaar na hun huwelijk een eerste maal tot schepen werd gekozen.[226]

Deze Hendrick Diels zat in het totaal vier jaar in het Turnhoutse stadsbestuur, twee jaar als schepen en vervolgens nog eens twee jaar als gezworene. Tevens was hij minstens een maal bedezetter, namelijk voor de jaren 1639-1641. Bovendien was vanaf1647 tot zijn overlijden omstreeks eenentwintig december 1649 ook nog eens borgemeester van de stad.[227] Deze familie Diels had in elk geval enig belang in de stad, dat kan hieruit blijken.

Tevens zien we dat een zoon van Jan Diels en Maeyken van Meurs, namelijk Guilliam Diels, in de tweede helft van de 17de eeuw tot zes maal toe in het stadsbestuur zetelde, drie jaar als schepen en drie jaar als gezworene.[228] Tevens was dit kleinkind van Matheus van Meurs en zoon van Jan Diels rentmeester van het kapittel[229] en was hij deken van de Lakengilde van 1683 tot 1694[230].

Niet enkel de aangetrouwde familieleden bekleedden belangrijke functies in het Turnhoutse politieke leven. Zo was de reeds vernoemde Rochus van Meurs borgemeester van 1637 tot en met het jaar 1641[231], bekleedde hij de post van Heilige-Geestmeester, mogelijk van 1626 tot en met 1627[232] en was hij schepen en gezworene[233]. Zijn broer Sebastiaen van Meurs was borgemeester[234] en Heilige-Geestmeester, respectievelijk van 1659 tot 1661 en 1644 tot 1646[235]. Ook hij had een plaats in het stadsbestuur, maar werd nooit gekozen als schepen. Hij zetelde wel als gezworene minstens vanaf 1650 tot 1659 en later nog eenmaal in het ambtsjaar 1663-1664 tot aan zijn dood op zesentwintig juni 1663.[236] Hij kon dus gelden als één van de grote politieke spelers op het stedelijk vlak te Turnhout en hij huwde bovendien iemand uit een aanzienlijke familie. Op tweeëntwintig oktober 1627 huwde hij met Anna Empssens[237], een familielid van schepen en borgemeester Mattheeuws Empssens en van notaris Hubertus Empssens (notaris van 1658 tot 1702)[238]. Als laatste van de zes kinderen van Matheus van Meurs en Hadewigis Mercx is er tenslotte nog Jenneken van Meurs die trouwde met Marcus Geertmans. Ook zij huwde zich dus in in een belangrijke familie; Marcus Geertmans diende namelijk een tijd als borgemeester.[239]

Het belangrijkste lid van de familie van Meurs uit de volgende generatie is ongetwijfeld Matthijs van Meurs, zoon van borgemeester Rochus van Meurs en Heylwigis Diels. Hij maakte gedurende zijn leven vierentwintig jaar lang onafgebroken deel uit van het Turnhoutse stadsbestuur, tweeëntwintig jaar lang als schepen en nog eens twee als gezworene. Tevens was hij in het werkjaar 1667-1668 collecteur en op het einde van zijn politieke loopbaan diende hij van het jaar 1669 tot 1671 als borgemeester.[240] Hij trouwde niet met zomaar de eerste de beste. Op zes januari 1641 trouwde hij op drieëntwintigjarige leeftijd met Gudula vande Plas.[241] Zij was de dochter van brouwer, gezworene, schepen en borgemeester Anthonis vande Plas en Alith van Couwegom.[242] Een andere belangrijke politieke speler uit de van Meurs-clan was de reeds vernoemde Guilliam Diels.

Uit het voornoemde huwelijk tussen Matthijs van Meurs en Gudula vande Plas kwamen zeven kinderen voort, vijf zonen en twee dochters. Hun oudste zoon, Jan Baptiste van Meurs huwde Ida Belmans en schopte het zelfs tot hoofdschout van het Land van Turnhout.[243] In deze vierde generatie kunnen naast Jan Baptiste de hoofdschout, nog twee belangrijke personen gevonden worden onder de achterkleinkinderen van Matthijs van Meurs en Hadewich Mercx.

Een van hen was Jan Batiste van Meurs Sebastianessone. Deze was schepen van 1684 tot 1707 en klom in die periode zelfs op tot schepen-president. Verder was hij van 1707 tot 1709 actief als gezworene.[244]

Ook de kleinzoon van Heyltien van Meurs en schepen Hendrick Diels, Henri Robert werd meerder malen verkozen tot schepen en dit in de jaren 1696-1705 en 1706-1708 en verder zetelde als gezworene in de jaren 1705-1706 en 1708-1710.[245]

Verder was er ook nog Jan Baptiste Robert die schepen was van 1710 tot 1715 en het volgende jaar tevens nog gezworene was.[246]

 

Uit deze korte genealogisch-politieke familiegeschiedenis blijkt reeds duidelijk dat de familie van Meurs, die zeker macht en aanzien genoot in de stad en vrijheid Turnhout, zich meestal liëerde aan andere politiek machtige families. Op deze manier werd een selecte groep gevormd, waarbinnen gehuwd werd. Deze bevinding zal vervolgens nogmaals getoets worden op de casus van de familie Mallants.

 

Zoals hierboven reeds gezegd kwam de familie Mallants in de stad en vrijheid Turnhout met het koppel Dierck Mallants en Sara van Brecht. Aangezien we in de huwelijksregister geen huwelijksdatum van dit koppel terugvinden, moet ik er vanuitgaan dat zij reeds in het huwelijksbootje gestapt waren, vooraleer ze te Turnhout aankwamen. Met stamvader Dierck Mallants begint meteen het politiek belang van de familie Mallants in de stad en vrijheid Turnhout. De familie genoot dus reeds enig aanzien bij aankomst in de stad. Dierck Mallants werd op vierentwintig juni 1621 benoemd tot collecteur-generaal van de beden. Deze functie bleef hij vervullen tot 1624 en vervolgens nog eens van 1631 tot 1633.[247] Verder was hij gedurende drieëndertig jaar onafgebroken lid van het stadsbestuur, dertig jaar als schepen en nog eens drie jaar als gezworene. Dierck en Sara hadden acht kinderen, zes zonen en twee dochters.[248]

Eén van hun zoons, Petrus Mallants wordt pastoor te Sint-Lievens Houtem[249] en één van hun dochters, Cecilia Mallants, werd begijntje en werd later gepromoveerd tot meesteres van het begijnhof te Turnhout[250]. Zij vormden natuurlijk geen onderdeel van de huwelijkspolitiek van de familie Mallants, maar toch kunnen deze twee religieuze functies, pastoor en meesteres van het begijnhof, gezien worden als een manier om ook op een ander dan het politieke vlak hun stempel te drukken en enige vorm van macht te verwerven.

Verder zijn er nog Theodorus of Dierck Mallants en Petrus Mallants, waarvan we geen aanduidingen van terugvonden dat zij ooit getrouwd geweest zouden zijn. Deze gingen dus waarschijnlijk ongetrouwd door het leven. Ook zij namen met andere woorden geen deel aan de huwelijkspolitiek van de familie. Dit kan niet gezegd worden van Jan en Maria Mallants. Beiden trouwden zij namelijk met een telg uit de familie Cleymans.

Deze familie Cleymans stond in zeker aanzien in Turnhout.

