| Een nieuwe vorm van mediapaniek? Homofobe geluiden in de hedendaagse reggaemuziek. (Pieter-Jan Van der Bracht) |
| home | lijst scripties | inhoud |
Over het schrijven van een thesis valt heel wat te vertellen. Je herinnert je de vele uren werk, de frustratie wanneer je even met de handen in het haar zat, het doorpluizen van hopen literatuur, maar vooral ook de mensen die je bij dit alles op een of andere manier geholpen hebben. Hen ben ik een bijzonder woord van dank verschuldigd.
Mijn promotor, Professor Hans Verstraeten, wil ik bedanken om me op het juiste spoor te houden en me te helpen met het doorhakken van knopen waar dat nodig was.
Veel hulp kwam ook van het thuisfront, mijn familie. Zij motiveerden, toonden interesse en hielpen me bij het nalezen. Mijn ouders wil ik in het bijzonder bedanken, omdat ze me de mogelijkheid gaven om te studeren en me steeds met raad en daad bijstonden.
Ook mijn vrienden - al hun namen noemen zou me te ver leiden - ben ik dank verschuldigd, om van het schrijven van deze thesis een minder solitaire bezigheid te maken. In het bijzonder wil ik hier ook mijn goede vriend Jef Schoenmaekers bedanken voor het verlenen van zijn kritisch oog, hij betekende een enorme hulp. Respect! Ook een woord van dank naar sempai Telly en Gijs voor de welkome ontspanning op sportief en ander vlak.
Ik wil ook alle mensen bedanken die meegewerkt hebben aan de interviews, zonder hun medewerking had deze thesis niet tot stand kunnen komen.
Ten slotte wil ik iemand bedanken die enorm veel voor me betekent, mijn vriendin Evelien Vanden Broeck. Voor het aanhoren van mijn klaagzang in de laatste stresserende periode, en in het bijzonder voor haar liefde, inspiratie en steun. Bedankt!
Reggae werd door de meeste mensen geassocieerd met de One Love boodschap die Bob Marley verkondigde. Vanaf de jaren ’80, met de opkomst van de moderne dancehall reggae of ragga, werd deze positieve boodschap echter steeds vaker vervangen door gewelddadige en seksueel getinte teksten. Vanaf de jaren 90 treedt deze moderne reggae variant ook internationaal steeds meer op de voorgrond. De internationale doorbraak ging hand in hand met een groeiende media-aandacht. Het gevolg was een confrontatie tussen de doorgaans homovriendelijke muziekcultuur in Europa en de militante homohaat die manifest aanwezig is in de Jamaicaanse ragga. Steeds vaker worden er vragen gesteld bij de harde en expliciete teksten van heel wat ragga nummers. Vooral de homofobe teksten deden heel wat stof opwaaien buiten Jamaica. In Jamaica en de Caraïben zit homofobie diep geworteld. Dit wordt onder andere weerspiegeld in de Jamaicaanse wetgeving, die homofilie strafbaar stelt met straffen die oplopen tot 10 jaar dwangarbeid. Maar internationaal worden deze homofobe geluiden minder gesmaakt.
In 1992 ontstond voor het eerst enige controverse rond de homofobe muziekcultuur in Jamaica. Toen Buju Banton eind 1992 het antihomo nummer “boom Bye-Bye” uitbracht, kwam dit onmiddellijk onder de aandacht van de internationale pers.[1] In dat nummer zingt hij dat alle batty boys[2] maar beter kunnen opkrassen, want dat hij ze anders door het hoofd zou schieten. “Echte mannen kunnen geen vieze mannen uitstaan” zo eindigt het refrein, “ze moeten allemaal dood.” Zowel de Gay and Lesbian Alliance Against Defamation (GLAAD) als de Gay Men of African Descent (GMAD) namen aanstoot aan de tekst. Buju Banton haalde voor de eerste en de laatste keer de voorpagina van de New-York Times, verschillende radiostations werden bestookt met protesten.[3]
Communicatiemedia zorgden ervoor dat verschillende culturele waardepatronen met elkaar in contact konden komen. Via de internationale verspreiding van Jamaicaanse muziek kan men wereldwijd in contact komen met een exponent van de Jamaicaanse cultuur, en ook met de Jamaicaanse homofobie. Op deze manier komen op het globale toneel “cultuurverschillen”[4] aan de oppervlakte.
Vooreerst willen we een beeld scheppen van de ruimere context. We zullen dan ook eerst summier de geschiedenis van de Jamaicaanse muziek schetsen vanaf de onafhankelijkheid van het eiland in 1962. Hieraan gekoppeld duiden we ook het Rastafarianisme in zijn historisch perspectief, gezien de link tussen deze geloofsovertuiging en reggae.
In een volgend deel wordt er dieper ingegaan op het begrip ‘moral panic’ en op de link tussen muziek en paniek om zo de reggae controverse theoretisch te kunnen plaatsen en onze analyse meer diepgang te geven.
Via een grondige literatuurstudie willen we vervolgens dieper ingaan op het fenomeen van homofobie in Jamaica. Op die manier willen we inzicht krijgen in de Jamaicaanse wetgeving in verband met homofilie in Jamaica. Een overzicht van het onderzoek naar de Jamaicaanse homofobie zal ons helpen de oorzaken en achtergronden bloot te leggen. Tevens willen we via een aantal getuigenissen van Jamaicaanse homo’s en poll’s naar de houding van Jamaicanen tegenover homofilie de homofobe situatie op het eiland verduidelijken. Daarna willen we bekijken wat de link is tussen homofobie en geweld in Jamaica.
Met een bloemlezing van een aantal reggae[5] teksten wensen we het verband tussen reggae en homofobie duidelijk te maken. We gaan uitzoeken wat er aan is van de homofobe beschuldigingen en welke de gevolgen ervan zijn. Ook wordt er bekeken of de expliciete homofobe reggae teksten al dan niet een recent verschijnsel zijn.
Via een kwalitatief publieksonderzoek willen we nagaan in hoeverre jongeren die naar reggae en ragga luisteren zich bewust zijn van de homofobe geluiden. Reggae wordt immers doorgaans in een plaatselijk dialect, Patois, gezongen, waardoor de teksten niet makkelijk verstaanbaar zijn voor de doorsnee luisteraar. We willen ook te weten komen hoe diegenen die weet hebben van de homofobie zich hiervan bewust zijn geworden. Zijn ze dit te weten gekomen door de media aandacht? Of door interne communicatie binnen de reggae subcultuur? Of op een andere manier? Wordt hun luistergedrag hierdoor beïnvloed? Met andere woorden, gaan ze nummers waarvan ze weten dat ze antihomo teksten hebben minder beluisteren en kopen?
Gezien het ontbreken van eerder onderzoek omtrent de meningen van jongeren over dit thema, hebben we gekozen voor een exploratief onderzoek, waarin we een eerste beeld schetsen van de kennis, meningen en attitudes van zowel reggaefans als niet-reggaefans over dit thema.
Voor de delen twee tot en met vijf van dit werk wordt het literatuuronderzoek als methode gebruikt. Onze zoektocht begon bij algemene werken over reggae en rastafari die de noodzakelijke historische duiding verschaften. Aangezien de controverse rond homofobe teksten in dergelijke overzichtswerken slechts zijdelings en beperkt aangeraakt werd, dienden we ons op dat vlak meer op de media te richten. In zowel binnen als buitenland (vooral Groot-Brittannië) werd over het thema bericht. In de media vonden we hier en daar stukken waarin wel dieper werd ingegaan op het thema. Wetenschappelijk onderzoek specifiek over de homofobie in reggae is (nog) niet voor handen. Vandaar dat we voor een theoretische onderbouw ruimer gingen zoeken, we kwamen uit bij de theorie rond ‘moral panic’, literatuur over popmuziek en werken over subculturen. Vervolgens gingen we op zoek naar de oorzaken en achtergronden van de Jamaicaanse homofobie. Na enig zoekwerk bleken er een aantal wetenschappelijke studies te zijn waarin het thema behandeld werd.[6] We gingen te rade bij verschillende disciplines om een brede kijk te behouden en geen eenzijdig beeld te scheppen. Zowel sociologen, antropologen als historici bleken hun eigen verklaringen te hebben voor de Jamaicaanse homofobie. De bibliografieën van deze studies waren een goede leiddraad naar meer informatie. Rapporten van mensenrechtenorganisaties en poll’s naar de attitudes van Jamaicanen ten opzicht van holebi’s die ook in een aantal van deze studies werden aangehaald bleken degelijke bronnen om de Jamaicaanse situatie verder te staven.
