| Een Standaard in Vlaanderen? Vlaams-Katholieke krant op zoek naar kwaliteit en politieke invloed 1947-1976. (Karel Van Nieuwenhuyse) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
HOOFDSTUK I
THEORETISCHE ONDERBOUW: STATUS QUAESTIONIS EN METHODOLOGIE
Over de rol van de pers op politiek vlak doen een aantal sterke verhalen de ronde. Eén ervan luidt dat ten tijde van de Spaans-Amerikaanse oorlog in 1898 de Amerikaanse krantenmagnaat William Randolph Hearst een fotograaf naar de plaats der vijandelijkheden stuurde. Toen de fotograaf ter plaatse kwam, merkte hij dat er van vijandelijkheden (nog) geen sprake was. Plichtsgetrouw nam hij contact op met Hearst om hem te vragen wat er nu moest gebeuren: er was immers niets om foto’s van te nemen. Had het nog wel zin dat hij ter plaatse bleef? Het antwoord van dagbladuitgever Hearst zou koeltjes hebben geluid: blijf maar ter plaatse. “You furnish the pictures, I’ll furnish the war!”[1]
In deze trant zijn nog een massa voorbeelden te geven van situaties waarin de pers als ‘vierde macht’ fungeert, of althans gezegd wordt te fungeren. De verantwoordelijkheid voor het aftreden van president Nixon van de Verenigde Staten op 9 augustus 1974 wordt toegeschreven aan twee journalisten van The Washington Post, Woodward en Bernstein, die de Watergate-affaire hadden uitgebracht. Dichter bij huis wordt vaak gezegd en geschreven dat de val van de regering-Vanden Boeynants in 1968 bewerkstelligd werd door een samenwerking tussen drie Vlaamse journalisten: Manu Ruys van De Standaard, Jef Claes van Het Volk en Karel De Witte van Gazet van Antwerpen. De val van de regering-Leburton in 1974 werd door vele waarnemers toentertijd toegeschreven aan de ongenadige kritiek die De Standaard maandenlang op haar uitoefende. De regering kon volgens hen tegen deze kritiek niet langer optornen.
De vraag stelt zich in het licht van deze voorbeelden uiteraard hoe het zover komt dat aan een krant of kranteneigenaar dergelijke macht of invloed wordt toegeschreven, of en in voorkomend geval hoe een krant invloed kan (of tracht) uit te oefenen. Hoe kan een krant tot zo’n positie opklimmen dat dergelijke statements over haar gedaan worden? Aan welke voorwaarden dient voldaan door een krant opdat ze zo’n invloed kan uitoefenen? Welke mechanismen gaan daarachter schuil: welke pogingen onderneemt een krant om invloed uit te oefenen, hoe gaat het proces van invloedsuitoefening in zijn werk?
Deze intrigerende vragen leidden ons tot het voeren van een onderzoek naar de positie van De Standaard in de periode 1947 - 1976. Zoals in de inleiding reeds aangestipt, richt ons onderzoek zich voornamelijk op drie nauw met elkaar verwante vraagstellingen: de organisatie van de redactie en de evoluties hierin (evenals de financiële en materiële ontwikkeling van de Standaard-groep), de berichtgeving in de krant, en de wijze waarop de krant invloed poogde uit te oefenen op de (binnenlandse) politieke wereld (en op andere organisaties ermee gelieerd). Op deze drieledige vraagstelling gaan we nader in, en tevens bieden we de theoretische achtergrond en lichten we de gebruikte methode nader toe.
A.DE EVOLUTIE VAN DE ORGANISATIE EN STRUCTUUR VAN DE REDACTIE EN HET KRANTENBEDRIJF
Vooraleer nagegaan kan worden hoe of in welke mate een krant invloed poogt uit te oefenen, of vooraleer eender wat kan onderzocht worden m.b.t. een krant, is het nodig een zicht te hebben op de werking van een krantenbedrijf, hoe een redactie functioneert, hoe een krant gemaakt wordt, hoe nieuws vergaard wordt, wie er beslist wat er in de krant komt, hoe standpunten bepaald worden, welke basisideeën de krant aanhangt etc.
Enkele voorbeelden: om de gebeurtenissen in alle lagen en velden van de maatschappij te kunnen volgen, dient een redactie voldoende geëquipeerd te zijn. Wanneer er onvoldoende redacteurs zijn, moeten noodzakelijkerwijs keuzes worden gemaakt m.b.t. de te volgen topics. Van de Waals-socialistische krant Le Peuple werd vaak beweerd dat ze de officieuze spreekbuis was van de BSP. Anderzijds valt in de notulen van het partijbureau van de BSP meermaals te lezen dat de leden er zich over beklaagden dat diezelfde Le Peuple een veel te onafhankelijke koers voer. Ook van De Standaard werd wel eens beweerd dat ze partijgebonden was: ze zou een CVP-krant geweest zijn. Maar berust deze bewering op een grond van waarheid? Om dit na te gaan is het van belang de organisatie en structuur van de redactie door te lichten. Wie bepaalde de standpunten, van welke politieke gezindheid waren de redacteurs, welke rol speelde de raad van beheer, etc.? Tevens is het nodig om in dit kader de basisideologie van de krant, de grondwaarden die ze aanhing, in kaart te brengen. Dikwijls hing een krant dezelfde ideeën aan als een politieke partij, wat evenwel niet betekent dat die krant van de partij afhankelijk was.
1. Nieuwsgaring en selectiecriteria
De manier waarop een krant gemaakt wordt hangt samen zowel met nieuwsgaring als met selectiecriteria van nieuws[2]. Allereerst stelt zich de vraag naar de nieuwsgaring: waarvandaan haalt een krant haar informatie? Verscheidene personen en instanties staan daarvoor in: in de eerste plaats (beroeps)journalisten, die contacten hebben met de buitenwereld in allerlei sectoren, en correspondenten die vooral het plaatselijk nieuws verzorgen. Daarnaast heb je de (internationale) persagentschappen: hun informatie loopt dag en nacht binnen via telexen. Je moet als krantenredactie een abonnement nemen op hun nieuwsstroom. Enkele grote wereldagentschappen zijn: Associated Press (AP), United Press International (UPI), Agence France-Presse (AFP), Reuter en Telegrafnoje Agentsvo Sovjetskavo Sojoeza (TASS). Het Belgische persagentschap Belga “zorgt voor binnenlandse nieuwsgaring en voor de verwerking van de buitenlandse informatie. Voor de grote kranten vormen de Belga-berichten een aanvulling en een controlemiddel. Voor kleine kranten is Belga de enige informatiebron.”[3] Andere dagbladen en tijdschriften vormen, evenals radio en televisie, nuttige informatiebronnen. Een redactie krijgt tenslotte ook hopen informatie rechtstreeks toegestuurd door groeperingen, personen, verenigingen, etc.
Wanneer de nieuwsfeiten bekend zijn aan de redactie rijst het probleem van de nieuwsselectie. Wat komt in de krant en wat niet? In eerste instantie moet het mogelijke nieuwsfeit aan een aantal criteria voldoen vooraleer het effectief nieuws wordt, moet het qua frequentie en nieuwsdrempel aan bepaalde vereisten voldoen.
De algemene nieuwswaarde en de actualiteit spelen een grote rol van betekenis. Als iets ‘nuttig om weten’ is, maakt het een grote kans om in het nieuws te komen.
Veelal is het zo dat het incidentele voorrang krijgt op het geleidelijke. Als gebeurtenissen enkel op lange termijn betekenis krijgen, en niet op korte termijn tot een zekere climax voeren, dan maken ze weinig kans om aan bod te komen.
Feiten die een plotse verandering in een bestaande toestand teweeg brengen, die zeldzaam en onverwacht zijn, die een schokeffect en sensatie teweegbrengen, hebben wel een grote nieuwswaarde. De afwijking van het normale is een selectiecriterium.
Bad news, onaangename en schade veroorzakende gebeurtenissen, geweld, rampen, misdrijven, zijn eveneens gegeerde nieuwsfeiten.
Hoe hoger een persoon op de sociale ladder staat, hoe meer kans hij maakt het object te worden van nieuwsgaring.
Daarbovenop komt nog eens dat het gepersonaliseerde feit de meer structurele aspecten verdringen.
Politieke gebeurtenissen maken meer kans dan andere om deel uit te maken van het nieuws.
Een ‘nieuw’ feit gekoppeld aan andere reeds bekende feiten zal meestal worden opgenomen in het nieuws.
Een gebeurtenis waarin grote groepen zijn betrokken, zowel qua aantal als qua standing, maken kans.
Een element als amusement, verstrooiing speelt ook een rol.
Human interest speelt zeker een rol in de selectie.
Eén en ander hangt ook af van wat ‘in’ is op een bepaald moment, van wat ‘mode’ is in het nieuws. Zo staan onderwerpen als leven, dood, seks, pedofilie, etc. op sommige ogenblikken meer op de voorgrond dan op andere.
Hoe dichter de gebeurtenis plaatsvindt, hoe meer kans zij maakt om opgenomen te worden in het nieuws. Gebeurtenissen in Vlaanderen, België, West-Europa, het Westen in het algemeen gaan voor op gebeurtenissen die zich afspelen in pakweg de Derde Wereld.
