Regeringsvorming in een presidentieel systeem. (Miguel Coulier)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

I. Inleiding

 

A. Onderzoeksvraag

 

Heywood beschouwt de belangrijkste kenmerken van een presidentieel systeem[1]:

Deze kenmerken geven ons een bondig en duidelijk idee van een presidentieel systeem. In deze paper wordt gepoogd dit politieke bestel concreet toe te passen aan de hand van de Amerikaanse situatie. Het politieke landschap in dit land geeft ons een duidelijk beeld van een presidentieel systeem in strikte zin. De Verenigde Staten zijn het eerste land die dit systeem succesvol toepaste en die ook voor vele andere staten een leidraad is geweest in het ontwikkelen van hun politieke ordening. De politieke structuren in de VSA zijn al veelvuldig besproken en op accurate wijze te reconstrueren. Heel wat moeilijker is het om uit deze veelvoud aan informatie het verloop van de regeringsvorming te distilleren. Hoe verloopt deze regeringsvorming? Ligt deze procedure grondwettelijk vast of gebeurt deze naar politieke traditie? Welke actoren vertegenwoordigen welke belangen? Wat zijn de machtsverhoudingen? Allemaal boeiende vragen die een theoretische beschouwing zonder probleem van onderwerp kunnen dienen. Ik wil met dit werkstuk dan ook bijdragen aan de ontrafeling van het presidentiële systeem in de VSA, in bijzonder het proces van regeringsvorming. Het wordt een moeilijke zoektocht, maar we hopen op het einde toch een grondig overzicht te kunnen weergeven van de regeringsvorming in dit land.

Onze onderzoeksvraag - hoe verloopt de regeringsvorming in een presidentieel systeem? – zal zich dus toespitsen op de Verenigde Staten en zal volgende deelaspecten bevatten:

In deze paper wordt geopteerd om naast een structurele analyse, ook een vergelijkende analyse te maken. Op deze manier kunnen we het presidentiële systeem vergelijken en evalueren in zijn verschillende deelaspecten. We kiezen voor een korte bespreking van een semi-presidentieel systeem en een parlementair systeem, respectievelijk in Frankrijk en in België. We kiezen deze landen uit vanwege hun nabijheid en de actuele relevantie. Andere landen kunnen ook gekozen worden, maar de beperktheid van deze paper laat ons niet toe om nog meer landen en hun respectievelijke politieke systemen in de analyse op te nemen.

 

 

B. Methodologische Werkwijze

 

De paper wordt in hoofdzaak een theoretische beschouwing van de regeringsvorming in een presidentieel systeem. De algemene structuren worden uitgediept op hun functies en kenmerken, specifiek voor het Amerikaanse systeem. We vragen ons af wie de actoren zijn, wat hun middelen zijn en hoe het politieke landschap eruit ziet. Er wordt nagekeken of er overeenstemming en/of verschil is tussen de officiële procedures in de wetten en de procedures die werkelijk gevolgd worden. Aan de hand van een vergelijkende analyse zal er nadruk gelegd worden op de algemene karakteristieken die specifiek zijn aan een presidentieel systeem in verhouding tot de algemene kenmerken van een semi-presidentieel en een parlementair systeem. Er werd een poging ondernomen om via interviews theoretische beschouwingen te testen op hun waarheid en hun relevantie, maar met spijt moet vastgesteld worden dat deze methode zijn vruchten niet heeft afgeworpen. Ten eerste was er amper belangstelling of tijd bij de gecontacteerde personen en ten tweede wist men te weinig af van de Amerikaanse structuren om een gefundeerd antwoord te kunnen geven. Reeds vroeger (zie voortgangsrapport) werd de vrees geopperd dat dit een moeilijke taak zou worden, en deze vrees bleek inderdaad gegrond[2].

 

 

C. Structuur

 

In het eerste en grootste deel van dit werkstuk zal het presidentieel systeem in de Verenigde Staten in zijn belangrijkste facetten ontleed en beschreven worden. We gaan in op de scheiding der machten en de belichaming ervan in de politieke structuren. We bespreken het politieke landschap, de verkiezingen en de regeringsvorming. Hierbij hebben we zowel aandacht voor de historische als de actuele dimensie. Een laatste onderdeel gaat in op de machtsverhoudingen in de Amerikaanse politiek. Enkele machtsverdelingstheorieën komen hierbij aan bod, meer bepaald het pluralisme en de elitetheorieën. Het power-elite-model van C.W.Mills wordt als meest relevante theorie verder besproken en geactualiseerd. Andere actoren als lobbygroepen, het neoconservatisme, de vice-president en de presidentiële adviseurs sluiten dit onderdeel af.

In het tweede deel wordt ingegaan op het semi-presidentiële systeem in Frankrijk en in het laatste deel bekijken we de Belgische situatie van naderbij. Alles wordt uiteindelijk nog es gebundeld en vergeleken in een vergelijkende slotanalyse.

 

 

II. ANALYSE

 

1. De VSA: voorbeeld van een presidentieel systeem [3]

 

1.1 Structuur van het Amerikaanse presidentieel systeem

 

De Verenigde Staten, die in 1776 onafhankelijk werden, zijn een grondwettelijke, parlementaire en federale republiek. In 1787 werd een Amerikaanse constitutie in het leven geroepen door de stichters of the founding fathers. Het vermijden van een monarchie en de angst voor een te sterke uitvoerende macht zorgden voor de creatie van een presidentieel en gedecentraliseerd systeem.

De Amerikaanse staatsstructuur is in theorie gebaseerd op de scheiding der machten en op een systeem van checks and balances. Het doel van de doctrine van de scheiding der machten is de verschillende bestuursfuncties te verdelen en de macht van de regering in die mate te fragmenteren zodat vrijheid gegarandeerd blijft, maar tirannie vermeden wordt. De checks and balances vereist een controlerende interdependentie tussen rechterlijke, wetgevende en uitvoerende macht naast onafhankelijkheid en het niet overlappen van het politieke personeel[4]. De uitvoerende macht ligt bij de president en zijn kabinet, de wetgevende macht bij het Congres en de rechterlijke macht bij het Opperste Gerechtshof. De president is de persoon met de meeste macht en staat symbool voor de nationale eenheid. Hij geniet van zowel uitvoerende, wetgevende als rechterlijke bevoegdheden.

 

1.1.1 De uitvoerende macht: de President en zijn kabinet

 

SCHEIDING DER MACHTEN

De president is voor de uitvoering van het beleid in belangrijke mate afhankelijk van de medewerking van het Congres en bezit verschillende mogelijkheden om die medewerking te verkrijgen. Het belangrijkste is de State of the Union, een toespraak door de president eind januari waarin hij zijn plannen voor het komende jaar aankondigt[5]. In een verkiezingsjaar is de State of the Union de officieuze start van de verkiezingscampagne. De State of the Union is al regelmatig een handig instrument gebleken om de binnenlandse en buitenlandse onvolkomenheden te maskeren en de positieve verwezenlijkingen en belangrijke ontwikkelingen te benadrukken[6]. Naast de presidentiële toespraken zijn er nog enkele jaarlijkse voorstellen die de president indient, ondermeer het voorstel betreffende de begroting. Ook informele besprekingen tussen de president en leden van het Congres zijn belangrijk in de interactie en de samenwerking tussen beide organen.

