| Evolutie of revolutie? Het tijdschrift Streven over huwelijk, gezin, seksualiteit en geboorteregeling in de periode 1958-1973. (Janssens Christiaan) |
| home | lijst scripties | inhoud |
Ik wil iedereen bedanken die mij geholpen heeft bij het maken van dit werkstuk, Toon Bosch voor de begeleiding, Lieke van den Bulck voor de correcties en mijn vrouw voor haar geduld. Daarnaast ben ik Frans Van Bladel dankbaar voor de tijd die hij heeft vrijgemaakt voor een interview. Ten slotte wil ik de medewerkers van de bibliotheek van de Universiteit Antwerpen bedanken voor hun welwillende assistentie.
De onstuimige jaren zestig van de twintigste eeuw spreken nog altijd tot de verbeelding zelfs voor hen die toen nog niet geboren waren. Recente studies onderstrepen het historische belang van deze jaren. Voor de Britse historicus Arthur Marwick is het een periode van '(...) outstanding historical significance in that what happened during this period transformed social and cultural developments for the rest of the century'.[1] Historici vragen zich af welke maatschappelijke krachten toen in beweging kwamen. Welke sociale groepen en individuen waren daarvoor verantwoordelijk en wat was het effect van het streven naar een andere, minder autoritaire samenleving?
De Nederlandse historicus Hans Righart zag in het generatieconflict, tussen een oude elite en een linkse tegencultuur, de belangrijkste oorzaak van de maatschappelijke turbulentie in Nederland tijdens de jaren zestig.[2] James Kennedy verwierp deze visie en stelde dat het juist deze elite was die in die periode de versnelde modernisering van de maatschappij stuurde.[3] Deze discussie kan echter niet zomaar overgeplaatst worden naar Vlaanderen.[4] Men neemt te vanzelfsprekend aan dat de Vlaamse situatie dezelfde was met dat verschil dat Nederland als progressief land voorliep op Vlaanderen.
De bestudering van de maatschappelijke veranderingen concentreerde zich lange tijd vooral op de jaren zestig. Men was van mening dat juist daar in een paar jaar zich een ingrijpende breuk met het verleden voltrok. Aan dat beeld wordt echter ook getwijfeld. Voor de socioloog K. Schuyt en de kunsthistoricus E. Taverne kwamen de jaren zestig niet uit de lucht vallen.[5] In de jaren vijftig vond het voorkoken plaats van een naderhand revolutionaire moderniseringsgolf.
De modernisering van de westerse wereld is een proces dat gestart is in de late middeleeuwen. Er ontstond een steeds grotere scheiding tussen godsdienst en maatschappij. Halfweg de negentiende eeuw is deze ontwikkeling versneld onder invloed van de industriële revolutie. Het gezins- en beroepsleven werd meer en meer van elkaar gescheiden. In de eerste helft van de twintigste eeuw groeiden de verschillende gezinsvormen, burgerlijke, boeren- en arbeidersgezinnen, geleidelijk aan meer naar elkaar toe. Huishoudens bestonden in toenemende mate uitsluitend uit ouders en hun ongehuwde kinderen. In deze gezinnen werd het aantal kinderen bewust beperkt. De man verrichte betaald werk buiten de gezinssfeer terwijl de vrouw overwegend haar werk daarbinnen vond. De relaties tussen de huwelijkspartners kenmerkten zich door een sterkere emotionele betrokkenheid en door een toenemende gelijkheid. Rond 1950 was dit 'moderne' gezin het standaardtype geworden.[6]
Het decennium na 1945 was in Vlaanderen vooral een periode van herstel, wederopbouw en vernieuwing. Dat ging echter niet gepaard met ingrijpende politieke veranderingen. De Vlaams-nationalistische partijen werden vanwege collaboratie weggezuiverd. De dominante katholiek culturele elite bleef in het zadel. Onderwijs en opvoeding bleef doordrongen van katholieke normen en waarden.
Vlaanderen bleef zodoende nog lang in de naoorlogse jaren een katholieke bolwerk. Daarbinnen stond trouw aan de kerk en het leven volgens de geboden en verboden centraal. Ten aanzien van liefde, seksualiteit, huwelijk en voortplanting waren de geboden en verboden van de kerk onaantastbaar. Er bestaat echter altijd een verschil tussen de voorgeschreven orde en de praktijk. De bedreven praktijk week in een aantal aspecten zeker af van hetgeen de kerk voorschreef. Toch had de katholieke moraalleer ten aanzien van huwelijk, gezin en seksualiteit een grote invloed. Velen werden er vanaf de schoolbanken mee geconfronteerd en bleven in deze onaantastbare eenheid geloven.
