| Nieuwe vormen van bestuur in een ineengestorte staat. Casus: Somalië. (Pieter Nuytinck) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
“One hypothesis to be pursued is that when the state collapse, order and power (but not always legitimacy) fall down to local groups or are up for grabs. These ups and downs of power then vie with central attempts tot reconstitute authority”[1].
2.1. Probleemstelling
Relevantie onderzoeksvraag
Dat state collapse niet per definitie inhoudt dat er een hobbesiaanse situatie ontstaat van totale chaos, geven zelfs de grootste staatscentristen toe. Maar wat ontstaat er dan wel? En hoe moet men als internationale gemeenschap omgaan met ‘staatloze’ samenlevingen? Zijn ze broeihaarden van terroristen omdat ze een safe haven kunnen vormen? Na 9/11, de terroristische aanvallen van 11 september 2001 op doelwitten in de Verenigde Staten, staat het fenomeen van state collapse alleszins weer volop in de internationale aandacht. Maar hoe bestrijdt je terroristen als er geen centrale staat is die je onder druk kan zetten om op te treden? Wat is er dan wel voorradig aan instituties waarmee samengewerkt kan worden?
Deze scriptie onderzoekt dus de politieke orde die ontstaat in een situatie van post-state collapse (staatsimplosie) en neemt daarvoor als casus Somalië. Waarom Somalië als casus gekozen werd, wordt beargumenteerd bij het aansnijden van deel 4 (‘casus: Somalië’).
Als onderzoeksvraag neem ik de vraag hoe men in een ineengestorte staat zoals Somalië tot nieuwe vormen van bestuur komt en welke vormen dit bestuur dan aanneemt. Met ‘nieuwe’ vormen van bestuur bedoel ik structuren die in de plaats kwamen van de centrale staat na de implosie ervan. Het duidt dus niet op ‘nieuw’ in de betekenis van ‘nog nooit voorgekomen in de geschiedenis’.
Achterliggend ligt de problematiek van hoe mensen die het zonder centrale staat moeten stellen, zich toch organiseren om zo samen hun levens te verbeteren. Zaken zoals de inventiviteit van mensen in noodsituaties, de bereidheid tot samenwerken in situaties van schaarste komen dan aan bod.
Deelvragen die behandeld worden omdat ze met de hoofdonderzoeksvraag samenhangen:
Grijpt men in dergelijke situaties al dan niet terug naar traditionele elementen, na jaren van een centraal ‘modern’ staatsbestel?
Hoe gaan internationale actoren (van ngo’s over staten tot multilaterale instellingen) en het buitenland tout court om met de radicale lokalisering van de politiek in Somalië?
Hoe komt het dat Somalië nu al 15 jaar in anarchie leeft? Is er een meerderheid die daar belang bij heeft? Wiens belangen worden daarmee gediend en zijn dat dan dé belangen die er toe doen in het huidige Somalië?
Hoe passen elites en lokale groepen zich binnen die gewijzigde context aan? Welke afwegingen laten ze meetellen bij de beslissing of ze belang hebben bij een centraal gezag?
Wat rechtvaardigt überhaupt de toegenomen aandacht voor state collapse?
2.2. Gebruikte methodologie
Deze scriptie kwam tot stand via beschrijvend onderzoek. Via een literatuurstudie heb ik geprobeerd mijn onderzoeksvraag en bijhorende deelvragen te beantwoorden.
De meer theoretische beschouwingen uit het eerste deel van deze scriptie vond ik grotendeels in boeken en naslagwerken. Ook bepaalde themanummers van tijdschriften over dit onderwerp bleken sleutelpublicaties te zijn.
Om aan bronnen te geraken over de casus Somalië heb ik dan weer eerder mijn toevlucht moeten nemen tot tijdschriftartikels, rapporten, reportages en nieuwsberichten. Dit omdat de situatie op het terrein in Somalië snel verandert en de gebeurtenissen vaak nog te recent zijn om er beschouwende boeken over te vinden.
Moeilijkheden doken op wanneer ik merkte dat heel wat bronnen naar een bepaald werk refereerden, maar ik het geciteerde werk zelf maar niet kon vinden in Vlaamse bibliotheken. Voor enkele werken bracht een trip naar de universiteitsbibliotheek van Leuven redding, maar waar men als UGent-student blijkbaar niet mag ontlenen maar enkel kopiëren.
Via effectief veldonderzoek zelf de huidige vormen van bestuur in Somalië in kaart brengen, was natuurlijk een complementaire methodologische invalshoek geweest. Dit eindwerk is echter niet het resultaat van onderzoek ter plaatse. Enerzijds omdat ik door persoonlijke omstandigheden er niet toe ben gekomen om een verblijf aldaar te regelen. Anderzijds omdat de huidige veiligheidssituatie in Somalië het onderzoekswerk zou bemoeilijken – zoniet onmogelijk maken – en de regio in Somalië waar dit onderzoek ter plaatse wel mogelijk zou zijn - de de facto onafhankelijke regio Somaliland in het noorden – hoe langer hoe meer gekenmerkt wordt door een echte staatsstructuur. Zo zou de essentie van mijn onderzoeksvraag, onderzoek naar de situatie in een ineengestorte staat, niet behandeld kunnen worden.
Toch meen ik dat deze scriptie een goed overzicht geeft van de nieuwe vormen van bestuur in het Somalië na de ineenstorting van het centrale gezag. Al blijft het natuurlijk vertrouwen op bronnen van anderen omdat er geen veldonderzoek heeft plaatsgevonden.
2.3. Motivatie voor de gekozen structuur
Om mijn onderzoeksvraag te beantwoorden, leek het mij aangewezen om mijn scriptie op te splitsen in twee delen. Een eerste deel omvat theoretische beschouwingen rond nieuwe vormen van bestuur in een ineengestorte staat. Eerst definieer ik in dat deel de verschillende concepten die in deze scriptie aan bod komen, nadien probeer ik een overzicht te geven van de theorieën rond state collapse. Eén van de invalshoeken hierbij is als ze oog hebben voor de specifieke Afrikaanse context en welke voorspellingen ze maken over staatloze samenlevingen.
Aansluitend geef ik een overzicht van de beschouwingen rond nieuwe vormen van bestuur die eventueel kunnen ontstaan binnen een dergelijke staatsconstellatie.
Deze concepten, analyses en theorieën zullen aangewend worden om de (mogelijke) rol van lokale beheerssystemen te duiden in het huidige Somalië.
In een tweede deel worden die theoretische analyses dan geconfronteerd of concreet gemaakt met feitenmateriaal uit Somalië. De lokale beheerssystemen in Somalië na de ineenstorting van het regime van Siad Barre (januari 1991) worden in kaart gebracht, evenals hun bedreigingen en hun potentieel om als staatssurrogaat te dienen.
Deze tweeledige structuur laat mij toe om in het eerste deel verschillende theorieën na elkaar te behandelen zonder telkens feitenmateriaal uit Somalië ertussen te plaatsen. Dit vergemakkelijkt het vergelijken tussen theorieën. Dit laat mij ook toe om theorieën te behandelen die expliciet gebaseerd zijn op andere case studies dan Somalië. Het tweede deel, dat zich integraal toespitst op Somalië, kan dan alle theorieën toetsen aan een exclusief Somalische context.
