| Transatlantische betrekkingen en het Europees veiligheidsbeleid tijdens Bush. (Liza Groeneveld) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Al sinds het aantreden van de regering-Bush is men in Europa bezorgd over de transatlantische verhoudingen. Unilateraal optreden nam toe, internationale verdragen waar onder Clinton nog aan gewerkt was werden opgezegd. Na de aanslagen van 11 september werd de Amerikaanse houding ten opzichte van de bondgenoten steeds onverschilliger en in de aanloop naar de Irak oorlog kon men oprecht spreken van een transatlantische crisis.
In dezelfde periode werd er in Europa hard gewerkt aan de Europese integratie, vooral op het gebied van buitenlandse beleid, veiligheid en defensie. Tijdens de crises op de Balkan in de jaren negentig bleek dat de EU ernstig tekort schoot op deze vlakken en er werden maatregelen genomen. Men begon met de ontwikkeling van een Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid (GBVB) waaronder ook het Europees Veiligheids- en Defensiebeleid (EVDB) viel. De eerste concrete stappen naar de ontwikkeling van de Europese defensie en een gezamenlijk buitenlands beleid werden genomen tijdens het eerste presidentschap van Bush.
In deze scriptie wil ik onderzoeken wat de verhoudingen tussen het Europees veiligheidsbeleid en de transatlantische betrekkingen waren tijdens het eerste presidentschap van George W. Bush. Welke invloed hadden de transatlantische betrekkingen tijdens het eerste presidentschap van George W. Bush op het Europees Veiligheidsbeleid? Om deze vraag te kunnen beantwoorden zal ik me allereerst richten op de transatlantische verhoudingen vanaf het einde van de Koude Oorlog tot aan het presidentschap van Bush jr. In dit eerste hoofdstuk wordt gekeken naar de veranderende wereldorde en welke weerslag dit had op de transatlantische betrekkingen. Hierin komen het Amerikaanse beleid ten opzichte van Europa, de eerste aanzetten tot het Europees veiligheidsbeleid en de samenwerking tijdens de Balkan-crises aan bod. De bedoeling is een beeld te geven van de transatlantische verhoudingen met betrekking tot de Europese veiligheid voor het aantreden van de regering-Bush.
In het tweede hoofdstuk wordt het beleid van de regering-Bush onder de loep genomen. Ik kijk hoe dit beleid de transatlantische verhoudingen en het Europese veiligheidsbeleid beïnvloedde vóór de aanslagen van Al Qaeda, tijdens en na de strijd in Afghanistan en in de aanloop naar de oorlog in Irak en tijdens deze oorlog. Met transatlantische betrekkingen doel ik in dit hoofdstuk op de betrekkingen tussen de VS en de EU, de betrekkingen tussen de VS en verschillende EU-lidstaten en de betrekkingen binnen de NAVO. Het doel is een helder overzicht te geven van het Amerikaanse beleid van de afgelopen vier jaar. Het verschil met het beleid van de regering-Clinton en de betekenis voor het Europese beleid zal hierdoor duidelijk worden.
Vervolgens komt de Europese integratie aan bod, evenals de ontwikkelingen binnen de NAVO. In dit derde hoofdstuk wordt duidelijk welke ontwikkelingen het GBVB en het EVDB doormaakten en hoe deze ontwikkeling beïnvloed werd door de crisis in de transatlantische verhoudingen. Verder worden de veranderingen binnen de NAVO en de samenwerking tussen het Atlantische bondgenootschap en de steeds verder integrerende EU belicht. Hierdoor zal duidelijk worden hoe de Amerikaanse regering reageerde op het veiligheidsbeleid van de EU en haar lidstaten en welke gevolgen dit had voor Europa.
Tenslotte kijk ik naar enkele theorieën over de transatlantische kloof. Verschillende auteurs hebben zich gebogen over de vragen wat er nu precies aan de huidige crisis ten grondslag ligt en hoe het nu verder moet. Over dit onderwerp zijn de afgelopen jaren boeken vol geschreven en ik richt me op de meest bekende en spraakmakende hiervan. Ik vergelijk onder andere de visies van Robert Kagan, Timothy Garton Ash en Samuel Huntington met elkaar.
Met deze aanpak wil ik laten zien hoe het Europees veiligheidsbeleid zich de afgelopen jaren ontwikkeld heeft en welke invloed het beleid van Bush op deze ontwikkeling heeft gehad. De verschillende aspecten van de transatlantische crisis zullen hierin niet onderbelicht blijven.
2. Transatlantische betrekkingen 1989-2000: van Bush Sr. tot Clinton
In dit hoofdstuk zullen de transatlantische verhoudingen sinds het einde van de Koude Oorlog onder de loep worden genomen. Ik zal me hierbij beperken tot het Europees integratiebeleid op veiligheidsgebied en de militaire aangelegenheden die invloed hadden op het Atlantische bondgenootschap.
Bush
Tijdens het presidentschap van George Bush Sr. maakten de ineenstorting van de Sovjetunie en de Duitse eenwording razendsnel een einde aan de Koude Oorlog. Al tijdens Reagan waren de VS en de Sovjetunie nader tot elkaar gekomen, dankzij het democratiseringsproces en de omzetting naar een markteconomie die door Gorbatsjov in gang waren gezet. Bush zette de buitenlandse politiek van Reagan in grote lijnen voort en hij bouwde een hechte vriendschap op met Gorbatsjov.[1] Die had intussen de handen vol aan diverse binnenlandse problemen. De economie van de Sovjetunie stond onder grote druk door de hervormingsmaatregelen en het was niet langer mogelijk om troepen buiten de grenzen te onderhouden. Vanaf juli 1989 oefende Moskou niet langer controle uit over de landen van het Warschau Pact, met als gevolg een golf van revoluties door het voormalig Oostblok. De communistische regimes werden omver gegooid, kapitalisme en democratie werden ingevoerd. De Russen verloren hun vertrouwen in Gorbatsjov toen bleek dat hij niet in staat was de instorting van de economie af te wenden en eind 1991 kwam Boris Jeltsin aan de macht.
Ook in Oost-Duitsland kwam er een einde aan het communistische bewind. De Berlijnse muur viel op 9 november 1989 en in oktober 1990 was de eenwording van Duitsland een feit.[2] De Duitse eenwording zou de stabiliteit in Europa vergroten en werd dan ook van harte gesteund door Bush. Een voorwaarde was wel dat het verenigde Duitsland lid bleef van de NAVO; de VS had bases in Duitsland en deze zouden verdwijnen als Duitsland geen NAVO-lid meer zou zijn. Daarmee zou de Amerikaanse aanwezigheid in Europa moeilijk te handhaven zijn. Een sterk Duitsland, stevig verankerd in het bondgenootschap, zou ook bijdragen aan de stabiliteit. Gorbatsjov wilde daarentegen niet dat Duitsland een belangrijke rol in de NAVO zou kunnen spelen. Dankzij Amerikaanse en Duitse diplomatie kon er op 12 september 1990 toch een akkoord getekend worden betreffende de Duitse soevereiniteit over binnenlands en buitenlands beleid en allianties en was de weg vrij voor hereniging.[3]
De Duitse eenwording zorgde echter voor financiële problemen. De Amerikaanse economie werd getroffen door de hoge Duitse rente en de hoge EG subsidie voor landbouwproducten. Begin jaren negentig zorgden deze ontwikkelingen voor spanningen tussen Europa en de VS, zeker toen de VS de tarieven op Europese wijnen, drank en kaas verhoogden.[4] Vooral Frankrijk werd hierdoor getroffen en het liep bijna uit op een handelsoorlog. Hoewel er in 1992 een akkoord werd gesloten, bleef Frankrijk protesteren en werd duidelijk dat de Europese Gemeenschap nog niet met een stem kon spreken.[5]
De nieuwe wereldorde betekende het herdefiniëren van de transatlantische verhoudingen. In Europa werd gevreesd dat de VS weer de isolationistische positie zouden innemen en in Washington was men bang dat de Europeanen de voorkeur zouden geven aan hun eigen veiligheids- en defensiebeleid waardoor de samenwerking in de NAVO in gevaar zou komen.[6] De Amerikaanse aanwezigheid in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog was zeer welkom geweest, aangezien de Sovjetunie de grootste dreiging was. Maar omdat de Amerikanen voor de veiligheid zorgden was er geen sprake van een Europees veiligheidsbeleid. Pas in de jaren zeventig kwam de Europese Politieke Samenwerking (EPS) van de grond, maar deze omvatte geen veiligheids- of defensiebeleid. Het werd al snel duidelijk dat hervorming van de EPS gewenst was, maar met name Groot-Brittannië, Nederland en Duitsland wilden geen veiligheidsstructuur binnen de Europese Gemeenschap waar Washington aanstoot aan kon nemen. Met het einde van de Koude Oorlog werd een eigen veiligheidsstructuur voor Europa belangrijker en de lidstaten wilden de politieke samenwerking gaan intensiveren.[7]
Hoewel de VS Europa graag een actievere rol op het gebied van de veiligheid toebedeelden, werden de VS toch onrustig door de nieuwe Europese assertiviteit. Die kon grote gevolgen hebben voor de VS. De eerste reactie van Bush was het aanhalen van de banden met de Europese Gemeenschap. Door een hechte transatlantische vriendschap zou Washington nog invloed kunnen uitoefenen. In december 1989 presenteerde Secretary of State James Baker in zijn speech in Berlijn de Amerikaanse visie op de nieuwe betrekkingen, ook wel bekend als ‘New Atlanticism’. Dit beleid hield in dat de Atlantische samenwerking vooral zou verlopen via de NAVO, de EG en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE). De NAVO zou naast militaire ook politieke taken krijgen en zou het hoofdinstrument zijn van de nieuwe veiligheidsstructuur in Europa. Door de Europese integratie zou de relatie met de VS ook intensiveren, hoewel Baker benadrukte dat de EG geen alternatief kon zijn voor de transatlantische vriendschap. De OVSE werd gezien als een belangrijk instrument om Oost-Europa en met name Rusland te betrekken bij de samenwerking. De VS maakten hiermee duidelijk dat ze geen intentie hadden om alle troepen uit Europa terug te trekken maar juist via de NAVO invloed wilden blijven uitoefenen. Over het algemeen werd het ‘New Altanticism’ goed ontvangen in de EG. Duitsland wilde graag goedkeuring van de VS voor de hereniging en was daarom maar al te blij met een nauwe samenwerking met Washington. Groot-Brittannië steunde het aanhalen van de Atlantische betrekkingen, maar Thatcher kon de nadruk op de Europese integratie niet erg waarderen. Frankrijk was daarentegen niet erg te spreken over het voorstel de NAVO uit te breiden met politieke taken en wilde voorkomen dat de VS op deze manier veel invloed binnen Europa zouden krijgen.[8]
Het ‘New Atlanticism’ resulteerde uiteindelijk in de Transatlantic Declaration, aangenomen op 20 november 1990. Dit was de eerste formele institutionalisering van de relatie tussen de VS en de EG. Hoewel er weinig concrete afspraken werden vastgelegd, erkenden de VS nu officieel het belang van sterke betrekkingen met de EG in plaats van met de verschillende landen afzonderlijk. De EG werd door Washington als een sterke afzonderlijke speler gezien.[9] Ondanks het feit dat dit een belangrijke stap was binnen de Atlantische relatie, kreeg deze weinig aandacht vanwege de Golfoorlog.