Om de homofobie in reggae te illustreren gingen we rondvraag doen op internetfora naar nummers met dergelijke teksten, ook de eigen reggae collectie werd doorzocht. We kwamen ook terecht bij nieuwsdiensten en websites van homorechtenorganisaties waar we eveneens heel wat voorbeelden en informatie vonden. Aangezien de teksten in het Jamaicaanse Patois gezongen worden was het noodzakelijk deze ook te vertalen. Voor de vertaling van de teksten in het Nederlands gingen we op zoek naar Engelse vertalingen om deze dan in het Nederlands om te zetten. Vertalingen naar het Engels waren te vinden op het internet en op een aantal sites van homorechtenorganisaties. Als reggaeliefhebber kon ik ook een beroep doen op mijn eigen (beperkte) kennis van het Jamaicaanse Patois en die van andere reggaefans. Om de verschillende reacties op het fenomeen in kaart te brengen kwamen we uiteindelijk weer hoofdzakelijk bij de gedrukte media terecht.
1.3.2. Kwalitatief publieksonderzoek
Voor het publieksonderzoek kozen we voor een kwalitatief onderzoeksopzet met face-to-face interviews als methode. Deze methode wordt ook wel een ‘kwalitatief survey’ genoemd. Het verschil met een kwantitatief survey ligt niet enkel in de statistische verwerking van de grote hoeveelheid gegevens die het kwantitatief survey kenmerkt. Ook de vraagstelling en de doelstelling van beide typen survey verschillen van elkaar. In het kwantitatieve survey is de vraag- en doelstelling gericht op het in kaart brengen van de verdeling van bepaalde kenmerken en de mate waarin zij in de populatie voorkomen. In het kwalitatieve survey is de vraagstelling meer gericht op de beschrijving van individuele gevallen en op het ontdekken, formuleren en typeren van kenmerken en begrippen met het oog op theorievorming.[7] Vandaar onze keuze voor kwalitatieve interviews.
We willen een aantal jongeren dieper ondervragen over hun kennis, attitudes en gedrag met betrekking tot homofobe teksten in reggae, dit willen we interpretatief verwerken om op die manier kenmerken te ontdekken en conclusies te trekken. We kunnen hier niet voortbouwen op eerder onderzoek, dit onderzoek is dus exploratief van aard, nog een reden waarom we kozen voor een kwalitatief onderzoeksopzet. Er wordt immers aangeraden om bij onderzoek naar ‘situaties waarin men wil exploreren welke betekeniswereld er achter sociale processen, interacties en sociale relaties (…)’[8] ligt, gebruik te maken van de kwalitatieve onderzoeksmethode.
De interviews werden afgenomen aan de hand van een op voorhand opgestelde topiclijst, en niet aan de hand van een gestructureerde vragenlijst. We wilden het verhaal van de respondent volgen, maar toch het gesprek in een bepaalde richting sturen. We wilden uiteindelijk een aantal onderwerpen ter sprake brengen, de topics, maar dan wel met de woorden van de respondent, met zijn/haar eigen definities, met wat hij of zij als belangrijk aanduidt. Op die manier worden de subjectieve ervaringen, opinies en houdingen die loskomen, beschreven in termen die de respondent belangrijk vindt. Het laat ook toe dat de respondent al dan niet nuances aanbrengt, eigen voorbeelden geeft, eigen variaties enz.[9]
De topiclijst bestond uit volgende onderwerpen:
· Kennis van de homofobie in reggae.
Bij deze topic komen vragen aan bod als: Heb je weet van de homofobie in reggae? Wanneer kwam je dit voor het eerst te weten? Op welke manier kwam je dit te weten?
· Media en reggae.
Hier peilen we naar de mate waarin de respondenten in contact kwamen met mediaberichtgeving over het thema. Heb je al ooit iets opgevangen in de media over homofobe reggaeteksten? Hoor of zie je soms iets over reggae in de media?
· Invloed van de homofobie op het luistergedrag en koopgedrag.
Met deze topic gaan we na of de respondenten al dan niet naar homofobe nummers zouden luisteren en of ze deze zouden kopen.
· Houding tegenover maatregelen.
Deze topic omvat vragen als: Vind je dat de overheid maatregelen moet nemen tegen antihomo teksten? Indien voorstander van maatregelen: welke maatregelen lijken je het beste?
· Houding tegenover holebi’s.
Hier wordt gevraagd wat de respondenten vinden van holebi’s, opdat de respondenten in eigen bewoordingen hun houding ten opzichte van holebi’s zouden kunnen weergeven.
Behalve de topics werd aan de respondent ook gevraagd een nickname op te geven, de leeftijd, opleiding en eventueel beroep. Ook werd er gepeild naar de muzieksmaak van de respondenten en hun eventuele muzikale bezigheden om zo extra aanknooppunten te hebben voor de analyse.
Aangezien we met dit onderzoek geen (statistische) veralgemening voorop stelden, kozen we voor een beperkt aantal interviews. Er bestaan dan ook geen standaardregels voor het aantal vereiste respondenten. Te weinig respondenten interviewen beperkt de mogelijkheid tot vergelijken en inhoudelijk veralgemenen, terwijl teveel respondenten bevragen ten koste kan gaan van diepgang bij de analyse.[10] Uiteindelijk werden voor dit onderzoek 28 respondenten bevraagd, aangezien we merkten dat er bij verdere interviews weinig additionele informatie werd aangebracht.
We kozen ervoor om jongeren te bevragen, deze groep werd echter ruim afgebakend, namelijk van 15 tot 30 jaar. Gezien de aard van het onderzoek heeft het weinig zin om respondenten buiten deze leeftijdsgrens te ondervragen. We gaan er immers vanuit dat buiten deze leeftijdsgrens de kans dat de respondenten nog nooit van reggae heeft gehoord te groot is. Bij respondenten die niet de minste notie hebben van wat reggae is zou het quasi onmogelijk zijn om de topics aan bod te laten komen. Doch hebben we deze afbakening vrij los gehanteerd: Bij de groep van de reggaefans maakten we twee uitzonderingen op de leeftijdsgrens, twee van de ondervraagden uit deze groep zijn ouder dan 30, maar werden toch in de analyse betrokken wegens hun grote kennis en liefde voor reggae.
We bevroegen twee verschillende groepen jongeren: enerzijds een groep reggaeluisteraars, jongeren die geregeld naar reggae luisterden en zichzelf als reggae fan bestempelden, en anderzijds een groep jongeren die niet specifiek naar reggae luisterden, maar andere favoriete muziekgenre’s hadden, dat kon om het even wat zijn, behalve reggae. We kozen voor deze twee subgroepen aangezien we door beiden te vergelijken kunnen nagaan of de gevonden resultaten een indicatie geven van de houdingen van Vlaamse jongeren of veeleer specifiek zijn voor de houdingen van de Vlaamse reggaefans.
Een typisch kenmerk van kwalitatief onderzoek is dat de onderzoekseenheden waargenomen worden in het veld waarin de eenhedenaanwezig zijn. Het belangrijkste aspect van deze uitspraak is dat het moet gebeuren in voor de onderzoekseenheden alledaagse omstandigheden.[11] Om de onderzoekseenheden te motiveren en niet teveel af te schrikken werd ook gewezen op de korte duur van het interview. Een interview duurde doorgaans niet langer dan tien minuten, aangezien we met een beperkt aantal topics werken, enkel de noodzakelijke.
