| Coördinatie tussen ruimtelijke ordening en natuurbeleid in Vlaanderen. Case study: het RSV en het VEN-IVON. (Steven D’Hont) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
BIJLAGEN
Bijlage 1. Een interpretatiekader voor het begrijpen van de verstrengeling van de beleidsdomeinen ruimtelijke ordening en gebiedsgerichte natuur
We willen hier op een verkennende manier verklaren hoe het komt dat ruimtelijke ordening en gebiedsgericht natuurbeleid verstrengeld zijn met elkaar. Voor een interpretatiekader hieromtrent kunnen we terecht bij Loots en Leroy.[154] Hun betrachting was te verklaren waarom natuurbeleid soms zo een hoog conflictgehalte heeft. Dit deden ze aan de hand van drie issues of vraagstukken. Deze drie issues zijn ‘allocatie’, ‘locatie’ en ‘regime’. Het allocatievraagstuk gaat over hoeveel natuur er in een regio moet zijn. Het locatievraagstuk over de plaats van die natuur. En de regimekwestie betreft de vraag over de invulling van die natuur: medegebruik of exclusiviteit, inrichting of beheer? De auteurs stellen dat deze drie vraagstukken analytisch wel van elkaar te onderscheiden zijn maar dat zij feitelijk onlosmakelijk samenhangen. Die verwevenheid maakt de issues soms problematisch (cfr. de conflicten omtrent natuur) maar het maakt het ook nodig ze in samenhang aan te pakken. Hun onderlinge verwevenheid maakt mogelijk dat één vastgelopen issue via een ander issue kan opgelost worden. Het allocatievraagstuk (hoeveel natuur) is volgens de auteurs veel meer een ongeregeld politiek proces, met meer moeilijk voorspelbare uitkomsten dan de andere twee vraagstukken. Daarbij spelen politieke machtsverhoudingen tussen de betrokken actoren (overheden, landbouworganisaties, natuurverenigingen e.a.) een cruciale rol. Die verhoudingen bepalen o.a. hoe feitelijk wordt omgegaan met (internationale) verplichtingen en met kansen om meer areaal voor natuur te bestemmen. Om die lastige processen enigszins te rationaliseren worden in verschillende landen beleidsondersteunende allocatiemodellen ingezet voor een meer geobjectiveerde afweging van ruimteclaims te zorgen (cfr. spatial allocation modelling). Maar de inzet van deze instrumenten doet niet af aan het intrinsiek politiek en moeilijk voorspelbaar karakter van het proces van allocatie. Zo zijn in Vlaanderen bindende oppervlaktedoelstellingen ingeschreven in de ontwikkelingsperspectieven en ruimteboekhouding van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (cfr. infra). Dezelfde maar qua timing niet identieke kwantitatieve doelstellingen zijn ook in het decreet Natuurbehoud geformuleerd (cfr. infra).
Betreffende natuurgebieden van internationaal belang houdt de Vlaamse overheid zowel allocatie- als locatiebevoegdheid op het gewestelijk niveau. Dit doet ze door niet alleen het RSV, maar ook de afbakeningsplannen voor die gebieden zélf te maken. Provincies en gemeenten zijn enerzijds bevoegd voor het aanduiden en afbakenen voor de ecologische verbinding tussen de gebieden voor natuur en bos van gewestelijk belang (de natuurverbindingsgebieden) en anderzijds voor het afbakenen van de geïsoleerde natuur- en boscomplexen van bovengemeentelijk, respectievelijk lokaal belang. De locatie echter heeft, i.t.t. de allocatie, wél een traditie van spelregels. Het gaat in Vlaanderen dan onder meer om private grondrechten of eigendomsrechten, regels van onteigening voor het algemeen belang en spelregels van de ruimtelijke ordening. Deze spelregels bepalen de procesgang en zijn van groot belang voor machtsverhoudingen tussen de actoren.
Het punt is hier dat de allocatie van natuur onder sterke druk staat van andere ruimteclaims. Dat is in die mate het geval dat de onderhandelingen over de kwantitatieve doelstellingen voor groene bestemmingen in de ruimteboekhouding van het RSV via ‘medegebruik’ (d.i. een ‘regime’) konden en moesten worden afgerond: dit gebeurde door het opteren voor een bepaalde oppervlakte van een aparte categorie namelijk ‘natuurverwevingsgebied’. In de ruimtelijke uitvoeringsplannen zullen afgebakende natuurverwevingsgebieden in overdruk de nevenbestemming natuur krijgen, bijvoorbeeld (in geel ingekleurd) landbouwgebied. Dit wil zeggen dat door de overdruk de functie natuur nevenschikkend of evenwaardig wordt. De vraag naar de mogelijkheden voor ‘verweven natuur’ werd evenwel niet systematisch aan de orde gesteld voor de natuurgebieden zelf, noch in alle landbouwgebieden. Verweving was niet een uitgangspunt, wel een gelegenheidsinstrument voor het beslechten van allocatie en locatie zo stellen Loots en Leroy. De logica op een bepaalde moment in de afbakening van de natuurlijke structuur was: ‘Als in Vlaanderen, vanwege de vele ruimteclaims, onvoldoende ruimte voor de allocatie en locatie van pure natuur is, laten we dan teruggrijpen naar een zachter regime’.[155]
Nog vóór we de beleidsplannen op zich bespreken en we de zoektocht naar coördinatie ertussen aanvatten is deze tussenkomst misschien wat moeilijk te verteren voor de lezer maar het is voor de goede lectuur van deze thesis gepast om van bij het begin duidelijk te stellen dat ruimtelijke ordening en gebiedsgericht natuurbeleid met elkaar verweven zijn. Het interpretatiekader van Loots en Leroy leent zich hier uitstekend toe. Geen van de drie onderscheiden vraagstukken – allocatie, locatie en regime – kan apart, laat staan tezamen, binnen het natuurbeleid worden aangepakt. Gebiedsgericht natuurbeleid is voor het regelen van deze drie vraagstukken afhankelijk van ruimtelijke ordening. Dit belendend beleidsveld levert immers de instrumenten en de spelregels, maar ook de actoren en de machtsverhoudingen die voor het gebiedsgericht natuurbeleid van belang zijn.[156] Op deze manier hebben de auteurs bijgedragen tot het operationaliseren van onze onderzoeksvraag.
Bijlage 2. De respectievelijke ministers van ruimtelijke ordening en leefmilieu/natuur in de opeenvolgende Vlaamse regeringen (met vermelding van de vice-president) sinds 1988. (tussen haakjes volgen eventuele andere relevante domeinen die onder de minister zijn/haar bevoegdheden vallen)
|
Regering |
Ministers |
|
Geens IV (1988-1992) De Batselier (SP) |
RO (Huisvesting) Louis Waltniel (PVV)
Leefmilieu (Natuurbehoud en Landinrichting) Theo Kelchtermans (CVP) |
|
Van den Brande I (1992) Van den Brande II (1992) Van den Brande III (1992-1995) De Batselier (SP) |
RO (Openbare werken) Theo Kelchtermans (CVP)
Leefmilieu (Huisvesting) Norbert De Batselier (SP) |
|
Van den Brande IV (1995-1999) Van den Bossche (SP) |
RO (Openbare werken, Vervoer) Eddy Baldewijns (SP), Steve Stevaert (SP)
Leefmilieu (en Tewerkstelling) Theo Kelchtermans (CVP) |
|
Dewael I (juli 1999-2003) Stevaert later Landuyt (SP)
|
RO (en Economie en Media; vanaf 2001 Financiën en begroting) Dirk Van Mechelen (VLD)
Leefmilieu (Landbouw) Vera Dua; in juni 2003 Ludo Sannen (AGALEV) |
|
Somers I (2003-2004) Landuyt (SP) |
RO (Financiën en begroting, Wetenschapsbeleid) Dirk Van Mechelen (VLD)
Leefmilieu (Landbouw, Ontwikkelingssamenwerking) Ludo Sannen; in februari 2004 Jef Tavernier (AGALEV) |
|
Leterme I (2004-heden) Moerman (VLD) |
RO (Financiën, Begroting) Dirk Van Mechelen (VLD)
Leefmilieu en Natuur (Landbouw, Energie) Kris Peeters (CD&V) |
Bron: www.vlaamseregering.be
Bijlage 3. Verhouding beleidsplannen RSV en VEN-IVON
|
|
RSV |
VEN-IVON |
|
Oorsprong |
· Decreet ruimtelijke planning (24/07/’96) · later Decreet ruimtelijke ordening (18/05/’99) |
· EU: Vogel- en Habitatrichtlijn (Natura 2000), resp. 1979 en 1992 · DNB (10/01/’98) · RSV (23/09/’97)
|
|
Hoe? |
· Procedure van planning (structuur- en uitvoeringsplannen op drie niveaus)
· Apart in het RSV: - 150.000 ha natuurverbindingsgebied - 10.000 ha bosuitbreidings-gebied - 38.000 ha bijkomende natuur
· eveneens tegen 2007 - 750.000 ha agrarisch gebied waarvan minstens 100.000 overlapping met andere functies |
· In DNB: - 125000 ha VEN - 150000 ha IVON
tegen 2002
