| De opbouw en inrichting van de Romeinse soldatenbarak van de eerste tot de derde eeuw na chr. Analyse van barakken en vergelijkend onderzoek naar gelijksoortige gebouwen in Italië. (Ria Berkvens) |
| home | lijst scripties | inhoud |
De aanleiding voor deze scriptie vormt het artikel "Archeologen op een bouwterrein" in de HAKoerier (december 1983), geschreven door J.E. Bogaers en J.K. Haalebos. Hierin worden de problemen uiteengezet die zich kunnen voordoen bij de reconstructie van een soldatenbarak. De uitgebroken muren en de grotendeels gereconstrueerde plattegrond bieden een slecht uitgangspunt voor een dergelijke reconstructie. De plattegronden van andere barakken in de Nijmeegse legerplaats en elders zijn beter bekend. Nergens in het Romeinse Rijk is echter het opgaande muurwerk bewaard gebleven. Daarom is het misschien ook nuttig om eens te kijken naar nog bestaande gebouwen in Italië met een soortgelijke functie. In deze scriptie worden daarvan twee voorbeelden behandeld: de gladiatorenkazerne (Ludus Gladiatorius) te Pompeji, gelegen in het theaterkwartier (regio VIII) en de brandweerkazerne (Caserma dei Vigili) te Ostia, gelegen in regio II. Het is de bedoeling na te gaan hoe de mensen daar gehuisvest waren en in hoeverre er een verschil bestond met de onderkomens van soldaten in barakken.
In het eerste hoofdstuk wordt de oorsprong van de soldatenbarak en de opbouw van een legerkamp besproken. Een manschapsbarak kende verschillende vormen en benamingen en bestond daarnaast aan de ene kant uit kamers voor de manschappen en aan de andere kant uit een woonblok voor de officier(en).
In hoofdstuk III worden de problemen uiteengezet die zich voordoen bij het reconstrueren van een soldatenbarak. Er wordt ingegaan op de mogelijke constructie van de muren en daken van een barak. Vervolgens komt de archeologische beschrijving van de opbouw aan de orde; hierin komen aparte onderdelen van de barak ter sprake als bouwmaterialen, ramen en vloeren. Ook wordt de opbouw verder besproken en worden de verschillende reconstructies behandeld die door de litteratuur worden aangedragen. De tekst wordt verduidelijkt en geïllustreerd met vondsten uit militaire kampen en reconstructies van een aantal manschapsbarakken, hoofdzakelijk daterend uit de eerste twee eeuwen na Christus. Ook de uiteenzetting over de inrichting gaat aan de hand van vondsten, illustraties en reconstructies. Er wordt onder andere gekeken naar de mogelijke kookplaatsen die gevonden zijn en waar het voedsel opgeslagen werd, maar eveneens wordt ingegaan op het huisraad. Hier is bijna niets over bekend, behalve een aantal mogelijke sporen die gevonden zijn in manschapsbarakken, die op meubels kunnen wijzen; deze worden nader bekeken.
Hoofdstuk IV gaat over het Romeinse bed en wat daar over bekend is. Wat vertellen de litteraire bronnen ons eventueel over slaapplaatsen voor militairen en is er iets bekend over het bestaan van stapelbedden in de oudheid? Het tweede gedeelte gaat over de vele illustraties van bedden in schilderingen, op monumenten en andere voorwerpen; ook wordt kort ingegaan op verschillende, bewaard gebleven, Romeinse bedden.
Het voorlaatste hoofdstuk gaat over twee Romeinse gebouwen in Italië, die beter bewaard zijn gebleven en waarvan de plattegrond te vergelijken is met de soldatenbarak: de gladiatorenkazerne in Pompeji (zie afbeelding 34) en de brandweerkazerne in Ostia (zie afbeelding 42). Om iets te weten te komen over de leefomstandigheden hier, is het van belang eerst te achterhalen hoe de gladiatoren en de brandweerlieden in elke kazerne gelegerd waren. Hiervoor wordt geprobeerd de organisatie in deze kazernes te analyseren aan de hand van antieke en epigrafische bronnen. De nadruk ligt daarbij op de volgende vragen: met hoeveel personen waren de gladiatoren en de brandweerlieden (de 'vigiles') in één kamer gehuisvest? Hoeveel ruimte hadden zij ter beschikking en komen de verhoudingen overeen met de afmetingen van een slaapvertrek in een barak? Als we de barakken vergelijken met soortgelijke gebouwen in Italië kunnen we misschien meer te weten komen over de huisvesting van de soldaten. De vigiles hadden een vergelijkbare militaire rangorde als de Romeinse legioenen en ook de gladiatoren schijnen een rangorde te hebben gehad die teruggaat op het leger. Deze vergelijking wordt verder besproken in de conclusie (hoofdstuk VI).
HOOFDSTUK II. DE ROMEINSE SOLDATENBARAK
1. De oorsprong van de centuriabarak
De gebouwen in een legerkamp zijn bijna allemaal afgeleid uit de stedelijke architectuur. Alleen over de oorsprong van de barakken bestaat onduidelijkheid. Volgens Von Petrikovits (1975, 144) kunnen barakken zowel een omzetting van de leren tenten in hout zijn als op de stedelijke tabernae teruggaan; taberna betekent zoiets als houten keet[1]. Zulke tabernae kwamen in het kamp al als zodanig voor en dienden hier als werk- of opslagruimten, administratiebureaus en misschien als ruiteronderkomens. In Italië hadden deze tabernae vaak kleine zolderruimten van ± 1,5 meter hoog, die met een houten trap te bereiken waren.
Aan de andere kant komt de barak voort uit de papilio in het marskamp waarin elke legioenscenturia 8 lederen tenten (papiliones) bezette, die in een lange lijn opgesteld waren. Elke tent (papilio) was 10 Romeinse vierkante voet voor 8 soldaten. Hiervóór was een ruimte van 5 voet voor de wapenopslag (arma) en daarvóór 9 voet waar de lastdieren (iumenta) stonden[2] (zie afbeelding 1). Er waren maar 8 tenten nodig per centuria omdat een groep van 16 personen voortdurend wacht liep[3]. Er lagen dus maar 64 man van de hele centuria (80 personen) in de tentenrij; dus in plaats van 10 legionairs per tent lagen er maar 8. Zij vormden samen een contubernium ofwel tentgemeenschap. De tent van de commandant (centurio) stond aan het uiteinde van de tentenrij en besloeg de ruimte van twee contubernia.
De ontwikkeling tot de duurzame manschapsbarakken uit de keizertijd gaat terug tot de Republikeinse tijd[4]. De overgang zien we in Augusteïsche kampen. Volgens Baatz[5] hadden deze kampen nog geen vaste onderkomens maar zogenaamde hibernacula (lichte hutten). Aanwijzingen voor het bestaan hiervan meent hij gevonden te hebben in de sporen van manschapsverblijven in Oberaden[6]. Een manschapsbarak werd door de Romeinen een centuria genoemd, wat blijkt uit een inscriptie die gevonden is in Caerleon (bijlage 1). De bouwwijze van de verblijven hing af van het lokaal verkrijgbare materiaal. Als de troep langer dan 2 jaar op één plaats moest blijven, dan bouwden de legioensoldaten duurzamere barakken, zoals bijvoorbeeld in Haltern.

