Leopold Slosse, en de grote rijkdom aan biografische gegevens in zijn nalatenschap. (Ann Augustyn)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

DEEL I: Leopold Slosse: biografie

 

Hoofdstuk I: Jeugd en studies

 

Petrus Leopoldus Slosse werd op Allerzielen 1842 in het landelijke Marke, nabij Kortrijk geboren. Hij was het enige kind van een welgesteld boerenechtpaar. Opmerkelijk, zelfs voor 19de eeuwse normen, was dat zijn vader, Johannes Slosse (1798-1868) pas op 43-jarige leeftijd in het huwelijksbootje stapte. Dit op 17 november 1841. De 18 jaar jongere bruid, Ursula Vandaele (1816-1844), was afkomstig uit Rollegem.

Leopold Slosse was bijzonder trots op zijn voorouders waaronder zich generaties lang baljuws, burgemeester en verscheidene bisschoppen bevonden. De hoeve die Johannes Slosse bebouwde was eigendom van baron en grootgrondbezitter de Bethune [2].

De kleine Leopold heeft zijn moeder nooit gekend. Amper 17 maanden na de geboorte overleed Ursula Slosse-Vandaele. De jongen werd door de inwonende meid, Julie Vanneste (1819-1908) opgevoed. Zelf schreef de latere priester Slosse over haar: “Julie Vanneste bracht mij op, en haar volk aanzag ik als mijn volk” [3]. Zijn leven lang had Leopold Slosse een eerder wankelbare gezondheid. Maaglijder zijnde, werd hij gedwongen er een sobere levensstijl op na te houden.

Na de lagere school doorliep hij zijn Grieks-Latijnse humaniora van 1856-1862 aan het Kortrijkse Sint-Aloysiusinstituut, in de 'volksmond' het Institut Saint-Louis genoemd. Een uitblinker kunnen we hem niet bepaald noemen. Met uitzondering van het vak geschiedenis was hij een eerder middelmatige scholier. Van jongsaf zat het verzamelen hem echter in het bloed. Onder de vakanties bestond zijn meest geliefde vrijetijdsbesteding erin om in Zuid-West-Vlaanderen lange wandeltochten te ondernemen. Pleisterplaatsen waren steevast kerken en kerkhoven. IJverig noteerde hij de teksten die op de graven vermeld stonden. Deze interesse voor het verleden werd door zijn vader sterk aangemoedigd. Deze vertelde zijn zoon na de werkuren honderduit over het verleden van de streek.

Na een jaar filosofie aan het Klein Seminarie van Roeselare, trok hij in 1863 naar het Brugse Groot Seminarie aan de Potterierei. Over zijn priesterstudie zijn we eerder karig geïnformeerd. Wel sloot hij er vriendschap met kanunnik G. F. Tanghe. Na diens overlijden erfde Slosse zijn bibliotheek met talrijke heemkundige studies.

Op 15 juni 1867 ontving hij in de Sint-Salvatorskathedraal van Brugge uit de handen van monseigneur P.P. Lefevere de priesterwijding [4]. Twee dagen later deed Leopold Slosse zijn eerste mis in de kapel van het Groot Seminarie, en op 3 september volgde zijn eremis in Marke. Kanunnik Tanghe sprak er het gelegenheidssermoen [5].

De eerste opdrachten van priester Slosse waren van pedagogische aard. Van 30 maart tot 18juni 1867 was hij leraar en hulpbewaker in het Sint-Aloysiusinstituut van Kortrijk, waarna hij als leraar overgeplaatst werd naar het Sint-Aloysiusgesticht van Diksmuide. Hij vertoefde in het polderstadje tot 9 oktober 1868. Na 18 maanden onderwijsfuncties bekleed te hebben, achtte zijn geestelijke overheid de tijd rijp om priester-leraar Slosse een parochiale taak toe te vertrouwen.

 

 

Hoofdstuk II: Kapelaan in Sint-Kruis

 

Op 9 oktober 1868 ontving de 26-jarige priester Slosse zijn benoeming tot kapelaan van de Sint-Kruis parochie in Brugge. Van meetaf aan wijdde hij zich ten volle aan zijn taak van parochieherder. Eenieder kon bij hem terecht met zijn zorgen en dagdagelijkse problemen. Zijn priesterfunctie kwam bij hem steeds op de eerste plaats. En dit niettegenstaande zijn uitgebreid heemkundig en historisch werk waaraan hij dagelijks een aantal uren besteedde. Met de 'grote' politiek hield hij zich in tegenstelling met bijvoorbeeld Gezelle niet bezig.

In Brugge bouwde hij zijn vriendschap met kanunnik Tanghe verder uit. Ook sloot hij er een levenslange vriendschap met priester-dichter Guido Gezelle, toen kapelaan op Sint-Walburga. Als kapelaan beschikte hij over een inwonende dienstmeid. Sidonie van Thuyne, afkomstig uit Diksmuide, woonde vanaf 2 november 1868 bij hem in. Zij zou bij hem blijven tot het einde [6].

 

 

Hoofdstuk III: Kapelaan in Izegem

 

Na vier jaar in Brugge vertoefd te hebben, volgde op 9 maart 1872 zijn benoeming tot kapelaan van de Sint-Tilloparochie in Izegem. Het Mandelstadje met heel wat borstel- en schoenfabrieken telde op het einde van de 19 de eeuw een goede 10.000 inwoners [7].

Leopold Slosse was er ook bestuurder van de Congregatie der Jongelingen en van de zondags­school voor jongens. Vooral de congregatie kende onder zijn leiding een grote bloei en uitbreiding. Ze was meer dan alleen maar een godsdienstig genootschap. Veeleer was het een toonaangevende maatschappij in het sociaal-culturele leven van Izegem. De fanfare van de congregatie kende onder zijn bestuur een tweede leven [8].

Kapelaan Slosse richtte in 1876 een spaarkas op, en stichtte in 1882 een schoenmakersgilde. Hij bezorgde het stadje een relikwie van zijn patroonheilige Sint-Tillo [9]. Tevens vernieuwde hij de plaatselijke processie.

Een gemakkelijk man was Leopold Slosse echter niet. Hij was zeer behoudsgezind en autoritair ingesteld, en kantte zich tegen iedere technische innovatie. Tegenspraak duldde hij helemaal niet. Zo was hij er een fervent tegenstander van dat meisjes en vrouwen zich op een fiets verplaatsten. Hij weet het toenemend aantal doodgeborenen aan het gebruik van dit vervoer­middel. Eens ging hij vanop de preekstoel zo heftig te keer tegen Petrus Vuylsteke omdat hij voor zijn dochters een fiets gekocht had, dat dit als gevolg had dat Vuylsteke aan de basis lag van het socialisme in Izegem [10].

Treffend schreef het katholieke weekblad Ons Iseghem hierover: “Hij [L. Slosse] kon bijzon­derlijk wel omgaan met de jongelingen, maar had nooit geen gemeens met de jonge dochters waar hij bijzonderlijk schuw van was. Hij kon met de jongelingen goed omgaan zoolang deze zijn gedacht uitvoerden, zich schikten naar zijnen wil en deden wat hij vroeg. (...) Iseghem heeft veel lastige personen gekend, veel dwingelanden hebben hier verbleven, maar nooit iemand gelijk Sloske. Het was een man zooals er in den tijd veel oude pastoors waren. Wat hij wilde was wet, aan zijnen wil, aan zijne begoesten mocht niemand wederstaan, niemand tegenwerken, of hij deed tegen deze persoon alles wat hij kon, alles wat in zijne macht was. Ieder persoon moest zich aan zijnen wil volkomen onderwerpen, al komen doen wat hem aanstond, wat hij begeerde, zooniet was die man volkomen gebroken. Wie zich niet blindelings aan zijne eischen onderwierp was een verloren man" [11]. Psychologisch kunnen we zijn anti-vrouwelijke ingesteldheid enigszins verklaren door het ontbreken van de moederfiguur in zijn leven.

Niettegenstaande zijn autoritair optreden, werd hij nog geruime tijd na zijn vertrek om zijn kundige leiding gelauwerd [12].

 

 

Hoofdstuk IV: Pastoor in Kooigem

 

Na net geen twintig jaar kapelaanschap in Izegem, werd Leopold Slosse op woensdag, 22 april 1891 op feestelijke wijze als pastoor in Kooigem, gelegen ten zuiden van Kortrijk, binnen gehaald. Zijn getuigen waren de EEHH Van Severen en Verstraete [13].

Het dorp Kooigem telde rond de eeuwwisseling zo'n 800 inwoners [14]. Veel parochiaal werk had hij er niet om handen. Hij zorgde er wel voor dat zijn kerk voorzien werd van een nieuwe klok, die op 23 juli 1895 ingewijd werd door de deken van Avelgem. Na zijn vertrek schonk pastoor Slosse nog enkele neogotische brandvensters aan de kerk. De neo-gotiek genoot zijn warme belangstelling. Tevens was hij verzamelaar van antieke meubels. Hij schrok er zelfs niet voor terug om bij zijn parochianen meubels voor zijn pastorij te gaan opeisen.

