| Een andere crisis voor de USA. De morele paniek na de Spoetnik lancering door de USSR op 4 oktober 1957 en de reacties in de USA in de periode daarna. (Piet Baas) |
| home | lijst scripties | inhoud |
INLEIDING
Op het onderwerp werd ik geattendeerd door de lezing getiteld ‘10/04/57 and 09/11/01’ door Prof. Dr. Robert H. Zieger (History Department, University of Florida, USA en aangesteld in het kader van de ‘Fullbright Chair’ gedurende 2001/2002 aan de Universiteit Utrecht) op de 10e Amerikanistendag gehouden te Utrecht op 8 maart 2002.
Zoals de titel van zijn lezing al aangeeft, maakte Prof. Zieger een vergelijking tussen twee ingrijpende gebeurtenissen. De eerste was de lancering van de eerste kunstmatige satelliet, de 83,5 kilo wegende Spoetnik door de toenmalige USSR op vrijdag 4 oktober 1957. De tweede vond plaats op 11 september 2001, waarbij naast de 19 terroristen meer dan 3.000 doden vielen, waaronder ruim 360 brandweerlieden en politieagenten, in vliegtuigen en op de grond. Het gezichtsbepalende beeld van New York, de ‘Twin Towers’ kantoorgebouwen, werd toen in minder dan één uur vernietigd. Op en na de elfde september 2001 werd door politici, militairen en journalisten een parallel getrokken met een eerdere ramp die de USA trof, t.w. de Japanse aanval op schepen en vliegtuigen in de haven van Pearl Harbor op Honolulu, Hawaï op 7 december 1941, waarbij ruim 2400 doden vielen onder Amerikaanse militairen en burgers. De aanval in 1941 was de eerste op Amerikaanse grondgebied sinds de oorlog met de Engelsen in de jaren 1812 – 1814.
Zowel in 1941 als na 2001 werd er door de Verenigde Staten van Amerika gereageerd met een oorlogsverklaring. Op 7 december 1941 werd de oorlog verklaard aan Japan en enkele dagen later aan de andere As-mogendheden Duitsland en Italië, gevolgd door deelname van de Verenigde Staten aan de zijde van de geallieerden aan de 2e Wereldoorlog. De andere oorlogsverklaring in september 2001, de ‘War on terrorism’, was gericht tegen andere As-staten t.w. de ‘As van het Kwaad’ staten, Irak, Iran en Noord-Korea, waaraan later ook Yemen en Somalië werden toegevoegd. De aanvallen in 1941 en 2001 hadden een ingrijpende invloed op de Amerikaanse publieke opinie, maar ook op de opinie in de andere werelddelen.
De lancering van de Spoetnik door de USSR in oktober 1957 had een soortgelijk effect op de publieke opinie in de USA en op het gedrag van politici omdat in de ogen van de Amerikaanse burgers en vele politici en militairen deze lancering een begin zou kunnen zijn voor een aantasting van de Amerikaanse soevereiniteit en het Amerikaanse luchtruim en grondgebied.
Een zeer essentieel verschil met de gebeurtenissen in 1941 en 2001 was natuurlijk dat er in 1957 en in de jaren daarna geen slachtoffers vielen onder burgers en militairen in de USA of elders als direct gevolg van de lancering van raketten en satellieten door de USSR en de USA en zijn bondgenoten, afgezien van de relatief weinig slachtoffers bij de lancering door die landen van de raketten en satellieten. Wel luidde de lancering van de Spoetnik een nieuwe fase in de ‘Koude Oorlog’ tussen de USSR en de USA in.
Hoe reageerden de verschillende groepen in de Amerikaanse samenleving na 4 oktober 1957 op de lancering van de Spoetnik? Zonder een allesomvattende indeling te suggereren zijn de belangrijkste groepen:
- de uitvoerende macht, in het bijzonder de (federale) overheid, met aan de top de President, maar ook de ministers van Defensie, Buitenlandse Zaken en Financiën en hun ministeries en drie van de vier militaire onderdelen, luchtmacht, landmacht en marine,
- de wetgevende macht, het Congres bestaande uit Huis van Afgevaardigden en Senaat,
- de Committees, zoals het Science Advisory Committee, de Administrations, in het
bijzonder National Aeronautics and Space Administration (NASA) en de Agencies
zoals het Army Ballistic Missile Agency (ABMA),
- de daarmee verbonden onderzoeksinstituten en laboratoria, en meer speciaal de sleutelfiguren, die leiding gaven aan deze instituten,
- het bedrijfsleven met zijn lobbyisten bij het Congres maar ook de vakbonden, de universiteiten, de media met o.a.: kranten, tijdschriften, televisie en radio,
- en last but not least: de publieke opinie tot uiting komend in ‘letters to the editor’.
De reacties van de hiervoor vermelde personen en instituten op de lancering van de Spoetnik zullen in het vervolg aan de orde komen.
In vooral hoofdstuk 2 van deze scriptie heb ik, mogelijk meer dan gebruikelijk, citaten, vooral die welke uitgesproken zijn, niet uit het Engels vertaald noch geparafraseerd. Mijn argument daarvoor is dat er in de Engelse taal korter en bondiger geformuleerd kan worden dan in het Nederlands. Daarom zijn bijvoorbeeld brieven aan de redactie, naar mijn mening amper te vertalen of met behoud van de essentie in het Nederlands samen te vatten. Teneinde de reacties op de spectaculaire lancering beter te kunnen interpreteren acht ik het nodig eerst de ontwikkeling van de ruimtevaart en de daarvoor benodigde raketten in de 20e eeuw en de hoofdpersonen daarbij in USSR, Duitsland en USA te behandelen. Vervolgens zal worden ingegaan op het verschijnsel ‘Koude Oorlog’, dat zo bepalend is geweest in de generaties die leefden in de jaren 1945- 1989, zowel in het ‘Westen’ als in het ‘Oosten’.

Foto afgedrukt in Braun, Wernher von, Frederick I Ordway III en Harry H-K Lange History of Rocketry & Space Travel 117,
1-A Ontwikkeling van de raket- en satelliettechnologie, samengevat tot aan einde 2e Wereldoorlog in 1945.
Twee mannen, die leefden in de zeventiende resp.negentiende eeuw, voorspelden de mogelijkheid van een kunstmatige satelliet die een baan om de aarde beschrijft. ‘Een satelliet is een hemellichaam dat een ander [hemellichaam], waarom het zich beweegt, op zijn baan vergezelt.’[1] De eerste die op de theoretische mogelijkheid van een kunstmatige satelliet wees, was de Engelse wis- en natuurkundige Sir Isaac Newton (1642-1727) toen hij de wetten van de zwaartekracht onderzocht. De ander was de Russische onderzoeker Konstantin Eduardovich Tsiolkovsky (1857-1935) die in 1903 de eerste formule ontwikkelde op grond waarvan een lichaam in het heelal geschoten kan worden.
Newton bewees dat dezelfde zwaartekracht die een appel, als die losgelaten wordt, doet vallen ook in het luchtledige van de ruimte werkt en dat - aardse - zwaartekracht ook de maan in een baan om de aarde houdt. Zijn universele zwaartekrachtwet bewijst waarom de planeten constant in een baan om de zon draaien in plaats van in de ruimte te verdwijnen. Newton geloofde dat als een voorwerp maar snel gegooid kon worden de neerwaartse bocht in de baan van het voorwerp zou overeenkomen met de curve in het oppervlak van de aarde, of anders: de aarde zou dan een continu bewegend doel zijn voordat het voorwerp de aarde raakt. De Spoetnik bleef in de ruimte op grond van dezelfde kracht als de maan dat doet.
De aantrekkingskracht als gevolg van de aardse zwaartekracht en de snelheid van de satelliet waren in volmaakte balans. Net als de maan had de Spoetnik te veel snelheid om terug te vallen op de aarde maar te weinig om te ontsnappen aan de aardse zwaartekracht. Dit is hetzelfde principe op grond waarvan de aarde en de andere planeten door de sterke zwaartekracht van de zon in een baan om de zon blijven. Newton beschreef ook hoe een kunstmatige satelliet gelanceerd kon worden en dat het noodzakelijk is om in trappen de stuwkracht en dus de daarmee ontwikkelde snelheid, waarmee het projectiel gelanceerd is, op te voeren.
