| De erkenning van Somaliland als een onafhankelijke staat. (Laura Jacobs) |
| home | lijst scripties | inhoud |
If you want to dismantle a hedge,
Remove one thornbush at a time.
Somalisch gezegde
Barasho horteed, ha i nicin –
Don’t hate me before you know me
Somalisch gezegde
Somaliland is een interessant geval in de geschiedenis van het ontstaan van staten. Het gebied maakt deel uit van Somalië. Sinds Somaliland zichzelf onafhankelijk verklaarde in 1991 werd zij nog door geen enkel land erkend. Terwijl er nog steeds geen sprake is van een centrale overheid in Somalië wordt de roep om erkenning steeds prangender. Men kan zich de vraag stellen of er nog hoop is op erkenning.
Dit werk zal onderzoeken of er reeds gronden zijn te vinden in de geschiedenis van het territorium Somaliland die een eigen identiteit aanmoedigden. Was de onafhankelijkheid reeds lang een doel of is men slechts geëvolueerd naar deze gedachte met het uitbreken van conflicten onder het regime van Siad Barre?
Verder zal beschouwd worden wat de formele kenmerken zijn om als staat in de internationale gemeenschap aanvaard te worden. Er wordt tevens nagegaan of deze kenmerken steeds strikt worden toegepast en of er uitzonderingen bestaan. De regels zullen dan bekeken worden in het kader van afscheuringsbewegingen en tenslotte specifiek op Somaliland worden toepgepast.
Dan zal worden nagegaan wat Somaliland als vooruitzichten heeft aan de hand van een aantal criteria die de internationale gemeenschap kunnen beïnvloeden in hun al dan niet erkenning. Er zal worden nagegaan of er inderdaad sprake is van een aparte identiteit onder de Somalische bevolking, hoe de territoriale situatie is en hoe de economische perspectieven zijn. Verder zal ook worden onderzocht hoe de politieke situatie is, daar de internationale gemeenschap bijzonder veel belang hecht aan het democratische aspect van een bestaand of toekomstig land. Tenslotte stellen we Somaliland in een internationaal licht, zowel inzake regionale houdingen als standpunten van de voormalige koloniale heersers en andere westerse landen.
Dit thema is zeer actueel daar Somaliland recent zijn lidmaatschapsaanvraag indiende bij de African Union in december 2005, en gezien de recente gebeurtenissen in Somalië die van invloed kunnen zijn op de houding van de internationale gemeenschap. Omwille van de actualiteit en bijgevolg het gebrek aan literatuur, zal vaak beroep gedaan worden op bronnen van het internet.
In een context van conflicten tussen verschillende gewapende clans ontstond in 1991 in het noorden van het vroegere Somalië de Republic of Somaliland. Haar wortels liggen in de verschillende vormen van kolonisatie die in praktijk werden gebracht in het voormalige Britse Somaliland in het noorden en in het Italiaanse Somalië in het zuiden. [1]
2.1 Koloniaal gebied
Somaliland vond haar ontstaan als politieke entiteit in de vestiging van het Britse protectoraat Somaliland in 1884.[2]
Bij de bezetting van het land hadden de Britten slechts één doel: controle verkrijgen over de strategische Strait of Bab Al Mandeb, en tegelijkertijd ook een leverancier vinden van goedkoop voedsel voor hun afgelegen troepen in Aden. Zij hadden daarbij weinig interesse in “hun” Somalië, zodat de mensen vrij waren om hun eigen gewoonten en traditionele nomadenrecht xir te blijven gebruiken.
Onder de Italianen in Somalië was de situatie echter verschillend. Nadat Italië vernederd werd door de arrogante behandeling van de “Grote Machten” in de tijd voor 1914, de rampzalige ineenstorting van het Italiaanse front in het Oostenrijks-Duitse offensief van oktober 1917 en de vredesverdragen van 1919-20, dienden de kolonies voor de wederopbouw van het lage zelfvertrouwen.
De behandeling van Somalië was brutaal: de kolonie diende zich te onderwerpen aan de wil van de overwinnaars en moest hun wetten, gewoonten en economische voorkeuren overnemen. Een kunstmatig Romeins recht werd opgelegd, nomadische sociale gewoonten (vooral hun manier van conflictresolutie) werden afgeschaft en de Somalische xir werd synoniem gemaakt aan rebellie. Militaire confrontaties tussen de Somalische rebellen en Italiaanse troepen duurden tot de late jaren 1920.
De Britten richtten zich ook niet op de promotie van een massale scholing, deze zou immers te onzeker zijn in een nomadische samenleving, maar organiseerden daarentegen slechts enkele scholen die een onderwijs van hoge kwaliteit aanboden. De beste leerlingen werden naar Britse universiteiten gestuurd. Vanaf 1940 leidde dit tot het ontstaan van een kleine hoogopgeleide elite. De Italianen introduceerden in het Zuiden wel een massale opleiding: deze was van een lage kwaliteit en creëerde een grote groep geproletariseerde en sterk nationalistische semi-intellectuelen.[3]
In augustus 1940 viel Brits Somaliland in de handen van de Italianen en werd het gebied voor een kort tijd geïncorporeerd in het Italiaans Oost-Afrikaanse Rijk. Slechts zeven maanden later was het protectoraat weer onder Britse controle, en dit bleef ongewijzigd tot het einde van wereldoorlog II toen het, net zoals de andere Somalische gebieden (met de uitzondering van de Franse Somalische kust), werd toegewezen aan de British Military Administration. In 1948 werd Somaliland weer teruggebracht naar de status van protectoraat zoals zij bestond voor de oorlog ter voorbereiding van de eventuele onafhankelijkheid.
Behalve de korte periode onder Italiaanse bezetting (1940-41), hadden de Britten controle over Somaliland tot de onafhankelijkheid werd toegestaan op 26 juni 1960.[4] De staat Somaliland was het eerste Somalische land dat lid werd van de Verenigde Naties.[5] Het land werd formeel erkend door 35 staten. [6]
Een aantal dagen later dan de Britten, op 1 juli 1960, werd ook het “Italiaanse” gebied, dat onder VN Trust stond, onafhankelijk verklaard na een periode van tien jaar onder Italiaans Trusteeship.
2.2 De Somali Republic
De onafhankelijkheid in beide gebieden werd verwelkomd, maar de twee kanten verenigden zich vrijwel onmiddellijk en vrijwillig in de verenigde Somali Republic.
Zij hadden echter niet veel gemeenschappelijk. Ondanks een gedeelde etniciteit, taal en religie, vertaalde de nalatenschap van de voormalige koloniale heersers in de twee gebieden zich in grote tegenstellingen. Italië en Groot-Brittannië lieten verschillende administratieve, onderwijs- en rechtssystemen na, waarbij deze volgens uiteenlopende procedures en in een andere taal werden geregeld. Daarenboven bestond er omwille van de afstand een enorm communicatieprobleem tussen de twee belangrijkste steden, Mogadishu en Hargeisa. Politie, belastingen, salarissen en de wisselkoersen van hun aparte munteenheden waren ook verschillend, net zoals de oriëntaties en belangen van hun politieke elites. Economische contacten tussen de twee regio’s waren eerder competitief dan complementair en dus nagenoeg onbestaande.[7]
Somaliland was snel teleurgesteld in hoe de unie evolueerde en stemde in een referendum over het behoud ervan dan ook volmondig “nee”. Door de onvoorwaardelijke vereniging van de twee gebieden, stapte Somaliland in de unie met een substantieel nadeel: Somalië behield de hoofdstad, Mogadishu, terwijl Hargeisa werd gedegradeerd tot een provinciaal hoofdkwartier, ver van het centrum.[8] Daarnaast kregen de vertegenwoordigers van het voormalige Britse Somaliland slechts 33 zetels van het nieuwe 123-hoofdige nationale parlement. De posten van president en eerste minister werden beide voorbehouden voor zuiderlingen, net zoals de belangrijkste ministeriële portfolio’s waaronder defensie, buitenlandse zaken, financiën en binnenlandse zaken. Het bevel over het nieuwe nationale leger werd voor het merendeel naar de carabinieri officieren van het zuiden getrokken, tot grote frustratie van de Britsopgeleide officieren uit het noorden.