De Europese integratie op het gebied van de veiligheid begon zich steeds verder te ontwikkelen. In februari 1991 namen Frankrijk en Duitsland het initiatief en dienden tijdens de Intergouvermentele Conferentie een voorstel in tot het ontwikkelen van het Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid (GBVB). Washington wilde aan de ene kant een sterker Europa, maar stond er op dat de uitbreiding van de veiligheidsstructuur de NAVO zou versterken. Het GBVB werd door Bush als een bedreiging voor de NAVO gezien en hij stelde daarom ook alles in het werk om deze ondermijning van de alliantie te beperken. Hierdoor raakten de Europese lidstaten verdeeld: Londen, Den Haag en Lissabon hadden begrip voor de Amerikaanse positie, maar met name Frankrijk vond het inmenging in interne Europese zaken.[10] Uiteindelijk werd de nieuwe veiligheidsstructuur in 1992 vastgelegd in het Verdrag van Maastricht, waarin werd besloten tot het ontwikkelen van het GBVB. In het Verdrag werd de mogelijkheid opengehouden om uiteindelijk uit te breiden naar een gemeenschappelijk defensiebeleid.[11] Er werd wel benadrukt dat het GBVB de samenwerking in de West Europese Unie (WEU) en de NAVO niet zou ondermijnen.
Naast de onenigheid rondom het GBVB hadden ook de oorlog in Irak en het Joegoslavië-conflict invloed op de Atlantische relatie. Nadat Saddam Hussein op 2 augustus 1990 Koeweit binnenviel begon Bush binnen de VN Veiligheidsraad een internationale coalitie samen te stellen tegen Irak. In november had de Veiligheidsraad Irak reeds de zwaarste economische sancties opgelegd en waren er al twaalf resoluties aangenomen die terugtrekking uit Koeweit eisten. Toen bleek dat dit niet mocht baten, stelde Bush een internationale troepenmacht samen bestaande uit 700.000 militairen afkomstig uit 28 landen. Er waren in Saoedi-Arabië al 500.000 Amerikaanse troepen aanwezig voor Operation Desert Shield, de bescherming van Saoedi-Arabië tegen Irakese agressie.[12] Op 15 januari liep het ultimatum voor terugtrekking af en op 16 januari werd Operation Desert Shield omgezet in Operation Desert Storm. Na vijf weken van bombardementen duurde het grondoffensief onder leiding van de VS slechts 100 uur en de Irakese troepen werden uit Koeweit verdreven. De coalitie werkte succesvol samen binnen de VN resoluties en op 27 februari werd de wapenstilstand van kracht. Dit was een grote overwinning voor Bush en de VS, de status van supermacht bleef gehandhaafd binnen de nieuwe wereldorde. De enige teleursteling was dat het de coalitie niet gelukt was het Irakese regime ten val te brengen. Gedurende het presidentschap van Bush bleef Saddam een doorn in het Amerikaanse oog. [13]
De oorlog tegen Irak vond plaats ten tijde van de transatlantische discussie over het Europese veiligheidsbeleid. De sterke en zwakke kanten van de EPS werden duidelijk naarmate de Golfoorlog vorderde. In de eerste instantie werd de Irakese aanval veroordeeld door de EG, werd er een embargo geplaatst op olie uit Irak en Koeweit en de militaire en wetenschappelijke samenwerking werd opgeschort. Daarnaast werd er financiële hulp geboden aan de landen die economisch getroffen werden door het conflict, Egypte, Jordanië en Turkije, kregen vluchtelingen noodhulp en werd Irakees militair personeel verwijderd uit de Irakese ambassades in de lidstaten. Maar ondanks het feit dat er afgesproken was niet unilateraal te werk te gaan bij de bevrijding van Europese gijzelaars, ondernamen Duitsland en Groot-Brittannië toch humanitaire missies naar Bagdad. De echte zwakte kwam naar voren toen het conflict militair werd. De EG had geen gezamenlijke defensiecapaciteit zodat bijdragen aan de internationale troepenmacht op nationaal niveau plaatsvonden. Gezamenlijk militair optreden kon alleen binnen de WEU, maar toen er uiteindelijk meer dan dertig schepen ingezet werden om het embargo af te dwingen bleven de schepen onder nationaal commando. Tevens wilde Duitsland niet bij het conflict betrokken raken omdat afkeuring van de Sovjetunie gevreesd werd en vanwege de binnenlandse opinie.
Door de Golfoorlog raakten de lidstaten verdeeld. Atlantici zoals Groot-Brittannië zagen in het falen van gezamenlijk optreden de noodzaak om op de VS te blijven steunen, terwijl Europees-gerichte landen zoals Frankrijk er juist de noodzaak in zagen om vaart te zetten achter een gezamenlijk buitenlands- en veiligheidsbeleid. In de VS werd in elk geval duidelijk dat men nog niet hoefde te vrezen voor een onafhankelijk Europa. Voorlopig was er nog geen Europees alternatief voor de NAVO.[14] De Balkanoorlog maakte dit des te meer duidelijk.
In juni 1991 viel het Joegoslavische leger met tanks de net uitgeroepen Republiek van Slovenië binnen, waardoor de oorlog in Joegoslavië uitbarstte. Al sinds de dood van president Tito in 1980 was er politieke instabiliteit. Gedurende de jaren tachtig was er al sprake van etnische polarisering tussen de verschillende volken en de nationalistische spanningen werden steeds groter door de economische problemen. Slobodan Milosevic, die in 1987 door een coup leider werd van de Servische partij, wilde Joegoslavië recentraliseren, terwijl Kroatië en Slovenië de federatieve vorm wilden behouden. De economische eenheid en de coördinatie op het gebied van buitenlands beleid en militaire aangelegenheden vormden hierop een uitzondering. Bosnië-Herzegovina, Montenegro en Macedonië stonden een compromis van beide systemen voor. Nadat er in 1991 na een aantal bijeenkomsten van de leiders van de zes republieken nog steeds geen compromis in zicht was, stapten Kroatië en Slovenië uit de federatie. Daarop viel het leger eerst Slovenië en later Kroatië binnen. Dit was voor Milosovic de kans om Kroatië, waar veel Serviërs woonden, te annexeren. Vervolgens viel zijn oog begin 1992 op Bosnië, dat ook een Servische minderheid had. De Serviërs verdreven de andere volken uit hun territorium.[15] Gedurende 1992 bleven de Serviërs, Kroaten en Bosniërs vechten, met meer dan twee miljoen vluchtelingen tot gevolg. Daarbij was de kans groot dat het conflict zou overslaan naar Kosovo, waardoor de Albanezen, Grieken en Turken bij het conflict betrokken zouden raken.
Het werd duidelijk dat ondanks het feit dat de Koude Oorlog voorbij was, de veiligheid op het Europese continent nog steeds bedreigd werd. Het conflict zorgde voor spanningen binnen de transatlantische relatie. Alle retoriek op veiligheidsgebied ten spijt reageerden zowel Europa, inmiddels de Europese Unie, als de VS beiden traag op de crisis in Joegoslavië. De lidstaten van de EU waren onderling verdeeld over een beleid en de VS ondersteunden de VN bij het zoeken naar een diplomatieke oplossing, terwijl in Bosnië een etnische zuivering plaatsvond. [16] De EU kon de hoge verwachtingen niet waarmaken. De twaalf lidstaten beschikten niet over de juiste middelen om zich in een gewapend conflict te mengen en lukte het niet om als een verenigd Europa te spreken en te handelen. Duitsland erkende de nieuwe staten Kroatië en Slovenië in een vroeg stadium onafhankelijk van de rest van de EU, waardoor de druk tot ingrijpen toenam.[17] Van een Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid was echter nog lang geen sprake. De VS stonden ook niet te springen om weer in te grijpen in Europa. De crisis werd niet in verband gebracht met de nieuw ontstane veiligheidssituatie en de noodzaak om in te grijpen werd dan ook niet in nationaal belang geacht. De Balkan was een zaak voor de Europeanen. Daarnaast wilde Bush de Russen, traditioneel bondgenoten van de Serviërs, niet voor het hoofd stoten door in te grijpen. Ook speelde de herinnering aan Vietnam een rol; Bush wilde de VS niet weer bij een eindeloos voortslepend conflict betrekken. Uiteindelijk werd alleen een wapenembargo opgelegd, wat meer in het nadeel van de Bosniërs werkte dan van de Serviërs, die over het materiaal van het Joegoslavische leger beschikten.[18] Dit was de facto in strijd met de Amerikaanse belofte betrokken te blijven bij de veiligheid van Europa na de val van de Sovjetunie.