De eerste groep respondenten, de reggae fans, werden bereikt via reggae feesten en evenementen en bevragingen van kennissen. We konden verwachten dat de bezoekers van dergelijke feesten reggae luisteraars zijn, toch werd voor de duidelijkheid steeds nog eens naar de muzieksmaak van de respondent gepeild, en of hij/zij zich als reggae fan zou bestempelen. De tweede groep respondenten bereikten we via interviews in shopping centra, straat interviews en bevraging van kennissen. De kenmerken om in deze groep terecht te komen waren tweeërlei: enerzijds was dat ‘jong’ zijn, en anderzijds niet specifiek naar reggae luisteren.
De aard van de bronnen in deze thesis zijn velerlei. Vaak maakten we gebruik van mediabronnen zoals tijdschriftartikels, krantenknipsels en het internet. Dit was vaak de enige manier om iets te weten te komen over homofobe reggae teksten. Wetenschappelijk onderzoek op dit vlak is er nauwelijks te vinden. Wel werden in een aantal overzichtswerken over reggae, zoals in The Rough Guide to Reggae[12] meldingen van het thema gemaakt, maar zonder veel duiding of achtergrond. Het ging dan vooral over besprekingen en biografieën van een bepaalde artiest waarin summier werd aangehaald dat deze artiest tegenwind had gekregen wegens homofobe uitspraken. In de media werd er wel dieper ingegaan op de achtergronden, oorzaken en gevolgen van de homofobie in reggae, met een veelheid aan verklaringen tot gevolg, maar vaak met een speculatief karakter.
Wetenschappelijk onderzoek naar homoseksualiteit en de homofobie die op Jamaica leeft is wel te vinden, maar zoals vele wetenschappers aanhaalden is dit onderzoek erg schaars. Chevanne sprak in 1993 betreffende onderzoek naar homoseksualiteit in Jamaica over “a relatively dark area, as far as research is concerned”[13].
De situatie lijkt inmiddels niet danig veranderd, want ook recenter onderzoek van dr. Robert Carr uit 2003 meldt het volgende: “Little scientific research into MSM (men who have sex with men) in the Caribbean has been undertaken.” [14] Als belangrijkste verklaring voor het gebrek aan onderzoek duidt men op de problemen bij het bereiken van de homoseksuele populatie, die in grote mate samenvallen met de Jamaicaanse homofobie: “Very strong and deep-rooted local, religious, and other socio-cultural prejudices challenge any data collection initiative.[15] Verder wordt ook gewezen op het gebrek aan politieke wil om dergelijk onderzoek te steunen en te financieren.[16]
Dit heeft tot gevolg dat het aantal wetenschappelijke bronnen die we konden aanhalen veeleer beperkt zijn. Behalve opzoekwerk in bibliotheken hebben we ons ook tot het internet moeten wenden als bron van materiaal. Tevens verzamelden we zelf gegevens via onderzoek.
Een belangrijke bron bleek de website van Outrage!, de Britse homorechtenorganisatie die bijzonder actief was op vlak van homofobie in Jamaicaanse muziek. Deze organisatie heeft namelijk een eigen newsservice die online te raadplegen valt. Het viel al snel op dat heel wat media gingen citeren uit deze ‘Outrage newsservice’. We merkten immers dat steeds dezelfde informatie terugkwam in krantenartikels, vaak met dezelfde zinsbouw. Na wat zoeken bleek dat deze informatie vaak uit deze newsservice kwam. Outrage! heeft dus een belangrijke stempel op de verslaggeving kunnen drukken.
Voor een bloemlezing van een aantal Jamaicaanse antihomo teksten is de website van Outage! ook bijzonder handig gebleken, je kan er namelijk een ‘dancehall dossier’[17] vinden. In dit dossier worden een aantal teksten weergegeven met een Engelse vertaling erbij en beknopte uitleg over de artiesten vanuit het standpunt van Outrage!. Wanneer we verder in dit werk een artiest beschrijven zorgen we er steeds voor meerdere bronnen te raadplegen, enkel Outrage! citeren zou immers een te gekleurd beeld schetsen.
1. Reggae, dancehall, ragga. Een overzicht van de Jamaicaanse muziek
Het Caribische eiland Jamaica, een voormalige kolonie van Groot-Brittannië, gelegen ten zuiden van Cuba, geldt als de bakermat van reggae. Augustus 1962, de maand waarin Jamaica de onafhankelijkheid verwierf, lijkt ons het beste startpunt om een overzicht te geven van de Jamaicaanse muziek. Tot die tijd was de Amerikaanse rhythm & blues, de populairste muziek op het eiland.
Met zijn incorporatie van elementen uit de Amerikaanse R&B en pan-Caribische stijlen, kan ska beschouwd worden als de muzikale onafhankelijkheidsverklaring van het eiland. Het was de eerste muziek die door de rest van de wereld exclusief met Jamaica geassocieerd werd. Ska spruit voort uit een veelheid aan muzikale stijlen.
Naast de Amerikaanse R&B is ook de plaatselijke folkloristische muziek een grote beïnvloedende factor geweest, zoals de muziek van de Pocomania kerk en de lange traditie van ‘work songs’ die op de Jamaicaanse plantages gezongen werden. De eerste Jamaicaanse muziek die opgenomen werd, mento[18], was erg schatplichtig aan deze folkloristische muziek. Ook Afro-Cubaanse muziek zoals rumba, bolero en mambo hadden een grote invloed op de Jamaicaanse muziek.[19]
Tijdens de jaren 50 en 60 werd de Jamaicaanse muziekscène gedomineerd door de Amerikaanse rhythm & blues (R&B). Door de nabijheid van Jamaica met de Zuidoost kust van de Verenigde Staten konden de Jamaicanen naar de Amerikaanse radiostations luisteren, waar regelmatig R&B geprogrammeerd werd. Jamaicaanse muzikanten hebben dit R&B geluid op hun eigen distinctieve manier geherinterpreteerd. Dit nieuwe R&B geïnspireerde geluid werd bekend als ska. Populaire ska artiesten in de vroege jaren 60 waren onder andere Bryon Lee, Owen Gray, Laurel Aitkin en Prince Buster.[20]
Midden jaren 50 werd in Amerika rock ‘n’ roll steeds populairder, hierdoor kwam de toestroom van Amerikaanse R&B naar Jamaica steeds meer in het gedrang. Dit deed Jamaicaanse muzikanten beslissen om zelf hun favoriete muziek op te nemen. Een aantal jaren volgde deze muziek het Amerikaanse patroon, maar met verloop van tijd begon ze steeds Jamaicaanser te klinken: de ritmegitaar die de offbeat (het accent tussen de tellen van een maat) aansloeg, kwam meer op de voorgrond, zodat je het type ritme hoorde dat ook in mento te vinden was. Ook de drums veranderden, de basdrum ging de nadruk leggen op de derde beat.
