De droom van de rode kamer: Liefde zonder lust? (Arnaud G.H.M. de Schaetzen)

 

home lijst scripties inhoud pdf-versie van de sciptie

 

Dankwoord

 

Het is nu al vier jaar geleden dat ik voor het eerst de Honglou meng in handen hield.  Na een ingewikkelde rekensom heb ik nu kunnen afleiden dat het precies vier jaar min één dag geleden is, dat ik met zekerheid wist waar mijn thesis over zou gaan.  Het boek heeft een bijzonder diepe indruk op mij gelaten, zoals op alle generaties lezers voor mij.  Net als iedereen heb ik gelachen met het extravagant gedrag van Jia Baoyu, sympathie gevoeld voor de knappe Xue Baochai en Hua Xiren, volkomen in de ban geraakt van de femme fatale Wang Xifeng, en een krop in de keel gekregen bij de dood van Lin Daiyu, Qingwen en de You zusters.  Ondertussen heb ik het boek al vier keer herlezen, en toch heeft het noch aan fascinatiekracht, noch aan elegante schoonheid ingeboet. 

Bij het schrijven van deze verhandeling, heb ik een duik genomen in de fascinerende wereld van de Honglou meng en facetten ervan ontdekt waarvan ik het bestaan niet eens had vermoed.  Met zo een boeiend onderwerp, kan ik onmogelijk over deze verhandeling spreken als een lastige taak.  Ik beschouw het eerder als een “hobby-thesis”: volkomen nutteloos in een zeker opzicht (de kans dat ik met mijn onlangs vergaarde kennis de honger uit de wereld verdrijf, is, naar mijn bescheiden mening, relatief klein), maar toch bijzonder voldoening schenkend op zoveel andere vlakken.  Ik beschouw het als een grote eer dat ik mij bij de schare onderzoekers heb gevoegd, die jaren en soms hun hele leven hebben besteed aan het bestuderen van de Honglou meng

Zoals de Honglou meng eigenlijk het werk is van vele verschillende mensen, had ook deze verhandeling zonder de hulp van bepaalde mensen nooit kunnen bestaan.

Eerst en vooral zou ik graag mijn promotor professor Willy Vande Walle willen bedanken voor zijn oplossingen voor mijn talrijke existentiële crisisvragen, alsook voor de niet aflatende interesse die hij voor mijn thesis heeft getoond.  Dankzij zijn raad en motivering ben ik er in geslaagd de verhandeling voor juni af te werken.

De hulp van mijn co-promotor professor Carine Defoort was zeker niet minder belangrijk.  Haar hulp en praktische raad hebben me vaak uit de nood geholpen.  Daarbij heeft ze me het mooiste compliment gegeven dat ik ooit had hopen te krijgen, door te zeggen dat ze na het lezen van mijn verhandeling zin kreeg om de Honglou meng opnieuw te lezen.  I shall not have lived in vain.

Ook zou ik graag professor Nicolas Standaert willen bedanken, die mij op het juiste spoor heeft gebracht bij de ogenschijnlijk op voorhand gedoemde queeste naar een gepaste vraagstelling, en professor Zhao Yilu en Dirk Derhaeg, en alle docenten Chinees, die vier jaar van hun leven hebben opgeofferd opdat ik in staat zou zijn de Honglou meng in de oorspronkelijke taal te lezen, en ten slotte ook mevrouw Bénédicte Vaermans, die me de talrijke gevaren die in een bibliotheek loeren, heeft helpen overwinnen. 

Mes parents, Damien de Schaetzen et Christine Paternostre, méritent bien sur aussi toute ma gratitude et un gros calin, pour m’avoir soutenu et encouragé pendant mes études et pour avoir si bien caché leur désespoir quand, pour la ixième fois, j’oubliais le cours des Electrabels.

Zonder een paar mensen zou deze verhandeling krioelen van grammaticale en andere dt-gedrochten.  Ik zou daarom graag Sofie De Braekeleer, Véronique Verhelst, Lore Vanden Eynde, Thijs Plancke, Eva Notteboom en Lieve Vanhoucke willen bedanken.  Ook al mijn andere klasgenootjes, die ervoor gezorgd hebben dat ik vier geweldige jaren heb beleefd, zullen altijd een plaatsje hebben tenmidden van mijn meest dierbare herinneringen.

En heel speciale dank gaat naar mijn tante, Lydia della Faille de Leverghem en haar aanstekelijk enthousiasme.  Bedankt dat je me dwong de juiste keuze te maken!

En om dit overdreven lange dankwoord af te sluiten, wil ik nog Cao Xueqin bedanken voor het schrijven van zo een meesterwerk.  Het is één van mijn grootste frustraties dat hij gestorven is voor het voltooien van zijn werk…  Ik had nog zo op een happy end voor Lin Daiyu gehoopt…            

 

 

Inleiding

 

De Honglou meng (De droom van de rode kamer) is ongetwijfeld één van de belangrijkste romans uit de Chinese literatuur – zoniet de belangrijkste.  Tot op de dag van vandaag, zijn de Chinezen die nog nooit hebben gehoord van de liefdestragedie tussen Jia Baoyu en Lin Daiyu, de onderkoelde Xue Baochai of de ambitieuze, even gewetenloze als geestige Wang Xifeng, te tellen op de vingers van één hand van een blinde slager.  Of het nu in boek- of stripvorm is, of verwerkt werd in een zeemzoeterige en door overacting gekenmerkte televisiesoap of in een melodieuze Peking-opera aria, de Honglou meng en zijn mooi uitgewerkte personages en rijk gedetailleerde leefwereld zal voor altijd een speciale plaats hebben in de hart van de Chinezen.

Reeds vanaf de eerste jaren na zijn ontstaan, werd er al uitgebreid onderzoek gevoerd naar dit boek.  Een kleine drie eeuwen later, blijft het onderwerp zowel in de Chinese als de Westerse academische sferen nog steeds bijzonder populair.  De studie rond de Honglou meng heeft zelfs een eigen term gekregen, hongxue (letterlijk: de studie van het rood).  Deze studie wordt gekenmerkt door een fascinerende verscheidenheid aan invalshoeken, en het wordt steeds moeilijker om een nog onontgonnen aspect van het boek te ontdekken.

De eerste hongxuejia  (geleerden in de hongxue) legden in hun onderzoek vooral de nadruk op de vraag in welke mate de roman non-fictief en historisch verantwoord was, en op welke bestaande personages de protagonisten gebaseerd waren.[1]   Later verschoof de interesse naar andere aspecten, zoals de boeddhistische symboliek in de roman, karakter- , structuur- en naamanalyses, zoektochten naar woordspelingen en verborgen betekenissen, enz.  Na 1949 gebruikte de CCP het boek om aan te tonen hoezeer bepaalde klassen in het “feodale” China hadden geleden en onderdrukt waren geweest.  Het tragisch lot van de meeste vrouwelijke protagonisten werd aangehaald om te bewijzen dat de auteur Cao Xueqin aan de kant stond van de CCP, en zelf ook antifeodaal was en een scherpe kritiek uitoefende tegen de mores van zijn tijd.[2]   Westerse feministen toonden aan de hand van het boek triomfantelijk aan dat Cao Xueqin een feminist avant la lettre was en de vrouwelijke protagonisten veel talentrijker en “beschaafder” had voorgesteld dan de mannelijke, die allen, op een paar uitzonderingen na, geportretteerd werden als wellustige schurken.    