Buiten deze eerste categorie selectiecriteria, die eerder te maken hebben met de aard van de gebeurtenis zelf, spelen ook andere criteria een rol. Zo doet de aard van de krant waarin het nieuws verschijnt zeker ter zake. Het verspreidingsbereik telt mee: een nationale krant zal niet vlug geneigd zijn te schrijven over kleine lokale gebeurtenissen, net zoals een regionale krant nieuws uit de eigen regio voorrang geeft op dat uit andere regio’s. Het journalistieke karakter van het blad, in verband met en in wisselwerking met de sociologische samenstelling van het lezerspubliek is van belang. Zo is de kans op nieuwsvorming bvb. groot indien er een grote consonantie bestaat tussen de gebeurtenis en wat verwacht wordt door het lezerspubliek. Nieuws is afhankelijk van en wordt gedeeltelijk gebracht conform het conventionele wereldbeeld van de meerderheid der lezers. De levensbeschouwelijk-politieke kleur van de krant speelt een rol. Soms worden nieuwsfeiten weggelaten omdat ze in tegenspraak zijn met het uiteindelijke doel van een bepaalde campagne, of zelfs omdat ze in tegenspraak zijn met de basisdoelstellingen van de krant. Op het belang van de geest van een krant, van een basisideologie komen we verder nog terug. In elk geval is nieuws niet altijd neutraal. De selectie, in het licht van de basisideologie, van nieuws door de redactionele verantwoordelijken en eventueel door de directie is van groot belang. Kranten houden m.b.t. hun nieuwsselectie overigens ook rekening met wat andere kranten aan nieuws brengen.
Naast de aard of het karakter van de krant zijn ook een aantal algemeen geldende sociaal-psychologische mechanismen die de individuele journalist ondergaat, van belang als selectiecriteria. Journalisten zitten in een sociaal raamwerk: “In de meeste gevallen nemen ze de algemeen aanvaarde normen en opvatting over en selecteren ze tegen de achtergrond van dit sociaal-politieke referentiekader. Ze vermijden er trouwens er expliciet tegen in te gaan, omdat ze anders in een kritieke situatie zouden kunnen terechtkomen.”[4] Het blikveld van de journalist wordt m.a.w. bepaald door sociaal-structurele factoren, en vanuit dit referentiekader informeren ze. Een even grote rol speelt de perceptie van de eigen waardenschaal. “Uit de meeste analyses blijkt namelijk, dat journalisten vooral die onderwerpen beklemtonen die samenvallen met hun persoonlijke waardensysteem, hun eigen ideologische uitgangspunten en opvattingen. Hier dient uiteraard de band gelegd naar de gegevens van biografische, professionele, economische en sociale aard.”[5] Het persoonlijk standpunt speelt een grote rol. De informatie en commentaar die het dichtst bij het eigen standpunt van de journalist liggen, krijgen meestal voorrang. Daarnaast is het zo dat groepen tegenover dewelke de journalist sympathiek staat, ook voorrang krijgen. Of om het met de woorden van een Standaard-journalist te zeggen: “De keuze van een feit weerspiegelt vlug een opinie.”[6] De journalist slaagt er lang niet altijd in nieuws naar buiten te brengen zonder dat hij laat blijken waar hij politiek zelf staat. Ook de referentiegroep speelt een belangrijke rol. “Niet het publiek maar wel de professionele referentiegroep van de andere journalisten is richtinggevend. (...) Zeer veel onderwerpen worden behandeld omdat de collega’s ze eveneens brengen. (...) Politieke journalisten nemen ontzettend veel van elkaar over. Wat collega’s schrijven of zeggen is voor hun eigen informatie zeer belangrijk. Ze wisselen onderling zeer veel ideeën en impressies uit. Les analyses tirent leur autorité en leur confirmation d’une comparaison des avis réciproques en La vision des événements sera donc conçue comme la résultante d’un échange complexe d’initiation et de démarquage au sein même de la profession, concludeert de Franse communicatiewetenschapper Rieffel zelfs. De politieke journalisten verschaffen elkaar op die manier dus de nodige zekerheid.”[7]
In het algemeen gesteld waren redacties uit de jaren ’70 in het geheel niet meer dezelfde dan die van een dertigtal jaren voordien in de vroege naoorlogse jaren. Vanaf de jaren zeventig werden de redacties steeds meer bemand door mensen met een opleiding aan een hoger (beroeps)instituut of aan de universiteit, daar waar dit voorheen veel minder het geval was. Ook raakten de redacties door de jaren heen meer en meer gestructureerd en gehiërarchiseerd. De redactionele werking en organisatie ondergingen grote wijzigingen. Improvisatiewerk verdween van langsom meer. Het was niet langer de man aan de opmaaktafel die bvb. besliste wat er in de krant kwam en wat niet.
Wat wel hetzelfde bleef, was de niet geringe invloed die de redactie als geheel op de individuele redacteur of journalist uitoefende. Die moest zich altijd aanpassen aan de bestaande normen en de verwachtingspatronen en aan de waardenschaal die de redactie hanteerde. Toch mag de afhankelijkheid van de redacteur of journalist tegenover organisatorische structuren niet worden overschat. “Zo wijst men in een aantal bijdragen op het feit dat journalisten er naar streven tewerkgesteld te worden in mediabedrijven die het dichtst aanleunen bij hun politieke overtuiging.”[8]
De redacteurs worden door Childs e.a. wetenschappers zelfs veel macht toegekend. “Na de uitgevers komen, wat de macht om de krant vorm te geven betreft, de redacteuren. Samen bepalen zij tot op grote hoogte wat er op de andere dan de advertentiepagina’s van de krant komt aan nieuws, hoofdartikelen, speciale artikelen en foto’s. Zij kunnen hoofdartikelen schrijven, maar - wat belangrijker is - ze selecteren, controleren en waarderen de hoeveelheden nieuwsonderwerpen, hoofdartikelen, commentaren en alle andere dingen die samen de krant vormen; ze bepalen wat het belangrijkste is, beslissen over de plaats in de krant en de manier van presentatie.”[9]
Hoe hoger de plaats in de hiërarchie van de redactie, des te meer invloed oefende een redacteur uit. “De plaats die de communicator [bedoeld wordt de redacteur – KVN] in de hiërarchie van het bedrijf inneemt speelt uiteraard een grote rol in dit socialiseringsproces. Hoe dichter hij zich bij het directieniveau bevindt, hoe sterker wordt de sociale controle die hij uitoefent. De in de hiërarchie ingebouwde autoriteit bewerkstelligt immers deze controle. Het oordeel van de hogergeplaatsten over de prestaties van de ondergeschikten weegt ook in de mediasector sterk door.”[10]
De relatie tussen redactie en directie is van groot belang. Meestal worden in onderling overleg bepaalde beleidslijnen uitgestippeld, de geest van de krant bepaald, bepaalde veranderingen aan uitzicht, indeling en inhoud van de krant besproken. Hoe dit overleg precies in z’n werk ging, en tot waar de redactionele autonomie reikte, is van groot belang en verdient dan ook zeker nader onderzoek. Een Standaard-journalist getuigt: “De onafhankelijkheid van een redactie die uit bekwame journalisten bestaat, is veel groter dan soms vermoed wordt. (...) Uit ervaring weet ik dat een permanente dialoog tussen directie en redactie mogelijk is en dat daarbij de eigen opvattingen van de redactie gerespecteerd worden. Hoofdzaak is dat de redactie oog heeft voor de economische aspecten van het persbedrijf, en dat aan de andere kant de directie vertrouwen heeft in de eerlijkheid en de beroepsbekwaamheid van de redacteuren. Dit staat in nauw verband met de politiek van de rekrutering. (...) Bekwame elementen aanwerven, versterkt de autonomie van de redactie, maar komt ook de krant (en dus de directie) ten goede.”[11]
3. De rol van de directie van een krantenbedrijf en de raad van beheer
Een kranteneigenaar speelt een tweevoudige en erg belangrijke rol: enerzijds kan hij wegen op het redactionele beleid, anderzijds staat hij in voor het financieel gezond houden voor de krant als bedrijf. Of zoals Childs het formuleert: “De persoonlijkheid, talenten en doeleinden van de kranteneigenaars hebben een diepgaande invloed op de inhoud van de kranten en op hun rol bij het leiden en weerspiegelen van de publieke opinie. (...) Deze lieden beïnvloeden het redactionele beleid, de behandeling en presentatie van het nieuws, de hoogte van de oplagen en het financiële succes van de kranten.”[12]
De houding van de eigenaar tegenover de redactie verloopt tussen twee polen: van sterke inmenging tot quasi complete afstandelijkheid. “Dat de eigenaars direct zeggenschap wensen te hebben op de output, is niet steeds het geval. Hoe sterker de persoonlijkheid van de eigenaar en hoe hechter zijn banden en relaties met de leden van het establishment, des te sterker zal ook de stempel zijn die hij op de inhoud drukt. Eigenaars die er zich volledig buiten houden en de redactionele staf veel autonomie geven, komen daarentegen ook voor.”[13] Of naar Childs: “Ze kunnen actief of passief zijn, zij kunnen dicht bij of ver van de dagelijkse leiding staan, zij kunnen economische drijfveren hebben of geïnspireerd worden door de openbare zaak, vereerd of veracht, maar in ieder geval zijn zij de machtigen die de vorm en het karakter van de krant bepalen.” Wat verder in zijn werk zwakt hij die invloed van de eigenaar op de redactie toch af: “De eigenaars en uitgevers, over wie we hiervoor spraken, hebben natuurlijk een mate van controle die door anderen niet overtroffen wordt; hun invloed is echter in de meeste gevallen gericht op het algemene en niet nauw betrokken bij het dagelijkse werk en de inhoud van de krant. Eigenaars en uitgevers bepalen gewoonlijk de omtrekken van het beleid waarbinnen anderen de beslissingen nemen. (...) Tegenwoordig geven eigenaren en uitgevers er in het algemeen de voorkeur aan veel van hun gezag m.b.t. de inhoud te delegeren aan ondergeschikten.” [14]
De eigenaar van een krant moet ook de financiële kant van het krantenbedrijf beredderen. Hij moet investeerders aanspreken, adverteerders, en heeft zelf ook dikwijls industriële belangen. De moeilijkheid in dit verband betreft het gescheiden kunnen houden van dit laatste met de nieuwsfunctie van de krant. Economische belangen kunnen in sommige gevallen mogelijk de vrije nieuwsgaring en het objectief brengen van nieuws in de weg staan.