President Eisenhower’s Science Advisory Committee, onder voorzitterschap van James R. Killian, president van het prestigieuze MIT in Boston (Massachusetts), publiceerde in het voorjaar van 1958 een rapport ‘Introduction to Outer Space’ waarin werd uitgelegd dat om te ontsnappen aan de banden van de aarde het projectiel een snelheid moet bereiken van 40.000 kilometer per uur. [2] Deze commissie merkt op dat hoewel de basisprincipes voor de ruimtevaart en de satellieten al sinds Newton bekend waren bij de wetenschappers, deze principes voor velen onbekend en onrealistisch zullen zijn. ‘Our children, however, will understand them quite well.’[3]
De Rus Konstatin Tsiolkovsky, zoon van een houthakker, op jonge leeftijd al doof als gevolg van roodvonk, was wiskundeleraar en had zichzelf bekwaamd. In 1883 publiceerde hij zijn eerste artikel over de ruimtevaart, waarin hij uitlegde hoe het mogelijk zou moeten zijn om een raket te laten vliegen in het vacuüm van de ruimte. In 1895 schreef hij in ‘Dream of the Earth and Sky ’ dat het mogelijk zou moeten zijn een kunstmatige satelliet in een baan om de aarde te brengen. Drie jaar daarna ontwierp Tsiolkovsky een formule waarin hij datgene specificeerde wat nodig is om aan de aardse zwaartekracht te ontsnappen en beschreef hij hoe een raket daarin zou kunnen slagen. Deze basisvergelijking, een meer uitgewerkt theoretisch bewijs dan dat van Newton, van de ruimtevaart is nog steeds bekend als de ‘Tsiolkovsky vergelijking’, maar kreeg toen in het tsaristische Rusland noch elders veel bekendheid. Pas na de Russische Revolutie in 1917 werd hij door de nieuwe, communistische, Russische leiders omhelsd om zijn visie op de sociale evolutie van de mens. Lenin verleende hem de titel van ‘Vader van de Ruimtevaart’ en het werd hem mogelijk gemaakt zijn wetenschappelijke werk voort te zetten, zonder aardse beslommeringen. Tsiolkovsky was niet alleen een theoreticus, hij had ook praktische oplossingen. Zo was hij de eerste die vloeibare zuurstof en vloeibare waterstof aanbeval als brandstoffen voor raketten. De Saturnus V-raketten, die de Amerikanen gebruikten om satellieten te lanceren in het Apollo-programma in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, werkten op deze vloeistofcombinatie. Daarnaast dacht hij zelfs aan de mogelijkheid om mensen in de ruimte te brengen. Zijn ontwerp voor een satellietcabine bevatte tevens ‘life support’-systemen voor de absorptie van koolmonoxide. Hij stelde ook voor om bij de lancering van raketten de bemanning achterover te laten liggen tegen de voorzijde van de motoren van de raket. Eind jaren twintig bepleitte hij een methode om de nodige snelheid te kunnen ontwikkelen om aan de aardse zwaartekracht te ontsnappen, waarbij een draagraket met meerdere trappen bij de lancering gebruikt zou moeten worden, elke trap met meerdere motoren die gelijktijdig ontstoken dienden te worden. Op 1 mei 1932, tijdens zijn laatste radiotoespraak, kwam Tsiolkovsky tot de conclusie dat de eerste ruimtevluchten binnen twintig tot dertig jaar mogelijk zouden zijn. Op 17 september 1935 stierf hij. Oorspronkelijk hadden de Russische leiders de Spoetnik precies 22 jaar na zijn sterfdag willen lanceren, om daarmee Tsiolkovsky’s werk in het belang van de USSR te eren.[4]
In de tweede helft van de negentiende eeuw werden ook fictieschrijvers enthousiast over de ruimtevaart. Zo publiceerde Jules Verne zijn verhaal ‘De la terre á la lune’ in 1865 en in 1901 H. G. Wells ‘The First Man on the Moon’. Naast de grondleggers Newton en Tsiolkovsky waren andere pioniers in de rakettechnologie en de ruimtevaart de Amerikaan Robert Hutchings Goddard (1882-1945) en de, oorspronkelijk uit Roemenië afkomstige, Duitser, Hermann Julius Oberth (1894-1985). Deze pioniers maar ook de latere experts, de Rus Sergei P. Korolev (1907-1966) en de Duitser, later Amerikaan, Wernher von Braun (1912-1977), die beiden leiding gegeven hebben aan de lancering van satellieten, werden niet alleen geïnspireerd door academische of beroepsmatige interesse, financiële ambitie of patriottische plicht voor ‘the dream of spaceflight’ maar ook door de verhalen van Jules Verne, en H. G. Welles ‘and their imitators’, zoals Walter A. McDougall in zijn veelomvattend standaardwerk ….The Heavens and the Earth, A Political History of the Space Age vermeldt.[5] Van dit boek zal ik in het vervolg veelvuldig gebruik maken. Dit geldt ook voor het rijk geïllustreerde boek History of Rocketry & Space Travel van de hand van Wernher von Braun en de Amerikaanse historicus Frederick I. Ordway III [6] en voor Paul Dickson’s boek uit 2001 Sputnik the Shock of the Century.[7]
In de Verenigde Staten werd aan het werk van Tsiolkovsky noch aan dat van diens tijdgenoot Goddard in hun beginjaren aandacht besteed. Al in zijn jeugd was Goddard geobsedeerd door de ruimtevaart en hij droomde zelfs over een reis naar de maan. In 1909 begon hij zijn studie over raketten met vloeibare brandstof, waarna hij drie jaar later bewees dat raketten ook in het luchtledige werkten. In de jaren daarna verwierf hij meerdere patenten, die alle betrekking hadden op de rakettechniek, waaronder de wijze van vloeistofvoorziening in verbrandingskamers. Daardoor was het mogelijk een constante voortstuwing te bereiken en het gebruik van raketten met meerdere trappen, die na verbranding van de vloeistof van elke trap achtereenvolgens zouden worden afgeworpen. De marine en het leger raakten geïnteresseerd in raketten als wapen, die Goddard beschreef, en zorgden voor testmogelijkheden. In 1918 slaagde Goddard er met een kleine raket in de werking van het in de 2e Wereldoorlog zo belangrijke antitankwapen, de bazooka aan te tonen.
In 1919 publiceerde Goddard een monografie getiteld A Method of Reaching Extreme Altitudes, waarvoor hij een prijs van $ 5.000 kreeg van het Smithsonian Institution in Washington. In dit boek en zijn in 1936 verschenen boek Liquid-propellant Rocket Development legde hij de theoretische basis voor de toekomstige ontwikkeling van de rakettechnologie in de USA. Terloops vermeldde de auteur dat een raket naar de maan gezonden kon worden en dat de landing gepaard zou gaan met een explosie die op aarde met een telescoop gezien zou kunnen worden. Van de ene op de andere dag werd Goddard de ‘Moon Rocket Man’.[8] Zelfs invloedrijke kranten verweten hem dat hij Jules Verne imiteerde. Modern Jules Verne Invents Rocket to Reach Moon luidde een kop. Deze kritiek culmineerde op 13 januari 1920 toen het al gerenommeerde dagblad The New York Times een redactioneel artikel plaatste waarin werd gesteld dat ruimtevaart onmogelijk is om de eenvoudige reden dat het niet mogelijk is een raket te laten werken in het luchtledige.
‘Goddard clearly “lacked the knowledge ladled out daily in high schools.” ’[9]
In 1969 toen de Apollo 11 gelanceerd werd voor zijn reis naar de maan, herstelde de Times, wel erg laat, zijn eerdere blunder:
‘ “Further investigation and experimentation have confirmed the findings of Isaac
Newton in the 17th century, and it is now definitely established that a rocket can function
in a vacuum as well in an atmosphere. The Times regrets the error” ’[10]
Door deze negatieve, ridiculiserende publiciteit werd de toch al introverte Goddard nog argwanender ten opzichte van de pers en collega-wetenschappers. Op 16 maart 1926 lukte het hem de eerste raket ter wereld te lanceren die gevuld was met vloeibare brandstof.
‘Goddard wrote in his diary: “ … it rose 41 feet, and went 184 feet in 2, 5 seconds, after the lower part of the nozzle had burned off.” ’[11].
Dankzij de tussenkomst van Charles Lindbergh lukte het hem om van Daniel Guggenheim grote financiële hulp te krijgen en zo een eigen oefenterrein in Roswell, New Mexico in gebruik te nemen. Dickson meent dat Goddard in de dertiger jaren als werelds grootste deskundige op het gebied van raketten werd beschouwd. Hij kreeg niet minder dan 212 patenten op zijn naam die betrekking hadden op alle aspecten van het onderzoek van de ruimte. Goddard was het eens met zijn Russische collega Tsiolkovsky dat meertrapsraketten, waarvan de leeg gebrande trappen afgeworpen konden worden, noodzakelijk zouden zijn om grote hoogten te bereiken en de noodzakelijke snelheid te krijgen om aan de aardse zwaartekracht te kunnen ontsnappen.[12] Robert A. Milikan, Nobelprijswinnaar voor fysica, probeerde in de jaren dertig meerdere keren Goddard te verbinden aan het California Institute of Technology Rocket Research Project, Pasadena, Californië, maar weigerde, waarschijnlijk omdat hij geen teamspeler was.[13] Goddard’s biograaf Milton Lehman beschrijft in This High Man: The Life of Robert Hutchings Goddard (New York, 1963), diens obsessie met primeurs. Zijn wantrouwen in collega-raketdeskundigen werd versterkt toen Goddard merkte dat Hermann Oberth, die in het vervolg nog ter sprake komt, in diens boek Die Rakete zu den Planetenräumen (München, 1923), dat overigens als proefschrift door de Heidelbergse Universiteit was geweigerd, veel ideeën uit Goddard’s eigen proefschrift (uit 1919) had verwerkt. Dit proefschrift had Goddard in 1922 op diens verzoek aan Oberth gestuurd.[14] In 1945, een paar weken voor zijn dood, schreef Goddard:
‘The subject of projection from the earth and especially a mention of the moon, must be
still avoided in dignified scientific and engineering circles.’[15]
Zijn verdienste voor de Amerikaanse rakettechnologie en ruimtevaart werd erkend en geëerd door de naamgeving ‘Goddard Space Flight Center’ aan het derde Amerikaanse
ruimtevaartcentrum, naast dat in Huntsville, Alabama en Houston, Texas, dat in mei 1959 in Beltsville, Maryland, door de National Aeronautics and Space Administration (NASA) geopend werd.