· In RSV : (cf. ruimtebalans) - 75000 tot 100000 ha GEN - 25000 tot 50000 ha GENO samen min. 125000 ha
tegen 2007
|
Bijlage 4. De actoren in het beleidsdomein natuur in Vlaanderen becommentarieerd
1) Vlaamse regering, Minister Leefmilieu (en Natuur)
2) AMINAL: Afdeling Natuur, Afdeling Land, Afdeling Bos & Groen, Afdeling Water
3) IN(BO) is een IVA zonder rechtspersoonlijkheid
4) VLM is een EVA met rechtspersoonlijkheid
5) Algemene adviesraden: Mina - raad en SERV
6) Sectorale adviesraden: VHRN, VHJ, VHB, VHRR
Voor ons verhaal zijn de meest relevante actoren binnen de AMINAL: de Afdeling Natuur (afgekort AN), de Afdeling Land (AL) en de Afdeling Bos en Groen (AB&G). De taken van de AN bestaan uit het verzorgen van de voorbereiding en uitvoering van het natuurbeleid, het toepassen van de uitvoeringsbesluiten van het latere decreet betreffende het natuurbehoud (DNB), natuureducatie en -sensibilisatie. De taken van de AL zijn dan weer het verlenen van advies in het kader van de ruimtelijke ordening (vooral betreffende de afbakening en de diversifiëren van de agrarische structuur) en van het milieubeleid in ruime zin, het voorbereiden en het evalueren van het bodembeleid en het ondersteunen van het ontwikkelingspotentieel van landelijke gebieden d.m.v. voorbereiden en subsidiëren van landinrichtings- en verkavelingsprojecten, erosiebestrijdingsmaatregelen e.d. De AB&G verzorgt de voorbereiding van het beleid inzake bossen en bosbouw.[157] De Afdeling Land – en Tuinbouw (ALT) is onderdeel van de administratie Landbouw en is hier ook van belang (cfr. infra). Haar taken bestaan uit het voorbereiden en uitvoeren van het beleid inzake land- en tuinbouw.[158] De Vlaamse Landmaatschappij (VLM) werd opgericht bij decreet in 1988 en ze werd in de wet van 16 maart 1954 als Vlaams openbare instelling gekwalificeerd. Sinds de vernieuwingsoperatie van de Vlaamse administratie Bestuurlijk Beleid staat ze te boek als een extern verzelfstandigd agentschap (EVA). Tot voor 1997 had zij vooral taken i.v.m. ruilverkavelingen en landinrichting. Met het DNB kwamen daar dus een aantal taken i.v.m. natuur bij (cfr. infra). Voor ons is de afdeling, die zich binnen de VLM met natuurinrichtingsprojecten bezig houdt, het belangrijkst. In eerste instantie was dit de groep Natuur. Later werd dit de afdeling Natuurinrichting, die overigens samen met de afdelingen Landinrichting, Ruiverkaveling en recent de lokale grondenbanken, zijn samengevoegd tot de Afdeling Landelijke inrichting van de VLM.[159] Nog in deze periode vindt de installatie van een belangrijk orgaan plaats. Dit orgaan is de Mina-Raad of Milieu- en natuurraad Vlaanderen. Ze is samen met de Sociaal Economische Raad Vlaanderen (SERV) één van de twee algemene adviesraden in het beleidsdomein van milieu. Ze werd bij decreet van 29 april 1991 opgericht. Haar samenstelling is de volgende: één voorzitter, één ondervoorzitter, 22 leden en zeven leden-deskundigen. Allen worden ze benoemd door de Vlaamse regering. Twaalf ervan worden voorgedragen door verenigingen zonder winstoogmerk met als doelstelling het leefmilieu of natuurbehoud. Zes vertegenwoordigers worden voorgedragen uit organisaties die zetelen in de SERV. Telkens één vertegenwoordiger komt uit één van de vier sectorale adviesraden van het beleidsdomein milieu en natuur. D.w.z. uit de Vlaamse Hoge Raad voor Natuurbehoud (hierna VHRN), de Vlaamse Hoge Jachtraad (hierna VHJ), de Vlaamse Hoge Raad van de Riviervisserij (hierna VHRR) en de Vlaamse Hoge Bosraad (hierna VHB). De leden - deskundigen worden voorgedragen uit de Vlaamse Vereniging voor Provincies (hierna VVP) en de Vereniging voor Vlaamse Steden en Gemeenten (hierna VVSG) en uit de voordracht van de Vlaamse raad voor Wetenschapsbeleid en de universitaire instellingen. Hun mandaat bedraagt 4 jaar en is hernieuwbaar. De administraties en agentschappen uit het beleidsdomein van Leefmilieu hebben een raadgevende stem in de Mina-raad. De invloed van deze raad bestaat uit het feit dat ze een algemene bevoegdheid inzake studie, aanbeveling of advies heeft i.v.m. alle aangelegenheden die betrekking hebben op het leefmilieu en natuurbehoud. Dit gebeurt zowel op eigen initiatief als op vraag van de Vlaamse regering. Deze laatste doet alvast zeker doet bij relevante voorontwerpen van decreet. Voor een uitgebreider verslag van de bevoegdheden en werking van de Mina-raad wordt verwezen naar het oprichtingdecreet van 29 april 1991.[160] Bogaert maakt de belangrijke opmerking dat, niettegenstaande de Mina-raad een maatschappelijke adviesraad is en geen sectorraad, de vertegenwoordigers van de milieu - en natuurverenigingen in de Mina-raad de helft van de zetels innemen.[161]
Bijlage 5. Het Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu van 21/10/1997, B.S. 10/01/1998
HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEPALINGEN
Art. 1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.
Art. 2.
Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder:
1° organismen: flora, fauna en overige organismen andere dan de mens;
2° biologische diversiteit: de variabiliteit onder levende organismen van
allerlei herkomst, met inbegrip van, onder andere, terrestrische, mariene en
andere aquatische ecosystemen en de ecologische complexen waarvan zij deel
uitmaken; dit omvat mede de diversiteit binnen soorten, tussen soorten en van
ecosystemen;
3° ecosysteem: het geheel van biotische en abiotische elementen die het
samenleven van levende organismen in een bepaald gebied kenmerken;
4° [habitat: een natuurlijke habitat en/of een habitat van een soort waarbij:
- "een natuurlijke habitat" een geheel natuurlijke of halfnatuurlijke land- of
waterzone met bijzondere geografische, abiotische en biotische kenmerken is;
- "een habitat van een soort" een door specifieke abiotische en biotische
elementen bepaald natuurlijk milieu is waarbij de soort tijdens één van de fasen
van zijn biologische cyclus leeft. Hiertoe behoren ook de woongebieden van een
vogelsoort, zijnde: de rustplaatsen in de trekzones, de voortplantings-, broed-
en foerageergebieden evenals de rui- en overwinteringsgebieden; (verv. decr. 19
juli 2002, art. 2, I: 10 september 2002)]
5° historisch permanent grasland: is een halfnatuurlijke vegetatie bestaande uit
grasland gekenmerkt door het langdurige grondgebruik als graasweide, hooiland of
wisselweide met ofwel cultuurhistorische waarde, ofwel een soortenrijke
vegetatie van kruiden en grassoorten waarbij het milieu wordt gekenmerkt door
aanwezigheid van sloten, greppels, poelen, uitgesproken microreliëf, bronnen of
kwelzones;
6° kleine landschapselementen: lijn- of puntvormige elementen met inbegrip van
de bijhorende vegetaties waarvan het uitzicht, de structuur of de aard al dan
niet resultaat zijn van menselijk handelen, en die deel uitmaken van de natuur
zoals: bermen, bomen, [... (geschr. decr. 19 juli 2002, art. 2 I: 10 september
2002)] bronnen, dijken, graften, houtkanten, hagen, holle wegen,
hoogstamboomgaarden, perceelsrandbegroeiingen, sloten, struwelen, poelen,
veedrinkputten en waterlopen;
7° natuur: de levende organismen, hun habitats, de ecosystemen waarvan zij deel
uitmaken en de daarmee verbonden uit zichzelf functionerende ecologische
processen, ongeacht of deze al dan niet voorkomen in aansluiting op menselijk
handelen, met uitsluiting van de cultuurgewassen, de landbouwdieren en de
huisdieren;
8° natuurelement: elk afzonderlijk element dat natuur in de zin van dit decreet
bevat;
9° natuur in de bebouwde omgeving: de natuurelementen en soorten die voorkomen
in samenhang met de stedelijke en bebouwde omgeving;
10° natuurbehoud: het instandhouden, herstellen en ontwikkelen van de natuur en
het natuurlijk milieu door natuurbescherming, natuurontwikkeling en natuurbeheer
en het streven naar een zo groot mogelijke biologische diversiteit in de natuur
[en naar een gunstige staat van instandhouding van habitats en soorten; (ing.