Naar de politiek toe bekleden krantenmagnaten een machtige positie. “Ze zijn immers in staat om het politiek imago van de nationale politieke leiders te beïnvloeden en daarom houden politici rekening met hen.”[15] De politiek gebruiken ze zowel om hun zakelijke belangen te verdedigen, als om de grondhoudingen en -opvattingen van hun krant trachten te bewerkstelligen.
4. Redactionele normen en standpunten, en de basisideologie van een krant
De autonomie van een redactie mag niet enkel gezien worden in het licht van de relatie tussen redactie en directie. Redacteurs dienden ook rekening te houden met bepaalde normen en regels die op de redactie gehanteerd werden. Deze normen kunnen slaan op formele of vormelijke zaken, bvb. de opbouw van een artikel, maar ook op inhoudelijke zaken: de reserves t.o.v. privé-zaken, de houding t.o.v. bepaalde (bvb. kerkelijke of koninklijke) gezagsdragers, etc.
Meer in het algemeen stelt zich de vraag hoe inhoudelijke standpunten groeien. Gebeurt dit zelfstandig op de redactie of is de krant eerder een doorgeefluik? In de loop der jaren voerde De Standaard bvb. heel wat campagnes waarvan het materiaal haar door derden werd aangereikt. De vraag rijst daarbij hoe de krant dergelijke informatie verwerkt. Publiceert ze die gewoon, onderzoekt ze die eerst zelf, kijkt ze of die in haar basisideologie past, etc.? Fungeert de krant m.a.w. passief als doorgeefluik of niet?
Inhoudelijke normen en standpunten hangen vaak nauw samen met de basisideologie van een krant: de grondwaarden van de krant, de ideeën waar ze achter staat en verdedigt. In feite kan een krant als sociaal systeem worden aangeduid, d.i. een “geheel van onderling samenhangende structurele en culturele elementen, dat specifiek is voor een bepaalde groepering.”[16] De Amerikaanse socioloog M.L. De Fleur beschouwt massamedia als sociale systemen. Hij beschouwt ze nl. als “een geheel van stabiele, repetitieve en gestructureerde actie, die gedeeltelijk een manifestatie is van de cultuur door de leden van het systeem gedragen en gedeeltelijk een manifestatie van de psychologische oriëntatie van de leden.”[17]
Elke krant heeft een eigen persoonlijkheid, een voorkomen, een aantal basisdoelstellingen waarin ze gelooft en waar ze voor wil vechten in sommige gevallen. “Het bezit van een eigen ‘persoonlijkheid’ is juist sterk inherent aan persorganen, in het bijzonder aan dagbladen. (…) omschreven in het rapport van de eerste Britse ‘Royal Commission on the Press’ (1947-49). Voor het welslagen van een krant geeft deze commissie de volgende grondregel: “To be succesful a paper must cater for the varying tastes of at least the larger groups of its readers; but it will not succeed merely by attaching to its line as many attractively coloured flies as possible. Its various appeals must be integrated into a recognisable unity, a unity which underlies and persists through the daily recreation of the paper. For a newspaper... is not like sausages or fish and chips. It has a personality, compounded not merely of its physical policy, but also of its tone and style, its unspoken assumptions and its subtle relationship with its readers. This personality is its greatest asset; it is the deposit of years; and it can be destroyed almost overnight. The necessity of preserving it imposes on those who control a newspaper a limitation less obvious but no less effective than those of time, space and costs. A newspaper can act as the vehicle of another personality, whether that of editor or of proprietor, only within the limits set by its own. It cannot radically alter its character without destroying itself, and in proportion as its character is serious and it is read for information and counsel rather than for entertainment, it is precluded from sudden and capricious changes of policy.”[18]
De basisideologie is uiterst belangrijk als uitdrukking van hetgeen waar de krant voor staat, en bovendien speelt ze een rol in de aanwervingpolitiek van de krant, duikt ze op in redactionele normen, speelt ze mee in de nieuwsgaring en in de beslissing wie welke terreinen gaat bestrijken, fungeert ze als onderbouw voor de bepaling van standpunten allerhande, etc.
Het tweede luik van onze vraagstelling betreft de berichtgeving in de krant. De Standaard profileerde zich van meet af aan als een krant voor de Vlaamse intelligentsia. Vanaf de jaren ’60 dichtte ze zichzelf het predicaat ‘kwaliteitskrant’ toe. Op deze notie gaan we dieper in. We bekijken de definitie van een kwaliteitskrant, en onderzoeken hoe (vraagstelling en methodologie) we in de berichtgeving van de krant kunnen nagaan in hoeverre ze inderdaad ‘kwaliteit’ bood.
De kwaliteit van een krant komt in de eerste plaats tot uiting in haar berichtgeving. Het is evenwel zo dat een goede kwaliteit van de berichtgeving maar mogelijk is dankzij de kwaliteit die aanwezig is in het hele krantenbedrijf. Het mag dan ook niet verwonderlijk klinken dat de criteria waaraan een kwaliteitskrant moet voldoen om aldus bestempeld te worden, verder reiken dan de berichtgeving alleen. Een uitstekende definitie van de notie ‘kwaliteitskrant’ vinden we in het werk The world’s great dailies van Merrill en Fisher. Dit werk dateert uit 1980, maar de definitie wordt heden ten dage nog steeds gehanteerd. De auteurs onderscheiden vijf criteria waaraan een krant moet voldoen om als kwaliteitskrant geboekstaafd te worden[19]:
1. Independence; financial stability; integrity; social concern; good writing and editing.
2. Strong opinion and interpretative emphasis; world consciousness; nonsensationalism in articles and make up.
3. Emphasis on politics, international relations, economics, social welfare, cultural endeavours, education, and science.
4. Concern with getting, developing, and keeping a large, intelligent, well-educated, articulate, and technically proficient staff.
5. Determination to serve and help expand a well-educated, intellectual readership at home and abroad; desire to appeal to, and influence, opinion leaders everywhere.
De eerste categorie van voorwaarden biedt een verscheiden aanblik. Het gaat zowel om onafhankelijkheid - waarmee onafhankelijkheid bedoeld wordt op politiek vlak: los van politieke partijen, regering, instellingen, organisaties -, financiële stabiliteit van het krantenbedrijf, het taalgebruik etc. Ook de tweede categorie handelt over diverse zaken: de mate waarin opinies naar voor worden gebracht, de lay-out van de krant, etc. Ook de basisideologie van de krant duikt hier weer op. De auteurs stellen nl. ter precisering dat kranten “have to present a truthfull, comprehensive, and intelligent account of the day’s events in a context which gives them meaning”.[20] De derde categorie slaat op de inhoud van de krant. In tegenstelling tot kwaliteitskranten brengen populaire kranten eerder sportnieuws, sensatie (de zgn. ‘gebroken armen en benen’: moord, verkrachting, rampen, ongevallen), nieuws uit de high society, de wereld van de glamour en glitter enz. De voorlaatste categorie heeft het over de redactie (zie hoger) en de laatste over het lezerspubliek.
In het werk van Pieter van Waesberghe over de Nederlandse media vinden we gelijkaardige criteria[21]. Wat de vorm van een kwaliteitskrant betreft, stelt hij voorts dat kwaliteitsbladen (of kaderkranten zoals hij ze noemt) “een voorkeur hebben voor evenwichtig rustig opgemaakte pagina’s. Foto’s worden beperkt toegepast, of op een speciale incidentele pagina geconcentreerd. De koppen zijn zoveel mogelijk ter zake, en qua omvang in balans met de lengte van het navolgend artikel.”[22] Dit opnieuw in tegenstelling tot populaire bladen die “veelvuldig werken met paginabrede koppen, vet onderlijnd, met een prikkelende strekking. Aan het beeldend element (foto’s, illustraties) wordt veel zorg besteed; de pagina’s zien er levendig tot druk, maar in ieder geval aandacht trekkend uit.”[23]
Wat het lezerspubliek betreft, wordt gesteld dat de lezers van kwaliteitsbladen eerder in de hoge dan in de lage welstandsklassen gezocht moeten worden. Ze hebben ook een uitgesproken politieke en maatschappelijke belangstelling, en genoten een goede onderwijsopleiding. Of om het met de woorden van Merrill en Fisher te stellen: “The elite press is aimed at a rather cohesive audience, and in general its readers are better educated and have a greater interest in public affairs. (...) It is aimed at the educated citizen who is aware of, and concerned about, the central issues of his time.”[24]
Aan voorgaande definitie kunnen heel wat elementen van vraagstelling rond de berichtgeving - de redactie kwam hierboven al aan bod, en het sociale netwerk van de krant wordt in het derde luik van de vraagstelling behandeld - worden opgehangen. Naast een aantal andere elementen (die hierna worden uitgediept) bvb. ook het taalgebruik, de stijl en spelling, de gebruikte lay-out, de invloed van buitenlandse pers en televisie, de algemene evolutie van de pers, de veranderende tijdsgeest, de eigendomsstructuur van het krantenbedrijf.
a. De volledigheid, de objectiviteit en de mate van pluralisme
De vraag stelt zich of de nadruk in de berichtgeving op binnen- en buitenlandse politiek, economie en cultuur lag, of eerder op sport, plaatselijk nieuws e.d.m. Hierbij stippen we aan dat wij in onze aanpak radicaal kozen voor een focus op de binnenlandse (politieke) berichtgeving[25]. De berichtgeving over economie, cultuur en buitenlandse politiek behandelen we slechts zijdelings. De reden hiervoor is dat het praktisch gezien qua tijdsbestek helemaal niet haalbaar was om in het kader van ons onderzoek de berichtgeving op al deze terreinen na te gaan. Bovendien deden de pogingen tot het uitoefenen van invloed zich vooral voor op het vlak van de binnenlandse politiek. Daarom kozen we er voor onze aandacht daarop te richten.