De in Transsylvanië, gelegen in het huidige Roemenië en Hongarije, geboren wiskundige Hermann Julius Oberth is de enige van de drie negentiende en twintigste-eeuwse pioniers die de droom van een raket naar de maan vervuld zag. Hij was op 16 juli 1969 aanwezig bij delancering van de Apollo 11 raket van Cape Canaveral in Florida. Met de Apollo 11 maakten de drie astronauten Neil Armstrong, Edwin E. “Buzz” Aldrin en Michael Collins de eerste maanreis.
Zoals bekend leidde dit op 20 juli 1969 tot de eerste stappen op de maan door mensen gezet en wel achtereenvolgens door Neil Armstrong, met diens uitroep ‘That’s one small step for [a] man, one giant leap for mankind’, en Edwin Aldrin.[16]
In tegenstelling tot de publiciteitsschuwe Goddard en de solistisch en geïsoleerd werkende Tsiolkovsky was Oberth niet wars van publiciteit. Hij was dé rakettheoricus in Duitsland en in 1927 één van de oprichters van de Duitse ‘Verein für Raumschiffart’ en werd daar in 1929 voorzitter van. In hetzelfde jaar publiceerde Oberth zijn uitgebreide boek Wege zur Raumschiffart, dat met zijn kleinere werk uit 1923, zie hiervoor, volgens Wernher von Braun, één van zijn leerlingen, belangrijk was niet alleen voor de vele nieuwe ideeën die
betrekking hadden op de ruimtevaart maar ook inspiratie gaf aan de wetenschappers die zich bezighielden met de raket en ruimtevaart in die tijd en die direct leidde tot de successen in de tweede helft van de twintigste eeuw in de ruimtevaart.[17] Von Braun maakt ook gewag van mogelijke inspiratie door Goddard van Oberth en het verweer van Oberth dat deze gebruik gemaakt had van Goddard’s werk.[18] Wernher von Braun, aan wie een afzonderlijke paragraaf gewijd zal worden, en Frederick Ordway besluiten het hoofdstuk ‘Pioneers of Space Travel’ in hun boek met de constatering dat de drie pioniers, Tsiolkovsky, Goddard en Oberth, met hun ontdekkingen alle eer verdienen voor de start van de rakettechnologie en de ruimtevaart.[19]
In 1930 was Oberth adviseur van de beroemde filmregisseur Fritz Lang bij diens stomme film over de ruimtevaart Frau im Mond, waarin Oberth ook optrad,
‘The film’s script included the now-famous reverse count down – 5-4-3-2-1 before ignition and lift off.’[20]
De achtergrond en de prestaties van de Russische raketdeskundige Korolev worden behandeld in de paragraaf die betrekking heeft op de Russische ruimtevaart.

Foto links:afgedrukt in Dickson, Paul, Sputnik The Shock of the Century, 37;
Foto midden Ibidem, 40;
Foto rechts: Ibidem, 92;
1 - B De voorgeschiedenis van het Spoetnik tijdperk in de Sovjet-Unie
‘For Soviet rocketeers the Bolshevik Revolution [in 1917] was unquestionably a release’,
aldus McDougall.[21] Het communistische sovjetregime stichtte, in navolging van de oprichting van soortgelijke organisaties in het Westen, in 1918 het Centrale Aerodynamica Instituut (TsAGI) en in 1919 de Tsiolkovsky Academie voor Aeronautica. In 1924 werd het ‘Centrale Bureau voor onderzoek naar de problemen met betrekking tot raketten’ (TsBIRP) opgericht met als opdracht: het bijeen brengen van allen die aan de rakettechnologie werken. Voorts moest er zoveel mogelijk informatie verkregen worden over de voortgang die in het Westen gemaakt werd. Bovendien diende de publicatie van de juiste informatie plaats te vinden over de positie van de USSR op het gebied van de ruimtevaart en daarnaast het totstandbrengen van onafhankelijk onderzoek speciaal met betrekking tot militaire toepassingen van raketten en de ruimtevaart in het algemeen. [22]
McDougall meent dat het militaire aspect de werkelijke interesse van de sovjetoverheid weergaf, maar dat nam toch niet weg dat die overheid de eerste was die de doelstellingen van de ruimtevaart niet alleen onderschreef maar ook sterk steunde. In 1924 werd ook de particuliere ‘Vereniging voor het Onderzoek van Interplanetaire Verbindingen’ (OIMS) opgericht, de voorloper van de ‘American Interplanetary Society’ (uit 1930), de ‘Deutsche Verein für Raumschiffart’ (uit 1927) en de ‘British Interplanetary Society (uit 1933). Naast Tsiolkovsky traden jonge raket- en ruimtevaartdeskundigen aan, zoals Yuri Kondratyuk, F.A. Tsander en Valentin P. Glushko. Kondratyuk pleitte in 1929 in zijn boek The Conquest of Interplanetary Space voor het gebruik van zonne-energie in de ruimtevaart en brak een lans voor een afzonderlijk toestel om op de maan en mogelijk op de planeten te kunnen landen.[23] De Russische ‘Goddard’s’ behoefden niet, zoals Goddard zelf had verkozen, in afzondering te leven en met constant geldgebrek te werken. In 1934 was het verbond tussen de rakettechnologie en de revolutie geinstitutionaliseerd, aldus McDougall.[24]
De Amerikaanse historicus Bruce Parrott onderscheidt twee blijvende kaders in de officiële sovjetopstelling ten opzichte van de rakettechnologie en de ruimtevaart. Het eerste, of traditionele, kader waarschuwde voor de vijandigheid van de buitenwereld en de afhankelijkheid van de Sovjet-Unie van buitenlandse technologie en drong dus aan op de noodzaak voor de Sovjet-Unie naar autarkie te streven om zo niet beïnvloed te worden door giftige kapitalistische ideeën en te lijden te hebben onder buitenlandse spionage. Het tweede, in Parrot’s woorden ‘nontraditionalist’, kader was gericht op een tot zwijgen brengen van imperialistische agressie en waarschuwde voor overdreven nadruk op de versterking van de militaire macht ten koste van toepassingen in de civiele sector. Of zoals de Russische minister van Handel Anastas Mikoyan het uitdrukte: gebruikmaken van de voordelen van de achterstand ten opzichte van het Westen door imitatie van de successen en vermijding van de fouten in het Westen. [25]
McDougall concludeert dat de Sovjet-Unie in haar geschiedenis tussen deze twee stromingen gelaveerd heeft, afhankelijk van het gevoel van de communistische partij over het actuele internationale politieke klimaat, de interne veiligheid en de lessen uit de geschiedenis. Voorop stond echter dat de kennis van de technologie zo snel mogelijk moest verbeteren maar dat mocht niet ten koste gaan van politieke veiligheid van het communistische regime. Het was alleen maar een kwestie van tijd of deze laatste voorwaarde forceerde een confrontatie met de technische intelligentsia.[26]
De periode 1922–1928 was voor de sovjetwetenschap gunstig, ‘Golden Years’, aldus McDougall[27], omdat de Sovjet-Unie toen open stond voor buitenlandse invloed en voor informatie door wetenschappelijke beroepsorganisaties. De luchtvaart was nog in handen van specialisten, waarvan de carrière vóór de Eerste Wereldoorlog was begonnen. De politieke druk was nog matig, in vergelijking met die in latere jaren, meer indirect. Dat veranderde toen Stalin, na Lenin’s dood in april 1924, aan de macht kwam en politieke managers, minder geschoold maar wel loyaal aan Stalin, aangesteld werden, die de ‘oude’ meer apolitieke specialisten vervingen. Ondanks de in de twintiger jaren gesloten verdragen met westelijke landen over vergaande samenwerking op de terreinen van lucht- en ruimtevaart en rakettechnologie koos Stalin in 1927 voor het isolement van de USSR en zoveel mogelijk voor autarkie. Het volgende jaar lanceerde hij in het eerste Vijfjaren Plan, dat op 10 oktober 1928 inging en voornamelijk op een allesomvattende industrialisatie gericht was. Dit plan schreef een zeer hoog niveau van investeringen voor (30% van het nationale inkomen) en beloofde de bevolking tegelijk een verhoging van haar bestedingen met 75%. Deze krachttoer werd uitvoerbaar geacht op drie voorwaarden: dat de landbouwproductie steeg en de oogst in alle vijf planjaren goed was, dat de arbeidsproductiviteit in de industrie aanmerkelijk steeg en dat door vergroting van de export van landbouwproducten de import van investeringsgoederen sterk kon worden opgevoerd. Geen van de drie voorwaarden werd vervuld. De landbouw geraakte door de collectivisatie geheel in het ongerede, de productiviteit van de nieuwe fabrieksarbeiders viel bitter tegen en door de wereldcrisis, die aan het begin van Stalin’s industrialisatiecampagne uitbrak, daalde de prijs van landbouwgoederen veel sneller dan die van investeringsgoederen. Ook zonder tegenslagen zou het plan overigens niet uitvoerbaar zijn geweest. Maar in 1929 was er geen plaats voor twijfel en kritiek. De economische experts van Gosplan (Staatsplancommissie) die, zoals Bazarov, chaos en verspilling voorspelden moesten het veld ruimen en eindigden in de gevangenis. Het woord was aan de propagandisten.[28]
Bezemer concludeert dat het eerste vijfjarenplan niet veel meer dan propagandistische waarde heeft gehad. De volgende vijfjarenplannen waren realistischer van opzet. Grondbeginsel van de economische politiek was de volstrekte prioriteit van de zware industrie geworden. [29] Begin maart 1930 was zestig procent van de landbouwbedrijven gecollectiviseerd en in 1935 kon dit proces als voltooid worden beschouwd, maar dat kon alleen met dwang, in de extreme vorm van terreur.[30]
Een voorbode van de Grote Terreur, die eind 1934 begon en eind 1938 grotendeels eindigde. In 1929 startte het sovjetbewind zijn intensieve bemoeienis met de wetenschappen in het kader van zijn eis, zoals Bezemer het noemt, tot ‘gelijkschakeling der geesten’,[31] maar hij concludeert toch dat die intensieve bemoeienis van de sovjetoverheid met de wetenschap op het terrein van de natuurwetenschappen slechts beperkte schade heeft aangericht. ‘De meeste geleerden konden min of meer ongestoord hun werk blijven doen… Voor de geesteswetenschappen zijn de gevolgen van de inmenging van het sovjetbewind rampzalig geweest.’[32] McDougall is het eens met Bezemer dat het eerste vijfjarenplan prioriteit verleende aan de (zware) industrie, maar oordeelt dat dezelfde politieke ideologie die de techniek verheerlijkt, barrières oprichtte tegen vernieuwingen. In plaats van de creativiteit van het volk vrij te laten, onderwierp het regime de technici en wetenschappers aan een patronage monopolie dat beperkender was dan dat onder de tsaren had bestaan.
