| De benoeming van de voorzitters en raadsheren van de Raad van Vlaanderen (1598-1633). (Chris Verhaeghe) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Deel 2: Prosopografisch onderzoek
Familiale omstandigheden: Pieter van Steelant was de zoon van Philips van Steelant, griffier en later raadsheer-commissaris in de Raad van Vlaanderen, en Agnes van Edingen. Zij was de dochter van Omaar van Edingen, die griffier was in de Raad van Vlaanderen en na zijn dood in 1540 opgevolgd werd door zijn schoonzoon Philips van Steelant[275].
Pauwels van Steelant, een broer van Pieter, was heer van Hasselt. Hij kreeg namelijk door Pieter en zijn zus Françoise van Steelant “last ende speciael bevel” om in hun naam “de libre possessie” te aanvaarden van de helft van de heerlijkheden van Hasselt en Nederhasselt. Pauwels werd verder gemachtigd om de schepenen en andere ambtenaren van deze heerlijkheden in hun functie te bevestigen of andere aan te stellen zodat men de Steelants zou nemen voor “oprechte ende waerachtighe heeren en proprietarissen[276].” Pieter had verder nog drie zussen: Josine, Johanna en Antonia[277].
Loopbaan: Pieter van Steelant werd op 28 september 1574 als licentiaat in de rechten en advocaat-postulant bij de Raad van Vlaanderen benoemd tot raadsheer-commissaris. Zijn vader deed toen omwille van zijn gevorderde leeftijd afstand van dit ambt ten gunste van zijn zoon. Het verzoekschrift van zijn vader speelde dus een belangrijke rol bij de aanstelling van Pieter. In het rekwest werd gevraagd rekening te houden met de gezinssituatie van Philips van Steelant, die een vrouw en tien kinderen onder zijn hoede had. Verder verwees Philips van Steelant ook naar de diensten van zijn vader, vijf van zijn broers en wijlen Lieven van Pottelsberghe die getrouwd was met Philips tante, Lievine van Steelant[278]. De Raad aanvaardde het verzoek, mede omdat Pieter van Steelant “est homme de bon esprit et doctrine non vulgaire et aultrement bien qualifié pour déservir ledict estat[279].”
Toch blijft de vraag of het wel zo verstandig was om te verwijzen naar de verdiensten van Lieven van Pottelsberghe, die boventallig raadsheer was bij de Raad van Vlaanderen in 1509, gewoon raadsheer in 1514 en in 1517 raadsheer werd in de Geheime Raad. P. Van Peteghem beschouwde Lieven van Pottelsberghe immers als “de laatste ambtenaar die, bekleed met vorstelijke macht, erin slaagde om deze invloed zodanig in zijn persoonlijk voordeel om te buigen[280].” De autonomie van deze persoon die zich zonder universitair diploma wist op te werken en enorm veel macht in zijn persoon verenigde, kon dan ook enkel in een periode met een zwakke centrale regering. Er kan echter gesteld worden dat Philips van Steelant Lieven van Pottelsberghe enkel vermeldde omdat hij ervan uitging dat deze figuur een goede indruk achtergelaten had. Het centralisatieonder-mijnende aspect van Lieven werd overigens nooit dermate belicht, men zag hem eerder als een invloedrijk man die veel vertrouwen genoot bij verscheidene instanties zoals de Grote Raad. Desalniettemin plaatste Lieven tijdens zijn loopbaan zelfs het gouverneurschap van het graafschap Vlaanderen gedeeltelijk in de schaduw en kon hij een heel netwerk van vertrouwelingen oprichten. Door het lenen en voorschieten van geld om een officie te bedienen, wist hij zich bovendien verzekerd van hun steekpenningen[281].
Pieter werd bij patentbrief van 10 mei 1580 gewoon raadsheer doordat Joost van Brakele in ongenade viel bij de Raad van Vlaanderen[282]. In deze functie kreeg Pieter in april 1609 samen met Jan de Bloys de opdracht om zich over enkele gebeurtenissen in het Gentse college van de Keure te informeren. Het betrof de uitvoering van een bevel dat aan de Keure werd gegeven in de personen van hun afgevaardigden, de heer van Bieze en de pensionaris Schoorman, inzake de verkiezing van vijf gecommitteerden voor de ontvangst van de impositiën, die in hun district geheven werden voor de bede[283]. De raadsheren behoorden zich te informeren over het monopolie en bedrog bij de verkiezingen en de bekwaamheid en geldmiddelen van de vijf gecommitteerden. De raadsheren moesten zich ook inlichten over de schenkingen die bij de verkiezing gedaan en ontvangen werden of die zich bij andere benoemingen, die toegewezen werden door de hoogbaljuw of de eerste schepen, voordeden. Tenslotte dienden beide raadsheren zich te vergewissen over de reparaties in de huizen van de eerste schepenen die zonder medeweten van de andere schepenen op kosten van de stad gebeurden[284]. Dit onderzoek was noodzakelijk want de heer van Bieze bezat als eerste schepen van de Keure veel macht. De voorschepen van de Keure presideerde namelijk tijdens de zittingen van de volledige magistraat der twee banken, leidde de stadsdelegaties en stelde ze ook veelal zelf samen[285]. Pieter van Steelant overleed op 17 augustus 1613 als eerste raadsheer in de Raad van Vlaanderen[286].
Huwelijk: Pieter van Steelant was getrouwd met Margareta Martens. Zij was de dochter van Jacob Martens, eertijds voorzitter van de Raad van Vlaanderen[287]. Margriet van Steelant, hun oudste dochter, trouwde met Gillis du Faing[288], graaf van Jamoigne. Het huwelijk tussen deze “conseiller de courte robe” en Margriet van Steelant werd in mei 1603 door de aartshertogen goedgekeurd[289].
Loopbaan: Jeroom de Brabant verving als licentiaat in de rechten Lieven Snouck tijdens het verblijf van de Raad te Douai. Deze laatste werd toen voorzien van een plaats als buitengewoon raadsheer van Financiën. Jerooms patentbrief dateerde van 15 juni 1580[290]. De verhuis van de Raad van Vlaanderen naar Douai zorgde ervoor dat de raadsheren een nieuwe huisvesting moesten zoeken. Op die manier nam Jeroom in maart 1581 in Douai zijn intrek “au logis de madame la comtesse douagiere d’Hoochstrate et ce en la rue descrechin[291].”
Jeroom de Brabant was bevriend met Jacob Liebaert, die op 15 september 1590 werd beloond voor de vele vriendendienstjes met de heerlijkheid van “Scardau”. De vereffening tussen beiden zou veel vroeger hebben plaats gevonden, ware het niet dat Jeroom de mogelijkheid daartoe ontnomen werd door de plundering van de stad Mechelen. De inkomsten van zijn bezittingen en die van zijn vrouw gingen daardoor verloren[292].
Eind 1594 ontstond in het hof een verbaal geschil tussen enerzijds Jeroom de Brabant en de gecommitteerden van de kamer van licenten en anderzijds de procureur-generaal inzake het berechten in de Raad van een ‘calaingen’ door de voornoemde procureur-generaal van vier fijne, zwarte Engelse lakens. Jeroom, die fungeerde als verdediger van de kamer van licenten, was de mening toegedaan dat dit in de kamer van licenten diende te gebeuren en verwees hierbij naar een bijzondere instructie van de vorst waarin onder meer vermeld stond dat indien er “questien, tweedrachtigheden ende zwaerigheden” ontstonden door het plakkaat; er kennis van de zaak moest genomen worden door degenen die daarvoor aangesteld waren of aangesteld zouden worden met uitsluiting van alle andere rechters -waarmee hij de procureur-generaal in het bijzonder bedoelde. Uiteindelijk werd beslist dat de procureur-generaal zijn proces mocht vervolgen, “omme daer up bij de hove recht gedaen te worden.” Aangezien de uitspraak aanleiding zou geven tot een verder geschil, besliste Jeroom samen met één van de gecommiteerden het voornoemde geschil “uyt zeker consideratien te glisseren” zonder afstand te doen van enig recht, behalve dat de lakens in geval van confiscatie more solito zouden verkocht worden voor de kamer van licenten en dat de opbrengst van deze verkoop door de handen van de ontvanger van de exploten zou passeren met mindering van een vergoeding voor de raadsheren[293].