Volgens Anthony C. Yu werd een hoofdaspect consequent door de meeste lezers over het hoofd gezien, omdat het beschouwd werd als triviaal en te subjectief.  De onderzoekers leken te vergeten dat de Honglou meng op de eerste plaats een liefdesroman is.[3]  De enkelingen die wel over het tragisch liefdesverhaal van Baoyu, Daiyu en Baochai schreven, beperkten zich tot een karakteranalyse van de personages en haalden enkel argumenten aan om, als in een paardenwedren, te zien welk van de twee meisjes het meest prijzenswaardig karakter had en het meest verdiende om met Jia Baoyu te trouwen.  De lacune werd in de jaren negentig van de 20ste eeuw in grote mate gedicht, toen steeds meer lezers onderzoek gingen doen naar de plaats van liefde en lust in de roman, en de relatie tussen beide termen onderling. 

Ik heb ook voor dit aspect gekozen, omdat het niet alleen boeiende vragen doet bovendrijven, belangrijker nog, het levert geen pasklare antwoorden, waardoor het onderwerp altijd actueel zal blijven en nooit aan fascinatiekracht zal inboeten.  Ik zal trachten aan de hand van deze verhandeling twee vragen op te lossen.  Enerzijds, hoe verhouden liefde en lust zich tot elkaar in de Honglou meng?  Kunnen ze volledig onafhankelijk van elkaar bestaan?  Wat is de interne visie op liefde, binnen het boek zelf?   Anderzijds, hoe verschilt de auterus visie op liefde met die van zijn voorgangers en tijdgenoten?  Wat maakt de liefde in de Honglou meng zo speciaal?  Is het boek erin geslaagd zich volledig te differentiëren van de andere fictiewerken?  Dit is dus een meer externe aanpak, waarbij we een vergelijking gaan maken tussen verschillende romans.

Ik begin in hoofdstuk 1 zeer algemeen met een beschrijving van de wereld rond de Honglou meng.  Een korte synopsis, een biografie van de auteur en de interpretaties van de titels zullen gevolgd worden door de relatief ingewikkelde ontwikkelingsgeschiedenis van de roman.  Dit is van belang om de volgende hoofdstukken in de juiste context te plaatsen.

In hoofdstuk 2 zullen we een duik nemen in de wereld van lust en liefde in China, meer specifiek in de 17de eeuwse literatuur.  De redenen van het succes van qing, de verschillende bewegingen die er rond ontstonden en de strategieën die werden ontwikkeld om de term te legitimeren, zullen aan bod komen.

Hoofdstuk 3 begint paradoxaal met de stelling dat men over liefde niet kan spreken.  Het is ook helemaal niet mijn bedoeling een pasklare definitie te vinden voor de liefde, aan de hand van voorgekauwde en onnauwkeurige clichés.  In het eerste deel zal ik me toeleggen op een analyse van de visie op liefde van de belangrijke commentator Zhiyanzhai – die de liefde van Jia Baoyu gelijk stelt aan gedesinteresseerde empathie –  en op de kritiek die er later rond werd geformuleerd.  Het tweede deel bevat een onderzoek naar hoe Cao Xueqin liefde in zijn roman heeft trachtten te scheiden van lust, door bepaalde personages te temperen en met de leeftijd van de protagonisten te knoeien.

In de vierde hoofdstuk ga ik trachten op de vraag te antwoorden hoe de Honglou meng zich verhoudt tot andere romans van die tijd, zoals de scholar-beauty-romans.  De argumentatie zal gebaseerd zijn op twee vinnige maar ambigue zedenpreken die twee protagonisten over populaire literatuur houden.

Natuurlijk is het onderwerp verre van uitgemolken.  Ik zal mijn doel bereikt hebben als de lezer zich bewust wordt van één van de meest interessante en onderschatte aspecten in de Honglou meng: de liefde. 

 

 

Hoofdstuk I:  De Honglou meng

 

1.  Synopsis

 

Het spreekt voor zich dat het gigantisch, kleurrijk fresco dat de Honglou meng is, met zijn honderdtwintig hoofdstukken en enkele honderden uitvoerig geportretteerde personages, niet samen te vatten valt in een paar pagina’s.  Men kan het werk beschouwen als een rijk geschakeerde en realistische schets van het leven van de elite halverwege de Qing, ondanks de talrijke bovennatuurlijke elementen die het relaas doorspekken. 

Ergens in een niet nader bepaalde stad (die zowel elementen van Beijing en Nanjing bevat, cf. infra) leeft de machtige en rijke clan Jia op een luxueus domein.  De hele familie – kinderen, kleinkinderen, neven en nichten, concubines, een schare dienstvrouwen, meiden en knechten – wordt geleid door twee vrouwen: Grootmoeder Jia , de oude matriarch van de familie, regeert met een niet al te bekwame hand en haalt haar macht uit het respect dat men haar verschuldigd is wegens haar hoge leeftijd en als vertegenwoordigster van een oudere generatie.  De tweede is de jonge en knappe Wang Xifeng , die, ondanks haar zwakke positie als schoondochter, toch met haar scherpe tong, tomeloze ambitie en organisatorisch talent met ijzeren vuist het bevel voert over een leger dienstmeiden. 

De macht en rijkdom waarover de familie beschikt heeft  zij te danken aan twee van haar voorouders, die in een prestigieus verleden bijzonder invloedrijk waren geweest en het vertrouwen van de keizer hadden genoten.  Voorts leeft één van de dochters des huize als geliefde concubine in het paleis van de keizer.  Om deze redenen hebben reeds verschillende leden van de Jia-clan  belangrijke titels en posten verkregen zonder zich hier voor te moeten bewijzen.  Lokaal kan de familie ook veel macht uitoefenen, aangezien ze haar prestige en geld kan aanwenden om het recht naar eigen hand te zetten, als er al iemand is die de familie voor het gerecht durft te brengen.  En tóch, ondanks de weelderige paleizen, die gevuld zijn met zilver, rollen zijde en dure snuisterijen, ondanks de grootse feesten en de prachtige tuinen binnen het domein,  krijgt de lezer meteen het gevoel dat dit alles niet meer is dan een glimmende façade en dat de familie haar hoogtepunt voorbij is.  Of zoals het in het boek zelf wordt beschreven: “De wassende maan moet weer afnemen”, “een volle emmer zal altijd overstromen” en “hoe hoger de klim, hoe pijnlijker de val”.[4] 