‘The result of indigenous R & D [Research & Development] never fulfilled the promise …except on one sector. That sector was defense.[33]
Met grote buitenlandse steun werd in de jaren 1930 een gigantische staal, automobiel-, banden- en vliegtuigindustrie opgebouwd. In de door de Duitsers begonnen Blitzkrieg, vanaf de zomer van 1941, was het Russische leger, qua aantal manschappen en hoeveelheid en kwaliteit van het materieel in het begin zeker niet minder dan dat van de Duitsers. Maar toch in die Blitzkrieg brachten de Duitsers het Rode Leger zware klappen toe, veroverden zij grote delen van Europees Rusland en bezorgden de Russische strijdkrachten een imago van primitiviteit, dat pas werd opgeheven met de lancering van de Spoetnik in oktober 1957, aldus McDougall. [34] Hij vindt het echter belangrijk om de vooroorlogse sovjetresearch en development (R&D) te onderzoeken, om de snelle ontwikkeling van de luchtvaart en rakettechnologie in de Sovjet-Unie na 1945 niet zo mysterieus te laten schijnen. De militaire research in de Sovjet-Unie (SU) leed onder de Grote Terreur maar ook aan dezelfde handicaps als de civiele sector: een tekort aan basisgrondstoffen als aluminium, tin en koper, veel bureaucratie en een excessieve geheimhouding. Importeerde de SU in de jaren twintig nog BMW-, Napier- en Fiat-vliegtuigmotoren en vlogen er westerse Vickers en DeHavilland vliegtuigen, door het vijfjarenplan vanaf 1928 werd de nadruk gelegd op binnenlandse productie. De productiecijfers spreken voor zich. In 1939 bouwde de SU 700 tot 800 vliegtuigen per maand, meer dan in Japan en gelijk aan de aantallen in Groot-Brittannië, Duitsland en de Verenigde Staten van Amerika.
De militaire R&D profiteerde van de stemming onder de politieke leiders. Naar verluidt liet Stalin zich dagelijks op de hoogte houden van de ontwikkeling van de luchtvaart, kende hij veel mensen op leidinggevende posities op het terrein van de defensie en kwam hij tussenbeide bij geschillen.[35] De sterke positie van de afnemer, het militaire apparaat, bevrijdde de wapenontwerpers van productiequota en zij konden daardoor een zwaarder accent op de kwaliteit leggen.
Midden jaren dertig was de sovjetluchtvaart klaar voor expansie. De Russische militaire vliegtuigen bleken het in de Spaanse burgeroorlog in het begin op te kunnen nemen tegen de Duitse Messerschmidts. Ook in de civiele luchtvaart boekte de Sovjet-Unie successen. Telkens konden de Russische piloten melding maken van records voor de snelste, hoogste en langste vlucht, de eerste vlucht over de Noordpool naar Amerika en de eerste landing op de Noordpool, waarvoor Stalin alle eer krijg. [36] In 1933 had Stalin al een jaarlijkse luchtvaartdag (18 augustus) ingesteld.
McDougall meent vervolgens dat de aandacht voor en de nadruk op de luchtvaart bedoeld was om de aandacht van de toenemende terreur af te leiden. Daarbij speelden de media een belangrijke rol, door hun gehoor te overvoeren met heldenverhalen en beschrijving van de achtergronden van de piloten, waarbij zij expliciet hun daden vergeleken met die van verraders in de jaren twintig en begin jaren dertig. [37] Het gaat, denk ik, te ver om in dit kader het gehele proces van de Grote Terreur te beschrijven, maar daar de Russische ontwerpers en technici op de terreinen van lucht-, ruimtevaart- en rakettechnologie deze terreur niet konden ontlopen, verdient deze tragische ontwikkeling toch aandacht. Begin maart 1937 ontvouwde Stalin op een voltallige zitting van het Centrale Comité zijn geliefkoosde mening dat, naarmate de opbouw van het socialisme vorderde, de verbittering van de verslagen klassenvijand steeg en het verzet in hevigheid toenam. Die klassenvijand kon allerlei vormen aannemen, ook die van ijverig bouwer van het socialisme. Zelfs wie grote verdiensten had voor de bouw van het socialisme kon heel goed een vijand, een saboteur en een verrader zijn. Daarmee was de ganse sovjetelite verdacht tot het trouwste partijlid. Van de tweeduizend afgevaardigden naar het zeventiende partijcongres in 1934 werd meer dan de helft gearresteerd en in hun val sleepten zij familieleden, vrienden en ondergeschikten mee. Honderdduizenden van deze ‘vijanden des volks’ werden geëxecuteerd, de overigen, die aan executie ontsnapten, verdwenen meest in een van de concentratiekampen, die in afgelegen streken met een bar klimaat waren ingericht: in het stroomgebied van de Petsjora in Noord-Rusland, in dat van Kolyama in Noordoost-Siberië en in de dorre steppen van Kazachstan. De voeding in deze kampen was zo slecht en de arbeid die van de gevangenen werd geëist was zo zwaar, dat velen hun straftijd niet hebben overleefd. Stalin’s concentratiekampen hadden veel weg van vernietigings-kampen. Al met al heeft de Grote Terreur in de jaren 1934-1938 in de Sovjet-Unie miljoenen slachtoffers geëist. [38]
Ook McDougall besteedt aandacht aan de Grote Terreur en speciaal aan de gevolgen daarvan voor de Russische ontwerpers en deskundigen, die zich bezig hielden met lucht- en ruimtevaart en rakettechnologie. Toen in de Spaanse burgeroorlog het Duitse Messerschmidt Me-109V gevechtsvliegtuig, in de 2e Wereldoorlog een geducht wapen, de in de meerderheid zijnde Russische vliegtuigen I-15 en I-16 nederlagen toebracht zocht Stalin zondebokken, wat tot de arrestatie leidde van o.a. de belangrijkste vliegtuigontwerpers A.N. Toepolev, V.M. Petliakov en V.A. Chizhevsky, van de onderminister van defensie maarschalk Toekhachevsky, van de commandant van de luchtmacht en van veel leden van de Generale Staf.[39] Een zelfde lot, dat van arrestatie en een verblijf in werkkamp onderging de leider van RNII, het instituut dat belast was met wetenschappelijke onderzoek naar straalmotoren, Sergei P. Korolev. Hij was zijn carrière begonnen als officier in het Rode Leger en testpiloot, wat hij ook nog bleef nadat hij zich met onderzoek en ontwerpen ging bezighouden Zijn ideaal was niet de rakettechnologie, maar de ruimtevaart. In 1934 werd zijn boek over raketten in de stratosfeer door het sovjetministerie van Defensie gepubliceerd en hij werd toen door Toekhachevsky benoemd tot onderdirecteur van het RNII.
Hoewel Korolev vóór de 2e Wereldoorlog niet de kans gehad heeft grote prototypes van raketten te bouwen kwam hij in zijn theoretische werk en laboratoriumproeven tot doorbraken op het gebied van de voortstuwing, ontsteking en verbranding, waarbij een pomp vloeibare zuurstof door de verbrandingskamer stuwde.[40] Korolev diende echter samen met Valentin P. Glushko, de voornaamste ontwerper van raketmotoren met vloeibare brandstof en leider van het GDL (Gas Dynamic Laboratory in Leningrad) en met de teams waaraan zij leiding gaven, wapens te produceren [41].