De haastige aard van de unie leidde tevens tot een aantal belangrijke legaliteitsvragen. De twee Acts of Union die werden goedgekeurd door hun desbetreffende legislaturen verschilden enigszins, en geen enkel wettelijk document verbond de twee gebieden. Het nieuwe nationale parlement erkende deze fout en stemde een nieuwe Act of Union in januari 1961, die retroactief zou werken tot het ogenblik van de onafhankelijkheid. Een aantal waarnemers argumenteerden echter dat de nieuwe Act zonder kracht bleef voor het noorden daar de twee gebieden niet wettelijk verbonden waren. [9]
De ontevredenheid over de arrangementen die waren onderhandeld door de leiders van Somaliland, leidde tot een verwerping van de gezamenlijk grondwet door de noordelijke stemgerechtigden in het referendum van juni 1961. In december van dat jaar werd er een mislukte coup gepleegd in Hargeisa, met het doel de onafhankelijkheid van Somaliland weer te bewerkstelligen. Hoewel de unie overleefde, bleef de ontevredenheid in het noorden bestaan. In oktober van 1962 namen de ministers van het noordelijke deel ontslag uit de regering en een aantal dagen later verlieten de noordelijke afgevaardigden het nationale parlement met de dreiging dit te boycotten.[10]
Het overleven van de unie, ondanks de verschillende tegenslagen, reflecteerde de essentiële perceptie voor de noorderlingen dat de eenheid een noodzakelijk middel was in hun streven naar de vereniging van alle Somalische gebieden onder één vlag, zo ook de Haud graaslanden en de “Reserve Area” die Groot-Brittannië onder Ethiopische controle had gelaten in 1955. Het nastreven van dit idee overtuigde de noordelijke Somaliërs ervan dat deze weg kon - en moest - werken, als een opstap naar een “Greater Somalia”. Ondertussen verving het proces van administratieve annexatie geleidelijk de onstabiele politieke unie. [11]
De centralisatie van de autoriteit bestendigde zich onder de dictatuur van generaal Mohamed Siad Barre, die de macht greep in oktober 1969. De militaire overheid kon in aanvang rekenen op de steun van een groot gedeelte van de noorderlingen, deels door haar progressieve “wetenschappelijk-socialistische” ideologie, en deels door het herleven van de grote Somalische droom, waarvan werd afgestapt door de burgerlijke overheid in 1967. De expansieve politiek van Siad Barre eindigde met de Ogaden oorlog in 1977-78, waarbij Somalië op een rampzalige manier werd verslagen door Ethiopië (dat significante steun van Russische en Cubaanse zijde kreeg).[12]
Met haar populariteit en de economie op een laag pitje, zocht de overheid steun in de verschillende delen van de Darood clan van de president, waaronder 250 000 Ogadeni die gevlucht waren uit Ethiopië en zich gevestigd hadden in gebied dat de Isaaq oorspronkelijk bewoonden. Tijdens de jaren ’80 werd het steeds duidelijker dat het regime de Isaaq systematisch discrimineerden.[13] Siad Barre stelde voor overheidsfuncties consequent mensen aan uit zijn eigen clan. Hij behoorde tot de zuidelijke Marehana clan en haatte de noordelijke Isaaq clans.[14]
De ontevredenheid van deze laatste clan gaf aanleiding tot studentenbetogingen en de vorming van het Somali National Movement (SNM) in 1981. Deze guerrillabeweging van de Isaaq clan groeide uit verschillende verzetshaarden tegen de militaire dictatuur: onder hen bevonden zich zowel intellectuelen die hun vrijheden beperkt zagen, militairen die de kans op promotie zagen verdwijnen, handelaren die hun mogelijkheden beperkt zagen en burgers uit alle lagen van de bevolking die het slachtoffer werden van discriminerende maatregelen. Toch was er geen sprake van een automatische Isaaq solidariteit onder deze groepen: het echte initiatief dat deze beweging opstartte kwam van de intellectuelen uit de diaspora, voornamelijk uit Londen. SNM werden daarnaast ook gesteund door buurland Ethiopië, die hier een kans zag om haar grote vijand Somalië te belagen.[15] Tussen 1983 en 1988 beantwoordde de overheid de dreiging van de SNM door hard op te treden tegen burgers: buitengerechtelijke executies, verdwijningen, arbitraire arresten en gevangennemingen, martelingen en pesterijen.
In mei 1988 sloeg het low-intensity conflict in het noorden om in een echte burgeroorlog.[16] Het geweld bereikte zijn hoogtepunt toen Burco en de hoofdstad Hargeisa bijna volledig verwoest werden. Daarnaast werden er met opzet burgerslachtoffers gemaakt en grepen er massa-executies plaats. Er werden 50 000 tot 60 000 doden geteld, een half miljoen mensen vluchtten naar Ethiopië en er was sprake van minimum hetzelfde aantal internally displaced persons (IDP’s).[17] De praktijk van de overheid van het herbevolken van Isaaq gemeenschappen met vluchtelingen van andere clans kan beschouwd worden als analoog met etnische zuiveringen. Daarnaast bestonden er wijdverspreide rapporten waarin sprake was van oorlogsmisdaden.[18] Hoewel het regime niet enkel de Isaaq clan viseerde, werd deze bevolkingsgroep toch het vaakst en het zwaarst getroffen.
Deze golf verspreidde zich door het land en ook andere bewegingen tegen het dictatorschap ontstonden in 1989. Zij leidden tot de val van het regime in 1991.[19] Terwijl het Somali National Movement in het noorden de laatste troepen van het regime overwon, vochten de rebellen in het zuiden om de toegang tot Mogadishu. De overheid hield op te bestaan.
De vechtende groepen in het zuiden (allen clans of clanonderdelen) ijverden onder elkaar voor de macht, waar de SNM in het noorden een radicaal ander pad had gekozen: dit van nationale verzoening.
2.3 De onafhankelijkheid
Het Somali National Movement startte haar campagne niet met de strijd voor onafhankelijkheid als doel. In tegendeel, zij projecteerde een beeld van zichzelf als zijnde nationalistisch en besprak de idee van de introductie van een vorm van federale staat met de zuiderlingen. Echter, de oorlog tegen Barre, de brutale campagne van de overheid, het leven als vluchteling en het uitroepen van een nieuwe nationale regering in Mogadishu in januari 1991 zonder de vertegenwoordiging van het SNM, droegen bij tot een verandering van houding in het noorden. [20]
Hoewel Somaliërs tot één natie behoren, zijn zij georganiseerd volgens clan. Traditioneel worden conflicten dan ook opgelost via lokale clanoudsten. Na het ineenvallen van de staat in 1991, kwamen clanleiders en clanoudsten samen op een traditionele vergadering. [21]
De rol van de clanoudsten werd belangrijk vanaf 1988, toen Ethiopië een vredesverdrag ondertekende met Siad Barre en het SNM haar basis in Ethiopië en beperkte financiële steun die daarmee samenging verloor. De politieke leiders van het SNM probeerden al lang steun te vinden bij de bevolking van het noordwesten, en de enige manier om dit te realiseren was via traditionele clanleiders van de Isaaq stam. Hen werd steun gevraagd voor het politieke en militaire project van de beweging, en deze werd uiteindelijk ook gegeven. In ruil kregen deze traditionele leiders ook een rol in de SNM. Men was aangewezen op de medewerking van deze clanoudsten, daar zonder hen geen sprake kon zijn van de aanvoer van voorraden of het rekruteren van nieuwe strijders. Dit vond haar weerslag in het politieke gewicht van de groep.[22]
Op de zitting van de shir (raad) in Berbera in februari 1991, kwamen de Isaaq clans tot een amnestie met de andere clans, hoewel deze aan de zijde van het zuidelijke leger hadden gevochten tijdens de oorlog.[23] Tachtig procent van de 1,8 miljoen inwoners van de voormalige Britse kolonie behoorden tot de Isaaq clan, de rest waren afkomstig van andere clans zoals de Gaddabursi, de Dhulbahante en de Warsengeli.[24] Daar werd samen met de clanoudsten de vrede geconsolideerd en werd overeengekomen dat een soort interim administratie zou worden opgezet. Hier kwam echter hevige reactie tegen: massale rellen leidden tot een abrupte wijziging van de plannen van het zuiderse leiderschap.
Er werd een tweede shir georganiseerd in Burco, de “Grand Conference of the Northern People”, waarbij de bevolking druk bleef zetten op de SNM leiding om de Act of union van juni 1960 te herzien en de onafhankelijkheid uit te roepen. Sommige SNM leden, waaronder de president Abdirahman Tuur, hadden deel uitgemaakt van de regering in Mogadishu, en geloofden niet dat afscheiding mogelijk was.[25]
Toch werd de onafhankelijkheid verscheidene malen unilateraal uitgeroepen: onverwachts op 18 mei 1991, als gevolg van de samenkomst in Burco; in mei 1993 op een tweede grote conferentie in Boroma waarbij tevens Mohammed Ibrahim Egal als president werd aangesteld;[26] in het begin van 1997 op een derde “nationale” conferentie toen door een parlement bestaande uit de helft clanoudsten en de andere helft parlementairen tevens een grondwet werd aangenomen; en in 2001 toen er uiteindelijk een referendum werd gehouden waarbij 97% van de kiezers voor de onafhankelijkheid stemde.