Tegen deze achtergrond van vergankelijke weelde groeit de jonge Jia Baoyu op.  Zijn naam “kostbare jade” kreeg hij toen men bij zijn geboorte een stukje jade, bedekt met inscripties, in zijn mond vond.  Deze wonderlijke gebeurtenis overtuigt Grootmoeder Jia ervan dat haar kleinzoon geboren is om in de toekomst grootse daden te verrichten en ze begint hem als haar oogappel te beschouwen, die ze schaamteloos verwent en beschermt tegen de toorn van zijn vader, de strenge confucianistische literaat Jia Zheng .  Deze walgt van zijn zoon, reeds vanaf diens eerste verjaardag.  Het was in China de gewoonte om op die dag een paar voorwerpen voor de baby te plaatsen om uit zijn voorkeur voor een bepaald attribuut te kunnen afleiden waar hij later in zal uitblinken.  Tot wanhoop en afkeer van Jia Zheng, gunt Baoyu de verschillende literaatattributen, zoals de boeken, penselen en het officieel hoofddeksel, geen blik waardig maar lijkt hij integendeel slechts interesse te tonen in de armbanden, kammen en potjes rouge.  Wit van woede voorspelt de vader dat zijn zoon zal opgroeien tot een zedeloze vrouwenversierder (jianglai jiuse zhi tu ).[5]  Baoyu groeit inderdaad op temidden van een horde zussen, nichten, dienstmeiden, jonge nonnen en actrices en staat bekend voor zijn vreemde uitspraken à la: “De botten en het vlees van meisjes zijn uit water gemaakt, die van jongens uit modder.  Wanneer ik me bij meisjes bevind, voel ik me proper en verfrist, maar mannen vind ik vuil en stinkend.”[6]    

De twee belangrijkste meisjes in zijn leven, met wie zijn lot onontkoombaar vervlochten is, zijn Lin Daiyu en Xue Baochai .[7]  Beide zijn geletterd en van grote schoonheid, maar waar Daiyu frêle, romantisch, impulsief en lichtgeraakt is, is Baochai gezond, koel en met beide voeten op de grond.  Hoewel Baoyu en Daiyu op een bijna obsessieve manier verliefd op elkaar zijn, komt hun liefde omwille van hun beider extravagant karakter en onkunde met elkaar te communiceren, voornamelijk tot uiting in huilbuien, moordende jaloezie en domme misverstanden.  Hun vurige, maar platonische liefdesrelatie eindigt abrupt wanneer Baoyu op slinkse wijze door zijn ouders en grootmoeder met Baochai in het echt wordt verbonden, omdat die rijker en gezonder is.  Dit bedrog leidt uiteindelijk tot de tragische dood van Daiyu, die reeds van jongsaf aan met ernstige gezondheidsproblemen kampte.  Aan het einde van de roman verlaat Baoyu – die notabene juist voor het hoogste staatsexamen is geslaagd – zijn jonge echtgenote en het ruime domein van zijn vervallende landgoed om vrij van wereldse zorgen een zuiver leven te leiden als boeddhistische monnik. 

 

 

2. De leefwereld van Cao Xueqin

 

Om de Honglou meng in de juiste context te kunnen plaatsen, is het van primordiaal belang dat we het leven en de familie van de auteur Cao Xueqin onder de loep nemen.  De parallellen tussen zijn en Baoyu’s leven springen in het oog en veel elementen wijzen erop dat hij veel autobiografische elementen in zijn oeuvre verwerkt heeft.    

 

2.1 Voorgeschiedenis

 

Cao Zhan beter bekend onder zijn roepnaam (hao ) Xueqin [8] werd rond 1715[9] geboren in een steenrijke Chinese familie uit Nanjing.  Eén van Cao Xueqins voorouders, Cao Xiyuan , werd tijdens de verovering van China door de Manzu gevangen genomen en moest als bondservant[10]  (baoyi ) dienen onder het zogenaamde “Effen Witte Vendel”.[11]  Op lange termijn draaide dit echter uit op een geluk bij een ongeluk, aangezien de Effen Witte Vendel één van de drie hoofdvendels was en later rechtstreeks onder controle kwam te staan van de Manzu heerser.  Toen deze later keizer van China werd, werden de leden van deze vendels opgenomen in het Keizerlijk Huishouden (neiwu fu ).[12] 

De nieuwe Qing-heersers wantrouwden de eunuchen om begrijpelijke redenen.  Zij waren door hun machtsmisbruik en corrupte praktijken immers mede verantwoordelijk voor de val van de Ming.[13]  De hoge Chinese ambtenaren vertrouwden ze ook niet echt, maar om de situatie in het pas veroverde land te stabiliseren, konden ze niet anders dan gebruik maken van hun diensten.[14]  In deze context speelden de leden van de Chinese vendels (waaronder de Effen Witte Vendel) een belangrijke rol.  Het leeuwendeel van de leden uit deze vendels spraken zowel Manzu als Chinees en hadden zich de krijgshaftige cultuur van de Manzu eigen gemaakt zonder de Chinese zeden te verzaken.[15]  De Chinezen die het vroegst waren overgelopen of gevangen genomen kregen later ook de hoogste posten toebedeeld. 

               

2.2  Cao Yin

 

Cao Xueqins grootvader, Cao Yin , is een schoolvoorbeeld van zo een Chinees: niet alleen kon hij paardrijden en boogschieten als de beste, hij was ook nog heel vertrouwd met de cultuur van zijn Chinese voorouders.  Hij schreef gedichten en was de auteur van een populair theaterstuk over de laatste dagen van de Ming, was een echte kunstkenner en een fervente verzamelaar van boeken, waardoor hij het respect en zelfs de liefde won van de Chinese elite in het Zuiden.[16]  Jonathan Spence beweert dat zonder dergelijke Chinezen de verovering door de Manzu en de latere consolidatie nooit zouden zijn geslaagd.[17]

Vele leden van het Keizerlijk Huishouden kregen belangrijke posten toebedeeld, zoals bijvoorbeeld die van zout- of textielcommissaris[18] in belangrijke commerciële centra als Nanjing, Suzhou en Hangzhou.  Cao Yins vader, Cao Xi , wiens vrouw min (baomu ) was geweest van de Kangxi-keizer,[19] bekleedde de post van textielcommissaris (zhizao  ) in Nanjing van 1663 tot 1684, dankzij een nieuwe regel die bepaalde dat de post bekleed moest worden door een speciaal uitgekozen lid van het Keizerlijk Huishouden.[20]  Zijn zoon, Cao Yin, was textielcommissaris in Suzhou van 1690 tot 1692, en vervolgens bekleedden hij en zijn erfgenamen van 1692 tot 1728, een periode van zesendertig jaar, zonder onderbreking diezelfde post in Nanjing.[21] 

De officiële taken van een Textielcommissaris waren onder andere het management van de zijdewerkplaatsen en de honderden werknemers, de aankoop van grondstoffen en het vervoer van de afgewerkte producten naar het Keizerlijk Hof in de hoofdstad.  Maar hun officieuze taken waren nog talrijker en zeker niet minder belangrijk.  Ze moesten een oogje houden op de hoge ambtenaren in hun streek en alle informatie over hun doen en laten overbrengen naar de Keizer, alsook rapporten uitvaardigen over tal van onderwerpen, gaande van informatie over de marktprijzen tot amusante lokale roddels.  Soms moesten ze speciale commissies uitvoeren, zoals dure snuisterijen aankopen voor de Keizer of toezien op financiële en culturele projecten in de regio.[22]