Des te meer tijd kon Slosse in het rustige Kooigem aan zijn verzamelwoede besteden. Daar begon hij op grote schaal met zijn verzameling bidprentjes. Aan de basis hiervan ligt een verzameling albums (55 in totaal) met bidprentjes uit de periode 1805 tot 1871, die hij van Maria Debbaudt in 1893 ten geschenke kreeg [15].

 

 

Hoofdstuk V: Pastoor in Rumbeke

 

Na amper vijf jaar pastoor in Kooigem geweest te zijn, kreeg Leopold Slosse een benoeming als pastoor in Rumbeke bij Roeselare. Hier zou hij 24 jaar, tot aan zijn overlijden, blijven. In 1910 telde de uitgestrekte gemeente zo'n 6.000 inwoners. Rond de eeuwwisseling was een belangrijk deel van de actieve bevolking in de landbouwsector bedrijvig. Een andere, niet onaanzienlijke groep, pendelde dagelijks naar Roeselare [16].

Ook in Rumbeke hield Slosse zich ten volle met het kerkbeleid bezig. Zo ijverde hij voor het herstel van de Sint-Petrus en Pauluskerk, die bij zijn aankomst slechts half afgewerkt en grondig verwaarloosd was. Hij liet een neogotische torennaald plaatsen, die op 5 november 1900 bekroond werd met de plaatsing van een torenhaan [17]. Verder liet hij de oude romaanse boogvensters restaureren, en zorgde hij ervoor dat het kerkinterieur opgeknapt en vernieuwd werd. In de sacristie legde hij een heus parochiearchief aan. Ook kwam er een bibliotheek waarvoor hij o.a. een 17de eeuws missaal kocht. Het was voor pastoor Slosse dan ook een zware slag toen de kerk in 1918, aan de vooravond van de bevrijding, door de Duitsers opgeblazen werd. Rumbeke zelf werd door de vijandelijkheden zwaar geteisterd. Een groot deel van de bevolking (waaronder Slosse) was geëvacueerd geworden [18]. Onmiddellijk na de wapenstilstand en zijn terugkeer ontwierp pastoor Slosse plannen voor de bouw van een nieuwe kerk. De verwezenlijking ervan zou hij echter niet meer mogen aanschouwen.

Leopold Slosse overleed op 31 maart 1920 in Rumbeke. Hij was 78 jaar geworden. Onder massale belangstelling vond op maandag, 5 april in de veel te kleine noodkerk de uitvaartmis plaats.

In zijn In memoriam schreef de Rumbeekse heemkundige Jozef Delbaere: “Hij was een eigenaardig man: wonder begaafd naar geest en herte: zijn hoofd was een waar woordenboek geworden waar duizenden en duizenden familienamen bekend en aangetekend stonden met al hunne wetensweerdigheden en eigene aangelegenheden (...) elkendeen kwam hem raadplegen, zijn rijke welgevulde boekenkas was hem eene bronne van veelzijdige ontwikkeling: en dit was met hem zoo ééns geworden, zoo vergroeid, dat alles wat hij mededeelde eigenaardig was en persoonlijk; 't was iets van Sloske's” [19].

 

 

Hoofdstuk VI: Verzamelaar en betekenis

 

De publicaties van priester Leopold Slosse vallen eerder mager uit. Veeleer verstrekte hij gegevens aan collega's en andere gegadigden dan dat hij zelf de pen ter hand nam [20]. De enkele publicaties die onder zijn naam (zie bibliografie) het licht zagen, verschenen dan nog op een heel beperkte oplage. Zijn belangrijkste werk namelijk, Rond Kortryk of Schetsen over de prochien van het oud bisdom van Doornyk liggende in de voormalige dekenijen van Helkyn, Kortryk en Wervick kreeg een oplage van amper veertien exemplaren [21]: een geschiedenis van 61 alfabetisch gerangschikte gemeenten [22]. Weliswaar verschenen van de verscheidene deelgemeenten afzonderlijke overdrukken, maar ook deze haalden een oplage van minder dan tien exemplaren. Zijn aandacht ging vooral uit naar biografische en kerkelijke gegevens [23].

Recensent Etienne Sabbe schreef over het geschiedkundig werk van Slosse: “Het groote werk van pastor Slosse schittert niet door een hooge wetenschappelijke synthesis maar door zijn overvloed van plaatselijke wetenswaardigheden; het mag doorgaan als een der grootste verzamelingen op het stuk van Vlaanderens lokale geschiedenis” [24].

De grote verdienste van pastoor Slosse voor de heemkunde ligt vervat in zijn verzamelingen. Als een bezetene verzamelde hij decennia lang alle mogelijke gegevens in verband met West-Vlaanderen. Niets was voor hem te gek om er een collectie over aan te leggen. Hieronder zullen we nog uitgebreid ingaan op de diverse verzamelingen. We sommen hier slechts de deelgebieden op die Slosses interesse wegdroegen. Eerst en vooral is er zijn uitgebreide verzameling bidprentjes. Er waren er meer dan één miljoen. Het grootste deel ervan bevindt zich in thans nog in de Kortrijkse stadsbibliotheek. Een verzameling bidprentjes van Westvlaamse priesters werd aan het bisschoppelijk archief van Brugge geschonken. Bij testament maakte hij een collectie bidprentjes van niet-Westvlaamse priesters over aan de universiteitsbibliotheek van Leuven. Door de brand en de vernieling van het gebouw in mei 1940 ging deze verzameling echter verloren. Ondanks het feit dat Slosse honderden kleine notities over bidprentjes schreef, heeft hij er nooit een beschouwend werk over geschreven.

Verder vermelden we zijn reeksen over West-Vlaanderen, Izegem, de Biographies Flandre Occidentale, de Biographies Diverses, In memoriam, Rond Kortryk en het Memoriale Rumbecanum met heel wat persoonlijke opmerkingen van pastoor Slosse. Al deze reeksen bestaan uit tientallen plak- en knipselboeken. Voor de hedendaagse heemkundige bevatten ze een goudmijn aan gegevens. Niet voor niets luidde de lijfspreuk van Leopold Slosse Ne pereant of “Opdat zij niet verloren zouden gaan.”

Terecht schreef zijn confrater Allossery dat Slosse “een onzer sterkste verzamelaars op het stuk van Vlaanderens geschiedenis, een geschiedkundige zonder weerga, een onzer beste liefhebbers van Vlaanderens verleden, zo op geschiedkundig als kunstterrein” was [25].

 

 

DEEL II: De verzameling van Leopold Slosse na zijn dood

 

Hoofdstuk I: Het fonds Slosse in de stadsbibliotheek van Kortrijk

 

Veel documenten over de geschiedenis van het fonds Slosse bewaard in de Stadsbibliotheek van Kortrijk, zijn er niet meer. Het is een spijtige zaak dat stadsbibliothecaris Pierre Debbaudt na aankoop van het fonds in 1920 niet meer gegevens op papier gezet heeft.

Reeds in 1942 toen bibliothecaris Jan Soete zijn studie over het fonds Slosse schreef, had hij moeite om de geschiedenis te reconstrueren. Hij had nog het geluk dat hij met zijn vragen bij Henri Vercruysse terecht kon. Deze laatste speelde bij de aankoop van de collectie een bemiddelende rol tussen Sidonie van Thuyne en de stad Kortrijk. In antwoord op de vragen van Jan Soete schreef hij een brief Note concernant les circonstances dans lesquelles la Ville de Courtrai est devenue acqéreur du fonds Slosse. It. des conditions dans lesquelles le recueil In memoriam a rejoint la collection. Het is deze brief die nu onze belangrijkste informatiebron vormt over de verwerving van het fonds Slosse [26].

 

Om de geschiedenis van het Kortrijkse fonds ten volle te situeren, moeten we eerst terug naar de laatste levensjaren van Leopold Slosse. Uit Slosses notities in het Memoriale Rumbecanum leren we, dat hij zich tijdens de oorlogsjaren zorgen maakte over de toekomst van zijn boeken en andere kostbaarheden. Rumbeke lag slechts op een boogscheut van het front, en naast materiële schade, vielen er ook regelmatig slachtoffers te betreuren. Bovendien was zijn gezondheid niet al te best. Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij in die jaren piekerde over wat er na zijn overlijden met zijn kostbaarheden zou gebeuren.

Op 3 september 1917 noteerde hij in het Memoriale Rumbecanum: “En ik, ik kruipe door de ooge van eene naalde en mag in mijne pastorij blijven, mits mijne keuken af te staan, een eetkamer, drie slaapkamers en twee Schreibstuben of schrijfkamers. Vele van mijn boeken en schriften zijn naar Thielt gevlucht bij pastor Bouve; zij zijn bestemd om later aan het Seminarie van Brugge te komen of aan de stadsbibliotheek van Kortrijk.”

Op 12 november van hetzelfde jaar reisde hij naar Kortrijk om onderdak te zoeken voor het geval hij gedwongen zou worden Rumbeke te verlaten. Tegelijkertijd nam hij contact op met advokaat Mussely die zou instaan voor de verhuis van zijn boeken.