De onafhankelijkheid was bijna volledig het resultaat van het gevoel van verwerping die de zuiderlingen hadden ondervonden en de algemene Somalische politiek sinds 1960. De onrechtvaardigheden tijdens vredestijd en het geweld tijdens de oorlog hadden dit gevoel van verwerping slechts vergroot vanaf 1991 wanneer de anarchie in het zuiden voortduurde. Een politieker van Somaliland merkte op dat de internationale gemeenschap wilde dat ze zich verenigden met het zuiden maar met wie? Zij waren volledig in de onmogelijkheid een duurzaam akkoord te sluiten. [27]
Sommige unionisten beweren dat Somaliland slechts een platform is voor een aantal belangengroepen komende uit eenzelfde clan. Vanuit dit perspectief, is de onafhankelijkheid van Somaliland een agenda van politieke elites binnen de Isaaq clan en ondervindt dit voorstel geen steun van andere clans. Er zou zelfs oppositie binnen bepaalde delen van de Isaaq clan bestaan. Deze benadrukken dat leiders van niet-Isaaq clans enkel toestemden in de onafhankelijkheidsverklaring van mei 1991 ter voorkoming van verdere agressie door de overwinnende Somali National Movement. De onmogelijkheid van de administratie in Hargeisa om een effectieve autoriteit te vestigen in de onder discussie liggende oostelijke provincies, waar de loyauteit van de gemeenschappen verdeeld is, geeft geloofwaardigheid aan dit argument. Zo geloven verschillende waarnemers ook dat de steun voor de onafhankelijkheid onder de westelijke Gaddabursi in rechtstreeks verband staat met het presidentschap van Rayale, en dat de loyauteit zal verschuiven wanneer het leiderschap via rotatie verandert naar een andere clan.[28]
Unionisten stellen dat de democratie in Somaliland eigenlijk beperkt is tot separatisten: er wordt volgens hen niet toegestaan dat een andere visie in het openbaar wordt besproken.[29] Indien dit waar is zou het een serieuze deuk in de geloofwaardigheid van de democratie in Somaliland betekenen.
Het is moeilijk de ware grootte van de aanhang voor de onafhankelijkheid in Somaliland te achterhalen daar er geen consensus bestaat, noch registratie van stemmen. De steun was in het verleden altijd het sterkst binnen de Isaaq clan. Binnen de westerse Gaddabursi clan verschoven de meningen duidelijk van pro-eenheid in het begin van de jaren ’90, naar een grotere steun voor een soeverein Somaliland. Het accepteren van de separatistische agenda was lang het zwakst in het oosten, waar de meningen van de Warsengeli en de Dhulbahante clans verdeeld waren. De verkozen president is Gaddabursi, parlement en de ambtenarij zijn heterogeen[30], en de vertegenwoordigers van de districtsraden worden lokaal verkozen.
De tijd lijkt de separatistische standpunten nog dieper vast te leggen. Een groeiend deel van de Somalische jeugd zowel in Somaliland zelf als in het buitenland, heeft geen herinnering meer aan een verenigd Somalië. Velen die het zich wel herinneren, associëren Somalië met geweld, angst en vluchten. Deze generatie bevat de jonge mannen die waarschijnlijk zullen opgeroepen worden voor de verdediging van het thuisland bij het uitbreken van een conflict.
Ondanks de blijvende etnische, linguïstische en commerciële banden met Somalië, lijkt de idee van een onafhankelijk Somaliland - compleet met de symbolische accessoires zoals de vlag, munteenheid en paspoort - de loyauteit van een groeiend deel van de bevolking te krijgen. De idee van een soeverein Somaliland wordt niet langer beschouwd als een politiek platform van een gewapende groep, maar als de reflectie van een nationale entiteit.[31]
2.4 De staat Somaliland
De hele idee van een staat is volledig vreemd aan de Somalische cultuur en was ongekend voor de koloniale periode. Een gevestigde bevolking is namelijk vereist voor er enige vorm van staat kan ingesteld worden en er was nooit sprake van een economisch surplus zodat dit kon gebeuren. Een nomadensamenleving is van nature anarchistisch.
De inwoners van Somaliland noemden de shir in Burco (1991), Borama (1993) en in Hargeisa (1996-97) “nationale conferenties”, zodat ze onderscheiden zouden worden van de lokale shir die gebruikt werden om clanconflicten op te lossen. Elke van deze drie nationale conferenties ging verder dan een politieke agenda en richtte zich tevens op de actuele vorm en de basisstructuren van de staat. [32]
De nationale conferentie in Borama in 1993 legde vast dat Somaliland van dan af zou geregeerd worden door een president en een parlement met twee kamers: een “Kamer van Afgevaardigden” en een “Kamer van Clanoudsten”. Beide kamers zouden proportioneel worden samengesteld uit vertegenwoordigers van de clans, rekening houdend met hun aandeel in de bevolking. Deze conferentie institutionaliseerde het systeem van clanoudsten in de nieuwe staat. [33]
Vanaf de derde nationale conferentie van oktober 1996 tot maart 1997, stond het principe van de staat niet meer in vraag (alhoewel de werking nog steeds onder hevige discussie stond). Er zijn twee verkozen raden, de ene van de leden van het parlement, en de andere bestaande uit clanoudsten gekozen door clanraden, de zogenaamde Guurti. De tweede kamer kan, in tegenstelling tot de eerste, niet ontbonden worden door de president. Eenieder die de clan of subclan niet langer kan vertegenwoordigen als gevolg van dood, onvermogen of herroeping zal vervangen worden door een vertegenwoordiger van dezelfde clan of subclan. Dit systeem werd geratificeerd in de grondwet en goedgekeurd door twee derde van de vertegenwoordigers in februari 1997.
Gedurende de tien jaren van oorlog, kende het SNM vijf presidenten. Deze werden allen democratisch verkozen door de congressen, waren allen ontegensprekelijke leiders van de beweging en zonder uitzondering waren ze nog steeds in leven en vrijheid op het einde van hun termijn, welk geen sinecure is in een Afrikaanse guerrillabeweging.
De hybride westerse nomadenstaat kreeg steeds meer vorm, en werd steeds democratischer, niet, zoals in de rest van Afrika onder druk van de donoren, maar uit praktische noodzaak. De keuze bestond uit democratisering of burgeroorlog. [34]
Toch zijn er veel verschillen tussen een staat in de westerse betekenis en de regionale administratie die werd opgebouwd in Somaliland. Om te beginnen werd zij op een andere manier opgericht. Deze Somalische “staat” maakte geen aanspraak op de autoriteit over de clans, in tegendeel, ze werd gecreëerd op basis van familie of clan (namelijk de Isaaq) en verzekert zorgvuldig het evenwicht tussen de verschillende subclans binnen de administratie. Het bestaan van de clan, de kern van het Somalische leven, werd niet langer genegeerd of gemanipuleerd zoals onder het regime van Barre. Het werd erkend als een deel van het leven dat zowel positieve als negatieve aspecten met zich meebrengt: het creëert een vorm van solidariteit maar ook een risico op afsplitsing. De idee schuilt in het gebruik van de clanorganisatie eerder dan ze te ontwijken.
Daarenboven werd deze nieuwe administratie ontworpen om op een minimalistische wijze te functioneren. Zij bestaat op basis van een minieme inkomst en een beperkte overheid, en laat de taken die de overheid met deze schaarse middelen niet aankan over aan privé-bedrijven. Elektriciteit en telecommunicatie bijvoorbeeld zijn geheel in handen van deze sector. Bijgevolg worden er ook weinig taksen geheven en wordt geen moeite gespaard om het leger te verkleinen.[35]
3.1 Algemeen
Erkenning is een rechtshandeling waardoor een staat een nieuwe staat als bestaande erkent.[36] Vanaf dan kunnen tussen beiden alle rechtshandelingen ontstaan die mogelijk zijn. In het internationaal recht bestaat geen erkenningsplicht, het is steeds een politieke daad van regeringen. In geval er geen erkenning is van een staat, zal deze toch rekening moeten houden met fundamentele regels van internationaal recht, vooral met betrekking tot het gedrag van staten en het recht van gewapende conflicten.[37]
Een nieuwe staat kan pas rechtmatig worden erkend, indien werd voldaan aan de constitutieve voorwaarden. Volgens internationaal recht en in internationale relaties, is een staat een politieke entiteit die over soevereiniteit beschikt; dit betekent dat zij niet onderhevig is aan een hogere politieke autoriteit. De soevereine staat bestaat uit een grondgebied en een permanente bevolking, beschikt over een effectieve overheid met een eigen rechtsorde en de capaciteit om onafhankelijk op te treden tegenover andere staten.