Toen Jeroom in januari 1603 de leeftijd van zeventig jaar naderde en reeds 22 jaar de Raad gediend had als gewoon raadsheer, presenteerde hij een verzoek om zijn ambt neer te leggen ten gunste van zijn zoon Jacob[294]. Jeroom de Brabant stierf kort nadien, nog steeds in functie zijnde, en werd op 27 februari van hetzelfde jaar opgevolgd door Schrevel van Driel zodat zijn verzoek niet ingewilligd werd[295].
Huwelijk: Jeroom de Brabant was de echtgenoot van Clara Bogaert en in die hoedanigheid en ook mede door het pachtcontract was hij een uitvoerder van het testament van haar vader Jacob Bogaert, de in 1598 overleden voorzitter van de Raad van Vlaanderen[296]. Jeroom trachtte zijn zoon Jan Jacob in zijn voetsporen te laten treden maar maakte dit zelf niet meer mee.
Familiale omstandigheden: De familie de la Torre was één van de Spaanse families die zich in de zestiende eeuw in Brugge kwam vestigen en er een opmerkelijke plaats bekleedde doordat de leden van deze familie hoge functies zouden vervullen. De familie zou bovendien een roemrijke herinnering nalaten door de onuitputtelijke edelmoedigheid ten opzichte van hun geadopteerde vaderland. Dit zag zich gepersonifieerd door Gaspar de la Torre, prevoost van de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Brugge, die in 1617 te Douai het “séminaire de la Torre” oprichtte voor studenten van het Brugse bisdom. De keuze van Douai werd voornamelijk bepaald door het nut dat de kennis van de Franse taal zou opleveren. Gaspar was de broer van Jan de la Torre en beiden waren de zonen van Jan de la Torre, consul van de Spaanse natie te Brugge, en Anne Oyseel.
Francisco de la Torre, Jans andere broer, werd net als zijn vader consul van de Spaanse natie[297]. Francisco en Jan waren voogd over Joos en Anna Jacqueloot, zoon en dochter van wijlen Joos Jacqueloot[298]. De twee broers beschikten tevens over het voogdijschap van hun stiefbroer Jozef, de zoon van hun vader en zijn tweede huisvrouw Jozyne de Grouf[299]. Jan bezat een jaarlijkse losrente van 15 ponden groten op Jozef en een rente van 200 pond op Francisco. Deze laatste rente was bezet op zijn huis in de “Spaignaert straeten” in Brugge wat nogmaals hun verbondenheid met het Iberische Schiereiland onderstreepte. Jan bezat overigens vier huizen in Brugge, waarvan twee in de voornoemde Spanjaardstraat[300].
Loopbaan: Jan de la Torre was doctor in de rechten en advocaat-postulant toen hij op 7 januari 1581 voorzien werd van de functie raadsheer-commissaris in de Raad van Vlaanderen door de promotie van Henry de Codt[301]. Hij had toen echter de bedoeling om zijn overleden schoonvader Joos Jacqueloot op te volgen als advocaat-fiscaal[302].
Door het overlijden van Antoon Schoorman (I) werd Jan bij patentbrief van 28 juli 1595 gewoon raadsheer in de Raad van Vlaanderen[303]. De Raad trok hem duidelijk voor door te stellen dat hij het langst van alle kandidaten in dienst was bij de Raad, vijftien jaar om precies te zijn, en dus “plus anchien en serment” was. Verder werd geprezen dat hij zich in 1580 met zijn vrouw en zes kleine kinderen bij de koningsgezinden te Douai teruggetrokken had. Hij kon toen echter niet bevorderd worden omwille van het feit dat zijn schoonvader Joos Jacqueloot in de Raad actief was als advocaat-fiscaal[304]. Jan de la Torre stierf op 26 september 1614[305].
Huwelijk: Jan de la Torre was in zijn eerste huwelijk getrouwd met Helena Jacqueloot. Zij was de dochter van Joos Jacqueloot en overleed te Douai op 28 oktober 1581, nog geen jaar nadat haar vader in dezelfde stad overleed op 8 december 1580. Zij werd begraven in de parochiale kerk Saint-Jacob te Douai. Jan liet ervoor zorgen dat elk jaar op 28 oktober, de dag van haar overlijden, een plechtige mis voor haar zou gezongen worden en de volgende dag, de negenentwintigste, de mis zou gevierd worden. Op die dagen zou Jan of zijn afgevaardigde 12 stukken brood uitdelen ten voordele van de armen. Dit liet hij bepalen in november 1584 en aangezien het toen reeds duidelijk was dat de Raad van Vlaanderen Douai zou verlaten, duidde hij een afgevaardigde aan[306].
Jan was, na het overlijden van zijn echtgenote, voogd over hun kinderen: Joos, Frans, Suzanna en Catelijne de la Torre. Op 7 september 1587 vertoonde Jan twee staten van goed, die hij gemaakt had om te presenteren voor de weeskamer van de stad Ieper, aan de Raad van Vlaanderen: de staat van goed van zijn betreurde echtgenote en de staat van goed van Joos Jacqueloot, broer van zijn vrouw en minderjarige zoon van zijn schoonvader[307]. In mei 1588 verklaarde Jan voor de Raad dat hij door wijlen raadsheer Joos Jacqueloot bij testament voogd gemaakt was van diens zoon Joos Jacqueloot. Hij had daarop beloofd zich van deze voogdij te kwijten als een goed voogd. Hij gaf hierop de volle macht aan een poorter van de stad Ieper om te compareren voor de wezerij van Ieper en daar de voogdij te aanvaarden en er in zijn naam de eed als voogd af te leggen[308].
Jan de la Torre was hetrouwd met Barbara van Steenhuuse. Het was ook voor haar het tweede huwelijk, ze was namelijk weduwe van Roeland de Vicq. Het huwelijk tussen Jan en Barbara werd in februari 1582 voor de notaris en getuigen goedgekeurd. Jan liet zich assisteren door zijn broer Francisco en Sebastien le Prevoost, zijn neef. Zijn echtgenote liet zich op haar beurt bijstaan door Karel van Coorenhuuse, haar neef, en Gillis Loysier, raadsheer en ontvanger “vande extraordinaire” van het graafschap Vlaanderen. Jan de la Torre gaf in het huwelijkscontract ook al zijn toenmalige renten aan waaronder een jaarlijkse rente van 25 pond op de Staten van Brabant, 20 pond op het klooster Ter Doest bij Brugge en 4 pond op de Vier Leden[309].
Familiale omstandigheden: Lodewijk de Damhoudere was de zoon van Joost de Damhoudere en Louise de Chantraines[310]. Lodewijk was samen met Joost de Brakele voogd over Daniël, Jan en Anna. Dit waren de kinderen van Jan de Schietere en Cathelyne de Damhoudere. Lodewijk werd als broer van Cathelyne in deze functie gesteld door de schepenen van de stad Brugge[311].
Joost van Brakele was gehuwd met Anna de Damhoudere, een andere zus van Lodewijk. Lodewijk gaf in 1576 samen met zijn vader Joost aan de ene kant en Joost van Brakele aan de andere kant te kennen dat omwille van de vriendschapsbanden tussen beide zijden, zij een vriendelijk akkoord hadden gesloten betreffende het sterfhuis van Anna de Damhoudere[312]. Begin 1592 stelden beide voogden, met name Joost van Brakele en Lodewijk de Damhoudere, Olivier Sproncholf en Jacob de Damhoudere aan om voor de schepenen van de wezen van Brugge te verschijnen en daar de rekening te laten sluiten. Verder moesten ze er ook de autorisatie verzoeken om Jan en Daniël uit de voogdij te ontzetten[313].
Loopbaan: Lodewijk de Damhoudere werd als doctor in de beide rechten op 9 augustus 1585 benoemd tot raadsheer-commissaris in de Raad van Vlaanderen door de promotie van Marc de Hertoghe. Op 13 september 1603 werd hij benoemd tot gewoon raadsheer in de Raad van Vlaanderen door de promotie van François Roose[314].
