De benoeming van de voorzitters en raadsheren van de Raad van Vlaanderen (1598-1633). (Chris Verhaeghe)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Deel 1: De Zuidelijke Nederlanden en de Raad van Vlaanderen (1598-1633)

 

Hoofdstuk 1: De Zuidelijke Nederlanden (1598-1633)[24]

 

1.1. Situatie in 1598

 

Bij het begin van de regeringsperiode van de aartshertogen woedde de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) reeds enkele decennia. Deze oorlog had verscheidene oorzaken en wordt bijgevolg aanzien als een versmelting van diverse onenigheden. Er was onder meer het intolerante optreden van Filips II tegen het protestantisme, dat zich vertolkte in het zenden van een troepenmacht onder leiding van de hertog van Alva. De hertog richtte een Bloedraad op[25], kondigde een nieuwe strafwet naar Spaans model af en legde permanente belastingen op zonder consensus van de bevolking of standenvertegenwoordiging[26]. Andere oorzaak van de Tachtigjarige Oorlog was de internationale politiek van de Spaanse vorst met als gevolg dat de Nederlanden slechts als een onderdeel van het Spaans-Habsburgse imperium beschouwd werden en dus nauw betrokken partij waren in oorlogen met geringe particuliere belangen, zoals de strijd met Frankrijk en Engeland aan het einde van de zestiende eeuw. Het kwam uiteindelijk tot een breuk in de Nederlanden; de Zeventien Provinciën vielen uiteen in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1588-1780) en de Spaanse Nederlanden, bestaande uit de andere, trouw gebleven gebieden.

Het was niet de enige tegenslag die Filips II te verwerken kreeg. Zijn ontgoochelingen bestonden onder meer uit een mislukte interventie in de Franse binnenlandse politiek, waar hij poogde de Hugenoten van de macht te houden en zijn dochter Isabella op de Franse troon te plaatsen. De katholieke Liga die hij steunde, viel er namelijk uiteen door een bekering van de vroegere Hugenoot Hendrik IV tot het katholicisme waardoor de strijd om de hegemonie tussen Habsburg en Valois in het voordeel van laatstgenoemde beslecht werd[27]. Filips ambities kregen nog een knauw door het verlies van zijn onoverwinnelijk geachte armada tegen Engeland. Het falen van deze ambities zorgde ervoor dat Filips er zich van bewust werd dat een vereniging met de Republiek hoe langer hoe meer tot het imaginaire ging behoren. Hij had namelijk de hoop gekoesterd dat de Noordelijke Nederlanden door zijn overwinningen van de hulp van Frankrijk en Engeland zouden geïsoleerd worden. Het ontbrak Spanje overigens aan de nodige middelen om de strijd voort te zetten: de opvolgers van Farnese hadden immers af te rekenen met financiële moeilijkheden[28], waaronder het derde staatsbankroet van de regering van Filips II in 1596, die zich dan weer vertolkten in muiterijen en een daardoor steeds meer naar vrede hunkerende bevolking.

Ontredderd, sloot Filips eerst de vrede met Frankrijk te Vervins op 4 mei 1598 waarbij hij alle steden en gebieden die hij de afgelopen jaren bezet had aan Hendrik IV teruggaf in ruil voor een veilige zuidgrens. Dit maakte het mogelijk de Zeventien Provinciën, in de hoop ze voor zijn dynastie te kunnen behouden, als bruidsschat aan zijn dochter Isabella te schenken. Filips II overleed niet lang daarna op 13 september 1598 in het Escurial, nog voor Isabella’s huwelijk met aartshertog Albert plaatsvond.

De keuze van Albert als gemaal van Isabella was doordacht[29]. Dezelfde factoren die de aartshertog gouverneur-generaal maakten, speelden opnieuw een rol: hij was namelijk: “een Oostenrijkse Habsburger die goeddeels onder de ogen van de vorst zelf in Spanje was opgevoed, bedachtzaam en zeker minder impulsief dan de meeste Spaanse hidalgos[30].”  De overleden Spaanse koning werd opgevolgd door Filips III[31], die niet zo erg ingenomen was met de afstand van de Nederlanden[32]. Met Filips III kwam overigens een bleke figuur aan de macht die niet over de werkijver beschikte om zich met de diverse bestuursaspecten van zijn landen in te laten. Op vijfenveertigjarige leeftijd had hij, zonder onderbreken, enkel het onderkoningschap van Valencia waargenomen[33]. Het eigenlijke regeerwerk liet de nieuwe Spaanse koning over aan de hertog van Lerma[34].

 

1.2. De aartshertogelijke Nederlanden (1598-1621)

 

De Nederlanden kwamen door een gezagsoverdracht, die door de Staten-Generaal erkend werd op 21 augustus 1598 en waarvan de bepalingen vastgelegd waren in de Akte van Afstand, onder aartshertogelijke soevereiniteit te staan. Het aartshertogelijk huwelijk, dat een dubbelhuwelijk werd want ook Filips III stapte in het huwelijksbootje met aartshertogin Margaretha, werd eerst per procuratie door de paus op 15 november 1598 voltrokken om daarna plechtig ingezegend te worden in Valencia op 18 april van het volgende jaar. Het duurde daardoor tot 20 augustus 1599 alvorens de aartshertogen voet zetten op Nederlandse bodem, en dit meer bepaald in Thionville. Vandaar vervolgde de reis, via Luxemburg en Namen, naar Brussel waar ze op 5 september 1599 arriveerden.

Het aartshertogelijke beleid is onlosmakelijk verbonden met de vraag naar hun soevereiniteit. Velen, zoals W. Thomas, zijn de mening toegedaan dat er een “dependent independence” heerste en de Nederlanden bijgevolg slechts een satellietstaat van Spanje waren[35]. De akte van Afstand behelsde namelijk heel wat restrictieve voorwaarden met als meest verregaande het derde artikel: indien het aartshertogelijk huwelijk kinderloos zou blijven, zouden de Nederlanden terugkeren naar de Spaanse kroon; Albert zou, in het geval dat Isabella eerst kwam te overlijden, benoemd worden tot landvoogd voor het leven[36].

Verder bestond er geen twijfel betreffende het katholieke geloof dat de aartshertogen dienden te verdedigen, wat het vervolgen van ketters inhield. Dezelfde taak zou ook een opvolger zich ter harte moeten nemen want hij zou pas in het bezit van de Nederlanden gesteld worden na het afleggen van de geloofseed. De vastberadenheid die aan deze geloofskwestie verbonden was, maakte reeds duidelijk dat een hereniging met de Noordelijke Nederlanden niet echt tot de mogelijkheden behoorde. Aan de andere kant kon men evenmin de soevereiniteit van de Staten-Generaal in de Noordelijke Nederlanden erkennen waardoor het sluiten van een formele vrede onmogelijk bewerkstelligd kon worden.

De beperkingen emanerend uit deze akte van Afstand geven reeds aan dat het onderwerp van de aartshertogelijke soevereiniteit een dermate moeilijk eenduidig te beantwoorden vraag wordt die een opdeling tussen het binnenlands en buitenlands beleid wenselijk maakt.

 

1.2.1. Buitenlands beleid

 

Tijdens de aartshertogelijke periode bleven een aantal Spaanse instellingen voortbestaan. Op militair vlak was er aldus de aanwezigheid van het Spaanse leger in de Nederlanden, dat onder Spaans bevel ressorteerde. Hetzelfde gold voor de citadellen van Antwerpen, Gent en Cambrai die hun eigen oversten hadden die door Madrid werden aangesteld. Bovendien werd de strategie, niettegenstaande het opperbevel van het leger aan Albert toekwam, in Spanje bepaald. Tekenend voor de militaire macht die de aartshertogen bezaten, werd de leiding van de Spaanse troepen in 1605 aan de aartshertog, die voornamelijk het optreden in Oostende kwalijk werd genomen, ontnomen en aan Spinola toevertrouwd[37]. Deze Genuese bankierszoon kreeg daarbovenop in 1606 een vertrouwelijke opdracht van Filips III voor het geval Isabella als eerste zou sterven. Hij diende er namelijk op toe te zien dat Albert dan in naam van Filips III de gebruikelijke wederzijdse eedaflegging zou laten plaatsvinden[38].