Toch had het conflict ook een positief effect op het transatlantische bondgenootschap. Door het falen van de EU en de WEU om gezamenlijk op te treden, beseften de lidstaten dat de NAVO een belangrijk onderdeel diende te blijven van de veiligheidsstructuur. Atlantici zagen bevestiging van hun standpunt en Europees-gerichte landen zagen het nut van de hervorming van de NAVO in. Frankrijk stelde zich open voor samenwerking binnen de NAVO. Het Eurocorps, ingesteld in 1992 door Frankrijk en Duitsland, zou onder NAVO-commando vallen in het geval van een crisis. De VS op hun beurt stelden zich flexibeler op ten opzichte van het GBVB, aangezien het duidelijk was dat de EU op dit gebied nog lang niet zou kunnen concurreren met de NAVO. Het was ook duidelijk geworden dat een versterking van de Europese pijler binnen de NAVO gewenst was. De oorlog duurde voort in Bosnië, terwijl Bush het veld ruimde voor Clinton.[19]
Clinton
Bush verloor de verkiezingen in 1992 van Bill Clinton. Hoewel gedacht werd dat de overwinning in Irak een herverkiezing zeker had gesteld, wilde het Amerikaanse volk juist een president die zich meer met de binnenlandse problemen ging bezig houden. Clintons campagne was dan ook voornamelijk gericht op economische maatregelen in plaats van buitenlands beleid.[20] Hij had Bush geportretteerd als een president met alleen oog voor buitenlands beleid waardoor de binnenlandse problemen niet opgelost werden, maar zelf had hij ook ambitieuze plannen. Gevolg van de nadruk op het binnenlands beleid was echter dat Clintons buitenlands beleid in eerste instantie niet goed van de grond kwam.[21] Hij kreeg kritiek te verduren vanwege de mislukte interventies in Somalië en Haïti en het falende optreden in Bosnië. De VS leken zwak en niet in staat te leiden, waardoor aanzien werd verloren en het Amerikaanse volk zich afkeerde van internationale zaken.[22]
Dankzij Madeleine Albright, indertijd afgevaardigde van de VS in de VN en tijdens Clintons tweede termijn minister van Buitenlandse Zaken, werd er uiteindelijk toch gekozen voor een harde aanpak in Bosnië.[23] In 1995, nadat de Serviërs duizenden burgers hadden vermoord en optredens van de Europese Unie en de VN hopeloos gefaald hadden, kwamen de VS en andere NAVO-landen in actie. Na luchtaanvallen door de NAVO op Servische doelen en het offensief van de moslims en Bosnische Kroaten na de zomer werd ongeveer de helft van het verloren gebied heroverd. In oktober waren de Serviërs geïsoleerd en bereid om aan de onderhandelingstafel plaats te nemen. Toch is het niet zo dat de Serviërs naar de onderhandelingstafel gebombardeerd zijn. Met de territoriale veroveringen van de moslims en de Kroaten waren president Izetbegovic en president Tudjman tevreden en deze verdeling kwam overeen met het voorgestelde akkoord. Milosevic gaf uiteindelijk toe omdat hij van de internationale druk en economische sancties af wilde. Door de gewijzigde situatie op de grond was er weer ruimte voor onderhandelingen.[24] Het uiteindelijke resultaat was het Dayton-akkoord op 21 november, waarbij Bosnië-Herzegovina een federatie werd bestaande uit een Bosnisch-Kroatisch en een Servisch deel. Een NAVO-troepenmacht van 60.000 man (IFOR), waarvan de helft Amerikaans was, nam de vredeshandhavingstaken van de VN-missie UNPROFOR over. Het was oorspronkelijk de bedoeling dat de Amerikaanse troepen een jaar zouden blijven, maar na zijn herverkiezing kondigde Clinton een verlenging van de missie aan.[25]
Ook onder Clinton had de oorlog in Bosnië veel invloed op het transatlantische bondgenootschap. Europa en de VS waren verdeeld over de aanpak, wat zorgde voor een gespannen verhouding. De Europese landen wilden het gewelddadig afdwingen van vrede voorkomen en door middel van onderhandelingen met beide partijen tot een akkoord proberen te komen. Zij zagen de crisis als een burgeroorlog die zo snel mogelijk beëindigd diende te worden. De VS zagen het conflict daarentegen als Servische agressie tegen de Bosniërs en zij wilden gerechtigheid. Daarmee ontstond er een meningsverschil tussen Washington en Europa: moest men streven naar een snelle vrede of naar gerechtigheid?[26] De VS keurden meerdere vredesplannen af die niet van de Amerikaanse tekentafel afkwamen en Europa was niet in staat de verantwoordelijkheid te nemen. Door deze houdingen was effectieve samenwerking niet mogelijk. Als de VS de plannen niet steunden was de kans van slagen klein en Washington zag falend Europees optreden als een bevestiging dat Amerikaans leiderschap noodzakelijk was.[27] Tegelijkertijd ondermijnde het Witte Huis het wapenembargo, door de wapenleveranties door aan de Bosnische moslims toe te staan.[28] Ook ten opzichte van de omvangrijke wapenleveranties door onder andere Duitsland, Turkije en Saoudi-Arabië aan Kroatië werd een oogje dichtgeknepen.[29]
De Atlantische partners bleven elkaar verwijten maken, zelfs na ondertekening van het Dayton-akkoord. Er werd gesproken van een crisis in de Atlantische vriendschap. Amerikaanse critici verweten de Europese landen ervan gratis mee te liften op het veiligheidsbeleid van Washington en de roep om hervorming van de NAVO werd steeds sterker. De Europese lidstaten moesten nu hun steentje maar eens gaan bijdragen aan de verdediging van hun continent. De Europese troepen zouden geschikt moeten worden gemaakt om snel te worden ingezet in een oorlog in NAVO-verband met een hoog geweldspectrum in een vergelegen gebied.[30] Tevens zou de NAVO moeten uitbreiden naar het oosten om de stabiliteit in Oost-Europa te vergroten.
Uitbreiding van de NAVO was een belangrijk onderdeel van Clintons buitenlandse politiek. De beslissing daartoe werd genomen op de NAVO-top in januari 1994 in Brussel en later bevestigd door president Clinton in juni. De druk op de NAVO nam toe en de vragen waar, wanneer en hoe er uitbreiding zou plaatsvinden werden steeds nijpender. Dankzij het Partnerschap voor Vrede programma (individuele akkoorden tussen de NAVO en verschillende landen waaronder Rusland en Polen) kwam de uitbreiding naar het oosten een stap dichterbij. Het Partnerschap voor Vrede was een goede basis voor eventueel NAVO-lidmaatschap en zorgde ook voor goede banden met Oost-Europa. Binnen deze samenwerking kon de geschiktheid voor NAVO-lidmaatschap van dichtbij worden bekeken.[31] Tijdens de top in Brussel werd ook besloten tot de oprichting van een Combined Joint Task Force (CJTF), waardoor de Europese leden van de NAVO de beschikking kregen over NAVO-middelen bij operaties buiten het grondgebied van de NAVO, zonder participatie van de VS. In juni 1996 werden in Berlijn tijdens een ministeriële NAVO-bijeenkomst de richtlijnen voor de CJTF en een hervormde NAVO-structuur gevormd.[32]
De inmiddels steeds verdergaande Europese integratie zorgde voor onrust onder de Amerikaanse beleidsmakers en werd ambivalent ontvangen. Een politiek sterk geïntegreerd Europa kon een nieuwe mondiale concurrent worden en elke stap richting integratie werd door de Amerikanen begroet met waarschuwingen. Aan de andere kant was politieke integratie nodig wilde Europa een serieuze partner zijn.[33] Tijdens de IGC van 1996-1997, die zou leiden tot het Verdrag van Amsterdam, probeerden de Europese lidstaten het GBVB te hervormen tot een slagvaardiger instrument. Helaas bleven de lidstaten vasthouden aan hun soevereiniteit op het gebied van buitenlands beleid en bleef het GBVB een log instrument. Het enige wat bereikt werd was dat de Europese Raad voortaan (unaniem) kon beslissen om over te gaan tot defensiemaatregelen. Een tweede speerpunt was nauwere samenwerking tussen de WEU en de EU vast te leggen. Hoewel het niet lukte de relatie hechter te maken, werden de Petersbergtaken (die peacekeeping, humanitaire- en reddingsoperaties tot het mandaat van de WEU rekenden) in het verdrag ingelijfd waardoor gezamenlijke EU-WEU peacekeeping operaties mogelijk werden. Een positief punt was ook de vastlegging van de positie van Hoge Vertegenwoordiger, waardoor de EU goede externe representatie kreeg in de persoon van Javier Solana.[34] Ongeveer gelijktijdig gaf Washington alsnog zijn steun aan het GBVB. Aangezien de hervormingen niet vergaand waren en de NAVO voorlopig het belangrijkste onderdeel van de Europese veiligheidsstructuur was, werd het Europese veiligheidsbeleid op dat moment niet gezien als een eventuele concurrent, maar juist als een versterking van het bondgenootschap. Versterking van de Europese pijler was een aanwinst voor de Europese stabiliteit en zou zorgen voor een eerlijker verdeling van de lasten.[35]
Het leek erop dat dankzij de NAVO hervormingen en de sterkere Europese veiligheidsstructuur de Atlantische partners weer op het juiste spoor zaten. De samenwerking tussen de VS en Europa vond voornamelijk plaats op het niveau van de Europese Unie, in plaats van via dialogen met de afzonderlijke lidstaten. Dit was mede te danken aan de New Transatlantic Agenda (NTA), die in 1995 werd gepresenteerd. Volgens deze Agenda vonden er meerdere keren per jaar ontmoetingen plaats tussen de VS en de EU op verschillende niveaus.[36] Maar de nieuwe uitbraak van geweld in de Balkan maakte duidelijk dat er nog een lange weg te gaan was.
