De strijd om de continuïteit. Een bijdrage tot de studie naar het ‘maatschappelijk vermogen’ van een adellijke familie aan de hand van de correspondentie van Balthazar de Proli en Marie-Jeanne von Clotz. (Sofie Van den Broeck)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Inleiding

 

“Persévéré dans des bons sentiments et censé que si mes jours peuvent se prolonger vous y contribuiez par la, [car] rien ne m’étant plus à coeur que la bonne conduitte de mes enfants sans la quelle touttes les prospéritées de ce monde me sont plus tôt un charge qu’ils ne me fert plaisir."[1] Met deze nieuwjaarswensen van moeder Proli opent de brievencollectie van Balthazar de Proli die zich op het Algemeen Rijksarchief te Brussel bevindt. Balthazar was de voorlaatste telg van een 18de eeuwse Antwerpse bankiersfamilie met Italiaanse wortels. In historiografisch opzicht is hij steeds in de schaduw blijven staan van zijn vader, stichter van het familiale bankhuis en directeur van de Oostendse Compagnie, en zijn broer Charles die op economisch vlak minstens zo actief was. De archieven van al hun ondernemingen kwamen na het faillissement van Charles de Proli in 1785 terecht in de Insolvente Boedelkamer van het Antwerpse Stadsarchief. Daar deden de meeste historici de hoofdbrok van hun onderzoek. In Balthazars brievencollectie werd enkel gezocht naar extra genealogische data maar vooral naar enkele leuke fait divers over de familie de Proli.

 

De oproep van J. Lefèvre, in 1924, om aandacht te schenken aan één van de weinig bewaarde reeksen privé-correspondentie in ons land viel dus grotendeels in dovemansoren.[2]  Alleen     G. Guyot en E. Ramakers bekeken de bronnen wat grondiger. [3]  De neerslag van hun onderzoek bleef echter beperkt tot enkele korte bijdragen met een sterke genealogische inslag. Guyot trachtte weliswaar een overzicht te geven van wat er te lezen viel in de brievenreeks maar leek daardoor enkel het anekdotische karakter ervan te benadrukken. Ze slaagde er niet in om tot een zinvolle vraagstelling te komen.[4]

De economische historici hadden nog minder oog voor Balthazar de Proli en zijn brieven. Hun interesse ging uit naar Balthazars vader en broer en vooral naar de economische activiteiten die dat tweetal ontplooid hadden. De bijdrage van M. Huisman in de Biographie Nationale was een teken aan de wand. Pietro de Proli, of beter gezegd, de Oostendse Compagnie kreeg er de meeste aandacht.[5] In de jaren dertig verschoof de aandacht zich van Pietro de Proli naar Charles de Proli. In 1932 zorgde Jan Denucé immers voor een inventaris van de Proli-bescheiden in de Antwerpse Insolvente Boedelkamer. Denucé schreef zelf een artikel over Charles de Proli en besteedde ook de meeste aandacht aan de benjamin van het gezin Pauli-Proli in zijn monografie over enkele Italiaanse koopmansgeslachten in Antwerpen.[6] Ondertussen had ook L. Michielsen zijn weg gevonden in het Proli-archief. Hij schreef een eerste korte bijdrage over de Proli’s in 1935, die al snel werd gevolgd door een uitgebreide studie over de Kompagnie van Trieste en Fiume.[7] Aangezien Balthazar ook betrokken was in deze onderneming kon het Brusselse archiefmateriaal niet genegeerd worden. Michielsen puurde er echter alleen de economische realiteit uit.

 

Vanaf de jaren veertig werd het op historiografisch gebied vrij stil rond de Proli’s. Natuurlijk werden de Proli’s regelmatig ten tonele gevoerd in algemene studies zoals F. Prims’ Geschiedenis van Antwerpen en Janssens’ Geldwezen der Oostenrijkse Nederlanden.[8] Het was echter wachten tot 1980 vooraleer de Proli’s weer op het voorplan kwamen met het verschijnen van het doctoraat van H. De Smedt.[9] Hierin besteedde zij de nodige aandacht aan een biografie en genealogie van Charles de Proli en zette zij op dat vlak heel wat misvattingen recht. De overige vier delen van haar verhandeling handelden echter weer over de economische activiteiten van Charles de Proli die zij zowel kwalitatief als kwantitatief trachtte te omschrijven.

 

De rijkelijk gedetailleerde brievencollectie van Balthazar de Proli moest nog ontdekt worden door mentaliteitshistorici. Hetzelfde gold en geldt nog steeds voor vele adellijke brievencollecties in onze archieven. Genealogen hebben zich jarenlang blind gestaard op data’s van geboorten, huwelijken en sterfgevallen. Economische historici analyseerden de samenstelling – en de solvabiliteit – van adellijke kapitalen. Weinigen onder hen stonden echter lang stil bij het fenomeen dat zij nu eigenlijk bestudeerden, namelijk de adel. De heersende opvatting over wat adel nu precies was, wordt nog het best weergegeven in het volgende, ietwat, ironische citaat: “… men is het of men is het niet … Is men het, … dan is men het ook, maar is men het niet, welnu, dan is men het ook niet. En wordt men het ook niet, … wat men ook doet en wat men ook probeert … Terwijl, als men het is, men ook gerust kan zijn, want men is het. En blijft het ook … wat men ook doet en wat er ook gebeurt.[10] Adel wordt nog al te vaak geassocieerd met ‘blauwbloedigen’ die mijmerend over de heroïsche daden van hun voorvaderen het familiezilver nog eens opblinken in hun stoffige kastelen. Onderlinge huwelijken zorgen voor de continuïteit en de zuiverheid van hun geslacht en zo worden zij adellijk geboren en sterven zij ook adellijk binnen de dikke muren van hun verstevigde burchten.

 

Deze statische visie op het fenomeen adel werd grondig aangepakt door P. Janssens in zijn studie uit 1998, getiteld de evolutie van de Belgische adel sinds de late middeleeuwen.[11] Hij nam het bovenstaande citaat als uitgangspunt. Alle hierin vervatte stereotiepen moesten gecorrigeerd worden. De adel was immers een dynamische sociale groep waar geslachten kwamen en weer verdwenen. Ook in eigen rangen was er een enorme diversiteit, alleen de verschillen in titulatuur maakten dat al duidelijk. Volgens Janssens hing deze dynamiek sterk samen met de veranderende sociale realiteit en het absolutistische staatsvormingsproces. De staat, die het adelsbeleid monopoliseerde, zocht voortdurend naar een compromis die de prerogatieven van de adel niet zou ondermijnen, maar die toch ook plaats gaf aan nieuwe en machtige sociale groeperingen. Juridische wijzigingen aan het adellijk statuut werden dan ook gevolgd door mentale verschuivingen. Het was wel duidelijk dat men adel niet langer kon definiëren aan de hand van de ‘bloedtheorie’. Een meer dynamische definitie werd vereist. Janssens’ definitie luidt als volgt: “Adel ontstaat uit de wisselwerking tussen twee dingen: de bestaande familiale ongelijkheden en de houding van de samenleving hiertegenover. Adel is geen louter sociale, maar ook een politieke aangelegenheid. De edelen vertegenwoordigen families, die tot de elite behoren en aan hun sociaal overwicht een juridische bezegeling willen geven. Adel is de politieke erkenning van een erfelijke elite.”[12]

 

Janssens’ studie was statistisch van opzet. Hij bestudeerde de adel, niet de edelen. Hij wierp echter wel enkele interessante vragen op, die alleen in een microgeschiedenis een antwoord kunnen vinden. Janssens merkte immers op dat de adel in het Ancien Règime geen gesloten kaste was maar een zeer diverse en flexibele gemeenschap. De kous was dus nog niet af wanneer men zijn adelpatenten op zak had. Ook binnen deze elite moest men zijn positie voortdurend bevestigen en beschermen. Men veruitwendigde daarom zijn aanspraken op zoek naar sociale appreciatie en acceptatie, minstens even belangrijk als juridische erkenning. Men kon zich echter niet veroorloven om zijn fortuin te verspelen aan oppervlakkige pracht en praal. Een adellijk statuut was immers erfelijk. Men moest daarom ook duurzaam investeren en dit zowel op financieel, politiek en socio-cultureel vlak, zodat de volgende generaties de eer van de familie hoog konden houden. Waarin investeerde men? Welke langetermijn strategieën stippelde men uit? En hoe flexibel was men wanneer het noodlot roet in het eten kwam gooien?

 

Deze boeiende vragen lokten aanvankelijk weinig reactie uit in het Belgische historische landschap.[13] Slechts zeer recent verschenen er twee studies over de Zuid-Nederlandse adel die enig uitstaans hebben met de door Janssens opgeworpen vragen. H. Cools en G. Croenen richten hun aandacht echter beiden op de middeleeuwen. Bij gebrek aan ego-documenten, zoals brieven en dagboeken, behoorde een microstudie van de dagelijkse sociale praktijk van de adel echter niet tot hun mogelijkheden.[14] Inspiratie moesten we daarom opdoen bij onze noorderburen waar het onderzoek naar adel en patriciaat toch net iets verder gevorderd is. Hoewel ook J.Aalbers en M. Prak zich verzuchtten, in hun inleiding op De bloem der natie, over het slome adaptatievermogen van de Nederlandse historici. [15] Lawrence Stone schreef zijn basiswerk The Crisis of the Aristocracy immers al in 1965.[16] Stone’s prosopografische methode kreeg zijn eerste Nederlandse opvolgers pas begin jaren ’80. Eén van hen was L. Kooijmans met zijn studie over de elite in Hoorn.[17] Uit een hele reeks van individuele gegevens trachtte hij enkele karakteristieken te puren die voor de ganse groep konden gelden. Hij legde zo het streven naar continuïteit van de elite bloot en onthulde de daartoe belangrijkste wegen: financiële zekerheid, politieke stabiliteit en sociale endogamie. Alle drie deze wegen deelden één en hetzelfde kruispunt: de familie.

 

Die vaststelling bracht sommigen op het idee om een nieuwe methode aan te wenden voor dit onderzoek: de familiegeschiedenis. Maar eerst moest deze tak van de geschiedenis verlost worden van zijn ‘geurtje’. Familiegeschiedenis werd immers vaak beschouwd als een tijdverdrijf voor bibliofiele bejaarden. Cees Schmidt, die zijn reputatie als socioloog en historicus niet op de helling wou zetten, vond het daarom wenselijk zijn onderneming te verdedigen.[18] Hij kon immers begrijpen hoe ongewoon het moest klinken dat een socioloog zich zou wagen aan de studie van slechts één familie. Zijn ware onderzoeksobject was echter die sociale realiteit die wij ‘geslacht’ noemen. Volgens Schmidt kon men enkel en alleen tot zo’n complex begrip doordringen via een dieptestudie van één van haar vertegenwoordigers. Of mooier verwoord: “Zoals het volgens de zeventiende-eeuwse natuurvorser Jan Swammerdam mogelijk was ‘den Almaghtigen Vinger Gods’ te presenteren ‘in de anatomie van een Luys’, zo kunnen de structuur en functies van grootschalige maatschappelijke ontwikkelingen zichtbaar worden gemaakt in de geschiedenis van een familie en kan, omgekeerd, de geschiedenis van een familie ons op het spoor brengen van intieme en dikwijls onbekende aspecten van de ‘grande histoire’.[19] Een degelijke vraagstelling –in dit geval gebaseerd op de theorieën van Pierre Bourdieu- en een stevige band met de brede maatschappelijke context konden de familiegeschiedenis bevrijden van haar pejoratieve klank. Aan de hand van de familiegeschiedenis van de Teding van Berkhouts wou Schmidt aantonen hoe een familie generaties lang tot de ‘maatschappelijk sterkste’ groepering van een samenleving kon behoren. Welke koers vaarde men op economisch, politiek en cultureel vlak? Welke ‘strategieën’ dokterde men uit om het ‘maatschappelijk vermogen’ van het geslacht te beschermen en zelfs te vergroten?[20] Schmidt waarschuwde terecht dat de term ‘strategieën’ niet te letterlijk moest worden genomen. Men zou dan immers snel vervallen in een cynische historie van corruptie en vriendjespolitiek. De ‘strategieën’ werden door de historische actoren echter zelden zo ervaren. De codes en conventies van hun tijd waren op zo’n manier deel van hun bewustzijn dat ze niet meer als zodanig werden waargenomen. Bourdieu zou hiervoor de term ‘habitus’ gebruiken. [21]

 

Schmidt’s werkwijze leek ook L. Kooijmans overtuigd te hebben. In zijn boek Vriendschap en de kunst van het overleven in de zeventiende en achttiende eeuw volgde hij immers de families Van der Meulen en Huydecoper van naderbij.[22] Hij had vooral aandacht voor het fenomeen vriendschap en hoe dat als onontbeerlijk werd geacht voor het overleven van een geslacht. Vriendschap had toen een heel andere betekenis dan dat nu het geval is. Vriendschap duidde veelal op de relatie tussen familieleden en minder vaak op een relatie met derden. In het laatste geval ging het dan meer om een relatie tussen een patroon en cliënt. ‘Ware vriendschap’ zoals wij ze nu kennen en zoals ze toen werd gepromoot door onder andere Michel de Montaigne was veel zeldzamer. Vriendschap had immers vooral een functionele dimensie. In barre tijden zouden je familie en vrienden klaar staan met de nodige (financiële) ondersteuning. Ze deden een goed woordje voor je bij een sollicitatie en ze schreven aanbevelingsbrieven zodat je in een vreemde stad niet alleen kwam te zitten. Zolang deze functionele dimensie niet uitgehold werd door een staat die steeds meer van zulke functies op zich zou nemen, zou ware vriendschap een marginaal verschijnsel blijven. Niemand durfde het immers aan om het lot van zijn familie in handen te leggen van zulk een vriend. Een relatie gebaseerd op gevoelens van sympathie en vertrouwen toonde zich immers vaak te labiel.

 

De achterstand van de Belgische historici op haar Noord-Nederlandse collega’s is nogal paradoxaal. De stand van het onderzoek is immers omgekeerd evenredig met het belang van de adel in haar maatschappij.[23] Terwijl de Noord-Nederlandse adel verdrongen werd door de meer burgerlijke regenten konden de edelen in de Zuidelijke Nederlanden hun politieke machtsposities consolideren. Zo werden de topfuncties in het leger bezet door families als de Arenbergs. Conrard Albert Charles d’Ursel en Philippe François de Merode zetelden in de Raad van State en Charles Chrétien Jean-Baptiste de Spoelbergh was auditeur van de Rekenkamer.[24] De nieuwe rijken vormden daarom geen eigen identiteit, zoals dat bij de Nederlandse regenten het geval was. Ze probeerden zich in tegendeel zo snel mogelijk te integreren en te assimileren. Welke middelen zetten zij hiervoor in? Hoe vlot verliep de integratie? Was de kloof, die Karel Degryse veronderstelde, tussen de nieuwe Antwerpse mercantiele adel en de oude Brusselse hofadel werkelijk zo groot?[25] Deze vragen zijn essentieel om een betere kijk op de Zuid-Nederlandse adel te krijgen. Het begrippenapparaat dat ons werd aangereikt door P. Bourdieu en hertaald door C. Schmidt biedt de Belgische vorsers een mooi uitgangspunt.

 

In het bestek van deze eindverhandeling is het natuurlijk onmogelijk om een ganse dynastie over verschillende eeuwen heen te volgen zoals Kooijmans en Schmidt dat deden. We houden het daarom bij een bescheiden toetsing van hun bevindingen aan de hand van de brieven van Balthazar de Proli. Die kleinschaligheid heeft echter ook zijn voordelen. Waar Kooijmans en Schmidt doorheen decennia vliegen, kabbelen wij rustig mee op het ritme van de getijden. Zo krijgen we een gedetailleerd beeld van de dagdagelijkse praktijk van het sociale vermogensbeheer en zullen we kunnen stilstaan bij bepaalde zaken die Kooijmans en Schmidt voorbij raasden.