Modernisering betekende in deze jaren veelal de intensivering van decennia eerder opgestarte processen.[7] Deze kwamen na 1945 in een stroomversnelling terecht. Op politiek, sociaal en cultureel vlak was Vlaanderen nog altijd dominant katholiek. Binnen die katholieke cultuur stonden visies op onderwijs, opvoeding, liefde, huwelijk en seksualiteit in het teken van de kerk. Echter langzaamaan, onder invloed van een complex aantal factoren waarvan de snelle economische groei en welvaartsvermeerdering tot de meest spectaculaire behoren, werd het katholiek geloof met zijn vele en machtige maatschappelijke verknopingen in tal van instituties ondergraven. Er zijn zowel externe oorzaken - welvaartsgroei, veranderend internationaal klimaat, onderwijs, opkomst Amerikaanse invloeden - als interne oorzaken. Jonge priesters en nieuwe theologen hadden andere visies op de wereld en de mens. Op het Tweede Vaticaans Concilie kwam de verdeeldheid binnen de kerk tot uiting toen vernieuwers en behoudzuchtigen hun stem luider dan voorheen verhieven. Achteraf bekeken zette de achteruitgang van de invloed van de kerk versneld door.
In dit onderzoek richten we ons op deze tanende invloed van de kerk en haar pogingen zich aan de veranderende maatschappij aan te passen.
We volgen aan de hand van het katholieke tijdschrift Streven hoe zich in de periode 1958-1973 bepaalde maatschappelijke visies ontwikkelden. Hoe positioneerde Streven zich ten opzichte van huwelijk, gezin, seksualiteit en geboorteregeling tijdens deze periode? Hoe werd de moderniseringsstrijd in Streven gevoerd? Koos Streven voor vernieuwing? Kwamen er zowel conservatieve als progressieve opinies aan bod? Was er begin jaren zeventig een conservatieve reflex? Wat waren de gevolgen voor het maandblad Streven?
Ons startpunt wordt gevormd door 1958, het jaar waarin in Streven andere opinies werden geuit. 1958 is het jaar van de Wereldtentoonstelling te Brussel en het Schoolpact, 1973 dat van de oliecrisis. Beide jaren zijn typerend voor het tijdgewricht dat hier beschreven wordt. Het Schoolpact beëindigde de Schoolstrijd (1951-1958) waarin de oude tegenstellingen tussen klerikaal en antiklerikaal opnieuw werden opgerakeld. De Wereldtentoonstelling geeft goed het beeld weer van de komende jaren zestig waarin het idee the sky is the limit snel opgang maakte. De oliecrisis van 1973 en de daaropvolgende economische crisis brachten weer meer nuchterheid.
2. Maatschappelijke veranderingen in Vlaanderen
2.1 De crisis van het moderne gezin
Na de Tweede Wereldoorlog leefden katholieken op zedelijk gebied de richtlijnen na van de encycliek Casti Connubii uit 1930.[8] De daarin ontvouwde leer rond huwelijk en gezin sprak zich expliciet uit voor een autoritaire opvoeding, gecentraliseerd rond kinderzegen, huwelijkstrouw, onverbrekelijkheid van het huwelijk en duidelijk afgebakende rollen voor de man en de vrouw. De man werkte buitenshuis en de vrouw werkte thuis in de huishouding. Zij was bovendien belast met de zorg voor gezin en opvoeding, ook de religieuze kant daarvan.
Het huwelijk bereikte midden jaren zestig een vrijwel maximale populariteit. Trouwen, en liefst jong, was het devies voor vrijwel iedereen. Daarna kwam een kentering. Het gezin, de christelijke hoeksteen van de maatschappij, kwam onder druk van een nieuwe moderniseringsversnelling. Het kerngezin, bestaande uit een door huwelijk verbonden paar met kinderen, werd minder en minder de dwingende constructie van weleer. De begrippen huwelijk en gezin hadden in 1975 niet meer dezelfde lading en betekenis als in 1955. Echtscheiding, emancipatie, abortus en seksualiteit waren aan het einde van deze periode geen taboe meer.
De stelling dat het gezin per definitie de ideale en enige leefvorm was, werd door steeds minder mensen onderschreven. Men kreeg ook oog voor de nadelen van het traditionele gezin zoals de soms benauwende beslotenheid, de rigide taakverdeling tussen man en vrouw, de spanningen tussen jong en oud en de starre gezagsverhoudingen.
