Het vertrouwen in de regering.Verklaringen voor het verschil in vertrouwen tussen de regeringen Dehaene I en Verhofstadt I. (Michiel Nuytemans)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

HOOFDSTUK II. DE AFHANKELIJKE VARIABELE

 

INLEIDING

 

De afhankelijke variabele van deze thesis, datgene wat ik wil proberen te begrijpen, verklaren en ontwarren is het vertrouwen in de regering. Het is de eerste hypothese die we moeten toetsen. Krijgt de regering Verhofstadt meer vertrouwen van haar bevolking dan de regering Dehaene? Is Verhofstadt als eerste minister populairder dan Dehaene dat was? Al snel bleek dat de enige cijfers die in België hierover bestaan de driemaandelijkse enquêtes zijn die in opdracht van La Libre Belgique door Inra werden afgenomen. Dimarso heeft wel op bijzondere momenten een gelijkaardige enquête georganiseerd in opdracht van De Morgen maar dit soort eenmalige ondernemingen laat geen vergelijkende studie toe. De data van Inra hebben veel beperkingen die ik in een eerste deeltje uitgebreid aan bod zal laten komen, maar ze zijn toch zonder concurrentie de beste cijfers die er in België te vinden zijn over dit thema.

Ik heb deze afhankelijke variabele in twee vormen uit de cijfers van Inra kunnen halen. In de eerste plaats is er ‘het vertrouwen in de regering’, dat is de variabele die het dichtst bij het opzet van de thesis aansluit. De nadruk zal dan ook op deze variabele liggen. We hebben uit de data van Inra echter ook nog de populariteit van de persoon van de eerste minister kunnen halen. Hoe deze variabelen zijn ondervraagd en zijn samengesteld zal stap voor stap worden uitgelegd in dit hoofdstuk. Het is slechts als deze achtergrond volledig geschetst is dat ik de cijfers kan voorleggen die ik wil verklaren en dat ik het verschil in populariteit kan aantonen.

 

 

1. DE CIJFERS VAN LA LIBRE BELGIQUE

 

Sinds 1984 verschijnen om de drie maanden de resultaten van deze enquête in La Libre Belgique. Hiervoor werden ze gepubliceerd in het weekblad ‘Pourquoi Pas’. De formulering van de vragen is al die jaren identiek gebleven wat een vergelijking mogelijk maakt over de hele periode. De enquête werd ook altijd afgenomen bij 2000 Belgen ouder dan 18, waarvan er 750 uit Wallonië en 750 uit Vlaanderen en vijfhonderd uit de Brusselse kantons. De foutenmarge op de cijfers is 2,25 procent. Het antwoordpercentage ligt tegen de 90%. Tot mijn grote spijt wordt al dit cijfermateriaal niet in extenso bijgehouden, het bestaat enkel nog in syntheserapporten die aan La Libre worden geleverd.  In dit werk heb ik gebruik gemaakt van de gegevens van de periode december 1989 tot maart 2002.

Zoals reeds vermeld wordt de enquête driemaandelijks afgenomen, namelijk begin maart, juni, september en december. De periode waarin de enquête wordt afgenomen is ongeveer een tiental dagen rond het begin van die maand. Voor december ’91 zijn er geen gegevens beschikbaar omwille van de verkiezingen en de regeringsvorming. De data van juni en september ’94 ontbreken omwille van de Europese, gemeentelijke en provinciale verkiezingen. Waarom deze verkiezingen de voortzetting van de enquête verhinderden is niet helemaal duidelijk. Voor maart en juni ’95 ontbreken er voor dezelfde reden cijfers over het vertrouwen in de regering. Bij de verkiezingen van 1999 tenslotte ontbreken er geen cijfers, hier heeft men de enquête van juni gewoon vervroegd naar mei. Het totaal aantal meetpunten komt zo in ieder geval op 46 voor het vertrouwen in de regering en 48 voor de twee andere variabelen.

 

1.1. Het vertrouwen in de regering

 

De vraag die Inra stelt aan de 2000 respondenten luidt: “Pour résoudre les problèmes actuellement en Belgique, faites-vous confiance ou pas confiance au gouvernement de Monsieur Dehaene/Verhofstadt?” Er werden de respondenten hiervoor vijf mogelijke antwoordcategorieën aangeboden: ‘Tout à fait confiance’, ‘Plutôt confiance’, ‘Plutôt pas confiance’, ‘Pas du tout confiance’ en ‘Sans opinion’. Aan de Nederlandstalige respondenten  is natuurlijk dezelfde vraag gesteld in het Nederlands, maar omdat de gegevens die ik heb gekregen enkel de Franstalige vragen bevatten beperk ik me tot deze vragen.

