| Economische impact van de strenger wordende overheidsbeperkingen voor de tabaksindustrie in België. (Frederik Vandermarliere) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Tabak bestaat al honderden jaren. Na zijn ontdekking van Amerika kwam Colombus terug met enkele tabaksblaadjes. Toen Jean Nicot, een Franse ambassadeur in Portugal, Katharina De Medici tabak in snuifvorm zond als middel tegen hoofdpijn, verspreidde de gewoonte om tabak te snuiven, te pruimen en te roken zich over Europa. Heden ten dage is tabak geen geneesmiddel meer. Het is één van de meest besproken genotsmiddelen en wordt over de ganse wereld bestreden. Des te meer dat mijn vader werkzaam is in de tabaksindustrie en ik dus als het ware opgegroeid ben onder een tabaksblad, heeft dit eindwerk tot doel te bekijken wat de overheid juist aan reglementeringen oplegt aan de tabaksindustrie en wat de effecten hiervan zijn.
In 1962 en 1964 verschenen respectievelijk in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten de eerste rapporten over de mogelijke negatieve gevolgen van het roken. Na het publiceren van een tweede rapport van Britse geneesheren tegen het roken, werden de eerste reglementeringen van overheidswege ingevoerd. Dit was vooral om de bevolking in te lichten over de gevaren van het roken. In België verschijnt op 14 juni 1975 de wet van 3 april 1975 die het verplicht maakt op elke verpakking in de drie landstalen ‘sigaretten roken kan uw gezondheid schaden’ te vermelden. Sindsdien ging de bal aan het rollen en werden vanuit de overheid meer en meer wetten gestemd tegen het roken. Vooral sinds de wet Vanvelthoven, die de reclame van tabak in België verbood, heeft de overheid een steeds duidelijker standpunt ingenomen tegenover tabak. Dit bleek nog maar eens in het begin van dit jaar, wanneer nieuwe wetten in voege getreden zijn die een stuk strenger zijn dan vroeger. Ook naar de toekomst toe, lijkt het hiermee nog niet voorbij. Minister Demotte heeft een plan ingediend om het tabaksgebruik in België verder te bestrijden.
De grote vraag echter blijft wat deze maatregelen allemaal effectief opbrengen. Wat zijn de effecten van de huidige tabaksreglementering? Behaalt deze reglementering de beoogde effecten? Welke reglementeringen beïnvloeden welk deel van de bevolking en is dit de doelgroep? Welke regelgeving heeft het meeste effect en waarom?
Om deze vragen op te lossen wordt eerst bekeken hoe de tabaksreglementering eruit ziet en op welke gebieden ze inspeelt. Dit onderdeel wordt opgesplitst in drie delen. Een eerste deel beschrijft de tabaksmarkt zelf in België en Europa. Wat is het economische belang van de sector? Hoeveel mensen zijn er in tewerkgesteld? Wat is de kost aan de gezondheidszorg van tabak? Wat zijn de fiscale inkomsten en hoe zijn deze geëvolueerd de laatste jaren? Hoe worden de tabaksproducten gedistribueerd in België? Verder in dit eerste hoofdstuk wordt het onderscheid verduidelijkt tussen de drie productgroepen, namelijk sigaretten, sigaren & cigarillo’s en kerftabak.
Een tweede vraag die wordt gesteld in de beschrijving van de tabaksreglementering, handelt over de accijnzen en wordt besproken in het tweede hoofdstuk. De vraag die hierbij opkomt is hoeveel een pakje sigaretten in feite werkelijk kost aan de fabrikanten. Wat zijn accijnzen precies en hoeveel bedragen die in België? Is dit gelijkaardig met de accijnzen in de buurlanden? Wat brengt de toekomst, blijft het zoals het is of komen er verhogingen op korte termijn? Wat wordt precies gedaan met het verkregen geld? Bestaat er een speciaal fonds waar dit geld in terechtkomt, en zo ja, wat gebeurt er precies met deze middelen? Dit hoofdstuk is belangrijk in de verdere bespreking, daar de tabaksindustrie waarschijnlijk naast de wapenproductie één van de enige productietakken is waar de overheid een dubbele rol vertolkt die heel gevoelig ligt. Langs de ene kant moeten zij de volksgezondheid behartigen en mensen ontmoedigen om te roken, maar langs de andere kant weet iedereen dat de overheid grote inkomsten uit tabak heeft, door de grote accijnsheffing die erop heerst.