Het nieuws dat een krant brengt kan sterk ideologisch gekleurd zijn. Bepaalde zaken worden dan verzwegen, verdraaid, slechts gedeeltelijk weergegeven, etc. naargelang ze passen in de basisideologie van een krant, die m.a.w. rond één bepaald nieuwsfeit slechts partiële informatie kan geven, en een hele reeks nieuwsfeiten kan verzwijgen. De intentie van de krant (het geheel van (basis)doelstellingen voortvloeiend uit de basisideologie) bepaalt in feite dikwijls de functies van de krant: vrije nieuwsberichtgeving is m.a.w. in zekere zin onderworpen aan de intentie. De vraag stelt zich in hoeverre selectie in de berichtgeving een gevolg is van de basisideologie. Sloten de behandelde onderwerpen nauw aan bij de basisideologie? Wat met andere maatschappelijke pijnpunten: kwamen die ook aan bod, of raakten ze op de achtergrond?
Objectiviteit hangt nauw samen met pluralisme. Aan deze laatste term kunnen verschillende interpretaties worden gegeven[26]. Op politiek vlak wordt de term veelal gehanteerd om het bestaan van een veelheid van verschillende opvattingen naast elkaar aan te duiden. In die zin vormen kranten een essentieel onderdeel van het pluralistische systeem. Wij hanteren de term pluralisme evenwel in een iets andere betekenis, tenminste wanneer we het specifiek hebben over de mate aan pluralisme van De Standaard. Als uitgangspunt (dat uiteraard wordt gecontroleerd in de loop van het onderzoek) nemen we aan dat De Standaard deel uitmaakt van de katholieke zuil (verder gaan we hier nader op in) of stroming. Ze stelde zich altijd voor als katholieke krant. In die zin maakt de krant deel uit van een pluralistisch systeem, maar is ze daarom zelf niet pluralistisch. Onder het pluralisme van De Standaard verstaan wij de mate waarin de krant verschillende opinies en opvattingen aan bod liet komen in haar berichtgeving de mate waarin ze zich richtte tot andere partijen dan de CVP, en de mate waarin ze contacten onderhield met andere dan alleen maar CVP-politici.
Als een krant telkens bericht over slechts één partij, en alles weergeeft vanuit het standpunt van die partij (zoals dat met de socialistische partijpers wel eens meer het geval was), kan er bezwaarlijk van pluralisme en objectiviteit worden gesproken. In de literatuur wordt wel eens beweerd dat de politieke invloed van een krant daalt, naarmate het pluralisme ervan toeneemt. Anderzijds zorgt meer pluralisme voor een betere status, waardoor de politieke invloed dan weer kan toenemen. Hier stoten we m.a.w. op een tegenstelling die zal moeten worden uitgeklaard.
In hoeverre een krant pluralistisch is kan worden nagegaan via dag-aan-dag lectuur ervan. De conclusies ervan kunnen dan kritisch worden getoetst via interviews en via de literatuur (zowel de theoretische werken als krantengeschiedenissen). De overgang naar meer pluralisme (in de door ons m.b.t. De Standaard gehanteerde betekenis) wordt haast altijd begin of midden de jaren zestig geplaatst. De belangrijkste redenen voor die overgang, zoals die uit de literatuur naar voor komen, luiden: (a) Vanaf de jaren zestig vooral ging de maatschappij steeds minder uit homogene groepen en klassen bestaan. Politieke polemiek in de krant loonde dan ook niet langer: het lezerspubliek verruimde (ook ideologisch). (b) De lezer kocht meer dan vroeger de krant voor algemene informatie en amusement, en niet zozeer meer voor politieke doeleinden.[27] (c) Daarnaast moest de kwaliteitsvolle moderne informatiekrant hem wegwijs maken in de steeds ingewikkelder wordende en veranderende wereld. (d) Nieuwe drukkingsgroepen kwamen op, los van de bestaande ideologieën: een duidelijke politieke scheidingslijn kon niet langer getrokken worden. (e) Pluriformiteit werd een economische noodzaak. Financieel was het niet langer houdbaar dat een krant enkel in een bepaald segment van de samenleving (bvb. de Vlaams-katholieke elite) aansloeg en verkocht. Economische redenen speelden dus een belangrijke rol! (f) Televisie in de eerste plaats, en ook radio en film, speelden een rol in de depolitisering van de kranten. (g) Gewijzigde politieke verhoudingen speelden een rol: o.m. (specifiek voor de Belgische casus dan) de federalisering en splitsing van partijen, het overnemen van het Vlaams discours, de vorderingen in de Vlaamse strijd, het succes van nieuwe regionale partijen, etc.
b. Verandering in de aard en de inhoud van de campagnes, wijze waarop commentaar wordt gebracht en polemiek gevoerd
Samen met de evolutie naar meer objectiviteit en pluralisme veranderen ook deze factoren. Zowel naar vorm (dikwijls veel beheerster en volwassener) als naar inhoud (nieuwe onderwerpen en thema’s waarrond men campagne voert[28]) vinden evoluties plaats in de manier van strijden.
Het woordgebruik speelt in de wijze van commentaar en het voeren van polemiek een belangrijke rol. “Door het gebruik van adjectieven, door positieve of negatieve benadering van mensen, door het gebruik van allerlei kleine nuances, het gebruik van anonieme woordvoerders, quasi-onschuldige persoonsbeschrijvingen, door manipulatie met cijfers en statistieken, kan een journalist maken dat een lezer nieuws zo voorgeschoteld krijgt dat deze zonder zich daarvan bewust te zijn toch iets meekrijgt van de achterliggende subjectieve vooronderstellingen van de schrijver.”[29]
c. De technische equipering
“Niet alleen wordt het karakter van de krant beïnvloed door degene die de krant in eigendom heeft en controleert, maar ook door de werktuigen, machines en technieken die beschikbaar zijn voor de vervaardiging van de krant, voor de nieuwsgaring, voor de presentatie en de verspreiding van het nieuws. (…) Het is moeilijk de invloed van de krantentechniek op het karakter van de pers te overschatten. De omvang en de kwantiteit van de kranten, de inhoud en de presentatie, de snelheid en de omvang van de nieuwsberichtgeving en de -verspreiding, de financiering en de verhouding tussen kranteneigenaren en werknemers zijn erdoor beïnvloed, openlijk en rechtstreeks of in het verborgene en op subtiele manieren. De krant en diens verhouding met de publieke opinie kan men niet begrijpen zonder enige kennis van de technische basis en achtergrond.”[30]
Het lezerspubliek verwacht een goede kwaliteit van drukwerk, verwacht dat haar krant mee is met de actualiteit, waardoor de krantenbedrijven wel moeten investeren, ook al om de concurrentie niet achterna te hinken[31]. De nieuwe technologieën en rationaliseringen hebben echter ook andere gevolgen: “Sommige auteurs hebben het over kwaliteitsverbetering, maar de meesten stellen toch dat de standaardisatie in de berichtgeving er het rechtstreeks gevolg van is. Een strengere redactionele taakverdeling, een toenemende specialisering voor de journalisten en een ver doorgedreven scheiding tussen de verschillende functies in het bedrijf werkt volgens deze auteurs de eenvormigheid sterk in de hand.”[32] O.m. letterlijk overnemen van gestandaardiseerde telexberichten, voorverpakt nieuws, etc.
Gezien het belang van de technische equipering gaan we de technisch-materiële evolutie van de Standaard-groep na. We bekijken de drukcapaciteit van de groep, de uitbreiding van haar drukkerij en machinepark, haar investeringen in nieuw materiaal en nieuwe drukkerijen etc.
d. Advertentiewezen en commerciële invloeden op de krant
De pers heeft een gebruiks- en een ruilwaarde. De gebruikswaarde wordt gekenmerkt door een communicatief karakter en situeert zich op het niveau van het sociale nut dat de media voor het publiek hebben. Het gaat m.a.w. om de inhoud en de boodschap die de krant op het publiek overbrengt. De ruilwaarde wordt gerealiseerd binnen de vrije markteconomie en is afhankelijk van de productieverhoudingen. Het gaat hier om puur economische zaken: maximale winstrealisatie en de accumulatie van mediakapitaal. Tussen beide bestaat een band: “De voor de mediabezitter belangrijke ruilwaarde kan immers slechts gerealiseerd worden als het product een gebruikswaarde heeft voor de consument. Bijgevolg is deze communicatieve gebruikswaarde voor de mediaeigenaar van belang in de mate dat hierdoor de economische ruilwaarde wordt verwezenlijkt. Deze laatste primeert dan ook steeds op de gebruikswaarde.”[33] Volgens Witte lag de ruilwaarde aan de basis van de stormachtige ontwikkeling van de media in de 20e eeuw.
