Nieuwe vormen van bestuur in een ineengestorte staat. Casus: Somalië. (Pieter Nuytinck)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

2. INLEIDEND HOOFDSTUK

 

One hypothesis to be pursued is that when the state collapse, order and power (but not always legitimacy) fall down to local groups or are up for grabs. These ups and downs of power then vie with central attempts tot reconstitute authority”[1].

 

 

2.1. Probleemstelling

 

Relevantie onderzoeksvraag

Dat state collapse niet per definitie inhoudt dat er een hobbesiaanse situatie ontstaat van totale chaos, geven zelfs de grootste staatscentristen toe. Maar wat ontstaat er dan wel? En hoe moet men als internationale gemeenschap omgaan met ‘staatloze’ samenlevingen? Zijn ze broeihaarden van terroristen omdat ze een safe haven kunnen vormen? Na 9/11, de terroristische aanvallen van 11 september 2001 op doelwitten in de Verenigde Staten, staat het fenomeen van state collapse alleszins weer volop in de internationale aandacht. Maar hoe bestrijdt je terroristen als er geen centrale staat is die je onder druk kan zetten om op te treden? Wat is er dan wel voorradig aan instituties waarmee samengewerkt kan worden?

 

Deze scriptie onderzoekt dus de politieke orde die ontstaat in een situatie van post-state collapse (staatsimplosie) en neemt daarvoor als casus Somalië. Waarom Somalië als casus gekozen werd, wordt beargumenteerd bij het aansnijden van deel 4 (‘casus: Somalië’).

 

Als onderzoeksvraag neem ik de vraag hoe men in een ineengestorte staat zoals Somalië tot nieuwe vormen van bestuur komt en welke vormen dit bestuur dan aanneemt. Met ‘nieuwe’ vormen van bestuur bedoel ik structuren die in de plaats kwamen van de centrale staat na de implosie ervan. Het duidt dus niet op ‘nieuw’ in de betekenis van ‘nog nooit voorgekomen in de geschiedenis’.

Achterliggend ligt de problematiek van hoe mensen die het zonder centrale staat moeten stellen, zich toch organiseren om zo samen hun levens te verbeteren. Zaken zoals de inventiviteit van mensen in noodsituaties, de bereidheid tot samenwerken in situaties van schaarste komen dan aan bod.

 

Deelvragen die behandeld worden omdat ze met de hoofdonderzoeksvraag samenhangen:

 

 

2.2. Gebruikte methodologie

 

Deze scriptie kwam tot stand via beschrijvend onderzoek. Via een literatuurstudie heb ik geprobeerd mijn onderzoeksvraag en bijhorende deelvragen te beantwoorden.

De meer theoretische beschouwingen uit het eerste deel van deze scriptie vond ik grotendeels in boeken en naslagwerken. Ook bepaalde themanummers van tijdschriften over dit onderwerp bleken sleutelpublicaties te zijn.

Om aan bronnen te geraken over de casus Somalië heb ik dan weer eerder mijn toevlucht moeten nemen tot tijdschriftartikels, rapporten, reportages en nieuwsberichten. Dit omdat de situatie op het terrein in Somalië snel verandert en de gebeurtenissen vaak nog te recent zijn om er beschouwende boeken over te vinden.

 

Moeilijkheden doken op wanneer ik merkte dat heel wat bronnen naar een bepaald werk refereerden, maar ik het geciteerde werk zelf maar niet kon vinden in Vlaamse bibliotheken. Voor enkele werken bracht een trip naar de universiteitsbibliotheek van Leuven redding, maar waar men als UGent-student blijkbaar niet mag ontlenen maar enkel kopiëren.

 

Via effectief veldonderzoek zelf de huidige vormen van bestuur in Somalië in kaart brengen, was natuurlijk een complementaire methodologische invalshoek geweest. Dit eindwerk is echter niet het resultaat van onderzoek ter plaatse. Enerzijds omdat ik door persoonlijke omstandigheden er niet toe ben gekomen om een verblijf aldaar te regelen. Anderzijds omdat de huidige veiligheidssituatie in Somalië het onderzoekswerk zou bemoeilijken – zoniet onmogelijk maken – en de regio in Somalië waar dit onderzoek ter plaatse wel mogelijk zou zijn - de de facto onafhankelijke regio Somaliland in het noorden – hoe langer hoe meer gekenmerkt wordt door een echte staatsstructuur. Zo zou de essentie van mijn onderzoeksvraag, onderzoek naar de situatie in een ineengestorte staat, niet behandeld kunnen worden.

 

Toch meen ik dat deze scriptie een goed overzicht geeft van de nieuwe vormen van bestuur in het Somalië na de ineenstorting van het centrale gezag. Al blijft het natuurlijk vertrouwen op bronnen van anderen omdat er geen veldonderzoek heeft plaatsgevonden.

 

 

2.3. Motivatie voor de gekozen structuur

 

Om mijn onderzoeksvraag te beantwoorden, leek het mij aangewezen om mijn scriptie op te splitsen in twee delen. Een eerste deel omvat theoretische beschouwingen rond nieuwe vormen van bestuur in een ineengestorte staat. Eerst definieer ik in dat deel de verschillende concepten die in deze scriptie aan bod komen, nadien probeer ik een overzicht te geven van de theorieën rond state collapse. Eén van de invalshoeken hierbij is als ze oog hebben voor de specifieke Afrikaanse context en welke voorspellingen ze maken over staatloze samenlevingen.

Aansluitend geef ik een overzicht van de beschouwingen rond nieuwe vormen van bestuur die eventueel kunnen ontstaan binnen een dergelijke staatsconstellatie.

Deze concepten, analyses en theorieën zullen aangewend worden om de (mogelijke) rol van lokale beheerssystemen te duiden in het huidige Somalië.

 

In een tweede deel worden die theoretische analyses dan geconfronteerd of concreet gemaakt met feitenmateriaal uit Somalië. De lokale beheerssystemen in Somalië na de ineenstorting van het regime van Siad Barre (januari 1991) worden in kaart gebracht, evenals hun bedreigingen en hun potentieel om als staatssurrogaat te dienen.

 

Deze tweeledige structuur laat mij toe om in het eerste deel verschillende theorieën na elkaar te behandelen zonder telkens feitenmateriaal uit Somalië ertussen te plaatsen. Dit vergemakkelijkt het vergelijken tussen theorieën. Dit laat mij ook toe om theorieën te behandelen die expliciet gebaseerd zijn op andere case studies dan Somalië. Het tweede deel, dat zich integraal toespitst op Somalië, kan dan alle theorieën toetsen aan een exclusief Somalische context.

 

 

3. THEORIE:

NIEUWE VORMEN VAN BESTUUR IN EEN INEENGESTORTE STAAT

 

Dit eerste deel van de scriptie benadert de probleemstelling vanuit een algemene theoretische invalshoek. Zonder alles direct toe te spitsen of te illustreren met voorbeelden uit Somalië, probeer ik hier een theoretisch kader te schetsen dat dienst doet als referentiekader voor de verschillende huidige voorbeelden van state collapse.

 

Eerst heb ik aandacht voor een definiëring van de verschillende concepten die later gebruikt zullen worden. Dan volgt een overzicht van theorieën rond state collapse en dit eerste, algemene, deel van de scriptie wordt afgesloten met een overzicht van theorieën over nieuwe vormen van bestuur in ineengestorte staten.

 

 

3.1. Concepten

 

Vooraleer men een onderzoeksvraag wil beantwoorden, moeten de gebruikte concepten erin natuurlijk eerst verduidelijkt worden. Een eerste hoofdstukje van elke scriptie bestaat dus uit een literatuurstudie om een hanteerbare definitie te vinden van elk concept dat wordt behandeld. Hierbij heb ik ook aandacht willen schenken aan het onderscheid tussen de verschillende concepten.

 

De staat is de centrale analyse-eenheid in internationale relaties. Men onderscheidt drie kernfuncties die de staat traditioneel moet vervullen om van een ‘staat’ te kunnen spreken. Het betreft het zorgen voor veiligheid (monopolie van geweld), vertegenwoordiging (een legitiem staatsbestel) en welvaart (een stabiel economisch klimaat)[2].

Volgens de Weberiaanse betekenis van het concept ‘staat’ bevat een staat de volgende elelementen: territorium, beleid over dat territorium, uitoefenen van autoriteit (wat mogelijk is door het monopolie op legitiem geweld) en erkenning van die autoriteit binnen en buiten de landsgrenzen. De zaken zijn veranderd sinds Webers tijd. Sinds de voorbije zeventig jaar worden moderne staten ook nog verantwoordelijk gehouden voor het voorzien in (of het strikt reguleren van) een groot aanbod aan diensten. Het gaat over die diensten waarvan men denkt dat ze niet goed door de markt uitgeoefend kunnen worden[3].

 

Alhoewel de structuur ‘staat’ af en toe ter discussie wordt gesteld, is er weinig dat erop wijst dat de staat heeft afgedaan als de dominante vorm van politieke organisatie zoals we die de voorbij eeuwen en vandaag kennen. Een ‘staatstructuur’ zal dus waarschijnlijk de geprefereerde staatsvorm blijven. Er bestaan verscheidene indicaties die lijken aan te tonen dat het verlangen en de vraag naar een onafhankelijke staat sterk zal blijven. Wat nu nog multi-etnische staten zijn, zullen onder druk komen te staan van allerlei secessionistische bewegingen. Onafhankelijke staten zullen zich blijven vermenigvuldigen zoals ze dat de voorbije eeuw hebben gedaan[4]. In contrast hiermee bestaat er wel apocalyptische literatuur die speculeert op een algemeen doemscenario van algehele staatsafbrokkeling[5].

 

Collapsed state (ineengestorte staat, geïmplodeerde staat) verwijst naar de institutionele dimensie van een staat. Een staat is gelukt of gefaald: er bestaan al dan niet centrale instellingen die over het hele territorium staatsmacht kunnen uitoefenen of niet[6].

Voor Zartman is state collapse een fenomeen dat verder gaat dat gewoonweg rebellie, coup of opstand. Het verwijst naar een situatie waar de structuur, autoriteit (gelegitimeerde macht), wet en politieke orde weggevallen zijn. Volgens Zartman moeten deze dus weer worden opgebouwd in zijn oude of in een nieuwe vorm. Aan de andere kant betekent een ineengestorte staat niet noodzakelijk anarchie. Noch is het een simpel bijproduct van de opkomst van etnisch nationalisme. Het is de ineenstorting van de oude orde, voornamelijk de staat, dat ervoor zorgt dat het etnisch nationalisme als residu overblijft om een identiteit te vormen. Een hypothese is dat wanneer de staat ineenstort, orde en macht (maar niet altijd legitimiteit) terugvallen op de lokale groepen of niet benut worden[7].

 

Failed state (gefaalde staat, niet-functionerende staat) verwijst naar de normatieve en praktische implicaties van een staat die niet ‘gelukt’ is. De functionele dimensie van een staat wordt hiervoor onder de loep genomen, dus of een staat wel zijn drie functies uitoefent[8]. Gefaalde staten kan men dus identificeren als diegene waarin de publieke autoriteiten in de onmogelijkheid verkeren (of simpelweg niet willen) om hun deel uit te voeren van wat Hobbes lang geleden het sociaal contract noemde. Dit ‘sociaal contract’ houdt nu meer in dan de vrede handhaven tussen de verschillende facties en belangen in een samenleving.

Gros waarschuwt ook voor een al te westerse kijk op de zaken. De welvaartsstaat is voornamelijk een Westerse luxe die enkel rijke landen zich kunnen veroorloven en is waarschijnlijk geen goed middel om het ‘staat zijn’ van de Derde Wereld aan af te meten. Als we van publieke autoriteiten in het Zuiden ook verwachten dat ze de volledige herverdelende functie op zich te nemen, dan riskeren we het concept ‘gefaalde’ staten zo uit te rekken dat het haast betekeningloos wordt.[9]. Zo zal Jennifer Miliken e.a. niet aanvaarden dat er een wereldwijde crisis van staatsimplosie plaatsvindt ook al lijken de gevallen zich te vermenigvuldigen. Het hangt er volgens haar van af hoe men een staatsimplosie juist definieert. Gevallen van totale implosie blijven beperkt tot enkele uitzonderlijke gevallen (in de recente jaren enkel Liberia, Sierra Leone, Somalië en Congo/Zaïre volgens Miliken). Al is het wel waar dat heel wat landen er niet in slagen alle drie de staatsfuncties uit te oefenen over hun hele territorium[10].

 

Ik volg Raeymaekers in zijn analyse dat de discussie over state collapse is vast te komen zitten in een groeiende impasse tussen klassieke staatscentrische benaderingen (die blijven hameren op functionele problemen) en meer samenlevingsgeoriënteerde inzichten die aandacht hebben voor de nieuwe politieke en economische loyaliteiten die ontstaan zijn in de context van een zwakke staat[11]. Als we het onderscheid blijven maken tussen ‘normale’ state collapse en ‘pathologische’ state collapse, zullen we blijven te weinig aandacht besteden aan wat er in de plaats kwam van de staat. Datgene dus wat zorgt voor politieke orde in de afwezigheid van een omvattend staatskader[12]. Zoals Spanger, zal ik state collapse behandelen als een proces (een fase) en niet als een mogelijk eindstadium[13].

 

Concepten zoals ‘state decay’, politieke crisis en burgeroorlog moeten ook duidelijk onderscheiden worden van state failure/collapse. Dit was, zeker in het verleden, een van de zwakheden in de beleids- en academische analyses van state collapse[14]. In het verleden zijn er een aantal analytische modellen geweest die het fenomeen wouden plaatsen binnen de bestaande analysecategorieën, maar zo wordt state collapse niet apart gezien van andere meer algemene politieke crisissen[15]. De literatuur rond state collapse en failure wordt dan ook gekenmerkt door een aantal gevaarlijke leemtes waarvan de meest belangrijke de obscure definities zijn en het dooreenhalen van oorzaken en gevolgen[16].

 

Of indien we uitgaan van de definities van het ‘Crisis States Research Centre’, verbonden aan de London School of Economics, dan komen we via ‘fragile states’ (susceptible to crisis in one or more of its subsystems) en ‘crisis states’ (under acute stress, where reigning institutions face serious contestation and are politically unable to manage conflicts) tot ‘failed states’ als een voorwaarde voor ‘state collapse’ (a state that can no longer perform its basic security and development function and that has no effective control over its territory)[17].

 

In het huidige discours van de VS-president Bush komen vaak rogue states voor. Dit is eerder een term voor politiek gebruik dan een wetenschappelijk bruikbaar concept. Dit door de normatieve invulling die afhankelijk is van het regime dat de term gebruikt. Kevin Drum verwoordt het als ‘wat rogue states zijn voor de internationale onveiligheid, zijn ‘failed states’ voor de nationale onveiligheid’[18].

 

De notie soevereine staat behoeft ook enige nuance. Zo merkt Ian Spears op dat sommige staatsentiteiten zoals Somaliland empirisch gezien sterker blijken te zijn dan andere landen die wel juridisch-onafhankelijk zijn. Somaliland doorstond met zijn meerpartijensysteem al enkele politieke crisissen en vervult de drie staatsfuncties vaak beter dan andere zogenaamde soevereine staten. In Somaliland is er namelijk wel een legitieme regering die zorgt voor relatieve stabiliteit en hierdoor beginnende welvaart mogelijk maakt[19].

 

Het begrip civiele samenleving zal ook regelmatig voorkomen in dit werkstuk.

Volgens het Centre for Civil Society verstaat men hieronder “the arena of uncoerced collective action around shared interests, purposes and values. In theory, its institutional forms are distinct from those of the state, family and market, though in practice, the boundaries between state, civil society, family and market are often complex, blurred and negotiated. Civil society commonly embraces a diversity of spaces, actors and institutional forms, varying in their degree of formality, autonomy and power. Civil societies are often populated by organisations such as registered charities, development non-governmental organisations, community groups, women’s organisations, faith-based organisations, professional associations, trade unions, self-help groups, social movements, business associations, coalitions and advocacy groups[20]. In deze definitie rekent men de meeste verenigingen tot de civiele samenleving. Anderen gaan evenwel zo ver dat ze enkel apolitieke organisatiestructuren in de lijst opnemen en bij uitbreiding ook vakbonden en dergelijke uitsluiten[21].

 

 

3.2. Theorieën over state collapse

 

“From Haiti in the Western Hemisphere to the remnants of Yugoslavia in Europe, from Somalia, Sudan, and Liberia in Africa to Cambodia in Southeast Asia, a disturbing new phenomenon is emerging: the failed nation-state, utterly incapable of sustaining itself as a member of the international community”[22]

 

Deze hoofdstukken behandelen verschillende aspecten van het fenomeen state collapse. Ik ga in op de verschillende theorieën over de oorzaken voor state collapse, citeer een bruikbare taxonomie om ineengestorte staten in te delen en heb oog voor de internationale en Afrikaanse context die met state collapse samengaat. Ook besteed ik aandacht aan hoe deze theoretici het leven in een ineengestorte staat percipiëren en hoe de economie daar functioneert. Dit hoofdstuk wordt afgesloten met een overzicht van welke evaluaties men maakt van dit fenomeen en de voorspellingen naar de toekomst toe die men formuleert.

 

3.2.1. Oorzaken en verklaringen van state collapse

 

Er bestaan tegenstrijdige verklaringen over welke factoren leiden naar een situatie van state collapse[23]. Doornbos waarschuwt dat er een misplaatste tendens is om te zoeken naar eenduidige oorzaken en verklaringen en men op dezelfde manier dan op zoek gaat naar eenduidige ‘quick-fix’ oplossingen voor de reconstructie van een staat[24].

 

Externe oorzaken

De meeste auteurs koppelen het ontstaan van ineengestorte staten uitdrukkelijk aan de gewijzigde internationale context. Tijdens de Koude Oorlog zorgden de grootmachten er voor dat zelfs de zwakste regimes op de been bleven. Eenmaal die grootmachten hun handen aftrokken van hun cliëntlanden leidde dit tot de val van heel wat dictaturen, zonder dat er alternatieve politieke organisaties klaarstonden om de macht over te nemen. De jaren ’90 kenden bijvoorbeeld het imploderen van zwakke staten zoals Liberia, Somalië, Sierra Leone en Zaïre[25]. Deze landen die de jure onafhankelijk waren, bleken quasi-staten te zijn: staten die enkel bestonden omdat de Verenigde Naties en andere landen zeiden dat ze bestonden (term komt van Robert Jackson)[26]. Het is bijvoorbeeld opmerkelijk dat twee van de landen die tijdens de Koude Oorlog de meeste bilaterale steun ontvingen van de Verenigde Staten, namelijk Somalië en Zaïre, alle twee implodeerden eenmaal die steun wegviel[27].

De structurele aanpassingsprogramma’s (SAP’s) en privatiseringsmaatregelen tijdens de jaren 1980 hebben ook voor een groot stuk bijgedragen tot state collapse. De staat werd afgeslankt op vraag van Westerse donoren en multilaterale instellingen als de Wereldbank. De middelen die ter beschikking gesteld werden aan dergelijke landen, werden vaak gebruikt door de leiders in hun eigen voordeel. Toen de bilaterale en multilaterale hulp wegviel, waren dergelijke leiders een vogel voor de kat door een gebrek aan middelen[28].

 

Interne oorzaken

De ‘schuld’ kan natuurlijk niet exclusief bij buitenlandse actoren worden gelegd. Theoretici en beleidsmakers zijn al langer op zoek naar interne elementen die aan de basis liggen van het slecht functioneren van staten. Het sleutelwoord dat dan vaak valt is ‘goed bestuur’.

Als staten beter functioneren (lees: goed bestuurd worden) is de kans groter dat men niet vervalt in een situatie van state collapse. Dergelijk ‘goed bestuur’ hangt in belangrijke mate af van de kwaliteit van de instellingen van een staat. De Wereldbank en andere grote donoren zoals de OESO-landen stellen richtlijnen op voor hun donorlanden die betrekking hebben op de kwaliteit van de staatsinstellingen. De bedoeling is om daarmee het ‘goed bestuur’ van die landen te bevorderen[29]. Want als de instellingen corrupt, inefficiënt of niet bekwaam zijn om hun taken uit te voeren over het hele grondgebied, dan loopt het mis. Er is ook al gesuggereerd dat het ook verkeerd kan lopen als instellingen onaangepast zijn aan de maatschappij waarin ze moeten functioneren. In dat geval werken instellingen niet omdat ze niet legitiem zijn. De bevolking aanziet ze als vreemd en van buitenaf opgelegd. Dergelijke instellingen botsen met de waarden en overtuigingen van de maatschappij in kwestie[30].

 

Men mag echter de verklaring van een complexe situatie als staatsimplosie niet verengen tot een gebrek aan goed bestuur alleen. Gros deed uitgebreid onderzoek naar welke factoren een sterke correlatie vertonen met de implosie van gefaalde staten. Hij ziet 5 factoren die sterk correleren: economisch slecht presteren, gebrek aan sociale synergie, autoritarisme, militarisme en aftakeling van natuurlijke habitat veroorzaakt door een onbeheerste bevolkingsgroei[31].

 

3.2.2. Taxonomie

 

Het zou fout zijn om alle gefaalde staten over dezelfde kam te scheren, want er is niet zoiets als een waterdicht schot te plaatsen tussen enerzijds gefaalde en anderzijds succesvolle staten. Beter is om staten op een continuüm te plaatsen. Aan de ene kant de staten die ‘geslaagd zijn’ (al is dat werk nooit af[32]) en aan het andere extreem de staten die aan geen enkel criterium beantwoorden dat hoort bij succesvol staatsschap. Deze criteria zijn, volgens Gros: internationaal erkende grenzen, binnen die grenzen een autoriteit die het geweldsmonopolie heeft en over het hele territorium effectief gezag heeft en werkende instellingen[33]. Gros maakt dus een taxonomie op van de verschillende types ‘state failure’ en ook van de verschillende factoren die leiden tot zo’n toestand[34].

 

Het volledige spectrum aan scenario’s op het continuüm:

· De anarchistische staat (vb. Somalië)

Aan de ene extreme kant plaatst Gros gefaalde staten die internationaal erkende grenzen kennen, maar echter zonder gecentraliseerde autoriteit. De controle over deze niet-bestaande staat wordt gewapenderhand nagestreefd door gewapende groepen die onder het bevel staan van warlords of door gewapende milities die op eigen houtje opereren. Ondertussen vechten ze voor de controle over een regio, stad, buurt of gebouw met strategisch belang. Staten van dit type zijn op dit moment eerder zeldzaam. Gelukkig maar, want het reconstrueren van een staat in een dergelijke situatie blijkt uiterst moeilijk. Somalië bevond zich vanaf midden jaren 1990 zeker in deze situatie.

· De spookstaat (vb. Zaïre)

In spookstaten is er een waan van autoriteit. Deze is er soms wel effectief, maar dan enkel in beperkte sectoren, zoals het beschermen van de presidentiële despoot en zijn entourage. In de meeste andere domeinen blijft deze staat onzichtbaar. Het Zaïre onder Mobutu kan hier als prototype dienst doen.

 

· De lusteloze staat (vb. Haïti en Cambodja)

Er kan een lusteloze staat ontstaan om twee verschillende redenen. Enerzijds omdat het merendeel van de energie en middelen van de staat naar het bevechten van opstandelingen gaat die de staatsautoriteit willen overnemen. Anderzijds kunnen staten ook ‘lusteloos’ zijn omdat de modernisering aan hun staat voorbij gegaan is. Een grote bevolkingsgroei zet dan bijkomende druk op die archaïsche staatsstructuren. Zo geraken staatsinstellingen in de onmogelijkheid om effectieve controle uit te voeren.

· De gevangen genomen staat (vb. Rwanda)

Staten van dit type hebben een sterk gecentraliseerd bestuur maar dan wel één dat gevangen zit doordat het gekaapt is door één bepaalde groep. De elite van deze groep gebruikt de staat als vehikel om rivaliserende elites onder de knoet te houden (of in extreme gevallen uit te roeien). State failure in Rwanda verwijst niet naar zwakke centrale regeringen, maar wel naar het feit dat de staat niet de volledige bevolking omarmt.

· De vroegtijdig afgebroken staat (vb. Bosnië)

Dit zijn staten die faalden toen ze nog in vitro waren. Ze maakten kennis met state failure voordat hun proces van staatsformatie geconsolideerd geraakte. De situatie van Bosnië vindt haar oorsprong in een te snelle overgang van een quasi federatiestructuur naar een situatie van onafhankelijkheid zonder dat de bijhorende beschermingen er waren voor minderheden en tegen agressieve buurlanden[35].

 

Een belangrijke noot hierbij is dat volgens de auteur van deze indeling deze categorieën niet vast zijn. Staten kunnen van de ene categorie naar de andere overspringen op een bepaald punt in hun geschiedenis. Deze categorieën mogen ook niet als etages gezien worden. Een staat die in een spiraal terecht komt die leidt naar een situatie van algehele staatsimplosie passeert niet langs elke etage.

Deze indeling in categorieën is van belang als men falende staten ter hulp komt. Een herstel van een gefaalde staten die geen gecentraliseerde autoriteit meer kennt (zie Somalië) zal veel meer financiële middelen en buitenlandse politieke en militaire steun vergen dan landen waar nog steeds iets van een autoriteit aanwezig is (zie Haïti)[36].

 

 

Een ander soort continuüm is de jaarlijkse Failed States Index van het tijdschrift Foreign Policy. Jaarlijks stelt men deze samen, omdat ook zij opmerken dat gefaalde staten evolueren in een jaar tijd. Men deelt de staten hier, in tegenstelling tot Gros, niet in categorieën in maar men hanteert de indeling ‘meer of minder gefaald’. Deze ranking wordt opgesteld aan de hand van twaalf factoren (demografische druk, criminaliteit, ongelijke geografische ontwikkeling, falende publieke voorzieningen,…) en deze hitparade werd in 2006 bekroond door Soedan, de DRC en Ivoorkust[37].

Doom levert zware kritiek op deze jaarlijkse ranking van Foreign Policy. Hij merkt op dat deze ranking is opgesteld vanuit westers oogpunt. De ranking beschouwt staten als een probleem voor deze wereld als ze een probleem vormen voor de opstellers van de ranking, het westen. Ten tweede bemerkt hij dat zo’n ranking met een schijnbaar hoog objectiviteitsgehalte (die 12 criteria) de politieke wereld een agenda verleent voor legitieme interventie[38].

 

3.2.3. Gefaalde staten binnen de internationale gemeenschap

 

Dat in onze huidige interdependente wereldorde ineengestorte staten niet als eilandjes kunnen fungeren, staat buiten kijf. Daarvoor zijn haast alle staten in onze huidige wereldorde te veel geïntegreerd en te afhankelijk van elkaar. Maar hoe gaat de internationale gemeenschap dan om met gefaalde staten?

 

Het probleem van ineengestorte staten begint men binnen de internationale gemeenschap pas te onderkennen sinds ‘9/11’, de aanslagen op 11 september 2001 aan de oostkust van de Verenigde Staten. In de jaren negentig vond men ineengestorte staten maar problemen in de kantlijn van het wereldgebeuren. Vaak met een ondertoon van “het is toch maar Afrika, het waren toch maar corrupte regimes”. Maar sinds 9/11 is staatsimplosie terug op de internationale agenda gekomen[39]. Dit door de notie van een ‘safe haven’ voor terroristen: een ineengestorte staat biedt (al dan niet gewild) een uitvalsbasis voor terroristen[40] en omdat gefaalde staten netwerken kunnen huisvesten die voor de financiering van het internationaal terrorisme kunnen zorgen. Het wordt namelijk meer en meer duidelijk dat niet functionerende of ineengestorte staten in Afrika het geliefkoosde terrein vormen voor illegale netwerken die zich bezighouden met de handel in edelstenen, mineralen, wapens, drugs of witwaspraktijken. Nu de internationale gemeenschap de financieringskanalen van het internationaal terrorisme wil droogleggen, groeit het bewijs dat deze netwerken gebruikt ter financiering van het terrorisme[41].

 

De recente aandacht van de internationale gemeenschap kwam er dus pas na 9/11 en niet omdat er een toename kwam van gefaalde staten. Toen in de vroege jaren 1990 de staten Somalië, Zaïre en Burundi implodeerden, beschouwden de Westerse waarnemers dit als een eerder ‘marginaal’ fenomeen. Men schreef het toe aan de onkunde van de leiders van het Zuiden en aan de effecten van economische afhankelijkheid nu de Koude Oorlog achter de rug was. Vandaag de dag bekijkt men dergelijke gebeurtenissen wel met bezorgdheid en dit omwille van twee redenen. Ten eerste omdat men state failure zag evolueren van een regionaal fenomeen naar iets dat meer en meer globale proporties aan nam. Ten tweede omdat hierdoor het strategisch belang van gefaalde staten drastisch werd verhoogd. Gefaalde staten werden plotsklaps mogelijke bronnen van internationale instabiliteit die een bedreiging konden gaan vormen voor het internationale statensysteem als dusdanig. Het werd bon ton om de situatie in gefaalde staten te omschrijven als groeibodems van ‘instabiliteit, massale migratie en moord’ en in extreme gevallen zelfs als reservoirs van terroristen[42].

 

Het debat of de internationale gemeenschap zich moet inlaten met dergelijke gevallen van staatsimplosie werd dus beslecht door de ‘war on terror’. De conclusie van de National Security Strategy van de Verenigde Staten uit 2002 was niet voor niets: “America is now threatened less by conquering states than we are by failing ones[43].

De vraag voor de internationale gemeenschap is dus niet meer of nation-building binnen een gefaalde staat kan werken, maar wel dat nation-building moet werken[44]. Als men de inspanningen qua nation-building bekijkt die de internationale gemeenschap in Irak en Afghanistan levert, beseft men hoe belangrijk men dit is gaan vinden. Als voornaamste opdracht ziet men steeds het opbouwen en ondersteunen van een nieuw effectief staatsgezag. Wat Menkhaus de kritiek ontlokt dat de buitenlandse bemiddelingspogingen meer focussen op state-building dan op peace-building, ondanks het feit dat een gewone Somaliër op korte termijn meer zou profiteren van een herstelde vrede dan van een herstelde centrale regering[45]. Een voorbeeld als Oost-Timor zorgt ook voor een kanttekening bij deze pogingen om van buitenaf een staatsstructuur op te leggen aan een gemeenschap. Jarat Chopra toont aan dat de organisatiecultuur en de belangen van de externe actoren die intervenieerden, bijdroegen tot het mislukken van de institutionele reconstructie in Oost-Timor[46].

 

Zoals hierboven reeds aangehaald is het ietwat ironisch dat de internationale gemeenschap niet steeds vrijuit gaat bij het ontstaan van dergelijke gefaalde staten. Zwakke regimes werden meermaals boven water gehouden door buitenlandse steun, zeker in een klimaat van Koude Oorlog. William Reno toont in zijn boek ‘African Weak States and Commercial Alliances’ mooi aan dat er tijdens de Koude Oorlog transnationale allianties ontstonden van regeerders van zwakke staten, crediteuren en buitenlandse ondernemingen die allen hun voordeel zagen bij deze samenwerkingsconstructie. Afrikaanse leiders wouden hun regime consolideren door buitenlandse ondernemingen (voornamelijk in de mijnbouw) en buitenlandse private huurlegers in te schakelen om zo hun rivalen op de politieke markt te kunnen onderdrukken. Dergelijke regimes krijgen financiële steun van crediteuren in het kader van het afslanken van bureaucratieën, het privatiseren van de staat en de aanpak van corruptie en inefficiëntie. Dit geld wendden ze aan om de diensten van die buitenlandse ondernemingen in te huren. Functies die normaal gezien door een staat worden uitgeoefend, werden zo overgenomen door buitenlandse ondernemingen en huurlingenlegers.

Zo ontstonden transnationale allianties waarbij iedereen voordeel had. Crediteuren werden afhankelijk van het overleven van regeerders van zwakke staten, want anders bestond de mogelijkheid dat hun leningen niet terugbetaald werden. Buitenlandse ondernemingen konden hun activiteiten ontplooien en hielpen zo ook de doelstellingen van de crediteuren. Regeerders van zwakke staten deelden in de inkomsten uit de uitbating van hun grondstoffen door buitenlandse ondernemingen en hadden die inkomsten ook erg nodig. Al was het maar voor het onderdrukken van hun politieke rivalen[47].