Dat de Kangxi-keizer diepe genegenheid voelde voor Cao Yin, Xueqins grootvader, blijkt uit het feit dat hij tijdens zijn befaamde Zuidelijke reizen (nanxun ) niet minder dan vier keer te gast was bij de familie Cao,[23] die voor de gelegenheid speciaal een paleis en privé-tuinen moesten aanleggen om hem en zijn gevolg onderdak te geven.  Vanzelfsprekend hing daar een pittig prijskaartje aan vast en het bracht de familie elke keer op de rand van de afgrond.  Dit alles herinnert de lezer van de Honglou meng aan de prachtige en extravagante dure tuin die de Jia’s aanleggen ter gelegenheid van het bezoek van de Keizerlijke Concubine Jia Yuanchun . Een andere verborgen verwijzing naar deze gebeurtenissen is terug te vinden in hoofdstuk 16, waarin grootmoedertje Zhao vol trots aan Wang Xifeng vertelt dat er ooit een familie in Nanjing leefde, die geld noch moeite had gespaard om de Keizer tot vier maal toe onderdak te kunnen bieden.[24]

Het spreekt voor zich dat Cao Yin een bijzonder machtige man was, met een drieduizendtal werknemers onder zich. Honderden duizenden zilveren tael[25] gingen jaarlijks door zijn handen en hij genoot van het onvoorwaardelijk vertrouwen van de Keizer.  Maar hoe rijk en machtig de familie ook was, de leden ervan bleven horigen en het kostte niets meer dan een terloopse handbeweging van de Keizer om de hele familie van de kaart te vegen, als deze daar ineens zin in zou hebben.  Tijdens Cao Yins leven bereikten de weelde en macht van de Cao hun hoogtepunt, maar na zijn dood bleek dat hij toch heel wat verliezen had geleden en de familie door haar extravagant levensstijl zwaar in de schulden was geraakt.[26]  De dagen van de Cao waren geteld.  Een interessant detail, even terzijde, is dat Cao Yins vrouw, née Li, hem nog talrijke jaren overleefd heeft en, volgens Hawkes, bijna zeker als model voor de matriarch, Grootmoeder Jia, diende.[27] 

 

2.3  De ondergang van de Cao

 

De Cao bleven dankzij de gratie van de Kangxi-keizer nog enkele jaren gespaard van de ondergang.  Hij was de familie nog steeds erg genegen en gaf niet alleen Cao Yins schoonbroer de toestemming alle schulden van de Cao af te betalen, maar zorgde er ook voor dat de jonge en onervaren Cao Yong de post van zijn vader kon erven, wat er voor zorgde dat de rijkdom van de familie weer kortstondig opflakkerde.[28]  Een nieuwe klap overviel de familie echter in de plotse en voorbarige dood van de eenentwintig jarige Cao Yong.  De even jong als onbekwame postuum geadopteerde zoon van Cao Yin, Cao Fu, nam de post over, wederom met keizerlijke goedkeuring. Toch bleef de familie ploeteren door financiële moeilijkheden en de keizer kon steeds minder lachen met de onbekwaamheid van zijn jonge commissarissen.[29]

De familie raakte nog dieper in de problemen na de dood van de Kangxi-keizer in 1722.  Zijn opvolger, de Yongzheng-keizer, vertrouwde de machtige horigen veel minder dan zijn vader had gedaan, misschien niet volledig onterecht.  De troonstijging was zeer verrassend verlopen en de Yongzheng-keizer, die mogelijk een coup d’état had gepleegd, verdacht de horigen ervan nauwe banden te hebben met zijn rivaliserende broers.  Om hun macht te breken, volgde er een harde en meedogenloze zuivering binnen de horigenfamilies.  De eerste kop die rolde was die van Li Xu, Cao Yins schoonbroer en tevens financiële raadgever van de Cao.  Zijn ondergang kwam als een harde klap aan bij de Cao.[30]  

In januari 1728 was het de beurt aan Cao Fu om zijn eigendom en rang te verliezen.  De aangehaalde reden voor de confiscatie was een schuld van 31.000 zilveren tael die hij de regering nog verschuldigd was – een peulschil vergeleken met wat zijn vader Cao Yin ooit had bezeten.[31]  Het blijft natuurlijk gissen naar de echte beweegredenen van de keizer.  Misschien raakte hij geïrriteerd door de incompetentie en de jeugdige leeftijd van Cao Fu en nam hem daarom zijn post af.  Of hij kan getwijfeld hebben aan de trouw van de Cao, een twijfel die trouwens werd bevestigd toen een paar met bladgoud bedekte leeuwenbeelden, die ooit eigendom van de keizers aartsrivaal prins Yintang waren geweest, in de voorouderstempel van de Cao werd teruggevonden.[32]  Hoe het ook zij, de familie werd uit Nanjing verbannen en verloor haar dertien residenties, haar 1.967 mu[33] land en al haar eigendom.  Het volledige huishouden – zo’n 114 mensen, dienaren inbegrepen – verhuisde naar Beijing en vestigde zich in een bescheiden residentie die de keizer hen, in zijn grootmoedigheid, terug had geschonken.[34]  De familie leefde verder in armoede en werd sindsdien niet belangrijk genoeg meer bevonden om opgenomen te worden in de annalen, waardoor het voor de onderzoeker veel moeilijker is om te weten hoe het hen verder verlopen is.[35] 

 

2.4  Cao Xueqin

 

Cao Xueqin was vermoedelijk dertien toen zijn familie ten onder ging, dezelfde leeftijd als Jia Baoyu in een groot deel van de Honglou meng.  Ondanks zijn intelligentie en goede opvoeding, leek hij toch niet uit het juiste hout gesneden om zichzelf en zijn familie te kunnen onderhouden.  De  mensen onder zijn verantwoordelijkheid leden vaak honger.[36]  Over zijn leven zelf is veel minder terug te vinden dan over zijn familiegeschiedenis.  Wel kan men met zekerheid aantonen aan de hand van notities en anekdotes van vrienden, dat hij de laatste zes jaren van zijn leven in schrijnende armoede heeft geleefd, in een dorpje ergens aan de Westelijke Heuvels nabij Beijing, en dat hij het grootste deel van de dag schrijvend en drinkend doorbracht.  Zijn overmatig alcoholgebruik was alom bekend en hij kon soms niet anders dan op krediet drinken.  Een vriend beschreef hem als iemand die grootse en edele dingen kon beschrijven terwijl zijn linkerhand naar luizen joeg.[37] Hij stierf op 12 februari 1763 op achtenveertigjarige leeftijd, lang voordat hij zijn roman kon voltooien.  Zijn heengaan werd waarschijnlijk bespoedigd door de voortijdige dood van zijn enige zoon enkele maanden eerder.  Sommige vrienden beweren dat hij een tweede vrouw achterliet, waaruit blijkt dat hij minstens één keer was hertrouwd en dat zijn zoon uit zijn eerste huwelijk was.[38]  