1. De ruimte-indeling in een marskamp van twee centuriae (naar I.A. Richmond, in Webster 1969, fig. 39)
2. De opbouw van het legerkamp
De plattegrond van het permanente legerkamp heeft zich ontwikkeld uit het schema waarin de lederen tenten in een marskamp uitgezet waren. De militaire rangschikking zien we hierin terug; hoe hoger de rang van de manschappen, des te groter en luxer het gebouw was waarin zij verbleven. Een legioen bestond uit 5000-6000 man verdeeld over 10 cohortes van elk 600 personen. Een cohors bestond uit 6 centuriae. Een legioenscenturia bestond uit nominaal 100 man, waarvan er 80 tot de strijdkrachten behoorden. De overigen, ongeveer 1200 man in een legioen, hadden andere taken als handwerkers, artsen en administrateurs (immunes); zij waren meestal bij de principia of de bedrijfsgebouwen gehuisvest[7]. Een cohors was gelegerd in 6 centuriabarakken die elk een centuria van nominaal 100 man, waarvan er dus 80 tot de eigenlijke strijdkrachten behoorden, huisvestte. Aan één zijde van de barak lag (meestal) de woning van de centurio, het hoofd van de centuria, ofwel honderdman. Misschien woonden hier ook zijn onderofficieren. De meeste barakken lagen dicht bij de kampwal, aan het intervallum. De eerste cohors, die vaak een dubbele sterkte had, lag meestal rechts van de principia.
De bouw van de barakken werd aangepast aan de hoeveelheid ruimte die over was nadat de verdedigingswal en straten van het kamp waren aangelegd; het gebeurde dus niet volgens een vaststaand plan in een vaste hoeveelheid Romeinse voet[8]. Met andere woorden: de barak werd aangepast aan de beschikbare hoeveelheid ruimte in het kamp.
De vroegste barakken bestonden uit houten geraamten met vlechtwanden, die met leem besmeerd waren (houten vakwerk). In Claudisch-Neroonse tijd komt de stenen fundering opzetten; hierbij bestond alleen het onderste deel van de barak uit steen en het opgaande muurwerk uit houten vakwerk. Er zijn bijna geen barakken gevonden, waarvan men kan bewijzen dat deze helemaal uit steen opgetrokken waren. Er is geen duidelijke scheiding in deze ontwikkeling; houten barakken kwamen in de tweede eeuw naast stenen barakken voor. In de loop van de tijd werden de barakken wel steeds groter en luxer (bijvoorbeeld met vloerverwarming).
De oppervlakte van het Nijmeegse stenen legioenskamp, waar het tiende legioen gelegerd was[9], is ruim 16,5 ha. Uit de plattegrond is af te leiden dat het tiende legioen niet op volle sterkte was (zie afbeelding 2). Er was niet genoeg plaats om 10 cohortes te huisvesten; tot nu toe zijn 6 cohors-afdelingen van elk 6 centuriae bekend (dit wil niet zeggen dat deze volledig zijn opgegraven). Andere legioensvestingen zijn aanzienlijk groter (22 ha.).

2. De laat-flavische legioensvesting (periode 5) te Nijmegen (naar Haalebos 1993, bijlage 1.D.).
3. De manschapsbarak
Eén paar tegenover elkaar liggende barakken, met daartussen een straat[10] (het spatium conversantibus), waar vaak een riool liep, vormde samen een striga. Hierin lagen twee centuriae, die samen een manipulus[11] vormden. Een rij tenten voor één centuria noemt Hyginus[12] een hemistrigium. Naast deze uit de oudheid overgeleverde begrippen, bestaan er nog twee archeologische termen die gebaseerd zijn op de plattegrond, namelijk de enkele en dubbele barak. Een dubbele barak bestond uit twee enkele barakken die met hun achtermuur (bijna) tegen elkaar aanlagen; een enkele barak stond los van andere barakken (zie afbeelding 3). Een manschapsbarak was in de regel een groot, lang en smal gebouw met een aantal kamerparen (contubernia), waarin een centuria (ca. 80 man) ondergebracht was (zie afbeelding 4). In de Romeinse legerkampen varieert het aantal contubernia van 7 tot 17[13]; daardoor verschilt ook de lengte van een barak. Elk contubernium[14] bestond meestal uit een grotere achterkamer, papilio genaamd, waar de manschappen woonden en sliepen. In de voorste wat kleinere kamer, de arma, werden de wapens en uitrusting opgeslagen.

3. Plattegrond van een enkele en dubbele barak in het legioenskamp te Neuss (Koenen-lager) (naar Horn 1987, fig. 74).
De termen arma en papilio zijn afkomstig uit het marskamp, zoals dit beschreven wordt door Hyginus. Het is niet bekend of dezelfde termen ook gebruikt werden voor de duurzame onderkomens. De opslagruimte kon opgedeeld zijn in een gang en een kamertje. Dit is duidelijk te zien in Valkenburg (periode 1)[15] waar een deel van de houten opbouw bewaard is gebleven. Een doorlopend voordak, wat vóór langs de hele barak liep, beschermde tegen zon en regen. Aan één uiteinde van de barak lag de woning van de centurio, de bevelvoerder over een centuria. De barak had vaak extra contubernia tussen de centuriowoning en de barak zelf, maar ook vaak aan de staart van de barak; meestal hadden ze een andere en kleinere indeling of zelfs helemaal geen onderverdeling. Barakken zonder zulke 'speciale' ruimten komen bijna nergens voor. Misschien waren ze bedoeld voor de onderofficieren[16], principales of wachtposten, of als extra opslagruimte, werkplaats of toilet[17] (zie afbeelding 5).
In de porticus lagen vaak afgedekte afvalkuilen. De proporties van de veranda en het contubernium wijzen op integratie van de veranda in het gebouw ofwel op een aangebouwd afdak. Het loopoppervlak bestond uit keien, grint, plavuizen of houten loopplanken. De ondersteunende pilaren waren meestal van hout met soms een stenen basis of drempel. De toilet- en wasfaciliteiten voor de gewone legionair lagen over het algemeen aan de rand van het kamp langs de wal. Misschien werd de goot waar het regenwater inviel ook als urinoir gebruikt[18]. Water verkreeg men uit nabijgelegen putten en/of werd opgeslagen in amforen in de contubernia (soms in kuilen).

