| Een welbesteede Jeugd, een nuttig manlijk leven. Nederlandse studentendagboeken 1801-1835. (Hannah Van Hoof) |
| home | lijst scripties | inhoud |
1. Inleiding en vraagstelling
Verval en burgerschap. Deze twee begrippen lijken centraal te staan in elk werk dat handelt over het Nederland[1] van rond 1800. Het was in deze jaren dat het land zich bewust werd van een achteruitgang. In de lange zeventiende eeuw had de Republiek der Nederlanden een grote rol gespeeld op Europees vlak, voornamelijk door hun economische en culturele voorsprong. Deze positie kon slechts moeilijk bewaard worden en vanaf het midden van de 18de eeuw was de terugval definitief ingezet. De economie verslechterde, de cultuur raakte vastgeroest, het aanzien daalde. De Gouden Eeuw was werkelijk voorbij.
Rond 1800 verschenen talrijke boeken en geschriften over deze gestage achteruitgang. In tijdschriften en moralistische werken werd alarmerend vastgesteld dat het land leed aan een ernstige vorm van zedenbederf. De oorzaak van de stagnering en daling van de Republikeinse positie is volgens historici vandaag te wijten aan economische veranderingen[2], maar volgens de toenmalige auteurs lag het eerder aan een verval van zeden en waarden, dat ontstaan was onder invloed van buitenlandse ideeën en modes.
De hoop op beterschap was echter nog niet opgegeven. De remedie die verder verval tegen moest gaan, was er één van morele aard. In dezelfde tijdschriften en boeken werd een personage gecreëerd dat tot voorbeeld moest dienen voor alle Nederlanders: de burger. De Republiek der Nederlanden had zijn hoogtepunt bereikt onder het burgerlijke regime van de regenten, en het land was in heel Europa geroemd om de deugdzaamheid van zijn inwoners. Het ideaalbeeld van de beheerste, vaderlandslievende, religieuze, huiselijke burgerman en –vrouw was gebaseerd op dit idee uit het roemrijke verleden. Het werd op verschillende wijzen onder de bevolking verspreid, opdat mensen uit alle sociale of religieuze groeperingen zich er naar zouden gaan gedragen en zich niet meer zouden bezig houden met verderfelijke activiteiten.[3]
Het thema van verval en burgerschap wordt ook in deze verhandeling bestudeerd. Er wordt echter niet gekeken naar de creatie of de verspreiding van het beeld, maar naar de receptie ervan. Aan de hand van vijf dagboeken van jongemannen uit de eerste helft van de 19de eeuw wil ik kijken naar de mate waarin het nieuwe ideaal weerklank vond. Het zijn allemaal studentendagboeken, geschreven in de levensfase waarin de jongens de controle over zichzelf dienen te krijgen en ze hun persoonlijkheid vorm beginnen te geven. Tijdens hun opvoeding werden zij geconfronteerd met de nieuwe ideaalbeelden over burgerschap.
De vijf dagboeken die ik heb gekozen om te gebruiken als bron, zijn geschreven tussen 1801 en 1835 door jonge mannen uit de hogere kringen van de Nederlandse samenleving. Deze vijf documenten heb ik geselecteerd op basis van hun verscheidenheid in inhoud. De thema’s die in hun dagboeken ter sprake komen, zijn vaak dezelfde, maar de visie van de auteurs op de onderwerpen is soms erg verschillend. Door de meningen van de auteurs naast de opvattingen van hedendaagse historici te leggen, kan een meer volledig beeld ontstaan. De documenten verschillen ook in opzet en, daarvan afhankelijk, mate van intimiteit en persoonlijkheid. Omdat elke auteur zijn eigen invulling van het concept ‘dagboek’ had, pakten ze het telkens op een andere manier aan. Dit zorgt ervoor dat, ondanks een heel aantal gelijkenissen zoals de chronologische en geografische achtergrond van de dagboeken, de levensfase en afkomst van de auteurs, … er ook een heel aantal verschillen bestaat tussen de vijf egodocumenten. Deze verschillen en gelijkenissen staan net in de juiste verhouding om van de selectie dagboeken het interessantste bronnenmateriaal te maken.
Na het schetsen van hun leefwereld – de morele en politieke achtergrond, de universiteiten – en het voorstellen van elke dagboekauteur, wil ik thematisch de visie van de jongemannen op enkele domeinen van de samenleving geven. Ik laat me hierin leiden door de onderwerpen die zij zelf in hun dagboeken aanbrengen, de onderwerpen waar zij zelf mee bezig zijn. Hieruit wil ik pogen af te leiden of zij het burgerlijke ideaal hebben kunnen vormgeven in hun persoonlijkheid. Hebben zij de ideeën hieromtrent overgenomen en hebben zij hun wereldbeeld hier naar geschikt? Is het hun opvoeders gelukt om hen de normen en waarden van het burgerschap zo in te prenten dat zij deze bleven volgen, ook als de controle op hun gedrag steeds verminderde? Waren deze jongemannen echte ‘nieuwe burgers’?
2. Egodocumenten
De keuze om met dagboeken te werken, vereist ook een kleine uitleg over het gebruik van egodocumenten. Sinds ze door Jan Romein omschreven zijn als ‘de gevaarlijkste aller bronnen’[4], dient men voorzichtig te zijn wanneer men ze als bron aanwendt.
De term ‘egodocument’ is bedacht door Jacques Presser, die een woord zocht voor de verzameling van historische autobiografieën, memoires, dagboeken en persoonlijke brieven. Zelf noemde hij ze ‘die historische bronnen, waarin de gebruiker zich gesteld ziet tegenover een ‘ik’ of een enkele keer een ‘hij’ als schrijvend en beschrijvend subject voortdurend in de tekst aanwezig.’, of ‘die documenten, waarin een ego zich opzettelijk of onopzettelijk onthult – of verbergt.’[5]
Presser zou zich in de jaren ’50 en ’60 van de 20e eeuw verder bezig houden met de verdediging van de waarde van egodocumenten voor historisch onderzoek. Dit werd toen niet meteen aanvaard want in deze jaren werden dagboeken en memoires nogal wantrouwend bekeken. Het waren immers puur subjectieve documenten waar men geen objectieve informatie uit kon halen. Noch de traditionele politieke geschiedenis, noch de sociaal-economische geschiedenis die op dat moment in opkomst was, zag nut in het gebruiken van deze bronnen[6]. Deze houding gaat terug op een verandering in appreciatie van egodocumenten die plaatsvond rond 1900.
In de 19de eeuw was er een grote belangstelling voor egodocumenten, zowel voor het schrijven als voor het lezen ervan. Er was een steeds groeiend aantal persoonlijke, intiemere dagboeken en memoires vanaf 1800, ook in Nederland.
De vroegste Nederlandse dagboeken die bewaard zijn gebleven, bevatten eerder onpersoonlijke en weinig introspectieve aantekeningen. Deze documentjes waren vaak ontstaan uit kasboeken, familieboekjes of kroniekachtige aantekeningen.
In de zeventiende en achttiende eeuw nam het aantal egodocumenten exponentieel toe. Het aantal documenten dat uit de laatste decennia van de 18de eeuw is teruggevonden, is ongeveer een derde van het gehele aantal bewaarde egodocumenten uit de periode 1500-1814.[7]
Dit steeds groeiende aantal kan eenvoudig materieel verklaard worden: jongere, recentere teksten hebben meer kans op overleving en bewaring.
Daarnaast steeg het aantal teksten ook onder invloed van de grotere schrijfvaardigheid en de toename van het belang van het schrift in de cultuur. De Nederlanden hadden in Europa steeds een grote voorsprong gehad in alfabetiseringsgraad en aan het einde van de 18de eeuw kon een groot deel van de bevolking lezen en schrijven.[8]
Niet alleen het aantal steeg, maar ook de mate van persoonlijkheid. Deze toename kan verklaard worden door verschillende culturele factoren, waaronder de invloed van de religie. Een groeiende belangstelling voor de innerlijke geloofsbeleving[9] deed een behoefte ontstaan naar het neerschrijven van de persoonlijke religieuze ontwikkeling en naar het onderzoeken van de ziel. Het dagboek bleek een middel te zijn dat hiertoe erg nuttig was.[10]
Een andere impuls voor het schrijven van een dagboek kwam vanuit de pedagogie, ontstaan vanuit het Verlichte opvoedingsideaal dat gepropageerd werd door denkers als Locke en Rousseau. Dit ideaal draaide rond het verwerven van controle over het kind, zodat men ongewenste driften kon breken, gevoelens kon kanaliseren en nuttige vaardigheden en goede eigenschappen kon stimuleren. Hiertoe werd ouders aangeraden om de kinderen goed te observeren zodat men een opvoeding op maat kon geven en een noodzakelijke vertrouwensband kon creëren. Het dagboek heeft enkele functies die nauw aansloten bij dit ideaal: het geeft ouders zowel de kans om de gedachten van hun kinderen te leren kennen en ze tegelijk te controleren in hun denken, doen en laten.
Daarnaast werd het ook als goed gezien om kinderen al vroeg gewoon te maken met zelfreflectie en het vermogen tot introspectie te ontwikkelen. Deze oproepen werden gedaan in adviesliteratuur over pedagogie, zoals bijvoorbeeld het volgende fragmentje over een zoontje: ‘Aan het einde van den dag ondervraagt hij zichzelven: van welken gebreken hebt gij u heden verbeterd ? Welke kwaade neiging hebt gij bestreeden? In welk opzicht zijt gij beter? De uitslag van dit gewetensonderzoek is het besluit om den volgenden dag zich beter te gedragen.’[11]
Ook gedichtjes, gericht op kinderen, probeerden hen te overtuigen van het nut om aan introspectie te doen. Een gedichtje uit 1803 gaat als volgt: ‘Mijn vader zegt dat ik vooral / mijzelfs moet leeren kenne / opdat ik op dit aardsche dal/ mij leer aan deugd gewennen //’[12]
Het dagboek bleek een middel bij uitstek om de persoonlijke ontwikkeling dag per dag te volgen. Het werd ouders aangeraden hun kinderen aan te sporen tot het houden van een dagboek en het op regelmatige tijdstippen na te lezen.