Op politiek vlak was er “le ministère espagnol” dat ook na de afstand aan het hof te Brussel gevestigd bleef, niettegenstaande het protest van de Staten-Generaal hierop[39]. De aartshertogen bevestigden zelfs het bestaan ervan en deze instelling was ontegensprekelijk het belangrijkste controlemiddel want dit “Spaanse ministerie” had als opdracht de landvoogd te adviseren, Madrid over tal van zaken in te lichten en, in het geval er tussen landvoogd en vorst een meningsverschil zou rijzen, deze laatste op het juiste spoor te houden. De secretaris van State en Oorlog was overigens enkel aan de Spaanse koning verantwoording verschuldigd en de meest markante secretaris was ongetwijfeld Juan de Mancicidor, onder wie alle briefwisseling van Albert naar Filips III passeerde[40].

Andere controlerende instanties waren onder meer de biechtvader van Albert, de dominicaan Iñigo de Brizuela[41], de Spaanse ambassadeurs en het hof waar de meeste hoge ambten ingevuld werden door Spanjaarden. Toch zullen gedurende de aartshertogelijke regeringsperiode meer Zuid-Nederlanders functies aan het hof uitoefenen. De aartshertogen duidden ook enkele eigen ambassadeurs aan zoals in Engeland, Rome en Frankrijk. Ze probeerden dus desondanks de remmende werking op hun persoonlijk buitenlands beleid een eigen internationale politiek te ontwikkelen. Voor de aanvaarding van het Twaalfjarig Bestand in 1609 werd de aartshertogen bovendien de nodige manoeuvreerruimte gegeven vanwege Filips III door het succes van de Staatse handelsexpedities in het Verre Oosten en de uitzichtloze situatie van de Spaanse schatkist[42].

De wederzijdse eedaflegging in 1616, waarbij zowel de aartshertogen als de Staten van de verschillende provincies accepteerden dat Filips III na het wegvallen van Albert of Isabella –het was toen immers duidelijk dat hun huwelijk kinderloos zou blijven gezien de leeftijd van Isabella- de volle soevereiniteit zou overnemen, wordt veelal gezien als een bevestiging van het scepticisme van Europa ten overstaan van de aartshertogelijke soevereiniteit. Er wordt dan ook vaak gesteld dat Spanje in plaats van afstand te doen eerder een betere greep trachtte te bemachtigen op de gebeurtenissen in Noord-West-Europa en zijn hegemonie aldus te verstevigen in plaats van in te perken.

 

1.2.2. Binnenlands Beleid

 

Bij hun aankomst in de Nederlanden hielden de aartshertogen de Blijde Intredes die de wettelijke verhoudingen tussen vorst en onderdanen bezegelden en Albert en Isabella in alle grote steden van de Habsburgse Nederlanden brachten. Bij zowat alle intochten werd het aartshertogelijk huwelijk gevierd als een hemels uitgelokte liefdesverbinding waarbij men naar analogie met dit huwelijk de ideale relatie tussen stad en soeverein voorstelde.

Leidmotief in deze gebeurtenissen die tot eind januari 1600 duurden, was het aanzien van de aartshertogen als brengers van de vrede en welvaart. De gezagsoverdracht van 6 mei 1598 werd dan ook ontvangen als zijnde: “pour le bien et repos de nosdicts pays d’embas, et que s’est le vray chemin pour parvenir à une bonne et solide paix, et se délivrer d’une si ennuyeuse guerre[43].” 

De verwachtingen waren dan ook hoog gespannen, zoals een aantal voorbeelden duidelijk zullen maken. In Antwerpen rekende men op een opheffing van de blokkade van de Schelde en een bevrijding van het land van struikrovers. In Gent werden de aartshertogen herinnerd –hoe merkwaardig dit ook moge wezen- aan de gouden jaren van Keizer Karel. Kortrijk wees op het belang van de verovering van Oostende om daardoor het hinterland te stimuleren en Cambrai wees, typerend voor de algemene stemming, op de noodzaak van een vrede.

In tegenstelling tot het buitenlands beleid, genoten de aartshertogen op het binnenlandse vlak een grote autonomie die zich liet gewaarworden door een aantal persoonlijke, centraliserende maatregelen op diverse vlakken. Op politiek vlak uitte dit zich in een verhoogde invloed van de juristen en op economisch vlak door een groeiende greep van de regering op de overheidsmiddelen. Op dit laatste terrein werd in 1612 tevens een grondige hervorming van het muntwezen doorgevoerd waarbij de gouden soeverein en de zilveren patachon als basismunten voorzien werden. Het was slechts een voorbode voor de hervorming van de Rekenkamers van Rijsel en Brussel in 1614 want wat was men zonder een efficiënt controleorgaan dat de rekenplichtigen verifieerde volgens de welbekende drie fasen: overlegging (reddition), afhoring (audition) en sluiting (clôture).

Op sociaal-cultureel vlak investeerden Albert en Isabella heel wat geld in de heropbouw van de geestelijke infrastructuur en droegen daardoor bij aan wat W. Thomas de “spiritual refurbishment” noemde[44]. Ze lieten hierbij ook hun voorrecht, dat ze eind januari 1600 van paus Clemens VIII verkregen hadden, gelden om alle abten en prelaten in de Nederlanden te benoemen[45]. De kerken wisten zich verzekerd van de steun van de aartshertogen doordat kerkelijke discipline en sociale controle elkaar overlapten. De kerken konden daardoor op de wereldlijke overheden rekenen om het volksvermaak te beteugelen zoals de ordonnanties van Albert en Isabella getuigen. Zo verboden de aartshertogen in 1607 op zon- en feestdagen tijdens het sermoen, de hoogmis en de vespers herbergen te bezoeken, te dansen en spelen te organiseren[46]. Op het educatieve terrein  vond tijdens het aartshertogelijk bewind een hervorming plaats van de universiteit van Leuven.

 

1.3. De landvoogdij van Isabella (1621-1633)

 

Filips III stierf in Spanje op 31 maart 1621 zonder dat hij de terugkeer van de Nederlanden had mogen meemaken en werd opgevolgd door Filips IV[47]. Even later stierf ook Albert, meer bepaald op 13 juli 1621, in het paleis op de Coudenberg zonder erin geslaagd te zijn het Bestand te verlengen. De aartshertog had zich nochtans ingespannen om de nieuwe Spaanse koning te doen inzien wat de kostprijs van een oorlogvoering zou betekenen. De vorst gaf echter blijk over het nodige geld te beschikken en bij het overlijden van Albert konden zijn plannen niet meer gestopt worden[48].

Door het overlijden van de aartshertog keerden de Nederlanden volgens de bepalingen van de Akte van  afstand terug onder Spanje en wachtte Isabella, op verzoek van Filips IV, de functie van landvoogdes: “elle devait se soumettre à la direction d’un jeune roi imbu de toutes sortes d’erreurs vis à vis des Pays-Bas”[49]. De Spaanse koning liet ervoor zorgen dat de provincies de eed aflegden en deed Alonso de la Cueva, markies van Bédmar, hierop toezicht houden[50].

Op politiek vlak was er geen radicale breuk met de aartshertogelijke Nederlanden. Naast Isabella, die haar internationale contacten mocht bestendigen door middel van het behoud van een zaakgelastigde te Parijs, Londen en Rome, bleef ook Bédmar als ambassadeur te Brussel.

Op militair vlak daarentegen stonden wel ingrijpende wijzigingen op het programma; met het oog op het hervatten van de vijandelijkheden met de Republiek werd de legersterkte opgevoerd en de budgetten verhoogd[51]. Tijdens de landvoogdij van Isabella kan men de oorlogvoering in drie fasen onderscheiden: een offensieve oorlog (1621-1624), een maritieme en economische oorlog (1625-1629) en het defensief (1630-1633)[52]. Op de successen met als orgelpunt de inname van Breda in juni 1625, gevolgd door een blokkade op de Rijn die de Republiek veel economische schade berokkende, volgde een maritieme en economische oorlogvoering waarin men een compensatie diende te zoeken voor een financieel noodzakelijke overschakeling naar een defensieve oorlogvoering te land. Het permanente gebrek aan geld zorgde ervoor dat Spinola de Nederlanden verliet om als gouverneur van Milaan de leiding op zich te nemen aan het Italiaanse front. Op 14 september 1630 capituleerde de onbedwingbaar gewaande Brabantse stad s’Hertogenbosch, wat een dieptepunt betekende en voor een grote verontrusting bij de bevolking zorgde.