Eind februari 1998 werd de broze vrede verbroken door de gewelddadige escalatie in het Drenica-gebied. Met de lessen van de vorige interventie nog vers in het geheugen, namen de VS het voortouw om een oplossing te zoeken. Al in juni sprak men over militaire opties binnen de NAVO. Richard Holbrooke, onderhandelaar bij het Dayton Akkoord, wist door dreiging met nieuwe luchtaanvallen te bewerkstelligen dat het Servische geweld tegen Kosovaarse Albanezen in Kosovo beëindigd zou worden, terwijl de NAVO vanuit de lucht en de OVSE vanaf de grond toezicht hielden. Dit akkoord hield echter geen stand aangezien het voortdurend werd geschonden door de Serviërs. De Contactgroep (Frankrijk, Italië, Groot-Brittannië, Rusland, Duitsland en de Verenigde Staten) begon in maart 1999 nieuwe onderhandelingen in het Franse Rambouillet. Nadat Milosovic weigerde het nieuwe akkoord, waarbij Kosovo zelfbestuur kreeg en een vredesmacht onder leiding van de NAVO werd gestationeerd, te ondertekenen, ging de NAVO op 24 maart over tot luchtaanvallen op doelen in Servië en Montenegro.[37] Vooral van Amerikaanse kant was de druk om over te gaan tot het gebruik van militaire middelen groot. Minister van Buitenlandse Zaken Albright was degene die begin jaren negentig aanzette tot de krachtige aanpak van de Serviërs en zij pleitte daar ook nu weer voor. Milosevic moest gestraft worden voor zijn wandaden, zo konden de VS het eerdere falen in Bosnië doen vergeten.[38]
De luchtaanvallen hadden in eerste instantie echter niet het gewenste resultaat, namelijk een snelle Servische overgave en ondertekening van het Rambouillet-akkoord. De NAVO-bondgenoten hadden een korte operatie voor ogen gehad, maar dit bleek niet het geval. De regering-Clinton wilde het inzetten van grondtroepen voorkomen, waardoor Milosevic niet onder de indruk was van de bombardementen. Het etnische geweld tegen de Albanezen nam toe, de Serviërs probeerden in korte tijd alle Albanezen uit Kosovo te verdrijven.[39] De luchtaanvallen werden geïntensiveerd en er werd gedreigd met een grondoffensief. In april werd duidelijk dat de bombardementen gestaakt zouden kunnen worden met een akkoord, waarbij er een aantal kleine concessies aan Milosevic gedaan werden. Er werd opnieuw onderhandeld met Milosevic, deze keer terwijl Rusland de druk opvoerde. Rusland had binnen de Veiligheidsraad tegen de NAVO-aanvallen gestemd, maar liet Milosevic weten dat een grondoffensief een reële optie was en dat Rusland geen militaire steun zou bieden. De Serviërs waren nu militair en diplomatiek geïsoleerd, waardoor de speciale gezant van de EU, de Finse president Ahtisaari, zijn werk als onderhandelaar kon beginnen.[40]
De Amerikanen zagen Kosovo als een louter militair conflict, de EU richtte zich meer op de diplomatieke kant van de zaak. Met name de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Joshka Fischer, kandidaat-president van de Europese Commissie Romano Prodi en Martti Ahtisaari zetten zich in voor diplomatieke oplossingen. Fischer steunde Albrights harde aanpak van de Serviërs en samen met Prodi pleitten zij voor een regionale aanpak van het probleem. Dankzij Ahtisaari’s rol als onderhandelaar kwam in juni 1999 de wapenstilstand tot stand, waarmee een einde kwam aan de luchtaanvallen van de NAVO en de Servische terugtrekking uit Kosovo toegezegd werd.[41]
Ondanks dit relatief snelle akkoord was de Balkan wederom niet het toneel van optimale Atlantische samenwerking. Hoewel de EU het voortouw had genomen bij de economische sancties en de ontwikkeling van het Stabiliteitspact voor Zuidoost-Europa, werd Europa verweten te langzaam en inconsequent op de dreigende escalatie in Kosovo te reageren. Daarnaast werd de EU militair gezien niet serieus genomen, Europa was geheel afhankelijk van de Amerikanen. Er was overduidelijk sprake van een ‘military gap’, waardoor gezamenlijk optreden zeer moeizaam was. Aan de andere kant hadden de VS de oorlogssituatie verkeerd ingeschat. Er werd gedacht dat Milosevic snel zou capituleren, maar het tegendeel bleek waar. De Amerikanen wilden geen grondtroepen inzetten, maar dankzij de diplomatieke maatregelen van de EU kwam het alsnog tot een wapenstilstand. De precisiebombardementen bleken ook niet zo heel precies, toen de Chinese ambassade per ongeluk werd geraakt tijdens een van de luchtaanvallen. Daarnaast zou de VS te weinig fondsen beschikbaar stellen voor de economische wederopbouw. Het Amerikaanse beleid was ook niet altijd even doortastend vanwege de binnenlandse weerstand waar Clinton mee te maken kreeg. Kortom, er waren genoeg verwijten over en weer.[42]
Er werd gevreesd dat de EU en de VS de handen van elkaar af zouden trekken en de EU door zou gaan met de ontwikkeling van het veiligheidsbeleid los van de VS, maar dit was niet het geval.[43] Als gevolg van het oplaaiende geweld in Kosovo werd er inderdaad vaart achter het Europese veiligheidsbeleid gezet. Het besluit tot uitbreiding van de NAVO in de zomer van 1998, waarbij de hegemonie van de NAVO over de pogingen van de EU tot een veiligheids- en defensiebeleid benadrukt werd, zorgde er voor dat Groot-Brittannië in september zijn steun verleende aan het GBVB.[44] Blair ging voortvarend te werk, enkele weken later verklaarde hij samen met president Chirac in St.-Malo een autonome Europese defensiecapaciteit binnen de NAVO te willen creëren. Vanaf dat moment vonden er intensieve consultaties plaats tussen de Britse en Franse regering om voorstellen te ontwikkelen voor de EU en de NAVO. De oorlog in Kosovo leek de steun voor dergelijke voorstellen te vergroten.
De voorstellen hielden onder andere in dat de Europese Unie zou moeten kunnen beschikken over middelen voor collectieve besluitvorming op het gebied van buitenlands- en veiligheidsbeleid en over een mechanisme voor het plannen van militaire operaties en het coördineren van militairen. Deze middelen zouden fungeren als de Europese pijler binnen de NAVO en onder het formele gezag van de ‘Supreme Allied Commander Europe’ (SACEUR) vallen. Daarnaast zouden de Europese troepen zowel binnen het kader van de NAVO als daarbuiten kunnen optreden, wanneer de Europeanen een dergelijk optreden zouden wensen en de Amerikanen er niet bij betrokken willen worden. Hiertoe zou gebruik gemaakt kunnen worden van de middelen van de NAVO. Tegelijkertijd zou de NAVO zich hervormen naar de structuur van het Europees Strategisch Defensie Initiatief (ESDI), bedoeld om de mogelijkheid te openen voor ad hoc allianties. Hiervoor was het nodig om de bestaande commandostructuur te veranderen. Het Europese defensieapparaat zou ook bijdragen kunnen leveren aan vredeshandhaving-operaties van de Verenigde Naties of de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OSVE). Het Britse initiatief omvatte tevens de aanpassing van de Europese defensie-industrie om te kunnen concurreren met de Amerikaanse.[45]
Tijdens de EU-top in Keulen in juni 1999 zette de Europese Raad de structuur voor de besluitvorming van het nieuwe Europese Veiligheids- en Defensiebeleid (EVDB) uiteen. Men nam de Frans-Britse formule over en er werd duidelijk onderscheid gemaakt tussen het optreden met en zonder NAVO-middelen. Daarnaast werd besloten dat WEU-functies zouden worden overgedragen naar de EU. In december van dat jaar besloot de Raad in Helsinki dat de EU tegen het jaar 2003 een Europees Rapid Reaction Force (ERRF) zou hebben opgezet, bestaande uit 60.000 soldaten met luchtmacht- en marinecomponenten. Deze ERRF zou binnen zestig dagen inzetbaar zijn en in staat moeten zijn om een jaar lang veldoperaties uit te voeren. Alle landen zouden hier individuele bijdragen aan leveren. Deze beslissingen werden in 2000 vastgelegd in het Verdrag van Nice, waaraan het EVBD zijn institutionele basis ontleent.[46] Het was de bedoeling dat de EVBD in nauwe samenwerking met de NAVO tot stand zou komen, om te voorkomen dat de Verenigde Staten voor het hoofd gestoten werden. Hiervoor werden in het Verdrag van Nice provisies vastgelegd, zoals de participatie van NAVO functionarissen in de Headline Goal Task Force (bedoeld voor de ontwikkeling van capaciteitsdoelstellingen).
De Europese defensiemaatregelen vonden dus voornamelijk plaats binnen de NAVO, maar wederom stonden de Amerikanen niet te juichen. Volgens onder andere Brent Scowcroft, Nationale veiligheidsadviseur onder Ford en Bush, zouden de defensie-industrieën en daarmee de militaire capaciteit van de VS en de EU steeds verder uit elkaar groeien, wat de NAVO zou ondermijnen en het Amerikaans isolationisme in de hand zou werken. Een eigen Europese defensie-industrie kwam voort uit eigenbelang en veroorzaakte onnodige risico’s. In plaats van een aparte Europese defensie-industrie te creëren zou de EU moeten gaan samenwerken met de Amerikaanse industrie.[47]
De regering-Clinton zette zich intussen in voor uitbreiding van de NAVO-missies, waardoor deze ook de dreigingen van terrorisme en massavernietigingswapens en de zogenaamde ‘out of area’-missies zouden omvatten. Tijdens de NAVO-top in Washington in april 1999 werd het nieuw Strategisch Concept en het Defense Capabilities Initiative, waarmee de Europese legers sneller ingezet konden worden en de samenwerking met het Amerikaanse leger zou verbeteren, gepresenteerd. Niet alle Europese landen waren enthousiast over de Amerikaanse initiatieven. Ze waren er niet van overtuigd dat de nieuwe dreigingen met militaire macht moesten worden aangepakt en vreesden machtsmisbruik van de Amerikanen. Uiteindelijk ging men toch akkoord met de Amerikaanse voorstellen.[48]
Conclusie
Al met al hadden de transatlantische verhoudingen tijdens de jaren negentig behoorlijk wat ups en downs doorgemaakt. Doordat de VS na de val van de Sovjetunie als enige supermacht overbleven, was het nodig de verhoudingen opnieuw te definiëren. Er was onduidelijkheid over de rol van de VS. Wilden de Amerikanen nu wel of niet betrokken blijven bij de Europese veiligheid, zou een samenwerking geschieden onder Amerikaans leiderschap of diende de EU haar eigen boontjes te doppen en wat waren de rollen van de NAVO en het GBVB binnen de alliantie? Daartegenover stonden de EU-lidstaten, die aan de ene kant niet wilden dat de VS zich terugtrok uit Europa, maar aan de andere kant zich niet onder Amerikaans leiderschap wilden voegen. Tevens wilden de Europese landen zelf zorgen voor hun veiligheid, maar toen er ingegrepen moest worden in de Balkan bleek de EU tot niets in staat. Veel geschreeuw en weinig wol, daar kwam het op neer.