decr. 19 juli 2002, art. 2, I: 10 september 2002)]
11° natuurbescherming: het geheel van de maatregelen gericht op natuurbehoud en
tegen nadelige invloeden die kunnen ontstaan door menselijke activiteiten;
12° natuurontwikkeling: het geheel van maatregelen gericht op het creëren van
voorwaarden voor het tot stand komen of het herstel van natuur in een bepaald
gebied;
13° natuurbeheer: het regelend en sturend ingrijpen van de mens in de natuur en
in het natuurlijk milieu, bewust niets doen inbegrepen, ten behoeve van het
natuurbehoud;
14° natuurkwaliteit: de bijdrage die een gebied of één of meerdere afzonderlijke
natuurelementen, al of niet in onderlinge samenhang, levert of kan leveren aan
de biologische diversiteit;
15° natuurlijk milieu: het geheel van biotische en abiotische elementen, samen
met hun ruimtelijke en ecologische kenmerken en processen die nodig zijn voor
het behoud van de natuur in het Vlaamse Gewest;
16° erkende terreinbeherende natuurvereniging: een privaatrechtelijk
rechtspersoon waarvan de statuten het natuurbehoud en/of de natuurbescherming
als hoofdzakelijk en ondubbelzinnig doel bepalen, die gebieden beheert als
natuurreservaat en als dusdanig op grond van dit decreet wordt erkend;
17° soortenbehoud: het geheel van maatregelen gericht op het instandhouden,
herstellen of ontwikkelen van populaties van soorten en ondersoorten;
18° erkende beheerscommissie: een door de Vlaamse regering erkende vereniging
van betrokkenen die het onderhoud en de bescherming van de natuurelementen
binnen het Integraal Verwevings- en Ondersteunend Netwerk (IVON) conform het
goedgekeurd natuurrichtplan tot doel heeft;
19° bestrijdingsmiddelen: werkzame stoffen en preparaten die een of meer
werkzame stoffen bevatten, in de vorm waarin zij aan de gebruiker worden
geleverd en bestemd om een schadelijk organisme te vernietigen, af te schrikken
of onschadelijk te maken, de effecten daarvan te voorkomen of dit op andere
wijze te bestrijden;
20° waterrijke gebieden: gebieden met moerassen, vennen, veen- of plasgebieden,
natuurlijk of kunstmatig, blijvend of tijdelijk, met stilstaand of stromend
water, zoet, brak of zout, met inbegrip van zeewater, waarvan de diepte bij eb
niet meer is dan zes meter;
21° waterrijke gebieden van internationale betekenis: waterrijke gebieden die
aangeduid zijn conform de Overeenkomst inzake watergebieden die van
internationale betekenis zijn, opgemaakt te Ramsar op 2 februari 1971;
22° administratieve overheid: het Vlaamse Gewest, de openbare instellingen die
ervan afhangen, de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke instellingen die
belast zijn met taken van openbaar nut en de andere besturen die onderworpen
zijn aan het administratief toezicht van het Vlaamse Gewest;
23° VEN: Vlaams Ecologisch Netwerk;
24° GEN: Grote Eenheid Natuur;
25° GENO: Grote Eenheid Natuur in Ontwikkeling;
26° IVON: Integraal Verwevings- en Ondersteunend Netwerk;
27° VLM: Vlaamse Landmaatschappij;
28° ALT: Administratie bevoegd voor Land- en Tuinbouw;
29° Mina-fonds: Fonds voor Preventie en Sanering inzake leefmilieu en natuur
opgericht bij decreet van 23 januari 1991;
[30° betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale
beschermingszone: een aantasting die meetbare en aantoonbare gevolgen heeft voor
de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, in de mate er
meetbare en aantoonbare gevolgen zijn voor de staat van instandhouding van de
soort(en) of de habitat(s) waarvoor de betreffende speciale beschermingszone is
aangewezen of voor de staat van instandhouding van de soort(en) vermeld in
bijlage III van dit decreet voor zover voorkomend in de betreffende speciale
beschermingszone;
31° betekenisvolle verstoring van een soort: een verstoring die meetbare en
aantoonbare gevolgen heeft voor de staat van instandhouding van een soort.
Factoren die als dusdanig kunnen worden beschouwd, zijn:
- elke activiteit die bijdraagt tot de afname op lange termijn van de grootte
van de populatie (populatieomvang) van de betrokken soort in het gebied of tot
een geringe afname waardoor in vergelijking met de begintoestand de soort niet
langer een levensvatbare component van de natuurlijke habitat kan blijven;
- elke activiteit die ertoe bijdraagt dat het verspreidingsgebied van de soort
in het gebied kleiner wordt of dreigt te worden;
- elke activiteit die ertoe bijdraagt dat de omvang van de habitat van de soort
in het gebied kleiner wordt.
Betreft het een soort van bijlage II of IV van dit decreet, dan dient de
verstoring ervan tevens geëvalueerd te worden in het licht van de bijdrage van
de speciale beschermingszone tot de algehele samenhang van de speciale
beschermingszone en -zones;
32° Bosdecreet: het bosdecreet van 13 juni 1990;
33° code voor goede natuurpraktijk: richtlijnen inzake natuurbeheer met het oog
op het respecteren van het standstill-beginsel;
34° Habitatrichtlijn: Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de
instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna;
35° huiskavel: kadastraal perceel of kadastrale percelen die ofwel behoren bij
een vergunde woning ofwel behoren bij de stal of stallen van de landbouw- en/of
veeteeltinrichting zoals bedoeld in het mestdecreet en met de vergunde woning,
stal of stallen een ononderbroken geheel vormen; de begrenzing van de huiskavel
vindt plaats op basis van een duidelijk herkenbaar specifiek gebruik of op basis
van een in het landschap duidelijk herkenbaar element;
36° instandhouding: het geheel van maatregelen die nodig zijn voor het behoud of
herstel van habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten in een
gunstige staat van instandhouding.
De staat van instandhouding van een habitat wordt als gunstig beschouwd wanneer:
- het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die
habitat binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen;
- de nodige specifieke structuur en functies voor behoud op lange termijn
bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan;
- de staat van instandhouding van de voor die habitat gunstige typische soorten
gunstig is.
De staat van instandhouding van een soort wordt als gunstig beschouwd wanneer:
- uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog altijd een
levensvatbare component is van de habitat waarin de soort voorkomt en dat
vermoedelijk op lange termijn zal blijven;
- het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen
afzienbare tijd lijkt te zullen worden;
- er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan
om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden;
37° Mestdecreet: het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het
leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen;
38° natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone: het geheel van
biotische en abiotische elementen, samen met hun ruimtelijke en ecologische
kenmerken en processen, die nodig zijn voor de instandhouding van
a) de natuurlijke habitats en de habitats van de soorten waarvoor de betreffende
speciale beschermingszone is aangewezen en
b) de soorten vermeld in de bijlage III;
39° natuurrichtplan: een plan dat aangeeft wat op vlak van natuurbehoud voor een
specifiek gebied wordt beoogd en waarin de instrumenten en maatregelen zijn
opgenomen die al dan niet projectmatig verlopen, om de beoogde doelstellingen op
het vlak van het natuurbehoud te realiseren. Het plan komt tot stand en wordt
uitgevoerd met medewerking van eigenaars of grondgebruikers;
40° plan of programma: een document waarin beleidsvoornemens,
beleidsontwikkelingen of grootschalige overheids-, particuliere of gemengde
activiteiten worden aangekondigd en dat wordt opgemaakt en vastgesteld,
gewijzigd of herzien op initiatief of onder toezicht van het Vlaamse Gewest, de
provincies, de intercommunales, de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden
en/of de gemeenten, en/of van de federale overheid of waarvoor medefinanciering
voorzien is door de Europese Gemeenschap of door het Vlaamse Gewest of de
Vlaamse Gemeenschap in het kader van de internationale samenwerking, voor zover
het voorgenomen plan of programma aanzienlijke milieu- of veiligheidseffecten
kan hebben op het grondgebied van het Vlaamse Gewest;
41° plan-MERrichtlijn: Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de
Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu
van bepaalde plannen en programma's;
42° project-MERrichtlijn: Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985
betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere
projecten;
43° speciale beschermingszone: gebied aangewezen door de Vlaamse regering in
toepassing van de Vogelrichtlijn of van de Habitatrichtlijn;
44° staat van instandhouding van een habitat: de som van de invloeden die op de
betrokken habitat en de daar voorkomende typische soorten inwerken en op lange
termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de natuurlijke verspreiding,
de structuur en de functies van die habitat of die van invloed kunnen zijn op
het voortbestaan op lange termijn van de betrokken typische soorten in het
Vlaamse Gewest;
45° staat van instandhouding van een soort: het effect van de som van de
invloeden die op de betrokken soort inwerken en op lange termijn een verandering
kunnen bewerkstelligen in de verspreiding en de grootte van de populaties van
die soort in het Vlaamse Gewest;
46° vergunningsplichtige activiteit: een activiteit waarvoor op grond van een
wet, decreet of besluit, een vergunning, toestemming of machtiging vereist is;
47° Vogelrichtlijn: Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het
behoud van de vogelstand;
48° wijzigingsdecreet 19 juli 2002: decreet van 19 juli 2002 houdende de
wijziging van het decreet van 21 oktober 1997 inzake het natuurbehoud en het
natuurlijk milieu, van het bosdecreet van 13 juni 1990, van het decreet van 16
april 1996 betreffende de landschapszorg, van het decreet van 21 december 1988
houdende oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij, van de wet van 22 juli 1970
op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van wet zoals aangevuld
door de wet van 11 augustus 1978 houdende bijzondere bepalingen eigen aan het
Vlaamse Gewest, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van
het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en van de wet
betreffende de politie over het wegverkeer, gecordineerd bij koninklijk besluit
van 16 maart 1968.
(ing. decr. 19 juli 2002, art. 2, I: 10 september 2002)]
HOOFDSTUK II
OFFICIËLE STRUCTUREN INZAKE NATUURBELEID
AFDELING 1
DE VLAAMSE HOGE RAAD VOOR NATUURBEHOUD
Art. 3. De Vlaamse regering stelt een Vlaamse Hoge Raad voor Natuurbehoud
in, hierna de Raad te noemen, samengesteld uit deskundigen inzake natuur. Zij
bepaalt nadere regels inzake de samenstelling, de werking en het secretariaat
van die Raad.
Art. 4. De Raad heeft tot taak advies uit te brengen over alle aangelegenheden bedoeld in dit decreet.
De Raad brengt rechtstreeks advies uit aan de Vlaamse regering over alle natuurbehoudsaangelegenheden die zij hem voorlegt.
De Raad beraadslaagt en brengt advies uit over alle aangelegenheden bedoeld in dit decreet die door zijn voorzitter of ten minste vijf leden worden voorgelegd.
De Vlaamse regering stelt een huishoudelijk reglement vast op voorstel van de Raad.
