| Schutterijen en Schutterijmuziek in de Negentiende Eeuw. (Rien van Beusichem) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Naar schatting beoefent ongeveer 36% van de Nederlandse bevolking één of meer vormen van amateurkunst.[1] Ongeveer een derde gedeelte hiervan vormt de groep die wel aangeduid wordt als de amateur-muziek sector. Binnen de hoofddiscipline muziek kan een aantal subgroepen worden onderscheiden. De numeriek belangrijkste subgroep wordt gevormd door de koormuzieksector. De blaasmuzieksector, ook wel aangeduid met de term Hafabra (harmonie-fanfare-brassband), neemt numeriek de tweede plaats in en kent de hoogste organisatiegraad.[2]
Volgens een opgave uit 1996 van de Stichting Samenwerkende Muziekorganisaties Nederland (SMN)[3] telde Nederland in 1995 856 harmonieorkesten, 935 fanfareorkesten, 80 brassbands, 340 drumfanfares en 200 showkorpsen. Verder zijn er nog 600, al of niet aan bovengenoemde gezelschappen gelieerde, jeugdorkesten, drumbands en majorettepelotons. Omdat niet alle verenigingen staan ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en een aantal verenigingen niet is aangesloten bij één van de landelijke organisaties, mag worden aangenomen dat het aantal amateur-muziekverenigingen aanmerkelijk groter is dan de door de Stichting SMN gepresenteerde ‘officiële’ cijfers.
Uit het bovenstaande cijfermatige overzicht kan worden afgeleid dat in Nederland waarschijnlijk meer dan 300.000 mensen deel uitmaken van een amateur-blaasorkest. De nauwkeurigheid van deze schatting wordt ondersteund door resultaten van onderzoek waaruit bleek dat 2,2% van de Nederlandse bevolking een blaasinstrument bespeelt.[4] De blaasmuziek is dus als vorm van actieve muziekbeoefening in orkestverband sterk verankerd in de Nederlandse samenleving. De harmonie- en fanfareorkesten hadden en hebben nog steeds een belangrijke sociaal-maatschappelijke functie. Het blaasorkest leent zich namelijk bij uitstek voor optreden in de openlucht. Daarbij worden vanouds twee vormen onderscheiden waarmee het blaasorkest acte de présence kan geven: enerzijds het zittend concert op pleinen en in parken, muziekkoepels en kiosken, en anderzijds het marcherend optreden, al dan niet als onderdeel van grotere evenementen, optochten of processies. Het zal geen verbazing wekken dat de beide vormen van optreden onder meer gekenmerkt worden door de gevarieerdheid van het ten gehore gebrachte repertoire.
Bij het marcherend optreden van blaasorkesten wordt doorgaans geput uit het repertoire van de marsmuziek. De variatie in de programmering komt hierbij dus vooral tot uiting door de keuze binnen één genre, de loopmars.[5] Het genre van de marsmuziek bestaat uit een indrukwekkend corpus van vele honderden, wellicht duizenden, afzonderlijke marsen die elk hun specifieke karakter hebben voor wat betreft melodie en melodievoering, ritmiek en metriek (4/4 en 2/4 versus 6/8) en vorm. Het belangrijkste criterium voor een goede loopmars is dat er zowel door de musici als de niet-musici goed op gemarcheerd kan worden.
De loopmars kan beschouwd worden als functionele muziek of gebruiksmuziek en vindt zijn oorsprong in de ontwikkeling van militaire troepenbewegingen vanaf het eind van de zestiende eeuw. De Franse term marche werd vanaf die tijd gebruikt ter aanduiding van een regelmatige troepenbeweging. Tijdens de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) ontstonden de zogenaamde regelmatige legers[6] en namen de soldaten de gewoonte aan om de pas te markeren (Lat: marcare). Het invoeren van een ‘stap’ om het marcheertempo en het ritme te bepalen ligt ten grondslag aan het ontstaan van de eigenlijke marsmuziek.[7]
De oorspronkelijke functies van de militaire marsmuziek vertonen treffende overeenkomsten met het functionele karakter van de marsen die heden ten dage gespeeld worden door harmonie- en fanfareorkesten tijdens optochten, intochten en zogenaamde muzikale rondgangen. De doorgaans strakke exercitie, maar ook de uniformering en de uitmonstering daarvan (die vaak sterk doet denken aan de traditionele militaire ceremoniële tenues) vormen additionele ingrediënten voor de hypothese dat er een directe verbindinglijn moet lopen tussen de oorspronkelijke militaire blaasmuziek en de huidige amateur-blaasorkesten.[8]
De populariteit van de blaasmuziek bij de Nederlandse burgerbevolking sinds de vroege negentiende eeuw is een rechtstreeks gevolg van de invloedrijke positie die de Franse militaire muziek ten tijde van de Bataafse Republiek (1795-1813) had ingenomen.[9] Daarnaast is de deelname van vele locale Schutterijen aan de Belgische Opstand en de daaropvolgende mobilisatie (1830-1839) van grote invloed geweest op de populariteit van de schutterijmuziek onder de burgerbevolking. In vrijwel alle dorpen en steden waar zogenaamde Dienstdoende Schutterijen waren gevestigd, was tevens een met de plaatselijke Schutterij geassocieerd muziekkorps actief. Terwijl de (professionele) militaire muziekkorpsen slechts als voorbeeld konden dienen voor de liefhebbers van blaasmuziek onder de burgerbevolking, boden de meeste muziekkorpsen der Dienstdoende Schutterij voor dilettanten bij uitstek een gelegenheid daadwerkelijk toe te treden tot, en actief te participeren in een paramilitair harmonieorkest.
Reeds in de jaren dertig van de negentiende eeuw ontstond er binnen de lagere sociale klassen een toenemende behoefte om in groepsverband te musiceren. In de jaren veertig, toen het Koninkrijk na de demobilisatie zowel politiek als sociaal in rustiger vaarwater terecht was gekomen, kwam de behoefte tot gezamenlijk musiceren tot volle expressie. In deze periode werden in Nederland vele particuliere muziekverenigingen opgericht. Ook deze verenigingen lieten zich veelal inspireren door de militaire en paramilitaire muziekkorpsen. Dat kwam allereerst tot uitdrukking in de voorkeur voor het bespelen van blaasinstrumenten. Aan deze keuze lagen zowel praktische als muzikale factoren ten grondslag. De muziekkorpsen speelden aanvankelijk hoofdzakelijk in de open lucht; blaasinstrumenten verdienen onder deze omstandigheden de voorkeur boven strijkinstrumenten. Een niet te onderschatten extra voordeel van blaasinstrumenten is dat zij in het algemeen minder kwetsbaar zijn dan de strijkinstrumenten en derhalve minder delicaat zijn voor gebruik door minder geoefende muzikanten. Hoewel het bespelen van koperen blaasinstrumenten in vergelijking met houten blaasinstrumenten een relatief geringere vingervaardigheid vergt, werden reeds vanaf het begin – naar het model van de stafmuziekkorpsen van de infanterie – veel amateur-muziekkorpsen in harmoniebezetting opgezet.
Hoewel er op het gebied van de amateur-blaasmuziek dus sprake was van vele particuliere initiatieven, is het instituut schutterijmuziek van zeer grote betekenis gebleven voor de ontwikkeling van het Nederlandse muziekleven in het algemeen en voor het orkestenbestel in het bijzonder. Dat is niet verwonderlijk als bedacht wordt dat juist via de plaatselijke Schutterijen de locale overheden rechtstreeks betrokken waren bij een niet onbelangrijk segment van het openbare muziekleven. Gedurende de gehele negentiende eeuw hebben stads- en gemeentebesturen een, weliswaar in plaats en tijd wisselende, invloed op het functioneren van de schutterijmuziek uitgeoefend. Deze overheidsbemoeienis is medebepalend geweest voor de groei en ontwikkeling van zowel de amateur-muziek sector als van het ten dele uit deze sector voortgekomen professionele orkestenbestel.
Uit het bovenstaande moge duidelijk geworden zijn dat de schutterijmuziek als een niet te onderschatten segment van het negentiende-eeuwse muziekleven beschouwd mag worden. Zowel een aantal hedendaagse muzikale uitingen als een aantal hedendaagse muzikale instellingen vinden hun oorsprong in de schutterijmuziek respectievelijk de schutterijmuziekkorpsen. Het is daarom verwonderlijk dat tot nu toe geen diepgaande studies zijn verricht over de organisatie en het functioneren van de negentiende-eeuwse Schutterijen in Nederland en de positionering van de muziekkorpsen daarin.