Dat Europese integratie op veiligheidsgebied hard nodig was, bleek wel uit de oorlogen in de Balkan. De oorlog in Bosnië was de eerste ‘nieuwe’ oorlog waarmee het bondgenootschap te maken kreeg en tot twee keer toe was het gezamenlijk ingrijpen geen daverend succes. Dit deed de verhoudingen geen goed. Europa was in militair opzicht achtergebleven omdat de VS gedurende de Koude Oorlog voor de veiligheid hadden zorggedragen en het was nu nodig om een eigen veiligheidsstructuur te ontwikkelen. Deze integratie zorgde ook weer voor onrust in de transatlantische relatie, de Amerikanen wilden hun invloed in Europa niet verliezen en wilden vooral niet dat de EU een concurrent zou worden. Uiteindelijk bleven de Europeanen zeer loyaal te opzichte van het Atlantische bondgenootschap en werd de nieuwe veiligheidsstructuur voornamelijk binnen de NAVO geplaatst.
Over het algemeen is de transatlantische alliantie goed uit de turbulente jaren negentig gekomen. Door het debacle in Kosovo, waardoor relatie tussen de VS en Europa verslechterde, werd er vaart achter de integratie op veiligheidsgebied gezet. Hierdoor werd de EU door de VS steeds serieuzer genomen als partner, waardoor de transatlantische verhoudingen verbeterden. Hoewel gevreesd werd voor unilateraal optreden van de VS werd er tijdens de militair acties in de Balkan in multilateraal verband gehandeld. Na 11 september 2001 veranderde de houding van de Amerikanen echter, zoals in het volgende hoofdstuk beschreven zal worden.
Na een zeer omstreden verkiezingsuitslag kwam George W. Bush in januari 2001 in het Witte Huis. Het was duidelijk dat Bush en zijn neoconservatieven de zaken anders gingen aanpakken dan de Democraten onder Clinton. Al ruim voor de aanslagen van 11 september was de koers voor het buitenlands beleid gezet en de eerste vier jaar Bush jr. waren een beproeving voor de Atlantische vriendschap. In dit hoofdstuk zal ik laten zien hoe het beleid van de regering Bush de transatlantische verhoudingen heeft beïnvloed.
Neoconservatieven en haviken
Al tijdens de verkiezingscampagne was duidelijk dat de Amerikaanse nationale belangen het kernpunt van het beleid van Bush waren. Daarmee kwam de binnenlandse veiligheid hoog op de agenda te staan. Dit was niet geheel verrassend, aangezien de regering Bush als zeer conservatief bekend stond. Sebastian Reyn[49] onderscheidt in de Amerikaanse regering drie soorten conservatieven: traditionele conservatieven, conservatieve nationalisten en neoconservatieven.
Tot de eerste categorie behoren Colin Powell en Condoleeza Rice. Deze conservatieven denken in termen van nationale belangen, maar benadrukken de hegemonistische positie niet graag. Zij hebben er geen bezwaar tegen om via multilaterale weg de Amerikaanse belangen te verdedigen, wat ze tot internationalisten maakt. Omdat ze wars zijn van ideologisch extremisme handelen ze voornamelijk pragmatisch. Hun invloed was vooral te merken tijdens de verkiezingscampagne en de eerste maanden in het Witte Huis.
De tweede categorie bestaat uit personen als Donald Rumsfeld en Dick Cheney. Deze conservatieve nationalisten leggen wel de nadruk op de Amerikaanse hegemonie en hebben er geen problemen mee het nationale belang te verdedigen met deze macht, in plaats van aanwending van de traditionele diplomatie. Zij hekelen de controlerende werking van de multilaterale instituties en handelen liever unilateraal. Hoewel ze een kleine groep zijn binnen de regering, zijn ze de grootste haviken en erg invloedrijk. Tenslotte de neoconservatieven. Deze groep, waartoe onderminister van defensie Paul Wolfowitz behoort, legt ook de nadruk op militaire macht, maar stelt zich liberaler op. In tegenstelling tot de andere conservatieven vinden zij dat de macht wel kan worden gebruikt voor het bouwen van natiestaten en de promotie van de Amerikaanse liberale waarden. Volgens Reyn was de neoconservatieve invloed op het Amerikaanse beleid na 11 september steeds duidelijker aanwezig.[50]
Door de conservatieve nadruk op Amerikaanse belangen en de militaire macht kwam de Atlantische vriendschap onder druk te staan. De plannen voor het National Missile Defence (NMD) zorgden meteen voor spanningen met de Atlantische bondgenoten. Bush wilde de VS beschermen tegen aanvallen met ballistische raketten van schurkenstaten, zoals Noord-Korea en Irak.[51] Het NMD zou de VS beschermen tegen dergelijke raketten en zorgdragen voor de veiligheid van militaire en civiele satellieten. De Europese bondgenoten vonden dat de Amerikaanse plannen voor het raketschild in de eerste plaats de bestaande verdragen (zoals het ABM-verdrag uit 1972) over wapenbeheersing en ontwapening ondermijnden. Tevens luidde de kritiek dat het een nieuwe wapenwedloop zou kunnen initiëren en er werd gevreesd dat de VS door de hegemonistische positie vaker unilateraal zou gaan optreden.[52] De onenigheid over het NMD gaf al aan dat de VS zich niet liet hinderen in haar veiligheidsbeleid door internationale afspraken en verdragen. De weigering het Kyoto Protocol (het verdrag om het broeikaseffect in internationaal verband tegen te gaan) te tekenen en de afwijzing van het Internationaal Strafhof maakte dit des te meer duidelijk. Velen rondom Bush gaven openlijk toe dat internationale verdragen niet wenselijk zijn, omdat hierin de nationale belangen van de VS niet voorop staan en de flexibiliteit van het buitenlands beleid zou worden aangetast.
De aversie tegen internationale verdragen was een van de eerste tekenen dat de regering Bush weinig vertrouwen had in samenwerking met de zogenaamde internationale gemeenschap. Dat kwam ook tot uiting in het beleid ten opzichte van staten die een bedreiging zouden kunnen gaan vormen voor de VS. Het Witte Huis probeerde het gedrag van deze staten op lange termijn te beïnvloeden door ze op nationaal niveau te benaderen. Hierdoor richtte de Amerikaanse regering zich voornamelijk op China, Rusland en Irak en werden de traditionele bondgenoten enigszins verwaarloosd.[53] Het werd steeds duidelijker dat het Witte Huis weinig geduld had voor de Europese benadering van internationale problemen. Europeanen zouden het belang van macht in internationale zaken niet inzien en zich te veel bezighouden met diplomatie en appeasementpolitiek.[54]
War on Terror
Na de terroristische aanslagen van 11 september op het World Trade Center en het Pentagon werden de verschillen in buitenlands- en veiligheidsbeleid tussen de VS en Europa steeds groter. Het transatlantische gat groeide, hoewel direct na de aanslagen de banden aangehaald werden. De aanvallen op New York en Washington D.C. hadden een enorme emotionele impact op alle Amerikanen. Voor het eerst was de VS aangevallen op eigen grondgebied, waardoor de regering-Bush haar veiligheidsbeleid over een andere boeg ging gooien. Osama bin Laden eiste de aanslagen namens Al Qaeda op en voor het eerst sinds het einde van de Koude Oorlog was er weer een duidelijke vijand in beeld. De ‘war on terror’ was hiermee begonnen. In zijn toespraak op 20 september maakte Bush het de rest van de wereld duidelijk: “Our war on terror begins with al Qaeda, but it does not end there. It will not end until every terrorist group of global reach has been found, stopped and defeated.”[55] Het Witte Huis had duidelijk gemaakt dat wie er niet achter de VS stond, tot de terroristen behoorde.
Direct na de aanslagen betuigde Europa zijn solidariteit met de Amerikanen en de NAVO-bondgenoten verkaarden Artikel V, de gezamenlijke defensieclausule van het Noord Atlantisch Verdrag, voor het eerst in zijn bestaan van toepassing. Deze clausule houdt in dat een aanval op een van de lidstaten wordt beschouwd als een aanval op alle lidstaten. De NAVO kan op deze manier legitiem optreden als een van haar leden wordt aangevallen.[56] Tevens werd de brede Resolutie 1383 op 12 september in de VN Veiligheidsraad aangenomen met steun van de Europese bondgenoten, die de VS de legitimiteit gaf om te reageren op de aanvallen. Welke onenigheden er voor de aanslagen ook waren met de Verenigde Staten, zij werden door gebeurtenissen van 11 september naar de achtergrond geschoven. Door de gezamenlijke dreiging die gevoeld werd, kwamen de transatlantische partners weer nader tot elkaar. Toch waren er ook nu al weer spanningen voelbaar. De Amerikaanse plannen veroorzaakten onrust bij de bondgenoten, hoewel er over het algemeen vanuit werd gegaan dat de VS multilateraal te werk zouden gaan.
Hierin had Europa zich vergist. Ondanks alle toezeggingen tot steun werd het al snel duidelijk dat de VS niet vertraagd of gehinderd wilden worden in hun missie door internationale assistentie. Het grootse gebaar van de NAVO-bondgenoten werd door de Amerikanen zonder pardon weggewuifd.[57] In de woorden van minister van Defensie Rumsfeld, op de vraag of de NAVO zou worden gebruikt bij acties in Irak: “I can’t imagine it...it hasn’t crossed my mind.” Op 26 september werd door de onderminister van defensie Wolfowitz aan de NAVO-top duidelijk gemaakt dat er geen gebruik zou worden gemaakt van internationale- of NAVO-structuren en dat Washington niet te veel op de Europese troepen zou steunen.[58]
De breuken in de transatlantische relatie werden weer zichtbaar. Terwijl de Amerikanen spraken over oorlog tegen terreur, hekelden de Europeanen deze visie. Europa had al enige decennia te maken met terroristische aanslagen op zijn grondgebied, zoals van de IRA in Ierland en de ETA in Spanje. Europeanen vonden dat Washington de aanslagen dan ook binnen de juiste proporties moest zien. Voor de VS was dit onmogelijk, zij waren nog nooit eerder aangevallen en nooit eerder hadden er aanslagen van dit formaat plaatsgevonden. Door de verschillende dreigingpercepties waren ook de visies op de te gebruiken middelen anders. De Europeanen hadden al ervaren dat het vrijwel onmogelijk was het terrorisme uit te roeien met militair geweld, gezien de complexiteit van het probleem. Alleen door een lange termijn-beleid waarbij ook de sociale en politieke oorzaken werden aangepakt zou het mogelijk zijn het terrorisme succesvol aan te pakken. De Amerikanen zagen dit anders. Zij zetten het beleid voort dat zij al begonnen waren, waarbij het nationale belang voorop stond. Dit stond meer dan ooit tevoren vast.