AFDELING 2
HET INSTITUUT VOOR NATUURBEHOUD
Art. 5. Het Instituut voor Natuurbehoud, hierna het Instituut genoemd,
heeft als opdracht ten behoeve van de Vlaamse regering:
1° alle passende, wetenschappelijke studies en onderzoeken te verrichten in
verband met het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
2° de Raad bij te staan in zijn opdracht;
3° ondersteuning te verlenen bij het opstellen van het natuurbeleidsplan;
4° het natuurrapport op te stellen, zoals bedoeld in artikel 10.
HOOFDSTUK III
DOELSTELLINGEN EN PLANNING VAN HET NATUURBELEID
AFDELING 1
ALGEMENE DOELSTELLINGEN VAN HET NATUURBELEID
Art. 6. Onverminderd de bepalingen van het decreet van 5 april 1995
houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, is het beleid inzake
natuurbehoud en de vrijwaring van het natuurlijk milieu gericht op de
bescherming, de ontwikkeling, het beheer en het herstel van de natuur en het
natuurlijk milieu, op de handhaving of het herstel van de daartoe vereiste
milieukwaliteit en op het scheppen van een zo breed mogelijk maatschappelijk
draagvlak, waarbij educatie en voorlichting van de bevolking inzake natuurbehoud
wordt gestimuleerd.
Art. 7. [Het onder artikel 6 bedoelde beleid is gericht op het nemen van alle maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van internationale overeenkomsten of verdragen betreffende het natuurbehoud of van akten betreffende het natuurbehoud, met inbegrip van Europese richtlijnen, vastgesteld op grond van internationale verdragen.
Onverminderd wat bepaald wordt in het eerste lid, wordt in de maatregelen genomen in uitvoering van de Habitat- en Vogelrichtlijn rekening gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied en met de regionale en lokale bijzonderheden. (verv. decr. 19 juli 2002, art. 3, I: 10 september 2002)]
Art. 8. De Vlaamse regering neemt alle nodige maatregelen ter aanvulling van de bestaande regelgeving om over het gehele grondgebied van het Vlaamse Gewest de milieukwaliteit te vrijwaren die vereist is voor het behoud van de natuur en om het standstill-beginsel toe te passen zowel wat betreft de kwaliteit als de kwantiteit van de natuur.
Art. 9. [§ 1. De maatregelen bedoeld in artikel 8, artikel 13, artikel 36ter , §§ 1, 2 en 5, tweede lid en Hoofdstuk VI kunnen beperkingen opleggen maar, met uitzondering van de maatregelen bedoeld in artikel 36ter, §§ 1 en 2 voor zover deze expliciet zijn opgenomen in een goedgekeurd natuurrichtplan, evenwel geen beperkingen vaststellen die absoluut werken of handelingen verbieden of onmogelijk maken die overeenstemmen met de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, noch de realisatie van die plannen en hun bestemmingsvoorschriften verhinderen.
De maatregelen bedoeld in het eerste lid beogen de instandhouding van de natuur en kunnen onder meer de bescherming bevatten van de bestaande natuur en natuurelementen, zoals habitats, holle wegen, houtkanten, poelen, waterrijke gebieden, heiden en historisch permanent grasland, ongeacht waar de natuur en de natuurelementen zich bevinden.
De in het eerste
lid vermelde maatregelen kunnen de landbouwbedrijfsvoering en het teeltplan niet
regelen in agrarische gebieden, landschappelijk waardevolle agrarische gebieden,
valleigebieden, brongebieden, agrarische gebieden met ecologisch belang of
ecologische waarde, agrarische gebieden met bijzondere waarde en de met een van
deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van
aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke
ordening, tenzij in de volgende gevallen:
1° voor de uitvoering van maatregelen bedoeld in artikel 36ter §§ 1 en 2;
2° binnen het VEN;
3° voor wat betreft het historisch permanent grasland gelegen binnen:
- de valleigebieden, brongebieden, agrarische gebieden met ecologisch belang of
ecologische waarde, agrarische gebieden met bijzondere waarde of de met een van
deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van
aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke
ordening;
- het IVON;
- de beschermde duingebieden aangeduid krachtens artikel 52 van de wet van 12
juli 1973 op het natuurbehoud, toegevoegd bij decreet van 14 juli 1993 houdende
maatregelen tot bescherming van de kustduinen;
- de gebieden afgebakend volgens of in uitvoering van internationale
overeenkomsten of verdragen betreffende het natuurbehoud of van akten
betreffende het natuurbehoud, met inbegrip van Europese richtlijnen, vastgesteld
op grond van internationale verdragen.
§ 2. Behoudens
andersluidende bepaling kunnen de maatregelen bedoeld in artikel 13, § 1,
artikel 25, § 1, eerste lid, artikel 28, § 1, artikel 36ter , §§ 1 en 2, artikel
48, § 3, en artikel 51:
1° gericht zijn op het stimuleren van maatregelen op het vlak van natuurbehoud
en soortenbehoud;
2° het uitvoeren van een activiteit verbieden;
3° voorwaarden aan een activiteit opleggen;
4° gebodsbepalingen aan een overheid opleggen;
5° de verplichting bevatten voor een overheid tot het nemen van maatregelen op
het vlak van natuurbeheer voor terreinen en waterlopen die deze in eigendom,
gebruik of beheer heeft.
De maatregelen
bedoeld in artikel 13, § 1, artikel 25, § 1, eerste lid, artikel 28, § 1,
artikel 36ter, §§ 1 en 2, en artikel 51 kunnen tevens bevatten:
1° het afhankelijk maken van een activiteit van het verkrijgen van een
voorafgaande schriftelijke vergunning, toestemming of machtiging;
2° het onderwerpen van een activiteit aan een voorafgaande, schriftelijke
melding of kennisgeving.
De Vlaamse
regering of haar gemachtigde kan tevens tegen vergoeding gebodsbepalingen
opleggen, al dan niet kaderend binnen een natuurrichtplan, aan de particuliere
grondeigenaars of -gebruikers in:
1° het VEN;
2° een speciale beschermingszone in zoverre het maatregelen betreft zoals
bedoeld in artikel 36ter , §§ 1 en 2;
3° de overige gebieden die afgebakend zijn volgens of in uitvoering van
internationale overeenkomsten of verdragen betreffende het natuurbehoud of van
akten betreffende het natuurbehoud, met inbegrip van Europese richtlijnen,
vastgesteld op grond van internationale verdragen.
De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen inzake het opleggen van gebodsbepalingen aan de particuliere grondeigenaars of -gebruikers en inzake de vergoeding hiervoor. (verv. decr. 19 juli 2002, art. 4, I: 10 september 2002)]
AFDELING 2
HET NATUURRAPPORT
Art. 10. § 1. Het natuurrapport wordt opgesteld als een wetenschappelijk
rapport in het kader van het milieurapport bedoeld in artikel 2.1.3. van het
decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. Het
maakt er een herkenbaar maar integraal deel van uit.
Het dient tevens als inventarisatie bedoeld in artikel 7 van het Verdrag inzake biologische diversiteit, ondertekend in Rio de Janeiro op 5 juni 1992 en goedgekeurd bij decreet van 28 maart 1996.
§ 2. Het
natuurrapport omvat in het bijzonder:
1° een beschrijving en evaluatie van de bestaande natuur in het Vlaamse Gewest;
2° de te verwachten evolutie van deze natuur bij ongewijzigd en bij het door de
Vlaamse regering voorgenomen beleid;
3° de evaluatie van het voorbije beleid, waarbij expliciet gerapporteerd wordt
over de afbakening van het VEN en IVON - de voortgang van de natuurrichtplannen
zoals bedoeld in artikel 17 en artikel 27 van dit decreet.
§ 3. Het natuurrapport wordt opgesteld door het Instituut.
Bij het opstellen van het natuurrapport worden de administratieve overheid, de relevante overheidsorganen, wetenschappelijke instellingen en organisaties die vertegenwoordigd zijn in de MINA-Raad betrokken.
§ 4. De administratieve overheid stelt, hetzij op eenvoudig verzoek van het Instituut, hetzij uit eigen beweging, alle informatie en kennis waarover zij beschikt en die van nut kan zijn voor het opstellen van het natuurrapport ter beschikking van het Instituut.
§ 5. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de aanvullende inhoud van het natuurrapport, de procedure van het opstellen, de openbaarmaking en het gebruik ervan.
AFDELING 3
HET NATUURBELEIDSPLAN
Art. 11. § 1. De Vlaamse regering stelt een algemeen beleidsplan vast
voor het natuurbehoud en het behoud van het natuurlijk milieu.
Dit natuurbeleidsplan is een actieplan en kadert in het milieubeleidsplan bedoeld in artikel 2.1.7. en 2.1.11 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. De Vlaamse regering bepaalt de delen van het natuurbeleidsplan die bindend zijn voor de administratieve overheid. Het natuurbeleidsplan kan te allen tijde door de Vlaamse regering geheel of gedeeltelijk worden herzien.
§ 2.
Onverminderd de bepalingen van artikel 2.1.7 en 2.1.11 van het decreet van 5
april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid omvat het
natuurbeleidsplan de volgende deelplannen:
1° het deelplan voor het gebiedsgericht beleid. Dit deelplan bevat:
1) een nadere uitwerking van het gebiedsgericht beleid dat wordt ingebracht in
het kader van het ruimtelijk beleid;
2) een invulling van het VEN en het IVON, binnen de onderscheiden
gebiedscategorieën;
3) het deelplan kan ook voorstellen en acties bevatten voor de bevordering van
kleine landschapselementen en groengebieden en bosgebieden conform de
uitvoeringsplannen, van kracht in de ruimtelijke ordening, buiten het VEN en het
IVON, voor de natuur in de bebouwde omgeving en voor de algemene
natuurkwaliteit;
2° een deelplan met betrekking tot de relatie tussen natuurdoelstellingen en
milieukwaliteit in het VEN en in de groen-, park-, buffer- en bosgebieden van de
uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, waarin de
doelstellingen, maatregelen en indien nodig bijzondere milieukwaliteitsnormen
worden vastgelegd die betrekking hebben op de chemische, fysische, morfologische
en hydrologische kenmerken van het natuurlijk milieu in relatie tot de
natuurdoeltypen;
3° een deelplan voor het behoud van de soorten waarin de doelstelling en de
maatregelen inzake de bescherming van levende organismen worden vastgelegd.