Een derde maatregel is die op het marketingaspect. Dagelijks wordt bijna iedereen geconfronteerd met de grote gezondheidswaarschuwingen die op tabaksverpakkingen te bewonderen zijn. Dit is een onderdeel van het derde hoofdstuk. Naast deze waarschuwingen op de verpakking zijn er nog een hoop andere vermeldingen die opgelegd worden door de overheid en mag niet altijd en overal vrij gerookt worden. Wat houden deze wetten precies in? Wie zijn de betrokken partijen en hoe worden die beïnvloed door de reglementering? Hoe zijn die wetten ontstaan en wat was het verzet ertegen waard? Mag er niets meer van reclame gemaakt worden en hoe zit dat in de rest van de Europese Unie? Hoe wordt de toekomst voorspeld? Zijn de gezondheidswaarschuwingen met foto’s ook in België bijna realiteit? Het derde hoofdstuk probeert op deze vragen te beantwoorden en een zo duidelijk mogelijk beeld te geven van de wetgeving.
Uiteindelijk komt de economische kant van de zaak aan bod. Al de maatregelen die in voorgaande hoofdstukken aan bod kwamen, hebben een economische impact. De vraag die we in dit derde deel zullen stellen is wat die impact precies is. Dit handelt zowel over verminderde verkoop voor de fabrikanten zelf en tevens verminderde inkomsten voor de overheid, als over indirecte gevolgen, bijvoorbeeld voor bepaalde evenementen, die de maatregelen met zich meegebracht hebben. Is de verkoop minder na de invoering van verhoogde accijnzen? Werkt dit smokkel en namaak in de hand? Wat is de prijselasticiteit van de vraag naar tabaksproducten? Zijn jongeren prijsgevoelig of juist niet? Heeft het verbod op reclame van enkele jaren terug directe invloed gehad op het rookgedrag? Zijn er veel manifestaties ten onder gegaan aan de mindere sponsoring? In een vierde hoofdstuk komen deze vragen aan bod en wordt via studies een antwoord gezocht.
Tenslotte wordt de vraag gesteld of deze theoretische economie ook in de praktijk voorkomt. Anders gezegd, hoe gaat men in de praktijk om met die reglementering? Een tabaksbedrijf wordt doorgelicht en de concrete gevolgen voor hen, worden tegenover de theorie geplaatst. Zo wordt proefondervindelijk getoetst wat ervoor werd besproken. Zijn de resultaten effectief minder dan voorheen? Wat is het standpunt tegenover smokkel en namaak? Heeft men een verschil gevoeld na de invoering van het reclameverbod? Is de verkoop gedaald en heeft men zijn positie op de markt kunnen behouden? Met behulp van een interview met enkele werknemers en de algemene directeur wordt hierover de bevindingen neergepend in een vijfde hoofdstuk.
Tot slot worden alle bevindingen die voortvloeien uit dit eindwerk samengevat in een algemeen besluit.
Hoofdstuk 1 De tabakssector in België
1.1 Inleiding
In dit eerste hoofdstuk zullen we een korte schets geven van de indeling van de tabakssector en de situatie in België. Eerst zullen we het economische belang van de sector toelichten. In het tweede onderdeel van dit hoofdstuk zullen we de drie productgroepen van de sector bespreken, namelijk sigaretten, sigaren en kerftabak. Hierbij bekijken we de Belgische markt en loeren ook eens wie de vijf grootste spelers zijn in Europa en de wereld. Afsluitend aan dit eerste hoofdstuk overlopen we kort de verschillende maatregelen die de overheid heeft uitgevoerd en in de toekomst zal uitvoeren, betreffende deze sector.