Het advies werd niet alleen aan kinderen gegeven, maar ook aan jongelingen, een levensfase verder. In het oorspronkelijk Engelse werkje ‘Lettergeschenk voor de jongelingschap’ uit 1749 ging er enige aandacht naar het onderzoek van de ziel in een hoofdstuk met de titel ‘Zelfbeproeving’. Er werd aangeraden om een dagboek bij te houden met efficiënt overzicht van ‘uwe vaste bezigheden, uwe studieën, lectuur, uitspanningen, uitgaven, omgang, briefwisseling, enz.’‘het is voldoende, om den afgeloopen dag nog eens voor uwen geest te brengen, en u op het goede en kwade van denzelven opmerkzaam te maken. De onaangename indruk dien gij telkens ontwaren zult, wanneer gij uwen dag hebt verbeuzeld, zal u van lieverlede met meer ernst op een goed gebruik van uwe levensdagen leeren letten.’[13]
Hier werd het dagboek niet aangewend als observatiemiddel voor ouders of anderen, maar slechts als geheugensteun en als middel tot confrontatie met zichzelf.
Rond 1800 verscheen niet alleen adviesliteratuur rond het schrijven van dagboeken zelf, maar werden ook enkele egodocumenten zelf gepubliceerd. Twee egodocumenten die veel invloed zouden hebben, waren die van Johann Caspar Lavater en Benjamin Franklin.
Lavater, een Zwitserse predikant, was zelf een hevige voorstander voor het bijhouden van een dagboek door jongeren. Hij spoorde hen aan met deze woorden: ‘Gewen u, uwe waarnemingen, in bestemde, duidelijke, net getroffene woorden, te bevatten, en de gewigtigste van dezelve, kort en op de plaats zelve, op te teekenen! Nalatigheid in dit stuk zoude u naderhand zekerlijk menigmaal berouwen. Ik zoude u zeer durven aanraden, om een dagboek te houden. Zoo lang als gij leeft, zult gij het met genoegen wederom lezen. Er gaan ongeloofelijk veel verloren, wanneer men niet snel en vaardig genoeg is met optekenen’.[14]
Ter inspiratie stond hij toe dat zijn eigen dagboek werd uitgegeven met als titel ‘Geheim dagboek’. Ook de autobiografie van de Amerikaanse staatsman en schrijver Benjamin Franklin werd gepubliceerd en in het Nederlands vertaald, met niet alleen een uitvoerige beschrijving van de worstelingen die hij had doorstaan om zichzelf in moreel opzicht te vervolmaken, maar ook een heel aantal leefregels en tabellen met na te streven deugden die men dagelijks kon overlopen om de toestand van de ziel te onderzoeken.[15]
Al deze verschillende aansporingen moeten een heel aantal mensen overtuigd hebben van het nut van het bijhouden van een dagboek. Maar er zijn ook andere verklaringen mogelijk voor de toename in egodocumenten vanaf 1800.
Peter Gay meende dat in de 19de eeuw steeds meer nadruk werd gelegd op het individu, dat de mens steeds meer zichzelf centraal plaatste en nood had aan een grondige zelfanalyse. Hij zag dit weerspiegeld in de toename aan romans in de ik-persoon en het stijgende aantal geschreven dagboeken en gepubliceerde autobiografieën.[16]
Bij het bestuderen van de Nederlandse egodocumenten, viel het Rudolf Dekker en Arianne Baggerman echter op dat het aantal wel sterk steeg vanaf de 19de eeuw, maar de mate van persoonlijkheid achteruit ging. Het aantal feitelijke dagboeken en onpersoonlijke memoires nam meer toe dan het aantal intieme teksten. Hieruit moeten we afleiden dat de auteurs niet gemotiveerd waren door een obsessie met hun eigen innerlijk, maar andere redenen hadden om over zichzelf te schrijven.[17]
Ze gaan op zoek naar een nieuwe verklaring en baseren zich hierbij op de theorieën van o.a. Reinhard Koselleck en Maurice Halbwachs. Zo meende Koselleck in de periode 1750-1850 een breukervaring in het historisch besef te kunnen ontwaren. Er was een kloof ontstaan tussen het heden en het verleden die steeds moeilijker overbrugbaar werd. De mens richtte zich nu op de toekomst en zag een wereld die niet langer bepaald was door elementen uit het verleden, maar een ‘maakbare’ wereld, die hij zelf kon creëren. Toch voelde men de behoefte om de ervaringen uit het verleden te controleren en te bewaren, zodat men ze op schrift ging stellen. Het eigen verleden werd op die manier niet alleen bewaard maar ook gereconstrueerd.
In zijn studie over het collectieve geheugen stelde Halbwachs dat elke mens zijn persoonlijke waarnemingen steeds toetst aan een groter referentiekader, met name de waarnemingen van anderen of de eigen herinneringen. In de 19de eeuw, een periode die zich liet kenmerken door een versnelling van gebeurtenissen, door toenemende sociale mobiliteit, verstedelijking, ingrijpende infrastructurele veranderingen, technologische motivaties en politieke hervormingen, werd het steeds moeilijker de herinneringen intact te bewaren. Hierin zien Baggerman en Dekker opnieuw een verklaring voor de behoefte om het persoonlijke heden of verleden op te schrijven: men schreef het verleden op om waarnemingen uit het heden eraan te kunnen toetsen.[18]
Zij omschrijven deze nieuwe visie zelf in de volgende woorden : ‘De traditionele link tussen de autobiografische impuls en de toenemende individualisering als een elkaar versterkend mechanisme (wordt nu) in twijfel getrokken en (er wordt) gewerkt vanuit de hypothese dat de breuk in het historisch besef, de versnelling van het levensritme en een veranderende omgang met tijd in de negentiende eeuw een van de belangrijkste impulsen is geweest om zichzelf te documenteren wat weer onwillekeurig heeft geresulteerd in een groeiend besef van individualiteit.’[19]
Marijke Huisman onderzocht recensies van autobiografieën in de tweede helft van de 19de eeuw en zocht een verklaring van de toename aan egodocumenten in een eerder commerciële richting. Zij meende dat er in de besproken periode een behoefte groeide aan levendige, meer sociaal, cultureel en persoonlijk gerichte beschrijvingen van het recente verleden. Autobiografieën hadden dit voor op reguliere geschiedschrijving, die zich steeds verder professionaliseerde en commercieel niet meer interessant bleek. Verslagen van ooggetuigen bleken veel boeiender en aangenamer om te lezen, en werden tot het einde van de 19de eeuw ook steeds als de waarheid beschouwd. Deze interpretatie van autobiografieën als historisch correct zorgde ook dat ze een voordeel hadden t.o.v. de romans, die werden gezien als verzinsels en fantasieën.
De historische waarde van herinneringen zag men erg groot, maar deze ging verloren als de hoofdpersoon zich te veel op de voorgrond zette. Recensenten braken al te persoonlijke of partijdige autobiografieën af als onbetrouwbaar. De interesse ging immers niet naar de persoonlijkheid van de auteur maar naar de contemporaine geschiedenis waarvan hij of zij deel uitmaakte. Deze vaststelling kan dus eveneens dienen als verklaring voor de toename aan onpersoonlijke, feitelijke autobiografieën.[20]
De waardering van egodocumenten als historische bronnen begonnen echter af te nemen aan het einde van de 19de eeuw. Samen met nieuwe filosofische theorieën over het verschil tussen zintuiglijke waarneming en werkelijkheid, ontstond een wantrouwen tegenover de subjectiviteit van deze bronnen. Men zag in dat een directe kennis van de werkelijkheid onmogelijk was, en de verslagen van een ooggetuige dus steeds gekleurd waren.[21]
In het begin van de 20e eeuw was er nog minimale belangstelling voor het gebruik van egodocumenten in historisch onderzoek. Enkele ideeënhistorici, zoals George Misch, baseerden hun studie nog op persoonlijk gekleurde documenten, maar daarbuiten kwamen ze zelden aan bod.
Jacques Presser was in de jaren ’50 en ’60 één van de eersten die ijverde voor een herwaardering van het egodocument. Het zou echter nog tot de jaren ’80 duren vooraleer de appreciatie algemeen werd.[22] In deze jaren sprak men van ‘het einde van de grote verhalen’, een trend waarbij de pogingen om de wereld in grote gehelen en structuren te vatten werden opgegeven. Dit kondigde het begin aan van de zoektocht naar de ‘kleine verhalen’, ook in de geschiedenis. Deze kleine verhalen kregen vorm in het genre van de microhistorie, met als grootste en bekendste voorbeeld het werk van Carlo Ginzburg over een molenaar uit de zestiende eeuw, gebaseerd op gerechtelijke dossiers en voornamelijk getuigenverklaringen, die voor een groot deel ook persoonlijk waren.[23]
Ook in de Nederlandse geschiedschrijving werden studies gedaan op basis van egodocumenten. Voorbeelden zijn artikels als die van Herman Roodenburg over de autobiografie van Isabella de Moerloose[24] of dat van Donald Haks over de aantekeningen van Lodewijck van der Saan[25]. Recent verschenen grotere werken als het boek van Luuk Kooijmans over het hofleven van de Stadhouder Willem Frederik van Nassau, het levendige familieverhaal van de uitgeversfamilie Blussé, bestudeerd door Arianne Baggerman, en het uitgebreide onderzoek op basis van het kinderdagboek van Otto van Eck, eveneens van Arianne Baggerman en Rudolf Dekker[26].
Er gebeurden ook experimenten met betrokkenheid en nabijheid tot het onderwerp. Zo
beschreven Geert Mak, Judith Koelemeijer en Ursula den Tex resp. het leven van hun vader, grootmoeder en moeder aan de hand van persoonlijke aantekeningen en interviews.[27]
Voor het schrijven van deze microgeschiedenissen leenden de egodocumenten zich als een ideale bron.
