| De relatie van de keizers Claudius, Nero en Trajanus met de Italische steden. Een onderzoek van epigrafisch en historiografisch materiaal. (Geertrui Meire) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
3. Administratieve interventie van de keizer
In dit hoofdstuk staan de verschillende maatregelen van de principes op administratief vlak centraal (paragraaf 3.3.). Commentaar aangaande de epigrafische of literaire bronnen zal bij elke maatregel apart worden gegeven. Waar mogelijk, of eerder waar zinvol, wordt een korte geografische analyse gemaakt. Teneinde enig inzicht te verwerven omtrent de bijzondere aard van het Italisch Schiereiland, is het nuttig om hiervan een korte schets te geven (3.2.). Gezien deze opmerkelijke status zich vooral op het vlak van bestuur en administratie manifesteert, is het voor dit hoofdstuk relevant.
3.2. De bijzondere status van Italië [26]
De Romeinse keizer was overal aanwezig. Iedereen droeg hem bij zich in de vorm van munten waarop hij afgebeeld stond én hij bezat een standbeeld op het forum van elke Italische stad. De plaats waar de stadsraad vergaderde zou eveneens voorzien zijn geweest van een beeld van de heersende princeps. Waarschijnlijk hadden de decuriones hierdoor het gevoel dat de keizer in zekere zin “fysiek aanwezig” was. We vinden in ieder geval verscheidene tekenen terug die wijzen op een algemene aanwezigheid van de princeps: de talrijke bouwwerken voorzien van formules en namen van de keizer worden vaak gezien als directe uitdrukking van concrete, actieve keizerlijke werkzaamheid in de Italische steden.[27] Maar hoe verhield de keizer zich op administratief vlak tot de steden?
Het Schiereiland werd gevormd door een conglomeraat van enkele honderden grote en kleine civitates. Op een aantal vlakken onderscheidde dit deel van het Imperium Romanum zich van Rome en vooral van de provincies.[28]
- Een eerste kenmerk waarmee Italië zich onderscheidde was het ius Italicum. Het is niet relevant om op de details van de discussie omtrent de exacte betekenis van dit recht in te gaan en het volstaat om te concluderen dat het ius Italicum fiscale voordelen met zich meebracht (geen grondbelasting) alsook de superieure sociale status van Italisch grondgebied vastlegde.[29] Dio Cassius maakt de opmerking dat geen enkele stad of particulier vrijgesteld zou mogen worden van (directe) belastingen, waarmee hij impliceert dat ook Italië belast zou moeten worden (Dio, ‘Rwmaikh ‘istoria LII 28.6: “... For it is just and proper that no individual or district be exempt from these taxes ...”, vertaling uit de Loeb). De auteur lijkt hiermee de bevoorrechte positie van Italië, althans in dit opzicht, niet te waarderen. Misschien had het feit dat hij een Griek was daar iets mee te maken.
- Het Italisch Schiereiland was niet tribuutplichtig zoals de overwonnen stamverbanden in de provincies.[30]
- Italië hoefde, in tegenstelling tot de provincies, geen hulptroepen te leveren (Tac., Historiae II 12.3). Traditioneel waren de inwoners van Italië degenen die de legioenen bemanden. Naarmate het Principaat vorderde, meldden echter steeds minder Italiërs zich aan als legioensrekruut vanwege de slechte betaling en de zware diensttijd.[31] De weinige soldaten die zich op Italisch grondgebied bevonden, deden dienst in de “stadseenheden” van Rome. Slechts uit Ostia en Puteoli zijn nog andere cohortes bekend. Daarnaast lagen er Romeinse vloten te Misenum en Ravenna.[32] M. Tarpin beschouwt de Italische steden niettemin verre van weerloos. De geschiedenis heeft uitgewezen dat er steden zijn geweest die zeer goed in staat waren zichzelf te verdedigen en het is meer dan waarschijnlijk dat de meeste stedelijke nederzettingen net als Rome reguliere eenheden als stadswacht bezaten.[33]
- Een voor ons onderzoek belangrijk onderscheid lag in het feit dat Italië geen centraal bestuur had. Alle lokale civitates waren grotendeels autonoom.[34] Er bestond geen “Italische gouverneur” zoals in iedere provincie, die een coördinerende functie vervulde tussen de stad, of in het geval van de westerse provincies de tribale territoria, en Rome (de keizer en de senaat). Hoewel het aanvaarden van de Romeinse wetgeving voor gans het Schiereiland niet betwistbaar was net zo min als het gezag van zowel keizer als senaat, bleven de steden tot in de derde eeuw n. Chr. inzake hun bestuur op zichzelf aangewezen, uitgezonderd de gebieden in de onmiddellijke omgeving van Rome.[35] Deze observatie berust niet op expliciete bronnen -er bestond, voor zover bekend, geen wet die deze vrijheid garandeerde-, maar is gebaseerd op geaccumuleerde (indirecte) aanwijzingen. Hoe elk van de Italische steden zich verhield tot Rome is moeilijk te zeggen. Dit gedecentraliseerde bestuursapparaat beperkte zodoende het aantal rijksambtenaren in Italië tot een minimum.[36] Ook op dit punt levert Dio kritiek. Hij is van oordeel dat ook in Italië, vanaf de honderdste mijlpaal verwijderd van Rome, gouverneurs zouden moeten aangesteld worden (Dio, ‘Rwmaikh ‘istoria LII 22.1 en 22.6, 29 v. Chr.).[37] De Griekse geschiedschrijver uit hiermee klaarblijkelijk andermaal zijn onbegrip over de voorkeursbehandeling van het Schiereiland. Het gebrek aan een coherent administratief apparaat in Italië wordt door hem als abnormaal beschouwd. De weinige keizerlijke ambtsdragers waren in directe opdracht van de princeps werkzaam en men kan zich de vraag stellen welke invloed zijzelf, en door hen onrechtstreeks de keizer, uitoefenden op het stedelijk Italisch leven. Uit een keizerlijk edict van Claudius blijkt trouwens zeer duidelijk de visie van deze keizer hieromtrent: de keizerlijke afgevaardigde stond in dienst van de keizer en had derhalve niet het recht zelf initiatieven te nemen (CIL V 5050 = C20 r. 7-13).
In theorie viel het Schiereiland tijdens het Principaat nog steeds onder het gezag van de senaat en de consuls (o.a. Tac., Annales XIII 4.2). Zij bezaten het imperium over Italië.[38] Steden konden ook een beroep doen op de keizer, maar administratieve beslissingen met betrekking tot de steden behoorden niet tot het takenpakket van de Romeinse keizer. Hoewel de principes over de officieuze macht (auctoritas[39]) beschikten om zich te mengen in Italische aangelegenheden, lijkt het erop dat ze meestal verkozen via consules en senatoren te werken. Dit blijkt o.a. uit een passage uit Tacitus’ Annalen, waar Nero de uitspraak over een uit de hand gelopen conflict tussen de inwoners van Nuceria en Pompeii uitdrukkelijk aan de senaat overlaat (Tac., Annales XIV 17). Ook het geschil tussen het volk en de stadsraad van Puteoli in 58 n. Chr. werd opgelost door ingrijpen van de Romeinse senaat (Tac., Annales XIII 48). Zoals we in dit hoofdstuk zullen zien, deinsden de keizers echter niet altijd terug voor rechtstreekse interventie in de bestuurlijke aangelegenheden van de Italische steden.