 

3.2.4. Gefaalde staten binnen een Afrikaanse context

 

Het fenomeen van state collapse is historisch en wereldwijd, maar nergens zijn er meer voorbeelden dan in het huidige Afrika[48]. Al moet er op gelet worden dat men niet vervalt in het klassieke en pijnlijke beeld over Afrika als een verloren continent. Sub-Sahara Afrika heeft níet het monopolie over gefaalde staten. Ze zijn integendeel universelel concepten: afhankelijk van de definitie die men gebruikt, kan men gefaalde staten vinden in elk deel van de wereld[49].

 

In contrast tot de apocalyptische literatuur die speculeert op een algemeen doemscenario van algehele staatsafbrokkeling[50], staan auteurs die poneren dat de bestaande territoriale staten in Afrika fragiel blijven maar dat zoiets niet causaal leidt tot anarchie[51]. Staatsimplosie stellen zij niet gelijk aan maatschappij-implosie.

 

De oorzaken waarom Afrikaanse in het algemeen zwak zijn, zou het gevolg zijn van twee crisissen. Enerzijds een accumulatiecrisis en anderzijds een bestuurlijke crisis. Dit hebben dan geresulteerd in legitimiteitscrisis. De legitimitiet die de staat nog had ten tijde van de dekolonisering is weggevallen en in heel wat gevallen besturen AF besturen Afrikaanse staten nog slechts belangrijke steden en economisch belangrijke gebieden.

Door tijdens het tijdperk van de Koude Oorlog er intern een patroon-clientsysteem op na te houden en extern afhankelijk te zijn van patronage door de Verenigde Staten of de Sovjetunie, werd al een kiem gelegd voor de huidige toestand. Toen de Koude Oorlog ten einde kwam, kwam er ook een einde aan het belang van Sub-Sahara Afrika voor de internationale gemeenschap en kon de hulp voor de Afrikaanse regimes geconditionaliseerd worden. Dit leidde tot het opdrogen van de middelen die zwakke regimes in het zadel hielden en beschermd werden tegen binnenlandse concurrenten voor de macht.

Doordat de buitenlandse kredietverstrekking een zeer belangrijke rol speelde in het besturen van zwakke Afrikaanse staten, nam na de afstandsname en de conditionaliteit door het Westen het aantal gefaalde staten toe. De conventionele analyse van state collapse in Afrika luidt dus: doordat de middelen waarover de staat beschikt afnemen, fragmenteren de patronagenetwerken. Loyale lokale ondergeschikte machtshebbers worden dan warlords die de centrale autoriteit zullen aanvallen[52].

 

Andere auteurs poneren de stelling dat men de oorzaken van de huidige situatie van staten in Afrika verder in de geschiedenis moet gaan zoeken. De huidige ineengestorte staten zouden een terugkeer inluiden naar de prekoloniale staatsloze samenlevingen van weleer. Want linken tussen de bestaande staten in Sub-Sahara Afrika met hun prekoloniale politieke systemen zijn in de meeste gevallen heel klein of onbestaande. Kan er eigenlijk wel zo’n erfenis zijn want traditioneel Afrika was niet politiek georganiseerd op een soevereine staatsbasis. Toen de Conferentie van Berlijn (1884-1885) gehouden werd, waren noch de regio op zich, noch de honderden componenten van traditionele politieke systemen lid van de familie van naties. Het oude Afrika was een politieke wereld die veel meer herkenbaar was voor antropologen dan voor het internationaal recht en de diplomatie: het was niet georganiseerd en het werkte niet op basis van soeverein staatsschap. Afrika was een continentale archipel van los gedefinieerde politieke entiteiten waarvan er weinig meer inhielden dat een wat uitgebreid systeem van bloedverwantschap zonder ook maar één centrale overheid. Zelfs meer gecentraliseerde Afrikaanse politieke systemen hadden vage grenzen en regeringen wiens autoriteit en macht verdween in de periferie van hun rijk[53].

Bozeman beschreef het als volgt: “African states were fluid and ad hoc creations that did not require a fixed human or territorial base (…) each is best understood as a system of more or less autonomous parts, held together by a dominant personality, family or lineage”[54].

 

De moderne staat met een centrale regering die capabel is om haast altijd sociaal geweld te beletten en op regelmatige basis belastingen kan innen binnen een duidelijk afgebakend territorium was een nieuwe politieke vorm die naar Afrika is gebracht door Europeanen samen met andere sociale en fysieke technologieën. Hun kolonies verschilden enorm van de traditionele staten: ze waren niet gebaseerd op stam en personal rule[55].

Tijdens de koloniale periode werden Afrikaanse staten weliswaar bestuurd, maar niet via een eigen staat. De schaarse helderzienden die onafhankelijke staten in het Zuiden voor mogelijk hielden binnen een afzienbare toekomst, gingen ervan uit dat ze een doorslag zouden zijn van die in het Noorden. Dat de civiele maatschappij er verschillend was, dat er ook onderling in de Derde Wereld ontzettend veel discrepanties waren tussen maatschappijen werd in deze over het hoofd gezien. De staat werd vanuit een staatsgecentreerde visie bestempeld als een a priori gegeven, dat niet te bevragen viel[56].

Nochtans waren die koloniale staten zelf niet erg uitgebreid. In de meeste gevallen waren het niet meer dan elementaire bureaucratieën met beperkt personeel en financiële mogelijkheden. En ze veranderen niet de onderliggende politieke cultuur van de kleine traditionele Afrikaanse samenlevingen (of konden ze niet veranderen?). Toch waren het deze vreemde structuren die na de onafhankelijkheid gekozen werden als bestuursvorm en niet de traditionele politieke systemen. “It (de staat) is still in many respects an alien institution” [57].

Het waarschijnlijk onbedoelde maar onvermijdelijk gevolg hiervan is het ontstaan van een internationale regio die bestaat uit voornamelijk zwakke regeringen als het al geen ‘stateless’ jurisdicties zijn[58].

 

Zartman daarentegen pleit de koloniale en prekoloniale geschiedenis van Afrika vrij van schuld aan het fenomeen state collapse. Hij stelt dat state collapse in onafhankelijk Afrika geen postkoloniaal fenomeen is, maar een kenmerk van nationalistische, tweede of latere generaties regimes die functionerende staten bestuurden. Het fenomeen kwam in twee golven. De eerste na het einde van het tweede decennium van onafhankelijkheid, wanneer regimes die de originele nationalistische generatie hadden vervangen, de hele staatstructuur meetrokken in een vacuüm. De tweede golf kwam een decennium later en blijft voortduren tot in de jaren 1990 met nog steeds nieuwe gevallen[59].

 

3.2.5. Economische situatie in een gefaalde staat: conflict vs. ontwikkeling

 

Is er economisch leven en ontwikkeling mogelijk zonder een staat? Dit blijkt een discussie te zijn die vaak verzandt in ideologisch gepalaver tussen believers en disbelievers over de relatie tussen sterke staat- groeiende economie.

 

Sinds het onderuit halen van de Washington Consensus in het midden van de jaren ‘80 heerst onder beleidsmakers de overtuiging dat slecht functionerende staten nefast zijn voor de economische ontwikkeling van een land. In het ergste geval kan een slecht functionerende staat ineenstorten en eindigt het land in totale chaos. De opbouw moet dan weer van voor af aan beginnen[60].

 

De periode daarvoor was het net omgekeerd en was de analyse van de wereldbank dat er een economische liberalisering moest plaatsvinden. De economische crisis in Afrika zou het gvolg geweest zijn van inefficiënte patroon- cliënt netwerken. Als oplossing zag men de privatisering van staatsdiensten om zo de middelen van onder de staatscontrole weg te halen en onder te brengen bij de privé-economie. Dit zou de invloed moeten doen afnemen van patroon-cliënt netwerken. Maar staatsondernemingen kwamen in handen van cliënten van het oude regime die werden gesteund door bureaucraten bij voorkeur aan die nieuwe privé eigenaars leningen en andere voordelen toekennen. De privé-sector in Afrika is dus wel nooit echt autonoom geworden, maar de staat is op zijn beurt wel weer verzwakt uit deze operatie gekomen[61].

 

De situatie in een ineengestorte staat kan misschien dé lakmoesproef zijn bij de vraag of er een regulerende staat nodig is om een bloeiend economisch leven te hebben. Een recent rapport van de Wereldbank lijst de sectoren op waar dit al dan niet lukt en doet dit aan de hand van hedendaags Somalië als voorbeeld.

 

Vooreerst blijkt de private sector verrassend innovatief te zijn. In sectoren waar de transacties eenvoudig zijn, zoals de detailhandel en de bouw, heerst er gezonde concurrentie. In meer complexe sectoren zoals telecommunicatie en elektriciteitsvoorziening zijn de privé-oplossingen onvolkomen maar toch indrukwekkend: de spreidingsgraad is uitgebreid sinds de jaren 1980 en de prijzen zijn vergelijkbaar met deze van andere Afrikaanse landen. Alleen bij publieke goederen en private goederen met sterke spillover effecten (wegen, monetaire stabiliteit, een wettelijk systeem, basisonderwijs, een grensoverschrijdend financieel systeem) lijkt een regulerende staat erg gemist te worden. Maar zelfs in die sectoren heeft de private sector creatieve aanpakken ontwikkeld die gedeeltelijk bijdragen tot een effectief bestuur. Als een resultaat daarvan, kent Somalië lagere graden van extreme armoede en in sommige gevallen beter infrastructuur dan rijkere landen in Afrika[62].

De specifieke gaten in de voorziening van diensten door de privé zijn de volgende:

Een goedwillende regering zou deze beide problemen kunnen oplossen. Maar het simpele feit van een sterkere regering te hebben, zal niet helpen. Gemeentelijke overheden langs de weg Berbera-Hargeisa heffen tol, maar zullen deze inkomsten niet spenderen aan het onderhoud van deze weg. Het falen van het onderwijssysteem is gedeeltelijk te verklaren omdat de helft van de Somaliërs nomaden zijn. Het is niet duidelijk of de overheid beter zou doen, zeker omdat geweten is dat de privé-scholen in beter onderwijs voorzien dan hun staatstegenhangers. Beter dan een regeringssysteem te creëren vanuit het niets, zou men het netwerk van privé-scholen die hoge kwaliteit bieden kunnen verbeteren.

Er is enkel een rol voor de overheid weggelegd als ze bouwt op de sterktes van de privé-sector. En sinds de Somalische bedrijfjes sterk steunen op instituties buiten de economie, zou het helpen mocht het internationaal en het Somalisch beleid deze verbindingen zou steunen. Gezien de mogelijkheid van sommige sectoren in Somalië om overweg te kunnen onder moeilijke omstandigheden, zou het regeringen en hulporganisaties hoop en richting moeten geven bij hun reconstructiepogingen[63].

 

3.2.6. Evaluatie

 

De vraag stelt zich welke evaluatie men moet maken van geïmplodeerde staten. Hoe moet dit, al dan niet nieuw, fenomeen geïnterpreteerd worden?

 

State collapse, zoals we het nu meemaken als een fenomeen van de moderne staat in Afrika en elders, is verschillend van het historisch fenomeen dat geassocieerd wordt met gigantische beschavingen uit het verleden. Het is geen zaak van ‘civilizational decay’. De samenleving blijft overeind en ondanks het feit dat ideologie, regime en orde veranderen kun je toch niet beweren dat er een beschaving wordt vernietigd[64].

 

Tot voor kort stond de noodzaak van de staat (in de praktijk) nauwelijks ter discussie. In feite was iedereen het eens: de staat was een logisch eindpunt van een historische evolutie. Die algehele consensus is er nu niet meer[65]. Al blijven de meeste geloven dat ‘de staat’ een constructie is die niet zal verdwijnen. Als volk je eigen staat hebben, blijft namelijk voor vele volkeren ter wereld hét streefdoel wegens de verlokking om dan als volk vrij te zijn en controle te hebben over je eigen toekomst. Een staat oprichten blijft dus het beste teken dat je als volk erkend en gerespecteerd wordt door de anderen. Dit is waarschijnlijk de meest fundamentele reden waarom men niet moet verwachten dat in de nabije toekomst soevereine staten van deze wereld zullen verdwijnen[66].

 

Een auteur als Robert Kaplan denkt echter dat de staat, zoals we die nu kennen, heeft afgedaan. Hij hanteert een visie van toekomstige chaos dat onze wereld te wachten staat doordat de klassieke situatie van een staat met een centrale regering vervangen wordt door “city states, shanty-states, (and) nebulous and anarchic regionalism”[67]. De meeste andere auteurs zijn echter meer gematigd, maar merken toch op dat gefaalde staten een structureel kenmerk geworden zijn van het interstatensysteem en geen tijdelijke disfunctie van het Westfaalse interstatensysteem[68]. State collapse interpreteert men nu als een onderdeel van een ontwikkelingsmalaise dat gekeerd kan worden door een combinatie van smart sanctions, externe hulp en institution-building[69].

 

Andere auteurs benaderen het verzwakken van de staat als een voordeel voor een meer kosmopolitische (globale)[70] of een meer representatieve (lokale)[71] visie op politiek. Nog anderen blijven vasthouden aan de idee van een wereldsysteem gebaseerd op nationale staten, argumenterend dat de soevereine staat de meest aangewezen actor blijft om politieke orde te creëren in afwezigheid van een globale of regionale hegemon[72].

 

Zoals voorgesteld door Miliken en Krause, moeten we er misschien van uit durven gaan dat de mogelijkheid van state collapse een plausibele, en soms zelfs gewenste, uitkomst kan worden voor sommige staten in het systeem. Moet de mogelijkheid niet onderzocht worden dat factoren die in de ene context sterke en gelegitimeerde staten voortbrengen, in een andere context interageren met verschillende lokale en historische condities en daarom zwakke en ineengestorte staten genereren[73]? Zo is er het werk van de auteurs Almond en Verba, die ‘The Civic Culture[74]’ publiceerden. In dat werk peilt men naar de culturele basisvereisten die democratie stimuleren of remmen. Als conclusie formuleert men daar dat sommige samenlevingen cultuur-historische factoren kennen die democratie zoals wij die kennen en propageren ernstig belemmeren[75].

 

Het komt er dus op aan om aandacht te besteden aan die bestuursvormen die in een situatie van state collapse opduiken. Dat kunnen zowel restanten zijn van de vroegere autoriteit (overblijfselen van het staatsapparaat, nationale politici en lokale chiefs) als het ontstaan van nieuwe bestuursvormen, de zogenaamde non-state armed actors en de civiele maatschappij[76].

 

Raeymaekers maakt de synthese dat er momenteel drie ideeën de visie op state collapse domineren[77].

Het eerste idee is dat men state collapse gelijkschakelt met een institutionele afbraak. In Zartmans termen wordt state collapse louter geïnterpreteerd in termen van een ineenstorting van de regering. De oplossing voor state collapse is dan het opnieuw opbouwen van deze structuur wat dan de hele samenleving terug doet functioneren[78].

Een tweede idee van de gangbare analyse is dat men een institutionele instorting gelijkstelt met een instorting van de hele samenleving. State failure, society failure and state collapse are thus essentially placed on a development ‘continuum’, where one stage of failure almost automatically leads to another.[79]

Het derde kenmerk van deze analyse is de obsessie voor gewapend conflict. Staten die in een situatie van state collapse zitten, zouden vast zitten in een conflict trap. In hun zoektocht naar economisch voordeel, zoeken actoren naar lucratieve allianties die tezelfdertijd een belangrijke incentive zijn voor het verder zetten van het gewapend gevecht.[80] Heel wat auteurs hanteren de metafoor van de vicieuze cirkel. Zo stellen politiek-economische theorieën over hedendaagse conflicten dat een conflict voortduurt omdat er interne en externe actoren zijn die belang hebben bij een aanslepend conflict[81]. Zo zijn er volgens de Wereldbank ‘verschillende negatieve feedbackmechanismen’ die zorgen voor de hoge persistentie van een conflict zoals dat in Somalië[82].

 

Een interessante reactie hiertegen is die van Ken Menkhaus die aantoont dat Somalië sinds het einde van de tweede burgeroorlog in 1992 aanzienlijk veranderd is. Of hoe de casus van Somalië aantoont dat in sommige gevallen langdurige conflicten geen zichzelf versterkende crisissen zijn maar eerder evoluerende ‘emerging political complexes’, met politieke en sociale veranderingen die ontstaan door veranderende belangen van sleutelactoren. Menkhaus wil de crisis vooral proberen te begrijpen door te kijken naar die elementen die invloed hebben op de belangen van dergelijke actoren[83].

 

3.2.7. Oplossingen

 

Een belangrijke beleidsvraag is hoe die gevallen van state collapse zullen evolueren. Zijn ze op te lossen, als men state collapse ten minste als een probleem percipieert, met veel middelen en goede wil van binnen- en van buitenuit? Of zijn ze gedoemd om in hun zich zelf in stand houdend conflict te blijven voort sudderen?

 

Raeymaekers ziet twee mogelijke uitkomsten voor een situatie van state collapse.

De eerste mogelijke uitkomst is dat er één partij groeit totdat die de nodige middelen en steun heeft om het pleit te winnen. Waarschijnlijk moet er eerst op lokaal vlak een basis uitgebouwd worden, vooraleer die partij z’n macht kan uitbreiden naar een dominantie over de hele samenleving. De tweede, meer waarschijnlijke, optie is dat het gevecht over de maatschappij onbeslist blijft. Hoogstwaarschijnlijk heeft dit tot gevolg dat de machtscentra nog meer fragmenteren en dat het conflict zal overgaan op steeds lagere niveaus van de samenleving. Men plooit dan terug op de eigen kleine gemeenschap en het beleid zal dan ook meer en meer etnisch of op de clans gebaseerd zijn[84].

 

De vraag is dus of er kant-en-klare oplossingen kunnen gezocht worden voor een situatie van state collapse. Doornbos waarschuwt dat er naast de misplaatste tendens om te zoeken naar eenduidige oorzaken voor state collapse, ook de neiging bestaat om eenduidige, liefst nog quick-fix oplossingen voor te stellen als oplossing[85]. Renders merkt op dat beleidsmakers die zich bezig houden met ontwikkelingssamenwerking en staatsopbouw, het doen functioneren van instellingen vaak beschouwen als een technisch probleem. Men wil dan teruggrijpen naar ‘modellen’ die al gewerkt hebben. Een voorbeeld van zo’n model zou kunnen zijn dat je in het geval van een geïmplodeerde staat zoals Somalië aan de slag gaat met de ‘traditionele’ instellingen om vlug weer een vorm van bestuur op poten te zetten. Maar uit het onderzoek van Renders over de totstandkoming van Somaliland blijkt dat de kwestie niet technisch is maar politiek. Men kan namelijk niet voorbij de politieke actoren die meespelen, of het nu krijgsheren zijn of politici[86].

 

De visie die je over staatsimplosie erop na houdt, is dus allesbepalend voor de oplossing die je voorstelt. Een auteur als Zartman, met zijn nadruk op het institutionele karakter van state collapse, stelt dat de eerste voorwaarde voor een succesvol herinstalleren van een staat, het in ere herstellen moet zijn van de staatstructuren die voorheen bestonden: “restoration of stateness is dependent on reaffirmation of the precollapse state[87].

 

Of als men als auteur de nadruk legt op de situatie van gewapend conflict binnen state collapse, dan benadrukt men dat er eerst een oplossing moet komen voor de mechanismen die het aanslepend conflict doen voortduren. Eén daarvan is de conflict trap, zoals reeds hierboven aangehaald. Het doorbreken van dit mechanisme zou dus de eerste bekommernis moeten zijn van iedereen die de legitieme autoriteit wil herstellen in staten[88].

 

Als men van mening is dat de situatie van state collapse te wijten is aan de aard van de instellingen zelf, is het niet zinvol om die opnieuw te reconstrueren. Als die instellingen namelijk onaangepast zijn aan de maatschappij waarin ze moeten functioneren, loopt het gegarandeerd weer mis. Instellingen kunnen namelijk niet als ze niet als legitiem worden aanzien,als ze als vreemd en van buitenaf opgelegd beschouwd worden. Dergelijke instellingen botsen met de waarden en overtuigingen van de maatschappij in kwestie. Om efficiënte instellingen te krijgen, moet men hieraan tegemoet komen en het probleem oplossen door beiden met elkaar te verzoenen. ‘Traditionele’ en ‘moderne’ instellingen moeten op elkaar worden afgestemd: de moderne instellingen moeten een basis krijgen in de maatschappij zodat ze legitiem en functioneel worden. En de traditionele instellingen moeten gebruikt worden om de moderne erop te enten[89].

 

Al blijft natuurlijk de vraag of men zomaar naties kan construeren als die er niet echt in het verleden geweest zijn. Naties construeren uit afgescheiden etnische groepen is niet alleen een moeilijk maar ook een onnatuurlijk proces. Het zal niet zomaar gebeuren door eenvoudigweg een regering op te richten maar wel onder dwang en door maatregelen van intense administratieve centralisatie. Als men volhoudt om etnieën te dwingen om zich in te passen in een gecentraliseerd jasje voor een langere periode, is dat dé manier om state collapse te bereiken[90].

 

 

3.3. Theorieën over nieuwe vormen van bestuur in een situatie van state collapse

 

3.3.1. Inzichten over wat er in de plaats komt van een staat bij staatsimplosie

 

Dat er in gevallen van staatsimplosie sowieso instituties bestaan die de functies van de staat zullen overnemen, leert ons de klassieke staatstheorie. Die stelt dat een staat zonder maatschappij niet denkbaar is en een maatschappij zonder staat of zonder een daarop gelijkende structuur een chaos is die binnen de kortste tijd op de staat gelijkende structuren zou in het leven roepen. Het anarchistische ideaal dat complexe maatschappijen zonder een hiërarchisch gestructureerde autoriteit leefbaar zouden zijn, lijkt dan ook een utopie[91].

 

Als je state collapse als een mogelijke uitkomst beschouwt van elk proces van staatsformatie dat nog aan de gang is, dan moet de instorting van de instellingen niet het einde betekenen van sociale instituties tout court maar gewoon het begin van nieuwe instituties[92].

Auteurs als Timothy Mitchell en Joel Migdal zien state collapse niet als een eindstadium of instorting, maar eerder als een “culmination point in the continuous struggle, between various forces in society, to control the three core functions that are generally connected to state performance”. Alle samenlevingen kennen dus aan de gang zijnde rivaliteiten tussen groepen die er een verschillende versie willen doordrukken van hoe mensen zich moeten gedragen. De aard en uitkomst van deze gevechten geven samenlevingen hun structuur en karakter[93].

 

Martin Doornbos stelt dat binnen en tussen samenlevingen een ruime variëteit aan lokale bestuursstructuren bestaat en dat traditionele autoriteiten niet hoofdzakelijk of exclusief van staatsstructuren afhangen. Hij verwijt dat men te veel oog heeft voor government en te weinig voor governance. Of in andere woorden: het wegvallen van government betekent niet noodzakelijk het wegvallen van governance. Er ontstaan nieuwe situaties van groepen die nu het gezag uitmaken. Zij introduceren een nieuw kader van nieuwe politieke en economische machtstructuren[94]

 

Het proces van staatsimplosie brengt dus het ontstaan met zich mee van alternatieve lokale controlestructuren.. Er ontstaan zo nieuwe vormen van bescherming, legitimiteit en recht op welvaart en van nieuwe vormen van autoriteit en zones van alternatieve sociale, politieke en economische regulering. Met dergelijke situaties moet na een tijdje elke poging tot vredesproces of buitenlandse inmenging mee rekening houden[95].

 

Ook in het hedendaagse Somalië zien we dat een gewapende conflicten niet leidt tot een situatie van complete anarchie. Zo stelt Menkhaus dat “a correlation between the existence of a functioning state authority and a state of peace and lawfulness is not obvious in the broader region”. Onderzoekswerk van Menkhaus toont aan dat de combinatie van verschrompelend staatsschap en gewelddadig gewapend conflict toch heeft geleid dat het ontstaan van nieuwe, niet-statelijke kernen van autoriteit gebaseerd op alternatieve modellen van sociale controle. Somalië heeft bijvoorbeeld een mozaïek aan lokale ‘staatsinrichtingen’ zien ontstaan door nieuwe afspraken die zijn gemaakt tussen lokale sterkhouders, familie- en clanouderen en politieke militieleiders. Op deze manier voorziet men de Somalische burgers van governance, als het op sommige plaatsen al niet tot government is geëvolueerd. Deze regelingen zorgden voor een heropstanding van de leiders van de lokale gemeenschappen door het oprichten van shariarechtbanken, de demobilisatie van milities in het voordeel van privé-veiligheidsdiensten en crossregionale akkoorden rond informele handel[96].

 

We hebben al een redelijk goed zicht op wat de externe factoren zijn die bijdragen tot het ontstaan van nieuwe vormen van bestuur. Zo is gedocumenteerd hoe in de complex emergencies’ van vandaag NGO’s geleidelijk aan een gamma aan sociale dienstverlening overnamen dat traditioneel aan de staat toebehoorde. Interessant welke impact dit zal hebben op de post-collapse situatie: welke zaken zal men nog als staatsfuncties beschouwen en welke niet[97].

 

We kunnen ons ook de vraag stellen of het niet vanzelfsprekend is dat er nieuwe vormen van bestuur ontstaan uit de as van een ineengestorte staat, dus of er niet sowieso altijd orde komt uit chaos.

Ilya Prigogine, de laatste Belgische nobelprijswinnaar, legde de grondslagen van wat vandaag bekend staat als de ‘chaostheorie’. Die theorie zegt dat elementen in een situatie van instabiliteit de neiging vertonen om zich te organiseren tot structuren. ‘Auto-organisatie’, noemde Prigogine het. Hij formuleerde deze theorie vanuit zijn achtergrond als natuurkundige, maar van Prigogine werd meermaals gezegd dat hij een brug legde tussen de exacte en de sociale wetenschappen. Zijn inzichten over onder andere de chaostheorie vinden dan inderdaad ook hun toepassing in de sociale wetenschappen, onder meer ook in de politicologie[98].

 

3.3.2. Traditionele structuren

 

Menkhaus wijst er op dat in situaties zonder centraal gezag traditionele structuren terug boven water komen. Die traditionele elementen slagen erin om een hoog niveau van ‘rule of law’ en persoonlijke veiligheid te realiseren. Dergelijke elementen in de Somalische samenleving zijn bijvoorbeeld het clan gewoonterecht (xeer), het invoeren van ‘blood payments’ (diya) bij verkeerd gedrag en het toepassen van het Islamitisch recht door lokale sharia rechtbanken[99].

 

Maar wat is de achtergrond van deze traditionele structuren en welke vorm nemen ze aan?

 

Beschrijvingen van politieke antropologen schieten ons dan ter hulp, want zij vertoonden een bijzondere belangstelling voor ‘staatsloze samenlevingen’. Evans-Pritchard, één van de founding fathers van de politieke antropologie, werkte met twee sleutelbegrippen: segmentaire lineages en ‘nesting’. Een ‘lineage’ heeft betrekking op de bloedbanden die voortkomen uit een gemeenschappelijke voorvader. Wat belangrijk was in een traditionele samenleving waar er solidariteit hoorde te heersen tussen bloedverwanten. ‘Nesting’ slaat op de manier waarop families en gezinnen zich verhouden binnen de grotere gehelen, zoals de lineages. Boven dit alles staat dan nog de clan, een al dan niet reëel verwantschap dat velen delen en als bijkomend solidariteitsmechanisme opkwam. Dit zou volgens antropologen de manier van leven geweest zijn in prekoloniaal Afrika en nog doorgewerkt hebben in de koloniale periode[100].

De vraag is nu of deze elementen nog steeds meespelen in huidig Afrika? Ja, zeggen Lewis en anderen: “With the increasing spread of western education, the growth of modern towns and the gradual but quite unmistable formation of new social classes, clan loyalties now fell into place as one component in a complex of diverse political attachments. Yet within this cluster of allegiances, for the majority of the population those bonds based on clanship(…) remained the most pervasive, the most commanding and above all the most insiduous[101]. Al zou het natuurlijk ook kunnen zijn dat een bloedverwantschapstructuur zoals het clan-systeem onder invloed van de veranderingen de laatste decennia in Afrika zélf veranderd is en met andere woorden veel dynamischer is dan we tot nu toe aannemen[102].

 

Terwijl het Afrikaanse leven zeer sterk op diepgewortelde en krachtige tradities steunt, merkt Vansina op dat het beeld moet worden bijgesteld van een ‘traditioneel’ en onveranderlijk continent. Elke Afrikaanse samenleving vertegenwoordigt figuurlijk millennia van experimenteren en die ervaring verklaart waarom sociale systemen, waarden en culturen niet volledig van de kaart werden geveegd toen Europese normen werden opgedrongen op het continent tijdens de koloniale periode. Paradoxaal genoeg konden dergelijke continuïteiten tijdens die duizenden jaren enkel overleven als ze samengingen met constante verandering. Zoniet werden ze rap irrelevant[103].

 

3.3.3. Houding buitenland (staten en NGO’s)

 

Dat het buitenland, of het nu Westerse staten of internationale NGO’s zijn, moeilijkheden ondervindt met het werken in een samenleving zonder staat, dat staat buiten kijf. Bijvoorbeeld hoe om te gaan met die nieuwe vormen van bestuur die ontstaan zijn, maar die blijkbaar een nationaal vredesproces in de weg kunnen staan?

 

De buitenlandse actoren gaan, wanneer ze geconfronteerd worden met een situatie van state collapse, moeten rekening houden met de nieuwe realiteiten die er op het terrein zijn ontstaan. Zo maken vaak lokale krijgsheren er de staat uit. Zij krijgen legitimiteit van de bevolking doordat ze in ruil voor steun een beperkte bescherming bieden. De informele economie heeft er de formele economie van zijn troon gestoten. Maar heeft het buitenland wel voldoende aandacht voor die nieuwe realiteit van local governance en alternatieve regulering die is ontstaan? Vredesconferenties zijn vaak gefocust op oplossingen op nationaal niveau en men schenkt nauwelijks aandacht aan lokale processen. Men onderschat echter het feit dat lokale kwesties vaak de voornaamste struikelblokken kunnen vormen voor vredespogingen. Bij een door het buitenland gesponsord vredesproces moet men dus stilstaan bij de vraag of zo’n van boven opgelegde vrede niet meer is dan een korte pauze in een langer proces van staatsverval ten voordele van nieuwe vormen van politieke en militaire controle door lokale gewapende groepen[104].

 

Ook voor terrorismebestrijders, zoals de Verenigde Staten na 9/11, is het moeilijk werken in een gebied zonder centrale staat die als aanspreekpunt kan dienen en die men verantwoordelijk kan stellen en onder druk kan zetten. Men wordt dan gedwongen om in te spelen op de lokale realiteit en samen te werken met de organisaties die er zijn[105]. Zo werken de Verenigde Staten in Somalië samen met de krijgsheren die fungeren als bounty hunters. De Verenigde Staten willen de daders voor de aanslagen op hun ambassades van Nairobi en Dar es Salaam uit 1998 klissen. De krijgsheren op hun beurt zoeken die personen in ruil voor geld. Die worden dan uitgeleverd aan agenten van de VS op een airstrip. Het verhoor vindt dan plaats op een VS-basis in Djibouti en nadien worden de ondervraagden weer eventueel vrijgelaten in Mogadishu[106].

 

Voor donor en hulporganisaties die niet gewend om te werken in omstandigheden van stateloosheid, lijkt het opnieuw hebben van een centrale regering een enorme opluchting. Zo enorm zelfs dat ze vaak veel te snel hun strategieën aanpassen en richten op die nieuwe ‘centrale regering’. Zo liet een staflid van UNICEF-Somalië weten aan de Crisis Group dat zijn collega’s al direct plannen hadden om een samenwerkingsakkoord te ondertekenen met de pas samengestelde transitieregering. Die collega’s hadden geen idee wat de mogelijke gevolgen zouden kunnen zijn voor hun activiteiten in gebieden die buiten de controle van de transitieregering vielen[107]. De directeur van een internationale gezondheids-NGO sprak over een ontmoeting met een donor waarin die vroeg hoe hij zijn project moest coördineren in een afgelegen deel van centraal-Somalië. En dit terwijl het Ministerie van Volksgezondheid nog niet eens terug opgericht was…[108]

 

 

3.4. Conclusies

 

“The modern state continues to be a work in progress,

and the potential for failure or reversal remains present.”[109]

 

Alhoewel het fenomeen state collapse niet nieuw is, is het wel pas nu volop onder de aandacht van de internationale gemeenschap gekomen door de war on terror. Wij definiëren state collapse blijkbaar enkel als een probleem als het een probleem begint te vormen voor ons, hier in de Westerse wereld. Binnen de academische wereld bestaat er al een hele waaier aan theorieën over dit fenomeen, waarbij er nog helemaal geen consensus is gevonden over grondbeginselen van het fenomeen. Men hoeft daarvoor maar te kijken naar de verschillende oorzaken waarvan men denkt dat ze aan de grondslag liggen van staatsinstorting. Terwijl duidelijkheid hebben over welke factoren leiden tot state collapse, het beleid van de internationale gemeenschap maar ook van de betrokken staten zelf al heel wat zou helpen.