 

BEVOEGDHEDEN

De president heeft zowel uitvoerende, wetgevende als rechterlijke bevoegdheden. De president geniet hiervoor een zeer grote constitutionele legitimiteit[7]. De president is het hoofd van de uitvoerende macht en de administratie (Art.II, section 1 pt.1), houdt toezicht op de begroting en speelt een bepalende rol bij de regeringssamenstelling en bij de benoeming of het ontslag van belangrijke topfiguren. In de hoedanigheid van wetgevende macht kan hij wetsontwerpen aan het Congres voorleggen, deze voor speciale zittingen bijeenroepen en geniet hij tenslotte van een vetorecht tegen wetsvoorstellen van het Congres (Art.I section 7 pt.2). De rechterlijke bevoegdheden zijn het verlenen van gratie, het toestaan van kwijtschelding en het aanstellen van de rechters voor het Opperste Gerechtshof (Art.II section 2 pt.3). Verder heeft de president belangrijke bevoegdheden inzake de buitenlandse politiek en defensie (Art.II section 2 pt.1). De president sluit de verdragen en stelt de consuls en gezanten aan (Art.II section 2 pt.2). In uitzonderingstoestand beschikt de president over emergency powers of uitzonderlijke machten. De binnenlandse politiek valt dan volledig onder zijn controle.

 

MEDEWERKERS

De president kan voor de uitvoering van zijn ambt rekenen op The Executive Office of the President, het cabinet en het kitchen-cabinet.

THE EXECUTIVE OFFICE OF THE PRESIDENT bestaat uit raden, commissies en diensten die de president in zijn taak bijstaan. De White House Staff – de 300 à 400koppige persoonlijke staf van de president - en de National Security Council[8] zijn de belangrijkste. De laatste jaren kwam de feitelijke macht meer en meer bij de president te liggen en ondermeer door het toegenomen belang van de laatstgenoemde diensten verloor het kabinet aan invloed.

Het CABINET is de regering van de Verenigde Staten en bestaat uit de vice-president en de hoofden van vijftien uitvoerende departementen[9]. De president moet bij de samenstelling rekening houden met diverse partijfacties, bepaalde belangengroepen, enz… Hoewel de aanstelling moet bekrachtigd worden door de Senaat kan de president echter op ieder moment een kabinetslid ontslaan. Iedere secretary of minister is vrij in zijn beleid maar is geacht het beleid van de president te volgen. De presidentiële beslissing staat dan ook boven een ministeriële beslissing.

Het KITCHEN-CABINET is een informele groep van persoonlijke adviseurs. Deze invloedrijke groep speelt een heel belangrijke rol in het beleid die de president voert. Verder in dit werk wordt ingegaan op de samenstelling en invloed van dit orgaan (1.5.6).

 

1.1.2 De wetgevende macht: de Senate en de House of Representatives[10]

 

SCHEIDING DER MACHTEN

De Senaat en het Huis van Afgevaardigden, samen het Congres, vormen de tweede tak van de wetgevende macht[11]. De relatie tussen de uitvoerende en de wetgevende macht maakt duidelijk dat het Amerikaanse Congres zowel qua onafhankelijkheid als bevoegdheden over heel wat invloed en macht beschikt[12]. De rechtstreeks verkozen president kan niet door het Congres naar huis gestuurd worden[13] en omgekeerd kan de president het Congres niet ontbinden. De leden van het Congres worden immers voor een vaste termijn verkozen: de leden van de Senaat voor zes jaar en de leden van het Huis van Afgevaardigden voor twee jaar. We kunnen tevens van een dubbele onafhankelijkheid spreken in het Congres: t.o.v. het centrale bestuur en t.o.v. de partij. De persoonlijke en statelijke belangen die meestal de overhand krijgen, is een factor die hierin een grote rol speelt. De banden met de partij zijn niet zo gedegen en de leden van de politieke partijen zijn ongedwongen in hun stemgedrag.

 

PARTIJVERDELING

Van 1955 tot 1994 waren de zetels van het HUIS VAN AFGEVAARDIGDEN voor de meerderheid democratisch gekleurd. In 1994 konden de Republikeinen o.l.v. Newt Gingrich het Huis herwinnen o.b.v. een hoogst conservatief programma. Het ruime zetelaantal is echter snel beginnen te slinken en momenteel bezitten de Republikeinen een nipte meerderheid van 228 vertegenwoordigers t.o.v. 205 Democraten, 1 onafhankelijke en 1 vrije zetel.

De Democraten waren sinds de Tweede Wereldoorlog ook in de SENAAT aan de winnende kant, maar hier werden ze al van de troon gestoten door de Republikeinen in 1980. In ’86 was het echter al snel weer de beurt aan de Democraten tot in 1994 de Republikeinen opnieuw een meerderheid in handen kregen. De zetelverdeling is de laatste jaren echter heel wisselvallig en miniem in verschil. De Senaat is momenteel samengesteld uit 51 Republikeinen, 48 Democraten en 1 onafhankelijke.

 

BEVOEGDHEDEN

Ondanks het feit dat de president ook een grote wetgevende bevoegdheid geniet, is het Congres de belangrijkste instantie verantwoordelijk voor de wetgeving. Wetgeving die betrekking heeft op de financiën en de begroting moet door beide kamers van het Congres goedgekeurd worden. Het ondertekenen van verdragen en het goedkeuren van beslissingen van de president in zijn bevoegdheid als deel van de rechterlijke en uitvoerende macht, is een nadrukkelijke bevoegdheid van de Senaat. Zowel de Senaat als het Huis van Afgevaardigden beschikken over de bevoegdheid om het beleid van de uitvoerende macht te onderzoeken. Het Huis begint de procedure en de Senaat voert het onderzoek uit[14]. Het Congres heeft ten slotte het recht om de oorlog te verklaren.

 

WERKING

De SENAAT bestaat uit 100 leden - twee senatoren per staat – die om de zes jaar worden verkozen. Om de twee jaar wordt een derde van de mandaten vernieuwd. 33 staten kiezen dan één nieuwe vertegenwoordiger. De 435 leden van het HUIS VAN AFGEVAARDIGDEN worden om de twee jaar verkozen. Het aantal inwoners van een staat is bepalend voor het aantal leden in het Huis. De wetgevende macht van de verschillende staten legt de kiesdistricten binnen de respectievelijke staten vast.

De voorzitter van de Senaat is de vice-president, momenteel Dick Cheney. De voorzitter van het Huis is de Speaker of the House, momenteel Dennis Hastert. Deze laatstgenoemde functie wordt in de regel door de belangrijkste politicus van de meerderheidspartij opgenomen. Hij bezit ruime bevoegdheden, zoals het bepalen wie aan het woord komt tijdens debatten, hij controleert de grote hoeveelheid wetgevende initiatieven en kan ad hoc commissies instellen. De grote fracties in het Huis en de Senaat worden geleid door een floor leader, organisatorisch bijgestaan door een whip. Zowel de Senaat als het Huis werken hoofdzakelijk met commissies. Zij verrichten het belangrijkste wetgevende werk. De senaatscommissies zijn minder invloedrijk omdat de Senaat kleiner is. De gewichtigste in het Huis is de House Committee on Rules die elk wetsvoorstel een rule toekent zodat het debat en de aan te reiken amendementen kunnen beperkt worden[15].