Deze studie beoogt een bijdrage te leveren aan de verdieping van de tamelijk gebrekkige huidige inzichten in de rol en betekenis die de Schutterijen en de schutterijmuziek voor de negentiende-eeuwse Nederlandse samenleving hebben gehad. Na enig vooronderzoek bleek al snel dat een gedetailleerd historisch onderzoek naar het functioneren van muziekkorps x in de stad y weliswaar zinvol kan zijn, maar dat bij een dergelijke benadering hooguit temporele aspecten worden belicht. Hoewel deze inductieve benadering voor een aspirant-onderzoeker met een β-achtergrond in eerste instantie een verleidelijk scenario is, werd deze methode niet toereikend geacht voor het bereiken van bovengenoemde doelstelling. Bij het genoemde vooronderzoek was namelijk gebleken dat niet de temporele maar juist de regionale verschillen wel eens doorslaggevend zouden kunnen zijn voor het schetsen van een evenwichtig beeld van de Nederlandse situatie in de negentiende eeuw. Een additioneel voordeel van een meer deductief opgezet onderzoek is dat de resultaten ervan kunnen bijdragen tot de verheldering van het fragmentarische, onvolledige en soms onjuiste beeld dat thans over de Schutterijen en de schutterijmuziek bestaat.
Teneinde een goede indruk te krijgen in welke context de muziekkorpsen der Dienstdoende Schutterij zijn opgericht en zich gedurende de gehele negentiende eeuw hebben ontwikkeld, werd het noodzakelijk geacht het onderzoek te beginnen met een gedetailleerde studie omtrent de wettelijke basis, de organisatie en de taken van de in 1815 in Nederland opgerichte Schutterijen. De relevante resultaten daarvan zijn weergegeven in hoofdstuk 2.
Bij pogingen om een totaaloverzicht te verkrijgen over het functioneren van de muziekkorpsen bij de diverse Dienstdoende Schutterijen in het gehele land doemen als vanzelfsprekend de eerste pitfalls op. Enerzijds dienen de te verzamelen ingrediënten ‘terreindekkend’ te zijn, anderzijds moeten er keuzes gemaakt worden. Uiteindelijk is gekozen voor een vogelvluchtbenadering in de vorm van een ‘muzikale rondgang’ langs de provinciehoofdsteden. De verantwoording voor deze keuze en het uitgebreide verslag van deze ‘muzikale rondgang’ zijn neergelegd in hoofdstuk 3.1.
Bij het doen van onderzoek stuit men soms op zaken waarnaar men in eerste instantie niet op zoek was, maar die het onderzoek een onverwacht gunstige wending kunnen geven. Dat was ook hier het geval. In het Stadsarchief van Dordrecht bevindt zich namelijk een stapel documenten die tezamen het resultaat vormen van een in 1859 door de Dordtse Dienstdoende Schutterij gehouden enquête onder zeventien over het land verspreide zusterschutterijen. De resultaten van de in hoofdstuk 3.2 verwerkte gegevens van deze ‘Dordtse Enquête’ kunnen deels beschouwd worden als een uitstekend supplement op de in hoofdstuk 3.1 beschreven studie. Anderzijds was het mogelijk om met betrekking tot een aantal zeer concrete aspecten (bezetting, salariëring, financiële exploitatie, uitvoeringen) een heldere analyse te maken van de ruimtelijke diversiteit op één moment, waardoor hoofdstuk 3.2 tevens beschouwd kan worden als een zelfstandig complement op de in hoofdstuk 3.1 gekozen benadering.
In hoofdstuk 4 worden de bevindingen uit de eerdere hoofdstukken geëvalueerd, waarbij tevens een poging wordt gedaan de schutterijmuziek in de context te plaatsen van de in snel tempo voortschrijdende sociale stratificatieprocessen in de negentiende eeuw. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een bespreking van de lotgevallen van de diverse schutterijmuziekkorpsen nadat de Schutterijen in Nederland op 1 augustus 1907 officieel werden opgeheven.
2 Wettelijke basis, organisatie en taken van de Schutterijen
2.1 De grondwet van 1814
2.1.1 De vorming van de Vereenigde Nederlanden
De nederlaag die de Franse troepen tussen 16 en 19 oktober 1813 in de Volkerenslag bij Leipzig hadden geleden vormde de beslissende wending in de vrijheidsoorlogen tegen Napoleon. Het was tevens de directe aanleiding voor het Franse besluit zich ook uit de Nederlanden terug te trekken. Onmiddellijk na het vertrek van de Franse troepen werd door de Orangisten op 17 november een niet-ondertekend strooibiljet verspreid dat op vele plaatsen in het land werd afgelezen.[10] De tekst luidde als volgt:
Oranje Boven.
Holland is vry.
De Bondgenooten trekken op Utrecht.
De Engelschen worden geroepen.
De Franschen vlugten aan alle kanten.
De zee is open.
De koophandel herleeft.
Alle partyschap heeft opgehouden.
Al het geledene is vergeeten
En vergeeven.
Alle de aanzienlyken komen in de regeering.
De regeering roept den Prins uit
Tot Hooge Overheid.
Wy voegen ons by de Bondgenooten
En dwingen den vyand tot vrede.
Het volk krygt een vrolyken dag
Op gemeene kosten
Zonder plundering noch mishandeling.
Elk dankt GOD.
De oude tyden komen wederom.
Oranje Boven!
Enkele dagen later werd door het Voorlopig Bewind (in sommige stukken ook wel aangeduid als ‘Provisionele Regering’), bestaande uit de heren Gijsbert Karel van Hogendorp (1762-1834) en Adam François Jules Armand van der Duyn van Maasdam (1771-1848), in een korte proclamatie de aanvaarding van het Algemeen Bestuur gepubliceerd.[11] Deze korte mededeling werd onmiddellijk gevolgd door een uitgebreide proclamatie van het Algemeen Bestuur waarin namens de Prins van Oranje het herstel van de vrijheid en de onafhankelijkheid van de Nederlanden werd uitgeroepen.[12]
Vanaf dat moment volgden enkele belangrijke gebeurtenissen zich in snel tempo op. Tien dagen na de proclamatie door het Voorlopig Bewind keerde erfprins Willem Frederik van Oranje-Nassau, zoon van stadhouder Willem V, terug uit ballingschap in Engeland. Direct na aankomst in Scheveningen wordt hem door het Voorlopig Bewind verzocht om staatshoofd (soeverein vorst) te worden. Daar hoefde hij klaarblijkelijk niet lang over na te denken want reeds twee dagen later, op 2 december 1813, aanvaardde hij in Amsterdam ten overstaan van de notabelen Kemper, Fannius Scholten en Falck de soevereiniteit over de Vereenigde Nederlanden. Deze aanvaarding vond plaats ‘onder waarborging eener wijze constitutie’.
De nieuw ontstane situatie werd aangegrepen om met een grote voortvarendheid nieuwe fundamenten te leggen onder het staatkundig en politieke bestel. Bij Besluit van 6 december kondigde Willem Frederik aan ‘de teugels der regering zelve in handen te nemen en ons met de onmiddellijke bestiering der staatszaken te belasten’.[13] Het Besluit bevatte tevens het voornemen ‘na verloop van weinige weken aan onze geliefde landgenooten eene constitutie te kunnen aanbieden, die, onder het eenhoofdige bestuur, dat zij zelven gekozen hebben, hunne zeden, hunne eigenaardige herkomsten en gebruiken, in één woord, hunne aloude vrijheid verzekere’.[14] Nog in diezelfde maand riep Willem Frederik een commissie in het leven die werd belast met het tot stand brengen van een nieuwe grondwet.
De grondwetscommissie stond onder leiding van de eerder genoemde Gijsbert Karel van Hogendorp, die reeds in 1812 diverse schetsen voor een voorlopige grondwet had gemaakt. Mede daardoor kon de commissie een vliegende start maken en haar werkzaamheden in zeer korte tijd, minder dan drie maanden, afronden. Op 29 maart 1814 werden te Amsterdam de voorstellen van de commissie door de Grote Vergadering der Aanzienlijken[15] overgenomen en werd het definitieve ontwerp goedgekeurd. Daarmee was de Grondwet voor de Vereenigde Nederlanden officieel vastgesteld en trad met onmiddellijke ingang in werking.[16] De dag daarop (30 maart 1814) werd Willem Frederik ingehuldigd als Vorst Prins Willem I Frederik, erfelijk soeverein vorst der Nederlanden.
2.1.2 Het Zesde Hoofdstuk ‘Van de Defensie’
De grondwet van 1814 bevat 146 artikelen, gerubriceerd in negen hoofdstukken. In het kader van deze studie is vooral het zesde hoofdstuk ‘Van de Defensie’ (bestaande uit de artikelen 121-126) van belang. De inhoud van deze vijf artikelen geeft een goed inzicht in zowel de beoogde opbouw van het defensieapparaat als geheel als de positionering daarin van de nieuw op te richten Schutterijen.[17] De letterlijke tekst luidt als volgt:
Artikel 121
Het dragen der wapenen tot handhaving der onafhankelijkheid van den Staat en de beveiliging van deszelfs grondgebied blijft, overeenkomstig 's Lands oude gewoonte en het grondbeginsel bij de Unie van Utrecht aangenomen, een der eerste pligten van alle Ingezetenen dezer landen.