 

Het archiefmateriaal dat we hier gebruikten bestaat uit acht brievenbundels met in totaal 882 brieven. Een derde van die brieven –in twee banden samengebracht – zijn van de hand van Aldegonde de Proli, Balthazars moeder, en lopen over de jaren 1740-1750.[26] Moeder Proli toonde zich hier erg bekommerd over het lot van haar zoon en schreef hem met de regelmaat van de klok om hem goede raad te geven met betrekking tot zijn studies en zijn prille carrière. De volgende bundel brieven is veel frivoler van aard.[27] Hierin worden immers de wederzijdse liefdesverklaringen van Balthazar en zijn toekomstige vrouw bewaard. De brieven na hun huwelijk, in 1748, zijn niet meer zo vurig. Ze worden gedomineerd door Balthazars zakelijke bezigheden. Ook de volgende twee bundels handelen over Balthazars carrière. De eerste van deze bundels bevat enkele brieven van Martinus Cels[28], boekhouder en partner van Charles de Proli in de suikerraffinaderij Cels, Bastijns & C°, later Cels, Aerts & C°.[29]  Rekeningen worden er afgewisseld door informatie over de Compagnie van Trieste en Fiume. Nieuwtjes over de familie Proli blijven echter nogal oppervlakkig. Voor meer informatie verwijst Cels naar de brieven die Balthazars broer steeds beloofd te schrijven. Diens brieven worden echter niet bewaard op het Algemeen Rijksarchief.[30] De tweede bundel bevat een zeer diverse collectie van brieven aan M. de Proli, raadgever ontvanger-generaal van de Domeinen en Financiën van hare Majesteit de keizerin en koningin, die loopt over de jaren 1749-1783.[31] We vinden er brieven van maar liefst zesenveertig verschillende correspondenten; gaande van de kapitein Henry Flanegan, over de raad van bestuur van de compagnie van Trieste en Fiume tot de minister Choteck. Hierna volgen twee luchtigere bundels met brieven die toebehoorden aan Marie-Jeanne de Proli, geboren von Clotz.[32] Brieven van familieleden en van diverse personen werden strikt gescheiden. Onder de categorie ‘diverses personnes’ huisden enkele hertogen, graven, markiezen, baronnen en zelfs een prinses. De laatste brievenbundel is dan weer van veel ernstigere aard.[33] In tegenstelling tot de vorige bundels bevat deze collectie enkel kopieën van verzonden brieven en geeft het ons dus de kans om nu ook Balthazar eens zelf aan het woord te horen. Het overgrote deel van deze honderd twintigtal brieven werd geschreven aan personen die voornamelijk vertoefden in Brusselse of regeringskringen.

 

Zoals elke brievencollectie is ook die van Balthazar de Proli onvolledig. Guyot merkte dit al op: “Comme toute correspondance, elles sont incomplètes, allusives, pleines de lacunes et d’inconnues pour le lecteur qui en est souvent réduit à des conjenctures plus ou moins probantes.”[34] Zoals de volgende grafiek aantoont, had Guyot in niets overdreven. (zie afb. 1) Voor verscheidene jaren zijn immers minder dan twintig brieven bewaard. In een piekjaar, zoals 1756, zijn dat er daarentegen maar liefst honderd éénennegentig. Van enkele jaren zijn helemaal geen sporen terug te vinden: 1742, 1745 en 1751. Maar het meest opvallende is natuurlijk de absolute stilte na 15 mei 1761[35]. Een stilte die pas verbroken wordt op 19 februari 1778[36] en gevolgd wordt door een vijftigtal brieven die de periode 1778-1783 dekken. Dat wil echter niet zeggen dat zulke bronnen niet op een zinvolle manier ondervraagd kunnen worden. Meer nog, de lacunes in de collectie dwingen ons zelfs een bepaalde vraagstelling op. We vinden immers weinig vrijblijvende nieuwtjes terug in deze brievencollectie en de donkere pagina’s uit de familiegeschiedenis van de Proli’s zijn ‘als bij wonder’ verdwenen. Behalve de liefdesbrieven van Marie-Jeanne en Balthazar - ongetwijfeld bewaard uit sentimentele overwegingen - toont deze reeks brieven dus een opvallend karakter. Het lijken wel de schriftelijke resten van het maatschappelijke vermogen van de Proli’s.

 

 

Met het begrip ‘maatschappelijk vermogen’ als richtlijn trachten we in een eerste hoofdstuk een beknopte geschiedenis te geven van Balthazars voorouders. Daarin schetsen we kort uit welk milieu Balthazar kwam. Hoe bepaalde het vermogen –zowel economisch, politiek, sociaal, symbolisch als cultureel -  van Pietro Proli en Aldegonde Pauli de kansen van hun kinderen?  Hoe verdeelden ze dit vermogen over hun kinderen? Wie werd er het best bedeeld? En hoe trachtten ze het vermogen dat ze hun kinderen konden meegeven te consolideren en indien mogelijk te vergroten, bijvoorbeeld via een uitgekiende huwelijkspolitiek? Had het overlijden van Pietro Proli enige gevolgen op de kansen van zijn kinderen? En hoe vervulde Aldegonde de Proli haar rol als zakenvrouw en alleenstaande moeder? In de volgende hoofdstukken beperken we ons echter tot één van de Proli-kinderen: Balthazar. In een tweede en derde hoofdstuk zien we hoe Balthazars moeder investeerde in het socio-culturele en politieke vermogen van haar zoon. Hoeveel van haar economische en sociale kapitaal moest ze hiervoor aanwenden? En hoe veilig was deze belegging? Pleegde Balthazar de Proli mogelijk geen roofbouw op het familievermogen? In hoofdstuk vier bekijken we dan hoe Balthazar de Proli langzaam op eigen benen leerde te staan. Slaagde hij erin om een eigen sociaal netwerk uit te bouwen? En was zijn vrouw een waardige vervangster van Aldegonde de Proli als het aankwam op maatschappelijk vermogensbeheer? Het laatste hoofdstuk toont ons hoe wankel het langzaam opgebouwde imperium van de Proli’s was. Hadden ze hun strategieën niet goed gepland of zat het lot hen gewoon tegen? Wist de familie zich te herstellen van deze ‘beurscrash’ van hun maatschappelijke vermogen en alsnog de continuïteit van haar geslacht te garanderen?

 

 

Hoofdstuk 1: Een mooi startkapitaal

 

1.1. Een theoretische introductie

 

Als het op trouwen aankomt, lijkt het vaak alsof het doel alle middelen heiligt. Volgens P. Bourdieu zijn alle regels en normen die de partnerkeuze sturen daarom slechts uitvindingen van enkele etnologen. In realiteit is een huwelijk het resultaat van een strategie die zich beroept op sterk geïnternaliseerde principes uit een bepaalde traditie en niet het resultaat van gehoorzaamheid aan een set van regels en normen. Met andere woorden, huwelijksstrategieën illustreren het bestaan van Bourdieu’s term habitus, gedefinieerd als “a system of schemes structuring every decision without ever becoming completely and systematically explicit”.[37] Loïc J. D. Wacquant spreekt in plaats van habitus over de ‘fuzzy logic of practical sense’. Deze term “...  seeks to capture the intentionality without intention, the knowledge without cognitive intent, the prereflective, infraconscious mastery that agents acquire of their social world by way of durable immersion within it and wich defines properly human social practice.”[38]

 

Om de belangen van hun geslacht te beschermen of te vergroten kon een familie dus bewust, maar vaker onbewust, kiezen uit een oneindig aantal combineerbare strategieën[39]. Het was van enorm belang om de juiste keuze te maken. Het was immers niet de bedoeling om zomaar een huwelijk te sluiten, wel om een goed huwelijk te sluiten. Dit is een huwelijk met een maximum aan voordelen, maar met een minimum aan economische en symbolische kosten. Bourdieu vergeleek elk huwelijk van een familielid met een rondje kaarten voor die familie. De waarde van het rondje is van twee zaken afhankelijk. Hoe goed is de te spelen hand van de familie? Hoe goed beheersen ze het spel?[40]

De te spelen hand werd bepaald door het materieel en symbolisch kapitaal waarover men kon beschikken. In de 18de eeuw moest men zich daarom de volgende vragen stellen: Was men sociaal gezien een aantrekkelijke partij? Waar stond men precies op de hiërarchische ladder? Hoe lag de naam van de familie in de mond, of beter, in de markt? Had men voldoende financiële troeven en hoeveel kinderen moesten daar in delen? Had men meer zonen dan dochters? Want die laatste namen immers een bruidsschat mee naar een andere familie en waren dus ‘verlieslatend’. Ook de volgorde van geboorte speelde een belangrijke rol. De oudste zoon was immers verantwoordelijk voor de toekomst van het geslacht. Zijn huwelijk was dus relatief belangrijker dan dat van zijn zussen en van zijn jongere broers. Die moesten meestal wachten tot broerlief gehuwd was voordat ze zelf, al of niet, naar een partner konden uitkijken. Het huwelijk van de chef de famille bepaalde immers de huwelijkskansen van de andere kinderen, vooral dan van de meisjes.  De bruidsschat die de vrouw van de oudste zoon binnenbracht werd immers vaak gebruikt voor hun bruidsschat.

 

Zelfs in de meest welstellende families werden zulke berekeningen gemaakt. Door de steeds groter wordende bruidsschatten[41] dreigde ook voor veel van deze meisjes het ‘oude vrijsterschap’. Het was hier dat de handigheid, veelal die van de moeder, een doorslaggevende rol kon spelen. Die zorgde ervoor dat eerst alle troeven werden uitgespeeld: schoonheid, charme en een goede opvoeding. Elementen die vooral in het hoofd van de jongemannen speelden, maar ook ouders waren daar niet ongevoelig voor. In de officiële onderhandelingen, waar men niet meer kon liegen over het prijskaartje, durfden zij daarom wel eens ‘een korting’ toe te staan.[42] Andere uitwegen vond men wel eens bij suikernonkels en tantes die hun lievelingsnichtje graag vooruit zagen komen in het leven. Als men die mogelijkheden echter niet had moest men meer drastische maatregelen nemen en enkele dochters laten ‘afvloeien’, meestal naar een klooster. De eer en de continuïteit van het geslacht gingen nu eenmaal voor en het was ondenkbaar om dochters beneden hun stand van de hand te doen.[43] 

 

Ouders die liever niet in zulke situaties terecht kwamen, trachtten controle te krijgen op het delen van de kaarten, zodat hun gezin een reflectie was van hun financiële draagkracht. Door op latere leeftijd te huwen werd de kans op een kroostrijk gezin bijvoorbeeld al veel kleiner. Huwelijksstrategieën gingen in essentie terug op fertiliteitstrategieën![44]

 

De huwelijkssluiting is een mooi voorbeeld van een sociale transactie waarin zowel het economische als het culturele, het sociale en het symbolische kapitaal een rol spelen.[45] Volgens Bourdieu wordt iemands positie in een sociaal gehiërarchiseerde samenleving bepaald door een combinatie van deze vier parameters. De economische parameter vormt natuurlijk het fundament van ieders maatschappelijke positie en bepaalt ook vaak de toegang tot de drie andere domeinen. Er is immers geld nodig om te kunnen studeren en het is altijd handig om ‘iemand te kennen’, als je een lucratief ambt op het oog hebt. Geld, kennis en macht verschaffen op hun beurt dan weer het nodige prestige. Op de hoogste sporten van de sociale ladders is nagenoeg iedereen echter goed begiftigd op economisch en cultureel vlak. Daarom wint het sociale kapitaal relatief aan belang. Men zal zich van zijn sociaal kapitaal moeten bedienen om de investeringen op de andere domeinen te doen renderen. Onder sociaal kapitaal verstaat Bourdieu dan ook het volgende “Capital des relations mondaines qui peuvent, le cas échéant, fournir d’utiles “appuis”. Capital d’honorabilités et de respectabilités qui est souvent indispensables pour s’attirer la confiance de la bonne société, et par la sa clientèle, et qui peut se manager par exemple dans un carrière politique."[46] Dat sociaal kapitaal was moeizaam en over een lange periode uitgebouwd. Men kon de duur van iemands lidmaatschap van een bepaalde klasse daarom veelal afleiden van de bekendheid van diens naam en van de uitgestrektheid en de kwaliteit van diens netwerk van relaties.[47]

 

In de 18de eeuw was de primaire uitvalsbasis van elk sociaal netwerk de eigen familie. Al de mogelijke wegen naar succes liepen wel langs één van de ooms, tantes of neven.[48] Het was dus van het grootste belang deze mensen te vriend te houden. De kunst bestond er wel in om de ware intenties van regelmatige brieven, bezoekjes en presentjes niet te verraden. Men wou immers niet laten blijken alleen maar langs te komen omdat men een gunst nodig had. Een neus hebben voor de juiste stijl en timing was dus onontbeerlijk.[49] Relaties onderhouden kon dus vergeleken worden met investeren of verzekeren. En er werd natuurlijk het liefst op veilig gespeeld: “the great have the greatest number of relatives and if “poor relatives” are also poor in relatives, it is because, here as elsewhere, wealth attracts wealth.[50] Familieleden in moeilijkheden kon men echter ook niet aan zijn lot overlaten. Het mes sneed aan twee kanten. Natuurlijk mag men hier niet al te cynisch worden. Naast zijn functionele dimensie had de familie uiteraard ook een emotionele dimensie. De twee sloten elkaar immers niet uit. Toch merkte Kooijmans op dat men zelden uitsluitend emotionele relaties terugvond in de 18de eeuw. Het begrip vriendschap duidde toen ook op een meer instrumentele en zakelijke relatie. Het bindende element in een vriendschap was niet de wederzijdse genegenheid, wel het wederzijds beloven van diensten en wederdiensten. De reden hiervoor was vooral te zoeken in de toenmalige samenleving waar risico’s niet gedekt werden door de overheid, maar door een eigenhandig opgebouwd netwerk van ‘maegen en vrienden’. Men kon zich geen mazen in dat net veroorloven. Het was daarom veel te riskant om de naam en faam van je familie in handen te geven van een hoogst labiele en doorgaans tijdelijke ‘zielsverwantschap’. [51]

 

De door Schmidt bestudeerde Teding van Berkhouts hadden bewezen dat zij de ‘feel for the game’ bezaten.[52] Zowel sociaal-economisch, als sociaal-politiek en sociaal-cultureel maakten zij generaties lang deel uit van de crème de la crème van hun samenleving. In al deze maatschappelijke sferen konden zij beroep doen op een wijdvertakt netwerk van relaties, dat zij klaarblijkelijk feilloos wisten te bespelen. Schmidt was benieuwd naar de strategieën die aangewend werden om het ‘maatschappelijk vermogen’ – het geheel aan kapitaal, banen, kennis, beschaving, relaties en een goede reputatie[53] - van de familie te continueren. Hij onderzocht hoe zij hun drie vermogensdomeinen beheerden. Eerst en vooral was daar het financiële beheer. Hiermee doelde Schmidt op de kapitaalvorming, de beleggings- en erfenisstrategieën van een familie. Vervolgens moest ook het politiek domein beheerd worden. Belangrijke functies werden liefst van al erfelijk gemaakt. Tenslotte was er het sociale domein; waarschijnlijk het meest omvattende en het moeilijkst beheersbare domein van de drie. Vooreerst bevat het de fertiliteitstrategieën van een familie. Vervolgens de investeringen die gedaan werden in de opvoeding en het onderwijs van hun kinderen. De resultaten hiervan bepaalden dan voor een deel weer de huwelijksstrategieën. Ondertussen moesten ook de meer alledaagse ‘public relations’verzorgd worden. Dat wou zeggen; corresponderen, presenteren, visiteren en trakteren.[54]

 

In de volgende hoofdstukken zal onderzocht worden hoe goed ‘the feel for the game’ van de Proli’s ontwikkeld was. Zouden zij net als de Teding van Berkhouts, de Van der Meulens en de Huydecoopers hun positie generaties lang kunnen waarborgen?[55] De etiquette vereist echter dat wij, vooraleer deze vragen te beantwoorden, de familie eerst behoorlijk introduceren.