Essentieel voor het financieel evenwicht van een krantenbedrijf zijn de reclame-inkomsten. Een commerciële aanpak van het krantenbedrijf is levensnoodzakelijk voor het voortbestaan van de onderneming. Dikwijls tweederde tot driekwart van de inkomsten van een krantenbedrijf worden uit de reclame geput. “Om de ruilwaarde zo volledig mogelijk te kunnen realiseren, zijn de mediabedrijven inderdaad zeer sterk afgestemd op reclame. (...) Op die wijze worden de massamedia dus economisch en structureel afhankelijk gemaakt van reclame.”[34]
Onderzoek naar de precieze bindingen tussen mediaeigenaars en adverteerders is nog niet zó ver gevorderd. Door het compromitterende karakter ervan zijn de betrokkenen niet geneigd uit de biecht te spreken, alsook is er weinig bronnenmateriaal over te vinden.
In elk geval “zou het niet verbazingwekkend zijn wanneer men een zekere invloed van de adverteerders op de redactionele inhoud van de krant en het nieuws ontdekte.”[35] Adverteerders beseffen ook wel dat zij een cruciale rol spelen in het voortbestaan van de onderneming, en trachten daar munt uit te slaan. Niet zelden trachten zij de berichtgeving te beïnvloeden en om te buigen tot positieve berichten over zichzelf. Het hangt af van “het redactionele beleid, de moed van de krant en de bereidheid van de adverteerders de integriteit en de onafhankelijkheid van de krant te respecteren”[36] in hoeverre de invloed kan doorwegen.
Volgens Childs “ziet het er echter naar uit dat het de meeste kranten wel duidelijk geworden is, dat een eerlijke en gelijke, onpartijdige behandeling van alle groepen en alle adverteerders een goed beleid vormt en ook zakelijk het beste is. Het is desalniettemin waar dat kranten, vooral dagbladen, als grote ondernemingen die afhankelijk zijn van advertenties, vanzelfsprekend een standpunt hebben dat sympathiek staat tegenover adverteerders en zakenlieden. De druk van deze overwegingen, meer dan de druk van de individuele adverteerders, vormt en kleurt de inhoud van de kranten in feite. Het is deze houding die de tegenstand van de kranten tegen wetten die de zakenwereld in het algemeen en de reclame in het bijzonder aan banden leggen, verklaart. De houding van de kranten tegenover belastingmaatregelen, sociale maatregelen, de vakbonden en de posterijen, is in hoofdzaak het gevolg van het feit dat kranten gewoonlijk grote ondernemingen zijn die afhankelijk zijn van grote adverteerders.”[37]
Ook meer onrechtstreeks oefenen adverteerders invloed uit. Zowel de mediaeigenaar als de adverteerder willen het optimale publiek bereiken. Reclamemensen gaan de markt opdelen in consumentengroepen die onderling heterogeen zijn door een verschillend koopgedrag. “Onder druk van de adverteerder gaan de mediabedrijven zich daaraan aanpassen. Ze concentreren hun distributie en promotie meer en meer op groepen met de door de adverteerders gewenste kenmerken. (...) Om de juiste doelgroep te bereiken worden ook kwalitatieve selectiecriteria gebruikt: nieuwswaarde, confrontatieduur en redactionele context van een medium.”[38]
Andere onrechtstreekse manieren langs dewelke de zakenwereld de journalisten onder druk tracht te zetten (en te manipuleren), zijn het aanbieden van etentjes, snoepreizen (in de hoop op een gunstige en positieve reportage), recepties, cadeau’s, gunsten, gratis boeken waarover dan wel een recensie moet worden geschreven, etc.
e. De samenstelling van het lezerspubliek en de oplage van de krant, de invloed van en op het lezerspubliek
We willen ons onderzoek niet in de richting van publieke opinieonderzoek oriënteren, om diverse redenen. Toch is het nodig een beeld te hebben van de samenstelling van het lezerspubliek van De Standaard en van de doelgroep die men wilde bereiken. Dit speelt mede een rol in het bepalen van de politieke invloed van de krant, alsook geeft het een indicatie van de status die ze bezat.
Bovendien oefent een lezerspubliek altijd invloed uit op een krant. Een eerste heel belangrijke invloed van de lezer op het krantenbedrijf, is het feit dat hij een krant koopt. In deze actie alleen al gaan honderden miljoenen franken om. Een krant leeft maar bij de gratie van het lezerspubliek: ze houdt op te bestaan als ze niet langer gelezen wordt in groten getale. De oplage is m.a.w. van groot belang.
In 1951 werd in België de Dienst voor Publicitaire Verspreidingsanalyse (DEVEA, of in het Frans OFADI) opgericht, met als doel de controle van de oplage van de kranten. Het was immers zo dat de reclamewereld zo precies mogelijk geïnformeerd wenste te worden over de oplage van de kranten. Op 12 mei 1971 dan smolten DEVEA en het CIM (Centrum voor Informatie over de Media) samen. Terwijl DEVEA zich uitsluitend bezighield met kwantitatieve analyses van de oplage, maakte het CIM eveneens kwalitatieve analyses van sociale en demografische kenmerken van de lezers, leesgewoonten, mediavoorkeur enz.[39] De Standaard-groep liet de oplage van haar kranten pas vanaf 1964 door DEVEA controleren[40]. De cijfers van voordien moeten dan ook met de nodige omzichtigheid worden benaderd.
Het feit dat de lezer de krant moet kopen opdat die zou kunnen voortbestaan, brengt met zich mee dat het oordeel van de lezer gevalideerd wordt. “De invloed van de lezer wordt voortdurend gevoeld en kranteneigenaars zijn erg gevoelig voor wat lezersonderzoekingen aan het licht brengen en voor globale aanwijzingen wat de lezer wil.”[41]
De lezer oefent ook invloed uit door het ter beschikking stellen van informatie aan de krant. Investigative journalism vloeit heel vaak voort uit informatie die de krant bereikte via burgers die anoniem wensten te blijven.
En tot slot rest hier nog de vraag die we eerder al aanstipten, nl. of de media niet eerder de publieke opinie volgen dan omgekeerd. Maar anderzijds, “waar zou de discussie over moeten gaan als diezelfde media de stof daarvoor niet aanreiken?”[42] Aan dit onderzoek willen we ons evenwel niet wagen.
In ons onderzoek maken wij geen gebruik van de methode der inhoudsanalyse, die een aantal kwantitatieve en kwalitatief-kwantitatieve gegevens op een systematische wijze volgens een vooropgezet schema verzamelt en interpreteert[43]. Diverse redenen kunnen daarvoor worden ingeroepen. Ten eerste is de door ons onderzochte periode te lang, en het onderzoeksveld is te groot om een inhoudsanalyse op toe te passen. De voor de hand liggende repliek om voor één item een inhoudsanalyse door te voeren stoot ook weer op bezwaren: welk item wordt geselecteerd? Waarom precies dit item en geen ander? Ook een steekproef - een aantal jaren selecteren en daarop een inhoudsanalyse uitvoeren - kan geen soelaas bieden. Dikwijls is het resultaat toch niet representatief. Bvb. bij een onderzoek naar welk soort artikels op de voorpagina verschijnen (artikels over binnen- of buitenland, sport, cultuur, etc.) ligt het voor de hand dat in een jaar waarin Eddy Merckx de tour de France won of waarin een wereldkampioenschap voetbal werd georganiseerd, het aandeel van sport groter is dan in andere jaren. Afhankelijk van het feit of al dan niet een dergelijk jaar wordt geselecteerd, zal het resultaat verschillen.
Bovendien houdt een inhoudsanalyse vaak te weinig rekening met de dagelijkse realiteit, met de praktijk van het krantenbedrijf, van het maken van een krant. Een onderzoek zou bvb. aan het licht kunnen brengen dat hoofdzakelijk aan één partij slechts aandacht wordt besteed. Uit deze vaststelling kan dan de conclusie getrokken worden dat de krant zich vooral tot die partij bekende. Anderzijds dient het echter gezegd dat het moeilijk is om over andere partijen te berichten als journalisten niet worden uitgenodigd op hun congressen en partijbestuurvergaderingen, als de politici van die partijen interviews en vrije tribunes weigeren, als communiqués niet aan de krant worden toegestuurd, etc. Er moeten ook voldoende redacteurs voorhanden zijn om de activiteiten van alle partijen te volgen.