McDougall meent dat veel van de, nog te bespreken, Duitse V-raketwapens afkomstig was van de tekentafels in de jaren dertig van de vorige eeuw van het GDL. De tweeslachtigheid binnen het GDL en het RNII, de idealen van ruimtevaart- en raketontwikkeling van de beide leiders versus de opdracht tot het ontwerpen van wapens, leidde tot mislukkingen als vliegende bommen, ‘rocket gliders’ en raketvliegtuigen. Toch legde het werk van de twee instituten voor vliegtuigen met raketmotoren de basis voor sovjetvliegtuigen met straalmotoren waarvan de ontwerpen bij het begin van de oorlog in 1941 al gereed waren.
By 1939 it [RNII] launched the world’s first twostage rocket with a ramjet engine that reached 500 miles per hour. The RNII also tested air-to-surface, surface-to-air and surface-to -surface missiles, the latter to a range of almost thirteen miles.[42]
Korolev’s promoties in de jaren dertig waren des te opmerkelijker, daar de naam van zijn beschermer maarschalk Toekhachevsky na 1937 een synoniem voor ‘dood’ werd en toen de Grote Terreur ook de lagere rangen van diens rijk bereikte, het gehele RNII verdacht werd. Maar ook Korolev kon de dans uiteindelijk niet ontspringen. Toen hij in 1938 opnieuw werd aangesteld bij het bureau van de ontwerper Tupelov moest Korolev deze in gevangenschap volgen.[43] Vaderlandsliefde was de voornaamste drijfveer voor de gevangenen om met hun werk in de kampen door te gaan en daarnaast, speciaal na de Duitse inval in Rusland in juni 1941, de overleving van het vaderland. Sommige experts werden vrijgelaten als zij successen behaald hadden. Ironisch genoeg was de bewaking door de Staatspolitie van de werkkampen van dien aard dat er meer mensen en materiaal beschikbaar waren dan vóór die tijd tijdens de terreur.[44] Hoe lang zouden deze gevangenen loyaal blijven en vergeten dat er ook een ander leven mogelijk was? Op de korte termijn, in de periode van terreur en oorlog met veel risico’s, had Stalin de beste van beide werelden: wetenschappelijke productiviteit en politieke veiligheid. In het werkkamp van Tupolev werkte men voor de militaire luchtvaart, speciaal vliegtuigen voor grote hoogten en duikbommenwerpers. Ook werden er nieuwe wapens ontworpen zoals tanks, wapens voor de artillerie maar ook locomotieven. Een nieuw en zeer effectief wapen bleek de ‘Katyusha’ die van een mobiele lanceerinstallatie, het ‘Stalin Orgel’, afgevuurd kon worden. Dit wapen werd daar door George Langemak ontworpen. Hiermee kon van een vrachtauto een serie raketten gelanceerd worden die tot op vijf kilometer tanks en ander materieel in het slagveld vernietigen.
Wat was de invloed van de Grote Terreur op de technologische ontwikkeling in de Sovjet-Unie? McDougall meent, evenals Bezemer, dat zuiver op basis van de aantallen wetenschappers de terreur weinig invloed heeft gehad, waarbij hij erkent dat het natuurlijk onmogelijk is de mogelijke prestaties van de weinige deskundigen, die wel zijn omgekomen tijdens de Grote Terreur, te meten. Hij bekritiseert de Russische overloper en raketdeskundige Grigory A.Tokady, die het in de jaren zestig nodig vond te verkondigen dat de Sovjet-Unie niet voorop liep in de ontwikkeling van de ruimtevaart, maar daarin zelfs achterbleef als gevolg van de oorlog en niet van de terreur.[45]
De condities in deze kampen waren zo slecht dat elk jaar tien procent van de bevolking stierf door tuberculose, ondervoeding en executies. Ook Korolev leed onder deze omstandigheden, hij verloor al zijn tanden en liep er een hartkwaal op, die mogelijk de oorzaak was van zijn vroege dood, toen hij 59 jaar was. Na zijn vrijlating in juli 1944 werd hij door Stalin gerehabiliteerd.[46] Paul Dickson vermeldt nog dat Korolev’s identiteit in de Sovjet-Unie geheim gehouden werd, omdat de Russen vreesden dat Korolev mogelijk gevaar liep door de CIA vermoord te worden. Ook bij de CIA was pas één jaar voor zijn dood in 1966 Korolev’s naam bekend.[47]
Korolev was lid van het team, dat na de capitulatie door de Duitsers in mei 1945 naar Duitsland werd gezonden om te trachten zoveel mogelijk over de V2 te weten te komen en zo mogelijk mensen bekend met de V2 en materiaal van deze raketten naar Rusland te halen. De Amerikanen waren de Russen daarin voorgegaan en het was de Amerikanen gelukt belangrijke raketdeskundigen en -ontwerpers naar de USA over te brengen maar ook honderd complete V2 raketten en de daarbij behorende onderdelen. Vanuit Antwerpen werden vanaf eind mei 1945 de raketten met zestien Liberty vrachtschepen overgebracht naar New Orleans. Eén van de leiders van het zogenaamde Peenemünde-raketteam was Wernher von Braun. De Russen visten qua deskundigen eigenlijk achter het net, daar zij er slechts in slaagden Helmut Gröttrup en verder alleen lager gekwalificeerde Duitse raketdeskundigen voor de Russen te laten werken in het latere Oost-Duitsland of in Rusland. Helmut Gröttrup, een collega van Von Braun, werd door de Russen belast met de leiding van het ‘Institut für Raketenbetrieb Bleicherode’ tot oktober 1946. Toen werden 6.000 Duitse technici, waaronder 200 raketdeskundigen onder Gröttrup’s leiding, met hun gezinnen naar Rusland overgebracht waar zij zeven jaar moesten blijven.[48] Voor hun vertrek uit Bleicherode rolden er al V2’s van de productiebanden om beproefd worden. McDougall haalt Tokady aan. Deze vraagt zich in zijn boek Foundations of Soviet Cosmonautics af welke indruk Peenemünde, de basis waar de Duitse raketten V1 en V2 gebouwd werden, op de Russen maakte. Hij is er van overtuigd dat de Russen toen voorop liepen ten opzichte van de Duitsers voor wat betreft originele ideeën en de rakettheorie, maar dat de Russen het aflegden op het gebied van praktische rakettenbouw zoals de V2 en bovendien dat de Russische raketdeskundigen minstens zo bekwaam waren als elders.[49]
Mede op grond van Tokady’s conclusies komt McDougall tot de slotsom dat, hoewel de 2e Wereldoorlog de Sovjet-Unie miljoenen slachtoffers kostte en zware materiële schade heeft toegebracht, de aanzetten vóór 1941 in de ruimtevaart en raketontwikkeling in de SU al zo gunstig waren dat deze ontwikkelingen ook na 1945 voortgezet konden worden. Hij sluit het hoofdstuk ‘The Human Seed and Social Soil: Rocketry and Revolution’ in het deel Genesis of the Sputnik in zijn boek met de constatering dat de loop van WO II, waarbij Rusland de Duitse invasietroepen vernietigde, de technocratische Sovjet-Unie redde, mede door de Duitse kennis waarvan de Sovjetwetenschappers profiteerden en waarbij de Sovjetwetenschap internationale aandacht voor de lange afstandsraketten op gang bracht, maar ook de ruimtevaartplannen in de Sovjet-Unie geheel op schema bracht. [50]
1-C. De basis van de Russische en Amerikaanse raketten: de Duitse V1- en vooral de V2 raket
Ook bij de uitwerking van dit hoofdstuk heb ik gebruik gemaakt van History of Rocketry & Space Travel geschreven door Wernher von Braun cs.
Als uitvloeisel van het vredesverdrag van Versailles, na afloop van de 1e Wereldoorlog in 1919 gesloten tussen de geallieerden en Rusland enerzijds en Duitsland en zijn companen anderzijds, mocht Duitsland conventionele artilleriewapens ontwikkelen noch fabriceren. Daar de Duitse overheid toch een sterke defensiecapaciteit wilde, besloot zij in 1929 de aandacht te verleggen naar de raketten als vervanging voor de zware artillerie. Kolonel (later artilleriegeneraal) Dr. Karl Becker, hoofd van het bureau niet-geleide projectielen en munitie van het leger, majoor Wolfram Ritter von Horstig, zijn munitiedeskundige en een jonge kapitein (later generaal-majoor) Dr. Walter Dornberger werden met die raketontwikkeling belast en in 1932 trokken zij de pas twintigjarige nog aan zijn proefschrift werkende Wernher von Braun aan (in 1934 promoveerde Von Braun aan de Friedrich-Wilhelm Universiteit in Berlijn).