 

Al zijn er natuurlijk dissidente stemmen die poneren dat state collapse helemaal geen probleem hoeft te zijn en enkel wat onwennig aanvoelt omdat wij als Westerse observatoren met een cultureel bepaald wereldbeeld leven. Als men bijvoorbeeld een situatie van staatsinstorting beschouwt als een natuurlijke reflex van een maatschappij die zich, eenmaal ze daar de kans toe krijgt, ontdoet van instituties die haar vreemd zijn en die zij niet wenselijk acht. Een ‘staatsresistente’ samenleving waarbij een groot deel van de bevolking nog nomadisch leeft, is niet gebaat bij staatsinstellingen die gemodelleerd zijn naar westers model en die haar opgedrongen zijn tijdens een kortstondig koloniaal bestuur. Dat diezelfde staatstructuur ook nog dienst deed onder een gehate militaire dictatuur speelt ook niet in het voordeel van deze staatsinstelling.

Het getuigt van eurocentrisme als men denkt dat de bestuursvorm die hier in Europa historisch gegroeid is tot wat we ‘staat’ noemen, zonder meer muteerbaar is op gelijk welke samenleving met gelijk welke historische achtergrond of bevolking.

 

Dat de bevolking in een situatie van state collapse niet hulpeloos achterblijven, lijken de meeste auteurs te onderkennen. De menselijke inventiviteit kent geen grenzen als het erop aankomt te overleven. Of het nu met of zonder staat moet, mensen organiseren zich om samen zogenaamde ‘staatsfuncties’ uit te oefenen. De rational choice theorie zegt dat als mensen tot inzicht komen dat men voor bepaalde zaken beter samenwerkt met anderen om bijvoorbeeld een dienst te verzorgen, dat men dat dan ook gaat doen.

 

Er is nog niet veel onderzoek gevoerd naar het scala aan vormen van bestuur die het heft in handen nemen als de staat wegvalt. Het volgende deel wil een eerste aanzet geven voor de situatie in Somalië na de val van de centrale regering (januari 1991).

 

 

4. CASUS: SOMALIË

 

4.1. Waarom Somalië als casus?

 

“Somalia outside of Somaliland had already become the prime example of a ‘collapsed state’, a byword for anarchy. Becoming another Somalia is the outcome to be avoided by all other African States[110]”.

 

Sinds 1991 wordt Somalië beschouwd als het typevoorbeeld van een ‘ineengestorte staat’. De naam van de hoofdstad Mogadishu roept beelden op van geweld en wetteloosheid. Somalië lijkt een hopeloze zaak[111].

Maar Somalië komt de laatste jaren voor het eerst terug onder de aandacht sinds de VN-missie het land verliet in 1995. Dit doordat het land deel ging uitmaken van de globale oorlog tegen het terrorisme. De VS-regering verdenkt al-Qaeda ervan Somalië gebruikt te hebben als ‘safe haven’ en vreest dat ze dat in de toekomst nog gaan doen door de intern enorm verdeelde veiligheidssituatie[112].

 

De internationale gemeenschap is vooral verontrust dat conflicten in Afrika meer en meer een bedreiging vormen voor de globale veiligheid. Het conflict in Somalië, dat geleid heeft tot de uitbouw van een uitvalsbasis voor terroristische netwerken, heeft de wereldleiders doen inzien dat er dringend meer aandacht moet gaan naar de veiligheidssituatie in Afrika. Maar de situatie is er zo geëvolueerd dat er nieuwe lokale realiteiten zijn gaan ontstaan. Op lokaal niveau hebben er zich nieuwe machtshebbers gemanifesteerd waar de internationale gemeenschap rekening mee gaat moeten houden. Deze nieuwe machtscentra gaan hun macht (en bijhorende voordelen) niet zomaar terug overdragen aan een nationaal gecentraliseerd bestuur[113].

 

Nu Somalië terug aan strategisch belang voor de internationale gemeenschap wint en er grootschalige vredesconferenties georganiseerd worden met de bedoeling aan state-building te doen, kan het nooit kwaad om die nieuwe lokale Somalische realiteiten in kaart te brengen.
 

 

4.2. Geschiedenis van bestuur in Somalië

 

Vaak wordt verwezen naar de geschiedenis van Somalië als de kiem van het huidig conflict. Daar zouden de wortels kunnen liggen van de huidige situatie. Daarom wil ik beginnen met een overzicht van de aard van bestuur in Somalië, van prekoloniale tijden tot heden.

 

4.2.1. Prekoloniaal

 

Heel wat literatuur over Somalië vertrekt vanuit het idee dat het wel eens om een ‘state-resistant society’ zou kunnen gaan. Een samenleving dus die zich verzet tegen een gecentraliseerd bestuur en daarenboven over de middelen beschikt zich te behoeden tegen deze vorm van politieke organisatie. Het gebied van het Somalische volk werd door de Arabieren aangeduid als ‘Tiraaz al-Islam’ wat betekent ‘de rand’. Een gebied waar de islam dominant was, maar waar dit helemaal niet betekende dat men zich onderwierp aan een gecentraliseerd religieus bestuur (zoals een kalief), laat staan aan werelds gecentraliseerd gezag. Bij bedreigingen van buitenaf sloten de Somali wel de rangen en liet men toe dat een charismatische figuur het leiderschap opnam. Zo’n figuur is de imam Mohammed Abdulleh Hassan die tegen de Britten rond de vorige eeuwwisseling een opstand ontketende en aanzien werd als vader van ‘Somali-nationalisme’[114]. De gemeenschappelijke religie die de Somaliërs hebben, was een bron van eenheid op een grotere schaal dan enig lokale sociale groepering. Dat is zonder twijfel een reden waarom de meest succesvolle state-building inspanningen in Somalië tot nu toe, waaronder de inspanningen van die imam Mohammed Abdulleh Hassan, gebaseerd waren op die religie met universele claims[115].

 

Het meest belangwekkende kenmerk van de Somalische politieke geschiedenis is dus het feit dat, tot aan de oprichting van een koloniale staat en de onafhankelijkheid van Somalië nadien, de Somalische samenleving in essentie een staatsloze samenleving was. Maar de afwezigheid van een staat betekent niet dat er een compleet gebrek was aan publieke autoriteit of de afwezigheid van een politieke gemeenschap. De Somaliërs organiseerden hun samenleving in prekoloniale tijden langs associaties van bloedverwantschap en dit samen met religieuze wetten (zie figuur in bijlage ‘Basiselementen van de Somalische traditionele morele orde’)[116].

 

Ondanks de constante vetes en de soms harde competitie over de zeer beperkte grondstoffen die het land maar rijk is, deelde prekoloniaal Somalië een gemeenschappelijke set van waarden en normen (‘moral commonwealth’ of umma). Dit is drastisch verschillend van de zo vaak herhaalde veronderstelling dat de Somalische samenleving nooit duurzame sociale instituties of politieke steunpunten heeft gehad en daarom gedoemd is om voor altijd “fractious and clanistic” te blijven[117].

 

De politieke instituties die prekoloniaal Oost-Afrika kende, zijn enorm divers. Van grote koninkrijken in Ethiopië tot raden van ouderen in Kenia. Ook onafhankelijke, zichzelf besturende familiegroepen, die geen enkele koning of ‘chief’ erkenden, waren belangrijk in grote delen van het gebied, evenals kleinere ‘chiefdoms’. Ondanks deze verscheidenheid belemmerden de grenzen van een politieke systeem niet de uitwisseling van goederen of politieke ideeën. Mensen uit zichzelf besturende dorpen ruilden zout, ijzer, graan en vee met elkaar en met bewoners van grote koninkrijken. De rituelen die inwoners van koninkrijken hadden waren dezelfde als deze in de autonome dorpen. En mensen uit verschillende samenlevingen spraken in gelijkaardige termen over voorspoed, honger en politieke waarden[118].

Deze gebieden in Oost-Afrika kenden ook zeker geen statische politieke instituties. Gebieden gingen vaak over van het ene koninkrijk naar een ander, en nog meer frequent van koninkrijken naar kleinere ‘chiefdoms’ of naar samenlevingen die zichzelf bestuurden door middel van een consensus binnen de gemeenschap[119].

Grotere koninkrijken genoten in de Hoorn van Afrika dus nooit van een definitieve superioriteit over kleinere en meer gedecentraliseerde politieke systemen. Instellingen op het lokale niveau bleven bepalend voor het leven van wie er onderhorig aan was. Het waren die instellingen op het lokale niveau die zorgden voor comfort en bescherming van het gewone volk. Of minder romantisch, het lokale niveau zorgde ook voor de uitbuiting en het kwetsbaar maken (en houden) van het volk. De stabiliteit van een groter politiek systeem (bijvoorbeeld een rijk) werd grotendeels bepaald door de relatie die het had met het lokale niveau[120].

 

Door de afwezigheid van een gecentraliseerde nationale staat, bleef het traditionele clansysteem een noodzaak. Het traditionele clanfamiliesysteem zorgde voor een hoge graad van wederzijdse hulp tussen mensen die leven onder harde natuurlijke leefomstandigheden[121].

Het ontstaan van clans zou volgens sociaal-antropologen een creatieve respons geweest zijn op conflicten. Dit door de druk van de expansie van het Europees imperialisme. Clans waren niet alleen nuttig om te kunnen overleven, maar ook voor de sociale en culturele adaptatie aan nieuwe leefomstandigheden. Op sociaal vlak houdt die adaptatie ondermeer het overgaan in van bloedverwantschappen (‘lineages’) naar grotere politieke eenheden die men meestal als ‘stammen’ of ‘clans’ bestempelt. Bij conflicten schaarden men zich snel achter een eengemaakt leiderschap[122].

 

Het nemen van beslissingen gebeurde binnen de traditionele Somalische samenleving waarschijnlijk bij meerderheid. Dit is wat I.M. Lewis de pastorale democratie noemt en Ali Musse Iye beschrijft als Go’aankii Geedka (de beslissing onder de boom)[123]. Het beeld dat antropologen als Lewis ophangen van de traditionele Somalische samenleving is een samenleving met regels maar zonder bestuurders (“with rules but without rulers”)[124].

 

Dé vraag is natuurlijk of dergelijke prekoloniale kenmerken vandaag de dag nog doorleven. Hierop past waarschijnlijk enkel een voldoende genuanceerd antwoord.

Bijvoorbeeld op het vlak van landeigendom ziet men een gemengd beeld: er is heel wat veranderd maar in sommige regio’s is er nog zeker een sterke invloed van prekoloniale kenmerken. In een samenleving die zo toegewijd was aan een nomadische pastorale traditie, (“waar het land tot Allah behoorde en niet tot de mensheid”) mag het vreemd lijken dat vandaag eigendomsdisputen de zwaarste obstakels lijken voor een vredesakkoord, merkt de International Crisis Group op. Maar niet alle Somaliërs zijn (of waren) herders en de nomadische manier van leven heeft al veel terrein verloren. Hoe men omgaat met landgebruik en eigendom is ook dramatisch veranderd in de laatste 50 jaar (vooral in het zuiden van het land). Zo blijft er nog maar bitter weinig terrein over dat God nog kan claimen[125].

 

4.2.2. Koloniaal

 

Italië legde zijn jurisdictie op aan de zuidelijke regio van Somalië in het begin van 1889. De controle werd gradueel uitgebreid en was volledig in 1927. Italië verloor echter in de nasleep van de Italiaanse nederlaag in de Tweede Wereldoorlog al zijn kolonies. Italiaans Somaliland werd een United Nations Trust Territory in december 1950, dat begeleid door Italië binnen de 10 jaar onafhankelijk moest worden.

Het Britse Somaliland Protectoraat in het noorden werd uitgebouwd in 1886. In april 1960 hielden vertegenwoordigers van beide regio’s gesprekken en besloten om samen te werken aan een fusie. Die fusie werd een feit op 1 juli 1960 toen de Republiek Somalië onafhankelijk werd als één staat.

 

Betekende dit een radicale breuk met de inheemse traditie van bestuur? Niet echt. Toen de Europese machten aan het einde van de 19de eeuw hun nieuwe Afrikaanse gebieden veroverden, hadden ze weinig specifieke plannen of ideeën wat ze ermee zouden doen. Veel gebieden werden simpelweg veroverd om andere grootmachten er buiten te houden. Toch begonnen ze allemaal administraties op te zetten die de Afrikaanse bevolkingen moesten controleren. Ofwel gebeurde dit op een directe manier door middel van aangeduide ambtenaren ofwel indirect door bestaande Afrikaanse autoriteiten die ingeschakeld werden. Dus terwijl de koloniale staten in theorie alle regeringsmacht hadden, ontbrak het hen aan mankracht en kennis om deze macht ook daadwerkelijk uit te oefenen. In de praktijk mochten de Afrikaanse ondergeschikten dus regeren, wel met enkele richtlijnen over de aard van het bestuur dat het Westen wou[126].

 

Tijdens de kolonisering werden de Somali’s, die allemaal tot dezelfde etnie behoren, opgesplitst in vijf verschillende landen. De Somalische bevolking heeft dus aparte koloniale geschiedenissen. Het zuiden van het huidige Somalië werd gecontroleerd door de Italianen en het noorden door de Britten. Somaliërs werden ook onderworpen aan de Fransen in wat Djibouti is geworden, aan de Britten in wat later Kenia werd en aan de Ethiopiërs in de Ogaden-streek. Daar vindt het irredentisme zijn oorsprong, de gedachte om alle Somaliërs te verenigen in een zelfde staat[127].

 

Alhoewel het koloniale bestuur relatief kort heeft geduurd in tijd, is de impact ervan op de latere politieke omgeving aanzienlijk gebleken. Er zijn duidelijke verbanden te leggen tussen de situatie van koloniaal Afrika en de huidige politieke toestand. Thomson herkent 7 elementen die binnen deze koloniale erfenis van belang zijn: de incorporatie van Afrika in het internationaal statensysteem, het opleggen van kunstmatige grenzen, het invoeren van de niet-hegemonische staat, de zwakke link tussen staat en civiele samenleving, de promotie van een Afrikaanse staatselite, het uitbouwen van gespecialiseerde exporteconomieën en de afwezigheid van sterke politieke instituties[128].

 

Het kolonialisme creëerde dus onder andere stratificatie door het uitbouwen van een Afrikaanse staatselite. Dit zorgde voor een uitholling en op sommige plaatsen een vervanging van de inheemse politieke orde en gemeenschap. Onafhankelijkheidsbewegingen waren gedeeltelijk een poging om de collectieve identiteit te doen herleven en op een manier de autoriteit van de umma opnieuw op te roepen[129].

 

4.2.3. Onafhankelijke staat: burgerlijk bestuur en militaire dictatuur

 

De staat Somalië had bij haar onafhankelijkheid in 1960 heel wat voordelen. Als één van de enige landen in Afrika was het een echt homogeen land, zowel etnisch, cultureel als taalkundig. Een eenheid dat versterkt werd door een gemeenschappelijk islamitische erfenis. De onafhankelijkheid had ook het voordeel dat het gebeurde onder groot enthousiasme omdat het noorden en het zuiden nu herenigd werden[130].

De jaren van kolonisatie, hoe kort ook in de totale geschiedenis van het land, zorgden voor enkele blijvende veranderingen. Een blijvend kenmerk van de kolonisatie was bijvoorbeeld de transfer van macht binnen de Afrikaanse samenleving. Het proces van dekolonisatie betekende niet alleen het omver werpen van koloniaal bestuur, maar ook van de machtsoverdracht van de traditionele heersende aristocratie naar de nieuwe midden- en lage klasse. Onafhankelijkheid heeft de machten van koningen uit prekoloniaal en koloniaal Afrika zeker niet doen herleven[131].

De periode na de onafhankelijkheid was er een van bureaucratieën die een snelle expansie kenden en van een sterke groei van staatsbedrijven (parastatalen). Deze snelle aangroei van de staat was een van de belangrijke oorzaken van Afrika’s economische stagnatie na de onafhankelijkheidgolf, want plots moest men lonen betalen die totaal buiten proportie waren ten opzichte van de staatsinkomsten[132].

 

Er gebeurde ook meestal wel een institutionele aanpassing na de onafhankelijkheid, maar dit had meestal desastreuze en dure gevolgen. Het eerste dat vaak werd afgeschaft was het parlementair constitutioneel regeren. Het werd vervangen door een eenpartij-heerschappij, militaire dictatuur of tirannie. Lokaal bestuur, administratie, gezondheidszorg, onderwijs en commercie werden aangepast aan zogehete Afrikaanse realiteiten, maar deze aanpassingen resulteerden meestal in een ernstige daling qua efficiëntie, eerlijkheid en het dienen van het algemeen belang[133].

 

De ervaring van de Somalische Republiek valt gemakkelijk te duiden binnen dit algemeen Afrikaans kader van post-onafhankelijkheid staatsformatie. De Somalische ervaring heeft wel verschillende eigenaardigheden, door de specifieke aard van de Somalische samenleving en staatsformatie. Dit omdat Somalië een structuur kende van een grotendeels nomadische samenleving waarbij men er enerzijds wel een gemeenschappelijke identiteit op na houdt qua cultuur, taal en religie maar waar men anderzijds ook heel wat intense conflicten ziet tussen de verschillende facties. Het eeuwigdurend conflict rond de zeer schaarse middelen die op Somalische bodem te vinden zijn, is daar zeker niet vreemd aan.

De onafhankelijkheidsdatum voor Somalië (1960) kwam er doordat Italië maar een tienjarig mandaat had gekregen over Italiaans Somalië in 1950 van de Verenigde Naties. Om een onmiddellijke eenmaking met het zuiden te kunnen krijgen, werd de onafhankelijkheid van Brits Somaliland er dan ook rap doorgejaagd[134]. In Somalië slaagden de nationalisten erin om bij de onafhankelijkheid het land een unitaire grondwet op te dringen ondanks sterke oppositie van het noorden en de Sab-groep in het zuiden. Ondanks de geveinsde homogeniteit en het aanwezig zijn van een ‘nationaal bewustzijn’, bleek de Somalische samenleving geen stevige basis te vormen voor de staat die ontstond in 1960. Tijdens het burgerlijk bestuur (1960-1969) doordrong strijd tussen de verschillende clans al gauw het politieke leven. Dit verzwakte het nationalistisch regime in zijn poging om alle Somaliërs in één land onder te brengen (het irredentisme), wat heel wat spanningen teweeg bracht met de landen rondom Somalië waar ook grote groepen Somaliërs woonden. Dit resulteerde in een wapenwedloop dat mede het lot zal bezegelen van het burgerlijk bestuur in Somalië[135].

De nog jonge staat Somalië kende onder dat burgerlijk bestuur heel wat moeilijkheden. Bij de onafhankelijkheid was de administratie niet alleen erg rudimentair, het moest ook gebeuren in twee verschillende talen (Italiaans en Engels) omdat Somalië plots weer herenigd was. Somali, de enige taal die gedeeld werd door alle leden van de administratie, kende toen nog geen algemeen aanvaarde schriftelijke vorm. Clandivisies vormden de natuurlijke verdeellijnen voor de vorming van politieke partijen en deze partijen begonnen dus al snel de rivaliteiten tussen de clans te weerspiegelen[136]. Het burgerlijk bestuur was veel te gecentraliseerd naar Somalische normen. Het bleek bijvoorbeeld gevoelig te liggen dat de lokale gemeenschappen enkel de burgemeesters konden verkiezen, terwijl alle andere organen van de administratie gedicteerd werden door de centrale autoriteiten[137]. Dan nog liever geen verkiezingen, dan de mogelijkheid dat een andere clan via de centrale autoriteit te veel macht zou kunnen hebben blijkbaar.

Op nationaal vlak werkte men met een systeem van proportionele vertegenwoordiging. Dit gaf aanleiding tot het ontstaan van een overvloed aan kleine politieke partijen die, per definitie, zwak waren. Het resultaat was toenemende instabiliteit. In maart 1969 werden er voor de tweede keer algemene verkiezingen gehouden met een explosie aan politieke partijen. Voor een bevolking van 5 miljoen deden er 60 politiek formaties mee. Toen de president op 15 oktober 1969 verkozen werd, kwam Somalië in een politiek vacuüm terecht. Op 21 oktober 1969 kwam er de coup van de bevelhebber van het leger, Siad Barre. De coup werd in vrijwel heel Somalië toegejuicht en luidde het einde in van het burgerlijk bestuur[138]. Somalië heeft dus slechts twee keer zijn president en eerste minister op vreedzame wijze kunnen vervangen vooraleer Siad Barre en zijn militairen de macht grepen en een militaire dictatuur vestigden[139].

 

De militaire overname was initieel meer een coup dan een revolutie. Doordat het doel van Somalische eenmaking (het irredentisme) op militair vlak enkel met behulp van de Sovjetunie gerealiseerd kon worden, kondigde de militaire overheid op de eerste verjaardag van haar coup aan dat ze zich bekeerden tot het wetenschappelijk socialisme. Er waren ook binnenlandse redenen voor de keuze voor het Marxisme-Leninisme. De liberale democratie had gefaald en werd aanzien als een uiting van een samenleving die onder het kolonialisme was geïnstalleerd. Er was dus een transformatie nodig van de samenleving waarop dat regeermechanisme was gebaseerd. Het belangrijkste doel van het nieuwe ‘revolutionaire’ regime was tribalisme. In de Somalische context refereert dit concept naar de clans die de belangrijkste basis vormen voor politieke identiteit en factionalisme[140]. Ondanks het feit dat de Barre-regering dramatische veranderingen heeft veroorzaakt in het Somalisch leven, toch moet men concluderen dat de poging om nieuwe en revolutionaire instituties op te richten niet gelukt is[141].

 

Het Barre-regime zal ten onder gaan aan etnisch conflict dat gevoerd wordt op het niveau van clans en subclans. Ironisch genoeg is Somalië haast het enige land in Sub-Sahara Afrika dat kan bogen op etnische homogeniteit. Maar deze gemeenschappelijke identiteit staat blijkbaar niet in de weg dat elke clan het in handen krijgen van de staatsmacht als belangrijkste doel voorop stelt. Clanstrijd maakt deel uit van de Somalische traditie en het doordrong terug het politiek leven van Somalië na de onafhankelijkheid van 1960.

Eén van de beloftes gemaakt door het militaire regime dat de macht greep in 1969 was de belofte ‘clannishness’ en corruptie uit te roeien. Achteraf bekeken, deed men het tegenovergestelde. Na een paar zorgde de afkalving van publieke steun voor het regime ervoor dat Barre gedwongen werd de clanloyaliteit te cultiveren. Zo kwam de staat onder controle van een coalitie van drie clans (Marehan, Ogaden en Dolbuhunta). Daarop reageerden de andere clans militair. Eerst de Issaq, de dominante clan uit het noorden. Dit is een regio met weinig grondstoffen en geen uitzicht op ontwikkeling, ondanks het feit dat de regio het belangrijkste exportproduct van het land (vee) levert. In hun gevecht tegen het militaire regime van Mogadishu, schonden ze een taboe van het Somalisch nationalisme door Ethiopische hulp te aanvaarden. Ook andere clans namen de wapens op. Het finale schot werd de militaire dictatuur toegediend door de Hawiye, de dominante clan van het Mogadishu-gebied, in januari 1991. Tegen dan hadden bijna alle Somalische clans zich georganiseerd in militaire contingenten om deel te kunnen nemen aan de machtsstrijd. Het centrum van het land stortte in elkaar toen de Hawiye-clan verscheurd geraakte in 2 subclans. Drie decennia na de onafhankelijkheid was de eengemaakte Somalische staat opgegaan in een mozaïek van clanterritoria[142]. Het regime van Siad Barre toont dus aan dat militaire controle over het politieke bedrijf zeker geen garantie biedt voor stabiliteit[143].

 

Het feit dat Somalië nu al zo lang zonder een nationale regering zit, is volgens de International Crisis Group grotendeels te wijten aan de weerstand die gegroeid is onder de Somalische bevolking en clanleiders tegen een gecentraliseerde staatsstructuur zoals dat onder Siad Barre. Dat stond namelijk garant voor uitbuiting en misbruik. Een volgende centrale regering, de International Crisis Group is hierin dus optimistisch, zal zeker duidelijke checks and balances op de staatsmacht moeten bevatten vooraleer Somaliërs meestappen in zo’n project[144].

 

Somalië is sinds haar onafhankelijkheid en dit gedurende de Koude Oorlog enorm afhankelijk geweest van buitenlandse hulp. Een hele reeks ambitieuze ontwikkelingsplannen in de jaren 1960 en 1970 hebben gefaald om deze afhankelijkheid te doen verminderen of de levenskwaliteit te doen verbeteren. In 1980 had Somalië nog het laagste BNP ter wereld, de laagste uitgave per capita aan onderwijs, de hoogste kindsterfte per 1000 geboorten en het hoogste bedrag per capita aan militaire uitgaven. Na de desastreuze nederlaag van het Somalische leger in de Ogadenoorlog (1977-1978), bleef er enkel nog buitenlandse hulp over om het land bijeen te houden[145]. Zoals Menkhaus stelt: “The strong centrifugal forces pulling at Somalia’s seams were held in check by generous levels of government patronage, courtesy of high levels of Cold War-driven military and economic foreign aid (Government coercion and repression, it should be added, were also part of the mix that temporarily held communal grievances in check but which eventually fuelled them)”[146].

 

Die Ogaden-oorlog tegen Ethiopië in 1977 moest een hoogtepunt vormen van het irredentisme, maar het draaide dus uit op een nederlaag. Dat irredentisme werd direct na de onafhankelijkheid hét kernpunt van het buitenlands beleid van Somalië. Het vindt zijn oorsprong in het besef dat de Republiek Somalië, als enige tussen de Afrikaanse staten, één volk vormt met een gemeenschappelijke geschiedenis, cultuur, religie en taal (maar dan wel een volk dat nog nooit geregeerd is door gemeenschappelijke politieke instituties)[147]. Maar op politiek vlak zorgde de nederlaag tegen Ethiopië voor een scherpe terug-naar-af situatie op vlak van institution-building. De eenheid die er kwam doordat heel Somalië gemobiliseerd werd voor deze nationale strijd, maakte na de nederlaag plaats voor factioneel geweld en de oppositiebewegingen kwamen weer tevoorschijn. De vijandigheid tegenover het regime was het sterkst in het noorden van het land want daar had men het ergste onder de oorlog te lijden gehad en de clan aldaar had de minste connecties met de regering in Mogadishu[148]. De Somalische nederlaag in maart 1978 had dus verstrekkende economische, politieke en sociale gevolgen[149].

 

De geschiedenis zal het nog moeten uitwijzen, maar het zou kunnen dat de oorlog het einde betekende voor de droom van het irredentisme, omdat de oorlog het noorden versterkte in zijn streven naar onafhankelijkheid.

Bij de onafhankelijkheid van een eengemaakt Somalië in 1960, gingen er heel wat stemmen in het noorden op om niet in de unie te stappen maar zelf een republiek te vormen ‘in het belang van het noorden’. Ook na de onafhankelijkheid bleef het gevoel leven dat men verwaarloosd werd ten opzichte van het zuiden. Ondanks het feit dat een de leider uit het noorden, Mohammed Ibrahim Egal, eerste minister werd in 1967 bleef het gevoel toenemen dat ze werden verwaarloosd. Het was een gevoel dat enkel zal toenemen onder het Siad Barre-regime. De kritische factor in de ontevredenheid van het noorden was de nasleep van de Oganden-oorlog. De Somalische nederlaag zorgde voor een vluchtelingenstroom waarbij honderdduizenden mensen vooral naar het noorden van Somalië trokken. Dit werd gevolgd door het verschijnen van de Somali National Movement (SNM). Dit werd een blijvend mobilisatiemiddel voor de noordelijke belangen. De afscheidingsvleugel binnen deze beweging werd sterker en sterker door de wijdverspreide mening dat Siad Barre erin gefaald was om het noorden te ontwikkelen en zijn inspanningen om het gebied te verarmen en misschien zelfs met de bedoeling het te vernietigen.

Het lijkt erop dat het Somalische nationalisme enkel nog gefragmenteerd blijft verder leven en het lijkt onwaarschijnlijk dat er op korte termijn een terugkeer komt van een pan-Somalisme. De Somaliërs in Djibouti en Kenia lijken duidelijk afgescheiden. Het noorden blijft verstokt vasthouden aan zijn onafhankelijksheidsverklaring en het Ethiopische regime heeft zelfbestuur aanvaard voor de Oganden-regio[150].

Het Somalische irredentisme is dus ineengestuikt met Siad Barre en in de plaats kwam een brede samenwerking en relatieve harmonie tussen Somalië en Ethiopië[151]. De droom van irredentisme dat iedereen zo enthousiast maakte bij de onafhankelijkheid in 1960, is na 20 jaar bestuur onder het regime van president Mohamed Siad Barre nog maar een verre herinnering. Enorme mensenrechtenschendingen die resulteerden in oorlog, desintegratie en wantrouwen hebben het onmogelijk gemaakt om de droom van eenheid te realiseren[152].

 

In de jaren 1990 verklaarde het noorden van het land zich dus onafhankelijk als ‘Somaliland’. Men kan zich de vraag stellen of het onvermijdelijk of zelfs wenselijk is dat de verschillende nationaliteiten in de Hoorn van Afrika naties worden of zelfs natiestaten. Is er een reden waarom Somaliërs het irredentisme moeten blijven nastreven en een eengemaakte natiestaat moeten vormen? Grenzen zijn in het verleden flexibel gebleken en zeker niet onveranderlijk. De creatie van de Republiek van Somaliland zou men kunnen categoriseren als subnationalisme onder de Somalische clans, omdat het voornamelijk een gebeuren van Issaq-clanleden is die nu onder één staat gebracht zijn. De Majerteen-clan heeft bijvoorbeeld ook een lange geschiedenis van gecentraliseerd clanbestuur[153].

 

De erfenis van twee decennia autoritair bestuur in alle drie de grote landen in de Hoorn van Afrika (Somalië, Sudan, Ethiopië) is bijna geheel negatief te noemen. De autoritaire besturen gaven alledrie prioriteit aan het consolideren van hun eigen macht en dwongen hun enorm gedifferentieerde landen en samenlevingen in een eengemaakte dogmatische sociaal, economisch en politiek vorm. Ze aarzelden alledrie niet om geweld te gebruiken om bewegingen die regionale autonomie zochten te onderdrukken[154].

 

Meer algemeen kan dit zelfs besluiten voor heel postkoloniaal Afrika. Steeds was er het repressieve en autoritaire karakter van het bestuur, het gebrek aan democratie, het staatsapparaat dat overontwikkeld was in verhouding met de fragiele civiele samenleving en steeds was het een zwakke staat die in de onmogelijkheid verkeerde om de basisfuncties van een staat te vervullen[155].

 

In de prekoloniale periode (maar ook soms nog tijdens het koloniaal bestuur) werd de aanwezigheid van een staat amper gevoeld in de pastorale regio’s van de Hoorn. De herders gingen door met hun onderlinge bloedige twisten zonder oog te hebben voor de autoriteit. Veel van de gebieden en volkeren die geïncorporeerd werden in de staat werden dan ook nooit volledig geïntegreerd en dit door de weerstand van de bevolking[156].

In de postkoloniale staat leidde de bezorgdheid over de territoriale integriteit, politieke zekerheid, smokkelactiviteit en roverij ertoe dat de staat een aanwezigheid ging uitbouwen in de periferie van zijn domein, soms enkel met militaire middelen. Verder hebben droogte en hongersnood in recente jaren de laatste vestingen van zelfvoorzienende groepen vernietigd en hen afhankelijk gemaakt van hulporganisaties onder staatscontrole.