Tijdens de eerste eeuw van het Principaat werd het zelfbestuur van de steden nauwelijks verder aangetast. Italië werd steeds met omzichtigheid behandeld. Vele gemeenten bleken na verloop van tijd toch niet opgewassen tegen de onafhankelijkheid met al haar voor- en nadelen en vanaf de tweede eeuw n. Chr. zorgden ontvolking en economische wantoestanden voor een toename van keizerlijke supervisie over het municipale leven. In dit hoofdstuk zullen we hiervan verscheidene voorbeelden zien, zoals het aanstellen van curatores rei publicae en de alimenta, beiden voornamelijk daterend om en nabij de regering van Trajanus.
Op politiek en administratief gebied kan de geschiedenis van Italië m.a.w. gezien worden als een trage en geleidelijke evolutie naar centralisatie, welke een toename van Romeinse controle betekende. Tegen het einde van de tweede eeuw n. Chr. was lokale autonomie zo goed als uitgehold.[40]
Het verlies van zelfbestuur kwam neer op een gelijkschakeling van Italië met de Romeinse provinciae.[41] Aan het einde van de Republiek, met de inlijving van Gallia Transpadana, had Italië haar grootste omvang bereikt. Augustus gaf met de indeling van het Schiereiland in elf regiones in feite de eenheid van Italië gestalte (Dio, ‘Rwmaikh ‘istoria LVI 28.6). Tegelijkertijd echter startte hiermee het proces van de gelijkschakeling van het Schiereiland met de rest van het Romeinse Rijk, een evolutie die pas tegen het einde van de derde eeuw was voltooid. Dit proces schreed in de loop van het Principaat geleidelijk aan voort. We kunnen dus stellen dat de bijzondere status van Italië tijdens de in deze studie besproken periode steeds minder uitgesproken is geworden.
3.3. De verschillende vormen van administratieve inmenging
3.3.1. TOEWIJZING VAN VETERANEN EN/OF TOEKENNING VAN DE KOLONIALE STATUS
a. Inleiding
Sedert de late Republiek werd aan legioensoldaten, wanneer hun diensttijd vervuld was, een stuk land toegewezen in Italië of in de provincies. Men sprak van militares. Deze handelwijze had verschillende beweegredenen. Vooreerst wilde de keizer de ex-soldaten van een stuk grond voorzien en hen in het “civiele” -i.t.t. militaire- leven integreren. Daarnaast besefte de princeps dat deze coloniae in de -nieuw verworven- provincies de Romeinse cultuur verspreidden en de keizercultus promootten.[42] Ten derde konden de veteranen in de provincies indien nodig het Romeinse leger bijstaan; vandaar dat ze ook vaak in grensgebieden geplaatst werden. Sommige kolonies werden daarbij nog uit strategische en economische overwegingen gesticht. In Italië vormde het een vaak gehanteerd middel om het bevolkingsaantal op te schroeven.
Het statuut van colonia werd tijdens het Principaat steeds begerenswaardiger. Ze werd beschouwd als een miniatuur van Rome zelf. Zo kwam het dat de keizer aan bepaalde municipia het statuut van colonia ging toekennen zonder dat er zich in de stad een groep veteranen vestigde. De naam van de stad werd dan gerelateerd aan die van de keizer, maar er waren verder geen privileges aan verbonden. Men spreekt in dit geval van titulaire kolonies. De beslissing lag bij de keizer maar vormde wellicht een antwoord op het verzoek van de stad zelf of haar patronus.[43] Het spreekt voor zich dat het ontvangen van zo’n titel de status en het prestige van de stad verhoogde.
We weten dat in de loop van de eerste eeuw n. Chr. het aantal Italiërs in de legioenen gestadig afnam. Men heeft berekend dat er elk jaar slechts enkele honderden soldaten ontslag kregen en dus kandidaat waren voor mogelijke kolonisatie.[44]
De ex-soldaten toonden zich meestal niet enthousiast om ergens in Italië te worden gevestigd; de meesten moeten er onwillig tegenover gestaan hebben. De zuidelijke helft van Italië -waar de meeste kolonies blijken te liggen- was geen aantrekkelijke plaats om te vertoeven. De veteranen verkozen geld te ontvangen bij hun afzwaaien en te blijven in de provincie waar ze jaren geleefd hadden. Dit blijkt o.a. uit een passage in de Annales: “Veterani Tarentum et Antium adscripti non tamen infrequentiae locorum subvenere, dilapsis pluribus in provincias in quibus stipendia expleverant” (Tac., Annales XIV 27.3). De veteranen waren dus klaarblijkelijk niet verplicht om in de hen toegewezen kolonie te blijven. Ze konden hun landgoed verkopen en alsnog vertrekken naar hun patria of het gebied waar ze hun diensttijd hadden vervuld.[45]
Keizer Augustus voerde in Italië zowel als in de provinciae aanvankelijk een diepgaande kolonisatiepolitiek, maar na 14 v. Chr. wijzen de bronnen op het afbreken van het programma gedurende ongeveer een halve eeuw. Vanaf 13 v. Chr. kregen legioensoldaten bij hun ontslag niet langer een stuk land, maar een geldsom. Toch heeft Augustus nog enkele provinciale kolonies gesticht. Het is begrijpelijk dat de keizer land verkoos boven een geldelijke schenking. Niet alleen bracht dit voor hem zogoed als geen kosten met zich mee, maar bovendien betekende het vestigen van veteranen in grensgebieden -een kwetsbare zone- een versterking van het Rijk (supra). De onwil van de kant van de veteranen schrok Tiberius en Caligula af en uit hun regeringsperioden tezamen, toch een betrekkelijk lange tijd, zijn geen kolonies bekend.[46]
b. Bronnen
Voor dit onderwerp kunnen we op epigrafisch én historiografisch materiaal steunen. Meer dan verwacht leren de antieke historici, in de eerste plaats Tacitus, ons over de keizers’ plaatsing van Italische kolonies. Inscripties noemen soms de nieuwe naam van de colonia en af en toe geven zij aanknopingspunten voor een datering. We kunnen stellen dat beide soorten bronnen elkaar aanvullen.
Daarnaast bezitten we het Liber Coloniarum, ook Liber Regionum genoemd.[47] De eerste uitgave dateert uit de eerste helft van de vierde eeuw n. Chr.. In de tweede helft van diezelfde eeuw heeft men bepaalde gegevens herwerkt, verduidelijkt en gehergroepeerd volgens de herziene grenzen; dit is het zogenaamde Liber Coloniarum II. Het werk volgt de indeling van Italië ten tijde van Diocletianus, niet die van Augustus. Het licht ons in over landindeling, grensgebieden en dergelijke en bestrijkt een tijdsspanne van ruim 300 jaar (Gracchen - 200 n. Chr.). Vele gegevens in het Liber blijken echter onbetrouwbaar of zijn op zijn minst niet geverifieerd.
c. Overzicht van de kolonies
CLAUDIUS
Onder Claudius werd de vestiging van veteranen in coloniae hervat. De kolonies werden echter bijna exclusief in de (keizerlijke) provinciae geplaatst.[48] De beperkte activiteit in Italië is moeilijk te interpreteren. Wellicht had Claudius net als zijn voorgangers ook nog te kampen met de onwillige opstelling van veteranen met betrekking tot vestiging in Italië.