 

1.1.3 De rechterlijke macht: de Supreme Court[16]

 

Het Opperste Gerechtshof is het hoogste orgaan van de rechterlijke macht. Het bestaat uit negen leden die benoemd worden door de president mits goedkeuring van de Senaat. Het Opperste Gerechtshof controleert de horizontale (tussen wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht) en verticale (tussen het federale niveau en de deelstaten) machtsverhoudingen. Ze is in hoofdzaak bevoegd om duidelijkheid te scheppen en wetten en besluiten te toetsen aan de grondwet. Deze toetsing of interpretatie zorgt ervoor dat de samenstelling van de rechters van groot belang kan zijn en daarom al meermaals een twistpunt is geweest tussen de meerderheid en de oppositie. Rechters worden geregeld vervangen als blijkt dat ze bepaalde partijen te veel tegen zouden werken.

Iedere deelstaat heeft een eigen grondwet en gelijkaardige instellingen vergelijkbaar als op het federale niveau. Bij een schending van de bevoegdheden of een tegenspraak tussen federale wetten of besluiten en deze van de deelstaten, treedt het Opperste Gerechtshof op. Dit kan op eigen initiatief of op initiatief van de president of het Congres gebeuren[17]. Er wordt doorgaans beweerd dat deze macht de zwakste en minst invloedrijke zou zijn van de drie. In sommige situaties echter heeft de rechterlijke macht de beleidsopties van de uitvoerende macht kunnen dwarsbomen. Hervormingen in kader van Roosevelts New Deal werden ongrondwettelijk verklaard. Tijdens de Watergate-affaire werden opnames van gesprekken uit het Witte Huis door een uitspraak van het Opperste Gerechtshof vrijgegeven[18].

 

1.2 Het politieke landschap en de partijorganisatie

 

Politieke partijen in de Verenigde Staten zijn moeilijk te vergelijken met de partijen die wij kennen. Amerikaanse partijen bezitten een vage ideologie met enkele basisprincipes, zonder partijprogramma en de band tussen de leden is nogal losjes. Sinds mei ’68 staat de partijloyaliteit op een laag pitje en hebben vakbonden en drukkingsgroepen aan invloed gewonnen. Partijen zijn grotendeels kiesmachines en geen ideologische beginselpartijen. Verkiezingen draaien om personen en hun populariteit en niet om de partijen en hun standpunten. Statelijke en persoonlijke belangen primeren veelal boven die van de partij. Als men van enige samenhang kan spreken, is het enkel tijdens de verkiezingsperiode. Er bestaan maar twee grote partijen: de Democraten en de Republikeinen. Verder zijn er nog enkele kleine partijen die een bescheiden aanhang bezitten.

 

1.2.1 De Republikeinen

 

HISTORIEK

Deze partij kwam in 1854 onder Abraham Lincoln tot stand als een coalitie tussen de Whigs - die tegen de slavernij waren - en de zogenaamde Jacksonians - die de idee aanhingen dat het volk in alle zaken moet beslissen. De partij domineerde de politiek vanaf de Burgeroorlog tot en met het begin van de 20e eeuw. Sinds de New Deal-hervormingen van Roosevelt zijn de Republikeinen in het Huis en de Senaat de natuurlijke minderheidspartij gebleven. De partij verloor haar imago van voorvechtster van de vooruitgang en de sociale rechtvaardigheid. Vanaf 1992 is er echter opnieuw een Republikeinse meerderheid maar is die zoals eerder aangetoond verre van geconsolideerd. De Republikeinen vormen in tegenstelling tot de Democraten de laatste jaren een hecht blok.

 

AANHANG

De partij richtte zich aanvankelijk snel tot de handels- en industriële middens. De Amerikaanse Burgeroorlog zorgde voor een geografische opsplitsing: de Republikeinen hadden hun grote aanhang bij de Noordelijke en Oostelijke staten en door hun afwijzing van de slavernij ook bij de zwarten in het Zuiden. Deze laatste groep schakelde echter na de New Deal snel over naar de Democratische zijde, samen met de Joodse lobby. De kantoor- en handelsbedienden, de blanke protestanten uit het Noorden, de gegoede burgers, de zakenlieden, de boeren van de Great Plains en de inwoners van de voorsteden bleven de Republikeinen trouw. De ontevredenheid over de Democratische partij deed het Zuiden massaal voor de Republikeinse partij stemmen. Heden ten dage heeft de Republikeinse partij een belangrijke aanhang bij de traditionele blanke, conservatieve en christelijke Amerikaanse burger. Het principe van eigen verantwoordelijkheid, individualisme, vrijheid en 'The American Dream' zijn belangrijke elementen van de Amerikaanse cultuur en die sluiten iets beter aan bij de visie van de Republikeinen dan bij die van de Democraten.

 

‘PUNTEN’[19]

De Republikeinen zijn eerder voorstanders van het vrijlaten van de markt, lagere belastingen en zullen zich behoedzamer en christelijker opstellen in ideologische kwesties. Ondanks haar vooruitstrevende geschiedenis wordt de partij tegenwoordig eerder gezien als conservatief. Dit danken ze aan standpunten als het verhogen van defensie-uitgaven, het verminderen van uitgaven voor sociale voorzieningen en in het algemeen aan het verminderen van staatsinmenging. Deze laatste stelling is in se moeilijk verenigbaar met hun roep om het verbod van zaken als abortus en gelijke rechten voor homoseksuelen.

 

1.2.2 De Democraten

 

HISTORIEK

De democratische partij is ontstaan uit de Democratic-Republican Party van Thomas Jefferson. Andrew Jackson gaf de partij in 1828 haar huidige naam. Na de Amerikaanse burgeroorlog waren de Democraten vooral de partij van blanke zuiderlingen, en verdween de partij van het politieke voorplan na een regeerperiode van tweeëndertig jaar. Onder Harry Truman (1948) stemde zijn partij er tegen de traditie mee in om aandacht te schenken aan burgerlijke rechten. Deze beslissing zorgde echter voor een afscheuring van de zuidelijke conservatieve democraten: de Dixiecrats. De Democratische partij won echter de verkiezingen zonder de steun van deze groep. De partij wekte alsmaar meer de sympathie van zwarte Amerikanen die de industriesteden massaal bevolkten in de jaren ‘40 en ‘50. Tegenwoordig kunnen de Democraten de zwarte gemeenschap tot hun vaste achterban rekenen.

 

AANHANG

De Democraten konden vroeger rekenen op een vast percentage kiezers uit de Joodse bevolking, de landbouwers uit de Mid-West en de Afro-Amerikaanse bevolking. Vakbondsleden stemmen ook traditioneel meer op de Democraten. Het merendeel van de Amerikaanse bevolking behoort echter tot het politieke midden en partijshopping is dan ook een frequent verschijnsel in de Verenigde Staten. Ouders, woonplaats, interesse in een politieke carrière en ideeënwereld; deze volgorde bepaalt veelal de politieke voorkeur. Algemeen kan men de volgende vage omschrijving hanteren als een Democratische kiezer: positief over de rol van de overheid, emancipatorisch en strevend naar een open minderhedenbeleid.

 

‘PUNTEN’

De idealen van de partij waren van bij het begin gericht op meer gelijkheid en het afschaffen van privileges, maar deze standpunten stonden echter haaks op haar steun aan de slavernij. Lyndon Johnson, die in 1964 en 1965 met de burgerrechtenwetgeving een eind maakte aan de segregatie, was de Democraat die de meeste zwarten opnieuw Democratisch deed stemmen. Het is moeilijk om vandaag de standpunten van de Democraten samen te vatten in enkele woorden. De Democratische presidentskandidaat John Kerry pleit enerzijds voor een grotere samenwerking tussen de VS en de VN in de Irak-kwestie, maar anderzijds is hij tegen het openstellen van het huwelijk voor homo’s. Progressief is niet het goede woord en conservatief al zeker niet, we blijven vaag en situeren de partij in het midden[20].