In 1608 moest de Raad van Vlaanderen advies verschaffen over de benodigdheid van Lodewijk de Damhoudere en de procureur-generaal Schoorman (II) om informatie te verzamelen over de onlusten die zich de voorbije winter voordeden in de stad Oudenaarde. De burgemeester en de pensionaris van Oudenaarde hadden in naam van hun magistraat een goed woordje gedaan voor de vrijlating van drie gevangen burgers, waarvan één reeds getroffen werd door een beroerte en een andere mentale problemen had. Men achtte het wenselijk dat Lodewijk en de procureur-generaal aangesteld zouden worden en met rechtschapen justitie en rede de drie gevangen zouden beoordelen. De aanstelling van Lodewijk de Damhoudere geschiedde enerzijds omwille van het belang van de zaak en anderzijds “pour dire le besoigne espaignol.” Het betrof namelijk een conflict met de daar gelogeerde Spaanse soldaten[315]. Lodewijk de Damhoudere stierf in 1613 en werd op 8 oktober 1613 opgevolgd door Pieter van den Broucke[316].
Pieter van de Weerde, genaamd de Proost
Loopbaan: Pieter de Proost [317] werd als licentiaat in de rechten en advocaat bij de Raad van Vlaanderen op 21 maart 1586 benoemd tot raadsheer-commissaris in de Raad van Vlaanderen door de promotie van Jacob Liebaert[318]. Op 20 augustus van datzelfde jaar deed Pieter samen met een andere raadsheer-commissaris, met name Remy Everaert, de inspectie van de wacht. Het hof werd hierna gerapporteerd over de ‘groote desordre’ in de wacht en ontbood daarop de Gentse voorschepen, de sergeant-majoor en één van de pensionarissen van de stad Gent. Er werd hen geadviseerd de wacht te versterken aangezien er geen edelen, notabelen en geestelijken deel van uitmaakten. De voorschepen liet vervolgens weten dat de edelen en de geestelijken hierover gesproken zouden worden[319]. Pieter de Proost werd op 27 augustus 1601 door de aartshertogen in zijn ambt bevestigd[320]. Hij stierf te Gent op 2 juni 1603[321].
Huwelijk: In zijn eerste huwelijk was Pieter gehuwd met Isabelle de Bevere, dochter van Pieter de Bevere en Josine Gheys. Pieter de Proost was dus getrouwd met de dochter van een raadsheer in de Raad van Vlaanderen en voerde als advocaat bij de Raad van Vlaanderen enkele opdrachten uit voor zijn schoonouders. Zo werd hij in januari 1578 samen met Jan Symoens, griffier van de indaginghe van Gent, aangesteld als procureur van Pieter de Bevere. Zij moesten toen op advies van Josine Gheys de jaarlijkse pachten en renten ontvangen, en de achterstal betalen[322]. Pieter de Proost en Isabelle de Bevere hadden drie kinderen: Jan, Adriaan en Josine. Adriaan had zich onderscheiden door zijn studies aan de universiteit te Leuven, waar hij op 1 december 1613 de graad van doctor in de rechten behaalde. Jan en Adriaan stierven zonder nageslacht, en Josine trouwde met Antoon de Vuldere[323].
Pieter de Proost huwde nog een tweede maal. In januari 1587 werd een huwelijkscontract opgesteld tussen hem en Françoise van Steelant. Zij was de dochter van Philips van Steelant, die raadsheer-commissaris in de Raad van Vlaanderen geweest was. Pieter de Proost liet zich hiervoor bijstaan door Pieter de Bevere, zijn schoonvader uit zijn eerste huwelijk, en Jan Daman, ontvanger van de werken van de stad Gent. Door dit huwelijk werd Pieter de Proost onder meer verplicht het poorterschap van de stad Ieper te aanvaarden, aangezien Françoise poorteres van Ieper was[324]. Hij gaf hiervoor twee commiezen, belast met de impost in het kwartier van Ieper, de nodige bevoegdheid om in zijn naam te compareren voor de schepenen van Ieper en in zijn “ziele” te zweren poorter te zijn van de stad Ieper[325].
Familiale omstandigheden: François Roose was afkomstig van Belle in het toenmalige West-Vlaanderen[326]. Hij was de zoon van Jan Roose en Anna van Loo. François’ moeder was de dochter van Albrecht van Loo[327], die actief was in het hof van Holland, en Marie de Winter. François’ vader was raadsheer-commissaris in de Raad van Vlaanderen geweest[328]. Jan Roose werd ook vermeld als procureur-generaal in de patentbrief van François Roose tot gewoon raadsheer in de Raad van Vlaanderen[329]. De gegevens omtrent Jan Roose als procureur-generaal zijn echter erg vaag. Hij kwam in ieder geval in aanmerking voor dit ambt omdat Ydrop van Waerhem, die toen procureur-generaal was, een functie van raadsheer-commissaris ambieerde en een toespeling maakte op Jan Roose die met hem van plaats zou wisselen[330].
Loopbaan: François was in 1576 deurwaarder van het hof[331], maar in 1580 vinden we hem reeds terug als substituut van de procureur-generaal en was hij pretendent voor de vacante ambten van gewoon raadsheer. De Raad van Vlaanderen erkende hierbij zijn sterktepunten: “lequel avons trouvé fort propre et qualifié pour les affaires fiscales[332].” In 1583 schroef François zijn ambities een stapje terug en deed hij een poging om het vacante ambt van raadsheer-commissaris te bemachtigen. François gaf aan dat het onrechtvaardig was dat de functies procureur-generaal en advocaat-fiscaal in rang na de gewone raadsheren en zelfs de raadsheren-commissaris geplaatst werden. Zijn benoeming zou daardoor een aanmoediging betekenen voor de fiscalen die belast waren met “les charges les plus pénibles[333].” Hij werd echter niet benoemd.
Op 22 oktober 1587 werd hij procureur generaal van de Raad van Vlaanderen door de promotie van Pieter Lecocq[334]. In 1591 gaf François samen met de ontvanger van de exploten van de Raad van Vlaanderen, François Malineus, aan dat het voor de Raad noodzakelijk was “tot voorderinghe vande fiscaelen zaecken” om in de Grote Raad een procureur aan te stellen. Deze procureur zou er onder meer de onbetaalde boeten innen. Zij kregen gehoor en een zekere Lambert werd hiervoor aangesteld[335].
François Roose werd vanaf 14 december 1593 gewoon raadsheer in de Raad van Vlaanderen doordat Joost Huusman, omwille van zijn lange dienst en gevorderde leeftijd, ten gunste van hem afstand deed van dit ambt[336]. François moet dus wel enig respect genoten hebben opdat de dan langst in dienst zijnde raadsheer zoiets deed. Vanaf 5 september 1603 werd François raadsheer in de Grote Raad, waar hij Engelbert Maes opvolgde. François Roose stierf op 24 december 1611[337].
Huwelijk: François Roose was in zijn eerste huwelijk getrouwd met Marie de Haecke[338]. Omwille van zijn vrouw was hij nabestaande van de kinderen van wijlen Pieter de Haecke, keurbroeder van Veurnemabacht, die in oktober 1575 overleden was. François had hiervoor ook Cathelyne Fieren betrokken als weduwe en moeder van de kinderen om hen te voorzien van voogden voor de landhouders, schepenen en keurheren van Veurne-ambacht. Met deze voogden moest vervolgens een afspraak gemaakt worden inzake de achtergelaten bezittingen. De weduwe kwam samen met haar nieuwe echtgenoot Joris Blomme in oppositie tegen het feit dat de verdeling van de bezittingen diende te gebeuren in Veurne-ambacht. Naar hun mening moest dit plaatsvinden voor de burgemeester en schepenen van Loo en volgens de rechten en costumen van de poorterij van Loo. Pieter de Haecke zou namelijk in het zevende of achtste jaar van zijn huwelijk bekend hebben poorter te zijn van die stad. De Raad van Vlaanderen besliste in 1581 dat hij de zaak zou voortzetten als het “tijt ende pas gheven zal.” Intussen mochten de voornoemde kinderen uit de stad Loo gelicht worden en in een andere plaats, die onder de gehoorzaamheid van de koning stond, ondergebracht worden om daar behoorlijk onderhouden en opgeleid te worden op kosten van hun moeder en stiefvader[339].
François Roose huwde in tweede instantie met Marie van Wulpen. François ging in deze hoedanigheid onder meer akkoord met de verkoop en onterving van een stuk land door zijn vrouw in de parochie Koudekerke en beiden lieten zich daarvoor “willig condemneren” in de Raad op 20 september 1597[340].
