De strijd om de continuïteit. Een bijdrage tot de studie naar het ‘maatschappelijk vermogen’ van een adellijke familie aan de hand van de correspondentie van Balthazar de Proli en Marie-Jeanne von Clotz. (Sofie Van den Broeck)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Inleiding

 

“Persévéré dans des bons sentiments et censé que si mes jours peuvent se prolonger vous y contribuiez par la, [car] rien ne m’étant plus à coeur que la bonne conduitte de mes enfants sans la quelle touttes les prospéritées de ce monde me sont plus tôt un charge qu’ils ne me fert plaisir."[1] Met deze nieuwjaarswensen van moeder Proli opent de brievencollectie van Balthazar de Proli die zich op het Algemeen Rijksarchief te Brussel bevindt. Balthazar was de voorlaatste telg van een 18de eeuwse Antwerpse bankiersfamilie met Italiaanse wortels. In historiografisch opzicht is hij steeds in de schaduw blijven staan van zijn vader, stichter van het familiale bankhuis en directeur van de Oostendse Compagnie, en zijn broer Charles die op economisch vlak minstens zo actief was. De archieven van al hun ondernemingen kwamen na het faillissement van Charles de Proli in 1785 terecht in de Insolvente Boedelkamer van het Antwerpse Stadsarchief. Daar deden de meeste historici de hoofdbrok van hun onderzoek. In Balthazars brievencollectie werd enkel gezocht naar extra genealogische data maar vooral naar enkele leuke fait divers over de familie de Proli.

 

De oproep van J. Lefèvre, in 1924, om aandacht te schenken aan één van de weinig bewaarde reeksen privé-correspondentie in ons land viel dus grotendeels in dovemansoren.[2]  Alleen     G. Guyot en E. Ramakers bekeken de bronnen wat grondiger. [3]  De neerslag van hun onderzoek bleef echter beperkt tot enkele korte bijdragen met een sterke genealogische inslag. Guyot trachtte weliswaar een overzicht te geven van wat er te lezen viel in de brievenreeks maar leek daardoor enkel het anekdotische karakter ervan te benadrukken. Ze slaagde er niet in om tot een zinvolle vraagstelling te komen.[4]

De economische historici hadden nog minder oog voor Balthazar de Proli en zijn brieven. Hun interesse ging uit naar Balthazars vader en broer en vooral naar de economische activiteiten die dat tweetal ontplooid hadden. De bijdrage van M. Huisman in de Biographie Nationale was een teken aan de wand. Pietro de Proli, of beter gezegd, de Oostendse Compagnie kreeg er de meeste aandacht.[5] In de jaren dertig verschoof de aandacht zich van Pietro de Proli naar Charles de Proli. In 1932 zorgde Jan Denucé immers voor een inventaris van de Proli-bescheiden in de Antwerpse Insolvente Boedelkamer. Denucé schreef zelf een artikel over Charles de Proli en besteedde ook de meeste aandacht aan de benjamin van het gezin Pauli-Proli in zijn monografie over enkele Italiaanse koopmansgeslachten in Antwerpen.[6] Ondertussen had ook L. Michielsen zijn weg gevonden in het Proli-archief. Hij schreef een eerste korte bijdrage over de Proli’s in 1935, die al snel werd gevolgd door een uitgebreide studie over de Kompagnie van Trieste en Fiume.[7] Aangezien Balthazar ook betrokken was in deze onderneming kon het Brusselse archiefmateriaal niet genegeerd worden. Michielsen puurde er echter alleen de economische realiteit uit.

 

Vanaf de jaren veertig werd het op historiografisch gebied vrij stil rond de Proli’s. Natuurlijk werden de Proli’s regelmatig ten tonele gevoerd in algemene studies zoals F. Prims’ Geschiedenis van Antwerpen en Janssens’ Geldwezen der Oostenrijkse Nederlanden.[8] Het was echter wachten tot 1980 vooraleer de Proli’s weer op het voorplan kwamen met het verschijnen van het doctoraat van H. De Smedt.[9] Hierin besteedde zij de nodige aandacht aan een biografie en genealogie van Charles de Proli en zette zij op dat vlak heel wat misvattingen recht. De overige vier delen van haar verhandeling handelden echter weer over de economische activiteiten van Charles de Proli die zij zowel kwalitatief als kwantitatief trachtte te omschrijven.

 

De rijkelijk gedetailleerde brievencollectie van Balthazar de Proli moest nog ontdekt worden door mentaliteitshistorici. Hetzelfde gold en geldt nog steeds voor vele adellijke brievencollecties in onze archieven. Genealogen hebben zich jarenlang blind gestaard op data’s van geboorten, huwelijken en sterfgevallen. Economische historici analyseerden de samenstelling – en de solvabiliteit – van adellijke kapitalen. Weinigen onder hen stonden echter lang stil bij het fenomeen dat zij nu eigenlijk bestudeerden, namelijk de adel. De heersende opvatting over wat adel nu precies was, wordt nog het best weergegeven in het volgende, ietwat, ironische citaat: “… men is het of men is het niet … Is men het, … dan is men het ook, maar is men het niet, welnu, dan is men het ook niet. En wordt men het ook niet, … wat men ook doet en wat men ook probeert … Terwijl, als men het is, men ook gerust kan zijn, want men is het. En blijft het ook … wat men ook doet en wat er ook gebeurt.[10] Adel wordt nog al te vaak geassocieerd met ‘blauwbloedigen’ die mijmerend over de heroïsche daden van hun voorvaderen het familiezilver nog eens opblinken in hun stoffige kastelen. Onderlinge huwelijken zorgen voor de continuïteit en de zuiverheid van hun geslacht en zo worden zij adellijk geboren en sterven zij ook adellijk binnen de dikke muren van hun verstevigde burchten.

 

Deze statische visie op het fenomeen adel werd grondig aangepakt door P. Janssens in zijn studie uit 1998, getiteld de evolutie van de Belgische adel sinds de late middeleeuwen.[11] Hij nam het bovenstaande citaat als uitgangspunt. Alle hierin vervatte stereotiepen moesten gecorrigeerd worden. De adel was immers een dynamische sociale groep waar geslachten kwamen en weer verdwenen. Ook in eigen rangen was er een enorme diversiteit, alleen de verschillen in titulatuur maakten dat al duidelijk. Volgens Janssens hing deze dynamiek sterk samen met de veranderende sociale realiteit en het absolutistische staatsvormingsproces. De staat, die het adelsbeleid monopoliseerde, zocht voortdurend naar een compromis die de prerogatieven van de adel niet zou ondermijnen, maar die toch ook plaats gaf aan nieuwe en machtige sociale groeperingen. Juridische wijzigingen aan het adellijk statuut werden dan ook gevolgd door mentale verschuivingen. Het was wel duidelijk dat men adel niet langer kon definiëren aan de hand van de ‘bloedtheorie’. Een meer dynamische definitie werd vereist. Janssens’ definitie luidt als volgt: “Adel ontstaat uit de wisselwerking tussen twee dingen: de bestaande familiale ongelijkheden en de houding van de samenleving hiertegenover. Adel is geen louter sociale, maar ook een politieke aangelegenheid. De edelen vertegenwoordigen families, die tot de elite behoren en aan hun sociaal overwicht een juridische bezegeling willen geven. Adel is de politieke erkenning van een erfelijke elite.”[12]

 

Janssens’ studie was statistisch van opzet. Hij bestudeerde de adel, niet de edelen. Hij wierp echter wel enkele interessante vragen op, die alleen in een microgeschiedenis een antwoord kunnen vinden. Janssens merkte immers op dat de adel in het Ancien Règime geen gesloten kaste was maar een zeer diverse en flexibele gemeenschap. De kous was dus nog niet af wanneer men zijn adelpatenten op zak had. Ook binnen deze elite moest men zijn positie voortdurend bevestigen en beschermen. Men veruitwendigde daarom zijn aanspraken op zoek naar sociale appreciatie en acceptatie, minstens even belangrijk als juridische erkenning. Men kon zich echter niet veroorloven om zijn fortuin te verspelen aan oppervlakkige pracht en praal. Een adellijk statuut was immers erfelijk. Men moest daarom ook duurzaam investeren en dit zowel op financieel, politiek en socio-cultureel vlak, zodat de volgende generaties de eer van de familie hoog konden houden. Waarin investeerde men? Welke langetermijn strategieën stippelde men uit? En hoe flexibel was men wanneer het noodlot roet in het eten kwam gooien?