Vandaar verschoof de nadruk naar de afterbeat (de tweede en vierde tel in een vierkwartsmaat), het typerende kenmerk van de latere Jamaicaanse muziek. Volgens zanger Derrick Morgan was Prince Buster de eerste die in zijn platen duidelijk de nadruk legde op de afterbeat, in tegenstelling tot de offbeat van de Jamaicaanse boogie’s. Buster legde in zijn producties het karakteristieke ritme van de klassieke ska. Ook veteraan Alton Ellis haalt de afterbeat aan als het essentiële Jamaicaanse ingrediënt:
“I see the whole a dem as one sound, y’know – this is a lickle bit faster, this a lickle slower; this time the emphasis is on the drum, the nex’ time the emphasis is on the bassline, but basically the nerve centre of Jamaican music is the afterbeat.”[21]
Deze aanpassing, de nadruk op de afterbeat, zorgde voor de overgang van Jamaicaanse R&B naar ska, een transformatie die voltooid was tegen eind 1961, mooi op tijd voor de onafhankelijkheid op 5 augustus van het volgende jaar.[22]
In 1966 ontstond rocksteady. In een notendop was rocksteady trager, geraffineerder en koeler dan zijn voorganger, Ska. Tijdens zijn relatief korte periode van dominantie was rocksteady het meest verkozen genre in de dancehall. Voor de eerste platen werden gemaakt in deze nieuwe stijl, was er echter een overgangsperiode tijdens welke de snelle tempo’s van ska vertraagd werden en de ritme’s empathischer werden, de rude-boy periode.[23]
Van begin 1965, toen de Kingston studio’s nog hoofdzakelijk ska platen uitbrachten, tot 1967, het jaar van de rocksteady dominantie, luisterde en danste de jeugd van West-Kingston op andere muziek. Deze stijl werd gekenmerkt door twee factoren: Muzikaal werd hij gedragen door een meer dynamische baslijn en de teksten richtten zich specifiek naar het doelpubliek, de ghetto-jeugd. Deze tragere muziek vond veel bijval bij de straatbendes van West Kingston, die ‘rude-boys’ werden genoemd, vandaar ook het label ‘rude-boy music’.[24]
Na de ‘rude-boy’ periode werd rocksteady geboren. Toen eind 1966 de jonge zanger Hopeton Lewis ‘Take it easy’ opnam in de Federal Studios in Kingston, vroeg hij de band, geleid door Lynn Taitt, om het ritme te vertragen aangezien hij moeilijkheden had om de tekst over het snelle Ska ritme te plaatsen. Toen de opname af was merkte pianist Gladstone ‘Gladdy’ Anderson op dat het vertraagde ritme een ‘rock steady’ gevoel had, het bleef de benaming voor deze nieuwe stijl. Hopeton’s tekst “take your time/There’s no need to hurry” kon geïnterpretteerd worden als een boodschap aan de rude boys, of simpelweg als verwijzing naar de nieuwe dansgewoonten die samengingen met deze muziekstijl. Andere nummers die tijdens deze sessies werden opgenomen en in een haast gereleased werden voor Hopeton’s populaire eerste album waren het pocherige “Sounds & Pressure” en “A deh Pon Dem”; het eerste cannabis nummer ooit opgenomen in Jamaica, “Cool Collie”; een aantal knipogen naar de Amerikaanse Soul met “Music Got Soul” en “Why must I Cry”; en het anthem “Rock Steady”, dat het ontstaan van de nieuwe dans op een directe manier vierde:[25]
“People are you ready
This is rocksteady
Shoulder jerk, heads a movin’
Feel the beat now
Move your feet now
Then go steady
If you’re ready
People are you ready
This is rocksteady”
Als ska het nieuwe onafhankelijke Jamaica sloeg met de kracht van een orkaan, dan kwam rocksteady in de vorm van een koele bries, genesteld in de stilte na de storm. In tegenstelling tot ska werd rocksteady gemaakt door kleinere, studiogebaseerde groepen die de blazers als complementaire instrumenten gingen gebruiken in plaats van als muzikaal focus punt. De vocalen waren zoeter en soulvoller. De baslijn kwam meer op de voorgrond en werd melodisch belangrijker, hierdoor ging het publiek ook heel anders dansen dan op de opgezweepte ska.[26]
Omstreeks 1970 ging rocksteady over in reggae, met een diepe bas en de elektrische gitaar die de tweede en vierde tel nog eens extra benadrukte. Bij reggae ligt de nadruk niet meer op zoete, soulvolle vocalen maar wordt de afgemeten ritmiek van funk als uitgangspunt genomen. In de teksten klinkt teleurstelling door over het uitblijven van maatschappelijke vooruitgang na de onafhankelijkheid van Jamaica.[27]
Halverwege de jaren zeventig breekt Reggae dankzij Bob Marley & The Wailers definitief wereldwijd door. Marley groeit uit tot de eerste superster uit de Derde Wereld zonder concessies te doen aan zijn idealen. Tot zijn dood in 1981 zingt hij over de gewone man uit de getto’s en getuigt hij van zijn rastageloof. Reggae met spirituele en maatschappijkritische thema’s wordt met terugwerkende kracht roots reggae genoemd. In Marley’s kielzog breken artiesten als black Uhuru, Culture, Burning Spear en Third World buiten Jamaica door.[28]
Het is niet eenvoudig om de exacte kenmerken van reggae te benoemen. Vaak was het ritme sneller dan de vroegere rocksteady, maar daarnaast bestonden ook een aantal nummers die trager waren dan rocksteady en toch onder de noemer reggae vielen. In feite had de Jamaicaanse muziek op dit moment een grotere diversiteit dan ooit tevoren. Maar het bindende element was een nieuwe ruwe kwaliteit van de nummers, en de nog centralere rol van de elektrische bas.[29]
Reggae, in al zijn vormen, kondigde een breuk aan met de ‘smoothness’ van rocksteady en met de aspiraties van producers zoals Duke Reid en Clement ‘Sir Coxsone’ Dodd om de verfijndheid van de Amerikaanse soulmuziek te repliceren. Het is toepasselijk dat het begrip ‘reggae’ uitgegroeid is tot een label voor alle Jamaicaanse muziek, aangezien reggae ontstond in een periode van experiment, tijdens de welke de krijtlijnen getrokken werden voor bijna alle latere stijlen en waarin al de vroegere stijlen geabsorbeerd werden.[30]
De culturele significantie van reggae is diepgeworteld in de geschiedenis van Jamaica als een Britse kolonie. De aanvankelijke populatie van koloniaal Jamaica bestond hoofdzakelijk uit slaven, overgebracht uit Afrika om te werken op de suikerplantages, en blanke Britse kolonisten. Deze kolonisten – ingenieurs, dokters en advocaten – waren daar om de kolonie in stand te houden. Een aantal andere blanken waren er min of meer gedwongen gemigreerd, zoals Schotse boeren wiens Highlands aangeslagen waren door Engelse landeigenaars. De geschiedenis van Jamaica als Britse kolonie zit ingebakken in de taal, de muziek en de religie van het alledaagse leven. Het is binnen deze kruisbestuiving van culturen, samen met de invloed van Afro-Amerikaanse muziekstijlen, dat de wortels van Reggae gelokaliseerd zijn.[31]
Reggae is ook sterk gelinkt aan het rastafari geloof, dit wordt verder in dit hoofdstuk beschreven.
Het woord ‘dub’ wordt tegenwoordig in de wereld van de dansmuziek gebruikt als synoniem voor remix. Minder bekend is dat deze remix techniek ontstond in Jamaica en teruggaat tot 1967. De geschiedenis van Dub begint bij de zogenaamde ‘instrumentals’, nummers waaruit de vocalen verwijderd waren. Aanvankelijk werden deze enkele gebruikt door de sound-systems, maar al snel werden ze ook commercieel uitgebracht. Versies met een grotere bijdrage van de ‘studio-engineer’ ontstonden rond 1968, en tegen 1970 vond je deze remixes, ‘versions’ genaamd, op de B-kant van de meeste Jamaicaanse singels. De producer liet de studio-engineer alle originele vocalen verwijderen, waardoor enkel nog het rauwe ritme overbleef. Dit kon dan verder worden opgesmukt door deejays[32] die over het ritme praten of ‘toasten’ en door extra instrumentatie. Kenmerkend voor dub is de opvallende aanwezigheid van de bas, die sterk op de voorgrond treedt. De vocalen en de verschillende instrumenten gingen dan vaak in en uit de mix vallen, soms sterk vervormd door studio-effecten.[33]
Dub, in de zin van radicaal geremixte versies, kwam in 1972 op het toneel en was grotendeels te danken aan de inventieve producers Lee ‘scratch’ Perry en King Tubby. De remixes van Tubby, zijn leerlingen (Prince Jammy, Prince Philip Smart en Scientist) en andere pioniers gaven een nieuwe dimensie aan de Jamaicaanse muziek, die uiteindelijk wereldwijd de dansmuziek zou beïnvloeden.[34]
Alle Jamaicaanse populaire muziek, van de R&B van de jaren 50 tot de hedendaagse ragga, was gericht op de dancehall. Maar de term ‘dancehall’ wordt ook gebruikt als benaming van een genre dat vooral na de dood van Bob Marley in 1981 doorbrak. In die periode werd steeds minder rasta-geïnspireerde roots reggae uitgebracht. Sommige commentatoren maken een rechtstreekse link tussen de dood van Bob Marley en de opkomst van dancehall als genre. Maar een greep uit het aanbod van de Kingston studio’s in de late jaren 70 toont dat dit niet klopt. Reeds enige tijd voor Marley’s dood behoorde de roots reggae niet meer tot de hoofdmoot van wat er in de dancehall gedraaid werd. De dancehall bracht een nieuwe generatie van deejays (in de zin van ‘toasters’) en zangers voort die hun vak leerden door op te treden met de sound systems.[35] Ze gingen tijdens live shows de instrumentale nummers voorzien van ritmisch gerijmde teksten of zang.