De Europeanen voelden zich door de Amerikanen aan de kant geschoven, wat in feite ook gebeurd was. Volgens het Witte Huis bepaalde de missie de coalitie en niet de coalitie de missie. Daarmee werd bedoeld dat de VS niet via de gebruikelijke multilaterale instituties zoals de VN en de NAVO zou gaan om een coalitie op te zetten, maar op een ad hoc basis zou opereren. De VS waren machtig genoeg om unilateraal op te treden en zag alleen nadelen in multilaterale acties.[59] Desondanks werd er in Afghanistan opgetreden met een vrij brede coalitie “of the able and willing”.
Het Taliban-regime in Afghanistan was sinds de aanslagen meerdere malen opgeroepen om de leiders van Al Qaeda uit te leveren en de Amerikanen toegang te geven tot de terroristische trainingskampen. Hieraan werd geen gehoor gegeven, wat leidde tot de operatie Enduring Freedom in Afghanistan op 7 oktober 2001.[60] Enduring Freedom viel niet onder NAVO-auspiciën, maar kreeg ironisch genoeg meer toezeggingen voor steun en troepenleveranties van bondgenoten dan nodig waren.[61] Groot-Brittannië, Frankrijk, Canada en Turkije leverden de belangrijkste bijdragen aan de coalitie. Er werd wel gebruik gemaakt van bepaalde NAVO-middelen, zoals vliegtuigen en schepen, maar niet van de commandostructuur. Vooral de Fransen hadden hier problemen mee. Zij wilden betrokken worden bij de militaire planning en besluitvorming, omdat de Franse troepen ook bij de acties betrokken waren.[62] De Amerikanen weigerden echter elke vorm van inspraak van de bondgenoten in de missie. Het verloop van Enduring Freedom sterkte de VS in hun geloof dat dit de juiste modus operandi was. De Europese bondgenoten begonnen steeds meer kritiek te leveren op het beleid en er werd gesuggereerd dat de VS met Afghanistan te veel hooi op de vork had genomen, zoals Groot-Brittannië en Rusland eerder hadden gedaan. De vorm van de coalitie maakte het echter mogelijk voor de VS om door te zetten zonder zich veel van de kritiek aan te trekken en de missie bleek, in Amerikaanse ogen, een succes.[63]
De VS paste een strategie toe bestaande uit diverse facetten. Op diplomatiek niveau trachtte men de Taliban te isoleren en zelf brede regionale steun te verkrijgen. De militaire operatie werd klein gehouden, er werden slechts 60.000 man ingezet. De militaire acties zouden voornamelijk gerichte luchtaanvallen inhouden, die door speciale eenheden op de grond naar hun doel geleid werden. Afghaanse krijgsheren werden tegelijkertijd (financieel) gestimuleerd om gezamenlijk in opstand te komen tegen de Taliban. Op deze manier werden de militaire infrastructuur, de commandostructuur en de luchtafweer uitgeschakeld en de trainingskampen van Al Qaeda vernietigd. Vervolgens richtte men zich op het uitschakelen van de militaire eenheden van de Taliban en Al Qaeda. Deze manier van oorlogvoering bleek erg effectief: na de laatste bombardementen eind december waren twee van de drie doelstellingen bereikt. Het Taliban-regime was uitgeschakeld en Afghanistan was niet langer een toevluchtsoord voor terroristen. Het enige doel wat niet bereikt werd, was het gevangen nemen van Bin Laden en andere kopstukken van Al Qaeda en de Taliban.[64] Helaas was dit nu net de enige reden waarom de oorlog begonnen was. Het omverwerpen van het Taliban-regime was natuurlijk erg fijn voor het Afghaanse volk, maar de oorlog tegen het terrorisme was gericht tegen Al Qaeda. In dat opzicht faalde het Amerikaanse leger, aangezien Bin Laden en andere Al Qaeda-kopstukken nog steeds vrij rondlopen. Desondanks verbaasde de snelheid van de relatief kleine en ongevaarlijke missie vriend en vijand. Het militaire succes gaf de regering-Bush een nieuwe impuls om deze manier van handelen voort te zetten.
De Amerikanen faalden in diplomatiek opzicht in de aanloop naar de oorlog in Afghanistan, maar toch valt er ook wel wat te zeggen voor hun positie. Allereerst toonde Europa wederom geen politieke eenheid over haar aandeel in de strijd tegen het terrorisme. Alleen Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië coördineerden hun beleid enigszins. Europa was ook verdeeld over de manier waarop de VS de oorlog aanpakte en alleen Groot-Brittannië was niet uitgesproken negatief.[65] Daarbij was de NAVO niet erg geschikt om Enduring Freedom uit te voeren. Ten eerste betrof het een missie buiten het NAVO-grondgebied, wat ook nog eens bekend stond als een zeer moeilijk te veroveren gebied. Ten tweede is het niet raar dat de regering Bush het nu anders wilde aanpakken, met het falende optreden in Kosovo nog vers in het geheugen. Tevens speelde het probleem van interoperabiliteit mee. Het onvermogen om doelgericht samen te werken in NAVO-verband was een te groot risico voor de missie. Zelfs met de Britten, de meest hechte bondgenoten, was het niet mogelijk om samen te werken tijdens speciale operaties.[66] De bilaterale samenwerkingsverbanden, die aangegaan werden met onder andere Frankrijk en Groot-Brittannië, toonden in de ogen van het Witte Huis de goede wil van de Amerikanen aan om de bondgenoten er bij te betrekken.
As van het Kwaad
Na de overwinning op de Taliban nam de internationale gemeenschap de vredeshandhaving en de wederopbouw in Afghanistan ter hand. De Europese landen speelden een grote rol in de International Security Assistence Force (ISAF), die verantwoordelijk was voor de vredeshandhaving.[67] Intussen keken de neoconservatieve haviken van Bush al weer uit naar nieuwe doelen in de strijd tegen het terrorisme. In de State of the Union op 29 januari 2002 werden Noord-Korea, Iran en Irak door Bush aangeduid als de As van het Kwaad, waartegen de VS zou moeten optreden als zij hun gedrag niet zouden aanpassen. Het sleutelwoord werd massavernietigingswapen: de schurkenstaten die hierover beschikten, zouden de toorn van de VS over zich heen krijgen. Afghanistan was slechts het begin: “What we have found in Afghanistan confirms that, far from ending there, our war on terror is only beginning.”[68] De Bush-doctrine was geboren. Met deze doctrine eigende de regering Bush zich het recht toe om overal ter wereld preëmptieve acties uit te voeren.[69] Het oorspronkelijke doelwit Al Qaeda werd vervangen door een bredere vijand. Terwijl de defensiebudgetten verhoogd werden, keek Europa vol afgrijzen toe. Verschillende Europese leiders, waaronder de Franse premier Jospin en de Duitse minister voor Buitenlandse Zaken Fischer, veroordeelden de toespraak van Bush. De retoriek was te simplistisch en er werd duidelijk gemaakt dat het Witte Huis zich niet zou laten tegenhouden door welke bondgenoot dan ook. In deze toespraak werd ook voor het eerst verwezen naar Irak als potentieel doelwit van een preventieve oorlog, wat grote onrust opwekte in Europa.
Deze zorgen bleken gegrond. De Bush-doctrine, die berustte op de concepten van de preëmptive aanval en verandering van regime, betekende een belangrijke verschuiving in de voorwaarden voor externe interventie. In plaats van: geen slachtoffers aan Amerikaanse zijde werd de voorwaarde nu: geen gevaar voor de Amerikaanse veiligheid. De oorlog tegen terreur en proliferatie was de speerpunt van het buitenlands beleid geworden. Amerika bevond zich in een constante staat van defensie, wat geïllustreerd wordt door het feit dat de staat van paraatheid elke morgen bekend gemaakt werd aan het Amerikaanse volk.
Europeanen namen de dreiging van het terrorisme ook zeer serieus, maar zij vonden het Amerikaanse beleid gevaarlijk simplistisch. De gevaren van politieke instabiliteit en humanitaire rampen, waarmee Europa in de jaren negentig veelvuldig geconfronteerd werd in de Balkan, moesten zeker niet uit het oog verloren worden. Daarbij waren georganiseerde misdaad, het toenemende aantal ‘mislukte staten’ en slecht gereguleerde globalisering ook problemen waar rekening mee moest worden gehouden. Wederom liepen de Amerikaanse en de Europese dreigingpercepties uiteen. De strategieën waren dan ook anders. Europa zag geen schurkenstaten maar mislukte staten. De as van het kwaad was een Amerikaanse uitvinding en vond in Europa geen navolging. Tenslotte zag Europa terrorisme en proliferatie niet als problemen die overal ter wereld met dezelfde maatregelen konden worden aangepakt. Het waren brede en complexe zaken die niet met militaire macht alleen konden worden uitgeroeid.[70] Met diplomatie en humanitaire steun zou er meer bereikt worden dan met militaire dreiging.
De toon van het nieuwe neoconservatieve Amerikaanse veiligheidsbeleid was echter gezet. Het recht op zelfverdediging, dat de oorlog in Afghanistan rechtvaardigde, werd door de VS gezien als een permanent recht. Het was daarom volgens het Witte Huis niet nodig om via de VN toestemming te vragen voor preventieve oorlogen. Zo werd het ook letterlijk gezegd door Paul Wolfowitz in februari 2002: “We have been attacked. We don’t need a UN resolution for our self defence”.[71]
Irak
Gedurende 2002 domineerde de discussie over het te voeren Irak-beleid de transatlantische verhoudingen. Richard Clarke, sinds 1992 voorzitter van de Counterterrorism Security Group, beschreef hoe de Amerikaanse beleidsmakers al sinds de aanslagen door Al Qaeda hamerden op een connectie tussen Bin Laden en Irak. Wolfowitz stelde dat de aanslagen onmogelijk alleen door Al Qaeda konden zijn uitgevoerd. Er moest een staat achter zitten, en die staat was Irak. Rumsfeld en Cheney benadrukten ook de rol van Irak. Vanaf dat moment stond het omverwerpen van het Irakese regime hoog op de agenda.[72] Voor de rest van de wereld werd het eind 2002 steeds duidelijker dat de Amerikanen hoe dan ook militaire actie zouden gaan ondernemen. De Amerikanen zagen in Irak een schurkenstaat, geleid door de meedogenloze Saddam Hoessein, die vrijwel zeker over massavernietigingswapens beschikte. Daarbij tartte Saddam de internationale gemeenschap al jaren door VN-sancties te negeren. Kortom, Irak was een reële dreiging waarmee afgerekend moest worden. Daarbij zag een meerderheid van de Amerikanen inmiddels een verband tussen Al Qaeda en Saddam Hoessein, een visie die door de regering in de hand gewerkt werd.[73]
Europa was verdeeld over de kwestie. Groot-Brittannië, Spanje en Polen stonden achter de VS, maar zij pleitten wel voor multilateraal optreden. Frankrijk was voor de verwijdering van het regime, maar huiverig voor de beerput die daarmee geopend werd. Zowel Groot-Brittannië als Frankrijk waren sceptisch over de Amerikaanse verwachtingen. Duitsland was tegen het gebruik van geweld.