Maar ook op binnenlands gebied werd de oppositie tegen Spanje versterkt, onder meer omdat de vrede die men bij de aanvang van de aartshertogelijke Nederlanden zo hard gewenst had nu weer zo ver weg leek. De protesten weerklonken voornamelijk vanuit adellijke hoek want deze stand was geleidelijk van de macht verdreven: de gouverneurschappen werden niet meer ingevuld, haar rol in het leger werd teruggedrongen en de Raad van State had aan bevoegdheden ingeboet. De adel zal dan ook twee pogingen ondernemen om het gezag omver te werpen. Een eerste bestond uit een groep malcontente edelen die de hulp van Frankrijk inriepen met de wens de Spaanse Nederlanden om te vormen tot een onafhankelijke katholieke statenbond. De poging was gekelderd toen de hertog van Aarschot weigerde de leiding op zich te nemen nadat de samenzweerders hem die hadden voorgesteld[53].

Een tweede maal genoot de adel de steun van het Staatste kamp waarbij de gewezen opperbevelhebber graaf Van den Bergh een centrale rol speelde door over te lopen naar Staatse zijde en de Zuid-Nederlandse bevolking op te roepen om in opstand te komen[54]. Isabella wist echter handig de rust te herstellen door in september 1632 de Staten-Generaal samen te roepen in Brussel waardoor toegestemd werd in directe onderhandelingen met de Verenigde Provinciën. Het bood de regering dus een gedroomde kans om wat nog restte van adellijke oppositie, volledig weg te zuiveren.

In het ochtendgloren van 1 december 1633 stierf de infanta in het paleis op de Coudenberg. Tekenend voor de tijd werd ze op 5 december met een uit noodzaak erg sobere lijkdienst aan de zijde van Albert begraven. De Staten-Generaal die onderhandelingen aangeknoopt hadden met de Verenigde Provinciën, bereikten geen resultaat en de gedeputeerden werden in juli 1634 onverrichter zake huiswaarts gezonden.

 

 

Hoofdstuk 2: de Raad van Vlaanderen: een gewestelijke instelling

 

2.1. Geschiedenis

 

J. Dhondt schreef ooit: “Niets is moeilijker, dan het ontstaan na te gaan van instellingen waarvan het uitgangspunt diep in de middeleeuwen is geworteld[56].”  Hetzelfde geldt voor de Raad van Vlaanderen, waarvan de oprichtingsakte op 15 februari 1586 werd gegeven te Parijs. Filips de Stoute, hertog van Bourgondië, richtte toen door middel van een verordening de ‘Camere van den Raede in Vlaenderen’ of ‘la chambre du conseil ordonné en Flandres’ op in de stad Rijsel. Deze oprichting moet gezien worden in het verlengde van de opstand van de Gentenaren, die even voordien reeds beslecht was bij de vrede van Doornik[57], en was slechts de bekrachtiging van een evolutie die zich gedurende enkele decennia had doorgezet. De Raad was namelijk gegroeid uit de audiëntie[58], die op haar beurt het ontstaan vond in de Curia[59]. In deze Hofraad vond een taakverdeling plaats tussen edelen en juristen waarbij op het gebied van de rechtspraak de trend gezet werd naar gespecialiseerd personeel van ambtenaren en legisten of rechtsgeleerden.

De Raad, die een soort van bestendige deputatie vormde van de Curia, was tweeledig: er was een gerechtshof en een rekenkamer. De financiële sectie bleef bestendig te Rijsel als rekenkamer, terwijl het gerechtshof zich zou ontwikkelen tot een zelfstandige justitieraad en verhuizen naar Oudenaarde in 1405. Dit geschiedde op verzoek van de Leden van Vlaanderen om diverse redenen: stedelijk particularisme, de toename van Bourgondiërs onder de raadsheren[60], het feit dat Rijsel in “la Flandre Gallicante” lag en er dus uitsluitend Frans als voertaal gesproken werd.

In 1407 werd de Raad overgebracht naar Gent om daar, na verscheidene verplaatsingen[61], uiteindelijk ook definitief te verblijven vanaf 1498. Deze verhuizingen vonden plaats doordat de grote steden het beroep van de Raad halsstarrig weigerden te erkennen. Doordat hij boven de stedelijke rechtbanken stond kon de Raad van Vlaanderen immers stedelijke vonnissen in beroep teniet doen, althans wat de burgerlijke misdrijven betrof. Deze verhuizingen in de vijftiende eeuw weerspiegelden tevens het politieke en militaire klimaat in Vlaanderen[62].

De Raad moest toch nog uitwijken ten tijde van de Calvinistische Republiek onder Hembyse en Ryhove waarbij Douai als nieuwe residentieplaats fungeerde[63]. In 1585 vestigde de Raad zich terug te Gent, onder meer op verzoek van de Gentse magistraat, om volgende reden: “a cause que c’est le lieu auquel le Conseil de Flandres a tousjours tenu sa residence[64].”

Het begin van de zeventiende eeuw werd door M. Ganser bestempeld als “une époque mémorable par l’avènement d’Albert et d’Isabelle[65].”  Op 27 augustus 1601 vernieuwden zij de patenten van de leden van de Raad van Vlaanderen:“[...] en vertu de la generalle continuation qu’avons faict de tous estatz jusques a ce que aultrement y aurions ordonné et partant nous appertient en dispose a notre bon plaisir[66].”

Nog eenmaal zou de Raad Gent verlaten, met name bij de inname van de stad door de troepen van Lodewijk XIV (1678). Er ontstond onenigheid binnen de Raad, waarop elf raadsleden zich terugtrokken te Brugge. De anderen, waaronder de voorzitter, zwoeren trouw aan de Franse koning. Reeds in 1679, na de vrede van Nijmegen, konden de voornoemde elf terug hun intrede maken te Gent waarop ze het ontslag en de bestraffing van de collaborateurs eisten. In Madrid werd echter beslist dat de beschuldigden, op de voorzitter na, hun post mochten behouden. Het zou echter nog jaren duren alvorens de eendracht tussen de raadsheren en binnen de instelling zou terugkeren.

In 1787 werd de Raad van Vlaanderen afgeschaft doordat Jozef II de bestaande rechterlijke instellingen verving door een nieuwe gerechtelijke organisatie[67]. Kort daarop beslisten de “Représentants du Peuple, commissaires du gouvernement français” bij decreet van 6 Frimaire jaar IV (27 november 1795) de afschaffing van de Raad van Vlaanderen.

 

2.2. Bevoegdheid

 

2.2.1. Juridisch vlak

 

De Raad was het opperste gerechtshof in het graafschap Vlaanderen. Deze suprematie zag zich onder meer veruitwendigd door de aanspreektitel, waaromtrent in 1623 een discussie ontstond met de Gentse schepenen van de Keure die een nieuwigheid geïntroduceerd hadden[68]. De Raad moest men echter blijven aanspreken met “haultz et puissants seigneurs” of “hooghe ende moghende heeren”. Ook de geestelijken en de Vier Leden vochten de aanspreektitel aan met als reden dat zij van oordeel waren dat er enig onderscheid behoorde te zijn met de Collaterale Raden en de Raad van Vlaanderen het recht niet had om op eenzelfde manier aangesproken te worden. Voor het behoud van de autoriteit van de koning en de Raad van Vlaanderen werd echter beslist dat men zich naar het oude gebruik diende te schikken[69].

Inzake jurisdictie was de Raad zowel actief in eerste aanleg als in beroep[70]. In eerste aanleg betrof het voornamelijk de voorbehouden of gereserveerde gevallen (casus reservati) zoals er waren: majesteitsschennis, valsmunterij, aanslagen tegen het vorstelijk domein en vorstelijke rechten[71]. Daarnaast werden een groot aantal zaken bij de Raad van Vlaanderen aanhangig gemaakt, soms door de partijen, meestal echter door de procureur-generaal via evocatie, alhoewel zij normaal dienden gevonnist te worden door een andere, lagere rechtbank. Dit gebeurde krachtens het recht van preventie. Een derde reeks gevallen in eerste aanleg waren de betwistingen tussen steden, kasselrijen, parochies, heren, kerkelijke instellingen, onder elkaar of tegen particulieren.