2.2 Naar een profane samenleving
Samen met deze sociale veranderingen zette zich in Vlaanderen een trend in van ontkerkelijking, secularisatie en ontzuiling.
In de jaren vijftig werd 90 % van de huwelijken kerkelijk ingezegend en werden bijna alle kinderen gedoopt. Deze jaren kenmerkten zich door kerkgang, bedevaarten, kerkdiensten, congregaties, novenen, processies, preken, aflaten en vasten. Tijdens de zondagsdienst werd Latijn gesproken ondersteund door gezangen en orgelmuziek. Het was de glorietijd van de katholieke kerk. Toch kwam ze ook intolerant en dwingend over: uit de echt gescheiden personen ontvingen geen sacramenten, crematie was onvergeeflijk, zelfmoordenaars mochten niet in gewijde grond begraven worden.
Tussen 1958 en 1973 zakte het aantal kerkbezoekers met bijna 40%.[9] In 1975 woonden nog 30% van de Vlamingen wekelijks een eucharistieviering bij.[10] De daling van de rekrutering voor de clerus is echter nog een significanter gegeven.[11] Als gevolg hiervan trok de katholieke kerk zich geleidelijk terug naar het strikt religieuze. De bisschoppen gaven geen stemadvies meer in de jaren zestig De verstrengeling van politiek en religie werd zwakker.
2.3 Politiek, economie en cultuur
Bovenstaande ontwikkelingen zien we ook terug in de politiek zelf. De Christelijke Volkspartij (CVP) had lange tijd de volstrekte meerderheid. Tussen 1950 en 1954 kende België een homogene CVP-regering. Vooral in Vlaanderen had de CVP een groot kiezerspubliek (60% in 1950). In de jaren die volgden zou deze invloed echter sterk terugvallen. De CVP-PSC verloor tussen 1958 en 1974 bijna 18% van haar kiezers. Toch behaalde de CVP In 1974 nog 45 van de 108 Vlaamse kamerzetels.[12]
Tabel 1: stemmenpercentages CVP-PSC in Vlaanderen en Wallonië

Bron: Witte, E. en J. Craeybeckx, Politieke geschiedenis van België sinds 1830 (Antwerpen 1985) 289.
De emancipatie van Vlaanderen kreeg onder invloed van de Vlaamse Beweging vorm met als resultaat o.a. het vastleggen van de taalgrens (1963), Leuven-Vlaams (1968) en culturele autonomie (1970). Het eind van het unitaire België leek nabij.
De Vlaamse samenleving in de jaren vijftig kenmerkte zich door een echte “hokjesmentaliteit”.[13] Katholieken, socialisten en liberalen hadden elk hun eigen zuil.
Voor velen speelde het leven zich af binnen één wereld, van de wieg tot het graf. De katholieken werden beschermd tegen de verderfelijke invloed van de buitenwereld. Katholieke bibliotheken hadden geen boek in hun uitleenbestand dat door hun zuil als verdacht geklasseerd werd. De katholieke kerk voorzag in bijna alle maatschappelijke behoeften: ontspanning, onderwijs, ziekenfonds, vakbond, enz. De gelovigen moesten op geen enkele manier nog andersdenkenden ontmoeten.
Tijdens de tweede helft van de jaren zestig takelden de verzuilde structuur af. Men vond meer en meer dat de verzuiling haaks stond op het pluralisme en de verdraagzaamheid binnen een samenleving. Groepen en organisaties werden opgericht om de verzuiling te doorbreken. Progressieve christenen en socialisten zochten toenadering. Nu, bijna 40 jaar later, is er sprake van een zekere progressieve frontvorming. Weinig leden van het Algemeen Christelijk Werkersverbond (ACW) hebben de sprong echter gewaagd. De katholiek zuil bleef, zij het met de nodige veranderingen, intact.
De jaren zestig karakteriseren zich door een voortschrijdende, snelle economische groei en een steeds grotere welvaart. Ze vormen het hoogtepunt van een dertig jaar durende economische groeicyclus die onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog startte en pas eindigde met de oliecrisis van 1973.