Het is duidelijk dat een niet onbelangrijk deel van de Honglou meng gebaseerd is op Cao Xueqins persoonlijke ervaringen.  Zijn eigen familiegeschiedenis van vergankelijke weelde dient als een mooi en gedetailleerd achtergrond voor zijn roman, en tal van personages zijn gebaseerd op bestaande figuren.  De psychologie en gedachtegang van Jia Baoyu zijn zo goed en realistisch uitgewerkt en consequent weergeven, dat weinig hongxuejia eraan twijfelen dat Cao Xueqin heel wat autobiografische elementen in de personage heeft verstopt.  Dat heel wat meisjes in de roman hebben bestaan, geeft de schrijver zelf grif toe in de openingsrede van het boek.  Hij prijst de kwaliteiten en talenten van zijn vrouwelijke familieleden de hemel in en wil hun beschrijving neerpennen opdat ze niet in de vergetelheid zouden verdwijnen.[39]  Ook de mythische Steen verklaart in hoofdstuk 1 dat zijn verhaal veel beter is dan de doordeweekse en cliché scholar-beauty-roman, omdat hij al die meisjes persoonlijk heeft gekend en ze moreel superieur vindt aan alle heldinnen van vroegere romans, en omdat alle gebeurtenissen, de goede én de slechte, allemaal gebaseerd zijn op de werkelijkheid.[40]  Een laatste aanwijzing dat veel personages gebaseerd zijn op echte mensen, zijn de talloze nostalgische commentaren van Zhiyanzhai[41] die de tekst doorspekken, in de trant van “Ja, zo was zij precies!”, “Ik herinner mij haar, inderdaad!” enzovoort.  Om de werkelijke feiten een beetje te verdoezelen heeft Cao Xueqin wel een beetje vals gespeeld door de generaties door elkaar te gooien.  Yuanchun, Baoyu’s zuster die tot Keizerlijke Concubine werd gepromoveerd, is waarschijnlijk gebaseerd op één van Cao Yins dochters, die een belangrijke Manzu prins had gehuwd.  Xueqins tantes dienden dan weer als model voor de  “Drie Lentes” – Baoyu’s halfzus en nichten Tanchun , Yinchun en Xichun .[42]

3.  De Titels

           

Wat zijn de feitelijke titels van de roman en wat betekenen ze precies?  In hoofdstuk 1 halen Cao Xueqin, die hier bescheiden zijn auteurschap verdoezeld door te beweren dat hij slechts de redacteur is, en een paar andere mensen verschillende mogelijke titels voor de roman aan.  Het is interessant te analyseren wat ze precies betekenen omdat ze bepaalde aspecten van het plot centraal plaatsen.  Ik behandel ze per twee wanneer de betekenis van de titels gelijkaardig is.

 

3.1 “De droom van de rode kamer” en “De twaalf schoonheden van Jinling”

 

            Honglou meng  of “De droom van de rode kamer” is ongetwijfeld de titel die het vaakst wordt gebruikt en waaronder de roman wereldbekend is geworden.  Toch wijst er veel op dat het naar alle waarschijnlijkheid niet de titel is waar Cao Xueqin voor zou hebben gekozen.  De vroegere manuscripten waren allemaal bekend onder de titel Shitou ji (cf. infra)  en Honglou meng werd niet eens in hoofdstuk 1 naar voren geschoven als mogelijke titel.  Het is pas in de gedrukte edities van Gao E (1763-1816) en Cheng Weiyuan (ca. 1745- ca. 1819) dat de roman voor het eerst de titel Honglou meng droeg en de titel Shitou ji opzij geschoven werd. 

Bij de modale lezer roept de titel een relatief verkeerd beeld op, namelijk dat van een persoon die aan het dromen is in een roodgeverfde kamer.  Misschien is de Engelse titel “A Dream of Red Mansions” iets minder verwarrend, wanneer men weet dat honglou verwijst naar de luxueuze, gigantische paleizen met verschillende verdiepingen, waarvan de gepleisterde muren met rode verf waren bedekt.  Rode muren stonden doorgaans symbool voor weelde en grandeur en men kan tot op de dag van vandaag opmerken dat de meeste paleizen, tempels en yamen rode muren hebben, terwijl de gewone huizen sober en grijs zijn.    Later kreeg het woord een nieuwe betekenisnuance en verwees het niet langer naar het gebouw zelf, maar eerder naar de inwoners ervan, meer specifiek de jonge dochters des huize.[43]  De titel Honglou meng komt in de oudere manuscripten slechts drie keer voor in de hele roman en dat allemaal in hetzelfde hoofdstuk:  in hoofdstuk 5 droomt Jia Baoyu dat hij in een mystieke wereld terechtkomt, waar hij verwelkomd wordt door de Godin der Ontnuchtering.  Zij laat hem een cyclus van twaalf liederen horen, de zogenaamde “Liederen van de droom van de rode kamer”(honglou meng qu ). [44]  De cryptische libretti zijn in feite de voorspellingen van het lot van twaalf belangrijke vrouwelijke leden van de Jia-familie, maar dat beseft de uiterst verveelde Baoyu geenszins.  De titel Honglou meng kan dus zowel een droom van mooie jonge dames van goeden huize betekenen, als een droom van weelderige paleizen en (vergankelijke) glorie.

De titel Jinling shi’er chai  (De twaalf schoonheden van Jinling) berust ongeveer op hetzelfde concept.  Niet lang voordat Baoyu de liederen van “De droom van de rode kamer” te horen krijgt, mag hij eerst een kijkje nemen in drie registers[45] met elk twaalf schilderijen en bijhorende gedichten, die wederom het lot voorspellen van zijn vrouwelijke leeftijdgenoten.  Het karakter chai  betekent letterlijk “haarspeld”, maar is ook een metonymie voor welgestelde jongedames. De naam Jinling is heel interessant in de mate dat die aantoont dat Cao Xueqin niet altijd even consequent was en soms kleine onnauwkeurigheden liet binnensluipen in zijn roman.  Jinling is een oude naam voor Nanjing,[46] wat erop zou moeten wijzen dat de Jia in deze stad leven.  Toch zijn er enkele duidelijke elementen die aantonen dat het verhaal zich in Beijing afspeelt.  De huizen beschikken allemaal over kang,[47] iets dat slechts in het noorden van China terug te vinden is; het keizerlijk paleis ligt relatief dicht bij het Jia-domein en er worden soms zelfs expliciet Pekinese straatnamen vermeld.  Hoewel op verschillende plaatsen in de roman Nanjing als ver in het Zuiden beschreven wordt en een reis ernaar toe ettelijke dagen in beslag neemt, toch wordt de familie in hoofdstuk 4 “de Jia van Jinling”[48] genoemd en de meisjes in Baoyu’s droom “de schoonheden van Jinling”.  Volgens mij wijst dit erop dat Cao Xueqin de personages op reële mensen uit zijn jeugd in Nanjing heeft geplaatst op een Pekinees achtergrond, waar hij zijn laatste jaren heeft doorgebracht en zijn roman heeft geschreven. 