Iulium Carnicum, de meest noordelijke stad in Venetia (regio X), werd gesticht door Caesar of Octavianus. Enkele opschriften bewijzen dat de stad nog voor de dood van Claudius kolonie werd (C14 en C15: “colonia Iulium Carnicum”); waarschijnlijk gebeurde dit onder Claudius zelf. Niettegenstaande het feit dat dit een vreemde keuze was voor de vestiging van een kolonie, past deze hypothese goed in het beeld van Claudius’ algemene interesse voor de Alpenregio’s.[49] Misschien wilde de keizer op deze manier de oostelijke toegang tot het Schiereiland controleren; de stad kan met andere woorden als “propugnacula imperii”, als verdedigingsbolwerk dienst hebben gedaan.[50]
Naast Iulium Carnicum worden in de literatuur nog enkele andere steden als mogelijke kolonies van Claudius naar voren geschoven. Het gaat meestal om wankele hypotheses waarvoor doorslaggevend bewijsmateriaal ontbreekt. Op kaart 3.1 (p 41) staan ze aangegeven met een vraagteken (de witte symbolen). We plaatsen de uiteenlopende meningen tegenover elkaar.
Teanum Sidicinum (regio I) is volgens Plinius door Augustus gesticht, doch verschijnt in latere inscripties als “col(onia) Cl(audia) Firma Teanum”, wat op een kolonisatie door keizer Claudius wijst (Plinius, N.H. III 63; C39 en C40). Sommige geleerden, o.a. J. Beloch, vulden de inscriptie aan met “Cl(assica)” en wezen op andere aanwijzingen die zouden betekenen dat Teanum reeds voor onze tijdsrekening een colonia was, meer bepaald sinds de slag bij Philippi. Dit laatste blijkt vrij waarschijnlijk, hoewel b.v. T. Mommsen aan een Claudische kolonisatie vasthield.[51] Volgens het Liber Coloniarum kregen ook Cumae (regio I, Lib.Col. 232.12) en Velitrae (regio I, Lib.Col. 238.2) veteranen op hun grondgebied, maar het statuut van deze steden werd niet veranderd. L. Keppie heeft hier echter zijn bedenkingen bij.[52]
Misschien kreeg de stad Verona (regio X) in het noorden van Italië reeds van Claudius de status van titulaire kolonie. De statusverandering zou samenhangen met een persoonlijk bezoek van de keizer aan de stad.[53] Dezelfde titel is mogelijk opnieuw uitgedeeld aan Aquileia (regio X).[54]
Twee veronderstellingen kunnen met vrij grote zekerheid afgewezen worden. E. Kornemann geeft Opitergium (regio X) aan als mogelijke kolonie gesticht door Claudius of eventueel Nero. De auteur baseert zich hiervoor op C12 en op het feit dat Plinius de stad niet onder de coloniae noemt. De aanduidingen voor deze uitspraak zijn vaag en L. Keppie aanvaardt de hypothese niet. Enige uitleg van L. Keppie over dit afwijzen zou hier welkom zijn.[55] We volgen niettemin zijn mening. Twee inscripties uit Misenum (regio I) spreken van colonia (C37 en C38). “Claudia” zou de nieuwe stamnaam van de stad geworden zijn. In de bronnen is echter niet te lezen dat deze keizer reeds de koloniale status aan de stad verleende of er veteranen vestigde. Haar grondgebied was reeds overbevolkt zonder kolonisten.[56]
Het ontbreken van doorslaggevende bewijzen omtrent verschillende Claudische kolonies maken het moeilijk te besluiten of deze keizer ook in Italië een gericht programma hanteerde. De idee van L. Keppie dat Claudius mogelijk de vestiging van veteranen op het drooggelegde grondgebied van het Lacus Fucinus in gedachte had, zou in die richting wijzen, maar dit blijft vooralsnog een hypothese.[57] T. Frank meent dat Claudius met de vestiging van veteranen de last van het aerarium militare wilde verlichten.[58] Hoe (weinig) diepgaand zijn politiek ook moge geweest zijn, het kan in elk geval worden gezegd dat hij de campagne terug opnam -Tiberius noch Caligula hadden op het gebied van kolonisatie immers iets gerealiseerd.
NERO
Keizer Nero nam nieuw initiatief aangaande de Italische kolonisatie.[59] In tegenstelling tot de Claudische kolonies zijn we in staat de vestiging van de veteranen te dateren en kunnen we hier een chronologisch verloop geven. De kolonies Capua en Nuceria (regio I) werden reeds in 57 n. Chr. met de vestiging van een nieuwe groep oudgedienden versterkt (Tac., Annales XIII 31.2: “Ceterum coloniae Capua atque Nuceria additis veteranis firmatae sunt, ...”; Tac., Annales XIV 17). Beide steden in Campania bezaten het statuut van colonia sedert 41 v. Chr., d.i. na de slag bij Philippi (42 v. Chr.).
In 60 n. Chr. verkreeg ook Puteoli (regio I), bij wijze van eer, de rechten van een Romeinse kolonie van Nero (Tac., Annales XIV 27.2: “At in Italia vetus oppidum Puteoli ius coloniae et cognomentum a Nerone apiscuntur”). Deze tekst doet lijken alsof de havenstad nu pas de koloniale status verkreeg. De stad was echter een oude colonia maritima (194 v. Chr.) en was reeds door Augustus met kolonisten versterkt (Plinius, N.H. III 61 en Lib.Col. 236 11: “Puteolis, colonia Augusta. Augustus deduxit”). Met het voorgaande in gedachten interpreteerde men Tacitus’ passage op twee manieren: ofwel refereerde de historiograaf naar een welbepaalde gemeenschap binnen de stad (“vetus oppidum”)[60] die nog municipium was, ofwel was de ganse stad op een gegeven moment “gedegradeerd” tot municipium en werd zij door toedoen van Nero opnieuw colonia. Nergens echter wijzen bronnen in de richting van een dergelijke loop. De eerste veronderstelling is vergezocht. Wellicht alludeert de historiograaf met vetus op het roemrijke verleden van de stad. L. Keppie neemt dan ook aan dat het hier om een vernieuwde benaming gaat, niet om de vestiging van oudgedienden. Inscripties lijken dit te bevestigen: de naam verandert van “Iulia Augusta” in “colonia Neronensi(s) Claudia Augusta Puteoli(s)” of “Claudia Neronis” (N20 en N10). Dit verklaart eveneens waarom Tacitus Puteoli niet samen met Tarentum en Antium vermeldt, die wel veteranen toegewezen kregen (infra).[61] De Realencyclopedie oppert dat Puteoli, voor de landtoewijzing onder Vespasianus (69 - 79 n. Chr.) té klein was om kolonisten op te vangen. Volgens deze bron is de idee dat Augustus veteranen naar de stad stuurde ongeloofwaardig, en moeten we aan Plinius’ “bewijs” geen geloof achten.[62] T. Wiedemann spreekt wel van een “statusverhoging” en relateert deze aan de interne politieke problemen die zich twee jaar tevoren in deze stad hadden afgespeeld (Tac., Annales XIII 48).[63] Een laatste gedachtengang is dat Puteoli tot colonia werd verheven ter compensatie voor het verlies van haar positie als voornaamste haven van Rome (ten voordele van Ostia).[64] De twee laatstgenoemde redeneringen impliceren een statusverhoging en gaan m.a.w. uit van de veronderstelling dat Puteoli nog geen colonia was.