 

 

1.2. Een persoonlijke introductie

 

Een Italiaan op vrijersvoeten

 

Pietro Proli was de oudste van vier zonen uit een zeer bedrijvige Italiaanse familie. Hij werd al vroeg klaargestoomd om in de voetsporen van zijn voorvaderen te treden. Zijn grootvader, tevens Pietro de Prolis was een telg uit een vermogende familie van handelaars uit de buurt van Masera aan het Lago Maggiore. In 1633 huwde hij Catharina de Bonardis. Uit dat huwelijk sproot tenminste één zoon: Gio Giacomo[56]. Die had grootste plannen met het familiebedrijfje, zo bleek uit zijn huwelijk in 1668 met Catharina de Andrioli, een rijke koopmansdochter uit de buurt van Coimo. Dit huwelijk verschafte hem immers de nodige connecties met belangrijke families als de Cioia’s[57] en de Bertina’s. Samen met zijn schoonbroer Pietro Andrioli was hij vastbesloten om de internationale handelswereld te veroveren. In 1670 moest Antwerpen ‘capituleren’. Gio Giacomo vestigde er een groothandel in textielwaren, koffie, peper, suiker, lederen huiden, parels, kristal en tal van andere producten. Zijn oudste zoon Pietro Proli kwam al sinds 1684 mee naar Antwerpen en werd er geleidelijk voorbereid om de zaken over te nemen.[58]  Begin 1706 achtte zijn vader de tijd blijkbaar rijp om het roer uit handen te geven. Hij kon met een gerust hart terugkeren naar Italië. [59] Daar vestigde hij zich in Milaan en beleefde er naar alle waarschijnlijkheid een zorgeloze oude dag. Na een leven van hard labeur kon hij zich nu verblijden in erefuncties zoals ‘Kapitein van de gewone wacht der Oostpoort van Milaan’. [60]  Pietro, gewapend met een goede praktijkopleiding, een mooie erfenis en een nog mooier startkapitaal, kon de toekomst rooskleurig tegemoet zien.[61]  Met zijn kersverse bruid, Aldegonde Pauli vestigde hij zich in het patriciërshuis “De Wolsack” aan de Oude Beurs. [62]

 

Aldegonde’s familie bestond voornamelijk uit artsen, magistraten en handelaars. Een deftig, burgerlijk milieu dus, maar niet zeer welgesteld. Haar eigen vader werd zelfs uitgesloten uit de ouderlijke erfenis omdat hij zijn deel al had gehad in de vorm van zijn collegegeld en een huwelijksgift. Het te erven bedrag ging naar zijn vier zussen. Blijkbaar was dat nog niet voldoende om een geschikte huwelijkskandidaat aan te trekken; alle vier bleven ze ongehuwd.[63] Ze startten dan maar een handel in stoffen en kant op te Antwerpen. Het is waarschijnlijk via deze weg dat de eerste contacten tussen de families Proli en Pauli tot stand kwamen.[64]

 

Aldegonde’s vader, Florentius Arthardus studeerde medicijnen aan de Leuvense universiteit. Hij besloot echter zijn beroep uit te oefenen in Amsterdam. Daar viel zijn oog op Ludwina van de Velde, dochter van de welbekende schilder Adriaen van de Velde[65]. Ze huwden in het najaar van 1681. Een tiental jaren later verhuisde het jonge gezinnetje terug naar de Zuidelijke Nederlanden. Florentius werd er arts te Brussel. Daar deden ze nog duchtig aan gezinsuitbreiding. Zodat Ludwina na het overlijden van haar man in 1705 achterbleef met tien kinderen.[66] Ze besloot om naar Antwerpen te verhuizen, vermoedelijk om dichter bij haar schoonfamilie te wonen, wiens steun ze in deze moeilijke tijden goed kon gebruiken.[67]

 

Aldegonde was twintig jaar toen haar vader overleed. Het is zeer aannemelijk dat zij op dat moment al ‘verkeerde’ met Pietro Proli want net geen maand later huwden ze. Het is wel duidelijk dat haar twee tantes veel te maken hadden met het huwelijk. Het huwelijkscontract werd immers in hun huis verleden. Ook de huwelijksgift van 6000 gulden kwam uit hun beurs. Een vrij bescheiden gift trouwens, zeker tegenover de 10 000 gulden van Pietro.

Uitzonderlijke omstandigheden redden Aldegonde in feite van het ‘oude vrijsterschap’! Zonder haar ongehuwde suikertantes had zij waarschijnlijk helemaal geen bruidsschat gehad. Ze had immers nog drie zusjes achter haar en de chef de famille was nog minderjarig toen zij de huwbare leeftijd bereikt had.[68] Het was dus een ware zegen dat Pietro Proli alleen maar broers had. Omdat hij geen bruidsschat moest zien te vergaren voor zijn eigen zussen had hij de vrijheid om een ‘armer’ meisje te huwen. Het is zeer uitzonderlijk dat de bruidegom meer geld binnenbrengt in een huwelijk dan de bruid. Pietro had echter zijn redenen om Aldegonde te huwen. Als buitenlander kreeg hij hierdoor immers vastere voet in Antwerpen. De banden met de zusters Pauli’s, zijn zakenpartners, werden stevig aangehaald. Het zal hem ongetwijfeld ook niet ontgaan zijn dat Aldegonde een ‘harde tante’ was als het op zaken doen aankwam. Een karaktertrek die ten zeerste van pas zou komen.

 

Pietro Proli en Aldegonde Pauli, een vruchtbaar verbond (14 augustus 1705 – 28 januari 1733)

 

De “Wolsack”, het huis waar de twee tortelduifjes in 1705 introkken, moet af en toe eerder op een verloskliniek geleken hebben. In vijftien jaar tijd kreeg het paar er maar liefst dertien kinderen. Een groter huis was daarom geen overbodige luxe. Al zal dat niet de enige reden geweest zijn om in 1720 “De Croone” aan de Beddestraat te kopen. Het huis met maar liefst 26 kamers sprak immers boekdelen over de rijkdom en bijbehorende status van de bewoners. Voor de slechte verstaander liet Pietro het ook nog eens ombouwen tot een echt “palazzo”. In deze prachtige omgeving werden nog twee zonen - voor het geluk – geboren.[69]

 

Naast dit prachtige huis bezat Pietro ook nog een ‘hof van plaisantie’ in Berchem, genaamd “De Meerminne”. Financieel ging het hem dus duidelijk voor de wind. Het bedrijfje van zijn vader was inmiddels opgeklommen tot een onderneming met een brede actieradius. Pietro Proli dreef handel met Italië, De Verenigde Provinciën, Duitsland, Frankrijk en vooral ook met het Spaanse Cadiz, sinds de vrede van Utrecht een belangrijke handelsmetropool. Als knooppunt tussen al deze buitenlandse handelaars werd hij al snel een belangrijke schakel in het wisselverkeer. Naast zijn handelshuis ontwikkelde zich daarom een volwaardige bank, die al snel de grootste in Antwerpen werd.[70]

 

Dat was de vaak in geldnood verkerende regering niet ontgaan. In 1714 en 1715 leende Proli grote sommen aan de graaf van Königsegg, de eerste gevolmachtigde minister in de Zuidelijke Nederlanden. De betalingen van de Zuidelijke Nederlanden aan de Verenigde Provinciën, krachtens het Barrièretraktaat[71], verliepen ook via de bank Proli. De tolrechten van het Fort Sint-Philips werden na verloop van tijd rechtstreeks geïnd door de Proli’s. [72]

 

In 1723 werd Pietro ook één van de zeven directeurs van de pas opgerichte Oostendse Compagnie, een compagnie op aandelen met een monopolie op de Oost-Indiëvaart[73]. Proli was een groentje wat betreft deze trafiek. Het is daarom verleidelijk om te denken dat hij zijn benoeming enkel en alleen te danken had aan markies de Prié. Proli had echter meer in zijn mars. Zijn onervarenheid werd dan ook geheel goedgemaakt door zijn grote financiële bijdrage[74] en zijn enorme invloedssfeer, dit zowel in Weense hofkringen als in internationale handelsmilieu’s.[75] Hij maakte daarom maar liefst viermaal deel uit van een delegatie naar Wenen.[76] De compagnie voer op Kanton en Bengalen en handelde in thee, porselein, katoen en zijde. Vooral de theehandel was toen op zijn hoogtepunt. De Zuidelijke Nederlanden vormden de tweede grootste afzetmarkt binnen Europa. De compagnie haalde daarom een gemiddelde nettowinstmarge van 159% op deze expedities. De handel op Bengalen verliep minder vlot, maar kende toch nog een positief saldo van 23%. De aandeelhouders konden zich verblijden in een jaarlijks rendement van 13%, vijf tot zes keer zoveel dan ze te verwachten hadden uit de klassieke beleggingen in onroerend goed. De teleurstelling moet dan ook groot geweest zijn bij Pietro Proli toen het octrooi van de compagnie in 1727 voor zeven jaar opgeschort werd. De directie verzette zich aanvankelijk nog en richtte zelfs een ‘geheime jointe’ op die –weinig succesvol- sluikhandel dreef op Bengalen.  Toen in 1731 echter het definitieve verbod op de Oostendse Compagnie volgde gaf ook de ‘jointe’ haar strijd op. Niets kon noch baten, Karel VI was gekraakt onder de internationale druk. Hij was bereid om de Compagnie op te offeren aan zijn wens opgevolgd te worden door zijn dochter Maria-Theresia. Dat was immers de voorwaarde die de maritieme naties hadden gesteld vooraleer ze de Pragmatieke Sanctie zouden tekenen.[77]

 

Proli heeft dus veel betekend voor de Zuid-Nederlandse economie onder de Habsburgers. Zijn engagement sproot echter niet onmiddellijk voort uit vaderlandsliefde. Pietro was gewoon een harde zakenman die zich er terdege van bewust was dat hij in ruil voor zijn krediet heel wat belangrijke bondgenoten aan zijn kant kreeg. Al die vooraanstaande handen boven zijn hoofd maakten hem praktisch onschendbaar. Hij kon het zich daarom veroorloven om af en toe te ‘sjoemelen’. Zo gebruikte hij het geld bestemd voor de Verenigde Provinciën wel eens als lapmiddel bij acute cashflow problemen. Dit tot grote ergernis van de Noord-Nederlandse Staten-Generaal die in 1729 dreigden om zelf weer voor de inning in te staan. In 1725 ontsnapte hij dan weer aan de zware straffen die zijn compagnon’s valsmunters hadden gekregen. Markies de Prié kon ervoor zorgen dat Pietro Proli een acte de silence kreeg.[78]

 

Ondanks het incidentele geknoei oordeelde men toch dat deze man, die zo veel had gedaan voor de Compagnie en voor de regering in het algemeen, een beloning verdiend had. Die beloning kreeg hij, op 17 november 1727, in de vorm van adellijke patentbrieven voor hem en zijn kroost.[79] Een grote eer, die Pietro toen met beide handen heeft aangenomen, niet wetende hoeveel problemen dit zijn zonen zou opleveren. Pietro zou ze echter niet meer kunnen helpen met die problemen. Hij stierf immers zeer onverwacht te Brussel op 28 januari 1733 in de antichambre van het hôtel Visconti, aan de gevolgen van een beroerte. Hij werd begraven in de abdijkerk van de Sint-Jacobus op de Koudenberg. Natuurlijk met een ceremonieel dat past voor een man van zijn kaliber; er kwamen maar liefst zestien priesters aan te pas.[80]

 

Pietro Proli moest zich geen zorgen maken over zijn gezin en zijn zaken. Zijn kranige vrouw, op dat moment 48 jaar, nam alles over. Ze werd daarin bijgestaan door Pietro’s opvolger, de nieuwe chef de famille, Jean-Jacques. Hij zou de familienaam met eer kunnen verder zetten. Zijn vader had hem daar alleszins alle mogelijkheden toe gegeven. De residentie van de Proli’s werd immers op 24 000 gulden geschat en de inboedel was bijna nog eens zoveel waard. Schilderijen werden afgewisseld door tapijten en naast heel wat zilverwerk vond men ook diamanten in het huis.[81] De bibliotheek was een schat op zich. Men vond er 411 boeken voornamelijk in het Frans en het Italiaans, gaande van godsvruchtige werken over reisverhalen tot de klassieke auteurs. En laten we de bloeiende handelszaak en het florerende bankiershuis van de familie niet vergeten. Het zakencijfer daarvan werd op 1 400 000 gulden geschat, 723 813 gulden daarvan zou zuiver bezit geweest zijn. De toekomst zag er dus veelbelovend uit voor de kroost van Pietro en Aldegonde. De winden der voorspoed zijn echter onvoorspelbaar.[82]

 

Een vrouw aan slag

 

Er werd blijkbaar nooit aan getwijfeld dat Aldegonde de zaken van haar man zou overnemen. Ze had een goede leerschool doorlopen bij haar tantes en bij haar man. Zelfs van op de achtergrond was haar bekwaamheid sommige mensen in het oog gesprongen. Vooral Aldegonde’s kennis van de handel in kant en stoffen werd op prijs gesteld: Mac Nény schreef aan Prins Eugenius het volgende over Aldegonde:  « il n’ya personne dans ce Pays, qui soit plus propre et plus intelligente pour cette commission qu’elle, d’ailleurs elle scait mieux que personne où les trouver[83] Maar ook het bankiershuis bestuurde ze met verve.[84] Weliswaar met de hulp van haar boekhouder Urbano Arnoldt.[85] De bank Pietro Proli – de naam bleef behouden – bleef haar dienstverlening aan de regering verder zetten. Sinds 1730 kregen ze echter meer en meer competitie van een nieuwe bankier, Matthias Nettine. Toen het Aldegonde in 1744, met de dreigende inval van de Fransen, te heet werd vroeg ze ontslagen te worden van haar taak van de inning van de douanerechten en van haar verplichtingen ten opzichte van de Staten van Brabant.[86] Dat was het moment voor de Nettines om de Proli’s van hun eerste plaats als staatsbankier te verstoten. Zij zetten heel hun fortuin in, ten dienste van Wenen. Een risico waarvoor ze natuurlijk goed beloond werden. Vanaf 1744 waren zij de onbetwiste staatsbankiers. Barbe Stoupy, tweede vrouw van Matthias Nettine zaliger, werd hierdoor zowat de machtigste vrouw in de Nederlanden. Een doorn in het oog van Aldegonde die op alle mogelijke manieren zou proberen om de oude positie van haar familie te heroveren.[87]

 

Moeder Proli had echter nog andere plannen. Ze wou het handelaarsbloed van de Proli’s in blauw bloed omzetten. Dat proces vergde echter de nodige gistingstijd. Francis Bacon drukte het als volt uit: “Nieuwe adel is slechts een kwestie van invloed, maar oude adel is een kwestie van tijd.”  Aldegonde zou de tijd echter een handje trachten te helpen. Dat deed ze onder andere door in 1735 de heerlijkheden Wespelaar en Nederassent van de hertogin van Estouteville, geboren prinses te Spinola, te kopen. Niet om er te gaan wonen, maar om voortaan de titel te kunnen dragen van ‘Vrouwe van Nederassent en Wespelaar’. Een papieren titel voor een bedrag van zo maar even 64 500 gulden!

 

Aldegonde was echter niet zo naïef te denken dat die titel haar ware afkomst kon verhullen. Voor haar kinderen zocht ze daarom naar meer duurzame middelen om hun adellijke status te ondersteunen en hen een mooie vertrekpositie in het leven te verschaffen. Ze gaf hen allen een degelijke opleiding en zocht voor elk van hen een geschikte huwelijkspartner.

 

Een spelletje hartenjagen

 

Aldegonde’s opdracht was lang niet zo gemakkelijk als het klinkt. Zij en haar man Pietro Proli hadden immers maar liefst 15 kinderen op de wereld gezet. Bij wonder hadden twaalf van hen de risicovolle kinder- en jeugdjaren overleefd.[88] Een vergiftigde zege, zo bleek, want dat betekende dat het moeizaam opgebouwde vermogen van de Proli’s hopeloos versnipperd zou geraken indien er geen prioriteiten werden gesteld.

 

Aldegonde’s prioriteiten lagen duidelijk bij haar oudste zoon en de nieuwe chef de famille. Jean-Jacques was 26 jaar op het moment dat zijn vader stierf. Hij had zich al mooi opgewerkt in de administratie van de Zuidelijke Nederlanden. Tussen januari 1731 en oktober 1732 werd hij maar liefst driemaal gepromoveerd.[89] Daarnaast mocht hij zich ook Admiraal van de Schelde noemen, een erefunctie die echter nog weinig inhield.[90] Hij scheerde niet alleen op carrièregebied hoge toppen. In 1733 huwde hij Henriette Alouise Blount, de zus van de hertogin van Norfolk.[91] Hierdoor verbonden de Proli’s zich zo maar even aan een van de hoogste adellijke geslachten van Engeland!

 

Uit het enorme standenverschil mogen we wel afleiden dat het zeer waarschijnlijk zo was dat Henriette Jean-Jacques moest huwen uit financiële overwegingen.[92] Toch was haar bruidsschat groot genoeg om twee van Jean-Jacques zusters te laten huwen. Het kan immers geen toeval zijn dat deze minder dan een half jaar later in het huwelijksbootje stapten. Catharina Joanna Victoria (5 juni 1707 – 1 maart 1767) huwde Nicolas Bolstein, kapitein in keizerlijke dienst, op 29 september 1733. En op dezelfde dag gaf Maria Carolina Barbara (8 mei 1708 –  ca.1775) het jawoord aan Gio Baptista Stampa, secretaris van de Milanese Senaat.[93] Aldegonde sloeg maar liefst twee vliegen in één klap.