 

1.2.3 ‘Minor Parties’ en ‘Third Parties’[21]

 

Ofschoon het tweepartijenstelsel in de Verenigde Staten, bestaan er toch enkele andere partijen. Afscheuringen van de twee grote partijen vinden we in ‘third parties’, ‘minor parties’ bestaan al langer, maar genieten weinig invloed en inmenging van de groten. Voorbeelden van eersten zijn de eerder vermelde Dixiecrats, de American Independence Party van George Wallace, de National Unity Movement van John Anderson en United We Stand America van Ross Perot. We gaan even in op de kleine onafhankelijke partijen die meedingen in de verkiezingen van 2004.

 

THE GREEN PARTY

De groenen zijn opgericht in 1980 en dragen een ideeëngoed in zich vergelijkbaar met de Europese groene partijen. De bekendste politicus is Ralph Nader. In 2000 behaalde de partij een opvallend aantal van drie miljoen stemmen[22]. De jurist David Cobb is voor de verkiezingen van 2004 de nieuwe groene presidentskandidaat, want Ralph Nader komt op als onafhankelijke[23].

 

THE REFORM PARTY

Deze partij is opgericht door Ross Perot en mikte vooral op de rechterflank van de Republikeinse partij. De partij is echter nooit bekomen van de afscheuring van de conservatieve televisiemaker Pat Buchanan. Deze laatste mikte enkele malen op de Republikeinse nominatie voor de presidentsverkiezingen. De zakenman Ted Weill is de kandidaat voor 2004 met eisen als verplicht werk voor gevangenen, afschaffing van de buitenlandse hulp en daling van de benzineprijzen.

 

THE LIBERTARIAN PARTY

Deze in 1971 opgerichte partij staat voor de rechten van het individu, verbod op censuur en het afschaffen van belastingen op inkomens. Ze pleit voor een small-government, de vrije markt en een non-interventionistische buitenlandse koers. De radiopresentator Gary Nolan is de belangrijkste kandidaat.

 

THE CONSTITUTION PARTY

Deze christelijke, sociaal-conservatieve partij ijvert voor een ‘Republiek onder God’. De kandidaat Michael Peroutka pleit voor ‘verzet tegen de socialistische, elitaire en globalistische greep op de Amerikaanse politieke macht’.

 

THE NATURAL LAW PARTY

De Natural Law Party wil een meer harmonieuze en spirituele aanpak van de Amerikaanse politiek en pleit ondermeer voor duurzame energie, preventieve gezondheidszorg, duurzame landbouw en op vrede gebaseerde internationale relaties. Dennis Kucinich is voor 2004 de belangrijkste kandidaat.

 

1.3 De Amerikaanse verkiezingen

 

1.3.1 Kiesstelsel[24]

 

In de Verenigde Staten kunnen we spreken van een ENKELVOUDIG MEERDERHEIDSSYSTEEM. De kenmerken van dit systeem zijn:

- de verdeling van het land in even grote kiesdistricten,

- het uitbrengen van slechts één stem,

- de winnaar heeft slechts een gewone meerderheid nodig.

De voordelen van het systeem zijn:

- kiezers krijgen een duidelijke eenvoudige keuze voorgeschoteld

- regeringen hebben meer slagkracht en efficiëntie en krijgen een duidelijke opdracht van de meerderheid van de kiezers om hun programma te realiseren

- extremisme worden binnen de perken gehouden omdat kleine, radicale partijen moeilijk zetels kunnen verkrijgen

- er wordt stabiliteit gecreëerd doordat éénpartijregeringen amper uiteenvallen door onenigheid en interne facties

De nadelen zijn:

- de grote aantal stemmen van de verloren partij worden verspild en de legitimiteit van de regering wordt ondermijnd aangezien ze slechts verkozen zijn door een kleine meerderheid

- electorale voorkeuren worden verstoord door ondervertegenwoordiging van kleine partijen

- er kan onstabiliteit optreden aangezien een wisseling van regering kan leiden tot radicale veranderingen

- beperktheid van keuze

- de kandidaten worden meestal voorgedragen o.b.v. hun populariteit bij het grote publiek en niet omwille van hun vaardigheden of sociale achtergrond

 

1.3.2 Verkiezingen Congres

 

De 100 senatoren worden zesjaarlijks rechtstreeks verkozen en één derde wordt om de twee jaar vernieuwd.

De 435 leden van het Huis van Afgevaardigden worden om de twee jaar rechtstreeks verkozen. De verkiezingen voor het Huis vallen om de twee jaar samen met de presidentsverkiezingen die om de vier jaar plaats hebben. De verkiezingen die niet samenvallen worden mid-term elections genoemd en zijn dikwijls een belangrijke test voor de populariteit van de president en zijn ploeg. Het land is verdeeld in kiesdistricten die door de wetgevende macht van de deelstaten om de tien jaar wordt aangepast[25].

 

1.3.3 Presidentsverkiezingen[26]

 

Een president wordt voor een termijn van vier jaar verkozen en kan zich één keer opnieuw verkiesbaar stellen. De verkiezingen vinden de eerste dinsdag van november plaats, dit jaar dus op 2 november. De verkiezingscampagne start officieel in januari en verloopt in vier fasen: de primaries, de partijconventies, de eigenlijke campagnes en uiteindelijk de verkiezingsdag of de election day.

 

DE PRIMARIES

De primaries zijn de voorverkiezingen per staat en per partij waarbij een kandidaat verkozen wordt die later zal deelnemen aan de algemene verkiezingen, hier worden met andere woorden de kiesmannen gekozen die in een latere fase de uiteindelijke presidentskandidaat zal kiezen. De datum varieert per staat, maar voor de presidentsverkiezingen vinden ze het eerst plaats in januari in Iowa en als laatste in Montana en Jersey, in juni[27]. Er kan gekozen worden volgens twee systemen: via caucuses of via primaries. Een caucus is een besloten vergadering van partijleden om voor de behandeling in het Congres wetsvoorstellen te bespreken en een gezamenlijk beleid te bepalen of om de presidentskandidaat te selecteren[28]. Elke bij de partij geregistreerde kiezer kan verscheidene lokale commissie- en districtvergaderingen bijwonen en na beraadslaging en discussie worden uiteindelijk de kandidaten gekozen die naar een ruimere caucus gaan en uiteindelijk ook naar het nationale partijcongres. Dit systeem wordt niet meer veel toegepast door het succes van het tweede systeem. Het andere systeem is het primary election-systeem[29]. Iedere geregistreerde kiezer brengt zijn stem uit op een anoniem stembiljet, analoog als in de algemene verkiezing. Er bestaan closed, open en blanket primaries. In sommige staten wordt ook met een combinatie van beide systemen gewerkt.

 

DE PARTIJCONVENTIES

Op haar nationale partijconventie maakt elke partij uit wie er officieel als kandidaat aangesteld wordt en wordt de steun van de verloren kandidaten verzekerd. Hier wordt ook de running mate - de toekomstige vice-president - voorgesteld, alsook de basislijnen van het verkiezingsprogramma. De conventies zijn één van de meest overweldigende evenementen in de Amerikaanse politiek. Iedere staat wordt met zijn respectievelijke delegatie verwelkomd en verklaard officieel de steun aan de presidentskandidaat. Dit alles gehuld in een zweem van entertainment en showspektakel.