 

Deze boeiende vragen lokten aanvankelijk weinig reactie uit in het Belgische historische landschap.[13] Slechts zeer recent verschenen er twee studies over de Zuid-Nederlandse adel die enig uitstaans hebben met de door Janssens opgeworpen vragen. H. Cools en G. Croenen richten hun aandacht echter beiden op de middeleeuwen. Bij gebrek aan ego-documenten, zoals brieven en dagboeken, behoorde een microstudie van de dagelijkse sociale praktijk van de adel echter niet tot hun mogelijkheden.[14] Inspiratie moesten we daarom opdoen bij onze noorderburen waar het onderzoek naar adel en patriciaat toch net iets verder gevorderd is. Hoewel ook J.Aalbers en M. Prak zich verzuchtten, in hun inleiding op De bloem der natie, over het slome adaptatievermogen van de Nederlandse historici. [15] Lawrence Stone schreef zijn basiswerk The Crisis of the Aristocracy immers al in 1965.[16] Stone’s prosopografische methode kreeg zijn eerste Nederlandse opvolgers pas begin jaren ’80. Eén van hen was L. Kooijmans met zijn studie over de elite in Hoorn.[17] Uit een hele reeks van individuele gegevens trachtte hij enkele karakteristieken te puren die voor de ganse groep konden gelden. Hij legde zo het streven naar continuïteit van de elite bloot en onthulde de daartoe belangrijkste wegen: financiële zekerheid, politieke stabiliteit en sociale endogamie. Alle drie deze wegen deelden één en hetzelfde kruispunt: de familie.

 

Die vaststelling bracht sommigen op het idee om een nieuwe methode aan te wenden voor dit onderzoek: de familiegeschiedenis. Maar eerst moest deze tak van de geschiedenis verlost worden van zijn ‘geurtje’. Familiegeschiedenis werd immers vaak beschouwd als een tijdverdrijf voor bibliofiele bejaarden. Cees Schmidt, die zijn reputatie als socioloog en historicus niet op de helling wou zetten, vond het daarom wenselijk zijn onderneming te verdedigen.[18] Hij kon immers begrijpen hoe ongewoon het moest klinken dat een socioloog zich zou wagen aan de studie van slechts één familie. Zijn ware onderzoeksobject was echter die sociale realiteit die wij ‘geslacht’ noemen. Volgens Schmidt kon men enkel en alleen tot zo’n complex begrip doordringen via een dieptestudie van één van haar vertegenwoordigers. Of mooier verwoord: “Zoals het volgens de zeventiende-eeuwse natuurvorser Jan Swammerdam mogelijk was ‘den Almaghtigen Vinger Gods’ te presenteren ‘in de anatomie van een Luys’, zo kunnen de structuur en functies van grootschalige maatschappelijke ontwikkelingen zichtbaar worden gemaakt in de geschiedenis van een familie en kan, omgekeerd, de geschiedenis van een familie ons op het spoor brengen van intieme en dikwijls onbekende aspecten van de ‘grande histoire’.[19] Een degelijke vraagstelling –in dit geval gebaseerd op de theorieën van Pierre Bourdieu- en een stevige band met de brede maatschappelijke context konden de familiegeschiedenis bevrijden van haar pejoratieve klank. Aan de hand van de familiegeschiedenis van de Teding van Berkhouts wou Schmidt aantonen hoe een familie generaties lang tot de ‘maatschappelijk sterkste’ groepering van een samenleving kon behoren. Welke koers vaarde men op economisch, politiek en cultureel vlak? Welke ‘strategieën’ dokterde men uit om het ‘maatschappelijk vermogen’ van het geslacht te beschermen en zelfs te vergroten?[20] Schmidt waarschuwde terecht dat de term ‘strategieën’ niet te letterlijk moest worden genomen. Men zou dan immers snel vervallen in een cynische historie van corruptie en vriendjespolitiek. De ‘strategieën’ werden door de historische actoren echter zelden zo ervaren. De codes en conventies van hun tijd waren op zo’n manier deel van hun bewustzijn dat ze niet meer als zodanig werden waargenomen. Bourdieu zou hiervoor de term ‘habitus’ gebruiken. [21]

 

Schmidt’s werkwijze leek ook L. Kooijmans overtuigd te hebben. In zijn boek Vriendschap en de kunst van het overleven in de zeventiende en achttiende eeuw volgde hij immers de families Van der Meulen en Huydecoper van naderbij.[22] Hij had vooral aandacht voor het fenomeen vriendschap en hoe dat als onontbeerlijk werd geacht voor het overleven van een geslacht. Vriendschap had toen een heel andere betekenis dan dat nu het geval is. Vriendschap duidde veelal op de relatie tussen familieleden en minder vaak op een relatie met derden. In het laatste geval ging het dan meer om een relatie tussen een patroon en cliënt. ‘Ware vriendschap’ zoals wij ze nu kennen en zoals ze toen werd gepromoot door onder andere Michel de Montaigne was veel zeldzamer. Vriendschap had immers vooral een functionele dimensie. In barre tijden zouden je familie en vrienden klaar staan met de nodige (financiële) ondersteuning. Ze deden een goed woordje voor je bij een sollicitatie en ze schreven aanbevelingsbrieven zodat je in een vreemde stad niet alleen kwam te zitten. Zolang deze functionele dimensie niet uitgehold werd door een staat die steeds meer van zulke functies op zich zou nemen, zou ware vriendschap een marginaal verschijnsel blijven. Niemand durfde het immers aan om het lot van zijn familie in handen te leggen van zulk een vriend. Een relatie gebaseerd op gevoelens van sympathie en vertrouwen toonde zich immers vaak te labiel.

 

De achterstand van de Belgische historici op haar Noord-Nederlandse collega’s is nogal paradoxaal. De stand van het onderzoek is immers omgekeerd evenredig met het belang van de adel in haar maatschappij.[23] Terwijl de Noord-Nederlandse adel verdrongen werd door de meer burgerlijke regenten konden de edelen in de Zuidelijke Nederlanden hun politieke machtsposities consolideren. Zo werden de topfuncties in het leger bezet door families als de Arenbergs. Conrard Albert Charles d’Ursel en Philippe François de Merode zetelden in de Raad van State en Charles Chrétien Jean-Baptiste de Spoelbergh was auditeur van de Rekenkamer.[24] De nieuwe rijken vormden daarom geen eigen identiteit, zoals dat bij de Nederlandse regenten het geval was. Ze probeerden zich in tegendeel zo snel mogelijk te integreren en te assimileren. Welke middelen zetten zij hiervoor in? Hoe vlot verliep de integratie? Was de kloof, die Karel Degryse veronderstelde, tussen de nieuwe Antwerpse mercantiele adel en de oude Brusselse hofadel werkelijk zo groot?[25] Deze vragen zijn essentieel om een betere kijk op de Zuid-Nederlandse adel te krijgen. Het begrippenapparaat dat ons werd aangereikt door P. Bourdieu en hertaald door C. Schmidt biedt de Belgische vorsers een mooi uitgangspunt.

 

In het bestek van deze eindverhandeling is het natuurlijk onmogelijk om een ganse dynastie over verschillende eeuwen heen te volgen zoals Kooijmans en Schmidt dat deden. We houden het daarom bij een bescheiden toetsing van hun bevindingen aan de hand van de brieven van Balthazar de Proli. Die kleinschaligheid heeft echter ook zijn voordelen. Waar Kooijmans en Schmidt doorheen decennia vliegen, kabbelen wij rustig mee op het ritme van de getijden. Zo krijgen we een gedetailleerd beeld van de dagdagelijkse praktijk van het sociale vermogensbeheer en zullen we kunnen stilstaan bij bepaalde zaken die Kooijmans en Schmidt voorbij raasden.