Bij de Raad kon men enkel beroep aantekenen in burgerlijke zaken want voor sententies van strafrechterlijke zaken was immers geen beroep mogelijk. Jan van Belle, die luitenant-baljuw van de stad en het land van Dendermonde geweest was, probeerde toch een beroep aan te spannen voor de Grote Raad in 1608. De Raad van Vlaanderen was er echter als de kippen bij om aan de Grote Raad te schrijven dat er van de sententie “gheen appel en valt als wesende eene zaeke pure criminele”[72]. Inzake het beroep dient tenslotte nog vermeld dat wegens de afschaffing van de Hoge Raad van de Admiraliteit door Karel II in 1694[73], de bevoegdheid van dit beroepshof zich bij die van de Raad van Vlaanderen voegde.

De Raad hield zich tevens bezig met het “willig condemneren” van personen. De (vrij)willige rechtspraak betrof overeenkomsten gesloten voor de Raad van Vlaanderen. Deze schikkingen werden door de Raad bevestigd en de partijen lieten zich (vrij)willig veroordelen tot de naleving ervan.

Tenslotte dienen betreffende de jurisdictie een aantal gebeurtenissen vermeld te worden, zoals de oprichting van de Grote Raad van Mechelen in 1504. Dit betekende een uitholling van het gezag van de Raad van Vlaanderen doordat in beroep gegaan kon worden bij de Grote Raad. Verder moeten de verdragen van Madrid (1526), Cambray en Cateau-Cambrésis (1529) vernoemd worden, omdat de koning van Frankrijk, Frans I[74], hierdoor verzaakte over Vlaanderen en de rechtsmacht van het Parlement van Parijs over het graafschap verviel[75].

De Raad van Vlaanderen genoot ook een zekere bevoegdheid op leenrechterlijk terrein. Een aantal van zijn leden zetelden namelijk ook in de Wetachtige Kamer[76], die het hoogste leengerecht in Vlaanderen vormde. De Wetachtige Kamer was als leenhof bevoegd voor een aantal lenen die rechtstreeks onder deze instelling ressorteerden en fungeerde als beroepshof voor de leenrechtelijke vonnissen van twee groepen leenhoven: de regionale Vlaamse grafelijke leenhoven en de leenhoven van de onder de Kamer ressorterende lenen[77].

 

2.2.2 Bestuurlijk-administratief vlak

 

De Raad van Vlaanderen fungeerde eveneens als adviserend orgaan waardoor hij kon optreden in functie van de Collaterale Raden om de werkzaamheden van het centrale bestuur te verlichten. Eén van de belangrijkste zaken waarbij de Raad als adviserend orgaan is opgetreden, betreft de homologatie van het costumiere recht waarbij de justitieraden een eerste controle uitoefenden. Daarnaast trad de Raad onder meer nog op als adviserende instantie bij verscheidene benoemingen, waaronder –naast de adviesverlening bij de eigen benoemingen- die van de luitenant-civiel van de indaginghe van Gent of Dendermonde[78].

Daarnaast vulde de Raad ook de vacaturen in de “wetten” aan. Elk jaar geschiedde door de commissarissen van de vorst, waaronder zich wel eens leden van de Raad van Vlaanderen bevonden, een vernieuwing van de magistraat. Indien er gedurende deze ambtstermijn één van de schepenen of de burgemeester overleed, dan moest die plaats opgevuld worden. De magistraat diende hierbij in navolging van de Concessio Carolina een aantal kandidaten aan te duiden waarna de Raad zijn keuze maakte uit deze genomineerden[79].

Als gewestelijk vertegenwoordiger van de vorst riep de Raad van Vlaanderen ook de Staten van Vlaanderen bijeen en hij deed hierbij tevens dienst als tussenpersoon in de onderhandelingen die gevoerd werden met de Staten[80]. Verder behoorde het tot de bevoegdheden van de Raad na te gaan of de bepalingen vervat in de ordonnanties die uitgevaardigd moesten worden niet in tegenspraak waren met de gewestelijke en lokale privileges. De Raad had bovendien nog de verplichting te waken over de naleving van de verordeningen van de centrale regering en de overtredingen hiertegen te laten vervolgen.

            Tenslotte waakte de Raad via het officie-fiscaal over de belangen van de landsheer[81]. Via het officie-fiscaal hield hij tevens toezicht op de vorstelijke ambtenaren in de provincie en controleerde hij de ondergeschikte besturen.

 

2. 3. Organisatie en samenstelling[82]

De volledige evolutie van de samenstelling van de Raad van Vlaanderen weergeven, is in het kader van deze licentiaatsverhandeling zinloos. Bijgevolg zal de samenstelling weergegeven worden zoals ze ontstond bij de instructie van 9 mei 1522, die nog steeds van kracht was bij de aanvang van de aartshertogelijke periode.

De samenstelling werd opnieuw aan de orde gesteld bij het verplichte uitwijken van de Raad van Vlaanderen naar Douai. Er werd de Raad toen immers gevraagd een lijst op te maken van het aantal koningsgetrouwe leden en de andere personeelsleden die in Gent gebleven waren. Alsook werd van de Raad verwacht een advies uit te brengen over het werkelijk benodigde personeel[83]. De Raad was van oordeel dat de samenstelling diende behouden te worden zoals bepaald was in 1522. Als reden werd aangegeven dat dit noodzakelijk was voor de autoriteit en soevereiniteit van de vorst en het respect en de reputatie van zijn Raad van Vlaanderen.

De Raad bestond toen uit een voorzitter, acht gewone raadsheren “a gaiges” en vier commissarissen, die belast waren met het houden van de enkwesten, “sans gaiges” (raadsheer-commissarissen). Verder maakten ook de procureur-generaal, zijn substituut en de advocaat-fiscaal deel uit van de Raad van Vlaanderen. Het lager personeel bestond uit de ontvanger van de exploten, een griffier die geholpen werd door een notaris en verschillende klerken, de eerste deurwaarder en zes deurwaarders van de residentieplaats van de Raad, veertien deurwaarders van diverse residenties, de conciërge belast met het onderhoud van het Gravensteen en acht “messagiers”[84].

Het toenemende aantal zaken zorgde ervoor dat men een aantal organisatorische maatregelen moest nemen. Een betere werkverdeling wierp zich op voor “een beter directie van justitie” zodat men vanaf 13 januari 1614 in twee kamers werkte. In de eerste kamer zaten de voorzitter met zeven raadsheren en in de andere kamer de andere zeven raadsheren. Elk jaar werden de twee kamers na de kerstvakantie veranderd[85]. Deze institutionele vernieuwing was mogelijk geworden doordat het onderscheid tussen de raadsheren-commissaris en de gewone raadsheren opgeheven was in 1610. De organisatorische wijziging volstond blijkbaar nog niet en er werd overgegaan tot het oprichten van een tijdelijke derde kamer. In 1630 werd er namelijk beslist dat men alle maanden drie dagen, te weten de eerste maandag, dinsdag en woensdag van de maand zou arbeiden in drie kamers om de rapporten van de kleine geschillen te overzien en zo de justitie te bevorderen[86].

 

2.3.1. De voorzitter

 

De voorzitter stond aan het hoofd van de Raad van Vlaanderen en sinds 1581 was hij zelfs de eerste vertegenwoordiger van de vorst in het graafschap Vlaanderen doordat de gouverneursfunctie er niet meer ingevuld werd[87]. Hij had daardoor voorrang op alle andere ambtenaren in het graafschap, wat onder meer betekende dat hij voorop liep in processies. Zijn suprematie uitte zich ook in het feit dat de correspondentie bij hem belandde.

Bij de instructie van 1522 hielden zijn taken vooreerst in dat hij over de autoriteit beschikte om de raadsheren bij zich te roepen om vervolgens de vergadering te leiden. Hij verdeelde daarna de processen onder de raadsheren en het was aan hem om te beslissen wanneer de raadsheren de vaste residentieplaats van de Raad mochten verlaten.