Dancehall geniet aan het begin van de jaren 80 een grote populariteit dankzij deejays als Eek-A-Mouse en Yellowman. Populaire ritmes, riddims genaamd, worden veelal door meerdere deejays gebruikt. Als reactie op de serieuze, maatschappelijk bewuste roots reggae gaat dancehall vooral over dansen, geweld, seks en plezier maken.[36]
Om te verstaan waarom de Jamaicaanse muziek in de eerste helft van de jaren ’80 deze weg insloeg, is het nodig om de ruimere context te schetsen. In 1980 verloor Michael Manley’s socialistische partij, het PNP, de verkiezingen, en kwam het rechtse JLP aan de macht. Dit gebeurde na een periode van destabilisatie (georchestreerd door de CIA) en groeiende economische problemen voor Jamaica. Een golf van geweld ging vooraf aan de verkiezingen, met in dat jaar meer dan 800 doden tot gevolg. Na de verkiezingen daalde de onrust, maar de door het IMF aangemoedigde deregulatie en het vrije markt beleid van de nieuwe regering, inclusief besparingen op de gezondheidszorg en andere sociale voorzieningen, zorgden voor nieuwe moeilijkheden. Een significante stijging van de werkloosheid en een daling van de lonen zorgde voor nog meer problemen.[37]
In reactie op deze situatie werd de muziek conservatiever en introverter. Er werd steeds meer vastgehouden aan reeds geteste ritmes die hun succes al bewezen hadden, terwijl de teksten de sociale, politieke en historische thema’s steeds meer uit de weg gingen. In dit moeilijke economische klimaat speelden de producers op veilig door ritmes en teksten te gebruiken die hun succes in de dancehalls al bewezen hadden.[38]
De Jamaicaanse muziek staat nooit lang stil. De Kingston studio’s en de rivaliserende sound systems produceren continu nieuwe varianten van de gevestigde formules. Zelfs als er een niet te ontkennen shift is naar een nieuw (sub-)genre, is de breuk nooit totaal. Reggae’s meest recente manifestatie heet ragga, en is geen uitzondering op deze wet.[39]
Ragga is in essentie reggae die volledig of grotendeels digitaal geïnstrumenteerd is. Doorgaans wordt er over de ritmes niet gezongen, maar getoast, het Jamaicaanse equivalent van rappen. Het is de meest commercieel succesvolle Jamaicaanse muziek sinds de hoogdagen van Bob Marley. Tijdens de dancehall periode werd een minimum aan nieuwe riddims geproduceerd, maar door de lage productiekosten van digitale nummers durfden producers nu opnieuw risico’s te nemen, en kwam er een toestroom van nieuwe riddims.[40]
De aftrap voor de digitale fase van reggae werd gegeven door producer King Tubby in 1985, met het cruciale nummer “Under Mi Sleng Teng”, gezongen door Wayne Smith. King Tubby zegt hier zelf het volgende over:
“It changed the whole scene, and that was great for me – even today, everybody is using electronics, computerized drums, drum machine. I really revolutionized that part of the music with “Sleng Teng”. It was being done a little before “Sleng Teng”, but “Sleng Teng” was the big hit that made everybody switch over.”[41]
Begin 1985 bracht het Japanse bedrijf Casio een aantal goedkope keyboards op de markt. Een ingebouwd prefab ritme in een dergelijke Casio zorgde voor de blauwdruk van “Under Mi Sleng Teng”. Toen het nummer uitgebracht werd zorgde dit voor een schokgolf over heel Jamaica, en korte tijd later over de hele wereld. Het nummer kondigde de shift van live naar digitale opnames in de reggae aan, en aldus de geboorte van ragga.[42]
Aan het begin van de 21ste eeuw is ragga populairder dan ooit. De eerste aanzet werd gegeven door Shabba Ranks en de “popragga” van Shaggy. Maar pas met de komst van Sean Paul, die de meest recente invloeden van hiphop en R&B in zijn muziek verwerkt, groeit ragga uit tot een wereldwijd populair fenomeen. In zijn kielzog komen Wayne Wonder, Wayne Marshall, T.O.K, Elephant Man, Vybz Kartel en vele anderen onder internationale aandacht te staan.[43]
Reggae is onlosmakelijk verbonden met de rastafari ideologie. Tal van reggae artiesten getuigen in hun nummers veelvuldig van hun rastageloof. Een korte verduidelijking van het rastafarianisme is hier dan ook op zijn plaats.
2.1. Four hundred years of slavery
De rastafari beweging in Jamaica is een gevolg van de vernederingen die de Jamaicanen ten gevolge van de slavernij hebben moeten verduren, het is een religie die voortspruit uit het verzet tegen de bestaande samenleving.[44]
Toen de Engelsen in 1655 het eiland bezetten was de oorspronkelijke bevolking, de Arawak indianen, volledig uitgeroeid door de vorige bezetters, de Spanjaarden. De Engelsen hadden nood aan werkkracht om op de suikerplantages te werken, hiervoor importeerden ze slaven vanuit Afrika.[45]
Het bestaan van een repressieve cultuur die de economische exploitatie van de zwarten rijmde met de idee van blanke meerderwaardigheid voorkwam het ontstaan van een Jamaicaans nationaal bewustzijn. Het bewustzijn van de zwarte als Afrikaan vormde de kern van zijn identiteit. In Jamaica werden de slaven door de blanke onderdrukkers als minderwaardig beschouwd, als beesten. Hierdoor gingen de zwarten geen Jamaicaans bewustzijn ontwikkelen, maar grepen ze terug naar de Afrikaanse cultuur. Het is deze identificatie met Afrika die de funderingen legde voor de rastafari doctrine, een ideologie die het verzet tegen onderdrukking combineerde met een onderliggende liefde voor de vrijheid en emancipatie van Afrika en de Afrikanen.[46]
Door de constante aanvoer van nieuwe slaven kon de Afrikaanse cultuur op Jamaica ook blijven bestaan. Er was hierdoor steeds een grote proportie slaven die zich Afrika nog konden herinneren, en die de Afrikaanse cultuur bij de slaven levendig kon houden.[47]
In 1808 kwam er een verbod op de handel in slaven, de invrijheidstelling kwam er pas in 1834. De slaven dienden echter nog 40 uur per week onbetaalde arbeid te verrichten voor hun meesters. Pas in 1838, werd de slavernij in Jamaica officieel afgeschaft. Maar gelijkheid was nog ver weg. Enkel de gegoede klasse had stemrecht en de ex-slaven hadden helemaal niets te zeggen en bleven mishandeld worden. Dit draaide uit op een grote opstand in 1865, de Morant Bay Rebellion, deze leidde tot het besluit om de sinds 1655 bestaande volksvertegenwoordiging op te heffen en Jamaica tot kroonkolonie te maken.[48]
De ontwikkeling van de Revival traditie en de groeiende connecties tussen zwarte kerken in de Caraïben, Amerika en Afrika legden de fundamenten voor een zwart nationalisme bij de Jamaicanen aan het einde van de 19e eeuw. Binnen deze zwarte kerken lag de oorsprong van een pan-Afrikaans raciaal bewustzijn, dat de voedingsbodem was voor het Garveyisme, het Ethiopianisme en uiteindelijk het rastafarianisme.[49]
2.2. Ethiopianisme, Pan-Afrikanisme en Garveyisme