 

Het archiefmateriaal dat we hier gebruikten bestaat uit acht brievenbundels met in totaal 882 brieven. Een derde van die brieven –in twee banden samengebracht – zijn van de hand van Aldegonde de Proli, Balthazars moeder, en lopen over de jaren 1740-1750.[26] Moeder Proli toonde zich hier erg bekommerd over het lot van haar zoon en schreef hem met de regelmaat van de klok om hem goede raad te geven met betrekking tot zijn studies en zijn prille carrière. De volgende bundel brieven is veel frivoler van aard.[27] Hierin worden immers de wederzijdse liefdesverklaringen van Balthazar en zijn toekomstige vrouw bewaard. De brieven na hun huwelijk, in 1748, zijn niet meer zo vurig. Ze worden gedomineerd door Balthazars zakelijke bezigheden. Ook de volgende twee bundels handelen over Balthazars carrière. De eerste van deze bundels bevat enkele brieven van Martinus Cels[28], boekhouder en partner van Charles de Proli in de suikerraffinaderij Cels, Bastijns & C°, later Cels, Aerts & C°.[29]  Rekeningen worden er afgewisseld door informatie over de Compagnie van Trieste en Fiume. Nieuwtjes over de familie Proli blijven echter nogal oppervlakkig. Voor meer informatie verwijst Cels naar de brieven die Balthazars broer steeds beloofd te schrijven. Diens brieven worden echter niet bewaard op het Algemeen Rijksarchief.[30] De tweede bundel bevat een zeer diverse collectie van brieven aan M. de Proli, raadgever ontvanger-generaal van de Domeinen en Financiën van hare Majesteit de keizerin en koningin, die loopt over de jaren 1749-1783.[31] We vinden er brieven van maar liefst zesenveertig verschillende correspondenten; gaande van de kapitein Henry Flanegan, over de raad van bestuur van de compagnie van Trieste en Fiume tot de minister Choteck. Hierna volgen twee luchtigere bundels met brieven die toebehoorden aan Marie-Jeanne de Proli, geboren von Clotz.[32] Brieven van familieleden en van diverse personen werden strikt gescheiden. Onder de categorie ‘diverses personnes’ huisden enkele hertogen, graven, markiezen, baronnen en zelfs een prinses. De laatste brievenbundel is dan weer van veel ernstigere aard.[33] In tegenstelling tot de vorige bundels bevat deze collectie enkel kopieën van verzonden brieven en geeft het ons dus de kans om nu ook Balthazar eens zelf aan het woord te horen. Het overgrote deel van deze honderd twintigtal brieven werd geschreven aan personen die voornamelijk vertoefden in Brusselse of regeringskringen.

 

Zoals elke brievencollectie is ook die van Balthazar de Proli onvolledig. Guyot merkte dit al op: “Comme toute correspondance, elles sont incomplètes, allusives, pleines de lacunes et d’inconnues pour le lecteur qui en est souvent réduit à des conjenctures plus ou moins probantes.”[34] Zoals de volgende grafiek aantoont, had Guyot in niets overdreven. (zie afb. 1) Voor verscheidene jaren zijn immers minder dan twintig brieven bewaard. In een piekjaar, zoals 1756, zijn dat er daarentegen maar liefst honderd éénennegentig. Van enkele jaren zijn helemaal geen sporen terug te vinden: 1742, 1745 en 1751. Maar het meest opvallende is natuurlijk de absolute stilte na 15 mei 1761[35]. Een stilte die pas verbroken wordt op 19 februari 1778[36] en gevolgd wordt door een vijftigtal brieven die de periode 1778-1783 dekken. Dat wil echter niet zeggen dat zulke bronnen niet op een zinvolle manier ondervraagd kunnen worden. Meer nog, de lacunes in de collectie dwingen ons zelfs een bepaalde vraagstelling op. We vinden immers weinig vrijblijvende nieuwtjes terug in deze brievencollectie en de donkere pagina’s uit de familiegeschiedenis van de Proli’s zijn ‘als bij wonder’ verdwenen. Behalve de liefdesbrieven van Marie-Jeanne en Balthazar - ongetwijfeld bewaard uit sentimentele overwegingen - toont deze reeks brieven dus een opvallend karakter. Het lijken wel de schriftelijke resten van het maatschappelijke vermogen van de Proli’s.

 

 

Met het begrip ‘maatschappelijk vermogen’ als richtlijn trachten we in een eerste hoofdstuk een beknopte geschiedenis te geven van Balthazars voorouders. Daarin schetsen we kort uit welk milieu Balthazar kwam. Hoe bepaalde het vermogen –zowel economisch, politiek, sociaal, symbolisch als cultureel -  van Pietro Proli en Aldegonde Pauli de kansen van hun kinderen?  Hoe verdeelden ze dit vermogen over hun kinderen? Wie werd er het best bedeeld? En hoe trachtten ze het vermogen dat ze hun kinderen konden meegeven te consolideren en indien mogelijk te vergroten, bijvoorbeeld via een uitgekiende huwelijkspolitiek? Had het overlijden van Pietro Proli enige gevolgen op de kansen van zijn kinderen? En hoe vervulde Aldegonde de Proli haar rol als zakenvrouw en alleenstaande moeder? In de volgende hoofdstukken beperken we ons echter tot één van de Proli-kinderen: Balthazar. In een tweede en derde hoofdstuk zien we hoe Balthazars moeder investeerde in het socio-culturele en politieke vermogen van haar zoon. Hoeveel van haar economische en sociale kapitaal moest ze hiervoor aanwenden? En hoe veilig was deze belegging? Pleegde Balthazar de Proli mogelijk geen roofbouw op het familievermogen? In hoofdstuk vier bekijken we dan hoe Balthazar de Proli langzaam op eigen benen leerde te staan. Slaagde hij erin om een eigen sociaal netwerk uit te bouwen? En was zijn vrouw een waardige vervangster van Aldegonde de Proli als het aankwam op maatschappelijk vermogensbeheer? Het laatste hoofdstuk toont ons hoe wankel het langzaam opgebouwde imperium van de Proli’s was. Hadden ze hun strategieën niet goed gepland of zat het lot hen gewoon tegen? Wist de familie zich te herstellen van deze ‘beurscrash’ van hun maatschappelijke vermogen en alsnog de continuïteit van haar geslacht te garanderen?

 

 

Hoofdstuk 1: Een mooi startkapitaal

 

1.1. Een theoretische introductie

 

Als het op trouwen aankomt, lijkt het vaak alsof het doel alle middelen heiligt. Volgens P. Bourdieu zijn alle regels en normen die de partnerkeuze sturen daarom slechts uitvindingen van enkele etnologen. In realiteit is een huwelijk het resultaat van een strategie die zich beroept op sterk geïnternaliseerde principes uit een bepaalde traditie en niet het resultaat van gehoorzaamheid aan een set van regels en normen. Met andere woorden, huwelijksstrategieën illustreren het bestaan van Bourdieu’s term habitus, gedefinieerd als “a system of schemes structuring every decision without ever becoming completely and systematically explicit”.[37] Loïc J. D. Wacquant spreekt in plaats van habitus over de ‘fuzzy logic of practical sense’. Deze term “...  seeks to capture the intentionality without intention, the knowledge without cognitive intent, the prereflective, infraconscious mastery that agents acquire of their social world by way of durable immersion within it and wich defines properly human social practice.”[38]

 

Om de belangen van hun geslacht te beschermen of te vergroten kon een familie dus bewust, maar vaker onbewust, kiezen uit een oneindig aantal combineerbare strategieën[39]. Het was van enorm belang om de juiste keuze te maken. Het was immers niet de bedoeling om zomaar een huwelijk te sluiten, wel om een goed huwelijk te sluiten. Dit is een huwelijk met een maximum aan voordelen, maar met een minimum aan economische en symbolische kosten. Bourdieu vergeleek elk huwelijk van een familielid met een rondje kaarten voor die familie. De waarde van het rondje is van twee zaken afhankelijk. Hoe goed is de te spelen hand van de familie? Hoe goed beheersen ze het spel?[40]

De te spelen hand werd bepaald door het materieel en symbolisch kapitaal waarover men kon beschikken. In de 18de eeuw moest men zich daarom de volgende vragen stellen: Was men sociaal gezien een aantrekkelijke partij? Waar stond men precies op de hiërarchische ladder? Hoe lag de naam van de familie in de mond, of beter, in de markt? Had men voldoende financiële troeven en hoeveel kinderen moesten daar in delen? Had men meer zonen dan dochters? Want die laatste namen immers een bruidsschat mee naar een andere familie en waren dus ‘verlieslatend’. Ook de volgorde van geboorte speelde een belangrijke rol. De oudste zoon was immers verantwoordelijk voor de toekomst van het geslacht. Zijn huwelijk was dus relatief belangrijker dan dat van zijn zussen en van zijn jongere broers. Die moesten meestal wachten tot broerlief gehuwd was voordat ze zelf, al of niet, naar een partner konden uitkijken. Het huwelijk van de chef de famille bepaalde immers de huwelijkskansen van de andere kinderen, vooral dan van de meisjes.  De bruidsschat die de vrouw van de oudste zoon binnenbracht werd immers vaak gebruikt voor hun bruidsschat.