Zijn functie hield ook een meer praktische kant in: hij verdeelde de procesdossiers, waarvan een rapport diende gemaakt te worden. Tevens was de voorzitter bewaarder van zegel en tegenzegel en zorgde hij ervoor dat in de vakantieperiode de lopende zaken geregeld werden. Hij hield zich twee maal in de week bezig met het bezegelen, te weten woensdag en zaterdag.

Tot de taken van de voorzitter behoorde eveneens de afname van de eden van nieuwe functionarissen van de Raad van Vlaanderen. Het voorzitterschap zag zich ook economisch vergoed want bij emolumenten genoot hij het dubbele ten opzichte van de raadsheren.

 

2.3.2. Raadsheren-commissaris

 

Het ontstaan van deze functie gaat terug op artikel 8 van de instructie van 13 november 1451. Filips de Goede stelde daar vier commissarissen aan, die de enkwesten van de processen in de Raad van Vlaanderen zullen houden. Dit betekende dat de commissaris een getuigenverhoor organiseerde over een voorafgaandelijk vastgelegd aantal probleempunten uit een proces.

De bezoldiging van de raadsheren-commissaris gebeurde door de partijen en de verdeling van de enkwesten geschiedde door lottrekking. Door de nivellering van hun ambt met dat van de gewone raadsheren in 1610 werden de raadsheren-commissaris gelijkgeschakeld in bezoldiging en andere rechten.

 

2.3.3. Gewone raadsheren

 

Bij de oprichting van de Raad van Vlaanderen in 1386 waren er twee raadsheren voorzien ten behoeve van de justitie. Gaandeweg steeg het aantal gewone raadsheren en vanaf de instructie van 1483 waren er vijf. Bij de ampliatie van 1510 werden er zes gewone raadsheren vermeld en vanaf 1522 nam hun aantal tot acht toe.

            Het hof vergaderde elke dag drie uur vóór en twee uur na de middag in het Gravensteen, de vaste vergaderplaats. De vergaderingen waren hiërarchisch, wat wil zeggen dat de raadsheren gehouden waren aan een vaste plaats die in verband stond met hun anciënniteit. Bij afwezigheid van de voorzitter was het dan ook de langst in dienst zijnde raadsheer die zijn taken waarnam. Deze vergaderingen zorgden voor een residentieplicht, die inhield dat er ook een verbod kwam op onverenigbare cumuls op straffe van het verlies van hun ambt als raadsheer. De gewone raadsheren waren dan ook aangesteld “tant qu’il nous plaira[88].”

            Door de gelijkschakeling van de raadsheren-commissaris aan de gewone raadsheren in 1610 bedroeg het aantal van deze laatsten twaalf. Om ten gevolge van deze stap eventuele misverstanden uit te sluiten had het hof een aantal artikelen laten ordonneren. Ten eerste werd bepaald dat de zaken die op de rol gesteld zouden worden door de partijen of de “commissarissen presiderende ter rolle” onder alle raadsheren verloot zouden worden. Dit diende bij voorkeur te gebeuren op vastgestelde tijdstippen en zo min mogelijk op buitengewone ogenblikken. Deze vaste tijdstippen waren: kerstavond, paasavond, pinksteravond, de laatste vergaderdag voor de grote vakantie, allerheiligenavond.

Ook zullen de raadsheren om beurten een maand op de rol presideren[89]. Deze maand moest de raadsheer onafgebroken naar het hof komen en zijn rechtszaken laten liggen, tenzij een bepaalde zaak geen uitstel toeliet; hij diende dan het consent van de voorzitter te krijgen en moest zich laten vervangen. Verder zou deze raadsheer alle remissies, die zich in die maand voordeden, overzien met één van de fiscalen aan de hand van de informatie en bewijsstukken die daartoe benodigd waren[90]. Tevens behoorde hij alle nieuwe gevangenen van die maand te examineren en moest hij de kosten van de maand nazien. Deze kosten werden de volgende maand getaxeerd, dat wil zeggen dat de vergoeding voor de enkwesten en bodenreizen dan bepaald zou worden. Tenslotte werd nog bepaald dat bij alle instructies, door het hof beslist of geadviseerd, de taken verricht zouden worden door de raadsheer die de zaak had gerapporteerd[91].

 

2.3.4. Procureur-generaal

 

De instructie van 1409 was de eerste waarbij er sprake was van een procureur-generaal die pas vanaf 1510 een bezoldigd medewerker kreeg, de substituut. De procureur-generaal was de: “officier premier et principal de Flandre et speciallement commis pour faire observer les placcarts”. Volgens de Raad hield dit in dat de procureur-generaal zelf personen mocht aanstellen in de steden en kasselrijen van Vlaanderen om op te treden bij overtredingen tegen de plakkaten. Hij kon immers niet overal tegelijk zijn en de ervaring had geleerd dat particuliere officieren zich zeer slecht van deze taak kweten. Dit was het oordeel van de Raad van Vlaanderen in het geschil met François Damant, hoogbaljuw van Kortrijk en ridder van het Gulden Vlies, die vond dat de procureur-generaal afstand moest doen van dit benoemingsrecht[92].

            Verder bepaalde de ordonnantie van 9 mei 1522 dat de procureur-generaal één keer in de maand, op het buffet, de rol van alle zaken zou meebrengen. De voorzitter en de raadsheren zouden zich op deze manier vergewissen van de gesteldheid van de affaires zodat deze niet onderbroken konden worden. In juli 1633 liet de voorzitter echter weten dat de rol van de fiscale zaken, door de vele affaires, nog niet volgens die verordening overgebracht werd. Bijgevolg werd er beslist dat de procureur-generaal slechts om de drie maand, te beginnen met de eerste donderdag van de eerste maand, alle fiscale zaken zou overbrengen. Dit zou geschieden in aanwezigheid van de voorzitter, de “commissaris presiderende ter rolle” en nog een andere raadsheer, die door de voorzitter moest aangeduid worden. In geval van een uitzonderlijke “swaericheyt” zou de procureur-generaal zijn rapport evenwel nog steeds in het volledige hof brengen[93].

            Een belangrijke taak van de procureur-generaal betrof de controle op de vorstelijke officieren van het graafschap Vlaanderen. De procureur-generaal gold dus als vertegenwoordiger van de vorst in de praktijk: hij maakte de zaken aanhangig en een andere vorstelijke vertegenwoordiger, met name de advocaat-fiscaal, pleitte ze.

De procureur-generaal had niet alleen een belangrijke rol als vertegenwoordiger van de vorst, hij bekleedde eveneens een belangrijke positie in de Raad van Vlaanderen. In vele debatten had hij het laatste woord en zijn oordeel was dan ook vaak bepalend voor het definitieve standpunt van de Raad.

 

2.3.5 Advocaat-fiscaal

 

Zoals ook met de procureur-generaal het geval was, was over de advocaat-fiscaal voor het eerst sprake in de instructie van 1409. De advocaat-fiscaal maakte samen met de procureur-generaal en diens substituut deel uit van het officie-fiscaal dat over de belangen van de landsheer waakte, zowel inzake het vorstelijk patrimonium als inzake het overheidsgezag.

 

 

Hoofdstuk 3: de Raad van Vlaanderen in de periode 1598-1633

 

3.1. Algemeen

 

3.1.1. Bureaucratisering en verschriftelijking

 

De centraliserings- en bureaucratiseringstendensen in het bestuur –die onder Karel V een aanvang hadden genomen, maar door de Tachtigjarige Oorlog naar de achtergrond waren gedrongen– kwamen onder de aartshertogen langzaam maar zeker terug aan de oppervlakte[94]. De bureaucratisering had de opkomst van een nieuw ambtenarentype tot gevolg. De feodaal-militaire adel werd afgelost door een nieuwe klasse van verantwoordelijke, in bepaalde mate onafhankelijke, niet willekeurig afzetbare, ambtenaren uit postfeodale ambtsadel en gegoed stadspatriciaat: juristen en andere technocraten.