De staat incorporeerde regio’s die nooit volledig geïntegreerd zullen worden in die staatstructuur, zelfs vaak niet administratief. In deze periferie kon de staat enkel een militaire aanwezigheid behouden. Met herinneringen aan deze voorbije autonomie nog steeds vers in het geheugen, begonnen sommige inheemse volkeren een conflict dat hen moet leiden naar regionale autonomie. Kortom, “their wish to remain autonomous without government”. Een ander kenmerk van de staat in deze regio was ‘etnocratie’: de monopolisering van de staatsmacht door bepaalde etnische groepen en de consequente uitsluiting van anderen[157].

 

4.2.4. Val Barre en begin van state collapse

 

Toen Siad Barre en zijn clanmilitie de vlucht namen uit Mogadishu in januari 1991, bleef er niets meer over. Het leger was in totale verwarring en telde nog maar een duizendtal soldaten. Tegen het einde van de jaren 1980 was de commandostructuur eigenlijk al grotendeels verdwenen. Dit als gevolg van het te snel laten promoveren van ongetrainde Marehan (leden van de clan van Barre). De ineenstorting liep parallel in de bureaucratie en administratie en tegen eind 1990, toen verschillende instituties al jaren in verval waren, hield Somalië ermee op als staat te bestaan[158].

 

Nochtans was er een groot optimisme onder Westerse waarnemers na de val van Barre. Men zag het als onderdeel van een nieuwe ‘wind of change’ die doorheen Afrika blies sinds 1990. Het zou hét moment worden voor verandering. Door de snelle ineenstorting van dictaturen in amper een jaar tijd (Liberia, Tsjaad, Somalië, Mali en Benin) bestempelden sommigen die wind al als een orkaan van verandering[159]. Het zou de voorbode kunnen betekenen, dacht men, van ‘the second coming of Africa’, na de eerste golf in de jaren 1960 die leidde tot dekolonisering[160].

 

In Somalië ontstond er na de val van het regime-Barre echter een burgeroorlog die gevoerd werd langs clanlijnen. Dit was eigenlijk ook al tijdens het regime van Barre, of veel vroeger, de gewoonte. Er verscheen maar één militie die niet langs clanlijnen was opgericht. De Islam verscheen namelijk als een serieuze politieke kracht voor het eerst in juni 1992. Een opstand van de islamitische ‘partij’ Al-Itahad, nam verschillende steden in (o.a. Garowe en Bosasso). Als een niet-clan groep werden ze erg vertrouwd door de lokale bevolking[161].

 

Op lange termijn is één van de meest zorgwekkende gevolgen van de oorlog die sinds 1988 begon tussen Barre en de verschillende clans, de destructie van sociale waarden waar een hele levensstijl op steunde. Vooral beschadigd is de Somalische delicate clanstructuur. Je clanaffiliatie gebruikte je voornamelijk als je adres. Onder Siad Barre werd het letterlijk een zaak van leven of dood, zowel voor het individu als voor de groep. Na jaren van misbruik is dit een mechanisme geworden voor politieke dominantie. Het werd een instrument om geviseerde clans te kunnen uitbuiten en een middel voor wie aan de macht was om een leven te leiden van grote winsten en plunderactiviteiten[162].

 

In het begin van de jaren 1990, toen hongersnood in Somalië de aandacht haalde in een situatie van post-Koude Oorlog en hernieuwd zelfvertrouwen van de Verenigde Naties, startten de VN een humanitaire operatie op om voedsel te bedelen. De VN opereerden niet snel genoeg om de criticasters het zwijgen op te leggen. Dit was wat Secretaris-Generaal Boutros Boutros-Ghali deed besluiten om de Verenigde Staten te vragen om voldoende troepen te voorzien. De VS-interventie, of invasie zoals sommigen het beschreven, voldeed niet voor iedereen. Het bracht geen einde aan de hongersnood en, belangrijker voor de Somalische toekomst, op het vlak van ontwapening werd er maar weinig vooruitgang geboekt om het wapenarsenaal van de grote protagonisten in beslag te nemen[163].

 

 

4.3. Huidige situatie

 

Een rapport van enkele jaren geleden van de toenmalige Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, Kofi Annan, beschreef Somalië als “one of the most dangerous environments in which the UN operates”. Het vredesproces omschreef hij als “incomplete” en “stymied”. Mogelijke VN-plannen voor een peace-building missie lijken uitgesteld, misschien wel definitief[164].

 

4.3.1. Verloop conflict

 

Ken Menkhaus toonde aan dat dé crisis in het huidige Somalië op te splitsen is in drie verschillende crisissen, namelijk state collapse, een langdurig gewapend conflict en de wetteloosheid-criminaliteit die er heerst. Deze 3 crisissen zijn in de voorbije 15 jaar aanzienlijk van aard veranderd. Zo zijn er verschillende regio’s ontstaan waar men terug een centrale administratie kent. Ook stelt men vast dat het geweld meer gelokaliseerd is en minder bloediger geworden is en dat de wetteloosheid wordt tegengegaan door traditionele elementen in de Somalische cultuur, zoals het gewoonterecht[165].

 

Nog steeds kent Somalië een aanzienlijk deel buitenlandse inmenging, ook al zijn de grote VN-operaties nu achter de rug. Al zijn het misschien officieel altijd humanitaire operaties geweest, vaak zat er een andere agenda achter. “Operation Restore Hope”, werd officieel opgezet door Bush sr. om humanitaire doeleinden mogelijk te maken met militaire bescherming. Het werd spoedig duidelijk dat de VS in de eerste plaats een politieke agenda uit te voeren hadden en dat vooral Mohammed Farah Aideed daar niet in paste. Tegenwoordig gebeurt interventie van het buitenland via de buurlanden als Ethiopië of via het doorsnijden van islamitische hulplijnen als al-Barakaat, door het steunen van de onafhankelijkheidsclaim van Somaliland,…[166].

 

Na het terugtrekken van de internationale troepen in 1995, hun missie grotendeels niet vervuld, viel Somalië niet terug in een burgeroorlog. Wat nochtans zoveel waarnemers hadden voorspeld. Integendeel, het land maakte een traag maar zeker proces van stabilisatie door. Regionale administraties ontstonden en garandeerden zo een zekere graad van veiligheid[167].

 

Toch blijft er natuurlijk nog steeds sprake van conflict. Al mogen we ons niet verkijken op de motor van het conflict. Het eigenlijke conflict draait niet rond etniciteit. Wie tot welke clan behoort is enkel de ideologische vorm dat het conflict aanneemt. Zoals alle ideologieën probeert etniciteit een complex fenomeen (het verkrijgen van de staatsmacht) te verengen tot een simpele voorstelling om zo aan politieke mobilisatie te doen[168].

 

4.3.2. Wat bracht Somalië tot state collapse?

 

Dat er niet zoiets als één duidelijke oorzaak bestaat voor de staatsimplosie in Somalië mag duidelijk zijn. In het eerste deel van deze scriptie werden reeds auteurs geciteerd die dit theoretisch aantoonden (zie 3.2.1. Oorzaken en verklaringen van state collapse).

 

Hussein M. Adam lijst, specifiek voor de Somalische context, acht oorzaken op die haast zeker bijdroegen tot het huidige ontbreken van een centrale staat in Somalië[169].

 

A) Personal rule

Zoals andere Afrikaanse leiders, installeerde Siad Barre een regime onder zijn persoonlijk leiderschap. Zijn langdurig dictatoriaal bestuur beschadigde en vernietigde de relatie staat-burgers[170].

 

B) Militair bestuur

De militaire structuur van Somalië werd beschouwd als een van de beste van Sub-Sahara Afrika. Siad Barre zag namelijk de noodzaak in om als dictator alle staatssectoren en de civiele samenleving te proberen domineren. Daarvoor moesten instituties zorgen als het leger, de veiligheidsdiensten, paramilitairen, een elite politieke partij en de zogenaamde massa-organisaties. Het leger van bevrijding werd zo omgevormd tot een leger van repressie[171].

 

C) Van nomenklatura naar Clan-klatura.

Siad Barre nam al rap ‘clanisme’ (het behoren tot de juiste clan, namelijk die van Barre zelf) als aanwervingscriterium voor benoemingen in staatsadministraties[172].

 

D) Van ‘class rule’ naar ‘clan rule’

Eenmaal Barre het wetenschappelijk socialisme had verworpen als ideologie, keerde Barre zich naar het clanisme. Zijn clan ging alle posten bezetten en Barre begon systematisch de elite van andere clans te vernietigen. Dit door hen naar de gevangenis te sturen of te verbannen naar het buitenland. De schade die zo werd toegebracht aan een groot deel van de elite van Somalië, kan mee de totale state collapse verklaren en de vertraging in het terug verschijnen van een nieuwe staat[173].

 

E)Vergiftigen van clanrelaties

Barre hanteerde brutale verdeel-en-heersmethodes door oorlogsvoering tussen clans aan te moedigen. De schade die zo aangebracht werd door deze manipulatie van clanbewustzijn, heeft er mee toe bijgedragen dat de civil society zich in de onmogelijkheid bevond om te herstellen na Barre’s val[174].

Alle dissidenten en oppositiegroepen, nochtans allen overtuigd om het regime te verslaan, hadden geen gemeenschappelijke strategie over hoe ze, éénmaal ze de macht hadden, de job gingen aanpakken. Men had ook helemaal geen gemeenschappelijke visie op een alternatieve staat. Eenmaal verschillende groepen de hoofdstad Mogadishu hadden ingenomen, begonnen ze haast direct onder elkaar ruzie te maken en elke factie nam een claim op bepaalde delen van Mogadishu[175].

 

F) Terreur in de steden

Siad Barre organiseerde een terreur in de grote steden waarbij vele jonge mensen ‘verdwenen’ (à la Argentinië). Deze staatsterreur legde een basis voor wraakoorlogen en dit bemoeilijkte de pogingen van de civiele samenleving om na de val van Barre een opvolgersstaat op te richten[176].

 

G) Neofascistische campagne tegen het noorden

Tijdens het bewind van Siad Barre werd het noorden op economisch vlak (o.a. qua investeringen) extreem verwaarloosd, en ook politiek kwamen de leden van de Issaq-clan niet aan de bak in de centrale administraties. Het repressieapparaat van de militaire dictatuur zorgde voor hardhandige onderdrukking van elke vorm van verzet in het noorden[177].

 

H) Externe factoren

Militaire, technische en financiële buitenlandse hulp speelden een sleutelrol bij het verlengen van de levensduur van het Barre-regime. Zo kwam er in Somalië abrupt een einde aan alle hulp en dit na een periode onder Barre waarin het land juist enorm veel hulp ontving. Verdere gematigde hulp na de val van Barre zou voor het oprichten gezorgd kunnen hebben van interim-instituties[178].

 

4.3.3. Nu chaos? Is Somalië een failed state?

Hoe moeten we ons het leven in hedendaags Somalië voorstellen? Is het situatie van complete chaos, een hel op aarde, of zijn de omstandigheden er verrassend leefbaar? Zijn ineengestorte een echt probleem? Hier volgen de verschillende visies.

 

Vanuit het standpunt van de Somaliërs zelf, overtreft de Somalische levensconditie die men kent sinds de late jaren ’80 tot nu elke vorige tegenslag. De ervaring is zo buitengewoon desastreus dat er in de volksmond in Somalië een term voor bestaat, namelijk ‘burbur’. Dit betekent letterlijk ‘complete vergruizing’. De wetteloosheid wordt in toom gehouden door traditionele elementen als bloedverwantschap via de mannelijke lijn, gewoonterecht en islamitische voorschriften. Zonder deze morele richtlijnen die vanuit de clanoudsten gepropageerd worden, zou het Somalisch mannelijk gedrag onbeteugeld zijn en waarschijnlijk uitdraaien op egoïstische criminaliteit[179].

 

Menkhaus wijst er op dat, nu de traditionele structuren in Somalië terug boven water komen in situaties zonder centraal gezag, deze traditionele elementen erin slagen om een hoog niveau van ‘rule of law’ en persoonlijke veiligheid te realiseren. Dergelijke elementen in de Somalische samenleving zijn bijvoorbeeld het clan gewoonterecht (xeer), het invoeren van ‘blood payments’ (diya) bij verkeerd gedrag en het toepassen van het islamitisch recht door lokale sharia rechtbanken[180].

 

Sinds de laatste VN-vredeshandhavingstroepen begin 1995 het land verlieten, wordt Somalië verondersteld een land te zijn van wetteloosheid dat een bloedig conflict kent. Er is inderdaad geen functionerende erkende centrale regering, maar dit betekent niet dat Somalië op geen enkel vlak bestuurd wordt. Lokale structuren zijn in werking in sommige delen van het land, in andere gebieden zijn er dan weer milities of niet-erkende administraties werkzaam en weer ergens anders leven Somaliërs relatief vredevol zonder dat men een staatstructuur kent[181].

 

Er zit ook evaluatie in het aanslepend conflict. Somalië blijft een ineengestorte staat maar geen volledig anarchistische locatie. De politieke en economische omstandigheden zijn nu enorm verschillend van deze in de vroege jaren 1990. Toen vertaalde state failure zich nog in een chronische en destructieve burgeroorlog, hardnekkige criminaliteit, hongersnood, heerschappijen van warlords en algemene wetteloosheid[182]. Dit is nu meer geëvolueerd naar gelokaliseerde onvoorspelbare conflicten tussen kleinere facties die zich op clanbasis georganiseerd hebben in milities[183]. Vandaag is Somalië dus minder vatbaar voor wijdverspreid en voortdurende gewapend conflict en zijn er gebieden van stabiliteit en gematigd economisch herstel. De meeste van de 7 miljoen inwoners kunnen nu ten minste genieten van rudimentaire law and order en dit door een breed scala aan lokale of regionale politieke structuren, zowel formeel als informeel. Deze vooruitgang blijft echter heel fragiel[184].

De International Crisis Group waarschuwt beleidsmakers dat als ze een nieuw antiterrorismefront openen in Somalië, ze dus best eerst de unieke kenmerken van ‘failed state’ in Somalië onder de loep nemen. Want de Somaliërs kennen nu een heel gamma aan governance systemen waarvan sommige effectief zijn maar andere eerder destructief werken. Op een creatieve manier hebben ze zo heel wat lokale economieën terug doen opbloeien[185].

 

De economie van Somalië blijft nog steeds ingeschakeld in een geglobaliseerde wereld. Dit wordt aangetoond door de verschillende economische shocks die de laatste jaren het land troffen. Bijvoorbeeld het verbod op uitvoer van levend vee dat door de Golfstaten was ingesteld wegens het uitbreken van het dodelijke Rift Valleyvirus in Saudi-Arabië. Dit verbod zorgde ervoor dat Somalië zijn belangrijkste bron van hard currency kwijtraakte. Dit kwam voornamelijk hard aan voor de landelijke bevolking, maar het betekende ook een significante mindere inkomst voor de lokale besturen die er taksen op vorderde. Maar bijvoorbeeld ook de zet van de VS-regering om in oktober 2001 de tegoeden te bevriezen van Al-Barakaat, het belangrijkste Somalische bureau voor geldtransfers en tevens ook een telecombedrijf. Men deed dit omdat men het bureau verdacht van financiële transacties voor Al-Qaeda uit te voeren. Dit heeft de stroom van remittances uit het buitenland vertraagt en betekende een zware domper voor heel wat Somalische families[186].

 

De ineenstorting van één van Afrika’s grootste en best uitgerust legers in 1991 zorgde ervoor dat Somalië overspoeld werd met wapens en munitie. Genoeg om het conflict verschillende jaren te laten voortduren zonder dat er import nodig was. Toch zijn er na de instorting van de staat nog veel wapens en munitie het land binnengedrongen. Dit gebeurde door landen uit de regio die belangen na te streven hadden, door wapenhandelaars en zelfs voor een korte periode in de vroege jaren 1990 door de vredeshandhavingsoperatie van de Verenigde Naties. Economische problemen hebben dit probleem van overdadig wapenbezit enkel versterkt. De grote meerderheid van de jonge Somaliërs ontbreken een formeel werk en leven op interim jobs, steun vanuit de familie en van de traditie van shahaad (een sociaal aanvaarde vorm van parasiteren). Voor velen biedt een wapen dan ook zowel “self-esteem and selfemployment”. Nu het financieren van een eigen militie meer en meer gevaarlijk wordt, merkt men een groeiend aantal jongeren met een wapen die freelancen om hun eindjes aan elkaar te kunnen knopen. Daardoor is in Mogadishu bijvoorbeeld kidnapping een bloeiende industrie geworden[187].

 

De vraag of de situatie in Somalië chaos is, kan men ook beantwoorden door de situatie te vergelijken met andere gelijkaardige staten. Foreign Policy stelt elk jaar een ‘Failed States Index’ op. Deze houdt rekening met twaalf factoren (demografische druk, criminaliteit, ongelijke geografische ontwikkeling, falende publieke voorzieningen,…) en deze hitparade werd in 2006 bekroond door Soedan, de DRC en Ivoorkust. Somalië eindigde pas op plaats 7 van dat jaar[188]. Niet dat het daardoor goed gaat in Somalië, maar het betekent dat er blijkbaar plaatsen in de wereld zijn die een ergere vorm van chaos kennen.

 

4.3.4. Somaliland

In het noordwesten van de voormalige Democratische Republiek, ver van Mogadishu, waar de krijgsheren het voor het zeggen hebben, ligt een gebied waar politieke stabiliteit is en waar een echte heropbouw heeft plaatsgevonden: de zelf-uitgeroepen onafhankelijke republiek Somaliland. Het scheidde zich in 1991 af van de rest van Somalië. Sindsdien kan men er spreken van een echt bestuur dat belastingen heft, het verkeer regelt en waar de gemeentes het huisvuil ophalen. Somaliland heeft namelijk een regering en (zij het zwaar ondergefinancierde) ministeries, staatsscholen en ziekenhuizen. Het land wordt bestuurd door een president en een bicameraal parlement[189].

 

Hoe komt het toch dat het noorden niet dezelfde chaos kende zoals het zuiden van het land dat heeft meegemaakt?

De Somali National Movement (SNM) verjoeg het regime van Barre in 1991 uit het noorden van het land terwijl die laatste onder vuur lag in zijn hoofdstad Mogadishu. Het gedrag van de SNM-militie in de eerste dagen na het overnemen van het bewind in het noorden zal van belang bleken te zijn. Er heeft geen clanwraak plaatsgevonden en de situatie is dan ook niet uitgedraaid op chaos zoals in het zuiden waar die wraak tussen clans wel heeft plaatsgevonden. Het SNM-leiderschap riep snel een grote ‘shir’ (vergadering) bijeen. Men nodigde er ook niet-Issaq leiders uit het noorden op uit. Op deze conferentie, die later de Berbera-conferentie genoemd zal worden, stippelden de verschillende noordelijke clans samen de toekomst uit voor hun deel van Somalië[190]. Hiermee ontstond de (definitieve?) afscheiding tussen het noorden en het zuiden van land.

 

De diplomatieke positie die het noorden nu aanhoudt met betrekking tot het zuiden, wordt gekenmerkt door één principe: actieve inmenging vermijden. Daardoor heeft het noorden natuurlijk geen vrienden gemaakt in het zuiden. Het volk in het noorden maakt zich dan weer vrolijk over de problemen van het zuiden. “The southerners are getting a taste of what we had to live with during the past 10 years, because of them”, hiermee verwijzend naar het regime van Siad Barred dat uit clans uit het zuiden bestond en bepaald niet mals was voor het noorden van Somalië[191].

 

Het wekt verwondering dat er in het noorden van het land een staatsentiteit ontstaan is, als men in acht neemt op welke economische puinhoop deze staat is moeten starten. De economische infrastructuur van Somaliland lag namelijk door de Ogaden-oorlog van Barre haast volledig in puin. Door de oorlog ontstond er ook een complete verwaarlozing van het onderhoud van de civiele installaties. Het noorden had ook te lijden onder de systematische roof en vernietiging van alles wat overbleef. Dit had twee redenen: het leger van Siad Barre werd niet betaald en de soldaten moesten dus noodgedwongen hun toevlucht nemen tot plunderen. En clanhaat zorgde ervoor dat men wel eens overging tot systematische vernietiging van infrastructuur (tactiek van de verschroeide aarde). Het resultaat was dat de regio op economisch vlak een halve eeuw terug in de tijd was gegooid. Daarbij komt nog de extreme verwaarlozing van het noorden qua investeringen door Siad Barre. De economie is nu grotendeels gebaseerd op veeteelt en export. De ambigue diplomatieke status van Somaliland blijkt nu een groot struikelblok om buitenlandse hulp te kunnen ontvangen of om buitenlandse investeringen aan te trekken. Bijvoorbeeld de mogelijke olie-exploitatie lijkt veelbelovend, maar de contracten daarvoor waren nog in Mogadishu getekend[192].

 

 

4.4. Wat in plaats van de staat: de actoren

 

De meeste auteurs beschrijven Somalië tegenwoordig als een mozaïek van lokale besturen die ontstaan zijn door nieuwe regelingen rond lokale leiders, familie- en clanoudsten en politieke leiders (versta: militieleiders) die de burgers van Somalië voorzien van een niveau van governance dat varieert naargelang het gebied en de aard van het lokale bestuur[193].

 

Het ontstaan van dergelijke lokale instituten zou wel eens blijvend kunnen zijn, want observatoren merken op dat er een tastbaar gevoel leeft van anticentralisme bij de Somaliërs. Een atmosfeer die lokale autonomie, regionalisme en federalisme bevordert (en in het noorden lijkt te neigen tot zelfbeschikking en afscheiding). In het verlegde daarvan, ligt de voorkeur die men lijkt te geven aan lokaal gecontroleerde politiemachten boven een groot staand centraal leger[194].

 

Tijd dus om dit landschap van actoren die in de plaats kwamen van de centrale staat in kaart te brengen.

 

4.4.1. Resten van de staat

 

Dat het politiek personeel dat diende onder het regime van Barre nog een nationale rol kan spelen, lijkt haast onwaarschijnlijk. Enkel binnen hun eigen clan (die ze bevoordeelden tijdens hun bewind) kunnen ze nog een rol van betekenis spelen. Want het feit dat Somalië al lange tijd een nationale regering moet ontberen, is grotendeels een erfenis van het volksverzet tegen de roofzuchtige die Generaal-Majoor Siad Barre ontwikkelde na zijn coup in 1969. De opdracht voor Somalië luidt dus niet om een regering te vormen, maar om een structuur te ontwerpen dat aanvaard kan worden door het merendeel van het Somalische volk. Maar de meeste politieke leiders lijken politiek beschadigd. Ofwel hebben ze gediend onder het Barre-regime ofwel rol speelden ze een rol in de bloedige burgeroorlog die na zijn val volgde. Duidelijke en effectieve checks en balances zijn nodig om de Somaliërs nog in een uitvoerende macht te doen geloven[195].

 

In sommige gevallen zijn de leiders die gediend hebben onder Barre nog steeds diegenen die de touwtjes in handen hebben bij hun clan. Zij worden dan ook voorgesteld (of stellen zichzelf voor) als vertegenwoordigers van die clan bij state-buildingconferenties. Zo zijn een aantal ministers en parlementsleden van de nieuw gevormde Transitional Federal Government beschuldigden van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de mensheid die zouden begaan zijn in naam van de regering-Barre[196]. Amnesty International reageerde hierop, tot nog toe zonder succes, dat het onaanvaardbaar is dat de verantwoordelijken voor dergelijke misdaden opgenomen kunnen worden in een nieuwe regering van nationale eenheid en dat dit gebeurd met steun van de internationale gemeenschap[197].

 

In Zuid-Somalië hangen de resultaten van inspanningen rond antiterrorisme af van de samenwerking met voormalige militaire of politieofficieren. Ze hebben vaak nog een netwerk van informanten die ze uit eigen zak betalen, in de verwachting dat dit gecompenseerd zal worden op een bepaald moment in de toekomst. Doordat men noodgedwongen met hen moet samenwerken, blijt hun machtsbasis onaangeroerd[198].

 

Zoals niet elke persoon van het Barre-regime zijn positie heeft verloren, zo heeft ook niet elke institutie die zijn oorsprong vindt in dat regime zijn betekenis verloren. Zo zijn de Somaliërs nog grotendeels afhankelijk gebleven van de 18 administratieve subunits of regio’s, die nog ingedeeld werden door het Barre-regime. Alle 18 worden ze gekenmerkt door een stad die gezien wordt als de regionale ‘hoofdstad’ en op z’n minst één ‘gouverneur’ heeft die zichzelf uitriep tot deze functie. Een fusie of herverdeling van die regio’s of het aanduiden van nieuwe ambtenaren, zou het status quo aanvechten en daardoor de huidige verdeling van de macht, status en gelijkheid tussen de verschillende clans aan het wankelen brengen[199].

 

4.4.2. Clans

 

Als Menkhaus erop wijst dat de structuren die de plaats innamen van de staat, erin slagen om een hoog niveau van ‘rule of law’ en persoonlijke veiligheid te realiseren, dan is dat voor een groot deel te danken aan de traditionele clanstructuren die bijvoorbeeld het clangewoonterecht (xeer) kennen[200].

 

Lewis omschrijft de opbouw van de Somalische samenleving als ‘pastoral democracy’. Deze pastorale versie van democratie is opgebouwd uit enerzijds tol, dit betekent afstamming langs mannelijke lijn. Anderzijds is er ook xeer, dit is de contractuele banden tussen groepen. Men moet xeer beschouwen als iets wisselend in tijd en inhoud, want het gaat over vrijwillige en opzegbare afspraken. Diya betekent letterlijk ‘de bloedschuld’, maar men bedoelt hiermee de groep die voor die bloedschuld aansprakelijk gesteld kan worden. De diya-groep biedt bescherming tegen andere groepen. Aangezien de wandaden van een persoon uit de diya-groep gevolgen heeft voor alle leden van de groep, regelt de diya ook het leven van de groepsleden. Dit gaat gepaard met een sterke sociale controle. Zo wordt het niveau van geweld tussen (en binnen) groepen beperkt.. Alle belangrijke beslissingen (o.m. rond xeer) worden genomen in de Shir (de raad). Deze bestaat uit alle mannelijke volwassen leden van de groep. Maar er is echter geen sprake van het institutionaliseren van. Boven de raad staat niets en indien er leiderschap is (bijvoorbeeld door een sultan, wat al voorgekomen is in de Somalische geschiedenis) dan is deze steeds tijdelijk en aan voorwaarden verbonden[201].

 

Het is niet altijd mogelijk om een duidelijk onderscheid te maken tussen factieleiders en clanleiders is Somalië. De factieleiders beheren niet veel gebied en maar weinigen onder hen kunnen aanspraak maken op een alleenheerschappij, zelfs over hun eigen subclans. Traditionele leiders zijn typisch meer gerespecteerd en oefenen een grotere morele autoriteit uit over hun bloedverwanten en dit dan vooral voor het regelen van lokale disputen. Maar ze ontbreken natuurlijk militaire en commerciële macht die overeenstemt met hun ‘politiek-morele’ macht[202].

 

Samen met het ineenstorten van het centraal gezag, verdween ook het gerechtssysteem van Somalië. Hier en daar ontstonden wel sharia rechtbanken (verder hierover meer), maar het is zeker niet overal gelukt om een dergelijk systeem te installeren. Zo mislukte enkele jaren geleden een poging om heel Mogadishu uit te rusten met een functionerend gerechtsapparaat omdat de rechtbank taksen wou opleggen aan de haven van El Ma’an, die tot dan toe in private handen was, om zo de werkingskosten van de rechtbank te betalen. Gewoonlijk worden disputen dus geregeld op clanniveau door traditionele rechtspraak die onder toezicht staat van de clanoudsten. Het zal dan ook de clan zijn die een eventuele schadevergoeding zal betalen. Deze vormen van rechtspraak zijn gratis (in tegenstelling tot sharia rechtbanken) en vergeleken met internationale standaarden zorgen ze voor snelle rechtspraak.

Een voorbeeld van hoe de rechtspraak in Somalië er nu aan toe gaat, vindt men in een zaak waar minderheidsaandeelhouders onderdrukt werden in een groot veeteeltbedrijf. Men koos toen voor gesprekken buiten de rechtbanken. Het bedrijf kon zo zijn bedrijvigheid succesvol verder zetten en het dispuut werd vriendschappelijk opgelost.

Rechtspraaksystemen die op clanbasis georganiseerd worden, zijn echter wel slecht geplaatst om disputen op te lossen die buiten de eigen clan gaan. Zo was er een zaak waarbij het telecommunicatiebedrijf Aerolite betrokken was. Het interclan comité van ouderen gaf de aanklager van een zwakkere clan een oneerlijk klein deel van de schadevergoeding en omdat de geldsom niet afgedwongen kon worden, kreeg die kleinere clan uiteindelijk niets[203].

 

Ook bij elk verder initiatief tot state-building zal men niet voorbij de clanindeling van Somalië kunnen. De recentste state-buildingconferentie (die leidde tot de huidige transitieregering) kende een doorbraak doordat het een formule had gevonden waar de meeste clans zich in konden vinden om de Transitional Federal Government in clans in te delen. Het belangrijkste stuk van de gesprekken bestond uit het opstellen van een Transitional National Charter dat een parlement opricht op basis van de zogehete ‘4,5 formule’. Dit is een akkoord over de machtsverdeling tussen de grote clans: 61 zetels voor elk van de 4 grote clans en 31 zetels voor de overblijvende minderheidsgroepen. Zo slaagt dit charter erin om een systeem van governance te omschrijven dat geleid wordt door democratische principes, promotie en respect voor mensenrechten, rule of law en politiek pluralisme zonder onrecht te doen aan de sterke aanhankelijkheid van het Somalische volk aan hun religie en cultuur[204].

 

Volgens Renders moeten er toch enkele kanttekeningen gemaakt worden bij het heil dat men van clanoudsten kan verwachten. Ze reageert hiermee op auteurs die naar het voorbeeld van Somaliland verwijzen om te beweren dat een bestuur door een traditionele structuur als clanoudsten dé weg is die leidt naar state-building. Het ligt namelijk genuanceerder en Somaliland kan blijkbaar niet zomaar als model gebruikt worden.

Maar hoe is het dan zover kunnen komen dat er nu een groot verschil is tussen de situatie in Hargeisa (hoofdstad Somaliland) en Mogadishu? Men verwijst dan vaak naar de rol van clanoudsten. Zij waren cruciaal bij het sluiten van vrede tussen de verschillende clans in het noordwesten van het land na de val van Barre. Zij zorgen ervoor dat de criminaliteit in de straten van Hargeisa binnen de perken blijft. Zou dit scenario – een grotere betrokkenheid van ‘traditionele leiders’ – dan het magisch recept kunnen zijn om situaties van state collapse op te lossen of zelfs te voorkomen?[205]. Maar Renders argumenteert dat de situatie in Somaliland te specifiek is om zonder meer als model te staan voor andere landen of zelfs maar voor de situatie in Zuid-Somalië[206].

 

Het is nog afwachten of de Somalische politiek zich verder langs clanlijnen zal afspelen of dat er een nieuwe opstoot komt van Somalisch nationalisme/irredentisme. Hassan Mireh, zelf een clanoudste maar dan uit het zuiden van het land, argumenteert bijvoorbeeld dat “clannish politics is a temporary aberration” en dat de solidariteit over de bloedverwantschappen heen (zoals het nationalisme) meer veerkrachtig is dan de huidige aanwezigheid ervan doet vermoeden[207].

 

4.4.3. Krijgsheren – milities

 

Dat men de dag van vandaag in Somalië zo veel mensen gewapend ziet rondlopen en dat er milities actief zijn die met een enorm arsenaal aan wapentuig de straten beheersen onder leiding van warlords, mag niet verwonderen. Toen het Somalische leger desintegreerde in 1991, werd Somalië overspoeld door wapens en bijhorende munitie. Dit doordat één van Afrika’s grootste en best uitgeruste legers uit elkaar viel. Het Somalische conflict zou daardoor nog jaren verder kunnen op vlak van wapentuig. Toch zijn er sindsdien nog heel wat wapens bijgekomen vanuit andere staten uit de regio en wapenhandelaars, ondanks het wapenembargo van de VN dat sinds 1993 van kracht is[208]. Nog steeds is dit materiaal uit de Koude Oorlog aan een prijs te koop die nog goedkoper is dan wat men voor voedsel vraagt[209].