De wettelijke criteria voor de kwalificatie als staat zijn algemeen deze zoals zij werden aanvaard in Artikel 1 van de Montevideo Conventie, de “Convention on the rights and duties of states”, van 26 december 1933. Deze conventie is een regionale Amerikaanse conventie, niettemin worden de principes in dit artikel algemeen erkend als een accurate weergave van internationaal gewoonterecht. [38]
Artikel 1 stelt dat: “The state as a person of international law should possess the following qualifications: a ) a permanent population; b ) a defined territory; c ) government; and d) capacity to enter into relations with the other states.”
Artikel 3 zegt dat: “The political existence of the state is independent of recognition by the other states. Even before recognition the state has the right to defend its integrity and independence, to provide for its conservation and prosperity, and consequently to organize itself as it sees fit, to legislate upon its interests, administer its services, and to define the jurisdiction and competence of its courts.”
Artikel 6 bepaalt: “The recognition of a state merely signifies that the state which recognizes it accepts the personality of the other with all the rights and duties determined by international law. Recognition is unconditional and irrevocable.” [39]
Een verdere analyse van artikel 1, 2 en 3 leert dat het ogenblik dat een staat voldoet aan de criteria van artikel 1, er geen twijfel bestaat over het politieke bestaan van een onafhankelijke staat. Er bestaat geen behoefte aan de erkenning door andere staten van een onafhankelijke staat, de enige functie van de erkenning door een andere staat, is de aanvaarding van de rechtspersoonlijkheid van die andere staat.
Artikels 3 en 6 van de Conventie ondersteunen de declaratieve theorieën van de erkenning van staten. Deze stellen dat de erkenning door een bestaande staat enkel vaststelt dat een gemeenschap de empirische kenmerken van een staat bezit: territorium, bevolking, een overheid en de capaciteit om internationale relaties aan te gaan. De staat bestaat reeds voor en onafhankelijk van deze erkenning, erkenning bestaat slechts uit een formele bevestiging van een reeds bestaand feit.
Constitutieve theoretici, stellen daarentegen dat erkenning noodzakelijk is voor de creatie van een nieuwe staat. Het is enkel en alleen door de erkenning dat een staat een internationale rechtspersoon wordt en onderhevig wordt aan het internationaal recht. [40]
Welke theorie de juiste is, is een controversieel punt in het internationaal recht. De meerderheid van de academici schaart zich achter de declaratieve theorie. Deze theorie wordt aangenomen als de traditionele theorie van de erkenning van staten. Zij paste perfect binnen de creatie van nieuwe staten als gevolg van de dekolonisatie, en was in overeenstemming met de doctrine van uti possetidis juris, welke bepaalde dat de territoriale grenzen van postkoloniale staten dezelfde dienden te zijn als de koloniale gebieden die ze vervingen. De voorheen soevereine staten verloren hun soevereiniteit door de gedwongen kolonisatie, en tegen de tijd dat het dekolonisatieproces begon, was de erkenning van staten relatief eenvoudig in de meerderheid van de gevallen daar er reeds sprake was van erkende territoriale grenzen en een identificatie van de natie. De gepastheid van het gebruik van de declaratieve theorie was bijna oncontesteerbaar.[41]
De echte uitdaging van de theorie ontstond eens het dekolonisatieproces bijna beëindigd was, met name wanneer de nieuwe wereld een tweede beweging van desintegratie startte en minderheidsgroepen binnen de nieuwe soevereine staat een eis tot secessie deden ontstaan. Deze keer werd het proces van erkenning van staten veel complexer dan de Montevideo Conventie had voorzien wanneer het artikels 3 en 6 opnam. De tegenwoordige statenpraktijk die de eenvoudige vervulling van de voorwaarden die bepaald werden in artikel 1 van de Montevideo Conventie huldigt, is volstrekt onvoldoende om erkenning als staat te eisen. De erkenning door andere staten werd bijgevolg de dominante factor in de erkenning van staten, waardoor de constitutieve theorie boven de declaratieve werd geplaatst. Bijgevolg vereist een correcte interpretatie van de constitutieve theorie de basiselementen van artikel 1 van de Conventie van Montevideo én de erkenning door andere staten, vóór een entiteit zich als staat kan profileren. [42] In strikte betekenis kan men dus stellen dat: "Recognition of States is not a matter governed by law but a question of policy”.[43]
De ineenstorting van de voormalige Sovjet-Unie en het voormalige Joegoslavië, bewezen opnieuw dat de reeds bestaande regels aangaande de erkenning van staten voorzagen in onvoldoende keuze in diplomatieke middelen voor staten om mee te werken. De Europese Gemeenschap, de belangrijkste onderhandelaar in de Balkancrisis, bracht daarop een Declaration on the Guidelines on the Recognition of the New States in Eastern Europe and in the Soviet Union uit. [44]
De Europese Gemeenschap stelde een aantal principes vast, die een reflectie zijn van de gemeenschappelijke positie van de lidstaten in de erkenning van nieuwe staten:
1) aanvaarding van de bepalingen en de verbintenissen uit de Helsinki Akte en het Handvest van Parijs (OVSE), vooral met betrekking tot de rule of law, democratie en mensenrechten.
2) waarborgen van de rechten van etnische en nationale groepen en minderheden, in overeenstemming met de verbintenissen zoals voorgeschreven in het kader van de OVSE.
3) respect voor de onschendbaarheid van de landsgrenzen, zij kunnen enkel gewijzigd worden op vredelievende wijze en door onderlinge overeenkomst.
4) de naleving van alle relevante verbintenissen met betrekking tot zowel de ontwapening en non-proliferatie van kernwapens, alsook met betrekking tot de veiligheid en regionale stabiliteit.
5) de verbintenis om alle problemen van successie van staten en regionale conflicten bij akkoord te regelen, met name door arbitrage.
6) De Gemeenschap en haar lidstaten zullen geen entiteiten erkennen die het resultaat zijn van agressie. Zij zullen alle mogelijke gevolgen van erkenning op de buurlanden in acht nemen.[45]
De richtlijnen zoals opgesomd in de Verklaring, zijn onderhevig aan de normale principes van de internationale gewoonte. Dit leidt tot het argument dat de laatste beweging zich nog verder heeft verwijderd van de strikte criteria van erkenning van staten. Om erkend te worden in de internationale gemeenschap zal een nieuwe entiteit eerst aan alle voorwaarden van de Declaration on the Guidelines on the recognition of New States in Eastern Europe and in the Soviet Union moeten voldoen, bovenop de voorwaarden beschreven in artikel 1 van de Montevideo Conventie.
Hoewel de toepasbaarheid van de nieuwe richtlijnen voor de erkenning van staten in Europa niet kan worden aangevochten, is de toepassing ervan in andere delen van de wereld een mogelijke bron van problemen. De enkele factor dat nieuw opgekomen staten reeds werden erkend door de internationale gemeenschap op basis van de verklaring, leidt tot het argument dat deze richtlijnen al internationaal gewoonterecht zijn geworden. Als voorbeeld kunnen we de erkenning van de nieuwe staten in Oost-Europa en de Sovjet Unie aanhalen: deze werden erkend door alle lidstaten van de internationale gemeenschap. Bijgevolg werd deze wijze gebruikt voor de erkenning van meer dan 10 procent van de huidige lidstaten van de internationale gemeenschap. Men kan dus concluderen dat de richtlijnen die werden opgesteld in de verklaring van 1991 universeel zijn geworden. [46]
Eens de criteria van de staat geïdentificeerd zijn, rijst een andere vraag: wie bepaalt of ze in een bepaald geval voldaan zijn? De initiële bepaling dient te worden gemaakt door elke staat individueel en te goeder trouw. Ingeval de staat en de entiteit die statendom opeist hierin verschillen, bestaat er tussen beide een conflict dat op een vreedzame manier dient te worden opgelost. Er is tevens een bijkomstige moeilijkheid in disputen rond statendom: de staat die de eis van de entiteit afkeurt, ontkent tevens dat er internationale regels tussen hen van toepassing zijn. Bijgevolg zal de mogelijkheid om conflicten te regelen zelden beschikbaar blijken en de staat zou dus moeten toegeven vooraleer hun zaak voor een internationaal tribunaal met jurisdictie over staten zou kunnen verschijnen. Het gezag van de Badinter Commissie[47] was hier uniek.