NIEUWE VORMEN VAN BESTUUR IN EEN INEENGESTORTE STAAT
Dit eerste deel van de scriptie benadert de probleemstelling vanuit een algemene theoretische invalshoek. Zonder alles direct toe te spitsen of te illustreren met voorbeelden uit Somalië, probeer ik hier een theoretisch kader te schetsen dat dienst doet als referentiekader voor de verschillende huidige voorbeelden van state collapse.
Eerst heb ik aandacht voor een definiëring van de verschillende concepten die later gebruikt zullen worden. Dan volgt een overzicht van theorieën rond state collapse en dit eerste, algemene, deel van de scriptie wordt afgesloten met een overzicht van theorieën over nieuwe vormen van bestuur in ineengestorte staten.
3.1. Concepten
Vooraleer men een onderzoeksvraag wil beantwoorden, moeten de gebruikte concepten erin natuurlijk eerst verduidelijkt worden. Een eerste hoofdstukje van elke scriptie bestaat dus uit een literatuurstudie om een hanteerbare definitie te vinden van elk concept dat wordt behandeld. Hierbij heb ik ook aandacht willen schenken aan het onderscheid tussen de verschillende concepten.
De staat is de centrale analyse-eenheid in internationale relaties. Men onderscheidt drie kernfuncties die de staat traditioneel moet vervullen om van een ‘staat’ te kunnen spreken. Het betreft het zorgen voor veiligheid (monopolie van geweld), vertegenwoordiging (een legitiem staatsbestel) en welvaart (een stabiel economisch klimaat)[2].
Volgens de Weberiaanse betekenis van het concept ‘staat’ bevat een staat de volgende elelementen: territorium, beleid over dat territorium, uitoefenen van autoriteit (wat mogelijk is door het monopolie op legitiem geweld) en erkenning van die autoriteit binnen en buiten de landsgrenzen. De zaken zijn veranderd sinds Webers tijd. Sinds de voorbije zeventig jaar worden moderne staten ook nog verantwoordelijk gehouden voor het voorzien in (of het strikt reguleren van) een groot aanbod aan diensten. Het gaat over die diensten waarvan men denkt dat ze niet goed door de markt uitgeoefend kunnen worden[3].
Alhoewel de structuur ‘staat’ af en toe ter discussie wordt gesteld, is er weinig dat erop wijst dat de staat heeft afgedaan als de dominante vorm van politieke organisatie zoals we die de voorbij eeuwen en vandaag kennen. Een ‘staatstructuur’ zal dus waarschijnlijk de geprefereerde staatsvorm blijven. Er bestaan verscheidene indicaties die lijken aan te tonen dat het verlangen en de vraag naar een onafhankelijke staat sterk zal blijven. Wat nu nog multi-etnische staten zijn, zullen onder druk komen te staan van allerlei secessionistische bewegingen. Onafhankelijke staten zullen zich blijven vermenigvuldigen zoals ze dat de voorbije eeuw hebben gedaan[4]. In contrast hiermee bestaat er wel apocalyptische literatuur die speculeert op een algemeen doemscenario van algehele staatsafbrokkeling[5].
Collapsed state (ineengestorte staat, geïmplodeerde staat) verwijst naar de institutionele dimensie van een staat. Een staat is gelukt of gefaald: er bestaan al dan niet centrale instellingen die over het hele territorium staatsmacht kunnen uitoefenen of niet[6].
Voor Zartman is state collapse een fenomeen dat verder gaat dat gewoonweg rebellie, coup of opstand. Het verwijst naar een situatie waar de structuur, autoriteit (gelegitimeerde macht), wet en politieke orde weggevallen zijn. Volgens Zartman moeten deze dus weer worden opgebouwd in zijn oude of in een nieuwe vorm. Aan de andere kant betekent een ineengestorte staat niet noodzakelijk anarchie. Noch is het een simpel bijproduct van de opkomst van etnisch nationalisme. Het is de ineenstorting van de oude orde, voornamelijk de staat, dat ervoor zorgt dat het etnisch nationalisme als residu overblijft om een identiteit te vormen. Een hypothese is dat wanneer de staat ineenstort, orde en macht (maar niet altijd legitimiteit) terugvallen op de lokale groepen of niet benut worden[7].
Failed state (gefaalde staat, niet-functionerende staat) verwijst naar de normatieve en praktische implicaties van een staat die niet ‘gelukt’ is. De functionele dimensie van een staat wordt hiervoor onder de loep genomen, dus of een staat wel zijn drie functies uitoefent[8]. Gefaalde staten kan men dus identificeren als diegene waarin de publieke autoriteiten in de onmogelijkheid verkeren (of simpelweg niet willen) om hun deel uit te voeren van wat Hobbes lang geleden het sociaal contract noemde. Dit ‘sociaal contract’ houdt nu meer in dan de vrede handhaven tussen de verschillende facties en belangen in een samenleving.
Gros waarschuwt ook voor een al te westerse kijk op de zaken. De welvaartsstaat is voornamelijk een Westerse luxe die enkel rijke landen zich kunnen veroorloven en is waarschijnlijk geen goed middel om het ‘staat zijn’ van de Derde Wereld aan af te meten. Als we van publieke autoriteiten in het Zuiden ook verwachten dat ze de volledige herverdelende functie op zich te nemen, dan riskeren we het concept ‘gefaalde’ staten zo uit te rekken dat het haast betekeningloos wordt.[9]. Zo zal Jennifer Miliken e.a. niet aanvaarden dat er een wereldwijde crisis van staatsimplosie plaatsvindt ook al lijken de gevallen zich te vermenigvuldigen. Het hangt er volgens haar van af hoe men een staatsimplosie juist definieert. Gevallen van totale implosie blijven beperkt tot enkele uitzonderlijke gevallen (in de recente jaren enkel Liberia, Sierra Leone, Somalië en Congo/Zaïre volgens Miliken). Al is het wel waar dat heel wat landen er niet in slagen alle drie de staatsfuncties uit te oefenen over hun hele territorium[10].
Ik volg Raeymaekers in zijn analyse dat de discussie over state collapse is vast te komen zitten in een groeiende impasse tussen klassieke staatscentrische benaderingen (die blijven hameren op functionele problemen) en meer samenlevingsgeoriënteerde inzichten die aandacht hebben voor de nieuwe politieke en economische loyaliteiten die ontstaan zijn in de context van een zwakke staat[11]. Als we het onderscheid blijven maken tussen ‘normale’ state collapse en ‘pathologische’ state collapse, zullen we blijven te weinig aandacht besteden aan wat er in de plaats kwam van de staat. Datgene dus wat zorgt voor politieke orde in de afwezigheid van een omvattend staatskader[12]. Zoals Spanger, zal ik state collapse behandelen als een proces (een fase) en niet als een mogelijk eindstadium[13].
Concepten zoals ‘state decay’, politieke crisis en burgeroorlog moeten ook duidelijk onderscheiden worden van state failure/collapse. Dit was, zeker in het verleden, een van de zwakheden in de beleids- en academische analyses van state collapse[14]. In het verleden zijn er een aantal analytische modellen geweest die het fenomeen wouden plaatsen binnen de bestaande analysecategorieën, maar zo wordt state collapse niet apart gezien van andere meer algemene politieke crisissen[15]. De literatuur rond state collapse en failure wordt dan ook gekenmerkt door een aantal gevaarlijke leemtes waarvan de meest belangrijke de obscure definities zijn en het dooreenhalen van oorzaken en gevolgen[16].