In dit deelplan kunnen soortenbeschermingsplannen worden opgenomen met
aanwijzing van de gebieden waarin deze van toepassing zullen zijn;
4° een deelplan voor het doelgroepenbeleid. Daarin wordt de aard van de
doelgroepen bepaald alsook de daarop betrekking hebbende doelstellingen, de
initiatieven inzake educatie en voorlichting en de stimulerende maatregelen;
5° een deelplan met betrekking tot de ondersteuning van de provinciale en lokale
overheden.
Art. 12. Onverminderd de bepalingen van artikel 2.1.9. van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid legt de Vlaamse regering het ontwerp van natuurbeleidsplan voor advies voor aan de Raad [en de Vlaamse Hoge Bosraad, (ing. decr. 18 mei 1999, art. 83, I: 2 augustus 1999)] gelijktijdig met de voorlegging aan de adviserende instanties bedoeld in artikel 2.1.9, § 1, van voormeld decreet alsook de door de Vlaamse regering aan te duiden organen. De bepalingen van artikel 2.1.9, § 6, en 2.1.11, § 1 en 2, van dat decreet zijn van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK IV
ALGEMENE MAATREGELEN TER BEVORDERING VAN HET NATUURBEHOUD
Art. 13.
§ 1. De Vlaamse regering kan alle nodige maatregelen nemen voor het
natuurbehoud, ten behoeve van de bestaande natuur ongeacht de bestemming van het
betrokken gebied, evenals voor de instandhouding van het natuurlijk milieu
binnen de groen-, park-, buffer- en bosgebieden van de uitvoeringsplannen, van
kracht in de ruimtelijke ordening, en meer bepaald voor:
1° de bescherming, de instandhouding, de ontwikkeling of het herstel van
natuurlijke of deels natuurlijke habitats of ecosystemen, met inbegrip van de
waterrijke gebieden van internationale betekenis;
2° de bescherming, de instandhouding en ontwikkeling van natuurlijke of
halfnatuurlijke vegetaties;
3° de bescherming, de instandhouding en de ontwikkeling van de wilde inheemse
fauna en flora en van de trekkende wilde diersoorten en hun habitats;
4° de bescherming, de instandhouding en ontwikkeling van kleine
landschapselementen;
5° de bescherming, de instandhouding en ontwikkeling van de natuur in de
bebouwde omgeving;
6° het regelen van de toegang tot en het gebruik van het natuurlijke milieu,
[met inachtneming van het bepaalde in artikel 35, § 1. Voor de natuurreservaten
en het VEN of onderdelen van het VEN houdt dit eveneens het regelen in van de
toegang tot de voor het verkeer minder belangrijke openbare wegen. Worden
beschouwd als voor het verkeer minder belangrijke openbare wegen: alle openbare
of gedeelten van openbare wegen liggend in de natuurreservaten of het VEN, met
uitzondering van de openbare wegen die ingericht zijn voor het gewone
gemotoriseerde verkeer voor zover deze in hoofdzaak bestemd zijn als
doorgangsweg. De toegang tot deze wegen kan slechts wettig worden aangeduid in
de vorm en op de wijze zoals bepaald door de Vlaamse regering.
(ing. decr. 19 juli 2002,
art. 5, I: 10 september 2002)]
§ 2. De maatregelen bedoeld in § 1 kunnen gericht zijn op het stimuleren van het natuurbeheer, het onderhoud, de natuurontwikkeling en kunnen, binnen de perken van de begroting, een financiële regeling vaststellen.
§ 3. De
maatregelen bedoeld in ó 1 kunnen het uitvoeren van bepaalde activiteiten
verbieden of aan voorwaarden onderwerpen. Deze voorwaarden en activiteiten
kunnen afhankelijk worden gemaakt van het verkrijgen van een vergunning. De
Vlaamse regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot deze activiteiten
of voorwaarden:
1° de wijze waarop, de omstandigheden waaronder of de plaats waar de activiteit
kan worden uitgevoerd;
2° het verlenen van een voorafgaande, schriftelijke vergunning of toestemming
door een in het besluit aangewezen overheid;
3° het voorafgaand, schriftelijk melden of kennisgeven van bepaalde activiteiten
aan een bij besluit aangewezen overheid, die binnen een bepaalde termijn de
gevolgen van de voorgenomen activiteit beoordeelt;
4° het herstel in de oorspronkelijke toestand of in een door het besluit
aangegeven toestand na de beëindiging van de activiteit.
[§ 4.
Onverminderd de bepalingen van § 3 wordt het wijzigen van de vegetatie of het
geheel of gedeeltelijk wijzigen van kleine landschapselementen of de vegetatie
ervan, voor zover de Vlaamse regering die wijzigingen niet verbiedt, afhankelijk
gemaakt van het verkrijgen van een vergunning. Het gaat daarbij om de volgende
gebieden:
1° de groengebieden, de parkgebieden, de buffergebieden, de bosgebieden, de
natuurontwikkelingsgebieden, de valleigebieden, de brongebieden, de agrarische
gebieden met ecologisch belang of waarde, de agrarische gebieden met bijzondere
waarde en de met al deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen
op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de
ruimtelijke ordening;
2° de beschermde duingebieden, aangeduid krachtens artikel 52 van de wet van 12
juli 1973, toegevoegd bij decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen tot
bescherming van de kustduinen;
3° de gebieden afgebakend volgens of in uitvoering van internationale
overeenkomsten of verdragen betreffende het natuurbehoud of van akten
betreffende het natuurbehoud, met inbegrip van Europese richtlijnen, vastgesteld
op grond van internationale verdragen.
De Vlaamse regering kan bepalen welke activiteiten een wijziging zijn van de vegetatie of van kleine landschapselementen of van de vegetatie ervan.
§ 5.
Onverminderd de bepalingen van §§ 3 en 4, wordt het geheel of gedeeltelijk
wijzigen van kleine landschapselementen of de vegetatie ervan, voor zover de
Vlaamse regering die wijzigingen niet verbiedt, tevens afhankelijk gemaakt van
het verkrijgen van een vergunning in de volgende gebieden:
1° de landschappelijk waardevolle agrarische gebieden en de agrarische gebieden
en de met al deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de
plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de
ruimtelijke ordening;
2° het IVON.
§ 6. De Vlaamse
regering kan nadere regels bepalen inzake vrijstelling van de vergunningsplicht,
bedoeld in §§ 4 en 5, voor zover uitdrukkelijk voldaan wordt aan de zorgplicht
opgelegd door artikel 14 en, in voorkomend geval, voldaan is aan de bepalingen
van artikel 16, §§ 1 tot 3 inzake het tegengaan van vermijdbare schade wanneer:
1° voor de vermelde activiteit op grond van wetten, decreten of besluiten een
vergunning of toestemming van de overheid verleend is, na advies van de
administratie bevoegd voor het natuurbehoud;
2° de activiteit geregeld is in goedgekeurde plannen of projecten die nader zijn
bepaald door de Vlaamse regering;
3° het huiskavels met een maximale grootte van 3 ha betreft;
4° het normale onderhoudswerken betreft.
(ing. decr. 19 juli 2002,
art. 5, I: 10 september 2002)]
Art. 14. [Iedereen die handelingen verricht of hiertoe de opdracht verleent, en die weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat de natuurelementen in de onmiddellijke omgeving daardoor kunnen worden vernietigd of ernstig geschaad, is verplicht om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijze van hem kunnen worden gevergd om de vernietiging of de schade te voorkomen, te beperken of indien dit niet mogelijk is, te herstellen.
De Vlaamse regering kan een code van goede natuurpraktijk vaststellen die de in het voorgaande lid bedoelde zorgplicht verduidelijkt. (verv. decr. 19 juli 2002, art. 6, I: 10 september 2002)]
Art. 15. De Vlaamse regering stelt regels vast met betrekking tot het aanvragen, verlenen, weigeren, bekendmaken, intrekken en wijzigen van de vergunning of de toestemming, alsook met betrekking tot de adviesverlening, het openbaar onderzoek en het indienen behandelen en bekendmaken van het beroep, alsook de schorsende werking van het beroep.
[... (opgeh. decr. 19 juli 2002, art. 7, I: 10 september 2002)]
Art. 16. [§ 1. In het geval van een vergunningsplichtige activiteit, draagt de bevoegde overheid er zorg voor dat er geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan door de vergunning of toestemming te weigeren of door redelijkerwijze voorwaarden op te leggen om de schade te voorkomen, te beperken of, indien dit niet mogelijk is, te herstellen.
§ 2. Een activiteit waarvoor een kennisgeving of melding aan de overheid vereist is, kan enkel uitgevoerd worden indien geen vermijdbare schade kan ontstaan en voor zover de aanvrager zich in voorkomend geval gedraagt naar de code van goede natuurpraktijk.