Daarnaast garandeert een inhoudsanalyse geen volledige mate van objectiviteit zoals verkeerdelijk wel eens wordt gedacht. Ook in de inhoudsanalyse sluipen subjectieve elementen binnen. Zo bvb. wanneer het gebruik van ‘kleurwoorden’ wordt onderzocht: d.i. het onderzoek naar subjectief woordgebruik in de krant. Welke woorden worden als kleurwoorden aanzien en welke niet? Dit betreft een subjectieve keuze. Had een bepaald woord in de onderzochte periode een gekleurde connotatie of niet? Zo bvb. het woord ‘neger’: nu aanziet men het gebruik van dit woord vaak als ‘racistisch’, 30 jaar geleden evenwel niet: toen behoorde het tot het courante taalgebruik. Anderzijds werd eind de jaren ’40 het woord ‘communist’ in sommige gevallen als scheldwoord gebruikt, nu niet meer. Daarnaast is het zo dat elke redacteur een eigen stijl hanteert. Ook met dit element dient rekening gehouden.
Een inhoudsanalyse betreffende de meting (absoluut en relatief) van de oppervlakte tot opsporing van een verschuiving in het belang van rubrieken (sport, economie, cultuur, binnen- en buitenlandse politiek) stoot tot slot evenzeer op moeilijkheden. Hoe voer je die meting uit? Tel je het wit van de marges bvb. mee of niet? Welk artikel plaats je onder welke rubriek? Hoort een artikel over maatregelen ter bestrijding van voetbalhooliganisme onder de rubriek sport of onder de rubriek binnenlandse politiek?
Deze bezwaren nemen niet weg dat wij ook vragen kunnen stellen die in een inhoudsanalyse worden gesteld: naar de kwaliteit van de informatie, naar ingenomen standpunten, naar de mate van aandacht voor bepaalde zaken, naar de aangenomen houding t.o.v. gebeurtenissen, vraagstukken en problemen, naar de objectiviteit van de verslaggeving, etc. Wij gaan in onze methode evenwel niet uit van een kwantitatieve meting van gegevens, maar starten eerder vanuit het voorhanden zijnde bronnenmateriaal, dat van diverse aard is (kranten, archiefstukken, interviews, literatuur etc.). Van daaruit bieden we een kritische analyse die tot antwoord op de gestelde vragen moet dienen. Op een aantal van de hierboven gestelde vragen kunnen precieze antwoorden worden gegeven, omdat we over exacte gegevens beschikken: bvb. de oplagecijfers, nieuwe interessevelden en rubrieken, de samenstelling van het lezerspubliek, etc.
Wat de wijze van becommentariëren en polemiek voeren betreft, de objectiviteit, etc. beschikken we over diverse gegevens. Er zijn artikels waarin de krant het er zelf over heeft, we beschikken over getuigenissen van de redacteurs zelf, we kunnen de algemene evolutie volgen aan de hand van dag-aan-dag lectuur over de ganse bestudeerde periode. Het feit dat dit laatste niet via een kwalitatief-kwantitatieve meting gebeurt, heeft zoals hoger reeds beschreven voor- en nadelen. Niettemin kan deze evolutie mooi worden aangeduid bvb. aan de hand van een vergelijking van de journalistieke behandeling van de vier grote binnenlandse naoorlogse conflicten: koningskwestie, schoolstrijd, eenheidswet en splitsing van de Leuvense universiteit. Ook de mate van pluralisme kan via dergelijke informaties (getuigenissen en dag-aan-dag lectuur) worden nagegaan. Wat de invloed betreft van binnen- en buitenlandse pers: opnieuw zijn er aanduidingen te vinden doorheen de artikels in de krant, zijn er de verklaringen van de redacteurs, en zijn er eveneens de literatuur en archiefdocumenten terzake. Dit geldt evenzeer voor de overige vragen. Enkel wat de druk van het advertentiewezen betreft op de berichtgeving kunnen we enkel afgaan op mondelinge en schriftelijke getuigenissen.
De externe relaties van de krant vormen een derde onderzoeksluik: het sociale netwerk van de krant, en de wijze waarop ze haar invloed trachtte te doen gelden. We verrichten geen publieke opinieonderzoek maar concentreren ons enkel op rechtstreekse invloedspogingen van de krant op de politieke wereld. We staan stil bij de onderzoeksmethode die we i.v.m. deze (deel)vraagstelling hanteren, alsook bakenen we het begrip ‘campagne’ af. Eerst maken we evenwel een onderscheid tussen macht en invloed.
Wanneer we ons tot doel stellen de pogingen tot het uitoefenen van invloed na te gaan, stelt zich dadelijk de vraag naar een definiëring van ‘invloed’, en naar het onderscheid tussen ‘invloed’ en ‘macht’. Het begrip invloed is, evenals het begrip macht, allerminst eenvoudig van aard. Door de eeuwen heen gaven tal van verschillende auteurs telkens heel andere invullingen aan de woorden. Ook in de laatste decennia van onze eeuw komen beide begrippen in verscheidene betekenissen voor[44].
Zo ziet Dennis Wrong macht als een vorm van invloed, nl. bedoelde, bewuste invloed. Macht is “the capacity of some persons to produce intended and foreseen effects on others”. Hij onderscheidt vier vormen: dwang, manipulatie, overreding en gezag. Volgens Weber is macht eerder de mogelijkheid om binnen een sociale relatie de eigen wil ook ondanks tegenstand door te zetten, ongeacht de feitelijke basis waaruit die mogelijkheid ontstaat. Hoogerwerf van zijn kant definieert macht als “de mogelijkheid het gedrag van anderen te beïnvloeden in overeenstemming met de eigen doeleinden van de actor”[45]. Invloed doet zich voor als gedrag leidt tot wijziging van gedrag. Macht is dus potentiële invloed en invloed is gedrag, dat gedrag van anderen wijzigt. Bachrach en Baratz verbinden macht dan weer met negatieve sancties. De ene partij geeft toe aan de andere omdat de ene bang is dat de andere hem waarden of voorrechten zal ontnemen die hij hoger acht dan wat hij toegeeft aan de andere. Boulding definieert macht als “the ability to get what we want”. Er zijn drie manieren om iets gedaan te krijgen: dreiging, uitwisseling en liefde (macht zonder sanctie door op basis van gemeenschappelijke tradities en beginselen een beroep te doen op respect en solidariteit). Kuypers verbindt macht en invloed met vermogen en effect. Hij ziet macht als het vermogen om invloed uit te oefenen. Macht is dus een vermogen, en wordt met dat vermogen effect bewerkstelligd, dan is dat invloed. Dahl gebruikt macht en invloed als synoniemen. Huberts maakt een onderscheid aan de hand van de lange duur. “Een actor oefent politieke invloed uit indien zijn aanwezigheid, denken of doen ertoe leidt dat een politieke actor aan zijn belangen of doeleinden meer tegemoet komt dan het geval geweest zou zijn indien de actor had ontbroken. Een actor heeft politieke macht, indien hij er bij voortduring in slaagt politieke actoren ertoe te bewegen aan zijn belangen of doeleinden tegemoet te komen.”[46]
Helmers e.a. zien de zaken nog anders. Voor hen is “het kenmerkende element van macht gelegen in de mogelijkheid tot beperking of verruiming van de vrijheid van handelen (van anderen – KVN) of het vermogen die vrijheid van handelen in zekere zin te handhaven. (...) Invloed daarentegen kan worden omschreven als de mogelijkheid de uitkomsten van het gedrag van anderen te bepalen, zonder dat hun vrijheid van handelen daardoor wordt beperkt of verruimd.”[47] Samenvattend gesteld: “Macht is het vermogen van actoren (personen, groepen of instellingen) om een samenstel van gedrags- of keuzealternatieven van andere sectoren geheel of gedeeltelijk vast te leggen of te veranderen. Invloed is het vermogen van actoren om het gedrag of de keuze van andere actoren (ten dele) te bepalen binnen een voor die actoren beschikbaar samenstel van gedrags- of keuzealternatieven.”[48]
Voor ons onderzoek bewandelen wij verder het spoor zoals uitgetekend door Helmers e.a. In hun werk over de kern van de Nederlandse economie bieden zij een uitgebreide beschouwing rond macht en invloed. We opteerden voor hun definitie omdat die in het kader van ons onderzoek het best te operationaliseren is. In de eerste plaats stippen zij aan dat macht en invloed in concreto moeilijk van elkaar onderscheiden kunnen worden. “In de eerste plaats kan macht een bron zijn van invloed en invloed een bron van macht. In de tweede plaats doen zich processen voor waarbij invloedsposities worden omgezet in machtsposities of machtsposities in invloedsposities.”[49]
Ze stellen zich de vraag of macht en invloed een vermogen (potentie) dan wel een gedrag (eigenlijke machtsaanwending of invloedsuitoefening) zijn. Macht als vermogen wordt per definitie gelijkgesteld aan wat de bronnen zijn van macht. Macht wordt dan hetzelfde als machtsbasis, de verzameling van hulpmiddelen die kunnen worden aangewend. Voor dergelijke begripsverwarring moet nochtans worden opgelet. Macht als vermogen en de mogelijke hulpbronnen van macht moeten worden onderscheiden. “Macht (als vermogen) heeft dan primair te maken met het relationele aspect, de positie in een sociale organisatie waarin dat vermogen ligt besloten. De hulpbronnen van macht betreffen het substantiële aspect, de middelen waarmee die macht (of invloed) kan worden aangewend.”[50] In de praktijk kan vervolgens vastgesteld worden dat belangrijke aanwendingen van macht, of de mogelijkheid daartoe, ontbreken voor actoren die nochtans over een belangrijke machtsbron beschikken. Rijkdom brengt bvb. niet altijd macht met zich mee. Een steenrijk man zal geen macht hebben als hij zich eenzaam en alleen in zijn villa opsluit en met niemand contact onderhoudt.