Of indien we uitgaan van de definities van het ‘Crisis States Research Centre’, verbonden aan de London School of Economics, dan komen we via ‘fragile states’ (susceptible to crisis in one or more of its subsystems) en ‘crisis states’ (under acute stress, where reigning institutions face serious contestation and are politically unable to manage conflicts) tot ‘failed states’ als een voorwaarde voor ‘state collapse’ (a state that can no longer perform its basic security and development function and that has no effective control over its territory)[17].
In het huidige discours van de VS-president Bush komen vaak rogue states voor. Dit is eerder een term voor politiek gebruik dan een wetenschappelijk bruikbaar concept. Dit door de normatieve invulling die afhankelijk is van het regime dat de term gebruikt. Kevin Drum verwoordt het als ‘wat rogue states zijn voor de internationale onveiligheid, zijn ‘failed states’ voor de nationale onveiligheid’[18].
De notie soevereine staat behoeft ook enige nuance. Zo merkt Ian Spears op dat sommige staatsentiteiten zoals Somaliland empirisch gezien sterker blijken te zijn dan andere landen die wel juridisch-onafhankelijk zijn. Somaliland doorstond met zijn meerpartijensysteem al enkele politieke crisissen en vervult de drie staatsfuncties vaak beter dan andere zogenaamde soevereine staten. In Somaliland is er namelijk wel een legitieme regering die zorgt voor relatieve stabiliteit en hierdoor beginnende welvaart mogelijk maakt[19].
Het begrip civiele samenleving zal ook regelmatig voorkomen in dit werkstuk.
Volgens het Centre for Civil Society verstaat men hieronder “the arena of uncoerced collective action around shared interests, purposes and values. In theory, its institutional forms are distinct from those of the state, family and market, though in practice, the boundaries between state, civil society, family and market are often complex, blurred and negotiated. Civil society commonly embraces a diversity of spaces, actors and institutional forms, varying in their degree of formality, autonomy and power. Civil societies are often populated by organisations such as registered charities, development non-governmental organisations, community groups, women’s organisations, faith-based organisations, professional associations, trade unions, self-help groups, social movements, business associations, coalitions and advocacy groups”[20]. In deze definitie rekent men de meeste verenigingen tot de civiele samenleving. Anderen gaan evenwel zo ver dat ze enkel apolitieke organisatiestructuren in de lijst opnemen en bij uitbreiding ook vakbonden en dergelijke uitsluiten[21].
3.2. Theorieën over state collapse
“From Haiti in the Western Hemisphere to the remnants of Yugoslavia in Europe, from Somalia, Sudan, and Liberia in Africa to Cambodia in Southeast Asia, a disturbing new phenomenon is emerging: the failed nation-state, utterly incapable of sustaining itself as a member of the international community”[22]
Deze hoofdstukken behandelen verschillende aspecten van het fenomeen state collapse. Ik ga in op de verschillende theorieën over de oorzaken voor state collapse, citeer een bruikbare taxonomie om ineengestorte staten in te delen en heb oog voor de internationale en Afrikaanse context die met state collapse samengaat. Ook besteed ik aandacht aan hoe deze theoretici het leven in een ineengestorte staat percipiëren en hoe de economie daar functioneert. Dit hoofdstuk wordt afgesloten met een overzicht van welke evaluaties men maakt van dit fenomeen en de voorspellingen naar de toekomst toe die men formuleert.
3.2.1. Oorzaken en verklaringen van state collapse
Er bestaan tegenstrijdige verklaringen over welke factoren leiden naar een situatie van state collapse[23]. Doornbos waarschuwt dat er een misplaatste tendens is om te zoeken naar eenduidige oorzaken en verklaringen en men op dezelfde manier dan op zoek gaat naar eenduidige ‘quick-fix’ oplossingen voor de reconstructie van een staat[24].
Externe oorzaken
De meeste auteurs koppelen het ontstaan van ineengestorte staten uitdrukkelijk aan de gewijzigde internationale context. Tijdens de Koude Oorlog zorgden de grootmachten er voor dat zelfs de zwakste regimes op de been bleven. Eenmaal die grootmachten hun handen aftrokken van hun cliëntlanden leidde dit tot de val van heel wat dictaturen, zonder dat er alternatieve politieke organisaties klaarstonden om de macht over te nemen. De jaren ’90 kenden bijvoorbeeld het imploderen van zwakke staten zoals Liberia, Somalië, Sierra Leone en Zaïre[25]. Deze landen die de jure onafhankelijk waren, bleken quasi-staten te zijn: staten die enkel bestonden omdat de Verenigde Naties en andere landen zeiden dat ze bestonden (term komt van Robert Jackson)[26]. Het is bijvoorbeeld opmerkelijk dat twee van de landen die tijdens de Koude Oorlog de meeste bilaterale steun ontvingen van de Verenigde Staten, namelijk Somalië en Zaïre, alle twee implodeerden eenmaal die steun wegviel[27].
De structurele aanpassingsprogramma’s (SAP’s) en privatiseringsmaatregelen tijdens de jaren 1980 hebben ook voor een groot stuk bijgedragen tot state collapse. De staat werd afgeslankt op vraag van Westerse donoren en multilaterale instellingen als de Wereldbank. De middelen die ter beschikking gesteld werden aan dergelijke landen, werden vaak gebruikt door de leiders in hun eigen voordeel. Toen de bilaterale en multilaterale hulp wegviel, waren dergelijke leiders een vogel voor de kat door een gebrek aan middelen[28].
Interne oorzaken
De ‘schuld’ kan natuurlijk niet exclusief bij buitenlandse actoren worden gelegd. Theoretici en beleidsmakers zijn al langer op zoek naar interne elementen die aan de basis liggen van het slecht functioneren van staten. Het sleutelwoord dat dan vaak valt is ‘goed bestuur’.
Als staten beter functioneren (lees: goed bestuurd worden) is de kans groter dat men niet vervalt in een situatie van state collapse. Dergelijk ‘goed bestuur’ hangt in belangrijke mate af van de kwaliteit van de instellingen van een staat. De Wereldbank en andere grote donoren zoals de OESO-landen stellen richtlijnen op voor hun donorlanden die betrekking hebben op de kwaliteit van de staatsinstellingen. De bedoeling is om daarmee het ‘goed bestuur’ van die landen te bevorderen[29]. Want als de instellingen corrupt, inefficiënt of niet bekwaam zijn om hun taken uit te voeren over het hele grondgebied, dan loopt het mis. Er is ook al gesuggereerd dat het ook verkeerd kan lopen als instellingen onaangepast zijn aan de maatschappij waarin ze moeten functioneren. In dat geval werken instellingen niet omdat ze niet legitiem zijn. De bevolking aanziet ze als vreemd en van buitenaf opgelegd. Dergelijke instellingen botsen met de waarden en overtuigingen van de maatschappij in kwestie[30].
Men mag echter de verklaring van een complexe situatie als staatsimplosie niet verengen tot een gebrek aan goed bestuur alleen. Gros deed uitgebreid onderzoek naar welke factoren een sterke correlatie vertonen met de implosie van gefaalde staten. Hij ziet 5 factoren die sterk correleren: economisch slecht presteren, gebrek aan sociale synergie, autoritarisme, militarisme en aftakeling van natuurlijke habitat veroorzaakt door een onbeheerste bevolkingsgroei[31].