 

Het geluk leek hen allen toe te lachen. Aldegonde zorgde er immers voor dat Jean-Jacques in 1735 kon opklimmen tot raadsheer algemeen-ontvanger der domeinen en financiën. De weduwe Proli had de Weense regering stevig onder druk gezet door een lening afhankelijk te maken van de benoeming van haar zoon.[94] Het noodlot kwam echter roet in het eten gooien. Jean-Jacques stierf onverwacht nog voor hij zijn ambt had kunnen opnemen. Hij werd begraven naast zijn vader op de Koudenberg.[95]

 

Aldegonde trachtte echter te redden wat er te redden viel. Ondanks het feit dat het huwelijk van haar zoon kinderloos was gebleven, slaagde ze er toch in om het contact met de Blounts te behouden. Dat mag blijken uit een brief uit 1750 waarin Aldegonde haar zoon Balthazar de raad gaf om een half jaar in de rouw te gaan uit respect voor de tweede man van Henriette: Mr. Howard.[96] Ook het nieuw verworven ambt van Jean-Jacques wist ze te bewaren voor haar tweede zoon. Die was op dat moment echter nog net geen veertien jaar. Tot hij meerderjarig zou worden zou Thomas Rima zijn plaats warm houden.[97]

 

Jean Jacques’ overlijden had gelukkig geen al te grote hypotheek op de toekomst van zijn broers en zussen geplaatst. Aldegonde bleek nog voldoende kapitaal over te hebben zodat haar dochters niet noodgedwongen ongehuwd moesten blijven. In 1736 huwde Anna Martina (24 september 1710 – 10 april 1789) Joannes Carolus de Labistraete, heer van Landen en Neerwinden.[98] Drie jaar laten stapte Francisca Elisabeth (30 september 1715 – 26 april 1739) in het huwelijksbootje met Carolus Fransciscus Gaspar Maria Mozzoni de Frosconi. En tenslotte gaf Joanna Aldegonde (27 januari 1719 – 5 december 1779) haar jawoord aan de ridder Joannes Josephus Pelgroms op 31 maart 1750.[99] Het feit dat deze 31 jarige vrouw nog niet in een klooster was getreden mag wel tellen als bewijs dat Aldegonde haar dochters nooit zulk een levenswijze had opgedrongen.

 

Niettemin kozen vier van haar dochters voor deze weg. Twee van hen –een begijntje en een ursulinne -  stierven echter op vrij jonge leeftijd.[100] Dat kan een aanwijzing zijn dat hun zwakke gezondheid hen ongeschikt maakte voor de huwelijksmarkt en dat zij daarom kozen voor een celibatair leven. De twee andere Mechelse begijntjes werden echter respectievelijk 72 en 86 jaar.[101] Het is niet ondenkbaar dat het hier om echte roepingen ging.

 

Aldegonde’s echte uitdaging lag echter in het vinden van twee geschikte bruiden voor haar zoons. Omwille van hun zeer verschillende levenstrajecten werden er ook verschillende vereisten gesteld aan hun respectievelijke bruiden. Balthazar (6januari 1722 – 1804), die  de plaats van zijn overleden broer Jean Jacques moest innemen, ging een carrière in regeringsdienst tegemoet. Zijn taak bestond erin om van de Proli’s een ambtsadellijke familie te maken. Het liefst zag Aldegonde hem daarom samen met een bruid uit die kringen. In de volgende hoofdstukken kunnen we lezen hoeverre zij hierin slaagde. Haar jongste, Charles   (8 augustus 1723 – 16 september 1786), zou echter moeten zorgen voor de financiële zekerheid van de familie. Hij zou het bankhuis Pietro Proli gaan leiden, de basis van hun succes. Zijn huwelijk was dan ook vooral gericht op economische groei. Cornelia Petronella van der Linden, één van de twee dochters van een rijke Rotterdamse koopman, kon hem alles bieden dat hij begeerde. Zij beloofde immers een mooie bruidsschat in te brengen en in de toekomst een nog mooiere erfenis.[102] Ze huwden te Rotterdam op 3 februari 1751. Haar zuster was trouwens getrouwd met Jan Osy de Jonge, zodat Charles de banden met deze belangrijke zakenrelatie van zijn moeder nog wat nauwer kon aanhalen.[103]

 

Besluitend mogen we wel zeggen dat Aldegonde het er niet slecht vanaf bracht en dit ondanks de moeilijke beginvoorwaarden en de grillige spelingen van het lot. Al haar kinderen, behalve de religieuzen, hadden immers een geschikte partner gevonden. Daarbij had ze er steeds voor gezorgd dat het familiefortuin veilig gesteld werd. Indien haar dochters kinderloos zouden overlijden was zijzelf namelijk de enige erfgenaam.[104] De kritiek van H. Houtman – De Smedt als zou Aldegonde zich laten verblinden door welluidende titels, kleurrijke wapenschilden en uiterlijk vertoon en daarom vaak bedrogen uitkomen, was onterecht.[105] Ze maakte immers de kapitale fout om de huwelijkspolitiek van Aldegonde op een economische schaal te wegen. Ze miskende hierdoor Aldegonde’s intenties. Ze was immers niet opzoek naar meer rijkdom, wel naar meer aanzien en naar een steviger sociaal netwerk. De Proli’s zochten niet naar machtsconsolidatie, wel naar machtsuitbreiding. Berekende risico’s werden dan natuurlijk onvermijdelijk.

 

 

* Genealogische tabel van het gezin Pauli-Proli.[106]

Hoofdstuk 2: De kost gaat voor de baat.

 

Met het overlijden van Jean Jacques eind 1735 werden de kaarten voor Balthazar grondig door elkaar geschud. Plots was hij de chef de famille. Het eervol voortzetten van de naam Proli lag nu in zijn handen. Die eer zou hij vooral halen uit zijn diploma rechten en nog meer uit zijn ambt als raadgever ontvanger-generaal van de domeinen en financiën van hare Majesteit de keizerin en koningin. Zijn moeder kocht dit ambt voor Jean Jacques, maar toen die overleed voor hij zelfs maar was begonnen met de uitoefening ervan, kwam Aldegonde opnieuw met geld over de brug zodat die post behouden bleef voor Balthazar. Thomas Rima hield het kussen warm tot Balthazar zijn ambt zelf zou kunnen opnemen.[107]  De dertienjarige Balthazar zat immers nog op de collegebanken bij de Antwerpse Augustijnen.[108]

 

Na het college was het voor Balthazar zaak om een universitair diploma in de rechten te behalen. Dat was immers een conditio sine qua non om in de ambtenarij te stappen. In feite verschafte de opleiding rechten een vrij algemene vorming, zeker als men geen carrière in de magistratuur ambieerde.[109] De eer en het aanzien dat men er door verwierf was dan ook veel belangrijker. Wat extra cultureel en symbolisch kapitaal was immers onontbeerlijk voor een toekomstig staatsambtenaar.

 

Over Balthazars studentenperiode zijn we goed geïnformeerd via de correspondentie met zijn moeder.[110] Doorheen de brieven toonde Aldegonde zich als een uiterst bezorgde moeder. De volgende grafiek, met het gemiddelde aantal brieven dat ze per maand schreef, kan dat aantonen. De weduwe vroeg Balthazar niet enkel naar zijn vorderingen op studiegebied maar toonde ook veel interesse in zijn sociale leven en ze volgde zijn gezondheidsproblemen op de voet op. Daarenboven hield ze hem op de hoogte van alle belangrijke gebeurtenissen zowel op wereldvlak als op het thuisfront.

 

  * Wanneer bepaalde lacunes in de brievencollectie verklaard kunnen worden -doordat moeder en zoon ergens

      samen verblijven- zijn die lacunes natuurlijk niet mee verrekend om het gemiddelde niet te vervormen.

 

Aldegonde begeleidde haar zoon vakkundig bij zijn eerste stappen in de wereld van de volwassenen. Haar brieven staan dan ook bol van de aanmoedigingen maar zelfs wanneer ze op hem kijfde, sloot ze haar brief steevast af met iets in de trant van: “avec une veritable tendresse mon tres cher fils. Votre tres affectionnée mère Proli.”

 

 

2.1. Leuven

 

Op 4 januari 1740 maakte Aldegonde haar nieuwjaarswensen per brief over aan haar oudste –nog levende - zoon. Het was hoogst waarschijnlijk de eerste maal dat Balthazar het nieuwe jaar niet thuis had gevierd. Ze herhaalde –vermoedelijk voor de duizendste keer- haar verwachtingen ten aanzien van Balthazar. Al zijn goede wensen voor haar waren immers volledig afhankelijk van zijn manieren en gedragingen en niets was haar liever dan het goede gedrag van haar kinderen. [111] Balthazar ontving deze brief tijdens een verblijf bij zijn zuster Catharina Joanna Victoria Proli. Zij woonde samen met haar man Nicolas Bolstein op één van de buitenverblijven van de familie, Wespelaar. Het is aannemelijk dat de achttienjarige Balthazar hier op één van zijn eerste ‘missies’ als chef de famille was. Nicolas Bolstein was namelijk ernstig ziek. Aldegonde schreef haar zoon dat ze er geen goed oog in had.

“Je suis inquiète de l’incommodité de Mr. Bolstein […] car à son age cette sorte de maladie est fort écuivoque. Ne ditte rien à votre soeur de ce que je vous en dis mais marque moy naïvement ce qui en est...»[112]

 

Aldegonde’s ongerustheid bleek terecht. Nicolas Bolstein overleed op 15 januari 1740. Catharina Joanna Victoria was er het hart van in. De liefde die ze had voor haar man blijkt uit de inscriptie op hun grafsteen in de St-Hubertuskerk te Wespelaar. Ze zou nooit hertrouwen.

 

“Aan Nicolaus Bolstein onder

De zeer christelijke koning van de Duitsers

Gedurende 20 jaar

“Primipilus Centurio”

van het voetvolk

Op rust gesteld in de functie van

Subtribunus, opdat hij, na gedurende

20 jaar onvergelijkbare roem te

hebben verworven, een vreedzame

rust zou genieten.

Beroemd wegens zijn vroomheid

tegenover God, zijn trouw aan de koning,

zijn welwillendheid jegens allen.

Aan de beroemde overledene

15 januari 1740

Treurend om haar overal zeer beminde

echtgenoot, uit de levenden afgestorven

Victoria Proli

1 maart 1767”[113]

 

In mei bevond Balthazar zich nog steeds te Wespelaar. Wanhopig schreef hij zijn moeder over zijn nog steeds treurende zus. Volgens Aldegonde kon hij niets anders doen dan haar blijven inprenten dat ze de dood van haar man moest aanvaarden. Er bestaan immers geen remedies tegen de beslissingen van God, verzuchtte Aldegonde. Na haar man en drie kinderen verloren te hebben, had ze daarin wel enige ervaring.

 

“je scaisz qu’on n’est pas maitresse en ces sortes de cas”[114]

 

Het spreekt evenwel voor zich dat hij zijn zus zou blijven bijstaan zoals het een chef de famille betaamt.

 

Er was echter nog een andere reden waarom Balthazar in Wespelaar bleef. De tijd was immers gekomen om zich voor te bereiden op zijn ambt. Een degelijke voorbereiding stond toen gelijk met een universitaire studie in de rechten. Er was nog maar één knoop door te hakken: Leuven of Leiden.[115] Leuven kon Balthazar blijkbaar onmiddellijk bekoren. Na één uitstapje met zijn zus schreef hij zijn moeder dat de beslissing al gevallen was. Hij moest dan alleen nog een college zien te vinden. Moeder Proli raadde hem het “Collège des Bacheliers” aan, het St-Yvo collège, in 1483 gesticht voor juristen.[116] Een zekere Magermans, professor in de filosofie, had er de leiding.[117] Deze Leuvense primus genoot het respect van Aldegonde en Magermans was de Proli’s op zijn beurt zeer genegen. Hij sprak vleiend over Pietro Proli en Jean Jacques en hij hoopte dat Balthazar op hen zou gelijken. Aldegonde benadrukte niettemin dat hij zich moest inschrijven in het college van zijn keuze.[118] Maar is het verwonderlijk dat Balthazar zijn moeders’ raad opvolgde na deze lofzang? Moeder Proli bleef immers baas, ook nu Balthazar het huis uit was. Ze verwachtte dat haar zoon, zonder pardon, regelmatig iets van zich liet horen. In een brief van 18 mei gaf zij hem hierover een standje. Balthazar, nog mak als een lam, nam snel de pen ter hand.

“Si votre aplication aux études est la cause mon tres cher fils que je ne recois pas de vos lettres je vous le pardonne, quoy que le peu de temp que vous emplouviez a m’écrire ne vous en détourneroit pas.”[119]

 

Dispensaties en dedicaties

 

Op 1 april 1740 schreef Balthazar zich in aan de oude Leuvense universiteit.[120] Het was wel heel duidelijk dat Balthazar studeerde in functie van zijn ambt. Een diploma was inderdaad eervol, zoals moeder Proli zo vaak benadrukte[121], maar het was in de eerste plaats nuttig. Aldegonde is dan ook nooit van plan geweest om haar zoon de gebruikelijke vier jaar te laten spenderen aan zijn rechtenstudies[122]. Balthazar vond het studentenleven nochtans geen kwelling. Hij ontpopte zich zelfs tot een vrij ijverige student.

 

Voor Balthazar aan de rechtenfaculteit mocht beginnen moest hij zich nog verdiepen in de artes. Deze studie nam gewoonlijk twee jaar in beslag maar in de 17de en 18de eeuw werden hierop vaak uitzonderingen toegestaan.[123] Moeder Proli moedigde hem sterk aan om zijn studies zo kort mogelijk te houden. Als hij er niet te lang over zou doen kon er daarna misschien nog wel een jaartje Leiden of Parijs af.[124] Die aanmaningen vielen duidelijk niet in dovemansoren. Uit de brieven valt af te leiden dat Balthazar de artes-studies op een tweetal maanden tijd heeft doorlopen. In juni was het echter niet meer de moeite om al aan de rechtenstudies te beginnen. Hij genoot dan maar van een welverdiende ‘grote vakantie’.

 

In oktober 1740 trok Balthazar weer naar Leuven en installeerde hij zich in het St-Ivo college. Behalve het bier, beviel het hem daar wel. Dat Balthazar zich niet liet meeslepen in de toen al geroemde Leuvense drinkgelagen kon zijn moeder alleen maar positief vinden.[125] Hoe meer hij zich op zijn boeken concentreerde hoe sneller hij kon afstuderen. Na al die jaren alleen aan het roer gestaan te hebben verlangde ze terug een man naast zich die haar kon steunen in de moeilijke zaken die zij onder ogen moest zien.

“Je comte de vous revoir ici avant les deux années s’il plait a Dieu, ce qui me sera d’une grande consolation car j’espère avoir alors en vous un fils que je pouvez consulter dans les affaires difficiles qui me surviennet de temps en temps, car a present je puis dire n’avoir pas une ame." [126]

 

Aldegonde zette daarom alle middelen in om de studies van haar zoon zo snel mogelijk te laten gaan. Ze schuwde daarbij geen kosten. Op 24 oktober 1741 schreef ze aan haar zoon dat hij gerust een repetitor mocht nemen als hij dat noodzakelijk vond.[127] Balthazar nam een zekere Heuschling in dienst.[128] De weduwe Proli was zeer benieuwd naar deze jongeheer en nodigde hem daarom uit om Kerstmis en Nieuwjaar met hen te komen vieren in Antwerpen.[129]

 

Begin januari 1741 keerden de twee terug naar Leuven. Blijkbaar doken ze enthousiast in de boeken. In februari was Heuschling er immers al van overtuigd dat Balthazar dit jaar zijn licentie nog zou behalen. Aldegonde was natuurlijk in de wolken. Ook Heuschlings voorstel om een dispuut en een thesis op te dragen aan gevolmachtigd minister Friedrich von Harrach werd met enthousiasme ontvangen.[130] Zoiets kon alleen maar bijdragen aan het sociale kapitaal van haar zoon. Alleen besefte Aldegonde maar al te goed dat ze een leek was in dit soort van zaken.[131] Ze zouden de hulp nodig hebben van Magermans en Heuschling. Daarnaast moesten ze ook de toestemming van de graaf von Harrach verkrijgen. Aldegonde leek het trouwens beter om alleen Balthazars thesis aan Harrach op te dragen. Een baccalaureaatsdispuut was wellicht te min voor zulk een belangrijk personage.[132] Er werd hoogst waarschijnlijk nog duchtig gediscussieerd over dit onderwerp toen Balthazar voor Pasen weer even in Antwerpen was.[133]

 

In april werden er concrete plannen gesmeed. Mr. Heuschling schatte dat Balthazar in augustus zijn examens zou kunnen afleggen. Aldegonde moest daarom voor die tijd naar Brussel gaan om de graaf von Harrach op te zoeken. Ze wachtte echter liefst tot na de bevalling van haar dochter Anna Martina.[134] Maar nog voor ze naar Brussel kon vertrekken moest ze in het bezit zijn van de nodige dispensaties. Hierbij had ze de hulp van Magermans en Heuschling nodig. Zij moesten een memorie schetsen met daarin een relaas over Balthazars tijd in Leuven en overtuigende redenen om hem een dispensatie te verlenen. Daar zou Aldegonde zich dan op kunnen baseren wanneer ze naar het strikt college van de rechtenfaculteit zou schrijven. Ze wou immers geen pas de clerc zetten! Moeder Proli hoopte trouwens Magermans binnenkort eindelijk te kunnen ontmoeten en hem te bedanken voor zijn hulp. Voorlopig moest het volstaan dat Balthazar hem haar groeten overbracht.[135] Heuschling had in een brief aan Aldegonde zelf duidelijk gemaakt hoe hij het liefst bedankt zou worden. Hij zou zelf ook graag een dispensatie hebben zodat hij samen met Balthazar kon afstuderen. Aldegonde beloofde hem haar uiterste best te doen.[136]

Terwijl moeder Proli bezig was met al die regelingen te treffen bereidde Balthazar zich voor op zijn dispuut. Jammer genoeg moest de Labistrate afzeggen. Zijn vrouw, Anna Martina, had net een zware bevalling achter de rug. Broer Charles en zus Bolstein zouden echter wel van de partij zijn.[137] Balthazars dispuut werd blijkbaar bijzonder gesmaakt door zijn broer die het in alle superlatieven had geprezen. Ook Magermans was onder de indruk en schreef een lovende brief aan Balthazars moeder. Aldegonde was in de wolken met het goede nieuws.