Ook in Tarentum (regio II) en Antium (regio I) werden in 60 n. Chr. militaire veteranen geplaatst, ditmaal om het bevolkingstekort aan te vullen. Tacitus vertelt waarom dit geen oplossing bood: men had niet een volledig legioen in de kolonies gevestigd, maar verschillende soldaten uit verschillende legioenen en manipels, die elkaar niet kenden. Doordat er tussen hen geen enkele band bestond, weken velen uit naar de provincies waar ze hun militaire dienst hadden vervuld. Daarenboven waren de oudgedienden niet gewoon aan het huwelijksleven en het grootbrengen van kinderen, wat Tacitus doet stellen: “neque coniugiis suscipiendis neque alendis liberis sueti orbas sine posteris domos relinquebant” (Tac., Annales XIV 27.3). Uit het volgende blijkt manifest zijn gevoel over de zaak: “... quasi ex alio genere mortalium repente in unum collecti, numerus magis quam colonia” (Tac., Annales XIV 27.4). De kritiek van de historiograaf doet echter onrecht aan de politiek van Nero. Doordat legioenen in de Keizertijd niet meer in hun geheel werden ontbonden, was het niet langer mogelijk de legionairs gezamenlijk in een stad te plaatsen en ook al was dit gebeurd, dan nog is het volgens L. Keppie te betwijfelen of de kolonisatie meer zou hebben opgebracht.[65] Tacitus loopt hier waarschijnlijk achter de feiten aan en had vermoedelijk nog de Augusteïsche veteranenvestigingen voor ogen.[66]
Tarentum bezat reeds ten tijde van de Gracchen, in 122 v. Chr. het statuut van colonia, maar na de Italische burgeroorlog (89 v. Chr.) werd het opnieuw een municipium. Op basis van een aantal grafschriften van veteranen vermoedt men dat Nero een nieuwe groep veteranen naar de stad zond, maar een Flavische inscriptie met de woorden “patronus municipi” toont aan dat deze lichting, zo die er was, niet met een statusverandering gepaard ging. Tarentum bleef een municipium.
Antium, gelegen aan de kust van Latium, was een andere colonia maritima (338 v. Chr.). Het was de geboortestad van de keizer en we weten dat ze tot Nero’s favoriete verblijfplaatsen behoorde. Zowel Tacitus (supra) als Suetonius vermeldden de vestiging van veteranen (Suet., Nero 9: “Antium coloniam deduxit ascriptis veteranis ex praetorio additisque per domicili translationem ditissimis primipilarium”). Volgens Suetonius zouden het dus leden van de praetoriaanse wacht en rijke officieren geweest zijn, die hun oude villa’s moesten opgeven. De inwoners van Antium moeten hen graag zien komen hebben. Deze vestiging betekende ook dat de keizer dicht bij Rome over een groep hooggeplaatste officieren beschikte.[67] Nero hoopte vermoedelijk dat deze kolonisatie samen met de havenbouw (infra) en het feit dat hijzelf van tijd tot tijd persoonlijk in de stad verbleef, aanleiding zouden geven tot een heropbloei van Antium.[68]
Een teruggevonden graffito in Pompeii geeft nog twee andere kolonies aan: “Iudici(i)s Aug(usti) felic. Puteolos Antium Tegeano Pompeios, hae sunt verae / colonia[e]” (N11). Over veteranen in Pompeii of Tegeanum spreekt Tacitus niet.
Pompeii (regio I) bezat het statuut van colonia reeds sedert Sulla. We weten dat Nero -en Poppaea- in de stad een enorme populariteit genoten, maar niets wijst op de vestiging van veteranen.[69] De Realencyclopedie geeft nochtans 62 of 63 n. Chr. als tijdstip van de plaatsing op en B.W. Henderson denkt dat de ex-soldaten de door een aardbeving getroffen stad (62 n. Chr.) moesten helpen bij het terugwinnen van haar vroegere bloei.[70] Enkele graffiti geven hints over mogelijke weldaden van Nero aan de stad, maar het is geenszins zeker dat de vestiging van veteranen daar een van was.
Het Tegeanum uit de graffito, dat over het algemeen wordt geïdentificeerd met Tegianum (regio III), werd in dit rijtje als uitzondering beschouwd, omdat zij niet paste bij de drie steden uit regio I. Volgens B.W. Henderson is Tegeanum een klein stadje in Campania en lag het 7,5 km. verwijderd van Nola en 13,5 van Nuceria, maar overtuigende bewijzen ontbreken.[71]
Deze titulus wordt het best geïnterpreteerd in het licht van de onderlinge stedelijke rivaliteit in Campania. De tekst is als het ware een steek onder water, gericht aan steden als Nuceria en Capua, die niet in het rijtje voorkomen en dus geen veteranen verkregen hadden.[72] Op grond van deze discussie kan ik onmogelijk beslissen of de in de graffito genoemde steden onderdeel waren van de kolonisatiepolitiek van Nero of niet.
Tenslotte wordt ook Luceria (regio II) verondersteld veteranen te hebben ontvangen door toedoen van de keizer, al weten we niet wanneer dit gebeurde. Mogelijk kennen we dankzij een inscriptie een van de oudgedienden.[73]
Het Liber Coloniarum zet ons op een volledig ander spoor. Onder Nero’s kolonies noemt zij Aesernia (regio IV), Atina (regio III, Lib.Col. 230.4), Beneventum (regio II, Lib.Col. 231.6), Castrimoenium (Latium, Lib.Col. 233.5) en Saepinum (regio IV, Lib.Col. 237.15). Inscripties bevestigen deze stelling niet. Teneinde deze discrepantie te verklaren, heeft men geopperd dat de titulatuur waarmee Nero in het Liber wordt genoemd vermoedelijk correspondeert met Tiberius, die voor zijn adoptie door Augustus in 4 n. Chr. Tiberius Claudius Nero heette.[74] Niet iedereen onderschrijft deze hypothese.[75] Het Liber maakt echter geen melding van Capua, Nuceria, Puteoli, Antium, Pompeii, Tegianum/Tegeanum of Tarentum.
Nero kan op het vlak van veteranenpolitiek zeer actief worden genoemd.[76] Hij had bij zijn kolonisatie in Italië in de eerste plaats economische doeleinden voor ogen.[77] De veteranen werden als het ware gebruikt of ingepast in het schema van de keizer om de kwijnende, voornamelijk Zuiditalische, steden te regenereren. Meer dan een eeuw geleden beweerde H. Schiller echter dat de kolonisatie van Nero in Italië het behoud van de Latijnse identiteit nastreefde.[78] Hoewel we niet meteen op de hoogte zijn van de precieze resultaten van Nero’s politiek op dit vlak, lijkt hij een waardevolle poging te hebben ondernomen om het wegkwijnen van een aantal Italische steden tegen te gaan.
Het is opvallend dat Nero geen enkele nieuwe kolonie stichtte; hij bleek voor de plaatsing van de oudgedienden reeds bestaande kolonies te prefereren of, zoals L. Keppie het in meer politieke termen stelt: “It might seem that the desire to link to their own regimes the colonies of an earlier age, by the physical despatch of veterans or the award of a distinctive title, was an important factor ...”.[79] In de weinige gevallen dat de stad die veteranen op haar grondgebied kreeg nog geen colonia was, ging de veteranenvestiging niet met een statuswijziging gepaard. Een voorbeeld hiervan is Tarentum.