4. Geschematiseerde plattegrond van een enkele barak (naar Johnson 1983, fig. 127).
De legioensbarakken bestonden in de regel uit ongeveer 10 kamerparen, mét veranda. De centuriowoning nam ongeveer 33 % van de hele barak in[19]. De barakken van de hulptroepen hadden over het algemeen een eenvoudigere indeling. Ze waren meestal kleiner en lichter in constructie waardoor de scheidingswanden, bijvoorbeeld tussen de arma en papilio, vaak niet meer terug te vinden zijn bij de opgraving[20].

5. Plattegrond van barak I uit het fort te Hod Hill (naar Richmond 1968, fig. 45A).
Het aantal contubernia verschilt in Nijmegen van 8 tot 11 stuks per barak. De contubernia waren onderverdeeld in een porticus, vervolgens de arma en daarna de papilio. Meestal hadden de kamers aan de uiteinden van de barak een afwijkende indeling en daardoor waarschijnlijk een andere functie. Het kamp had verder een uitgebreide, van tufsteen gemetselde riolering.
HOOFDSTUK III. PROBLEMEN ROND DE RECONSTRUCTIE VAN DE SOLDATENBARAK
1. Inleiding
Van de bovenbouw van Romeinse manschapsbarakken is weinig tot niets bekend omdat deze helemaal gesloopt of vernietigd zijn. Alleen de plattegrond is een vast gegeven. Een van de kernvragen voor de reconstructie van de opgaande bouw van de barak, is op welke wijze de manschapsverblijven in een dubbele barak daglicht hebben ontvangen. Wanneer namelijk in een dubbele barak de twee helften rug aan rug lagen, hadden de woon-/slaapvertrekken geen buitenwand, waarin vensters konden worden aangebracht; de belichting vormde dan een probleem. Voor elke slaapkamer bevond zich een wapen- en opslagruimte, die wel ramen gehad kan hebben, maar omdat hiervóór weer een veranda lag, moet het binnenvallende licht minimaal geweest zijn.
Het lijkt voor de hand te liggen dat de barakken zo geconstrueerd waren dat een dubbele barak gemakkelijk kon worden gevormd door twee enkele barakken samen te voegen. Bij een gemeenschappelijk dak zijn de scheidingswanden tussen twee gebouwen van weersinvloeden afgesloten[21]. Tegenwoordig neemt men meestal aan dat de binnenmuur tussen de bergruimten en de woonvertrekken hoger was opgetrokken, tot boven het dak dat de porticus en de bergruimten bedekte, en dat daarin vensters waren aangebracht ter verlichting van de woonruimten. Op grond van deze reconstructie komt men wel op een onwaarschijnlijk grote hoogte van meer dan 6 meter voor de woonruimten[22]. Mogelijk waren de betrekkelijk kleine manschapsverblijven (± 4,20 x 3,40 meter) dan wel op enkele meters boven de vloer voorzien geweest van een plankier of zoldering, die de benedenruimte voor ongeveer de helft heeft afgedekt[23] (zie afbeelding 6). Zulke houten tussenverdiepingen, zogenaamde mezzanini, zijn bekend uit huizen in Herculaneum en bieden het voordeel, dat de hoogte onderverdeeld werd maar bovenal dat het onderste deel van het vertrek ook daglicht ontving[24].

6. Doorsnee van een
dubbele barak met in de papilio een halve tussenverdieping. Schaal 1:200
(naar
Haalebos 1992, fig. 2).
Een basilikaal verhoogde barak lijkt dus een van de mogelijkheden, alleen vormt de enkele barak dan een probleem. Een basilikaal verhoogde enkele barak was de helft van een dubbele barak. Uitgaande van de juistheid van een basilikaal verhoogde dubbele barak betekende dit wel dat er een 6 meter hoge muur aan een kant van de enkele barak zou moeten zitten.
Een tweede probleem betreft de dubbele barak met een gangetje tussen de beide achtermuren. Ook hier is het de vraag hoe het daglicht het achterste vertrek binnenkwam. Hoewel deze ruimten hier wel een eigen buitenmuur hadden is het maar de vraag of de breedte van de gang voldoende was om voldoende licht binnen te krijgen. Verder is het natuurlijk de vraag waaróm de ene barak wel een dubbele tussenmuur heeft en de ander niet. Het lijkt voor de bouw logischer en economischer een gezamenlijke muur toe te passen.
In de legioensvesting te Nijmegen moesten waarschijnlijk 8 soldaten een slaapkamer delen, die ongeveer 15 vierkante meter groot was. Aangezien de soldaten hier ook moesten koken en eten lijkt er weinig plaats beschikbaar te zijn geweest voor slaapplaatsen. Als oplossing worden vaak stapelbedden voor de 8 soldaten gesuggereerd. Maar zolang voor het bestaan van Romeinse stapelbedden geen duidelijk archeologisch bewijs bestaat (zie hoofdstuk IV) kunnen we daar niet van uitgaan.
2. De archeologische beschrijving van de opbouw
2.1. De afmetingen
In het marskamp was een tent (papilio) voor 8 man 10 bij 10 voet (± 3 x 3 meter). In het vaste kamp was er geen standaardmaat voor een contubernium. Toch lijkt het contuberniumoppervlak door het hele rijk ongeveer gelijk[25]; misschien bestonden er toch door het leger voorgeschreven standaardafmetingen. Dit geldt vooral voor de lengte van de contubernia (van scheiding met naastgelegen contubernium naar de andere wand): 13 voet plus ½ voet voor de muur[26]. Volgens Pitts/St.Joseph (1985, 164) was de breedte van de legioensbarak door het rijk ook min of meer consistent, namelijk 6,80 tot 7,40 meter plus een veranda. We zien ook verschil in afmetingen bij de contubernia door het gebruik van enkele en dubbele barakken, zelfs binnen hetzelfde fort[27]. Volgens Von Petrikovits (1975, 36) was de ruimte per persoon ± 2 m² (inclusief een smal gangetje), zodat men zonder stapelbedden uitkwam. In Nijmegen was de papilio voor de naar verwachting 8 personen rond de 15 m².
In Claudisch-Neroonse tijd waren de contubernia krap. Onder de Flaviërs werd het oppervlak duidelijk groter. Een slaapruimte voor 8 legioensoldaten was in de eerste eeuw ± 18 m² en in de derde eeuw ± 24 m² groot[28]. De legionarii lijken over het algemeen meer ruimte gehad te hebben dan de hulptroepen, de auxilia; dit was waarschijnlijk een gevolg van de lagere rangorde. Davison (1989, 248) geeft de gemiddelde breedteverhoudingen in het contubernium aan: papilio ± 50 %, arma ± 30 % en de veranda ± 20 %.