1.2 Het economische belang van de sector
In dit eerste onderdeel wordt de tabakssector gesitueerd in de Belgische economie. We zullen kort de tewerkstelling, de kost van de gezondheidszorg en de fiscale opbrengsten van de overheid overlopen en bekijken welke impact deze hebben op de Belgische economie.
1.2.1 Tewerkstelling
Volgens de gele brochure van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (2002) waren er op 30 juni 1985 in België 5.798 personen tewerkgesteld in de tabaksnijverheid. Zeventien jaar later, op 30 juni 2002, waren dat nog 2.802 personen en dit vooral op de sigarettenmarkt. Automatisering en delocalisatie zijn de voornaamste factoren die wegen op de tewerkstelling in de tabaksnijverheid. De productie van sigaretten gebeurt door machines die weinig personeel vereisen. De huidige machines produceren 20.000 sigaretten per minuut[1].
Naast het effect van automatisering, is er ook het fenomeen van de delocalisatie. Sinds 1982 is de Belgische sigarettennijverheid volledig in handen van grote buitenlandse bedrijven. Deze bedrijven plannen hun bedrijvigheid in een globale context, waarbij enkele productie-eenheden worden weerhouden die modern zijn, volledig geautomatiseerd en ingeplant op strategische plaatsen, bij voorkeur in landen die gunstig staan tegenover de tabaksindustrie.
In die zin werd de productie-eenheid van Reynolds in Brussel in 1989 gesloten en overgeheveld naar Trier in Duitsland. Hetzelfde scenario gold voor Philip Morris, die zijn fabriek in Elsene sloot in 1994 en overhevelde naar Bergen-op-Zoom in Nederland. In 1998 tenslotte werd de productie van Cinta-sigaretten eveneens naar Duitsland overgeheveld en werd de Belgische productie-eenheid van BAT verder afgeslankt. Tabacofina-Vander Elst, een dochter van de Britse tabaksreus British American Tabacco (BAT), doekt nu ook zijn sigarettenfabriek in Merksem[2] op. Hiermee is de laatste producent van sigaretten ons land uit en concentreert de sector zich voornamelijk op de distributie. Deze sluiting toont aan dat de tewerkstelling in de tabaksindustrie er de komende jaren waarschijnlijk niet op vooruit zal gaan. Deze teloorgang van de tewerkstelling heeft weinig te maken met de dalende verkoop, maar wel met de politiek van de grote multinationale bedrijven, die hun industriële productiecentra tot enkele sterk geautomatiseerde eenheden in Europa beperken.
Daarnaast worden er nog mensen tewerkgesteld in de tabaksteelt. In 2000 waren er in België 262 telers werkzaam. De tabaksteelt in België bedraagt 1.600 ton en maakt deel uit van de Europese landbouwpolitiek, die sterk gesubsidieerd wordt. Per jaar bijvoorbeeld bedragen de tabakssubsidies in Vlaanderen alleen al ongeveer drie en een half miljoen euro, zijnde 4,4% van de totale subsidiëring van de landbouw (Ministerie Vlaamse Gemeenschap, departement Landbouw en Visserij, adm. Landbouwproductiebeheer, 2002). De tewerkstelling in de tabaksteelt wordt dus vooral door subsidies in stand gehouden. Verder in dit werk zullen we echter de tabaksteelt in België buiten beschouwing laten, daar het buiten het bestek van dit onderwerp valt.
1.2.2 Kost gezondheidszorg
Rokers zijn vaker ziek dan niet-rokers, consulteren vaker hun arts en kunnen zware medische interventies ondergaan. Deze extra kosten worden gedeeltelijk door de ziekteverzekering terugbetaald en vallen ten laste van de gemeenschap. Volgens de Wereldbank bedragen de kosten van het roken in de rijke landen 6 tot 15% van de globale ziektekosten. In België worden de uitgaven voor de gezondheidszorg in het kader van de ziekteverzekering in 2003 op 15.341 miljoen euro begroot (2003, RIZIV).