 

Nochtans is politieke affiliatie langs factielijnen sterk verminderd sinds het midden van de jaren 1990. De meeste facties zijn nu virtueel buiten strijd en politieke identiteit en vertegenwoordiging enten zich nu meer expliciet langs clanlijnen. Ironisch genoeg heeft de terugtrekking van de internationale gemeenschap sterk bijgedragen tot de vermindering van de macht van de factie- en militieleiders. In het verleden stroomden grote hulpstromen naar warlords en gaven internationale onderhandelingspogingen hen politieke legitimiteit. In een situatie van afwezigheid van externe erkenning en middelen, zagen warlords hun invloed minderen. Onder hen ook Hussein Aidid en Generaal Morgan, die nu compleet afhankelijk geworden zijn van Ethiopië[210].

 

Toch vraagt een pragmatische aanpak van state-building dat factieleiders, of toch diegenen die in de mogelijkheid zijn om als stoorzender te fungeren, partij moeten zijn bij elk vredesakkoord. Op zijn minst kan dan de nieuwe staat, door de handtekeningen van de militieleiders te verkrijgen onder het akkoord, gerichte sancties rechtvaardigen als het akkoord geschonden wordt. Meer optimistisch gezien kan de steun van warlords ook de militaire capaciteit versterken van een toekomstige regering en de demobilisering vergemakkelijken. Maar sommige analisten blijven waarschuwen voor het te veel belang hechten aan factieleiders uit vrees dat ze een toekomstige staatsstructuur transformeren naar een staat die gedomineerd wordt door warlords. Een staat kan voor hen als legitimatie dienen voor de verderzetting van hun economische uitbuitingsactiviteiten en criminele bedrijvigheid. De milities in Somalië beheren gelukkig op dit moment niet veel gebied meer en er zijn er maar weinig die volledige zeggenschap kunnen claimen over zelfs maar hun eigen kleine subclan[211].

 

Milities die overgaan tot het vormen van een structuur van centrale autoriteit, worden verder besproken onder het deeltje ‘4.5 state-buildingsinitiatieven’.

 

4.4.4. Islamisme

 

De islam, die steunt op de formele gelijkheid tussen moslims en in principe zaken als bloedvetes niet kan dulden, heeft zich aangepast aan de Somalische realiteit. Of, om het preciezer uit te drukken: de Somaliërs hebben gekozen voor een islam die niet zozeer de regels dan wel de beleving centraal stelt: het sufisme. Het sufisme dat georganiseerd is in lokale tariqa rond een plaatselijke spilfiguur kon aansluiten bij wat de antropologen als segmentaire samenlevingen omschreven[212].

 

De stijging in Islamitische politieke activiteit in hedendaags Somalië is in de nasleep van de 9/11-aanvallen het onderwerp van kritisch onderzoek en aanzienlijke misverstanden. Islam is vandaag een belangrijkere politieke en sociale factor geworden dan in het pre-interventietijdperk. De meeste van de functionerende lokale rechtbanken zijn bijvoorbeeld sharia rechtbanken. De meeste van de scholen in het zuiden worden gerund door de islamitische liefdadigheidsinstelling Al-Islah[213].

 

De Somalische bevolking in het algemeen toont weinig interesse in jihadi islamisme. De meeste Somaliërs zijn er zelfs ronduit tegen. De militante bewegingen hebben gefaald in het winnen van brede publieke steun en botsen op wijdverspreide vijandigheid bij de bevolking. Het meest in het oog springende kenmerk van de islamitische militante beweging is dat ze niet dieper ingebed is geraakt in een land dat toch volgens de meeste analyses vruchtbare grond zou moeten zijn voor dergelijke bewegingen.

Toch zijn er dus sinds de ineenstorting van de regering in 1991 een heel gamma aan islamitische reformistische bewegingen ontstaan in het land, waarvan sommigen geïnspireerd of gesponsord zijn door buitenlandse actoren. De overgrote meerderheid zijn echter niet-gewelddadig en gekant tegen ideologisch extremisme.

 

De groei van rechtbanken, liefdadigheidsinstellingen en bedrijfjes met een blijkbaar islamitisch karakter heeft angst doen ontstaan dat er zoiets als een samenzwering aan de gang is om Somalië te transformeren in een islamitische staat. In realiteit vormen de Islamitische activisten een heel diverse gemeenschap die meer gekenmerkt wordt door competitie en tegenstelling dan door samenwerking, wat een brede samenzwering niet plausibel maakt[214].

 

Wat misschien belangrijker is bij het onderscheiden van de verschillende groepen is het karakter van het leiderschap, de dominante clanaffiliatie en in bepaalde gevallen de agenda van hun offshore partners. Deze islamitische groepen verschillen namelijk niet veel van de meer seculiere politieke facties. Elk wil natuurlijk die leemte opvullen die achtergelaten werd door de verdwenen overheid. Men werkt maar weinig samen om dat machtsvacuüm op te vullen. Men zag enkel een samenwerking in opportunistische allianties die een kort leven beschoren waren. Deze verzandden namelijk telkens in ruzies en splitsten vaak langs clanlijnen[215].

 

De indeling hieronder komt van een rapport van de International Crisis Group[216]. Voor enkele van deze organisaties is dit rapport mijn enige bron, wat natuurlijk een zwakte is bij mijn overzicht. Het rapport deelt het islamitisch activisme op in drie stromen: het bekeringswerk, het politieke activisme en het militante activisme. Deze Somalische islamitische groepen bekampen elkaar eerder dan dat men samenwerkt. Dit door dezelfde onenigheid die ook politieke facties verhinderd van samen te werken[217].

 

4.4.4.1 Jihadi Islamisme

 

Jihadi islamisme heeft betrekking op activisten die gericht zijn op geweldgebruik omdat ze bezig zijn met wat zij beschouwen als de verdediging (of in sommige gevallen uitbreiding) van Dar al-Islam (het Huis van de Islam: het gebied die historisch gezien al eens onder islamitisch bestuur heeft gestaan) en de gemeenschap van gelovigen (al-umma) tegen de ontrouwe vijanden. In Somalië is jihadisme een onpopulaire minderheidstrend wiens aanhang op en neer gegaan is in de voorbije jaren[218].

 

Gezien Somalië’s lange periode van burgeroorlog en stateloosheid, is het verrassend dat het land niet meer jihadi bewegingen herbergt. Desalniettemin, zoals hun daden in Somaliland en Kenia aantonen, kunnen een handvol vastberaden jihadi uitvoerders een gemeenschap terroriseren door massamoorden of verschillende executies. Als de Somalische crisis blijft voortduren, zal het stateloze grondgebied blijven extremistische elementen aantrekken. Dan zal het maar een kwestie van tijd zijn eer men erin slaagt om nieuwe terreurdaden uit te voeren tegen Somaliëers of hun buurlanden[219].

Een succesvolle antiterreurcampagne vraagt meer betrokkenheid van de hele bevolking, inclusief de civiele samenleving en de meer gematigde islamitische groepen[220].

 

Terroristen?

Sinds het midden van de jaren 1990 hebben extremistische groepen die vanuit Somalië opereren een dodelijk spoor getrokken.

De meest gevaarlijke en de meest gezochte groepering door antiterreureenheden, is een al-Qaeda cel die samengesteld is uit militanten die verantwoordelijk zijn voor het opblazen van de Amerikaanse ambassade in Nairobi in 1998, het opblazen van een toeristisch hotel langs de Keniaanse kust in 2002 en de gelijktijdige poging om een Israëlisch vliegtuig neer te schieten.

 

Al-Qaeda heeft Somalië nooit als een grote uitvalsbasis gebruikt voor operaties maar er wel steeds nauwe contacten mee gehouden sinds de vroege jaren 1990. Somalië’s gebrek aan een functionerende centrale regering, het bestaan van ongecontroleerde grenzen en een ongereguleerde wapenmarkt maken het een bruikbaar platform voor acties die gericht zijn tegen buitenlandse belangen in de weide regio. Sinds de ontmanteling van al-Itihaad in het midden van de jaren 1990 (zie verder bij ‘4.4.4.1.1. Al-Itihaad Al-Islaami’), is het geluk van de Somalische militanten bergaf gegaan. Verschillende voormalige jihadi’s hebben het geweld afgezworen en zijn teruggekeerd naar de meer conventionele school van het Salafistisch islamisme. De stroom geld vanuit de islamitische liefdadigheidsinstellingen in Saudi-Arabië en de Golf is opgedroogd na 9/11 en de door de Verenigde Staten geleide invasie van Afghanistan in 2001 nam belangrijke trainingsmogelijkheden weg[221].

 

Een aantal factoren maakt Somalië echter kwetsbaar om te dienen als safe haven voor terroristische groepen.

Het terroristisch gevaar dat vanuit Somalië zou komen is vaak verwoord in te algemene en verwarrende termen. Meer zorgvuldig onderscheid zou moeten gemaakt worden tussen de verschillende islamistische groepen. “State sponsorship” is bijvoorbeeld niet van belang omdat er geen functionerende centrale regering is[222].

 

De Somalische samenleving is sterk pragmatisch en maakt een kosten-batenanalyse van de relatie met de radicale islamisten, volgens de inschatting van de International Crisis Group. Zolang samenwerking met de radicale islamisten voordelen opleveren, zal men hun aanwezigheid dulden, doordat men toegang krijgt tot krediet, handelsnetwerken, opvoeding en veiligheid. Op het moment dat die relatie hen echter meer kost dan opbrengt, is het de verwachting dat de Somaliërs er zich van zullen distantiëren. De Verenigde Staten kunnen in hun strijd tegen het radicale islamisme de Somalische bevolking dus aan hun zijde krijgen door hen ook de voordelen te bieden zoals krediet, het faciliteren van commerciële partnerships in het buitenland, toegang tot externe markten en steun voor de exportsectoren[223].

 

4.4.4.1.1. Al-Itihaad Al-Islaami

Tijdens de jaren 1990 werd jihadisme in Somalië synoniem voor al-Itihaad al-Islaami, een groep Wahabistische militanten[224]. Dit was een Somalische islamitische en nationalistische politiek groepering die lange tijd banden heeft gehad met al-Qaeda. Men wou een islamitisch emiraat uitbouwen in het door Somali’s bewoonde gebied van de Hoorn van Afrika. Tijdens de hoogdagen van de organisatie in de vroege jaren 1990, had al-Itihaad een militie van meer dan 1000 man sterk en werd men voor het grootste deel financieel gesteund door islamitische liefdadigheidsinstellingen uit Saudi-Arabië en de Golfstaten. De organisatie richtte militaire trainingskampen in die bezocht werden door buitenlandse jihadi’s, onder andere leden van al-Qaeda. De organisatie was midden van de jaren ’90 betrokken bij verschillende terroristische aanvallen in Ethiopië. Door de Ethiopische wraakexpeditie op Somalische basissen in 1997 werd de militaire en politieke architectuur van al-Itihaad ontmanteld en de beweging formeel ontbonden. Enkele leiders blijven nog actief en zouden een ondersteunende rol hebben gespeeld in 1998 bij de bomaanslag op de VS-ambassade in Nairobi. Zij probeerden nadien om een nieuw jihadi netwerk uit te bouwen met een link naar al-Qaeda maar zonder duidelijke politieke doelstellingen[225].

 

Al in de tijden van Barre was al-Itihaad een belangrijke uitdager van het regime. Al-Itihaads stelling dat Islam niet gescheiden kan worden van politiek, zorgde voor een grote uitdaging voor het regime-Barre omdat Barre’s revolutie van zijn pluimen aan het verliezen was. Na zijn val in 1991, verlieten veel leden van de Darood-clan de hoofdstad uit vrees voor represailles van de USC. Darood-leden van al-Itihaad werden rap gedwongen om in militaire dienst te treden ter verdediging van de stad Kismayo. Sommige clanoudsten hadden beloofd dat de stad een islamitisch emiraat zou worden in ruil voor de militaire steun van de islamisten. De meer conservatieve krachten in al-Itihaad boden weerstand tegen het vooruitzicht dat de beweging zich zou omvormen tot een gewapende factie. De strijd om Kismayo werd een verpletterende militaire nederlaag voor al-Itihaad, maar het was een beslissende politieke overwinning voor de militante vleugel van de organisatie.

 

Een kritische massa van de leden was nu overtuigd dat het succes (zelfs het overleven) van de religieuze missie van al-Itihaad enkel verzekerd kon worden door de wapens op te nemen. Het volgende hoofdstuk van de organisatie zou worden gekenmerkt door jihad in plaats van louter da’wa (de religieuze missie van het preken en bekeren).

De beweging haalde zijn inkomsten gedeeltelijk uit taksen op het gebruik van de haven van Bossaso, maar haalde veel meer geld op bij buitenlandse donoren waaronder (met of zonder hun medeweten) de grote Saudische charity ‘the Muslim World League’ (Rabitat al-Islam al-‘âlamiyya). De aanwezigheid van al-Itihaad in Noordoost-Somalië vormde meer en meer een staat binnen de regionale staat aldaar (onder leiding van het SSDF) en de relaties tussen deze twee organisaties geraakten meer en meer gespannen.

Het emiraat dat al-Itihaad er oprichtte, bleek slechts een kort leven beschoren. SSDF en een haastig bij elkaar gezochte verzameling van milities van de lokale Majerteen-clan, antwoordde snel en effectief. Honderden militieleden en hun leiders werden gedood en de beweging was er weggemaaid.

Al-Itihaad ontwikkelde ook een aanwezigheid in Luuq, de belangrijkste stad van de regio Gedo, in augustus 1992. De jaren nadien ontwikkelde men er een militaire en politieke macht, grotendeels te danken aan de orde en discipline die men er vertegenwoordigde in een anders wetteloze en chaotische omgeving[226]. Menkhaus geeft volgende beschrijving van het leven onder al-Itihaad: “The administration of Luuq under the Islamists was strict. An Islamic association exercised overall authority, beneath which a district council, appointed by the Islamic Association, handled day-to-day management. A Shari’a court administered justice based on Islamic law rather than customary clan law or xeer; this meant that punishments included amputation, which is not at all customary in Somalia, though some other Somali Shari’a courts have imposed it, notably in north Mogadishu. The police force was composed of Islamic militia but kept separate from the security forces. Consumption of the mild narcotic leaf qaat, a popular habit, was forbidden, as was cultivation of tobacco.36 Veiling was enforced on women. Free education was provided in schools, but courses were taught in Arabic and the curriculum was Islamic, not secular, in orientation”[227].

 

Maar de islamitische efficiëntie op bestuursvlak vertaalde zich niet in populariteit. Verordeningen zoals de strikte invoering van de sharia en het verbieden van de qaat waren onpopulair.

Net zoals de invloed van al-Itihaad in Noordoost-Somalië de beweging in conflict bracht met het SSDF (einde emiraat in 1992), zo kwam de aanwezigheid in Gedo ook in botsing met het Somali National Front (SNF) dat met de steun van Ethiopië het emiraat vernietigde. Tegen de tijd dat al-Itihaad zijn naam veranderd had in al-I’tisaam was de eens formidabele administratieve en militaire structuur weggevaagd en het leiderschap in verwarring gebracht over hoe het verder moest. Opinies zijn verdeeld of de beweging nu nog bestaat en in welke vorm dan wel[228].

 

4.4.4.1.2. De nieuwe Jihadis

Sinds 2003 is er bewijs opgedoken dat er een nieuw onafhankelijk jihadi netwerk ontstaan is in Somalië, waarbij de meest zichtbare figuur een jonge militieleider is die bekend staat onder de naam Aden Hashi Farah ‘Ayro. Deze beweging is gebaseerd in Mogadishu en heeft, naar men weet, geen naam of politiek agenda. In Mogadishu lijken deze nieuwe jihadi’s een belangrijke nieuwe speler te worden. Er zijn namelijk tekenen van steun voor Ayro’s militie door de zakenman Abokar Omar Adaani. Dit versterkt de perceptie dat de jihadibeweging niet langer meer geïsoleerd zitten zoals ze eens waren[229].

 

Verschillenden noemen dit netwerk het nieuwe al-Itihaad (zie hierboven ‘4.4.4.1.1. Al-Itihaad Al-Islaami’). Maar de nieuwe jihadi’s verschillen van deze vorige beweging op verschillende belangrijke punten. De beweging heeft geen naam, het lidmaatschap ervan is grotendeels clandestien en de doelen zijn onuitgesproken. Terwijl het leiderschap van al-Itihaad verschillende gerespecteerde sjeiks telde, heeft het nieuwe jihadi leiderschap weinig of geen religieuze autoriteit in zijn rangen. En terwijl al-Itihaad kon steunen op een uitgebreid instrumentarium (militaire kracht, territoriale administratie en missionair activisme in het kader van da’wa) om zijn politieke doelen te bereiken, hanteren de nieuwe jihadi’s enkel oproer in de steden en terroristische operaties zonder een duidelijk politiek doel als middel[230].

 

4.4.4.1.3. Al-Takfir Wal-Hijra

Er is erg weinig bekend over het Somalische al-Takfir wal-Hijra, met uitzondering dat de aanwezigheid ervan voor het eerst aan het licht kwam na de ineenstorting van het Barre-regime. Toen verschenen er kleine takfiri communes in Mogadishu, Bossaso en in een aantal andere steden.

Ze waren terughoudend en meden onnodig contact met andere Somaliërs, maar ze hadden (voor zover bekend) geen banden met al-Itihaad of andere jihadi groepen en geen reputatie van geweld[231].

 

4.4.4.2. Politieke Islam

 

Omdat de religie islam sowieso interesse toont in zaken van governance, zijn alle vormen van islamitisch activisme natuurlijk politiek. Dit deeltje concentreert zich op Somalische bewegingen die expliciet voorrang geven aan politieke actie t.o.v. bekeringsdrang. Ze zoeken macht op een politieke eerder dan op een gewelddadige manier. Ze organiseren zich als politieke partijen[232].

 

4.4.4.2.1. Harakat Al-Islah

Na al-Itihaad (in 4.4.4.1.1. reeds besproken) is Harakat al-Islah (de Hervormingsbeweging) waarschijnlijk Somalië’s meest controversiële islamitische partij, omdat het zijn visie ontleent aan die van de Moslim broederschappen.

 

Tijden de jaren 1990 besteedde al-Islah veel van zijn energie aan humanitaire activiteiten en aan het herstel van de sociale basisdiensten. Vandaag beschouwt men hun inspanningen voor het onderwijs als hun belangrijkste verdienste. Hun leiders hadden sleutelrollen in het onderwijsnetwerk Formal Private Education Network in Somalia (FPENS) en in het uitbouwen van de Mogadishu University (één van de vier onderwijsinstellingen in de stad die hoger onderwijs aanbieden). Alhoewel deze realisaties erop staan om te benadrukken dat ze onafhankelijke instituties zijn en niet mogen gezien worden als organen van al-Islah.

 

De interne structuur van de organisatie, als die bestaat, functioneert op een schijnbare democratische wijze. De leden van de ‘Hoge Raad’ van al-Islah worden verkozen door een ‘parlement’ (Majlis al-Shura) en dit voor vijf jaar en men kan maximum 2 termijnen uitdoen.

 

Al-Islahs democratische manier van werken heeft zich echter niet vertaald in brede publieke steun. Daardoor bleef het een relatieve kleine organisatie die gedomineerd wordt door een hoogopgeleide stedelijke elite. Deze elite bestaat uit werkende middenklassers met heel wat buitenlandse ervaring, wat hen doet vervreemden van de meeste Somaliërs[233].

 

4.4.4.2.2. Ahlu Sunna Wal Jama’a

De beweging Ahlu Sunna wal Jama’a brengt traditionele Somalische Sufi leiders samen in een poging zo weerstand te kunnen bieden aan de ‘schade’ die reformistische islamgroepen aanbrengen.

 

Maar de organisatie bleef tot 2002 maar weinig bekend. Toen vond het zichzelf opnieuw uit als een ‘moderne’ politieke groepering die als overkoepeling dienst wil doen voor politiek gemotiveerde sjeiks van de Sufistische broederschappen die een traditionele interpretatie van de Islam erop na houden. Hierdoor begon de leiders van deze groepering een actieve rol te spelen bij de Somalische vredesgesprekken in het naburige Kenia. Daar voerde het energiek campagne tegen de opname van reformistische islamitische groepen in de transitieregering die, volgens hen, begonnen waren met de misinterpretatie van de religie en die men ervan beschuldigde relaties te hebben met het internationale netwerk van terroristen[234].

 

4.4.4.2.3. Majma’ ‘Ulimadda Islaamka Ee Soomaaliya

Onmiddellijk na de val van het regime van Barre, kwamen op 2 februari 1991 een groep van een 30 Somalische religieuze leiders (Ulama) bijeen om te discussiëren hoe het vacuüm moest opgevuld worden na het wegvallen van de centrale autoriteit. Het resultaat was het ontstaan van een militie, Horseed genaamd, wiens doel erin bestond om voor veiligheid te zorgen in bepaalde wijken van de hoofdstad en rond enkele beginnende sharia rechtbanken. Ze hebben ook getracht om het gezag in handen te krijgen als een soort van ‘Supreme Islamic Council’. Toen factieleiders dit initiatief begonnen te interpreteren als een uitdager van hun eigen autoriteit, zegden ze hun steun voor dit initiatief op. Maar het legde wel de basis voor het ontstaan van de groep die later Majma’ zou worden.

 

Sindsdien, we schrijven 1992, is de groep zich meer gaan toeleggen op de sociale basisfuncties zoals religieus onderwijs en huwelijksdiensten. Het totale ledenaantal van de groep wordt geschat op 200 of 300 religieuze leiders uit de meeste clans en regio’s van Somalië. Ondanks het feit dat Majma’ zich op een afstand houdt van politiek, is het toch vastbesloten om de invoering van de shariawetgeving te doen lukken. Dit proberen ze via de steun die ze verlenen aan de sharia rechtbanken van Mogadishu.

 

Tot zover is er dus geen bewijs dat Majma’ iets meer is dan een associatie van professionele Shafi’i geleerden die ontstaan is om hun religieuze autoriteit te laten stand houden en om de belangen van hun leden veilig te stellen[235].

 

4.4.4.3. Missionair activisme

 

Missionaire islamisten verafschuwen politiek activisme en gaan ook niet op zoek naar politieke macht of zullen hun groeperingen niet beschrijven als partijen.

Dergelijke groepen zijn niet noodzakelijk volledig zonder politieke objectieven, maar ze kiezen er eerder voor om de machtshebbers te beïnvloeden dan om zelf macht uit te gaan oefenen. Ze hebben de neiging om partijpolitiek, verkiezingen en andere vormen van politiek activisme te verwerpen en in de plaats te kiezen voor hun religieuze missie van verkondigen en bekeren (Da’wa). Hun bekeringsactiviteiten richten zich niet naar niet-moslims, maar voornamelijk op de ‘bekering’ van moslims die enkel moslim zijn in naam, om ze te brengen naar wat zij beschouwen als het correct islamgeloof[236].

 

4.4.4.3.1. Al Ansar As-Sunna

Al-Ansar as-Sunna is het resultaat van interne verdeeldheid binnen het vroegere al-Itihaad al-Islaami. Een groep van voornamelijk Hawiye geestelijken scheurden zich gedesillusioneerd af van hun eigen associatie. Het resultaat was al-Ansar as-Sunna, een associatie van Wahabistische religieuze leiders geleid door sjeik Hassan Alasow.

De levensduur van Al Ansar bleek kort te zijn. Al na enkele maanden borgen de leiders het project op en gingen ze voor een soort Salafisme waarnaar ze refereerden als lâ Jama’a. Dit houdt in dat ze terug gaan naar de mainstream Salafistische praktijk[237].

 

4.4.4.3.2. Jama’at Al-Tabligh

Jama’at al-Tabligh ontstond in 1926 als een fundamentalistische beweging met als doel het in stand houden van het geloof binnen de Indische moslimminderheid. Het is een internationale beweging geworden, met miljoenen volgelingen in ongeveer 100 landen, waaronder dus Somalië. Aanhangers van Tablinghi worden verwacht hun da’wa verantwoordelijkheid op te nemen. Dit doen ze vaak door in kleine groepjes lange bekeringsreizen te maken in afgelegen gebieden. In Somalië heeft Tabligh waarschijnlijk meer volgelingen dan elke andere organisatie en ze beheert veruit de meeste moskeeën en opleidingscentra, maar haar reputatie is er voornamelijk één van ‘quietist proselytism[238].

 

Hun manier van actie voeren door al reizend het woord te verspreiden, laat Somaliërs toe om naar het buitenland te reizen en laat buitenlanders om Somalië binnen te kunnen komen. Er bestaat weinig twijfel dat radicale islamitische groepen zo in het verleden Somalische rekruten naar trainingskampen in Pakistan en Afghanistan hebben kunnen zenden[239].

 

4.4.4.4. Islamitische diensten: rechtbanken, liefdadigheid en handel

 

Door de state collapse van de Somalische staat in 1991 zijn de voormalige publieke diensten noodgedwongen geprivatiseerd, zoals watervoorziening, gezondheidszorg, onderwijs, transport, telecommunicatie en financiële diensten. Liefdadigheidsinstellingen en bedrijfjes met een expliciet ‘islamitisch karakter’ zijn nu vaak te vinden tussen de meest effectieve providers van diensten. In zuidelijk Somalië hebben islamitische rechtbanken bijvoorbeeld een leidende rol gespeeld in de restoratie van de veiligheid na jaren van anarchie.

Het uitgesproken profiel en maatschappelijk belang van deze islamitische diensten wordt door sommige waarnemers gezien als bewijs dat er een uitgewerkte strategie bestaat om de macht over te nemen in Somalië. De meeste islamitische diensten weerspiegelen echter een pragmatische reactie op state collapse en op het ontbreken van alternatieven[240].

 

4.4.4.4.1. Rechtbanken

In de meeste gevallen zijn de sharia rechtbanken niet meer dan manifestaties van lokale inspanningen om een rule of law te installeren in een ineengestorte staat. Men steunt daarbij op de bron van rechtspraak die ze het best kennen. Ze maken geen deel uit van een bredere politieke agenda. Islamitische hulporganisaties zijn in het algemeen sowieso meer op de samenleving gericht dan op politiek[241].

 

De Shari’a rechtbanken sproten tijdens de jaren negentig uit de grond over geheel zuidelijk Somalië. Want terwijl het noorden kon terugvallen op een beginnende staatsentiteit (namelijk Somaliland) bleef het zuiden van het land in een situatie van stateloosheid zitten. De rechtbanken zijn ontstaan als organisaties vanuit de clans. Het begon in essentie als instituties die bedoeld waren om de veiligheid en orde te herstellen. Pogingen om het gerechtssysteem één te maken en te coördineren, zijn altijd politiek gemotiveerd geweest en sommige rechtbanken zijn gekaapt door jihadi leiders. Deze vorm van samenwerking, gecombineerd met onafhankelijke inkomsten, liet sommige rechtbanken toe om een grotere onafhankelijkheid uit te oefenen ten opzichte van hun respectievelijke clan en sinds 2005 houdt het systeem van sharia rechtbanken in Mogadishu er een agressieve politieke en sociale agenda op na[242].

 

Sharia rechtbanken moet men niet zien als een product van islamitisch activisme, maar eerder als een product van de twee allesbepalende factoren in Somalië: clan en het traditionele islamitische geloof. De rechtbanken krijgen autoriteit doordat de clanoudsten deze instituties hebben opgericht en daardoor is het Somalisch gewoonterecht (xeer) een belangrijke bron van rechtspraak. De islamitische wetgeving sharia vult deze aan ‘by defaul’”, omdat er geen ander wettelijk systeem nog functioneerde na 1991 en er maar zeer weinig rechters en advocaten in het land zijn gebleven. Dit beperkt de rechtspraak van elke rechtbank tot zijn eigen subclan en betekent dat de meest strenge islamitische bestraffingen (xudud) die in tegenspraak zijn met het Somalische xeer zelden opgelegd worden[243].

 

Door de afwezigheid van een politiemacht, houdt elke rechtbank zijn eigen militie in stand, die voornamelijk betaald wordt door contributies van de zakenmannen uit de clan.

 

Doordat elke rechtbank enkel jurisdictie heeft over leden van zijn eigen subclan, werd het een noodzaak dat in een grote heterogene stad als Mogadishu gewerkt werd aan een graad van coördinatie tussen de verschillende rechtbanken. Begin 2000 namen enkele leiders van rechtbanken het initiatief voor de vorming van een “Shari’a Implementation Council” (Golaha Fulinta Sharee’ada Islaamka). De primaire functies van deze raad hielden de gevangenenuitwisseling in en occasionele gezamenlijke operaties van hun milities. In 2004 werd er een nieuwe koepelorganisatie opgericht voor Mogadishu: de Supreme Council of Islamic Courts of Somalia (Golaha Sare ee Makhamaddaha Islaamiga ee Soomaaliya). Onder het leiderschap van deze nieuwe raad en in samenwerking met vrijwillige buurtinformatienetwerken, maakte het systeem van sharia rechtbanken in Mogadishu een ongekende expansie mee[244].

 

4.4.4.4.2. Liefdadigheidsinstellingen

Onder de dictatuur van Siad Barre werden islamitische liefdadigheidsinstellingen onderworpen aan dezelfde restricties als andere ngo’s. Door de instorting van het regime en het begin van de humanitaire crisis, nam het aantal islamitisch charities, zowel binnen- als buitenlandse, enorm toe. In Mogadishu alleen al onderhouden deze instellingen drie universiteiten, een groot management trainingsinstituut, twee ziekenhuizen en verschillende scholen die voor meer dan 100.000 studenten in onderwijs voorzien.

De term ‘islamitische’ charities lijkt te verwijzen naar een verschil tussen deze liefdadigheidsinstellingen en de ngo’s die hulp ontvangen van Westerse donoren. Maar in feite is dat verschil er helemaal niet. De meeste islamitische organisaties verbinden er zich enkel toe om diensten te leveren die consistent zijn met hun geloof en leven als Moslim. Ze hebben helemaal geen terughoudendheid om een partnerschap aan te gaan met een niet-moslim organisatie of donor[245].

 

Sommige Islamitische bewegingen kunnen inderdaad Trojaanse paarden zijn voor moslimextremisme, maar het is erg moeilijk om te determineren of een ngo gebruikt wordt als dekmantel of gewoon een sociaal programma uitvoert[246].

 

Islamitische charities worden voornamelijk gefinancierd vanuit Saudi-Arabië en andere Golfstaten. Buiten hun humanitaire waarde zorgen de activiteiten van islamitische organisaties ook voor het versterken van de sociale, economische en politieke linken tussen Somalië en de Arabische staten. Wat tot een groeiende bezorgdheid leidt voor Ethiopië[247].

 

4.4.4.4.3. Handel

Het ontstaan van privé-ondernemingen in Somalië met een expliciet islamitisch karakter creëerde bij sommigen de bezorgdheid dat de extremisten genieten van een buitensporige controle over de zwarte economie.

De meeste Somalische bedrijven hebben hun hoofdkwartier nu in de Verenigde Arabische Emiraten, één van de weinige landen die nog steeds het Somalisch paspoort aanvaarden. Daar valt het aan te bevelen om vloeiend Arabisch te spreken en een buitengewone religiositeit ten toon te spreiden om partnerschappen voor investeringen af te sluiten. In Somalië zelf tonen veel bedrijfjes zich expliciet religieus en nemen ze devote werknemers aan om vertrouwen te winnen van hun klanten en zo clanverschillen te overbruggen.

 

Islamisten mogen dan nog geloven dat handel de islam vooruit kan helpen, de meeste Somalische ondernemers erkennen dat islam gewoon goed is voor hun business[248].

 

4.4.4.5. Islamitische netwerken?

 

Wat voor sommige observatoren eruit mag zien als allianties van islamitische activisten, wordt door anderen geplaatst in de context van het gekende patroon van clanpolitiek. Ambivalente houdingen tegenover de jihadi’s produceren onhandige verstandshuwelijken tussen ogenschijnlijk incompatibele groepen.

 

De groei van islamitische activiteit in Somalië is noch synoniem voor extremisme noch voor terrorisme. Het activisme in zijn verschillende vormen is een antwoord op de verschillende uitdagingen die een situatie van langdurig conflict en state collapse stelt. De grote meerderheid van de Somaliërs, inclusief de Somalische activisten, zijn resistent tegen extremisme en komen in opstand bij discriminerend geweld in de naam van islam[249].