Familiale omstandigheden: Hendrik Stalins was afkomstig van Aalst[341]. Hij had dan ook enkele bezittingen binnen deze stad en maakte in september 1581 zijn broer Gerard Stalins machtig als procureur om binnen de stad en het land van Aalst alles te ontvangen en te innen wat men er hem schuldig was[342].
Loopbaan: Op 9 december 1573 legde Hendrik Stalins de eed af van griffier in de Raad van Vlaanderen. Deze benoeming zou echter heel wat voeten in de aarde krijgen. Het gerucht deed immers de ronde deed dat Hendrik voor dit ambt 4000 gulden zou neergeteld hebben, niettegenstaande hij verklaard had: “riens avoir donné, n’y promis, faict donner, n’y prommetra, quoy et a cuy que ce suist, pour parvenir audict estat, ne donneroit, ne promectroit cy apres directement n’y indirectement.” Doordat het schandaal van dag tot dag begon te groeien werd het zelfs noodzakelijk de procureur-generaal op te dragen Hendrik Stalins te ondervragen over zijn benoeming. Hendrik daagde niet op en de toegang tot de Raad werd hem ontzegd. Toen hij voor de derde keer niet verscheen, maar zijn vrouw opdaagde om te vertellen dat ze de “daghinghen” incompetent beschouwde, werden hem ook alle voordelen van zijn functie ontnomen. In mei 1574 werd hij zelfs geschorst totdat hij een behoorlijk antwoord in de zaak zou hebben gegeven[343].
Uiteindelijk kon Hendrik zijn functie blijven uitoefenen en werden er onder zijn griffierschap enkele maatregelen genomen. Zo werd er met zijn toestemming een regel opgesteld voor de ontvangers van de Raad inzake hun recht van rapport, octrooien en speciën. Het betrof een preventiemaatregel die van kracht werd vanaf kerstmis 1577 en een verlichting voor de partijen moest betekenen[344].
Hendrik werd bij patentbrief van 7 november 1587 gewoon raadsheer in de Raad van Vlaanderen[345]. Hendrik werd op 14 februari 1594 samen met enkele andere raadsheren aangesteld om aartshertog Ernst en zijn regering geluk te wensen[346]. De andere raadsheren waren Marc de Hertoghe, François Roose en Pieter van Steelant[347]. In november 1597 was Hendrik samen met de procureur-generaal gedeputeerd om de “fourier majoor” van aartshertog Albrecht te gaan spreken opdat deze de huizen van de raadsleden zou willen vrijstellen van “fourierrynghe”[348]. Aangezien de aartshertog maar één nacht in de stad zou verblijven, werd beslist dat elk van zijn “suytte” afstand zou doen en naar zijn oude logies vertrekken. Het zou trouwens teveel tijd vergen om deze regeling te veranderen doordat de “fourier majoor” bij de laatste “fourierrynghe” nog geen “fourier majoor” was. Indien hij het toen wel geweest was, zou de “fourierrynghe” niet ten huize van de raadsheren plaatsgevonden hebben. In de toekomst zou er dan ook voor gezorgd worden dat de raadsheren van de “fourierrynghe” vrijgesteld zouden worden[349].
Op 20 oktober 1610 werd in de Raad beslist dat door “het stijf ende hert hooren ende grooten ouderdom” men Hendriks stem en advies niet meer zou meerekenen met die van de anderen. Hij mocht evenwel nog steeds participeren in de rapporten zolang hij het hof zou frequenteren[350]. Hendrik Stalins stierf op 7 november 1610[351].
Huwelijk: Hendrik Stalins was twee maal getrouwd. Een eerste keer huwde hij met Elizabeth Heys[352]. Door het overlijden van Jan Heys, de broer van zijn vrouw, gaf Hendrik in 1578 een procureur de nodige bevoegdheid om een leen te verheffen in Impe[353]. Hendrik en Elizabeth hadden twee kinderen: Jan en Marie Stalins[354]. In september 1584, toen de Raad nog te Douai resideerde, stelde Hendrik zijn zoon Jan aan als procureur om zijn woning in de Gentse Burchstraat te ruimen. De terugkeer van de Raad van Vlaanderen was toen blijkbaar reeds in zicht.
In zijn tweede huwelijk was Hendrik getrouwd met Catherine de Bacquere. Samen met Lodewijk Blancquart, de toenmalige notaris van de Raad, en zijn zoon Jan Stalins had hij in 1587 Nicolas Roose, procureur in de Raad, aangesteld om hem voor de Gentse schepenen van Gedele vierde erfgenaam te maken van het sterfhuis van de ouders van zijn echtgenote[355].
Familiale omstandigheden: Schrevel van Driel stamde af van een edele en oude familie uit Holland en was geboren in Dordrecht[356]. Een deel van de familie Driel en van Driel vind men er terug onder de patriciërs en de overheidsambtenaren vanaf 1446[357].
Loopbaan: Door het overlijden van Remy Everaert verkreeg Schrevel op 11 mei 1593 de post van raadsheer-commissaris in de Raad van Vlaanderen en werd daarbij voorzien van “plain povoir, authorité, et mandement especial[358].” In deze functie diende hij zich onder meer eind 1596 met doctor d’Harduyn, auditeur van het krijgsvolk in het kwartier van Gent, te informeren over de onlusten die zich onlangs hadden voorgedaan in de kasselrij Kortrijk tussen de boeren en enige Spaanse soldaten die er gelogeerd waren[359].
Op 27 augustus 1601 werd zijn patentbrief net zoals die van de andere raadsheren-commissarissen vernieuwd[360]. Dit hield ook in dat hij opnieuw de eed zou afleggen in de handen van voorzitter Liebaert. Bij deze eedaflegging op zaterdag 8 december 1621 was hij echter afwezig, net als Marc de Hertoghe en Jan de la Torre[361].
Op 27 februari 1603 werd hij gewoon raadsheer door het overlijden van de vorige functionaris, Jeroom de Brabant. Deze functie bekleedde Schrevel tot zijn vrijwillig ontslag in 1632, omwille van zijn hoge leeftijd[362]. De Raad stond hem dit zonder problemen toe. Er werd rekening gehouden met zijn bijna veertig jaar dienst en het feit dat hij sinds vijf jaar, door lichamelijke problemen, niet meer in staat was regelmatig de zittingen bij te wonen en er weinig hoop was op beterschap. Eind april diende hij voor het neerleggen van zijn ambt een verzoek in en uitte hierin een wens betreffende zijn opvolger. Schrevel had hierbij Jan Baptist della Faille, advocaat bij de Raad van Vlaanderen, in gedachten[363].
Schrevel van Driel was nochtans een maand voordien nog aangesteld in de opnieuw opgerichte kamer van de tollen en licenten te Gent. Schrevel beantwoordde als raadsheer in de Raad van Vlaanderen met een groot aantal dienstjaren en dus heel wat ervaring aan het vooropgestelde profiel. Men wou immers drie trouwe en ervaren personen benoemen waardoor Schrevel dan ook benoemd werd tot eerste kamerlid van de zaken en debatten die zich zouden voordoen betreffende de tollen en licenten te Gent[364]. Het benoemen van een raadsheer van de Raad van Vlaanderen voor deze functie kwam niet echt als een verrassing daar de bevoegdheden van deze kamer na haar afschaffing in 1608 aan de Raad van Vlaanderen werden toegewezen[365].
Huwelijk: Schrevel van Driel trouwde in 1593 met Marie della Faille, dochter van Martin della Faille en Sibylle Stecher. Martin was raadsheer van de Admiraliteit en werd in 1603 afgevaardigd met de hertog van Arenberg om de vrede te onderhandelen met Jacobus I van Engeland[366].
Schrevel en Marie hebben één zoon, die reeds stierf in 1608, en drie dochters[367]. Via zijn vrouw was Schrevel verwant met Jan-Baptist della Faille wat ook verklaarde waarom hij hem als zijn opvolger wou.