 

DE CAMPAGNE

De campagne is de wezenlijke strijd tussen de verschillende presidentskandidaten. Twijfelende kiezers, vlottende kiezers, de achterban van de verslagen partijgenoten, … allen moeten op een of andere manier overtuigd worden. De campagne is een enorm intensief proces waarbij van de ene naar de andere staat moet gevlogen worden, waarbij enorm veel geld verbruikt wordt aan propaganda en waarbij de ene kandidaat de andere probeert zwart te maken met alle middelen mogelijk[30]. Reclame op de nationale televisie en grote verkiezingsdebatten zijn vaste waarden in deze periode.

 

DE VERKIEZINGEN: ELECTION DAY

Op de dinsdag na de eerste maandag in november, kunnen de geregistreerde burgers kiesmannen of electors aanwijzen, die op hun beurt de president verkiezen. De opkomst is meestal niet echt groot aangezien er geen stemplicht is en de kiezers zich vooraf moeten registreren. Elke staat mag een aantal electors aanduiden dat overeenkomt met het aantal leden dat die staat heeft in de Senaat (twee per staat) en het Huis van Afgevaardigden (afhankelijk van het aantal inwoners van de staat). De partij die de meeste stemmen haalt in een staat, krijgt meteen alle kiesmannen van die staat toegewezen. De kiesmannen vormen samen het electoral college. Omdat de kiesmannen op voorhand al duidelijk gemaakt hebben welke presidentskandidaat ze zullen steunen, valt uit de samenstelling al op te maken wie president zal worden. Alles samen worden er 538 kiesmannen aangeduid. Wie een meerderheid van 270 haalt, wordt de volgende president van de Verenigde Staten. De uitslag wordt begin januari in een gezamenlijke zitting van het Huis en de Senaat bekendgemaakt. Indien geen van de kandidaten een meerderheid behaalt in het kiescollege, moet het Huis van Afgevaardigden de knoop doorhakken. Elke staat heeft dan één stem. Als ook dan geen enkele kandidaat een meerderheid krijgt, maakt de Senaat de uiteindelijke keuze[31].
 

1.4 Regeringsvorming

 

De regeringsvorming in de Verenigde Staten is een louter formele aanstelling van het kabinet door de president. De president moet hierin rekening houden met criteria als geografische spreiding, geslacht, etniciteit, … De running mate van de presidentskandidaat wordt de vice-president. De personen die voor de ministerposten in aanmerking komen, worden hoofdzakelijk vooraf door de top van de partijen besproken en vastgelegd.

 

1.4.1 Kort overzicht[32]

 

De langst regerende president is de Democraat Franklin D. Roosevelt, hij leidde het land tijdens de economische malaise na de beurskrach van de jaren ’30 en tijdens Wereldoorlog II (van 1933 tot 1945). Roosevelt werd na zijn dood opgevolgd door Harry S. Truman. De langste periode waarin de Democratische partij de macht had (1933-1953) kwam ten einde met de verkiezing van de Republikein Dwight S. Eisenhower. Hij beëindigde de Korea-oorlog. De opeenvolgende presidenten waren de Democraten John F.Kennedy en Lyndon Johnson. Kennedy was de jongste en eerste katholieke president en staat bekend om de Cuba-crisis. Na de moord op Kennedy werd zijn beleid verder gezet door Johnson, maar werd alles overvleugeld door de escalerende Vietnam-oorlog. Een einde aan deze oorlog kwam er met de Republikein Richard M. Nixon. Hij verbeterde de relaties met China en het USSR en startte vredesonderhandelingen in het Midden-Oosten, maar moest aftreden door de Watergate-affaire en werd dan ook in 1974 opgevolgd door zijn partijgenoot Gerald F.Ford. Door een economische laagconjunctuur en de naweeën van de Watergate-crisis werd Ford als een te zwakke leider gezien en dan ook snel vervangen door de Democraat James. E.Carter. Carter is bekend van de SALT-akkoorden met de USSR rond kernwapenbeheersing en de Camp David-akkoorden met Israël en Egypte. Hij werd in 1981 opgevolgd door de populaire ex-acteur en Republikein Ronald W.Reagan die acht jaar president zal blijven. De voormalige CIA-directeur, vice-president en aanvankelijk gematigd Republikein George Bush sr. neemt de fakkel over van Reagan. De steeds maar conservatiever wordende president staat bekend voor de Golfoorlog in Irak. De Democratische Bill W.Clinton neemt in 1993 het roer over. Hij voert een centrumbeleid en kan de Republikeinse meerderheid in het Congres niet afblokken. Clinton wordt geplaagd door een reeks persoonlijke schandalen rond Whitewater en Monica Lewinsky. Na een maximum van twee ambtstermijnen wordt hij opgevolgd door de huidige Republikeinse president George Bush jr. Hij staat bekend voor zijn terrorismebestrijdingsbeleid na de aanslagen van 11 september en de daarop volgende oorlogen in Afghanistan en Irak.

 

1.4.2 De vorming van de regering Clinton I[33]

 

De context van de VERKIEZINGEN in 1992 was niet gunstig voor de Republikeinse president George Bush sr. die aasde op een tweede ambtstermijn; een groot begrotingsdeficit, een enorm hoge staatsschuld, een aanslepende economie, een groot wantrouwen t.o.v. de politiek, de Golfoorlog, … Tegenstand kwam er ook van de conservatieve Pat Buchanan die in de New Hampshire primary 40% van de stemmen binnenhaalde en president Bush op die manier een serieuze opdoffer gaf. De democraat Bill W.Clinton moest het in zijn VOORVERKIEZING opnemen tegen de saaie bureaucraat Paul Tsongas en zijn tegenpool en anti-establishment-figuur Jerry Brown. Ross Perot leek een geduchte tegenstander toen bleek dat hij in de opiniepeilingen populairder was dan Bush en Clinton, maar op de Democratische Conventie liet hij weten niet langer kandidaat te zijn. Clinton werd eveneens geplaagd door schandaaltjes rond zijn huwelijksproblemen en het weigeren van de dienstplicht tijdens de Vietnamoorlog. Dit alles kon hem niet beletten op 3 november 1992 de verkiezingen te winnen met 43% van de stemmen en 370 verkozen kiesmannen. Clinton werd met zijn 46 lentes meteen de jongste president ooit.

Al Gore werd de nieuwe VICE-PRESIDENT. Over de rol van de president later meer (zie 1.5.5). Gore was een weinig opvallende vice-president, maar in tegenstelling tot de meeste van zijn voorgangers kreeg hij veel werk gedelegeerd van de president.

 

1.4.3 De vorming van de regering Clinton II

 

De VERKIEZINGEN van 1996 kan men situeren in een enorm verbeterde economie, maar tegelijk was er onvrede over de niet ingeloste beloftes i.v.m. de hervorming van de sociale zekerheid. De Republikeinen echter focusten zich op de volgende verkiezingen, want Clinton leek ditmaal een moeilijk te kloppen tegenstander. De Republikeinse tegenkandidaat Bob Dole kon met zijn duffe en saaie imago en zwak discours niks doen tegen Clinton. Clinton werd dan ook met 379 verkozen kiesmannen voor een tweede ambtsperiode tot president van de Verenigde Staten gekozen. Al Gore werd opnieuw VICE-PRESIDENT.

De meeste opvallende figuur uit het kabinet Clinton II was de eerste vrouwelijke Secretary of State en ex-NAVO ambassadeur Madeleine Albright[34]. William Cohen, een Republikein, werd Minister van Defensie. Om het evenwicht tussen de twee grote partijen te bewaren worden meestal een of twee leden van de andere partij in de nieuwe regering opgenomen[35].