 

4.4.5. Zakenlieden: formeel en informeel

 

Somalië als typevoorbeeld van de gefaalde staat, lijkt in de gegeven omstandigheden toch te beschikken over een private sector die verrassend innovatief is.

 

Ondernemers in Somalië hebben drie methoden gebruikt om het gebrek aan een effectieve overheidsregulering te compenseren. Ten eerst, importeren ze governance door te steunen op buitenlandse instituties. Bijvoorbeeld op vlak van luchtvaartveiligheid, muntstabiliteit en vennootschapsrecht. Ten tweede, maken ze gebruik van clans en andere bestaande lokale vertrouwensnetwerken om hen te helpen bij de naleving van contracten, betalingen en overdrachten van geldsommen. Ten derde, herleiden ze transacties tot een eenvoudige vorm zodat ze uitgevoerd kunnen worden zonder hulp van noch de clan noch de internationale economie[250].

 

Hieronder lijst ik wat voorbeelden op van deze 3 methoden. De voorbeelden komen uit een studie van de Wereldbank[251].

 

Importeren van governance

 

· Telecommunicatie: met internationale hulp

Vele lokale Somalische bedrijven zijn gaan samenwerken met internationale giganten zoals Sprint (US) en Telenor (Noorwegen) om zo te voorzien in een mobiel telefoonnetwerk en nieuwe vaste lijnen te kunnen leggen. Felle concurrentie heeft de prijzen doen zakken tot een stuk onder het normale niveau in Afrika. Somalië heeft nu meer dan 112.000 vaste telefoonlijnen en 50.000 mobiele abonnementen. In 1991 telde het land nog maar 17.000 lijnen. Maar niet alles gaat goed: er zijn nog problemen met interconnecties tussen telefoonfirma’s. Zo heb je verbindingen nodig met 4 telecombedrijven om elke abonnee in Hargeisa te kunnen bereiken. Maar bedrijven in Mogadishu hebben nu overeenstemming bereikt over interconnectie standaarden. De onderhandelingen daarover werden opgezet met behulp van de Verenigde Naties en International Telecommunicatie Union (ITU).

 

· Vliegverkeer: veiligheid uitbesteden

In 1989 had de nationale vliegtuigmaatschappij (gedeeltelijk eigendom van Alitalia) enkel 1 vliegtuig en 1 internationale route. Vandaag kent de sector een boost met 15 firma’s, meer dan 60 vliegtuigen, 6 internationale bestemmingen, meer binnenlandse routes en veel meer vluchten. Maar veiligheid blijft een bezorgdheid. Luchthavens hebben een gebrek aan luchtverkeersleiders, brandweerdiensten, verlichting van de vliegbaan, een afsluiting om dieren op afstand te houden en controle op het personeel en de passagiers. De oplossing die men toepast: deze zaken internationaal uitbesteden. Somalische luchtvaartmaatschappijen leasen vliegtuigen en bemanning in Oost-Europa en opereren vanuit Djibouti, Dubai en Nairobi om daar de faciliteiten te gebruiken om de veiligheid van de toestellen te checken.

 

· Internationale geldtransfers: het ‘hawala-systeem’

Het hawala systeem, een op geloof gebaseerd geldtransfersysteem dat in de meeste Moslimlanden wordt gebruikt, brengt US$ 0.5–1 miljard in Somalië elk jaar. Een persoon uit New York die geld wil zenden naar zijn familie in pakweg Tog-waajale, geeft het geld cash aan de hawala-vertegenwoordiger in New York en betaalt 5 % commissie. Die vertegenwoordiger deponeert het geld op een lokale bankrekening waardoor het geld getransfereerd kan worden naar het agentschap van het bedrijf in Djibouti of Dubai. Die verwittigt het verrekenkantoor in Hargeisa dat de details doorgeeft aan Tog-waajale. Wanneer de ontvanger opdaagt, ondervraagt de lokale vertegenwoordiger van de bank de ontvanger over zijn clanverwantschap. Hij gebruikt daarvoor de vragen die opgesteld zijn door zijn overzees familielid. Deze transactie is normaal binnen de 24-uur volbracht. Deze hawala-netwerken zijn niet gereguleerd en houden niet altijd een overzicht van al hun transacties bij. Ze komen nu wel meer en meer geviseerd door de inspanningen om witwaspraktijken te bestrijden.

 

· Monetair: perfecte competitie voor dollars

Sterke inflatie in 1994–96 en 2000–01 vernietigde het vertrouwen in de drie lokale munteenheden. U.S. dollars zijn moeilijker na te maken, moeten niet gedragen worden in grote fragiele bundels en, het belangrijkste, ze behouden hun waarde. De zwakke capaciteiten van de centrale bank laten toe dat er vrije toegang is tot de wisselmarkthandel, die nu zo competitief als mogelijk is.

 

Gebruik maken van clansystemen

 

· Privé-rechtbanken: snel, maar beperkt

Een economie heeft ook nood aan een goed werkend rechtssysteem dat zekerheid biedt aan ondernemers. In 2004 deed men een inspanning om Mogadishu te voorzien van een functionerend gerecht, maar die poging faalde toen de rechtbank taksen wou opleggen en de privaat uitgebate haven van El Ma’an wou overnemen. In elk geval heeft Somalië een gebrek aan contractrecht, vennootschapswetgeving, het concept van beperkte aansprakelijkheid en andere sleutelpilaren van commerciële wetgeving. Gewoonlijk worden disputen geregeld op clanniveau, door traditionele systemen gerund door clanoudsten en de clan die de schadeloosstelling betaald. Zulke maatregelen zijn gratis en snel.

· Spaarrekeningen

Somalië heeft de wijdverspreide Afrikaanse gewoonte overgenomen van ‘roterende kredietgeassocieerden’. Hierbij steunt men op clanlinks voor het doen naleven van kredieten en voorzien van een veilige toevlucht voor spaargelden.

 

Transacties simplificeren

 

· Elektriciteit:

Aanpassen aan Somalische realiteit door te decentraliseren. Ondernemers hebben steden ingedeeld in beheersbare buurten en voorzien daar elektriciteit met tweedehands generatoren uit Dubai. Klantgericht: ze hebben voor huishoudens een aanbod naar keuze (overdag, ’s avonds of 24-uur service) en laten ze betalen per gloeilamp.

 

Als een aspect van de sterkte van de civiele samenleving, herleeft de private sector terug. Weg zijn de zogenaamde socialistische restricties die door de dictatuur waren opgelegd. De op kleine schaal opererende private sector (in zowel het noorden als in Mogadishu) is ver vooruit op de regulerende autoriteiten die zich nog in een embryonaal stadium bevinden[252].

 

Dat zal voor spanningen zorgen bij de installatie van een mogelijke nieuwe centrale regering. De havens van Mogadishu zouden bijvoorbeeld de Transitional Federal Government moeten voorzien van inkomsten, maar de haven van 'Eel Ma'aan is bijvoorbeeld in handen van de Banadir groep. Dat is een consortium van zakenmannen die de haven runnen, samen met enkele militieleiders. Zij willen natuurlijk compensaties zien als ze hun bron van inkomsten kwijtraken[253].

 

Het is een trend sinds 1994 dat de zakenmannen in de grote steden aan macht hebben gewonnen. Veel van de voorheen dominante warlords en politieke facties hebben hun invloed zien verminderen door de opkomst van een klasse van zakenmensen. Zij vormen een nu een nieuwe onafhankelijke politieke macht. In de grote commerciële steden als Mogadishu en Hargeisa vormen enkele tientallen welvarende handelaren en ondernemers een krachtig politiek blok. In sommige gevallen zelfs het meest machtige blok. Doordat in Mogadishu in 1999 de leidende zakenlieden stopten met militieleiders te betalen, maar in de plaats freelance militieleden aanwierven, vormden ze hun eigen veiligheidsdienst en gerechtssysteem[254].

 

Veel zakenmensen oefenen nu in verschillende regio’s van Somalië echte invloed uit over oorlog of vrede en hun steun (of gebrek aan steun) voor een toekomstige overheid zal een beslissend element blijken te zijn[255].

 

4.4.6. Privé-veiligheidsdiensten (freelance militie)

 

Door het enorme arsenaal aan wapens dat nu in Somalië circuleert door de implosie van het grote leger van Siad Barre, is het niet moeilijk om aan een wapen te geraken en je kost te verdienen als freelance militielid[256].

 

Men kan dan echt freelance werken en je een inkomen bij elkaar krijgen door diefstal, afpersing of kidnapping. Drie fenomenen die nog steeds als een plaag grote delen van het land teisteren[257].

 

Je kan je natuurlijk ook laten inhuren door mensen met belangen die verdedigd moeten worden. Zo besloten leidende zakenmannen in Mogadishu in 1999 om de militieleiders van hun eigen clan die hen flankeerden te bedanken door hen te weigeren nog te betalen. In de plaats kochten ze direct de steun van individuele militieleden. De meeste militieleden zullen namelijk vechten voor al wie hen daarvoor betaalt. Men houdt er dus geen grote loyaliteit op na voor hun leiders. Dit systeem liet de zakenmannen toe om hun eigen veiligheidstroepen en gerechtssysteem, waarvan ze het management overlieten aan de lokale sharia rechtbanken, te financieren[258].

 

4.4.7. Civil society

 

Alhoewel de meeste voorgaande voorbeelden van actoren op het Somalische terrein, ook te klasseren vallen onder civil society, zijn er nog een aantal actoren die niet in bovenstaande categorieën thuishoren.

 

Er is een groeiende sterkte van de civiele samenleving, vooral omdat de staat zo compleet gecrasht is. De rol van traditionele ouderen is zowel zichtbaar als positief. Vrouwenbewegingen zijn ook actief en vrouwen en kinderen maken de meerderheid uit in demonstraties voor ontwapening en vrede. Doorheen de crisis zijn de hogeropgeleiden (voornamelijk dokters en verpleegsters) in het land gebleven. Zij dienen nu als positief rolmodel. Leerkrachten hebben hun rudimentaire vorm van onderwijs geven hernomen in de landelijke gebieden.

Er is ook een springlevende vrije pers ontstaan (6 dagbladen in Hargeisa en meer dan 16 in Mogadishu). Ze worden gedrukt in Somalië waar ze worden geproduceerd op computers en stencilmachines[259].

 

Diplomaten en donors hebben zwaar geïnvesteerd in de civil society als een tegengewicht voor de milities (terwijl die eigenlijk ook deel uit maken van die civiele samenleving). Bij vredesconferenties die de internationale gemeenschap organiseren (als pogingen tot state-building) is deze term problematisch omdat ze enerzijds diegene wel omschrijven voor wie de term bedoeld is. Dit gaat dan over personen die hun leiderschap over een gemeenschap al gedemonstreerd hebben en gerespecteerde figuren zijn in hun thuisbasis of daarbuiten. Anderzijds komen er ook figuren op af die willen aanspraak maken op het etiket ‘civiele samenleving’ maar die niets meer kunnen aantonen dat een zelfgemaakte business card of zelfs geen geld hebben voor een terugvlucht van die vredesconferentie. Factieleiders bekijken op zo’n conferentie de delegatie van de ‘civiel society’ als opportunistische rivalen voor posten in een toekomstige regering en klagen ervoor dat ze niet meer dan ‘proxies’ zijn voor buitenlandse donoren en ngo’s[260].

 

De burgerlijke afgevaardigden op de laatste conferentie (Eldoret) mogen dan misschien oprechter zijn en sympathieker dan de warlords, ze zijn echt niet minder verdeeld in hun beleid, ambitie en clanaffiliaties. Ondanks goede bedoelingen, zijn de meeste door zichzelf aangeduid als vertegenwoordiger en steunen ze meer op persoonlijke invloed dan op een mandaat om een vredesovereenkomst te verkopen aan wie niet rond de conferentietafel zit maar wel achtergebleven is in Somalië. Het heeft ook al niet geholpen dat al wie niet op de lijst van facties voorkwam bij de laatste vredesconferentie, op één hoopje gesmeten werd onder de noemer ‘civil society’. Veteranen van het politieke bedrijf, voormalige factieleiders, ambtenaren van het lang verdwenen Barre-regime en personen beschuldigd van oorlogsmisdaden zitten schouder aan schouder met traditionele leiders, leiders van vrouwengroepen, niet-gouvernementele organisaties, academici en leden uit de Somalische diaspora.

De vastberaden houding van donoren zoals de EU-Commisie om de rol van de civil society te promoten in de conferentie heeft deze zaak verder gecompliceerd door een concurrentiestrijd te creëren over hulpmiddelen en ondertussen de verdenking over factieleiders te doen toenemen. Als er geen verbeterde participatieformule kan gevonden worden en vertegenwoordigers van de civiele samenleving beginnen te functioneren op een zelfde manier, dan is het waarschijnlijk dat ze allemaal gemarginaliseerd zullen worden of zich verplicht zullen zien de ondersteuning van factieleiders te zoeken om rond de conferentietafel te kunnen blijven zitten[261].

 

 

4.5 State-building: bringing the state back in

 

Pogingen om de staat in Somalië terug te reconstrueren heb je in verschillende vormen[262]:

 

Somalië is op dit moment niet volledig staatloos meer. Enkel officieel is het dat nog. Hier en daar zijn er al administraties opgericht die bijvoorbeeld belastingen innen. Het huidige Somalië is dus niet geheel zonder inkomsten: verschillende administraties en autoriteiten doorheen het land halen niet al waarschijnlijk tussen de $80 miljoen en de $100 miljoen elk jaar op. Dit wordt voornamelijk bereikt door controle op de economische infrastructuur uit te oefenen, zoals havens en luchthavens[263].

 

Bij grote vredesconferenties die state-building tot doel hadden, wist men niet goed wat men nu juist moest aanvatten met de al bestaande staatentiteiten die waren ontstaan. Zo ontwikkelde men de building-block benadering. In 1996, na verschillende gefaalde vredesconferenties die de bedoeling hadden terug een centrale regering op de been te brengen, vonden donors en de buurlanden elkaar rond de strategie om de vorming van regionale administraties aan te moedigen. Deze zouden dan kunnen dienst doen als ‘building blocks’ voor een eventuele nationale verzoening en begin van state-building. Men hoopte een regering te kunnen vormen door onderhandelingen op te starten tussen al functionerende regionale autoriteiten, zodat men niet enkel met de gewapende facties rond tafel moest zitten. Deze nieuwe nadruk hielp Somaliland om zich te consolideren en vormde de drive achter het installeren van Puntland en de Rahanweyn Resistance Army’s administratie van de Bay en Bakool regio’s in het zuiden. Pogingen in de rest van Somalië, zoals de Banadir autoriteit rond Mogadishu en Hiranland ten noorden van de hoofdstad leidden slechts een kort leven of waren doodgeboren. Politieke groepen in Mogadishu die voordeel hadden bij het uitblijven van een centrale regering in de hoofdstad, hebben consistent de building block aanpak verworpen. In contrast hiermee heeft het zuiden meer lokale inspanningen gezien om opnieuw een rule of law te installeren. Governance en dispuutmanagement werden terug opgericht door de autoriteit van clanoudsten en gewoonterecht (xeer). In sommige plaatsen ontwikkelden city-states hun eigen administratie, gebaseerd op een driehoeksverhouding tussen clanoudsten, zakenmannen en lokale sharia rechtbanken. In andere gebieden claimden milities en facties jurisdictie over lokale heerschappijen die ze al dan niet bestuurden. Toch blijft het zuiden grotendeels geplaagd door een chronische situatie van stateloosheid[264].

 

Dan is men in Somaliland toch beter af waar traditionele ouderen de clanmilities konden overtuigen om hun zware wapens in te leveren en hun lichte wapens enkel mee te nemen als ze gewapende posities wouden innemen. De veiligheid is er in de regio opmerkelijk hoger dan in de andere gebieden. Anderen argumenteren dat dergelijke oplossingen waarschijnlijk niet kunnen werken in het zuiden omdat daar de traditionele autoriteit veel zwakker staat en waar, in tegenstelling tot wat in Somaliland het geval was, sterke gevestigde politieke en commerciële belangen de reconstructie van de regering tegenhouden[265].

 

Of misschien kan een concept van federalisme ingang vinden in het Somalische perspectief. Een perspectief dat misschien het best kan samengevat worden met de termen u dhashay, ku dhashay and ku dhaqmay. Het concept u dhashay verwijst naar clanaffiliatie en is analoog met de Westerse juridische term jus sanguinis. Het vindt zijn politieke uitdrukking bijvoorbeeld in Puntland, dat zichzelf definieert als het thuisland van de Harti clans. De term ku dhashay refereert naar geboorterecht en ligt dichter bij het Westerse concept van jus solis. Ondanks dat dit gewoonlijk elementen bevat van clanaffiliatie, laat het ook toe om leden van vreemde clans dezelfde rechten te laten genieten als natives, als ze geboren zijn in hetzelfde territorium. Dit concept zit vervat in de grondwet van Somaliland.

Beide concepten suggereren een vorm van decentralisatie, waarschijnlijk federalisme, waarbij burgers die geboren worden in bepaalde gebieden of behoren tot bepaalde gebieden van meer politieke, economische en sociale rechten kunnen genieten dan andere Somaliërs. Dit impliceert beperkingen op het recht van iemand om te stemmen, bij de overheid te werken of misschien zelfs landeigendom te houden in een gebied waar zijn clan niet inheems is.

De term ku dhaqmay impliceert een vorm van naturalisatie, in de betekenis dat alle Somaliërs zich mogen vestigen en van gelijke rechten genieten overal in het land, onafgezien waar ze geboren zijn of wat hun clanaffiliatie is. Terwijl de meeste Somaliërs in principe akkoord gaan met dit ‘nationalistisch’ principe, voelen velen anderen dat daar misbruik van gemaakt kan worden door leden van bepaalde groepen[266].

 

4.5.1. Somaliland

 

Meer en meer krijgt Somaliland, als de facto onafhankelijk land nu ook specifieke aandacht. Bijvoorbeeld Ian Spears beschreef de geschiedenis ervan en toonde aan dat de verzuchting naar onafhankelijk van deze natie logisch is ondanks het irredentisme dat de Somalische politiek sinds de dekolonisering beheerste[267]. De auteurs die de case van Somaliland behandelen, pleiten er stuk voor stuk voor om het land internationaal te erkennen. Ze zien Somaliland als een te koesteren voorbeeld van een gelukte staatsopbouw in Afrika[268].

 

Dit deels doordat het op een unieke manier tot stand gekomen is, namelijk vanuit de prekoloniale traditionele structuren. Het is ironisch dat de staat Somaliland die toen opgericht is, zal leiden tot de omvorming van clanleiders tot politici en dat die de clanstructuren in naam van de staat aan banden zullen leggen.

Renders beschrijft hoe stap voor stap de clans en hun raad van clanoudsten opgingen in een systeem van clanvertegenwoordiging en een nieuwe rol voor de clanoudsten in de nieuwe staat. De besluitvorming vai clan-consensus werd geleidelijk aan vervangen door politieke competitie. Het was de winnaar van die competitie die de beslissingsmacht verwierf. Clan bleef wel relevant als ‘politiek kapitaal’ en ‘traditionele’ leiders of clan oudsten bleven wel relevant als politieke actoren[269].

 

De staat Somaliland is niet helemaal verworven. Zo is er het dispuut rond de regio Sool en Oost-Sanaag (zie kaartje in bijlage). Tot aan de formatie van Puntland, de claim van Somaliland op Sool en Oost-Sanaag, voornamelijk bevolkt door subclans van de Harti clan (de Dhulbahante en de Warsengeli), bleef onbetwist. Gerespecteerde leiders van deze regio’s hadden Somalilands verklaring van onafhankelijkheid in 1991 onderschreven. In de praktijk waren veel leden van de Harti clan totaal onenthousiast over het vooruitzicht van afscheiding van Somalië en zo bleef de autoriteit van Somaliland over deze gebieden gelimiteerd.

De oprichting van Puntland in 1998 gaf voor de eerste keer de kans aan de Harti om zich aan een andere autoreit te binden. Yusuf, president van Puntland, moedigde de inclusie van de Dhulbahante en de Warsengeli aan in Puntland om zo zijn eigen steunbasis te vergroten. Initieel had geen enkele administratie effectieve controle over de Harti gebieden, maar in december 2002 werd de president van Somaliland bijna gedood door pro-Puntland milities tijdens een bezoek aan het betwiste stadje Laas 'Aanood. De eerste stap naar vrede tussen de twee administraties zou het stopzetten moeten zijn van alle vijandelijkheden en de terugtrekking van de militaire krachten tot de posities voor de clash. Het gebied tussen de twee zou gedemilitariseerd moeten worden[270].

 

In december 2005 heeft de president van Somaliland de aanvraag ingediend bij de Afrikaanse Unie tot erkenning. Hun claim op staatsschap is gebaseerd op de afgescheiden situatie van de rest van Somalië tijdens het koloniale tijdperk en het korte bestaan van onafhankelijkheid dat het genoot van Groot-Brittannië in juni 1960. Op 18 mei 2006 bestond de zelf-uitgeroepen republiek 15 jaar, maar zijn soevereiniteit wordt door nog geen enkel land erkent[271].

 

De internationale context waarin Somaliland zijn onafhankelijkheid uitriep was tegenstrijdig. Aan de ene kant, kwam er de de facto onafhankelijkheid van Eritrea in de regio (officieel gesanctioneerd door de VN, maar discreet gesteund door de Arabische Liga en Europa). De Organisatie van Afrikaanse Eenheid was toen virtueel failliet en kon er niets tegen doen. Anderzijds wou de Westerse wereld zich niet haasten. Er kwamen heel wat nieuwe staten bij door de implosie van de Sovjetunie en Joegoslavië. Er was geen vijandigheid tegenover Somaliland maar ook geen speciale sympathie (als gevolg van het verlies aan strategisch belang van de Hoorn door het wegvallen van de Sovjetunie als wereldmacht). Men wil ook de situatie in het zuiden afwachten (ook al bracht de internationale interventie van december 1992 geen politieke reorganisatie)[272].

 

4.5.2. Puntland

 

De algemene vrede die tot voor kort heerste in het noordoosten culmineerde in een poging om een regionale staat Puntland op te richten in 1998. In tegenstelling tot Somaliland heeft het geen ambities tot secessie van Somalië. Al is Puntland tot de dag van vandaag nog niet geëvolueerd naar een functionele administratie[273].

Al geven sommigen Puntland voorlopig nog steeds het voordeel van de twijfel. De entiteit bestaat sinds 1998, maar heeft nog steeds niet bewezen dat het meerpartijendemocratie kan installeren en de andere staatsfuncties kan vervullen[274].

 

Het politieke vacuüm dat Barre’s val achterliet werd in het noordoosten van Somalië opgevuld door de SSDF. Tussen 1991 en 1993 moest het daarvoor wel 2 beslissende overwinningen behalen. Een eerste tegen Geneeraal Mohamed Farah Aydiid's United Somalia Congress (USC) in centraal-Somalië en de tweede tegen een couppoging van de in het noordoosten gevestigde militante islamitische beweging al-Itixaad al-Islaami. Met het vooruitzicht van een nieuwe Somalische regering te kunnen vormen, zetten leiders van de SSDF-militie hun eigen verschillen aan de kant en begonnen ze een systeem van een lokale regering voor Noordoost-Somalië op punt te zetten[275].

 

In 1998 werd na een vier maand durende conferentie in Garowe, Yusuf verkozen als president van de nieuw gevormde staat Puntland, een zichzelf autonoom verklaarde regio die zichzelf definieert als de bewoners van het gebied dat door de leden van de Harti subclans (onderdeel van de grotere Darood clan) wordt bewoond. Zoals zijn buur Somaliland in het westen, verwierf Puntland een reputatie van een stabiele en veilige omgeving te zijn met een embryonale lokale overheid.

De successen van Puntland waren toe te juichen, maar vormen maar een gedeeltelijk beeld van het verhaal. Onder Yusufs leiderschap begon de administratie zich te engageren in verschillende meer sinistere activiteiten. In contrast met de vrede en stabiliteit dat het voor zijn burgers voorzag, zorgde het ook voor een platform tot aanzetten van instabiliteit en geweld in andere plaatsen in Somalië. In zijn hoedanigheid als president van Puntland zal Yusuf een leidende rol spelen in de door Ethiopië gesteunde inspanning om de TNG af te zetten, zal hij militaire hulp doorsluizen naar leden van de Somali Reconciliation and Restoration Council (SRRC) en zal hij clanmilities aansporen tot actie in het betwiste grensgebied tussen Puntland en Somaliland[276].

 

Een blijvende toevloed aan wapens en munitie zal Somalië binnenstormen vanuit Jemen via havens op Puntlands noordelijke kust, vaak met de medeplichtigheid van lokale officials. Sommige ervan waren bedoeld voor de milities van Puntland zelf en om te doen alsof men in overeenstemming handelde met het VN-wapenembargo zal men af en toe een lading wapens zogezegd ‘in beslag nemen’. Terwijl het duidelijk mag zijn dat het wapenembargo door de autoriteiten van Puntland met de voeten werd getreden[277].

Puntland haalt zijn inkomsten voornamelijk uit de taksen die het heft op handel via de haven van Bossaso en op de grote luchthavens van de regio. Maar Yusuf gebruikte ook meer onconventionele methodes om zijn administratie te ondersteunen. Zo liet hij simpelweg bijkomend geld drukken in het buitenland, wat bijdroeg tot de verarming van de bevolking.

Toen de presidentiële termijn van 3 jaar om, wou Yusuf de grondwet veranderen om een verlenging van zijn mandaat mogelijk te maken. Wanneer het hooggerechtshof van Puntland hem daarbij niet bij trad en hem dwong een conferentie te organiseren die een opvolger voor hem moest aanduiden, weigerde hij dat arrest te erkennen en gooide zo de regio weer in een gewapend conflict. Na twee jaar vechten, had hij eindelijk een beslissend militair voordeel bereikt (weliswaar met de Ethiopische hulp). Er volgde een vredesakkoord in 2003 waarbij hij voorlopig weer werd aangeduid als president van Puntland voor één jaar[278].

 

Ondertussen betrad hij het presidentschap van de TFG op 10 oktober 2004 en liet daarbij Puntland plots zonder een regeringshoofd achter. Gelukkig werd er nadien wel volgens de regels gespeeld en werd de grondwet gevolgd[279].

 

Puntland schakelde zich ook voluit in de war on terror in, deels omdat men zo een graantje kon meepikken van de middelen die de inlichtingendiensten van de VS ertegenaan gooide. Zo werd er in Puntland een lokaal inlichtingenagentschap opgericht in 2002 met Amerikaanse hulp en geld. Dat agentschap is nu een centrale pijler geworden in het veiligheidsapparaat van de regionale administratie[280].

 

4.5.3. De administratie van de Rahanweyn Resistance Army

 

Dit ‘verzetsleger’ had een administratie uitgebouwd inde Bay en Bakool regio’s in het zuiden. Dit onder impuls van de ‘building block’ benadering dat een stimulans inhield om als militie een administratie op te zetten.

 

De dominantie politiek-militaire groepering in de Bay en Bakool regio van Zuidcentraal-Somalië, het epicentrum van de hongersnood van 1991-1992, is de Rahanweyn Resistance Army. In april 2002 besloot deze om een regionale administratie op te zetten in de regio. Men noemde de ‘staat’ de State of South-western Somalia.

 

Het oprichten van deze administratie was nochtans niet unaniem toegejuicht. Het effect op de Somali Reconciliation and Restoration Council (een initiatief van de IGAD) was onduidelijk, omdat Baidoa het hoofdkwartier was van deze raad en sommige leden van de raad benoemd zouden worden aan het hoofd van de kabinetten van de nieuw ontstane regionale administratie. Men beschuldigde de architecten van de oprichting van de administratie ervan de vredesinspanningen van de IGAD te willen ondermijnen[281].

 

Uiteindelijk was deze administratie geen lang leven beschoren.

Spanningen tussen rivaliserende facties in de eens zo veelbelovende administratie van Bay/Bakool, escaleerden naar ongeziene niveaus van geweld en de stad Baidoa viel verschillende keren in andere handen wat leidde tot een significante destructie en verlies aan mensenlevens in deze stad[282].

 

De stad is huisvest nu een deel van de Transitional Federal Governmnet, ook al schiet er maar enkel rudimentaire infrastructuur over en is er maar weinig lokale inkomsten te rapen. Maar de stad is wel goed bereikbaar vanuit Ethiopië want de ontplooiing van elke internationale troepenmacht gemakkelijker zou maken. De stad heeft ook het voordeel van over een lange verstevigde airstrip te beschikken en goede links te hebben met Mogadishu. De stad blijft wel politiek onstabiel[283].

 

4.5.4. Juba Valley Authority

 

Kismayo lijkt een gelijkaardige complexe uitdaging te vormen. De haven is gecontroleerd door de Juba Valley Authority, wat een gezamenlijke onderneming is van voornamelijk milities van Mareexaan en Habar Gidir 'Ayr. Ondanks het feit dat de JVA vertegenwoordigd is in de Transitional Federal Government, hebben de leiders van de JVA de president van de TFG onlangs nog bevochten. Verschillende politieke figuren van de ‘Ayr verwijten Yusuf voor het falen van de TNG-president Abdiqasim en lijken terughoudend om samen te werken met hun voormalige vijand[284].

 

De JVA heeft weliswaar een graad van orde gebracht rond de havenstand Kismayo, toch wordt de autoriteit door vele lokale mensen gezien als een bezettende macht[285].

 

4.5.5. State-building en peace-building conferenties

 

De vraag is niet meer of nation-building kan werken, maar wel dat nation-building moet werken[286]. Als voornaamste taak ziet men daarbij het opbouwen en ondersteunen van een nieuw effectief staatsgezag. Wat Menkhaus de kritiek ontlokt dat de buitenlandse bemiddelingspogingen meer focussen op state-building dan op peace-building, ondanks het feit dat de gewone Somaliër op korte termijn meer zou profiteren van een herstelde vrede dan van een herstelde centrale regering[287].

 

Somalië kende een hernieuwde aandacht op het internationale forum door de mediagenieke nation-building initiatieven (in een context van de post-9/11 oorlog tegen het terrorisme) in eerst Djibouti en nu Eldoret (Kenia). Deze institutionele ‘government’-building krijgt ruime aandacht door de internationale organisaties omdat het op intra-staatsniveau plaatsvindt[288].

 

Maar de talloze vredesconferenties (ondertussen al 14 in totaal) die werden georganiseerd door verschillende regionale en internationale organisaties leverden niets op. Het laatste vredesakkoord, gesloten in Nairobi na een periode van meer dan twee jaar onderhandelen, mondde in 2004 uit in de zoveelste overgangsregering die het nu wel al 3 jaar standhoudt, maar nog ver verwijderd is van de heerschappij over het hele territorium[289].

 

De van bovenaf opgelegde vredesakkoorden lijken nauwelijks effect te hebben op het gedrag van actoren op het lokale niveau. Dit heeft te maken met het feit dat in talloze regio’s tijdens langdurige conflicten nieuwe realiteiten zijn ontstaan. De staat is er vervangen door lokale krijgsheren die in ruil voor steun een beperkte vorm van bescherming bieden aan de lokale bevolking. De formele economie heeft er plaats moeten ruimen voor informele economische netwerken, die vaak worden gecontroleerd door een coalitie van lokale handelaars en militairen. Vredesakkoorden hebben op dergelijke realiteiten amper impact[290].

 

 

4.6. Recente ontwikkelingen

 

Nu de Islamic Courts Union door een ad hoc coalitie bestaande uit de TFG, Ethiopische regeringstroepen en een bonte coalitie van warlords (gesteund door de VS) uit Mogadishu verdreven zijn, kan men zich de vraag stellen hoe dit verder zal evolueren.

 

Velen vrezen dat de transitieregering ofwel zal desintegreren door clanverschillen ofwel zal verzanden in een guerrilla-oorlog met militieleden in Mogadishu die hun monopolie (op geweld, belastingen, checkpoints,…) kwijt zijn aan die transitieregeringen. De buitenlandse steun voor die regering (op de eerste plaats bemoeizuchtig Ethiopië met op de achtergrond goedkeurend geknik van de Verenigde Staten) zit vast aan die regering omdat men ze niet kan laten vallen uit vrees voor een ‘tweede Taliban’[291].