3.2.2. Taxonomie
Het zou fout zijn om alle gefaalde staten over dezelfde kam te scheren, want er is niet zoiets als een waterdicht schot te plaatsen tussen enerzijds gefaalde en anderzijds succesvolle staten. Beter is om staten op een continuüm te plaatsen. Aan de ene kant de staten die ‘geslaagd zijn’ (al is dat werk nooit af[32]) en aan het andere extreem de staten die aan geen enkel criterium beantwoorden dat hoort bij succesvol staatsschap. Deze criteria zijn, volgens Gros: internationaal erkende grenzen, binnen die grenzen een autoriteit die het geweldsmonopolie heeft en over het hele territorium effectief gezag heeft en werkende instellingen[33]. Gros maakt dus een taxonomie op van de verschillende types ‘state failure’ en ook van de verschillende factoren die leiden tot zo’n toestand[34].
Het volledige spectrum aan scenario’s op het continuüm:
· De anarchistische staat (vb. Somalië)
Aan de ene extreme kant plaatst Gros gefaalde staten die internationaal erkende grenzen kennen, maar echter zonder gecentraliseerde autoriteit. De controle over deze niet-bestaande staat wordt gewapenderhand nagestreefd door gewapende groepen die onder het bevel staan van warlords of door gewapende milities die op eigen houtje opereren. Ondertussen vechten ze voor de controle over een regio, stad, buurt of gebouw met strategisch belang. Staten van dit type zijn op dit moment eerder zeldzaam. Gelukkig maar, want het reconstrueren van een staat in een dergelijke situatie blijkt uiterst moeilijk. Somalië bevond zich vanaf midden jaren 1990 zeker in deze situatie.
· De spookstaat (vb. Zaïre)
In spookstaten is er een waan van autoriteit. Deze is er soms wel effectief, maar dan enkel in beperkte sectoren, zoals het beschermen van de presidentiële despoot en zijn entourage. In de meeste andere domeinen blijft deze staat onzichtbaar. Het Zaïre onder Mobutu kan hier als prototype dienst doen.
· De lusteloze staat (vb. Haïti en Cambodja)
Er kan een lusteloze staat ontstaan om twee verschillende redenen. Enerzijds omdat het merendeel van de energie en middelen van de staat naar het bevechten van opstandelingen gaat die de staatsautoriteit willen overnemen. Anderzijds kunnen staten ook ‘lusteloos’ zijn omdat de modernisering aan hun staat voorbij gegaan is. Een grote bevolkingsgroei zet dan bijkomende druk op die archaïsche staatsstructuren. Zo geraken staatsinstellingen in de onmogelijkheid om effectieve controle uit te voeren.
· De gevangen genomen staat (vb. Rwanda)
Staten van dit type hebben een sterk gecentraliseerd bestuur maar dan wel één dat gevangen zit doordat het gekaapt is door één bepaalde groep. De elite van deze groep gebruikt de staat als vehikel om rivaliserende elites onder de knoet te houden (of in extreme gevallen uit te roeien). State failure in Rwanda verwijst niet naar zwakke centrale regeringen, maar wel naar het feit dat de staat niet de volledige bevolking omarmt.
· De vroegtijdig afgebroken staat (vb. Bosnië)
Dit zijn staten die faalden toen ze nog in vitro waren. Ze maakten kennis met state failure voordat hun proces van staatsformatie geconsolideerd geraakte. De situatie van Bosnië vindt haar oorsprong in een te snelle overgang van een quasi federatiestructuur naar een situatie van onafhankelijkheid zonder dat de bijhorende beschermingen er waren voor minderheden en tegen agressieve buurlanden[35].
Een belangrijke noot hierbij is dat volgens de auteur van deze indeling deze categorieën niet vast zijn. Staten kunnen van de ene categorie naar de andere overspringen op een bepaald punt in hun geschiedenis. Deze categorieën mogen ook niet als etages gezien worden. Een staat die in een spiraal terecht komt die leidt naar een situatie van algehele staatsimplosie passeert niet langs elke etage.
Deze indeling in categorieën is van belang als men falende staten ter hulp komt. Een herstel van een gefaalde staten die geen gecentraliseerde autoriteit meer kennt (zie Somalië) zal veel meer financiële middelen en buitenlandse politieke en militaire steun vergen dan landen waar nog steeds iets van een autoriteit aanwezig is (zie Haïti)[36].
Een ander soort continuüm is de jaarlijkse Failed States Index van het tijdschrift Foreign Policy. Jaarlijks stelt men deze samen, omdat ook zij opmerken dat gefaalde staten evolueren in een jaar tijd. Men deelt de staten hier, in tegenstelling tot Gros, niet in categorieën in maar men hanteert de indeling ‘meer of minder gefaald’. Deze ranking wordt opgesteld aan de hand van twaalf factoren (demografische druk, criminaliteit, ongelijke geografische ontwikkeling, falende publieke voorzieningen,…) en deze hitparade werd in 2006 bekroond door Soedan, de DRC en Ivoorkust[37].
Doom levert zware kritiek op deze jaarlijkse ranking van Foreign Policy. Hij merkt op dat deze ranking is opgesteld vanuit westers oogpunt. De ranking beschouwt staten als een probleem voor deze wereld als ze een probleem vormen voor de opstellers van de ranking, het westen. Ten tweede bemerkt hij dat zo’n ranking met een schijnbaar hoog objectiviteitsgehalte (die 12 criteria) de politieke wereld een agenda verleent voor legitieme interventie[38].
3.2.3. Gefaalde staten binnen de internationale gemeenschap
Dat in onze huidige interdependente wereldorde ineengestorte staten niet als eilandjes kunnen fungeren, staat buiten kijf. Daarvoor zijn haast alle staten in onze huidige wereldorde te veel geïntegreerd en te afhankelijk van elkaar. Maar hoe gaat de internationale gemeenschap dan om met gefaalde staten?
Het probleem van ineengestorte staten begint men binnen de internationale gemeenschap pas te onderkennen sinds ‘9/11’, de aanslagen op 11 september 2001 aan de oostkust van de Verenigde Staten. In de jaren negentig vond men ineengestorte staten maar problemen in de kantlijn van het wereldgebeuren. Vaak met een ondertoon van “het is toch maar Afrika, het waren toch maar corrupte regimes”. Maar sinds 9/11 is staatsimplosie terug op de internationale agenda gekomen[39]. Dit door de notie van een ‘safe haven’ voor terroristen: een ineengestorte staat biedt (al dan niet gewild) een uitvalsbasis voor terroristen[40] en omdat gefaalde staten netwerken kunnen huisvesten die voor de financiering van het internationaal terrorisme kunnen zorgen. Het wordt namelijk meer en meer duidelijk dat niet functionerende of ineengestorte staten in Afrika het geliefkoosde terrein vormen voor illegale netwerken die zich bezighouden met de handel in edelstenen, mineralen, wapens, drugs of witwaspraktijken. Nu de internationale gemeenschap de financieringskanalen van het internationaal terrorisme wil droogleggen, groeit het bewijs dat deze netwerken gebruikt ter financiering van het terrorisme[41].