Familiale omstandigheden: Anselmus Nieulandt was de vierde zoon uit het huwelijk van Olivier Nieulandt en Aleyde Maes, dochter van Arnould Maes en Claire van der Linden. Aleyde was reeds weduwe van François van Logenhaghe en Anselmus vader was voordien getrouwd geweest met Catherine van Hecke en Josine van Eessene. Anselmus had uit het derde huwelijk vier broers en twee zussen: Olivier, Jan, Antoon, Joos, Catherine en Philippine. Olivier werd raadsheer-pensionaris en griffier van het Waasland. Hij trouwde in zijn eerste huwelijk met Adriane Wijts en in zijn tweede huwelijk met Catherine de Sorre. Jan Nieulandt trouwde in zijn eerste huwelijk met Claudine Wijts en in zijn tweede huwelijk met Marie du Mont de Buret[368]. In mei 1598 gaf Anselmus te kennen dat hij als voogd van Jan Nieulandt samen met zijn mede-erfgenamen van wijlen Olivier Nieulandt en Aleyde Maes een decreet afgewonnen had van verschillende huizen binnen de stad Antwerpen om daarop tot hun proffijt een jaarlijkse rente van 50 gulden te verhalen[369].
Antoon Nieulandt werd hoogschepen van het land van Dendermonde en huwde met Jacqueline Berwouts. Anselmus jongste broer, Joos Nieulandt, werd kloosterling in de abdij van Baudeloo te Gent. Catherine Nieulandt huwde met Jacob Canin en Philippine Nieulandt werd kloosterlinge in Dendermonde[370].
Verder had Anselmus ook nog twee stiefzussen uit het eerste huwelijk van zijn vader. Isabeau Nieulandt huwde met Jacob van den Hende, pensionaris van Delft. Anselmus’ andere stiefzus, Anne Nieulandt, trouwde in eerste instantie met Fransisco Serventi en in tweede instantie met Léonard Broucx[371].
De verwantschap tussen de families Nieulandt en Wijts kwam reeds tot uiting in de huwelijken en manifesteerde zich ook in het feit dat beide families op elkaar beroep deden. Op die manier kreeg Anselmus Nieulandt in 1593 als pensionaris van de stad Brugge de volmacht om in naam van Willem Wijts te compareren voor de baljuw en de mannen van het leenhof van Tielt, Meulebeke “ende elders daert van nood wesen zal[372].”
Uit hoofde van de medevoogdij met Willem Wijts stelde Anselmus eerstgenoemde aan om in zijn plaats voor de schepenen, burgemeester en weesheren van Brugge te verschijnen om een consent te verzoeken over de uitleg die aan Pieter Wijts, presbyter en kanunnik van Sint-Martens te Ieper, gegeven was. Daarin was namelijk bepaald hoeveel Anselmus en de wezen in het sterfhuis van Jan Wijts en Marie de Boodt moesten inbrengen. Het betrof het deel dat Anselmus bij zijn huwelijk, net als Adriane en Claudine Wijts, als voorschot gekregen had [373].
Loopbaan: Anselmus naam kwam ter sprake toen de eerste twee leden, Gent en Brugge, pleitten om één van hun pensionarissen aan te stellen om zich specifiek bezig te houden met de slabakkende voorstellen en resoluties van de Vier Leden. Brugge wou, om alle jaloezie te vermijden, dat Gent hiervoor iemand zou aanduiden. Dit gebeurde in de persoon van Anselmus Nieulandt, pensionaris van Brugge, die het minst door bezigheden gebonden was. Het college van Brugge keurde dit goed en induceerde hierop Anselmus in de hoop dat Gent zich dezelfde moeite zou troosten[374].
Anselmus werd op 14 december 1593 benoemd tot procureur-generaal in de Raad van Vlaanderen “nonobstant les ordonnances de notredit conseil qui pouroit empescher ou invalider ceste provision pour le affinité qui est entre ledit Nieulandt et les conseillers messire Guillaume Wijts et Anthoine Schoorman.” Hij verving er de gepromoveerde François Roose en de benoeming toonde aan dat met de ordonnanties een loopje genomen kon worden[375]. Zijn patentbrief werd overigens zonder enig probleem door de aartshertogen vernieuwd op 27 augustus 1601[376].
Anselmus wou zijn taken als procureur-generaal stipt uitvoeren en bijgevolg deed hij in 1594 zijn beklag over de onderbaljuw van de stad Gent, Gillis van de Meeren, die absent was bij de executie van twee vrijbuiters. Men had de onderbaljuw de dag voordien immers mondeling verzocht daarbij aanwezig te zijn[377]. Om zijn orders te laten uitvoeren, beschikte een procureur-generaal over bepaalde middelen zoals boetes. Dit bleek wanneer Anselmus aankopers en verkopers van verscheidene soorten graan had laten vastzetten omdat ze in overtreding waren met de plakkaten. Anselmus verzocht toen de uittreksels van de registers en handleidingen van onder meer de brouwers in te kijken. Dit werd hem toegestaan en bij elke weigering mocht hij 50 gulden ten voordele van de koning heffen[378].
Anselmus Nieulandt stierf in augustus 1602 en werd begraven in de parochiale kerk van Sint-Jacobs, waar ook zijn beide echtgenotes hun rustplaats vonden[379]. Korte tijd voor zijn dood had hij nog verzocht afstand te mogen doen van zijn ambt doordat hij getroffen was door een ziekte waarvan hij geen genezing meer verwachtte en daarenboven nog belast was met een vrouw en negen kinderen. De persoon die Anselmus Nieulandt als zijn opvolger naar voren schoof, was Jan van de Heede, luitenant van de “gouvernance de Lille”. Anselmus prees de diensten van de luitenant, die voordien ook nog luitenant van Douai en Orchies geweest was en die bekend stond “d’estre fort homme de bien idoine et versé aux affaires publiques.” Jan van de Eede werd echter niet benoemd[380].
Huwelijk: Anselmus was respectievelijk getrouwd met Eleonora Van den Heede en Marie Wijts. Voor het huwelijkscontract van 1578 dat de eerste echtverbintenis inhield, liet Anselmus zich assisteren door Antoon Schoorman(I), advocaat bij de Raad van Vlaanderen en Jacob Canin, ook advocaat. Eleonora van den Heede liet zich op haar beurt bijstaan door haar beide broers, Pieter en Maximiliaan, en een zekere Meganck, doctor in de medicijnen. Ze werd tenslotte nog geassisteerd door haar voogd en vriend Jacob Anselaert[381]. Uit dit eerste huwelijk had Anselmus een zoon, Ghislain Nieulandt die tot ridder werd geslagen op 18 maart 1634. Ghislains huwelijk met Adriane Triest bleef kinderloos en hij stierf op 9 april 1641[382].
Anselmus’ tweede vrouw was Marie Wijts, zus van Willem Wijts en dochter van Jan Wijts en Marie de Boodt. Bij de dood van haar moeder liet Marie Wijts via Zegher Bischop, procureur postulerende voor burgemeester en schepenen van de stad Brugge, weten dat ze –na het overzien van de staat van de achtergelaten bezittingen- afstand zou doen van de successie en zich tevreden stellen met haar “avanchementen van huwelijcke”[383]. Ze stond ook in goede relatie tot Ghislain, de eerste zoon van haar echtgenoot, die ze aanstelde om in 1605 voor de weesheren te Brugge de rekening, die Anselmus had moeten maken, te presenteren en te laten sluiten. Ghislain was toen Gents schepen van Gedele en de rekening betrof de administratie van de bezittingen van de kinderen van Jan Nieulandt[384].
Marie Wijts schonk Anselmus acht kinderen: zes zonen en twee dochter, te weten: Anselmus, Willem, Olivier, François, Ernest, Pieter, Jeanne en Françoise. Anselmus en Willem traden allebei in de Gentse abdij van Baudeloo in. Olivier werd jezuïet, François kapucijn en Ernest werd kanunnik en aartsdiaken van Doornik. Pieter Nieulandt trad als enige zoon in het huwelijksbootje. Hij trouwde een eerste maal met Françoise Spronckholf, dochter van Pieter en Marie Wynckelman,en een tweede maal met Marie Anchemant, dochter van Hendrik en Margriet Budsin[385]. Françoise en Jeanne Nieulandt stierven jong. Alle kinderen hadden een “neghenste staeke” bij de dood van hun vader. Antoon Nieulandt, Marie Wijts en Ghislain Nieulandt fungeerden toen als testamentaire voogden. De bezittingen bevonden zich onder meer in de nabijheid van Roeselare, in Maldegem en in Moerkerke[386].