De opkomst van een nieuw ambtenarentype was duidelijk ingegeven door het feit dat juristen hun bestuursgaven voor een complexe maatschappij koppelden aan de overtuiging van een door het Romeinse staatsrecht geïnspireerde vorstelijke macht. Op het centrale niveau bezetten zij door de toenemende bureaucratisering enerzijds meer ambten en anderzijds zagen zij hun salaris in de Raad van State verhoogd; zij kregen er tot 1599 slechts half salaris. Deze evolutie naar een nieuw ambtenarentype schijnt in 1632, ten gevolge van de mislukte samenzwering van de Zuid-Nederlandse edelen, haar definitief beslag gekregen te hebben[95].

Ook op het gewestelijke niveau hield de toegenomen bureaucratisering een stijgend belang van het universitair opgeleid personeel in. Wie een functie in de Raad van Vlaanderen ambieerde, moest nu meer dan ooit een curriculum vitae voorleggen als uitstekend jurist. Zo luidden de vereisten voor de opvolger van Pieter van Steelandt: “ung personaige bien qualifié, versé en droict et practicque; bonne pour son plus grand service, maintennement de la justice et bien publicq[96].”  De capaciteiten van de functionaris traden meer op de voorgrond, wat een professionalisering van het ledenbestand van de vorstelijke instellingen als gevolg had.

Professionalisering bevat een aantal elementen die echter niet allemaal terug te vinden zijn bij de professional. Een eerste element betreft de opvoeding. De professional bezit hierdoor een theoretische kennis, gebaseerd op gespecialiseerde en uniforme training. Daarnaast weet hij zich te onderscheiden van niet-professionelen: hij is lid van een professionele organisatie die toeziet op de bekwaamheid, kennis en integriteit van haar leden. Ten derde beschikt de professional over een autonomie doordat hij zich bij het uitoefenen van zijn gespecialiseerde kennis laat leiden door zijn eigen oordeel, beheerst door verantwoordelijkheid. Tenslotte is de professional gebonden aan dienstverlening. Hij plaatst hierbij de belangen van zijn cliënt boven de eigen interesses[97].

De professionalisering werd ondersteund door de verschriftelijking: de bureaucratische doelmatigheid vereiste immers het verlaten van de mondelinge procedure. In 1603 voerden de aartshertogen het consult in, vooralsnog alleen in de Raad van Financiën. Tussen 1620 en 1633 voltrok zich de evolutie naar de schriftelijke communicatie als basis in het beslissingsproces[98]. In de procesgang vond de verschriftelijking reeds vroeger plaats. De Grote Raad en de justitieraden waren er ten laatste in de eerste helft van de zestiende eeuw naar overgestapt[99].

 

3.1.2. Het Eeuwig Edict

 

De professionalisering vereiste natuurlijk ook een betere rechtsbedeling, wat dan ook de officiële bedoeling was van de aartshertogen bij de afkondiging van het Eeuwig Edict van 1611[100].. De genese van dit “monument” van wetgeving viel enerzijds toe te schrijven aan de klachten over corruptie en laksheid van vele rechtsbedelers, uitvoeringsagenten of vertegenwoordigers van de vorst. Anderzijds was het een vaak voorkomende noodkreet dat er wel voldoende wetten waren die dergelijke praktijken verboden, maar dat die niet toegepast werden. In oktober 1594 kwam het tot een 53-puntenplan waar nog veel aan gesleuteld werd. Het Edict was af in 1607 en het werd naar de justitieraden gestuurd voor advies. De werkzaamheden vielen echter dikwijls stil doordat verscheidene justitieraden op hun reactie lieten wachten. Het was uiteindelijk pas in 1611 dat het edict, op initiatief van de Raad van Vlaanderen, werd afgekondigd.

Het Eeuwig Edict moet gezien worden als een conglomeraat van kleine wetgevende ingrepen naar aanleiding van losse wensen van de verschillende provinciale raden en staten[101]. Bijgevolg kan gesteld worden dat: “Het Eeuwig Edict van 12 juli 1611 niet ‘een monument van privaatrechterlijke codificatie’ was, maar wel een conglomeraat van specifieke maatregelen en een kristallisatiepunt in de verschriftelijking van het privaatrecht”[102].

 

3.2. benoemingspolitiek

 

De benoeming van ambtenaren was een soeverein recht dat na de Akte van Afstand onder aartshertogelijke autoriteit kwam te staan. De voorzitters van de justitieraden, net zoals de bisschoppen en abten van de belangrijkste kloosters, provinciegouverneurs en andere hoge functionarissen werden voordien door de Spaanse koning benoemd. Enkel de keuze van raadsheren, griffiers, secretarissen en dergelijke meer werd tot dan toe overgelaten aan de landvoogd[103].

            De vacatures konden op diverse wijzen ontstaan. De meest gekende waren het overlijden of de promotie van de vorige functionaris[104]. De geïnteresseerden voor een vacature behoorden de rekwesten vervolgens op te sturen naar de aartshertogen (of de landvoogdes in de periode 1621-1633), die deze dan lieten onderzoeken door de Raad van State. Deze Collaterale Raad verzocht vervolgens de Raad van Vlaanderen om inlichtingen over de desbetreffende personen en de drie of vier meest bekwame te nomineren. De Raad van State legde hierna dit resultaat, met de adviezen betreffende de geschiktheid voor de functie, in een consult voor aan de aartshertogen (of de landvoogdes) die een beslissing namen.

Na de dood van aartshertog Albert veranderde de situatie enigszins. In geheime instructies eigende Filips IV zich de keuze toe van de voorzitter van de Grote Raad, het parlement van Bourgondië en de kanselier van Brabant. De andere voorzitters mocht de gouvernante-generaal nog steeds zelf benoemen[105].

 

3.2.1. Restricties

 

Een eerste paar beperkingen in verband met de ambten van raadsheer en voorzitter vond zijn neerslag in de ordonnantie van 9 mei 1522. De instructie van 1522 was opgevat om in de toekomst beter het hoofd te bieden aan interne misbruiken in de Raad en om beter paraat te staan voor het vervullen van de gerechtstaak, die duidelijker op het voorplan werd gebracht[106]. In enkele artikelen komt dan ook het verlangen naar een professioneler ledenbestand tot uiting. Volgens het achttiende artikel van de ordonnantie van 1522 werden geen buitengewone raadsheren meer toegelaten[107]. En in het negentiende artikel wou men verhinderen dat er in de Raad twee dichte verwanten op hetzelfde ogenblik actief waren[108].

Een andere restrictie hield verband met de nationaliteit van de functionaris. Bij voorkeur werden personen uit het graafschap Vlaanderen in de Raad aangesteld maar anderen, afkomstig van een ressort dat Vlamingen niet uitsloot[109], werden gedoogd. Doordat men in het hertogdom Brabant Vlamingen weerhield van de uitoefening van openbare ambten, weigerde de Raad Brabanders, genaturaliseerd of niet, als functionarissen in zijn instelling te erkennen. Dit was onder meer het geval met Malineus[110]. Na het overlijden van voorzitter Wijts in 1641 was deze Malineus kandidaat voor het voorzitterschap van de Raad van Vlaanderen. Niettegenstaande Malineus van geboorte Brabander was en het versturen van zijn patentbrief dus de nodige ongemakken met zich mee zou brengen, liet Filips IV zijn bevelen hieromtrent toch uitvoeren.

Er kwam in april 1644 dan ook een protest van de Staten van Vlaanderen die de intrekking van Malineus’ benoeming vorderden. Hun bezwaar sproot niet alleen voort uit de aantasting van de privileges maar ook uit de ellende van het moment. Het graafschap Vlaanderen werd namelijk gekweld door twee vijanden, Frankrijk en de Republiek, met als gevolg een verstoring van de handel en trafiek en een ruïnering van het platteland. De Staten duidden zowel de vijandelijke legers als de manschappen van de Spaanse koning als schuldigen aan en vreesden het ergste indien er geen verandering in de situatie kwam[111].

Filips IV gaf, na het vernemen van de klachten, Francisco de Mello de opdracht om de Raad van State te consulteren en daarna de redenen te verduidelijken waarom Malineus was voorgesteld[112]. Er werden hierbij een aantal meningen verzameld waaronder die van de kanselier van Brabant[113], en van Karel Laurin[114], toen raadsheer in de Geheime Raad. Hun opinie bestond erin dat Maillard de Vuldere[115], de beste van de kandidaten was[116]. Malineus stond een trapje lager gerangschikt maar ze vonden dat er hem niets in de weg mocht worden gelegd, aangezien hij de naturalisatiebrieven had ontvangen onder het bewind van de aartshertogen en de functie van luitenant-civil van de indaginghe te Gent had uitgeoefend. De problemen die deze benoeming veroorzaakte en de daaropvolgende transfer van Malineus naar de Raad van Brabant werden echter niet vermeld[117].