Artikel 122
Dienvolgens is het ook ten allen tijde eene der eerste zorgen van den Souvereinen Vorst, dat er eene toereikende Zee- en Landmagt onderhouden worde, aangeworven uit vrijwilligers, het zij inboorlingen of vreemden, ten einde te dienen in of buiten Europa naar de omstandigheden.
Artikel 123
Behalve de vaste Zee- en Landmagt zal er steeds zijn eene Nationale Militie, waarvan in vredenstijd jaarlijks een vijfde gedeelte wordt ontslagen en door anderen, ten gelijken getale, vervangen, zoo veel mogelijk te nemen uit vrijwilligers, en anders bij loting, uit de ongetrouwde Ingezetenen van 18 tot 22 jaren. Die, welke hun ontslag zullen bekomen, kunnen onder geen voorwendsel, tot eenigen anderen dienst, dan voor de hierna te melden Schutterijen worden opgeroepen.
Artikel 124
De Militie komt in gewone tijden jaarlijks eenmaal te zamen, om, gedurende eene maand of daaromtrent, in den wapenhandel geoefend te worden; blijvende het nogtans aan den Souvereinen Vorst voorbehouden, om, wanneer Hij zulks voor 's Lands belangen mogt geraden oordeelen, een vierde van het geheele getal te doen zamen blijven.
Ingevalle het, bij buitengewone omstandigheden of dreigend oorlogs gevaar, noodig zijn mogt de geheele Militie bijeen te roepen en te doen zamen blijven, zal zulks, indien de Staten-Generaal niet vergaderd zijn, gepaard gaan met eene buitengewone bijeenroeping van dezelven, ten einde van het verrigtte opening te geven en de verdere daartoe betrekkelijke maatregelen met de vergadering te beramen.
Artikel 125
In alle de Steden worden, als van ouds, Schutterijen opgerigt tot behoud der inwendige rust. Deze Schutterijen dienen in tijden van oorlog en gevaar tegen de aanvallen van den vijand. In dit geval worden er ook Schutterijen ten platte Lande ingesteld, welke gezamenlijk met die der Steden dienen als een Landstorm tot verdediging des Vaderlands.
Artikel 126
De bepalingen, welke door den Souvereinen Vorst, zoo omtrent het getal en de inrigting der Militie, als opzigtelijk het geen den Landstorm betreft, noodig geoordeeld worden, zullen het voorwerp eener, door Denzelven voortedragen, wet uitmaken.
Behalve het organiseren van een beroepsleger in de vorm van de vaste Zee- en Landmacht en het optuigen van een uit vrijwilligers en dienstplichtigen bestaande Nationale Militie werd door de wetgever nadrukkelijk de behoefte gevoeld ook op stedelijk niveau een (para)militaire organisatie te vestigen in de vorm van Schutterijen. Uit de tekst van art. 125 blijkt uit de zinsnede ‘als van ouds’ dat men bij de oprichting van de nieuwe Schutterijen weliswaar teruggreep op het verleden, maar daarnaast ook vernieuwende elementen wenste te introduceren. Het voornemen tot het vestigen van Schutterijen op het platteland (art. 125) en de aankondiging zowel kwantiteit als kwaliteit en organisatie wettelijk te gaan regelen (art. 126) springen daarbij in het oog.
De Wet tot het in werking brengen van art. 125 en 126 der Grondwet, omtrent de oprigting der Schutterijen werd op 27 februari 1815 gepubliceerd.[18] In deze wet werd onder meer bepaald dat alle weerbare mannen tussen 18 en 50 jaar in principe schutterplichtig waren. Alle gemeenten met bevolkingskernen van meer dan 2500 inwoners moesten een Dienstdoende Schutterij oprichten; aan kleinere gemeenten werd de keuze gelaten een Dienstdoende of een Rustende Schutterij te organiseren. Per 20.000 inwoners diende in vredestijd een bataljon Dienstdoende Schutterij, bestaande uit 600 personen, te worden gelicht. In oorlogstijd of bij oorlogsdreiging dienden de Rustende en Dienstdoende Schutterijen te worden samengevoegd tot de zogenaamde Landstorm. De Landstorm moest ingericht te worden overeenkomstig de organisatie van de Nationale Militie. De Nationale Militie was georganiseerd in militiedistricten, onderverdeeld in kantons. Per kanton (dat geacht werd ongeveer 10.000 inwoners te bestrijken) moesten 300 schutters worden ingelijfd.
De invoering van de wet geschiedde nogal chaotisch en bovendien niet overal op dezelfde wijze. De bepalingen waren met name voor de noordelijke provincies zeer bezwarend. Merkwaardigerwijs is deze eerste Schutterijwet in sommige delen van het land in het geheel niet in werking getreden. Waarschijnlijk is dat het gevolg geweest van het feit dat de wetstekst op enkele cruciale onderdelen multi-interpretabel was en geen voor het gehele rijk gelijk werkende maatregelen behelsde.
2.2 De grondwet van 1815
2.2.1 De vorming van het Koningrijk der Nederlanden
Nadat op 26 februari 1815 Napoleon was teruggekeerd uit Elba, waarheen hij sinds 30 mei 1814 was verbannen, proclameerde Willem I zichzelf op 16 maart 1815 te Brussel tot Koning der Verenigde Nederlanden. Deze niet onbelangrijke wijziging in de status van zowel de persoon als van het Nederlandse grondgebied (dat immers vanaf die datum officieel een koninkrijk was geworden) had de instemming van de overwinnende mogendheden (Pruisen, Oostenrijk, Rusland en het Verenigd Koninkrijk) die tezamen het Congres van Wenen vormden. Tijdens dit Congres, dat plaatsvond tussen september 1814 en juni 1815, werden de grenzen in Europa drastisch herzien in het kader van een staatkundige herordening na de val van Napoleon.
Reeds in 1814 was door het Congres van Wenen bepaald dat in het kader van de omringingspolitiek (één van de vier hoofdpijlers van het Congres) Frankrijk omringd moest worden door redelijk sterke bufferstaten. In het noorden zou dat bij voorkeur één ongedeelde staat moeten zijn. De proclamatie tot koning van Willem I en de hernieuwde oorlogszuchtige activiteiten van Napoleon versnelden de besluitvorming van het Congres inzake de vereniging van de voormalige Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en de confederale gebieden van de Zuidelijke Nederlanden. Bij Tractaat gesloten en getekend op 9 juni 1815 door alle in het Congres vertegenwoordigde mogendheden, was het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden een feit.
De Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden werden hierbij verbonden in een constitutionele monarchie. Tevens kreeg Koning Willem I het Groothertogdom Luxemburg (dat toen een grondgebied omvatte dat ruim twee maal zo groot was als het huidige Luxemburg) in personele unie toegewezen als schadeloosstelling voor het verlies van de Nassause stamlanden. Daarmee was een niet onbelangrijke doelstelling van het Congres van Wenen bereikt, nota bene ruim een week vóórdat Napoleon na de veldslagen bij Ligny en Quatre Bras (16 juni) bij Waterloo op 18 juni 1815 zijn genadeslag kreeg.
2.2.2 Het Achtste Hoofdstuk ‘Van de Defensie’
Uiteraard moest ook de grondwet aan de nieuwe situatie worden aangepast. Anderhalf jaar na de totstandkoming van de eerste grondwet verscheen op 24 augustus 1815 de Grondwet voor het Koningrijk der Nederlanden.[19] Deze was aanzienlijk uitgebreider dan zijn voorganger. De wet bevatte 234 (+ 3 additionele) artikelen. Ook het (achtste) hoofdstuk over de defensie werd uitgebreid van zes naar twaalf artikelen (artt. 203-214). Opmerkelijk daarbij is dat het aantal artikelen betreffende de Schutterijen gelijk gebleven is, maar dat het eerder gemaakte onderscheid tussen stad en platteland in art. 213 nu kwantitatief was gemaakt (samengevat: gemeenten met meer, respectievelijk minder dan 2500 inwoners); bovendien wordt in dit artikel het begrip Rustende Schutterij geïntroduceerd. Uit art. 214 blijkt duidelijk dat de wetgever de sterkte en organisatie van de Schutterijen door middel van afzonderlijke wetgeving wenst uit te werken. De letterlijke tekst luidt als volgt:
Artikel 213
In alle gemeenten, welker bevolking binnen den besloten kring of omtrek der gebouwen, 2500 zielen en daarboven bedraagt, worden als van ouds Schutterijen opgerigt, tot behoud der inwendige rust. Deze Schutterijen dienen in tijden van oorlog en gevaar, tegen de aanvallen van den vijand. In andere gemeenten worden, in tijd van vrede, Rustende Schutterijen ingesteld, welke, in geval van oorlog, gezamenlijk met de vorengemelde dienen als een Landstorm, tot verdediging des vaderlands.
Artikel 214
De bepalingen, welke door den Koning, zoo omtrent het getal en de inrigting der militie, als opzigtelijk hetgeen de Schutterijen en den Landstorm betreft, noodig geoordeeld worden, zijn het voorwerp eener door Hem voor te dragen wet.