De algemene ontoegankelijkheid van dispute-settlement mechanisms voor kwesties inzake statendom heeft zijn gevolgen, daar er moeilijkheden zijn in de toepassing van de algemene criteria van statendom op specifieke gevallen. Ten eerste zijn de feitelijke elementen verre van objectief in hun specifieke context, voorwaarden zoals bijvoorbeeld de “effectiviteit” omvatten een mogelijk diverse interpretatie door verschillende staten. Daarenboven stelt Brownlie dat geen van de criteria een voorwaarde blijkt in te houden: dit betekent dat een staat of staten een entiteit kunnen blijven beschouwen als een staat, zelfs indien aan één of meer van de criteria niet meer werd voldaan. Desalniettemin moeten deze uitzonderlijke gevallen ons niet afleiden van de kern van de inhoud van de criteria. In het algemeen blijkt het duidelijk wanneer voldaan werd aan de criteria. Een volledig andere zaak is dat andere staten de entiteit wensen te erkennen of er diplomatieke relaties mee willen aanknopen. Inconsistente situaties kunnen hierbij voor jaren in stand worden gehouden, men kan hier verwijzen naar de onzekerheden aangaande Taiwan.[48]
3.2 Erkenning in geval van afscheiding
Met de beschrijving van de regels die gelden bij de erkenning van staten in de tegenwoordige context, belanden we bij de volgende taak: de toepassing van de regels van de erkenning van staten ten aanzien van afscheidingsbewegingen. Het ultieme motief van elke afscheidingsbeweging die vecht voor een aparte staat is de erkenning als staat door de internationale gemeenschap. De toepasbare regels kunnen niet verschillen van enige andere entiteit. Met het doel de separatistische evolutie van Somaliland weer te geven, onderzoeken we vervolgens de statenpraktijk met betrekking tot de erkenning van staten in geval van afscheiding.
Voor de eigenlijke discussie aangaande statenpraktijk kan starten, is het belangrijk dat we eerst teruggrijpen naar de vier elementen van de Montevideo Conventie: een permanente bevolking, een afgebakend territorium, een overheid en de capaciteit om relaties aan te gaan met andere staten. Terwijl de draagwijdte van de eerste drie elementen niet moeilijk te begrijpen valt, brengt het vierde element enkele problemen met zich mee. De eerste drie elementen zijn in essentie voorwaarden die zich binnen de entiteit bevinden, terwijl het vierde aspect veel verder reikt. Eén argument is dat eens de eerste drie elementen vervuld zijn door een bepaalde entiteit, deze de capaciteit verwerft om met andere staten relaties aan te knopen. Bijgevolg stelt men dat eens men aan de eerste drie voorwaarden heeft voldaan, de vierde ipso facto ook vervuld is.
Volgens Professor Akehurst behandelen sommige schrijvers erkenning als een vierde voorwaarde, die vervuld dient te zijn voor de staat kan bestaan in internationaal recht. Echter erkenning is slechts het bewijs dat aan de voorwaarden van bevolking, territorium en overheid werd voldaan.
Deze verklaring, in verdediging van de declaratieve theorie, stelt het vierde element van artikel 1 gelijk met erkenning. Dit zou kunnen leiden tot verwarring. Als het vierde element dezelfde betekenis zou hebben als erkenning, dan zou artikel 3 overbodig worden. Dit artikel stelt immers dat het politieke bestaan van de staat onafhankelijk is van de erkenning door andere staten. Het zou onlogisch zijn dat een verdrag twee bepalingen bevat met hetzelfde doel. Bijgevolg kan men argumenteren dat artikel 1 (d) niet spreekt over erkenning door ander staten, maar enkel handelt over de gevolgen als resultaat van de vervulling van artikel 1 (a), (b) en (c). De erkenning door andere staten speelt een rol, als het enige betekenis heeft, op het moment dat de entiteit de eerste drie voorwaarden vervult en hiermee de capaciteit verwerft om relaties aan te gaan met andere staten. In dit stadium bezit de entiteit reeds rechtspersoonlijkheid binnen de internationale gemeenschap volgens de declaratieve theorie, en kan ze erkend worden door andere staten volgens de constitutieve theorie.
Een vaststaand feit is dat elke theorie vereist dat de basisvoorwaarden zoals beschreven in artikel 1 van de Montevideo Conventie vervuld zijn. Er zijn nochtans voorbeelden in de geschiedenis waar een eis succesvol was, zonder de vervulling van de basisvoorwaarden. Israël bijvoorbeeld werd toegelaten tot de Verenigde Naties in mei 1949, hoewel de grenzen niet precies bepaald waren omwille van de nog lopende onderhandelingen over de afscheiding. Er zijn tevens voorbeelden van landen die niet werden erkend ondanks de vervulling van de voorwaarden van artikel 1 van de Montevideo Conventie: China werd lang niet erkend door vele westerse staten.
Erkenning van staten in geval van afscheiding kan verklaard worden aan de hand van het geval Biafra. De Eastern Region Consultative Assembly of Nigeria scheurde zich van Nigeria af in mei 1966, de republiek overleefde meer dan twee jaar en voldeed zo aan de voorwaarden van artikel 1. Het land had een eigen Ibo bevolking, een permanent territorium, een effectieve overheid, en hoewel geen enkele staat diplomatieke relaties begon, beschikte het land over de capaciteit om relaties te beginnen indien iemand dit gewenst had. De basisreden was het ontbreken van de erkenning van de Republic of Biafra als een nieuwe staat. Dit had als belangrijkste oorzaak het respect voor het principe van territoriale integriteit zowel door de Organization of African Unity (OAU) als de Verenigde Naties.[49] De toenmalige VN Secretaris-Generaal U. Thant bevestigde dat de VN geen steun zou bieden aan enige poging van afscheuring binnen haar lidstaten.[50] De mislukking van de poging van Biafra toont dat de enkele vervulling van de voorwaarden van artikel 1 van de Montevideo Conventie, onvoldoende is om statendom op te eisen, en dat er bijgevolg erkenning door andere staten vereist is.
Een ander uiterste is dat als de internationale gemeenschap een specifieke entiteit percipieert als recht hebbende op het statendom, zij de juiste omgeving kunnen creëren zodat de voorwaarden voor de entiteit vervuld worden. Oost-Timor bijvoorbeeld beschikte enkel over een afgebakend territorium en haar bevolking: de Verenigde Naties vestigden een interim administratie en steunde de oprichting van een effectieve overheid door de organisatie van presidentiële verkiezingen. De hele wereldbevolking wachtte de erkenning van de nieuwe staat af toen de VN de administratie overdroeg aan de nieuwe overheid.
Het voorgaande debat onthult dat de creatie van nieuwe staten eerder op politiek dan wettelijk vlak gebeurt. Zo is het onmogelijk de exacte elementen te bepalen die vereist zijn vanwege de internationale gemeenschap om de kwalificatie van staat te verkrijgen. In ruime zin in de huidige context hangt de creatie van een nieuwe staat af van twee aspecten: een intern en een extern aspect.
Het interne aspect kan omschreven worden als de voorwaarden die de entiteit dient te vervullen binnen de entiteit: deze zijn de vier elementen die worden beschreven in de Montevideo Conventie en in de richtlijnen zoals zij werden erkend in de Declaration on the Guidelines on the Recognition of New States in Eastern Europe and the Soviet union.
Het externe aspect is de erkenning door andere staten, en is de meest cruciale factor in de bepaling van de creatie van een nieuwe staat. De lijst beschreven onder het interne aspect heeft geen enkele betekenis wanneer de internationale gemeenschap een bepaalde politieke entiteit het statuut van staat niet wil geven. De minimumvereiste is het bestaan van een territorium en een bevolking die er controle over neemt. Zelfs over de belangrijkste vereiste kan gediscussieerd worden wanneer men kijkt naar de creatie van de staat Israël in het midden van de Arabische wereld, waar geen Joodse bevolking aanwezig was die een staat opeiste en geen specifiek territorium aan de mensen gebonden was in het Midden-Oosten. De politieke wil van de internationale gemeenschap resulteerde echter in de oprichting van een nieuwe staat.
3.3 Somaliland
Weergekeerd op het hoofdpunt, buigen we ons over de kwestie of Somaliland voldoet aan de vereisten zoals zij werden gesteld door de huidige internationale wereld voor de creatie van een aparte staat. Zoals reeds vermeld, ligt de uitkomst niet enkel in de vervulling van de criteria van de Conventie van Montevideo, maar zijn er ook andere elementen, die aanwezig dienen te zijn opdat men de kwalificatie als staat kan opeisen in de internationale gemeenschap. Desalniettemin is de vervulling van de Montevideo Declaration een vooropgesteld gegeven. [51]
De eerste vraag is bijgevolg of Somaliland een bepaalde bevolking heeft, een afgebakend territorium, een effectieve overheid en tenslotte of zij de capaciteit bezit om relaties aan te knopen met andere staten.