Het ‘Heereswaffenamt-Prüfwesen’,[51] startte onder leiding van deze drie officieren in 1932 zijn werk in Kummersdorf, 60 kilometer ten zuiden van Berlijn. Er werd gewerkt aan de ontwikkeling en proeven op de grond, of te wel statische proeven, van raketten. De eerste raket was de A-1 met als brandstof een mengsel van alcohol en vloeibare zuurstof en een stuwkracht van 300 kilo. Na enkele geslaagde statische proeven ontplofte de A-1 bij de eerste lancering als gevolg van een verlate ontbranding. De twee delen van de brandstof werden in afzonderlijke tanks opgeslagen. Van de verbeterde versie, de A-2, (van Aggregat, samenvoeging) werden in december 1934 van het Duitse eiland Borkum twee exemplaren genaamd Max en Moritz, naar figuren in een humoristisch boek, met veel succes gelanceerd. Zij bereikten een hoogte van ongeveer 2 kilometer. Dit succes legde de basis voor een versterking van de staf en de toewijzing van extra geld door de overheid (6 miljoen Rijksmark).[52] In de jaren daarna lag het accent op het ontwikkelen van steeds sterkere motoren. Omdat de locatie in Kummersdorf zowel voor de organisatie als voor de lancering van raketten te klein werd en te dicht bij Berlijn lag, werd er in april 1937 verhuisd naar een compleet nieuwe basis in Peenemünde aan de Duitse Oostzeekust, 180 kilometer ten noorden van Berlijn en niet ver van het stadje Wolgast. Deze plaats werd gekozen om van daaruit raketten met een bereik van ruim 300 kilometer te lanceren en deze tijdens de vlucht langs de kust van de Oostzee te kunnen volgen.[53] De eerste opdracht aan de ‘Heeresversuchsstelle Peenemünde’, waarvan Wernher von Braun technisch directeur werd, was de ontwikkeling van een door vloeibare brandstof aangedreven raket die een grote capaciteit en groeimogelijkheden diende te hebben. Daarnaast moest de proeflancering van een nieuwe raket, de A-3, boven de Oostzee voorbereid worden. De drie proeflanceringen in de herfst van 1937, mislukten alle. Het geheel nieuwe complexe besturingssysteem van de A-3, ruim zes meter lang, 800 kilo zwaar en met een stuwkracht van 1500 kilo, was hiervan de oorzaak. De problemen met dat besturingssysteem werden opgelost en ondertussen werd er gewerkt aan grotere raketten, voorlopig alleen nog maar op de tekentafels.
In 1938, het jaar van de invasie van Duitse troepen in Oostenrijk en de inname door Duitsland van Sudetenland in Tsjecho-Slowakije (gevolgd door de overgave van Tsjecho-Slowakije in 1939), verlangde de afdeling bewapening van het leger dat de deskundigen in Peenemünde hun waarde dienden aan te tonen door wapens voor de praktijk te ontwikkelen. Er werd een raket verlangd met een bereik van twee tot driehonderd kilometer en met een lading van 500 kilo. Bovendien diende de raket betrouwbaar te zijn en per trein, over het bestaande net, of per vrachtauto vervoerd te kunnen worden.[54] De raket die aan deze eisen voldeed was de A-4, later omgedoopt in V2, Vergeltungswaffe, de naam die de werkelijke betekenis goed weergaf. Als tussenfase werd de A-5 ontwikkeld, qua grootte veel kleiner dan de nog te bouwen A-4, met het voortstuwingssysteem van de A-3, maar met een grotendeels verbeterde structuur en een verbeterd maar eenvoudig besturings- en controle systeem. Na enkele proeflanceringen in 1938, nog zonder besturingssysteem, slaagde de eerste verticale vlucht van deze A-5, met het nieuwe besturingssysteem, in de zomer van 1939 wonderwel. Von Braun is over deze lancering erg enthousiast, waarbij een hoogte van 12 kilometer werd bereikt. Na weken wachten op goed weer was het dan zover en werd besloten om de eerste bestuurde A-5 raket te lanceren vanaf het eiland Greiswalder Oie, nabij Peenemünde.
‘… The slim missile rose steadily… and, without the slightest oscillation [slingering,schommeling;pb] disappeared in the clouds… Some five minutes later, the island resounded from cries of joy, for the missile reappeared, suspended by its parachute, and slowly sank into the Baltic….[55]
De raket werd snel uit het water gehaald en kon direct weer gelanceerd worden omdat die afgezien van het zeewater geen enkele schade had opgelopen. Ook volgende proefnemingen slaagden. Sommige raketten werden verticaal gelanceerd, andere met een kleinere hoek om zo het gewenste operationele traject van de nog te bouwen veel grotere A-4 te simuleren. Meerdere landden per parachute en konden zo weer opnieuw gebruikt worden. De belangrijkste stimulans voor de Duitse rakettechnologie was de ontwikkeling van de ‘Vergeltunsgwaffen’ V1 en V2. De V1, de meer conventionele van de twee wapens, was een projectiel met vleugels, met een snelheid van ‘maar’ 550 kilometer en een stuwkracht van 500 kilo. In tegenstelling tot de V2, de vroegere A-4, die ontworpen en geproduceerd werd door het leger, was het ‘Reichsluftfahrtministerium’ voor de ontwikkeling en productie van de V1 verantwoordelijk. De V1 woog 2200 kilo, inclusief haar 1000 kilo wegende lading van Amatol, een mengsel van trinitrotoluol en ammoniaknitraat, was een kleine negen meter lang en had een diameter van 80 centimeter.[56] De eerste proeflancering van de V1, vond plaats vanaf de basis Peenemünde in december 1941. In die jaren werd ook de geavanceerde V2 ontwikkeld, die met veel meer stuwkracht dan de V1 werd gelanceerd en ook bedoeld was om over het Kanaal naar Engeland afgevuurd te worden. In 1943 besloot Hitler dat de productie van beide wapens, die bedoeld waren voor een luchtoffensief tegen Engeland, de hoogste prioriteit kreeg in de Duitse oorlogsinspanning. De Engelsen waren ondertussen gealarmeerd genoeg, zonder exact te weten wat er in Peenemünde geproduceerd en beproefd werd, om die basis op 17 augustus 1943 zwaar te bombarderen, waarbij ongeveer 800 mensen gedood werden, waarvan de helft Russische krijgsgevangenen en waaronder Dr. Walther Thiel, die met de ontwikkeling van de V2 belast was. Toch bracht dit bombardement geen ernstige vertraging toe aan de proeven en productie binnen de V1- en V2- programma’s.[57]
In juni 1944, toen de invasie door de geallieerden in Frankrijk plaatsvond, waren er voldoende V1’s geproduceerd om de aanval op het zuiden van Engeland te starten. Meer dan 8.000 ‘buzz bombs’ zoals de Engelsen ze noemden, werden alleen al naar Londen gelanceerd Ook nog duizenden naar andere, door de geallieerden bezette, doelen op het Europese vasteland werden er afgevuurd. Alhoewel de V1’s het uiterste van de zenuwen van de inwoners van Londen vergden, zij moesten immers altijd alert zijn op het geluid van het uitvallen van de raketmotor ten teken dat de raket ging vallen, was de V1 als wapen een mislukking. Omdat de V1 relatief langzaam was kon zij door gevechtsvliegtuigen neergeschoten worden voordat het projectiel de stedelijke gebieden kon bereiken. Bovendien waren ze niet betrouwbaar. Van de 5000 op Antwerpen, toen al bevrijd door de geallieerden, afgevuurde raketten ontploften er maar 211 boven de stad Een kwart van de raketten afgevuurd op Engeland
‘failed because of their inherent unreliability. About half were destroyed by counter-measures –barrage balloons, airplanes, and antiaircraft fire. About a quarter reached the target, and some of those did not explode.’[58]
Na de succesvolle proeven met de A-5 werd vanaf 1939 op de basis Peenemünde de ontwikkeling van de A-4, die ik voortaan V2 noem, gestart. Zonder twijfel was de V2 toentertijd het grootste en meest geavanceerde projectiel. In de loop van 1942 kwamen de eerste proefmodellen van de V2 uit de werkplaatsen op de Peenemünde basis en de eerste lancering op 13 juni 1942 was een mislukking, omdat het brandstofsysteem faalde. De tweede lancering op 16 augustus 1942 slaagde gedeeltelijk, omdat het toen voor de eerste keer lukte met een geleid projectiel de geluidssnelheid te overschrijden. De derde lancering op 3 oktober 1942 was een compleet succes. De motor van de V2 brandde één minuut, voldoende om het geleide projectiel een afstand van ongeveer 200 kilometer te laten afleggen en een hoogte van 80 kilometer te laten bereiken.
De V2 was bijna 14 meter lang, had een diameter van ruim 1,6 meter, woog ruim 12 ton, met een lading van 1000 kilo, gelijk aan die van de V1. V2 kon door haar topsnelheid van ruim 5500 kilometer per uur binnen vijf minuten de ruim 300 kilometer tussen b.v. het westen van Nederland en Londen overbruggen. Hoewel de technici een lancering vanaf de grond prefereerden werd deze wijze afgewezen, daar de militairen verwachtten dat dan de lanceerinstallatie een te eenvoudig doelwit zou zijn voor luchtaanvallen door de geallieerden. Lancering vanaf treinen en vrachtauto’s was ook niet eenvoudig. Voor lancering vanaf een vrachtauto waren dertig voertuigen nodig, waaronder die met vloeistof en het duurde zes uur voordat de installatie voor een lancering gereed was.