De huidige rasta’s zijn schatplichtig aan een traditie die zocht naar de glorie van het Afrikaans verleden temidden van de blanke westerse dominantie, het Ethiopianisme. Aangezien de bijbel en bijbelse ideeën zo prominent aanwezig waren in de ervaring van overheersing, werd de hoop op zelfbeschikking en mensenrechten uitgedrukt in de bijbelse termen van redemption en deliverance, redding en bevrijding. In Amerika ontwikkelde zich een religieuze beweging die de bijbelse verwijzingen naar Ethiopië zag als een middel om de mythe dat zwarten voorbestemd waren om lastdieren te zijn uit te dagen. Dit Ethiopianisme was een bepaald zwart nationalisme dat zich verzette tegen de blanke koloniale regel. Het heeft zijn oorsprong in Zuid-Afrika, in 1870, toen de raciale vooroordelen zoveel Afrikanen tegen de borst had gestoten dat ze beslisten zelf hun eigen kerken op te richten, in plaats van verder de segregatie en vernedering te ondergaan van de blanke kerken. Net als bij de rastafari beweging was er geen hiërarchie in de ‘Ethiopian Movement’.[50]
Nadat Abyssinia[51] Italië overwon te Adowa in 1896 kreeg het een speciale status in de ogen van de Afrikanen, als laatste overlevende Afrikaanse staat. Vanaf dan stond Ethiopië symbool voor Afrikaanse waarde en verzet, het bastion van prestige en hoop voor duizenden Afrikanen die geschokt waren door de Europese verovering en zochten naar een antwoord op de mythe van zwarte inferioriteit.[52]
De technologische ontwikkelingen op vlak van communicatie, die leidden tot de ontwikkeling van draadloos beeld en geluid, prentte het publiek beelden in van de ‘geciviliseerde blanke’ en de ‘manipuleerbare ongeciviliseerde zwarte’.[53] Het was in reactie op deze universele denigratie van alles dat Afrikaans was, dat zwarten uit de Nieuwe Wereld Pan-Afrikaanse organisaties gingen stichten, leidend tot een van de grootste bewegingen van de 20e eeuw: The Universal Negro Improvement Association (U.N.I.A.), gesticht door Marcus Garvey. Om het raciaal bewustzijn te centraliseren in de strijd van de onderdrukte Afrikanen inspireerde Marcus Garvey zich op de fundamenten van het Ethiopianisme en het Pan-Afrikanisme, en hielp zo mee de basis leggen voor de rastafari ideologie.[54]
De Pan-Afrikaanse congressen werden gehouden tussen 1900 en 1945, maar de Pan-Afrikaanse ideologie is rijker dan de som van de conferenties en resoluties. De Pan-Afrikanisten die de congressen hadden opgestart en traktaten schreven over Afrika droegen een oefening in zelfdefiniëring uit, die erop gericht was een breder gevoel van eigenwaarde te vestigen dan diegene die toegestaan was door de Westerse kapitalistische ideologieën.[55]
Garveyisme was een vorm van militant nationalisme dat de zwarten een gevoel van identificatie met Afrika verschafte, maar tevens zelfredzaamheid benadrukte. Voor Garvey was er nood aan een krachtige internationale organisatie die de zwarte belangen behartigde. Een beroemde uitspraak van Garvey stelt dat: “A race without authority and power is a race without respect!”[56]
De U.N.I.A., gesticht door Garvey, bracht verschillende zwarten uit de arbeidersklasse samen, mensen die gelinkt waren aan kerkelijke organisaties, militante zelfhulpgroepen, zwarte onafhankelijke vakbonden, pacifisten, cultureel nationalisten, feministen, socialisten en een heleboel ongeorganiseerde zwarten. Al deze verschillende krachten werden gebundeld en samengehouden door de uitdaging die de raciale onderdrukking hen stelde. Ze reageerden tegen het geïnstitutionaliseerde racisme van de imperialisten door een eigen nationaal concept uit te werken, compleet met symbolen zoals vlaggen, titels en volksliederen en met eigen onafhankelijke commerciële organisaties.[57]
Zoals de rastakleuren (groen, geel, rood) vandaag een symbool van trots verschaffen, was toen de vlag van de U.N.I.A. – the Red, black and Green – het bekendste symbool van zwart nationalisme. De vlag werd aangenomen tijdens het Pan-Afrikaans congres van 1920 als de officiële kleuren van de zwarte:
“Red for the colour of the blood which must be shed for their redemption and liberty; black for the colour of the noble and distinguished race to which we belong; and Green for the luxuriant vegetation of the Motherland.”[58]
Op dezelfde historische conventie van 1920 werd de hymne “Ethiopia Thou Land Of Our Fathers” aangenomen.[59]
In hun zoektocht naar raciale trots probeerden de Garveyites elk aspect van het leven te betrekken, ook religie:
“Since the white people have seen their God through white spectacles, we have only now started out (late though it may be) to see our God through our own spectacles. The God of Isaac and the God of Jacob, let him exist for the race that believes in the God of Isaac and the God of Jacob. We negroes believe in the God of Ethiopia, the everlasting God – God the Father, God the Son and God the Holy Ghost, the one God of all ages. That is the God in whom we believe, but we shall worship him through the spectacles of Ethiopia.”[60]
Garveys kracht lag in zijn vlammende betogen waarmee hij de trots van de zwarten aanwakkerde. Maar zijn ‘opruiende’ uitspraken maakten hem niet geliefd bij de blanken, en dus ook niet bij de Amerikaanse autoriteiten. In 1919 overleefde hij een aanslag en in 1925 werd hij beschuldigd van fraude en werd hij uitgewezen.[61]
Hierna keerde hij terug naar zijn geboorteland Jamaica, waar hij de arme gemeenschap ging vervoegen, samen met geleerde zwarten die hem steunden in zijn strijd, van daaruit bracht hij zijn boodschap over op de arme bevolking.[62]
Voor veel arme Jamaicanen die de wereld in bijbelse termen interpreteerden was Garvey een profeet. Ze namen zijn visie om God door een Ethiopische bril te bekijken letterlijk. De catechismus van de U.N.I.A. beloofde dat de psalm “Princes come out of Egypt, Ethiopia stretches forth her hand to God” betekende dat een leider zou opstaan in Afrika om alle zwarten naar de vrijheid te leiden. Toen in 1930 de kranten foto’s toonden van de kroning van de Ethiopische keizer, zagen velen keizer Haile Selassie in letterlijke en bijbelse vorm als de “koning der koningen”. De kroning van Haile Selassie zorgde voor een nieuwe verafgoding, die de blanke God in de hemel en de blanke leiders in Buckingham Palace verving door een God, door de rasta’s Jah genoemd, die zowel goddelijk als menselijk was. Het geloof van de eerste rasta’s was een diepzinnig antwoord op de ziektes van de koloniale samenleving. Zij die de goddelijkheid van Ras Tafari[63] preekten weigerden de link tussen het christendom en het blanke ras, en braken onverbiddelijk met de blanke West-Indische gemeenschap. In plaats daarvan verbonden ze hun culturele en spirituele roots aan Ethiopië en Afrika.[64]