Zo was Ghysbrecht Cleymans substituut van secretaris Guilliam Proost van 1618 tot 1626[251], waarna hij van 1629 tot 1633 samen met A. W. van Alphen het ambt van rentmeester waarnam[252] en het daaropvolgende jaar verkozen werd als schepen van de stad en vrijheid Turnhout[253]. Tevens was deze Ghysbrecht Cleymans gedurende zijn leven Collecteur van zijne Majesteits Licenten ten Platte Landen.[254]

Ook Cornelis Cleymans, schepen van 1655 tot 1659, is een exponent van deze belangrijke Turnhoutse familie.[255] Het is dus in deze familie met aanzien dat de familie Mallants zich verbonden door middel van het huwelijk van Jan Mallants met Elisabeth Cleymans en door middel van het huwelijk van zijn zuster Maria met Petrus Cleymans.[256]

 

Deze Petrus Cleymans zetelde in het stadsbestuur van de stad eerst als gezworene voor de jaren 1660-1662[257] en vervolgens als schepen voor de jaren 1676-1682, waarbij zelfs opklom tot schepen-president, waarna hij nog twee jaar gezworene was.[258] Jan Mallants op zijn beurt was heer in Beerse.[259]

Ook de oudste en de jongste broers van Jan en Maria, respectievelijk Ewaldus en Christiaen Mallants, droegen hun steentje bij tot de familiale huwelijkspolitiek. Beiden huwden namelijk iemand uit de familie Geertmans. Ewaldus stapte in het huwelijk met Helena Geertmans[260] en Christiaen trouwde met Maria Geertmans.[261] Deze twee vrouwen waren naar alle waarschijnlijkheid dochters van Marcus Geertmans en Joanna van Meurs.[262] Zoals hierboven reeds aangehaald is deze Marcus Geertmans borgemeester van de stad en vrijheid Turnhout geweest.

De belangrijkste persoon van de familie Mallants in de volgende genaratie was Christiaen Mallants, die getrouwd was met Maria Geertmans. Hij was schepen van de stad voor vierentwintig opeenvolgende jaren van 1647 tot 1671 en bleef de daaropvolgende twee jaar in het stadsbestuur als gezworene. Tevens was hij in 1650 collecteur-generaal van de beden[263] en voor het jaar 1676 aalmoezenier van de stad[264]. Door zijn lange politieke loopbaan kon hij een grote stempel drukken op het bestuur van de stad en vrijheid. Als koopman van laken[265] vervulde hij bovendien enkele bestuursfuncties binnen de Lakengilde. Hij was laeth voor de jaren 1675-1680 en 1683-1685.[266]

Samen met Maria Geertmans had hij acht kinderen, vijf zonen en drie dochters. Wel vijf van zijn kinderen werden geestelijken. Zo werden hun dochters Sara en Joanna Catharina beide begijn. Hun zonen Petrus en Cornelius werden Minderbroeder te Turnhout en Mathias Mallants tenslotte trok naar Corsendonck, waar hij intrad als Augustijner monnik en daar van 1670 tot 1678 procurator was.

Vervolgens was er Theodurus Mallants, waar ik geen enkele aanduiding van een mogelijk huwelijk van vind, zodat ik er vanuit ga dat hij niet voor een nageslacht gezorgd heeft.[267]

Om de familiale huwelijkspolitiek verder te zetten bleven er dus nog twee kinderen over, met name Balthasar en Maria Ida.

Balthasar Mallants was schepen van Turnhout vanaf het ambtsjaar 1678-1679 tot en met het ambtsjaar 1686-1687.[268] Hij huwde naar zijn stand en met zijn huwelijk met Anna Empssens ontstond er een band tussen de famlie Mallants en de familie Empssens.[269] Anna Empssens was de dochter van Matheeuws Empssens en Anna Aerts.[270]

Mattheeuws Empssens, de vader van Anna dus, was schepen voor vijfentwintig opelkaarvolgende ambtsjaren, van 1644 tot 1669. Voordien was hij tevens een jaar gezworene en nadien twee jaar. Borgemeester was hij ookgeweest, meer bepaald van 1671 tot en met 1673.[271] Hij was in zijn tijd een politiek zwaargewicht te Turnhout. Net zoals Christiaen Mallants, de vader van Balthasar trouwens. Gedurende praktisch hun hele schepencarrière zaten zij namelijk samen in het college der schepenen. Met het huwelijk van Balthasar en Anna Empssens werd dus een verbond gesloten tussen twee op dat moment enorm politiek machtige families.

Ook Maria Ida Mallants, de zus van Balthasar, huwde een goede partij. Zij trouwde namelijk Henrick Robert. Deze zetelde veertien jaar in het Turnhoutse stadsbestuur tussen 1696 en 1710; elf jaar als gekozen schepen en drie jaar als gezworene.[272]

 

Hieruit kan blijken dat net zoals de familie van Meurs, de leden van de falime Mallants niet zomaar met gelijk wie trouwden. We kunnen zelfs spreken van een soort van ‘huwelijksstrategie’. Deze twee casussen zijn sprekende illustraties dat steeds personen uit diezelfde groep van families gekozen werden als huwelijkspartner. Bij de grote schepenfamilies worden de huwelijkskandidaten zeer vaak geselecteerd uit andere families met aanzien. Dat er op die manier een selecte groep ontstaat, waar het moeilijk is om ‘binnen te geraken’, wordt verder verduidelijkt in de volgende paragraaf.

 

4.3.3.4. De schepenfamilies van de stad en vrijheid Turnhout: een oligarchie?

 

De twee hierboven casussen van de familie van Meurs enerzijds en de familie Mallants anderzijds, schetsen een eerste beeld van hoe schepenfamilies huwelijken gebruiken om allianties en banden aan te gaan met andere (schepen)families. Hier zou ik dit gegeven graag nog even verder uitdiepen om zo tot een antwoord te komen op de vraag of we kunnen stellen dat de stad en vrijheid Turnhout bestuurd werd door een oligargisch stadsbestuur of niet. Hiervoor wil ik vertrekkende van de twee voorgaande gevalsstudies de verwantschapsstructuren binnen het Turnhoutse stadsbestuur aan een verder onderzoek onderwerpen.

 

Wanneer we de twee bovenstaande casussen goed analyseren, komen we tot de constatatie, dat de familie van Meurs en de familie Mallants in enige mate verwant zijn, niet rechtstreeks, maar eerder via een omweg. Zo huwen twee zonen van Dierck Mallants met twee dochters van Marcus Geertmans en Jenneken van Meurs. Dit komt er in principe op neer dat onder meer Christiaen Mallants een nicht van Matthijs van Meurs en Guilliam Diels en een nichtje van Hendrick Diels huwde.[273]

Een andere link tussen de twee hierboven onderzochte families kan gemaakt worden via de familie Empssens. Zo trouwde Sebastiaen van Meurs met Anna Empssens, die familie was van Mattheeuws Empssens.[274] De zoon van een nichtje van Sebastiaen van Meurs, Balthasar Mallants (de zoon van Maria Geertmans en Christiaen Mallants) huwde tevens een telg uit de familie Empssens, met name Anna Empssens Mattheeuws dochter.[275] Via huwelijken met de familie Empssens waren de families Mallants en van Meurs dus ook met elkaar verwant.

Uit voorgaande verwantschap van de families van Meurs en Mallants bleek dat de families Diels en Empssens hiermee verbonden waren. De verbondenheid tussen de familie Diels en de familie Mallants werd trouwens nog versterkt door het huwelijk tussen Maria Ida Mallants en Hendrick Robert, aangezien deze laatste een zoon is van Peeter Robert en Heylwigis Diels en daarmee een kleinzoon van Hendrick Diels.[276] Hiermee houdt het echter niet op.

 

Matthijs van Meurs was gehuwd met Gudula vande Plas. Hiermee werd de familie van de Plas (met haar vader Anthonis vande Plas, tevens schepen) ook in deze ‘familie-gemeenschap’ betrokken. Door de boven reeds aangetoonde verwantschap met de familie Empssens, in de vorm van Mattheeuws Empssens, werd de familie Aerts hierbij betrokken. Mattheeuws Empssens was namelijk getrouwd met Maria Aerts. Zij was een dochter van Anthonie Aerts (ook schepen) en Anna Papenbroecx. Wat impliceerde dat de familie Papenbroecx hieraan geliëerd was. Eens te meer aangezien dat Hendrick Papenbroecx (ook schepen), de broer van Anna Papenbroecx, gehuwd was met de zus van Anthonie Aerts, Anna Aerts, waar boven reeds naar verwezen werd. Ook de familie Cleymans (met de schepenen Ghysbrecht en Cornelis) mag in dit verband niet vergeten worden. Zij stonden met dit alles in verband door een dubbel huwelijk tussen hun familie en de familie Mallants, zoals hoger reeds verduidelijkt werd.