Een klacht die echter vaak herhaald werd wanneer historici aan de hand van egodocumenten over de Nederlandse geschiedenis wilden schrijven, was het geringe aantal bronnen dat men kon vinden. Men weet het aan de ene kant aan de Nederlandse bescheidenheid, waardoor mensen nooit veel behoefte hadden gehad om over zichzelf te schrijven, aan de andere kant aan de onzorgvuldige omgang met oude documenten die de voorbije eeuwen heel wat waardevol bronnenmateriaal verloren had doen gaan. Dit veranderde echter toen Ruud Lindeman, Yvonne Scherf en Rudolf Dekker het ambitieuze project op zich namen om alle bewaarde egodocumenten, met uitzondering van brieven, uit de periode 1500 -1814 op te sporen en in bijeen te brengen in een catalogus. Ze vonden niet minder dan 1121 dagboeken, memoires, persoonlijke aantekeningen of reisverhalen terug in de Nederlandse openbare archieven en bibliotheken.[28] Inmiddels werd het project uitgebreid met een onderzoek naar egodocumenten uit de periode 1814-1914.
Aan het einde van de 20e eeuw veranderde stilaan de oriëntatie van historici naar onderzoeken die gericht waren op de beleving van de geschiedenis en groeide de voorkeur voor het actor-perspectief. De interesse verschoof van een obsessie met objectiviteit naar een hang naar subjectiviteit. De opkomst van de mentaliteitsgeschiedenis deed eveneens de voorkeur voor subjectieve, persoonlijke teksten groter worden.[29]
Een andere ontwikkeling die de interesse in egodocumenten opnieuw deed opbloeien, was de Linguistic Turn, waarbij de historische teksten ook steeds meer onderzocht werden in hun hoedanigheid van literair product. Historici werden zich bewust van de complexiteit van de egodocumenten en men ging op zoek naar de juiste manieren om ermee om te gaan. Het inzicht groeide dat een egodocument niet noodzakelijk de persoonlijkheid van de auteur weergeeft, maar een constructie van een persoonlijkheid, van een identiteit.[30]
De egodocumenten werden niet langer alleen gebruikt als toeleveranciers van informatie door hun inhoud, maar werden nu zelf het onderwerp van onderzoeken. Talrijke werken verschenen, niet op basis van een egodocument, maar over het fenomeen ‘egodocument’ zelf.
Dit ging van inventarisaties, zoals de onderneming door Lindeman,Scherf en Dekker,[31] tot literaire en artistieke interpretaties van het genre[32] of de situering van het egodocument in de toenemende trend naar individualisering.[33]
Het project Controlling Time and Shaping the Self dat in 2001 van start ging, ingericht door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), houdt zich bezig met de vraag in welke mate en op welke wijze de inhoud, vorm en toename van het aantal egodocumenten in de 19de eeuw in verband staan met de opkomst van nieuwe ideeën over tijdsbesef en individualiteit. Arianne Baggerman, die de leiding van het project op zich heeft genomen, verwoordt het zo: ‘While writing to control temporal experience, the 19th century autobiographers inadvertently reflected on themselves and shaped their own individuality.’ Het boek dat Baggerman en Dekker over het kinderdagboek van Otto van Eck schreven, is één van de werken die verschenen zijn in het licht van dit project, dat nog steeds loopt. In juni 2006 wordt een internationaal congres gehouden waarop al enkele onderzoeksresultaten bekend gemaakt zullen worden.[34]
Bij het gebruik van egodocumenten moet men met grote voorzichtigheid te werk gaan. In deze verhandeling zoek ik in de eerste plaats naar meningen en houdingen, en moet ik mij voor het grootste deel baseren op een persoonlijke interpretatie. De meeste interpretaties zijn echter voor de hand liggend en gebaseerd op de context van de aantekening, zoals ik ook in de mate van het mogelijke heb trachten aan te tonen. Ik zal bij het voorstellen van elk personage dat in deze verhandeling gebruikt wordt ook pogen enige duiding te geven bij het dagboek, bij de vorm en inhoud, de opzet en eventueel een mogelijk publiek.
1. Morele achtergrond
1.1 Verval
‘Zoo deze schrijvers waarheid van ons getuigen, dan zijn wij verbasterd van onze waardige voorvaderen, dan zijn wij een ontäard nakroost van groote mannen, die door hunne deugden het vaderland uit niet hebben opgebeurd tot een toppunt van aanzien onder volken der aarde, hoedanig slechts weinige volken hebben kunnen bereiken, dan lopen wij door onze verbastering gevaar, om in des te dieper verächting neder te storten.’[35]
IJsbrand van Hamelsveld, een Utrechtse dominee die ook politiek actief was, trok in 1791 aan de alarmbel. Overal om zich heen zag hij losbandigheid en zedeloosheid. Huwelijken, huishoudens, opvoeding, jeugd, godsdienstigheid, … ze waren allemaal slachtoffer geworden van een algemene achteruitgang in normen en waarden. De hele Nederlandse samenleving raakte in al zijn aspecten in verval. De Gouden Eeuw van de Republiek, die het land aanzien had gebracht in heel Europa, was definitief voorbij.
De verklaringen voor deze achteruitgang van zijn land, zocht Van Hamelsveld niet in de verslechtering van de economische situatie die in werkelijkheid in volle gang was[36], maar hij legde de oorzaak in een slechte invloed vanuit het buitenland. ‘Eindelijk, het is zoo, andere Natiën van Europa hebben, niet min, dan wij Nederlanders, hunne zeden bedorven, zij hebben ons, door hun voorbeeld, besmet – doch, mijne Landgenooten! Vermindert dit onze kwaal. Kan dit de droevige gevolgen verhinderen, aan welken ons zedenbederf ons blootstelt ?’[37]
In de 18de eeuw waren heel wat buitenlandse ideeën en modes naar Nederland overgewaaid. Dat waren niet alleen denkstromingen als de Verlichting of het Sentimentalisme, maar ook gebruiken als ‘het afhakken en angliseren van staarten, het voormalig poederen, het tegenwoordige friseren der kuiven, het dragen van Culs de Paris’.[38] Deze lichtzinnige, modieuze bezigheden hadden ervoor gezorgd dat de jeugd ontaard en zedeloos was geworden, dat er een wijd verspreid ongeloof en bijgeloof heerste en de typische Nederlandse karaktertrek van de bescheidenheid omgevormd was naar een ongezonde weeldezucht.
‘Wij gelooven niet, dat een volk ondergaat, omdat het ondergaan moet; neen, het einde der staaten heeft zijne oorzaken, het zij zedelijke, het zij natuurlijke,’[39] en volgens Van Hamelsveld waren de oorzaken van het Nederlandse verval rond 1800 te wijten aan zedelijke achteruitgang. Hij meende dat het morele fundament dat de Republiek de voorbije eeuwen ondersteund had, aan verrotting leed.
Het boekje doet bij momenten denken aan de klaagzang van een vermoeide oude man die niet meer kan volgen en vol weemoed terugdenkt aan hoe goed het vroeger was. Maar het sloot nauw aan bij een literair thema dat erg populair was in zijn tijd: het verval van de Republiek. Nederland was zich bewust geworden van zijn vergane glorie. Ooit waren ze een grote speler geweest op het Europese niveau, op economisch, politiek en cultureel vlak. Deze dagen waren voorbij en het was tot een klein, oninteressant landje verworden dat slechts een tweederangspositie innam in Europa. Dit was niet alleen Van Hamelsveld opgevallen, maar ook ettelijke andere schrijvers die hun meningen en oplossingen rond dit thema neerschreven in boeken of in tijdschriften. Het spectatoriale tijdschrift dat in de 18de eeuw was opgekomen, leende zich hier uitstekend voor: een, vaak anonieme, toeschouwer beschreef de situatie zoals hij die om zich heen zag en kon ze becommentariëren of via lezersbrieven en prijsvragen er een debat rond openen. Ook het genre van de utopie kon voor dit thema gebruikt worden, zo bewijst het boek Het toekomend jaar 3000 van Arend Fokke Simonsz uit 1792. Hij beschreef een ideale samenleving die gebaseerd was op agrarische activiteit, met boeken als het enige commerciële product, zodat alle andere vormen van consumptie afgeschaft konden worden.[40]
Rond het hele thema van ontaarding en morele verzwakking was als het ware een discours ontstaan, een ‘vervalsdiscours’.[41]
Al wordt Van Hamelsveld en zijn collega-auteurs vaak een zwartgallig pessimisme verweten, helemaal hopeloos zag hij de situatie niet in. Al ging het mis voor de meeste mensen, om hem heen zag hij ook voorbeelden van deugdzaamheid. Evenmin had hij de hoop op verbetering opgegeven. Hij zag een remedie tegen het verval in opvoeding en heropvoeding, van de vorming van de mens tot een betere, beschaafdere versie van hemzelf. In een tijd waarin ideeën rond de maakbaarheid van mens en samenleving tot ontwikkeling kwamen, stond hij niet alleen met deze theorieën. In het Verlichte gedachtegoed werd haast dogmatisch aangenomen dat een mens opvoedbaar en heropvoedbaar was en het de taak was van Verlichte geesten om hun medemensen op hetzelfde beschavingsniveau te tillen. Deze ideeën waren net wat Nederland nodig had: er was nood aan samenhorigheid, aan een eensgezinde morele gemeenschap die de teloorgang van de Nederlandse natie tegengewicht zou kunnen bieden en het Nederlandse volk terug op een roemrijker niveau zou brengen. Zo kwam in het Nederland van rond 1800, in moralistische werken en Spectatoriale geschriften, een nieuw ideaalbeeld van de mens tot stand: de burger.
1.2 Burgerschap
Het begrip ‘burgerschap’ heeft een lange voorgeschiedenis. In zijn eerste betekenis stond de term voor een inwoner van de stad, die bepaalde rechten en plichten had verworven door ofwel in de stad geboren en getogen te zijn, ofwel door de aankoop van het burgerstatuut na een minimum aantal jaren in de stad te hebben verbleven. Van oorsprong is het dus een juridische term.
De plichten van de burgers waren in de loop der tijd minder zwaar geworden maar de rechten waren daarentegen alleen maar voordeliger geworden. Als burger kon men ambten bekleden, lid worden van een gilde, toegang krijgen tot de sociale voorzieningen die door ambachtsverenigingen werden verleend en men kon beroep doen op juridische bescherming. De inwoners van steden die (nog) geen burgerrechten hadden gekregen, werden dus aanvankelijk sterk benadeeld. In de 17e en vooral 18de eeuw zagen de stedelijke regeringen echter in dat het in hun voordeel zou zijn om kapitaalkrachtige immigranten naar hun steden te lokken en hen allerlei privileges te gunnen. Op deze manier vervaagde na enige tijd het juridische verschil tussen burgers en andere ingezetenen. De scheidslijn verdween echter niet, maar verschoof: de aanduiding ‘burger’ doelde op een groep in de samenleving die zich onderscheidde van de rest, niet langer door wettelijke bepalingen, maar eerder door economische verschillen. De burgers werden die groep die in hun eigen onderhoud kon voorzien, de ‘goede gemeente’.