 

Zelfs in de meest welstellende families werden zulke berekeningen gemaakt. Door de steeds groter wordende bruidsschatten[41] dreigde ook voor veel van deze meisjes het ‘oude vrijsterschap’. Het was hier dat de handigheid, veelal die van de moeder, een doorslaggevende rol kon spelen. Die zorgde ervoor dat eerst alle troeven werden uitgespeeld: schoonheid, charme en een goede opvoeding. Elementen die vooral in het hoofd van de jongemannen speelden, maar ook ouders waren daar niet ongevoelig voor. In de officiële onderhandelingen, waar men niet meer kon liegen over het prijskaartje, durfden zij daarom wel eens ‘een korting’ toe te staan.[42] Andere uitwegen vond men wel eens bij suikernonkels en tantes die hun lievelingsnichtje graag vooruit zagen komen in het leven. Als men die mogelijkheden echter niet had moest men meer drastische maatregelen nemen en enkele dochters laten ‘afvloeien’, meestal naar een klooster. De eer en de continuïteit van het geslacht gingen nu eenmaal voor en het was ondenkbaar om dochters beneden hun stand van de hand te doen.[43] 

 

Ouders die liever niet in zulke situaties terecht kwamen, trachtten controle te krijgen op het delen van de kaarten, zodat hun gezin een reflectie was van hun financiële draagkracht. Door op latere leeftijd te huwen werd de kans op een kroostrijk gezin bijvoorbeeld al veel kleiner. Huwelijksstrategieën gingen in essentie terug op fertiliteitstrategieën![44]

 

De huwelijkssluiting is een mooi voorbeeld van een sociale transactie waarin zowel het economische als het culturele, het sociale en het symbolische kapitaal een rol spelen.[45] Volgens Bourdieu wordt iemands positie in een sociaal gehiërarchiseerde samenleving bepaald door een combinatie van deze vier parameters. De economische parameter vormt natuurlijk het fundament van ieders maatschappelijke positie en bepaalt ook vaak de toegang tot de drie andere domeinen. Er is immers geld nodig om te kunnen studeren en het is altijd handig om ‘iemand te kennen’, als je een lucratief ambt op het oog hebt. Geld, kennis en macht verschaffen op hun beurt dan weer het nodige prestige. Op de hoogste sporten van de sociale ladders is nagenoeg iedereen echter goed begiftigd op economisch en cultureel vlak. Daarom wint het sociale kapitaal relatief aan belang. Men zal zich van zijn sociaal kapitaal moeten bedienen om de investeringen op de andere domeinen te doen renderen. Onder sociaal kapitaal verstaat Bourdieu dan ook het volgende “Capital des relations mondaines qui peuvent, le cas échéant, fournir d’utiles “appuis”. Capital d’honorabilités et de respectabilités qui est souvent indispensables pour s’attirer la confiance de la bonne société, et par la sa clientèle, et qui peut se manager par exemple dans un carrière politique."[46] Dat sociaal kapitaal was moeizaam en over een lange periode uitgebouwd. Men kon de duur van iemands lidmaatschap van een bepaalde klasse daarom veelal afleiden van de bekendheid van diens naam en van de uitgestrektheid en de kwaliteit van diens netwerk van relaties.[47]

 

In de 18de eeuw was de primaire uitvalsbasis van elk sociaal netwerk de eigen familie. Al de mogelijke wegen naar succes liepen wel langs één van de ooms, tantes of neven.[48] Het was dus van het grootste belang deze mensen te vriend te houden. De kunst bestond er wel in om de ware intenties van regelmatige brieven, bezoekjes en presentjes niet te verraden. Men wou immers niet laten blijken alleen maar langs te komen omdat men een gunst nodig had. Een neus hebben voor de juiste stijl en timing was dus onontbeerlijk.[49] Relaties onderhouden kon dus vergeleken worden met investeren of verzekeren. En er werd natuurlijk het liefst op veilig gespeeld: “the great have the greatest number of relatives and if “poor relatives” are also poor in relatives, it is because, here as elsewhere, wealth attracts wealth.[50] Familieleden in moeilijkheden kon men echter ook niet aan zijn lot overlaten. Het mes sneed aan twee kanten. Natuurlijk mag men hier niet al te cynisch worden. Naast zijn functionele dimensie had de familie uiteraard ook een emotionele dimensie. De twee sloten elkaar immers niet uit. Toch merkte Kooijmans op dat men zelden uitsluitend emotionele relaties terugvond in de 18de eeuw. Het begrip vriendschap duidde toen ook op een meer instrumentele en zakelijke relatie. Het bindende element in een vriendschap was niet de wederzijdse genegenheid, wel het wederzijds beloven van diensten en wederdiensten. De reden hiervoor was vooral te zoeken in de toenmalige samenleving waar risico’s niet gedekt werden door de overheid, maar door een eigenhandig opgebouwd netwerk van ‘maegen en vrienden’. Men kon zich geen mazen in dat net veroorloven. Het was daarom veel te riskant om de naam en faam van je familie in handen te geven van een hoogst labiele en doorgaans tijdelijke ‘zielsverwantschap’. [51]

 

De door Schmidt bestudeerde Teding van Berkhouts hadden bewezen dat zij de ‘feel for the game’ bezaten.[52] Zowel sociaal-economisch, als sociaal-politiek en sociaal-cultureel maakten zij generaties lang deel uit van de crème de la crème van hun samenleving. In al deze maatschappelijke sferen konden zij beroep doen op een wijdvertakt netwerk van relaties, dat zij klaarblijkelijk feilloos wisten te bespelen. Schmidt was benieuwd naar de strategieën die aangewend werden om het ‘maatschappelijk vermogen’ – het geheel aan kapitaal, banen, kennis, beschaving, relaties en een goede reputatie[53] - van de familie te continueren. Hij onderzocht hoe zij hun drie vermogensdomeinen beheerden. Eerst en vooral was daar het financiële beheer. Hiermee doelde Schmidt op de kapitaalvorming, de beleggings- en erfenisstrategieën van een familie. Vervolgens moest ook het politiek domein beheerd worden. Belangrijke functies werden liefst van al erfelijk gemaakt. Tenslotte was er het sociale domein; waarschijnlijk het meest omvattende en het moeilijkst beheersbare domein van de drie. Vooreerst bevat het de fertiliteitstrategieën van een familie. Vervolgens de investeringen die gedaan werden in de opvoeding en het onderwijs van hun kinderen. De resultaten hiervan bepaalden dan voor een deel weer de huwelijksstrategieën. Ondertussen moesten ook de meer alledaagse ‘public relations’verzorgd worden. Dat wou zeggen; corresponderen, presenteren, visiteren en trakteren.[54]

 

In de volgende hoofdstukken zal onderzocht worden hoe goed ‘the feel for the game’ van de Proli’s ontwikkeld was. Zouden zij net als de Teding van Berkhouts, de Van der Meulens en de Huydecoopers hun positie generaties lang kunnen waarborgen?[55] De etiquette vereist echter dat wij, vooraleer deze vragen te beantwoorden, de familie eerst behoorlijk introduceren.

 

 

1.2. Een persoonlijke introductie

 

Een Italiaan op vrijersvoeten

 

Pietro Proli was de oudste van vier zonen uit een zeer bedrijvige Italiaanse familie. Hij werd al vroeg klaargestoomd om in de voetsporen van zijn voorvaderen te treden. Zijn grootvader, tevens Pietro de Prolis was een telg uit een vermogende familie van handelaars uit de buurt van Masera aan het Lago Maggiore. In 1633 huwde hij Catharina de Bonardis. Uit dat huwelijk sproot tenminste één zoon: Gio Giacomo[56]. Die had grootste plannen met het familiebedrijfje, zo bleek uit zijn huwelijk in 1668 met Catharina de Andrioli, een rijke koopmansdochter uit de buurt van Coimo. Dit huwelijk verschafte hem immers de nodige connecties met belangrijke families als de Cioia’s[57] en de Bertina’s. Samen met zijn schoonbroer Pietro Andrioli was hij vastbesloten om de internationale handelswereld te veroveren. In 1670 moest Antwerpen ‘capituleren’. Gio Giacomo vestigde er een groothandel in textielwaren, koffie, peper, suiker, lederen huiden, parels, kristal en tal van andere producten. Zijn oudste zoon Pietro Proli kwam al sinds 1684 mee naar Antwerpen en werd er geleidelijk voorbereid om de zaken over te nemen.[58]  Begin 1706 achtte zijn vader de tijd blijkbaar rijp om het roer uit handen te geven. Hij kon met een gerust hart terugkeren naar Italië. [59] Daar vestigde hij zich in Milaan en beleefde er naar alle waarschijnlijkheid een zorgeloze oude dag. Na een leven van hard labeur kon hij zich nu verblijden in erefuncties zoals ‘Kapitein van de gewone wacht der Oostpoort van Milaan’. [60]  Pietro, gewapend met een goede praktijkopleiding, een mooie erfenis en een nog mooier startkapitaal, kon de toekomst rooskleurig tegemoet zien.[61]  Met zijn kersverse bruid, Aldegonde Pauli vestigde hij zich in het patriciërshuis “De Wolsack” aan de Oude Beurs. [62]