 

Deze grote constellatie is niet het enige resultaat van een uitgekiende huwelijksstrategie, die terug te vinden is in het Turnhoutse stadsbestuur. Zo kunnen we tussen het kluwen van huwelijken nog een tweede betrekkelijk grote 'familiestructuur' ontwaren. Deze draait rond de de familie Dergendt.

Hoewel deze familie gedurende de onderzoeksperiode geen schepenen heeft geleverd, zal zij toch enige aanzien gehad hebben. Zo hadden ze zeker en vast een zeker hoeveelheid grond in hun bezit.[277] Frederick Dergendt was getrouwd met Maria Janssen van Ghysel en hadden een aantal kinderen. Drie (waarschijnlijke) dochters van hem, Maria, Elisabeth en Getrudis, waren alledrie gehuwd met een schepen, respectievelijk met Anthonie Cornelissen[278], Wouter Hoevenaers[279] en Jan van Thienen[280]. Na de dood van Frederick Dergendt hetrouwde zijn vrouw met schepen Jaeques van Looven.[281] Een dochter van Getrudis Dergendt en Jan van Thienen, Anna-Maria van Thienen[282] trouwde op haar beurt met schepen Jan Nuyens Franssone[283], dewelke een zoon was van schepen Franchois Nuyens.[284] Een ander familielid van Jan van Thienen, Maria van Thienen, mogelijk een andere dochter, huwde met Lodewijck Goyvaerts die gedurende één jaar tevens schepen was.[285]

 

Wanneer we de eerste grote ‘familie-structuur’ rond de families van Meurs en Mallants bekijken, zien we dat hierin twaalf schepenen samengebracht werden, die minstens één schepenambt bekleedden gedurende de onderzochte periode. Het betreft hier personen uit acht verschillende families, met name Dierck en Christiaen uit de familie Mallants, Hendrick en Guilliam uit de familie Diels, Anthonis en Jan uit de familie vande Plas, Ghysbrecht en Cornelis uit de familie Cleymans, uit de familie van Meurs Matthijs van Meurs, Anthonie uit de familie Aerts, uit de familie Papenbroecx Hendrick Papenbroecx en Matheeuws Empssens uit de familie Empssens.

De tweede ‘familie-structuur’ die hier aan bod komt, is deze opgebouwd rond de kinderen van Frederick Dergendt. Deze herbergt zes schepenfamilies, wat goed is voor zeven schepenen. We spreken hier over Franchois Nuyens en Jan Nuyens Franssone uit de familie Nuyens, Lodewijck Goyvaerts, Jan van Thienen, Wouter Hoevenaers, Anthonie Cornelissen en Jaeques van Looven.

 

Deze twee ‘familie-structuren’ herbergen negentien van de zestig gekozen schepenen tussen 1621 tot 1676. Bijna één op drie verkozen schepenen was dus een telg uit één van deze twee ‘familie-constellaties’. Wanneer we gaan kijken naar het aantal schepenposten, dat deze twee structuren wisten weg te kapen, zien we dat zij gedurende de onderzochte periode goed waren voor veertig percent van het totaal aantal schepenfuncties, wat neerkomt op 158 van de 384 onderzochte schepenposten.[286] Dit getal stemt tot nadenken en duidt er sterk op dat slechts een beperkte groep echt toegang had tot de macht en dat deze toegang beperkt kon worden door ‘slimme’ huwelijken aan te gaan.

 

Tabel 18: Overzicht van de schepenambten bekleed door schepenen uit de ‘familie-structuur Mallants-van Meurs’ en uit de familie-structuur rond de dochters van Frederick Dergendt

standaardnaam

aantal schepenambten in de periode 1621-1676

totaal aantal jaren
in het stadsbestuur

EMPSSENS Mattheeuws

25

28

MALLANS Christiaen

24

26

MALLANTS Dierck

24

33

MEURS Matthijs van

22

24

CLEYMANS Cornelis

4

4

AERTS Anthoni

3

5

DIELS Guilliam

3

6

DIELS Hendrik

2

4

PLAS Anthonis van

2

6

CLEYMANS Ghysbrecht

1

1

PAPENBROEX Hendrick

1

3

PLAS Jan van de

1

1

LOOVEN Jacques van

28

37

HOEVENAERS Wouter

3

16

CORNELISSEN Anthoni

6

14

THIENEN Jan van

3

4

NUYENS Jan (Franssoon)

2

3

NUYENS Franchois

2

3

GOYVAERTS Lodewijck

1

2

totaal aantal schepenambten binnen de eerste familie-structuur

112

 

totaal aantal schepenambten binnen de tweede familie-structuur

45

 

totaal aantal schepenambten binnen de twee familie-structuren samen

157

 

 

Wel valt een sterk verschil op tussen deze twee ‘familie-structuren’. Dat de structuur, rond de familie van Meurs en Mallants, meer schepenosten wegkaapte dan die gecentreerd rond de kinderen van Frederick Dergendt, kan ons niet verwonderen, aangezien deze meerdere personen herbergde. Toch valt op dat de van Meurs-Mallants-structuur veel meer politieke zwaargewichten telde dan deze gevormd rond de kinderen Dergendt. De eerste structuur omvatte namelijk vier personen uit de schepen-elite, die meer dan twintig schepenmandaten uitgeoefend hadden. In de Dergendt-structuur komt slechts één zulk persoon voor.

 

We kunnen hier naar mijns inziens spreken van een huwelijkpolitiek op twee verschillende ‘niveau’s’. In de structuur van Meurs-Mallants bekleedden de opgenomen schepenen gemiddeld meer dan negen (9,4) schepenfuncties, terwijl deze in de tweede structuur ‘slechts’ gemiddeld 6,4 keer gekozen werden. Dit laatste cijfer wordt dan nog eens heel sterk naar boven getrokken door de aanwezigheid van Mattheeuws Empssens, die met zijn zesentwintig schepenposten op zijn eentje voor zorgt dat het gemiddelde van de leden van de structuur opgetrokken wordt van nog geen drie tot meer dan zes. Hieruit blijkt nogmaals duidelijk dat het gaat om twee structuren, gevormd door een huwelijkspolitiek, die zich op twee verschillende ‘niveau’s’ afspeelde.

 

Wel moet ik hieruit concluderen dat een uitgekiende huwelijksstrategie een goed en veel gebruikt middel was om aan aanzien en macht te winnen of om deze te behouden. Tevens werd op deze manier de groep van potentiële kandidaten voor een schepenfunctie beperkt, zodat de groep van politiek machtigen eveneens beperkt werd. De schepenfamilies, die aan de macht waren, probeerden deze macht te consolideren. Toch konden nieuwkomers soms doorstromen tot op de hooste stedelijke politieke echelons. Dit bewijs het grote politieke belang dat de nieuwe families van Meurs en Mallants in korte tijd wisten op te bouwen. Ook hierin speelde een politiek van ‘slimme’ huwelijken een grote rol. Door allianties met belangrijke families zaten zij al snel gebeiteld in een machtspositie. Nieuwkomers kwamen dus wel voor. Wat de voorwaarden waren om opgenomen te worden in de selecte groep van machtige families, kan hier niet met zekerheid gezegd worden. Toch denk ik hier in de eerste plaats aan rijkdom.