De Amerikaanse en Europese verwachtingen lagen ver uit elkaar. De Amerikanen dachten dat Irak snel veroverd kon worden en werden in deze gedachte gesterkt door het succes in Afghanistan. De stabilisatie zou snel volgen en het democratiseringsproces dat vrijwel zeker in gang zou worden gezet, zou democratie naar het Midden-Oosten brengen. Dit zou een stabiliserende werking op de regio hebben. Dat er geen democratische traditie bestond in het Midden-Oosten deed niets af aan de hooggespannen Amerikaanse verwachtingen. Ideologische motieven wonnen het van de realistische. De Europeanen hadden een andere visie. De invasie zou kunnen leiden tot een langdurige bezetting, die antiwesterse sentimenten en terrorisme juist zou aanwakkeren.[74] Indien er dan toch geïntervenieerd moest worden, dan wel zeker in multilateraal verband met toestemming van de VN.
In tegenstelling tot wat het Witte Huis deed voorkomen, was er in de VS grote verdeeldheid over de invasie van Irak. Vooraanstaande deskundigen, waaronder Brent Scowcroft, James Baker, Samuel Huntington en Henry Kissinger, waarschuwden de regering Bush. Scowcroft en Huntington pleitten tegen de oorlog, omdat de consequenties niet te overzien zouden zijn en het de strijd tegen het terrorisme niet zou helpen. Baker en Kissinger waren niet tegen de invasie, maar maakten zich wel ernstige zorgen over de kosten en de risico’s. Ook wezen zij op het belang van een VN-resolutie. Zo’n 56 procent van de Amerikaanse bevolking steunde in augustus 2002 de plannen voor de invasie.[75] Binnen de regering zelf was er verdeeldheid tussen de haviken en de meer gematigde conservatieven als Powell en Rice. De haviken, onder leiding van Cheney, vonden dat de legitimiteit voor de aanval al aanwezig was door de constante weigering van Saddam om mee te werken aan de VN-sancties. Cheney paste in de zomer van 2002 harde retoriek toe, waardoor het de Europese bondgenoten duidelijk werd dat de invasie en de unilaterale manier waarop deze uitgevoerd zou worden, in Amerikaanse ogen vast stond.
Door de interne discussie in Washington en de verharding van het Amerikaanse standpunt, was ook de discussie in Europa zeer verhit geraakt. De verdeeldheid van de EU hielp ook niet mee in de zoektocht naar een consensus met de Amerikanen. Tony Blair bleef de VS steunen, maar drong wel aan op het verkrijgen van legitimiteit via de Veiligheidsraad. De Britse premier kreeg namelijk harde binnenlandse kritiek te verduren, aangezien het merendeel van de Britten tegen de oorlog was. Spanje en Italië schaarden zich ook achter Washington. De Duitse bondskanselier Schröder gebruikte zijn felle anti-oorlogstandpunt echter als wapen in zijn verkiezingscampagne. Voor het eerst sinds het einde van de Koude Oorlog keerden de Duitsers zich openlijk tegen de Amerikanen, waardoor de Amerikaans-Duitse betrekkingen ernstig bekoelden.[76] Ook keerden België, Frankrijk en Rusland zich tegen het gebruik van geweld. Frankrijk wilde Irak aanpakken via de VN-wapeninspecties en was tegen het gebruik van geweld. Chirac wilde de Amerikanen echter niet zo openlijk confronteren als de Duitse bondskanselier, met als risico dat de VS zich helemaal van de VN zou afkeren. De organisatie zou dan een groot deel van haar bestaansrecht verliezen. Daarom koos Chirac voor een sterke veroordeling van Saddam Hoessein, terwijl hij tegelijkertijd het belang van de Veiligheidsraad benadrukte. Hij deed zelfs een voorstel voor twee resoluties. De boodschap was duidelijk: het gebruik van militaire middelen werd niet uitgesloten, maar dan wel binnen VN-verband.[77] Onder druk van de kritiek in eigen kring en gesterkt door de Britse en Franse steun besloot de regering-Bush in september terug te keren naar de Veiligheidsraad.
Het resultaat was de ambigue resolutie 1441. Hierin werd vastgelegd dat Irak in overtreding was van verschillende VN-resoluties onder Hoofdstuk VII van het Handvest, waarmee militaire actie gelegitimeerd was. Irak moest volledige inzage geven in zijn wapenarsenaal en meewerken aan een uitgebreide wapeninspectie door de VN. Het achterhouden van informatie en de weigering om op enige manier mee te werken zou als verdere overtreding worden gezien en zou serieuze consequenties tot gevolg hebben. Er was onduidelijkheid over de te nemen actie indien Irak niet meewerkte.[78] Twee interpretaties waren mogelijk: de wapeninspecteurs en de VN zouden zich over het probleem buigen en besluiten welke actie er genomen werd, of de legitimiteit tot het nemen van actie lag al in resolutie 1441, waardoor het de VS vrij stond om aan te vallen. Toen Saddam Hoessein in december aankwam met een wapenverklaring bestaande uit oude en incomplete data, was volgens Washington de maat vol. Frankrijk en andere leden van de Veiligheidsraad zagen dit echter als een teken van coöperatie van het Irakese regime en zij wilden de wapeninspecties afwachten. Bush besloot daarop militaire acties uit te stellen.[79]
Gedurende december en januari bleven de Europese leiders hopen dat oorlog voorkomen kon worden. In januari bleek echter uit de hoeveelheid troepen die Washington naar de Perzische Golf had gezonden sinds het voorjaar van 2002 dat de invasie onvermijdelijk was.[80] Frankrijk nam meteen maatregelen door Irak op te roepen mee te werken aan de resolutie en door nogmaals te wijzen op het belang van een besluit van de Veiligheidsraad betreffende het gebruik van geweld. De banden met Rusland en Duitsland werden aangehaald. De Villepin probeerde Washington te overreden de wapeninspecties af te wachten, maar de boodschap was duidelijk. Irak had genoeg kansen gehad en de maat was vol. Amerika zou het rapport van de wapeninspecteurs van 27 januari afwachten en daarna een beslissing over het gebruik van geweld nemen. De Villepin verklaarde na een Veiligheidsraadbijeenkomst tegenover de pers dat niets militaire acties tegen Irak zou legitimeren en suggereerde dat Frankrijk zelfs gebruik zou maken van het vetorecht, indien er een resolutie voor het gebruik van geweld ter stemming zou komen. Twee dagen daarna verklaarden Chirac en Schröder dat zij hetzelfde standpunt hadden ten aanzien van Irak: alleen de Veiligheidsraad kan en mag zulke beslissingen nemen en oorlog was een zwaktebod. Erger had Frankrijk Washington niet kunnen beledigen.
Een week later verscheen er een open brief van acht Europese leiders in verschillende kranten. De leiders van Groot-Brittannië, Spanje, Italië, Polen, Denemarken, Hongarije, Portugal en Tsjechië betuigden hierin hun steun aan de VS. Duitsland en Frankrijk waren woedend en Duitsland verweet de ondertekenaars het GBVB te ondermijnen. Dat zij zelf unilateraal de oorlog hadden veroordeeld was blijkbaar vergeten. De verdeeldheid in Europa groeide met de dag en de EU leek met de dag zwakker.