Ten tijde van de revoluties aan het einde van de 18de eeuw kreeg burgerschap ook een politieke connotatie, een status als lid van de Res Publica die kon genieten van de ‘vrijheid van burgerstaat’. Het waren deze burgers die de revoluties opstarten om hun eisen rond inspraak en vertegenwoordiging te kunnen realiseren, het waren deze burgers die in het tijdperk van de Atlantische Revoluties de macht naar zich toe trokken.[42]
In Nederland was deze ‘machtsovername’ door een burgerlijk regime niet zo spectaculair, grotendeels omdat de Republiek de voorbije eeuwen onder het bestuur van de regenten reeds een burgerlijke samenleving had gekend, zodat er geen absoluut heersende macht gebroken diende te worden. Nederland had doorheen zijn geschiedenis steeds een ‘typisch burgerlijk’ karakter gehad.[43]
In Nederland kwam rond 1800 de nadruk in het begrip ‘burger’ eerder op de sociaal-culturele aspecten te liggen. De eigenschappen die een goede burger werden toegeschreven, waren een kleine handgreep uit de karaktertrekken die in de voorbije eeuwen door buitenlandse schrijvers en Nederlanders zelf waren gebruikt om de volksaard te beschrijven. Eigenschappen als properheid, deugdzaamheid of gematigdheid hadden de Republiek der Nederlanden een Gouden Eeuw bezorgd[44] en werden verwacht dit opnieuw te doen. Door de nadruk te leggen op deze typische Nederlandse trekjes zouden ook de buitenlandse, nieuwmodische trends teruggedreven moeten worden.
Het nieuwe burgerideaal bestond dus niet alleen uit een opsomming van een aantal rechten en plichten of uit een economisch verworven positie, maar was een veelzijdig geheel van gedragingen, denkwijzen, afkeuren en voorliefdes die men zich eigen moest maken als men zich een goed burger wilde noemen. Welke elementen behoorden allemaal tot dit nieuwe burgerschap ?
Vaderlandsliefde
Vanaf de oprichting van de Bataafse Republiek werd er doelbewust gestreefd naar een betere eenmaking van de voorheen verbrokkelde Republiek der Nederlanden. Dit kon niet alleen gebeuren door wettelijke bepalingen op te stellen, want de eenmaking moest ook op cultureel en mentaal vlak plaatsvinden. De inwoners van steden of regio’s moesten zich ook echt burgers van Nederland voelen. Het zou ook de snel opeenvolgende regimes helpen om in te kunnen spelen op het nationale gevoel en het land snel aan zich te binden. Het nationalisme had niet de politieke betekenis die er later aan gegeven zou worden, maar kreeg een invulling in de brede zin: een gevoel, een emotie, een liefde. Het verspreiden en versterken van deze liefde gebeurde onder andere door aandacht te geven aan roemrijke voorvaderen, de helden uit het Nederlandse verleden en de burgers aan te sporen zich door hen te laten inspireren. Hieruit volgde een intensivering van het historisch besef en een groei van de interesse in historische wetenschappen. [45]
Belang van gezin
Een grote rol in het leven van de ideale burger zou gespeeld moeten worden door zijn gezin. Het burgerlijke kerngezin zou in 1800 meer dan ooit tevoren het middelpunt van het leven vormen; het werd gezien als het ‘eerste bastion van deugd’, waar nieuwe burgers van jongs af bekend werden gemaakt met de ideaalbeelden en verwachtingen. [46]
Om kinderen een goede opvoeding te kunnen geven, moesten de ouders in de eerste plaats zich dus als modelburgers gedragen om tot voorbeeld te kunnen dienen. Het gezin diende een plaats te zijn waar ouders en kinderen met elkaar en ook onderling op liefdevolle wijze omgingen, waar in een sfeer van verdraagzaamheid en geduld kinderen leerden hun emoties te beheersen, hun gedragingen aan sociale wensen aan te passen en respect kregen voor hun medemensen. Het was dus ook van cruciaal belang dat het huwelijk tussen de ouders op basis van wederzijdse genegenheid gesloten was en niet om financiële of positionele redenen, zodat de ouders van het gezin in overeenstemming konden leven. In de ideële voorstelling was het huwelijk uit liefde zuiver, heilig en waardig en zou dit groot geluk schenken aan de echtgenoten en hun kinderen.
Het gezin hoorde een plaats te zijn van orde en stabiliteit, van stevige en duurzame vrede.[47] Het was de plaats waar een burger gemoedsrust kon vinden, een hoogst belangrijk goed in het streven naar geluk. Deze rust vond men door de cultivering van zachte deugden als dankbaarheid en nederigheid en in de beteugeling van driften. Vanuit deze ideeën over het menselijke geluk ontstond een hele ‘cult of domesticity’, een cultus van de huiselijkheid[48]. De rol van de vrouw werd in dit opzicht nogmaals bevestigd, zij moest instaan voor de zorg voor het huishouden en de opvoeding van de kinderen. Deze bevestiging gebeurde echter vanuit een meer positieve benadering; goede huishoudsters kregen waardering, goede moeders zelfs verering in het huiselijke discours.[49]
De grote nadruk die op de huiselijke sfeer werd gelegd, kwam echter niet vanuit een tendens naar individualisme en persoonlijke belangenbehartiging in kleine kring, maar werd gelegd in het perspectief van de vaderlandsliefde.[50] De nationale staat had nood aan een degelijk fundament waar burgers leefden en opgroeiden op gelukkige, zedelijke wijze. Het gezin werd in het Nederland van rond 1800 meer dan ooit de hoeksteen van de samenleving.
Scheiding van sferen
Verbonden aan dit vernieuwde belang dat aan het huiselijke geluk werd toegeschreven, was de scheiding van de sferen waarin een burger kon verkeren. Er was de private ruimte die bestond uit het gezin, de kleine familiale kring en de intieme vrienden en die zich onderscheidde van de publieke ruimte, waar zich het economische en politieke leven afspeelde. Waar in pre-industriële tijden de twee werelden van werk en gezin vaak nog gecombineerd werden, werden ze tegen het einde van de 18de eeuw steeds meer van elkaar gescheiden. Met deze scheiding werden ook de bestaande rolpatronen opnieuw bevestigd: vrouwen dienden zich voornamelijk in de private sfeer te begeven, de openbare sfeer was voor mannen voorbehouden. Volgens het burgerlijke ideaal konden mannen zich nog het gemakkelijkst in beide werelden verplaatsen, al moesten ze in de mate van het mogelijke de twee gescheiden houden. Hoe ze zich konden gedragen, was ook bepaald: in het openbaar moesten zij een toonbeeld van mannelijke deugden voorstellen zoals dapperheid, moed, rationaliteit. In de privé-sfeer werd echter van hen verwacht dat ze zich gedroegen als een liefhebbende echtgenoot en aandachtige vader. De combinatie van deze twee was niet zo gemakkelijk, maar het bleef een levendig ideaalbeeld.[51]
Sociabiliteit
In de achttiende eeuw had de Verlichte denker Hutcheson een theorie ontwikkeld over de menselijke sociabiliteit. Hij meende dat een mens van nature sociaal was en zijn vermogens op dit vlak het beste ontwikkeld konden worden in kleine, intieme kringen van familie of vrienden. In gezelschap moest men beschaafde conversaties voeren waardoor niet alleen inzichten en idealen verder verspreid zouden worden en de deelnemers aan de conversatie steeds hogere stappen van beschaving bereikten, maar waardoor men ook tot een morele overeenstemming kwam die een natuurlijke harmonie tot stand bracht.[52]
Vanuit deze sociabiliteitideologie werd sterke nadruk gelegd op de affectieve banden binnen het gezin en tussen vrienden. In deze intieme relaties kon een mens een basis leggen voor een burgerlijke levensstijl. In het klimaat van een kleine, vertrouwde wereld, gesloten voor iedereen behalve bekenden en gelijkgezinden, werd kennis gedeeld, de deugd beoefend en werd het natuurlijk vermogen ontwikkeld. Voor de 18de eeuw werd dit sociaal vermogen buiten het gezin vooral beoefend in ambachtsverenigingen, religieuze groeperingen of traditionele sociabiliteitvormen zoals de Rederijkerskamers. In de loop van de 18de eeuw ontstond echter een nieuwe vorm waarin mensen hun behoefte aan gezellige omgang konden vervullen: de genootschappen.[53]
Er waren gezelschappen die zich met allerlei wetenschappen bezig hielden, anderen specificeerden zich op één wetenschappelijke tak. Er waren ook organisaties met een cultureel, een educatief of menslievend doel. De leden van de genootschappen kwamen op geregelde tijdstippen bij elkaar om over hun onderwerp of interessegebied te praten, verhandelingen voor te stellen, discussies te houden. Sommigen richtten zich ook naar de buitenwereld en gaven een tijdschrift uit of stelden prijsvragen op die door het brede publiek konden worden opgelost. Op deze manier hadden de genootschappen zowel voor de leden als voor de niet-leden een actieve rol in het opbouwen van het burgerlijke ideaal.