“il m’a écrit sur vôtre sujet d’une maniere aussi satisfaisante que je le pouvais souhaiter.”[138]

 

Balthazar mocht echter nog niet te overmoedig worden. Na zijn dispuut moest hij immers nog examens afleggen. Hij moest het maar kalm aan doen. Zeker in dit warme weer kon het niet gezond zijn om te veel te studeren, maande zijn moeder hem. Het zou ook geen ramp zijn als hij pas in september of oktober afstudeerde. Ze zou wel blij zijn om dan al haar kinderen weer rondom haar te hebben voor de tijd die haar nog restte. [139]

 

Moeder Proli moest gaan reppen om de toestemming van de graaf von Harrach te krijgen. Balthazar moest echter wel zeker zijn of hij daar nu mee wou doorgaan. Aldegonde begreep zijn twijfel immers goed. Aan de ene kant was het een hele eer maar langs de andere kant bracht het ook meer druk met zich mee. Balthazar moest die knoop zelf maar doorhakken, Aldegonde zou zich er wel naar schikken.[140] Balthazar zette echter door. Aldegonde moest dus aan het plannen slagen. Het leek haar het best om gezamenlijk –Balthazar, Streithagen[141] en zijzelf - naar Brussel te gaan. Een brief zou immers wel eens verloren kunnen gaan in de administratie van een druk bezette minister. Daarenboven zouden ze dan onmiddellijk weten waar ze stonden. Ze moesten immers rekening houden met de mogelijkheid dat von Harrach zou weigeren.[142]

 

Aldegonde’s plannen vielen al snel in duigen. De minister bleek immers niet meer in Brussel te zijn. Hij vertrok vroeger dan gepland naar Mariemont.[143] Ze schreef zowel naar Leuven als naar Brussel, niet wetende of Balthazar en Streithagen al vertrokken waren. Moesten ze toch in Brussel zijn dan hoefde hun reis toch niet volledig onnuttig te zijn. Ze konden al een rekwest laten opstellen en bijvoorbeeld een bezoekje brengen aan Mr. Capon die hen ongetwijfeld nog wat advies zou kunnen geven.[144] Aldegonde drukte haar zoon nog op het hart om zich te gedragen in de hofstad.[145]

 

Haar raadgevingen waren echter overbodig. Streithagen en Balthazar bevonden zich nog in Leuven. Ze moesten daar blijven en gewoon maar afwachten terwijl Aldegonde alles zou regelen.[146] De weduwe had er voor gekozen om het nu toch maar per brief te regelen. Als Magermans nog eens zo goed zou willen zijn om een ontwerp op te stellen? Aldegonde had ook graag het advies van Streithagen gehad.[147] Deze laatste begon echter een beetje zijn geduld te verliezen. Aldegonde had beloofd om in ruil voor zijn hulp, zijn kandidatuur bij de Grote Raad van Mechelen te steunen. Hij vermoedde echter dat Aldegonde niet oprecht was en eerder de kandidatuur van een zekere Deudon steunde. Aldegonde schreef haar zoon om dit heerschap te sussen en hem te verzekeren dat hij het bij het verkeerde eind had. Hij moest informeren of Streithagen wenste dat Aldegonde hem zou vernoemen in haar brief aan de graaf. Ze zou dat immers met alle plezier doen. Haar zoon vertrouwde ze echter toe dat ze vreesde voor de kandidatuur van Streithagen. Deudon werd immers gesteund door de Nettines, een nieuwe bankiersdynastie die het monopolie van de Proli’s ernstig bedreigden.[148] Aldegonde’s overwicht bleek echter nog voldoende en Streithagen kreeg zijn post als raadgever.[149] Streithagen was ongetwijfeld gelukkig en ook de Proli’s zullen niet getreurd hebben om zijn benoeming. Ze hadden immers weer een pion meer in hun sociaal netwerk.

Maar de zaken bleven fout lopen voor de Proli’s. Het bleek dat er nog extra papieren van de rechtenfaculteit vereist waren voor de dispensatie. Ze moesten geen antwoord verwachten van de graaf von Harrach voor dat in orde was. Aldegonde had de brief aan deze heer daarom nog niet verstuurd. Zo kon Balthazar hem nog eens lezen en misschien ook de mening van derden vragen. Aldegonde wist niet zeker of ze haar woorden wel juist gewikt en gewogen had. Ze rekende wel op Balthazar’s discretie. [150] Terwijl Balthazar zich voorbereidde om zijn thesis aan de minister op te dragen, groeide Aldegonde’s ergernis met de dag. Ze had nog steeds geen nieuws ontvangen van de faculteit. Haar brief aan de graaf van Harrach – die ze nu toch had gestuurd - kon al goed bedolven liggen onder een pak nieuwe post![151] Deze had immers ook nog niet geantwoord. Balthazar verkeerde in de onzekerheid of hij zijn examens wel zou kunnen afleggen zonder een dispensatie. Bleef hij beter in Leuven om te studeren of zou hij mee naar Antwerpen komen om Mr. Spenraey’s[152] licentie mee te vieren?[153]

 

Aldegonde besliste uiteindelijk om de dispensatie te regelen via de Geheime Raad. Blijkbaar ging dat toch sneller dan de minister, die nog steeds in Mariemont verbleef, rechtstreeks aan te schrijven. Het strikt college moest nogmaals haar advies uitbrengen.[154] Dat advies luidde blijkbaar gunstig en Aldegonde verzocht Balthazar om de heren doctoren daar uitgebreid voor te bedanken. Nu kon zij hun advies door sturen naar de Geheime Raad. Ze deed dit samen met een brief aan haar president, Steenhault[155], waarin ze verzocht om een snelle afhandeling van deze zaak.[156] Als Balthazar dit jaar nog wou afstuderen begon de tijd immers te dringen. Steenhault verzekerde haar dat ze er hun uiterste best voor zouden doen. Hun rapport was al doorgestuurd aan de graaf van Figuerola[157] en ook hij had beloofd er snel werk van te maken.

 

Het lot bleef zich echter tegen de Proli’s keren. Op 26 augustus, iets voor middernacht, stierf de landvoogdes en aartshertogin Maria Elisabeth, een evenement dat ongetwijfeld voor de nodige vertraging zou zorgen.[158] Harrach werd hierdoor plaatsvervangend landvoogd. De man zou het dus nog drukker krijgen. Aldegonde schakelde daarom Capon in.[159] Hij zou nadat het rapport van de Geheime Raad verstuurd was, zijne excellentie gaan verzoeken om de dispensatie per decreet te geven. Hij zou ook al eens polsen naar een mogelijke dedicatie van Balthazars thesis.[160]

 

Balthazar zat ondertussen nog steeds in Leuven vol spanning af te wachten wanneer hij nu zijn examens kon afleggen. Het feest van Spenraey’s licentie was aan zijn neus voorbijgegaan en de zomer liep op zijn einde.[161] Aldegonde schreef hem dat ze hoopte de dispensatie nog vóór 6 september te krijgen anders zou hij niet meer kunnen afstuderen voor de vakantie. Zij zou naar Brussel gaan en hem, zo snel ze haar antwoord had, in Wespelaar ontmoeten. Ze had nooit kunnen vermoeden dat dit zoveel moeite zou kosten![162]

 

Aldegonde had inderdaad alle registers moeten opentrekken. Ze had niet alleen financieel moeten investeren in het ambt van haar zoon maar ook in zijn studies. Studeren was immers niet goedkoop. Ze had echter vooral haar sociale kapitaal moeten aanspreken om de dedicatie van Balthazars diploma rond te krijgen en om de nodige dispensaties te verkrijgen. Natuurlijk hoefde voor deze informele diensten niet in baar geld betaald te worden. Gratuit was het echter niet. Iedereen die haar een dienst had bewezen kon in de toekomst immers om een wederdienst vragen. Belofte maakt schuld!

 

Herkansing

 

Over de afloop van Aldegonde’s trip naar Brussel is echter niets bekend. De brieven geven geen hint over het antwoord van de graaf von Harrach. Meer nog, er werden helemaal geen brieven bewaard uit de periode tussen september 1741 en mei 1743. Pas in de brieven van november 1743 werd het duidelijk dat Balthazar niet afstudeerde in 1741. Hij logeerde immers in Mechelen om er les te krijgen van Streithagen. Vermoedelijk was deze al in functie als raadgever bij de Grote Raad van Mechelen. In zijn vrije uren hielp hij Balthazar met zijn studies. We mogen dit beschouwen als een wederdienst voor de hulp bij zijn benoeming. Aldegonde was alleen niet zo blij met de uren waarop Balthazar les kreeg, samen met het slechte bed in de infirmerie waren zij verantwoordelijk voor zijn reuma. Misschien was het daarom beter dat hij het aanbod op een kamer bij Streithagen aannam.[163]

 

Eind november schreef moeder Proli dat ze heel tevreden was over de manier waarop Balthazar zijn examens en zijn dispuut had geregeld. Balthazar was al goed in zijn rol als chef de famille gegroeid en kon zulke zaken nu zelf regelen. Zijn moeder hield echter nog een oogje in het zeil. Ze herinnerde hem eraan om zijn oude president Magermans te verwittigen. Die man wilden ze immers niet voor het hoofd stoten.[164]

 

Na een grondige ondervraging had Streithagen Balthazar ervan verzekerd dat hij klaar was om examens af te leggen.[165] Dat deed hij dan ook op 2 december 1743. Moeder Proli twijfelde er geen seconde aan dat hij zou slagen.

je ne revoque aucunnement un doute que vous ne vous en soiez tirees avec honneur et aplaudissement et que je l’aprendrai demain par une de vos lettres.”[166]

 

Na zijn examens ging Balthazar een tijdje naar huis. Daar konden ze dan alle regelingen treffen voor zijn licentie-akte die op St-Thomas zou plaats vinden.[167] Aldegonde had hem even eerder al de opdracht gegeven om zich te informeren of men vrienden mocht inviteren op het feest. Zij kende immers de gang van zaken bij dergelijke gelegenheden niet maar ze wilde zeker niemand beledigen. Als ze vrienden mochten vragen dan stonden de volgende mensen alvast op de gastenlijst: de graaf van Nava, de graaf van Figuerola, Mr. Capon, de nieuwe kanselier De Gueldre, de burgemeester Wellens, Mr. Van Cessen, Mr. Mostinck en natuurlijk Mr. Rima.[168] De meesten onder hen zouden zich wel laten verontschuldigen. Maar daar ging het niet om, de invitaties waren eerder tekenen van beleefdheid en een manier om de continuïteit van hun relatie nog eens te verzekeren. Het woord vrienden wordt hier dan ook best vervangen door patroons en cliënten.[169]

 

Op 9 december was Balthazar weer terug in Leuven. Hij bereidde er zich voor op zijn dispuut dat de 19de van de maand zou plaatsvinden. Mama Proli was wederom overtuigd van haar zoons kunnen. Zijn moeilijke conclusies zouden hem doen schitteren! Alleen maakte ze zich wat zorgen over zijn gezondheid. Zijn reuma nam hand over hand toe en sloeg zelfs op zijn borst. Volgens Aldegonde lag de enige remedie in het behalen van zijn licentie, zodat al deze zorgen van hem zouden afvallen.[170] Hopelijk zou deze steeds weerkerende kwaal geen hinderpaal worden bij de uitvoering van zijn ambt.[171]

 

Omdat Balthazar zijn licentie-akte nog met twee dagen had uitgesteld kon Aldegonde niet met zekerheid zeggen wie van de genodigden zou komen. Ze zouden allemaal verwittigd moeten worden. Mr. Mostinck en burgemeester Wellens hadden al toegezegd. Mr. van Cessen zat verveeld met het feit dat hij zich had laten verontschuldigen voor het doctoraat van een zekere Erkenrode.[172] Van de graaf van Figuerola wist de weduwe niet of die zich nog zou kunnen vrijmaken nu het donderdag was, hoewel dat een grote eer zou zijn. [173] Mr. Capon liet zich excuseren. Mr. Rima zou hem echter wel een exemplaar van Balthazar’s thesis bezorgen.[174]  Natuurlijk zou ook de familie de Proli paraat staan. Zelfs de Labistrate kwam ondanks de slechte toestand van zijn zwangere vrouw.[175] Ze zouden het voor geen geld willen missen om Balthazar te zien schitteren in zijn splinternieuwe outfit! [176]

 

Het feest werd georganiseerd door Magermans. Een zeer bewuste zet zoals we uit een brief van Aldegonde vernemen. Als er iets ontbrak zou zij de schande ervan niet hoeven te dragen.

“ je ne m’ambarasse pas non plus pour ce qu’il y aura a manger, si cela est aplaudi Mr. Magermans en aura l’honneur et s’il y manque quelque chose je dirai que je l’ai laissé faire”.[177]

 

Maar wat zou er ontbreken? Magermans had van Aldegonde immers de expliciete opdracht gekregen om niet op een gulden meer of minder te kijken. Ze vertrouwde erop dat hij een goede wijn zou uitzoeken. [178] Zij had zelf gezorgd voor de oesters, 600 om rauw te eten en 200 om te roosteren. Ze zouden die dag zelf vers aangevoerd worden! Balthazars broer Charles zou al vroeger naar Leuven vertrekken om een oogje in het zeil te houden bij de organisatie van het feest. Hij zou ook voldoende kamers reserveren in herberg “De Kroon” voor gasten, knechten en paarden die in Leuven bleven logeren. Het spreekt voor zich dat dit allemaal op kosten van de familie Proli was.[179] Het exacte prijskaartje maakte echter niet zoveel uit voor Aldegonde. ‘Conspicuous consumption’ diende immers ter verhoging van het symbolische kapitaal.[180]

 

Kijven en kozen

 

Aldegonde moest er tevens voor zorgen dat haar zoon naast jurist, ook een echte heer werd. Men vond alle wijsheid immers niet aan de universiteit. Balthazar moest evengoed ingewijd worden in de school van het leven. Daarom dat Aldegonde zoveel aandacht besteedde aan de mensen die Balthazar ontmoette, op welke manier hij met hen omging en hoe hij zich aan hen presenteerde. Balthazar was immers niet alleen het uithangbordje van de Proli’s maar ook de barometer voor Aldegonde’s welslagen als moeder. Zowel haar eer als die van de familie stond dus op het spel.

 

Men kon een echte heer in één oogopslag herkennen aan zijn immer vlekkeloze uiterlijk. Ook in de 18de eeuw maakten de kleren de man. De juiste outfit kiezen was toen misschien zelfs belangrijker en zeker veel moeilijker dan dat nu het geval is. Men moest zich immers een groot aantal verschillende codes eigen maken. In de brieven vinden we daar een mooi voorbeeld van. Op 1 november 1740 schreef moeder Proli haar zoon om hem het overlijden van keizer Karel VI mede te delen.[181]  In de daaropvolgende brieven sprak zij echter nauwelijks over de onheilspellende politieke gevolgen van dit overlijden. Wel besprak ze uitgebreid elk detail van Balthazar’s rouwpak. Het sprak voor zich dat hij alleen rouwkledij moest dragen als de andere Leuvense juristen dat ook deden. [182] Daarnaast moest Balthazar ook letten op wat de graven de Brouchoven de Bergeyck droegen, zij fungeerden blijkbaar als het referentiepunt als het op stijl en klasse aankwam!