De recente aandacht van de internationale gemeenschap kwam er dus pas na 9/11 en niet omdat er een toename kwam van gefaalde staten. Toen in de vroege jaren 1990 de staten Somalië, Zaïre en Burundi implodeerden, beschouwden de Westerse waarnemers dit als een eerder ‘marginaal’ fenomeen. Men schreef het toe aan de onkunde van de leiders van het Zuiden en aan de effecten van economische afhankelijkheid nu de Koude Oorlog achter de rug was. Vandaag de dag bekijkt men dergelijke gebeurtenissen wel met bezorgdheid en dit omwille van twee redenen. Ten eerste omdat men state failure zag evolueren van een regionaal fenomeen naar iets dat meer en meer globale proporties aan nam. Ten tweede omdat hierdoor het strategisch belang van gefaalde staten drastisch werd verhoogd. Gefaalde staten werden plotsklaps mogelijke bronnen van internationale instabiliteit die een bedreiging konden gaan vormen voor het internationale statensysteem als dusdanig. Het werd bon ton om de situatie in gefaalde staten te omschrijven als groeibodems van ‘instabiliteit, massale migratie en moord’ en in extreme gevallen zelfs als reservoirs van terroristen[42].
Het debat of de internationale gemeenschap zich moet inlaten met dergelijke gevallen van staatsimplosie werd dus beslecht door de ‘war on terror’. De conclusie van de National Security Strategy van de Verenigde Staten uit 2002 was niet voor niets: “America is now threatened less by conquering states than we are by failing ones”[43].
De vraag voor de internationale gemeenschap is dus niet meer of nation-building binnen een gefaalde staat kan werken, maar wel dat nation-building moet werken[44]. Als men de inspanningen qua nation-building bekijkt die de internationale gemeenschap in Irak en Afghanistan levert, beseft men hoe belangrijk men dit is gaan vinden. Als voornaamste opdracht ziet men steeds het opbouwen en ondersteunen van een nieuw effectief staatsgezag. Wat Menkhaus de kritiek ontlokt dat de buitenlandse bemiddelingspogingen meer focussen op state-building dan op peace-building, ondanks het feit dat een gewone Somaliër op korte termijn meer zou profiteren van een herstelde vrede dan van een herstelde centrale regering[45]. Een voorbeeld als Oost-Timor zorgt ook voor een kanttekening bij deze pogingen om van buitenaf een staatsstructuur op te leggen aan een gemeenschap. Jarat Chopra toont aan dat de organisatiecultuur en de belangen van de externe actoren die intervenieerden, bijdroegen tot het mislukken van de institutionele reconstructie in Oost-Timor[46].
Zoals hierboven reeds aangehaald is het ietwat ironisch dat de internationale gemeenschap niet steeds vrijuit gaat bij het ontstaan van dergelijke gefaalde staten. Zwakke regimes werden meermaals boven water gehouden door buitenlandse steun, zeker in een klimaat van Koude Oorlog. William Reno toont in zijn boek ‘African Weak States and Commercial Alliances’ mooi aan dat er tijdens de Koude Oorlog transnationale allianties ontstonden van regeerders van zwakke staten, crediteuren en buitenlandse ondernemingen die allen hun voordeel zagen bij deze samenwerkingsconstructie. Afrikaanse leiders wouden hun regime consolideren door buitenlandse ondernemingen (voornamelijk in de mijnbouw) en buitenlandse private huurlegers in te schakelen om zo hun rivalen op de politieke markt te kunnen onderdrukken. Dergelijke regimes krijgen financiële steun van crediteuren in het kader van het afslanken van bureaucratieën, het privatiseren van de staat en de aanpak van corruptie en inefficiëntie. Dit geld wendden ze aan om de diensten van die buitenlandse ondernemingen in te huren. Functies die normaal gezien door een staat worden uitgeoefend, werden zo overgenomen door buitenlandse ondernemingen en huurlingenlegers.
Zo ontstonden transnationale allianties waarbij iedereen voordeel had. Crediteuren werden afhankelijk van het overleven van regeerders van zwakke staten, want anders bestond de mogelijkheid dat hun leningen niet terugbetaald werden. Buitenlandse ondernemingen konden hun activiteiten ontplooien en hielpen zo ook de doelstellingen van de crediteuren. Regeerders van zwakke staten deelden in de inkomsten uit de uitbating van hun grondstoffen door buitenlandse ondernemingen en hadden die inkomsten ook erg nodig. Al was het maar voor het onderdrukken van hun politieke rivalen[47].
3.2.4. Gefaalde staten binnen een Afrikaanse context
Het fenomeen van state collapse is historisch en wereldwijd, maar nergens zijn er meer voorbeelden dan in het huidige Afrika[48]. Al moet er op gelet worden dat men niet vervalt in het klassieke en pijnlijke beeld over Afrika als een verloren continent. Sub-Sahara Afrika heeft níet het monopolie over gefaalde staten. Ze zijn integendeel universelel concepten: afhankelijk van de definitie die men gebruikt, kan men gefaalde staten vinden in elk deel van de wereld[49].
In contrast tot de apocalyptische literatuur die speculeert op een algemeen doemscenario van algehele staatsafbrokkeling[50], staan auteurs die poneren dat de bestaande territoriale staten in Afrika fragiel blijven maar dat zoiets niet causaal leidt tot anarchie[51]. Staatsimplosie stellen zij niet gelijk aan maatschappij-implosie.
De oorzaken waarom Afrikaanse in het algemeen zwak zijn, zou het gevolg zijn van twee crisissen. Enerzijds een accumulatiecrisis en anderzijds een bestuurlijke crisis. Dit hebben dan geresulteerd in legitimiteitscrisis. De legitimitiet die de staat nog had ten tijde van de dekolonisering is weggevallen en in heel wat gevallen besturen AF besturen Afrikaanse staten nog slechts belangrijke steden en economisch belangrijke gebieden.
Door tijdens het tijdperk van de Koude Oorlog er intern een patroon-clientsysteem op na te houden en extern afhankelijk te zijn van patronage door de Verenigde Staten of de Sovjetunie, werd al een kiem gelegd voor de huidige toestand. Toen de Koude Oorlog ten einde kwam, kwam er ook een einde aan het belang van Sub-Sahara Afrika voor de internationale gemeenschap en kon de hulp voor de Afrikaanse regimes geconditionaliseerd worden. Dit leidde tot het opdrogen van de middelen die zwakke regimes in het zadel hielden en beschermd werden tegen binnenlandse concurrenten voor de macht.
Doordat de buitenlandse kredietverstrekking een zeer belangrijke rol speelde in het besturen van zwakke Afrikaanse staten, nam na de afstandsname en de conditionaliteit door het Westen het aantal gefaalde staten toe. De conventionele analyse van state collapse in Afrika luidt dus: doordat de middelen waarover de staat beschikt afnemen, fragmenteren de patronagenetwerken. Loyale lokale ondergeschikte machtshebbers worden dan warlords die de centrale autoriteit zullen aanvallen[52].
Andere auteurs poneren de stelling dat men de oorzaken van de huidige situatie van staten in Afrika verder in de geschiedenis moet gaan zoeken. De huidige ineengestorte staten zouden een terugkeer inluiden naar de prekoloniale staatsloze samenlevingen van weleer. Want linken tussen de bestaande staten in Sub-Sahara Afrika met hun prekoloniale politieke systemen zijn in de meeste gevallen heel klein of onbestaande. Kan er eigenlijk wel zo’n erfenis zijn want traditioneel Afrika was niet politiek georganiseerd op een soevereine staatsbasis. Toen de Conferentie van Berlijn (1884-1885) gehouden werd, waren noch de regio op zich, noch de honderden componenten van traditionele politieke systemen lid van de familie van naties. Het oude Afrika was een politieke wereld die veel meer herkenbaar was voor antropologen dan voor het internationaal recht en de diplomatie: het was niet georganiseerd en het werkte niet op basis van soeverein staatsschap. Afrika was een continentale archipel van los gedefinieerde politieke entiteiten waarvan er weinig meer inhielden dat een wat uitgebreid systeem van bloedverwantschap zonder ook maar één centrale overheid. Zelfs meer gecentraliseerde Afrikaanse politieke systemen hadden vage grenzen en regeringen wiens autoriteit en macht verdween in de periferie van hun rijk[53].