Dit is tevens de mening van Ch. R. Friedrichs als hij in zijn werk Urban Politics in Early Modern Europe zegt: “For in fact city councils could only maintain their authority by constantly admitting ‘new men’ to their ranks … but who themselves had achieved the wealth and social standing appropriate for members of the city council.”[287] Dit economisch aspect van de schepenen van de stad en vrijheid Turnhout is het onderwerp van het volgende hoofdstuk.[288]

Tenslotte kunnen we stellen dat het stadsbestuur van Turnhout in de 17de eeuw een zeker oligarchisch karakter bezat. Toch is de machtsmonopolisering door enkele individuen en families niet volledig te noemen.

Ten eerste al niet vanwege het kiessysteem, dat steeds drie volledig nieuwe personen verkiesbaar stelde. Datzelfde kiessysteem, met zijn coöptatie van de vijf laatste schepenen, zorgde er aan de andere kant tegelijkertijd voor dat deze nieuwe personen zeer weing kans maakten om ook effectief verkozen te worden.

Ten tweede werd de ‘volledigheid’ van de oligarchie beperkt door het reglement dat stelt dat er tussen schepenen een bepaalde graad van verwantsschap niet toegelaten is.[289]

En ten derde wordt door de gevallen van de families van Meurs en Mallants aangetoond dat ook nieuwelingen kunnen doorgroeien in de Turnhoutse stedelijke politiek.

Toch ben ik geneigd om het Turnhoutse stadsbestuur een oligarchisch bestuur te noemen, aangezien de nieuwe kandidaten moeten voldoen aan bepaalde eisen om in de enge machtcirkel van die enkele belangrijke families opgenomen te worden. Dat deze eisen al dan niet mogelijk van financiële en sociale aard waren, wordt zoals gezegd, onderzocht in het volgende hoofdstuk.

 

4.3.4. Conclusie en vergelijking: Turnhout en Herentals, twee oligarchiën in het Antwerpse markgraafschap[290]

 

Zoals hierboven reeds werd aangegeven en tevens reeds eerder werd bewezen aan de hand van de invulling van de onderzochte schepenfuncties en de participatie-index kunnen we wel stellen dat de stad en vrijheid Turnhout in de 17de eeuw beschouwd kan worden als een oligarchie. Enkele families trokken de macht naar zich toe en gingen onderling nauwe banden aan. Huwelijken tussen leden van deze schepenfamilies werden op een handige manier gebruikt om de banden tussen de verschillende families aan te halen en op die manier een gesloten elitegroep te creëren.

Ook in Herentals zien we dit fenomeen opduiken. Wanneer men daar over de lijsten gaat van de personen, die zetelden in het stadsbestuur van Herentals in de periode van 1600 tot 1715, ziet men ook daar verschillende familienamen meerdere malen opduiken. Waar er in Turnhout in de 17de eeuw onder andere de families Mallants, van Meurs en Metten waren, speelden in Herentals de families Coomans, Stijnen, Van Tendeloo, Van Leemputten, Janssens, Verhaegen en Van Ysendijck de eerste viool binnen het stadsbestuur. Ook zij hadden hun onderlinge banden versterkt aan de hand van slimme huwelijken. Hoewel zowel Herentals als Turnhout regels hadden, die nauwe verwantschap binnen het stadsbestuur verboden, wisten deze enkele families toch hun stempel te drukken op de stedelijke politiek en te komen tot een soort van oligarchisch bestuur.

 

 

4.4. De Turnhoutse schepenen: naast een politieke elite ook een economische elite?

 

4.4.1. Het beroep van de Turnhoutse schepenen

 

Naast hun politieke verplichtingen hadden de Turnhoutse schepenen nog andere bezigheden. Hun beroepsactiviteiten vormden namelijk nog steeds het grootste gedeelte van hun inkomen. Hier wordt onderzocht welke deze beroepsbezigheden waren. Op die manier probeer ik na te gaan of er in het college der schepenen te Turnhout een overwicht van een bepaalde beroepsgroep aanwezig was. Tevens zou het mogelijk kunnen zijn dat de uitoefening van een bepaald beroep meer kans gaf op een lange politieke carrière. Ook dit zal in dit hoofdstuk onderzocht worden.

 

4.4.1.1. Bespreking van de gebruikte bronnen

 

Om het beroep van de zestig onderzochte schepenen te achterhalen, gebruikte ik in de eerste plaats de Kohieren van het Hooftgeld. Deze kohieren zijn de neerslag van het omslagen van het Hooftgeld. Dit was een belasting, geheven door de centrale overheid, die alle inwonenden van een gezin belastte. Zo werden een gehuwde man en vrouw belast en hun zonen en dochters, maar ook inwonende ouders, broers, knechten, dienstbodes, meiden, enz. werden in rekening gebracht. Voor de hier onderzochte periode waren vier kohieren beschikbaar, namelijk deze van 1640, 1646, 1650 en 1674.[291] Om het beroep te weten te komen, bleek enkel het kohier van 1646 bruikbaar. Van dit kohier bestaan twee exemplaren, die hetzelfde vertellen wat betreft de gebeurde taxatie, maar niet wat de beroepen betreft. Ze spreken elkaar niet tegen, maar vullen elkaar eerder aan. Via dit kohier was ik reeds in staat om het beroep terug te vinden van een zeker gedeelte van de onderzochte populatie. De datering van de bron, in het midden van de onderzoeksperiode, heeft hierop een gunstige invloed gehad.

Het enige nadeel van de informatie gevonden in de Kohieren van het Hooftgeld is dat deze niet erg specifiek is. Zo is er vaak terug te vinden dat iemand winckelier was of staat er zelfs enkel het woord winckel vermeld. We weten dan wel dat de schepen in kwestie een soort van winkel moet gehad hebben en een soort van handel dreef, maar waarin komen we niet te weten. Een ander voorbeeld is het woord arbeyder. Hiermee weten we niet wat voor arbeid de persoon in kwestie verrichtte en dat is nu juist wat we hier proberen te weten te komen. Daarom vulde ik de informatie uit deze kohieren aan met informatie gevonden in allerlei andere bronnen. Sporadisch vond ik informatie met betrekking tot het beroep van de schepenen in de Kohieren van scheydinge en deylinge, in de Notarisprotocollen en in de vele familiearchieven. Deze waren veelal specifieker dan de Kohieren van het Hooftgeld. Zo vond ik daar bijvoorbeeld in plaats van winckelier het duidelijkere coopman vande laekene. Verscheidene keren werden bepaalde mensen echter samen aangeduid als coopluyden, zodat er in principe niets duidelijker wordt. De raadpleging van het archief van de Laekengulde leverde kostbare infomatie over de aard van handel, die de coopluyden dreven. Wanneer men hier lid van was, kunnen we er van uitgaan dat hetgeen de winckelier verhandelde textiel was en bijvoorbeeld geen buskruit of graan. Een laatste bron die nog enige exemplarische informatie gaf, waren de Borgemeestersrekeningen. Hierin werden de heffingen opgetekend, die sloegen op de grootte van brouwketels en op het geproduceerde bier. De personen, die op deze manier belast werden, staan te boek als brouwers.

Aan de hand van de hierboven beschreven bronnen kon ik voor vierendertig van de zestig onderzochte schepenen achterhalen welk beroep ze uitoefenden.

 

4.4.1.2. De beroepen van de Turnhoutse schepenen in het kader van de toenmalige economische situatie binnen de stad en vrijheid [292]

Een groot gedeelte van de bevolking van de stad en vrijheid Turnhout was actief in de landbouw. Het merendeel van hen woonde in een van de vele gehuchten van de vrijheid of aan de rand van de stedelijke kern van Turnhout. De geproduceerde voedingswaren waren hoofdzakelijk voor eigen gebruik of om op de Turnhoutse markt verkocht te worden. De Turnhoutse weekmarkt vond sinds 1338 plaats op de zaterdagvoormiddag.[293] Naast deze weekmarkt werd de stad en vrijheid Turnhout op achttien april 1363 door Maria van Brabant ook twee jaarmarkten toegestaan. De eerste vond plaats op zaterdag en zondag van half mei en de tweede, de cleyn jaermerct, ging door op zaterdag en zondag na Sint-Lucas Naast landbouwproducten werden op deze markten ondermeer textielproducten aan de man gebracht.