 

Aldegonde’s familie bestond voornamelijk uit artsen, magistraten en handelaars. Een deftig, burgerlijk milieu dus, maar niet zeer welgesteld. Haar eigen vader werd zelfs uitgesloten uit de ouderlijke erfenis omdat hij zijn deel al had gehad in de vorm van zijn collegegeld en een huwelijksgift. Het te erven bedrag ging naar zijn vier zussen. Blijkbaar was dat nog niet voldoende om een geschikte huwelijkskandidaat aan te trekken; alle vier bleven ze ongehuwd.[63] Ze startten dan maar een handel in stoffen en kant op te Antwerpen. Het is waarschijnlijk via deze weg dat de eerste contacten tussen de families Proli en Pauli tot stand kwamen.[64]

 

Aldegonde’s vader, Florentius Arthardus studeerde medicijnen aan de Leuvense universiteit. Hij besloot echter zijn beroep uit te oefenen in Amsterdam. Daar viel zijn oog op Ludwina van de Velde, dochter van de welbekende schilder Adriaen van de Velde[65]. Ze huwden in het najaar van 1681. Een tiental jaren later verhuisde het jonge gezinnetje terug naar de Zuidelijke Nederlanden. Florentius werd er arts te Brussel. Daar deden ze nog duchtig aan gezinsuitbreiding. Zodat Ludwina na het overlijden van haar man in 1705 achterbleef met tien kinderen.[66] Ze besloot om naar Antwerpen te verhuizen, vermoedelijk om dichter bij haar schoonfamilie te wonen, wiens steun ze in deze moeilijke tijden goed kon gebruiken.[67]

 

Aldegonde was twintig jaar toen haar vader overleed. Het is zeer aannemelijk dat zij op dat moment al ‘verkeerde’ met Pietro Proli want net geen maand later huwden ze. Het is wel duidelijk dat haar twee tantes veel te maken hadden met het huwelijk. Het huwelijkscontract werd immers in hun huis verleden. Ook de huwelijksgift van 6000 gulden kwam uit hun beurs. Een vrij bescheiden gift trouwens, zeker tegenover de 10 000 gulden van Pietro.

Uitzonderlijke omstandigheden redden Aldegonde in feite van het ‘oude vrijsterschap’! Zonder haar ongehuwde suikertantes had zij waarschijnlijk helemaal geen bruidsschat gehad. Ze had immers nog drie zusjes achter haar en de chef de famille was nog minderjarig toen zij de huwbare leeftijd bereikt had.[68] Het was dus een ware zegen dat Pietro Proli alleen maar broers had. Omdat hij geen bruidsschat moest zien te vergaren voor zijn eigen zussen had hij de vrijheid om een ‘armer’ meisje te huwen. Het is zeer uitzonderlijk dat de bruidegom meer geld binnenbrengt in een huwelijk dan de bruid. Pietro had echter zijn redenen om Aldegonde te huwen. Als buitenlander kreeg hij hierdoor immers vastere voet in Antwerpen. De banden met de zusters Pauli’s, zijn zakenpartners, werden stevig aangehaald. Het zal hem ongetwijfeld ook niet ontgaan zijn dat Aldegonde een ‘harde tante’ was als het op zaken doen aankwam. Een karaktertrek die ten zeerste van pas zou komen.

 

Pietro Proli en Aldegonde Pauli, een vruchtbaar verbond (14 augustus 1705 – 28 januari 1733)

 

De “Wolsack”, het huis waar de twee tortelduifjes in 1705 introkken, moet af en toe eerder op een verloskliniek geleken hebben. In vijftien jaar tijd kreeg het paar er maar liefst dertien kinderen. Een groter huis was daarom geen overbodige luxe. Al zal dat niet de enige reden geweest zijn om in 1720 “De Croone” aan de Beddestraat te kopen. Het huis met maar liefst 26 kamers sprak immers boekdelen over de rijkdom en bijbehorende status van de bewoners. Voor de slechte verstaander liet Pietro het ook nog eens ombouwen tot een echt “palazzo”. In deze prachtige omgeving werden nog twee zonen - voor het geluk – geboren.[69]

 

Naast dit prachtige huis bezat Pietro ook nog een ‘hof van plaisantie’ in Berchem, genaamd “De Meerminne”. Financieel ging het hem dus duidelijk voor de wind. Het bedrijfje van zijn vader was inmiddels opgeklommen tot een onderneming met een brede actieradius. Pietro Proli dreef handel met Italië, De Verenigde Provinciën, Duitsland, Frankrijk en vooral ook met het Spaanse Cadiz, sinds de vrede van Utrecht een belangrijke handelsmetropool. Als knooppunt tussen al deze buitenlandse handelaars werd hij al snel een belangrijke schakel in het wisselverkeer. Naast zijn handelshuis ontwikkelde zich daarom een volwaardige bank, die al snel de grootste in Antwerpen werd.[70]

 

Dat was de vaak in geldnood verkerende regering niet ontgaan. In 1714 en 1715 leende Proli grote sommen aan de graaf van Königsegg, de eerste gevolmachtigde minister in de Zuidelijke Nederlanden. De betalingen van de Zuidelijke Nederlanden aan de Verenigde Provinciën, krachtens het Barrièretraktaat[71], verliepen ook via de bank Proli. De tolrechten van het Fort Sint-Philips werden na verloop van tijd rechtstreeks geïnd door de Proli’s. [72]

 

In 1723 werd Pietro ook één van de zeven directeurs van de pas opgerichte Oostendse Compagnie, een compagnie op aandelen met een monopolie op de Oost-Indiëvaart[73]. Proli was een groentje wat betreft deze trafiek. Het is daarom verleidelijk om te denken dat hij zijn benoeming enkel en alleen te danken had aan markies de Prié. Proli had echter meer in zijn mars. Zijn onervarenheid werd dan ook geheel goedgemaakt door zijn grote financiële bijdrage[74] en zijn enorme invloedssfeer, dit zowel in Weense hofkringen als in internationale handelsmilieu’s.[75] Hij maakte daarom maar liefst viermaal deel uit van een delegatie naar Wenen.[76] De compagnie voer op Kanton en Bengalen en handelde in thee, porselein, katoen en zijde. Vooral de theehandel was toen op zijn hoogtepunt. De Zuidelijke Nederlanden vormden de tweede grootste afzetmarkt binnen Europa. De compagnie haalde daarom een gemiddelde nettowinstmarge van 159% op deze expedities. De handel op Bengalen verliep minder vlot, maar kende toch nog een positief saldo van 23%. De aandeelhouders konden zich verblijden in een jaarlijks rendement van 13%, vijf tot zes keer zoveel dan ze te verwachten hadden uit de klassieke beleggingen in onroerend goed. De teleurstelling moet dan ook groot geweest zijn bij Pietro Proli toen het octrooi van de compagnie in 1727 voor zeven jaar opgeschort werd. De directie verzette zich aanvankelijk nog en richtte zelfs een ‘geheime jointe’ op die –weinig succesvol- sluikhandel dreef op Bengalen.  Toen in 1731 echter het definitieve verbod op de Oostendse Compagnie volgde gaf ook de ‘jointe’ haar strijd op. Niets kon noch baten, Karel VI was gekraakt onder de internationale druk. Hij was bereid om de Compagnie op te offeren aan zijn wens opgevolgd te worden door zijn dochter Maria-Theresia. Dat was immers de voorwaarde die de maritieme naties hadden gesteld vooraleer ze de Pragmatieke Sanctie zouden tekenen.[77]

 