Godsdienstigheid
De relatie van het Nederlandse volk met het geloof was al eeuwenlang een hechte verbintenis. De meer atheïstische ideeën die enkele buitenlandse denkers in het kader van het Verlichte gedachtegoed hadden uitgesproken, kregen in de 18de-eeuwse Republiek geen grote aanhang. Integendeel, de Nederlandse Verlichting had juist een erg religieus karakter; men meende net dat rationaliteit aangewend moest worden om het geloof zuiver te houden en niet te vervallen in dweperij of bijgeloof, of nog erger, onverschilligheid en ongeloof.[54]
Een milde vorm van religie, gematigd en redelijk, werd gezien als essentieel voor het in stand houden van normen en waarden. De Verlichte nadruk kwam niet zozeer op dogma’s en leer te liggen, maar ging naar de Bijbelse moraal, de christelijke ethiek. Oprecht geloof werd geïnterpreteerd als het koesteren van een gevoel en dus ook vatbaarheid voor andere, burgerlijke gevoelens als liefde, trouw en mededogen. Op deze manier bleef de godsdienst de ruggengraat van de beschaving, en werd het niet alleen een geestelijke toestand maar ook een wereldse deugd die noodzakelijk was in een beschaafd wezen.[55]
Beheersing
De menselijke passies en de zwakke geest die zich snel laat meeslepen vormen al sinds de Oudheid een probleem voor moraalfilosofen. Eeuwenlang werd gezocht naar manieren waarop de mens zich van zijn passies kon bevrijden of hen kon leren beteugelen. Dit was nodig om een goed functionerende samenleving te laten draaien, aangezien de burger die zich slechts door zijn grillige verlangens en behoeften liet leiden zijn maatschappelijke plichten niet vervulde. In de 18de eeuw kreeg deze kwestie een nieuwe impuls door de opkomst van ideeën rond de maakbaarheid van mens en samenleving. Mensen werden niet langer gezien als prooien van hun mentale of fysieke passies, maar men meende dat deze beheerst en geleid konden worden. Een mens moest zich van kindsbeen af oefenen in de beheersing, hierin gesteund door ouders en opvoeders, zodat hij op volwassen leeftijd de volledige controle over zichzelf in handen had.[56]
De passies die grote bedreigingen vormden voor de samenleving, waren diegenen die een mens weer deden vervallen tot een lager, dierlijk, niveau van beschaving. De lichamelijke driften, vaak seksueel getint, dienden aan banden te worden gelegd. Rond 1800 kreeg het kerkelijke en moralistische zedelijkheidsoffensief, dat al van start was gegaan in de vijftiende eeuw, een grootschaliger aanhang. De waarden, vooral rond seksualiteit en lichamelijkheid, die lange tijd als ideale streefdoelen waren voorgehouden, werden plots op strenge wijze als normen ingesteld.[57] Maar niet alleen de verlagende passies vormden een bedreiging, ook een teveel aan beschaving kon problematisch worden. Overmatige verfijning leidde tot verzwakking en verwijfdheid, weeldezucht en pronkgedrag. Ook te beschaafde omgangsvormen konden op weinig goedkeuring rekenen; ze waren een geheel van inhoudsloze gedragingen geworden. Om tot beschaving te komen, was enige verfijning van het gevoelsvermogen een vereiste, maar ook hier heerste de nood aan gematigdheid en rationele sturing van de emoties.[58]
Het ideale burgerbeeld lijkt rond deze centrale begrippen te draaien: beheersing en gematigdheid. Sinds eeuwen werd de gematigdheid als typisch Nederlandse karaktertrek gezien. Het was een noodzakelijke eigenschap geweest in de verbrokkelde Republiek: tolerantie en tempering waren essentieel om de uiteenlopende groepen, zoals die van de verschillende godsdiensten, standen of politieke groeperingen in vrede te laten samenleven en als maatschappij te laten functioneren. Nu de samenleving echter op het punt stond in elkaar te zakken door de ondermijning van de zedelijkheid en de verregaande losbandigheid, werd grote hoop gesteld in het nieuwe burgerlijke elan van beheersing en gematigdheid. Weldra zou elke burger zijn plaats kennen en zich ernaar gedragen zonder daarbij in extremen te vervallen. Door matigheid in gevoelens en redelijkheid in gedragingen, door beschaving van het hele Nederlandse volk, zou het verval gekeerd kunnen worden.
1.3 Verspreiding van het ideaal
Verlichte denkers zagen een nauwe band tussen kennis en deugd. Mensen zouden betere mensen worden als ze inzicht hadden in de wereld om hen heen, het zou hen beschaafder en verlicht maken. Om het burgerideaal op zo groot mogelijke schaal te verspreiden en de morele gemeenschap zo sterk mogelijk te maken, moest men dus een hele natie beginnen opvoeden.[59] Men ging ervan uit dat wie wist wat goed, beschaafd gedrag was, zich naar die maatstaven zou gedragen. De toekomstige burgers moesten bekend gemaakt worden met de verwachtingen die men van hen koesterde. Deze opvoeding, of heropvoeding in vele gevallen, kon op verschillende manieren gebeuren.
Het burgerideaal raakte in Nederland in de eerste plaats verspreid door de Spectators. Deze tijdschriftvorm was vanuit het buitenland komen overwaaien in de loop van de 18de eeuw, en was in Nederland geïntroduceerd door Justus van Effen die begon met het blad de Hollandsche Spectator.[60] Al snel ontstond het ene Spectatoriale tijdschrift na het andere. Het genre was zo populair omdat het zich niet alleen leende tot maatschappijkritiek, maar ook tot het verspreiden van ideeën om de samenleving te verbeteren. In brieven en becommentarieerde inzendingen, in verhandelingen en antwoorden op prijsvragen, ging men op zoek naar oplossingen voor het zedelijk verval en construeerde men het beeld van de burger. De lezers die geen actieve rol opnamen bij het schrijven, kwamen wel in contact met deze ideeën en konden ertoe overtuigd worden hun levensstijl in te richten naar de voorbeelden die hen gegeven werden in de spectatoriale bladen.
Ook een andere vorm van lectuur die in de 18de eeuw was opgekomen en populariteit had verworven, kon aangewend worden om de burgerlijke deugden in de verf te zetten. De zedenkundige roman, of het burgerlijk drama, was ontstaan in het overgangsgebied tussen de elitaire en de volkse lectuur, zonder het platte vermaak van traditioneel proza of de heroïek van traditionele poëzie en treurspelen. In de loop van de 18de eeuw waren de personages niet langer geïdealiseerde, onwerkelijke helden en heldinnen, maar waren zij burgers in alledaagse situaties, die handelden volgens de normen die het burgerideaal hen had opgelegd.[61] De problemen waar de personages voor kwamen te staan, waren kwesties waar ook het publiek mee in aanraking kwam, en het lezen kon hen dus helpen in het zoeken naar oplossingen en houdingen om aan te nemen. De roman was verplaatst van de literaire periferie, van een ‘beuzelachtig’ genre, naar een ‘gids voor mensenkennis’ en een ‘leerboek voor de deugd’. Boeken als Pamela, or Virtue Rewarded en Clarissa, or the History of a Young Lady stonden bol van de zedenlessen, maar door ze in een boeiend verhaal te verpakken, werden meer mensen aangesproken tot het lezen en de lezers zouden meer nut hebben van één goed, inleefbaar voorbeeld dan bij een hele reeks wijze, doch afstandelijke, lessen.[62] Ondanks de winst in populariteit was er weinig belangstelling onder Nederlandse auteurs om zelf romans te beginnen schrijven. De bekendste schrijfsters waren Aagje Deken en Betje Wolff, die aan het einde van de 18de eeuw een hoogtepunt bereikten met De historie van mejuffrouw Sara Burgerhart. De meerderheid van de romanpublicaties waren echter niet oorspronkelijk Nederlands, maar vertaald uit het Frans, het Engels of het Duits.[63]
Het zedenkundige niveau van deze werken werd met argwaan in het oog gehouden, of ze wel voldeden aan de ideaalbeelden van de Nederlandse burger. Op deze manier raakte het nieuwe burgerbeeld door Nederlandse en vertaalde romans onder het lezende publiek verspreid.
Wie echter niet kon lezen, of wie geen tijd of geld had om te besteden aan tijdschriften of romans, moesten ook in contact komen met de moderne beelden over een deugdzame levensstijl. Vaak waren dit de mensen uit het gewone volk, het gemeen, en juist zij waren het die de heropvoeding het meest konden gebruiken. Om hen ook aan te spreken, werden de predikanten uit de verschillende kerken ingezet. Met de opkomst van de Verlichting was in godsdienstig Nederland de nadruk verschoven van de geloofsleer en de dogma’s naar de ethiek van het christendom.[64] Predikanten hadden dus niet langer alleen de taak om het volk bekend te maken met de inhoud van de Bijbel en de leer van de Kerk maar hen ook moreel te vormen volgens de christelijke principes. Het was hun opdracht om de deugd van de burgers te bevorderen en dus in te staan voor de morele gemeenschap.
Maar de beste manier om deze morele gemeenschap vorm te geven, was te beginnen bij het begin en dus de toekomstige burgers te leren wat van hen verwacht werd. In Nederland ging aan het einde van de 18de eeuw weer veel meer aandacht naar het onderwijs. In het Verlichte denkpatroon kon ieder kind, mits een degelijke opvoeding, een perfecte burger worden. Een deel van deze opvoeding moest binnen de sfeer van het gezin gebeuren, maar een groot deel moest ook plaats vinden op school. Ook de overheid begon het belang van een goede scholing in te zien, zodat de19deeeuw getuige was van de groeiende overheidsinmenging in het onderwijs.[65] Verschillende wetten en maatregels werden opgesteld, hervormingen werden ondernomen ter verbetering van de vaak gebrekkige schoolsystemen. Het uiterste streefdoel was het punt waarop alle kinderen, onafhankelijk van stand of rijkdom, naar school konden gaan. Hoe moeilijk dit ook te realiseren was, gezien het gebrek aan scholen en geringe motivatie bij sommige middengroepen om hun kinderen naar school te sturen, het bleef een ideaalbeeld. Het was immers op school dat kinderen kennis maakten met de gedragingen van een goede burger buiten de privé-sfeer van het gezin. Op school leerde hij sociabiliteit, gehoorzaamheid, fatsoenlijk gedrag.[66]
Voor de overheid kwamen er nog extra voordelen bij de verbetering van het onderwijs: niet alleen zorgden beter opgeleide burgers tot een grotere economische en culturele ontwikkeling, maar kon men door geschiedenislessen de leerlingen bekend maken met het glorierijke Nederlandse verleden. De kinderen werden aangespoord om zich verbonden te voelen met hun geschiedenis, hun voorgangers en met elkaar, en in de eerste plaats, met het vaderland.[67]
1.4 Receptie van het ideaal
De ideeën rond het nieuwe burgerideaal kunnen worden afgeleid uit deze verschillende communicatievormen. De voorstelling van de deugdzame, huiselijke, godsdienstige, gematigde burger in Spectators, romans, moralistische preken, enz. toont duidelijk wat verwacht werd van het Nederlandse volk en welke weg ze moesten bewandelen om gelukkig te worden, of nog meer, om het vaderland van verder verval te behoeden. De wijzen van verspreiding van het ideaal vallen ook vrij gemakkelijk te volgen. Men trachtte in de mate van het mogelijke elke bevolkingsgroep kennis te laten maken met de nieuwe ideeën. Het was immers het hele land dat zich diende om te vormen naar deze idealen. Door de inschakeling van verschillende communicatiecircuits, tijdschriften, literatuur, preken en onderwijs, had men reeds een groot bereik in de Nederlandse samenleving.