2.3. Rastafari
Het was vanuit deze verscheidene tradities dat rastafari ontstond in de jaren 30 in Jamaica, tegen de achtergrond van een hevige economische deprivatie op het eiland. De unieke situatie van Haile Selassie’s kroning in Ethiopië en de verdere invasie door Italië, gecombineerd met de verklaringen van de bijbel, de voorspellingen van Marcus Garvey en de wetenschap van de antikoloniale strijd van de Afrikanen legden de basis voor een nieuwe vergoddelijking bij een klein deel van de Jamaicaanse boeren en arbeiders, die van rastafari. Voor deze eerste rasta’s was Selassie zowel Messias als bevrijder, de zwarte koning van de enige Afrikaanse natie die vrij was gebleven van kolonisering door Europa.[65]
In 1937 werd de Ethiopian World Federation (EWF) gesticht te New-York door Haile Selassie I’s neef, Dr. Malaku Bayen, om steun te organiseren voor Ethiopië dat toen onder de voet werd gelopen door het fascistische Italië. Tegen 1938 was er ook een Jamaicaanse tak van de EWF. Heel wat principes van de rastafari filosofie, vooral het gedachtegoed van de Ethiopian Orthodox church met zijn nadruk op Selassie als afgezant van God, waren afgeleid van de krant van deze organisatie, The Voice Of Ethiopia.[66]
Na de onafhankelijkheid van Jamaica in 1962 en het falen van de politieke partijen om een uitzicht op een beter leven te bieden, verspreidde het Rastafarianisme snel. Het vuur werd ook aangewakkerd door de black Consciousness bewegingen in de Verenigde Staten, maar rastafari heeft zijn groei vooral te danken aan de unieke Jamaicaanse situatie: een onderontwikkeld Carraïbisch eiland vlakbij de rijkste en krachtigste natie ter wereld. De beslissing van heel wat Jamaicaanse muzikanten om het Rastafarianisme te bezingen, en de schijnbaar overal aanwezige dreadlocks en rastapraat bij de getto jongeren,was zeker een element in de explosie van rastafari in de jaren ’70.[67]
Hoewel sommige rasta’s een coherent geloofssysteem volgens de krijtlijnen van de Ethiopian Orthodoxy trachtten te vestigen, bestaat er binnen het rastafarianisme geen hiërarchie en geen officiële doctrine. Het heeft altijd bestaan uit een kern van spirituele, historische en sociale principes die openstonden voor een waaier aan interpretaties. In deze interpretaties werd vaak voorzien door de verscheidene rastafari-associaties zoals de United Ethiopian Body, de Ethiopian Youth Cosmic Faith, de Ethiopian Coptic League en de Twelve Tribes of Israel, deze werd opgericht in de vroege jaren 70 en kon onder andere Bob Marley tot zijn bewonderaars rekenen. Ook het stereotiepe beeld van de rasta, met dreadlocks en joint, gaat niet op voor alle rastafari’s. Sommigen kammen en knippen hun haren niet, terwijl anderen het conventioneel knippen; sommigen zien ganja[68] als een religieus sacrament, terwijl anderen helemaal niet roken. Maar wat alle rastafari’s gemeen hebben is het geloof dat Afrika de spirituele thuishaven is van het zwarte ras, en dat ze zijn voorbestemd om daar op een dag naar terug te keren. Het Westen, waar hun voorouders geketend werden, wordt bestempeld als ‘Babylon’, naar de plaats waar de Israëlieten tot slaven werden gemaakt. Volgens de meeste rastafari’s bestaat er een goddelijke opvolgingslijn van afstammelingen van Koning David, met Haile Selassie I als 225e in deze lijn. Zelfs zijn dood op 12 september 1974, na de communistische coup, kon dit geloof niet doen wankelen.[69]
Wanneer men het tegenwoordig over rastafari heeft is dat doorgaans om te verwijzen naar de symbolen: dreadlocks, de kleuren rood, geel en groen, het symbool van de leeuw, het specifieke taalgebruik en de ganja consumptie. Elk van deze symbolen zijn echter ontstaan in een bepaalde periode tegenover een specifieke achtergrond, ze mogen niet herleid worden tot simpele uiterlijkheden ter identificatie van de rasta. Ze zijn een weerspiegeling van een zekere vorm van verzet, elk van deze symbolen kan verbonden worden aan de strijd van de Afrikanen.[70]
Toen de strijd van het Land and Freedom Army (Mau Mau genoemd) losbarstte in Kenia, en de rasta’s foto’s zagen van deze vrijheidsstrijders, met hun natuurlijke lange, ongekamde haren, hebben ze zich hiermee geïdentificeerd en gingen ze hun haren in ‘dreadlocks’ dragen. Het voorkomen van de rasta’s, met hun dreadlocks, boezemde de heersende klasse nog meer angst in. Volgens het gangbare schoonheidsideaal waren zwarten die hun haar lang en in hun natuurlijke vorm droegen immers lelijk en aanstootgevend.[71]
Het symbool van de dreadlocks bleef een bestaand teken van zwarte trots in Jamaica. Een symbool dat internationale betekenis kreeg nadat de reggae-artiesten deze look wereldwijd gingen verspreiden.[72]
Doch, niet alle rasta’s droegen dreadlocks. Aangezien de politie de rasta’s vaak lastigviel en mishandelde, kozen sommigen ervoor om hun dreads af te scheren, om zo minder op te vallen. Hiervoor vonden ze een bijbelse legitimatie, zodat een rasta na zeven jaar zijn dreadlocks mocht afscheren. Ook de neokoloniale crisis die grote werkloosheid en criminaliteit met zich meebracht zorgde ervoor dat een aantal rasta’s het haar kort gingen dragen, aangezien heel wat criminelen uit de samenleving de uiterlijkheden van de rasta’s gingen overnemen. Door de rasta’s werden zij bestempeld als ‘false dreads’, de rasta’s deden heel wat moeite om zich van hen te onderscheiden.[73]
Quashi is een erfenis uit de periode van de slavernij, het is de benaming voor een gedragsvorm die de slaven gebruikten om niet sterk of intelligent over te komen, om zo de slavenmeester te misleiden. De ingetogen tred die bij Quashi hoorde raakte echter verweven met de persoonlijkheid van heel wat Jamaicanen. De rasta’s vonden dat het tijd was dat zwarten deze tred achter zich lieten. Dit was een enorme uitdaging in een samenleving waar het racisme diepe sporen had nagelaten op het zelfbeeld van de zwarte. Om deze psychologische schade te herstellen gingen de rasta’s zich identificeren met de leeuw, met zijn schreeuw, zijn manen, zijn sterkte, zijn intelligentie en zijn bewegingen. De manen werden vergeleken met dreadlocks, het feit dat de Ethiopische monarch tamme leeuwen in zijn paleis hield en de titel – lion of Judah – had verworven vergemakkelijkte eveneens de identificatie. [74]
In 1958 organiseerde Prince Emanuel, een van de rasta leiders in Kingston, een groundation, het evenement lokte duizenden rasta’s, over de intense burro-drums werd er gezongen:
“By the rivers of Babylon, there we sat down
and there we wept, when we remember Zion.
For the wicked carried us away in captivity
Required from us a song
But how can we sing King Alpha’s song in a strange land.”