De kennisgever dient aan te tonen dat de activiteit geen vermijdbare schade kan veroorzaken. Wanneer de kennisgever dit niet gedaan heeft, dient de betrokken overheid zelf te onderzoeken of de activiteit vermijdbare schade kan veroorzaken. Indien dit het geval is of indien de code van goede natuurpraktijk niet wordt nageleefd, wordt dit door de overheid aan de kennisgever medegedeeld bij ter post aangetekende brief binnen de eventuele wachttermijn voor het uitvoeren van de activiteit voorzien in de wetgeving in kader waarvan de kennisgeving of de melding gebeurt of bij gebreke daaraan binnen dertig dagen na de kennisgeving of de melding. De kennisgever mag pas starten met de uitvoering van de betrokken activiteit wanneer voormelde termijn verstreken is zonder dat hij een voormeld bericht van de overheid heeft ontvangen.
De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen voor de toepassing van deze paragraaf.
§ 3. De Vlaamse regering kan voor bepaalde activiteiten of categorieën van activiteiten, voor bepaalde habitats of ecologische processen, of voor bepaalde soortengroepen, richtlijnen geven voor het beoordelen van het vermijdbare karakter van de activiteit en voor het opleggen van voorwaarden en herstelmaatregelen. (verv. decr. 19 juli 2002, art. 8, I: 10 september 2002)]
HOOFDSTUK V
GEBIEDSGERICHT BELEID
AFDELING 1
HET VLAAMS ECOLOGISCH NETWERK (VEN)
Art. 17. § 1. Het Vlaams Ecologisch Netwerk is een samenhangend en
georganiseerd geheel, van gebieden van de open ruimte waarin een specifiek
beleid inzake het natuurbehoud, gebaseerd op de kenmerken en elementen van het
natuurlijk milieu, de onderlinge samenhang tussen de gebieden van de open ruimte
en de aanwezige en potentiële natuurwaarden wordt gevoerd.
De Vlaamse regering bakent binnen 5 jaar na de inwerkingtreding van dit decreet een effectief te realiseren oppervlakte van 125 000 ha af, en draagt zorg voor de totstandkoming van de natuurrichtplannen binnen de periode van 10 jaar na de inwerkingtreding van dit decreet.
§ 2. Het Vlaams
Ecologisch Netwerk omvat de volgende onderdelen:
1° Grote Eenheden Natuur (GEN): dit zijn gebieden die hetzij natuurelementen
over een oppervlakte van minstens de helft van het gebied bevatten hetzij
gebieden waarin een specifiek natuurelement met hoge natuurkwaliteit aanwezig
is;
2° Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling (GENO): dit zijn gebieden die één of
meer van de volgende kenmerken vertonen:
a) aanwezigheid van natuurelementen, verspreid over de oppervlakte van het
gebied, waarvan de gezamenlijke oppervlakte echter kleiner kan zijn dan de helft
van het gebied;
b) aanwezigheid van belangrijke fauna- of floraelementen waarvan het
voortbestaan moet worden ondersteund door de maatregelen inzake het
grondgebruik;
c) terreinen al dan niet door kunstmatige ingrepen tot stand gekomen, met
belangrijke mogelijkheden voor natuur- ontwikkeling.
De GEN en de GENO omvatten gebieden met een duidelijke samenhang en een voldoende aaneengesloten oppervlakte.
[§ 3. Elke GEN of GENO die de Vlaamse regering in overdruk afbakent overeenkomstig de wetgeving betreffende de ruimtelijke ordening in gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, wordt van rechtswege beschouwd als een GEN of GENO in de zin van dit decreet.
Een volgens artikel 21 vastgesteld afbakeningsplan wordt van rechtswege opgeheven voor het onderdeel waarvoor nadien een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan in werking treedt dat aan dit onderdeel een bestemming geeft waardoor dit laatste niet meer krachtens artikel 20 van dit decreet zou kunnen worden aangeduid als GEN of GENO. Het aldus opgeheven onderdeel van het afbakeningsplan herneemt zijn rechtskracht indien en in de mate het bedoelde ruimtelijk uitvoeringsplan door de Raad van State wordt geschorst of vernietigd. (ing. decr. 19 juli 2002, art. 9, I: 10 september 2002)]
Art. 18. De administratieve overheid voert, [binnen haar bevoegdheden, (ing. decr. 19 juli 2002, art. 10, I: 10 september 2002)] in het VEN, een beheer van de waterhuishouding gericht op de verwezenlijking van een duurzaam ecologisch functioneren van een watersysteem dat bij de bestaande of beoogde natuur behoort. In het bijzonder worden beoogd: het terugdringen van de risico's op verdroging, het herstel van verdroogde natuurgebieden en het beheer van de waterlopen gericht op het behoud en herstel van de natuurwaarden, zonder dat dit disproportionele gevolgen heeft voor de gebieden buiten het VEN.
Art. 19. De Vlaamse regering bepaalt de projecten, plannen of activiteiten die plaatsvinden binnen het VEN, en projecten, plannen of activiteiten die op gebieden binnen het VEN een rechtstreekse hydrologische invloed hebben, waarvoor de initiatiefnemer of de beheerder van de betrokken waterloop of waterwinning in samenwerking met het Instituut hydrologische studies moet maken met inbegrip van ecologische impactstudies, met het oog op effectgerichte maatregelen en afstemming van de invloeden op de aanwezige en potentiële natuurelementen.
De regering bepaalt onder welke voorwaarden deze studies geïntegreerd worden in de vereiste milieueffectrapportage.
Art. 20.
De Vlaamse regering kan de gebiedscategorieën van het VEN, overeenkomstig de
bepalingen van dit decreet, aanduiden, waarbij de volgende bepalingen van
toepassing zijn:
[1° als GEN kunnen worden aangeduid: de groengebieden, parkgebieden,
buffergebieden, bosgebieden, gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare
nutsvoorzieningen met als overdruk overstromingsgebied of wachtbekken, militaire
domeinen en de met een van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden,
aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht
in de ruimtelijke ordening, en de beschermde duingebieden aangeduid krachtens
artikel 52 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, toegevoegd bij
decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen ter bescherming van de kustduinen;
2° als GENO kunnen worden aangeduid de in 1° vermelde gebiedscategorieën,
alsmede:
- de ontginningsgebieden en ermee vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen
op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de
ruimtelijke ordening voor zover zij één van de in 1° genoemde bestemmingen als
nabestemming hebben;
- de valleigebieden, de brongebieden, de agrarische gebieden met ecologisch
belang of ecologische waarde, de agrarische gebieden met bijzondere waarde, de
bosuitbreidingsgebieden en de natuurontwikkelingsgebieden, en de met een van
deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van
aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke
ordening. (verv. decr.
19 juli 2002, art. 11, I: 10 september 2002)]
Art. 21. [§ 1. Voor de afbakening van een GEN of GENO stelt de Vlaamse regering een ontwerp van afbakeningsplan op, al dan niet in samenwerking met natuurlijke personen dan wel publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen.
§ 2. De Vlaamse regering kan de nadere regels vastleggen inzake de te volgen procedures.
§ 3. De Vlaamse regering stelt het ontwerp van afbakeningsplan voorlopig vast.
§ 4. Vanaf de voorlopige vaststelling van het ontwerp van afbakeningsplan zijn de reglementaire bepalingen van artikel 25 van toepassing.
§ 5. De Vlaamse regering onderwerpt het ontwerp van afbakeningsplan aan een openbaar onderzoek dat binnen 60 dagen na de voorlopige vaststelling wordt aangekondigd door aanplakking in elke gemeente waarop het ontwerpplan geheel of gedeeltelijk betrekking heeft, door een bericht in het Belgisch Staatsblad en in ten minste drie dagbladen die in het Gewest worden verspreid.
Deze
aankondiging vermeldt minstens:
1° de gemeenten waarop het ontwerpplan geheel of gedeeltelijk betrekking heeft;
2° waar het ontwerpplan ter inzage ligt;
3° de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;
4° het adres waar de opmerkingen en bezwaren, vermeld in § 8 dienen toe te komen
of kunnen worden afgegeven, en de vermelding dat opmerkingen en bezwaren ook
kunnen worden afgegeven op het gemeentehuis van de gemeenten waarop de bedoelde
vaststelling geheel of gedeeltelijk betrekking heeft.
§ 6. Na de aankondiging wordt het ontwerpplan gedurende 60 dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis van elke betrokken gemeente.
§ 7. De bezwaren en opmerkingen worden uiterlijk de laatste dag van de termijn van het openbaar onderzoek aan de Minaraad toegezonden bij een ter post aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs.
De bezwaren en opmerkingen kunnen ook uiterlijk de laatste dag van die termijn aan het gemeentehuis van elke gemeente bedoeld in § 6 worden afgegeven tegen ontvangstbewijs of mondeling worden meegedeeld aan de burgemeester of zijn gemachtigde ambtenaar die hiervan een proces-verbaal opmaakt. De gemeente bezorgt in dat geval uiterlijk de tiende werkdag na het openbaar onderzoek de bezwaren en opmerkingen aan de Minaraad. Met bezwaren en opmerkingen die laattijdig aan de Minaraad worden bezorgd, moet geen rekening worden gehouden. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het ontvangen en bijhouden van bezwaren en opmerkingen door de gemeente en met betrekking tot de wijze waarop deze aan de Minaraad worden bezorgd.
§ 8. De Minaraad coördineert alle bezwaren en opmerkingen en brengt binnen 60 dagen na het einde van het openbaar onderzoek gemotiveerd advies uit bij de Vlaamse regering.
Dit advies bevat desgevallend een meerderheids- en een minderheidsstandpunt.
Op gemotiveerd verzoek van de Minaraad binnen een termijn van 25 dagen na het einde van het openbaar onderzoek beslist de Vlaamse regering over de verlenging met 60 dagen van de termijn van 60 dagen waarbinnen de Minaraad zijn advies diende uit te brengen.