2.3 De Schutterijwet van 1827
2.3.1 Aansluiting op de grondwet
Op 11 april 1827 werd de Schutterijwet van 1815 vervangen door de nieuwe Wet, houdende de oprigting van Schutterijen over de geheele uitgestrektheid des Rijks.[20] Zoals reeds uit de titel blijkt, was deze wet letterlijk en figuurlijk terreindekkend; zij bevat instructies voor de oprichting, instandhouding, sterkte en taken van de Schutterijen, alsmede bepalingen omtrent inschrijving, loting, vrijstelling, uitsluiting en ontslag van de individuele schutters.
In overeenstemming met art. 213 van de grondwet wordt voor wat betreft de paraatheid van de Schutterijen onderscheid gemaakt tussen gemeenten waarvan de bevolking binnen de besloten kring of omtrek der gebouwen meer dan wel minder dan 2500 inwoners bedraagt. Voor dit onderscheid worden in deze wet de begrippen Dienstdoende respectievelijk Rustende Schutterijen geïntroduceerd en nader uitgewerkt. Ter voldoening van hetgeen in art. 213 van de grondwet bepaald was over de positionering van de Schutterijen in tijden van oorlog en gevaar, zijn in de Schutterijwet enkele algemene bepalingen over de vorming van de landstorm opgenomen.
2.3.2 Opbouw van de Schutterijwet
De Schutterijwet van 1827 is een uitgebreid document waarin alle aspecten van de schutterijorganisatie vrij gedetailleerd worden beschreven. De wet is opgebouwd uit vijf Afdelingen. De eerste en tweede Afdeling vormen tezamen de kern van de Schutterijwet. De eerste Afdeling bevat algemene bepalingen die zowel op de Dienstdoende als op de Rustende Schutterijen betrekking hebben. Specifieke zaken betreffende de Dienstdoende Schutterijen worden in de tweede Afdeling behandeld. Beide Afdelingen zijn onderverdeeld in enkele hoofdstukken.
Eerste Afdeling
Het eerste hoofdstuk (artt. 1-5) handelt over zowel de verplichting als de bevoegdheid tot de schutterlijke dienst.
Het tweede hoofdstuk (artt. 6-16) behandelt de procedure van inschrijving en loting en de beoordeling van de redenen van vrijstelling en uitsluiting.[21]
Het derde hoofdstuk (artt. 17-22) bevat de regelingen met betrekking tot de zogenaamde nummerwisseling.
Het vierde hoofdstuk (artt. 23-28) gaat over de sterkte van de Schutterijen, de diensttijd, de jaarlijkse ontslagronde en de jaarlijkse aanvulling.
Hoofdstuk vijf (artt. 29-33) behandelt enkele zaken betreffende benoeming van de officieren en onderofficieren.
Hoofdstuk zes (artt. 34-36) bevat alle bepalingen over de financiering van de Schutterijen.
Tweede Afdeling
Het eerste hoofdstuk (artt. 37-41) bevat artikelen over de wapenen, de onderscheidingstekenen en de kleding.[22]
Hoofdstuk twee (artt. 42-52) handelt over de wapenoefeningen, de dienstverrichtingen en de verhouding van de Schutterijen tot de militaire macht.
Hoofdstuk drie (artt. 53-72) beschrijft in detail de schutterlijke tucht en de rechtspleging.
Overige Afdelingen
De derde Afdeling (artt. 73-76) bevat de specifieke bepalingen die van toepassing zijn op de Rustende Schutterijen.
Enkele artikelen over de landstorm, d.w.z. de vereniging van de Dienstdoende en Rustende Schutterijen – inclusief de zogenaamde reserve – in tijden van oorlog en gevaar, vormen tezamen de vierde Afdeling (artt. 77-83).
In de vijfde Afdeling (artt. 84-88) wordt tenslotte de procedure voor de totstandkoming van de eerste lichting Schutterijen op voet van deze wet beschreven. Dit inhoud van dit laatste hoofdstuk zouden we tegenwoordig aanduiden als de invoeringsbepalingen.
2.3.3 Organisatie en taken van de Dienstdoende Schutterijen
In principe was iedere mannelijke ingezetene van het Rijk tussen zijn 25e en 35e verjaardag verplicht schutterlijke diensten te verrichten (art. 1).[23] Slechts diegenen die ongeneeslijk ziek waren of kleiner waren dan één Nederlandse el en vijfhonderd zeventig strepen waren daarvan onvoorwaardelijk vrijgesteld (art. 3a,b).[24] Er waren echter nogal wat categorieën die in aanmerking kwamen voor voorwaardelijke vrijstelling (art. 3c-m). Zo behoefden geestelijken en studenten in de godgeleerdheid niet te dienen, maar ook alle professoren en lectoren aan de hogescholen, athenea en seminaries waren van hun schutterlijke plichten ontheven. Verder bestond er een regeling in verband met de zogenaamde broederdienst. Opmerkelijk is dat ook lijf- en huisbedienden en personen die bij voortduring werden bedeeld uit armenkassen of in armengestichten werden opgevoed of onderhouden van de dienst in de Schutterij waren vrijgesteld.
Naast de vele vrijstellingen waren er ook uitsluitingen: men werd niet tot de dienst der Schutterijen toegelaten na een gerechtelijk vonnis waarbij een volgens de wet onterende straf was opgelegd en ook gevangenen werden gedurende hun gevangenschap buiten de oproeping gehouden (artt. 4 en 5).
Elke daarvoor in aanmerking komende ingezetene diende zich vóór 1 juni in persoon te melden voor inschrijving (art. 6). Het locale bestuur stelde vervolgens een alfabetische lijst, het zogenaamde inschrijvingregister, op. Aan het hoofd van die lijst werden, in deze volgorde, vermeld:
de personen die zich niet hadden laten inschrijven;
zij die naar de betreffende gemeente waren verhuisd en in de vorige woonplaats nog diensttijd hadden te volbrengen;
de eerder voorwaardelijk vrijgestelden, voor zover hun vrijstelling was komen te vervallen en zij bij de loting in het jaar van hun inschrijving een dienstplichtig nummer hadden getrokken (KB 21.03.1828: artt. 9 en 10).
Deze personen werden zonder loting bij de Schutterij ingelijfd (art. 9). De openbare loting vond vervolgens vóór 1 juli plaats (artt. 10 en 11). De lotinglijst (inclusief de daarop vermelde vrijstellingen) leverde het materiaal voor de zogenaamde algemene rol (artt. 13 en 14; KB 07.09.1828: art. 5).
Op de algemene rol werden eerst de personen vermeld die zonder loting waren ingelijfd, vervolgens de ongehuwden en weduwnaars zonder kinderen op volgorde van hun lotingnummer en tenslotte de gehuwden (met of zonder kinderen) en de weduwnaars met één of meer kinderen op volgorde van hun lotingnummer. De algemene rol diende als basis voor de bijzondere rol, waarop de personen werden vermeld die in werkelijke dienst werden opgeroepen ter opvulling van de plaatsen die door ontslag, overlijden, verandering van woonplaats en ontstane vrijstellingen (KB 07.09.1828: art. 4) waren opengevallen, rekening houdend met de vereiste sterkte van de Schutterij: twee mannen per 100 inwoners (art. 23). De bijzondere rol bevatte tevens de namen van degenen die voorwaardelijk waren vrijgesteld maar wel een dienstplichtig nummer hadden getrokken. Alle overige personen werden geacht te zijn uitgeloot en werden voorgoed gevrijwaard van schutterlijke plichten.
Een hoofdstuk apart vormde de zogenaamde nummerwisseling. Het was, onder strikte voorwaarden, toegestaan ieder jaar van nummer te wisselen met iemand die een hoger nummer te beurt was gevallen (artt. 17-22; KB 28.06.1828: art. 11). Hiervoor moest door de persoon met het lagere nummer een jaarlijkse contributie aan de gemeentekas betalen. Bovendien moest hij de kosten van de kleding van zijn remplaçant voor zijn rekening nemen.
De werkelijke diensttijd bedroeg 5 jaar; direct na afloop van deze periode werden de manschappen als reservist in de stamboeken vermeld (art. 23). De reservisten waren in tijden van vrede volledig vrijgesteld van schutterlijke diensten. Het definitieve ontslag volgde na vijf jaren bij de reserve te hebben gestaan, maar uiterlijk op de 35ste verjaardag (artt. 25 en 26).
Niet onbelangrijk waren de regelingen omtrent de bekostiging van de schutterijorganisatie. De financiële lasten ten behoeve van de Schutterij vormde een afzonderlijke post op de gemeentebegroting (art. 34). Elk jaar diende de zogenaamde schuttersraad een begroting in te dienen bij de gemeenteraad, die deze na voorlopige goedkeuring moest incorporeren in de gemeentebegroting en vervolgens moest doorsturen naar Gedeputeerde Staten ter definitieve vaststelling (art. 35). De schutterijbegrotingen werden steekproefsgewijs door het Departement van Binnenlandse zaken gecontroleerd. De bijdrage uit de gemeentekas vormde een belangrijke bron van inkomsten voor een Schutterij; daarnaast genoot de Schutterij inkomsten uit allerlei wettelijk vastgestelde boeten, bijdragen en contributies (art. 36). Wapens (geweren en sabels) werden door de Schutterij ter beschikking gesteld (art. 37); munitie kwam voor rekening van het Departement van Oorlog (art. 39). De schutters moesten zelf zorgdragen voor het onderhoud van de hun ter beschikking gestelde wapenen en uitrusting (art. 38) en, behalve in geval van aantoonbaar onvermogen, hun eigen dienstkleding betalen (art. 41).