Dit was in de periode van de massale emigratie naar Groot-Brittanië. Rasta’s hadden de woorden van de psalm gebruikt om hun situatie te schetsen, en voor de armen werd de naam Babylon een symbool van onderdrukking. Babylon werd gekoppeld aan alle onderdrukkende krachten, of het nu de imperialistische staten waren, de lokale zwarte onderdrukkers, of de politie die de wensen van de staat uitvoerde.[75]
Enorm belangrijk voor het rastafarianisme is het zelfwaardegevoel van de zwarte. De rasta is trots op zijn ego, en dit is ook merkbaar in de taal die hij gebruikt. Een rasta spreekt steeds in de eerste persoon. ‘We’ is ‘I and I’ geworden. ‘I’ benadrukt individualiteit, onafhankelijkheid en oorspronkelijkheid, in tegenstelling tot het in Jamaica ingeburgerde ‘me’ in de eerste persoon enkelvoud. Vandaar dat I is terug te vinden in een heleboel woorden die in de rasta taal zijn verbogen: ‘I-rie’ is ‘good’ of ‘positive’, ‘I-tal’ staat voor ‘natural’ of ‘vital’, ‘divine’ wordt ‘I-vine’, ‘brother’ wordt ‘I-bro’.[76]
Populaire muziek is al lang een favoriete kandidaat voor ‘morele paniek’. Vooral sinds het ontstaan van rock ’n roll in het midden van de jaren 50 uit hillbilly muziek, gospel en zwarte rhythm en blues. Vervolgens waren het Elvis Presley’s expliciete gebaren, de suggestieve teksten van Little Richard, en een onophoudelijke beat die de tirades tegen ‘neger muziek’ opwekten.[77]
In Amerika was de paniek het duidelijkst. Volwassen Amerika benoemde rock als ‘devil’s music’, vol met boodschappen over seks, drugs, perversiteiten, communisme, atheïsme en criminele activiteiten. Behalve een publieke paniek veroorzaakte de nieuwe rock muziek ook een breuk tussen generaties. Tussen ouders en hun kinderen. De blanke jeugd was steeds meer aangetrokken tot zwarte artiesten zoals Chuck Berry en Little Richard. Tegen een achtergrond van sociaal racisme, waren rocknummers door zwarten, hoe creatief ze ook waren, verdacht en een affront ten opzichte van de segregatiegedachte van de jaren ’50 en ’60 in Amerika. Om financieel succesvol te zijn, werd zwarte muziek in de populaire cultuur naar voor gebracht door ‘blanke’ covers. Veel zwarte muzikanten kregen weinig of geen vergoeding toen hun nummers door blanken werden nagespeeld.[78]
Toen rap muziek op het publieke toneel verscheen in de jaren ’80, representeerde het een aanmoedigende straatbende-cultuur. De grote angst was dat de Amerikaanse jeugd zich effectief ging aansluiten en empathiseren met de stedelijke ervaring van zwarte gettojeugd. In tegenstelling tot de bezorgdheid over de effecten van heavy metal op de fragiele geesten van een klein aantal ‘problematische’ individuelen, dacht men dat rap muziek een reactie teweeg ging brengen bij het gehele publiek. In april 1989 werd Tone Loc’s ‘Wild Thing’ ervan beschuldigd de oorzaak te zijn van de verkrachtingen in Central Park.[79]
Na de paniek rond rapmuziek was de house muziek aan de beurt. In dit geval lag het zwaartepunt van de hetze niet in Amerika, maar in Europa, waar het genre ook populairder is. De media speelde een grote rol in het aanwakkeren van de paniek. Een van de meest extreme reacties komt van de Nederlandse Evangelistische Omroep: “Deze muziekvorm -house- is beslist een kenmerk van de eindtijd. Het is bij het naderende wereldeinde een list van de duivel om de jeugd in zijn greep te krijgen en tot afval over te halen... Door deze muziek krijgt de satan er duizenden in zijn greep.”[80]
Recent is er discussie ontstaan rond de teksten van de moderne reggae variant: dancehall of ragga. Deze Jamaicaanse muziekvorm wordt steeds populairder en begint ook buiten Jamaica in de hitlijsten te komen, vooral Sean Paul scoort internationaal dikke hits. Dancehall beïnvloedt bovendien duidelijk de hedendaagse hiphop en r&b en de dansstijl. Maar hoe meer succes dancehall kreeg, hoe meer de donkere kant van het genre aan bod kwam; met name de homofobe teksten van artiesten als Sizzla, Capleton, Beenie Man,...[81]
1.1. One Love? De controverse rond homohaat in reggae.
Het is voor velen verwonderlijk dat de nieuwe controverse vanuit de reggae hoek komt. Dat was toch allemaal One Love? Er is echter meer dan dat, heel wat hedendaagse ragga nummers zijn op zijn zachtst uitgedrukt niet erg vriendelijk tegenover homo’s en lesbiennes. Dancehall wordt in het Jamaicaanse Patois gezongen, wat voor de meeste buitenstaanders onverstaanbaar is, maar de doorwinterde dancehall fan weet doorgaans wel wat de woorden “Chi Chi Man” en “Batty Boy” betekenen. Beiden zijn pejoratieve termen om homo’s aan te duiden, in heel wat dancehall nummers komen de termen regelmatig terug.
Als we kijken naar de etymologie van deze woorden valt de negatieve connotatie snel op. Batty boy is een verbastering van het Engelse woord bottom of kont. Chi chi is een slang woord voor termiet. Termieten eten ‘wood’ of hout. ‘Wood’ wordt echter ook gebruikt als benaming voor een stijve penis. En net als de termieten eten homo’s ‘wood’, resulterend in de benaming ‘chi chi man’.[82]
Voor wat betreft dancehall en ragga is het met andere woorden vooral de harde taal aan het adres van holebi’s die voor internationale reacties en misprijzen zorgde. Met als gevolg dat heel wat concerten werden afgelast en een aantal artiesten in Groot-Brittanië vervolgd werden. Een zware demper op de internationale carrière van deze artiesten.[83]
Het begon allemaal met de release van Buju Banton uit 1992, onder de titel ‘Boom Bye Bye’. Dat nummer bevat onder andere de volgende zinsnede:
‘Boom bye bye inna bwatty boy head.
Rude bwoy no promote no nasty man
them haffi dead’.
Vrij vertaald betekent dit het volgende: ‘Een kogel in de kop van een flikker, stoere mannen promoten geen vieze venten, ze moeten dood.’ Het nummer bracht meteen een golf van protest teweeg.[84] Sindsdien is het nooit echt stil geweest rond de homofobie in Jamaicaanse muziek, maar de heisa bereikte onlangs opnieuw een hoogtepunt.
Sinds 2000, niet toevallig het jaar waarin T.O.K. een hit had met “Chi Chi Man”, een virulent antihomo nummer, voert de Britse homorechtenorganisatie Outrage! campagne tegen de Jamaicaanse homofobie. Zij zorgden voor een vernieuwde media aandacht voor wat zij noemen ‘murder music’. Hierbij richten ze hun pijlen vooral op de Jamaicaanse dancehall en ragga. Het hoogtepunt van de controverse kwam er in 2004, toen een aantal Jamaicaanse homofobe artiesten genomineerd werden voor de MOBO (Music Of black Origin) awards.[85] Ook de moord op de Jamaicaanse homoactivist Brian Williamson in juni 2004 zorgde voor een intensifiëren van de campagne.[86]
Het gevolg was een golf van krantenartikels, hoogoplopende discussies op internetfora, protestactie’s van homo’s voor concertdeuren, afgelaste optredens, boycotacties en muziekawards die niet langer hun weg naar de dancehallartiesten vonden. De dancehallzangers passen daarom steeds vaker hun shows aan in Europa, maar in Jamaica komen de homofobe items wel terug aan bod.[87]
Sinds februari 2005 is de storm echter weer wat gaan liggen. Na vier maanden van overleg tussen activisten en vertegenwoordigers van de reggae gemeenschap en de muziek industrie is men tot een akkoord gekomen om toekomstige releases van nummers die aanzetten tot geweld tegenover homo’s en lesbiennes te vermijden.[88] In deel V wordt dieper ingegaan op deze homofobie in Jamaica en in deel VI wordt de homofobe Jamaicaanse muziek verder onder de loep genomen.
1.2. Dancehall reggae, de nieuwe gangsterrap?
De reacties op de gewelddadige en homofobe ragga teksten doen soms denken aan de heisa die eind jaren 80 ontstond rond ‘gangsterrap’. Gangsterrap groeide uit de explosie van rap muziek op het einde van de jaren 80. Het beschrijft op plastische wijze het leven op straat in de harde zwarte buurten van Los-Angeles en New-York. De protesten bereikten een piek in de zomer van 1995, nadat ook republikeins presidentieel kandidaat Bob Dole zijn misprijzen over het genre ventileerde. De morele paniek werd aangewakkerd door de boodschappen van zwarte gangster rappers zoals Snoop Doggy Dogg, Biggie Smalls, Dr. Dre of Tupac Shakur, die vrouwen gingen afbeelden als hoeren, als ‘bitches’ of ‘hoes’, en die wapens, geweld en politiehaat gingen ophemelen.[89]