Bij gebrek aan een beslissing binnen een termijn van 15 dagen na ontvangst van het verzoek wordt de verlenging geacht te zijn toegekend.
§ 9. De Vlaamse regering stelt binnen 180 dagen na de begindatum van het openbaar onderzoek, of 240 dagen in geval van verlenging van de termijn vermeld in § 8, het plan definitief vast.
Het besluit houdende definitieve vaststelling van het plan wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt binnen 30 dagen na de definitieve vaststelling.
Het definitief vastgestelde plan treedt in werking 14 dagen na zijn bekendmaking.
De Vlaamse regering stuurt een afschrift van het definitief vastgestelde plan en van het vaststellingsbesluit naar de betrokken provincie(s) en elke gemeente, bedoeld in § 5, waar deze documenten kunnen worden ingekeken. (verv. decr. 19 juli 2002, art. 12, I: 10 september 2002)]
Art. 22. [... (opgeh. decr. 19 juli 2002, art. 13, I: 10 september 2002)]
Art. 23. [... (opgeh. decr. 19 juli 2002, art. 13, I: 10 september 2002)]
Art. 24. § 1. Een afbakeningsplan van GEN of GENO kan te allen tijde, binnen de bestemmingsgrenzen van artikel 20, worden herzien. De bepalingen betreffende het opmaken van een plan zijn eveneens van toepassing op de herziening ervan.
§ 2. Het in herziening gestelde plan blijft gelden tot het herziene plan definitief in werking treedt.
Art. 25. § 1. [De administratieve overheid neemt, binnen haar bevoegdheden, de nodige maatregelen om in GEN, bij voorrang ten opzichte van de andere functies in het gebied, en in GENO, rekening houdend met de overige functies in het gebied, de natuur en het natuurlijk milieu te behouden, te herstellen en te ontwikkelen.
Naast de
maatregelen vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 4 van dit hoofdstuk en hoofdstuk
VI en onverminderd hetgeen bepaald wordt in het eerste lid, hebben deze
maatregelen betrekking op:
1° het bevorderen van een natuurgerichte bosbouw en het instellen van
bosreservaten, in overeenstemming met de bepalingen van het Bosdecreet;
2° het behouden, herstellen en/of op natuurelementen met een hoge
natuurkwaliteit afstemmen van de waterhuishouding, ondermeer de waterkwaliteit,
de waterkwantiteit en de natuurlijke structuur van de waterlopen en hun
randzones, zonder dat dit disproportionele gevolgen heeft op de omliggende
gebieden;
3° het beschermen van de insijpelingsgebieden van het grondwater;
4° het behouden en herstellen van het microreliëf en de structuur van het
landschap;
5° het recreatieve medegebruik;
6° het agrarisch medegebruik;
7° het beheer van de natuurwaarden gedurende of na afloop van de economische of
andere activiteiten die in het gebied plaatsvinden, rekening houdend met
cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het gebied. (verv. decr. 19
juli 2002, art. 14, I: 10 september 2002)]
§ 2. [... (opgeh. decr. 19 juli 2002, art. 14, I: 10 september 2002)]
§ 3. In de GEN
[en de GENO (ing. decr. 19 juli 2002, art. 14, I: 10 september 2002)] gelden de
volgende voorschriften:
1° het gebruik van meststoffen wordt geregeld overeenkomstig het decreet van 23
januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging
door meststoffen;
2° behoudens individuele ontheffing, verleend door de administratie bevoegd voor
het natuurbehoud of algemene ontheffing, is het verboden:
1) bestrijdingsmiddelen te gebruiken. Dit verbod geldt niet voor de percelen van
de landbouwbedrijven waar in het kader van artikel 15, § 5, lid twee en vier,
van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu
tegen de verontreiniging door meststoffen, een ontheffing geldt; noch voor de
percelen van landbouwbedrijven die onder de bepalingen van artikel 14 of artikel
15, §§ 1 tot 4 en § 6 van bovengenoemd decreet vallen; noch voor gronden die
louter om de reden dat deze verworven zijn in de periode tussen de aangifte 95
en de inwerkingtreding van het mestdecreet niet onder de toepassing van
hogervermelde ontheffing vallen, behalve in bepaalde gevallen aangeduid door de
Vlaamse regering, waarbij de modaliteiten of middelen nader kunnen worden
gespecificeerd zonder nochtans tot een volledig verbod te kunnen overgaan;
2) behoudens in toepassing van een goedgekeurd beheersplan conform het
bosdecreet van 13 juni 1990, de vegetatie, met inbegrip van meerjarige
cultuurgewassen of van kleine landschapselementen te wijzigen;
3) het reliëf van de bodem te wijzigen;
4) werkzaamheden uit te voeren die rechtstreeks of onrechtstreeks het
grondwaterpeil verlagen, alsook maatregelen die de bestaande ont- en afwatering
versterken;
5) de structuur van de waterlopen te wijzigen.
De Vlaamse regering bepaalt na advies van de Raad, [de Vlaamse Hoge Bosraad (ing. decr. 18 mei 1999, art. 84, I: 2 augustus 1999)] en de MINA-Raad, de voorwaarden en de procedure, de termijn en de beroepsprocedure tot het verlenen van ontheffingen zoals bedoeld in § 3, 2° van dit artikel.
De Vlaamse regering kan onverminderd de toepassing van artikelen 18 en 19 voor de bestaande vergunde drinkwaterwinningen en de bijhorende vergunde capaciteit een algemene ontheffing verlenen op de verbodsbepaling inzake het uitvoeren van werkzaamheden die rechtstreeks of onrechtstreeks het grondwaterpeil verlagen.
Art. 26. [... (opgeh. decr. 19 juli 2002, art. 15, I: 10 september 2002)]
[Art 26bis. § 1. De overheid mag geen toestemming of vergunning verlenen voor een activiteit die onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken.
Als voor een activiteit een kennisgeving of melding aan de overheid vereist is, dient door de kennisgever worden aangetoond dat de activiteit geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken. Wanneer de kennisgever dit niet gedaan heeft, dient de betrokken overheid zelf te onderzoeken of de activiteit onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken. Wanneer dit het geval is, wordt dit door de overheid aan de kennisgever medegedeeld bij ter post aangetekende brief binnen de eventuele wachttermijn voor het uitvoeren van de activiteit voorzien in de wetgeving in het kader waarvan de kennisgeving of de melding gebeurt of bij gebreke daaraan binnen dertig dagen na de kennisgeving of melding. De kennisgever mag pas starten met de uitvoering van de betrokken activiteit wanneer voormelde termijn verstreken is zonder dat hij een voormeld bericht van de overheid heeft ontvangen.
De Vlaamse regering kan bepalen hoe moet aangetoond worden dat een activiteit geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken.
§ 2. De in § 1 bedoelde overheid vraagt in de gevallen bedoeld in § 1 advies aan de dienst bevoegd voor het natuurbehoud over de vraag of de betrokken activiteit onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken.
De Vlaamse regering kan de nadere regels vastleggen met betrekking tot de procedure die moet nageleefd worden voor het vragen van het advies.
§ 3. In afwijking van § 1 kan een activiteit die onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken, bij afwezigheid van een alternatief, toch worden toegelaten of uitgevoerd om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. In dat geval dienen alle schadebeperkende en compenserende maatregelen genomen te worden.
Degene die de aanvraag, de kennisgeving of de melding bedoeld in § 1 gedaan heeft en die respectievelijk een weigering of een bericht zoals bedoeld in § 1, tweede lid van de betrokken overheid heeft ontvangen, richt tot deze overheid een verzoek tot het toepassen van de in deze paragraaf bedoelde afwijkingsmogelijkheid.
De Vlaamse regering bepaalt de procedure voor deze aanvragen en voor het behandelen ervan.
De Vlaamse regering oordeelt over het bestaan van dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. (ing. decr. 19 juli 2002, art. 16, I: 10 september 2002)]
AFDELING 2
HET INTEGRAAL VERWEVINGS- EN ONDERSTEUNEND NETWERK
Art. 27. [§ 1. (ing. decr.
19 juli 2002, art.
17)] Het IVON is een geheel van gebieden waarin de administratieve overheid,
[binnen haar bevoegdheden, (ing. decr. 19 juli 2002, art. 17, I: 10 september
2002)] zorg draagt voor het behoud van de aanwezige natuurwaarden, maatregelen
neemt ter bevordering en versterking van die natuurwaarden, alsook stimulerende
maatregelen neemt ter bevordering van de biologische diversiteit.
Deze maatregelen mogen de landbouw- en bosbouwexploitatie binnen het daartoe bestemd gebied niet regelen, tenzij via het instrument van de beheersovereenkomsten conform artikelen 45 en 46.
[§ 2. (ing.
decr. 19 juli 2002, art. 17)] Het IVON omvat de volgende onderdelen:
1° natuurverwevingsgebieden: dit zijn aaneengesloten gebieden waarin
verschillende functies voorkomen en die gekenmerkt zijn door de aanwezigheid van
hoge natuurwaarden, waarvan de duurzaamheid kan worden bereikt door het
realiseren van het standstill-beginsel, het instandhouden en herstellen van de
structuurkenmerken van de waterlopen, het instandhouden en herstellen van de
waterhuishouding, het reliëf en de bodem en het bevorderen van het onderhoud en
de ontwikkeling van de natuurwaarden.
Als natuurverwevingsgebied kunnen worden aangeduid alle in [artikel 20 (verv.
decr. 19 juli 2002, art. 17, I: 10 september 2002)] aangeduide gebieden alsook
de landschappelijk waardevolle agrarische gebieden en recreatiegebieden met
toepassing van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op
22 oktober 1996.