Permanente bevolking: de bevolking van Somaliland werd in 1997 op ongeveer drie miljoen mensen geschat. Hoewel deze naast stedelijke en landelijke inwoners deels bestaat uit nomaden (55%) die soms over de grens migreren, blijft zij meestal stabiel.[52] Een belangrijke vraag is tevens of de meerderheid van deze bevolking ook achter de eis tot onafhankelijkheid staat. De politieke wil van de inwoners werd reeds getest: er werd een referendum gehouden in 2001 waarbij een meerderheid van 97% van de stemmen voor de onafhankelijkheid stemde. Toch is de aanhang van de onafhankelijkheid moeilijk te schatten, daar er geen consensus, noch geregistreerde stemmen waren. De aanhang was altijd het sterkst binnen de Isaaq clan, maar men ziet tevens een verschuiving in andere clans naar pro-onafhankelijke zijde.
Men neemt echter ook aan dat ongeveer de helft van de inwoners van Sanaag en Sool sympathiseren met Puntland en niet met Somaliland.[53]
Afgebakend territorium: de grenzen van het land komen overeen met het territorium van het vroegere Britse protectoraat: de grens met Djibouti in het westen, de Golf van Aden in het noorden, Ethiopië in het westen en Somalië in het oosten. Deze werden uitgelijnd door internationale verdragen in 1888 (Frans Somaliland – Djibouti), 1894 (Italianen) en 1897 (Ethiopië).[54] Zij bevatten de regio’s van voormalig noordwest Somalië: Awdal, Woqoovi Galbeed, Togdheer, Sanaag en Sool. Een zesde regio, Saaxil, werd gevormd in 1996.
Sinds 1998 werd de autoriteit van Somaliland over de oostelijke delen Sanaag en Sool aangevochten door Puntland State of Somalia in het noordoosten van Somalië.[55] Deze gebieden vormen één van de grootste uitdagingen in de kwestie van de onafhankelijkheid. Volgens internationaal recht [56] leiden grensbetwistingen niet tot de ongeldigheid van de vereiste van een afgebakend territorium, het kan de erkenning door andere staten echter wel sterk bemoeilijken.
Effectieve overheid: Somaliland beschikt over een overheid. Het land heeft een republiek als staatsvorm, is opgebouwd uit een bicameraal systeem, een verkozen president en vice-president. De president stelt het kabinet aan, en dit wordt goedgekeurd door de legislatuur. Somaliland maakt hierbij ook gebruik van een grondwet, leger en politiediensten, en een onafhankelijke rechtspraak. Daarenboven beschikt Somaliland tevens over verschillende symbolische elementen van de staat: een nationale vlag, een eigen nummerplaat, paspoort en munteenheid. [57]
De capaciteit om relaties met andere staten aan te knopen: zoals reeds vermeld heeft het land reeds een aantal formele en informele overeenkomsten gesloten met verschillende staten en intergouvernementele organisaties zoals onder andere Djibouti, Kenia, Ethiopië, Zuid-Afrika, Denemarken, Verenigd Koninkrijk, Verenigde Staten en de Verenigde Naties. Deze gingen over verschillende zaken, waaronder grensveiligheid, handel, immigratie en ontwikkelingssamenwerking. Wanneer de VN, EU en andere internationale organisaties op het territorium van Somaliland werken wordt vaak onderhandeld met haar leiders als zijnde de verantwoordelijke autoriteiten.[58]
Hoewel reeds vermeld werd dat de grenzen niet dienen vast te staan bij de erkenning van een staat, hecht de internationale gemeenschap, en in het bijzonder de African Union, veel belang aan de territoriale integriteit. Dit is een gevolg van voornamelijk de angst dat enige aanpassing van grenzen de weg vrij maakt voor ruimere eisen en tegeneisen die zouden kunnen leiden tot territoriale conflicten en geweld.
Eén van de kenmerken die Somaliland zo uitzonderlijk maakt is dat zij voldoet aan alle criteria van een staat in tegenstelling tot de erkende staat waarvan zij zich afscheurt. Men kan argumenteren dat, daar Somalië geen effectieve overheid had voor bepaalde periode, haar eigen gronden voor erkenning volgens de Montevideo Conventie in vraag kunnen worden gesteld.
Of Somaliland ook voldoet aan alle criteria welke werden gesteld door de Declaration on the Guidelines on the Recognition of New States in Eastern Europe and in the Soviet Union is niet geheel duidelijk. Somaliland doet in elk geval al veel moeite om aan het eerste kenmerk te voldoen: de verbintenis met betrekking tot respect voor de rule of law, democratie en mensenrechten.[59] Doch de tweede voorwaarde is onzeker: de niet-erkenning was oorspronkelijk mede een gevolg van de idee dat Somaliland een Isaaq kern bleef en dit dus gevolgen kon hebben voor de andere clans in de het gebied in de toekomst.[60] Toch bestaan er enige waarborgen: het “nationale territorium” werd gedefinieerd op basis van clan, dit ter voorkoming van herhaling van incidenten uit de periode 1980-90 toen bijvoorbeeld een gedeelte van de Hawiye clan brutaal haar buurlanden binnenviel. Wanneer een kleine clan, bijvoorbeeld de Gaddabursi, zichzelf gekneld vindt tussen territoria waar grote clanfamilies in de meerderheid zijn, neemt men bepaalde maatregelen zodat de minderheidsgroep kan beschikken over een aantal prerogatieven als compensatie voor het feit dat zij niet over een autonoom subterritorium kan beschikken. Er bestaan echter een aantal uitzonderingen: de Dulbahante leven in Sanaag, op de grens tussen Somaliland en Puntland, zij maken noch deel uit van de Isaaq noch de Majerteen, maar verkregen gradueel een soort speciale status als band tussen de beide administraties. Op een bepaald moment leek het zelfs alsof ze met geweld de controle over het grensgebied wilden verkrijgen. [61]
Doordat Somalië daarenboven geen effectieve overheid heeft kan het afgescheiden gebied geen goedkeuring verkrijgen en dus niet in onderlinge overeenkomst over de landsgrenzen beslissen.
Met betrekking tot de voorwaarde van veiligheid en regionale stabiliteit heeft Somaliland zichzelf naar mijn mening al bewezen: als deelgebied van Somalië dat al jaren lang onder de noemer failed state valt en waar warlords vechten om bronnen en territorium,[62] slaagde zij er toch in om aanzien te worden als één van de meest actieve democratieën in de regio.
Tenslotte wordt in de literatuur vaak gebruik gemaakt van het begrip “quasi-staten”. Hiermee worden staten beschreven die, ondanks de erkenning door andere staten, vaak een gebrek vertonen aan substantiële en geloofwaardige kenmerken van een staat volgens de empirische criteria van het internationaal recht. Deze “quasi-staten” bezitten geen overheid die een effectieve controle uitoefent over hun bevolking en hun territorium, ze zijn niet in staat zichzelf te beschermen tegen externe dreigingen, en hun interne organisatie is zwak en onstabiel. “Quasi-staten” bestaan omwille van de internationale erkenning die ze genieten. De meeste Afrikaanse staten zijn zo zwak in de betekenis van positieve soevereiniteit dat ze niet zouden bestaan indien er geen juridische normen inzake soevereiniteit zouden bestaan: in feite zijn vele Afrikaanse entiteiten geen staten. Somaliland is hier een vreemd geval: wanneer we het voorgaande aanvaarden, heeft Somaliland een sterker argument dan een aantal internationaal erkende Afrikaanse staten. Het gebied overleefde al vijftien jaar zonder juridische soevereiniteit.[63]
3.4 Zelfbeschikkingsrecht?
Bovenop de criteria van de Montevideo Conventie stelt bijvoorbeeld James Crawford[64] dat statendom tevens een toekenning van een recht kan inhouden. Deze eis kan gebaseerd zijn op verschillende gronden zoals onder andere zelfbeschikking, bevrijding van onderdrukking of tirannie, schending van de voorwaarden van een vrijwillige unie of van een onderlinge afspraak.