De belangrijkste exportgerichte economische sector van de stad en vrijheid Turnhout in het Ancien Régime was namelijk het textiel. In deze textielsector moet een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen enerzijds de laken- en anderzijds de tijknijverheid.

 

De lakennijverheid kende in de 17de eeuw een heroriëntering. Waar deze voordien vooral gericht was op de productie van laken, ging men in de loop van de 17de eeuw de nadruk van het handwerk verplaatsen naar de koophandel. Wanneer men van de Lakengilde sprak, opgericht op vierentwintig maart 1402, door een privilege uitgevaardigd door hertogin Joanna van Brabant, had men het meestal over het ambacht van de lakenverkopers. Door de zware concurrentiestrijd met de tijk en het linnen, was de macht van de lakenwevers in de 17de eeuw achteruitgegaan ten voordele van deze van de lakenverkopers.[294] Deze evolutie blijkt ook uit de beroepsgegevens van de onderzochte Turnhoutse schepenen. Zo staat Dierck Mallants, die schepen was gedurende de eerste helft van de 17de eeuw, bijvoorbeeld nog geboekstaafd als winkelier en lakenmaker[295], terwijl zijn zoon Christiaen Mallants en diens medeschepen Matthijs van Meurs, beiden schepenen in de tweede helft van de 17de eeuw, bekend stonden als winkeliers en koopmannen van laken[296].

De tweede grote textieltak in Turnhout was de tijknijverheid. De grondstof van tijk was vlasgaren. Vlas werd in de Kempen reeds vanaf de 15de eeuw verbouwd, maar dat was niet voldoende om de tijkproductie te ondersteunen. Er moest dus vlas ingevoerd worden. Het vlasgaren moest vooraleer het gebruikt werd, eerst nog gebleekt worden. Voor 1648 gebeurde dit bleken hoofdzakelijk in de Noordelijke Nederlanden, maar na de Vrede van Munster ontwikkelde deze nijverheidstak zich ook te Turnhout. Gedurende de eeuwen voorafgaand aan de 17de bleek deze tijknijverheid een concurrent voor de lakennijverheid. In de 17de eeuw bleef de tijknijverheid in tegenstelling tot de lakennijverheid, hoofdzakelijk gericht op de textielproductie zelf.[297] Dit wordt weerspiegeld in de beroepsgegevens van de Turnhoutse schepenen van 1621 tot 1676.

 

Tabel 18: Het beroep van de Turnhoutse schepenen van 1621 tot 1676[298]

standaardnaam

beroep

MALLANS Christiaen

koopman van laken

MEURS Matthijs van

koopman van laken

WILLEMS Augustijn

koopman van laken

LOOMANS Nicolaes

koopman van tijken

MALLANTS Dierck

lakenmaker

PAPENBROEX Hendrick

koopman van tijken

DIELS Hendrik

tijkwever

LOOMANS Jan

tijkwever

THEEUS Jan

tijkwever

VERDONCK Cornelis

tijkwever

WILS Jacques vanden heuvel

tijkwever

HOEVENAERS Wouter

kleermaker

REIJNS Laureys

kleermaker

AUGUSTIJNS Jan

koopman van wijnen

CORNELISSEN Anthoni

koopman

VISSER Willem de

koopman

VLOERS Anthonie

koopman

BEECKANT Michiel vanden

winkelier

BOECX Jan

winkelier

CLAESSEN Jacob

winkelier

WOUTERS Geeraert

winkelier

DONNEULX Adriaen

voerman

GOYVAERTS Lodewijck

voerman

WOUTERS Jan

voerman

BROUWER Jacob de

schoenmaker

WILLEMS Willem

schoenmaker

NUIJENS Jan (Sebastiaenssoon)

brouwer

PLAS Anthonis van

brouwer

THIENEN Jan van

bakker

MICHIELS Aernout

glasenmaker

BROECKHOVEN Laureijs van

molenaar

NUYENS Jan (Franssoon)

smid

LAMBRECHTS Adriaen

tapper

SCHALUYNEN Jan van

timmerman

 

Wanneer we de vierendertig schepenen bekijken waarvan we het beroep weten, zien we dat dertien van hen een beroep uitoefenden in de textielsector. Twee van hen vallen buiten de twee hierboven beschreven nijverheden; zij waren kleermaker. Van de elf overigen waren zeven onder hen actief in de tijknijverheid en vier in de lakennijverheid. Van de zeven personen uit de tijk-sector waren er vijf, met name Cornelis Verdonck, Hendrick Diels, Jan Theeus, Jan Loomans en Jaeques Wils vanden heuvel, uitsluitend actief in de productie van de tijken. Zij stonden allen bekend als tyckwevers, tyckwerckers of tyckers. De twee overige schepenen wiens beroep verband hield met de tijk-sector, Nicolaes Loomans en Hendrick Papenbroecx, stonden naast de productie van de tijken ook in voor de verkoop. Zij werden daarom zowel tycker als koopman van tijken genoemd. De schepenen uit de laken-sector waren dan weer vooral kooplieden. Enkel Dierck Mallants staat geboekstaaft als lakenmaker.[299]

 

Wat betreft de textielsector, kunnen we zeggen dat het belang van deze economische sector voor de stad en vrijheid Turnhout duidelijk gereflecteerd wordt in de samenstelling van de schepenbank. We zien dat dertien van de vierendertig schepenen (hier zijn dus de kleermakers bijgeteld) actief zijn in de textielsector.

Helemaal accuraat is dit cijfer niet, aangezien we over zeven personen niet voldoende ingelicht zijn. Van deze zeven personen weten we enkel dat ze in de bronnen vermeld staan als winckelier en/of als coopman. Met alleen deze aanduiding zijn we niet geïnformeerd over de waren waarin deze personen handelden. Dit kunnen zowel textielproducten als andere goederen zijn. Wanneer we deze zeven buiten beschouwing laten, wil dit zeggen dat dertien van de zevenentwintig schepenen, waarvan het beroep helemaal achterhaald is, actief waren in de textielsector, hetgeen praktisch de helft is.

 

Tabel 19: Schepenambten vervuld door ‘textielschepenen’

standaardnaam

aantal schepenambten

beroep

MALLANS Christiaen

24

koopman van laken

MEURS Matthijs van

22

koopman van laken

WILLEMS Augustijn

2

koopman van laken

MALLANTS Dierck

30

lakenmaker

LOOMANS Nicolaes

12

koopman van tijken

PAPENBROEX Hendrick

1

koopman van tijken

VERDONCK Cornelis

31

tijkwever

DIELS Hendrik

2

tijkwever

THEEUS Jan

2

tijkwever

LOOMANS Jan

1

tijkwever

WILS Jacques vanden heuvel

1

tijkwever

REIJNS Laureys

6

kleermaker

HOEVENAERS Wouter

3

kleermaker

totaal aantal schepenambten vervuld door 'textiel-schepenen'

137

 

procentueel aandeel van de 'textielschepenen' in het totale aantal schepenambten van 1621 tot 1676

35,7%

 

gemiddeld aantal schepenambten bij koopmannen

12,4

 

gemiddeld aantal schepenambten bij niet-koopmannen

9,4

 

gemiddeld aantal schepenambten bij 'textiel-schepenen'

10,5

 

 

Deze dertien ‘textiel-schepenen’ waren samen goed voor 137 vervulde schepenfuncties, wat neerkomt op ongeveer 36%. Dit bewijst dat deze ‘textiel-schepenen’ niet allemaal kleine visjes waren.[300]

 

De overige schepenen hadden zeer uiteenlopende beroepen. Zo waren er voermannen (3), schoenmakers (2), brouwers (2), een tapper, een timmerman, een smid, een bakker, een glazenmaker, een molenaar en nog acht winkeliers en handelaars, waaronder een wijnhandelaar.[301] Deze heterogene groep kan zonder meer ondergebracht worden onder de noemer handelaars en verkopers. Mogelijkerwijs waren zij dus allen lid van de Sint-Niklaasgilde, ook wel Cremerije genoemd.[302] Elke poorter, die handel dreef of verkocht metten ellen, drooge ofte mate moest lid worden van de Cremerije.