7. Gereconstrueerde plattegrond van een enkele en een dubbele barak uit de stenen legioensvesting te Nijmegen (naar Bogaers/Haalebos 1983, fig. 2).
De barakken in Nijmegen verschillen in lengte van 54[29] tot 71 meter[30]. Het merendeel van de barakken is niet compleet opgegraven, waardoor de juiste lengte nog niet of niet meer te achterhalen is. De afmetingen voor de reconstructie van de enkele en dubbele barak in Nijmegen zijn afgeleid van de plattegrond in de HAKoerier[31] (zie afbeelding 7). De plattegrond van de dubbele barak is grotendeels gereconstrueerd; de afmetingen van de kamers komen overeen met die van de enkele barak.
De totale lengte van de barak is 70 meter. De breedte van de barak is 11,22 meter, inclusief veranda en muren (3 x 0,76 m.; dit is de breedte van de fundering; de werkelijke muurdikte was smaller). Afbeelding 8 geeft de plattegrond van één contubernium uit afbeelding 7 geschematiseerd weer. De barak is opgedeeld in 8 contubernia van 3,32 meter lang[32]. Hieruit volgt: papilio 3,32 m. x 4,02 m. = 13,35 m²
arma 3,32 m. x 2,87 m. = 9,53 m²
porticus 3,32 m. x 2,05 m. = 6,81 m²
De totale oppervlakte van het contubernium is ± 29,69 m² (dit is exclusief de oppervlakte van de muurfundering). Dit is dus de leefruimte, niet de totale buitenwerkse oppervlakte.
2.2. De opbouw
Het enige vaste uitgangspunt voor de reconstructie van de opbouw van de barak is de plattegrond. Naast de vele verschillen bij de enkele barak of hemistrigium[33] zien we bij de dubbele barak (die uit twee enkele barakken bestond) twee vormen: de beide helften van een dubbele barak konden in de lengteas met de rug aan elkaar vastzitten, maar er kon ook een smal pad tussen liggen, zodat de twee barakken los van elkaar stonden. Beide vormen komen in Nijmegen voor. Vanuit deze twee verschillende plattegronden zijn verschillende reconstructies mogelijk; het uitgangspunt hierbij is de lichtinval. Ook een enkele barak is op verscheidene manieren te reconstrueren. Of het dak van de porticus deel uitmaakt van het dak van de barak of dat het een soort afdak is, blijft hier buiten beschouwing, omdat het voor de wezenlijke opbouw niet van belang is of deze dakhelling flauw of steil loopt. In de reconstructie maakt het porticus-dak deel uit van het dak van de gehele barak.
De onderverdeling in de bovenbouw wordt weergegeven aan de hand van reconstructietekeningen (afbeelding 9: typen A tot en met I). De afmetingen zijn overgenomen van afbeelding 8, waarbij de muren smaller (± 0,6 m.) zijn gereconstrueerd, omdat de plattegrond de uitbraaksporen van de fundering aangeeft; deze fundamenten waren ongetwijfeld breder dan de opgaande muren van de barak. Het verschil in afmetingen tussen muur en fundering (0,16 m.) wordt opgeteld bij de arma en papilio, waardoor het oppervlak van de vertrekken groter wordt. De hoogten van de porticus/arma-muur en de lichtbeuk zijn niet bekend; de afmetingen, evenals de dakhelling, zijn zuiver hypothetisch.

8. Geschematiseerde plattegrond van een contubernium. Schaal 1:50. Muurdikte is 0,76 m.
Onderverdeling:
1. Dubbele barak
- met gezamenlijke tussenmuur/zonder gang:
· met één zadeldak[34], type A
· basilikaal verhoogd
- met hogere arma/porticus-muur, type B
- met hogere arma/papilio-muur, type C
- met dubbele tussenmuur/inclusief gang:
· met twee zadeldaken, type D
· met twee lessenaarsdaken[35], type E
· basilikaal verhoogd (arma/papilio-muur), type F
2. Enkele barak
· met een zadeldak, type G
· met een lessenaarsdak, type H
· basilikaal verhoogd (arma/papilio-muur), type I
Een probleem bij de dubbele barak vormde de dubbele tussenmuur. In Nijmegen zijn zowel dubbele barakken met een gezamenlijke achtermuur gevonden als met een smal gangetje ertussen. Dit verschil heeft blijkbaar niets met materiaal of datering te maken. Beide soorten, een gezamenlijke muur of twee tussenmuren, komen zowel voor bij auxilia- als legioensbarakken. De dubbele tussenmuren tussen de arma en papilio en de dubbele barakken in Ravenglass en Birrens worden verklaard als extra versteviging voor de steile helling waar de forten op gebouwd zijn[36]. Maar dubbele tussenmuren komen ook voor bij gebouwen in vlakke gebieden. Het verschil in plattegrond lijkt te wijzen op een andere opbouw van de barak. Hieronder wordt ingegaan op de afzonderlijke typen.
Type A: Dubbele barak met gezamenlijke tussenmuur en één zadeldak.
Een voorbeeld hiervan zien we in de reconstructie van een dubbele barak in Colchester door De la Bédoyère (1991) (afbeelding 10). Het daglicht viel indirect binnen via de porticus en de arma door ramen en deuren. De papilio was hierdoor waarschijnlijk een nogal donkere ruimte en bood niet veel plaats aan de 8 soldaten om te eten, te slapen en te verblijven. Daarbij kwam nog eens de kwaliteit van het glas of andere materialen, die in de ramen waren aangebracht. Nog een nadeel waren de ramen in de arma, die het doel van de ruimte (opslag van wapens, uitrusting, potten en eetgerei) niet ten goede kwam.
Type B: Basilikaal verhoogde dubbele barak, door middel van een hogere arma/porticus-muur, met gezamenlijke tussenmuur.
Deze reconstructie wordt voorgesteld door Sitterding (1962, 39) voor de legioensbarakken te Vindonissa. Zij trekt de muren tussen de arma en de porticus hoger op zodat hier ramen in aangebracht konden worden. Deze oplossing is omslachtig, omdat het binnenvallende licht in de papilio nog steeds niet optimaal is; bovendien wordt de hele constructie nog zwaarder dan wanneer de muur tussen de arma en papilio verhoogd word.