De houding ten aanzien van de erkenning zal niet veranderen ten gevolge van het feit of Somaliland al dan niet aan de criteria van de Montevideo Conventie voldoet, maar eerder door het feit of zij op een legitieme wijze statendom kan eisen en of de toekenning ervan het risico op nieuwe conflicten in Somalië zou verhogen. Dit is een debat dat niet doorgrond kan worden zonder verwijzing naar Afrika’s koloniale verleden en de houdingen op het continent ten aanzien van zelfbeschikking en afscheiding, en de onschendbaarheid van de koloniale grenzen.[65]
Het recht op zelfbeschikking is een vaag concept. Er bestaat geen duidelijke definitie van “people” of van wat het recht inhoudt. Er bestaan eerder talloze en vaak strijdige interpretaties die het gevolg zijn van een verschillende inkleding van het onderdeel “people”. Dit geeft ook het belangrijkste probleem van het zelfbeschikkingsrecht weer: elke groep of staat kiest de interpretatie die haar het beste uitkomt, daarenboven bestaat er geen institutioneel kader voor de examinatie van dergelijke eisen volgens internationaal recht.
De ontwikkeling van het wettelijke recht op zelfbeschikking is gebaseerd op het Handvest van de Verenigde Naties. Artikel 1 (2) stelt dat één van de doelstellingen van de VN is “to develop friendly relations among nations based on respect for the principle of equal rights and self-determination of people”. Artikel 55 voorziet dat de VN een aantal doelstellingen promoot met het oog op “the creation of conditions of stability and well-being which are necessary for peaceful and friendly relations among nations based on respect for the principle of equal rights and self-determination of people”. Het principe van zelfbeschikking waarnaar verwezen wordt, dient als basis voor de relaties tussen staten, het gebruik van de term “nations” is onduidelijk maar kan het gevolg zijn van het feit dat een aantal van de oorspronkelijke ondertekenaars van het Handvest geen staten waren. Over de inhoud van het principe van zelfbeschikking is altijd discussie geweest. Zowel de tekst als de geschiedenis van de opstelling van het Handvest indiceren dat het principe van zelfbeschikking van toepassing is op staten. Het valt te betwijfelen of het echter enkel op staten van toepassing is daar zelfs bij een tekstuele analyse de vraag blijft waarom eerder een vage term zoals “people” werd gebruikt dan de veel preciezere term “states” als wat werd bedoeld enkel de erkenning van het zelfbeschikkingsrecht van staten was.
Een volgende punt is of het van toepassing is op afscheidingsbewegingen. De literatuur lijkt hier overdonderend tegen, en er was ontegensprekelijk ambiguïteit over de kwestie afscheiding gedurende de optekening van het Handvest. Dit kan uitgelegd worden door het feit dat de term secessie geëvolueerd is door de jaren. Secessie kan onder andere begrepen worden in de zin van een eis van een nationale groepering binnen de constante grenzen van een onafhankelijke staat om zich van deze staat af te scheuren. Dit is de betekenis die vandaag ook het vaakst aan secessie wordt gegeven. Het is echter moeilijk enige referentie in de geschiedenis van de optekening te vinden die deze vorm van secessie onderschrijft.
In het begin van de jaren ’70 bestond er een wettelijk recht op zelfbeschikking voor koloniale volkeren en volkeren gevormd tot staten. Wie kan nu het recht op zelfbeschikking inroepen? We beschouwen hier de International Covenant, General Resolution 2625 (XXV) en de reactie van de internationale gemeenschap op niet-koloniale eisen tot zelfbeschikking.
- The International Covenant on Civil and Political Rights and the International Covenant on Economic, Social and Cultural Rights
De International Covenant on Civil and Political Rights (ICCPR) en de International Covenant on Economic, Social and Cultural Rights (ICESCR) werden aangenomen in de Algemene Vergadering in 1966. Het zelfbeschikkingsrecht kan men terugvinden in het gezamelijk artikel 1: “All people have the right to self-determination. By virtue of that right they freely determine their political status and freely pursue their economic, social and cultural development”. Opnieuw is er geen sprake van een verdere definitie maar indiceren andere artikels een universele betekenis. Uiteindelijk werd besloten dat de term “people” begrepen diende te worden in de meest algemene betekenis. Toch werd voorzichtigheid in het gebruik aangemaand daar verschillende staten, inclusief deze die de voorstellen indienden, stelden dat er geen recht van secessie was. Dit is belangrijk daar er in artikel 1 (1) geen grenzen aan de mogelijkheden van de volkeren werden gesteld. Eens een groep werd erkend als “people” heeft zij het recht om haar politieke status vrij te bepalen inclusief het recht om een onafhankelijke staat te vestigen. Bijgevolg kan de ontkenning van het recht op secessie indiceren dat groepen binnen staten of koloniale grenzen niet gezien worden als “people” in de betekenis van Artikel 1. Dus wat met zekerheid gesteld kan worden is dat Artikel 1 van toepassing is op “people” georganiseerd als staten en koloniale volkeren.
- Declaration on the Principles of International Law Concerning Friendly Relations and Co-operation among States in Accordance with the Charter of the United Nations: Resolution 2625 (XXV)
Deze Verklaring erkent het recht van alle volkeren op zelfbeschikking, waarbij “people” universeel toepasbaar is. Steun voor dit principe kan indirect gevonden worden in Artikel 7. Deze paragraaf bevestigt dat de territoriale integriteit van “States conducting themselves in compliance with the principle of equal rights and self-determination of people ... and thus possessed of a government representing the whole people belonging to the territory without distinction as to race, creed or colour”. Respect voor de territoriale integriteit van een staat is afhankelijk van het bezit van de staat van een overheid die de gehele bevolking vertegenwoordigt. Bijgevolg suggereert men dat er een recht op afscheiding bestaat indien de staat niet aan deze vereiste voldoet. Het recht opafscheiding wordt per definitie uitgeoefend door slechts een segment van de bevolking van een staat. Er worden tevens twee criteria gesuggereerd voor de identificatie van relevante groepen: een territoriaal concept van volkeren, en de relevantie van persoonlijke criteria ( “race , creed or colour”).
Er wordt eveneens richting gegeven aan de betekenis van zelfbeschikking. Paragraaf 4 stelt dat de “establishment of a sovereign independent State, the free association or integration with an independent State or the emergence into any other political status freely determined by a people constitute modes of implementing the right to self-determination”. Dit bevestigt dat zelfbeschikking kan resulteren in verschillende situaties.
Deze Verklaring werd toegevoegd aan de General Assembly Resolution 2625 (XXV), welke aangenomen werd zonder stemming. Hoewel de Verklaring zelf niet wettelijk bindend was, bestond de algemene visie dat de principes erin deel uitmaakten van het internationaal gewoonterecht.
- Niet-koloniale zelfbeschikkingseisen
De zelfbeschikkingseisen zijn niet homogeen, dit is de reden waarom de reacties op deze eisen in de internationale gemeenschap vaak verschillen. Er bestaan tenminste drie categorieën van niet-koloniale zelfbeschikkingseisen: de eerste wordt geïdentificeerd door een gezamelijke etniciteit, taal en of religie. Voorbeelden zijn Eritrea, Tsjechoslovakije en de voormalige Sovjet-Unie. De onderscheidende factor in deze zaken was de aanwezigheid van goedkeuring, daar de zelfbeschikkingseis aangenomen werd door een meerderheid van de bevolking in elke staat. Dit heeft de internationale gemeenschap ongetwijfeld beïnvloed. De tweede categorie bestaat uit gevallen waarbij de zelfbeschikkingseis uitging van een gehele bevolking van een staat in tegenstelling tot een specifieke groep. Als voorbeeld kunnen we de hereniging van Duitsland aanhalen. Derde en voor ons interessantste categorie, bevat deze gevallen waar zelfbeschikkingseisen van etnische, linguistische of religieuze groepen verworpen worden door de staat. Voorbeelden zijn Biafra, Oost-Pakistan en het voormalige Joegoslavië. Het conflict tussen Biafra en Nigeria werd behandeld op regionaal niveau door de OAU, die Nigeria’s standpunt tot behoud van de territoriale integriteit ondersteunde. De VN nam de gebeurtenissen in Nigeria niet in aanmerking maar de Secretaris-Generaal stelde met betrekking tot deze zaak dat het “never accepted [...] the principle of secession of a part of its Member States”.