 

De waarheid over Somalië is dat, ondanks alle spanningen aan de oppervlakte tussen secularisten en islamisten, de clandivisies er nog steeds het meest toe doen. Een reden waarom de TFG zwak is, is omdat het een compromis vormt tussen verschillende clans en daardoor uiteengerukt kan worden door rivaliteiten en wantrouwen.

 

De Islamic Courts Union langs de andere kant wordt gedomineerd door slechts één clan, de Hawiye en twee van zijn grotere subclans (de Haber-Gider en de Abgal). Het is verder eengemaakt onder de vlag van de islam, al is er wel interne strijd tussen de gematigden en de hard-liners over de te volgen weg[292]. Militair moeten ze voorlopig nog steeds ruimschoots het onderspit delven tegen een TFG die steun krijgt van getrainde Ethiopische troepen. Maar de legitimiteit van die transitieregering is nog helemaal niet gewonnen. Die regering is namelijk één groot compromis en een delicate evenwichtsoefening. Als een clan er de brui aan geeft, is het risico op een kettingreactie van andere clans die hun heil terug buiten die regering gaan zoeken niet gering. Of het moet zijn dat de stick-and-carrot methode van de Verenigde Staten, Ethiopië en de andere buitenlandse supporters van de transitieregering nog steeds voldoende kracht uitoefent om iedereen in het gareel te houden…

 

 

4.7. Conclusies

 

Een samenleving zonder staat is geen lege staat. Een hele waaier aan instituties en mechanismen verschijnen of duiken weer op om er toch maar voor te zorgen dat de wereld waarin mensen leven, leefbaar gehouden wordt. Als het niet met een staat kan, dan moet het maar zonder.

 

Toch zien we dat regio’s die een administratie opbouwen, genieten van een betere levenssfeer dan gebieden die het (nog?) zonder dergelijke administraties moeten stellen. Moeten we dus kijken naar een staatstructuur als Somaliland en dat als model nemen? Renders argumenteert dat de vraag of Somaliland een ‘model’ kan zijn voor andere gevallen waar de staat afwezig of problematisch is ontkennend beantwoord moet worden. Ten eerste zijn er te veel verschillende parameters. Modellen passen trouwens meestal slecht. Geëxperimenteer met modellen zoals de ‘structurele aanpassingsprogramma’s’ van de Wereldbank in Afrika heeft in de beste gevallen weinig opgeleverd en in de slechtste gevallen veel sociaal leed veroorzaakt. Ten tweede impliceert een model een technische oplossing voor een technisch probleem. Zoals het geval van Somaliland ten overvloede aantoont, is de kwestie niet technisch maar politiek en is de uitkomst in belangrijke mate afhankelijk van de creativiteit van de betrokken actoren eerder dan van de ‘best practice’ oplossingen die externe aandragen[293].

 

Zoals overal in een geglobaliseerde wereld, hebben buitenstaanders waarschijnlijk de sleutel in handen en kunnen zij de huidige situatie in Somalië doen uitdraaien op oorlog of vrede. De VS, met een sterke aanwezigheid van militairen en inlichtingendiensten in Djibouti, zullen niet kunnen tolereren dat er een islamitisch regime in Somalië aan de macht komt onder leiding van Awey die in het verleden al-Qaeda nog zou geholpen hebben. Ethiopië is al even zeer allergisch aan islamisten. Het is bezorgd over de veiligheid van zijn grenzen en de potentiële radicalisatie van de moslims binnen zijn eigen grenzen. Het land zit gevechten in Somalië als een welkome afleiding voor de onrust in eigen land.

Eritrea is een kleine speler, maar een heftige. Het blijft wapens verschepen naar de islamisten in de hoop zo Ethiopische troepen te doen wegtrekken aan zijn eigen betwiste grenzen met het land[294].

 

De oplossing bestaat waarschijnlijk uit machtsdeling tussen de islamisten en de transitieregering, aangezien een definitieve overwinning van één van de twee kampen niet tot de mogelijkheden lijkt te behoren. De transitieregering is samengesteld uit zowat iedereen die iets betekent of denkt te betekenen in hedendaags Somalië, met uitzondering van de islamisten. Het blijft een poging tot nation-building vanuit Westerse hoek en zeker geen grassroots initiatief. Wiens brood men eet, diens woord men spreekt. De vertegenwoordigers van de transitieregering bezitten ook de ‘legitieme’ macht (althans toch vanuit de internationale gemeenschap), terwijl de meeste inwoners van Mogadishu al laten blijken hebben dat ze een bestuur door de islamitische rechtbanken beter zagen zitten dan die kliek die twee jaar onderhandeld heeft op hotels in Kenia en godbetert het Ethiopische leger (een aartsvijand voor veel Somaliërs ) heeft ingeroepen ter hulp.

 

Samatar maakte een overzicht van de 4 mogelijke toekomstscenario’s voor Somalië die hij ziet[295]:

 

· Het heden als de toekomst

Dit is niet echt een wenselijke optie gezien de chaos, dood en veel voorkomende honger in vele delen van het land.

 

· Terugkeer naar bloedverwantschap

Een terugkeer naar bloedverwantschap heeft enkele verdiensten als het betekent dat er een bewust en zorgvuldig herstel komt van wat de beschaving heeft voortgebracht (o.a. op ethisch vlak) en wat bruikbaar is uit de Somalische traditie.

Kritische opmerkingen hierbij:

a) Bloedverwantschap (kinship) niet verwarren met clanisme.

b) De Somalische pastorale cultuur is doorheen verschillende transformaties gegaan, onder andere een onomkeerbare intrede in een complexe wereld die nieuwe macrostructuren nodig heeft (vb. een staat).

c) De laatste generatie die zich bewust is van die vroegere tijd nadert het overlijden.

 

· De eenheid annuleren

Een annulering van de eenheid van het land betekent het aanvaarden van de opsplitsing van Somalië in twee aparte en soevereine staten en een terugkeer naar het Noord-Somalië en Zuid-Somalië zoals dat tijdens het kolonialisme was.

Bemerkingen hierbij zijn dat

a) hun aparte koloniale erfenis echt niet zo veel van elkaar verschilt

b) iedereen heeft geleden onder het regime van Siad Barre en dus niet alleen het noorden

c) als Somalië zich in kleinere deeltjes kapt, bestaat de kans dat men hiermee de doos van Pandora opent en elke subclan zich een eigen territorium wil bereiken.

 

· Het liberalisme rehabiliteren

Voorstanders van deze optie willen de grondwet opnieuw doen herleven en de klok terugdraaien naar het jaar 1960. De sleutelkenmerken van een dergelijke staatsconstellatie zouden zijn: terugkeer naar de oude unie met twee gedefinieerde regio’s, dezelfde districten en een parlement met hetzelfde aantal en dezelfde verdeling van de zetels zoals in 1960. Maar tegenstanders van deze optie argumenteren dat een dergelijke staatsinrichting net Siad Barre heeft voortgebracht[296].

 

Een reconstructie van Somalië lijkt nog niet echt voor morgen. Al is het moment er nu wel om iets te ‘forceren’. Het is nu dat de internationale gemeenschap, uit eigenbelang, aandacht heeft voor Somalië. Het is nu dat ze diplomatieke tijd en keiharde middelen ter beschikking wil stellen. En dat kan nodig zijn, als je weet hoeveel de schatting bedraagt van het bedrag dat nodig zal zijn voor de reconstructie van Somalië. Binnen de TFG circuleert het bedrag van $5 miljard. Gelet op het feit dat de huidige inkomsten van Somalië waarschijnlijk de $100 miljoen per jaar niet overschrijden, blijkt uit die schatting dat 90 % van de reconstructie door buitenlandse donoren betaald zal moeten worden[297].

 

 

5. ALGEMENE BESCHOUWING

 

Wat rechtvaardigt al die Westerse aandacht voor state collapse? Is het omdat we door onze eigen geschiedenis de Afrikaanse realiteit van staatloze of zelfs staatresistente samenlevingen niet kunnen vatten?

Of is het omdat onze wereldorde niet overweg kan met samenlevingen die het zonder staat rooien? Wie moet men in zo’n situatie aansprakelijk stellen als er zich daar terroristen komen schuilen? Waar sta je dan als land met je ‘smart sanctions’? Het is bijvoorbeeld typerend dat nog maar twee leden van de Verenigde Naties het Verdrag voor de Rechten van het Kind uit 1989 niet ondertekend hebben, namelijk de Verenigde Staten en Somalië. Want wie moet de pen vasthouden en in naam van Somalië tekenen als je land geïmplodeerd is? Het internationaal publiekrecht is dan ook helemaal niet aangepast aan een wereld waar situaties van falende staten regelmatig de kop opsteken.

 

Zou het niet kunnen dat state collapse een westerse analyse is voor een fenomeen dat eigenlijk niet zo speciaal is en in Afrika voorkomt om specifieke redenen? Zo vraagt Noam Chomsky zich in zijn recente boek ‘Failed states: the abuse of power and the assault on democracy’ af of de Verenigde Staten zélf geen failed state zijn, gezien hun reactie op de orkaan Katrina.

 

Moet de Westerse wereld er zich niet stilaan bij neerleggen dat het hebben van een staatsstructuur niet per definitie leidt tot een betere leefwereld voor pakweg Ahmed in de straten van Mogadishu? Na meer dan 20 pogingen tot state-building in Somalië, kunnen we wel besluiten dat er krachten aan het werk zijn in Somalië die niet staan te springen om terug over een gecentraliseerde staatstructuur te beschikken.

Ook al brengt men duizenden mensen samen gedurende twee jaar in hotels in het Keniaanse Eldoret en bereikt men daar een moeizaam compromis tot oprichting van een Federale Staatstructuur, toch blijkt deze zware inspanning van de internationale gemeenschap weer een doodgeboren kind.

 

En de Somaliër op zijn akkers, hoe ploegde voort.

 

 

6. BIBLIOGRAFIE

 

Theorieën rond State Collapse/Failure en andere staatstheorieën

 

Somalië

 

Somaliland

 

Puntland

 

7. BIJLAGEN

 

7.1. Somalische clans

 

Terwijl Somalië etnisch homogeen is, worden Somaliërs traditioneel ingedeeld in groepen waarin iedereen gelinkt is met elkaar via een gemeenschappelijke voorvader (enkel langs de mannelijke lijn). Deze groepen kennen we als ‘clans’. Groepen van clans vormen een clanfamilie, gebaseerd op 1 ultieme voorvader vanwaar de subgroepen afstammen.

 

Een overzicht[298]:

 

Clan families

Clans

Sub-clans

Darod

(Ethiopië, Kenia en Somalië)

Dolbuhunta (Somaliland)

Majerteen (NO Somalië)

Marehan (NW Somalië)

Ogaden (Ethiopië, Kenia en ZW Somalië)

Warsengeli (Somaliland)

 

Digil

(centraal Zuid-Somalië)

 

 

Dir

(Djibouti / Noord-Somaliland

Gadabursi (Ethiopië / Somaliland / Djibouti)

Issa (Ethiopië / Somaliland / Djibouti)

 

Hawiye

(centraal Somalië)

Abgal (Mogadishu)

Harti

Issaq

(Somaliland)

Arap

Gerhajis

 

Habr Awal

Habr Yunis

Eidagalla

 

Saad Musa

Issa Musa

 

 

7.2. Politieke groeperingen in Somalië

 

7.3. Basiselementen van de Somalische traditionele morele orde[299]

 

Het meest belangwekkende kenmerk van Somalië’s politieke geschiedenis is het feit, tot aan de oprichting van een koloniale staat en de onafhankelijkheid nadien, de Somalische samenleving essentieel een staatsloze samenleving was. Maar de afwezigheid van een staat betekent geen compleet gebrek aan publieke autoriteit of de afwezigheid van een politieke gemeenschap. De Somaliëers organiseerden hun samenleving in prekoloniale tijden langs bloedverwantschapsassociaties en dit samen met religieuze wetten. Zie figuur hierboven[300].

De combinatie van bloedbanden en ‘heer’, worden vertegenwoordigd door de clanoudsten.

 

 

7.4. Kaart Somalië[301]

 

7.5. Kaart Somalië met situering ‘grenzen’ Somaliland en Puntland[302]

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[1] ZARTMAN, I. William, Introduction: Posing the Problem of State Collapse. In: ZARTMAN, William, (ed.), Collapsed States: The Disintegration and Restoration of Legitimate Authority. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1995, p.1.

[2] GAUS, H., Staatstheorie. Onuitgegeven cursus. Gent, Vakgroep Politieke Wetenschappen, 2004, p.9.

[3] GROS, Jean-Germain, Towards a Taxonomy of Failed States in the New World Order: Decaying Somalia, Liberia, Rwanda and Haiti. In: Third World Quarterly, 17, 1996, 3, p.456.

[4] JACKSON, Robert H., JAMES, Allen, The Character of Independent Statehood. In: JACKSON, Robert H., JAMES, (eds.), Alan, States in a Changing World. A Contemporary Analysis. Oxford, Clarendon Press, 1993, pp.6-7.

[5] KAPLAN, Robert D., The Coming Anarchy. How Scarcity, Crime, Overpopulation, Tribalism, and Disease are Rapidly Destroying the Social Fabric of our Planet. In: The Atlantic Monthly, 1994, 273, p.45.

[6] MILIKEN, Jennifer, KRAUSE, Keith, State Failure, State Collapse, and State Reconstruction: Concepts, Lessons and Strategies. In: Development and Change, 33, 2002, 5, p.753.

[7] ZARTMAN, I. William, Introduction: Posing the Problem of State Collapse. In: ZARTMAN, William, (ed.), Collapsed States: The Disintegration and Restoration of Legitimate Authority. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1995, p.1.

[8] MILIKEN, Jennifer, KRAUSE, Keith, State Failure, State Collapse, and State Reconstruction: Concepts, Lessons and Strategies. In: Development and Change, 33, 2002, 5, p.754.

[9] GROS, Jean-Germain, Towards a Taxonomy of Failed States in the New World Order: Decaying Somalia, Liberia, Rwanda and Haiti. In: Third World Quarterly, 17, 1996, 3, p.456.

[10] MILIKEN, Jennifer, KRAUSE, Keith, State Failure, State Collapse, and State Reconstruction: Concepts, Lessons and Strategies. In: Development and Change, 33, 2002, 5, p.754.

[11] RAEYMAEKERS, Timothy, Collapse or Order? Questioning State Collapse in Africa, Gent, Conflict Research Group, Working Paper n° 1, may 2005, p.1.

[12] RAEYMAEKERS, Timothy, Collapse or Order? Questioning State Collapse in Africa, Gent, Conflict Research Group, Working Paper n° 1, may 2005, p.2.

[13] SPANGER, Hans-Joachim, Failed State or Failed Concept? Objections and Suggestions. Peace Research Institute Frankfurt, onuitgegeven paper voor de Failed States Conference, Firenze, Apr. 2000. (http://www.ippu.purdue.edu/failed_states/2000/papers/spanger.html op 23/05/2007).

[14] RAEYMAEKERS, Timothy, Collapse or Order? Questioning State Collapse in Africa, Gent, Conflict Research Group, Working Paper n° 1, May 2005, p.2.

[15] SPANGER, Hans-Joachim, Failed State or Failed Concept? Objections and Suggestions. Peace Research Institute Frankfurt, onuitgegeven paper voor de Failed States Conference, Firenze, Apr. 2000, p.1. (http://www.ippu.purdue.edu/failed_states/2000/papers/spanger.html op 23/05/2007).

[16] MILIKEN, Jennifer, KRAUSE, Keith, State Failure, State Collapse, and State Reconstruction: Concepts, Lessons and Strategies. In: Development and Change, 33, 2002, 5, pp.764-765.

[17] CRISIS STATES RESEARCH CENTRE, Crisis states workshop. London, Mar. 2006 (http://www.crisisstates.com/News/workshop06.htm op 23/05/2007).

[18] DRUM, Kevin, Rogue States vs. Failed States. In: The Washington Monthly, 14 Okt. 2004. (http://www.washingtonmonthly.com/archives/individual/2004_10/004921.php op 23/05/2007)

[19] SPEARS, Ian S., Reflections on Somaliland and Africa’s Territorial Order. In: Review of African Political Economy, 2003, 95, p.96.

[20] CENTRE FOR CIVIL SOCIETY, Informational Leaflet. London School of Economics, 2006, 6p. (http://www.lse.ac.uk/collections/CCS/pdf/CCS%20DL_Leaflet%20July%2006.pdf op 23/05/2007).

[21] DOOM, Ruddy, State-Nation. Onuitgegeven notities bij college in vak Actuele vraagstukken van de Derde Wereld. Gent, Vakgroep Studie van de Derde Wereld, UGent, 2006, pp.12-13.

[22] HELMAN, Gerald B., RATNER, Steven R., Saving Failed States. In: Foreign Policy, 89, pp.3-20.

Geciteerd in RAEYMAEKERS, Timothy, Collapse or Order? Questioning State Collapse in Africa, Gent, Conflict Research Group, Working Paper n° 1, may 2005, p.8.

[23] RAEYMAEKERS, Timothy, Collapse or Order? Questioning State Collapse in Africa, Gent, Conflict Research Group, Working Paper n° 1, may 2005, p.1.

[24] DOORNBOS, Martin, State Collapse and Fresh Starts: Some Critical Reflections. In: Development and Change, 33, 2002, 5, p.799.

[25] VAN NEDERPELT, Jacques, Een wereld apart. De uitsluiting van de derde wereld. Assen, Van Gorcum, 2004, p.75.

[26] JACKSON, Robert H., Quasi-states: Sovereignty, International Relations and the Third World. Cambridge, Cambridge University Press, 1990, 235p.

[27] VOLMAN, Daniel, Peace and Military Policy in Africa. In: Foreign Policy in Focus, 2, 1997, 9, p.1.

[28] RAEYMAEKERS, Timothy, Collapse or Order? Questioning State Collapse in Africa, Gent, Conflict Research Group, Working Paper n° 1, may 2005, p.3.

[29] VANDAELE, John, Goed bestuur. De nieuwe queeste van Noord & Zuid. In: MO*, mei 2007, pp.28-33.

[30] RENDERS, Marleen, Traditionele leiders en instellingen en de bouw van de moslimrepubliek Somaliland. Onuitgegeven Nederlandstalige samenvatting van het doctoraatsproefschrift getiteld ‘Traditional leaders and institutions of the Muslim republic of Somaliland’. Gent, Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen, 2006, p.2.

[31] GROS, Jean-Germain, Towards a Taxonomy of Failed States in the New World Order: Decaying Somalia, Liberia, Rwanda and Haiti. In: Third World Quarterly, 17, 1996, 3, p.462.

[32] MILIKEN, Jennifer, KRAUSE, Keith, State Failure, State Collapse, and State Reconstruction: Concepts, Lessons and Strategies. In: Development and Change, 33, 2002, 5, p.764.

[33] GROS, Jean-Germain, Towards a Taxonomy of Failed States in the New World Order: Decaying Somalia, Liberia, Rwanda and Haiti. In: Third World Quarterly, 17, 1996, 3, p.457.

[34] RAEYMAEKERS, Timothy, Collapse or Order? Questioning State Collapse in Africa, Gent, Conflict Research Group, Working Paper n° 1, may 2005, p.8.

[35] GROS, Jean-Germain, Towards a Taxonomy of Failed States in the New World Order: Decaying Somalia, Liberia, Rwanda and Haiti. In: Third World Quarterly, 17, 1996, 3, pp.458-461.

[36] GROS, Jean-Germain, Towards a Taxonomy of Failed States in the New World Order: Decaying Somalia, Liberia, Rwanda and Haiti. In: Third World Quarterly, 17, 1996, 3, p.461.

[37] http://www.foreignpolicy.com/story/cms.php?story_id=3098 op 23/05/2007

[38] DOOM, Ruddy, State-Nation. Onuitgegeven notities bij college in vak Actuele vraagstukken van de Derde Wereld. Gent, Vakgroep Studie van de Derde Wereld, UGent, 2006, pp.13-14.

[39] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Countering Terrorism in a Failed State, Nairobi, Brussels, ICG, May 2002, p.1.

[40] HAMRE, John J., SULLIVAN, Gordon R., Toward Post-conflict Reconstruction. In: Washington Quarterly, 25, 2002, 4, p.90.

[41] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Countering Terrorism in a Failed State, Nairobi, Brussels, ICG, 23 May 2002, p.16.

[42] RAEYMAEKERS, Timothy, Collapse or Order? Questioning State Collapse in Africa, Gent, Conflict Research Group, Working Paper n° 1, May 2005, p.2.

[43] http://www.foreignpolicy.com/story/cms.php?story_id=3098 op 23/05/2007

[44] MENKHAUS, Ken, Vicious Circles and the Security Development Nexus in Somalia. In: Conflict, Security and Development, 2004, 2, p.152.

[45] MENKHAUS, Ken, State Collapse in Somalia: Second Thoughts. In: Review of African Political Economy, 2003, 97, p.411.

[46] CHOPRA, Jarat, Building State Failure in East Timor. In: Development and Change, 33, 2002, 5, p.979.

[47] RENO, William, African weak states and commercial alliances. In: African Affairs, 1997, 96, pp. 165-185.

[48] ZARTMAN, I. William, Introduction: Posing the Problem of State Collapse. In: ZARTMAN, William, (ed.), Collapsed States: The Disintegration and Restoration of Legitimate Authority. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1995, p.1.

[49] GROS, Jean-Germain, Towards a Taxonomy of Failed States in the New World Order: Decaying Somalia, Liberia, Rwanda and Haiti. In: Third World Quarterly, 17, 1996, 3, p.456.

[50] KAPLAN, Robert D., The Coming Anarchy. How Scarcity, Crime, Overpopulation, Tribalism, and Disease are Rapidly Destroying the Social Fabric of our Planet. In: The Atlantic Monthly, 1994, 273, pp.44-76.

[51] SPEARS, Ian S., Reflections on Somaliland and Africa’s Territorial Order. In: Review of African Political Economy, 2003, 95, p.89.

[52] THOMSON, Alex, An Introduction to African Politics. London, Routledge, 2004, pp.200-212.

[53] JACKSON, Robert H., Sub-Saharan Africa. In: JACKSON, Robert H., JAMES, (eds.), Alan, States in a Changing World. A Contemporary Analysis. Oxford, Clarendon Press, 1993, p.137.

[54] BOZEMAN, A. B., Conflict in Africa. New Jersey, Princeton, 1976, p.143.

[55] JACKSON, Robert H., Sub-Saharan Africa. In: JACKSON, Robert H., JAMES, (eds.), Alan, States in a Changing World. A Contemporary Analysis. Oxford, Clarendon Press, 1993, pp.138-139.

[56] DOOM, Ruddy, State-Nation. Onuitgegeven notities bij college in vak Actuele vraagstukken van de Derde Wereld. Gent, Vakgroep Studie van de Derde Wereld, UGent, 2006, pp.2-3.

[57] JACKSON, Robert H., Sub-Saharan Africa. In: JACKSON, Robert H., JAMES, (eds.), Alan, States in a Changing World. A Contemporary Analysis. Oxford, Clarendon Press, 1993, pp.138-139.

[58] JACKSON, Robert H., Quasi-states: Sovereignty, International Relations and the Third World. Cambridge, Cambridge University Press, 1990, p.230.

[59] ZARTMAN, I. William, Introduction: Posing the Problem of State Collapse. In: ZARTMAN, William, (ed.), Collapsed States: The Disintegration and Restoration of Legitimate Authority. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1995, p.3.

[60] RENDERS, Marleen, Traditionele leiders en instellingen en de bouw van de moslimrepubliek Somaliland. Onuitgegeven Nederlandstalige samenvatting van het doctoraatsproefschrift getiteld ‘Traditional leaders and institutions of the Muslim republic of Somaliland’. Gent, Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen, 2006, p.2.

[61] THOMSON, Alex, An Introduction to African Politics. London, Routledge, 2004, pp.183-191.

[62] NENOVA, Tatiana, HARFORD, Tim, Anarchy and invention. How does Somalia’s private sector cope without government? In: Public Policy for the Private Sector (The World Bank Group), 2004, 280, p.1.

[63] NENOVA, Tatiana, HARFORD, Tim, Anarchy and invention. How does Somalia’s private sector cope without government? In: Public Policy for the Private Sector (The World Bank Group), 2004, 280, p.4.

[64] ZARTMAN, I. William, Introduction: Posing the Problem of State Collapse. In: ZARTMAN, William, (ed.), Collapsed States: The Disintegration and Restoration of Legitimate Authority. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1995, p.1.

[65] DOOM, Ruddy, State-Nation. Onuitgegeven notities bij college in vak Actuele vraagstukken van de Derde Wereld. Gent, Vakgroep Studie van de Derde Wereld, UGent, 2006, p.3.

[66] JACKSON, Robert H., JAMES, Allen, The Character of Independent Statehood. In: JACKSON, Robert H., JAMES, (eds.), Alan, States in a Changing World. A Contemporary Analysis. Oxford, Clarendon Press, 1993, p.11.

[67] KAPLAN, Robert D., The Coming Anarchy. How Scarcity, Crime, Overpopulation, Tribalism, and Disease are Rapidly Destroying the Social Fabric of our Planet. In: The Atlantic Monthly, 1994, 273, p.48.

[68] THE AFRICAN STUDIES CENTRE LEIDEN, e.a., Failed and Collapsed States in the International System. Onuitgegeven rapport. Leiden, dec. 2003, p.23. (http://www.globalpolicy.org/nations/sovereign/failed/2003/12failedcollapsedstates.pdf op 23/05/2007)

[69] RAEYMAEKERS, Timothy, Collapse or Order? Questioning State Collapse in Africa, Gent, Conflict Research Group, Working Paper n° 1, May 2005, p3.

[70] HELD, D., Democracy and Globalization. In: Global Governance, 3, 1997, 3, p.251.

[71] ROSENAU, J. N., Along the Domestic-Foreign Frontier: Exploring Governance in a Turbulent World. Cambridge, Cambridge University Press, 1997, p.488.

[72] JACKSON, Robert H., The Global Covenant. Human Conduct in a World of States. Oxford, Oxford University Press, 2001, p.320.

[73] MILIKEN, Jennifer, KRAUSE, Keith, State Failure, State Collapse, and State Reconstruction: Concepts, Lessons and Strategies. In: Development and Change, 33, 2002, 5, p.766.

[74] ALMOND, G., VERBA, S., The Civic Culture: Political Attitudes and Democracy in Five Nations. Boston, Little Brown, 1963.

[75] DOOM, Ruddy, State-Nation. Onuitgegeven notities bij college in vak Actuele vraagstukken van de Derde Wereld. Gent, Vakgroep Studie van de Derde Wereld, UGent, 2006, p.5.

[76] RAEYMAEKERS, Timothy, Collapse or Order? Questioning State Collapse in Africa, Gent, Conflict Research Group, Working Paper n° 1, May 2005, p.7.

[77] RAEYMAEKERS, Timothy, Collapse or Order? Questioning State Collapse in Africa, Gent, Conflict Research Group, Working Paper n° 1, May 2005, pp.2-3.

[78] ZARTMAN, William, Putting Things Together. In: ZARTMAN, William, (ed.), Collapsed States: The Disintegration and Restoration of Legitimate Authority. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1995, p.268.

[79] RAEYMAEKERS, Timothy, Collapse or Order? Questioning State Collapse in Africa, Gent, Conflict Research Group, Working Paper n° 1, May 2005, p.3.

[80] RAEYMAEKERS, Timothy, Collapse or Order? Questioning State Collapse in Africa, Gent, Conflict Research Group, Working Paper n° 1, May 2005, pp.2-3.

[81] BERDAL, Mats, MALONE, David, (eds.), Greed and Grievance: Economic Agendas in Civil Wars. Boulder, Lynne Rienner Press, 2000, 260p.

[82] COLLIER, Paul, ELLIOTT, V. L., HEGRE, Havard, e.a., Breaking the Conflict Trap: Civil War and Development Policy. Washington DC, World Bank Publications, 2003, p.1.

[83] MENKHAUS, Ken, Vicious Circles and the Security Development Nexus in Somalia. In: Conflict, Security and Development, 2004, 2, p.152.

[84] RAEYMAEKERS, Timothy, Collapse or Order? Questioning State Collapse in Africa, Gent, Conflict Research Group, Working Paper n° 1, May 2005, p.7.

[85] DOORNBOS, Martin, State Collapse and Fresh Starts: Some Critical Reflections. In: Development and Change, 33, 2002, 5, p.799.

[86] RENDERS, Marleen, Traditionele leiders en instellingen en de bouw van de moslimrepubliek Somaliland. Onuitgegeven Nederlandstalige samenvatting van het doctoraatsproefschrift getiteld ‘Traditional leaders and institutions of the Muslim republic of Somaliland’. Gent, Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen, 2006, pp.2-3.

[87] ZARTMAN, William, Putting Things Together. In: ZARTMAN, William, (ed.), Collapsed States: The Disintegration and Restoration of Legitimate Authority. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1995, p.268.

[88] RAEYMAEKERS, Timothy, Collapse or Order? Questioning State Collapse in Africa, Gent, Conflict Research Group, Working Paper n° 1, May 2005, p.3.

[89] RENDERS, Marleen, Traditionele leiders en instellingen en de bouw van de moslimrepubliek Somaliland. Onuitgegeven Nederlandstalige samenvatting van het doctoraatsproefschrift getiteld ‘Traditional leaders and institutions of the Muslim republic of Somaliland’. Gent, Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen, 2006, p.2.

[90] PARKINSON, Fred, Ethnicity and Independent Statehood. In: JACKSON, Robert H., JAMES, (eds.), Alan, States in a Changing World. A Contemporary Analysis. Oxford, Clarendon Press, 1993, p.339.

[91] GAUS, H., Staatstheorie. Onuitgegeven cursus. Gent, Vakgroep Politieke Wetenschappen, 2004, p.6.

[92] RAEYMAEKERS, Timothy, Collapse or Order? Questioning State Collapse in Africa, Gent, Conflict Research Group, Working Paper n° 1, May 2005, p.7.

[93] RAEYMAEKERS, Timothy, Collapse or Order? Questioning State Collapse in Africa, Gent, Conflict Research Group, Working Paper n° 1, May 2005, p.7.

[94] DOORNBOS, Martin, State Collapse and Fresh Starts: Some Critical Reflections. In: Development and Change, 33, 2002, 5, pp.797-816.

[95] VLASSENROOT, Koen, Het dilemma van de vrede. Bedenkingen bij het Congolese transitieproces. In: Sampol, 12, 2005, 8, pp.31-32.

[96] MENKHAUS, Ken, State Collapse in Somalia: Second Thoughts. In: Review of African Political Economy, 2003, 97, pp.407-409.

[97] RAEYMAEKERS, Timothy, Collapse or Order? Questioning State Collapse in Africa, Gent, Conflict Research Group, Working Paper n° 1, may 2005, pp.4-6.

[98] DE MOOR, Dirk, Het brein van België. Tielt, Uitgeverij Lannoo, 2005, p.127.

[99] MENKHAUS, Ken, State Collapse in Somalia: Second Thoughts. In: Review of African Political Economy, 2003, 97, p.411.

[100] DOOM, Ruddy, State-Nation. Onuitgegeven notities bij college in vak Actuele vraagstukken van de Derde Wereld. Gent, Vakgroep Studie van de Derde Wereld, UGent, 2006, pp.19-20.

[101] Lewis, I.M., A modern history of the Somali: revised, updated and expanded; Oxford, James Curry, 2002, p.166.

[102] DOOM, Ruddy, State-Nation. Onuitgegeven notities bij college in vak Actuele vraagstukken van de Derde Wereld. Gent, Vakgroep Studie van de Derde Wereld, UGent, 2006, p.20.

[103] VANSINA, Jan, The Roots of African Cultures. In: CURTIN, Philip, FEIERMAN, Steven, THOMPSON, Leonard, (eds.), African History. From Earliest Times To Independence. London, Longman, 1995, pp.27-28.

[104] VLASSENROOT, Koen, Het dilemma van de vrede. Bedenkingen bij het Congolese transitieproces. In: Sampol, 12, 2005, 8, pp.29-30.

[105] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Countering Terrorism in a Failed State, Nairobi, Brussels, ICG, 23 May 2002, 42p.

[106] DELHAAS, Rik, Somalië: 15 jaar zonder regering. Voordracht op 17 mei 2006 in Gent voor de Conflict Research Group (UGent).

[107] Crisis Group interview, Nairobi, November 2004.

[108] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Continuation of War by Other Means? Nairobi, Brussel, ICG, Dec. 2004, p.28.