Proli heeft dus veel betekend voor de Zuid-Nederlandse economie onder de Habsburgers. Zijn engagement sproot echter niet onmiddellijk voort uit vaderlandsliefde. Pietro was gewoon een harde zakenman die zich er terdege van bewust was dat hij in ruil voor zijn krediet heel wat belangrijke bondgenoten aan zijn kant kreeg. Al die vooraanstaande handen boven zijn hoofd maakten hem praktisch onschendbaar. Hij kon het zich daarom veroorloven om af en toe te ‘sjoemelen’. Zo gebruikte hij het geld bestemd voor de Verenigde Provinciën wel eens als lapmiddel bij acute cashflow problemen. Dit tot grote ergernis van de Noord-Nederlandse Staten-Generaal die in 1729 dreigden om zelf weer voor de inning in te staan. In 1725 ontsnapte hij dan weer aan de zware straffen die zijn compagnon’s valsmunters hadden gekregen. Markies de Prié kon ervoor zorgen dat Pietro Proli een acte de silence kreeg.[78]

 

Ondanks het incidentele geknoei oordeelde men toch dat deze man, die zo veel had gedaan voor de Compagnie en voor de regering in het algemeen, een beloning verdiend had. Die beloning kreeg hij, op 17 november 1727, in de vorm van adellijke patentbrieven voor hem en zijn kroost.[79] Een grote eer, die Pietro toen met beide handen heeft aangenomen, niet wetende hoeveel problemen dit zijn zonen zou opleveren. Pietro zou ze echter niet meer kunnen helpen met die problemen. Hij stierf immers zeer onverwacht te Brussel op 28 januari 1733 in de antichambre van het hôtel Visconti, aan de gevolgen van een beroerte. Hij werd begraven in de abdijkerk van de Sint-Jacobus op de Koudenberg. Natuurlijk met een ceremonieel dat past voor een man van zijn kaliber; er kwamen maar liefst zestien priesters aan te pas.[80]

 

Pietro Proli moest zich geen zorgen maken over zijn gezin en zijn zaken. Zijn kranige vrouw, op dat moment 48 jaar, nam alles over. Ze werd daarin bijgestaan door Pietro’s opvolger, de nieuwe chef de famille, Jean-Jacques. Hij zou de familienaam met eer kunnen verder zetten. Zijn vader had hem daar alleszins alle mogelijkheden toe gegeven. De residentie van de Proli’s werd immers op 24 000 gulden geschat en de inboedel was bijna nog eens zoveel waard. Schilderijen werden afgewisseld door tapijten en naast heel wat zilverwerk vond men ook diamanten in het huis.[81] De bibliotheek was een schat op zich. Men vond er 411 boeken voornamelijk in het Frans en het Italiaans, gaande van godsvruchtige werken over reisverhalen tot de klassieke auteurs. En laten we de bloeiende handelszaak en het florerende bankiershuis van de familie niet vergeten. Het zakencijfer daarvan werd op 1 400 000 gulden geschat, 723 813 gulden daarvan zou zuiver bezit geweest zijn. De toekomst zag er dus veelbelovend uit voor de kroost van Pietro en Aldegonde. De winden der voorspoed zijn echter onvoorspelbaar.[82]

 

Een vrouw aan slag

 

Er werd blijkbaar nooit aan getwijfeld dat Aldegonde de zaken van haar man zou overnemen. Ze had een goede leerschool doorlopen bij haar tantes en bij haar man. Zelfs van op de achtergrond was haar bekwaamheid sommige mensen in het oog gesprongen. Vooral Aldegonde’s kennis van de handel in kant en stoffen werd op prijs gesteld: Mac Nény schreef aan Prins Eugenius het volgende over Aldegonde:  « il n’ya personne dans ce Pays, qui soit plus propre et plus intelligente pour cette commission qu’elle, d’ailleurs elle scait mieux que personne où les trouver[83] Maar ook het bankiershuis bestuurde ze met verve.[84] Weliswaar met de hulp van haar boekhouder Urbano Arnoldt.[85] De bank Pietro Proli – de naam bleef behouden – bleef haar dienstverlening aan de regering verder zetten. Sinds 1730 kregen ze echter meer en meer competitie van een nieuwe bankier, Matthias Nettine. Toen het Aldegonde in 1744, met de dreigende inval van de Fransen, te heet werd vroeg ze ontslagen te worden van haar taak van de inning van de douanerechten en van haar verplichtingen ten opzichte van de Staten van Brabant.[86] Dat was het moment voor de Nettines om de Proli’s van hun eerste plaats als staatsbankier te verstoten. Zij zetten heel hun fortuin in, ten dienste van Wenen. Een risico waarvoor ze natuurlijk goed beloond werden. Vanaf 1744 waren zij de onbetwiste staatsbankiers. Barbe Stoupy, tweede vrouw van Matthias Nettine zaliger, werd hierdoor zowat de machtigste vrouw in de Nederlanden. Een doorn in het oog van Aldegonde die op alle mogelijke manieren zou proberen om de oude positie van haar familie te heroveren.[87]

 

Moeder Proli had echter nog andere plannen. Ze wou het handelaarsbloed van de Proli’s in blauw bloed omzetten. Dat proces vergde echter de nodige gistingstijd. Francis Bacon drukte het als volt uit: “Nieuwe adel is slechts een kwestie van invloed, maar oude adel is een kwestie van tijd.”  Aldegonde zou de tijd echter een handje trachten te helpen. Dat deed ze onder andere door in 1735 de heerlijkheden Wespelaar en Nederassent van de hertogin van Estouteville, geboren prinses te Spinola, te kopen. Niet om er te gaan wonen, maar om voortaan de titel te kunnen dragen van ‘Vrouwe van Nederassent en Wespelaar’. Een papieren titel voor een bedrag van zo maar even 64 500 gulden!

 

Aldegonde was echter niet zo naïef te denken dat die titel haar ware afkomst kon verhullen. Voor haar kinderen zocht ze daarom naar meer duurzame middelen om hun adellijke status te ondersteunen en hen een mooie vertrekpositie in het leven te verschaffen. Ze gaf hen allen een degelijke opleiding en zocht voor elk van hen een geschikte huwelijkspartner.

 

Een spelletje hartenjagen

 

Aldegonde’s opdracht was lang niet zo gemakkelijk als het klinkt. Zij en haar man Pietro Proli hadden immers maar liefst 15 kinderen op de wereld gezet. Bij wonder hadden twaalf van hen de risicovolle kinder- en jeugdjaren overleefd.[88] Een vergiftigde zege, zo bleek, want dat betekende dat het moeizaam opgebouwde vermogen van de Proli’s hopeloos versnipperd zou geraken indien er geen prioriteiten werden gesteld.

 

Aldegonde’s prioriteiten lagen duidelijk bij haar oudste zoon en de nieuwe chef de famille. Jean-Jacques was 26 jaar op het moment dat zijn vader stierf. Hij had zich al mooi opgewerkt in de administratie van de Zuidelijke Nederlanden. Tussen januari 1731 en oktober 1732 werd hij maar liefst driemaal gepromoveerd.[89] Daarnaast mocht hij zich ook Admiraal van de Schelde noemen, een erefunctie die echter nog weinig inhield.[90] Hij scheerde niet alleen op carrièregebied hoge toppen. In 1733 huwde hij Henriette Alouise Blount, de zus van de hertogin van Norfolk.[91] Hierdoor verbonden de Proli’s zich zo maar even aan een van de hoogste adellijke geslachten van Engeland!

 

Uit het enorme standenverschil mogen we wel afleiden dat het zeer waarschijnlijk zo was dat Henriette Jean-Jacques moest huwen uit financiële overwegingen.[92] Toch was haar bruidsschat groot genoeg om twee van Jean-Jacques zusters te laten huwen. Het kan immers geen toeval zijn dat deze minder dan een half jaar later in het huwelijksbootje stapten. Catharina Joanna Victoria (5 juni 1707 – 1 maart 1767) huwde Nicolas Bolstein, kapitein in keizerlijke dienst, op 29 september 1733. En op dezelfde dag gaf Maria Carolina Barbara (8 mei 1708 –  ca.1775) het jawoord aan Gio Baptista Stampa, secretaris van de Milanese Senaat.[93] Aldegonde sloeg maar liefst twee vliegen in één klap.