Op 25 november waren de boeken blijkbaar reeds verhuisd, want dan schreef hij: “25 Nov., betaald bij huurhouwer Adolf Devos tot Iseghem 780 marken, dat is 975 Fr. over het vervoeren van mijne boeken en meubelen naar Kortrijk. Er waren omtrent vier verhuiswagens boeken, die bij later tijd zullen verdeeld worden aan het Seminarie van Brugge, de Capucijnen van Iseghem en de Stadsbibliotheek van Kortrijk.”

Op 1 oktober 1917 was het dan zover en werd hij gedwongen Rumbeke te verlaten. Hij kreeg onderdak in het Sint-Carolus-Borromeusgesticht te Kortrijk. Tijdens zijn afwezigheid op 14 oktober juist vóór hun terugtocht, dynamiteerden de Duitsers de kerktoren van Rumbeke. Slosse was er kapot van. De volgende weken bekommerde hij zich dan ook meer om zijn parochiekerk en gevluchte, vaak dakloze, parochianen dan om zijn bibliotheek.

Pas op 11 september 1919 vinden we opnieuw een notitie over de boeken: “Toch eindelijk, na veel loopens en schrijvens, komt ons gevluchte kerkegoed weder van Brussel, via Kortrijk; item, mijne raarste boeken en verzamelingen, in ‘t geheele 30 zeer zware kisten”. We weten niet of er reeds vroeger zaken terug verhuisd werden. Of alles op 11 september 1919 terug in Rumbeke was, blijft eveneens een open vraag.

Bibliothecaris Soete maakte geen melding van deze boekverhuizingen, maar schreef wel over een notitie van Leopold Slosse handelend over zijn testament [27]. Hij citeert uit een kaartje gevonden tussen een boek [28] “Mon testament prévoit une priorité en faveur de Courtrai, pour les livres et ms., qui concernent le Courtraisis”. Opnieuw sprak hij dus zijn voorkeur uit voor de stadsboekerij van Kortrijk.

Wat er met dat testament gebeurd is, weten we niet. Feit is dat de bibliotheek bij testament nooit iets ontvangen heeft. Waarschijnlijk heeft Slosse op het einde van zijn leven zijn meid Sidonie als begunstigde in zijn testament opgenomen. Henri Vercruysse schreef immers: “Sidonie — qui était très certainement légataire” [29]. Mogelijk gebeurde dat na de mislukte verkoop georganiseerd ten gunste van Sidonie van Thuyne. Met de bedoeling zijn meid na zijn overlijden niet onbemiddeld achter te laten, besloot Leopold Slosse enkele zaken te verkopen. Henri Vercruysse schrijft: “les plus précieux” 29 maar wat exact bedoeld wordt, wordt nergens omschreven. Om de verkoop te organiseren, contacteerde pastoor Slosse een zekere G.C. Stadsbibliothecaris Paul Vancolen vermoedt dat het hier om Gustaaf Caullet handelt, die op dat gebied niet aan zijn proefstuk toe was. Hoe dan ook, de boeken werden verkocht, maar het geld kwam niet terecht bij de persoon voor wie het bestemd was. Misschien is het op dat moment dat Slosse zijn testament gewijzigd heeft ten voordele van Sidonie.

 

Sowieso bleef Sidonie na het overlijden van haar pastoor met zijn bibliotheek en bidprentjes zitten. Deze schat aan informatie had voor haar weinig of geen waarde, en was eerder een blok aan haar been. Zich de vroegere intenties van Slosse herinnerend, moet ze dan aan de Stad Kortrijk gedacht hebben. Ze contacteerde Henri Vercruysse — een goede vriend van Leopold Slosse en familie van burgemeester Georges Vercruysse — en deze bemiddelde in de verkoop aan de Stad Kortrijk. De In Memoriam schonk ze nadien aan Henri Vercruysse uit dankbaar­heid voor zijn tussenkomst. Na enige tijd heeft deze laatste de twee boekdelen doorgegeven aan de toenmalige stadsbibliothecaris Pierre Debbaudt 29.

 

Aanvankelijk wisten ze op het stadhuis niet goed wat met deze uitgebreide collectie aan te vangen. De ruimte waarin het stadsfonds en het Goethals-Vercruyssefonds ondergebracht waren, zat vol en dus werd Slosses bibliotheek in de kelders van het stadhuis opgeborgen. Dit bleef zo tot in 1936, toen de nieuwe stadsbibliothecaris Jan Soete opdracht kreeg de volledige bibliotheek naar de gebouwen van de vroegere ‘Berg van Barmhartigheid’ te verhuizen.

Dit werk was nog niet volledig tot een goed einde gebracht, toen in 1940 de oorlog uitbrak. Reeds tijdens de mobilisatie werd opdracht gegeven om alles in te pakken en in veiligheid te brengen. Zo ver kwam het echter niet want nog vóór alles ingepakt was, waren de Duitsers al in Kortrijk. De bezettende overheid gaf bevel alles terug uit te pakken. Nog viermaal werd opdracht gegeven alles in te pakken en net zoveel keer werd dit bevel kort nadien terug ongedaan gemaakt. Tot het op 27 maart 1944 menens was. In 24 uur tijd moest alles ontruimd worden om onderdak aan de werkweigeraars te verschaffen. Alle handschriften en de kostbaarste werken werden in veiligheid gebracht — zo hoopten ze althans — in de kelders van de stadsschouwburg. Een deel van de boeken verhuisde naar de kelders van de tuighuizen en van de school op Walle. Een groot deel van de boeken bleef ter plaatse opgestapeld en afgedekt met de planken van de boekenkasten. De hoop dat de boeken veilig opgeborgen zouden zijn, bleek echter een illusie. Bij het bombardement van 21 juli 1944 werden onder andere de stadsschouwburg en de Berg van Barmhartigheid getroffen. In de stadsschouwburg werden de beer- en waterputten vernield en een deel van de kostbaarste werken kwamen in de drek terecht. De boeken die in de Berg van Barmhartigheid achter gebleven waren, konden nagenoeg ongedeerd uit de puinen gehaald worden. Heel wat zaken werden opgeborgen in de zuidelijke Broeltoren en in het ‘directeurshuis’ van de Berg. Meer dan ooit zat het Kortrijkse boekenbezit verspreid.

Pas in 1960 werd begonnen met de heropbouw van de ‘Berg van Barmhartigheid’, en in januari 1964 konden de boeken verhuisd worden. Op 29 februari openden de deuren van de nieuwe bibliotheek. Meteen werden ook een paar belangrijke wijzigingen doorgevoerd. Reeds in 1963 was besloten om bibliotheek en archief te splitsen en voor de bibliotheek een openkastsysteem uit te bouwen. Als gevolg van deze beslissingen moesten de historische fondsen vrij spoedig in de magazijnen opgeborgen worden en kwam de nadruk op de moderne, hedendaagse collectie te liggen.

Recent werd het hele boekenbezit nog eenmaal verhuisd, toen de Stedelijke Openbare Bibliotheek in 1986 haar intrek nam in de vroegere gebouwen van de PRIBA in de Leiestraat. Sedertdien werd tevens de raadpleging van stukken uit de historische fondsen sterker aan banden gelegd. Meer en meer is het immers een noodzaak om deze kostbaarheden af te schermen tegen vandalisme en diefstal. Met het reglement [30] opgesteld op 1 mei 1994 pogen we, zonder de toegankelijkheid volledig af te sluiten, toch het bezit beter te beveiligen.

 

 

Hoofdstuk II: Het nalatenschap van Leopold Slosse buiten de Stedelijke  Openbare Bibliotheek van Kortrijk

 

§ 1. Izegem

 

Na Kortrijk wordt de belangrijkste Slosseverzameling in de dekenij van Izegem bewaard. Ze omvat 25 boekdelen met zo’n 2.000 items.

Slosse schonk deze bundels in 1917 aan E.H. Amaat Dierick [31] met een briefje met de volgende woorden: “E.H. Dierick, moest ik in den oorlog sterven geef deze 25 deelen over Iseghem aan de pastorij van Iseghem. L. Slosse. 9 Aug. 1917” [32]. Dit testament werd in de eerste bundel tegenover de titelbladzijde ingekleefd.

Deze 25 boekdelen bevatten archiefmateriaal verzameld in de 19 jaar die hij doorbracht op de Sint-Tilloparochie. Net zoals in de Kortrijkse verzamelingen vinden we er de grootste verscheidenheid aan materiaal [33] over de meest uiteenlopende thema’s (weliswaar bijna uitsluitend handelend over Izegem in de jaren 1872-1891) lukraak door elkaar ingebonden. De verzameling is dus een zeer rijke informatiebron voor lokale historici, maar werd pas echt interessant na de publicatie van een catalogus door de Izegemse heemkundige kring ‘Ten Mandere’ in 1983 [34].