 

1.4.4 De vorming van de regering Bush jr.[36]

 

Al Gore werd in 2000 vlot vooruitgeschoven als volgende presidentskandidaat voor de Democratische partij. Gore is een warm en humoristisch persoon en heeft een Clintonachtige manier van omgang, maar had grote moeite om dit aan het publiek te tonen. Een groot voordeel was de grote steun van president Clinton en het bewijs van de verwezenlijkingen van de afgelopen acht jaar. De belangrijkste republikeinse kandidaten tijdens de VOORVERKIEZINGEN waren Steve Forbes, Alan Keyes, John McCain en George Bush jr. McCain speelde zijn underdogrol door zijn openlijk verzet tegen de manier van verkiezing voeren en tegen het grote geld die ermee gemoeid was. Hij haalde in kleinere staten ondanks de weinige financiële middelen toch 25% van de stemmen. In de gesloten primaries haalde Bush echter steevast de meerderheid. De grote staten New York en California werden door Bush veroverd en dit deed de kandidaat McCain terugtrekken.

Na een omstreden VERKIEZING met de gekende klucht in Florida[37] werd George W. Bush jr. met 271 kiesmannen tov 266 voor Gore de nieuwe Amerikaanse president. De havik Dick Cheney werd de nieuwe VICE-PRESIDENT. Het is te voorspellen dat Cheney voor de volgende presidentsverkiezingen in 2004 weer de running mate van Bush wordt[38].

De belangrijkste leden van het KABINET zijn Secretary of State en duif Colin Powell, Secretary of Defense en havik Donald Rumsfeld, adviseur voor de Nationale Veiligheid Condoleeza Rice en minister van Justitie John Ashcroft. Bush benoemde de Democraat Norman Mineta als nieuwe transportminister. Hij maakte, net zoals William Cohen indertijd, een afspraak met Bush dat hij zich niet actief met de volgende verkiezingen zal inhouden. De regering Bush kan in drie groepen onderverdeeld worden: een kern van zwaargewichten voor het veiligheids- en economisch beleid, een groep conservatieven voor het binnenlandse beleid en een derde groep randfiguren.[39]

 

1.5 Machtsverhoudingen in de Amerikaanse politiek

 

De Amerikaanse politiek is een ideale case om de machtspolitiek en zijn spelers te onderzoeken. Naast de officiële organen en procedures zijn er nog vele andere actoren en instituties die een invloed hebben op het beleid van de president en zijn regering. In officiële documenten, teksten en statuten kun je niet veel terugvinden, maar er is al genoeg over geschreven om een beeld te kunnen schetsen van de machtsverhoudingen in de Amerikaanse politiek. We proberen een kort en bondig overzicht te geven van de verschillende actoren, de netwerken van relaties, de posities die de actoren daarin innemen, de machtsbronnen en de domeinen waar dit alles betrekking op heeft[40].

 

1.5.1 Enkele machtsverdelingstheorieën[41]

 

We zullen twee soorten theorieën in verband met democratie aan bod laten komen. Ten eerste het pluralisme en ten tweede de belangrijkste elitetheorieën[42]. Andere interpretaties als het marxisme en het corporatisme laten we achterwege omdat ze minder gelden voor de specifieke situatie in de Verenigde Staten. Pluralisme en de elitetheorieën kunnen we duidelijk tegenover elkaar plaatsen en zijn praktischer toepasbaar om de machtsverdeling in de VS te schetsen.

 

PLURALISME

“… pluralism is a theory of distribution of political power. It holds that power is widely and evenly dispersed in society rather than concentrated in the hands of an elite or a ruling class.”[43]

Pluralisme benadrukt in tegenstelling tot de elitetheorieën het belang van verschillende meningen en het evenwaardig aan bod komen van deze meningen in de politiek. JAMES MADISON bestudeerde de evolutie van Amerika van een confederatie van staten naar het federale VSA. Als tegenmacht voor majoritarisme en het verdringen van de individuele rechten en als garantie voor stabiliteit pleitte hij voor een georganiseerd meningsverschil d.m.v. een systeem berust op gescheiden machten, bicameralisme en federalisme. Madison was met zijn Federalist Papers rechtstreeks betrokken bij het schrijven van een grondwet voor het nieuwe Amerika en werd dan later ook president (1808-‘15). Als lid van de Founding Fathers ontwikkelde hij een nieuwe theorie en praktijk van vertegenwoordiging die de definitie van legitieme autoriteit expliciet fundeerde op de aanwezigheid van de bevolking in de centra van de beslissingsmacht. Het juiste evenwicht tussen centraal gezag en sociale cohesie moest gerespecteerd worden via een verantwoordelijk bestuur. De Madisoniaanse democratie is een democratisch systeem dat bestuurd wordt door een veelheid van minderheden en dat gericht is op het vermijden van de vorming van een structurele blijvende meerderheid. Het is de start van het representatief (partij)pluralistisch systeem.[44]

De meest invloedrijke moderne exponent van de pluralistische strekking is ROBERT DAHL. Op basis van zijn studie in de stad New Haven komt hij tot de conclusie dat moderne democratieën opmerkelijk verschillen van klassieke democratieën. Hij typeert de eerste als polyarchieën: regeren met een gekozen meerderheid i.p.v. regeren door alle burgers zoals het geval was in de oude Griekse klassieke democratieën. Hij stelt acht criteria voor om democratie te meten: het recht om te stemmen, het recht om verkozen te worden, het recht van politieke leiders om elkaar te bestrijden voor stemmen en steun, vrije en eerlijke verkiezingen, vrijheid van organiseren, vrijheid van meningsuiting, persvrijheid en politieke instituties die vertegenwoordiging omzetten in een beleid[45]. Competitie tussen politieke partijen in verkiezingen en de mogelijkheid voor belangengroepen om hun belangen te verkondigen zorgt voor een belangrijke en betrouwbare link tussen de regering en de kiezers.

Deze twee theorieën zijn beiden bekritiseerd. Madisons idee zou ontstaan zijn uit vrees voor een tirannieke meerderheid en om het privé-bezit veilig te stellen en niet vanuit enig idealisme rond een volwaardige vertegenwoordiging en inspraak voor de burgers. Dahl transponeert te snel bevindingen uit een lokale studie naar het nationale niveau. Wanneer belangengroepen te veel onhaalbare eisen stellen, zou de regering dan weer geconfronteerd kunnen worden met een ‘government overload’. Het neopluralisme blijft trouw aan de pluralistische beginselen, maar heeft een herziening doorgevoerd. Ze ziet Westerse democratieën als ‘mismaakte polyarchieën’ waarin grote bedrijven een disproportionele invloed uitoefenen en beschouwen de economische vrije markt-doctrine als achterhaald.

 

ELITETHEORIEËN

Een elitetheorie is ‘de idee dat in onze samenleving een minderheid regeert door middel van geweld en bedrog en dat de democratische controle van de meerderheid over de minderheid een fictie is’[46].

De klassieke elitetheorieën (Mosca, Pareto, Michels) vinden het bestaan van een elite een onvermijdelijk en onveranderlijk onderdeel van de samenleving. Moderne elitaristen (Mills) zijn kritischer en beschrijven de tekortkomingen van elites t.o.v. het klassieke democratische ideaal.