“marqué moi encore demain s’il est possible si les comtes de Bergijck portent des pleureuse au manches ou seullement un habit noir a boutons car s’il portent des pleurueses[183] vous en faudra aussi et mesme un nouvel habit!”[184]

 

Op 26 november stuurde Aldegonde Balthazars rouwkledij op. Alleen schoenen had ze niet voorzien. Moest hij toch een nieuw paar nodig hebben, dan moest hij die zelf maar laten maken. Het pakketje kleren was vergezeld van een uitgebreide instructienota: zo mocht Balthazar niet vergeten dat hij nog geen poeder in zijn haar mocht doen en het was ook nog niet toegestaan om manchetknopen te dragen.[185] In februari van het volgende jaar kon hij extra pronken met zijn nieuwe outfit, hij vergezelde de juristen immers naar een luisterrijke begrafenisplechtigheid voor de vorst te Mechelen.[186] Balthazar zou de rouw nog een klein jaar moeten aanhouden. Dat waren immers de voorschriften van de Raad van Financiën.[187]

 

Iemands voorkomen werd echter niet alleen bepaald door zijn kledij. Een zekere savoir-vivre was ook vereist. Een echte edelman maakte zich niet moe tenzij in zijn ambt, zijn studies, maar vooral in zijn vrijetijdsbesteding. Arbeid adelt, maar de adel arbeidt niet! Huishoudelijk werk werd dan ook gedaan door een knecht. Dat gold zelfs voor de Leuvense student van stand. Balthazar liet alle dagen iemand komen om zijn bed op te maken en de kamer schoon te maken. Zijn moeder vond dat geen overbodige luxe. Meer nog, ze drukte haar zoon op het hart om in zulke situaties niet te zuinig te zijn! Het kon geen kwaad om een beetje van hun financieel kapitaal om te zetten in symbolisch kapitaal.

“je sais que vous ne braderez pas votre argant mais je veux aussi que vous ne soiez pas moins qu’un autre aux occasions et comme vous connaissé en cela mes sentiments je ne vous en dis pas d’avantage!” [188]

 

Eén van de favoriete tijdsverdrijven van de 18de-eeuwse adel bestond uit de jacht. Toen Aldegonde echter vernam dat Balthazar na een jachtpartij met zijn broer te voet terug naar Leuven was gegaan was ze in alle staten. Had hij zichzelf al niet voldoende vermoeid met de jacht? Maar vooral: hoe ongepast was het wel niet om zomaar langs de wegen te lopen als de eerste de beste schurk! Ze zou haar dochter vermanend schrijven dat Balthazar voortaan per koets gehaald en gebracht moest worden.[189] Balthazar verzekerde haar echter dat er een misverstand geweest moest zijn en dat hij braafjes per koets naar Leuven was teruggekeerd.[190]

 

De patenten, de kledij en de levensstijl van een geadelde kon men zichzelf eventueel kopen. Op sociale acceptatie daarentegen stond geen prijs. Daarom was het gezelschap waarin een heer zich bewoog de beste indicator voor zijn sociale positie. Het was echter niet zo gemakkelijk om in de juiste kringen door te dringen. Distinctiedrift dreef de hoge klassen immers samen. Ongewenste elementen werden uit de groep geweerd en sociale mobiliteit verliep stroef. Balthazar de Proli bevond zich vanaf het begin echter in fijn gezelschap. Aldegonde was in de wolken dat hij met Della Faille optrok, naar haar mening een nette heer.[191] Ze hoopte dat alle “jeunes gens bien reglées” zijn vriendschap zouden opzoeken[192] en dat hij zich ver weg zou houden van mislukkelingen en klaplopers. Zo beschreef Aldegonde haar opluchting dat haar zoon niet bij het groepje juristen was die tijdens een jachtpartij een man gedood hadden. Ze was zeer benieuwd naar hun namen en de precieze omstandigheden van het voorval.[193]

 

Toch schreef Balthazar zich niet in, in de Antwerpse studentenvereniging voor juristen. Dat was verwonderlijk want alle zonen van de belangrijkste Antwerpse families waren wel lid.[194] Hier konden innige contacten gesmeed worden met toekomstige burgervaders, advocaten en rechters. Het lijkt wel alsof moeder Proli hier een kans heeft laten liggen op sociale kapitaalsuitbreiding. Het is echter mogelijk dat ze haar zoon zeer bewust isoleerde van de Antwerpse adel die, zacht uitgedrukt, niet een al te beste reputatie had. Vooral in Brussel kon men zijn neus ophalen voor deze “nouveau riches”. Over haar eigen schoonzoon de Labistraete werd immers het volgende beweerd: “avare a qui on l’arrache l’asme lorsqu’on lui demande de l’argent”[195]

 

Het was belangrijk om zich goed te gedragen in select gezelschap. Balthazar moest de regels van de politesse onder de knie krijgen. Zijn moeder gaf hem hiertoe de nodige aanwijzingen. Na geïnviteerd te zijn op de kamers van Magermans was het alleen maar gepast om de gunst weer te keren. Hij kon Magermans bij die gelegenheid misschien thee en chocola aanbieden.[196] Verfijnde manieren waren nog belangrijker in het bijzijn van vrouwen. Niet alleen de potentiële huwelijkskandidaten moesten gecharmeerd worden, maar ook, of zelfs nog meer, hun moeders. In het Mechelse ‘assemblée’, dat Balthazar samen met Streithagen frequenteerde, ontmoette hij juffrouw Van Reet, een dame die hem niet onbewogen liet en die ook bij Aldegonde in de smaak viel. [197] Wanneer juffrouw Van Reet van haar kant ook interesse begon te vertonen in haar zoon leek het Aldegonde gepast om iemand eens te laten peilen naar Balthazars kansen bij vader Van Reet. Balthazar moest zich in tussentijd wel kunnen beheersen. Een roddelcampagne was immers snel opgezet!

«En attendant il faut menager l’eclat pour eviter que les mauvaises langues se mettent en campagne car nous avons des ennemis et des envieux, au reste je ne vous dissimule pas qu’une telle affaire me seroit d’une grande satisfactions.»[198]

 

Moeder Proli kon Balthazar echter niet altijd bij de hand blijven nemen. Door hem kleine opdrachten te geven testte zij zijn feel for the game uit. De doelstelling was dat hij uiteindelijk in staat zou zijn zelf zijn sociaal netwerk te bespelen, d.w.z. uitbreiden, onderhouden, bedienen en gebruiken. Zo liet ze hem verschillende brieven persoonlijk bezorgen onder meer aan de maarschalk en markies de Los Rios.[199] Ook Mr. Capon moest hij te vriend houden. Een bezoekje om hem een goede reis te wensen leek haar niet ongepast. [200] Mr. Streithagen en procureur De Cock moest hij dan weer op een beleefde wijze om enkele raadgevingen vragen in verband met de gerechtelijke processen waarin zijn moeder verwikkeld zat.[201] In november 1743 gaf ze hem de opdracht om een brief te schrijven aan de graaf van Figuerola. Aldegonde waarschuwde hem zijn uiterste best te doen, de kans was immers groot dat ook de graaf van Königsegg[202] deze brief onder ogen zou krijgen.[203] Eind 1743 slaagde Balthazar er in om op eigen houtje zijn examens en dispuut in Leuven te regelen. Voor zijn moeders test was hij alvast geslaagd.

 

 

2.2. Leiden

 

Balthazar had na Leuven zijn buik blijkbaar nog niet vol van het studeren. Begin juli 1744 trok hij immers naar Leiden om er publiek recht te gaan studeren. In Leiden wachtte hem echter niet hetzelfde luilekker leventje dat hij in Leuven had genoten. Zonder de bescherming van zijn moeder moest hij zijn eigen boontjes zien te doppen en dit in een periode waarin ook de geldkraan stilaan opdroogde. De Oostenrijkse Successieoorlog had de Nederlandse economie immers lamgelegd en zelfs de welvarende Proli’s kregen het daardoor moeilijk. Balthazar kwam daarom voor de opdracht te staan een evenwicht te vinden tussen studeren, economiseren en zijn sociale status te beheren.

 

Grand tour d’Hollande

 

Moeder Proli liet haar zoon natuurlijk niet volledig aan zijn lot over. Balthazar kon bij zijn aankomst in Leiden rekenen op enkele vrienden van Aldegonde om hem op te vangen. Osy, de Rotterdamse bankier had ervoor gezorgd dat Balthazar voorlopig kon verblijven bij de wijnhandelaar Jan Nadrap. Deze laatste zou hem vervolgens helpen bij het vinden van geschikte logies. Aldegonde had zich echter vergeten te informeren over het begin van het academiejaar in Leiden. Aangezien dat pas op 15 november zou aanvangen, had Balthazar nog ruim twee maanden weinig of niets te doen. Daarom stelde ze haar zoon voor om in tussentijd een reis door Holland te maken en er al de belangrijke steden te bezoeken. Zijn reisroute liep langs de belangrijkste ijkpunten in Aldegonde’s Noord-Nederlandse netwerk van kennissen, vrienden en zakenpartners. Met het oog op Balthazars ambt was het trouwens geen slecht idee om hem kennis te laten maken met Hollands’ kapitaalkrachtigen.[204] Zo logeerde Balthazar een tijdje bij een zekere Seerts. Deze had waarschijnlijk een nieuwe klant gevonden in Aldegonde die verrukt was over zijn poeder tegen dysenterie, flux de sang en andere kwaaltjes. Balthazar kreeg ook een uitnodiging van Mr. Andrioli.[205] Die beloofde om  Balthazar mee te nemen naar het buitengoed van Mr. Urbano.[206] Aldegonde drukte haar zoon op het hart om zeker ook langs de graaf De Baillet te gaan als hij in Amsterdam zou komen.[207]

 

In het gezelschap van een zekere De Vos en van zijn knecht Joseph ving Balthazar zijn reis aan. Het drietal passeerde bij de Andrioli’s en bij de familie Charlé.[208] Aldegonde ontving post uit Stavoren, Enkhuizen en Leeuwarden. In één van zijn brieven schreef Balthazar over de storm op zee die ze hadden meegemaakt. Aldegonde dankte God dat haar zoon dit had mogen overleven. Het voorval werd echter niet verder gedramatiseerd. Een reis door zo’n uitzonderlijk land was dat beetje wanorde wel waard, aldus de weduwe Proli. Balthazar en De Vos bezochten blijkbaar ook het hof van de Oranje’s. Uit Balthazars omschrijving leidde Aldegonde echter af dat de prins en de prinses maar een saai en vervelend leven hadden.[209] Op tien augustus keerde Balthazar terug naar Leiden terwijl zijn reisgezel naar Antwerpen doorreisde om uitgebreid verslag te doen bij de weduwe Proli.[210] In de nazomer bezocht Balthazar Mr. Tiarek en ging hij ook nog eens langs bij de Andrioli’s. Zijn moeder raadde hem aan om nog te genieten van deze laatste goede tijden. Het zouden mooie herinneringen zijn als hij straks weer aan het vuur zou zitten.[211]

 

Balthazar steunde echter niet alleen op Aldegonde’s contacten.  Zo trok hij op met de markiezen van Hoensbroeck en ook de baron van Reisbach was Balthazar genegen.[212] De Venetiaanse abt Fabris en de graaf van Hombeeck vertelden Aldegonde dat ze haar zoon nog hadden willen uitnodigen voor een concert, maar ze hadden hem niet gevonden. [213] Deze berichten werden met veel enthousiasme onthaald door Aldegonde. Haar zoon had immers bewezen dat hij een eigen sociaal netwerk kon uitbouwen.

“Je suis bien aise de voir que vous ne frequentez que des jeunes cavaliers de distinction et de bonne conduite tant a l’égard du jeu que du reste. Il me fait beaucoup de plaisir que les marquis Donsbruck vous font bon acceuil. Il faut aussi de vôtre cotté y correspondre de vôtre mieux." [214]

 

“ je ne suis pas fachez de voir l’acceuil que vous avez reçu du Baron de Reisbach et sa famille pas seulement a la Haije mais aussi lors qu’ils furent a Leyden. D’autant que la frequentation de ses personnes de distinction et d’une conduitte regulière forment infiniment un jeune homme."[215]

 

Haar zoon had ook de finesse verworven om ongewenste contacten beleefd te beëindigen. Zo kreeg hij in oktober 1744 het voorstel van een zekere Burrisch om hem te vergezellen op een zakenreis. Aldegonde was echter van mening dat Balthazar zich het best nog een tijdje bij de theorie hield en de praktijk aan meer ervaren mensen overliet. Daarenboven vermoedde moeder Proli dat de invitaties van Burrisch geïnspireerd werden door Balthazars status en rijkdom. De brutale man hoopte daarvan gebruik te kunnen maken. Balthazar moest deze Burrisch dus zien af te wimpelen zonder hem te beledigen. Hij kon aanbrengen dat hij zich niet kon vrijmaken omdat hij zich moest toeleggen op zijn studies opdat hij zijn ambt weldra zou kunnen opnemen.[216] Burrisch nam Balthazars weigering blijkbaar goed op. Hij inviteerde hem immers nog op een souper. Aldegonde zag er geen graten in om op deze invitatie in te gaan. Alleen kon hij niet gaan in zijn oude kleren. Zij zou er wel nieuwe laten maken en die dan opsturen samen met wat chocola en thee.[217]

 

Hoewel Balthazar bij verschillende gelegenheden had getoond dat hij zich kon gedragen volgens de geldende beleefdheidsnormen, bleef Aldegonde hem controleren. Eind 1744 schreef ze hem om te vragen of hij eraan gedacht had Capon en Rima zijn nieuwjaarswensen over te maken.

«j’espere que vous vous serez souvenu de faire les souhaits de la saison a Monsr. Le conseiller Capon et à Mr. Rima car le premier poura vous être d’un grand apui lors que vous serez en exercice et le second a mis votre employ en reputation.»[218]

 

Moest hij dat vergeten zijn, dan was er een eenvoudige oplossing. Hij moest zijn brieven maar schrijven en ze dateren op de 31ste. Zij zou ze dan wel doorsturen en het feit dat ze te laat kwamen volledig op zich nemen.[219]

 

Studeren en besparen, contradictio in terminis?

 

In volle oorlogstijd begon geld een schaars goedje te worden. Leiden telde dan ook opvallend weinig studenten, zo schreef Balthazar zijn moeder.[220] Zelfs de Proli’s moesten de riem een beetje aanhalen. Aldegonde had immers besloten om haar financiële diensten aan de Oostenrijkse regering drastisch terug te schroeven. Ze wou geen onnodige risico’s nemen in zulke turbulente tijden.[221] Balthazar moest zijn verblijf in Leiden bijgevolg zo goedkoop en zo kort mogelijk houden.

 

Een eerste post waar hij op kon besparen was zijn verblijfplaats. Aldegonde drukte erop dat hij betaalbare logies zou nemen.[222] Dit bracht hem natuurlijk wel in verlegenheid wanneer hij gasten van stand moest ontvangen; zo bijvoorbeeld Mr. en Mevr. Middelharmisse en juffrouw Lunden. Moeder Proli hoopte dat hij ze toch zoveel mogelijk beleefdheden had bewezen dan zijn situatie hem toestond.[223] Ze bad haar zoon ook om zich niet in het spel te storten zoals zovele studenten deden.[224] Er was maar één zaak waar Balthazar niet zo zuinig op moest zijn en dat was zijn bediende Joseph. Zo’n goede hulp wilde ze immers niet verliezen.[225]

 

Om Balthazars verblijf in Leiden zo kort mogelijk te houden overwoog de weduwe Proli aanvankelijk nog om haar zoon privé-lessen te laten volgen. Zo zou hij na een half jaar al terug kunnen keren naar Antwerpen.[226] Dat bleek echter te duur en Balthazar koos er toch voor om de publieke lessen te volgen. Hij werd sterk aangemoedigd door zijn moeder om de colleges te frequenteren en om hard te studeren. Dat zou immers zijn eigen eer en glorie ten goede komen.[227] Een man zijn eer werd immers afgewogen op zijn professionaliteit en in extenso op zijn financiële soliditeit.[228]  Maar moeder Proli dacht toch vooral aan haar beurs. Toen de leefkost in Leiden verviervoudigde besloot Aldegonde om er nog meer vaart achter te zetten. Balthazar kreeg nu twee repetitielessen per dag van Mr. Museus.[229] Het was echter ondenkbaar om Balthazars studies stop te zetten. Aldegonde had immers al aan iedereen verteld dat haar zoon publiek recht ging studeren. Ze konden dus niet meer terugkrabbelen.[230]  Daarenboven was ze er van overtuigd dat de kosten die ze nu moest maken zichzelf op lange termijn wel zouden terugbetalen.[231] Wat Balthazar nu won aan cultureel kapitaal konden ze immers later omzetten in financieel, politiek, sociaal en symbolisch kapitaal.