Om gemakkelijk met deze variabele te kunnen omgaan heb ik ook een variabele ‘Confiance’ samengesteld uit de antwoordcategorieën ‘Tout à fait confiance’ en ‘Plutôt Confiance’. Deze variabele drukt het percentage uit van die mensen die vertrouwen hebben in de regering. Analoog heb ik ook een variabele ‘Pas de confiance’ samengesteld uit de variabele ‘Plutôt pas confiance’ en ‘Pas du tout confiance’.

 

1.2. De populariteit van de eerste minister

 

Hoewel minder belangrijk in de analyse, was deze variabele veel moeilijker samen te stellen. De vraag die in de enquête over de populariteit van politici werd gesteld, was: ‘Pour chacune des personnalités suivantes, voulez-vous dire si vous souhaitez lui voir jouer un rôle important dans les prochains mois?’ En dan volgt een lijst van veertig politici waarop men dus ja of nee moet op antwoorden[6]. Voor Wallonië, Vlaanderen en Brussel zijn dit andere lijsten maar is wel altijd de eerste minister aanwezig op deze lijst.

In de eerste plaats hebben we uit deze gegevens de cijfers gehaald van de drie eerste ministers uit de onderzochte periode. Concreet betekende dit per meetmoment negen cijfers, van elke eerste minister één in elk gewest.

Om tot één federale score per eerste minister te komen moest ik de som maken van de gewogen gewestelijke scores. Dit wil zeggen dat elke score van elk gewest vermenigvuldigd moet worden met een wegingcoëfficiënt die het bevolkingsaantal van dat gewest uitdrukt. Als Martens erg populair is in Vlaanderen maar niet in Brussel, dan moet zijn score in Vlaanderen doorwegen. De wegingcoëfficiënten zijn gebaseerd op de bevolkingsaantallen in 2000.

 

Tabel II.1: De berekening van de wegingcoëfficiënt

 

Bevolkingsaantal

Percentage

Wegingscoëfficiënt

Vlaanderen

5.960.772

58 %

0,58

Wallonië

3.368.055

32,6 %

0,326

Brussel

967.266

9,4 %

0,094

België (totaal)

10.280.670

100 %

1

 

Elk cijfer moest dan vermenigvuldigd worden met de juiste wegingcoëfficiënt. Om dit te verduidelijken nemen we de score van Dehaene in maart 1992.

 

  Tabel II.2: Het wegen van de populariteit van politici, een voorbeeld

Dehaene maart ‘92

Score

Wegingcoëfficiënt

Gewogen score

Vlaanderen

35

0,58

20,3

Wallonië

11

0,326

3,586

Brussel

24

0,094

2,256

België (totaal)

 

1

26,142

 

Zelfs nu hebben we nog steeds geen variabele voor de populariteit van de eerste minister. De drie variabelen die de populariteit van Wilfried Martens, Jean-Luc Dehaene en Guy Verhofstadt uitdrukken, kan men opnieuw samenvoegen tot één variabele die de populariteit uitdrukt van de eerste minister. Hiervoor nemen we voor elk meetmoment de score van de politicus die op dat ogenblik eerste minister was.

We beseffen dat de variabele die we nu gevormd hebben niet volledig overeenkomt met de populariteit van de eerste minister. Het gaat er immers om of men de eerste minister een belangrijke rol wil zien spelen in de volgende periode, toch zullen we het om praktische redenen vanaf nu hebben over de populariteit van de eerste minister.

 

2. EEN VERSCHIL IN POPULARITEIT

 

Nu we de cijfers gesitueerd hebben, kunnen we ze gaan beschrijven. Het uitgangspunt van deze thesis is dat er een verschil is in populariteit tussen de regeringen Dehaene I en Verhofstadt I.

 

2.1. Het vertrouwen in de regering

 

Wanneer we de cijfers van de eerste twee jaar van de beide regeringen naast elkaar leggen zien we deze stelling onmiddellijk ondersteund.