MOSCA vindt dat een democratie moet toestaan dat elites zich kunnen vormen en elkaar kunnen bekampen om de machtsposities. De bronnen van macht die noodzakelijk zijn om de heersende elite te worden zijn ongelijk verdeeld. Een samenhangende minderheid zal altijd de mogelijkheid hebben om de massa te manipuleren en onder controle te houden, zelfs in een parlementaire democratie. PARETO stelt dat elites in het verleden gebruik maakten van zogenaamde hogere geestelijke waarden als een verhulling voor het realiseren van de eigen belangen. Hij identificeert twee groepen elites: de vossen en de leeuwen. De eerste regeren door manipulatie, de tweede door dwang en geweld. MICHELS stelt met zijn ijzeren wet van de oligarchie dat elke organisatie de neiging heeft om de macht te concentreren in handen van een dominante groep die alles organiseert en de grote beslissingen neemt. MANNHEIM stelt dat macht in handen van enkelen niet automatisch betekent dat een samenleving ondemocratisch zou zijn. Men regeert voor het volk en competitie tussen verschillende partijen is inherent aan het democratische bestel. SCHUMPETER stelt dat elites gefractioneerd zijn en strijden om de macht. Hij vindt de effectieve deelname van het volk aan de wetgeving en het bestuur onmogelijk en zelfs onwenselijk. De massa is kortzichtig en irrationeel. In een democratie moet de ‘politieke arbeidsverdeling’ tussen burgers en afgevaardigden gerespecteerd worden. Democratie ziet hij als een methode of procedure en niet als een regeringsvorm.

Elitaristische theorieën werden op verschillende manieren bekritiseert. De invloed van pressiegroepen, vakbonden en dergelijke wordt te weinig benadrukt en het belang van andere gelijkaardige actoren wordt verwaarloosd. De theorieën zouden geschreven zijn in opdracht en ten gunste van bepaalde groepen in onze maatschappij. Ze zijn te kortzichtig, eenzijdig en radicaal en zijn op een weinig wetenschappelijke manier gefundeerd.

 

1.5.2 Het power-elite-model

 

HET MODEL[47]

In zijn analyse over macht in de VS identificeert MILLS een overkoepelende nationale topelite. Er is al sinds Wereldoorlog II in de Verenigde Staten een opmerkelijk proces aan de gang. Het Amerikaanse Congres stond machteloos tegenover deze ontwikkeling. Er is een machtselite ontstaan die in het kader van schaalvergroting en concentratie alle centrale beslissingen nam. Een klein aantal mensen beslist over de grote economische, politieke en militaire onderwerpen. De machtselite bestaat, volgens Mills, uit de bazen van grote ondernemingen, hooggeplaatste militairen en leden uit de politieke wereld. De kenmerken van deze power elite zijn een nauwe wisselwerking, een potentiële machtsuitoefening en macht als attribuut van instituten en niet van klassen of personen. De elite houdt een verwevenheid van de belangrijkste maatschappelijke instituties in en is dus veranderlijk of beperkt in bezetting, het is geen ‘ruling class’ maar een ‘power-elite’. Redelijkheid, kennis en cultuur als basiswaarden van de Verlichting worden vervangen door winst, macht en status. De bevolking wordt volgens Mills beschouwd als een amorfe passieve massa die onder controle gehouden wordt door de massamedia die in handen is van deze elite. Mills pleit voor het opbouwen van een ‘civil service’ als tegenmacht voor deze elite. Het moet een apparaat worden van politiek onafhankelijke bureaucraten ten gunste van ongebonden kritische intelligentsia en met politieke verantwoordelijkheid. Mills’ analyse was opmerkelijk voor die tijd en veroorzaakte heel wat commotie, ook in de academische wereld. Zijn bevindingen werden als te weinig analytisch beschouwd en geklasseerd onder de samenzweringstheorieën. Zijn idee van ‘civil service’ werd al te moraliserend en weinig realistisch gevonden. Volgens het heersende gezichtspunt zou er in de VS geen concentratie van macht en invloed bestaan. Het idee leefde dat er een machtsevenwicht was. Bij zijn aftreden in 1961 waarschuwde president Eisenhower echter voor de enorme invloed van het ‘militair-industrieel complex’ wat de invloed van Mills’ theorie alleen maar bevestigt[48].

 

ANNO 2004: TOEPASSING OP DE VS

Verschillende leden van de huidige regering Bush hebben banden met de industriële en financiële wereld. Vice-president Dick Cheney is de voormalige topman van Halliburton. Dit bedrijf kon enkele lucratieve contracten versieren voor de heropbouw van Irak. Het bedrijf heeft zijn contracten met de regering bijna verdubbeld voor een bedrag van 2,3 miljard dollar en heeft als wederdienst zijn schenkingen aan politieke partijen ook verdubbeld tot 1,2 miljoen dollar[49]. Het Enron-schandaal bracht aan het licht dat vele, zowel Republikeinse als Democratische politici, in hun campagne gefinancierd werden door de top van dit bedrijf; de Minister van Justitie John Ashcroft, enkele senatoren als Liebermann en McCain[50]. Minister van Defensie Donald Rumsfeld was directielid van het farmaceutische bedrijf G.D. Searle en bedrijfsleider van General Instrument Corporation. Hij is tijdlang voorzitter geweest van RAND Corporation, een belangrijke militaire denktank[51]. President Bush en nationaal veiligheidsadviseur Condoleeza Rice stammen uit de Texaanse olie-industrie en minister van Financiën Paul O’Neill is voormalig topman van aluminiumproducent Alcoa.

We bespreken enkele van de belangrijkste politiek-militaire denktanks die een grote invloed uitoefenen op de Amerikaanse politiek.

 

1. RAND Corporation[52]

In 1946 werd door de American Air Force en onder contract van de Douglas Aircraft Company de denktank RAND Corporation opgericht. Deze groep onderzoekers werd in 1948 reeds een onafhankelijke organisatie. Ze richtte zich aanvankelijk op het ontwikkelingen van innovatieve oplossingen voor complexe militaire problemen, voornamelijk betreft de veiligheid van de Amerikaanse samenleving. Via het samenbrengen van onderzoekers van de meeste academische specialisaties en praktische begeleiding probeerde men inzicht te verschaffen in beleidskeuzes en barrières voor beleidsimplementatie. In hoofdzaak gaat het onderzoek over militaire kwesties, maar men houdt zich ook in met onderwijs, justitie, arbeids- en bevolkingsonderzoek en de internationale economie. De RAND Corporation is het prototype voor andere onderzoeks- en ontwikkelingsinstituten: het Urban Institute en het Hudson Institute. Deze organisaties zijn contractueel verbonden met verschillende departementen van de regering en werken rond een verscheidenheid aan onderwerpen: chemische afval, defensiesystemen in de ruimte, enz… Ze spelen een prominente rol in de politieke besluitvorming inzake de defensiepolitiek van de VS. RAND heeft echter ook afdelingen in Europa; o.a. in Berlijn, Cambridge en Leiden.