De bijbehorende ‘Index op persoonsnamen’ laat ons duidelijk zien dat er ook hier heel wat biografisch materiaal ingebonden werd. Alle Izegemnaars die ergens op de voorgrond traden, vinden we erin terug. Vooral priesters, politici, drukkers en andere lokale personaliteiten komen aan bod. Het zijn dezelfde categorieën die ook in de Kortrijkse reeksen Rond Kortrijk en West-Vlaanderen de toon aangeven [35]. Voor de verdere analyse van het biografisch materiaal hebben we ons echter beperkt tot het fonds bewaard in de Kortrijkse bibliotheek.

 

§ 2. Rumbeke

 

In Rumbeke bleef zijn Memoriale Rumbecanum bewaard. Het betreft hier de door de kerk verplichte parochiedagboeken, de ‘Liber Memorialis’, die reeds opgestart waren door zijn voorgangers. Veel was er echter nog niet neergepend. Slosse daarentegen beschouwde het Memoriale niet alleen als een plicht opgelegd door zijn oversten, maar als een buitenkans om alles vast te leggen wat er tijdens zijn verblijf in Rumbeke gebeurde. Hij vertelde er het weder­varen van zijn parochie en parochianen in geuren en kleuren. Zo schreef hij in de 24 jaar van zijn verblijf in Rumbeke drie kanjers vol. Voor de geschiedenis van Rumbeke in deze periode zijn ze van onschatbare waarde. Het valt dan ook diep te betreuren dat ze sedert de verhuis van de pastorij spoorloos zijn. We kunnen maar hopen dat ze spoedig terug boven water komen. Gelukkig werden de notities over de oorlogsjaren, in 1962 door het Brugse Genootschap voor Geschiedenis uitgegeven [36].

 

§ 3. De collecties bidprentjes

 

Volgens bibliothecaris Soete [37] was het pastoor Slosse zelf die in zijn laatste wilsbeschikking vastlegde dat een deel van zijn collectie bidprentjes afzonderlijk bewaard zou blijven.

Hij schonk de bidprentjes handelend over Westvlaamse priesters en die van een aantal bisschoppen aan het bisschoppelijk archief van Brugge. Daar vormden ze de basis van een door de jaren heen uitgegroeide, belangrijke verzameling. Hoe groot het aandeel van de oorspron­kelijke collectie van Slosse daarin is, valt jammer genoeg niet meer uit te maken aangezien deze niet afzonderlijk bewaard werden [38].

Een triester lot gingen de bidprentjes van priesters uit het aartsbisdom Mechelen tegemoet. Deze bidprentjes werden geschonken aan de bibliotheek van de Katholieke Universiteit van Leuven. Deze bibliotheek werd echter in 1940 volledig door brand vernield. Als er al een inventaris, of andere begeleidende documenten, zouden geweest zijn, dan gingen deze mee in de vlammen op [39].

 

 

DEEL III: Het Fonds Leopold Slosse bewaard in de Kortrijkse Stadsbibliotheek

 

Hoofdstuk I: Zijn collectie bidprentjes, rouw- en trouwbrieven

 

§ 1. De verzameling nader bekeken

 

Reeds als scholier en later als student aan het Klein Seminarie van Roeselare was Slosse begonnen met het verzamelen van bidprentjes en aanverwanten. Zo staat alvast te lezen in een brief uit 1860 van medestudent Aloïs Herman over een zending van bidprentjes: “Mon cher Léopold (...) Je vous envoie (...) une assez grande provision d’images que j’ai dû ramasser, par-ci par-là, avec beaucoup de peine, comme vous pouvez facilement vous l’imaginer” [40]. Een jaar later luidt het als volgt: “Voici donc un pacquet contenant plus de cent-cinquante souvenirs de morts (...) Vers la nouvelle année, je pourrai vous en envoyer plus de trois cents, peut-être même quatre ou cinq cents, et plus encore” [41]. En in een ongedateerd kranteknipsel Doodsanctjes uit de Zondagsbode staat “hij had reeds beginnen vergaren van als hij een kind was” [42].

 

Zijn verzameling kreeg echter pas een zekere waarde vanaf 1893: het jaar waarin Maria Debbaudt hem haar 55 [43] albums met bidprentjes schonk. Slosse schreef op het binnenblad van het eerste boekdeel: “Deze verzameling van doodgedachtenissen gaande van 1805 tot 1871, wierd mij geschonken door Joufvrouw Maria Debbaut, oudersche dochter overleden in Kortrijk ten jare 1893. L. Slosse, Pastor van Coyghem, dezen 9 October 1893, op den vijf-en-twintigsten verjaardag van mijne intrede in de heilige bedieningen, als onderpastor van Sint-Kruis, bij Brugge”. Deze schenking was zeker niet zonder belang. Niet alleen bevat het eerste album het oudste bidprentje van West- en Oost-Vlaanderen [44], maar bovenal vormde het de aanzet tot de eigenlijke uitbouw van zijn collectie. Het waren deze prachtige boekbanden (de bidprentjes werden met een soort venstersysteem ingelast zodat voor- en achterzijde kunnen bestudeerd worden) die Slosse ertoe aanspoorden om zijn verzameling ook te schikken in albums. In 1894 had hij twee albums klaar [45].

 

In de volgende jaren zou Leopold Slosse steeds meer bidprentjes verzamelen. Onder andere werden nog verschillende albums aan zijn verzameling toegevoegd. Zo vermelden we de albums van E.H. Boecksoone, pastoor van Kachtem. Het gaat hier om vier grote folio’s [46] met naar schatting 2.300 prentjes per deel: hoofdzakelijk afkomstig uit Zuid-West-Vlaanderen. Te betreuren is echter het feit dat de prentjes werden bijgeknipt tot een minimum-oppervlakte en tamelijk ordeloos het een naast het andere werden ingeplakt. De indeling blijft beperkt tot de opschriften van de vier delen: “Jeunes gens”, “Mariés n° 1”, “Mariés n° 2” en “Prêtres et religieux”.

Verder zijn er de drie kleinere albums van de “Collection de M. Bracaval, d’Herseaux, vic. à Mouscron; curé à comines”. Opnieuw vrij wanordelijk geordend en gedachtenissen bevattend van afgestorvenen tussen 1842 en 1892 uit de direkte omgeving van de woonplaats van Bracaval.

Heel wat verzorgder is het album met het opschrift “Sum Leopoldo Slosse pastori in Coyghem, ex dono R.D. Desiderii Pattyn pbro in Brugis, 31 Martii 1896”. Het gaat hier om zo’n 1870 prentjes van personen overleden tussen 1831 en 1884.

Een laatste album werd door de Gentse drukker Van Ryckegem aangelegd. “Verzameling van al de gedachtenissen gedrukt by C.J. Van Ryckegem, te Gent 1834-1860, 2894 in ‘t geheele, L. Slosse Pastor van Coyghem, 3 Oct. 1895”.

 

Maar het leeuweaandeel van de aangroei van Slosses verzameling bestond niet uit deze albums maar uit een ongeordende massa losse bidprentjes hem bezorgd door vrienden en kennissen uit alle hoeken van het land, en zelfs uit het buitenland. Uit een brief van A. Arnould uit Mons leren we dat hij pastoor Slosse 1.500 à 2.000 prentjes kan bezorgen [47]. Joseph Samyn uit Sint-Eloois-Vijve schrijft hem op 14 februari 1906: “Er ligt hier een geheel pak doodsanctjes voor u. Jammer dat ik ze op geene beenen kan zetten om tot u te komen. Maar ik zal wel eens in ‘t korte de gelegenheid vinden om ze u te ‘vermaken’, gelijk men zegt in Noord Nederland” [48]. En zo kunnen we nog bladzijden vullen met het citeren uit brieven, briefjes, postkaarten en naamkaartjes; allemaal bewaard door Slosse. De meeste stukken zitten gewoon opgevouwen tussen de bidprentjes. Feit is dat Leopold Slosse in 1909 bij een berekening zelf tot de volgende slotsom kwam: “In omtrent 340 dozen heb ik nu 773.000 sanctjes, gerekend aan 2300 per doze” [49].

Alles in albums ordenen was door de grote toevloed niet langer uitvoerbaar. Maar anderzijds was een zekere schikking onmisbaar, wilde men met de gegevens nog iets kunnen beginnen. Aanvankelijk moet Slosse dit monnikenwerk zelf uitgevoerd hebben, maar reeds vlug zocht hij hulp [50]. De overlevering wil dat pastoor Slosse onder zijn parochianen min of meer vrijwilligers aanduidde om zijn verzameling te komen klasseren. De belangrijkste onder hen (toch zeker voor de eerste reeksen) moet een genaamde Henricus Polycarpus geweest zijn [51].