De oppositie was ook merkbaar binnen de NAVO. Al in november waren de VS begonnen met het aan boord brengen van de Alliantie in het geval van een oorlog tegen Irak. Dit was het gevolg van de kritiek die de Amerikanen te verduren hadden gekregen nadat ze de NAVO gepasseerd hadden tijdens Afghanistan. De NAVO zou volgens de plannen worden ingezet ter bescherming van Turkije, van de Amerikaanse schepen die via de Middellandse Zee naar de Perzische Golf voeren en van de Amerikaanse- en NAVO-bases in Europa. Tevens zouden de Amerikaanse troepen die nu in de Balkan actief waren, vervangen worden door NAVO-troepen. De meeste NAVO-leden stonden positief tegenover deze maatregelen, als er maar geen ruchtbaarheid aan zou worden gegeven. Halverwege januari lekte het plan echter uit en België, Duitsland, Frankrijk en Luxemburg eisten dat de planning meteen zou worden stopgezet. Doorgaan zou betekenen dat de beslissing ten opzichte van de oorlog al genomen was. Washington wilde geen weigering accepteren van de Alliantie en bleef vooral hameren op de verdediging van Turkije tijdens een eventuele oorlog. De vier weken echter niet van hun standpunt af, waardoor de NAVO niet aan de Amerikaanse verzoeken kon voldoen. De blokkering werd sterk veroordeeld door de Amerikanen en de NAVO verloor een groot deel van haar geloofwaardigheid. Uiteindelijk vroeg Turkije rechtstreeks steun aan de NAVO onder Artikel IV, waardoor België en Duitsland toegaven.[81]
De Franse standvastigheid leverde grote problemen op voor Blair en Bush, die liever een consensus zouden zien. Vooral voor Blair kon het grote consequenties hebben, aangezien hij in december 2002 had toegezegd niet zonder VN-resolutie de oorlog in te gaan.[82] Om zijn vriend Blair te steunen had Bush ingestemd om nogmaals naar de Veiligheidsraad te stappen. Tegelijkertijd hadden de Fransen echter hun beleid omgegooid. Zij hadden Washington geadviseerd de Veiligheidsraad te passeren en de aanval te legitimeren met de eerste resolutie. Een tweede resolutie zouden de Fransen niet kunnen goedkeuren en daarom moesten Frankrijk en Amerika er voor kiezen het niet met elkaar eens te zijn.[83]
Blair en Bush hadden de omvang van de Franse weerstand onderschat. Maar ook onder de andere leden van de Veiligheidsraad bleef de oppositie groot: Rusland, China, Duitsland en Turkije lieten zich niet vermurwen door de VS. Chili, Mexico, Guinee, Kameroen, Angola en Pakistan stonden bekend als de Besluiteloze Zes en zouden waarschijnlijk niet instemmen met geweld als de andere leden tegen bleven. De enige mogelijkheid om een resolutie te laten passeren was de meerderheid van de stemmen in de Veiligheidsraad te verkrijgen en een veto van China en Rusland te voorkomen, waarmee Frankrijk geïsoleerd zou raken. Ondanks weken van lobbyen lukte het niet om een acceptabele tweede resolutie op tafel te krijgen. Frankrijk weigerde een resolutie waarin een kort ultimatum voor Irak werd opgenomen te accepteren en werd hierin gesteund door Rusland en Duitsland. Hiermee was de mogelijkheid tot een tweede resolutie definitief van de baan. Washington en Londen troffen de voorbereidingen voor de oorlog en kondigden op 17 maart 2003 een ultimatum van 48 uur voor Saddam Hoessein aan om af te treden. Twee dagen later begon de invasie.[84]
Nederland stond positief tegenover militair optreden, mits dit in VN-verband zou gebeuren. Toen bleek dat de invasie door de VS en Groot-Brittannië onvermijdelijk was, besloot het demissionaire kabinet-Balkenende I de oorlog tegen Irak niet militair, maar wel politiek te steunen.[85] Premier Balkenende zei te betreuren dat er geen overeenstemming over militair optreden in de Veiligheidsraad was bereikt en verklaarde dat de oorlog legitiem was. Voor een militaire bijdrage was echter geen breed draagvlak in de samenleving en het parlement.[86]
Transatlantische crisis
De oorlog in Irak, maar vooral het diplomatieke gestuntel in de aanloop daar naartoe, veroorzaakten de grootste crisis in de transatlantische verhoudingen sinds vijftig jaar. De regering-Bush had de traditionele diplomatie vervangen door de doctrine van de preventieve oorlog, en bondgenoten hadden geen invloed op het beleid. Daarbij breidde Bush de definitie van een goede bondgenoot steeds meer uit. Eerst was het genoeg om samen met de VS tegen Al Qaeda te zijn. Korte tijd later werden de bondgenoten geacht de invasie van een soevereine Arabische staat goed te keuren en hieraan mee te helpen, waarmee de doctrine van de preëmptieve oorlog ook aangenomen zou worden.[87] Voor veel landen was dit te gortig. Zelfs Atlantisch gerichte landen als Duitsland en Turkije keerden zich van de regering-Bush af. De landen die niet achter de VS stonden, werden door Rumsfeld neerbuigend het ‘oude Europa’ genoemd. Het ‘nieuwe Europa’, onder leiding van Berlusconi’s Italië, was de toekomst en daar moest Amerika zich op richten.[88] Duitsland werd op een lijn geplaatst met Cuba en Libië, wat het niveau van de regering-Bush goed illustreert.
De argumenten waarmee de Amerikanen de oorlog probeerden te rechtvaardigen, zijn op z’n zachts gezegd zwak te noemen. De kans dat er massavernietigingswapens zouden worden gevonden was al voor het begin van de oorlog miniem te noemen. De wapeninspecteurs onder leiding van Hans Blix voerden zo’n 300 inspecties per maand uit en er werd niets aangetroffen. Nu, bijna twee jaar na het begin van de oorlog, is bekend dat noch Bush noch Blair beschikte over onweerlegbaar bewijs dat er massavernietigingswapens in Irak waren. Hans Blix werd begin 2003 onder grote druk gezet door de regering Bush om deze wel te vinden. In plaats van met hem samen te werken werd ook Blix slachtoffer van de Amerikaanse haviken. Cheney maakte hem duidelijk dat de VS hem zonder meer in diskrediet zouden brengen indien zij fouten aantroffen in zijn rapporten.[89] Blix verklaarde in zijn boek ‘Disarming Iraq’, dat in zijn ogen de oorlog te vroeg is begonnen. De enige illegale wapens die gevonden werden door de wapeninspecteurs waren al-Samoudraketten met een te groot bereik. Deze werden direct door de Irakezen vernietigd.[90]
Het argument dat de aanval noodzakelijk was om de autoriteit van de VN vergroten was al ondermijnd door Washington in de voorgaande maanden. Humanitaire motieven waren evenmin steekhoudend, gezien de reputatie die de regering had ten opzichte van humanitaire interventies. Het Amerikaanse leger was ook niet getraind in vredeshandhaving en wederopbouw. ‘ Shock and awe’, imponeren en met veel geweld een regime omverwerpen, dat was de Amerikaanse aanpak. Los van het feit dat de argumenten niet sterk waren, bracht de regering geen coherent standpunt naar buiten. De verdeeldheid binnen de regering gaf ook de bondgenoten genoeg reden tot twijfel. Door deze halfhartige aanpak van de regering Bush was er van de solidariteit na 11 september niets meer over.
Commentatoren van Europese en Amerikaanse zijde stellen dat de regering Bush vanaf eind 2001 van plan was geweest om Irak aan te vallen en dat de Europese bondgenoten Washington nooit hadden kunnen temperen.[91] Zelfs met deze kennis in het achterhoofd blijft het verbazingwekkend te zien hoe de regering Bush heeft gefaald om bondgenoten achter zich te scharen in de strijd tegen Saddam Hoessein. Veel was daar niet voor nodig: ook voor de Europese leiders was het duidelijk dat Irak aangepakt moest worden. Daar getuigde de unanieme aanname van resolutie 1441 wel van. Maar in plaats van overredende diplomatie toe te passen, werden de Europese leiders geconfronteerd met de harde retoriek van de haviken en keer op keer geschoffeerd door Washington. Zelfs de leiders van de landen die wel achter de VS stonden beklaagden zich over de handelswijze van het Witte Huis. Ze werden te weinig geconsulteerd en de toegepaste diplomatie was in het beste geval ineffectief en in het ergste geval beledigend.[92] De landen van het oude Europa werden door Wolfowitz bestempeld als zwak en bang voor hun kiezers. De coalitiepartners waren daarentegen sterk en daadkrachtig. Het feit dat in vrijwel alle Europese landen, zelfs in Italië en Groot-Brittannië, de meerderheid van de bevolking tegen de oorlog was, werd voor het gemak buiten beschouwing gelaten. De steun voor de oorlog zonder VN-mandaat was in West- en Oost-Europa niet hoger dan 11 procent.[93] Met enorme demonstraties werd overal in Europa geprotesteerd tegen de Amerikaanse oorlog. Het harde Duitse standpunt tegen de oorlog werd dan wel door velen afgedaan als een verkiezingsstunt van Schröder, maar in feite had het beleid wel de steun van het overgrote deel van de Duitse bevolking. Naar de protesten van de Britten en de Italianen werd niet geluisterd door hun regeringen.
Kortom, de relatie tussen Washington en de Europeanen was begin 2003 behoorlijk verzuurd en het zag er niet naar uit dat er snel een verzoening zou plaatsvinden. De rol van de NAVO was wederom gemarginaliseerd door toedoen van de VS en er was weinig cohesie meer tussen de leden. Ook de EU kwam niet ongeschonden uit de strijd. De netelige kwestie verdeelde de lidstaten en diplomatie vond plaats op nationaal niveau in plaats van op EU-niveau. Europese leiders zoals Chirac en Schröder handelden helemaal los van de EU. Dit tastte de geloofwaardigheid van de Unie aan, in Amerikaanse ogen werd bevestigd dat de EU een onbetrouwbare partner was. De verdeel-en-heerspolitiek werd toegepast. Het was blijkbaar meer in het voordeel van de regering-Bush om zaken te doen met een verdeeld Europa, dan met een sterke, verenigde Unie, die een sterke tegenstander zou zijn. Het beleid ten opzichte van de Europese integratie veranderde hierdoor: de integratie werd nu argwanend bekeken.[94]
Operation Iraqi Freedom
Vanaf begin af aan was duidelijk dat de oorlog in Irak de VS niet zo gemakkelijk zou afgaan als in Afghanistan. Het was niet zozeer de Republikeinse Garde die angst inboezemde, maar men maakte zich wel zorgen over het gevaar van asymmetrische oorlogsvoering in de steden. Dit zou veel slachtoffers kunnen gaan kosten.[95]
De invasie begon met een bombardement op een bunker in Bagdad, waarin zich Saddam Hoessein en andere hoge officieren zouden bevinden. Tegelijkertijd werden de speciale troepen van de coalitie, bestaande uit Australië, Groot-Brittannië en de VS, actief. De volgende dag trokken Britse en Amerikaanse troepen Irak binnen. De invasie verliep sneller dan verwacht, de Amerikanen en Britten konden vrij snel via het zuiden verder het land binnentrekken. Op 22 maart kwamen de troepen bij de grote steden Um Qasr, Basra en Nasiriya, waar het verzet groot was. De laatste weken van maart werd er hevig gevochten in deze steden. Intussen werden Bagdad, Mosul en Kirkuk hevig gebombardeerd, als onderdeel van de ‘shock and awe’ strategie om het verzet te breken. Begin april bereikten de coalitietroepen Bagdad en op 9 april namen de Amerikaanse troepen de stad in. Hiermee werd een einde gemaakt aan het bewind van Saddam Hoessein, die 24 jaar aan de macht was geweest. Op 13 april viel Tikrit, waar Saddam Hoessein was opgegroeid, in handen van de Amerikanen. Dit was de laatste stad die veroverd moest worden en op 1 mei verklaarde Bush de oorlog ten einde.
Hoewel het einde van de oorlog was aangekondigd, betekende dit niet dat het geweld gestaakt werd. Na de verwijdering van het regime werd er op grote schaal geplunderd in de grote steden en de onrust was groot. De schade aan de infrastructuur, economie en het cultureel erfgoed was enorm. Teven