 

3.2.2. Prestige

 

Dat men het ondanks de restricties toch probeerde om een plaats in de Raad van Vlaanderen te bemachtigen, moet verklaard worden door het prestige dat aan een functie verbonden was. Een bezoldiging werd zelfs als bijkomstig aanzien. Dit leidde tot een groot aantal gegadigden waardoor er meer mensen waren dan plaatsen. Om hieraan tegemoet te komen kon de Raad een functie als “conseillier extraordinaire” toekennen, alhoewel dit verboden was sinds de ordonnantie van 1522. In de periode 1598-1633 waren twee dergelijke gevallen bekend, met name Pieter Damant en Karel Triest[118].

Rond de figuur van Pieter Damant doen een aantal legenden de ronde. Zo zou hij reeds in 1554 raadsheer geworden zijn zodat hij als enige raadsheer benoemd werd op 24-jarige leeftijd. Zijn commissiebrief dateerde echter van 5 augustus 1556 en hij werd pas op 31 augustus 1560 als doctor in de beide rechten en proost van Sint-Veerle aangesteld tot buitengewoon raadsheer. . De aanstelling van Pieter Damant moet vooral gezien worden als een gunst van Viglius die gehuwd was met zijn zus[119], Jacoba Damant. Na de plechtige bekrachtiging van het privilege dat in Vlaanderen geen vreemde officieren meer mochten benoemd worden (1555) introduceert Viglius de eerste Brabander en werd een precedent geschapen door een geestelijk raadsheer op te nemen. De benoeming getuigde dus van favoritisme en nepotisme en toonde aan dat met de hierboven vermelde restricties een loopje genomen kon worden[120]. Pieter Damant was buitengewoon raadsheer tot 1609 en mocht in theorie deelnemen aan de vergaderingen maar hij deed dit zo goed als nooit.

De Raad liep trouwens niet zo hoog op met pogingen tot het bekomen van een ambt als buitengewoon raadsheer. Hij had in 1600 en in 1609, na het overlijden van Pieter Damant, dan ook negatief advies geleverd toen de Sint-Pietersabdij haar abt deze functie wou toebedelen[121]. Toch werd tijdens het aartshertogelijk bewind, niettegenstaande de tegenkantingen van de Raad van Vlaanderen, Karel Triest in 1602 “conseillier aux honneurs”. Hij vervulde deze functie slechts korte tijd want in september 1603 werd hij raadsheer-commissaris en nog wat later gewoon raadsheer. Karel liep hoog op met de eer van een functie in de Raad van Vlaanderen en er werd dan ook voor gezorgd dat hij “le tiltre aux honneurs” bij zijn aftreden in 1620 mocht behouden. Hij behield eveneens de toegang tot de vergaderingen van de Raad maar zijn stem telde niet meer mee. Ook in openbare gelegenheden zoals processies mocht hij zijn plaats van gewoon raadsheer blijven innemen. Dit voorzien van een post als “conseillier extraordinaire et supernumeraire” was trouwens geen nieuwigheid in de Raad en had zich onder meer voorgedaan bij Pieter de Bevere, Ydrop van Waerhem, Willem de Wale en Jacob Hueribloc[122].

Het prestige dat zo’n ambt van raadsheer uitstraalde, kwam nog meer tot uiting door het feit dat personen zich durfden uit te geven voor raadsheer. Een voorbeeld hiervan was Jan de la Kethulle. De Raad van Vlaanderen reageerde in 1624 door middel van getuigenissen van het langst dienende personeel, waaronder Willem Wijts die toen 37 jaar in dienst van de gewestelijke instelling was. Ook hij bevestigde dat de voornoemde Jan de la Kethulle nooit raadsheer van de Raad van Vlaanderen was geweest[123].

 

3.3. Monetaire compensatie

 

3.3.1. Wedde en vergoedingen

 

De raadsheren werden voor hun prestaties bezoldigd met één florijn per dag[124]. Ze verdienden daardoor slechts acht stuiver meer dan een ongeschoold arbeider in het Gentse in 1605[125]. De raadsheren konden dus rekenen op een jaarlijks salaris van 365 florijnen, dat vermeerderd werd met een vast bedrag van 25 florijnen[126]. De voorzitter van de Raad kreeg jaarlijks 800 florijnen en een pensioen van 400 florijnen.

Naast hun vast salaris konden de voorzitter en de raadsheren op allerhande bijkomende vergoedingen rekenen. Zo waren er onder meer de rapportgelden die voortsproten uit de deliberatie van fiscale zaken en de emolumenten uit de octrooibrieven[127]. Verder waren er ook nog de emolumenten voor het verlenen van gratiebrieven, het verlijden van “willige condemnaties” en het verstrekken van adviezen[128].

Buiten deze vergoedingen waren de raadsheren en voorzitter ook vrijgesteld van allerlei lasten en accijnzen. Verschillende onder hen waren bovendien voogd waardoor ze het geld van de wezen konden besteden aan het kopen van onroerende goederen, huizen of erven. De voogden konden ook erfrenten opkopen maar de meest verspreide manier van geldbelegging bestond erin de weespenningen uit te zetten “ten weeseghelde” aan gegoede lieden en tegen borgstelling[129]. Dat de raadsheren en de voorzitter over een aardige spaarcent beschikten, kwam aan de oppervlakte wanneer in 1641 van de Raad verwacht werd dat hij een lening aan de vorst zou toekennen. De raadsheren en de voorzitter moesten daarbij respectievelijk 1000 en 1500 florijnen leveren tegen een intrest van 6,25%[130].

Het feit dat de voorzitter en de raadsheren vermogend waren, veruitwendigde zich in het uitsturen van hun procureurs naar alle uithoeken van het graafschap Vlaanderen om hun bezittingen en belangen te verdedigen. Het betrof dan onder meer de verkoop of aankoop van huizen en stukken land, en het erkennen van een voogdij. Het is echter een slechte periode om een raming van de bezittingen te maken. Veel ging verloren of werd geplunderd tijdens de onlusten in de tweede helft van de zestiende eeuw en dit was in het tweede kwart van de zeventiende eeuw opnieuw het geval. Wanneer de Raad in 1645 opnieuw om een lening gevraagd werd, ditmaal van 2000 florijnen per raadsheer en het dubbele voor de vice-voorzitter[131], liet hij weten het verzoek niet te kunnen inwilligen. Als reden werd opgegeven dat het weinige dat vele onder de raadslieden nog restte onvruchtbaar of platgetrapt was ten gevolge van de val van Gravelines en het Sas van Gent[132]. De redenen die de Raad opgaf, voldeden echter niet om zich te ontdoen van de dienst aan God en de koning. Ambrosius van Oncle, de ontvanger-generaal van de domeinen en financiën[133], ontving uiteindelijk van de Raad een totaalbedrag van 13000 pond van 40 groten[134].

 

3.3.2. Loonsverhogingen

 

In de periode 1598-1633 werd voornamelijk de vergoeding voor de fiscale enkwesten opgetrokken. Er werd dus met andere woorden een groter bedrag voorzien voor de dienstreizen in fiscale affaires zodat vooral de fiscalen profiteerden. De verklaring hiervan moet gezocht worden in het feit dat de advocaat-fiscaal en de procureur-generaal als verdedigers van de vorst in de praktijk golden en het dus van groot belang was dat ze hun opdrachten naar behoren konden uitoefenden.

In 1604 werd om een grotere vergoeding voor de dienstreizen (“vacaties” of “vacations”) verzocht omwille van de “grande et exorbitante chierté” die zich ook in de prijzen van de logementen liet gelden. In dit rekwest werd eveneens om een verhoging van de vaste wedde verzocht van zowel de voorzitter, de raadsheren en de fiscalen; voor de raadsheren-commissaris werd een wedde gevraagd. Naast de prijsverhoging werd enerzijds gewezen op de toename van het aantal zaken en “affaires extraordinaires” en anderzijds werd de aandacht gevestigd op de verliezen die verscheidene raadsheren geleden hadden ten gevolge van de godsdienstonlusten in de tweede helft van de zestiende eeuw.