 

Het geluk leek hen allen toe te lachen. Aldegonde zorgde er immers voor dat Jean-Jacques in 1735 kon opklimmen tot raadsheer algemeen-ontvanger der domeinen en financiën. De weduwe Proli had de Weense regering stevig onder druk gezet door een lening afhankelijk te maken van de benoeming van haar zoon.[94] Het noodlot kwam echter roet in het eten gooien. Jean-Jacques stierf onverwacht nog voor hij zijn ambt had kunnen opnemen. Hij werd begraven naast zijn vader op de Koudenberg.[95]

 

Aldegonde trachtte echter te redden wat er te redden viel. Ondanks het feit dat het huwelijk van haar zoon kinderloos was gebleven, slaagde ze er toch in om het contact met de Blounts te behouden. Dat mag blijken uit een brief uit 1750 waarin Aldegonde haar zoon Balthazar de raad gaf om een half jaar in de rouw te gaan uit respect voor de tweede man van Henriette: Mr. Howard.[96] Ook het nieuw verworven ambt van Jean-Jacques wist ze te bewaren voor haar tweede zoon. Die was op dat moment echter nog net geen veertien jaar. Tot hij meerderjarig zou worden zou Thomas Rima zijn plaats warm houden.[97]

 

Jean Jacques’ overlijden had gelukkig geen al te grote hypotheek op de toekomst van zijn broers en zussen geplaatst. Aldegonde bleek nog voldoende kapitaal over te hebben zodat haar dochters niet noodgedwongen ongehuwd moesten blijven. In 1736 huwde Anna Martina (24 september 1710 – 10 april 1789) Joannes Carolus de Labistraete, heer van Landen en Neerwinden.[98] Drie jaar laten stapte Francisca Elisabeth (30 september 1715 – 26 april 1739) in het huwelijksbootje met Carolus Fransciscus Gaspar Maria Mozzoni de Frosconi. En tenslotte gaf Joanna Aldegonde (27 januari 1719 – 5 december 1779) haar jawoord aan de ridder Joannes Josephus Pelgroms op 31 maart 1750.[99] Het feit dat deze 31 jarige vrouw nog niet in een klooster was getreden mag wel tellen als bewijs dat Aldegonde haar dochters nooit zulk een levenswijze had opgedrongen.

 

Niettemin kozen vier van haar dochters voor deze weg. Twee van hen –een begijntje en een ursulinne -  stierven echter op vrij jonge leeftijd.[100] Dat kan een aanwijzing zijn dat hun zwakke gezondheid hen ongeschikt maakte voor de huwelijksmarkt en dat zij daarom kozen voor een celibatair leven. De twee andere Mechelse begijntjes werden echter respectievelijk 72 en 86 jaar.[101] Het is niet ondenkbaar dat het hier om echte roepingen ging.

 

Aldegonde’s echte uitdaging lag echter in het vinden van twee geschikte bruiden voor haar zoons. Omwille van hun zeer verschillende levenstrajecten werden er ook verschillende vereisten gesteld aan hun respectievelijke bruiden. Balthazar (6januari 1722 – 1804), die  de plaats van zijn overleden broer Jean Jacques moest innemen, ging een carrière in regeringsdienst tegemoet. Zijn taak bestond erin om van de Proli’s een ambtsadellijke familie te maken. Het liefst zag Aldegonde hem daarom samen met een bruid uit die kringen. In de volgende hoofdstukken kunnen we lezen hoeverre zij hierin slaagde. Haar jongste, Charles   (8 augustus 1723 – 16 september 1786), zou echter moeten zorgen voor de financiële zekerheid van de familie. Hij zou het bankhuis Pietro Proli gaan leiden, de basis van hun succes. Zijn huwelijk was dan ook vooral gericht op economische groei. Cornelia Petronella van der Linden, één van de twee dochters van een rijke Rotterdamse koopman, kon hem alles bieden dat hij begeerde. Zij beloofde immers een mooie bruidsschat in te brengen en in de toekomst een nog mooiere erfenis.[102] Ze huwden te Rotterdam op 3 februari 1751. Haar zuster was trouwens getrouwd met Jan Osy de Jonge, zodat Charles de banden met deze belangrijke zakenrelatie van zijn moeder nog wat nauwer kon aanhalen.[103]

 

Besluitend mogen we wel zeggen dat Aldegonde het er niet slecht vanaf bracht en dit ondanks de moeilijke beginvoorwaarden en de grillige spelingen van het lot. Al haar kinderen, behalve de religieuzen, hadden immers een geschikte partner gevonden. Daarbij had ze er steeds voor gezorgd dat het familiefortuin veilig gesteld werd. Indien haar dochters kinderloos zouden overlijden was zijzelf namelijk de enige erfgenaam.[104] De kritiek van H. Houtman – De Smedt als zou Aldegonde zich laten verblinden door welluidende titels, kleurrijke wapenschilden en uiterlijk vertoon en daarom vaak bedrogen uitkomen, was onterecht.[105] Ze maakte immers de kapitale fout om de huwelijkspolitiek van Aldegonde op een economische schaal te wegen. Ze miskende hierdoor Aldegonde’s intenties. Ze was immers niet opzoek naar meer rijkdom, wel naar meer aanzien en naar een steviger sociaal netwerk. De Proli’s zochten niet naar machtsconsolidatie, wel naar machtsuitbreiding. Berekende risico’s werden dan natuurlijk onvermijdelijk.

 

 

* Genealogische tabel van het gezin Pauli-Proli.[106]

Hoofdstuk 2: De kost gaat voor de baat.

 

Met het overlijden van Jean Jacques eind 1735 werden de kaarten voor Balthazar grondig door elkaar geschud. Plots was hij de chef de famille. Het eervol voortzetten van de naam Proli lag nu in zijn handen. Die eer zou hij vooral halen uit zijn diploma rechten en nog meer uit zijn ambt als raadgever ontvanger-generaal van de domeinen en financiën van hare Majesteit de keizerin en koningin. Zijn moeder kocht dit ambt voor Jean Jacques, maar toen die overleed voor hij zelfs maar was begonnen met de uitoefening ervan, kwam Aldegonde opnieuw met geld over de brug zodat die post behouden bleef voor Balthazar. Thomas Rima hield het kussen warm tot Balthazar zijn ambt zelf zou kunnen opnemen.[107]  De dertienjarige Balthazar zat immers nog op de collegebanken bij de Antwerpse Augustijnen.[108]

 

Na het college was het voor Balthazar zaak om een universitair diploma in de rechten te behalen. Dat was immers een conditio sine qua non om in de ambtenarij te stappen. In feite verschafte de opleiding rechten een vrij algemene vorming, zeker als men geen carrière in de magistratuur ambieerde.[109] De eer en het aanzien dat men er door verwierf was dan ook veel belangrijker. Wat extra cultureel en symbolisch kapitaal was immers onontbeerlijk voor een toekomstig staatsambtenaar.

 

Over Balthazars studentenperiode zijn we goed geïnformeerd via de correspondentie met zijn moeder.[110] Doorheen de brieven toonde Aldegonde zich als een uiterst bezorgde moeder. De volgende grafiek, met het gemiddelde aantal brieven dat ze per maand schreef, kan dat aantonen. De weduwe vroeg Balthazar niet enkel naar zijn vorderingen op studiegebied maar toonde ook veel interesse in zijn sociale leven en ze volgde zijn gezondheidsproblemen op de voet op. Daarenboven hield ze hem op de hoogte van alle belangrijke gebeurtenissen zowel op wereldvlak als op het thuisfront.

 

  * Wanneer bepaalde lacunes in de brievencollectie verklaard kunnen worden -doordat moeder en zoon ergens

      samen verblijven- zijn die lacunes natuurlijk niet mee verrekend om het gemiddelde niet te vervormen.

 

Aldegonde begeleidde haar zoon vakkundig bij zijn eerste stappen in de wereld van de volwassenen. Haar brieven staan dan ook bol van de aanmoedigingen maar zelfs wanneer ze op hem kijfde, sloot ze haar brief steevast af met iets in de trant van: “avec une veritable tendresse mon tres cher fils. Votre tres affectionnée mère Proli.”

 

 

2.1. Leuven

 

Op 4 januari 1740 maakte Aldegonde haar nieuwjaarswensen per brief over aan haar oudste –nog levende - zoon. Het was hoogst waarschijnlijk de eerste maal dat Balthazar het nieuwe jaar niet thuis had gevierd. Ze herhaalde –vermoedelijk voor de duizendste keer- haar verwachtingen ten aanzien van Balthazar. Al zijn goede wensen voor haar waren immers volledig afhankelijk van zijn manieren en gedragingen en niets was haar liever dan het goede gedrag van haar kinderen. [111] Balthazar ontving deze brief tijdens een verblijf bij zijn zuster Catharina Joanna Victoria Proli. Zij woonde samen met haar man Nicolas Bolstein op één van de buitenverblijven van de familie, Wespelaar. Het is aannemelijk dat de achttienjarige Balthazar hier op één van zijn eerste ‘missies’ als chef de famille was. Nicolas Bolstein was namelijk ernstig ziek. Aldegonde schreef haar zoon dat ze er geen goed oog in had.