De schutters moesten tussen 1 april en 1 oktober deelnemen aan georganiseerde schietoefeningen in de vorm van ‘het schieten naar de schijf’. Deze oefeningen vonden maximaal één keer per veertien dagen gedurende hooguit twee uren op zondagmiddag plaats. In verband met de kerkdiensten mochten deze oefeningen niet eerder beginnen dan om vijf uur ’s middags en moesten minstens een half uur voor zonsondergang zijn afgelopen (art. 42). Tijdens deze oefenmiddagen werd vaak ook tijd ingeruimd voor oefeningen in het exerceren. De schutters die voldoende bekwaamheid hadden getoond, werden van deze oefeningen vrijgesteld. De wet bepaalde verder dat er jaarlijks twee of drie zogenaamde wapenschouwingen moesten worden gehouden. Dit waren grote evenementen waaraan iedere schutter moest deelnemen (art. 43).[25]
Over de taken bij gevaar of alarm is de Schutterijwet niet zeer concreet. Bij ordeverstoringen of brand kon de commandant der Schutterij op last van het gemeentebestuur zijn manschappen onder de wapenen roepen; elke schutter diende zich dan naar de ‘voor hem bestemde alarm- of loopplaats’ te begeven (art. 44). Bij zeer ernstige situaties, bijvoorbeeld bij alarm voor militaire bezetting, kon de Schutterij door het gemeentebestuur onder het bevel van de militaire commandant worden gesteld (art. 46).
De Schutterijwet bevat een vrij uitgebreid hoofdstuk over de sancties die dienden te worden opgelegd bij onachtzaamheid, slordigheid, ongeoorloofd verzuim, openbare onwil, het bieden van tegenstand, opzettelijke weigering en moedwillige nalatigheid. Al deze handelingen werden beschouwd als vergrijpen tegen de orde of tegen de ondergeschiktheid en bestraft door de schuttersraad. De straffen konden variëren van simpele – in een aantal gevallen forse – geldboeten tot degradatie van rang of zelfs definitieve wegzending uit de Schutterij (artt. 53-72). Zoals hierboven reeds vermeld, kwamen de inkomsten uit geldboeten geheel ten goede aan de exploitatie van de Schutterij.
In tegenstelling tot de Land- en Zeemacht en de Nationale Militie was de plaatselijke Dienstdoende Schutterij in de eerste plaats een organisatie van burgers die naast hun dagelijkse werkzaamheden gedurende een aantal jaren binnen de gemeente schutterlijke plichten moesten vervullen. Dat neemt niet weg dat de Dienstdoende Schutterijen in vele opzichten kenmerken vertoonden van een ‘lokaal extract’ van de landelijke militaire organisatie. Dit gold niet alleen de interne organisatie (rangenstelsel, tucht rechtspleging, etc.), maar zeker ook het uiterlijk vertoon (uniformering, exercities, parades, escortes, erewachten, etc.).
Een groot verschil tussen de militaire regimenten en de stedelijke Schutterijen betrof de positionering van de muziekkorpsen binnen de organisatie. De militaire muziek en de muziekkorpsen waren gedurende de gehele negentiende eeuw een onlosmakelijk onderdeel van de militaire organisatie. De relaties tussen de plaatselijke Schutterijen en de diverse muziekkorpsen waren echter in veel gevallen minder eenduidig en bovendien vaak dynamisch van karakter. De dynamiek bestond hieruit dat de graad van associatie van een muziekkorps met de Schutterij niet alleen van plaats tot plaats kon verschillen maar ook in de loop van de tijd kon wijzigen. In het volgende hoofdstuk zal nader worden ingegaan op de lotgevallen van zowel de muziekkorpsen van de Dienstdoende Schutterij als van andere aan de Schutterij gelieerde stedelijke blaasorkesten.
3 Muziekkorpsen bij en van de Schutterij
3.1 Rondgang langs de provinciehoofdsteden
3.1.1 Inleiding
De hoeveelheid literatuur over de Nederlandse militaire muziek en de organisatie van de militaire orkesten in de negentiende eeuw is zeer bescheiden. Eén van de eerste pogingen om tot een geschiedschrijving van de militaire muziek te komen was van Wouter Hutschenruyter Jr. (1859-1943). Zijn in 1930 gepubliceerde boekje is echter vooral een overzicht van de ontwikkeling van de in de militaire muziek gebruikte muziekinstrumenten.[26]
Als standaard voor de Nederlandse militaire muziekgeschiedenis wordt vaak het gelegenheidswerk van Rocus van Yperen (1914-1994),[27] getiteld De Nederlandse Militaire Muziek, aangehaald. Opmerkelijk is echter dat in het 141 pagina’s tellende boekje slechts 25 pagina’s aan de ontwikkelingen in de negentiende eeuw worden besteed.[28] De auteur gaf reeds in zijn voorwoord aan dat de gegevens voor een historische beschrijving van de ontwikkelingen van de Nederlandse militaire muziek goeddeels moesten worden gezocht in Koninklijke Besluiten en stamboeken, en in de Recueil Militair en andere verzamelingen oude militaire voorschriften. Het meeste materiaal bleek soms diep verborgen te liggen in burgerlijke of militaire archieven. Het is bovendien niet verwonderlijk dat het archiefmateriaal in sommige opzichten geen antwoord verschafte op gestelde vragen (bijvoorbeeld met betrekking tot bezetting en repertoire), waardoor het verkregen fragmentarische en dus onvolledige beeld niet altijd gereconstrueerd kon worden tot een verantwoorde gedetailleerde ontwikkelingsbeschrijving.
Een meer recente publicatie van de Sectie Militaire Geschiedenis van de Koninklijke Landmacht (thans Nederlands Instituut voor Militaire Historie) voegt weinig toe aan hetgeen Van Yperen reeds in 1966 vermeldde.[29] Ook uit de rapportage in 2001 van het door de Stichting Unisono uitgevoerde project BINGO (Blaasmuziek In Nederland: Groei en Ontwikkeling) blijkt weinig nieuws naar boven gehaald te zijn. De bijdrage van Tonja Slippens, waarin zij op basis van archiefonderzoek de bezetting van 48 werken voor (militair) blaasorkest heeft achterhaald en chronologisch heeft gerangschikt, vormt hierop een positieve uitzondering.[30]
De literatuur over de ontwikkelingen in de organisatie van de militaire muziek in de negentiende eeuw – en dan met name over het aantal en het type orkesten, de spreiding van deze orkesten over het koninkrijk, de rol van de militaire orkesten in het openbare concertleven, de ontwikkelingen in de orkestbezetting en het repertoire – verschaft nuttige informatie die van dienst kan zijn bij de bestudering van de rol, betekenis en organisatie van de stedelijke schutterijorkesten in Nederland. De lokaal georganiseerde Dienstdoende Schutterijen wortelden immers evenzeer in een lange militaire traditie en dat gold zeker ook voor de primaire taken van de schutterijorkesten.
Een groot verschil tussen de muziekkorpsen van de Nationale Militie en die van de Schutterijen was echter de verankering van de muziek in de organisatie. Als uitvloeisel van een daartoe strekkend Koninklijk Besluit bevatte elk van de 17 inmiddels opgerichte Afdelingen Infanterie sinds 1819 een eigen muziekkorps.[31] Het Korps Rijdende Artillerie beschikte al sinds 1814 over een eigen muziekkorps en tussen 1824 en 1830 werden ook bij de cavalerie diverse muziekkorpsen opgericht.[32] Er was wel een belangrijk verschil in status tussen de muziek van de infanterie en die van de cavalerie. Leden van de infanteriekorpsen behoorden tot de staf van de afdeling. De trompetters bij de cavalerie vervulden tevens een organieke functie binnen de krijgsmacht en stonden niet als muzikant, maar gewoon als cavalerist te boek. Niettemin waren zowel de stafmuziekkorpsen bij de infanterie als de trompetterkorpsen bij cavalerie en artillerie stevig verankerd in de militaire organisatie, waardoor continuïteit (en, daarmee samenhangend, ook kwaliteit) gewaarborgd was.