TRAJANUS
Na Nero hanteerde alleen nog de Flavische keizer Vespasianus een gelijkaardige intensieve kolonisatiepolitiek, nadien kennen deze twee keizers geen vergelijk meer. Toch stopte de kolonisatie niet vóór Hadrianus, zeker niet in de Romeinse provinciae. Het schenken van de titel van colonia zonder de vestiging van veteranen, zodat de betreffende stad “titulaire kolonie” werd, kwam vanaf Nero meer en meer voor. Vanaf Hadrianus was zij de gebruikelijke manier van kolonisatie geworden. “Echte” kolonisatie kwam nog nauwelijks voor.[80]
Volgens een passage uit de Scriptores Historiae Augustae poogde Trajanus kolonisten te ontmoedigen Italië te verlaten ten voordele van de provinciae (S.H.A., Marcus Aurelius XI 7).[81] A. Garzetti zegt dat er geen attestaties zijn van kolonies die gesticht werden door Trajanus in Italië, buiten de twijfelachtige referenties in het Liber Coloniarum.[82] Daar wordt Trajanus driemaal vermeld, i.v.m. Veii (regio VII, Lib.Col. 223.3), Lavinium (Latium, Lib.Col. 234.21) en Ostia (Latium, Lib.Col. 236.7). Deze mogelijke coloniae, zo blijkt, situeren zich één voor één in de omgeving van Rome en waren volgens de mening van F. Grelle uitsluitend demografische maatregelen.[83] Mijns inziens betreft het slechts in het geval van Veii de vestiging van veteranen: “...; postea variis locis deficientibus veteranis iussu imp. Caesaris Traiani agri terminis lapideis sunt adsignati”. Indien we er van uitgaan dat deficientibus hoort bij variis locis, dan had Trajanus klaarblijkelijk een gelijkaardige doelstelling voor ogen als Nero had bij Antium en Tarentum. Wat betreft Lavinium en Ostia, zie infra (3.3.2).
Samengevat kunnen we stellen dat de politiek van Trajanus inzake de kolonisatie te onzeker is om er zinvolle besluiten uit te trekken.
d. Een geografisch overzicht (kaart 3.1[84])
Hoe bepaalden Claudius, Nero of Trajanus naar welke Italische steden zij afgezwaaide soldaten stuurden? Aan de hand van onze huidige kennis kunnen we een aantal mogelijke criteria onderscheiden. Zoals vooral uit de kolonies van Nero bleek, moeten de keizers nogal eens beïnvloed zijn geweest door de keuze van hun voorgangers; ze kozen dus vaak reeds bestaande coloniae. Bij Capua en Nuceria bemerken we een andere historisch bepaalde factor. Deze steden werden colonia toen men er na de slag bij Philippi (42 v. Chr.) een groep oudgedienden afzette. Een rekensom maakt duidelijk dat deze steden tijdens Nero’s regering hun 100ste verjaardag als colonia vierden.De kolonisatie van Puteoli kan in verband gebracht worden met Nero’s voorliefde voor de Campaanse kust in het algemeen en voor de havens in het bijzonder. Ook Tarentum en Antium waren beide Romeinse havens. Tarentum had te kampen met een bevolkingstekort en Antium bezat als geboortestad van Nero al vanzelfsprekend een bevoorrechte positie.
Maar naast deze subjectieve keuzen moet er nog een meer structurele overweging een rol hebben gespeeld. De keizers poogden met het kolonisatieprogramma het bevolkingsaantal in bepaalde delen van Italië weer op peil te krijgen. Vandaar dat de meeste kolonies in de zuidelijke helft van Centraal-Italië waren gesitueerd.[85] Tacitus’ tekst leidt ook tot een dergelijk besluit: bij Tarentum en Antium spreekt hij van “infrequentia locorum” (Tac., Annales XIV 27), bij Capua en Nuceria van “firmatae” (Tac., Annales XIII 31).
We zien dat bijna alle veteranenkolonies van Nero in regio I (Latium en Campania) gesitueerd zijn; Tarentum, dat in het zuidelijke Apulia ligt, is de enige uitzondering, die bovendien nog gehuld is in onzekerheid. Dit wijst reeds op het belang van regio I. Andere maatregelen die tot deze conclusie leiden, worden verderop besproken.
e. Conclusies
De kolonisatiepolitiek van de keizers volgde waarschijnlijk geen standaardprocedure. Niet in alle gevallen werd aan de stad waar men veteranen vestigde het statuut van colonia geschonken. Cumae en Velitrae, op wiens grondgebied keizer Claudius misschien veteranen plaatste, bleven desondanks municipia. Andere plaatsen bezaten op het moment van de aankomst van de oudgedienden reeds de koloniale status. Dit is het geval met verscheidene kolonies van Nero, bijvoorbeeld Capua en Nuceria. Tenslotte ging de creatie van een colonia niet noodzakelijk gepaard met de vestiging van veteranen. Een voorbeeld hiervan is Puteoli.
Het plaatsen van de veteranenkolonies door de keizer in Italië blijkt veelal samen te hangen met het bevolkingstekort in bepaalde regio’s en de daaruit voortvloeiende economische achteruitgang. Nero was van de hier besproken keizers weliswaar het actiefst, maar over de hele linie bekeken ging het om een relatief klein aantal veteranen.

Kaart 3.1: Steden die veteranen kregen toegewezen en/of de titel van colonia ontvingen ten tijde van Claudius, Nero en Trajanus.
7. Antium (I) ; 8. Capua (I) ; 10. Cumae (I) ; 14. Nuceria (I) ; 15. Pompeii (I) ; 16. Puteoli (I) ; 20. Teanum Sidicinum (I) ; 21. Tegeanum (I) ; 23. Velitrae (I) ; 31. Luceria (II) ; 33. Tarentum (II) ; 36. Tegianum (III) ; 66. Veii (VII) ; 74. Aquileia (X) ; 76. Iulium Carnicum (X) ; 78. Verona (X)
3.3.2. TOEWIJZING VAN GRONDGEBIED
Over dit aspect van administratieve inmenging is zeer weinig informatie voorhanden. Het Liber Coloniarum vormt de enige maar geenszins ideale bron, gezien ze op vele punten betwistbaar is.
Met betrekking tot Claudius en Nero refereren al de aanduidingen in het Liber aan veteranenkolonies. Zoals hierboven al is aangeduid blijken veel attestaties onbewezen of onjuist en heeft men moeite met de identificatie van “(Nero) Claudius (Caesar)”. Mogelijk gaat het hier om Tiberius.
In verband met keizer Trajanus duiden twee vergelijkbare passages mogelijk op landtoewijzing in Italië. “Laurum Lavinia lege et consecratione veteri manet. ager eius ab imppp. Vespansiano Traiano et Adriano in lacineis est adsignatus” (Lib.Col. 234 21-23) en “Ostensis ager ab imppp. Vespansiano Traiano et Hadriano, in precisuris, in lacineis, et per strigas, colonis orum est adsignatum. sed postea imppp. Verus Antoninus et Commodus aliqua privatis concesserunt” (Lib.Col. 236 7-9). Lavinium en Ostia liggen beiden in Latium, in de onmiddellijke nabijheid van Rome. M.T. Boatwright verwerpt bij gebrek aan aanvullend bewijsmateriaal de verwijzing in verband met de stad Lavinium, althans wat Hadrianus betreft.[86] Ook met betrekking tot keizer Trajanus is in deze stad geen verdere inmenging gekend.