“Je suis inquiète de l’incommodité de Mr. Bolstein […] car à son age cette sorte de maladie est fort écuivoque. Ne ditte rien à votre soeur de ce que je vous en dis mais marque moy naïvement ce qui en est...»[112]

 

Aldegonde’s ongerustheid bleek terecht. Nicolas Bolstein overleed op 15 januari 1740. Catharina Joanna Victoria was er het hart van in. De liefde die ze had voor haar man blijkt uit de inscriptie op hun grafsteen in de St-Hubertuskerk te Wespelaar. Ze zou nooit hertrouwen.

 

“Aan Nicolaus Bolstein onder

De zeer christelijke koning van de Duitsers

Gedurende 20 jaar

“Primipilus Centurio”

van het voetvolk

Op rust gesteld in de functie van

Subtribunus, opdat hij, na gedurende

20 jaar onvergelijkbare roem te

hebben verworven, een vreedzame

rust zou genieten.

Beroemd wegens zijn vroomheid

tegenover God, zijn trouw aan de koning,

zijn welwillendheid jegens allen.

Aan de beroemde overledene

15 januari 1740

Treurend om haar overal zeer beminde

echtgenoot, uit de levenden afgestorven

Victoria Proli

1 maart 1767”[113]

 

In mei bevond Balthazar zich nog steeds te Wespelaar. Wanhopig schreef hij zijn moeder over zijn nog steeds treurende zus. Volgens Aldegonde kon hij niets anders doen dan haar blijven inprenten dat ze de dood van haar man moest aanvaarden. Er bestaan immers geen remedies tegen de beslissingen van God, verzuchtte Aldegonde. Na haar man en drie kinderen verloren te hebben, had ze daarin wel enige ervaring.

 

“je scaisz qu’on n’est pas maitresse en ces sortes de cas”[114]

 

Het spreekt evenwel voor zich dat hij zijn zus zou blijven bijstaan zoals het een chef de famille betaamt.

 

Er was echter nog een andere reden waarom Balthazar in Wespelaar bleef. De tijd was immers gekomen om zich voor te bereiden op zijn ambt. Een degelijke voorbereiding stond toen gelijk met een universitaire studie in de rechten. Er was nog maar één knoop door te hakken: Leuven of Leiden.[115] Leuven kon Balthazar blijkbaar onmiddellijk bekoren. Na één uitstapje met zijn zus schreef hij zijn moeder dat de beslissing al gevallen was. Hij moest dan alleen nog een college zien te vinden. Moeder Proli raadde hem het “Collège des Bacheliers” aan, het St-Yvo collège, in 1483 gesticht voor juristen.[116] Een zekere Magermans, professor in de filosofie, had er de leiding.[117] Deze Leuvense primus genoot het respect van Aldegonde en Magermans was de Proli’s op zijn beurt zeer genegen. Hij sprak vleiend over Pietro Proli en Jean Jacques en hij hoopte dat Balthazar op hen zou gelijken. Aldegonde benadrukte niettemin dat hij zich moest inschrijven in het college van zijn keuze.[118] Maar is het verwonderlijk dat Balthazar zijn moeders’ raad opvolgde na deze lofzang? Moeder Proli bleef immers baas, ook nu Balthazar het huis uit was. Ze verwachtte dat haar zoon, zonder pardon, regelmatig iets van zich liet horen. In een brief van 18 mei gaf zij hem hierover een standje. Balthazar, nog mak als een lam, nam snel de pen ter hand.

“Si votre aplication aux études est la cause mon tres cher fils que je ne recois pas de vos lettres je vous le pardonne, quoy que le peu de temp que vous emplouviez a m’écrire ne vous en détourneroit pas.”[119]

 

Dispensaties en dedicaties

 

Op 1 april 1740 schreef Balthazar zich in aan de oude Leuvense universiteit.[120] Het was wel heel duidelijk dat Balthazar studeerde in functie van zijn ambt. Een diploma was inderdaad eervol, zoals moeder Proli zo vaak benadrukte[121], maar het was in de eerste plaats nuttig. Aldegonde is dan ook nooit van plan geweest om haar zoon de gebruikelijke vier jaar te laten spenderen aan zijn rechtenstudies[122]. Balthazar vond het studentenleven nochtans geen kwelling. Hij ontpopte zich zelfs tot een vrij ijverige student.

 

Voor Balthazar aan de rechtenfaculteit mocht beginnen moest hij zich nog verdiepen in de artes. Deze studie nam gewoonlijk twee jaar in beslag maar in de 17de en 18de eeuw werden hierop vaak uitzonderingen toegestaan.[123] Moeder Proli moedigde hem sterk aan om zijn studies zo kort mogelijk te houden. Als hij er niet te lang over zou doen kon er daarna misschien nog wel een jaartje Leiden of Parijs af.[124] Die aanmaningen vielen duidelijk niet in dovemansoren. Uit de brieven valt af te leiden dat Balthazar de artes-studies op een tweetal maanden tijd heeft doorlopen. In juni was het echter niet meer de moeite om al aan de rechtenstudies te beginnen. Hij genoot dan maar van een welverdiende ‘grote vakantie’.

 

In oktober 1740 trok Balthazar weer naar Leuven en installeerde hij zich in het St-Ivo college. Behalve het bier, beviel het hem daar wel. Dat Balthazar zich niet liet meeslepen in de toen al geroemde Leuvense drinkgelagen kon zijn moeder alleen maar positief vinden.[125] Hoe meer hij zich op zijn boeken concentreerde hoe sneller hij kon afstuderen. Na al die jaren alleen aan het roer gestaan te hebben verlangde ze terug een man naast zich die haar kon steunen in de moeilijke zaken die zij onder ogen moest zien.

“Je comte de vous revoir ici avant les deux années s’il plait a Dieu, ce qui me sera d’une grande consolation car j’espère avoir alors en vous un fils que je pouvez consulter dans les affaires difficiles qui me surviennet de temps en temps, car a present je puis dire n’avoir pas une ame." [126]

 

Aldegonde zette daarom alle middelen in om de studies van haar zoon zo snel mogelijk te laten gaan. Ze schuwde daarbij geen kosten. Op 24 oktober 1741 schreef ze aan haar zoon dat hij gerust een repetitor mocht nemen als hij dat noodzakelijk vond.[127] Balthazar nam een zekere Heuschling in dienst.[128] De weduwe Proli was zeer benieuwd naar deze jongeheer en nodigde hem daarom uit om Kerstmis en Nieuwjaar met hen te komen vieren in Antwerpen.[129]

 

Begin januari 1741 keerden de twee terug naar Leuven. Blijkbaar doken ze enthousiast in de boeken. In februari was Heuschling er immers al van overtuigd dat Balthazar dit jaar zijn licentie nog zou behalen. Aldegonde was natuurlijk in de wolken. Ook Heuschlings voorstel om een dispuut en een thesis op te dragen aan gevolmachtigd minister Friedrich von Harrach werd met enthousiasme ontvangen.[130] Zoiets kon alleen maar bijdragen aan het sociale kapitaal van haar zoon. Alleen besefte Aldegonde maar al te goed dat ze een leek was in dit soort van zaken.[131] Ze zouden de hulp nodig hebben van Magermans en Heuschling. Daarnaast moesten ze ook de toestemming van de graaf von Harrach verkrijgen. Aldegonde leek het trouwens beter om alleen Balthazars thesis aan Harrach op te dragen. Een baccalaureaatsdispuut was wellicht te min voor zulk een belangrijk personage.[132] Er werd hoogst waarschijnlijk nog duchtig gediscussieerd over dit onderwerp toen Balthazar voor Pasen weer even in Antwerpen was.[133]

 

In april werden er concrete plannen gesmeed. Mr. Heuschling schatte dat Balthazar in augustus zijn examens zou kunnen afleggen. Aldegonde moest daarom voor die tijd naar Brussel gaan om de graaf von Harrach op te zoeken. Ze wachtte echter liefst tot na de bevalling van haar dochter Anna Martina.[134] Maar nog voor ze naar Brussel kon vertrekken moest ze in het bezit zijn van de nodige dispensaties. Hierbij h