Familiale omstandigheden: Jan de Bloys was de zoon van Cornelis de Bloys, burgemeester “vande courpse” van de stad Brugge, en Anna de Boodt. Jan had op die manier een band met de stad Brugge en als poorter van deze stad had hij er tevens een aantal bezittingen. In oktober 1611 maakte hij daarom Philippe Maernix, griffier van de vierschaar van Ieper, machtig om al zijn bezittingen te Brugge, Sluis en Damme te ontvangen[387]. Zijn broer Joos de Bloys was hoogbaljuw van de stad Tielt[388]. Joos was ook verscheidene malen schepen van de stad Brugge, meer bepaald in 1606, 1608. Hij was er ook enkele malen raadslid, onder andere in 1620,1624 en 1631. In 1605 en 1607 was hij er hoofdman[389].
Loopbaan: Voor hij raadsheer in de Raad van Vlaanderen werd, was Jan de Bloys er als licentiaat in de rechten reeds actief als ondergriffier. In deze functie vinden we zijn handtekening terug onder een document, daterende uit 1591, waarin een aantal punten over de griffie uitgewerkt waren. Het betrof onder meer enige artikels om de “ontfanck” in goede banen te leiden en enkele punten om de dagelijkse wanorde in de “presse” te remediëren. Zo zouden van nu voortaan alle processen die binnengebracht werden, bezorgd worden aan de ontvanger van de rapporten waarna deze een register moest maken. De ontvanger zou de personen optekenen en zich bovendien verzekeren van het wel of niet binnengebracht zijn van de processen. De maatregelen tegen de wanorde hielden onder meer in dat de partijen hun stukken niet meer afzonderlijk mochten indienen maar samen moesten overhandigen aan de ontvanger. De partijen moesten hun stukken daarbij tevens voorzien van een degelijke inventaris[390].
In 1593 liet Pieter de Bevere weten dat hij afstand wenste te doen van zijn functie als advocaat-fiscaal in de Raad van Vlaanderen en dat de Raad, zijn diensten en hoge leeftijd in beschouwing genomen, dit ambt kon begeven aan de ondergriffier, met name Jan de Bloys. Ook Pieter de Bevere was eertijds griffier van de Raad van Vlaanderen geweest en de patentbrief van Jan de Bloys als advocaat-fiscaal in de Raad van Vlaanderen dateerde van 24 december 1593[391]. In 1595 werd op Paasavond ten huize van voorzitter Bogaert advies verleend in een dringend zaak. Alle raadsheren –waartoe de procureur-generaal en de advocaat-fiscaal gerekend werden- waren hier op uitgenodigd. Jan de Bloys was echter onwetend gelaten van deze samenkomst doordat hij door geen bode verwittigd was. Het hof besliste dat hij nog steeds zijn mening mocht geven en dat het hem niet belette zijn schadevergoeding te nemen op de messagier, die zich niet van zijn taak gekweten had[392].
Als advocaat-fiscaal wou Jan de Bloys hogerop. Hij wou niet enkel de rechten van de vorst in de praktijk verdedigen en ambieerde bijgevolg het voorzittersschap van de Raad. Op 9 april 1605 werd hij samen met Willem van Coorenhuuse en twee buitenstaanders voorgedragen om voorzitter van de Raad te worden en zo de gepromoveerde Jacob Liebaert op te volgen[393]. Jan moest zich echter tevreden stellen met een promotie tot gewoon raadsheer op 23 juni 1605 doordat Willem van Coorenhuuse het pleit gewonnen had[394].
Op deze manier was Jan de Bloys advocaat-fiscaal af en mocht hij zich dan ook niet meer bemoeien met de fiscale aangelegenheden die nu toekwamen aan zijn opvolger, met name Hendrik Malassis. Jan had desalniettemin een verzoek ingediend om dit wel te mogen doen, aangezien hij een gewezen advocaat-fiscaal was en hij in de rapportboeken gevonden had dat verscheidene gelijkaardige gevallen –advocaten-fiscaal gepromoveerd tot gewoon raadsheer- dit wel mochten doen. Hij vernoemde hierbij onder meer Gerard Rijm en François Roose[395]. Op 27 februari 1606 werd echter beslist dat Jan de Bloys geen opinie mocht uitbrengen over de fiscale zaken[396].
Nochtans werd Jan eind maart 1615 als gewoon raadsheer samen met Antoon de Vuldere, eveneens gewoon raadsheer, afgevaardigd naar de Geheime Raad voor een fiscale zaak. Het betrof namelijk de weigering van de luitenant van de Gouvernance van Rijsel om het plakkaat van de munt uit te vaardigen. De luitenant had bovendien een deurwaarder van de Raad gevangen gezet. Beiden raadsheren waren gewezen advocaat-fiscaal en dienden in de Geheime Raad het geschil tussen de Raad van Vlaanderen en de Rekenkamer te Rijsel betreffende de jurisdictie bij te leggen[397].
Jan de Bloys bleef bijzonder waakzaam wanneer het op de rechten van de deurwaarders aankwam; als gewezen ondergriffier was hij immers vertrouwd met het reilen en zeilen van het lager personeel. Op 21 mei 1620, deed Jan zijn rapport betreffende het verzoek van Jan van Deynse die het deurwaarderschap van de stad Ieper gepacht had van de griffier van ‘informatien’ van de kasselrij Ieper, met name Jacob Baelde. Het hof had namelijk ondervonden dat er zowel in de jaarlijkse prestatie als in het wijngeld een buitensporigheid was. Er werd dan ook beslist dat zowel Jacob Baelde als Jan van Deynse zich aan het reglement van verpachting moesten houden[398].
Als één van de langst in dienst zijnde personeelsleden van de Raad, was Jan de Bloys bijzonder goed geplaatst om zijn medewerking te verlenen aan de plakkaatboeken. Hij werkte dan ook samen met zijn collega Gillis Stalins aan de ordening van de plakkaten voor het “tweeden placaet-bouck inhoudende diversche ordonnancien, edicten, ende placaeten van de coninclicke majesteyten ende haere deurluchtighe Hoog-heden, graven van Vlaenderen, metsgaders van Heurliederen provincialen Raede aldaer, ghepubliceert inden voorghenoemden lande van Vlaendren ’t zedert den jaere 1560, tot ende metten jaere 1629.” In 1639 volgde nog een heruitgave van het eerste deel, opnieuw in samenwerking met Gillis Stalins[399].
In juni 1635 werd door Jan de Bloys –als oudste raadsheer en mede door de afwezigheid van voorzitter Wijts- de inhoud van de brief van de Raad van State voorgehouden aan de gedeputeerden van de Gentse schepenen van de Keure. Deze brief hield in dat de vijand voor de recrutering van zijn leger ook beroep gedaan had op volk aan Vlaamse kant en dat men daarom goed moest toezien dat er geen verrassing in een stad zou geschieden. De Raad van Vlaanderen was niet van plan een tweede Douai te beleven en de gedeputeerden moesten dan ook instaan voor de nodige controle van de stadspoorten. Ze behoorden ervoor te zorgen dat er een goede wacht gehouden werd en dat alle namen, toenamen en verblijfplaatsen opgeschreven werden van iedereen die de stad binnentrad. Het hof had eveneens de andere steden door middel van gesloten brieven verwittigd[400].
Op deze manier was Jan in aanraking gekomen met het voorzitterschap van de Raad van Vlaanderen dat hij reeds lang ambieerde. Na de dood van voorzitter Wijts aarzelde hij dan ook niet om als oudste raadsheer zijn kandidatuur in te dienen. De Raad van State vond dat hem een bijzondere beschouwing toekwam, omwille van zijn lange dienst maar een benoeming was echter teveel gevraagd[401]. Aan ervaring ontbrak het Jan de Bloys niet want eind 1643 gaf hij als oudste raadsheer te kennen dat hij bijna 50 jaar raadsheer in de Raad van Vlaanderen geweest was. Hij besliste daarom in de Gentse Sint-Michielskerk zijn jubileum te vieren door middel van een plechtige mis tot “danksegghynghe”. Het was zijn bedoeling daarbij al zijn beste vrienden te verwelkomen samen met enkele voorname personen waaronder de bisschop van Gent, de prelaten van de abdijen Baudeloo en Drongen en de afgevaardigden van de stad Gent[402]. De mis werd gevolgd door een feestmaaltijd bij Jan thuis[403].