1.2.3 Fiscale inkomsten van de overheid
Globaal bedroegen in 2003 de Belgische fiscale ontvangsten op tabaksproducten 1.586 miljoen euro, BTW niet meegerekend (Studie- en Documentatiedienst &Hoge Raad van Financiën, 2004). Vergelijken we voor 2001 de fiscale inkomsten en de uitgaven voor tabakspreventie dan waren deze laatste haast 8.000 maal kleiner: de uitgaven voor preventie bedroegen in 2001 ongeveer 170.000 euro. Voor 2004 zijn enkel de cijfers van de maand januari vermeld.
Tabel I : De fiscale inkomsten uit tabakswaren in België in de periode 1990-2003 (in duizenden franken en Euro)
(Bron: Studie- en Documentatiedienst &Hoge Raad van Financiën, fiscale opbrengsten 1970 – 2004)
|
|
Duizenden BEF |
Duizenden EUR |
|
1990 |
33.939.531,13 |
841.339 |
|
1991 |
36.634.276,79 |
908.140 |
|
1992 |
37.106.293,96 |
919.841 |
|
1993 |
35.674.308,19 |
884.343 |
|
1994 |
37.881.223,43 |
939.051 |
|
1995 |
39.842.186,31 |
987.662 |
|
1996 |
42.125.707,03 |
1.044.269 |
|
1997 |
45.487.997,36 |
1.127.618 |
|
1998 |
47.585.228,42 |
1.179.607 |
|
1999 |
50.146.570,03 |
1.243.101 |
|
2000 |
54.820.592,88 |
1.358.967 |
|
2001 |
53.585.143,11 |
1.328.341 |
|
2002 |
59.194.607,90 |
1.467.396 |
|
2003 |
64.008.932,93 |
1.586.740 |
|
2004 |
5.285.535,40 |
131.025 |
1.3 Distributie in België
Het is niet onbelangrijk in te zien hoe de distributie van tabaksproducten in België verloopt. Hieronder wordt grafisch voorgesteld hoe dit gebeurt.
Figuur 1 : Distributiesysteem tabaksproducten België (Informatie- en Documentatiecentrum over Tabak vzw, 2000)

De importeurs en fabrikanten leveren rechtstreeks aan de groothandel, die op zijn beurt de verkooppunten van tabakswaren bevoorraad. Het grote verschil met bijvoorbeeld Frankrijk is dat we in België niet met een tabaksmonopolie zitten die de verdeling van de producten op zich neemt.
In een land met een tabaksmonopolie, bestellen de winkeliers die tabak verkopen aan één bedrijf, vandaar ‘tabaksmonopolie’. In Frankrijk noemt dit bedrijf Altadis, een samensmelting van het vroegere tabaksmonopolie van Frankrijk (Seita) en van Spanje (Tabacalera). De werking van de distributie en verdeling van tabakswaren is als volgt. Altadis bezit in Frankrijk één groot centraal depot waar de fabrikanten en importeurs hun producten leveren en van waaruit ze alle producten zelf over de verkooppunten verdeelt, naargelang de bestelling die de verkoper heeft ingevoerd. In België daarentegen moeten fabrikanten en importeurs de bestellingen van de klanten opnemen en verwerken. Daarenboven moeten ze hun eigen distributienetwerk opzetten en producten verdelen.
Een belangrijk gevolg van dit verschil, is de beschikbaarheid van informatie. In Frankrijk worden op regelmatige basis alle cijfers openbaar gemaakt aan fabrikanten en verkopers van tabaksproducten via een driemaandelijks blad. In België echter bestaan er weinig officiële gegevens en als deze bestaan zijn ze gebaseerd op data van de fabrikanten en distributeurs zelf, waardoor deze niet altijd 100% betrouwbaar zijn.
1.4 De drie productgroepen
De tabakssector kan onderverdeeld worden in 3 subgroepen, namelijk sigaretten, sigaren of cigarillo’s en kerftabak. Tabak is een gemeenschappelijke noemer van deze drie productgroepen, maar voor de rest hebben ze héél weinig gemeen. De sigarettensector is veruit de grootste en belangrijkste subgroep van de drie. Zowel in aantal stuks als in omzet steken zij er met kop en schouders bovenuit. In Belgische termen is dit duidelijk te zien in figuur 1, waar de verkoopscijfers van de drie groepen afgebeeld worden.