Vlaanderen had in de jaren vijftig nog een duidelijke economische achterstand ten opzichte van Wallonië. In de gouden jaren zestig maakte Vlaanderen een sterke inhaalbeweging. In 1960 vertegenwoordigde Vlaanderen 45% van het bruto nationaal product. Dit steeg naar 54% in 1970.[14] Het meest rechtstreekse gevolg van de economische expansie was echter de enorme stijging van de levensstandaard. De Vlaming kon in 1973 twee maal zoveel goederen en diensten aanschaffen als in 1958. De Vlaamse maatschappij veranderde onder invloed van de moderniseringsprocessen in de richting van een welvaartssamenleving. Een dergelijke economische groei heeft onvermijdelijk gevolgen op het gebied van de mentaliteit, zoals de Britse historicus E.P. Thompson opmerkte, 'there is no such thing as economic growth which is not, at the same time, growth or change of a culture'.[15] De economische groei wijzigde diepgaand de opvattingen van veel Vlamingen. De traditionele waarden en deugden werden vervangen door het consumentisme. Vermaak, consumptie en uiterlijk zijn belangrijker dan arbeidsethos en spaarzaamheid. Vanaf de jaren zestig woonde meer dan de helft van de Vlamingen in een eigen huis met radio en televisie, badkamer, koelkast en toilet met waterspoeling.[16]
De toename van de media was spectaculair: radio (in België 1939: 1,1 miljoen; 1950: 1,5 miljoen; 1959: 2,5 miljoen) en televisie (in België 1958: 233.000; 1959: 392.000; 1960: 618.000; 1962: meer dan 1 miljoen; 1970 meer dan 2 miljoen).[17] Deze media verspreidden, samen met onder andere de specifieke op vrouwen gerichte bladen, ideeën zoals emancipatie van de vrouw, gebruik van anticonceptie en nieuwe vormen van vrijetijdsbesteding. Televisie en films fungeerden als een venster op de wereld en hadden een enorme culturele impact. Zij introduceerden de American way of life.[18]
3. Het cultureel en maatschappelijk maandblad Streven
3.1 Oorsprong
Streven werd opgericht door pater Frans De Raedemaeker s.j. (1895-1961).[19] De Raedemaeker was van 1927 tot 1937 leraar aan het aan het Onze-Lieve-Vrouwcollege te Antwerpen. Hij maakte zijn leerlingen bewust van hun christelijke, Vlaamse en sociale verantwoordelijkheid. Hij zette hen aan tot zelfstandig denken. Vrucht hiervan was Streven, waarvan het eerste nummer in december 1931 verscheen.Van alumniblad werd Streven in 1933 een officieel cultureel maatschappelijk tijdschrift, een uitgave van de Societas Jesu, de Jezuïeten. Wat Vlaams en christelijk was kon op goedkeuring van Streven rekenen. Wat uit het buitenland kwam of een modernistische inslag had, werd veroordeeld of gewoon genegeerd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog lagen de artikelen in de lijn van de Nieuwe Orde.[20] Na de oorlog werd De Raedemaeker één van de grote promotoren van het jezuïetenweekblad De Vlaamse Linie.[21] In oktober 1947 bracht hij met pater J. van Heugten, de hoofdredacteur van het Nederlandse Katholiek Cultureel Tijdschrift (KCT), de samensmelting tussen KCT en Streven tot stand.[22] Hierdoor werd Streven een gezamenlijke onderneming van Vlaamse en Nederlandse Jezuïeten. De Raedemaeker bleef tot 1953 Vlaams hoofdredacteur.
Streven stelde zich tot aan het einde van de jaren vijftig de intellectuele emancipatie van de Vlaamse katholieken tot doel. De redactie trachtte via Streven invloed uit te oefenen op de maatschappelijke ontwikkelingen, een typisch jezuïtische karaktertrek.[23] In de bijdragen kwamen de volgende onderwerpen aan bod: de rechten van de mens, menselijk relaties, techniek en organisatie, dienstweigering, euthanasie, wetenschappelijk en marxistisch humanisme en de toekomst van het katholicisme. De artikelen getuigden van een behoudsgezind katholicisme.
Van 1957 tot 1973 had Frans Van Bladel de leiding over de Vlaamse redactie. Tot 1963 was J. van Heugten s.j.[24] en tot 1973 Adriaansen s.j. zijn Nederlandse tegenhanger. Streven veranderde onder het (gedeelde) hoofdredacteurschap van Van Bladel van een apostolisch blad in een blad waarin christelijke intellectuelen openlijk en openbaar naar een modus vivendi met de moderne geseculariseerde cultuur en samenleving zochten. Het tijdschrift werd aldus een forum van reflectie en discussie over de christelijke identiteit.