Over Ostia valt iets meer te zeggen. Het Liber Coloniarum vermeldt dat Trajanus, zoals Vespanianus voor hem en Hadrianus na hem, de ager van Ostia in verschillende stukken indeelde. Latere keizers, Lucius Verus, Marcus Aurelius en Commodus schonken stukken land aan private burgers. De landtoewijzingen van de eerstgenoemde drie keizers zouden kunnen inhouden dat men keizerlijke coloni in de stad plaatste, hetzij op keizerlijk grondgebied in Ostia, hetzij op landgoed dat de stad zelf toebehoorde. De interpretatie van R. Meiggs gaat verder en houdt rekening met de economische staat van deze stad. Zijns inziens waren sedert de opkomst van de handel in de stad meer en meer boeren geneigd zich in de handelssector te engageren. Velen moeten m.a.w. het plattelandsleven vaarwel gezegd hebben. Het was misschien om het wegtrekken van boeren naar de stad een halt toe te roepen dat o.a. Trajanus keizerlijke pachters op het platteland plaatste.[87] Deze beslist interessante hypothese is nog niet bewezen. Mocht ze juist blijken, dan zijn deze landtoewijzingen te vergelijken met de populaire maatregelen die Nerva doorvoerde, waarbij hij Italisch landgoed opkocht en verdeelde onder behoeftigen.[88] Het feit dat de gronden zich dichtbij Rome bevonden, moet hen aantrekkelijk gemaakt hebben want het is aannemelijk dat ze aan de minder bedeelden van Rome geschonken werden. Die hoefden zich dus niet ver te verplaatsen naar hun nieuwe pachthoeven.[89]
3.3.3. AANNAME VAN MUNICIPALE AMBTEN DOOR DE KEIZER
a. Inleiding
Het kwam niet zelden voor dat gemeenten de keizer als plaatselijk magistraat voor hun stad verkozen.[90] Zoals te verwachten valt ging het om de hoogste municipale magistratuur, die van duumvir (quinquennalis). Dit had echter uitsluitend een eer bewijzende functie, aangezien de princeps het municipale ambt niet persoonlijk uitoefende.[91] Hij -of de ordo decurionum- stelde in dit geval een praefectus (imperatoris of principis) iure dicundo aan die de taken van de door de keizer aangenomen functie vervulde.[92] Het waren zodoende steeds vertrouwenspersonen van de keizer, gekozen uit de notabelen van de desbetreffende stad. De praefectura vormde niet, zoals wel eens is beweerd, het absolute hoogtepunt van een municipale loopbaan. Meestal werd het waargenomen tussen het duumviraat en het ambt van quinquennalis.[93] De bevoegdheid van de praefecti was dezelfde als wanneer ze persoonlijk waren verkozen, met het verschil dat er geen collega meer werd aangesteld (sine collega). De keizer verkoos slechts één praefectus iure dicundo om in zijn plaats het ambt waar te nemen.[94] Het is misschien mede daardoor dat men heeft geopperd dat de keizer via een dergelijke omweg invloed zou hebben willen uitoefenen op het lokale stadsbestuur. Sommigen zagen hierin zelfs de voorloper van de curator rei publicae (infra, 3.3.4), te meer omdat de keizerlijke praefecti nagenoeg verdwenen met de opkomst van de curatores.[95]
b. Bronnen
Aangezien historische bronnen zo goed als niets zeggen over de benoeming van praefecti imperatoris zijn onze bronnen louter epigrafisch.[96] We treffen het ambt meestal aan in de cursus honorum van persoonlijke ereïnscripties en in enkele gevallen ook in een bouwinscriptie of een keizerlijke ereïnscriptie. Uit de attestatie van een praefectus principis kunnen we afleiden dat de betreffende stad in eerste instantie de keizer voor een ambt had verkozen. Door het relatief geringe aantal attestaties van praefecti en de beperkte informatie verschaft in de inscripties, is onze kennis over de gang van zaken bij deze vorm van keizerlijke interventie niet optimaal.
c. Overzicht van de praefecti imperatoris
CLAUDIUS
De afwezigheid van getuigenissen over de waarneming van municipale ambten door keizer Claudius is frappant. Een reden waarom juist deze princeps niet door een stad als magistraat zou zijn verkozen, ligt niet voor de hand. We hebben geen weet van mogelijke weigeringen van dit eerbetoon. Overigens zou de keizer meestal gevolg gegeven hebben aan een dergelijke aanvraag.[97]
Het lag enigszins in de lijn der verwachtingen Claudius als magistraat in Pompeii aan te treffen. Deze stad kende gedurende de Iulio-Claudische periode min of meer de “gewoonte” de troonopvolger met een municipale magistratuur te eren. De ordo decurionum van Pompeii wilde de erfgenaam via deze weg gelukwensen. Dit wijst op een hechte relatie tussen de Iulio-Claudische keizers en de ordo. Er zijn verschillende attestaties, onder meer van Caligula en Nero (infra), maar niet van Claudius. Nog andere “gebruiken” in verband met de keizercultus in deze stad zouden in het geval van Claudius achterwege zijn gebleven.[98]
NERO
Nero was in tegenstelling tot zijn voorganger waarschijnlijk wel duumvir te Pompeii (regio I) in 54/55 n. Chr.. D. Lucretius Satrius Valens was duumvir in dat jaar en mogelijk plaatsvervanger of collega van de keizer.[99] Tussen 50 en 54 n. Chr. was Valens aangesteld tot flamen Neronis Caesaris Aug. filii perpetuus. Hij stond hoog aangeschreven in Pompeii. Het priesterschap van de keizer vormde voor hem het summum van zijn loopbaan.[100]
Nog drie andere attestaties werden aangetroffen. Een daarvan is afkomstig uit Praeneste (Latium). De naam van de praefectus is vanwege de geschonden steen niet volledig leesbaar. Het gaat om een zekere Sextus Pomp[eius] ..., die tevens tribunus militum en flamen divi Augusti Neronis Caesaris was (N29).
L. Tuccius Maximus uit Cures (regio IV) bekleedde op een onbekend moment tijdens de regering van Nero het ambt van praefectus imperatoris in zijn patria. Hij verving keizer Nero in het ambt van duumvir. Afgezien daarvan was hij ook “trib(unus) mil(itum) leg(ionis) XV Apollina[ris], praef(ectus) fabr(um) en IIIIvir” (N16). De man behoorde, zo blijkt hieruit, tot de ordo equester.