Voor we echter overgaan naar het bespreken van elke subgroep apart, zullen we de geschatte verkoopcijfers van de laatste 20 jaar in België wat dieper bestuderen. Hiervoor is het handig om te weten dat de industriële productie van sigaretten haar aanvang neemt in het begin van deze eeuw, vooral in Groot-Brittannië en de U.S.A. dan wel. Tijdens en tussen de twee wereldoorlogen zal de productie en consumptie van tabak gestadig toenemen, in België is deze stijging vooral duidelijk tijdens de tweede wereldoorlog. In 1950 bedroeg het verbruik van sigaretten in de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie volgens het jaarverslag van da administratie van douane en accijnzen reeds 8,5 miljard stuks. In 1980 steeg de verkoop in België tot 16,9 miljard stuks om in sprongen te dalen tot 12,3 miljard stuks in 1998 en nadien opnieuw te stijgen tot 14,3 miljard stuks in 2002 (jaarverslag administratie der douane en accijnzen, 2003). De meerverkoop van de laatste jaren was grotendeels te wijten aan de gestegen sigarettenaankopen door Britten, aangezien de prijs van een pakje sigaretten in Groot-Brittannië bijna 7 EUR of 280 BEF of haast het dubbele van bij ons bedraagt. Roltabak was zelfs viermaal duurder in Groot-Brittannië dan in België, wat tot een sterke stijging van de grensaankopen leidde. In 2001 daalde de verkoop van sigaretten met ongeveer 2 miljard stuks ten gevolge van de verscherpte controle op de Britse grensaankopen. De laatste beschikbare verkoopscijfers dateren van 2003 en spreken over 14,3 miljard sigaretten.
Figuur 2 : Verkoop sigaren, sigaretten en roltabak in België (Jaarverslag administratie der douane en accijnzen, 2003)

Dit alles kan daarbij nog gestaafd worden met een enquête naar het rookgedrag bij een steekproef van ongeveer 2.000 personen. Deze rondvraag wordt de afgelopen twintig jaar (vanaf 1987) jaarlijks uitgevoerd door het Onderzoeks- en Informatiecentrum van de Verbruikersorganisaties (OIVO, 04/03/2004). Daaruit blijkt dat in de periode 1982-1993 het percentage dagelijkse rokers van 40% naar 25% daalde. Sinds 1991 schommelt het percentage dagelijkse rokers rond de 24 tot 30% en wordt er niet langer een daling van het percentage rokers vastgesteld.
Ook de meest recente gezondheidsenquête 2001 in België bevatte cijfers in verband met het roken. Het noteerde toen 24,1 % dagelijkse rokers: 28,3% bij de mannelijke populatie en 20,1% bij de vrouwelijke populatie vanaf 15 jaar. Worden daarbij de occasionele rokers bijgeteld dan lopen de percentages respectievelijk op tot 28% rokers: 34% mannelijke en 24% vrouwelijke rokers. Van de 28% rokers in totaal is een derde een zware roker (20 sigaretten of meer per dag). Van de 72% niet-rokers zijn er 31% ex-rokers en 41% personen die aangeven nog nooit gerookt te hebben.
Begin 2004 werden nogmaals 1.000 personen in opdracht van het OIVO bevraagd naar hun rookgedrag. 27,4% van de ondervraagden verklaarden dagelijks te roken, 5,8% af en toe en 66,7% niet te roken.