De receptie van dit ideaal wordt echter moeilijker om te bestuderen. Hoe werd dit ideaal ontvangen bij de Nederlanders die geen bijdrage hadden geleverd tot de totstandkoming ervan, de mensen die geen auteurs waren, geen lid van hervormingsgezinde genootschappen, geen predikant of Verlichte denker? In welke mate vond het ideaal doorwerking bij de kinderen die volgens deze denkbeelden werden opgevoed?
Hoewel dit domein zich niet gemakkelijk tot onderzoek leent, toch zijn er bronnen die hiertoe bruikbaar zijn. In de eerste plaats zijn dit egodocumenten: autobiografieën, brieven, aantekeningen, en dagboeken. Het is deze laatste vorm van egodocumenten die in deze verhandeling aangewend zal worden om de doorwerking van het burgerideaal te bestuderen.
In de eerste helft van de 19de eeuw hielden verschillende mensen een dagboek bij. Vijf van hen waren de jonge mannen Alexander van Goltstein, Philippe Louis Begram, Herman Johan Royaards, Pieter Claudius Hubrecht en Jan Bastiaan Molewater. De eerste schreef zijn eerste notitie in 1801, de laatste eindigde zijn document in 1835. Alle vijf waren ze opgevoed in Nederland rond 1800 en hadden ze op jonge leeftijd kennis kunnen maken met de ideeën over burgerschap en deugdzaamheid. Ze waren afkomstig uit het gegoede milieu. De dagboeken die van hen bewaard zijn gebleven, dateren uit de periode die net na hun kinderjaren volgde: hun studententijd.
Allemaal waren ze gaan studeren, twee van hen in Leiden, drie in Utrecht. De studententijd was in 1800, net zoals nu, de levensfase waarin de jongeren zich stilaan uit het ouderlijke milieu konden losmaken. Ze onttrokken zich stap voor stap aan het controlerende gezag van hun familie en moesten beginnen een eigen leven op te bouwen. In deze tussenfase tussen afhankelijkheid en onafhankelijkheid moesten ze op zoek gaan naar verschillende elementen die hun leven vorm zouden geven; niet alleen een beroep en een echtgenote, maar ook een levenshouding, ideeën over de maatschappij en hun omgeving, een godsdienst, een vriendengroep. De externe controle van ouders en opvoeders die bepaalde handelingen, denkbeelden, lectuur enz. had verboden of beperkt, vervaagde stilaan.
In deze verhandeling worden de meningen en visies van de jongemannen rond bepaalde thema’s uit de burgerlijke samenleving bestudeerd. In welke mate hebben zij de beelden die eigen waren aan het nieuwe burgerschap overgenomen ? Hoever had hun opvoeding naar dit nieuwe beeld in hen doorgewerkt ? Waren deze vijf jongens nu de ware ideale burgers ?
2. Politieke achtergrond 1780-1840 [68]
De jaren voor en na 1800 zagen in Nederland een snelle opeenvolging van verschillende soorten regimes die de aard van het land ingrijpend veranderden.
In de achttiende eeuw heette het de Republiek der Nederlanden, een bond van enkele soevereine gewesten, provinciestaatjes, die onderling sterk verschilden en slechts een zwakke centrale leiding kenden. De macht lag in handen van de stedelijke overheden en gewestelijke besturen, de Staten. Het overkoepelende, ‘nationale’ bestuur, de Staten-Generaal, was een eerder zwak orgaan, niet machtig genoeg om de verbrokkelde Republiek tot een eenheid te maken. Zelfs de instantie met de meest monarchale trekken, de Stadhouder, had een onduidelijke macht. Hij genoot wel aanzien en steun van het leger, maar bleef in principe ondergeschikt aan de Staten-Generaal en de gewestelijke Staten. Deze complexe verzameling machten, waarin de nadruk lag op de oligarchische regentenbesturen, zou gedurende twee eeuwen bestaan.
Toen de Stadhouder in de 18de eeuw echter meer monarchale tendensen begon te vertonen, versterkt door de bepaling in 1747 die er een erfelijke functie van maakte, klonken er protesten. Er ontstonden twee groeperingen in de Nederlandse samenleving: de Orangisten, die de Stadhouder op zijn plaats wilden houden, en de Patriotten, die van deze halve monarch en het clientèlesysteem af wilden. In de loop van de jaren ’80 groeide de Patriottische macht en kregen ze greep op verschillende stedelijke besturen. Voor ze echter hun politiek programma konden realiseren, werden ze met de hulp van Pruisen afgezet en kreeg de Stadhouder, Willem V, zijn positie terug. Het gedachtegoed bleef echter levend en werd zelfs versterkt door de successen van de burgerlijke revoluties in Frankrijk. Verschillende Patriotten waren naar Frankrijk uitgeweken en begonnen daar inmiddels steun te werven voor hun eigen doelen. In 1794 hadden ze genoeg invloed op het bestuur zodat ze met behulp van het Franse leger de Republiek binnenvielen. Ze ondervonden er weinig tegenstand van de Nederlandse bevolking, die de Fransen als ‘bevrijders’ onthaalden, en stad na stad viel in handen van het Patriottisch gezag. Willem V vluchtte naar Engeland en de Patriotten zagen in 1795 hun strijd als gewonnen. De revolutie kreeg de naam van ‘Bataafse omwenteling’, de Republiek werd omgedoopt tot ‘Bataafse Republiek’.
De Bataafse Republiek bracht qua complexiteit echter weinig verbetering. De machtsverhoudingen werden nog onduidelijker, zeker door de eindeloze deliberaties en plotse staatsgrepen en de grote verdeeldheid binnenin de Patriottische groep.
Het doel dat de Patriotten voor ogen hadden was de vestiging van een democratische, centraal geleide natie. In 1796 kwam het eerste democratisch verkozen Nederlandse parlement aan de macht: de Nationale Vergadering. Hen belangrijkste taak bestond erin een grondwet op te stellen. Deze kreeg vorm in de Staatsregeling van 1798.
In 1801 werd als leidend orgaan het Staatsbewind opgezet, waar besloten werd de revolutie te nationaliseren door ook de orangisten opnieuw bij het bestuur te betrekken.
Dit was echter niet naar de zin van Frankrijk, waar inmiddels Napoleon de macht naar zich toe had getrokken. Na de instelling van de Bataafse Republiek waren de Frans-Nederlandse relaties nogal moeilijk geworden; Nederland wilde zoveel mogelijk autonoom blijven terwijl de Fransen hen als zusterrepubliek of zelfs deel van hun republiek beschouwden. Napoleon zag het vooral als een wingewest dat geld kon leveren voor zijn militaire plannen. Hij had geen plannen om zich te mengen in het bestuur van het land, zolang er genoeg geld naar hem vloeide. Maar de Nederlanders begonnen zich zelfstandiger te gedragen dan gewenst en dus meende Napoleon voor een oplossing te moeten zorgen. In 1806 schafte hij de Bataafse Republiek af en zette hij zijn broer, Lodewijk Napoleon, op de troon van het nieuwe Koninkrijk Holland. Deze stap betekende het einde van twee eeuwen Republiek, maar de reactie op de omvorming was verbazend gematigd. De Nederlanders legden zich snel neer bij de situatie om verschillende redenen, van revolutiemoeheid of monarchale gezindheid tot de beperkte keuze: koninkrijk of annexatie in het Franse Rijk. Er ontstonden weliswaar vormen van verzet en opstanden, die soms een groot aantal mensen konden bijeenbrengen en waar intensief geprotesteerd werd tegen bepaalde omstandigheden. De resultaten bleven echter beperkt, ze leidden hooguit tot een verzachting of versoepeling van de overheersing en niet tot het vertrek van de overheerser.[69]
Ook voor Lodewijk Napoleon was er weinig keuze; de Hollandse troon was hem niet meteen naar de zin maar was hem opgedrongen door zijn broer. Eens hij echter koning was, toonde hij zich een uitstekende monarch die een Verlicht beleid voerde en sterk begaan was met de noden van zijn land. Hij streefde naar meer eenheid en centralisme en stelde heel wat plannen op ter bevordering van overzichtelijke structuren. Veel heeft hij echter niet kunnen uitvoeren want door zijn zelfstandige neigingen en zijn verzet tegen de Napoleontische maatregelen om meer geld uit de Nederlanden te krijgen, was hij niet volgzaam genoeg voor zijn broer en deze zette hem in 1810 weer af.
Het Koninkrijk Holland was afgeschaft, zelfs Nederland was afgeschaft: de komende jaren zou het geannexeerd blijven in het Franse Rijk. De Franse Grondwet werd overgenomen, er werd een Franse gouverneur-generaal aangesteld, … er volgde als het ware een volledige inlijving. De reactie was opnieuw nogal lauw, er ontstond geen massaal nationalistisch verzet tegenover de Franse overheersers. Toch heerste er een groot ongenoegen en vooral een besef van verlies en vernedering, waar op verschillende manieren uiting aan werd gegeven.
Lang zouden de Nederlanders niet onder de inlijving moeten lijden, want in 1813 begonnen de eerste verliezen van het Napoleontische leger hun tol te eisen van de Franse overheersers. Toen de Russen en de Pruisen het Franse Rijk binnenvielen, viel op enkele weken het staatsapparaat uiteen. Net zoals een kleine 20 jaar eerder werden de buitenlandse ‘bevrijders’ verwelkomd in de steden en was men verlost van de Franse tiran.