De auteurs stellen voorts vast dat macht en invloed dikwijls gezien worden als min of meer persoonlijke attributen of eigenschappen. Hiertegenover staat een benadering waarin vooral de nadruk gelegd wordt op het relationele aspect van macht en invloed. “Macht en invloed vinden hier hun oorsprong in specifieke sociale relaties tussen actoren en moeten daarom primair in de vorm van die sociale relaties worden bestudeerd.”[51]
Volgens Helmers e.a. ontstaan macht en invloed precies “primair in een relationeel kader, een specifiek samenstel van bepaalde sociale verhoudingen tussen actoren, waardoor bepaalde actoren of groepen actoren de mogelijkheid (het vermogen) krijgen om in bepaalde opzichten gedragsalternatieven van andere sectoren vast te leggen of te veranderen (macht) of binnen bepaalde gedragsalternatieven het gedrag van die actoren te bepalen (invloed).”[52] Macht en invloed kunnen, als vermogen, niet los gezien worden van de specifieke sociale samenhang waarin ze ontstaan. De macht of invloed worden bepaald door de plaats die de actoren innemen in het samenspel van sociale verhoudingen. “Die specifieke plaats of configuratie zullen wij aanduiden als machts- of invloedspositie. De machtspositie heeft dus betrekking op het relationele aspect van macht. De instrumentele of substantiële aspecten van macht hangen samen met de bronnen van macht of de middelen waarmee macht (of invloed) als vermogen kan worden geëffectueerd. Dat vermogen wordt ook door die hulpbronnen bepaald, maar ook dan alleen maar in een specifiek relationeel kader. Het bezit van machtsbronnen alleen levert nog geen macht op. (...) Machtsmiddelen zijn dus als machtsbronnen gebonden aan de machtspositie. De specifieke combinatie van machtsbronnen, die door actoren in een bepaalde machtspositie kunnen worden aangewend, noemen wij de machtsbasis van die actoren of van die positie. Zowel positie als basis bepalen het vermogen dat macht of invloed definieert. De machts- of invloedspositie betreft het relationele aspect, de machts- of invloedsbasis het substantiële aspect van dat vermogen. Dat substantiële aspect wordt door het relationele bepaald.”[53]
Dit onderscheid tussen machtsbasis en -positie heeft gevolgen voor het instrumentele aspect van macht of invloed: voor de wijze waarop ze wordt uitgeoefend (of m.a.w. het machts- of invloedsgedrag). Dit gedrag heeft een relationele kant, gelet op de aanwending van de machtsposities en de relatie(s) met andere machtsactoren. De substantiële aspecten komen op de voorgrond wanneer gelet wordt op de aanwending van hulpbronnen, de machtsbasis.[54]
In veel onderzoekingen omtrent macht en invloed, zo wordt vastgesteld, heerst een zekere verwarring omdat het niet steeds duidelijk is of de betreffende onderzoekers zich richten op betrekkingen tussen individuen of op die tussen grotere meer omvattende sociale eenheden, als groeperingen, instellingen of organisaties. M.a.w. of het onderzoek gevoerd wordt op micro- dan wel op macroniveau is niet altijd even duidelijk. “Met het microniveau wordt bedoeld de analyse van kleine groepsverbanden op basis van relaties tussen individuen en ook wel analyses waarin individuen de voornaamste eenheden zijn. Het macroniveau betreft vooral grotere, georganiseerde of geaggregeerde eenheden (instellingen, sociale klassen en groeperingen) en de relaties daartussen in een groter maatschappelijk verband.”[55]
Dikwijls passen onderzoekers microtheoretische methodes toe op macroniveau. Twee mogelijke vertekeningen dreigen echter op zo’n moment. Een eerste is de atomistische vertekening. Macht en invloed worden dan vooral opgevat als voornamelijk persoonlijke attributen op basis van relaties tussen personen. De groepering of instelling, en de institutionele kenmerken zoals de organisatiegraad van de groepering of achterban, de positie van de instelling in de gemeenschap, spelen geen rol. De relationele vertekening dreigt als uitsluitend gedacht wordt aan relaties van paren i.p.v. aan relatienetwerken. Er wordt gedacht in ‘A heeft macht over B’, en bovendien wordt een asymmetrische relatie verondersteld: B heeft geen macht over A. Er moet echter rekening gehouden worden precies met symmetrische relaties, met wederzijdse beïnvloeding. En ook moeten meer dan twee actoren in acht genomen worden. Er wordt m.a.w. “te weinig rekening gehouden met sociologische processen, waarbij macht niet alleen een kwestie van individuen, maar ook van institutionele kaders en culturele factoren is”[56].
Vervolgens gaan Helmers e.a. over tot het specificeren van macht en invloed in termen van politieke macht en politieke invloed. “Politieke macht is het vermogen van actoren (personen, groepen of instellingen) om een samenstel van alternatieve waardetoedelingen voor de leden van dat systeem of delen daarvan (ten dele) vast te leggen of te veranderen. Politieke invloed is het vermogen van actoren om binnen een gegeven samenstel van alternatieve waardetoedelingen de uitkomsten van het toedelingproces (ten dele) te bepalen.”[57]
Politieke invloed is vooral geassocieerd met de effectieve organisatie en bundeling van informatie en expertise en de beschikking over goede toegangsmogelijkheden tot besluitvormingsniveaus. “Wanneer de politieke invloed van een actor of groep van actoren een eenzijdig karakter krijgt i.v.m. die van andere actoren, dan kan die invloed een bron zijn van macht of zelfs in macht worden omgezet. Dat kan op twee manieren gebeuren.”[58] Ten eerste door het bezit van een informatievoorsprong. Deskundigheden en informatie moeten dan wel nog georganiseerd en gebundeld worden. Ten tweede is er de beschikbaarheid van toegangsmogelijkheden tot belangrijke fasen van de besluitvorming. Er kan een toegangsvoorsprong optreden. Dergelijke voorsprong heeft een tijdsaspect (de timing is belangrijk, de actor moet op tijd de informatie hebben of informatie inbrengen via de toegangsmogelijkheid: voor de besluitvorming en niet erna) en een representatieaspect (welke actoren hebben toegang tot de besluitvorming en welke niet).
Het ligt in onze bedoeling te gaan onderzoeken hoe de krant de politieke wereld rechtstreeks trachtte te beïnvloeden. We zullen niet nagaan in hoeverre de krant de publieke opinie eventueel ging beïnvloeden en sturen. Ten eerste hebben we voor dergelijk onderzoek niet de technische bagage, en ten tweede is zo’n onderzoek sterk gecontesteerd. Er bestaat geen overeenstemming rond in het communicatiewetenschappelijk milieu.
Globaal gezien bestaan er m.b.t. de macht en invloed van de media op de publieke opinie twee theoretische modellen. Ze vertegenwoordigen twee polen: gaande van geen enkele invloed tot een grote invloed. Het pluralistische consensusmodel poneert dat er een hechte band is tussen media en publieke opinie: “Als dusdanig vormen de media een cruciaal onderdeel in het politieke systeem en spelen ze een belangrijke rol, zowel bij het formuleren van de input als bij de totstandkoming van de output. Door aan het publiek kritische informatie te verstrekken en door de eisen en waarden ervan te verwoorden, expliciet te maken en te steunen, fungeren de media als een essentiële schakel in het besluitvormingsproces, verzorgen ze de communicatie tussen burgers en bestuurders, stimuleren ze de politieke participatie en oefenen ze controlefuncties op de machtsuitoefening uit ten behoeve van de publieke opinie. Als onderdelen van het pluralistisch model werken de media dus mee aan de totstandkoming van de consensus, aan de handhaving van de stabiliteit en aan het functioneren van het socialisatie- en integratieproces dat zich binnen de samenleving voltrekt. Anders gezegd, ze fungeren als een ‘vierde macht’.”[59]
Deze auteurs zien de verhouding tussen de overheid en de media vnl. vanuit de machtsstrategieën van de politieke actoren: “De massamedia laten immers een ruime penetratie in het kiezerskorps toe en zijn dus van het grootste belang voor het machtsverwervings- of machtsbestendigingsproces van de politieke partijen en van de politici.”[60]
De kritische mediatheorie stelt dat in feite de burgerij aan de macht is. “De media functioneren helemaal niet als onderdeel van de participerende democratie, die zelf immers een fictie is; ze zijn helemaal niet autonoom en de watchdog-functie is een mythe; ze animeren al evenmin het gesprek tussen bestuurden en bestuurders en in de publieke opinie zien deze auteurs een gemanipuleerd instrument voor de heersende belangen. Wel wordt volgens hen een schijnopenbaarheid in stand gehouden ter legitimatie van de burgerlijke samenleving en daarbinnen functioneren de media.”[61] Er is sprake van mediamanipulatie.
Een vertegenwoordiger van dit model is J. Habermas. “Hij ontwikkelt de theorie dat sinds de 19de eeuw een evolutie heeft plaatsgehad van een burgerlijke openbaarheid naar een gemanipuleerde openbaarheid. De kritische openbaarheid is namelijk het ordeningsprincipe van de liberale rechtsstaat. Tijdens de hoogbloei van het burgerlijke discussieregime speelde de pers een belangrijke rol. Ter uitoefening van de controlefunctie van de wetgevende op de uitvoerende macht was de pers een discussieforum dat als het ware in het verlengde lag van het parlementaire debat. De burgerij voorlichten over haar rechten, haar belangen expliciet maken, haar een klassenbewustzijn geven, haar tot participatie aanzetten en, via deelname aan het overleg en de discussie de besluitvorming beïnvloeden en controle uitoefenen op de staatsmacht, dat waren enkele van de belangrijkste functies van de media.”[62] Dit zat er in de 20ste eeuw niet meer in, aldus nog Habermas.