9. Reconstructiemogelijkheden van de opbouw. Muurdikte is 0.60 m. Schaal 1: 100. Dakhelling 20°.

9. Reconstructiemogelijkheden van de opbouw. Muurdikte is 0.60 m. Schaal 1: 100. Dakhelling 20°.

9. Reconstructiemogelijkheden van de opbouw. Muurdikte is 0.60 m. Schaal 1: 100. Dakhelling 20°.


9. Reconstructiemogelijkheden van de opbouw. Muurdikte is 0.60 m. Schaal 1: 100. Dakhelling 20°.

10. Reconstructietekening van een enkele en een dubbele houten barak in het fort te Colchester uit het begin van de eerste eeuw (naar De La Bédoyère 1991, fig. 35).
Type C: Basilikaal verhoogde dubbele barak, met een hogere arma/papilio-muur en met een gezamenlijke tussenmuur.
De eerste persoon die het probleem over de opbouw en de lichtinval van een dubbele barak bespreekt is Von Groller[37], die het tweede eeuwse legioenskamp te Lauriacum beschrijft. De dubbele barak had hier een gezamenlijke tussenmuur en de arma was onderverdeeld in een opslagruimte en een gang. De laatste papiliones van de dubbele barak konden wel direct licht binnenkrijgen via de aangrenzende buitenmuur. Het probleem vormden de slaapruimten die ingesloten waren door de arma en geen eigen buitenmuur hadden. Zij zouden indirect licht kunnen ontvangen via een raam naar de opslagruimte waar dan een corresponderend raam naar buiten gezeten moest hebben (zie type A). Veel kon dit licht niet voorstellen, omdat hiervóór nog eens de porticus met afdak lag. "Hier wird man also wohl das Oberlicht herangezogen haben müssen, oder die beiden Fluchten der Wohnräume [...] bildeten einen erhöhten Mitteltrakt; dann konnten sie hohes Seitenlicht haben"[38]. In 1925 (p. 18) schrijft Von Groller hierover: "Wie an beiden inneren Zimmerreihen das unentbehrliche Tageslicht zugeführt worden ist, dafür konnten die Grabungen keine Aufklärung schaffen". Zijlicht via de arma lijkt hem hier ook weer armzalig, maar hij geeft ook aan dat het niet zeker is of een bovenlicht betere verlichting betekent; "die technische Ausführung der Anlage wäre hier entscheidend gewesen, gleichviel ob basilikales oder hypäthrales Oberlicht gewählt war"[39]. Maar aangezien er in Lauriacum nog nooit vensterglas gevonden is "müßten andere durchsichtige oder durchscheinende Medien angewendet worden sein, um die Lichtöffnungen zu verschließen, was mit einer Weiteren Schmälerung des Lichtzutrittes verbunden gewesen wäre"[40].

11. Reconstructietekening van het houten fort te Künzing-Quintana (naar Schönberger 1975, fig. 4).
Voorbeelden van zo'n basilikale verhoging zien we op afbeeldingen 11 en 12. Johnson (1983, 172) schrijft hierover: "When two buildings were paired in this way there was no window to illuminate the rear sleeping quarters, and light must have been provided either by a skylight in the roof, or by raising the roof of the rear rooms higher than that of the front rooms, and allowing a clerestory between them".
In Nijmegen worden de dubbele barakken eveneens gereconstrueerd met een basilikale verhoging (zie afbeelding 13). De gezamenlijke tussenmuur werd ruim 6 meter hoog[41], wat buitengewoon hoog is voor een ruimte van ± 3,50 bij 4 meter. Een oplossing om deze hoogte te overbruggen is het construeren van een verdieping in de papilio. Alleen had een verdieping over het hele oppervlak van de kamer het doel van de basilikale verhoging teniet gedaan; het daglicht dat door de ramen binnenviel, zou dan alleen de bovenverdieping verlichten. Bij een halve tussenverdieping zou dit probleem zijn opgelost. De hoogte werd zo gehalveerd en de hele kamer ontving licht. Een ander voordeel voor de soldaten was dat ze meer woonruimte zouden krijgen.

12. Schematische reconstructie van een dubbele barak te Regensburg (naar Dietz/Osterhaus e.a. 1979, fig. 39).

13. Reconstructietekening van een enkele en een dubbele barak uit de stenen castra te Nijmegen (naar Bogaers/Haalebos 1983, fig. 3).
In Heidenheim wordt de dubbele barak met één tussenmuur ook basilikaal, met ramen, voorgesteld (zie afbeelding 14)[42]. Het doel van deze verhoogde ramen is onduidelijk omdat op de reconstructie van het interieur (zie afbeelding 24) een laag plafond zichtbaar is, terwijl ook de schematische tekening van de opbouw (zie afbeelding 15) geen duidelijkheid verschaft over de functie van de basilikale dakreconstructie. Cichy geeft verder geen enkele uitleg over deze reconstructie van de bovenbouw. Dezelfde reconstructie zien we bij Junkelmann (1991) voorgesteld (afbeelding 16). De afbeelding laat tegelijkertijd de opbouw en de inrichting zien, waarbij hij een trap aangeeft in het contubernium dat grenst aan het centurioblok. Dit is de enige trap die toegang geeft tot de bovenverdieping, die over de hele barak doorloopt. Ook Junkelmann geeft geen verklaring voor deze opbouw, maar ook hier lijkt de basilikale verhoging niet bedoeld te zijn voor een betere lichtinval van de papilio.

14. Reconstructie van manschapsbarakken te Heidenheim (naar Cichy 1971, 20).
Type D: Dubbele barak met dubbele tussenmuur en twee zadeldaken.
De gangruimte tussen de dubbele barakken in diende vaak als regengoot wat onder andere blijkt uit de geplaveide goot te Birrens[43]. Een reconstructie van deze barakken is te zien op de voorplaat van P.T.Bidwell, Roman Exeter, Exeter 1980. Ook Davison (1989, 225-227) neemt deze bouwvorm aan als de meest aannemelijke. Volgens hem was daglicht niet van belang en werden de ruimten met lampen verlicht. Dit lijkt mij niet aannemelijk, vooral omdat in de papilio 8 mensen moesten wonen, wat onmogelijk lijkt bij weinig tot geen licht.

15. Schematische
tekening van de plattegrond en opbouw van de manschapsbarakken te Heidenheim
(naar Cichy 1971, 18).
Type E: Dubbele barak met dubbele tussenmuur en twee lessenaarsdaken.
Deze reconstructie zien we voorgesteld door Willems (1990) voor de dubbele barakken met dubbele tussenmuren van het Flavische legioenskamp te Nijmegen (zie afbeelding 17). De barakken met een gezamenlijke achtermuur zijn gereconstrueerd met één zadeldak (type A). Een tweede voorbeeld is een maquette van het hoofdkamp te Haltern (zie afbeelding 18). De vraag is ook hier weer hoe het licht de papilio binnenviel. De tussengang verschilt in breedte van 1,80 meter[44] tot 1,22 meter[45]. Deze gang was waarschijnlijk net breed genoeg om daglicht via ramen in de papilio te krijgen. Een nadeel van deze muren was dat ze niet beschermd waren tegen regen, waardoor ze eerder verzwakten. Het enige doel van de aanleg van zo'n tussengang lijkt bij een dergelijke dakconstructie het aanbrengen van ramen voor licht; een goot voor waterafvoer was hier niet van toepassing, omdat het dak naar de andere kant afliep.