Na de bevrijding was de situatie echter weinig verbeterd: er was een machtsvacuüm ontstaan en er was sterke twijfel over hoe dit ingevuld moest worden. Een tijdelijk bewind besloot uiteindelijk om Willem Frederik van Oranje, de zoon van de voormalige Stadhouder Willem V, vanuit Londen terug te halen naar Nederland om er als Koning Willem I leiding te geven aan de gedesoriënteerde natie. Zijn koningschap was echter gebonden aan een constitutie, een zoveelste versie van de Staatsregeling, om misbruiken te voorkomen. Zijn rijk werd in 1815 nog vergroot door de samenvoeging van de voormalige Oostenrijke Nederlanden en het Koninkrijk Holland tot het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Deze samenvoeging vond plaats in het teken van de restauratie op beslissing van het Congres van Wenen, dat het Koninkrijk als een bufferstaat zag tegen Frankrijk. De beide landen waren sinds de opsplitsing in de 16e eeuw echter te verschillend geworden om nog samen te kunnen functioneren als één natie. Toen in de zuidelijke gebieden de Belgische Opstand begon, weigerde Willem I aan de revolutionairen toe te geven en begon een strijd om onafhankelijkheid die zou eindigen in een definitieve opsplitsing.
3. Universiteiten
3.1 De oprichting van universiteiten in de Republiek der Nederlanden
Tot in de 16e eeuw hadden de Noordelijke Nederlanden geen grote behoefte aan een eigen universiteit. Wie een academische opleiding wilde volgen, kon in eigen land terecht in Leuven of anders in een nabije Duitse universiteit. Er waren wel plannen in 1470 om een eigen hogeschool te beginnen in Utrecht omwille van het prestige, maar deze zijn niet doorgegaan. Honderd jaar later was de situatie volkomen anders. De voorbije eeuw had strubbelingen, strijd en opstanden meegebracht en in het laatste kwart van de zestiende eeuw groeiden de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden steeds verder uit elkaar.
Studeren in Leuven was dus niet meer zo evident. Daarnaast ontstond ook de nood om een eigen theologische opleiding voor gereformeerden te voorzien, zodat men niet langer naar katholieke instellingen moest gaan. Men verlangde naar een eigen hogeschool, die een bolwerk van humanisme en vrijheid tegenover de Spaanse tirannie zou worden.
In December 1574 werd er gesproken van de stichting van een eigen universiteit en nog geen twee maanden later was ze er al: op 8 februari 1575 werd de Leidse Universiteit geopend.
De oprichting was met grote haast gebeurd, wat ook blijkt uit het feit dat op 8 februari er nauwelijks hoogleraren en geen studenten waren.[70]
Leiden had de eer om als eerste Noord-Nederlandse stad een universiteit te krijgen, en wel als vergoeding voor de doorstane gevaren tijdens het net afgelopen beleg. De school kreeg als motto Praesidium Libertatis, bolwerk van de vrijheid.[71]
Bij de oprichting waren er ook nog geen statuten opgesteld, deze zouden pas in juni 1575 worden vastgelegd. De universiteit kreeg van zowel van de Staten van Holland als van het Leidse stadsbestuur verschillende privileges. Studenten en docenten waren vrijgesteld van tollen, van inkwartiering, van schutterij en van bepaalde belastingen, en ze hadden recht op een eigen rechtbank, die vorm zou krijgen in de Academische Vierschaar. Van de stedelijke regering kregen ze een vrijstelling van wijn- en bieraccijns. De voorrechten waren niet zo bijzonder; elke andere universiteit had dergelijke regelingen weten te verkrijgen om studenten en leraars aan te trekken. Het geheel van eigen wetten en regels maakten van de universiteit een ‘imperium in imperio’ en een belangrijk deel van de stedelijke samenleving waarmee in hoge mate rekening gehouden moest worden. Voor elke nieuwe maatregel die het stadsbestuur wilde instellen en die mogelijk de belangen van de universitaire gemeenschap aanging, moest het bestuur van de universiteit worden betrokken bij de beslissing.[72] Dit zou ervoor zorgen dat stad en universiteit in een constante staat van spanning met elkaar om moesten gaan en er voortdurend conflicten ontstonden.
Kort na de oprichting van de universiteit in Leiden kreeg ook het Friese Franeker een hogeschool toegewezen. In 1585 werd daar een universiteit opgericht, die echter in de Franse tijd ontbonden zou worden. In de 17e eeuw volgden nog verschillende oprichtingen van instellingen voor hoger onderwijs: een universiteit in Groningen in 1614, een illustere school in Amsterdam in 1632[73] en een universiteit in Utrecht in 1636.[74]
De eerste plannen voor een universiteit in Utrecht dateren al van 1470, maar ze werden toen geannuleerd. Een tweede poging volgde net na de stichting van de Leidse Universiteit, in 1580, maar ook deze keer konden de plannen niet doorgaan[75].
Inmiddels was het stadsbestuur reeds overtuigd van het nut dat een instelling voor hoger onderwijs de stad zou brengen, en men poogde nu ook de Staten van Utrecht zover te krijgen dat ze het project financieel zouden ondersteunen. Ze ijverden voor een ‘illustere school’, een niet-universitaire vorm van hogere opleiding, maar de Staten betwijfelden of Utrecht wel de goede plaats was voor deze instelling was, ‘oordeelende dese stad te veel afleyding aan de studeerende jeugd te verschaffen.’ [76]
De strijd werd beslecht in het voordeel van Utrecht, waar op 25 maart 1633 een illustere school gevestigd werd. De school werd meteen populair, ook omdat op hetzelfde moment in Leiden een pestepidemie was begonnen en men hieraan wilde ontkomen. De nieuwe inrichting bood dus een goed alternatief. Drie jaar later, op 26 maart 1636, verkreeg de school reeds de titel van Academie en werd ze een echte universiteit.[77]
3.2 Situatie aan de universiteiten aan het einde van de 18de eeuw
Het bestuur van de universiteiten lag in de handen van de Curatoren en de Senaat o.l.v. de Rector Magnificus. De Curatoren waren vertegenwoordigers van de regering, stedelijk of gewestelijk, die verantwoordelijkheid opnamen voor de universiteit. Hun taken bestonden uit het benoemen van hoogleraren, het benoemen van de Rector Magnificus en het garanderen van de financiële ondersteuning van de Academie.
Een Senaat was de raad van de hoogleraren, ook een conclavum academicum genoemd. Zij hadden het beslissingsrecht over alle zaken die buiten het veld van de curatoren lagen: examens en promoties, het lesrooster en tarieven van de colleges, de organisatie van ceremoniële activiteiten. Zij vormden een overlegorgaan bij gevoelige kwesties en een adviesorgaan voor de curatoren. Uit de senaat werd de Rector Magnificus gekozen, die het contact met de Curatoren en stedelijke of gewestelijke regering onderhield.[78]
De hoogleraren waren onderverdeeld in verschillende groepen. Er waren gewone hoogleraren, die meestal behoorden tot de hogere middenklasse en het meeste gezag hadden op de universiteit. Buitengewone leraren hadden een minder hoge status. Nog lager op de academische ladder bevonden zich de lectoren en onder hen de repetitoren.
In het begin van de Nederlandse universitaire geschiedenis waren de meeste hoogleraren nog buitenlanders, maar na verloop van tijd, als er ook meer studenten promoveerden aan de binnenlandse universiteiten, werd het docentencorps ook meer autochtoon.[79]
Als hoogleraar stond men in voor de colleges die gegeven moesten worden. Er waren verschillende soorten van colleges, zodat er voldoende afwisseling was en de studenten op hun kennis getest konden worden.
De meest bekende vorm was de lectio, waar een hoogleraar de studenten doceerde over de inhoud van een boek of zijn aantekeningen bij het gebruikte handboek.
In een andere vorm, de disputatio, moesten de studenten in debat gaan over de onderwerpen die in de les waren besproken en tonen in welke mate ze de leerstof beheersten. Een gelijkaardige oefening waren de responsiecolleges, eveneens debatten maar dan aangekondigd en voorbereid, zodat de studenten ook niet meer getest werden op hun kennis.
Er waren zowel openbare als private colleges. Elke hoogleraar moest een aantal uren per week openbaar college houden, een lectio die alle geïnteresseerden, ook niet-studenten, kosteloos konden volgen. De voorkeur van de leraars ging echter uit naar de private colleges en hierin werden ze gevolgd door de studenten, ook om praktische reden. De grote openbare zalen waren veel moeilijker te verwarmen dan de kleine kamers waar private colleges gegeven werden en de laatste waren dus veel aangenamer om te volgen. Voor de hoogleraren kwam er nog een ander voordeel bij: deelnemen aan private colleges koste inschrijvingsgeld en dat konden ze goed gebruiken boven hun bescheiden salaris. Het nadeel aan deze regeling was dat de tarieven niet officieel waren vastgelegd en het niet om een juridische transactie ging, zodat misbruik en wanbetaling vaak voorkwamen. Toch waren de private colleges veel populairder dan de openbare en zouden de laatste steeds meer uit het curriculum verdwijnen.
Het gevolg was echter een wildgroei aan privaatcolleges. Vanuit het bestuur was er zeer weinig controle op de colleges en het curriculum. Studenten mochten de colleges kiezen naargelang hun eigen interesse en financiële situatie en werden niet beperkt door facultaire grenzen. Als er al een zekere structuur in de opleiding zat, was deze beperkt tot een eenvoudige tweefasenstructuur : men doorliep eerst een basisopleiding in de artesfaculteit, waar men filosofische vakken kreeg als retorica en geschiedenis. Deze werden in de 18de eeuw aangevuld met de natuurwetenschappen die toen sterk tot bloei kwamen. Na deze opleiding kon men naar een ‘echte’ studie overstappen, met name rechten, medicijnen of theologie. Deze drie werden gezien als de enige volwaardige faculteiten.[80]
Om toelating te verkrijgen, moest men volgens de statuten een verklaring kunnen voorleggen van een Latijnse School, de voortgezette opleiding in de klassieke richting. Aangezien het aantal leerlingen erg bepalend was voor de inkomsten van de school en de docenten, waren zij niet te streng in hun beoordeling.
Ook voor het examineren golden er weinig vaste bepalingen, voor de meeste colleges volstond een testimonium, een bewijs van aanwezigheid tijdens de lessen, zonder dat ze op hun kennis of verwerking van de inhoud van die lessen beproefd werden.