 

Tenslotte wil ik hier nog wijzen op het praktisch volledig ontbreken van advocaten in de Turnhoutse schepenbank. Enkel van Ghysbrecht en Cornelis Cleymans kunnen we vermoeden dat zij licentiaat in de rechten waren.[303] Over een gelijkaardig fenomeen schreef J. M. Goris in zijn artikel over de Herentalse stadsmagistraat: “Dit verschijnsel is bevreemdend omdat traditioneel het schepenambt voor juristen als een broodwinning gold.”.[304] Tevens stelt hij in dat artikel, dat een ambt als schepen van Herentals niet meteen goede carrièremogelijkheden bood, die bijvoorbeeld een schepen van de stad Antwerpen wel had. Deze groeiden na hun schepenfunctie vaak door in hogere administratieve stedelijke functies of kwamen terecht in de provinciale of centrale gerechts- of bestuursorganen. Mijns inziens bood een ambt als Turnhouts schepen tevens weinig toekomstperspectieven. We zien praktisch geen enkele schepen doorstromen naar een ‘hoger niveau’. Voor zover we op de hoogte zijn, doet enkel Ghysbrecht Cleymans dit. Hij was namelijk gezworen substituut van de secretaris Proost en schopte het tot Controleur-Generaal van zijne Majestijts Licenten ten platte landen.[305]

 

Uit dit alles kunnen we besluiten dat de beroepsstructuur van de groep van schepenen van Turnhout van 1621 tot 1676 de toenmalige situatie goed weerspiegelt. Eerst en vooral was een groot aantal schepenen actief in de grootste exportsector, de textielnijverheid, met daarbij een onderscheid tussen de tijk- en lakennijverheid en tussen wevers en kooplui. Ten tweede vormde de rest van de schepenpopulatie een zeer heterogene groep wat hun beroep betreft. Ten derde kunnen we zien dat de beroepsactiviteiten van de verschillende schepenen steeds ten hoogste een minimaal aandeel zware handenarbeid omvatte. Hierin werd één van de voorwaarden om verkozen te kunnen worden als schepen, het niet uitoefenen van handenarbeid, dus nageleefd.

 

4.4.1.3. Beroepsactiviteiten en politiek succes: een verband?

 

Zoals reeds meerdere malen aangegeven, beschikken we over het beroep van vierendertig van de zestig onderzochte schepenen. Dit is niet extreem veel, maar toch kunnen hieruit conclusies getrokken worden voor de gehele populatie.

Wanneer we de vierendertig schepenen, waarvan we het beroep weten, opdelen in de vier groepen, die hierboven reeds verschillende malen gebruikt werden, dan blijkt de verhouding qua aantal tussen de verschillende groepen praktisch overeen te stemmen met de verhoudingen binnen de totale populatie. Gezien over hun totale loopbaan behoorde 13% van alle schepenen tot de elite-groep met meer dan negentien schepenfuncties. Bij de schepenen, waarvan de beroepsactiviteiten bekend zijn, is dit 15%. Zo’n 18% van de schepenen met gekend beroep bekleedde vijf tot negen schepenposten, tegenover 15% wat de gehele populatie betreft. Bij de laagste is het percentage 56% voor de gehele populatie en 59% voor de schepenen, waarvan het beroep gekend is. Deze percentages liggen erg dicht bij elkaar. Enkel voor de tweede groep, de schepenen die tussen de tien en de negentien jaar zetelden als schepenen, is het verschil groter, meer bepaald 15% voor de ganse populatie en 9% voor de hier onderzochte ‘schepenen met beroep’. Toch is naar mijn mening, dit grotere verschil voor deze ene groep, geen argument om de relatie tussen beroepsactiviteiten en politiek succes aan een onderzoek te onderwerpen.

 

Tabel 20: Het beroep van de Turnhoutse schepenen in functie
van het totaal aantal door hen vervulde schepenfuncties

standaardnaam

totaal aantal ambtsjaren als schepen

beroep

VERDONCK Cornelis

31

tijkwever

MALLANTS Dierck

30

lakenmaker

CLAESSEN Jacob

24

winkelier

MALLANS Christiaen

24

koopman van laken

MEURS Matthijs van

22

koopman van laken

BROUWER Jacob de

13

schoenmaker

WOUTERS Geeraert

13

winkelier

LOOMANS Nicolaes

12

koopman van tijken

VLOERS Anthonie

7

koopman

WILLEMS Willem

7

schoenmaker

CORNELISSEN Anthoni

6

koopman

REIJNS Laureys

6

kleermaker

BEECKANT Michiel vanden

5

winkelier

BROECKHOVEN Laureijs van

5

molenaar

BOECX Jan

4

winkelier

DONNEULX Adriaen

4

voerman

HOEVENAERS Wouter

3

kleermaker

MICHIELS Aernout

3

glasenmaker

PLAS Anthonis van

3

brouwer

THIENEN Jan van

3

bakker

VISSER Willem de

3

koopman

DIELS Hendrik

2

tijkwever

NUYENS Jan (Franssoon)

2

smid

NUIJENS Jan (Sebastiaenssoon)

2

brouwer

SCHALUYNEN Willem van

2

timmerman

THEEUS Jan

2

tijkwever

WILLEMS Augustijn

2

koopman van laken

WOUTERS Jan

2

voerman

AUGUSTIJNS Jan

1

koopman van wijnen

GOYVAERTS Lodewijck

1

voerman

LAMBRECHTS Adriaen

1

tapper

LOOMANS Jan

1

tijkwever

PAPENBROEX Hendrick

1

koopman van tijken

WILS Jacques vanden heuvel

1

tijkwever

procentueel aandeel van de 'textielschepenen' in groep 1

80%

 

procentueel aandeel van de 'textielschepenen' in groep 2

33,33%

 

procentueel aandeel van de 'textielschepenen' in groep 3

25,00%

 

procentueel aandeel van de 'textielschepenen' in groep 4

35,00%

 

procentueel aandeel van de handelaars in groep 1

60,00%

 

procentueel aandeel van de handelaars in groep 2

66,66%

 

procentueel aandeel van de handelaars in groep 3

50,00%

 

procentueel aandeel van de handelaars in groep 4

20,00%

 

procentueel aandeel van de 'textielschepenen' op totaal

38,24%

 

procentueel aandeel van de handelaars op totaal

38,24%

 

 

Het overwicht van lakenhandelaars in de groep van de topschepenen valt meteen op. We kennen het beroep van vijf van deze elite-schepenen en van deze vijf zijn er twee lakenhandelaar, namelijk Christiaen Mallants en Matthijs van Meurs. Dierck Mallants stond dan weer bekend als lakenmaker, maar naar mijn mening, zal hij ook wel gehandeld hebben in laken. Verder zitten in deze elite-groep nog Jacob Claessen en Cornelis Verdonck. Van Jacob Claessen weten we enkel dat hij een winkelier moet geweest zijn. Cornelis Verdonck was tijkwever, maar (naar mijn mening) naar alle waarschijnlijkheid zal hij ook wel als handelaar opgetreden hebben, hoewel ik dit vermoeden niet kan staven met enig bronnenmateriaal.[306]

Het overwicht van handelaars in de volledige groep van topschepenen is hiermee afdoende aangetoond. Dit is enkel een vaststelling. Het is niet zo dat de personen, die in deze hoogste groep ondergebracht zijn, zo lang gezeteld hebben omdat ze handelaar waren, hoogstwaarschijnlijk textielhandelaar. De reden, waarom ze zo vaak verkozen werden, moet eerder gezocht worden bij de afkomst (de familiebanden) en de rijkdom van de personen. Wanneer men bijvoorbeeld een vader heeft die schepen is en lakenhandelaar, dan mogen we niet verwonderd zijn dat ten eerste zijn zoon later ook in het stadsbestuur zal zetelen (zoals hierboven reeds aangetoond), en ten tweede zijn zoon ook lakenhandelaar zal worden, aangezien het beroep maar al te vaak van vader op zoon doorgegeven werd. Een mooi voorbeeld hiervan zijn Dierck Mallants en zijn zoon Christiaen Mallants, die beiden meer dan negentien maal verkozen werden als schepen en beiden handelden in laken.