De Vlaamse regering bakent binnen 5 jaar na de inwerkingtreding van dit decreet
een effectief te realiseren oppervlakte van 150.000 ha natuurverwevingsgebieden
af en draagt zorg voor de totstandkoming van de natuurrichtplannen binnen een
periode van 10 jaar na de inwerkingtreding van dit decreet;
2° natuurverbindingsgebieden: dit zijn gebieden die ongeacht hun oppervlakte van
belang zijn voor de migratie van planten en dieren tussen de gebieden van het
VEN en/of natuurreservaten en die strook- of lijnvormig zijn met een
aaneenschakeling van kleine landschapselementen.
[§ 3. Elk natuurverwevingsgebied dat de Vlaamse regering in overdruk afbakent overeenkomstig de wetgeving betreffende de ruimtelijke ordening in een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, wordt van rechtswege beschouwd als natuurverwevingsgebied in de zin van dit decreet.
Elk natuurverbindingsgebied of met dit gebied vergelijkbaar gebied dat de Bestendige Deputatie afbakent overeenkomstig de wetgeving betreffende de ruimtelijke ordening in een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, wordt van rechtswege beschouwd als natuurverbindingsgebied in de zin van dit decreet.
Een volgens artikel 30 vastgesteld afbakeningsplan wordt van rechtswege opgeheven voor een onderdeel waarvoor later een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan in werking treedt dat aan dit onderdeel een bestemming geeft waardoor dit laatste niet meer krachtens artikel 27, § 2 van dit decreet zou kunnen worden aangeduid als onderdeel van het natuurverwevingsgebied. Het aldus opgeheven onderdeel van het afbakeningsplan herneemt zijn rechtskracht indien en in de mate het bedoelde ruimtelijk uitvoeringsplan door de Raad van State wordt geschorst of vernietigd. (ing. decr. 19 juli 2002, art. 17, I: 10 september 2002)]
Art. 28.
§ 1. In de natuurverwevingsgebieden is de administratieve overheid ertoe
gehouden, [binnen haar bevoegdheden, (ing. decr. 19 juli 2002, art. 18, I: 10
september 2002)] de nodige maatregelen te nemen om, zonder dat dit
disproportionele gevolgen heeft voor de overige functies in het gebied, de
bestaande natuur te beschermen en te ontwikkelen, onder meer door bij de
uitvoering van het beleid van de overheid zorg te dragen voor:
1° het behoud van de kwaliteit van de habitats en de kwantiteit van de
natuurwaarden;
2° het behoud van een voor de natuurwaarden gunstige waterhuishouding en het
tegengaan van risico van verdroging en van aantasting van reliëf en bodem;
3° binnen de groen-, park-, buffer- en bosgebieden van de uitvoeringsplannen van
kracht in de ruimtelijke ordening, het behoud van een voor de natuurwaarden
gunstige waterhuishouding, het tegengaan van risico van verdroging en van
aantasting van reliëf en bodem evenals het herstel hiervan;
4° het behoud of het herstel van voor de natuur gunstige structuurkenmerken van
de waterlopen.
§ 2. [Behoudens
in de groengebieden en bosgebieden en de met een van deze gebieden vergelijkbare
bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke
uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, kunnen naast de
maatregelen vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 4 van dit hoofdstuk en hoofdstuk
VI, ten aanzien van de eigenaars en grondgebruikers slechts stimulerende
maatregelen worden genomen en dit ter bevordering van:
1° een natuurgerichte bosbouw en ecologisch verantwoorde bebossing, in
overeenstemming met de bepalingen van het Bosdecreet;
2° de bescherming en het beheer van de vegetatie van kleine landschapselementen,
de fauna en de flora;
3° het behoud van een voor de natuur gunstige waterhuishouding, en het tegengaan
van risico van verdroging, en van aantasting van reliëf en bodem zonder dat dit
disproportionele gevolgen heeft voor de overige functies;
4° binnen de groen-, park-, buffer- en bosgebieden en de met een van deze
gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg
of ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, het
behoud van een voor de natuur gunstige waterhuishouding en het tegengaan van
risico van verdroging, en van aantasting van reliëf en bodem en het herstel
hiervan zonder dat dit disproportionele gevolgen heeft voor de omliggende
gebieden;
5° het behoud of het herstel van voor de natuur gunstige structuurkenmerken van
de waterlopen;
6° de totstandkoming van een verenigbaar recreatief medegebruik.
(verv. decr. 19 juli 2002,
art. 18, I: 10 september 2002)]
Art. 29.
§ 1. [Behoudens in de groengebieden en bosgebieden en de met een van deze
gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg
of ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, kunnen
(verv. Decr. 19 juli 2002, art. 19, I: 10 september 2002)] [in de
natuurverbindingsgebieden (ing. Decr. 22 april 2005, art. 14, I: 1 januari
2005)] [naast de maatregelen vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 4 van dit
hoofdstuk en hoofdstuk VI, ten aanzien van eigenaars en grondgebruikers slechts
stimulerende maatregelen worden genomen en dit gericht op:
1° inrichting met het oog op het instandhouden of verbeteren van de
verbindingsfunctie;
2° onderhoud, ontwikkeling en beheer van de kleine landschapselementen en
overige verbindingselementen met inbegrip van waterlopen;
3° de instandhouding en de ontwikkeling van de bestaande natuurelementen.
(verv. decr. 19 juli 2002,
art. 19, I: 10 september 2002)]
§ 2. Voor het beheer en de ontwikkeling van kleine landschapselementen kunnen in relatie tot het natuurrichtplan [... (geschr. decr. 19 juli 2002, art. 19, I: 10 september 2002)] premies worden verleend door het Gewest, de betrokken provincie(s) en de betrokken gemeente(n), in de volgende procentuele verhouding: 25 percent door het Gewest, 7,5 percent door de provincie en 7,5 percent door de gemeente. Als de aanvrager een erkende terreinbeherende natuurvereniging of een erkende beheerscommissie is, worden de bedragen verdubbeld.
De Vlaamse regering bepaalt de erkenningsvoorwaarden en -procedure van de beheerscommissies alsook de procedure inzake de toekenning van de premies.
Art. 30. [Voor de afbakening van een gebied als natuurverwevingsgebied, stelt de Vlaamse regering een ontwerp van afbakeningsplan op, al dan niet in samenwerking met natuurlijke dan wel publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen. De afbakening geschiedt overeenkomstig de bepalingen van artikel 21, §§ 2 tot 9, met dien verstande dat het in § 4 vermelde artikel 25 hier moet begrepen worden als artikel 28. (verv. decr. 19 juli 2002, art. 20, I: 10 september 2002)]
Art. 31. § 1. Een afbakeningsplan van een deel van IVON kan te allen tijde binnen de bestemmingsgrenzen van artikel 27 worden herzien. De bepalingen betreffende het opmaken van een plan zijn eveneens van toepassing op de herziening ervan.
§ 2. Het in herziening gestelde plan blijft gelden tot het herziene plan definitief in werking treedt.
AFDELING 3
NATUURRESERVATEN
Art. 32. De Vlaamse regering kan terreinen die van belang zijn voor het
behoud en ontwikkeling van de natuur of voor het behoud en de ontwikkeling van
het natuurlijk milieu, aanwijzen of erkennen als natuurreservaat.
In deze natuurreservaten wordt, via een aangepast beheer, een natuurstreefbeeld behouden of ontwikkeld.
Art. 33. Een Vlaams natuurreservaat is een beschermd gebied dat, na advies van de Raad, door de Vlaamse regering wordt aangewezen op gronden die het Vlaamse Gewest in eigendom of in huur heeft of die het daartoe ter beschikking worden gesteld.
Een erkend natuurreservaat is een beschermd gebied, niet bedoeld onder het eerste lid, dat na advies van de Raad door de Vlaamse regering wordt erkend op verzoek van de eigenaar en/of diegene die het gebruiksrecht heeft, mits beider toestemming, of van de beheerder, mits de eigenaar ermee instemt.
Voor elk natuurreservaat, kan binnen de groengebieden en bosgebieden [en bosuitbreidingsgebieden (ing. decr. 18 mei 1999, art. 24, I: 10 oktober 1999)] of het VEN, een uitbreidingszone vastgesteld worden waarbinnen het recht van voorkoop van toepassing is conform artikel 37.
Art. 34. § 1. Voor elk natuurreservaat ingesteld krachtens dit decreet wordt een beheersplan opgesteld. Het beheersplan vermeldt de maatregelen die worden getroffen voor het beheer en de inrichting van het gebied, waarbij voor redenen van natuurbehoud en natuureducatie kan worden afgeweken van de voorschriften van dit decreet, inzonderheid van artikel 35.
In het beheersplan worden eveneens bepalingen inzake het recreatieve en educatieve medegebruik opgenomen voor zover dit medegebruik inpasbaar is in de doelstelling van het natuurreservaat.
[Indien het natuurreservaat geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen een speciale beschermingszone moeten in het beheersplan de maatregelen bedoeld in artikel 36ter, §§ 1 en 2 opgenomen worden. (ing. decr. 19 juli 2002, art. 21, I: 10 september 2002)]
§ 2. Voor elk Vlaams natuurreservaat wijst de Vlaamse regering de ambtenaar van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud aan die met het beheer ervan belast is. Deze ambtenaar stelt het beheersplan op, dat aan de regering ter goedkeuring wordt voorgelegd.
§ 3. Voor elk Vlaams natuurreservaat of voor een groep van Vlaamse natuurreservaten, stelt de Vlaamse regering een adviescommissie in, die wordt voorgezeten door een lid van de Raad en waarin elke betrokken gemeente vertegenwoordigd is.