De schutterijmuziek in Nederland had – in tegenstelling tot de muziek bij de infanterie en de cavalerie – geen wettelijke status en genoot derhalve geen wettelijke bescherming. De in hoofdstuk 2.3 besproken Schutterijwet van 1827 bevat geen enkele bepaling over muziekkorpsen en slechts één, min of meer terloops gemaakte, opmerking die zou kunnen verwijzen naar een (bescheiden) vorm van muzikale ondersteuning van activiteiten van de Schutterij.[33] De instandhouding en de daarmee samenhangende financiering van een muziekkorps bij de Dienstdoende Schutterij was in de eerste decennia van de negentiende eeuw niet alleen afhankelijk van de ambities van de plaatselijke schuttersraad (die de kosten van een muziekkorps zichtbaar moest maken in de schutterijbegroting), maar ook van de inzichten van de gemeentelijke autoriteiten (die de schutterijbegroting van een voorlopige goedkeuring moesten voorzien), en niet in de laatste plaats van die van het College van Gedeputeerde Staten (die dit gedeelte van de gemeentebegroting moest toetsen aan de landelijke regelgeving en officieel moest goedkeuren en vaststellen).
De hierboven geconstateerde ‘omissie’ in de Schutterijwet van 1827 met betrekking tot de verankering van muziekkorpsen in de organisatie had verregaande consequenties.[34] Reeds in het voorjaar van 1828 besloot de centrale overheid in het kader van een bezuinigingsmaatregel de gouverneurs van de provincies op te dragen de voor de schutterijmuziek geoormerkte gelden in de gemeentebegrotingen niet langer betaalbaar te stellen. De brief die de gouverneur van de provincie Utrecht in dit verband aan ‘Burgemeester en Wethouderen’ van de stad Utrecht schreef, is bewaard gebleven en bevindt zich thans in het Archief van het Nederlands Muziek Instituut.[35] Kennelijk voorzag de gouverneur enige tegenstand en dus vindingrijkheid op plaatselijk niveau; in bovengenoemde brief werd daarom tevens de opdracht gegeven alle eigendommen van de Dienstdoende Schutterij die in verband met het muziekkorps konden worden gebracht (muziekinstrumenten, bladmuziek, marsboekjes, etc.), als zijnde onnodig voor de schutterlijke dienst, tegen een zo gunstig mogelijke prijs te verkopen. Uiteraard zouden de opbrengsten uit deze verkoop in mindering worden gebracht op de exploitatie van de Dienstdoende Schutterij.
Ten onrechte wordt soms beweerd dat de bezuinigingsmaatregel van 1828 heeft geleid tot een algehele opheffing van de met de Schutterijen geassocieerde muziekkorpsen.[36] De maatregel strekte echter niet verder dan het elimineren van de exploitatiekosten van het muziekkorps in de schutterijbegroting. Ongetwijfeld zullen in sommige plaatsen muziekkorpsen der Dienstdoende Schutterij al of niet tijdelijk zijn ontbonden, maar van een algehele opheffing is geen sprake geweest. Uiteindelijk heeft de vindingrijkheid van zowel burgers als bestuurders, afhankelijk van de situatie ter plaatse, geleid tot een scala van meer of minder officiële constructies ter bestendiging van de relatie tussen muziekkorpsen en Schutterijen in Nederland. Deze constructies varieerden van afspraken met bestaande of nieuw opgerichte burgermuziekkorpsen die, tegen een vergoeding uit de gemeentekas, op projectbasis schutterlijke diensten verleenden tot het compleet overnemen van de exploitatie van het muziekkorps door de plaatselijke overheid. In het laatste geval konden de ‘Stedelijke Orchesten’ verplicht worden muzikale ondersteuning te verlenen bij bepaalde activiteiten (exercities, inspecties, wapenschouwingen) van de Dienstdoende Schutterij. Soms stelde het stadsbestuur tevens de voorwaarde dat een aantal openbare (volks)concerten moest worden gegeven.
Uit het bovenstaande zal duidelijk geworden zijn dat het een bijna onmogelijke taak is een consistent beeld te schetsen van de organisatie van de Nederlandse schutterijmuziek in de negentiende eeuw. De grote regionale en temporele variaties laten dat eenvoudigweg niet toe.
De belangrijkste factoren die bijdroegen aan een uiterst pluriform beeld waren:
het prestige van de stad en het ambitieniveau van de lokale overheid;
- de financiële mogelijkheden van een orkest om professionele musici te engageren;
de zowel van plaats tot plaats als van tijd tot tijd variërende bemoeienis van de stedelijke overheid met het plaatselijke muziekleven;
het al of niet aanwezig zijn van een militair orkest, met name een stafmuziekkorps, in de stad;
de muzikale en organisatorische kwaliteiten en de eruditie van de kapelmeester;
de bereidheid van de kapelmeester en het muziekkorps om commerciële concerten te organiseren en/of daartoe contracten met derden af te sluiten;
de veelvormigheid van de relaties, contracten en afspraken tussen burger- muziekkorpsen en Schutterijen;
de vele organisatorische en bestuurlijke ‘ups en downs’ van de schutterij- muziekkorpsen die – zeker vanaf 1828 – in de kern van de zaak zelfstandige burgerverenigingen waren;
voortdurende opheffingen en (her)oprichtingen van muziekkorpsen, alsmede fusies en afsplitsingen, deels samenhangend met de opkomende arbeidersklasse in de tweede helft van de eeuw.
Niettemin zal in het hierna volgende een poging worden gedaan een globaal inzicht te verschaffen in het reilen en zeilen van de aan de Schutterijen gerelateerde muziekkorpsen en in de ontwikkeling van de schutterijmuziek in Nederland gedurende de gehele negentiende eeuw. Daartoe is gekozen voor een zogenaamde vogelvluchtbenadering in de vorm van een ‘muzikale rondgang’ langs de provinciehoofdsteden van het huidige Nederland. Hoewel deze keuze op inhoudelijke gronden enerzijds als arbitrair gekenschetst kan worden, kan een dergelijke ‘kartering’ anderzijds een goed beeld verschaffen in zowel de regionale als temporele verschillen en ontwikkelingen. Een bijkomend voordeel van deze benadering is dat het zoeklicht niet alleen op de min of meer voor de hand liggende steden en regio’s wordt gericht. Dat betekent wel dat soms behoorlijk wat speurwerk nodig is om terzake doende informatie boven water te krijgen. Veel gegevens moesten daarom worden opgediept uit onder andere stads-, gemeente- en rijksarchieven.[37]
3.1.2 Groningen verdreven uit de sociëteit
Na het inwerkingtreden van de Schutterijwet van 1827 is de oprichting van de Schutterijen in de provincie Groningen met grote voortvarendheid ter hand genomen.[38] De Gemeente Groningen heeft tussen 1827 en 1907 zonder onderbreking de beschikking gehad over één bataljon Dienstdoende Schutterij, bestaande uit zes compagnieën. Voorts fungeerden in de provincie vanaf 1827 zes bataljons Rustende Schutterij, elk bestaande uit vier of vijf compagnieën. Een dorp kon één of meerdere compagnieën Rustende Schutterij herbergen. Wanneer het inwonertal van een bepaalde woonkern niet toereikend was, vormden één tot enkele kernen tezamen een compagnie Rustende Schutterij.[39] Op basis van een volkstelling werden in 1868 in de gemeente Veendam twee compagnieën Rustende Schutterij opgericht, terwijl Wildervank, Winschoten, Nieuwe Pekela en Oude Pekela vanaf 1868 de beschikking hadden over één compagnie Dienstdoende Schutterij; tezelfdertijd werd het aantal bataljons Rustende Schutterij in de provincie tot zeven uitgebreid.[40]
Hoewel de Schutterijen in de provincie Groningen goed waren georganiseerd en de stad Groningen een compleet bataljon Dienstdoende Schutterij operationeel heeft gehad, zijn er weinig gegevens bewaard gebleven over het functioneren van het muziekkorps der Dienstdoende Schutterij van Groningen gedurende het grootste gedeelte van de negentiende eeuw. De archieven van de Dienstdoende Schutterij te Groningen beslaan bijvoorbeeld meer dan zeventien meter standaard archiefberging, maar er is slechts weinig in te vinden over het muziekkorps. Slechts zes stukken, hoofdzakelijk bestaand uit verspreide naam-, presentie-, leden- en uitbetalinglijsten van muzikanten uit de periode 1881-1905 wijzen op de aanwezigheid van (een) schutterijmuziekkorps(en) in die periode.[41] Ook het omvangrijke verzamelarchief over de (voornamelijk Rustende) Schutterijen in de provincie Groningen[42] bevat slechts enkele stukken die wijzen op het bestaan van een muziekkorps. Zo bevat het deelarchief van mr. C. de Ranitz, 1e luitenant-kwartiermeester van het Bataljon Dienstdoende Schutterij van Groningen, later Eerste Bataljon van de Eerste Afdeling Mobiele Schutterij van Groningen, onder het kopje ‘bijzondere onderwerpen – financiële administratie’ een rekening uit 1830 wegens uitgaven ten laste van de opbrengst van een concert ten behoeve van gederfde inkomsten van schutters wegens exercities;[43] in hetzelfde deelarchief bevinden zich onder het kopje ‘bijzondere onderwerpen – diversen’ enkele stukken uit 1830/31 betreffende het (tijdelijke) lidmaatschap van het muziekkorps in Nijmegen van enkele militairen van het aldaar gelegerde Groningse bataljon.[44]