 

3.2  “Het verhaal van een steen” en “De optekeningen van de gepassioneerde monnik”

 

Zoals Honglou meng en Jinling shi’er chai dezelfde connotatie hebben, hebben ook de titels Shitou ji  (Het verhaal van een steen) en qingseng lu (De optekeningen van de gepassioneerde monnik) een gelijkaardige betekenis.  Beide zijn mythische personages die het verhaal overbrengen naar de buitenwereld. De Godin Nü Wa maakte  36.501 grote steenblokken gereed om de hemel te herstellen.  Maar ze gebruikte er slechts 36.500, de enige overgebleven steen werd achtergelaten op aarde waar die tot bewustzijn kwam en vol schaamte om zijn verwerping voort bestond.  Een ronddolende monnik die op de steen stuit, wil de waarde van de steen verhogen door er karakters op te griffen en schrijft er het hele verhaal van de Jia’s op.[49]   Eeuwen later vindt een andere monnik de steen terug en leest het verhaal.  Hoewel hij er niet echt warm voor loopt, kan de steen hem toch overtuigen van de waarde van zijn relaas.  De monnik verandert zijn naam naar “de gepassioneerde monnik”, schrijft het hele verhaal over en brengt het naar een uitgeverij om het te verspreiden onder de mensen.[50] 

Jonathan Spence haalt een argument aan dat mijn theorie over de problematiek rond de situering van de roman, lijkt te bevestigen.  Hij wijst erop dat Shitou (zelfde karakters) lange tijd de naam was van een heuvelachtig district in Nanjing, in dewelke een beroemde tuin gevestigd was, die volgens Spence mogelijk als model heeft gediend voor de beschrijving van de Daguanyuan- tuin (de “Grote Uitzicht tuin”) in de Honglou meng.  Voor de 18de eeuwse lezer zal Shitou ji dus zowel “het verhaal van een steen” als “het verhaal van de  heuvels in Nanjing” betekend hebben.[51]

 

3.3  “De kostbare spiegel voor de romantici”

 

Een vijfde en laatste titel dat aangehaald wordt, is Fengyue baojian   (De kostbare spiegel voor de romantici).  Een commentaar van Zhiyanzhai leert ons dat dit in feite de titel was van een eerder geschreven, waarschijnlijk veel korter werk, dat mogelijk door Cao Xueqin zelf werd geschreven (cf. infra).  Later in de verhandeling zullen we zien dat het een niet te onderschatten invloed heeft gehad op de Honglou meng en dat er soms hele passages werden overgenomen en aangepast.

 

 

4.  Ontwikkelingsgeschiedenis

 

Het is nogal verrassend dat één van de meest populaire boeken uit de hele Chinese literatuur tot zo’n dertig jaar na de dood van de auteur ongepubliceerd bleef, en in tientallen verschillende versies bestaat waarvan men geen enkele met zekerheid kan aanduiden als de enige correcte.  Men kan twee periodes onderscheiden in de ontwikkelingsgeschiedenis van de roman: voor en na 1792, het jaar van de eerste gedrukte versie[52] door Gao E en Cheng Weiyuan.  Daarvoor was het boek slechts in manuscriptvorm (chaoben ) te verkrijgen en werd het gekopieerd en van hand tot hand verspreid door Cao Xueqins familieleden en vrienden, tot het via via een weg vond naar de kleine boekstalletjes in de hoofdstad.[53]  De oudste handgeschreven versie is genaamd de Zhiyanzhai chongping shitou ji (“Verhaal van een steen met commentaren van Zhiyanzhai), een onvoltooide versie van 80 hoofdstukken.  Ondertussen heeft men al een tiental versies ontdekt en heruitgegeven sinds de jaren vijftig, zoals een versie van 16, 41 en 78 hoofdstukken.[54] 

Alle versies deelden de titel Zhiyanzhai chongping Shitou ji, waren allemaal gedateerd en met rode inkt geannoteerd in de marges of interlineair en gingen geen van allen verder dan hoofdstuk 80, tot grote spijt van de lezer  die het verhaal afgebroken zag juist wanneer het naar een climax aan het groeien was.  Een laatste element dat alle manuscripten deelden was dat geen van allen onder handen werden genomen door een professionele redacteur en tot in 1792 door niemand in een definitieve vorm werden gegoten.  Er was geen enkele structuur en rangschikking terug te vinden in de commentaren, die liefdevol maar chaotisch overal met rode inkt tussen geschreven waren,  en ook de argumentatie binnen de commentaren was ad hoc in een chaotische hoop door elkaar gegooid.[55] David Rolston gaat zo ver dat hij de roman op vele vlakken een groot groepswerk noemt, waarbij vrienden en familieleden naar hartelust commentaren toevoegden en met de tekst prutsten.[56]

In 1792 kwam dus de eerste gedrukte editie (yinben ) van de roman uit onder de titel Honglou meng en met 120 hoofdstukken.  Cheng Weiyuan had naar eigen zeggen alle boekenkraampjes van de hoofdstad doorzocht en alle fragmenten van de laatste veertig hoofdstukken bij elkaar gesprokkeld.  Met de hulp van Gao E puzzelde hij de fragmenten weer in elkaar en voltooiden de Honglou meng.[57]  Omdat de gedrukte versie veel duurder was, bleef de manuscriptvorm nog veel verkocht en gelezen, al kwam daar een einde aan toen er goedkope, gedrukte piraatversies op de markt verschenen.  Een klein aantal puristen bleef zich echter vastklampen aan de oude, geannoteerde edities, bewerend dat dat de enige juiste versies waren, maar het grote publiek koos massaal voor de volledige versie van Gao E.  Aangezien het een gat in de markt was, schoten nog een tiental andere versies, elk met een verschillend slot, als paddestoelen uit de grond,[58] maar geen ervan kon in kwaliteit tippen aan die van Gao E en verdwenen even snel als ze verschenen weer in de vergetelheid.  De geannoteerde edities van Zhiyanzhai waren spijtig genoeg hetzelfde lot beschoren toen niemand er meer interesse in had.  Vreemd genoeg kenden ook steeds minder lezers de identiteit van de auteur, omdat Gao E in zijn eerste uitgaven van het boek beweerde dat zijn naam onbekend was.[59] Dit leidde bij de lezers tot veel getob en grootse theorieën werden verzonnen om de identiteit van de auteur te achterhalen, vergelijkbaar met de zoektocht naar de echte identiteit van Shakespeare in het Westen.  Pas in de 20ste eeuw werden de oude, aangetekende manuscripten teruggevonden, waaruit men weer kon afleiden wie de auteur was en in welke omstandigheden het boek geschreven werd.  