De enige keer dat een student een examen moest afleggen, was als hij de graad van doctor wilde bereiken. Reeds in 1592 werd vastgelegd dat men eerst een examen moest doen om ‘kandidaat’ te worden, de titel die aan de doctorsgraad voorafging, en na een disputatie kon men promoveren tot doctor.[81] Om het statuut van kandidaat te bereiken, werd men geëxamineerd in de verschillende gedeeltes van de bestudeerde wetenschap en moest men vaak ook een scriptie schrijven die becommentarieerd en ondervraagd werd. Bij goedkeuring werd een onderwerp gekozen voor een disputatio inauguralis, die de kandidaat tot doctor zou maken. Aanvankelijk gebeurde deze disputatie in het openbaar maar tegen het einde van de 17e eeuw werd ze meer privaat gehouden, zodat ze iets minder angstaanjagend en ook goedkoper werd. Als een medestudent van Jan Bastiaan Molewater, één van de dagboekauteurs, zijn examen ging doen, had deze ‘iedereen en ook mij op hals en keel verzocht niet te komen luisteren. Dat vind ik in allen gevalle laf maar mogelijk slim.’[82] Promoveren was immers niet alleen een schrikwekkende maar ook een dure zaak; er hing een heel ritueel aan vast, dat naargelang de grootte van de onderscheiding alleen maar meer prestigieus werd.
De beschikbare cijfers uit de 17de en 18de eeuw wijzen op een forse stijging van het aantal promoverende studenten. Dit zal te maken hebben gehad met de privatisering van de disputaties, maar ook met de culturele waarden van de tijd. Een doctorstitel was nauw verbonden met de hoogste maatschappelijke standen zodat het meer een statussymbool dan een teken van geleerdheid werd. Door de graad te behalen toonde men zich eerder als deel van de sociale elite en niet zozeer van de wetenschappelijke wereld.[83]
Aan het einde van de 18de eeuw was het Noord-Nederlandse hoger onderwijs dus goed verspreid met vijf universiteiten in Leiden, Utrecht, Groningen, Franeker en Harderwijk en een heel aantal athenea en illustere scholen, onder andere in Middelburg, Deventer, Amsterdam, Nijmegen, Breda en Dordrecht.
Kwantitatief stond de Republiek der Nederlanden dus erg sterk, maar kwalitatief liepen ze erg achter.
Er waren omstandigheden die buiten de verantwoordelijkheid van de universitaire besturen lagen. De traditie van de peregrinatio academica was in de 18de eeuw stilaan verdwenen. Op deze rondreis langs de grote universiteiten van Europa waren studenten vaak ook Leiden gepasseerd, maar dit aantal was tegen 1800 dus aanzienlijk verminderd.
In Nederland zelf was er eveneens een trend ontstaan die de optimale werking van de universiteiten tegenhield: de wetenschappelijke genootschappen. In tegenstelling tot de universitaire wereld, die als autonoom onderdeel van de maatschappij van de rest van de samenleving vervreemd was, stonden deze genootschappen dichter bij de dagelijkse werkelijkheid en vonden geïnteresseerden hier meer aansluiting.
Men zat daarnaast ook met het probleem van het grote aantal van hogescholen, misschien wel het te grote aantal[84]. Hoe meer universiteiten er waren, hoe meer het talent verspreid was en hoe minder leerlingen er per school waren.
De lage kwalitatieve graad van het universitaire onderwijs was in de eerste plaats te wijten aan de gebrekkige controle die het bestuur uitoefende, zowel op toelatingen als op examens, zowel op docenten als op de curricula. Een strengere controle was echter niet echt gewenst; dit zou immers tot een kleiner aantal studenten en dus ook minder inkomsten leiden.
Het inschrijvingsgeld was niet alleen nodig om docenten uit te betalen of gebouwen te beheren, men moest ook voortdurend op de hoogte blijven van wetenschappelijke vernieuwingen en nieuw onderzoeksmateriaal aanschaffen. In een eeuw van vooruitgang en steeds nieuwe uitvindingen of ontdekkingen moest men veel uitgeven om up-to-date te blijven, anders raakte men achtergesteld en ouderwets en trok men dus ook niet veel meer nieuwe leerlingen aan.[85] Het leek wel een vicieuze cirkel : om goed wetenschappelijk onderwijs te geven moest men veel studenten hebben, en om veel studenten te hebben moest men toelaten dat het wetenschappelijk onderwijs verslechterde.
De universitaire studie had nog wel zijn prestige bewaard en bleef gelukkig nog genoeg studenten aantrekken omwille van de graad die zij daar konden behalen. Deze graad was rond 1800 echter meer een statussymbool geworden dan een teken van geleerdheid; hij diende meer om een plaats te krijgen in de maatschappelijke dan in de wetenschappelijke elite. Dit versterkte natuurlijk de daling van het niveau van het onderwijs, maar zorgde er ook wel voor dat er nog voldoende jongelingen waren die naar de universiteit trokken zodat er geen volledige leegloop optrad.
Het was echter wel duidelijk dat er hervormingen moesten komen in het bestuur en de organisatie van het onderwijs om verdere, meer tragische, aflopen tegen te gaan.
3.3 Hervormingen in het Hoger Onderwijs in de negentiende eeuw
a. Bataafse en Franse periode
Met de oprichting van de Bataafse Republiek onderging de gehele voormalige Republiek der Nederlanden een transformatie. Op ongeveer elk domein van de samenleving werden hervormingen ingericht, of was men dat op zijn minst van plan.
Eén van de plannen van het nieuwe bestuur was om het aantal universiteiten drastisch te verminderen:ze zouden één nationale universiteit instellen en daarnaast enkele nationale academies waar men geen recht had op het promoveren van studenten. Dit plan sloot mooi aan bij de centralistische hervormingen die de Nationale Vergaderingen voorstonden en zou de controle door de nationale overheid veel vergemakkelijken. Ten tijde van de Staatsregeling, echter, waren deze ideeën alweer opgeborgen omdat men zich eerst wilde concentreren op veranderingen in het basisonderwijs.
Wel werden tijdens de Bataafse periode, in Utrecht alvast in 1796, de privaatcolleges als volwaardige colleges erkend en werden ze mee op de collegelijsten gezet. Dit maakte mogelijk dat er controle kwam op het aantal colleges en de onderwerpen die er behandeld werden, en, misschien wel even belangrijk, op de tarifering van de colleges. Daarnaast gingen de eerste veranderingen, ondanks alle wilde plannen, niet veel verder dan het politiek-bestuurlijk niveau: alle raden en besturen van het land waren nu niet meer aan de elite voorbehouden maar door een algemene trend naar democratisering kreeg nu de ‘lagere burgerij’ meer macht, en werden ze dus ook toegelaten tot het bestuur van de universiteiten als Curatoren.[86]
Tijdens het Koninkrijk Holland bleek koning Lodewijk Napoleon sterk geïnteresseerd in de cultuur en de samenleving van zijn nieuwe land en hij besteedde dus ook veel aandacht aan het onderwijs. Net als zijn voorgangers had ook hij allerlei plannen voor hervormingen die aansloten bij de nieuwe pedagogische ideeën. Hij pleitte voor een nieuwe inrichting van het onderwijs volgens Franse Verlichte systeem van een meritocratische, trapsgewijze opleiding, met meer aandacht voor de praktische vakken.
Deze ideeën hadden in Frankrijk al ingang gevonden, maar in Nederland vielen ze niet meteen in goede aarde. De hervormingen van Lodewijk Napoleon zijn er dus niet van gekomen.
De periode die volgde op de regering van Lodewijk Napoleon, de annexatie door het Franse Keizerrijk, was veruit de meest rampzalige voor de Nederlandse universiteiten. In 1811 werden Leiden en Groningen slechts een afdeling van de Université Imperiale. De Utrechtse universiteit werd samen met de athenea van Amsterdam en Deventer gedegradeerd tot een école secundaire. De universiteiten van Franeker en Harderwijk werden simpelweg afgeschaft. Deze situatie bracht een gevoelige klap toe aan de Nederlandse universitaire wereld. Alleen in Leiden en Groningen mochten nog doctorsgraden worden uitgereikt en alle universitair personeel over het hele land, voor zover ze die naam nog mochten dragen, waren ondergeschikt aan de rector in Leiden.
Gelukkig duurde de Franse periode niet lang, in 1813, na de val van het Napoleontische Rijk en de oprichting van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, kon men beginnen aan een heropbouw van de Nederlandse universiteiten. De inlijving had als positieve kant gehad dat men als het ware met een schone lei kon herbeginnen en de wantoestanden die in de vorige eeuw duidelijk waren geworden bij de bodem kon aanpakken. In 1815 kon echter de hervorming goed van start gaan en dit zou gebeuren door het opstellen van het Organiek Besluit van 2 augustus 1815.[87]
b. Verenigd Koninkrijk der Nederlanden : het Organiek Besluit van 1815
Door middel van het O.B. kwam het onderwijs, van laag tot hoog, onder de verantwoordelijkheid van de regering te staan. De scholen werden trapsgewijs ingedeeld in drie stadia: lager, middelbaar en hoger. De beoordeling van studenten om over te gaan naar een volgende trap gebeurde op basis van hun prestaties. Het hoger onderwijs, de laatste trap, werd gedefinieerd als : ‘zoodanig onderwijs, als ten heeft den leerling, na afloop van het lager en middelbaar onderwijs, tot eenen geleerden stand in de maatschappij voor te bereiden.’[88]
De hogescholen, Leiden, Groningen en opnieuw Utrecht, waren plaatsen waar ‘niet alleen de studiën tot bekoming van wetesnchappelijke graden zullen voleindigd, en die graden zelve toegekend worden, maar aan welke, dien tengevolge, in alle voornaamste deelen van menschelijke kennis, onderwijs zal worden gegeven’.[89]
Er werden maatregelen ingevoerd om controle te krijgen op allerlei aspecten van het hoger onderwijs.
Het aantal universiteiten werd vastgelegd op drie: Leiden, Groningen en Utrecht. Voor de toelating moest men vanaf 1815 ofwel een diploma van een Latijnse School hebben, ofwel een toelatingsproef afleggen. Als men toegelaten werd, moest men zich nu ook verplicht inschrijven om de titel van ‘student’ te krijgen en te kunnen genieten van de bijbehorende voorrechten. De artesfaculteit werd o