Het Sint-Janshospitaal te Brugge. Een domeinstudie (eind 13de – begin 14de eeuw). (Koen Schoutteten)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Deel II : het Sint-Janshospitaal uit financieel oogpunt

 

Hoofdstuk 1: MATERIELE BESCHRIJVING VAN DE HOSPITAALREKENINGEN

 

Zoals eerder vermeld, werden de rekeningen van Sint-Janshospitaal al bijgehouden van op het einde van de 13de eeuw (± 1275) tot zowat 5 eeuwen later (1798).[36] Mijn onderzoek beperkt zich tot de vroegste rekeningen, tot na de kustopstand van 1323-1328. Tot 1337 om precies te zijn, op dat ogenblik schakelde men over van perkamenten rolrekeningen op papieren registers. De rolrekeningen zijn van 1275 tot 1306 in het Latijn opgesteld. Vanaf 1307 werden ze in de volkstaal, het Middelnederlands, geschreven. Iedere rekening omvat een volledig jaar, van mei tot mei.

 

Een volledige rekening bestaat uit 4 delen: inkomsten, uitgaven, tegoed (= schulden aan het Sint-Janshospitaal) en schulden (van het hospitaal). Dit vierledig systeem werd sedert 1279 op uniforme wijze toegepast. De inkomsten en de uitgaven zijn verder opgesplitst in concrete rubrieken die ons een duidelijker beeld moeten geven over hoe het geld in en uit het hospitaal rolde. Een indeling die we hier gemakshalve volgen. Na de uitgaven kregen we steeds het totaal van de rekening, namelijk de inkomsten vermindert met de uitgaven.

Ook wil ik er volledigheidshalve nog bij vermelden dat het niet eenvoudig is om een evolutie te onderkennen in de onduidelijke reeks cijfers en namen die de hospitaalrekeningen ons verschaffen. Bovendien toont de reeks een aantal hiaten waardoor mogelijke verbanden over het hoofd kunnen worden gezien. Sommige rekeningen zijn slechts fragmentarisch bewaard en voor een aantal jaartallen zijn de rekeningen niet bewaard. Enige voorzichtigheid bij het interpreteren van de gegeven cijfers is dus geen overbodige luxe.

 

 

Hoofdstuk 2: INKOMSTEN

 

A) TOTAAL

 

Het totaal aan inkomsten mag dan in de rekeningen achteraan staan, toch zou ik hier graag mee beginnen. Alvorens de inkomsten dieper uit te spitten, lijkt het me handig om eerst een totaalbeeld te schetsen van de inkomsten over de door mij bestudeerde periode. Nogmaals wil ik er op wijzen dat alles in ponden parisis uitgerekend is. De waarden in het pond paiement, vanaf 1310 tot 1322, zijn reeds aangepast.

 

 

Tabel 2.1: Het totaal aan inkomsten van het SJH, in Ponden Parisis.

Jaar

INKOMSTEN: Totaal

Jaar

INKOMSTEN: Totaal

 

lb.

s.

d.

 

lb.

s.

d.

 

 

 

 

 

 

 

 

1279

2340

5

5,5

1311

2767

17

7,5

*1280

1470

2

7,5

1312

2925

14

 

1283

3110

15

3,5

1314

4315

7

4

1284

2759

15

3,5

1315

4888

18

5,5

1286

2835

8

7,5

1316

5053

2

9

1287

6398

10

9,5

1317

4323

6

 

1288

3653

7

11,5

1319

4045

8

5,5

1289

3773

8

5

1320

3900

8

7

1290

5309

6

2,5

1321

4175

15

10,5

1291

4623

15

6

1322

3978

13

1

1298

6689

2

10,5

1324

2466

18

8,5

1299

5879

12

8,5

1325

2242

3

9

1304

5667

2

10,5

1326

3144

15

2

1305

6459

16

7,5

1328

3932

5

5

1306

6367

8

9,5

1329

4043

10

7,5

1308

7248

9

7,5

1331

4713

1

5,5

1309

8921

19

6,5

1332

4668

7

 

1310

3111

10

7,5

 

 

 

 

*: De rekening van 1280 geeft enkel de inkomsten van het eerste half jaar.