Toen de geannoteerde manuscripten weer kwamen bovendrijven, verwierpen de lezers Gao E’s versie massaal.  Hoewel de identiteit van de mysterieuze commentator onbekend was, leed het geen twijfel dat hij (of zij, of zelfs zij in het meervoud) een zeer nauwe band had(den) met de auteur.  De echte identiteit van Zhiyanzhai achterhalen is zeer complex en de wildste theorieen hebben reeds het daglicht gezien, volgens dewelke hij of zij de broer, nicht, echtgenote, beste vriend, enz. was van Cao Xueqin, en bijgevolg op de hoogte was van wat Cao Xueqin van plan was als slot te gebruiken.  Nu bleek dat de commentaren van Zhiyanzhai bijna nooit overeenkwamen met Gao E’s slot.  En aangezien deze standvastig had volgehouden dat hij niet de auteur was van de laatste 40 hoofdstukken, maar slechts de redacteur van reeds bestaande, door Cao Xueqin zelf geschreven passages, viel hij nu door de mand en werd afgeschreven als een ordinaire leugenaar en een vervalser.[60]   

Toch komen er steeds meer nieuwe aanwijzingen dat Gao E geen bedrieger was maar wel degelijk de redacteur en niet de auteur van de laatste 40 hoofdstukken.[61]  In elk geval is duidelijk dat Gao E zich gebaseerd heeft op fragmenten die, zo niet door Cao Xueqin zelf, dan toch door een naast familielid of vriend moeten zijn geschreven, iemand die op de hoogte was van Xueqins geplande slot, maar er niet tevreden over was en zelf een ander slot verkoos. Deze persoon schreef toen een eigen slot (zonder de pretentie te hebben ze aan Cao Xueqin toe te schrijven), en op dat materiaal baseerde Gao E zich om zijn versie van 120 hoofdstukken af te werken.  Misschien geloofde hij echt dat zijn bronnen wel degelijk van Xueqin kwamen.  Hoe het ook zij, of Gao E al dan niet bewust het einde heeft vervalst, het resultaat is toch op zijn minst zeer degelijk te noemen en van hoogstand niveau, zelfs als het van iets mindere kwaliteit is dan als het door Xueqin zelf was geschreven, en niet volledig overeenkomt met diens wens.

 

 

Hoofdstuk II:  Liefde en lust in de Chinese literatuur van de 17de eeuw

 

De zeventiende eeuw was voor China een tijd van ingrijpende veranderingen.  De grondverschuivingen vonden niet alleen plaats in de politiek en het binnen- en buitenlands beleid, maar ook de filosofie en literatuur stonden bloot aan een verfrissende wind van verandering.  Populaire romans en drama’s, zoals het prachtige Mudan ting [Het Pioenenpaviljoen] gingen steeds meer nadruk leggen op het belang van persoonlijke emoties en liefde.  Sommige schrijvers gingen zelfs zo ver dat ze gevoelens van lust trachtten te verantwoorden en te de-diaboliseren.   

Hoewel Huang het altijd over de “qing-cultus” heeft,[62] ga ik niet akkoord met de term “cultus”, omdat deze impliceert dat iedereen eensgezind dezelfde soort qing verheerlijkte, terwijl het begrip in werkelijkheid zo vaag en ongrijpbaar was dat schrijvers soms over volledig andere dingen spraken. En van eensgezindheid was er al helemaal geen sprake.  De term is wel gepast in de zin dat het een religieuze connotatie heeft.  Zoals we later zullen zien toonde de beweging rond qing soms religieuze trekjes en sommige mensen vereerden en brachten offers aan protagonisten van bekende romans, als ware het mythische figuren.  Hoe het ook zij, de verheerlijking van qing, die volledig indruiste tegen het orthodoxe neo-confucianisme, heeft een enorme invloed gehad op de literatuur en filosofie van de volgende eeuwen en heeft geleid tot enkele literaire meesterwerken, zoals de Honglou meng

Zoals het wel vaker voorkomt bij Chinese filosofische begrippen laat qing zich niet proppen in een handig maar beperkend keurslijf.  Approximatieve vertalingen als “emoties”, “(al dan niet romantische) gevoelens” en “liefde” worden gemakshalve gebruikt, maar doen te kort aan de bijzonder complexe en subtiele betekenissen die achter het concept schuilen.  Om deze reden zal ik de term vaak onvertaald laten, behalve wanneer zich in een bepaalde context een relatief accurate vertaling voordoet.  Een andere belangrijke term is yu , dat wederom zoveel subtiele kleurveranderingen heeft ondergaan in zijn lange geschiedenis dat eender welke vertaling het te kort zou doen.  De term zal doorheen de verhandeling vertaald worden als “lust”, maar de lezer moet in het achterhoofd houden dat de precieze betekenis veel complexer en subtieler is dan dat. 

De analyse begint met een bondige geschiedenis van qing om de populariteit van deze term tijdens de Ming in de juiste context te plaatsen.  De nadruk zal liggen op de veranderingen in betekenis en populariteit (van neutraal naar negatief naar positief).    Daarna zal ik me meer specifiek op de late Ming richten, toen emoties opeens sterk gewaardeerd werden door sommige literaten.  Enerzijds zullen de redenen voor deze waardering aan bod komen, anderzijds de verschillende strategieën die door de qing-voorvechters werden gebruikt om hun geliefkoosde term te promoten, legitimeren en verdedigen tegen de kritiek van de meer conservatieve neoconfucianisten.  Ik zal ook trachten aan te tonen dat er naar mijn mening drie verschillende hoofdbewegingen waren rond qing tijdens de Ming.  Ten eerste waren er de schrijvers die qing van yu wilden scheiden, ten tweede zij die qing ter vervanging van yu gebruikten en ten derde neoconfucianisten die tegen qing en yu waren en tegen wie deze termen verdedigd moesten worden.  

 

 

1.  Qing in de geschiedenis

 

Qing heeft vanaf de periode van de Strijdende Staten een centrale plaats gehad in de Chinese filosofie.  Het bleef echter een zeer vaag en dubbelzinnig concept en heeft in de loop van de geschiedenis regelmatig nieuwe, soms tegenstrijdige betekenissen gekregen, waardoor tot op de dag van vandaag nog verhitte debatten tussen deskundigen plaatsvinden over de precieze definitie ervan.  Ik ben me er terdege van bewust dat een uiteenzetting van alle verschillende visies op qing niet samen te vatten valt in een tiental pagina’s.  Daarom zak ik me beperken tot een zeer bondige ontwikkelingsgeschiedenis van de term, gebaseerd op de verhandelingen van Martin W. Huang, A. C. Graham en Anthony C. Yu.

 

1.1  Groeiend conflict tussen emoties en de menselijke natuur

 

A.C. Graham beweert dat qing in de pre-Han literatuur nooit de connotatie van liefde heeft gehad.  Het woord had eerder de betekenis van “essentie”, in de zin dat iets essentieel is bij een mens.[63]  Het verschil met xing (de menselijke natuur) was soms zeer klein en beide termen konden volgens Martin Huang soms door elkaar worden gebruikt.  Eén van de vroegste definities van qing komt van Xunzi , die beweerde dat “de gevoelens van graag en niet graag hebben, van plezier en woede, van vreugde en verdriet die ingeboren zijn in onze natuur (xing) ‘ emoties’ genoemd  [worden] .  De mens is in staat ze te voelen zonder ze te hebben aangeleerd ” ( ). [64] 

Vanaf de Westelijke Han begon men de nadruk te leggen op de conflicten die konden ontstaan tussen de menselijke natuur en emoties.  Ze werden beschouwd als onverenigbaar, waarbij xing goede en qing eerder slechte connotaties kreeg.  Deze dualistische visie werd expliciet geformuleerd door Li Ao (772-841), die beweerde dat datgene waardoor een man wijs kan worden zijn menselijke natuur is, terwijl zijn gevoelens datgene zijn wat hem van zijn ware natuur kunnen afleiden.[65]  Volgens hem is “de natuur van aartsslechteriken, zoals Jie en Zhou,[66] identiek aan die van de wijze heersers, zoals Yao en Shun.  Als [de goedheid van] de natuur niet tot uiting komt [bij slechte mensen], dan is dat omdat ze verward worden door verlangens, sympathieën en antipathieën.  De natuur is daar niet verantwoordelijk voor.  Als een misdaad wordt gepleegd, dan is dat niet omwille van de menselijke natuur maar omwille van de gevoelens.  Deze kunnen zowel goed als slecht zijn, terwijl de menselijke natuur altijd goed is…”[67]