Volgens de ‘kritische auteurs’ treedt de overheid regelend op bij de realisatie van de gebruikswaardenfuncties van de media. “Toegepast op de periode 1945-1990, betekent dat alles dat de media tot het midden van de jaren 1970 een onderdeel vormden in het functioneren van de keynesiaanse consumptie- en verzorgingsstaat.”[63] De staat zocht toenadering tot de culturele sector en trad steeds vaker op als (mede)financier. Vanaf de tweede helft van de jaren ’70 nam het keynesiaanse concept af en werd het regeringsoptreden ingepast in de expansiestrategie van de mediaindustriëlen. De staat liet de media meer en meer in handen van de industriëlen.
Door de jaren heen evolueerde het beeld van de pers als Fourth Estate. Aanvankelijk, in de jaren ’20 en ’30, werd de pers grote macht toegedicht. Het was de tijd van de ‘almacht van de media’-theorieën. Die luidden als volgt: “de massamedia bereiken iedereen. Het beïnvloedingsproces is éénrichtingsverkeer, nl. van de zender naar de ontvanger. Er is een direct verband tussen de inhoud van de boodschap en de invloed van de ontvanger. De ontvanger is in staat en bereid alle boodschappen op te nemen. De ontvanger neemt de inhoud van de boodschap passief en kritiekloos over. De (veelal slechte) invloed van de media wordt niet betwijfeld. Er zit geen filter tussen zender en ontvanger. De ‘massamens’ is meer ontvankelijk voor de invloed van de media dan de elite.”[64] Verschillende naamgevingen binnen deze theorie waren: injectienaaldopvatting, lont in het kruitvat, transportband, bullet theory, en stimulus-respons-model. “Ze vergelijken bij voorbeeld de media met reusachtige injectienaalden die bij voortduring prikken en steken in het passief neergevlijde lichaam van de massa’s, met een transportband waarmee boodschappen relatief intact worden afgeleverd, of met lonten in kruitvaten. Wie de massamedia in zijn bezit had kon de gedragingen en opvattingen van al die individuele mensen richten op een doel dat hij zelf kon bepalen. Hij zou de mensen daar kunnen krijgen, waar hij ze hebben wilde. Hij hoefde de lonten maar aan te steken.”[65]
Op het einde van de jaren ’30 veranderde de opvatting over de pers. De tweede fase, die duurde tot begin de jaren zestig, werd gekenmerkt door wetenschappelijk onderzoek. “(...) a new statement of conventional wisdom which assigned a more modest role to media in causing any of their chosen or unintended effects. (...) It was not that media had been shown to be, under all conditions, without effects but that they operated within a pre-existing structure of social relationships and in a given social and cultural context. These social and cultural factors have a primary role in shaping choice, attention and response by audiences.”[66] Aan de media werd een veel bescheidener rol dan voorheen toegedicht.
Vanaf de jaren zestig veranderde de opvatting opnieuw. “Over de almacht van de media wordt niet meer gesproken; het gaat voortaan over grote macht. En het betreft een ‘machtig,... mits’, een macht die iets anders is dan effectiviteit. Bij voorbeeld niet de macht om opinies te beïnvloeden, maar wel het kennen; of een macht die veel groter en veel algemener is dan uit het gebruik van de middelen voortvloeit.”[67] Een Media System Dependency Theory werd uitgewerkt. De uitgangspunten daarvan zijn[68]: de maatschappij heeft een organische structuur. Het mediasysteem is een onderdeel van die organische maatschappij. De relaties tussen de media en andere onderdelen van de maatschappij zijn alle afhankelijkheidsrelaties. Het mediasysteem is een informatiesysteem met drie soorten hulpbronnen of capaciteiten die afhankelijkheid kunnen voortbrengen: het verzamelen en scheppen van informatie, het verwerken of bewerken van informatie, en het verspreiden van informatie. Het mediasysteem heeft macht omdat het de informatiehulpbronnen controleert. De doeleinden - hulpbronnen afhankelijkheidsrelatie bepaalt de relatieve mate van de mediamacht in elke situatie. De afhankelijkheidsrelaties met andere systemen lopen in twee richtingen. Ook individuen ontwikkelen afhankelijkheidsrelaties met het mediasysteem, omdat individuen doelgericht handelen. Individuen construeren hun eigen mediacombinatiesystemen. Mensen verschillen niet alleen in hun mediacombinaties, maar ook in de aard van hun afhankelijkheidsrelaties. Individuele mediacombinatiesystemen kunnen per situatie variëren. De aard van het medium kan de bruikbaarheid voor het bereiken van bepaalde doelen beperken.
Sociale netwerken spelen een belangrijke rol bij het verklaren van maatschappelijke verschijnselen. Er gaat belangrijke invloed van uit. “Sociale netwerken zijn eveneens van belang als we de uitkomst van politieke besluitvormingsprocessen willen verklaren, of de ontwikkeling van sociale bewegingen willen begrijpen.”[69] Zoals we hoger reeds zagen heeft de substantiële component van politieke invloed maar zin in combinatie met de relationele component. Politieke invloed kan in essentie slechts via relaties bestaan. Er is m.b.t. het onderzoek naar sociale netwerken evenwel geen eenduidigheid. Er is niet zoiets als één algemeen aanvaarde theorie. Sommigen beginnen met een aantal data te verzamelen omtrent wie met wie welke relatie onderhoudt. Vervolgens wordt een ‘graph’ geconstrueerd waarin de elementen van het netwerk worden weergegeven. Dan kunnen structuren worden ontdekt. Anderen stellen evenwel dat er beter eerst een theorie kan worden opgesteld: vervolgens kan dan uit die theorie afgeleid worden wat de te verwachten effecten zijn.
M.b.t. ons onderzoek bestaat niet echt een theorie. We zullen evenmin zelf eerst één construeren. We vertrekken m.a.w. vanuit de datageoriënteerde benadering. Het netwerk dat wij willen onderzoeken, betreft niet een netwerk gekristalliseerd rond één persoon. Integendeel gaat het om een netwerk van een krantenbedrijf, de NV De Standaard. De netwerken die heel wat medewerkers opbouwden zullen worden onderzocht. Het gaat m.a.w. om onderling gerelateerde netwerken.
In het onderzoek naar netwerken kunnen heel wat probleemstellingen worden geformuleerd. De belangrijkste zijn: welke zijn de kenmerken van de (categorie van) personen? Onder welke condities komt deze of gene relaties tot stand? Hoe veranderen relaties en netwerken in de loop van de tijd, bvb. na ingrijpende gebeurtenissen? Wat is de invloed van actoren in netwerken op collectieve beslissingen?
Er werd al heel wat onderzoek verricht naar sociale netwerken, zowel van (al dan niet) belangrijke individuen, als van ondernemingen, organisaties, verenigingen en zelfs staten. Welke theoretische concepten en daarmee verband houdende empirische variabelen treffen we daarin aan m.b.t. relaties en netwerken? Met betrekking tot netwerken: de omvang en de homogeniteit (naar Vlaamsgezindheid, politieke kleur, levensbeschouwelijke strekking, etc.); met betrekking tot relaties: frequentie, duur, intensiteit, investering (= frequentie + duur + intensiteit), kosten en baten, vrijwilligheid, wederkerigheid, multipliciteit/diversiteit, homogeniteit, stabiliteit, mate van verbondenheid met andere netwerkleden of met leden van andere netwerken, conflictgedrag en samenwerkingsgedrag; met betrekking tot collectieve besluitvorming: toegang (de positie die men in een netwerk inneemt), middelen, controle (= toegang + middelen), belang, stemmacht.
Zoals we hierboven reeds zagen is het van belang dat we enerzijds de relaties niet als asymmetrische relaties tussen twee personen beschouwen, en dat we anderzijds het institutionele kader waarin de relaties te situeren vallen, niet vergeten. M.b.t. de relaties tussen twee personen (in ons geval hoofdzakelijk tussen journalist en politicus) - we begeven ons nu op micro-niveau - bestaan verschillende (tegengestelde) theorieën.
Een eerste model is het adversary model. Dit model is normatief. Het beschrijft hoe journalisten zouden moeten staan tegenover politici. Journalisten mogen zich nooit laten manipuleren door politici. “The relationship should pivot on a conflict of interest between themselves and politicians that is assumed to be abiding.”[70] Journalisten moeten voortdurend op hun hoede zijn, nooit zomaar geloven wat hen wordt voorgehouden, maar steeds dieper graven. Ze hebben een waakhondfunctie. Journalisten en politici staan in dit model dan ook tegenover elkaar.
Er bestaan drie bezwaren tegen deze theorie: een eerste luidt dat ze te bekrompen is. Ze kan geen afdoende antwoord bieden op het gedrag van de journalist tegenover zijn bronnen en contacten. ‘Tegengesteldheid’ is niet voldoende. Een tweede houdt in dat de theorie blind is voor de dagdagelijkse relatie van de journalist met de politicus. Ze biedt geen verklaringsmechanisme voor de mate van samenwerking tussen pers en politiek. De derde kritiek sluit in dat, als journalisten en politici voortdure