Uiteindelijk werden op deze wijze acht reeksen met bidprentjes samengesteld. Reeks 1 bevat 47 dozen en bevat de oudste prentjes zoals hoger reeds vermeld, waarschijnlijk gerangschikt door Slosse zelf. Reeks 2 is duidelijk de omvangrijkste en beslaat 208 dozen; zij werd samen­gesteld door D’Haene en Van de Walle in 1895-1898. Reeks 3, 4 en 5 bestaan respectievelijk uit 55, 71 en 83 dozen; samengesteld eveneens door Van de Walle in de jaren 1901, 1902-1903 en 1905. De 6de, 7de en 8ste serie, “geclasseerd door M. Frans Du Jardin, deurwaarder te Meulebeke” bestaat uit 56, 75 en 87 dozen. Reeks 7 kwam klaar op 19 maart 1917. Van de laatste reeks is geen einddatum gekend.

Naast deze acht geklasseerde reeksen bewaarde Slosse echter een aantal, in zijn ogen belang­rijke, bidprentjes afzonderlijk. Het gaat hierbij om 67 dozen met volgende opschriften: ‘religieuzen’ (20), ‘religieuze broeders’ (1), ‘geestelijke broeders’ (1), ‘edele broeders & zusters’ (3), ‘kloosterlingen’ (1), ‘edeldom’ (35), ‘verzen - gedichten - jubilés’ (2), ‘deeldekens & gebeden’ (1), ‘geboorten’ (1), ‘jubilés (1), ‘rouwkaarten - bedankingen’ (1). Naast deze dozen moet pastoor Slosse ook nog een uitgebreide verzameling bidprentjes van priesters bezeten hebben. Deze werden echter niet mee verkocht aan de ‘stadsboekerij’ van Kortrijk maar aan het archief van het bisdom Brugge en aan de bibliotheek van de Katholieke Universi­teit Leuven [52].

 

Zo komen we aan een totaal van 753 dozen. Om nu een betrouwbare schatting te kunnen maken van het totaal aantal bidprentjes onder de deksels van deze 753 dozen aanwezig, zat er niets anders op dan ze te tellen. We namen uit iedere reeks een willekeurige doos (nooit de eerste of de laatste) en telden het aantal prentjes die erin opgeborgen zaten [53]. Daarbij kwamen we tot de volgende aantallen: 1.170, 1.248, 1.289, 1.140, 1.164, 1.263, 1.186 en 1.236. Dit leverde een gemiddelde van 1.212 prentjes per doos maal 753 dozen of naar schatting 912.636 prentjes in het totaal. Binnen deze 912.636 zitten er echter heel wat dubbels. Het was onmogelijk om na te gaan hoeveel dubbels er tussen de reeksen onderling zitten, maar terwijl we bezig waren aan onze steekproef noteerden we wel het percentage dubbels binnen reeks 2. Aangezien we per letter steeds een vast aantal unieke bidprentjes verwerkten [54], was het mogelijk nadien het totale pak te tellen [55]. Zo kwamen we tot een gemiddelde aantal van 407,3 of 74% unieke bidprentjes. De standaardafwijking binnen de steekproef bedroeg 35,85. De formule voor het betrouwbaarheidsinterval voor het populatiegemiddelde voor 95% [56] leert ons dat het aantal unieke bidprentjes binnen reeks 2 met 95% zekerheid moet liggen tussen [407,3 - 1,96 x (35,85/ 22) , 407,3 + 1,96 x (35,85/ 22)] of [392 , 422] of tussen de 76,5% en 71%. Aangezien we uit ondervinding weten dat er veel dubbels zitten tussen de reeksen onderling, menen we wel te mogen besluiten dat er in de acht reeksen verzameld door Leopold Slosse minder dan 700.000 (=77%) unieke bidprentjes zitten. Toch een verzameling om ‘U’ tegen te zeggen.

 

Verwant met de verzameling bidprentjes is de verzameling rouw- en trouwbrieven. Deze verzameling bestaat uit 242 bundels, quarto formaat en met een gemiddelde dikte van zo’n 7 cm. De eerste 44 delen werden echter in boekdelen ingebonden. Een precieze telling hebben we hier niet uitgevoerd omdat ons onderzoek zich toespitste op de bidprentjes, trouwens het paradepaardje van Leopold Slosse zelf [57].

 

§ 2. Inhoud van de steekproef

 

Ons onderzoek hebben we toegespitst op de collectie bidprentjes. De verzameling was duidelijk veel uitgebreider dan die van de rouw- en trouwbrieven, en kreeg ook veruit de meest aandacht van Leopold Slosse zelf.

Bovendien zouden de resultaten van een tweede onderzoek onder de rouw- en trouwbrieven vermoedelijk een gelijkaardig resultaat opgeleverd hebben. De meeste brieven, bewaard binnen het Slossefonds, spreken immers steeds over het gelijktijdig bezorgen van rouw- en trouwbrieven naast de bidprentjes die duidelijk overal op de eerste plaats kwamen.

 

Het was onmogelijk om alle bidprentjes van het fonds te onderzoeken. We besloten dan ook te werken met een steekproef. Voor het uitvoeren van deze steekproef leek het ons het meest aangewezen om binnen één reeks, waarbinnen alles alfabetisch geklasseerd zit, te blijven. We kozen de tweede reeks uit omdat dit de meest omvangrijke is.

Van bij het begin was het duidelijk dat onze steekproef voldoende groot moest zijn om representatief te kunnen zijn. Anderzijds moest het uitvoerbaar blijven. We stelden ons dan ook tot doel 7.000 bidprentjes te verwerken of m.a.w. naar schatting ongeveer 1% van alle unieke prentjes bewaard in de acht reeksen.

Opdat ons onderzoek zo representatief mogelijk zou zijn, verdeelden we deze 7.000 bidprentjes over de gehele reeks. We namen telkens de eerste 300 verschillende prentjes van elke letter van het alfabet. Uitzondering vormen de letters U, X, Y en Z. Er zijn immers geen 300 prentjes van familienamen die beginnen met die letters. Uiteindelijk namen we voor die letters respectievelijk 100, 23, 77 en 200 prentjes op.

 

De steekproef bestond erin om aan de hand van die 7.000 bidprentjes de belangrijkste gegevens te verwerken in een computerdatabase. Onze keuze viel op het programma CDS/ISIS; enerzijds omdat dit programma zeker voldeed aan de gestelde eisen maar vooral omdat besloten werd de volledige bewaarbibliotheek van de Stedelijke Bibliotheek van Kortrijk te ontsluiten via dit programma.

Het doel van de uitgewerkte database reikte verder dan een louter steekproef voor onze verhandeling maar beschouwden we ook als een test in hoeverre deze verwerking in de toekomst nuttig zou kunnen zijn binnen de bibliotheek. De opbouw van het bestand bevat dan ook velden die niet direct gebruikt werden binnen deze studie. En zo ook werden de mogelijke zoeksleutels mede bepaald door vereisten binnen de bibliotheek.

In Bijlage III werden de schermafdrukken opgenomen van de ‘database definition table’ (waarin de opbouw van de database wordt bepaald) van een blanco invoerwerkblad, enkele ingevulde werkbladen, en enkele prints zoals bepaald door het ‘display format’. Het zijn deze laatste gegevens die de eindgebruiker voorgeschoteld krijgt.

 

Binnen het kader van onze studie werden de velden ‘overlijdensplaats’, ‘overlijdensdatum’, ‘speciale act. overledene’ en in mindere mate ‘speciale kenmerken bidprentje’ onder de loupe genomen. De velden met de persoonsnamen die eigenlijk het hoofdelement van elk record vormen en onontbeerlijk zijn binnen het kader van het bibliotheekwerk, hadden geen nut aangezien het hier gaat om doorsnee mensen waarvan de naam ons niets speciaals te melden heeft.

Als eerste punt onderzochten we aan de hand van de overlijdensplaats, de geografische spreiding van de herkomst van de bidprentjes. We onderzochten achtereenvolgens welk percentage bidprentjes kwam uit West-Vlaanderen, Vlaanderen, Brussel, België, de naburige landen (Frankrijk, Nederland, Duitsland en Luxemburg) en uit andere landen. De analyse voor West-Vlaanderen, Vlaanderen en Brussel werd uitgevoerd binnen het programma CDS/ISIS. Het is immers mogelijk een gecombineerde zoekvraag te formuleren via een ‘any-file’ [58]. De andere gegevens werden manueel door het overlopen van de index verkregen [59]. Een groot probleem hierbij vormde het feit dat de plaatsvermeldingen in een verouderde spelling stonden, en er soms ook een dialectische plaatsgebonden naam werd opgegeven. Alle plaatsnamen van Vlaanderen werden, voor zover we ze konden achterhalen, omgezet in de huidige vorm zodat ze beantwoorden aan de lijst opgemaakt onder leiding van H. Hasquin [60]. De andere plaats­namen werden opgezocht eerst in de atlas (deel 26) van de laatste uitgave van de Winkler Prins nadien in het Woordenboek der Toponymie ... van Karel de Flou. Na dit onderzoek bleven echter nog een aantal plaatsnamen over die we niet konden terecht brengen [61].

Vervolgens gingen we ook na hoe het zat met de spreiding doorheen de tijd. Dit gebeurde opnieuw aan de hand van de indexgegevens, aangemaakt door het programma CDS/ISIS [62]. Het handelde hierbij niet om de volledige datum maar enkel om het jaar van overlijden. Aangezien er op de bidprentjes vrij vaak data voorkomen die nog moeilijk te reconstrueren zijn, leek het ons beter als zoekterm in de index enkel het jaar van overlijden op te nemen[63].