 

Wanneer we de rest van de tabel bekijken valt het overwicht van de aanwezige handelaars nogmaals op. Van de vierendertig schepenen vallen er veertien onder de noemer ‘handelaar’, waarmee ik hier bedoel: zij die in de bronnen aangeduid werden als winckelier of coopman.[307] Verwonderlijk is dit eigenlijk niet, als men bedenkt dat één van de voorwaarden om schepen te worden, het niet uitoefenen van handenarbeid was, waaraan als handelaar uiteraard voldaan werd.[308]

Dit ‘niet uitoefenen van handenarbeid’ roept wel vragen op bij enkele andere beroepen die voorkomen in de lijst. Zo is er Jan Nuyens Franssone, die smid is.[309] Het werk in een smidse omvat wel degelijk handenarbeid. Men kan zich de vraag stellen hoe het komt dat deze man toch verkozen is tot schepen. Mogelijkerwijs deed hij in zijn smidse de handenarbeid niet zelf en had hij daarvoor personeel in dienst. Tevens is het mogelijk dat hij op het moment van zijn verkiezing het beroep van smid niet langer uitoefende, zodat er geen sprake was van tegenargumenten voor zijn kandidatuur voor een ambt als schepen.[310]

 

Wat ook opvalt in tabel 20 is het veelvuldig voorkomen van beroepen die verband houden met de textielproductie en -verkoop. Dit kan, zoals hiervoor vermeld, verklaard worden door de bloei van de Turnhoutse laken- en tijkproductie. Naar mijn mening is het niet zo dat personen, die werkzaam waren in de textielsector, meer kans maakten op een schepenambt. De overvloedige aanwezigheid van deze beroepssector heeft gewoon te maken met het feit dat een zeer groot deel van de Turnhoutse bevoking in de 17de eeuw werkzaam was in de textielnijverheid.

De aanwezigheid van verschillende personen uit deze beroepssector is niet te verklaren door hun beroep op zich, aangezien vele anderen, die in dezelfde sector werkzaam waren, nooit de kans hebben gezien om in het stadsbestuur te geraken. Het archief van de Lakengilde doet mij wel besluiten dat de schepenen die in de textiel-sector actief waren daar goed hun brood mee verdienden. We vinden namelijk vijf van deze ‘textiel-schepenen’ terug in bestuursfuncties van de Lakengilde. Guilliam Diels en Anthonie Vloers dienden beiden als deken, respectievelijk van 1683 tot 1694[311] en van 1675 tot 1678[312]. En diezelfde Anthonie Vloers, Christiaen Mallants, Matthijs van Meurs en Augustijn Willems waren laeth. Vloers bekleedde deze functie van 1675 tot 1678[313], Mallants van 1675 tot 1678[314] en van 1683 tot 1685[315], van Meurs van 1675 tot 1685[316] en Willems van 1675 tot 1680[317]. De laethen stonden in voor de keuze van de dekens. Elk jaar moesten er zo twee dekens aangeduid worden.[318]

 

We kunnen uit dit alles besluiten dat het beroep geen rechtstreekse invloed had op de kans om het tot schepen te schoppen. Wel maakte je als handelaar waarschijnlijk meer kans om het ver te schoppen in de Turnhoutse stedelijke politiek dan bijvoorbeeld als smid of kleermaker.

De beperking die opgelegd werd als voorwaarde om verkozen te kunnen worden als schepen, het niet uitvoeren van handenarbeid, werd in zekere zin gerespecteerd.

Tenslotte kunnen we stellen dat het niet zozeer het beroep op zich is dat ervoor zorgt dat men succesvol is in de Turnhoutse stedelijke politiek, maar eerder wat men met zijn beroep verdiende. Politiek succes hield naar mijn mening eerder verband met succes ‘op de werkvloer’, met andere woorden met het financiële kaartje dat aan het werk vast hangt. Of dit zo was, wordt onderzocht in het volgende hoofdstuk.

 

4.4.2. De relatie tussen politiek succes en financiële positie: een onderzoek aan de hand van de reële en de personele beden

 

4.4.2.1. Bespreking van de gebruikte bronnen

 

In deze paragraaf wordt onderzocht in welke mate er binnen de Turnhoutse schepenbank sprake is van een correlatie tussen enerzijds het politieke succes (zich vertalend in hun politieke mandaten) en de financiële positie. Deze financiële positie wordt het best vertaald in de gecollecteerde beden. Hierbij moeten we een onderscheid maken tussen de reële beden en de personele beden.

De reële beden kunnen omschreven worden als een belasting op het bezit van de belaste persoon. Dit belaste bezit beperkte zich tot de onroerende goederen, de huizen, akkers, weiden en andere gronden. Roerende goederen werden in deze reële beden niet in rekening gebracht. De personele beden waren dan weer belastingen op het inkomen van de belaste persoon. We hebben hier te maken met twee totaal van elkaar verschillende fiscale gegevens. De reële beden geven ons een idee van de rijkdom van de onderzochte personen, terwijl de personele beden eerder een weerspiegeling vormen van het beroepssucces van de personen in kwestie.[319]

 

Deze reële en personele beden kunnen teruggevonden worden in de Bedenboeken.[320] Deze Bedenboeken zijn de zetboeken opgesteld door de bedezetters en de borgemeester. Elke twee jaar werd dit zetboek vernieuwd, hetgeen samenviel met de ambtstermijn van de borgemeester. Dit zetboek was ingedeeld per wijk. De twaalf wijken, waarin Turnhout onderverdeeld was, waren wat betreft de ‘binnenstad’: de Herentalsstraat, de Gasthuisstraat, de Potterstraat en de Otterstraat en wat de gehuchten betreft: Oosthoven, Oud-Turnhout, Darisdonk, Schorvoort, Zevendonk, Papenbrugge, Heizijde en Rode. In het zetboek was voor elke wijk vastgelegd hoeveel belastingen er per gezin betaald moest worden aan reële en personele beden.[321] Per wijk vinden we in de Bedenboeken steeds de naam van het gezinshoofd terug. In de meeste gevallen gaat het hier om de naam van de man, maar tevens kunnen we aanduidingen krijgen zoals weduwe Corn(elis) Nuijdens[322]. Hierbij staat meestal aangegeven welk bedrag aan reële en personele beden betaald moet worden. Het bedrag aan reële bede vinden we terug direct na de naam van de belaste persoon. De personele bede werd vervolgens opgetekend onder de reële bede. Deze personele beden worden vaak voorafgegaan door de letters bed, welke staan voor bedrijff.[323] Soms vinden we andere onroerende bezittingen en rentes terug, die niet verrekend werden in de reële beden. Om een adequaat beeld te kunnen vormen van het bezit aan onroerende goederen van de onderzochte schepenen, werden de belastingen, die geheven werden op deze andere onroerende goederen en rentes, bij het bedrag van de reële beden geteld.