Bozeman beschreef het als volgt: “African states were fluid and ad hoc creations that did not require a fixed human or territorial base (…) each is best understood as a system of more or less autonomous parts, held together by a dominant personality, family or lineage”[54].
De moderne staat met een centrale regering die capabel is om haast altijd sociaal geweld te beletten en op regelmatige basis belastingen kan innen binnen een duidelijk afgebakend territorium was een nieuwe politieke vorm die naar Afrika is gebracht door Europeanen samen met andere sociale en fysieke technologieën. Hun kolonies verschilden enorm van de traditionele staten: ze waren niet gebaseerd op stam en personal rule[55].
Tijdens de koloniale periode werden Afrikaanse staten weliswaar bestuurd, maar niet via een eigen staat. De schaarse helderzienden die onafhankelijke staten in het Zuiden voor mogelijk hielden binnen een afzienbare toekomst, gingen ervan uit dat ze een doorslag zouden zijn van die in het Noorden. Dat de civiele maatschappij er verschillend was, dat er ook onderling in de Derde Wereld ontzettend veel discrepanties waren tussen maatschappijen werd in deze over het hoofd gezien. De staat werd vanuit een staatsgecentreerde visie bestempeld als een a priori gegeven, dat niet te bevragen viel[56].
Nochtans waren die koloniale staten zelf niet erg uitgebreid. In de meeste gevallen waren het niet meer dan elementaire bureaucratieën met beperkt personeel en financiële mogelijkheden. En ze veranderen niet de onderliggende politieke cultuur van de kleine traditionele Afrikaanse samenlevingen (of konden ze niet veranderen?). Toch waren het deze vreemde structuren die na de onafhankelijkheid gekozen werden als bestuursvorm en niet de traditionele politieke systemen. “It (de staat) is still in many respects an alien institution” [57].
Het waarschijnlijk onbedoelde maar onvermijdelijk gevolg hiervan is het ontstaan van een internationale regio die bestaat uit voornamelijk zwakke regeringen als het al geen ‘stateless’ jurisdicties zijn[58].
Zartman daarentegen pleit de koloniale en prekoloniale geschiedenis van Afrika vrij van schuld aan het fenomeen state collapse. Hij stelt dat state collapse in onafhankelijk Afrika geen postkoloniaal fenomeen is, maar een kenmerk van nationalistische, tweede of latere generaties regimes die functionerende staten bestuurden. Het fenomeen kwam in twee golven. De eerste na het einde van het tweede decennium van onafhankelijkheid, wanneer regimes die de originele nationalistische generatie hadden vervangen, de hele staatstructuur meetrokken in een vacuüm. De tweede golf kwam een decennium later en blijft voortduren tot in de jaren 1990 met nog steeds nieuwe gevallen[59].
3.2.5. Economische situatie in een gefaalde staat: conflict vs. ontwikkeling
Is er economisch leven en ontwikkeling mogelijk zonder een staat? Dit blijkt een discussie te zijn die vaak verzandt in ideologisch gepalaver tussen believers en disbelievers over de relatie tussen sterke staat- groeiende economie.
Sinds het onderuit halen van de Washington Consensus in het midden van de jaren ‘80 heerst onder beleidsmakers de overtuiging dat slecht functionerende staten nefast zijn voor de economische ontwikkeling van een land. In het ergste geval kan een slecht functionerende staat ineenstorten en eindigt het land in totale chaos. De opbouw moet dan weer van voor af aan beginnen[60].
De periode daarvoor was het net omgekeerd en was de analyse van de wereldbank dat er een economische liberalisering moest plaatsvinden. De economische crisis in Afrika zou het gvolg geweest zijn van inefficiënte patroon- cliënt netwerken. Als oplossing zag men de privatisering van staatsdiensten om zo de middelen van onder de staatscontrole weg te halen en onder te brengen bij de privé-economie. Dit zou de invloed moeten doen afnemen van patroon-cliënt netwerken. Maar staatsondernemingen kwamen in handen van cliënten van het oude regime die werden gesteund door bureaucraten bij voorkeur aan die nieuwe privé eigenaars leningen en andere voordelen toekennen. De privé-sector in Afrika is dus wel nooit echt autonoom geworden, maar de staat is op zijn beurt wel weer verzwakt uit deze operatie gekomen[61].
De situatie in een ineengestorte staat kan misschien dé lakmoesproef zijn bij de vraag of er een regulerende staat nodig is om een bloeiend economisch leven te hebben. Een recent rapport van de Wereldbank lijst de sectoren op waar dit al dan niet lukt en doet dit aan de hand van hedendaags Somalië als voorbeeld.
Vooreerst blijkt de private sector verrassend innovatief te zijn. In sectoren waar de transacties eenvoudig zijn, zoals de detailhandel en de bouw, heerst er gezonde concurrentie. In meer complexe sectoren zoals telecommunicatie en elektriciteitsvoorziening zijn de privé-oplossingen onvolkomen maar toch indrukwekkend: de spreidingsgraad is uitgebreid sinds de jaren 1980 en de prijzen zijn vergelijkbaar met deze van andere Afrikaanse landen. Alleen bij publieke goederen en private goederen met sterke spillover effecten (wegen, monetaire stabiliteit, een wettelijk systeem, basisonderwijs, een grensoverschrijdend financieel systeem) lijkt een regulerende staat erg gemist te worden. Maar zelfs in die sectoren heeft de private sector creatieve aanpakken ontwikkeld die gedeeltelijk bijdragen tot een effectief bestuur. Als een resultaat daarvan, kent Somalië lagere graden van extreme armoede en in sommige gevallen beter infrastructuur dan rijkere landen in Afrika[62].
De specifieke gaten in de voorziening van diensten door de privé zijn de volgende:
Het Somalisch wegennet is beperkt en in slechte staat. Voor een privé-persoon of organisatie is blijkbaar de kost te hoog om een weg te bouwen en taksen te heffen om de kosten te dekken. Gedeeltelijk door het verbod op transactiekosten in een Moslimwereld en gedeeltelijk doordat taksbetalende gebruikers niet de enige zijn die voordeel hebben van die wegen.
Basisonderwijs is een ander teleurstellend verhaal. Ongeveer 71 procent van de basisscholen zijn in privé-bezit (meestal van de ouders of de gemeenschap), maar slechts 17 % volgt les. Terwijl dat 82 % bedraagt in West-Afrika, waar de landen rijker en meer stabiel zijn en de regering meer betrokken is in de economie.
Een goedwillende regering zou deze beide problemen kunnen oplossen. Maar het simpele feit van een sterkere regering te hebben, zal niet helpen. Gemeentelijke overheden langs de weg Berbera-Hargeisa heffen tol, maar zullen deze inkomsten niet spenderen aan het onderhoud van deze weg. Het falen van het onderwijssysteem is gedeeltelijk te verklaren omdat de helft van de Somaliërs nomaden zijn. Het is niet duidelijk of de overheid beter zou doen, zeker omdat geweten is dat de privé-scholen in beter onderwijs voorzien dan hun staatstegenhangers. Beter dan een regeringssysteem te creëren vanuit het niets, zou men het netwerk van privé-scholen die hoge kwaliteit bieden kunnen verbeteren.