 

1.2  De neoconfucianistische visie op gevoelens tijdens de Song

 

Tijdens de Song vond er een belangrijke verandering plaats in het denken van de confucianisten.  Men ging een onderscheid maken tussen de natuur in haar ideale vorm zoals door de hemel bepaald (Tian zhi xing ) en haar minder perfecte, wereldse vorm (qizhi zhi xing ).  De mens bleef dus van nature goed, zoals Mencius ook altijd had beweerd, maar zijn goedheid kwam voortdurend in het gedrang omdat de materie (qi ) waaruit de wereldse natuur bestond, gecorrumpeerd kon worden door de buitenwereld.  Het was van cruciaal belang dat de mensen zichzelf zouden cultiveren, om de potentieel nefaste invloed van de materiële natuur op de hemelse zo klein mogelijk te maken.[68]

Emoties kunnen in twee verschillende vormen voorkomen: in een eerste vorm zijn ze potentieel aanwezig maar nog niet opgewekt (weifa  ) en bijgevolg ongevaarlijk, in een tweede zijn ze wel opgewekt (yifa ).  Aangezien emoties deel uitmaken van de onperfecte, materiële natuur, werden ze in hun opgewekte staat beschouwd als verdacht en potentieel gevaarlijk voor de hemelse natuur.[69]  Er was dus een nogal dubbelzinnige visie op gevoelens: Het Hemels Principe tianli  heeft bepaald dat de mens in staat is gevoelens te hebben, maar zodra hij ze heeft, bevindt hij zich op glad ijs en moet hij ze zo goed mogelijk inperken en reguleren aan de hand van zelfstudie en rituelen, omdat ze gevaarlijk zijn en kunnen ingaan tegen hetzelfde Principe.[70]

Om de relatie tussen xing, qing en yu in kaart te brengen, maakt Zhu Xi (1130-1200) zoals Mencius gebruik van de allegorie van stromend water, zij het in een veel minder positieve context:  “Xing is de geest (xin ) voordat hij wordt opgewekt (weifa), qing is de geest die reeds opgewekt is (yifa) [...]  De geest is vergelijkbaar met water, xing met de rustige staat waarin stilstaand water zich bevindt, qing met de stroming van water, en yu is vergelijkbaar met golven.  Zoals er goede en slechte golven bestaan, zo is er ook goede yu, zoals in “ik wens menselijkheid (ren )”, en slechte yu, dat om zich heen slaat als wilde en hevige golven.  Wanneer men uiting geeft aan het slechte yu, dan zal het het Hemels Principe (tianli) vernietigen, zoals water dat uit een dam barst alles vernietigt.  Mencius zegt dat ‘qing de mens in staat stelt het goede te doen’.  Daarmee bedoelt hij dat het correct stromen van qing vanuit onze natuur oorspronkelijk altijd goed is.”[71]

Vergeleken met qing is yu dus nog actiever en verder verwijderd van xing (dat verondersteld wordt volkomen rustig en goed te zijn) en daarom des te gevaarlijker.  Hoewel Zhu Xi nooit expliciet heeft beweerd dat lust op zich slecht is, de absolute onverenigbaarheid van het Hemels Principe (tianli ) en menselijke lusten (renyu ) werd zo benadrukt door sommige neo-confucianisten dat lust vanzelf moreel verdacht werd.[72]

 

 

2.  Herwaardering van emoties tijdens de Ming

 

Qing veranderde tijdens de Ming subtiel van betekenis.  De literaten gingen steeds meer het belang inzien van liefde en emoties.  Sommige prezen qing als een soort verheven, hoofse liefde, terwijl anderen de scheiding tussen qing en (al dan niet seksuele) lust trachtten te verkleinen.  Deze literaten wilden alles doen om yu te revalideren, maar ze botsten op heel wat tegenstand van de conservatieven.  De term had in zijn lange geschiedenis zo’n negatieve betekenis gekregen dat het onbegonnen werk leek om hem nog te redden.  Daarom moesten ze gebruik maken van de minder controversiële term qing, die ambigu genoeg was om hem gemakkelijk een nieuwe invulling te geven.  Daarom kreeg hij in sommige gevallen naast zijn betekenis van “emotie” en “liefde” steeds vaker de connotatie van meer primitieve verlangens zoals het verlangen naar seks en lekker eten.[73]

 

2.1  De frustratie van de literaten

 

Tijdens de zeventiende eeuw was er een zeker malaise bij veel literaten, die langzaam aan hun geloof in de traditionele waarden van het neo-confucianisme verloren en steeds cynischer hun gevoelens van ongenoegen begonnen te uiten.[74]  Volgens T’ien Ju-K’ang is de hoofdreden voor hun ongenoegen de zeer geringe slaagkansen voor de staatsexamens.  Tijdens de Wanli-periode (1573-1620) groeide het kapitaal bij de bevolking waardoor meer mensen zich konden toeleggen op hun studies, in de hoop carrière te maken als ambtenaar.[75]  Desondanks bleef de numerus clausus onaangepast, waardoor een enorme groep mensen in hun ambities gefrustreerd raakten.[76]  Het was niet ongewoon dat iemand dertig à veertig jaar van zijn leven wijdde aan de voorbereiding voor het examen.  Het probleem dat daarbij rees was dat het natuurlijk voor het leeuwendeel van de literaten onmogelijk was om zo lang zonder economische steun te studeren.[77]  Daarbij kwam nog dat een succesvol examen niet eens een garantie was voor een glorierijke toekomst.  Feng Menglong (1574-1646) legde op zijn twintigste de examens succesvol af maar kreeg pas rond zijn zesenvijftigste een eerste, relatief onbelangrijke post toebedeeld.[78]  Sommige literaten die wel een interessante post hadden, raakten dan weer gefrustreerd door de overweldigende corruptie die in alle lagen van de bureaucratie woekerde en door het besef dat het examensysteem geen efficiënt leiderschap voortbracht.[79]

Zelfs het neoconfucianisme op zich kwam onder vuur te liggen.  Het einde van de Ming-dynastie was een zeer chaotische periode en vele literaten bekritiseerden het introspectief quiëtisme dat door het neoconfucianisme bevorderd werd.[80]  Ze vonden dat de neoconfucianistische ideologie veel te geïnstitutionaliseerd en gecodificeerd was en dat ze steeds meer vervreemd raakte van de politieke en intellectuele stromingen van die tijd.  Vele zestiende- en zeventiende-eeuwse literaten verfoeiden ook de onverzettelijke houding van de neoconfucianisten om het ritueel altijd boven de natuurlijke uiting van gevoelens te plaatsen.

 

2.2  Qing als