Nadat de productie van de V2 in Peenemünde was begonnen werd deze na het bombardement daar in augustus 1943 verplaatst naar Mittelwerk, een ondergronds wapendepot bij Nordhausen in het Harzgebergte in Neder-Saksen. Stuhlinger en Ordway[59] vermelden, in antwoord op beschuldigingen dat de V2 bedoeld was als wapen tegen Londen, dat
‘… von Braun declared emphatically: “There is not a shred of truth in any statement that the A-4 (or V2 as it was called later) was originally conceived as a weapon with which to devastate London.” ’[60],
waarmee Von Braun, denk ik, weinigen overtuigde. De eerste twee V2’s werden op 8 september 1944 afgevuurd op Parijs maar deze lancering mislukte. Twee dagen later werden de projectielen vanaf de mobiele installatie bij Den Haag op het zuiden van Engeland afgeschoten en daarna in een tempo van twee per dag. Als alles ‘goed’ ging, eufemistisch uitgedrukt, was er als gevolg van de hoge snelheid, geen verdediging tegen dit wapen mogelijk. De Engelsen probeerden in februari 1945 die lanceerplaats te vernietigen maar bombardeerden abusievelijk als gevolg van navigatiefouten van hun vliegtuigbemanningen een woonwijk in het Haagse Bezuidenhout, een vergissing die honderden levens kostte en veel materiele schade veroorzaakte. Maar gelukkig voor de bewoners in de bevrijde gebieden en in Engeland ging er veel mis. Het besturingssysteem faalde vaak waardoor de V2 zijn doel miste en deze kon exploderen op zijn reis naar de atmosfeer of bij zijn terugkeer op aarde. Als het doel al bereikt werd bleek de V2 vaak een blindganger. Maar toch eisten zij hun tol. Meer dan 5.000 werden er gebouwd, waarvan er 600 gebruikt werden voor training en proeven en de rest werd voor een groot deel afgeschoten op geallieerde doelen. De 1.500 projectielen die het zuiden van Engeland bereikten veroorzaakten meer dan 2.500 doden en grote materiële schade. Het V2 offensief stopte na zeven maanden op 27 maart 1945. De Duitsers konden toen niet meer de ondersteuning voor het wapen leveren, het wapen, waarvan de Nazi’s veel verwachtten maar dat de uitkomst van de oorlog niet kon beïnvloeden noch het einde kon uitstellen.[61]
Paul Dickson vermeldt dat de V1’s en V2’s samen 8.938 mensen doodden, 25.000 mensen verwondden en meer dan één miljoen woningen vernietigden of beschadigden, waarmee hij Von Braun ’s visie dat deze wapens maar in geringe mate een militair succes waren (zie noot 61), in een schril daglicht stelt.[62] Dickson ontleent deze cijfers aan The Rocket and The Reich: Peenemünde and the Coming of the Ballistic Missile Era van de hand van Michael J. Neufeld (New York, Free Press, 1995) en Tom D. Crouch’s boek Aiming for the Stars: The Dreamers and Doers of the Space Age (Washington D.C., Smithsonian Institute Press, 1999).
Hoewel de productie van de V2’s in Mittelwerk plaatsvond, was de basis Peenemünde na het bombardement in augustus 1943 nog voor een belangrijk deel in gebruik. Von Braun en zijn mensen werkten daar aan de verdere ontwikkeling van de V2 en andere ontwerpen voor kleinere raketten. Toen in de loop van januari 1945 duidelijk werd dat voor het Derde Rijk een volledige ineenstorting nabij was overlegde Von Braun in het geheim met zijn collega’s of zij zich zouden overgeven aan de Russen of dat zij naar het zuiden zouden trekken om zich daar aan de Amerikaanse troepen over te geven. Praktisch unaniem werd voor de laatste oplossing gekozen, omdat men hoopte van de Amerikanen nog kansen te krijgen zich met de toekomstige raket- en ruimtevaartontwikkelingen bezig te houden. Von Braun, majoor van de SS, kreeg een klein dozijn ongecoördineerde orders van ministeries in Berlijn, van plaatselijke leger- en vlootcommandanten, van de SS en van bazen van de Nazipartij, hoe hij en zijn team zich dienden te gedragen. De orders spraken elkaar tegen. Volgens sommige orders dienden zij in Peenemünde te blijven “to defend the holy ground of Pomerania”, volgens andere dienden zij de basis te evacueren om zo
“to continue top priority research and development work at a safer location until ultimate victory was assured.”.[63]
De order van SS-generaal Kammler, hoofd van o.a. de Peenemünde basis, om naar Bleichenrode, ook in het Harsgebergte nabij Mittelwerk gelegen, te vertrekken, kwam het beste overeen met de wens van Von Braun en zijn team om zich zo mogelijk aan de Amerikanen over te geven omdat, aldus Ernst Stuhlinger, toentertijd al lid van het Peenemünde-rakettenteam, en Frederick I. Ordway III in Wernher von Braun Crusader for Space: ‘Although it was not until after Stalin’s dead that the appalling conditions in his nation were fully revealed to the world … von Braun and his team-mates knew enough in 1945 to cause them to avoid at all cost being captured by advancing Soviet troops.’[64]
Paul Dickson vermeldt als motieven om zich niet aan de Britten noch aan de Fransen over te geven dat de eersten als gevolg van de zware oorlogsschade onvoldoende geld beschikbaar zouden stellen om een raketprogramma op te zetten, laat staan dat dit door de V2-ingenieurs gedaan zou worden. Tegen overgave aan de Fransen pleitte, dat zij de Duitse ingenieurs en wetenschappers mogelijk als slaven zouden behandelden, zoals de Duitsers deden met Franse verzetstrijders bij de bouw van de V2. Mogelijk zouden de Duitsers, aldus Dickson, als oorlogsmisdadigers worden behandeld, zodat overgave aan de Amerikanen overbleef.’[65]
Vanaf 17 februari 1945 vertrok de eerste trein en de eerste van 1.000 vrachtauto’s van Peenemünde naar het zuiden, met ongeveer 500 medewerkers en hun gezinnen, onderdelen, materieel, documenten en tekeningen. Von Braun trachtte in Bleichenrode een provisorische basis op te zetten, waarbij vooral de opslag van de documenten en tekeningen zijn voornaamste zorg was. Begin april 1945 kreeg Von Braun weer een nieuwe order van Kammler. Nu was Oberammergau in de Beierse Alpen de bestemming en op 5 april 1945 ging een detachement met zo’n vijfhonderd ex-Peenemünders per trein naar de nieuwe bestemming. Daar werden zij samen met SS-ers gehuisvest, waarbij het al snel duidelijk was dat de SS-ers de opdracht hadden nauw toezicht te houden op het rakettenteam. Stuhlinger en Ordway vermelden Von Braun’s vermoeden dat Kammler de teamleden gebruikte als zijn persoonlijke gijzelaars, waarmee hij zijn vrijheid zou kunnen kon kopen, als de geallieerden hem gevangen zouden nemen, maar ook: ‘Or; even worse, these SS people may destroy us and everything we have done in one last deadly blow.’[66]
Dat Von Braun’s vermoeden niet misplaatst was, bleek toen Albert Speer, de Duitse minister voor bewapening en bevoorrading in de nazi-tijd, in 1981 schreef dat de SS-generaal Kammler hem in maart of april 1945 op de hoogte bracht van het plan om Hitler af te zetten en dat Kammler van plan was contact op te nemen met de Amerikanen met voorstel om in ruil voor zijn vrijheid het complete rakettenteam aan hen uit te leveren: ‘For this purpose, Kammler continued, he will now concentrate all the experts of these developments in Upper Bavaria to have them ready for delivery to the Americans. He suggested that I may like to participate in this action….[67]
Generaal Dornberger en Von Braun konden de SS leiding in Oberammergau ervan te
overtuigen dat de concentratie van zoveel deskundigen op één plek een uitnodiging voor geallieerden zou zijn om die plek te bombarderen. Zij mochten, vergezeld van een aantal naaste medewerkers, naar Oberjoch, een klein dorp hoog in de bergen, waar zij nog wel op afstand bewaakt werden door SS-ers. Op 2 mei 1945 gaf deze groep zich in het nabijgelegen Schattwald over aan Amerikaanse soldaten. Zij werden naar Garmisch-Partenkirchen gebracht voor ondervraging door technische specialisten van de geallieerden, team 183 van het ‘Combined Intelligence Operations Subcommittee’(CIOS).