Er is enkel een rol voor de overheid weggelegd als ze bouwt op de sterktes van de privé-sector. En sinds de Somalische bedrijfjes sterk steunen op instituties buiten de economie, zou het helpen mocht het internationaal en het Somalisch beleid deze verbindingen zou steunen. Gezien de mogelijkheid van sommige sectoren in Somalië om overweg te kunnen onder moeilijke omstandigheden, zou het regeringen en hulporganisaties hoop en richting moeten geven bij hun reconstructiepogingen[63].
3.2.6. Evaluatie
De vraag stelt zich welke evaluatie men moet maken van geïmplodeerde staten. Hoe moet dit, al dan niet nieuw, fenomeen geïnterpreteerd worden?
State collapse, zoals we het nu meemaken als een fenomeen van de moderne staat in Afrika en elders, is verschillend van het historisch fenomeen dat geassocieerd wordt met gigantische beschavingen uit het verleden. Het is geen zaak van ‘civilizational decay’. De samenleving blijft overeind en ondanks het feit dat ideologie, regime en orde veranderen kun je toch niet beweren dat er een beschaving wordt vernietigd[64].
Tot voor kort stond de noodzaak van de staat (in de praktijk) nauwelijks ter discussie. In feite was iedereen het eens: de staat was een logisch eindpunt van een historische evolutie. Die algehele consensus is er nu niet meer[65]. Al blijven de meeste geloven dat ‘de staat’ een constructie is die niet zal verdwijnen. Als volk je eigen staat hebben, blijft namelijk voor vele volkeren ter wereld hét streefdoel wegens de verlokking om dan als volk vrij te zijn en controle te hebben over je eigen toekomst. Een staat oprichten blijft dus het beste teken dat je als volk erkend en gerespecteerd wordt door de anderen. Dit is waarschijnlijk de meest fundamentele reden waarom men niet moet verwachten dat in de nabije toekomst soevereine staten van deze wereld zullen verdwijnen[66].
Een auteur als Robert Kaplan denkt echter dat de staat, zoals we die nu kennen, heeft afgedaan. Hij hanteert een visie van toekomstige chaos dat onze wereld te wachten staat doordat de klassieke situatie van een staat met een centrale regering vervangen wordt door “city states, shanty-states, (and) nebulous and anarchic regionalism”[67]. De meeste andere auteurs zijn echter meer gematigd, maar merken toch op dat gefaalde staten een structureel kenmerk geworden zijn van het interstatensysteem en geen tijdelijke disfunctie van het Westfaalse interstatensysteem[68]. State collapse interpreteert men nu als een onderdeel van een ontwikkelingsmalaise dat gekeerd kan worden door een combinatie van smart sanctions, externe hulp en institution-building[69].
Andere auteurs benaderen het verzwakken van de staat als een voordeel voor een meer kosmopolitische (globale)[70] of een meer representatieve (lokale)[71] visie op politiek. Nog anderen blijven vasthouden aan de idee van een wereldsysteem gebaseerd op nationale staten, argumenterend dat de soevereine staat de meest aangewezen actor blijft om politieke orde te creëren in afwezigheid van een globale of regionale hegemon[72].
Zoals voorgesteld door Miliken en Krause, moeten we er misschien van uit durven gaan dat de mogelijkheid van state collapse een plausibele, en soms zelfs gewenste, uitkomst kan worden voor sommige staten in het systeem. Moet de mogelijkheid niet onderzocht worden dat factoren die in de ene context sterke en gelegitimeerde staten voortbrengen, in een andere context interageren met verschillende lokale en historische condities en daarom zwakke en ineengestorte staten genereren[73]? Zo is er het werk van de auteurs Almond en Verba, die ‘The Civic Culture[74]’ publiceerden. In dat werk peilt men naar de culturele basisvereisten die democratie stimuleren of remmen. Als conclusie formuleert men daar dat sommige samenlevingen cultuur-historische factoren kennen die democratie zoals wij die kennen en propageren ernstig belemmeren[75].
Het komt er dus op aan om aandacht te besteden aan die bestuursvormen die in een situatie van state collapse opduiken. Dat kunnen zowel restanten zijn van de vroegere autoriteit (overblijfselen van het staatsapparaat, nationale politici en lokale chiefs) als het ontstaan van nieuwe bestuursvormen, de zogenaamde non-state armed actors en de civiele maatschappij[76].
Raeymaekers maakt de synthese dat er momenteel drie ideeën de visie op state collapse domineren[77].
Het eerste idee is dat men state collapse gelijkschakelt met een institutionele afbraak. In Zartmans termen wordt state collapse louter geïnterpreteerd in termen van een ineenstorting van de regering. De oplossing voor state collapse is dan het opnieuw opbouwen van deze structuur wat dan de hele samenleving terug doet functioneren[78].
Een tweede idee van de gangbare analyse is dat men een institutionele instorting gelijkstelt met een instorting van de hele samenleving. “State failure, society failure and state collapse are thus essentially placed on a development ‘continuum’, where one stage of failure almost automatically leads to another.”[79]
Het derde kenmerk van deze analyse is de obsessie voor gewapend conflict. Staten die in een situatie van state collapse zitten, zouden vast zitten in een conflict trap. In hun zoektocht naar economisch voordeel, zoeken actoren naar lucratieve allianties die tezelfdertijd een belangrijke incentive zijn voor het verder zetten van het gewapend gevecht.[80] Heel wat auteurs hanteren de metafoor van de vicieuze cirkel. Zo stellen politiek-economische theorieën over hedendaagse conflicten dat een conflict voortduurt omdat er interne en externe actoren zijn die belang hebben bij een aanslepend conflict[81]. Zo zijn er volgens de Wereldbank ‘verschillende negatieve feedbackmechanismen’ die zorgen voor de hoge persistentie van een conflict zoals dat in Somalië[82].
Een interessante reactie hiertegen is die van Ken Menkhaus die aantoont dat Somalië sinds het einde van de tweede burgeroorlog in 1992 aanzienlijk veranderd is. Of hoe de casus van Somalië aantoont dat in sommige gevallen langdurige conflicten geen zichzelf versterkende crisissen zijn maar eerder evoluerende ‘emerging political complexes’, met politieke en sociale veranderingen die ontstaan door veranderende belangen van sleutelactoren. Menkhaus wil de crisis vooral proberen te begrijpen door te kijken naar die elementen die invloed hebben op de belangen van dergelijke actoren[83].
3.2.7. Oplossingen
Een belangrijke beleidsvraag is hoe die gevallen van state collapse zullen evolueren. Zijn ze op te lossen, als men state collapse ten minste als een probleem percipieert, met veel middelen en goede wil van binnen- en van buitenuit? Of zijn ze gedoemd om in hun zich zelf in stand houdend conflict te blijven voort sudderen?
Raeymaekers ziet twee mogelijke uitkomsten voor een situatie van state collapse.
De eerste mogelijke uitkomst is dat er één partij groeit totdat die de nodige middelen en steun heeft om het pleit te winnen. Waarschijnlijk moet er eerst op lokaal vlak een basis uitgebouwd worden, vooraleer die partij z’n macht kan uitbreiden naar een dominantie over de hele samenleving. De tweede, meer waarschijnlijke, optie is dat het gevecht over de maatschappij onbeslist blijft. Hoogstwaarschijnlijk heeft dit tot gevolg dat de machtscentra nog meer fragmenteren en dat het conflict zal overgaan op steeds lagere niveaus van de samenleving. Men plooit dan terug op de eigen kleine gemeenschap en het beleid zal dan ook meer en meer etnisch of op de clans gebaseerd zijn[84].