Bijgevolg moeten we concluderen dat de internationale gemeenschap een puur territoriaal concept van “people” onderschrijft. Zij verwierp consequent een wettelijk recht op zelfbeschikking voor etnische, linguistische en religieuze groepen binnen staten. In een niet-koloniale context verwijst “people” bijgevolg naar een gehele bevolking van een staat. Terwijl de gebeurtenissen in het voormalige Joegoslavië kunnen suggereren dat de term eveneens toepasbaar is op de hoogste constitutionele eenheden van een federale staat in het ontbindingsproces, is dit onwaarschijnlijk gezien de beperkte en dubbelzinnige statenpraktijk. Statenpraktijk in een niet-koloniale context toont dat volkeren elke vorm van internationale status kunnen kiezen. Ze kunnen ervoor kiezen een aparte onafhankelijke staat te worden of zich in bestaande staten te integreren. Er werden nochthans suggesties gedaan, vooral op regionaal niveau, dat de uitoefening van het zelfbeschikkingsrecht geconditioneerd kan worden door bredere overwegingen zoals de nood om internationale vrede en veiligheid te bewaren. [66]
Zuid-Afrikaanse juristen kaartten deze situatie ook aan: “The interest of world peace and stability require that, where possible, the division or fragmentation of existing states should be managed peacefully and by negotiation. But where this is not possible, as is the case with Somalia, international law accepts that the interests of justice may prevail over the principle of territorial integrity”. [67]
3.5 Betwiste Soevereiniteit
De soevereiniteit van Somaliland wordt al betwist sinds haar onafhankelijkheidsverklaring op 18 mei 1991. De discussie bleef echter grotendeels hypothetisch. Zelfs de United Nations Operation in Somalia (UNOSOM) berustte ten tijde van haar groots opgezette internationale interventie van 1992 tot 1995, in de weigering van Somaliland om buitenlandse troepen op haar grondgebied toe te laten. Dit gebeurde onder andere door de erkenning dat het vredevolle reconciliatieproces enorm vooruit was gegaan en de vaststelling van de vorming van een functionerende administratie onder het leiderschap van Mr. Egal. Geen enkele andere voorgaande Somalische overgangsregering kwam in de buurt van het bekomen van een de facto autoriteit over zelfs maar zuidelijk Somalië, en geen enkele schond Somaliland’s jurisdictie.
Een aantal landen vestigden reeds bilaterale banden met Somaliland. Deze zijn belangrijk maar ontbreken de formele erkenning. Djibouti en Ethiopië stonden toe dat Somaliland liaison offices opende. Verschillende overheden traden in formele samenwerkingsakkoorden. Ethiopië opende een handelsbureau in Hargeisa en verwacht dat om en bij de 20 procent van hun handel langs de belangrijkste haven Berbera zal passeren. Een aantal Europese landen tekenden reeds overeenkomsten met Hargeisa die de terugkeer van illegale immigranten van Somaliland mogelijk maken. De Europese Commissie, de VN en verschillende donoren behielden grotere hulpprogramma’s in Somaliland dan in gelijk welk gebied in Somalië en onderhandelden hierbij direct met de autoriteiten. [68]
Senegal, de Europese Unie en Ethiopië toonden veelbelovende tekens die het einde zouden kunnen betekenen rond de impasse van de erkenning van Somaliland. Ethiopië had President Dahir Rayale Kahin te gast op zijn staatsbezoek in 2002 en 2003, en ook President Wade van Senegal heette de president welkom in het begin van 2003. Djibouti toonde ook reeds tekenen van toenadering tot Somaliland. President Rayale bracht ook aan dit land een bezoek, waarbij werd overeengekomen de diplomatieke banden tussen beide landen terug aan te halen en een samenwerking tot stand te brengen rond grensveiligheid.
Een Zuid-Afrikaanse delegatie bracht een fact-finding bezoek[69] aan Somaliland in januari 2003 en verklaarde de staat “a challenge rather than a problem for the African Union”. Verder zond het Departement van Buitenlandse Zaken van Zuid-Afrika een diplomaat onder patronage van de VN om de situatie in Somaliland te onderzoeken.[70] In mei 2003 ontmoetten de Zuid-Afrikaanse Minister van Buitenlandse Zaken, Nkosazana Zuma, en de Minister van Buitenlandse Zaken van Somaliland, Edna Adan Ismail, elkaar voor een gesprek aangaande de vrede en stabiliteit in de regio. Juristen van het Zuid-Afrikaanse Departement voor Buitenlandse Zaken (DFA) steunen het argument van Somaliland voor haar onafhankelijkheid. Zo stelt het DFA rapport: “It is undeniable that Somaliland does indeed qualify for statehood, and it is incumbent upon the international community to recognise it”.[71]
Ook bij de Verenigde Naties gaan deze stemmen op, een VN mensenrechtenexperte Fatima Ismael verklaarde: "The country has shown the African Renaissance spirit of self-reliance and resilience and has produced a sustainable government and constitution. […] They have got their act together while in the south (Somalia) the Transitional National Government (TNG) has been unable to do so. […] The international community must take notice of this. It cannot remain ostrich-like with its head in the sand”.[72]
Er is ook sprake van een verhoging van de buitenlandse investeringen onder andere de opkomst van ambitieuze projecten die in overleg zijn bij bedrijven uit Zuid-Afrika[73], Ethiopië, Zwitserland, Duitsland en de Verenigde Arabische Emiraten.
Somaliland blijft echter niet erkend en haar ambities voor onafhankelijkheid worden sterk aangevochten door grote delen van de internationale gemeenschap, hieronder vinden we vooral de African Union en de League of Arab States. Opeenvolgende resoluties van deze organisaties, de Europese Unie en de VN bevestigden hun erkenning van de eenheid en de territoriale integriteit van Somalië. Tientallen vredesinitiatieven tussen 1991 en 2006 doelden op de herstelling van de Somalische overheid in Mogadishu. Deze zou jurisdictie uitoefenen over Somaliland, ondanks de voortdurende afwezigheid van deelname door geloofwaardige vertegenwoordigers uit Somaliland. Net zo verliep de meest recente poging, de vredesconferentie in Nairobi, Kenia, met de hulp van de Inter Governmental Authority on Development (IGAD), met het doel federale overgangsinstellingen te vestigen die autoriteit hebben over het gehele territorium van de vroegere Somalische Republiek.
De politieke leiders van Somaliland argumenteren reeds lang dat hun overheid voorbereid is op een dialoog met de zuidelijke overheid wanneer dit aan de orde zou zijn. Verschillende waarnemers, zowel Somalische als internationale, interpreteerden deze verklaringen als bewijs dat de betrachting van onafhankelijkheid in Somaliland flexibel blijft. Indien dit zo is lijkt het redelijk dat een vorming van een Somalische interim regering gevolgd zou worden door een dialoog met Somaliland, welke zou leiden tot een wederzijds aanvaardbare vorm van associatie of een vriendschappelijke scheiding.[74]
Ondertussen worstelt de Transitional Federal Government (TFG) met interne verdeeldheid en verliest zij haar controle in het zuiden: wrijvingen tussen lokale milities en troepen van de president genereerden vroeger reeds spanningen en occasioneel geweld in Baidoa, haar macht verminderde echter nog meer met de overwinning van de islamitische milities in Mogadishu. Conflicten tussen islamitische rechtbanken en leden van de counter terrorism alliantie, waaronder verschillende leden van de overheid, zorgden sinds januari 2006 voor talloze slachtoffers en duizenden IDP’s.
Toch had deze TFG een grotere kans op succes dan haar voorgangers omwille van de ongeziene internationale erkenning en steun. Net zoals voorgaande overheden, verklaarde zij haar soevereiniteit en jurisdictie over geheel Somalië, hoewel haar autoriteit beperkt bleef en blijft, en zij onder diplomatieke druk staat niet tussen te komen in de zaken van Somaliland. Een speciale gezant van Kenia voor het Somalische vredesproces, Ambassadeur Bethuel Kiplagat, vertelde Crisis Group: “We must protect whatever has been achieved in terms of peace. Areas of tranquillity, where there is administration, should not be disturbed. Nor should we punish those regions in terms of development aid”.[75]
De tegenkanting groeide als gevolg van enerzijds de progressieve erkenning van de TFG, die door donoren en hulporganisaties meer en meer werd behandeld als een nationale gesprekspartner; en anderzijds door de uitoefening van een groeiende invloed door deze op buitenlandse steunprogramma’s.
Controle over de externe hulp is slechts één bron van spanning. De Transitional Federal Government werd toegelaten tot de IGAD, AU, VN, de League of Arab States en andere internationale organen als vertegenwoordiger van Somalië. In mei 2006 werd zij tevens toegelaten tot de Inter-Parliamentary Union. Unionistische politieke leiders genieten bijgevolg van de toegang tot verschillende internationale fora uit dewelke Somaliland wordt uitgesloten.
Verdere spanningen worden verwacht zich te ontwikkelen indien een Somalische nationale overheid - zowel de TFG als de overwinnende islamitische milities zijn momenteel mogelijke leiders voor Somalië - erin zou slagen een nationaal leger en een burgerdienst te creëren, een nieuw paspoort uit te geven, een nieuwe munteenheid vast te stellen en een postconflict boom te initialiseren. Een eenheidsregering zal zonder twijfel gebruik maken van deze structuren om druk uit te oefenen op Somaliland, door haar achterban te overtuigen en het land internationaal te isoleren. Deze tactieken zouden het con