Ten derde bestudeerden we de groep bidprentjes waarop er een vermelding staat van de activiteiten van de overledene.

En als laatste punt berekenden we het percentage bidprentjes met gegevens over familieleden (enerzijds echtgeno(o)t(e) en anderzijds overige familieleden). Een bijzondere categorie binnen deze groep vormen de ‘stamboomprentjes’ die soms generaties ver opklimmen.

 

§ 3. Resultaten

 

Voorafgaandelijk moeten we er nogmaals op wijzen dat onze steekproef niet volledig represen­tatief kan genoemd worden voor de volledige verzameling van Slosse. Volgens het reeds genoemde kranteknipsel uit de Zondagsbode van 1907 [64], was Slosses collectie vooral gericht op priesters en mensen van adel. Dit komt echter niet tot uiting in de steekproef. Enerzijds is dat het logisch gevolg van het feit dat de bidprentjes van de priesters grotendeels werden geschonken aan het bisdom Brugge en aan de Leuvense universiteit, en anderzijds dat bepaalde categorieën (zoals geestelijke en personen van adel) afzonderlijk werden geklasseerd.

Als eerste punt werd dus de herkomst van de bidprentjes aan de hand van de overlijdensplaats onderzocht. Uit de vrij directe woonomgeving van pastoor Leopold Slosse kwamen de bidprentjes uit het huidige West-Vlaanderen [65]. Uit de vraagstelling ‘any West-Vlaanderen’ [66] bleek dat 2.907 of 42% van de bidprentjes uit de eigen provincie afkomstig waren.

 

 

Wanneer we de oppervlakte vergroten tot het volledige grondgebied van het huidige Vlaanderen 65 krijgen we natuurlijk een veel grotere groep. Dan blijkt dat 5.264 personen stierven binnen de grenzen van Vlaanderen of m.a.w. 75%.

 

Uitgebreid met het huidige gewest Brussel komen daar nog 191 eenheden bij wat ons dan brengt tot 78%. Deze 78% van de bidprentjes werden in de indexlijst (Bijlage IV) in vetjes gezet.

 

Voor Wallonië onderzochten we manueel de indexlijst omdat het aantal Waalse steden ons te gering leek om een volwaardige ‘any file’ te maken. Achteraf beschouwd misschien ten onrechte want na onze berekeningen bleek dat er toch 511 bidprentjes of m.a.w. 7% afkomstig waren uit Wallonië. Zoals verwacht werd dit vrij hoge getal sterk beïnvloed door de bidprent­jes uit het noorden van de provincie Henegouwen, bijvoorbeeld Moeskroen (54), Doornik (27), Dottenijs (18), Komen en Ten Brielen (16), Mons (12), Luigne (10), etc. Maar ook uit verder afgelegen, vnl. grotere Waalse steden vonden we heel wat bidprentjes terug, bijvoor­beeld Luik (25) en Namen (25). De Waalse steden werden in Bijlage IV in cursief geplaatst.

Dat maakt dus dat 5.966 of 85% van de bidprentjes uit het binnenland afkomstig zijn.

 

Dan rest ons nog 15%. Hierbij moeten we wel opmerken dat bij ongeveer 4% (nl. 244) bidprentjes geen overlijdensplaats vermeld wordt en we 3% van de namen niet direct konden thuisbrengen. Blijft 8% van de verzameling die uit het buitenland afkomstig is. Aan de top staat Nederland met 241, gevolgd door Frankrijk met 215, en vervolgens Duitsland, Engeland en het Groothertogdom Luxemburg met respectievelijk 14, 7 en 2 bidprentjes [67].

Vooral Nederland en Frankrijk scoren dus hoog. Maar wanneer we dit nader bekijken dan verkrijgen we een totaal ander patroon voor deze twee landen. Wat betreft Frankrijk zien we een zelfde fenomeen als voor Henegouwen. Heel wat bidprentjes komen van juist over de ‘schreve’ (vb Halluin 31 en Roubaix 23). Het is een feit dat de banden tussen West-Vlaanderen en Frans-Vlaanderen altijd vrij hecht geweest zijn. Maar vanaf de tweede helft van de 19de eeuw kwam daar nog het belangrijk fenomeen van de grensarbeid bij [68]. Mogelijk gaat het hier zelfs voor een deel om Vlamingen die tijdelijk om den brode in Frankrijk verbleven.

Voor Nederland ziet het er echter anders uit. Daar moeten mijns inziens buitenlandse relaties gezorgd hebben voor bevoorrading of uitwisseling. Eén persoon kennen we. Slosse bewaarde immers zorgvuldig de briefwisseling met Aug. Sassen [69], notaris in Helmond. Deze koesterde de wens een ‘geschiedenis van het bidprentje’ te schrijven. Slosse hielp hem aan heel wat informatie en wellicht zal uit deze briefwisseling tussen twee verzamelaars een ruilhandeltje ontstaan zijn. Feit is dat er in onze steekproef twee bidprentjes zitten uit Helmond. Verder vonden we er ook uit de gemeentes Beek en Donk, Veghel, Gemert en Uden gelegen in de onmiddellijke omgeving van Helmond. En dan is er nog Tilburg op een afstand van ca. 40kilometers en met 64 bidprentjes. Wanneer we daarbij in ogenschouw nemen dat deze briefwisseling dateert uit 1895 het jaar waarin een aanvang genomen werd met de klassering van reeks 2, dan lijkt er toch een duidelijke verband. Bewijzen vonden we echter niet. En dan is er nog de vraag of dit de enige Nederlandse relatie van Slosse was?

Bovendien waren er ook voor Nederland nog een, zij het eerder beperkt, aantal bidprentjes uit Zeeuws-Vlaanderen (bv. Koewacht 6 en Sluis 2), een gebied waar Vlaanderen ook steeds een bijzondere band mee had.

 

12 Bidprentjes kwamen uit verder afgelegen gebieden zoals Spanje, Italië en zelfs uit de Verenigde Staten en uit Afrika.

 

In een cirkeldiagram omgezet geeft dat volgend beeld:

 

 

 

 

 

Naast de hoger vermelde bevindingen over de landelijke spreiding, mogen we niet nalaten het nog te hebben over een ruimtelijk fenomeen dat ons bijzonder trof bij het nakijken van de index, nl. het feit dat de grote steden wel bijzonder goed scoren. De vijf toppers Antwerpen (385), Kortrijk (319), Brugge (278), Ieper (251) en Mechelen (242) waren belangrijke steden. Enerzijds is het natuurlijk wel logisch dat er meer bidprentjes uit de steden komen maar anderzijds is het verschil wel zeer frappant. Komt dit nu omdat Slosse daar over betere connecties beschikte? Werden de bidprentjes in de steden vaker het object van verzamel­woede? Of was het drukken van bidprentjes misschien aanvankelijk meer een stedelijk verschijnsel? Dit laatste punt vinden we bevestigd in Slosses eigen notities waar hij schrijft: “Van 1850 zyn zy byzonderlyk in de steden, meer gemeen geworden” [70].

 

Een volgend aspect dat we onderzochten, was de spreiding in de tijd. We vermeldden reeds dat in het eerste album van Mevr. Debbaudt het oudste bidprentje van West-Vlaanderen werd opgenomen. De vraag was evenwel of er meer oudere bidprentjes in de verzameling zitten of bleef ze eerder beperkt tot Slosses eigen verzameljaren?

Daarom onderzochten we de index ook inzake overlijdensjaar. De volledige lijst werd opgenomen in Bijlage V.

Om de zaak overzichtelijk te maken, groepeerden we de gegevens. We lieten ons daarbij leiden door Slosse zelf die in zijn nota’s voor Guido Gezelle 70 zelf een tijdsindeling opgaf inzake de verspreiding van de bidprentjes. Zo schreef hij: “Tot het jaar 30 waren ‘t maar priesters of zeer ryke familiën die sanctjes gaven. Van 30 tot 50 in ‘t algemeen genomen de groote uitveerden. Van 1850 zyn zy byzonderlyk in de steden, meer gemeen geworden”. Naast deze indeling groepeerden we nog de bidprentjes van vóór 1805 (het jaar van uitgifte van het oudste bidprentje, het gaat hier dus om bidprentjes van latere datum, opgemaakt voor reeds vroeger overleden familieleden [71]) en de bidprentjes van na 1897 (het jaar waarin de reeks in theorie werd beëindigd: deze prentjes werden er dus nadien aan toegevoegd). Verder splitsten we de groep van 1850 tot 1898 nog eens op. Als scheidingsjaar namen we 1870, ongeveer halverwege maar tegelijk ook een belangrijk jaar voor de evolutie van de gegevens vermeld op het prentje [72]. Zo verkregen we volgend resultaat:

 

periode

aantallen

procenten

- 1805

16

 

1805 - 1829

51

1%

1830 - 1849

390

6%

1850 - 1869

1812

26%

1870 - 1897

4571

65%

+ 1897

74

1%

 

Daaruit kunnen we afleiden dat Slosses verzameling zeker niet beperkt was in de tijd. Daar waar er nochtans reeds een oudere reeks bestond [73] en de bidprentjes vóór het jaar 1850 zeldzaam waren, zijn ruim 6 op 100 bidprentjes van vóór die datum. En meer dan 1 op 4 werd uitgegeven tussen 1850 en 1870. Hieruit kunnen we besluiten dat de collectie van Leopold Slosse ook in de tijd een ruime verspreiding kent.