 

De cijfergegevens in de voorgaande tabel tonen ons dat de inkomsten gedurende het einde van de 13de eeuw gestaag de hoogte ingingen. Tijdens het eerste decennium van de 14de eeuw bleven de inkomsten ongeveer van eenzelfde orde om in 1308-1309 een stijging te vertonen waarna in 1310 een spectaculaire val volgt. Daarna klimmen de inkomsten weer tot op een hoger niveau om in 1324-1325 opnieuw naar een dieptepunt te dalen. Wederom volgt een herstel.

 

Een eerste opmerking is dat de cijferwaarden voor de jaren 1287, 1290, 1293, 1316 en 1327 niet zomaar gegeven waren. Deze cijfers werden afgeleid uit de andere cijfergegevens. Het totaal werd met de uitgaven vermeerderd om zo de inkomsten te achterhalen waar mogelijk.[37] Jammer genoeg kunnen we deze cijfers niet verder ontleden. In 1287, en in mindere mate in 1290, zien we een plotse stijging van het inkomen. Waardoor dit komt, kunnen we niet met zekerheid achterhalen.

 

Uit deze cijferreeks is het enigszins al mogelijk om een woordje uitleg te geven over de schommelingen die voorkomen. Zoals eerder gezegd lijkt het me inderdaad logisch dat een stedelijke instelling van dergelijke omvang in de toenmalig belangrijkste stad van Vlaanderen, onderhevig was aan de algemene politieke en economische context. Dat het inkomen van het Sint-Janshospitaal recht evenredig is met de algemene welvaart, lijkt me evident. Bij crisissituaties zien we dan ook het inkomen van het hospitaal in dalende lijn gaan.

 

Het lage cijfer van 1280 mag ons niet misleiden. Het is slechts het inkomen van het eerste half jaar.[38] Brugge had wel juist kennis gemaakt met de eerste sociale, stedelijke opstand, de ‘Moerlemaaie’, maar 1280 kunnen we dus niet als een dieptepunt beschouwen wat betreft de inkomsten van het Sint-Janshospitaal. [39] Hoewel slechts in oktober de ‘Moerlemaaie’ zijn echte opgang kende en de eventuele gevolgen enkel in het ontbrekende stuk rekening kunnen afgelezen worden, kunnen we zodoende niet weten wat de invloed van de opstand op het hospitaal was. De uitgaven van beide jaarhelften tonen echter geen noemenswaardige verschillen.

 

De gegevens ten tijde van de Guldensporenslag zijn niet voorhanden, jammer voor onze cijferreeks maar misschien is het ontbreken op zich ook een aanwijzing. Dit kan wijzen op een zeer woelige periode en bijgevolg op een weinig gunstige economische siuatie. Van een spectaculaire daling kunnen we echt spreken in 1310. Door het gebruik van de Pond Paiement bleef de nominale waarde van het inkomen ongeveer gelijk, maar in werkelijkheid daalden de inkomsten met ongeveer een derde. Het spelen met de muntwaarde was in die periode schering en inslag. Vlaanderen (lees Brugge) liep gebukt onder zware financiële sancties zoals het verdrag van Athis.[40] Een volgende daling krijgen we op het einde van de hongersnood van 1315-1317. Een daling die zich verder zet en een nieuw dieptepunt bereikt in 1325, midden in de Kustopstand.

 

Grafiek 2.1: Het totaal aan inkomsten van het SJH, 1279-1332.