 

2. Het PNAC[53]

Het Plan for the New American Century (PNAC) is in 1997 in het leven geroepen en valt te situeren binnen de neoconservatistische traditie van de laatste decennia. De basisbeginselen van het PNAC kwamen rechtstreeks uit de Defense Planning Guidance, een uiterst controversiële nota die Paul Wolfowitz en I. Lewis Libby na de eerste Golfoorlog schreven voor toenmalig Minister van Defensie Dick Cheney. Het project voorspelt een eenentwintigste eeuw waarin Amerika opnieuw een wereldwijde leidersrol moet opnemen en zijn diplomatieke en militaire capaciteiten moet opdrijven om deze doelstelling te bereiken. De regering moet prioriteit geven aan haar militaire en economische voorsprong om de absolute superioriteit te bereiken. “…American leadership is good both for America and for the world; such leadership requires military strength, diplomatic energy and commitment to moral principle”. Het Midden-Oosten, Irak en Eurazië spelen een cruciale rol in het plan. PNAC drukte in 2000 al op het belang van de controle over olievoorraden en de politieke implicaties hiervan. Donald Rumsfeld, Paul Wolfowitz, Jeb Bush en Dick Cheney zijn prominente figuren binnen deze organisatie. De voorzitter van deze werkgroep is William Kristol, ex-chief of staff van vice-president Dan Quale onder George Bush sr. De bekende theoreticus Robert Kagan is projectdirecteur. Andere bijdragen komen van Gary Schmitt en Lawrence Kaplan.

 

3. The Bilderberg-group[54]

Als laatste invloedrijke groep bespreken we kort een internationale denktank met vertakkingen over heel Europa en Amerika. Deze enorm omvangrijke discussiegroep bestaat uit politici, academici en zakenmannen die enkel de eigen belangen verdedigen en streven naar werelddominantie. Ze is een sterk economische denktank die pleit voor het vrije-markt-principe toegepast in alle geledingen van de maatschappij. Ze is opgericht in hotel ‘Bilderberg’ in 1954 in Nederland en haar huidige hoofdkwartier is nog steeds gevestigd in Nederland, namelijk in Leiden. Regelmatig wordt in alle geheimzinnigheid gediscussieerd over belangrijke Amerikaanse en Europese onderwerpen: de economie, een aparte Europese defensiemacht, de oorlog in Irak, enz… Bekende leden waren en zijn: Bill Clinton, Tony Blair, Donald Rumsfeld, Paul Wolfowitz, mediamagnaat Rupert Murdoch, de hoofdredacteurs van The Observer en The Economist, koningin Beatrix, koningin Sofia en koning Juan Carlos en ander hooggeplaatste personen uit verschillende Amerikaanse en Europese regeringen.

 

1.5.3 Lobbygroepen: Political Action Commitees

 

In een reeks van 36 democratieën staan de Verenigde Staten op de vierde plaats op een schaal van pluralisme. De kenmerken van dit pluralisme zijn: een veelheid aan kleine belangengroepen, de afwezigheid of zwakke aanwezigheid van toporganisaties, weinig of geen tripartite overleg en het niet-afsluiten van overeenkomsten[55]. In de Verenigde Staten wordt bijna een kwart van de campagnes gefinancierd door Political Action Commitees. Ze schenken veel geld aan de twee grootste partijen in ruil voor een stem in het beleid of een beleid in het voordeel van deze groepen. Vaak bestaan er ideologische of institutionele banden tussen de belangengroepen en de partijen. Ze worden echter vaak in campagnes in een negatief daglicht gesteld via het argument van belangenvermenging. Zowel de Republikeinen als de Democraten worden beïnvloed door deze ‘interest groups’. Er dient opgemerkt te worden dat, hetzij de partijen, hetzij de belangengroepen, geen van beide onvoorwaardelijk verbonden is met een vaste partner. In sommige omstandigheden worden de banden tussen de twee verzwakt of zelfs verbroken. We bespreken de belangrijkste groepen van zowel linkse als rechtse strekking.

De vijftig jaar oude AMERICAN-ISRAEL PUBLIC AFFAIRS COMMITTEE (AIPAC) is één van de meest invloedrijke Israëlische lobbygroepen in Washington. In de afgelopen tijd heeft Aipac succesvol gelobbyd bij het Congres voor een hele lijst met wensen, waaronder sterkere maatregelen tegen Palestijnse verzetsgroepen als Hamas en Hezbollah, financiële hulp ter waarde van 28 miljoen dollar waarmee Israël in de VS geavanceerde wapentechnologie kan kopen, sancties jegens Arafat als hij er niet in slaagt de zelfmoordaanvallen te stoppen en de hulp bij de ontwikkeling van een nieuw raketsysteem[56]. De Amerikaanse NATIONAL RIFLE ASSOCIATION (NRA) is een belangrijke groep die pleit voor het behouden en niet-verstrengen van het wapenbezit en beroepen zich daarvoor op het tweede amendement in de Amerikaanse Grondwet die “een goed geordende strijdkracht noodzakelijk vindt voor de veiligheid van een vrije Staat”[57]. In het verleden heeft deze groep wetten die een verstrenging pleitten kunnen tegenhouden. Na het Columbine-incident heeft de regering-Clinton een wetsvoorstel in dit genre ingediend, maar kreeg dit ondermeer door het lobbywerk van deze groep geen meerderheid in het Congres.[58] De groep USA-ENGAGE (UE) heeft al enkele geplande sancties die door het WTO van de regering-Bush werden geëist kunnen verhinderen door anti-sanctievoorstellen in het Congres[59]. Andere belangengroepen zijn de vele vakbonden, de economische denktank International Economics Institute, de GGO-lobbygroepen, vredesactivisten, de dierenrechtenorganisatie PETA, enz…
 

1.5.4 Het neoconservatisme

 

“Neo-conservatism… an updated version of social conservatism that emphasizes the need to restore authority and return to traditional values”[60]

 

HISTORIEK[61]

Het neoconservatisme is gegroeid uit het LINKS-RADICALISME van de jaren dertig en veertig – de New York Intellectuals - en ontstond in de Verenigde Staten toen in de jaren ‘70 een aantal (vaak joodse) voormalige marxistische radicalen de waarden van de traditionele samenleving, zoals religie, gezin en gezag, herontdekten. De beurskrach van 1929 en de opkomst van het communisme zorgde ervoor dat de USSR het voorbeeld van de toekomstmaatschappij voor de VS werd. Geleidelijk aan kwamen echter de ontsporingen van het Sovjetregime en zijn rampzalige ontwikkelingen boven het water. De intellectuelen keerden zich terug af van de marxistische, communistische of revolutionair socialistische ideologie en accepteerden de nieuwe Amerikaanse samenleving. Drie fenomenen versterkten deze evolutie. Ten eerste startte na Wereldoorlog II de Koude Oorlog en werd van iedereen volle steun en respect voor het vaderland verwacht. Ten tweede viel het Europa door de verwoestingen en ontberingen van de oorlog weg als gulden middenweg en kwam de VS naar voren als een machtige herboren en ontwikkelde natie. Ten slotte werden de vroegere radicale intellectuelen sociaal en institutioneel geïntegreerd in de Amerikaanse maatschappij via allerlei organen als het onderwijs en de politiek. Ze moesten na de oorlog bevestigende theoretische stof aanreiken als rationele basis voor de buitenlandse politiek en zijn verwikkelingen. Deze intellectuelen schoven meer en meer naar de rechterkant van het politieke landschap op en tegen de jaren zestig kon men ze typeren als LIBERALEN. Ze plaatsten zich tussen de onvolwassen ‘Doughface progressive’ linkerflank die een gevaar inhield voor totalitarisme en de republikeinse plutocraten die op een kortzichtige manier wetenschap bedreven. De liberale consensus die toen in Amerika heerste was drieledig. Men geloofde in de sociale harmonie met nauwelijks sociale verschillen onder de bevolking, men zag economische groei als het middel om de armoede te bestrijden en men was voluit anticommunistisch. De liberalen hanteerden een polemistische stijl en steunden uitdrukkelijk het Amerikaanse buitenlandse b