 

Belangrijk vanuit biografisch standpunt zijn de extra-gegevens over de overledenen die we soms aantreffen op het bidprentje. Deze kenmerken werden in het bestand opgenomen onder ‘speciale act. overledene’ [74]. Het gaat hier meestal om de beroepsbezigheid of belangrijke openbare functie van de overledene maar ook bijzondere overlijdensomstandigheden worden soms vermeld.

In het totaal verkregen we 353 maal een dergelijke vermelding. Een getal dat eerder beperkt is maar wel belangrijker wordt als men in ogenschouw neemt, dat er aanvankelijk buiten de naam weinig andere gegevens opgenomen werden. Pas na 1870 werden vaker extra-gegevens vermeld.

Hoogst scoorden de burgemeesters, nl. 34 maar zij worden op de voet gevolgd door de andere notabelen: gemeenteraadsleden en schepenen, geneesheren, notarissen, onderwijzers, etc. Een categorie waarbij veelal ook een vermelding werd opgenomen zijn de college- en seminarie­leerlingen en de studenten.

Hoewel het hier slechts om 5% van de bidprentjes gaat, geeft dit zeker een extra dimensie aan het bidprentje. Het nut van een dergelijke verzameling, zoals met deze van Leopold Slosse het geval is, wordt er maar groter door.

 

Zeker voor genealogen is ook de vermelding van echtgeno(o)t(e) en/of andere familieleden zeer belangrijk [75].

Wat betreft de vermelding van de levenspartner, 4.380 maal (= 63%) konden we dergelijke gegevens opnemen. Genealogen krijgen hierdoor een degelijke kans om meer gegevens terug te vinden.

Het aantal vermeldingen van overige familieleden is echter heel wat beperkter. Slechts 803 keer werd de naam opgenomen van vader, moeder, etc. En uit ondervinding weten we dat het meestal ging om kinderen.

Speciaal is ook de categorie van de gezamenlijke bidprentjes. Meestal gaat het hier om een soort herdenking van de vroeger gestorven partner [76]. Maar ook betreft het hier soms echte collectieve bidprentjes zoals bij ongelukken en epidemieën [77]. Later zullen we dit fenomeen veelvuldig terugvinden onder de slachtoffers van WO I en WO II.

Slosse persoonlijk was een groot voorstander van meer dergelijke gegevens op bidprentjes, en vond het dan ook jammer dat het niet vaker gebeurde [78]. Persoonlijk ging hij nog een stap verder en begon met het opstellen van ware stamboomprentjes. Soms gingen zijn gegevens zo ver terug (tot in de 17de en zelfs tot in de 16de eeuw) dat hij meerdere bidprentjes liet drukken die elkaar chronologisch opvolgden. In onze steekproef hadden we 34 dergelijke stamboom­bidprentjes.

 

Een element dat we op hedendaagse bidprentjes vaak terugvinden is de foto van de overledene. Het is voor de genealogen natuurlijk altijd zeer aangenaam indien dit ook met oudere prentjes het geval is. Hoewel de oudste bidprentjes-met-foto van ca. 1860 dateren, bleef dit een zeer zeldzaam verschijnsel. Pas vanaf de eeuwwisseling wanneer het verschijnsel binnen ieders bereik kwam, zou het meer verspreid geraken. Maar een echte doorbraak kwam er pas tijdens WO I wanneer we vaststellen dat op bijna alle bidprentjes van gesneuvelde soldaten foto’s afgedrukt werden [79].

 

§ 4 Besluit

 

Uit onze steekproef is duidelijk gebleken dat de verzameling aangelegd door pastoor Slosse zowel geografisch als in de tijd een belangrijke spreiding kent.

Verder is er een niet onbelangrijk deel van de bidprentjes waarin extra gegevens werden opgenomen over de overledene en/of zijn familieleden. Specifiek in de verzameling van Leopold Slosse zijn ook de stamboomprentjes, de meeste door hem persoonlijk opgesteld.

Het feit dat hij zijn verzameling vanuit genealogische motivatie (naast natuurlijk ook een religieuze als priester) aanlegde, geeft nog een extra dimensie aan de collectie. Zelf noemde hij het “mynen gedrukten burgerstand van Vlaanderen en van veel Vlaanders erbij; zij komen veel te passe voor geslacht- en printkunde; voor naam studien, enz.” [80].

 

 

Hoofdstuk II: Zijn verzamelbundels Biographies Flandre Occidentale

 

§ 1. De verzameling nader bekeken

 

Over de verzameling Biographies Flandre Occidentale zijn heel wat minder gegevens bewaard gebleven dan over de bidprentjes. Niet alleen werd de verzameling bidprentjes in de vroegere studies veel meer belicht, [81] maar ook pastoor Slosse zelf bewaarde er veel meer gegevens over. Daar waar hij in de bundels van de bidprentjes regelmatig opschriften toevoegde, en tussen de losse bidprentjes allerlei brieven stak, moeten we het hier doen met enkele karige notities.

 

Eén van die zeldzame notities vinden we terug naast de titelbladzijde van band 1 van de Biographies Flandre Occidentale: “Cet exemplaire, sur gr. papier, provient de la bibliothèque de feu M. Ferdinand Vande Putte (sic), Curé-Doyen de S. Martin à Courtrai. A la fin du 4e vol. M. Vande Putte (sic) a ajouté plusieurs notices manuscrites et d’autres pièces remar­quables. Ces 4 vol. sont suivis de plusieurs autres vol., dont les 3 premiers ont été ajoutés aussi par M. Vande Putte (sic). L. Slosse, vic. à Iseghem. 1883.”

De oorsprong van de collectie moet dus gezocht worden bij deken Ferdinand Vandeputte [82]. Deken Vandeputte was één van de samenstellers (samen met Ch. Carton, O. Delepierre en J.de Mersseman) van het biografisch woordenboek Biographie des hommes remarquables de la Flandre Occidentale. Deze vier boekdelen aangevuld met allerlei notities van de hand van Ferdinand Vandeputte en drie aanvullende verzamelbanden werden door pastoor Slosse op de veiling van de bibliotheek van F. Vandeputte aangekocht [83].

Het was echter bij Leopold Slosse dat de verzameling steeds sneller zou aangroeien. Bij de redactie van de eerste inventaris in 1896 waren er reeds 30 banden, of m.a.w. een toename van 22 banden in veertien jaar. In 1910 waren er blijkbaar reeds 78 boekbanden, want dan schrijft hij in deel 8: “Cette collection a été commencée par le Chanoine Vande Putte (sic), Doyen de Courtrai, le Curé de Rumbeke [Leopold Slosse] y a ajouté les volumes 8-78. 1882-1910”. En het stopte nog niet. Integendeel. In 1912 schrijft hij op de titelpagina van de tweede klapper: “Le 17 Juillet 1912 cette collection renfermait 2092 notices diverses reliées en 90 vol. L.Slosse”. En bij zijn overlijden in 1920 bestond de verzameling uit 119 banden.

 

We kunnen ons afvragen waar hij al dat materiaal vandaan haalde. Zeker kreeg hij veel toege­zonden door vrienden. Getuigenissen daarvan vinden we vaak in terloopse vermeldingen en/of bedankingen in de bewaard gebleven brieven [84]. Daarnaast moet hij veel aangekocht hebben. In de collectie werden tientallen prospectussen en fondslijsten van uitgeverijen bewaard. Ook uit nalatenschappen haalde hij veel. In de meer dan twintig veilingscatalogi bewaard in de biogra­fische reeksen, vinden we heel wat aantekeningen. Bij de veilingcatalogus van de bibliotheek van Joseph Samyn uit het jaar 1909, bleef ook de rekening die Slosse betaalde, bewaard [85]. Het ging om 21 werken die hij aankocht voor de prijs van 84,48 frank [86].

Een volledig onderzoek van wat hij waar haalde, zou ons echter in het kader van deze studie te ver brengen. Op de volgende bladzijden zullen we ons beperken tot een poging van analyse van deze massa aan biografische gegevens.

 

De toevloed aan materiaal zorgde voor een enorm rijke verzameling, maar maakte ze tegelijkertijd onoverzichtelijk. De noodzaak aan inventarisering liet zich dan ook spoedig voelen.