 

Een fijnere benadering bekomen we door te kijken uit wat deze inkomsten bestaan. Volgen deze onderverdelingen de algemene fluctuaties? Wat is hun aandeel in de inkomsten? Deze verdere onderverdeling zal ons duidelijk maken of we de weerspiegeling aan de politiek-economische context zomaar mogen volgen of niet.

 

B) CIJNZEN EN PACHTEN

 

Een eerste indeling in de inkomsten is aan de cijnzen en pachten gewijd. Een eerste gevaar bij het interpreteren van de cijfergegevens zit in de begrippen zelf verscholen. In de Latijnse bronnen vinden we ‘redditus’ en ‘census’ terug, of in het Middelnederlands vertaalt, respectievelijk ‘renten’ en ‘cijnzen’ . Een vertaling die ons op het verkeerde been kan zetten. In het Brugse moeten we rond deze periode de Middelnederlandse ‘renten’ als cijnzen interpreteren en de ‘cijnzen’ als pachten.[41]

 

Om verdere verwarring te vermijden, worden hier enkel de termen gebruikt in hun hedendaagse betekenis. Hiermee wil ik zeggen dat een cijns het in gebruik geven van grond is, tegen een vaste betaling, met name het cijnsgeld. De cijnzen zijn normaliter van een onveranderlijke aard. Bovendien werd de cijnshouder quasi eigenaar van de cijnsgrond zodat de grond meestal van vader op zoon overging. Het in pacht geven daarentegen was slechts voor een bepaalde tijd.[42] De pachtgronden bleven in het volledig bezit van de eigenaar, samen met de bijhorende rechten. De pachter was slechts een grondgebruiker. De eigenaar moest er voor zorgen dat hij na afloop van het pachtcontract zijn grond terugkreeg, zonder dat die een waardevermindering had ondergaan. Daarom werd de pachter enkele eisen opgelegd en stelde de eigenaar faciliteiten ter beschikking (materiaal, leningen…).[43]

 

Een uitgebreid onderzoek inzake cijnzen en pachten komt aan bod in het derde deel van deze licentiaatverhandeling wanneer we het Sint-Janshospitaal als grootgrondbezitter bestuderen.[44] Hier gaan we enkel in op wat het aandeel is van de cijns- en pachtopbrengsten in de algemene inkomstenrekening van het Sint-Janshospitaal.

 

Grafiek 2.2: Inkomsten aan cijnzen en pachten, 1279-1332.

 

Uit deze fragmentaire gegevens kunnen we in grote lijnen weer de evolutie zien zoals deze voor de algemene inkomsten geschetst werd. Dieptepunten vinden we opnieuw terug in 1310 en 1324-1325. Hier krijgen we echter een nieuwe daling in 1315, het jaar waarin de zomerse regenbuien de graanopbrengst teniet deden. De pachters hadden zodoende geen inkomsten of moesten nu hun levensmiddelen op de markt inkopen zodat geen geld overbleef om de cijnzen en pachten in te lossen. Na de kustopstand zien we een zeer sterke stijging van de inkomsten aan cijnzen en pachten. Na deze oorlogsperiode werden de pachten en cijnzen waarschijnlijk gewoon weer opgenomen met inbegrip van de achterstallen. Dit is enkel hypothetisch want over nauwkeurige gegevens beschikken we helaas niet. Maar hoe zit dit in verhouding met het totale inkomen?

 

Tabel 2.2: Procentueel aandeel van de cijnzen en pachten

ten opzichte van het totaal inkomen.

Jaar

%

Jaar

%

 

 

 

 

 

 

1311

34,81

1279

37,49

1312

33,80

1283

28,30

1314

33,40

1284

32,01

1315

22,12

1286

33,16

1317

32,65

1288

27,55

1319

34,13

1289

27,20

1320

33,94

1291

25,44

1321

31,73

1298

18,27

1322

36,43

1299

20,79

1324

35,84

1304

24,08

1325

35,84

1305

22,51

1326

49,02

1306

24,11

1328

54,63