Tabel II : De evolutie van de verkoop van tabaksproducten (Bron : Jaarverslag administratie der douane en accijnzen, 2003)
|
|
Verkoop van sigaren in België |
Verkoop van sigaretten in België |
Verkoop van roltabak in België |
|
|
Jaren |
In miljarden stuks |
in 1000 tonnen |
||
|
1980 |
0,965 |
16,858 |
4,421 |
|
|
1981 |
0,845 |
16,657 |
4,782 |
|
|
1982 |
0,812 |
17,927 |
6,042 |
|
|
1983 |
0,826 |
17,033 |
6,692 |
|
|
1984 |
0,808 |
17,178 |
7,151 |
|
|
1985 |
0,8 |
15,897 |
7,045 |
|
|
1986 |
0,718 |
15,485 |
6,425 |
|
|
1987 |
0,705 |
14,507 |
5,846 |
|
|
1988 |
0,69 |
14,903 |
5,585 |
|
|
1989 |
0,65 |
14,184 |
5,080 |
|
|
1990 |
0,642 |
13,687 |
4,579 |
|
|
1991 |
0,605 |
13,966 |
4,518 |
|
|
1992 |
0,558 |
13,543 |
4,780 |
|
|
1993 |
0,527 |
12,556 |
4,555 |
|
|
1994 |
0,578 |
12,085 |
4,940 |
|
|
1995 |
0,572 |
12,373 |
6,561 |
|
|
1996 |
0,555 |
12,27 |
7,719 |
|
|
1997 |
0,571 |
11,576 |
8,667 |
|
|
1998 |
0,562 |
12,295 |
9,287 |
|
|
1999 |
0,603 |
13,448 |
8,217 |
|
|
2000 |
0,596 |
13,732 |
8,716 |
|
|
2001 |
0,542 |
13,03 |
7,017 |
|
|
2002 |
0,629 |
14,314 |
8,417 |
|
|
2003 |
0,528 |
14,287 |
8,327 |
|
1.4.1 Sigaretten
Van de drie productcategorieën is die van de sigaretten, met een marktaandeel van meer dan 55%, de grootste subgroep. In 2002 bedroeg het aantal gekochte sigaretten in België ongeveer 14,3 miljard (cf. tabel II). Op Europees niveau bedraagt de jaarlijkse consumptie ongeveer 764 miljard sigaretten. Zowel in België als in Europa zijn een aantal multinationale tabaksfirma's actief. In België betreft het sinds kort uitsluitend de distributie, de laatste Belgische sigarettenfabriek sluit namelijk zijn deuren. (Cf. Hoofdstuk 1.1.)
Hoofdspelers op de Belgische en wereldmarkt zijn ondernemingen zoals Philip Morris, British American Tobacco en JT International Company. De meeste producenten bieden een brede waaier van merken aan, waarvan er op dit ogenblik zo’n 220 in totaal bestaan. Bekende merken van Philip Morris bijvoorbeeld zijn onder andere Marlboro, L&M en Philip Morris zelf. British American Tobacco bezit voor zijn part merken zoals Barclay, Lucky Strike & Belga en Japan Tobacco bezit onder andere Camel, Winston en St. Michel. Al deze merken worden voornamelijk aangeboden in verpakkingen van 20 en 25 stuks. Vroeger waren er ook kleinere verpakkingen van 10 stuks, maar deze zijn nu bij wet verboden daar zij de jeugd meer tot roken zouden aanzetten. De precieze verdeling van de Belgische sigarettenmarkt is moeilijk te maken. Alle cijfers berusten, zoals eerder vermeld op cijfergegevens van fabrikanten. De federatie van tabaksfabrikanten waagt zich een kans met volgende verdeling.