Er was echter nog een andere reden waarom Balthazar beter vaart kon zetten achter zijn studies. Zijn moeder had immers opgevangen dat men er van hogerhand over dacht om de post van raadgever ontvanger-generaal voortaan maar door één persoon te laten uitvoeren in plaats van het tweejaarlijkse rotatiesysteem tussen twee mandatarissen te handhaven.[232] Balthazars collega Van Overstraeten viel klaarblijkelijk erg in de smaak bij de Raad van Financiën.[233] Aldegonde had echter begrepen, hoewel ze hiervan geen officiële bevestiging had, dat zijn familie maar liefst 300 000 gulden zou neertellen als hij de betrekking mocht behouden.[234]

 

Nieuws van het (thuis)front

 

De vrijheid die Balthazar in Leiden had kwam natuurlijk met een prijskaartje. Hij moest zichzelf zien te redden buiten de geborgenheid van een gezin. Gelukkig schreef zijn moeder hem regelmatig om hem op de hoogte te houden van de familienieuwtjes. Daarnaast schreef ze hem ook over alle promoties, degradaties, allianties en vetes binnen de hoogste kringen van de Nederlanden. De grootste aandacht ging echter naar de oorlogssituatie. Aldegonde’s relaas was er vaak één van kommer en kwel. Het enige waar ze zich in deze moeilijke tijden in kon verheugen was dat al haar kinderen gezond waren.[235]

 

Naast een eerste glorieuze overwinning van Karel van Lotharingen verging het de Habsburgers immers niet zo goed op het slagveld.[236] Tot overmaat van ramp viel in dezelfde periode de vrouw van Karel, de Zuid-Nederlandse landvoogdes Marie-Anna, zwaar ziek. Aldegonde was verontwaardigd dat de koning van Pruisen geen rekening hield met de staat van deze prinses. Marie-Anna hield zich echter sterk en woonde nog een misviering en een processie bij om het onheil af te zweren . Moeder Proli loofde haar als zijnde een voorbeeld van deugdelijkheid en waardigheid. De schrik zat er echter zwaar in. Aldegonde bekende dat ze nog nooit zo had gevreesd voor het land.[237] Over heel Europa werden onheilstekens waargenomen zoals een bliksem en een lichtbol. In Praag had een beeld zich zelfs op zijn sokkel gedraaid.[238] Onheil was er inderdaad genoeg. Moeder Proli sloeg al eens een post over omdat ze toch steeds hetzelfde slechte nieuws te melden had.[239] Toen het er naar uitzag dat Praag zich zou overgeven, zocht Aldegonde al haar heil bij God als de enige op wie ze nog kon vertrouwen.[240] Haar smeekgebeden leken verhoord te worden. Praag moest toch niet capituleren.[241] En ook met de prinses ging het een pak beter. De koortsaanvallen waren verdwenen. Rima schreef haar over de emoties die dat teweeg bracht bij de hovelingen, zowel groot als klein: men weende niet, schreef hij, men jankte om de zegen dat deze meest waardige prinses zou blijven leven.[242] Moeder Proli bleef de situatie van de prinses op de voet volgen en schreef Balthazar toen bekend geraakte dat de prinses al genoeg krachten had verworven om enkele lijnen aan haar prins en de koningin te schrijven. De zaken leken op te klaren. De winter zou zorgen voor een pauze in het oorlogsgewoel. Men was volop bezig met het inkwartieren van de troepen.[243] De prinses haar gezondheid bleef echter wisselvallig. Een maand na de vorige brief hierover schreef Aldegonde dat men wederom hoopvol was. De prinses had immers drie oesters en een forel gegeten. Ze zegt echter een volledige dégout van vlees te hebben.[244] Aldegonde huldigde haar eigen arts, de heer Van Zuiten, voor de genezing van de prinses.[245] Deze eer en glorie waren echter maar van korte duur. Begin december was de situatie van de prinses zo kritiek dat Aldegonde besloot nog even te wachten met Balthazars nieuwe kledij op te sturen. Het zou wel eens goed kunnen dat hij een rouwpak nodig zou hebben.[246] De prinses stierf op 16 december na de bevalling van een doodgeboren kind.[247] Het was een groot en onherstelbaar verlies, volgens Aldegonde. Ze hoopte dat de prins de moed niet zou verliezen en zich zou kunnen neerleggen bij deze beslissing van God. Hopelijk verhinderde dit verlies hem niet om de strijd tegen Pruisen onverminderd verder te zetten. Het zou immers niet verstandig zijn de koning van Pruisen op dit moment een adempauze te geven.[248]

 

Van op het thuisfront had Aldegonde ook niet veel goed nieuws te melden, behalve dan de zwangerschap van haar dochter Fransisca Elisabeth Mozzoni de Frosconi. Die woonde echter in Italië en zou haar geplande reis naar Antwerpen niet kunnen maken door de oorlog.[249] De kinderen van het gezin Labistrate-Proli hadden allen de pokken. Ze waren er gelukkig niet erg ziek van, maar dat maakte het wel heel moeilijk om ze in hun kamers te houden.[250] Aldegonde sukkelde ook met haar eigen gezondheid. Dokter Van Zuiten had haar aangeraden om een beetje meer beweging te nemen.[251] Alleen kon ze niet zo ver gaan nu men al paspoorten nodig had om zich buiten de stadspoorten te begeven.[252]

 

Aldegonde’s gezondheidsproblemen waren waarschijnlijk te verklaren door de vele zorgen die ze in deze periode had. Het bank- en financiewezen lag nagenoeg stil. Ook de handel verliep niet naar wensen. Ze hoopte nog een beetje winst te halen uit haar aandelen in de Zweedse compagnie, één van hun boten was immers aangekomen in Göteborg. Het zou een mooie compensatie bieden voor al het slechte nieuws.[253] Iets anders waar ze zich sterk in kon opboeien waren de processen waarin ze verwikkeld was. Het onrecht waar ze het slachtoffer van was maakte haar ongelooflijk kwaad.[254]

 

Nog een bron van ergernis vormde de opmars van de Nettines, die natuurlijk gepaard ging met een verlies van het financiële en politieke vermogen van de Proli’s. De bank Nettine was wel bereid geweest om de regering grote sommen te lenen in deze troebele tijden. Als beloning werden zij nu de grootste particuliere staatskassier van de Oostenrijkse regering. Aldegonde besefte maar al te goed dat het aantal partizanen van de Nettines in de regeringsraden sterk toenam.[255] Tot overmaat van ramp zorgde deze machtswissel voor de nodige verwarring. De Nobili had immers van de gelegenheid gebruik gemaakt om de valse roddel te verspreiden dat Balthazar zijn ambt als ontvanger generaal had verloren.[256] Zelfs Andrioli was erin getrapt. Balthazar had er goed aan gedaan deze man op de hoogte te stellen van de huichelarij van de Nobili. Aldegonde droeg Balthazar op om niets te laten merken als hij deze opschepper moest zien, dat zou hem een te grote eer zijn. Zijn praatjes waren immers te doorzichtig, de leugens te tastbaar. Hij zou er zelf de schande van moeten ondergaan.[257]

 

Ook met het gebedel van de prinsen van Salm-Salm was Aldegonde niet gediend.[258] De Proli’s deden al jaren hun financiën, maar de prinsen ontpopten zich tot echte wanbetalers.[259] Vooral in tijden als deze had moeder Proli schrik om haar geld nooit meer terug te zien. Ze had al raad gevraagd aan Mr. Wellens. Dat vond ze echter nog niet voldoende want Balthazar moest ook eens polsen bij zijn professor Vitrianus. Met zulke grote heren moest men grondige maatregelen nemen![260] Vitrianus raadde haar aan om hem alleen geld te geven met zijn gages of wisselbrieven als onderpand. Die raad zou ze opvolgen. Weeklagend schreef ze aan haar zoon hoe moeilijk het manoeuvreren was in het sociale mijnveld dat de hoogste regionen van de Zuid-Nederlandse samenleving was.

c’est une chose facheuse pour moy de me trouver toujours sollicittée par des grands dont il est difficille et mesme impossible de se debarasser." [261]

 

Aldegonde’s brieven van ellende werden echter ook regelmatig doorspekt met de nodige roddelpraatjes. Zo kon Balthazar wellicht enig leedvermaak bespeuren in haar relaas over de arme Mr. de Neuf. Deze heer had immers moeten trouwen met juffrouw de Brouchem. Hun huwelijk werd echter uitgesteld toen er een concurrent op de proppen kwam. Het ging hier om een Fransman die beweerde dat Mademoiselle de Brouchem hem een huwelijksbelofte had gedaan. Deze man van grote kwaliteit maar met een kleine beurs eiste nu een financiële vergoeding.[262] De promoties van Capon en de graaf de Fonseca tot raadgevers van de staat vervulden haar met blijdschap.[263] Alleen het gerucht dat de Fonseca in de Raad van Financiën zou worden opgevolgd door de Nobili zinde haar niet. Had Balthazar ook al het praatje gehoord dat de Nobili getrouwd zou zijn met de burggravin Patin?[264] Uit Brussel werd dit alvast bevestigd. De dame in kwestie zou er lopen te pronken met de dure juwelen die de Nobili haar cadeau had gedaan. Dat de Nobili burggraaf zou worden en de functie van raadgever van de domeinen en financiën van hare majesteit zou krijgen, deed Aldegonde duizelen. Ze was in de waan dat ze de geschiedenis van Don Quichotte aan het lezen was! [265] Balthazar had echter de verklaring voor handen de Nobili was de beschermeling van de Arenbergs. Aldegonde’s verbazing smolt dan ook als sneeuw voor de zon.[266]

 

 

2.3. Aken

 

Na Aldegonde’s nieuwjaarswensen op 31 december 1744 laten de archieven ons weer in de steek.[267] De volgende bewaarde brief voert ons onmiddellijk naar mei 1746. We hebben er het raden naar of Balthazar ooit een diploma behaalde in Leiden. De kans is echter groot dat het steeds toenemende oorlogsgeweld daar een stokje heeft voorgestoken. Balthazar keerde evenwel niet terug naar huis om te schuilen voor het wapengekletter. In 1746 dreef hij verder en verder weg uit Aldegonde’s gezichtsveld.

 

In het zog van het leger

 

In mei 1746 bevond Balthazar zich in Bergen op Zoom, vanwaar hij via Dort naar Aken zou reizen. Het was een vreselijke reis, zo schreef hij zijn moeder.[268] Zijn reisgezel Capon schreef echter dat Balthazar alle ontberingen moedig had doorstaan.[269] Balthazar zou nog veel moed nodig hebben want deze reis was slechts de eerste van vele omzwervingen.[270] Gelukkig kon hij regelmatig naar Aken terugkeren –waar ook de regering in ballingschap zich bevond –om een beetje uit te rusten van al die beproevingen. [271]

 

Maakte Balthazar zijn andere reizen ook in het gezelschap van Mr. Capon? Vermoedelijk wel, de brieven geven hierover echter geen uitsluitsel. De twee deden immers ‘geheime missies’ voor de Oostenrijkse regering. Aldegonde was uiterst voorzichtig met de identiteit van haar zoons kompaan. Ze sprak hem enkel aan met “nôtre amy” of “vôtre compagnon”. Wanneer enkele van haar brieven verloren gingen maakte ze daar heel wat drukte om.[272]

 

Geheime missies zijn zelden zonder gevaar. Hoewel Aldegonde meermaals haar vertrouwen in “nôtre amy” bevestigde vroeg ze haar zoon toch om zoveel mogelijk te schrijven.[273] De nieuwswaarde van zijn brieven moest niet al te hoog zijn, ze dienden eerder als proof of life en moesten haar enige gemoedsrust gunnen.[274] Als hij geen tijd had om te schrijven moest Joseph, zijn trouwe bediende, dat maar doen. Zij wist immers niet altijd waar hij zich bevond en kon hem dus niet bereiken. Daarenboven was het postverkeer zwaar verstoord door de oorlogsomstandigheden. Vooral grotere pakjes werden vaak onderschept en geld opsturen was nu helemaal een te groot risico.[275] Als Balthazar geld nodig had moest hij daarom maar wat lenen bij zijn kompaan. Aldegonde zou “nôtre amy” dan zo snel mogelijk –via een wissel- trachten terug te betalen. Zelfs in moeilijke tijden als de deze, moesten haar zoon en zijn bediende er presentabel uitzien![276]

 

Men kan zich natuurlijk afvragen waarom Balthazar zich al deze ontberingen liet welgevallen. Klaarblijkelijk stelde Balthazar zichzelf die vraag ook wel eens. Zijn moeder sprak hem dan moed in om vol te houden en om zich de resultaten op lange termijn in het hoofd te prenten. Al deze ontberingen en deze grote kosten zouden in de toekomst immers beloond worden. Balthazar had nu een unieke kans om zijn sociaal en symbolisch kapitaal duchtig uit te breiden.

“Il est certain qu’il ni a guere d’agrément à faire la caravanne que vous faittes mais comme vous savez les raisons qu’on a eu pour cela il faut à present se contenter et se guarantir sur tout ces facheux evenements, ce que j’espère en Dieu."[277]

 

“je ne regretterai pas vôtre depence si vous serez faire honneur puisqu’en ce cas j’ose me flatter que vous en retirez quelqu’avantage dans la suitte.”[278]

 

Vooral zijn kompaan zou hem in de toekomst nog van dienst kunnen zijn, een toekomst die al wel eens erg nabij kon zijn. De twee dienstjaren van zijn collega Van Overstraeten zaten er immers bijna op. Aldegonde riep Rima terug van zijn reis zodat hij haar zoon zou kunnen bijstaan wanneer deze zijn ambt zou opnemen.[279]

“tout ce que je vous recomande c’est de bien cultiver l’amitiez de nôtre amy car vous ne sauriez assé être persuadé combien vous en aurez besoin dans la suitte je suis bien charmée de remarquer par les lettres qu’il m’écrit qu’il paroit content de vous”[280]

 

Balthazar liep echter nog andere illustere heerschappen tegen het lijf. Zijn moeder drukte hem op het hart om één ieder van hen met respect en beleefdheid te benaderen.[281] Die heren konden immers zorgen voor zijn toegangsticket tot de tafel van de prins Karel van Lotharingen en de generaals. Aldegonde schreef hiertoe enkele aanbevelingsbrieven ten behoeve van haar zoon.[282] Haar moeite werd beloond en Balthazar mocht onder meer tafelen met de prins en generaal Batthyàny.[283]

 

De eer die uit zulke gelegenheden te halen viel deden al Aldegonde’s weeklachten smelten als sneeuw voor de zon. Aan alles is echter een keerzijde. Het risico dat men schande over zich zou halen was zeker zo groot als de kansen die men had om zich wat eer te winnen. Moeder Proli wees haar zoon daarom streng terecht toen zij hoorde van zijn geflirt in Luik.[284] Gelukkig had Balthazar zich uit deze –niet nader omschreven - netelige situatie weten te redden. Aldegonde zou het echter niet licht vergeten en ze waarschuwde haar zoon dat hij bij zijn thuiskomst meer tekst en uitleg mocht verwachten.[285]

 

Aldegonde’s wanhoop over de uitblijvende vrede[286] had veel te maken met haar gevoel dat ze de controle over haar zoon aan het verliezen was. Wat kon hij allemaal wel niet uitsteken in een lange saaie winter in het verre Aken?[287] Ze had hem zoveel liever bij haar gehad. Ze hadden elkaar immers zoveel te vertellen.[288]

 

Nieuws van het (thuis)front bis

 

Aldegonde had echter nog meer zorgen aan haar hoofd. Zij moest het hoofd boven water houden in het bezette Antwerpen en dit liefst op de meest gracieuze manier mogelijk![289] Dit hield in dat ze niet alleen haar goederen moest beschermen maar ook haar status moest vrijwaren. Daarnaast liepen de zaken –hoewel stroef – gewoon verder en had zij een grote familie om te orchestreren.