 

Tabel II.3: Vertrouwen in de regering van Dehaene en van Verhofstadt in de eerste negen kwartalen

Kwartaal

Datum

Vertrouwen in de regering  Dehaene

Datum

Vertrouwen in de regering Verhofstadt

1e kwartaal

Mar-92

35

Sep-99

37

2e kwartaal

Jun-92

35

Dec-99

41

3e kwartaal

Sep-92

19

Mar-00

42

4e kwartaal

Dec-92

20

Jun-00

44

5e kwartaal

Mar-93

19

Sep-00

45

6e kwartaal

Jun-93

18

Dec-00

44

7e kwartaal

Sep-93

19

Mar-01

42

8e kwartaal

Dec-93

20

Jun-01

45

9e kwartaal

Mar-94

23

Sep-01

47

 

Hoewel beide regeringen ongeveer met een gelijke score aan hun regeringsperiode zijn begonnen (Dehaene: 35 en Verhofstadt: 37) zien we onmiddellijk daarna zich een volledig verschillend scenario ontwikkelen. De regering Dehaene zakt geen half jaar later in een put en zal daar tot eind 1994 blijven. De regering Verhofstadt klimt nog hoger en houdt dit soort scores ook vol. De twee regeringen halen respectievelijk een gemiddelde van 23% en 43% vertrouwen. Er is dus wel degelijke een duidelijk verschil.

 

Figuur II.1: Vertrouwen in de regering van september 1989 tot maart 2002

 

Wanneer we het geheel van de data bekijken die we hebben over het vertrouwen in de regering Dehaene en Verhofstadt zien we deze tendens bevestigd.

Langs de ene kant stijgt het percentage respondenten met volledig vertrouwen (Toutafait) en eerder vertrouwen (Plutot) duidelijk bij het aantreden van de regering Verhofstadt. Langs de andere kant daalt het aantal respondenten dat helemaal geen vertrouwen (Pasdutout) en eerder geen vertrouwen in de regering hebben ook zeer sterk. De hypothese dat de regering Verhofstadt veel meer vertrouwen geniet bij de bevolking wordt dus zeer duidelijk ondersteund.

 

2.2. De populariteit van de eerste minister

 

Wanneer we de cijfers bekijken van de populariteit van de drie politici die eerste minister zijn geweest in de periode waarvan er gegevens zijn, zien we onmiddellijk dat ze allemaal een veel grotere populariteit genieten wanneer ze eerste minister zijn dan ervoor of erna. Je zou dit een kanseliersbonus[7] kunnen noemen, de stijging van populariteit die een politicus enkel te danken heeft aan het feit dat hij eerste minister is.

 

Tabel II.4: Populariteitscores vlak voor en na de verkiezingen van de drie premiers

Enquête

Martens

Dehaene

Verhofstadt

Voor de verkiezingen

 

14,64

13,79

Na de verkiezing (als premier)

 

26,14

27,47

Voor de verkiezingen (als premier)

33,8

21,78

 

Na de verkiezingen

21,5

13,78

 

 

Hoewel al de politici hier aan onderhevig zijn (zie tabel II.4), is er toch een duidelijk verschil te merken tussen de populariteit van de drie premiers. Wanneer we de gegevens van de drie premiers samenvoegen zoals hierboven beschreven tot één variabele, de populariteit van de eerste minister, zien we ook hier dat de populariteit van Verhofstadt op een niveau hoger ligt dan deze van Dehaene. Hoewel het niveauverschil minder opvallend is, ondersteunen ook deze cijfers de stelling dat er een verschil is tussen de populariteit van Dehaene en die van Verhofstadt.

 

Figuur II.2: De populariteit van de eerste minister van september 1989 tot maart 2002

 

BESLUIT

 

We kunnen onze hypothese zonder problemen aannemen. Er is een zeer aanzienlijk verschil tussen het vertrouwen in de regering Verhofstadt en in de regering Dehaene. We kunnen zelfs spreken van een breuk in het vertrouwen. Er zijn veel meer mensen die geen of helemaal geen vertrouwen hadden in de regering Dehaene. Er is ook een duidelijk –hoewel kleiner – niveauverschil tussen de populariteit van eerste minister Dehaene en die van eerste minister Verhofstadt.

Nu deze hypothese bevestigd is, kunnen we op zoek gaan naar mogelijke verklaringen voor deze opmerkelijke verschillen.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[6] Voor een voorbeeld van zo’n lijst van politici zie Bijlage III

[7] Een term die ook gebruikt wordt om de extra media-aandacht voor de premier aan te duiden (Walgrave en De Swert, 2002: 6)