Hij mocht dan geen voorzitter geworden zijn, men stond hem niettemin toe de titel vice-voorzitter te dragen zodat hij van de andere raadsheren werd onderscheiden. De Raad fungeerde na het overlijden van Willem Wijts immers zonder voorzitter maar de aanwezigheid van Jan als vice-voorzitter betekende niet dat hij het daarom voor het zeggen had. Als medewerker van het plakkaatboek en als vice-voorzitter gaf Jan in maart 1645 te kennen dat de resolutie van 5 november 1644 tegen de instructies van de Raad, die in het plakkaatboek stonden, inging. Door de resolutie mochten raadsheren die in de ene kamer werkten, participeren in de rapporten van de andere kamer. Als reden werd aangehaald dat de rapporten toch in het gemeen kwamen. Niettegenstaande Jans bezwaar, werd beslist dat de nieuwe resolutie gehandhaafd zou blijven tot de komst van een nieuwe voorzitter[404]. Op 22 september 1647 overleed Jan de Bloys, nadat hij reeds enige dagen ziek te bed had gelegen[405].
Huwelijk: Jan de Bloys was gehuwd met Margriet de Bevere, dochter van Pieter de Bevere. Pieter de Bevere had in 1593 afstand gedaan van zijn ambt van advocaat-fiscaal in de Raad van Vlaanderen ten gunste van Jan de Bloys en ook het huwelijkscontract van Jan en Margriet dateerde van 1593, meer bepaald van 31 augustus 1593. Jan liet zich willig condemneren in de Raad en werd hierbij geassisteerd door Willem Wijts, die was aangeduid om dit contract te verordenen voor de Raad van Vlaanderen, en de Gentse schepenen van de Keure. Margriet liet zich op haar beurt assisteren door haar vader en moeder: Pieter de Bevere en Josine Gheys. Verder mocht ook haar broer Denys de Bevere, baljuw van de kasselrij van de Oudburg haar bijstaan. Margriet, die vrij van alle poorterschap was voor het huwelijk, zou door het huwelijk poorteres dienen te worden van de stad Brugge [406].
In december 1609 maakte Jan in het kader van dit huwelijk een koopman, wonende te Amsterdam, machtig als zijn procureur-generaal. Het betrof Balthazar vander Beken die daar met een andere koopman “accord” moest maken over de aflossing van de rente die Margriet als huwelijksgift ontvangen had van haar vader Pieter de Bevere[407].
Jan en Margriet hadden twee dochters: Isabelle en Jenny. Isabelle de Bloys was gehuwd met Philippe de Stoppelaere, onderbaljuw van de stad Gent. Samen met haar zus Jenny, gaf Isabelle in 1648 te kennen dat hun vader in de vorm van een rente 2000 gulden aan Ambroise van Oncle, ontvanger-generaal van Vlaanderen, gegeven had. In deze overlevering was tevens de clausule opgenomen dat de opvolger van Jan de Bloys gehouden was de rente uit te keren aan Jans erfgenamen. Pieter van der Beken was bereid dit doen en de beide dochters bekenden de tweeduizend gulden ontvangen te hebben[408].
Familiale omstandigheden: Antoon Schoorman[409] was afkomstig van Gent[410]. Hij was de zoon van Antoon Schoorman (I) en Isabelle van Loghenhaghen[411]. Antoons vader was een tijdlang advocaat-fiscaal van de Raad van Vlaanderen maar gaf in februari 1586 te kennen dat hij opnieuw het ambt van pensionaris van de stad Gent aanvaard had. De Raad had liever dat hij zijn functie van advocaat-fiscaal voortzette maar stond zijn overstap niet in de weg en verzocht hem goede correspondentie met het hof te onderhouden. Vanaf 26 juli 1593 was Antoon Schoorman(I) echter opnieuw actief in de Raad van Vlaanderen als gewoon raadsheer door het overlijden van Pieter Lecocq[412].
Antoons broer Jan Baptist was net zoals zijn vader pensionaris van de stad Gent. Jan Baptist ambieerde ook een functie in de Raad van Vlaanderen, alhoewel hij besefte dat dit moeilijk zou worden aangezien zijn broer er functionaris was. Hij probeerde het toch en diende zowel voor hemzelf als voor zijn broer eind september 1602 een verzoek in om de overleden procureur-generaal Anselmus Nieulandt op te volgen. Jan Baptist zou echter aan de raadsheren verklaard hebben nooit te zullen pretenderen naar dat ambt en men vond hem trouwens niet bekwaam, zowel in de praktijk als in de theorie -niet gegegradueerd- van het recht. Als laatste reden werd eraan toegevoegd dat zijn benoeming tot misnoegdheid bij de bevolking zou leiden doordat er twee broers -volle broers en geen stiefbroers- op hetzelfde moment in de Raad werkzaam zouden zijn[413].
Daarnaast had Antoon nog twee zussen en twee broers, te weten: Aldegonde, Isabeau, Alexander en Karel. Aldegonde Schoorman huwde met Joos Winckelman en Isabeau Schoorman trouwde met Simon Canis, pensionaris van Ieper. Alexander Schoorman werd kapitein van een compagnie infanteristen en huwde met Isabeau van Pottelsberghe[414]. Karel Schoorman werd raadsheer en auditeur van het “volck van orloghe” in Oost-Vlaanderen en werd door Antoon in 1623 aangesteld om de “reedinghe ende liquidatie” van het sterfhuis van hun zuster Isabeau te regelen[415]. Karel, die gehuwd was met Marie de Ghistelles, stierf een jaar later op 24 oktober 1624 als auditeur-generaal van het Gentse kwartier[416].
Loopbaan: Antoon Schoorman was tien jaar werkzaam geweest als advocaat bij de Raad van Vlaanderen[417], alvorens er op 28 juli 1595 benoemd te worden tot raadsheer-commissaris door de promotie van Jan de la Torre. Hij was toen echter kandidaat voor het ambt van gewoon raadsheer dat vacant was door het overlijden van zijn vader. Maar hij ondervond hinder van het feit dat Anselmus Nieulandt, zijn oom langs moederszijde, werkzaam was in de Raad als procureur-generaal[418].
In 1602 wou Antoon de overleden procureur-generaal Nieulandt opvolgen. De Raad achtte hem “ydoine, capable et souffisans” om deze functie te vervullen[419]. In zijn rekwest had Antoon het over zijn ervaring door zijn huidige functie van raadsheer-commissaris die hij nu reeds zeven à acht jaar uitoefende. Verder haalde hij nog de verdiensten van zijn oom en vader aan, naast deze van zijn broer de pensionaris. Uiteraard mogen we zijn fiscale kennis niet vergeten: “par experience il cognoit et est imbu des affaires du fisque[420].” Antoon Schoorman werd op 15 november 1602 benoemd tot procureur generaal in de Raad van Vlaanderen[421]. In deze hoedanigheid maakte Antoon bekend dat Evergem nabij Gent, gedurende twee maanden belastingen betaald had aan de vijand. Bovendien had de vijand nog verscheidene andere dorpen aangemaand tot het betalen van belastingen, die ze voor hun fortificaties gebruikten. Het was vanzelfsprekend dat de Raad hierop een bevel van de aartshertogen verwachtte[422].
Op 2 maart 1614 werd Antoon benoemd tot gewoon raadsheer in de Raad van Vlaanderen door het overlijden van Jan Coucke[423]. Antoon verdween wat op de achtergrond en in november 1623 diende hij een verzoek in om afstand te mogen doen van zijn ambt ten gunste van zijn zoon Antoon Schoorman(III). Antoon haalde hierbij de diensten van zijn vader aan, naast de eigen ijver en nederigheid: “Et comme le suppliant n’a juques ores prétendu aulcunne mercede ou récompense de ses longs assidus et pénibles services[424].” Antoon Schoorman stierf op 7 november 1631[425].
Huwelijk: Antoon Schoorman was getrouwd met Marie Boccaert. Zij hadden drie kinderen: Antoon Schoorman (III), Isabelle en Alexandrijne[426]. Isabelle Schoorman huwde in eerste instantie met Jacob van Hecke en in tweede instantie met Louis Triest, heer van Merelbeke en Lemberge[427]. Antoon (III) was advocaat-postulant bij de Raad van Vlaanderen toen zijn vader in 1623 een verzoek indiende om het ambt neer te leggen ten gunste van zijn zoon. Antoon (III) werd hiervoor door zijn vader speciaal klaargestoomd: “il a entretenu, son filz aisné Antoon, présentement eagé de trente deux ans, aux estudes des bonnes lettres de droict, et al la practicque.” Van Antoon (III) werd dan ook verwacht dat hij in staat was een waardig dienaar van de vorst te zijn.