 

Zoals reeds gezegd werd elke twee jaar het zetboek vernieuwd. In het Turnhoutse stadsarchief vond ik evenwel niet voor elke twee jaar een nieuw zetboek terug. Voor de hier onderzochte periode vond ik enkel de zetboeken terug voor de jaren 1629-1631[324], 1637-1639, 1639-1641, 1641-1643[325], 1651-1653, 1655-1657[326] en 1669-1671[327]. Er zijn duidelijke hiaten in dit bronnenbestand waar te nemen. Zo zit er tussen het zetboek van 1657-1659 en dat van 1669-1671 wel een leemte van twaalf jaar. Toch bieden de Bedenboeken belangrijke gegevens met betrekking tot de financiële welstand en het professionele succes van de onderzochte schepenen.

 

Ik onderzoek hier eerst en vooral de reële beden van de schepenen om een beeld te krijgen van hun rijkdom wat onroerende goederen betrof, hetgeen gedurende het Ancien Régime het grootste deel van iemands rijkdom uitmaakte. Daarna bracht ik deze resultaten in verband met het politiek succes van de schepenen.

Vervolgens wordt het professionele succes van deze personen in kaart gebracht aan de hand van de personele beden, om ook hier deze gegevens in relatie te brengen met de politieke functies.

Tenslotte vergelijk ik dan de resultaten van zowel de reële als de personele beden om conclusies te kunnen trekken met betrekking tot de relatie tussen de financiële en de politieke positie van de onderzochte zestig schepenen.

 

4.4.2.2. De reële beden

 

De reële beden waren een belasting op de onroerende bezittingen. Deze beden vond ik terug in de Bedenboeken. Deze konden, wat betreft de onderzoeksperiode, geraadpleegd worden in het Turnhoutse stadsarchief voor de jaren 1629-1631, 1637-1639, 1639-1941, 1641-1643, 1651-1653, 1655-1657 en 1669-1671.[328]

Eerst en vooral poogde ik de relatie tussen het bekleden van een schepenfunctie en de betaalde reële beden te onderzoeken. Hiervoor moest ik wel de situatie onderzoeken van de gehele Turnhoutse stad en vrijheid. Op die manier kon ik een vergelijking maken tussen de reële beden betaald door de Turnhoutse schepenen en die betaald door de rest van de Turnhoutse bevolking.

 

 

Aangezien zo’n doorsnede maken van de Turnhoutse bevolking op het vlak van de betaalde reële beden een tijdrovende bezigheid is, beperkte ik mij hier tot het maken van zulke doorsnede voor een bepaalde periode. Hiervoor koos ik het Bedenboek van 1651-1653, omdat deze periode het meest centraal gelegen was in de in dit werk onderzochte periode. In deze doorsnede nam ik enkel deze personen op die effectief belast werden. Een groot deel van de Turnhouste bevolking had namelijk geen onroerende bezittingen en betaalden dus geen reële beden. De gevonden belastinggegevens waren steeds uitgedrukt in gulden, stuivers, blancs en oort. Om de berekening van de verschillende waarden te vereenvoudigen, herleidde ik alle gevonden bedragen tot stuivers.Eén gulden was twintig stuivers waard. De waarde van één blanc was dan weer die van 0,75 stuivers. De kleinste eenheid was tenslotte die van de oort – ook wel oirt geheten – die één vierde van een stuiver bedroeg.[329]

 

Tabel 21: Reële beden van de ‘betalende’ Turnhoutse bevolking voor het aanslagjaar 1651-1653

-1gl.

1 tot 2 gl.

2 tot 3 gl.

3 tot 4 gl.

4 tot 5 gl.

5 tot 7,5 gl.

+ 7,5 gl.

gem. reële bed.

gem. reële bed. v/d sch.

735

236

86

34

22

16

6

20,99 st.

50,41

 

Grafiek 4: Reële beden van de ‘betalende’ Turnhoutse bevolking

 

Wanneer we alle gegevens aangaande reële beden voor de jaren 1651-1653 nemen, komen we aan een gemiddelde bede van zo’n 21 stuivers per gezin, of iets meer dan een gulden.[330] De Turnhoutse belastingbetalende gezinnen moesten dus gemiddeld iets meer dan een gulden betalen aan reële beden.

 

Van de zestig onderzochte schepenen, vond ik er eenendertig terug in het Bedenboek van 1651-1653. Wanneer we het gemiddeld bedrag aan reële beden bekijken dat betaald werd door deze eenendertig personen, bekomen we een bede van bijna 50,5 stuivers of iets meer dan twee gulden en een half.[331] Dit is meer dan het dubbele van het gemiddelde bedrag aan reële beden voor de gehele betalende Turnhoutse bevolking. We kunnen hier dan ook met zekerheid stellen dat de schepenen vast en zeker tot de beter gegoede lagen van de Turnhoutse bevolking hoorden, ten minste wat het bezit aan onroerend bezit betreft.

 

Tevens poogde ik hier te onderzoeken of er nog verschillen waarneembaar waren bij de reële beden van de Turnhoutse schepenen. Voor elk van de zeven onderzochte Bedenboeken bracht ik de reële beden in rekening van die personen, die gedurende de twee jaar, waarover de verschillende Bedenboeken handelen of in de drie voorgaande of de drie daaropvolgende jaren, schepen of borgemeester geweest zijn. Met andere woorden, voor het Bedenboek van 1629-1631 werden alle schepenen en borgemeesters vanaf het ambtsjaar 1626-1627 tot en met het ambtsjaar 1633-1634 bij elkaar gebracht. Dit deed ik omdat het niet correct zou zijn om in de berekeningen bedragen te betrekken van personen die bijvoorbeeld pas vijftien jaar na de optekening van het Bedenboek verkozen werden als schepen. Deze schepenen kunnen op dat moment –zeg maar vijftien jaar voor hun eerste verkiezing - beslist nog niet de financiële ‘welstand’ en ‘rijkdom’ bereikt hebben die gepaard ging met hun schepenambt. Om dezelfde reden werden ook schepenen, die lange tijd voor de periode in kwestie schepen waren, niet in de berekeningen opgenomen. Voor de personen die drie jaar voor of drie jaar na de periode in kwestie schepen waren, ga ik er vanuit dat hun rijkdom op het moment van het opmaken van de Bedenboeken vergelijkbaar was met die op het moment van hun verkiezing als schepen. Jammer genoeg was ik niet steeds in staat om de gegevens voor al deze personen terug te vinden. Zo vond ik voor de jaren 1669-1671 slechts dertien van de eenentwintig schepenen/borgemeesters terug.

Op de hierboven uiteengezette manier stelde ik voor elk Bedenboek een lijstje schepenen en borgemeesters samen die voldeden aan de voorwaarden. Vervolgens bracht ik al deze gegevens samen in één lijst. Deze lijst bevatte alle gegevens aangaande de reële beden betaald door de schepenen uit de populatie, die aan de hierboven beschreven voorwaarden voldeden. Verschillende schepenen kwamen in deze lijst meerdere malen voor. Zo vond ik voor Geeraert Wouters bijvoorbeeld gegevens terug voor de Bedenboeken van 1637-1639, 1639-1641, 1641-1643, 1651-1653 en 1655-1657. Voor deze personen, die meerdere malen in de lijst voorkwamen, werd het gemiddelde van de verschillende reële beden berekend. Op die manier bekwam ik een lijst van reële beden die betaald waren door schepenen, die een functie als schepen of borgemeester bekleed hadden binnen een ‘redelijke tijdsspanne’ van de opmaak van de respectievelijke Bedenboeken. Op die manier worden bedragen van bijvoorbeeld pasgehuwde personen, die pas vele jaren later in de schepenraad terecht zullen komen, niet in rekening gebracht.

 

Tabel 22: Gemiddelde reële beden van de schepenen die dienden als schepen of borgemeester
in de jaren van de opmaak van de verschillende
Bedenboeken
of in de drie jaren ervoor
of de drie erna
[332]

standaardnaam

totaal aantal vervulde schepenambten

gemiddelde
reële beden

VLOERS Anthonie

7

209,50

MEURS Matthijs van

22

171,17

GOYVAERTS Lodewijck

1

142,00