Figuur 3 : Verdeling sigarettenmarkt België (Tabaserv)

Het OIVO[3] heeft in 2001 een enquête gedaan naar het populairste sigarettenmerk. De resultaten zijn te zien in de volgende tabel. Uit de twee gegevensbronnen blijkt duidelijk dat Malboro en L&M van Philip Morris Belgium veruit de grootste en sterkste merken zijn. Toekomstgericht ziet het er zelfs naar uit dat hun marktaandeel nog zal verhogen, door het grote aantal jongeren die deze merken rookt. Een reclameverbod kan voor Philip Morris dus eigenlijk een goed feit betekend hebben, omdat hun sterke marktpositie dan moeilijker in gevaar kan komen…
Tabel III : Wat is het populairste sigarettenmerk (OIVO, 2001)
|
Sigarettenmerk |
Alle sigarettenrokers |
Sigarettenrokers tussen 15 en 24 jaar |
|
|
(aantal antwoorden = 522) |
(aantal antwoorden = 97) |
|
Marlboro |
27,80% |
40,20% |
|
L&M |
19,30% |
35,10% |
|
Belga |
13,20% |
2,10% |
|
Bastos |
10,30% |
5,20% |
|
Gauloises |
4,40% |
- |
|
Barclay |
3,80% |
2,10% |
|
Camel |
3,40% |
6,20% |
|
Boule d’or |
1,70% |
- |
|
Peter Stuyvesant |
1,70% |
- |
|
Winfield |
1,30% |
2,10% |
|
Lucky Strike |
1,10% |
5,20% |
|
Benson & Hedges |
0,40% |
- |
|
Ander sigarettenmerk |
11,70% |
5,20% |
|
TOTAAL |
100,00% |
100,00% |
1.4.2 Sigaren/Cigarillo’s
Eerst en vooral moet een onderscheid gemaakt worden tussen sigaren en cigarillo’s. Cigarillo’s zijn sigaren die minder dan 3 gram per stuk wegen, maar beiden worden in het vervolg onder één noemer ‘sigaren’ genoemd.
In 2000 werden er in België en het Groothertogdom Luxemburg 47 miljoen sigaren en 595 miljoen cigarillo's verkocht. De nijverheid telt zeven Belgische sigarenfabrikanten en drie productieafdelingen van Nederlandse bedrijven. De sigarenindustrie is zeer arbeidsintensief en is als dusdanig de grootste werkgever van de hele tabakssector. Het gamma producten is enorm uitgebreid (ongeveer 130 sigarenvariëteiten en 260 cigarilloproducten) en wordt in de meest diverse types, formaten en verpakkingen aan de consument aangeboden.
Een groot gedeelte van de jaarlijkse productie wordt geëxporteerd, vooral naar Frankrijk, waar de Belgische sigarenfabrikanten een mooi marktaandeel hebben veroverd. De thuismarkt kent moeilijke tijden: tussen 1985 en 1999 verloor de sigarenmarkt zowat 63 % van haar afzet. In dezelfde periode zagen de cigarillo's hun verkoopvolume dalen met ruim 22 %.
De verkoop van sigaren en cigarillo's vertegenwoordigt vandaag ongeveer 4 % van de totale kleinhandelswaarde en 1,9 % van de fiscale opbrengsten van alle tabaksproducten samen. Op wereldniveau echter neemt de Belgische sigarenmarkt een prominente plaats in.
Tenslotte blijkt het dagelijks roken van sigaren of een pijp vooral een mannenzaak te zijn (6% van de rokers bij mannen, tegenover 1 % bij vrouwen).
1.4.3 Kerftabak
Kerftabak is de verzamelnaam voor roltabak (ook "Roll Your Own" genoemd), pijp-, pruim- en snuiftabak. Het marktaandeel in de tabaksmarkt bedraagt ongeveer 37 % voor de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie (BLEU).
In België en het Groothertogdom Luxemburg wordt jaarlijks zo'n 8,3 miljoen kg kerftabak omgezet (± 320 merken).
De verkoop van rook-, snuif-, en droge pruimtabak in België steeg van 4.421 ton in 1980 naar 7.046 ton in 1985, daalde opnieuw naar 4.555 ton in 1993 maar steeg terug tot 8.327 ton in 2003. Een belangrijk gedeelte van deze laatste stijging is opnieuw te wijten aan grensaankopen van Britten aan de Belgische kust. Een pakje roltabak wordt in Groot-Brittannië op dezelfde wijze belast als sigaretten en de prijs van een pakje roltabak is er viermaal hoger dan in België. Zoals voor sigaretten daalde de verkoop van roltabak in 2001 ten gevolge van de verscherpte controle op de Britse grensaankopen.
Er wordt ook nog een kleine hoeveelheid tabak geproduceerd in België. De lokale productie van de tabaksteelt in België is vooral bestemd voor gebruik als rol- of pijptabak. Er zijn er nog altijd 262 tabaksplanters actief in België. Ondanks de teruglopende teelt blijft inlandse tabak onmisbaar: een zeker percentage ervan in de mengelingen bepaalt de typische smaak. België kent vijf tabaksvariëteiten:
Philippin (regio Wervik)
Semois
Appelterre
Flobecq
Paraguay (verspreid over de diverse regio's)
De kerftabaksector draagt bij tot een tewerkstelling in meerdere KMO's en familiebedrijven.