Tot dat team behoorde Dr. Richard W. Porter, directeur van General Electric Company, die was ingehuurd om zoveel en zo snel mogelijk informatie te verzamelen over de voortgang van de Duitse raketkennis. Het Amerikaanse leger wilde, onder de codenaam‘Project Hermes’, de ontwikkeling van langeafstandsraketten ten behoeve van onderzoek en militaire toepassingen tot stand brengen. Charles L. Stewart, lid van de ‘intelligence’-eenheid van het leger, vertelde aan Von Braun en Ordway over de omstandigheden tijdens en na het eerste contact met de Duitse raketdeskundigen. Hoewel geen van de Amerikaanse militairen een wetenschappelijke achtergrond had, realiseerden zij zich zeer goed het belang van het gevangen genomen Duitse team. Stewart en zijn collega’s waren ontzet toen het hoofdkwartier maar weinig interesse toonde. Hun instructies hielden in dat zij eerst de nazi-achtergrond van hun gevangenen moesten onderzoeken. Toen zij antwoordden dat die achtergrond toch ondergeschikt zou moeten zijn aan de unieke kennis van de Duitsers, die zo waardevol uit militair en nationaal oogpunt zou kunnen zijn, werd het team overgedragen aan militaire hogere regionen.[68]
Het CIOS vroeg Von Braun een rapport op te stellen over de resultaten, die de Duitse deskundigen bereikt hadden in de ontwikkeling van de Duitse raketten in de laatste twaalf jaar. In dit samenvattende rapport getiteld: ´Ubersicht über die bisherige Entwicklung der Flüssigkeitsrakete in Deutschland, und deren Zukunftsaussichten’[69] kwam Von Braun tot de conclusie dat de moderne precisieraket toen nog in haar kinderschoenen stond. Hij vergeleek de toestand van de raket met de eerste vliegtuigen die ook essentiële verbeteringen vereisten ten koste van enorme sommen geld alvorens de prestaties en de betrouwbaarheid van de moderne vliegtuigen bereikt werden. Zo maakte hij melding van het feit dat er niet minder dan 60.000 tekeningen nodig waren voordat de V2 getest en in productie genomen kon worden. Maar uit dit rapport bleek ook Von Braun’s vertrouwen in die moderne raket en de ruimtevaart meer in het algemeen. Hij zette zijn visie op de toekomstige ontwikkelingen uiteen met voorspellingen die in de ruim vijftig jaar daarna voor een groot deel uitkwamen. Als een volgende stap in de ontwikkeling van raketten, let wel in 1945, verwachtte hij raketten met een veel groter bereik maar ook raketten gericht tegen vliegtuigen, die radiografisch naar hun doelen gestuurd zouden kunnen worden, de raketten die later ‘missiles’ genoemd werden. Verder in de toekomst voorzag hij met een raket gelanceerde satellieten voor onderzoek van de aarde en astronomisch onderzoek, maar ook bemande vluchten en rondcirkelende ruimtestations met een permanente bezetting, zoals het IRS sinds de jaren negentig in de vorige eeuw.
‘In the long run, developments will provide opportunities to travel to the Moon and to the planets.’[70]
Op 20 juni 1945 gaf de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken Cordell Hull toestemming om een beperkt aantal Duitse raketdeskundigen naar de USA over te brengen onder toezicht van de ‘intelligence’-instanties van het leger. Von Braun stelde 500 man voor als noodzakelijke kern voor raketonderzoek en -ontwikkeling en het testen van raketten. Dr. Richard Porter, de directeur van GE, dacht dat er niet meer dan 300 toegelaten zouden worden en uiteindelijk accepteerde het leger 100 man. Kolonel Holger N. Toftoy, hoofd van ‘Army Ordnance Technical Intelligence in Europe’, die samen met Porter onderhandelde met Von Braun en enkele van zijn collega’s, liet uiteindelijk 127 man toe. Vanzelfsprekend waren het alleen vrijwilligers, die naar de USA werden overgebracht en zij werden later in 1946 en 1947 gevolgd door hun directe familieleden. Volgens Stuhlinger en Ordway was de overbrenging van de Duitse raketspecialisten in de herfst van 1945 naar de USA juridisch en politiek geen eenvoudige zaak. Waren zij immigranten en hadden zij een visum nodig? Of moesten ze beschouwd worden als vijanden van Amerika? Zouden zij sabotage kunnen plegen en daarom onder toezicht van de FBI gesteld moeten worden? Uiteindelijk nam het leger de volle verantwoordelijkheid voor de Duitsers op zich. Ze werden aangeduid als ‘resident aliens, immigrate without visa, but with knowledge of the President.’[71]
Operatie ‘Overcast’ zoals de overtocht van Duitsland naar de USA was genoemd werd omgedoopt tot ‘Operation Paperclip’ afgeleid van de enorme stapels dossiers die de Duitsers meebrachten. De Duitse deskundigen werden uiteindelijk overgebracht naar Fort Bliss in Texas, waar zij de volgende vijf jaren werkten en leefden. Een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van de raket zou geschreven worden. In 1962 haalde Von Braun herinneringen op aan Peenemünde: ‘ “From those humble beginnings” he said, “rocket engineering has advanced to be the threshold of space exploration…Peenemünde has become a legend…it gave life to an idea that far transcended its immediate application as a weapon of war….” ’ [72] waaruit bleek dat hij over de productie van de V1- en V2- raketten, die toch zoveel ellende teweeg gebracht hadden, naar mijn mening, wel erg eenvoudig heenstapte.
1-D. Hoe ontwikkelden de rakettechnologie en de ruimtevaart zich in de USA vóór de 2e Wereldoorlog?
De wegen van de raket- en ruimtevaarttechnologie in Europa en in Amerika liepen vanaf het midden van de jaren dertig van de 20e eeuw uiteen. Namen de Russen en Duitsers de raketdeskundigen in dienst voor militaire research, de Amerikaanse pioniers konden geen sponsors vinden. Leger noch marine toonde veel interesse. Die onverschilligheid deed in 1934 de ‘American Interplanetary Society’ (AIS) besluiten de naam te wijzigen in de ‘American Rocket Society’ (ARS) om met het schrappen van de term ‘interplanetary’ haar geloofwaardigheid te verbeteren.[73]
Na de raketproeven door Goddard in de jaren twintig ontwikkelden leden van de AIS, die in 1930 was opgericht en waarvan Goddard geen lid wilde zijn, de eerste raketten onder auspiciën van die vereniging. De ‘Rocket No.1’, nog geen meter lang en zeven kilo zwaar en met een stuwkracht van dertig kilo, werd op de grond, of ‘statisch’, beproefd op 12 november 1932 vanaf het terrein van een boerderij nabij Stockton in New Yersey, zo’n 150 kilometer van New York City. Omdat de eerste vlucht niet door kon gaan wegens slecht weer, werd de raket uit elkaar gehaald en de gebreken, die in de statische proef geconstateerd waren, verbeterd. Pas op 11 mei 1933 lukte de eerste vlucht van deze ‘Rocket No. 2’, waarbij nog maar een hoogte van 75 meter werd bereikt en een afstand van 120 meter overbrugd. In de volgende jaren bleef de vereniging actief met de ontwikkeling van de raketten 3, 4 en 5.
De les die uit deze proeven werd getrokken was dat water niet geschikt was om de verbrandingskamers van een raket te koelen en men zocht naar een vloeistof of het gebruik van lucht voor de koeling, ‘regenerative cooling’[74], van de verbrandingskamers. Pas in 1938 lukte James H. Wyld het een, zoals hij noemde,
‘self cooled tubular regenerative motor’ [te bouwen; pb]. ‘The fuel was circulated in a cooling jacket surrounding the combustion chamber and nozzle, not only keeping the motor cool, but preheating the fuel and thus improving its combustion character.’ [75]
De eerste testen van deze motor in december 1938, onder de hoede van de ARS, waren een succes. Ook onderdelen van het leger en de marine hielden zich vanaf midden jaren dertig op kleine schaal bezig met de ontwikkeling van raketten. Alle experimenten in de Verenigde Staten en in Europa waren gericht op door vloeistof aangedreven motoren, voornamelijk omdat deze grotere prestaties leverden dan die met vaste brandstof. Met de grote stuwkracht leken deze motoren zeer goed bruikbaar voor toepassingen in de ruimtevaart. Het nadeel van vloeibare brandstoffen was dat ze moeilijk te hanteren waren en er nog maar weinig over bekend was. Toch werd het gebruik van vaste brandstof niet verwaarloosd. Vanaf 1937 hield de ARS proeven met kleine raketten aangedreven door
motoren met vaste brandstof. Zo bereikte een raket van twintig kilo in september 1939 een hoogte van een kleine zeshonderd meter, wat ook het maximum was bij alle proeven.
Na de aanval op Pearl Harbor in december 1941 werden alle activiteiten door raketamateurs, veelal geïnitieerd door de universiteiten, stilgelegd maar de installaties bleven in stand om als trainingsplaatsen te dienen voor professionele raketdeskundigen. Eén instituut, de ‘Galcit [Guggenheim Aernonautical Laboratory of the Californian Institute of Technology] Rocket Research Group’ in Californië bleef actief. Al in 1936 was men daar begonnen met de studie van raketmotoren, zowel die met vaste als vloeibare brandstof. In 1938 waren de resultaten met een met variabele druk werkende verbrandingskamer zo positief dat het leger geïnteresseerd raakte. Vanaf 1 juli 1939 sponsorde het leger het ‘Jet Propulsion Research Project’ onder de leiding Theodore von Kármán van het ‘Galcit’ en in 1940 werd het project, genaamd JATO, door het leger overgenomen. In 1941 werd de Galcit-27 raket, met een motor die werkte op vaste brandstof, ontwikkeld. Ook werd geëxperimenteerd met motoren, die werkten op basis van ‘red fuming nitric acid’ (RFNA).
Het directe doel was de ontwikkeling van een motor met een stuwkracht van 500 kilo, die het prototype moest worden van een motor di