Voor de dienstreizen in zaken die de aartshertogen aanhingen, kreeg de voorzitter voortaan 6 pond en de raadsheren-fiscaal en -commissaris 4 pond per dag bovenop de uitgifte aan vervoersmiddelen. Deze verhoging had een terugwerkende kracht en trad in werking vanaf de onderwerping van de stad Gent[135]. De Raad had voor zijn raadsheren-fiscaal en -commissaris echter 6 pond gevraagd en gezien de terugwerkende kracht van de vergoeding, was de Raad bovendien verontwaardigd over het feit dat er niets was voorzien voor de weduwen of erfgenamen van de overleden functionarissen uit die periode [136].

In april 1619 kwam er uiteindelijk een verhoging tot 5 pond per dag voor de dienstreizen in fiscale materies[137]. Het volstond nog steeds niet en in 1626 verzocht de Raad opnieuw om een verhoging. Men motiveerde de eis hiertoe door te wijzen op het verdrievoudigen en zelfs vervijfvoudigen van de prijzen zodat de raadsheren slechts een kwart van het loon van hun voorgangers-raadsheren verdienden. De oorlog zorgde verder voor een toename van zaken en processen zodat er meer dan ooit vergaderd moest worden. Het gerucht deed trouwens de ronde dat in verscheidene andere raden de lonen recentelijk gestegen zouden zijn; men verwees hierbij in het bijzonder naar de Grote Raad waar de raadsheren in plaats van 500 florijnen nu 1200 florijnen zouden betaald worden[138].

Volgens de ordonnantie van 29 juli 1627 kwam er een verhoging van de fiscale enkwesten zodat de vergoeding nu 6 florijnen per dag “vacatie” bedroeg. Voor de gewone raadsheren volstond dit niet gezien “la petitesse de leurs gaiges d’un florin par jour.”  De raadsheren die commissaris waren in een fiscale zaak werden bovendien uitgesloten van de emolumenten van de rapporten die tijdens hun afwezigheid begonnen werden. Bijgevolg werd een verhoging tot 7 florijnen verzocht. Deze werd hen toegekend[139].

 

3.3.3. Schenkingen

 

De raadsheren en voorzitters konden soms ook op een schenking rekenen. Als teken van waardering, vormden schenkingen een welgekomen aanvulling voor het salaris. Deze praktijk vond reeds plaats onder de Bourgondiërs, die hun ambtenaren karig betaalden[140]. De schenkingen aan het einde van de zestiende eeuw en het eerste kwart van de zeventiende eeuw moeten enerzijds gezien worden als een compensatie voor het verlies aan bezittingen door de Opstand. Anderzijds was er door de inflatie in de zestiende eeuw een daling van de koopkracht.

De schenking van 1616 moest dan ook tegemoetkomen aan de “rehaulcement des monnoyes presque des deux tiers” en de prijsstijging van de levensmiddelen. Op 9 augustus 1616 kregen de leden van het hof, vijftien in getal[141], van de aartshertogen 500 gemeten aanwas van de zee gelegen tussen de polder van Sint-Albert, de rode polder en het fort, en de polder van de Philippine[142]. De schorre werd opgedeeld in vijftien stukken en elk stuk moet ongeveer 800 pond waard geweest zijn aangezien er in 1631 vier stukken verkocht werden aan Anthys Cornelis, een landman wonende in de polder van Sint-Albert, voor de som van 3200 gulden[143]. Dit was aanzienlijk meer dan de vorige adjuda de costa van 1593 toen de voorzitter en de raadsheren respectievelijk 400 en 200 pond kregen[144].

 

3.3.4. Economische toestand

 

De Opstand in de Nederlanden had een weerslag op zowel de economie als de demografie. Op demografisch vlak vond een verhoogde sterfte onder de burgerbevolking plaats. Dit was enerzijds te wijten aan een verspreiding van allerlei epidemieën die bovendien een ontreddering van het productieproces veroorzaakten. Anderzijds zorgden de godsdiensttwisten in de tweede helft van de zestiende eeuw voor de emigratie van protestanten, wat een aderlating betekende van zowel arbeiders als hooggekwalificeerde ambachtslui en een intellectuele elite. Vooral Antwerpen werd zwaar getroffen: het inwonersaantal daalde er van ongeveer tachtigduizend tot nog maar tweeënveertigduizend in 1589[145]. Onder de aartshertogen vond de start plaats van een recuperatiegroei : in de periode 1610-1620 tot 1660-1670 tekende zich een snelle bevolkingsgroei af die in de huidige provincie Oost-Vlaanderen voor 75% tot 100% toename zou gezorgd hebben[146].

De Opstand liet zich ook voelen in de economische activiteiten. Een raming van het gewicht van de oorlog op de economie in de Nederlanden omstreeks 1600 bedroeg 16,5 miljoen gulden op een totale productie (landbouw en nijverheid) van 104, wat ongeveer 16% was. Op het handelsvolume bedroeg dit 13,2%. Voor de Zuidelijke Nederlanden beliepen de kosten van de oorlog 13,5 miljoen gulden waarvan er 9,5 door Spanje werden bijgepast[147].

Hoe zat het nu met de prijsverhogingen waar de raadsheren steevast naar verwezen in hun verzoeken tot loonsverhoging?  De roggeprijs -conjuncturen weerspiegelen zich in een overwegend agrarische maatschappij het beste in de graanprijzen- vertoont een gelijkmatige verzesvoudiging tussen 1500-1524 en 1650-1674[148]. De lonen daarentegen kenden in de meeste stedelijke centra een verviervoudiging in de zestiende eeuw maar zouden in de loop van de zeventiende en achttiende eeuw geen aanwijsbare en blijvende stijging meer vertonen zodat er een daling van het reële inkomen was[149]. De belastingdruk was daarenboven immens hoog: het graafschap Vlaanderen diende zowel vóór als na de scheiding één derde van de belastingen van de Nederlanden op te hoesten[150].

Een teken van de niet al te rooskleurige economische situatie vormde de opening van de eerste Berg van Barmhartigheid, een instelling die kortlopend krediet op onderpand verleende, in 1618 die Albert en Isabella bijwoonden. Onder leiding van Wenceslas Coebergher[151], die het initiatief tot de oprichting had genomen, kwamen op die manier in alle belangrijke steden van de Zuidelijke Nederlanden geaffilieerde Bergen van Barmhartigheid. Deze werkten zonder intrest en met kleine bedragen zodat men probeerde op te treden tegen de misbruiken van woekeraars, bij wie de bevolking door de verslechtering van de levensvoorwaarden hun toevlucht zochten.

Hoe was de economische situatie nu in de residentieplaats van de Raad van Vlaanderen?  De economische toestand in het Gentse kan men afleiden uit een studie van de rente- en vastgoedmarkt die het mogelijk maakte om een scherper inzicht te verwerven in de economische conjunctuur van de Arteveldestad. Daaruit bleek dat er tussen de periode 1590 en 1620 sprake was van een expansie. In 1620 was er hoogconjunctuur die uitmondde in een economische recessie omstreeks 1630  In 1641 was er opnieuw hoogconjunctuur[152].

 

3.4. Wijzigende samenstelling

 

Veranderingen in de samenstelling van de Raad van Vlaanderen konden zich slechts op enkele wijzen voordoen. Ordonnanties vormden de meest uitgelezen manier en de vorst kon dus normaliter geen wijziging doorvoeren door middel van een gesloten brief[153]. In de periode 1598-1633 werd het verschil opgeheven tussen de raadsheren-commissaris en de gewone raadsheren, en vond er een revaluatie van de fiscalen plaats.

 

3.4.1. Raadsheren-commissaris

 

In 1610 werden de vier raadsheren-commissaris: Jan Coucke, Jan Jacob de Brabant, Karel Triest en Félix Jan Martin gelijkgesteld aan de acht gewone raadsheren. Deze vier kersverse gewone raadsheren zouden voortaan ook één florijn per dag krijgen en daarbovenop een jaarlijkse vergoeding van 25 florijnen voor de aanschaf van hout. De helft van hun wedde zou toegekend worden door de