Een eerste catalogus werd beëindigd op 10 april 1896. Leopold Slosse schreef zelf op de titelpagina: “Table générale des trente Volumes de la Biographie des hommes remarquables de la Flandre-Occe. Coyghem, ce 10 Avril 1896. L. Slosse, Curé.” Gegevens over de persoon die de inventaris samenstelde, worden niet verstrekt. Wel is de lijst op de laatste pagina ondertekend door G. Vanthuyne. Wie was deze persoon? Was het één van zijn parochianen? Zo ja, dan moeten we ons onderzoek richten op Kooigem, want pas op 15 juli 1896 werd hij in Rumbeke benoemd [87]. Of was het een familielid van Sidonie Van Thuyne, Slosses meid? Het register bestaat uit een alfabetische lijst van persoonsnamen. Naast de namen staat soms de naam van de auteur, soms de plaatsnaam, soms een korte typering vaak alleen de verwijzing naar de boekbanden. Tussen de namen worden echter ook groepsaanduidingen aangetroffen, zoals onder de H “Honderdjarigen van Westvlaanderen” of onder de W “Westvlaamsche schrijvers, op den Jubilé van Leo XIII”. Het boekje bestaat uit 171 beschreven bladzijden met gemiddeld een zestal namen per bladzijde. Dit maakt in het totaal zo’n duizend verwijzingen.

Dank zij de catalogus van G. Vanthuyne werd de verzameling in 1896 grotendeels ontsloten. Maar zoals we reeds opmerkten groeide de collectie gestaag aan, en een nieuwe inventaris Table générale des trente sept volumes de la Biographie des hommes remarquables de la Flandre Occle. werd opgesteld. Opnieuw vermeldt Leopold Slosse niet wie het werk samenstelde. De ondertekening op de laatste pagina is nu echter van “Frans Dujardin, Cachtemnare” en geeft als einddatum 22/5/01. Gaat het hier om dezelfde persoon als de eerder vermelde Frans Du Jardin die de laatste drie reeksen van de bidprentjes klasseerde [88]? De familienaam werd door Slosse wel gesplitst maar daarin vergiste hij zich blijkbaar vaker. Tevens liggen de woonplaatsen Kachtem en Meulebeke helemaal niet zo ver van elkaar vandaan. Hoewel de kans dus vrij groot is dat het om dezelfde persoon gaat hebben we geen zekerheid. Ook bibliothecaris Jan Soete geeft geen nadere inlichtingen [89]. Het boekje is niet veel omvangrijker dan het voorgaande, nl. 175 bladzijden maar bevatte blijkbaar reeds van bij de samenstelling meer gegevens per bladzijde. Hoeveel juist valt echter nog moeilijk uit te maken aangezien er nadien op verschillende tijdstippen namen tussen werden gevoegd. Zo werd tijdens het leven van pastoor Slosse geen nieuwe index meer gemaakt maar werd deze van Frans Dujardin steeds weer opnieuw aangevuld; eerst tot 48 delen en later tot 90 delen. Deze tussenlassingen veroorzaakten wel een wanordelijke geheel. Bovendien zijn de aanteke­ningen die verwijzen naar de laatste delen heel wat minder nauwkeurig.

Na 1912 slaagde Slosse er blijkbaar niet meer in de index aan te vullen. De oorlogsjaren en zijn steeds zwakker wordende gezondheid zullen hier wel niet vreemd aan geweest zijn. Dit maakt dat de verzameling zoals ze aangekocht werd door de stadsbibliotheek van Kortrijk in feite niet volledig ontsloten was, en het dus in zekere zin zoeken was naar de spreekwoordelijke naald in de hooiberg. Het moet ons dan ook niet verwonderen dat de toenmalige bibliothecaris-archivaris Pierre Debbaudt iemand aanzocht om een nieuwe inventaris op te stellen. Hij vond de geschikte persoon in de figuur van Dom Nicolas-Pieck (Norbert Huyghebaert) uit de abdij van Loppem en die afkomstig was uit Kortrijk. Hij stelde de Catalogue des Volumes de feu Mr. le Curé Léopold Selosse (sic) de Ruymbeke formant la Collection des Biographies de la Flandre Occidentale samen. Het gaat hier om een getypte lijst van alfabetisch geordende namen, vergezeld van een korte typering van het werk (of werken), en de verwijzing naar het betreffende boekdeel (of boekdelen). Het geheel bedraagt 19 pagina’s en omvat maximaal 1.000 namen.

 

§ 2. Opbouw van de catalogus

 

Dit laatste repertorium van Dom Nicolas-Pieck heeft decennia lang aan menig vorser goede diensten bewezen, maar het was duidelijk dat hij niet volledig was. Kleine knipseltjes of notities werden vaak niet opgenomen, en het zijn juist deze ‘faits divers’ die de collectie van pastoor Slosse zo rijk en uniek maken. En net zoals de vorige catalografen nam hij ook grotere groepen als entiteit in hun geheel op. Zo vinden we onder de K ‘Kortrykzanen’ ‘hedendaagse Kunstoefenaren’. Kortom een nieuwe en uitgebreidere inventaris was broodnodig. Dit werk werd aangevat in 1992 en we hopen het te kunnen beëindigen met de publicatie van het geheel in 1996.

Hoe onvolledig de bestaande inventaris is en hoe rijk de collectie, werd pas echt duidelijk toen we begonnen aan de inventarisatie ervan. Het doel was een overzicht te bieden van alle personen die in de collectie aan bod komen, vergezeld van de bibliografische beschrijving van het werk. Dit resulteerde in 9.692 bibliografische beschrijvingen alfabetisch geordend per besproken persoon [90].

 

§ 3. Analyse van de inhoud

 

Stadsbibliothecaris Soete schreef in 1942: “(...) blijven de 248 (...) banden met biografische gegevens, waarvan er 119 uitsluitelijk over West-Vlaanderen handelen. Zij bevatten een groot percent materiaal dat in vele bibliotheken aangetroffen wordt, maar ook boeken en brochures, bladen, omzend- en aanplakbrieven die stilaan zeer zeldzaam worden en vooral handschriften van kleiner of grooter formaat en belang, waarvan het verlies groote leemten zou teweeg­brengen” [91].

Tot 1992 was dat de belangrijkste analyse van de verzamelreeks. We beseffen wel de grote waarde van het geheel en meerdere vorsers hadden de verzameling reeds dankbaar geraad­pleegd [92]. Maar pas tijdens het catalogiseren kregen we echt een idee van de inhoud van de verzameling. We keken met spanning uit naar de dag waarop het laatste boekdeel zou verwerkt zijn en we na sortering een echte analyse van de inhoud zouden kunnen uitvoeren. Ons doel was zicht te krijgen op de vraag: wat werd er over wie bewaard?

 

Eerst komt het aspect wie aan bod. We kunnen moeilijk de volledige lijst van alle namen geven. Dat zou ten eerste zeer onoverzichtelijk zijn en verder ook geen nut hebben [93]. Om er enigszins zicht op te krijgen, maakten we een lijst op van alle personen die meer dan vijfmaal aan bod komen in de verzamelbundels van Slosse [94]. Daaruit konden we dan de ‘top twintig’ distilleren, of m.a.w. de lijst opstellen van de twintig personen over wie pastoor Slosse destijds het meeste gegevens verzamelde [95]. Maar ook de lijst op zich gebruikten we om na te gaan in welk genre van mensen Slosse vooral geïnteresseerd was. Met genre bedoelen we beroep, openbare functie, speciale activiteiten, etc. [96] Eenzelfde procedure volgden we vervolgens om Slosses regionale en tijdsgebonden interesse te onderzoeken, m.a.w. in welke geografische streken was hij geïnteresseerd? Enkel in eigentijdse figuren of ook in personen uit het verleden?

In de verzamelbundels werden ook heel wat werken opgenomen die handelen over een groep mensen. Omdat deze ‘groepsbiografieën’ een zeer grote impact hebben op de catalogus onderzochten we deze afzonderlijk. We legden een lijst aan van de bibliografische beschrij­vingen van deze werken [97], en onderzochten ze ook op gebied van genre, regio en tijdperk.

Na het wie komt het wat aan bod. Wat heeft pastoor Slosse over de hoger genoemde personen bewaard? Uiteraard komt hier het aspect van de verzamelbundels weer aan bod. Maar ook bepaalde andere klassen van materiaal komen regelmatig terug aan bod binnen de verzamel­bundels. We noteerden de belangrijkste groepen en telden voor iedere groep het aantal biogra­fische beschrijvingen op.

 

Om duidelijk te stellen waarover we het hebben wanneer we spreken over de ‘top twintig’ en de ‘+vijf’ hebben we voorafgaandelijk aan het echte onderzoekswerk, hun aandeel binnen de collectie proberen af te lijnen.

We hebben in het totaal 9.692 beschrijvingen. Daarvan zijn er echter 172 verwijzingen naar pseudoniemen en omgekeerd. De ‘top twintig’ is goed voor 2.181 beschrijvingen en de rest van de ‘+vijf’ bevat 1.256 bibliografische entiteiten. Uitgedrukt in procenten geeft dat volgend resultaat.

 

totaal

verwijzingen

‘top twintig’

‘overige +vijf’