16. Reconstructie van de manschapsbarakken aan de noordzijde van het fort te Heidenheim uit de eerste helft van de tweede eeuw na Chr. (naar Junkelman 1991, fig. 63).

17. Reconstructietekening van de castra van het tiende legioen te Nijmegen (naar Willems 1990, 49).

18. Maquette van de
castra te Haltern met op de voorgrond de manschapsbarakken
(naar Schnurbein
1979, fig. 19).
Type F: Basilikaal verhoogde (arma/papilio-muur) dubbele barak met dubbele tussenmuur.
In 1969 schrijft Webster (p. 195): "The arrangements for roofs and windows in the men's block are not known, but as the pairs of rooms are back to back, yet with space between for an eaves-drip, the most economical design would be for the roofs falling both ways from the centre with a break to allow for clerestory lighting for the dormitory". Deze reconstructie betekent wel dat er twee tussenmuren van ruim 6 meter hoogte naast elkaar stonden met daartussen een smalle ruimte. Twee van zulke hoge muren naast elkaar lijken overbodig; het was dan logischer om er maar één muur te plaatsen (zie type C) waardoor de muren ook tegen neerslag beschermd waren. Het aanbrengen van ramen in deze twee buitenmuren lijkt dubbelop, omdat de barak al door middel van een basilikale verhoging verlicht kon worden.
De lichtinval bij een enkele barak met één zadeldak was geen probleem omdat de papilio hier een eigen buitenmuur had waar ramen in aangebracht konden worden. De vraag is wel of de opbouw van een enkele barak hetzelfde uitgangspunt moest hebben als die van de dubbele barak. Als we een halve tussenverdieping aannemen in de dubbele barak betekende dit voor de contuberniumgroep meer woonruimte. Moet de contuberniumgroep van een enkele barak nu over de gelijke hoeveelheid ruimte hebben kunnen beschikken of niet? Hierop proberen we een antwoord te vinden na de uiteenzetting van de verschillende typen enkele barakken.
Type G: Enkele barak met één zadeldak.
In het Flavische fort te Cardean zijn in een enkele barak dubbele houten muren aangetroffen tussen de arma en papilio. Deze zogenaamde tramlijnen lagen 0,3 tot 0,6 m. van elkaar. Robertson (1975, 69) schrijft: "A discussion with building experts produced the suggestion that the median double-rib had been a constructional technique designed to provide extra-strong support for penthouse roofs sloping down to either side".
In het auxilia-fort te Hesselbach worden de enkelvoudige barakken met gewone zadeldaken op regelmatige afstand doorboord door schoorstenen (zie afbeelding 19). In het tweede eeuwse fort van Housesteads kwamen alleen enkele barakken voor; de reconstructie laat zadeldaken zien die in hoogte verspringen vanwege de helling waar het fort op gebouwd is (zie afbeelding 20).
Type H: Enkele barak met een lessenaarsdak.
De la Bédoyère (1991) reconstrueert een enkele barak met een lessenaarsdak (zie afbeelding 10 ), evenals Willems (1990) doet voor Nijmegen (zie afbeelding 17). Voordeel van deze opbouw was de hogere ruimte in de papilio, waar eventueel een (halve) tussenverdieping in aangebracht kon worden. Daglicht kon binnenvallen via ramen in de hoge buitenmuur van de papilio. Zo was de beschikbare ruimte voor de soldaten ongeveer gelijk aan die van een basilikaal verhoogde dubbele barak (type C) met een halve tussenverdieping.

19. Reconstructie van het fort te Hesselbach (periode 2/2a) (naar Baatz 1973, fig. 34).
Type I: Basilikaal verhoogde (arma/papilio-muur) enkele barak.
In het fort te Carrawburgh is het fundament van de muur tussen de arma en papilio zwaarder en breder (1 m., van klei en ruwe stenen) gefundeerd dan de achtermuur (0,68 m.). De voormuur was schijnbaar van hout. Dit kan duiden op een basilikale verhoging om de achterkamer te verlichten[46]. In Nijmegen wordt de enkele barak ook voorgesteld met een basilikale verhoging (zie afbeelding 13), waardoor men wel een erg hoge en kwetsbare muur kreeg. De reconstructie is hier direct afgeleid van de dubbele barak, die basilikaal verhoogd was en waar op halve hoogte in de papilio een halve tussenvloer was gereconstrueerd. Ook de enkele barak had een halve tussenverdieping. De hoeveelheid ruimte voor de contuberniumgroep is hier gelijk. De basilikale verhoging lijkt overigens overbodig omdat de papilio hier een eigen buitenmuur had, waar ramen in aangebracht konden worden.
Uit de verschillende soorten plattegronden van de barakken kunnen we afleiden dat er geen standaardbarak bestond. Naast het duidelijke verschil in een dubbele en enkele barak bestond er ook een verschil in de dubbele en enkele barakken onderling. De dubbele tussenmuur geeft een andere constructie in de opbouw aan; de exacte bedoeling ervan is echter niet duidelijk. Extra versteviging op een helling geldt niet voor alle onderkomens. De opbouw van de enkele barak was waarschijnlijk afhankelijk van de constructie van de dubbele barak, omdat de verschillende centuriae vermoedelijk toch recht hadden op een gelijke huisvesting. Bovendien vormden twee centuriae uit de twee tegenover elkaar liggende barakken een militaire eenheid, een manipulus.