[109] MILIKEN, Jennifer, KRAUSE, Keith, State Failure, State Collapse, and State Reconstruction: Concepts, Lessons and Strategies. In: Development and Change, 33, 2002, 5, p.771.

[110] LULING, Virginia, Come Back Somalia? Questioning a Collapsed State. In: Third World Quarterly, 18, 1997, 2, p.287.

[111] RENDERS, Marleen, Traditionele leiders en instellingen en de bouw van de moslimrepubliek Somaliland. Onuitgegeven Nederlandstalige samenvatting van het doctoraatsproefschrift getiteld ‘Traditional leaders and institutions of the Muslim republic of Somaliland’. Gent, Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen, 2006, p.1.

[112] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Countering Terrorism in a Failed State, Nairobi, Brussels, ICG, May 2002, p.3.

[113] VLASSENROOT, Koen, Het dilemma van de vrede. Bedenkingen bij het Congolese transitieproces. In: Sampol, 12, 2005, 8, p.29.

[114] DOOM, Ruddy, State-Nation. Onuitgegeven notities bij college in vak Actuele vraagstukken van de Derde Wereld. Gent, Vakgroep Studie van de Derde Wereld, UGent, 2006, p.18-19.

[115] CURTIN, Philip, African Resistance and the Liquidation of European Empire. In: CURTIN, Philip, FEIERMAN, Steven, THOMPSON, Leonard, (eds.), African History. From Earliest Times To Independence. London, Longman, 1995, p.515.

[116] SAMATAR, Ahmed S., The Curse of Allah: Civic Disembowelment and the Collapse of the State in Somalia. In: SAMATAR, Ahmed I., (ed.), The Somali Challenge: from Catastrophe to Renewal. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1994, pp.109-110.

[117] SAMATAR, Ahmed S., The Curse of Allah: Civic Disembowelment and the Collapse of the State in Somalia. In: SAMATAR, Ahmed I., (ed.), The Somali Challenge: from Catastrophe to Renewal. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1994, p.111.

[118] FEIERMAN, Steven, Political Culture and Political Economy in Early East Africa. In: CURTIN, Philip, FEIERMAN, Steven, THOMPSON, Leonard, (eds.), African History. From Earliest Times To Independence. London, Longman, 1995, p.129.

[119] FEIERMAN, Steven, Political Culture and Political Economy in Early East Africa. In: CURTIN, Philip, FEIERMAN, Steven, THOMPSON, Leonard, (eds.), African History. From Earliest Times To Independence. London, Longman, 1995, p.144.

[120] FEIERMAN, Steven, Political Culture and Political Economy in Early East Africa. In: CURTIN, Philip, FEIERMAN, Steven, THOMPSON, Leonard, (eds.), African History. From Earliest Times To Independence. London, Longman, 1995, pp.150-151.

[121] AFRAX, Maxamed D., The Mirror of Culture: Somali Dissolution Seen Through Oral Expression. In: : SAMATAR, Ahmed I., (ed.), The Somali Challenge: from Catastrophe to Renewal. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1994, p.235.

[122] FUKUI, Katsuyoshi, MARKAKIS, John, (eds.), Ethnicity & Conflict in the Horn of Africa. London, Villier, 1994, p.2.

[123] AFRAX, Maxamed D., The Mirror of Culture: Somali Dissolution Seen Through Oral Expression. In: : SAMATAR, Ahmed I., (ed.), The Somali Challenge: from Catastrophe to Renewal. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1994, p.238.

[124] LEWIS, I.M., A Pastoral Democracy. Oxford, Oxford University Press, 1969, 643p.

[125] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Negotiating a blueprint for a Peace in Somalia, Nairobi, Brussels, ICG, 6 Mar. 2003, p.12.

[126] CURTIN, Philip, The Impact of Europe. In: CURTIN, Philip, FEIERMAN, Steven, THOMPSON, Leonard, (eds.), African History. From Earliest Times To Independence. London, Longman, 1995, pp.423-425.

[127] GILKENS, Patrick, The effects of secession on Ethiopia and Somalia. In: GURDON, Charles, (ed.), The Horn of Africa. London, UCL Press, 1994, pp.5-6.

[128] THOMSON, Alex, An Introduction to African Politics. London, Routledge, 2004, pp.12-13.

[129] SAMATAR, Ahmed S., The Curse of Allah: Civic Disembowelment and the Collapse of the State in Somalia. In: SAMATAR, Ahmed I., (ed.), The Somali Challenge: from Catastrophe to Renewal. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1994, p.112.

[130] HUMAN RIGHTS WATCH, Somalia: A Government at War with its Own People. Testimonies about the killings and the conflict in the north. New York, The African Watch Committee, 1990, p.1.

[131] DUIGNAN, Peter, JACKSON, Robert H., (eds.), Politics & Government in African States 1960-1985. Beckenham, Croom Helm,1986, p.7.

[132] DUIGNAN, Peter, JACKSON, Robert H., (eds.), Politics & Government in African States 1960-1985. Beckenham, Croom Helm,1986, p.17.

[133] DUIGNAN, Peter, JACKSON, Robert H., (eds.), Politics & Government in African States 1960-1985. Beckenham, Croom Helm,1986, p.22.

[134] CLAPHAM, Christopher, The Horn of Africa. In: DUIGNAN, Peter, JACKSON, Robert H., (eds.), Politics & Government in African States 1960-1985. Beckenham, Croom Helm,1986, p.273.

[135] DUIGNAN, Peter, JACKSON, Robert H., (eds.), Politics & Government in African States 1960-1985. Beckenham, Croom Helm,1986, p.21.

[136] CLAPHAM, Christopher, The Horn of Africa. In: DUIGNAN, Peter, JACKSON, Robert H., (eds.), Politics & Government in African States 1960-1985. Beckenham, Croom Helm,1986, p.273.

[137] SAMATAR, Ahmed S., The Curse of Allah: Civic Disembowelment and the Collapse of the State in Somalia. In: SAMATAR, Ahmed I., (ed.), The Somali Challenge: from Catastrophe to Renewal. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1994, p.113.

[138] HUMAN RIGHTS WATCH, Somalia: A Government at War with its Own People. Testimonies about the killings and the conflict in the north. New York, The African Watch Committee, 1990, p.15.

[139] DUIGNAN, Peter, JACKSON, Robert H., (eds.), Politics & Government in African States 1960-1985. Beckenham, Croom Helm,1986, p.21.

[140] CLAPHAM, Christopher, The Horn of Africa. In: DUIGNAN, Peter, JACKSON, Robert H., (eds.), Politics & Government in African States 1960-1985. Beckenham, Croom Helm,1986, p.276.

[141] CLAPHAM, Christopher, The Horn of Africa. In: DUIGNAN, Peter, JACKSON, Robert H., (eds.), Politics & Government in African States 1960-1985. Beckenham, Croom Helm,1986, pp.277-279.

[142] MARKAKIS, John, Ethnic Conflict & the State in the Horn of Africa. In: FUKUI, Katsuyoshi, MARKAKIS, John, (eds.), Ethnicity & Conflict in the Horn of Africa. London, Villier, 1994, pp.232-233.

[143] HUMAN RIGHTS WATCH, Somalia: A Government at War with its Own People. Testimonies about the killings and the conflict in the north. New York, The African Watch Committee, 1990, p.5.

[144] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Negotiating a blueprint for a Peace in Somalia, Nairobi, Brussels, ICG, 6 Mar. 2003, p.10.

[145] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Negotiating a blueprint for a Peace in Somalia, Nairobi, Brussels, ICG, 6 Mar. 2003, p.13.

[146] MENKHAUS, Ken, International Peacebuilding and the Dynamics of Local and National Peacebuilding in Somalia. In: CLARKE, Walter, HERBST, Jeffrey, (eds.), Learning from Somalia: The Lessons of Armed Humanitarian Intervention. Boulder, Westview Press, 1997, pp.59-60.

[147] CLAPHAM, Christopher, The Horn of Africa. In: DUIGNAN, Peter, JACKSON, Robert H., (eds.), Politics & Government in African States 1960-1985. Beckenham, Croom Helm,1986, p.255.

[148] CLAPHAM, Christopher, The Horn of Africa. In: DUIGNAN, Peter, JACKSON, Robert H., (eds.), Politics & Government in African States 1960-1985. Beckenham, Croom Helm,1986, pp.277-279.

[149] HUMAN RIGHTS WATCH, Somalia: A Government at War with its Own People. Testimonies about the killings and the conflict in the north. New York, The African Watch Committee, 1990, p.5.

[150] GILKENS, Patrick, The effects of secession on Ethiopia and Somalia. In: GURDON, Charles, (ed.), The Horn of Africa. London, UCL Press, 1994, pp.5-6.

[151] ADAM, Hussein M., Somalia: A Terrible Beauty Bein Born? In: ZARTMAN, William, (ed.), Collapsed States: The Disintegration and Restoration of Legitimate Authority. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1995, p.80.

[152] HUMAN RIGHTS WATCH, Somalia: A Government at War with its Own People. Testimonies about the killings and the conflict in the north. New York, The African Watch Committee, 1990, p.1.

[153] GILKENS, Patrick, The effects of secession on Ethiopia and Somalia. In: GURDON, Charles, (ed.), The Horn of Africa. London, UCL Press, 1994, p.2.

[154] HENZE, Paul, The primacy of economics for the future of the Horn of Africa. In: GURDON, Charles, (ed.), The Horn of Africa. London, UCL Press, 1994, p.9.

[155] ONIMODE, Bade, A Future for Africa: Beyond the politics of adjustment. London, Earthscan Publications, 1992, p.103.

[156] MARKAKIS, John, Ethnic Conflict & the State in the Horn of Africa. In: FUKUI, Katsuyoshi, MARKAKIS, John, (eds.), Ethnicity & Conflict in the Horn of Africa. London, Villier, 1994, p.221.

[157] FUKUI, Katsuyoshi, MARKAKIS, John, (eds.), Ethnicity & Conflict in the Horn of Africa. London, Villier, 1994, p.8.

[158] GILKENS, Patrick, Descent into chaos: Somalia, January 1991-December 1992. In: GURDON, Charles, (ed.), The Horn of Africa. London, UCL Press, 1994, p.47.

[159] ONIMODE, Bade, A Future for Africa: Beyond the politics of adjustment. London, Earthscan Publications, 1992, p.116.

[160] ONIMODE, Bade, A Future for Africa: Beyond the politics of adjustment. London, Earthscan Publications, 1992, p.154.

[161] GILKENS, Patrick, Descent into chaos: Somalia, January 1991-December 1992. In: GURDON, Charles, (ed.), The Horn of Africa. London, UCL Press, 1994, p.51.

[162] HUMAN RIGHTS WATCH, Somalia: A Government at War with its Own People. Testimonies about the killings and the conflict in the north. New York, The African Watch Committee, 1990, pp.4-5.

[163] GILKENS, Patrick, Descent into chaos: Somalia, January 1991-December 1992. In: GURDON, Charles, (ed.), The Horn of Africa. London, UCL Press, 1994, p.59.

[164] UNITED NATIONS SECURITY COUNCIL, “Report of the Secretary-General on the situation in Somalia” (S/2002/189). New York, 21 Feb. 2002.

[165] MENKHAUS, Ken, State Collapse in Somalia: Second Thoughts. In: Review of African Political Economy, 2003, 97, p.405.

[166] DOOM, Ruddy, State-Nation. Onuitgegeven notities bij college in vak Actuele vraagstukken van de Derde Wereld. Gent, Vakgroep Studie van de Derde Wereld, UGent, 2006, p.20-21.

[167] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Salvaging Somalia’s Chance for Peace, Nairobi, Brussels, ICG, 9 Dec. 2002, pp.1-2.

[168] FUKUI, Katsuyoshi, MARKAKIS, John, (eds.), Ethnicity & Conflict in the Horn of Africa. London, Villier, 1994, p.10.

[169] ADAM, Hussein M., Somalia: A Terrible Beauty Bein Born? In: ZARTMAN, William, (ed.), Collapsed States: The Disintegration and Restoration of Legitimate Authority. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1995, pp.70-76..

[170] ADAM, Hussein M., Somalia: A Terrible Beauty Bein Born? In: ZARTMAN, William, (ed.), Collapsed States: The Disintegration and Restoration of Legitimate Authority. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1995, p.71.

[171] ADAM, Hussein M., Somalia: A Terrible Beauty Bein Born? In: ZARTMAN, William, (ed.), Collapsed States: The Disintegration and Restoration of Legitimate Authority. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1995, pp.71-72.

[172] ADAM, Hussein M., Somalia: A Terrible Beauty Bein Born? In: ZARTMAN, William, (ed.), Collapsed States: The Disintegration and Restoration of Legitimate Authority. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1995, p.73.

[173] ADAM, Hussein M., Somalia: A Terrible Beauty Bein Born? In: ZARTMAN, William, (ed.), Collapsed States: The Disintegration and Restoration of Legitimate Authority. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1995, pp.73-74.

[174] ADAM, Hussein M., Somalia: A Terrible Beauty Bein Born? In: ZARTMAN, William, (ed.), Collapsed States: The Disintegration and Restoration of Legitimate Authority. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1995, p.74.

[175] SAMATAR, Ahmed S., The Curse of Allah: Civic Disembowelment and the Collapse of the State in Somalia. In: SAMATAR, Ahmed I., (ed.), The Somali Challenge: from Catastrophe to Renewal. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1994, pp.120-121.

[176] ADAM, Hussein M., Somalia: A Terrible Beauty Bein Born? In: ZARTMAN, William, (ed.), Collapsed States: The Disintegration and Restoration of Legitimate Authority. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1995, pp.74-75.

[177] PRUNIER, Gérard, Somaliland: birth of a new country? In: GURDON, Charles, (ed.), The Horn of Africa. London, UCL Press, 1994, pp.68-69.

[178] ADAM, Hussein M., Somalia: A Terrible Beauty Bein Born? In: ZARTMAN, William, (ed.), Collapsed States: The Disintegration and Restoration of Legitimate Authority. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1995, pp.75-76.

[179] SAMATAR, Ahmed I., Introduction & Overview. In: SAMATAR, Ahmed I., (ed.), The Somali Challenge: from Catastrophe to Renewal. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1994, pp.8-9.

[180] MENKHAUS, Ken, State Collapse in Somalia: Second Thoughts. In: Review of African Political Economy, 2003, 97, p.411.

[181] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Countering Terrorism in a Failed State, Nairobi, Brussels, ICG, 23 May 2002, p.6.

[182] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Countering Terrorism in a Failed State, Nairobi, Brussels, ICG, 23 May 2002, p.7.

[183] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Countering Terrorism in a Failed State, Nairobi, Brussels, ICG, May 2002, p.3.

[184] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Countering Terrorism in a Failed State, Nairobi, Brussels, ICG, 23 May 2002, p.7.

[185] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Countering Terrorism in a Failed State, Nairobi, Brussels, ICG, 23 May 2002, p.16.

[186] LE SAGE, Andre, MAJID, Nisar, The Livelihoods Gap: Responding to the Economic Dynamics of Vulnerability in Somalia. In: Disasters, 26, 2002, 1, pp.10-27.

[187] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Negotiating a blueprint for a Peace in Somalia, Nairobi, Brussels, ICG, 6 Mar. 2003, p.15.

[188] http://news.bbc.co.uk/2/hi/africa/4964444.stm op 23/05/2007.

[189] RENDERS, Marleen, Traditionele leiders en instellingen en de bouw van de moslimrepubliek Somaliland. Onuitgegeven Nederlandstalige samenvatting van het doctoraatsproefschrift getiteld ‘Traditional leaders and institutions of the Muslim republic of Somaliland’. Gent, Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen, 2006, pp.1-2.

[190] PRUNIER, Gérard, Somaliland: birth of a new country? In: GURDON, Charles, (ed.), The Horn of Africa. London, UCL Press, 1994, p.62.

[191] PRUNIER, Gérard, Somaliland: birth of a new country? In: GURDON, Charles, (ed.), The Horn of Africa. London, UCL Press, 1994, p.70.

[192] PRUNIER, Gérard, Somaliland: birth of a new country? In: GURDON, Charles, (ed.), The Horn of Africa. London, UCL Press, 1994, pp.68-69.

[193] RAEYMAEKERS, Timothy, Collapse or Order? Questioning State Collapse in Africa, Gent, Conflict Research Group, Working Paper n° 1, may 2005, p.4.

[194] ADAM, Hussein M., Somalia: A Terrible Beauty Bein Born? In: ZARTMAN, William, (ed.), Collapsed States: The Disintegration and Restoration of Legitimate Authority. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1995, p.80.

[195] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Negotiating a blueprint for a Peace in Somalia, Nairobi, Brussels, ICG, 6 Mar. 2003, p.10.

[196] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Continuation of War by Other Means? Nairobi, Brussel, ICG, Dec. 2004, p.17.

[197] AMNESTY INTERNATIONAL, Somalia: No Lasting Peace without Human Rights. Eldoret, 7 Nov. 2002.

[198] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Counter-terrorism in Somalia: losing hearts and minds? Nairobi, Brussels, ICG, 11 Jul. 2005, p.14.

[199] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Continuation of War by Other Means? Nairobi, Brussel, ICG, Dec. 2004, pp.18-19.

[200] MENKHAUS, Ken, State Collapse in Somalia: Second Thoughts. In: Review of African Political Economy, 2003, 97, p.411.

[201] DOOM, Ruddy, State-Nation. Onuitgegeven notities bij college in vak Actuele vraagstukken van de Derde Wereld. Gent, Vakgroep Studie van de Derde Wereld, UGent, 2006, p.19.

[202] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Negotiating a blueprint for a Peace in Somalia, Nairobi, Brussels, ICG, 6 Mar. 2003, p.21.

[203] NENOVA, Tatiana, HARFORD, Tim, Anarchy and invention. How does Somalia’s private sector cope without government? In: Public Policy for the Private Sector (The World Bank Group), 2004, 280, p.3.

[204] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Continuation of War by Other Means? Nairobi, Brussel, ICG, Dec. 2004, pp.8-9.

[205] RENDERS, Marleen, Traditionele leiders en instellingen en de bouw van de moslimrepubliek Somaliland. Onuitgegeven Nederlandstalige samenvatting van het doctoraatsproefschrift getiteld ‘Traditional leaders and institutions of the Muslim republic of Somaliland’. Gent, Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen, 2006, p.2.

[206] RENDERS, Marleen, Traditionele leiders en instellingen en de bouw van de moslimrepubliek Somaliland. Onuitgegeven Nederlandstalige samenvatting van het doctoraatsproefschrift getiteld ‘Traditional leaders and institutions of the Muslim republic of Somaliland’. Gent, Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen, 2006, pp.3-4.

[207] MIRREH, Hassan A., On Providing for the Future. In: SAMATAR, Ahmed I., (ed.), The Somali Challenge: from Catastrophe to Renewal. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1994, p.22.

[208] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Negotiating a blueprint for a Peace in Somalia, Nairobi, Brussels, ICG, 6 Mar. 2003, p.15.

[209] ADAM, Hussein M., Somalia: A Terrible Beauty Bein Born? In: ZARTMAN, William, (ed.), Collapsed States: The Disintegration and Restoration of Legitimate Authority. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1995, p.79.

[210] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Countering Terrorism in a Failed State, Nairobi, Brussels, ICG, 23 May 2002, pp.8-9.

[211] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Negotiating a blueprint for a Peace in Somalia, Nairobi, Brussels, ICG, 6 Mar. 2003, p.21.

[212] DOOM, Ruddy, State-Nation. Onuitgegeven notities bij college in vak Actuele vraagstukken van de Derde Wereld. Gent, Vakgroep Studie van de Derde Wereld, UGent, 2006, p.20.

[213] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Countering Terrorism in a Failed State, Nairobi, Brussels, ICG, 23 May 2002, p.9.

[214] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia’s Islamists. Nairobi, Brussels, ICG, 12 Dec. 2005, p.3.

[215] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia’s Islamists. Nairobi, Brussels, ICG, 12 Dec. 2005, p.5.

[216] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia’s Islamists. Nairobi, Brussels, ICG, 12 Dec. 2005, 37p.

[217] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia’s Islamists. Nairobi, Brussels, ICG, 12 Dec. 2005, p.5.

[218] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia’s Islamists. Nairobi, Brussels, ICG, 12 Dec. 2005, p.6.

[219] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Counter-terrorism in Somalia: losing hearts and minds? Nairobi, Brussels, ICG, 11 Jul. 2005, p.22.

[220] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Counter-terrorism in Somalia: losing hearts and minds? Nairobi, Brussels, ICG, 11 Jul. 2005, pp.3-4.

[221] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Counter-terrorism in Somalia: losing hearts and minds? Nairobi, Brussels, ICG, 11 Jul. 2005, p.7.

[222] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Countering Terrorism in a Failed State, Nairobi, Brussels, ICG, 23 May 2002, p.16.

[223] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Countering Terrorism in a Failed State, Nairobi, Brussels, ICG, 23 May 2002, p.24.

[224] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Counter-terrorism in Somalia: losing hearts and minds? Nairobi, Brussels, ICG, 11 Jul. 2005, pp.3-4.

[225] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia’s Islamists. Nairobi, Brussels, ICG, 12 Dec. 2005, p.6.

[226] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia’s Islamists. Nairobi, Brussels, ICG, 12 Dec. 2005, pp.6-10.

[227] MENKHAUS, Ken, Somalia: State collapse and the threat of terrorism. IISS Adelphi Paper 364, p. 56.

[228] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia’s Islamists. Nairobi, Brussels, ICG, 12 Dec. 2005, p.10.

[229] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia’s Islamists. Nairobi, Brussels, ICG, 12 Dec. 2005, p.14.

[230] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Counter-terrorism in Somalia: losing hearts and minds? Nairobi, Brussels, ICG, 11 Jul. 2005, p.8.

[231] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia’s Islamists. Nairobi, Brussels, ICG, 12 Dec. 2005, p.15.

[232] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia’s Islamists. Nairobi, Brussels, ICG, 12 Dec. 2005, p.16.

[233] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia’s Islamists. Nairobi, Brussels, ICG, 12 Dec. 2005, pp.16-17.

[234] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia’s Islamists. Nairobi, Brussels, ICG, 12 Dec. 2005, pp.18-19.

[235] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia’s Islamists. Nairobi, Brussels, ICG, 12 Dec. 2005, pp.19-20.

[236] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia’s Islamists. Nairobi, Brussels, ICG, 12 Dec. 2005, p.17.

[237] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia’s Islamists. Nairobi, Brussels, ICG, 12 Dec. 2005, p.17.

[238] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia’s Islamists. Nairobi, Brussels, ICG, 12 Dec. 2005, pp.21-22.

[239] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Countering Terrorism in a Failed State, Nairobi, Brussels, ICG, 23 May 2002, p.18.

[240] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia’s Islamists. Nairobi, Brussels, ICG, 12 Dec. 2005, p.22.

[241] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Countering Terrorism in a Failed State, Nairobi, Brussels, ICG, 23 May 2002, p.9.

[242] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia’s Islamists. Nairobi, Brussels, ICG, 12 Dec. 2005, p.3.

[243] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia’s Islamists. Nairobi, Brussels, ICG, 12 Dec. 2005, p.22.

[244] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia’s Islamists. Nairobi, Brussels, ICG, 12 Dec. 2005, p.25.

[245] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia’s Islamists. Nairobi, Brussels, ICG, 12 Dec. 2005, p.26.

[246] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Countering Terrorism in a Failed State, Nairobi, Brussels, ICG, 23 May 2002, pp.9-10.

[247] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Countering Terrorism in a Failed State, Nairobi, Brussels, ICG, 23 May 2002, pp.17-18.

[248] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia’s Islamists. Nairobi, Brussels, ICG, 12 Dec. 2005, p.26.

[249] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia’s Islamists. Nairobi, Brussels, ICG, 12 Dec. 2005, pp.28-30.

[250] NENOVA, Tatiana, HARFORD, Tim, Anarchy and invention. How does Somalia’s private sector cope without government? In: Public Policy for the Private Sector (The World Bank Group), 2004, 280, pp.1-2.

[251] NENOVA, Tatiana, HARFORD, Tim, Anarchy and invention. How does Somalia’s private sector cope without government? In: Public Policy for the Private Sector (The World Bank Group), 2004, 280, 4p.

[252] ADAM, Hussein M., Somalia: A Terrible Beauty Bein Born? In: ZARTMAN, William, (ed.), Collapsed States: The Disintegration and Restoration of Legitimate Authority. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1995, p.80.

[253] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Continuation of War by Other Means? Nairobi, Brussel, ICG, Dec. 2004, p.18.

[254] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Countering Terrorism in a Failed State, Nairobi, Brussels, ICG, 23 May 2002, p.8.

[255] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Negotiating a blueprint for a Peace in Somalia, Nairobi, Brussels, ICG, 6 Mar. 2003, p.21.

[256] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Negotiating a blueprint for a Peace in Somalia, Nairobi, Brussels, ICG, 6 Mar. 2003, p.15.

[257] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Negotiating a blueprint for a Peace in Somalia, Nairobi, Brussels, ICG, 6 Mar. 2003, p.15.

[258] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Countering Terrorism in a Failed State, Nairobi, Brussels, ICG, 23 May 2002, p.8.

[259] ADAM, Hussein M., Somalia: A Terrible Beauty Bein Born? In: ZARTMAN, William, (ed.), Collapsed States: The Disintegration and Restoration of Legitimate Authority. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1995, pp.79-80.

[260] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Negotiating a blueprint for a Peace in Somalia, Nairobi, Brussels, ICG, 6 Mar. 2003, p.21.

[261] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Negotiating a blueprint for a Peace in Somalia, Nairobi, Brussels, ICG, 6 Mar. 2003, p.8.

[262] ADAM, Hussein M., Somalia: A Terrible Beauty Bein Born? In: ZARTMAN, William, (ed.), Collapsed States: The Disintegration and Restoration of Legitimate Authority. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1995, pp.81-84.

[263] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Continuation of War by Other Means? Nairobi, Brussel, ICG, Dec. 2004, p.18.

[264] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Countering Terrorism in a Failed State, Nairobi, Brussels, ICG, 23 May 2002, pp.7-8.

[265] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Negotiating a blueprint for a Peace in Somalia, Nairobi, Brussels, ICG, 6 Mar. 2003, p.15.

[266] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Continuation of War by Other Means? Nairobi, Brussel, ICG, Dec. 2004, p.19.

[267] SPEARS, Ian S., Reflections on Somaliland and Africa’s Territorial Order. In: Review of African Political Economy, 2003, 95, p.92.

[268] BRADBURY, Mark, ABOKOR, Adam Yusuf, YUSUF, Haroon Ahmed, Somaliland: Choosing Politics over Violence. In: Review of African Political Economy, 2003, 97, p.475.

[269] RENDERS, Marleen, Traditionele leiders en instellingen en de bouw van de moslimrepubliek Somaliland. Onuitgegeven Nederlandstalige samenvatting van het doctoraatsproefschrift getiteld ‘Traditional leaders and institutions of the Muslim republic of Somaliland’. Gent, Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen, 2006, pp.8-9.

[270] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Continuation of War by Other Means? Nairobi, Brussel, ICG, Dec. 2004, p.22.

[271] BALDO, Suliman, Dealing with Somaliland. In: Development and Cooperation, 2006, 7. (http://www.inwent.org/E+Z/content/archive-eng/07-2006/debate_art3.html op 23/05/2007)

[272] PRUNIER, Gérard, Somaliland: birth of a new country? In: GURDON, Charles, (ed.), The Horn of Africa. London, UCL Press, 1994, pp.72-73.

[273] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Countering Terrorism in a Failed State, Nairobi, Brussels, ICG, 23 May 2002, p.8.

[274] MENKHAUS, Ken, Vicious Circles and the Security Development Nexus in Somalia. In: Conflict, Security and Development, 2004, 2, p.154.

[275] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Continuation of War by Other Means? Nairobi, Brussel, ICG, Dec. 2004, pp.9-10.

[276] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Continuation of War by Other Means? Nairobi, Brussel, ICG, Dec. 2004, pp.11-12.

[277] PELEMAN, Johan, JOHNS, Edward Howard, SANDHU, Pavanjeet Singh, e.a., Report of the Panel of Experts on Somalia pursuant to Security Council resolution 1474 (2003). United Nations Security Council (S/2003/1035), p. 34.

[278] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Continuation of War by Other Means? Nairobi, Brussel, ICG, Dec. 2004, pp.11-12.

[279] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Continuation of War by Other Means? Nairobi, Brussel, ICG, Dec. 2004, p.21.

[280] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Counter-terrorism in Somalia: losing hearts and minds? Nairobi, Brussels, ICG, 11 Jul. 2005, p.13.

[281] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Countering Terrorism in a Failed State, Nairobi, Brussels, ICG, 23 May 2002, p.12.

[282] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Salvaging Somalia’s Chance for Peace, Nairobi, Brussels, ICG, 9 Dec. 2002, p.2.

[283] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Continuation of War by Other Means? Nairobi, Brussel, ICG, Dec. 2004, p.14.

[284] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Continuation of War by Other Means? Nairobi, Brussel, ICG, Dec. 2004, p.18.

[285] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Negotiating a blueprint for a Peace in Somalia, Nairobi, Brussels, ICG, 6 Mar. 2003, p.8.

[286] MENKHAUS, Ken, Vicious Circles and the Security Development Nexus in Somalia. In: Conflict, Security and Development, 2004, 2, p.152.

[287] MENKHAUS, Ken, State Collapse in Somalia: Second Thoughts. In: Review of African Political Economy, 2003, 97, p.411.

[288] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Continuation of War by Other Means? Nairobi, Brussel, ICG, Dec. 2004, p.24.

[289] RENDERS, Marleen, Traditionele leiders en instellingen en de bouw van de moslimrepubliek Somaliland. Onuitgegeven Nederlandstalige samenvatting van het doctoraatsproefschrift getiteld ‘Traditional leaders and institutions of the Muslim republic of Somaliland’. Gent, Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen, 2006, p.1.

[290] VLASSENROOT, Koen, Het dilemma van de vrede. Bedenkingen bij het Congolese transitieproces. In: Sampol, 12, 2005, 8, p.29.

[291] THE ECONOMIST, The rising fear of war of proxies. The Economist, 13 Jul. 2006.

[292] GETTLEMAN, Jeffrey, A Killing Strains Somalia’s Hold on Its Tenuous Peace. In: New York Times, 28 Jul. 2006.

[293] RENDERS, Marleen, Traditionele leiders en instellingen en de bouw van de moslimrepubliek Somaliland. Onuitgegeven Nederlandstalige samenvatting van het doctoraatsproefschrift getiteld ‘Traditional leaders and institutions of the Muslim republic of Somaliland’. Gent, Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen, 2006, p.9.

[294] THE ECONOMIST, The rising fear of war of proxies. The Economist, 13 Jul. 2006.

[295] SAMATAR, Ahmed S., The Curse of Allah: Civic Disembowelment and the Collapse of the State in Somalia. In: SAMATAR, Ahmed I., (ed.), The Somali Challenge: from Catastrophe to Renewal. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1994, pp.134-138.

[296] SAMATAR, Ahmed S., The Curse of Allah: Civic Disembowelment and the Collapse of the State in Somalia. In: SAMATAR, Ahmed I., (ed.), The Somali Challenge: from Catastrophe to Renewal. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1994, pp.135-136.

[297] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somalia: Continuation of War by Other Means? Nairobi, Brussel, ICG, Dec. 2004, p.27.

[298] GURDON, Charles, (ed.), The Horn of Africa. London, UCL Press, 1994, p.117.

[299] SAMATAR, Ahmed S., The Curse of Allah: Civic Disembowelment and the Collapse of the State in Somalia. In: SAMATAR, Ahmed I., (ed.), The Somali Challenge: from Catastrophe to Renewal. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1994, p.110.

[300] SAMATAR, Ahmed S., The Curse of Allah: Civic Disembowelment and the Collapse of the State in Somalia. In: SAMATAR, Ahmed I., (ed.), The Somali Challenge: from Catastrophe to Renewal. Boulder, Lynne Rienner Publishers, 1994, p.109.

[301] UNITED NATIONS, Somalia. Department of Peacekeeping Operations, Cartographic Sector. Jan. 2004.

[302] INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Somaliland: Time for African Union Leadership. Hargeisa, 23 May 2006, p.27.