De vraag is dus of er kant-en-klare oplossingen kunnen gezocht worden voor een situatie van state collapse. Doornbos waarschuwt dat er naast de misplaatste tendens om te zoeken naar eenduidige oorzaken voor state collapse, ook de neiging bestaat om eenduidige, liefst nog quick-fix oplossingen voor te stellen als oplossing[85]. Renders merkt op dat beleidsmakers die zich bezig houden met ontwikkelingssamenwerking en staatsopbouw, het doen functioneren van instellingen vaak beschouwen als een technisch probleem. Men wil dan teruggrijpen naar ‘modellen’ die al gewerkt hebben. Een voorbeeld van zo’n model zou kunnen zijn dat je in het geval van een geïmplodeerde staat zoals Somalië aan de slag gaat met de ‘traditionele’ instellingen om vlug weer een vorm van bestuur op poten te zetten. Maar uit het onderzoek van Renders over de totstandkoming van Somaliland blijkt dat de kwestie niet technisch is maar politiek. Men kan namelijk niet voorbij de politieke actoren die meespelen, of het nu krijgsheren zijn of politici[86].
De visie die je over staatsimplosie erop na houdt, is dus allesbepalend voor de oplossing die je voorstelt. Een auteur als Zartman, met zijn nadruk op het institutionele karakter van state collapse, stelt dat de eerste voorwaarde voor een succesvol herinstalleren van een staat, het in ere herstellen moet zijn van de staatstructuren die voorheen bestonden: “restoration of stateness is dependent on reaffirmation of the precollapse state”[87].
Of als men als auteur de nadruk legt op de situatie van gewapend conflict binnen state collapse, dan benadrukt men dat er eerst een oplossing moet komen voor de mechanismen die het aanslepend conflict doen voortduren. Eén daarvan is de conflict trap, zoals reeds hierboven aangehaald. Het doorbreken van dit mechanisme zou dus de eerste bekommernis moeten zijn van iedereen die de legitieme autoriteit wil herstellen in staten[88].
Als men van mening is dat de situatie van state collapse te wijten is aan de aard van de instellingen zelf, is het niet zinvol om die opnieuw te reconstrueren. Als die instellingen namelijk onaangepast zijn aan de maatschappij waarin ze moeten functioneren, loopt het gegarandeerd weer mis. Instellingen kunnen namelijk niet als ze niet als legitiem worden aanzien,als ze als vreemd en van buitenaf opgelegd beschouwd worden. Dergelijke instellingen botsen met de waarden en overtuigingen van de maatschappij in kwestie. Om efficiënte instellingen te krijgen, moet men hieraan tegemoet komen en het probleem oplossen door beiden met elkaar te verzoenen. ‘Traditionele’ en ‘moderne’ instellingen moeten op elkaar worden afgestemd: de moderne instellingen moeten een basis krijgen in de maatschappij zodat ze legitiem en functioneel worden. En de traditionele instellingen moeten gebruikt worden om de moderne erop te enten[89].
Al blijft natuurlijk de vraag of men zomaar naties kan construeren als die er niet echt in het verleden geweest zijn. Naties construeren uit afgescheiden etnische groepen is niet alleen een moeilijk maar ook een onnatuurlijk proces. Het zal niet zomaar gebeuren door eenvoudigweg een regering op te richten maar wel onder dwang en door maatregelen van intense administratieve centralisatie. Als men volhoudt om etnieën te dwingen om zich in te passen in een gecentraliseerd jasje voor een langere periode, is dat dé manier om state collapse te bereiken[90].
3.3. Theorieën over nieuwe vormen van bestuur in een situatie van state collapse
3.3.1. Inzichten over wat er in de plaats komt van een staat bij staatsimplosie
Dat er in gevallen van staatsimplosie sowieso instituties bestaan die de functies van de staat zullen overnemen, leert ons de klassieke staatstheorie. Die stelt dat een staat zonder maatschappij niet denkbaar is en een maatschappij zonder staat of zonder een daarop gelijkende structuur een chaos is die binnen de kortste tijd op de staat gelijkende structuren zou in het leven roepen. Het anarchistische ideaal dat complexe maatschappijen zonder een hiërarchisch gestructureerde autoriteit leefbaar zouden zijn, lijkt dan ook een utopie[91].
Als je state collapse als een mogelijke uitkomst beschouwt van elk proces van staatsformatie dat nog aan de gang is, dan moet de instorting van de instellingen niet het einde betekenen van sociale instituties tout court maar gewoon het begin van nieuwe instituties[92].
Auteurs als Timothy Mitchell en Joel Migdal zien state collapse niet als een eindstadium of instorting, maar eerder als een “culmination point in the continuous struggle, between various forces in society, to control the three core functions that are generally connected to state performance”. Alle samenlevingen kennen dus aan de gang zijnde rivaliteiten tussen groepen die er een verschillende versie willen doordrukken van hoe mensen zich moeten gedragen. De aard en uitkomst van deze gevechten geven samenlevingen hun structuur en karakter[93].
Martin Doornbos stelt dat binnen en tussen samenlevingen een ruime variëteit aan lokale bestuursstructuren bestaat en dat traditionele autoriteiten niet hoofdzakelijk of exclusief van staatsstructuren afhangen. Hij verwijt dat men te veel oog heeft voor government en te weinig voor governance. Of in andere woorden: het wegvallen van government betekent niet noodzakelijk het wegvallen van governance. Er ontstaan nieuwe situaties van groepen die nu het gezag uitmaken. Zij introduceren een nieuw kader van nieuwe politieke en economische machtstructuren[94]
Het proces van staatsimplosie brengt dus het ontstaan met zich mee van alternatieve lokale controlestructuren.. Er ontstaan zo nieuwe vormen van bescherming, legitimiteit en recht op welvaart en van nieuwe vormen van autoriteit en zones van alternatieve sociale, politieke en economische regulering. Met dergelijke situaties moet na een tijdje elke poging tot vredesproces of buitenlandse inmenging mee rekening houden[95].
Ook in het hedendaagse Somalië zien we dat een gewapende conflicten niet leidt tot een situatie van complete anarchie. Zo stelt Menkhaus dat “a correlation between the existence of a functioning state authority and a state of peace and lawfulness is not obvious in the broader region”. Onderzoekswerk van Menkhaus toont aan dat de combinatie van verschrompelend staatsschap en gewelddadig gewapend conflict toch heeft geleid dat het ontstaan van nieuwe, niet-statelijke kernen van autoriteit gebaseerd op alternatieve modellen van sociale controle. Somalië heeft bijvoorbeeld een mozaïek aan lokale ‘staatsinrichtingen’ zien ontstaan door nieuwe afspraken die zijn gemaakt tussen lokale sterkhouders, familie- en clanouderen en politieke militieleiders. Op deze manier voorziet men de Somalische burgers van governance, als het op sommige plaatsen al niet tot government is geëvolueerd. Deze regelingen zorgden voor een heropstanding van de leiders van de lokale gemeenschappen door het oprichten van shariarechtbanken, de demobilisatie van milities in het voordeel van privé-veiligheidsdiensten en crossreg