20. Reconstructie van het fort te Housesteads, gelegen aan de muur van Hadrianus (naar Johnston 1978, 93).
Omdat de woon- en slaapvertrekken van een dubbele barak ongetwijfeld daglicht nodig hadden, lijkt een basilikale verhoging de meest praktische oplossing; de papilio ontving dan rechtstreeks licht via de ramen in de arma/papiliomuur die boven het dak van de arma uitstak (type C). Omdat de ruimte van de slaapamer door deze verhoging erg hoog werd, lijkt het aannemelijk dat er een soort verdieping in was aangebracht om de hoogte zo te doorbreken, maar ook om meer woonruimte te creëren. Maar als het een dichte tussenverdieping was, zou het onderste gedeelte geen licht binnenkrijgen; de oplossing was daarom een halve tussenverdieping, zoals deze bijvoorbeeld ook in Herculaneum voorkwam[47]. De enkele barak had waarschijnlijk ook een vergelijkbare ruimte met een halve tussenverdieping. Dit was niet mogelijk bij een zadeldak (type G). Omdat een basilikale verhoging voor lichtinval hier niet nodig was, vanwege de aanwezige buitenmuren, lijkt de meest praktische oplossing een lessenaarsdak (type H). Hierbij waren de ramen in de buitenmuur van de papilio aangebracht, eventueel op twee hoogten voor een optimale lichtinval; op de helft van de hoogte van de papilio kon verder een plankier worden aangebracht wat meer ruimte opleverde. De hoogte van de onbeschermde buitenmuur lijkt niet zo uitzonderlijk voor Romeinse gebouwen.
De reconstructie van een dubbele barak met twee tussenmuren geeft nog de meeste problemen. In dit gangetje tussen de dubbele barak lag vaak een goot. Dit kan wijzen op dubbele zadeldaken (type D) waardoor het water dat van het dak hier inliep, werd afgevoerd. De vraag over de lichtinval blijft bestaan; is de breedte van het gangetje genoeg om de woonvertrekken aan beide zijden via ramen van licht te voorzien? Dezelfde vraag kunnen we stellen bij de reconstructie met twee lessenaardaken waarbij we twee hoge tussenmuren (type E) hebben. Was het mogelijk om genoeg daglicht in de papiliones te krijgen via ramen in deze muren? Als dit inderdaad mogelijk was, was het alleen bij typen E en F mogelijk een tussenverdieping aan te leggen. Wanneer de tussengang te smal was voor lichtinval via ramen, was waarschijnlijk de meest aannemelijke oplossing een basilikaal verhoogde barak met twee hoge tussenmuren (type F), ook al lijkt deze reconstructie onpraktisch doordat één tussenmuur overbodig is.
2.3. Bouwmaterialen en wandconstructie
Geheel uit steen opgetrokken barakken waren zeldzaam. Muren van 40-45 cm. waren niet echt sterk[48]. Een barak had meestal een stenen basis[49] met een bovenbouw van houten vakwerk; dit vakwerk bestond uit een houten geraamte met daartussen gevlochten wanden van twijgen, die besmeerd waren met leem[50]. Vooral op plaatsen waar de belasting groot was, zoals op de hoeken en bij de porticus, zaten zware wandpalen. Bij het verlaten van het fort lijkt het grotere houtwerk mee te zijn genomen[51]. De afstand tussen de palen in het geraamte kan te maken hebben met de hoogte van het gebouw; hoe kleiner de afstand tussen deze wandpalen, hoe hoger het gebouw kan zijn geweest[52]. De binnenmuren of wanden waren vaak dunner en lichter van constructie[53]. Waarschijnlijk waren deze later gebouwd. De muur tussen het centurioblok en de barak was vaak steviger; soms was dit een dubbele muur met ertussen een smal gangetje.
Dat het ook heel anders kon blijkt uit de belegeringskampen te Masada (Israel) die dateren uit 72-73 na Chr. De manschapsonderkomens waren hier opgebouwd uit stenen bases, die half in een ingegraven kuil lagen, waar waarschijnlijk tenten met behulp van stokken overheen gespannen waren. Hierdoor was het 's nachts warmer en overdag juist koeler. Vermoedelijk zijn hiervoor tenten gekozen, omdat er in de omgeving geen (ander) bouwmateriaal voorhanden was[54].
De met leem besmeerde vlechtwerkwanden waren soms, zowel aan de binnen- als de buitenkant, bepleisterd. Dit werkte waterafstotend en zelfs brandwerend![55] Ook in Nijmegen waren de wanden van de contubernia bepleisterd. De verdere bouwmaterialen in Nijmegen voor periode 5 (± 100 na Chr. tot de tweede helft van de tweede eeuw na Chr.) zijn leem met grind, die gebruikt zijn voor de funderingen. Hier en daar zijn hieronder bij oudere kuilen paalgaten aangetroffen, die misschien voor extra versteviging tegen verzakking zorgden[56]. Voor de opgaande muren werden tufsteen en mortel gebruikt. Doorlopende funderingen langs de hemistrigia zijn blijkbaar de grondslag van een porticus[57]. De zuilen van deze galerij waren van (lotharingse) kalksteen.
2.4. De dakbedekking
Het materiaal voor het dak bestond meestal uit dakpannen, maar ook leisteen, platte stenen, houten daksparren en riet kwamen voor. "Romeinse pannendaken hadden een flauwe helling van ongeveer 20 %. Daken van lei konden steiler verlopen. Het gewicht per m² bedroeg bij beide ongeveer 100 kilo"[58]. In Nijmegen was het dak bedekt met bakstenen dakpannen, die per vierkante meter bijna 100 kg. gewogen moeten hebben. Waarschijnlijk kenden de Romeinen geen dakgoten, omdat ze op Romeinse afbeeldingen ontbreken; wellicht dienden uitstekende dakranden voor waterafvoer en bescherming van de buitenwanden[59]. In Caerleon zijn behalve tegulae ook antefixen gevonden[60]. Regen viel vaak gewoon op de grond, maar ook wel in druipgoten, die in de grond waren aangelegd, bijvoorbeeld bij een drassige bodem. Deze zogenaamde "eavesdrip guttering" bestond meestal uit halfuitgediepte houtblokken, maar af en toe zijn ze ook gevonden in steen. Deze afwateringskanalen lagen langs de veranda van de barak of tussen een dubbelbarak in. Misschien werden ze ook als latrine gebruikt[61].
2.5. De deuren
De positie van de deuren is meestal moeilijk te achterhalen. De deuren naar de arma en de papilio lagen meestal op één lijn aan één zijde van het contubernium, omdat dit type constructie het meest praktisch was; zo kon men aan de gesloten zijde goederen opslaan. Aanwezigheid van deuren wordt aangegeven door stenen of houten drempelblokken. In Valkenburg zijn door het hoge grondwaterpeil de deurdrempels goed bewaard gebleven. De doorgangen lagen altijd in elkaars verlengde en aan een kant van het contubernium. Uit de zogenaamde sponningdrempels blijkt dat het (draai)deuren waren die naar buiten open en dicht gingen[62]. De breedte varieert van 0,75-1,00 meter. Spillen, eerder dan scharnieren, lijken de manier geweest te zijn om deuren te bevestigen. De vondst van een sleutel kan wijzen op een deurslot[63].
2.6. De ramen
Glas wordt aangetroffen in militaire nederzettingen vanaf het midden van de eerste eeuw na Chr.; zo ook in Nijmegen. Veel glas is niet gevonden omdat men het hergebruikte. Het is zowel in houten als stenen barakken gevonden. Er waren twee soorten raamglas[64]:
Gegoten glas: dit was vrij dik; aan één kant ruw en aan de andere kant glad. Deze grove kant was veroorzaakt door de ruwe ondergrond bij het gieten. Meestal waren de platen vierkant en klein van formaat (23 bij 33 cm.). De kleur was groen of blauw. Het glas liet wel licht door maar was niet echt doorzichtig[65].
Cilindergeblazen glas: dit was veel zeldzamer, maar was wel doorzichtig. Beide zijden waren glad; vaak zaten er nog luchtbellen in. Het was ± 1,5 tot 3 mm. dik. Dit glas was veel duurder dan het gegoten glas. In Romeinse legerkampen zijn tot nu toe nog geen resten van geblazen raamglas gevonden.
Glas was niet algemeen in gebruik; ramen werden vaker gesloten met houten luiken of andere doorzichtige materialen[66]. Af en toe zijn er ook raamijzers gevonden[67]. De positie van de ramen is niet bekend, maar pleistervondsten in Echzell tonen aan dat de ramen ± 2 meter boven het grondniveau waren aangebracht[68], wat vrij hoog is. Buijtendorp (1993, 230) reconstrueert de ramen net boven het porticusdak om ze uit de schaduw van de dakrand te houden, zoals dat ook in de Vesuviussteden voorkwam.
Baatz (1991, 13) concludeert: "Allerdings: Glas am Bau war teuer und war für einen Großteil der Bevölkerung überhaupt nicht oder nur für kleine Fensteröffnungen erschwinglich. Diese Menschen lebten wie ihre Voreltern in ziemlich dunklen Behausungen". Het raamglas was dus in het algemeen duur en niet alledaags in gebruik. Om hieruit dan maar te concluderen dat de soldaten in het donker leefden net als het merendeel van de bevolking, lijkt mij te voorbarig. Naast glas waren er verscheidene oplossingen om ramen af te sluiten, als houten luiken en leren lappen; dit was nog altijd een betere oplossing dan geen ramen, wat zou betekenen dat er geen licht of frisse lucht (wat ondenkbaar is bij de aanwezigheid van een haardvuur) binnenkwam.
2.7. De vloeren
Er bestond een grote verscheidenheid in de vloeren van barakken. Het eenvoudigste was aangestampte aarde, soms met kalk of wat steentjes erin. Een vloer van klei kwam het meeste voor, vaak vermengd met grint, lichte keien of baksteenbrokstukken. Verder waren er ook vloeren uit tegulae mogelijk en soms bestond de vloer alleen uit zand. Warmer was een houten vloer. In het fort te Ravenglass is een vloer gevonden, die zich in een profiel aftekende als houtskoollaag[69]. In het eerste eeuwse fort te Alphen aan de Rijn zijn delen van planken vloeren gevonden, die onder het grondwaterniveau bewaard zijn gebleven[70]. Het lijkt erop dat houten vloeren gebruikelijker waren dan veel opgravingen onthullen; waar een natte bodem voorkwam, kan men een planken vloer aannemen[71]. Lichte kiezels of grint zouden een goede basis voor houten dwarsbalken kunnen zijn. Tenslotte de opus-signinum-vloer: dit was een aangestampte vloer vermengd met tegelstukjes; deze vloeren waren vlak, waterdicht, niet te koud en makkelijk schoon te houden.
In het fort van Butzbach wordt aan de hand van de vondsten van over de grond verspreide houtasstrepen, dunne vlechtwerkmatten aangenomen, die over de vloeren van de contubernia verspreid lagen als een soort warmtedeken[72].
3. De archeologische beschrijving van de inrichting
3.1. De verwarming en verlichting
De papilio lijkt in het algemeen voorzien te zijn geweest van een haard, alhoewel niet overal bewijs hiervoor is gevonden. Naast de functie van kookplaats was het verwarmen van de ruimte op veel plaatsen waarschijnlijk ook belangrijk. De meest voorkomende plaats was midden tegen de scheidingswand, tussen de papilio en de arma. Maar ze kwamen verder op allerlei plekken voor in het contubernium, zowel in de papilio als in de arma. De haard kon bij een verbouwing verplaatst worden[73]. In verschillende contubernia van dezelfde barak namen haarden vaak verschillende posities in en hadden vaak verschillende constructies; dit wijst volgens Davison (1989, 231) op de vrijheid die de verschillende contuberniagroepen hadden bij de inrichting van hun woonruimte.
In Heidenheim lagen de haarden in de papilio tegen de scheidingswand met de arma; Cichy (1971, 28) schrijft hierover: "Die Feuerstellen, rund oder rechteckig angelegt, waren regelmäßig an der Trennwand zum Vorderraum angesiedelt, können aber auch in anderer als der in unserem Bild vorgestellten Weise aufgebaut und zum Beispiel als offener Feuerplatz mit Rauchfang ausgebildet gewesen sein. Ein mit Lehmplatten oder Ziegeln befestigter Vortritt am Feuerloch war der Ausnahmefall".