Op papier nam Nero ook een ambt waar in Luna, in het uiterste noorden van de regio Etruria (VII). De remplaçant van de keizer, L. Titinius Glaucus Lucretianus, plaatste meerdere eerbewijzen voor Nero en zijn vrouw Poppaea. Een ervan vermeldt dit plaatsvervangend ambt (N27, r. 8: praefectus Neronis Claudi Caesaris Aug(usti)). Glaucus staat bekend als een lid van de ordo equester en hij doorliep een belangrijke carrière.[101]
TRAJANUS
Wat betreft de municipale ambten uitgeoefend door deze keizer zijn meerdere inscripties aangetroffen. Ze zijn afkomstig uit verschillende Italische regio’s. We bespreken ze per regio. In Latium aanvaardde Trajanus mogelijk de titel van duumvir te Ostia (T158). Juist op de plaats waar de naam van de keizer moet hebben gestaan, is de inscriptie echter afgebroken; slechts de letter “T-” rest ons. In theorie kan het ook Titus (79-81 n. Chr.) geweest zijn die tot duumvir werd gekozen. We zullen echter zien dat Trajanus een bijzondere band met deze stad had, en het voorkomen van een keizerlijk praefectus als zijn plaatsvervanger zou hiermee in overeenstemming zijn. De fiscus droeg in grote mate bij tot de opbouw van deze stad.[102]
T147 toont aan dat Trajanus dictator was in Aricia (Latium).[103] Het zou de eerste keer zijn dat de keizer dit hoogste stadsambt in Aricia waarnam. Volgens P.L. Strack gaat zijn relatie met de stad terug op zijn adoptiefvader Nerva en nam Trajanus het ambt van hem over.[104] Na hem heeft ook Hadrianus in dezelfde stad deze functie waargenomen.[105]
Twee -gelijkende- inscripties uit Attidium (regio VI) tonen duidelijk het belang aan van de praefectus iure dicundo imperatoris Caesaris Traiani Augusti aldaar, Gaius Camurius Clemens. Hij vervulde verschillende functies uit de riddercarrière, waaronder een aantal procuratelae. Hij was patronus van de stad en verkreeg een ereïnscriptie “ob merita eius, decr(eto) dec(urionum), publice” (T27 en T139).
Marcus Vettius Valens, praefectus in Ariminum (regio VIII), was ook patronus en op zijn inscriptie prijken de lovende woorden “optimo civi, patrono suo” (T126).
De laatste overlevering is afkomstig uit Vardagate, een stad ten zuiden van de Po in regio IX (T38). De Realencyclopedie verkondigt nochtans dat Gaius Hirpidius Memor praefectus iure dicundo zou geweest zijn “in unbekannten Orts”.[106] Ook deze man was ridder en nam een aantal ambten waar die we reeds bij andere keizerlijke ambtsdragers hebben aangetroffen (praefectus fabrum, tribunus militum legionis en flamen perpetuus divi Vespasiani divi Nervae Traiani).
d. Conclusies
Op kaart 3.2 staan de geattesteerde steden aangegeven. Gezien het aantal zijn er geen zinvolle uitspraken te doen over de verspreiding. We kunnen stellen dat bij Nero en Trajanus het aantal geattesteerde gevallen té miniem is, om te concluderen dat de keizer via deze weg invloed heeft willen uitoefenen op de stad. Voor keizer Claudius ontbreekt elk spoor van een dergelijke functie.

Kaart 3.2: Steden waar ten tijde van Claudius, Nero en Trajanus keizerlijke praefecti werden geattesteerd.
1. Aricia (I/L) ; 5. Ostia (I/L) ; 6. Praeneste (I/L) ; 15. Pompeii (I) ; 39. Cures (IV) ; 52. Attidium (VI) ; 62. Luna (VII) ; 67. Ariminum (VIII) ; 72. Vardagate (IX)
De keuze lag compleet bij de stad zelf. De verkiezing van de keizer getuigde van politieke toewijding en trouw t.o.v. de centrale macht. Aanvaarding van het ambt door de princeps bevestigde zijn binding met de stad én diens geloof in haar instellingen. Het blijkt voor de hier bestudeerde keizers lang niet altijd in steden te zijn die, naar we weten, een bijzondere relatie hadden met de keizer. Dit was wel het geval voor Nero in Pompeii en voor Trajanus in Ostia (tenminste indien Trajanus’ verkiezing tot duumvir inderdaad heeft plaatsgevonden).
3.3.4. HET BENOEMEN VAN CURATORES REI PUBLICAE
a. Inleiding
Het ambt van curator rei publicae werd pas tegen het einde van de eerste eeuw in het leven geroepen en kan derhalve enkel met betrekking tot keizer Trajanus worden onderzocht. Tijdens diens regering verschijnen voor het eerst curatores in verschillende delen van het Imperium; hoogstwaarschijnlijk is deze keizer de “schepper” van dit ambt.[107] Veel curatores die aan Trajanus worden toegeschreven, zijn echter niet met zekerheid te dateren; de eerste betrouwbare attestatie uit Italië stamt uit 113 n. Chr. (T133).
De instelling van financiële begeleiders was niet exclusief voor Italië, doch het aantal -epigrafische- attestaties uit de provincies staat in scherp contrast met dat van het Schiereiland: 194 van de 226 bekende curatores rei publicae (vanaf Trajanus tot Diocletianus) blijken in Italië werkzaam te zijn geweest.[108] Wil dit zeggen dat er in Italië groter financieel wanbeheer bestond, of dat de provincies slechts hulp van hogerhand verkregen wanneer de toestand meer dan kritiek te noemen was? Dit laatste zou betekenen dat het Schiereiland toch nog een bepaalde prioriteit werd toegekend. De grote discrepantie tussen Italië en de provincies kan wellicht als volgt worden verklaard. Sinds de Republiek oefenden de provinciale gouverneurs een zekere controle uit over de financiële aanpak in de provinciesteden en bleken daarin succesvol.[109] In de Keizertijd deden de meeste problemen zich dan ook voor in Italië of in de “vrije”, d.i. autonome gedeelten van het Rijk. Het is daar dat Trajanus -en zijn opvolgers- aandacht op richtte.[110]
Ten einde dit ambt in de juiste context te kunnen situeren, moet eerst iets worden gezegd omtrent de curatores rei publicae in het algemeen en vervolgens over diegenen aangesteld door Trajanus in het bijzonder. Vooreerst dienen we nog kort stil te staan bij het bronnenmateriaal.
b. Bronnen
Over de ontwikkeling van de curatores rei publicae die uitgestuurd werden naar Italische steden zijn nauwelijks literaire aanwijzingen voorhanden. Een passage uit de Historia Augusta vormt hierop een uitzondering, maar zij handelt over een maatregel van keizer Marcus Aurelius en is irrelevant voor ons onderzoek (S.H.A., Marcus Aurelius XI 2).
Bijgevolg zijn we nagenoeg volledig op epigrafische bronnen aangewezen. De grafschriften van of ereïnscripties gericht aan privé-personen noemen het ambt bij de opsomming van de cursus honorum van de persoon in kwestie. Het totaal aan inscripties leent zich weliswaar tot een bescheiden geografische of chronologische studie, maar zoals altijd moeten we er ons van bewust zijn dat niet alle curatores gekend zijn. De inscripties vormen een geïsoleerde bron en afgezien van de naam van de curator en de plaats waar het ambt werd uitgeoefend, verschaffen ze ons weinig uitleg over het hoe en waarom van deze functie. Slechts enkele opschriften laten toe ons een idee te vormen over de praktische invulling. Hiervoor kunnen we daarentegen wel terecht bij de juridische excerpten, voornamelijk overgeleverd via de Digestae. Weinig passages stammen echter uit de vroege tweede eeuw n. Chr. en we moeten rekening houden met eventuele interpolaties.