Toch is er wel degelijk een muziekkorps van de Dienstdoende Schutterij actief geweest. Het archief van de secretarie van het gemeentebestuur van Groningen bevat stukken uit de jaren zestig van de negentiende eeuw waaruit blijkt dat er aandacht was voor de verbetering van de muziekpraktijk en de muziekopleiding ten behoeve van de Schutterij.[45] Ook is bekend dat er in diezelfde periode van gemeentewege toelagen werden verstrekt aan muzikanten van de Schutterij.[46] Een aanknopingspunt over de wijze waarop het muziekkorps van de Schutterij was georganiseerd is te vinden in het archief van de Groninger Muziek- en Volkszangschool. In een poging om het muzikale leven in de stad Groningen voor verval te behoeden, werd in 1857 een commissie in het leven geroepen die tot taak had de oprichting voor te bereiden van een instelling tot scholing van muzikanten, teneinde betere orkestleden te vormen.[47] De aanleiding voor dit initiatief was de constatering dat in het Groninger muziekkorps in het algemeen de goedkoopste krachten zaten en het algemeen gevoelen dat de kwaliteit van het orkest veel te wensen overliet. Dit muziekkorps behoorde tegelijk aan zowel de vereniging De Harmonie als aan de Schutterij toe.[48]
De sociëteit De Harmonie was in 1840 opgericht en organiseerde regelmatig muziekavonden voor haar leden. De in de diverse archieven bewaard gebleven gegevens sluiten allerminst uit dat het Groninger muziekkorps in die tijd twee gezichten had en zowel acte de présence gaf in haar gedaante van sociëteitsorkest (onder de naam Het Burgerlijk [sic!] Muziekkorps) als schutterlijke diensten verleende in de vorm van het muziekkorps der Dienstdoende Schutterij. Toen de vereniging De Harmonie in 1861 besloot aan de wensen van haar leden tegemoet te komen door het formeren van een eigen symfonieorkest[49] (althans een orkest dat bepaalde muziek uit het symfonische repertoire kon uitvoeren), verdween de blaasmuziek uit de programmering van de sociëteitsconcerten. Al tijdens het eerste jaar voldeed het symfonieorkest ruimschoots aan de verwachtingen van de leden van de sociëteit. Na een jaar werd het orkest uitgebreid van 24 naar 30 man en geprofessionaliseerd.[50]
Er was inmiddels ook een hechte band en intensieve interactie tot stand gekomen tussen het sociëteitsorkest en de muziekschool. Dirigent Maurice Leonhard Hageman (1829-1906) was tevens directeur van de muziekschool en nagenoeg alle leden van het orkest waren tevens als docent aan de muziekschool verbonden; bovendien bestonden er nauwe bestuurlijke contacten tussen de school en de sociëteit.[51] De aanstelling in 1867 van de violist Johannes Hendricus Bekker (1826-1907) als dirigent bij het orkest leidde een periode van verdere ontwikkeling van de Groningse muziekcultuur in. Bekker had tevens de leiding van de 1870 opgerichte Volkszangschool en dirigeerde zowel het mannenkoor Gruno als de Gemengde Zangvereniging. De kruisbestuiving tussen het orkest en de verschillende koren leidden tot de uitvoering van vele grote en kleinere oratoria. Als voorlopige hoogtepunten van de ontwikkeling van het Groninger muziekleven kunnen genoemd worden de uitvoering van de Negende Symfonie van Beethoven in 1908 en van Bachs Matthäus Passion in 1909.[52] Deze twee uitvoeringen vonden plaats onder leiding van Peter van Anrooy, die het orkest en de muziekschool leidde van 1905 tot 1910.[53]
Inmiddels was de blaasmuziek als zelfstandige vorm van musiceren in Groningen enigszins in de versukkeling gekomen. Wel is bekend dat blazers uit het orkest speelden in de Stadskapel die op zondag de zogenaamde ‘Boschconcerten’ verzorgde.[54] Er zijn echter geen aanwijzingen voor een ‘dubbelfunctie’ van de blazers in zowel het symfonieorkest als het muziekkorps van de Dienstdoende Schutterij. Dat is ook niet verwonderlijk, gezien het feit dat het symfonieorkest vrij snel na de oprichting in de jaren zestig het karakter kreeg van een beroepsorkest met een vrij drukke concertagenda. Onder Hageman werd nog slechts op zondagavond in het winterseizoen geconcerteerd (afgezien van acht zomerconcerten en vier buitengewone concerten); Bekker verdubbelde het aantal concerten, verlengde het concertseizoen, breidde het orkest uit met goede amateurs, moderniseerde het repertoire en verlangde bovendien veel meer repetitietijd.[55]
Er zijn geen directe aanwijzingen voor het functioneren van een zelfstandig muziekkorps der Dienstdoende Schutterij gedurende langere perioden in de negentiende eeuw. Toch moet – althans in het laatste decennium – sprake zijn geweest van een grote populariteit van de blaasmuziek in Groningen. Op een allerminst voor de hand liggende plaats – de afdeling Bijzondere Collecties van de bibliotheek van de Rijksuniversiteit van Groningen – werd namelijk een officieel Reglement voor de Muziekkorpsen der Dienstdoende Schutterij van Groningen uit 1893 aangetroffen.[56] Daaruit blijkt dat er sprake was van twee korpsen, die elk zelfstandig konden optreden. Tot het eerste korps behoorden de stadsmuzikanten en diegenen die daarvoor door de Commandant waren aangewezen/benoemd, aangevuld met goed musicerende dienstplichtigen. Het tweede korps werd gevormd door personen die voor muzikant werden opgeleid, eveneens vermeerderd met een aantal dienstplichtigen. Leden van het tweede korps konden bij gebleken geschiktheid doorstromen naar het eerste korps mits daar sprake was van een vacature. Uit de genoemde samenstelling van het eerste korps blijkt dat er dus officiële stadsmuzikanten moeten zijn geweest, die tevens verplicht waren schutterlijke diensten te verlenen. Het is niet uit te sluiten dat diezelfde stadsmuzikanten samen met de blazers uit het symfonieorkest de eerder genoemde Stadskapel hebben gevormd. Verder bestond het eerste korps uit geschoolde musici die al dan niet schutterplichtig waren. Dat onderscheid was belangrijk voor de salariëring; schutterplichtigen kregen gedurende hun diensttijd geen vaste toelage maar deelden wel mee in de revenuen van de van gemeentewege gegeven openbare muziekuitvoeringen.[57] Alle leden van de muziekkorpsen waren, ongeacht de aard van hun dienstverband bij de Schutterij, onderworpen aan de schutterlijke rechtspleging.
Uit de tekst van het hierboven genoemde Reglement uit 1893 valt duidelijk op te maken dat de muziekkorpsen van de Dienstdoende Schutterij naast de voorgeschreven dienstverrichtingen een niet onbelangrijke bijdrage leverden aan het openbare concertleven van Groningen. Het is zeer goed mogelijk dat met de in het Reglement genoemde openbare muziekuitvoeringen en met de hierboven genoemde Boschconcerten – althans voor een deel – gerefereerd wordt aan dezelfde evenementen. Uit de inhoud van het Reglement mag verder worden geconcludeerd dat er in Groningen sprake was van een redelijk tot goed georganiseerde opleiding van blazers. Omdat het Reglement geen enkele bepaling bevat ten aanzien van interne opleidingen binnen de Schutterij, is het zeer waarschijnlijk dat de hierboven besproken muziekschool niet alleen leverancier was van het symfonieorkest maar tevens een grote rol speelde bij het opleiden en afleveren van blaasmuzikanten ten behoeve van de Schutterij.
Een laatste aanwijzing voor het belang dat in Groningen aan de schutterijmuziekkorpsen werd gehecht is te vinden in de archieven van het gemeentebestuur. Uit de stukken valt op te maken dat herhaalde malen is gesproken óver en uiteindelijk is besloten tót de oprichting van een Stedelijk Muziekkorps na de opheffing van de Schutterij in 1907.[58]
3.1.3 Leeuwarden stedelijk orkest met toekomst
De stad Leeuwarden kan bogen op een relatief rijke muziekgeschiedenis. Het negentiende-eeuwse schutterijorkest was in Leeuwarden geen volslagen nieuw fenomeen, maar kan in meerdere opzichten beschouwd worden als een schakel in een muzikaal continuum. Voor een goed begrip van de positionering van de schutterijmuziek in Leeuwarden is het gewenst dat ter inleiding enkele stadia in dat continuum nader worden belicht.