De programmaverklaring van de Vlaamse redactie in 1978, opgesteld door de theatercriticus Carlos Tindemans en geredigeerd door Frans Van Bladel, vatte goed samen waarvoor Streven stond (en staat). De Vlaamse redactie wilde (...) een groep vormen van christelijke signatuur, van intellectueel geïnteresseerde lezers met een pluriforme en open opstelling. Zij zagen Streven als een middel om te werken aan de bewustwording, verkenning en evaluatie van de cultureel-maatschappelijke ontwikkelingen.[25] Deze programmaverklaring werd geschreven in het eerste nummer van de Vlaamse editie van Streven. Naar aanleiding van spanningen en verschillende visies hadden de Vlaamse en Nederlandse redacties besloten om ieder hun eigen weg te gaan.
Aan de Nederlandse editie van Streven kwam reeds in december 1980 een einde. Dat was voornamelijk te wijten aan personeelstekort. Er waren te weinig Jezuïeten om het in leven te houden en het was blijkbaar niet denkbaar het blad in handen te geven van leken. Het Vlaamse Streven kon slechts een klein deel van de Nederlandse abonnementen recupereren.[26]
In 1991 was er van Nederlandse zijde weer interesse om tot samenwerking te komen. Het was de programmaverklaring van de Vlaamse redactie uit 1978 die hen aantrok.[27] Het grote verschil met het vorige Nederlands-Vlaamse blad is dat er nu slechts één redactieteam is met Vlaamse en Nederlandse redacteurs.
3.2 Streven en zijn lezers
In 1958 had Streven tweeduizend, in 1971 zesduizend betalendeabonnees.[28] Het aantal lezers lag echter veel hoger vermits het maandblad goed verspreid was in openbare en universitaire bibliotheken. In de bibliotheek van de Universiteit Antwerpen zijn alle nummers sinds 1933 bewaard. De aantekeningen in de marges bewijzen dat Streven veel wordt gebruikt als bronmateriaal voor werkstukken en scripties.
Onder de lezers bevonden zich politici, academici, journalisten en leiders van kerk en drukkingsgroepen. In 1971 werd een enquête gehouden bij de lezers waaruit bleek dat 92% van de lezers leken waren.[29] Deze groep werd op basis van het beroep verder ingedeeld.
Tabel 2: verdeling lezers Streven naar beroep in 1971. (exclusief geestelijken)

Bron: 'Streven en zijn lezers', Streven september (1971) 1133.
Men stelde in deze enquête bovendien vast dat de lezersgroep in Vlaanderen opmerkelijk jonger was dan in Nederland.[30] Streven werd ook hoofdzakelijk door katholieken gelezen.[31]
3.3 Auteurs en bijdragen
Onder de auteurs bevonden zich veel academici, hoogleraren en universitaire docenten.[32] Het tijdschrift opende in den regel met een theologisch of religieus georiënteerd artikel. Daarna volgden bijdragen van zowel religieuzen als leken. Veel artikelen gingen over geloofs- en kerkaangelegenheden. Tussen april 1959 en maart 1974 was de verdeling als volgt:
Tabel 3: Aantal bijdragen in Streven per onderwerp 1959-1973
|
|
59 |
60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65 |
66 |
67 |
68 |
69 |
70 |
71 |
72 |
73 |
Tot. |
|
Editoriaal |
|
6 |
7 |
6 |
5 |
|
|
|
|
5 |
10 |
6 |
2 |
|
|
47 |
|
Godsdienst en theologie |
12 |
15 |
18 |
16 |
19 |
19 |
20 |
16 |
13 |
27 |
15 |
8 |
4 |
9 |
5 |
216 |
|
Letterkunde |
13 |
15 |
12 |
18 |
18 |
15 |
12 |
18 |
11 |
9 |
13 |
15 |
13 |
12 |
13 |
207 |
|
Sociale wetenschappen |
34 |
31 |
21 |
14 |
13 |
17 |
16 |
10 |
11 |
23 |
15 |
21 |
30 |
28 |
17 |
301 |
|
Onderwijs |
|
|
|
3 |
3 |
5 |
2 |
|
|
|
|
|
|
|
|
13 |
|
Kunst en cultuur |
15 |
26 |
17 |
14 |
11 |
18 |
22 |
34 |
23 |
21 |
20 |
26 |
12 |
4 |
11 |
274 |
|
Geschiedenis |
4 |
8 |
2 |
6 |
5 |
2 |
3 |
2 |
1 |
|
|
|
2 |
|
2 |
37 |
|
Filosofie |
2 |
|
5 |
3 |
4 |
4 |
2 |
8 |
7 |
4 |
11 |
7 |
5 |
9 |
6 |
77 |
|
Wetenschap |
10 |
5 |
9 |
9 |
9 |
6 |
3 |
9 |
7 |
4 |
4 |
|
2 |
|
|
77 |
|
Politiek |
10 |
13 |
11 |