c. De ambtsdragers en hun functie
Alle curatores werden aangesteld door de keizer met de opdracht toezicht te houden op de financiële aangelegenheden van een stad.[111] Dit ambt was zeker geen magistratuur die structureel in elke stad aanwezig was. Slechts steden die om welke reden dan ook met schulden of financieel wanbeheer hadden te kampen, kregen een curator aangewezen. Volgens sommige historici waren de plaatselijke machthebbers “amateurs” op het vlak van administratie en zou er bijna overal sprake zijn geweest van inefficiënte en corrupte methodes.[112]
Een aantal taken dat tot het ambt behoorde is afgeleid uit stukken van Ulpianus’ Digestae: het betrof algemene supervisie over de publieke gelden; bescherming van speciale fondsen en/of schenkingen tegen slecht management en verduistering;[113] toezicht houden op het publieke landgoed en het voorkomen van misbruik ervan.[114] Op deze manier moest de stad snel en vakkundig uit haar financiële crisis worden geholpen. De curator bezat een controlerende en surveillerende bevoegdheid over alle financiële aangelegenheden. Naast het uitvoeren van een aantal vaststaande taken diende hij flexibel te zijn en in te grijpen waar nodig. Vanwege zijn persoonlijke aanstelling door de keizer beschikte hij over een macht die groter was dan die van de lokale magistraten. De curator kon zijn veto uitspreken over municipale wetten.[115]
Over de duur van de cura is ons niets bekend. Met de bekende informatie over de functie is het aannemelijk dat een vastgestelde termijn niet bestond. De functie werd opgeheven zodra het vooropgestelde doel was bereikt.[116]
Aanvankelijk werd getwijfeld aan de integriteit van de intentie van de keizer. Was het een speciale gunst voor de stad om hulp te krijgen van een curator of ging het in werkelijkheid om een poging van de keizer om de stedelijke autonomie aan banden te leggen? Met andere woorden, werd de curator beschouwd als verlosser of als bemoeial? De schaarsheid van de informerende bronnen is de oorzaak van deze tegengestelde meningen bij de historici.
Oudere werken opteren veelal voor de eerstgenoemde mogelijkheid. In 1936 verscheen hierover een artikel in de Cambridge Ancient History van H. Last met de veelzeggende titel “imperial encroachment”. Volgens de auteur schuilde in het “altruïsme” van de keizer een groot gevaar: “However salutary it might appear at first, interference from the centre would ultimately be condemned unless some stable balance were established between local initiative and bureaucratic control. ...”. Zijn visie op deze keizerlijke instelling blijkt ook hieruit: “At first discretion and good taste may have restricted these intruders to friendly advice when the proposals of a town-council seemed rash; but it was inevitable that the imperial authority behind them should command a respect which made it soon difficult and finally impossible for the ordo and the magistrates to take any action without the curator’s approval”. Zijns inziens kon het systeem slechts werken wanneer de steden hun eigen beleid opgaven. Desondanks zouden de keizers wel goede bedoelingen hebben gehad.[117]
Meer recentelijk heeft zich een tendens ingezet om voor de eerstgenoemde optie -de verlosser- te kiezen. De aanstelling van een curator was een uitzonderlijke dienst van de keizer aan -vooral Italische- steden die in geldelijke moeilijkheden verkeerden. Het feit dat meerdere curatores na hun ambtsuitoefening tot patronus van de stad zijn verkozen of een ereïnscriptie of standbeeld kregen, sterkt dit vermoeden.[118] Ze drongen tijdens hun ambtsperiode weliswaar binnen in alle niveaus van het municipale leven, maar vervingen noch verdrongen de bestaande magistraturen. S.L. Dyson beschouwt de curator als een soort alternatieve patronus, “a grandee who placed his experience and connections at the service of the local municipium”.[119] Ook de meest recent gepubliceerde conclusie benadrukt dat het doel van de functie lag in het verhelpen van de administratieve onbekwaamheid van de steden, eerder dan in het beknotten van de macht van de plaatselijke magistraten.[120] De tussenkomst van de keizer kan op twee manieren worden verklaard; enerzijds vanuit een financieel oogpunt, want de steden droegen bij aan de staatsinkomsten. Anderzijds had de keizer een meer moreel geladen beweegreden. Hij wilde het welvaartsniveau van de steden op peil houden en daarmee onderlinge verschillen en concurrentie zo veel mogelijk voorkomen.[121]
Het valt op dat de waarneming van het ambt niet beperkt was tot de leden van de ordo. Naast senatores (consules) en equites kwamen de ambtsdragers soms uit de municipale elite -maar dan uit een andere stad. In de overgrote meerderheid van de gevallen werd niettemin een consul aangesteld. Nadien volgden de ridders, maar onderzoek heeft uitgewezen dat het merendeel van de curatores uit de ordo equester sociologisch tot de municipale elite behoorden.[122] De meeste curatores onderhielden nauwe banden met de stad waar ze waren aangesteld; sommigen waren terzelfdertijd patronus van de stad.
Het is nog onbeslist of het initiatief tot het aanstellen van de functionaris door de keizer dan wel door de betreffende stad werd genomen.[123] Dit laatste is geenszins uit te sluiten. Men kan zich hierbij afvragen of de keizer steeds weet had van het eventuele financiële débâcle, te meer omdat ook enkele provinciesteden een curator hebben genoten. Mogelijk werd de keizer echter in die gevallen geïnformeerd door de provinciegouverneur. In Italië moet de stad zelf door middel van een gezantschap de keizer of de senaat op de hoogte hebben gebracht van haar moeilijkheden. Onder Trajanus kon het ook voorkomen dat ambtsdragers van de alimenta de financiële knelpunten te weten kwamen en de keizer op de hoogte stelden.
En, eens beslist, hoe bepaalde de princeps wie curator werd? Twee criteria zijn te onderscheiden. Het belang van de stad speelde een rol, maar zeker niet de doorslaggevende gezien ook kleine steden soms een curator kregen. Voor het uitzoeken van de aangewezen persoon hield men rekening met de ligging van de stad. De ambtsdragers kwamen steeds uit een andere plaats dan de stad waar ze hun taak vervulden.[124] Meestal koos men de curator uit een nabijgelegen civitas of, wanneer het een senator betrof, uit de nabijheid van Rome.[125] Het spreekt voor zich dat in de meeste gevallen beide steden niet te ver uit elkaar lagen (infra). Dit was belangrijk omdat de ambtenaren niet permanent in de hun aangewezen stad verbleven en ze dus regelmatig de reis dienden te maken tussen hun officiële verblijfplaats en de stad waar ze als curator werkzaam waren.[126] Het is daarnaast mogelijk dat de steden zelf of hun patronus voorstellen formuleerden omtrent de kandidaat.[127]
d. De curatores onder Trajanus
Vooreerst volgt een overzicht van de bekende curatores rei publicae die werden uitgestuurd naar Italische steden door keizer Trajanus. Ze zijn gerangschikt volgens het “Inscriptienummer”.
|
Inscrnr. |
Bron |
Persoon + sociale status |
Herkomst |
Plaats van ambtsuitoefening |
Datering |
|
T8 |
AE 1926 142 |
P. Clodius Arlenus Bassus status onbekend |
Sinuessa (regio I) |
Capua (regio I) ? |
rond 100[128] |
|
T15 / T16 / T20 |
AE 1969/1970 155 / AE 1979 185 / AE 1985 302 |
anonymus (C. Oclatius Modestus ?) |
Luceria (regio II) |
Aecae (regio II) |
? |
|
T34 |
CIL V 4368 |
P. Clodius Sura ridder |
Brixia (regio X) |
Bergomum (regio XI) |
98-117 |
|
T35 |
CIL V 5126 |
C. Cornelius Minicianus ridder |
Bergomum (regio XI) |
Otesia (regio VIII) |
kort na 107 |
|
T46 |
CIL IX 1619 |
C. Oclatius Modestus ridder |
Beneventum (regio II) |
Aecae (regio II) |
98-117 |
|
T133 |
CIL XI 3614 |
C.? Curatius Cosanus municipale elite |