De vroegste meldingen van muziekbeoefening in min of meer georganiseerd verband dateren uit het eind van de zestiende eeuw. Het is bekend dat reeds in 1593 een Collegium musicum moet hebben bestaan; in Leeuwarden werd dit gezelschap, bestaande uit ‘veel treffelycke Edele personen, Doctoren en Borgeren’, aangeduid met de term Collegium musicorum.[59] Het gezelschap werd in die tijd geleid door Jacques Vredeman (ca. 1559-1621). Vredeman heeft vanaf zijn komst naar Leeuwarden in 1589 tot aan zijn dood in 1621 een grote invloed gehad op het Leeuwarder muziekleven. In 1608 werd hij benoemd tot voorzanger in de Jacobijnerkerk en tot muziekdocent aan de Latijnse school.[60] Onder Vredemans leiding werd vooral de zangkunst beoefend. Uit de titel van zijn bundel Musica Miscella, Sioe Mescolanza di Madrigali, Canzoni et Vilanelle in Lingua Frisica, à Quatro et Cinque Voci uit 1602 blijkt dat daarbij Friese teksten geliefd waren.[61] Dat de instrumentale kant van de muziekbeoefening allerminst werd veronachtzaamd, blijkt uit een inventaris van de eigendommen van het Collegium musicorum uit 1640, waarin sprake is van ‘vijff dwarspipen soo groot als clein. Een grote custodie daerinne besloten elff pipen missende uyt deselve custodie het cleinste ende hoogste discantpiepke. Noch een custodie met twe grote baspipen bestaende in vier stucken, sluitende ende acorderende onder de voorgaende pipen. Een accoordt fioelen, bestaende in vier discantfioelen, twe tenoren ende een basfioel’.[62]
Een belangrijke factor in het muziekleven in Leeuwarden was de aanwezigheid, tot 1747, van het stadhouderlijk hof. Hoewel onder de eerste Friese stadhouders het hofleven waarschijnlijk niet zeer luisterrijk was, zijn er na 1648 wel diverse musici werkzaam geweest.[63] In de achttiende eeuw is zelfs sprake van een zekere bloei van het muzikale hofleven.[64] Zo is algemeen bekend dat Anna van Hannover (1709-1759), echtgenote van stadhouder Willem Carel Hendrik Friso (Willem IV; 1711-1751), een zeer muzikale vrouw was. Zij had als jong meisje muziekonderwijs genoten van Georg Friedrich Händel (1685-1759), met wie ze ook na haar huwelijk contacten bleef onderhouden. Anna liet veelvuldig musici aan het hof optreden en het is niet uitgesloten dat zij tevens een belangrijke hand heeft gehad in de oprichting van een bescheiden hofkapel.[65]
In de tweede helft van de achttiende eeuw komt in Leeuwarden het openbare concertleven merkbaar op gang. Steeds vaker werd muziek buiten de beslotenheid van het hof, de adellijke ‘state’ of de voorname huiskamer voor een breder publiek ten gehore gebracht.[66] De concerten door grotere ensembles kwamen echter pas na 1782 goed van de grond. Het is vooral aan de zich in dat jaar in de stad gevestigde muziekmeester Jean des Communes (1759-1843) te danken dat het Leeuwarder muziekleven vanaf dat moment begon te floreren. Hij organiseerde vele concerten en operavoorstellingen. Daartoe werden gelegenheidsorkesten geformeerd die altijd waren samengesteld uit zowel meesters als liefhebbers. Het in studie nemen van soms grote werken moet voor de amateur-musici – en niet in de laatste plaats ook voor hun ‘aanhang’ in het publiek – enorm stimulerend zijn geweest. Zo werd door Des Communes in maart 1789 ‘met adsistentie der voornaamste liefhebbers het zangstuk Stabat Mater, à Grand Orchestre, gecomponeerd door J. Haydn, op de groote zaal der Stadsschuttersdoele’ uitgevoerd.[67] Jean des Communes heeft het Leeuwarder muziekleven gedurende een lange reeks van jaren, tot ver in de Franse tijd, beheerst. In 1807 voerde hij bijvoorbeeld, wederom met een gezelschap liefhebbers, Die Schöpfung van Haydn uit (slechts negen jaar na het ontstaan van dit werk).[68] Daarna trad een periode van terugval in die tot ver in de jaren twintig van de negentiende eeuw heeft geduurd.
De bescheiden opleving van het Leeuwarder muziekleven aan het eind van de jaren twintig van de negentiende eeuw hield waarschijnlijk verband met de oprichting van de stedelijke muziekschool. De gemeente Leeuwarden introduceerde als één van de eerste gemeenten in Nederland een systeem van gesubsidieerd muziekonderwijs. Bekwame leermeesters in de muziek kregen een gemeentelijke basistoelage; hun werd toegestaan de inkomsten te vermeerderen via het heffen van een bescheiden lesgeld. Op die voorwaarden werd in 1826 de eerste stedelijke muziekschool gesticht. Leerlingen van de muziekschool gaven in die periode uitvoeringen onder de naam Concert Oefening Kweekt Kunst.[69] De stedelijke muziekschool was ook de kweekvijver voor het eerste Leeuwarder symfonieorkest. Dit orkest ontstond omstreeks 1850 en was in feite een fusieproduct van twee afzonderlijke ensembles/orkestklassen die Louis Kufferath (1811-1882) en Petrus Wedemeijer Sr. (1765-1841), beiden docent aan de muziekschool, eerder onder hun hoede hadden gehad. Het hoogtepunt van het kortstondig bestaan van dit orkest was ongetwijfeld de uitvoering in 1850 van Beethovens Vijfde Symfonie. In de jaren daarna kon in Leeuwarden slechts symfonische muziek beluisterd worden via het lidmaatschap van de Concertvereeniging die orkesten van buiten de provincie liet optreden.[70]
Reeds ten tijde van de activiteiten van Jean des Communes was er duidelijk sprake van een parallelle ontwikkeling in de muziekbeoefening. Naast opera’s, oratoria en instrumentale symfonische muziek moet in Leeuwarden namelijk ook blaasmuziek hebben geklonken in het laatste decennium van de achttiende eeuw. De blaasmuziek was echter geen openbare aangelegenheid en werd hoofdzakelijk ten gehore gebracht binnen de gelederen van de zogenaamde Oude Schutterij en – na de Bataafse Omwenteling – binnen de kaders van de op Franse leest geschoeide Burgerwacht of Nationale Garde.[71] De uitgeweken patriottische medeburgers werden in februari 1795 voor het Stadhuis ‘onder keurig muzyk’ verwelkomd en de Franse generaal Gaspard Thierry werd enkele weken later (op 9 maart) bij zijn aankomst in Leeuwarden geëscorteerd door een detachement van de Schutterij ‘met een aanzienlijk korps muziekanten’.[72] Voor zover bekend, is dit het eerste bericht over het bestaan van een muziekkorps. Op basis van deze informatie stellen Lambooy en Kingmans dan ook ‘dat deze 9e maart 1795 de geboorte – althans het eerste optreden – betekent van een Leeuwarder schutterijmuziekkorps’.[73] Sindsdien wordt het jaar 1795 vaak genoemd als oprichtingsjaar van het korps, maar waarschijnlijk bestond het korps al veel langer.[74] Het is niet uitgesloten dat de eerder genoemde docent aan de muziekschool Petrus Wedemeyer Sr., die zich in 1786 als muziekmeester in Leeuwarden had gevestigd en eerder orkestervaring had opgedaan als stafmuzikant in zijn geboortestad Maastricht, reeds vóór 1795 kapelmeester was van het muziekkorps van de zogenaamde Oude Schutterij.[75]
Uit vele incidentele berichten blijkt dat het muziekkorps zich in de periode van 1795 tot de proclamatie van de grondwet in 1814 heeft weten te handhaven. Uit de stukken blijkt dat de schuttersraad, toen nog krijgsraad genoemd, reeds in 1814 een groot aantal gespecificeerde posten ten behoeve van het muziekkorps in de schutterijbegroting opnam.[76] Vast staat dat het reeds bestaande korps na de bevrijding de basis vormde voor het muziekkorps van de in 1815 (her)opgerichte Dienstdoende Schutterij van Leeuwarden. Het muziekkorps bestond sinds 1816 uit 24 musici, terwijl daarnaast elk van de vier compagnieën van het Leeuwarder bataljon de beschikking had over twee tamboers en één pijper. De muzikale leiding bleef tot 1828 officieel in handen van kapelmeester Wedemeyer, waarmee ook op dat punt sprake was van continuïteit.[77]
De in hoofdstuk 3.1.1 besproken bezuinigingen op de exploitatie van de Schutterijen in 1828 was voor de gemeenteraad aanleiding om het gehele muziekkorps op te heffen (en kapelmeester Wedemeyer te ontslaan). De meerderheid van de raad was in haar vergadering van 24 mei 1828 van mening dat het langer onderhouden van een muziekkorps bij de Dienstdoende Schutterij niet in overeenstemming was met de bepalingen van de nieuwe Schutterijwet.[78] Deze maatregel was zeer tegen de zin van de toenmalige Commandant van de Dienstdoende Schutterij. De nog schutterplichtige muzikanten werden over de verschillende compagnieën verdeeld maar vormden, nadat de politieke kou uit de lucht was verdwenen, alweer snel de basis voor een heropgericht muziekkorps onder leiding van het ‘eerste lid’ en tevens plaatsvervangend kapelmeester H. Luers.