De Raad van Vlaanderen liet de beslissing echter over aan de landvoogdes daar de verdiensten van Antoon (III) hem minder bekend waren[428]. Zij ging er echter niet op in en daarom liet men de verdiensten van Antoon (III) verklaren “pour vérité”. Zo werd aanvaard dat Antoon (III) in 1615 zijn graad van licentiaat in de rechten verkregen had in de universiteitsstad Douai. Hij werd vervolgens aangesteld als advocaat bij de Raad van Vlaanderen tot 1628. Hij verliet toen zijn woonplaats te Oostende voor zijn aanstelling als rechter-assessor van de Admiraliteit te Duinkerke[429]. Antoon (III) mocht ondanks dit alles zijn vader niet opvolgen bij diens dood, niettegenstaande hij zich onder de genomineerden van de Raad bevond[430].
Antoon (III) genoot toch mee van de voordelen die aan de functie van zijn vader verbonden waren. Zo bekende Antoon in februari 1632 dat hij samen met Alexander Sproncholf, schepen van het Vrije, het stuk polder van zijn vader verkocht had aan Frederik Nieulandt. Antoon (III) handelde hierbij eveneens in naam van zijn twee minderjarige zussen[431]. De carriére van Antoon (III) in de Raad van Vlaanderen ving pas aan op 28 augustus 1637 toen hij als advocaat-fiscaal van de Admiraliteit te Duinkerke benoemd werd tot advocaat-fiscaal in de Raad van Vlaanderen. Bij patentbrief van 12 juli 1639 werd hij er nog gewoon raadsheer[432].
Loopbaan: Jan Coucke was als advocaat-postulant bij de Raad van Vlaanderen reeds pretendent voor het vrijgekomen ambt van raadsheer en procureur-generaal door het overlijden van de vorige functionaris, Anselmus Nieulandt. Hij werd toen een trapje lager geplaatst dan degenen die de Raad werkelijk in staat achtte om dit ambt te bekleden maar werd evenwel toch bekwaam geacht: “comme tenons aussy pour capable”[433]. In zijn rekwest maakte Jan gewag van zijn vijftien jaar dienst waarin hij de verwachting koesterde gepromoveerd te worden naar een meer eerbare functie[434].
Jan werd in hetzelfde jaar, meer bepaald op 15 november 1602, nog benoemd tot raadsheer-commissaris in de Raad van Vlaanderen door de promotie van Antoon Schoorman (II)[435]. In 1606 moest Jan Couck de plaats innemen van Jan de Bloys als superintendant om erover te waken dat alle magistraten van Vlaanderen hun uiterste taak zouden doen om het abominabele misdrijf, zijnde toverij, met wortel en tak uit te roeien[436]. In 1610 werd hij samen met de drie andere raadsheren-commissaris: Jan Jacob de Brabant, Karel Triest en Félix Jan Martin gelijkgesteld aan de acht gewone raadsheren. Voortaan zouden ze bijgevolg ook één florijn per dag verdienen en 25 florijnen per jaar voor hout[437]. Jan Coucke stierf in 1614 en werd op 2 maart van dat jaar opgevolgd door Antoon Schoorman (II)[438].
Huwelijk: Jan Coucke was gehuwd met Amelberghe de Zaman[439].
Familiale omstandigheden: Jan Jacob de Brabant was de zoon van Jeroom de Brabant en Clara Bogaert. Jan Jacob werd heer van Haverie en Rouenville[440]. Dit laatste leen was onderdeel van de erfenis van zijn vader Jeroom de Brabant, die gewoon raadsheer geweest was in de Raad van Vlaanderen. Jan Jacob stelde om dit leen opnieuw op te richten Jan du Laury, griffier bij de raad van Vlaanderen, aan om in zijn naam te verschijnen voor de baljuw en leenmannen van Roubaix[441].
Loopbaan: Ondanks het feit dat Jan Jacobs vader een verzoek had ingediend om ten gunste van zijn zoon afstand te doen van zijn functie van gewoon raadsheer, moest Jan Jacob zich tevreden stellen met een post als raadsheer-commissaris in de Raad van Vlaanderen. De Raad achtte hem, rekening houdend met de diensten van zowel zijn vader als zijn grootvader, de gewezen voorzitter Jacob Bogaert, nochtans gekwalificeerd om zijn vader op te volgen[442]. Jan Jacob de Brabant was advocaat-postulant bij de Raad van Vlaanderen toen hij er op 27 februari 1603 Schrevel van Driel opvolgde als raadsheer-commissaris[443].
Jan Jacob was erg begaan met de leden van de Raad van Vlaanderen en nam het voor hen op indien nodig. Zo legde hij op 13 juni 1605 bij zijn terugkomst uit Brussel een acte neer in het hof betreffende een loonsverhoging omdat er een toename was in het aantal zaken en er bovendien een extreme duurte heerste. In het bijzonder werd een verhoging van de dienstreizen geëist tot zes pond want: “il est mal possible de despendre esdits hostelries moings desdits six livres.” Enkel de voorzitter zou de gevraagde zes pond krijgen; de raadsheren-fiscaal en de raadsheren-commisarissen moesten zich tevreden stellen met vier pond[444].
Jan Jacob werd gewoon raadsheer in 1610 toen de raadsheren-commissaris verheven werden tot gewone raadsheren[445]. Een andere aangelegenheid waarmee Jan Jacob zich bemoeide waren de bedijkingsaangelegenheden en allerlei zaken betreffende de geschonken schorre. In 1613 werd aan de thesaurier-generaal en de heren van Financiën opgedragen zijn dienstreis en die van Antoon Schoorman te betalen aangezien die in opdracht van de Raad van Financiën geschiedde. Jan Jacob en zijn metgezel dienden namelijk de grachten en straten van de schorre van Sint-Jan, Sint-Albertspolder genoemd, te verdelen en toe te wijzen[446]. In 1617 werd Jan Jacob aangesteld om ervoor te zorgen dat in de kil van de haven van Assenede enkele dammen zouden aangelegd worden[447].
Jan Jacob verloor echter zijn ander actieterrein niet uit het oog: hij bleef begaan met de leden van de Raad van Vlaanderen. Op zijn betoog over het feit dat verscheidene procureurs hun klerken zonden om de zaken waarmee ze bezig waren te bezorgen en te verantwoorden, werd in september 1626 beslist dat de procureurs voortaan in eigen persoon, met hun tabbaarden, in het consistorie zouden komen[448]. Jan Jacob bleef actief in het voorstellen van maatregelen jegens de procureurs want op 18 juni 1629 werd na zijn betoog beslist dat de procureurs en advocaten twee derden in plaats van één derde zouden krijgen van de zeven gulden, die een raadsheer kreeg voor een dienstreis[449].
Jan Jacob bleef daarnaast nog steeds de persoon die zich bezighield met de administratie en dergelijke meer van de geschonken schorre. In januari 1631 verklaarde hij dat hij vier delen verkocht had aan Anthys Cornelis, een landman wonende in de Sint-Albertspolder, voor de som van 3200 gulden[450]. Het betrof de stukken van hemzelf en Félix Jan Martin, van wie Jan Jacob het stuk eerst zelf gekocht had voor 300 gulden in 1619[451]. Daarnaast verkocht Jan Jacob ook nog de stukken van Gillis Stalins en Hendrik Malassis. Aangezien de stukken even groot waren, betekende dit dat elk stuk 800 gulden waard was zodat Jan Jacob voor de verkoop van het deel van Félix Jan Martin een winst opstreek van 500 gulden, de inflatie buiten beschouwing gelaten. Anthys Cornelis zou ook een stuk uit de dijk toekomen. Niet alle raadsheren waren opgetogen met de verkoop omdat het verkopen aan een vreemde volgens hen voor narigheid zou zorgen[452].
Dat Jan Jacob als verantwoordelijke van de schorre fungeerde, bleek eens te meer toen hij door Adolf Veranneman, voogd van de minderjarige kinderen van Karel Triest, aangesteld werd om het stuk polder van Karel Triest te verkopen