21. Reconstructietekening van een haard in een manschapsbarak te Hesselbach (naar Baatz 1973, fig. 22).
Een ander kenmerk bij de haardconstructie, is het inbouwen van de haard in de dikke gemetselde muur erachter. De halvemaanvormige holte wijst duidelijk op de aanwezigheid van een soort rookkanaal of schoorsteen (zie de reconstructie van een haard in Hesselbach, hier afbeelding 21). Als de muren half van hout waren kwam dit veel minder vaak voor. Haarden in het midden van de papilio of arma, die bestonden uit een stenen basis, hadden waarschijnlijk geen bovenbouw. Rook verdween dan waarschijnlijk door een dakgat zoals we dat kennen bij sommige platte dakpannen of tegulae voorzien van een grote ronde opening, waarvan ook in Nijmegen een exemplaar is gevonden[74]; deze tegulae kunnen natuurlijk ook voor rookafvoer bij haarden met een bovenbouw gediend hebben. In een van de armavertrekken in Nijmegen lag een met leem en baksteen geplaveide haardplek; voor de constructie waren onder andere een vloertegel en dakpan, met respectievelijk stempels van de Legio XXX Ulpia Victrix en de Vexillatio Britannica, gebruikt[75].
Een andere oplossing was een komfoor als kookplaats, wat op verschillende plaatsen wordt gesuggereerd; hiervan zijn echter geen sporen gevonden[76]. Dergelijke komforen stonden misschien op een soort basis; hun primaire doel zal juist het koken en dan pas het verwarmen van de ruimte zijn geweest. Het is overigens maar de vraag of een haard meer warmte afgaf dan een komfoor. Uit Valkenburg zijn kleine haarden bekend, die uit twee delen bestonden, waarvan men aanneemt dat hierin alleen maar een klein smeulend vuurtje van houtskool gebrand kan hebben "op de wijze als de Romein dit deed in verplaatsbare metalen bekkens"[77]. Hypocausti (vloerverwarming) zijn eigenlijk onbekend in barakken uit de eerste twee eeuwen na het begin van onze jaartelling[78].
's Nachts werd de kamer met fakkels, kaarsen, olie-, hars- of vetlampjes verlicht[79]. Nadelen van olielampjes waren de roet en wasem die ze afgaven; verdere nadelen waren het brandgevaar, het constant bijvullen en poetsen, maar vooral de dure prijs voor olie