1.5 Verschillende taxaties en normen op tabaksproducten
De overheid heeft de laatste jaren drastisch ingegrepen in de tabaksmarkt. Allerhande wetten en wetsvoorstellen zijn de revue gepasseerd om het roken te verminderen. In dit onderdeeltje zullen we ze allemaal kort overlopen, waarna ze in het verdere werk dieper uitgediept zullen worden.
Eerst en vooral is er de taxatie. De overheid heft een grote taks zodat de tabaksproducten duurder aangeboden worden en minder aantrekkelijk worden. Het hangt uiteraard af van de elasticiteit van de vraag of deze maatregel invloed heeft, maar dat wordt uitgediept in het tweede hoofdstuk van dit werk.
Een tweede beperking is het reclameverbod. Een tabaksbedrijf mag geen reclame meer maken voor zijn product, uitgezonderd op de plaats van verkoop. Aangezien deze regel al enkele jaren van kracht is, is de invloed ervan duidelijk meetbaar. In het onderdeel over de beperkingen op vlak van marketing zullen we dit aankaarten. Daarenboven vindt men sinds enkele maanden op een pakje sigaretten een zeer grote gezondheidswaarschuwing terug die ons op de gevaren van het roken wijst. In Canada staan er reeds shockerende foto’s op de pakjes om mensen af te houden van te roken. De gevolgen van deze maatregelen zullen ook besproken worden in het derde hoofdstuk over de marketing beperkingen. Verboden te roken op alle toestellen van de NMBS, algemeen rookverbod aan de K.U.Leuven, tegen 2006 moeten alle bedrijven rookvrij zijn, … Brandend actueel is het rookverbod dat op steeds meer plaatsen voorkomt. Om het passief roken te verminderen, worden de rokers steeds meer naar buiten verbannen. Ook dit, samen met een verkoopverbod aan minderjarigen is een overheidsmaatregel die in dit werk aan bod zal komen in het 3e hoofdstuk.
1.6 Internationale overeenkomst tegen roken van WHO (FCTC)
Afsluitend aan dit eerste hoofdstuk volgt een deeltje die de nieuwe kaderovereenkomst tegen tabak van de Wereldgezondheidsorganisatie kort bespreekt, beter bekend onder FCTC of nog ‘the WHO Framework Convention on Tobacco Control’ (WHO, 2003). Deze overeenkomst, die in mei 2003 na lange onderhandelingen aanvaard werd, biedt de ondertekenende landen reële mogelijkheden om op doeltreffende wijze het tabaksgebruik te bestrijden. In het algemeen bevat de overeenkomst geen bepalingen die onmiddellijk toepasbaar zijn. Het is aan elk land om de principes van de overeenkomst op het terrein waar te maken het laat de landen voldoende beoordelingsruimte.
Het doel van de overeenkomst en haar toekomstige protocollen bestaat erin het tabaksgebruik en de blootstelling aan rook wereldwijd blijvend te verminderen en de huidige en toekomstige generaties te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van tabaksgebruik. De overeenkomst wil via basisprincipes een kader scheppen voor de partijen die anti-tabaksmaatregelen op nationaal niveau willen invoeren en toepassen. Ze voorziet eveneens in een reeks transnationale verplichtingen om de internationale samenwerking in de strijd tegen tabak te stimuleren. De partijen wordt hierbij aanbevolen het volgend leidend beginsel toe te passen:
Globale multisectoriële maatregelen en antwoorden om de consumptie van alle tabaksproducten op nationaal, regionaal en internationaal niveau te verminderen zijn van essentieel belang om, overeenkomstig de principes van de volksgezondheid, de incidentie van ziektes en vroegtijdige invaliditeit en sterfte veroorzaakt door de consumptie van tabak en de blootstelling aan tabaksrook te voorkomen