 

Een eerste probleem stelde zich met de kwestie van het inkwartieren van soldaten. Het sprak voor zich dat een dame van haar stand niet zomaar wat plebs kon inkwartieren. Indien zij toch een gast moest ontvangen had ze er liefst één van hoge militaire rang zoals Van Brouchem en Geelhandt er elk één hadden.[290] In plaats van een graaf of een familielid van de pretendent kreeg ze echter een commissaris, Mr. De Valicourt. Ze was niet meteen dolenthousiast over zijn rang, maar het was een eerlijke man.[291] Haar dochter de Labistrate had veel meer problemen met haar gast. De man was dodelijk ziek[292] en omdat de pokken besmettelijk waren was heel het gezin terug het ouderlijke huis ingetrokken. Een tweede inkwartiering zag Aldegonde niet echt zitten. Er gingen echter geruchten dat in de winter van 1746-1747 maar liefst veertigduizend man in Antwerpen ondergebracht zou worden. Ze was vastberaden om daar iets op te vinden!

“si cela arrive j’auroi besoin de tout mon credit pour exemter nos deux familles de loger.” [293] 

 

Een andere zorg vormden haar landerijen. Kasteeltjes en hoven van plaisantie waren immers geliefde verblijfplaatsen van het leger dat er dan ook lustig plunderde! Vooral Wespelaar leek zwaar getroffen. Op 12 juni 1746 schreef ze Balthazar dat de graaf van Clermont de Galerande en de baron van Harcourt er een ware ravage hadden aangericht.[294] Op twee dagen tijd hadden ze er maar liefst vijfduizend halfhouten doorgejaagd.[295]  Na hen trok ook de graaf van Saksen in hun buitenverblijf, een man met een zeer kwalijke reputatie.[296] Ze zou haar zoon Charles er naar toe sturen om de schade op te meten. De jongeman had een aanbevelingsbrief van de graaf d’Hérouville bij om ergere schade te voorkomen.[297] Aldegonde verwachtte het allerergste want haar dochter had haar met de nodige dramatiek een beeld geschept alsof het ging om de vernietiging van Jeruzalem. Aldegonde moest haar woede verbijten.

“Voilà en peu de jours détruit ce qu’on a fait avec beaucoup de peines et de depences en dix ans”[298]

 

Charles meldde bij zijn terugkeer dat de schade echter nog meeviel in vergelijking met anderen. De schade was weliswaar groot maar volledig herstelbaar. Alleen jammer dat de plunderaars een souvenir hadden willen meenemen in de vorm van vier schilderijen. Het portret van de kanunnik Bolstein, het portret van Mevrouw Van der Laen die zo erg leek op Aldegonde’s dochter Stampa en twee doeken met de maîtresses van Louis XIV werden uit hun kaders gesneden.[299] Aldegonde wist echter dat ze er nog goedkoop van af was gekomen en ze hield haar hart vast voor de abdij van het Park te Leuven, de volgende halte van de graaf van Saksen.[300] Gelukkig maar dat er in Berchem geen Fransen huisden. De Zwitserse generaal daar, had haar gezegd dat de tuin veel te mooi was om er zomaar in te gaan rommelen. Hij hield zijn belofte want de artilleriekapitein die er verbleef met zijn manschappen had er nog geen blaadje van aangeraakt.[301]

 

Het mocht wel duidelijk zijn dat Aldegonde een hand boven haar hoofd had. Die hand werd vertegenwoordigd door de persoon van de graaf d’Hérouville, Luitenant generaal van het Franse koninklijke leger. Deze man hielp Aldegonde niet alleen bij de bescherming van haar gronden, hij behoedde haar ook voor de lasten van de inkwartieringsplicht. Daarnaast verschafte hij haar de nodige paspoorten en aanbevelingsbrieven en hield hij haar persoonlijk op de hoogte van het oorlogsnieuws.[302] Waarom een Frans luitenant generaal zo vriendelijk was tegen de overduidelijk Oostenrijks gezinde Aldegonde de Proli is ons niet geheel duidelijk. Ook toen fronste men enkele wenkbrauwen. Het is niet verwonderlijk dat er al snel geruchten de ronde gingen. De weduwe bracht haar zoon hiervan op de hoogte zodat hij zich een gepaste houding kon aanmeten.

je vois que quelques personnes se sont donneees la peine d’écrire la où vous etes que le comte d’hérouville se plait chez moi plus qu’ailleurs.[...] j’entre en ce petit détail pour vous mettre un peu au fait en cas de besoin, car au reste j’irai mon train comme j’ai toujours fait et je m’ambarasse tres peu des discours de certains jaloux."[303]

 

Ze moesten zich er niet voor schamen, ze hadden immers voldoende verweer. Want waar ligt de schande in een heer zoals de graaf de ontvangst te geven die hij verdiende? Daarenboven had zij met haar hoffelijkheden niet alleen zichzelf begunstigd.[304] Waarom vonden enkele jaloerse vijanden het nodig om dat in gevaar te brengen met onvoorzichtige uitspraken? Zo had men de graaf zonder omwegen gevraagd waarom hij zoveel vertrouwen had in iemand die zo trouw was aan het Habsburgse huis. De graaf had die persoon echter zelf terug op zijn plaats gezet door te antwoorden dat hij daar door Aldegonde zelf van op de hoogte was gebracht en dat net daarin één van de redenen lag dat hij haar graag plezierde.[305]

 

Ze zou er zich verder niet meer te druk in maken. D’Hérouville zou immers snel vervangen worden. Dat zou een groot verlies zijn, niet alleen voor haar eigen familie maar voor de hele stad. D’Hérouville had immers oog gehad voor groot en klein.

«c’est un tres brave seigneur rendant justice et écoutant jusqu’au moindre artisan avec beacuoup d’humanité et de courtez.» [306]

 

Aldegonde was echter niet van plan om lang over zijn vertrek te treuren. Ze moest zorgen dat ze ook in de gratie van d’Hérouville’s opvolger de graaf Clermont de Galerande zou vallen. Het was immers van levensbelang om in situaties als de deze de nodige bescherming te krijgen.[307] De laatste dienst die d’Hérouville haar daarom kon bewijzen was haar en haar familie voor te stellen aan zijn opvolger.[308] Aldegonde kon het ijs al snel breken. De graaf bleek immers nauw bevriend met de grote Engelse families. Hij kende natuurlijk ook de Norfolks. Vol trots meldde Aldegonde dat haar veel betreurde zoon getrouwd was geweest met de zus van de hertogin. Aan haar nieuwe chef de famille schreef ze vol opluchting dat het welzijn van haar familie verder verzekerd zou worden.

«enfin je crois que celui ci aura les mêmes égards pour moi et ma famille que le precedent»[309]

 

Het feit dat Aldegonde meeheulde met de vijand bleek helemaal geen probleem te vormen. Een dame van stand liet zich immers alleen maar in met andere dames en heren van stand. Uit welk kamp deze laatste kwamen maakte weinig verschil. Als ze ook nog enig voordeel uit haar relaties wilde halen kon ze ook maar beter met de Fransen optrekken. Haar eigen vrienden boden haar namelijk geen hulp. Aldegonde kon zich daar boos in maken. Waarschijnlijk omdat ze wel besefte dat niet al haar vrienden onkunde konden aanhalen als excuus, bij sommigen ging het louter om onwil!

«il est tres chagrinnant pour moi de trouver si peu de retour en des gens a qui j’ai toujours tachez de faire plaisir.»[310]

 

Bij zulke dingen bleef moeder Proli echter niet te lang stilstaan. Haar sociale leven kabbelde immers rustig verder. Alleen ontving ze nu met veel égards de Franse ambassadeur[311] en dineerde ze met de graaf d’Hérouville en een jonge Milanese graaf en zijn vrouw, die samen 36 jaar van de fijnste adel en grootste rijkdom van hun land vertegenwoordigen. [312] Ook de aanwezigheid van de Franse vorst ging niet onopgemerkt voorbij. Aldegonde merkte op dat deze koning sprekend leek op haar schoonzoon de Labistrate.[313] Met de hele familie gingen ze kijken naar het diner van de koning en naar de processie waarin hij zou meelopen.[314] Aldegonde was tevreden dat ze dit had mogen aanschouwen. Zoiets had men nog nooit gezien in deze stad en men zou het er de volgende eeuwen waarschijnlijk ook niet meer zien. De vorst bleek een zeer devote man. Dat beviel haar wel, alle groten op aarde zouden er immers goed aan doen God te volgen.[315]

 

Dit was niet de eerste keer en noch zou het de laatste zijn dat Aldegonde God aanriep in haar brieven. Ze bad immers dagelijks voor de vrede opdat alle ellende voor groot en klein zou ophouden. De economie van de Zuidelijke Nederlanden lag immers stil. Lonen werden niet meer uitbetaald, renten en pachten noodzakelijkerwijs uitgesteld. Alleen families met een aanzienlijk kapitaal konden deze periode overbruggen.[316] En natuurlijk waren er altijd enkelingen die wisten te profiteren van schrijnende situaties als deze. Zo had ze gehoord dat De Nobili lustig Oostenrijks geld opsoupeerde in Den Haag.[317]

 

Een ander ongemak van de oorlog maakte echter geen onderscheid tussen de sociale klassen. Iedereen kon getroffen worden door de epidemieën die overal op de loer lagen. Er waren veel sterfgevallen. Om sommige werd echter niet zo erg getreurd. Zo vond Aldegonde de dood van de Spaanse koning alleen maar een goede zaak. Het zou misschien de vrede kunnen bevorderen. Andere sterfgevallen waren echter hoogst onrechtvaardig. De dood van de negentienjarige zoon van Mr. de Havre herinnerde haar ongetwijfeld aan de dood van Jean-Jacques. Een mooie toekomst was zomaar verdwenen ten gevolge van dysenterie.[318] Ook de Proli’s zelf ontsnapten niet aan ziekte en dood. De pokken bleven een plaag in het huis van de Labistrate’s.[319] Op 29 november 1746 bezweek hun oudste dochter. Aldegonde vertelde Balthazar hoe zwaar de ouders het hadden en ook zij had het er moeilijk mee. Ze troostte zich met de gedachte dat het meisje nu een engeltje in het paradijs was.[320]

 

Het ergste leed was echter nog niet geleden. In het najaar van 1746 sprak men immers niet meer over vrede doch slechts over het opvoeren van het troepenaantal.[321] Antwerpen moest in de winter van 1746-1747 tussen de 1500 en 8000 soldaten huisvesten.[322] Men moest zich dus aanpassen aan situaties die men niet gewoon was![323]

 

 

Hoofdstuk 3: Balthazar ‘den stouten jong’  [324]

 

3.1. Onder Aldegonde’s vleugels

 

In 1746 stond de vierentwintigjarige Balthazar op een keerpunt in zijn leven. Alles waar zijn moeder naar toe had gewerkt zou nu verwezenlijkt worden. Het financiële, sociale en culturele kapitaal dat Aldegonde had geïnvesteerd in haar zoon moest nu getransformeerd worden naar politiek kapitaal. Hij zou immers snel zijn ambt als ontvanger-generaal van de Nederlanden kunnen opnemen. Een ambt dat hem niet alleen meer prestige zou opbrengen, maar hem ook een solide financiële basis zou verschaffen. Balthazar zou dan bovendien zijn intrede kunnen doen op de huwelijksmarkt als begeerlijke vrijgezel. Aldegonde was waarschijnlijk op zoek naar een welopgevoed meisje uit een respectabele ambtsadellijke familie. De Proli’s behoorden immers nog geen twintig jaar tot de adel, enkele adellijke kwartieren om die positie te versterken waren daarom meer dan welkom. De grote afstand tussen moeder en zoon maakte het echter heel moeilijk om zulk een delicate ‘onderneming’ te orchestreren. Aldegonde voelde hoe haar oudste zoon aan haar controle begon te ontsnappen. Had zijn lange afwezigheid ervoor gezorgd dat Balthazar zijn verantwoordelijkheden als chef de famille was vergeten?

 

Winterstop

 

Balthazar bevond zich in november 1746 ten gevolge van het oorlogsgeweld nog steeds in Aken. In het winterseizoen was er echter niet veel te beleven op het slagveld. Balthazar kon eindelijk uitrusten van de vele reizen die hij had gemaakt met zijn kompaan – alias Capon. Die rust gaf hem de tijd om enkele zaken op orde te stellen. Aldegonde vond het absoluut noodzakelijk dat een zekere Kerens bedankt zou worden. Hij had Balthazar immers logies verschaft in Maastricht. Moeder Proli wilde echter nog weten of hij er ook had mogen eten. Die informatie was noodzakelijk om af te wegen welk cadeau gepast was.[325] Aldegonde dacht er eerst nog aan om de man wat chocola –natuurlijk van de beste kwaliteit [326] - te sturen, maar ze bedacht zich uiteindelijk en stuurde kant op voor mevrouw Kerens. [327] Uiteraard had ze haar zoon eerst gevraagd naar de leeftijd en stijl van deze dame. Zelfs kant had zijn eigen taal en codes.[328]

 

De rest van de winter had Balthazar vrij om het ‘niets doen’ tot een kunst te verheffen en dat in een fantastisch gezelschap. De hele regering en haar entourage bevond zich immers in Aken. Balthazar kreeg hierdoor de gedroomde kans om enkele zeer machtige personen aan zich te binden en zo een sterk netwerk uit te bouwen. Aldegonde zou hem ook hierin weer bijstaan, ze schreef even regelmatig en gedetailleerd als altijd. Ze stuurde hem chocola en thee zodat hij zijn gasten iets kon aanbieden. Daarnaast kreeg hij ook de opdracht om mevrouw Crumpipen haar groeten over te brengen. Misschien liep hij daarbij wel meneer Crumpipen, de secretaris van Staat en Oorlog, tegen het lijf.[329] Balthazar leek echter niet langer geïnteresseerd in Aldegonde’s raadgevingen. Hij was immers niet meer zo ijverig in het beantwoorden van haar brieven. Aldegonde kon zulke nalatigheid helemaal niet appreciëren.

“je m’etonne que n’aiant autre occupation que celle de vous diverter vous avez si peu d’attention a m’écrire.»[330]

 

Een nieuw jaar, een nieuw begin

 

Bij de aanvang van het nieuwe jaar zag Aldegonde een gelegenheid om haar zoon nog eens met de neus op de feiten te drukken. Als oudste zoon had hij immers een grote verantwoordelijkheid te dragen. Het komende jaar zou cruciaal blijken op verschillende vlakken. Nu moest zijn reputatie gevestigd worden. Goed begonnen is immers half gewonnen.

“Je vous souhaitte tout ce qu’une mere veut de bien à son enfant et sur tout à vous qui deuvez selon le droit de la nature signifier quelque chose dans le monde. L’année ou nous vennons d’entrer est importante pour vous par plusieurs endroits, vous comprendrez ce que je veut dire sans autre explications. Tachez de vous faire honneur et de donner une bonne idee, tout depend souvent d’un bon commencement.»[331]

Vanaf het begin traden er echter moeilijkheden op bij de benoeming van Balthazar. Men eiste blijkbaar een extra onderpand. Aldegonde wist niet zeker of dat geoorloofd was maar ze zou geen moeilijkheden maken want dat zou alleen de reputatie van haar zoon schaden. Ze was er overigens zeer van overtuigd dat haar zoon niet zou falen, ze achtte de waarborg dus veilig. Balthazar werd immers gesteund door Capon.[332] Hij had deze man weken lang vergezeld op zijn missies. De ontberingen die hij had moeten doorstaan en de kosten die moeder Proli had moeten maken werden nu terugbetaald. Capon was – door zijn functie in de Raad van Financiën - immers een machtige bondgenoot. Alleen liet zijn karakter wel eens te wensen over.[333] Balthazar had er daarom ook enkele vijanden bij gekregen. Hij moest zich niettemin ook tegenover die mensen soepel en beleefd opstellen en ze vooral geen redenen geven om hem te dwarsbomen. Moest er toch iets voorvallen dan zou Aldegonde haar connecties in Wenen aanspreken.[334]

 

Aldegonde had nooit gedacht zulke extreme stappen te moeten nemen maar de problemen bleven aanhouden. Haar vijanden bleven redenen vinden om Balthazars benoeming uit te stellen en intussen werd er natuurlijk flink geroddeld. Vooral dat laatste stoorde Aldegonde mateloos. Gelukkig luisterde een man zoals de graaf von Harrach niet naar zulke praatjes.[335] Deze oude bekende zou ze immers moeten inschakelen als Capon de situatie niet aankon.[336] Ze had al enkele briefontwerpen klaar en ze was bezig met het nodige geld bijeen te krijgen.[337] Dat geld zou haar van pas komen. De raad die was samengekomen over deze zaak besliste op 6 maart 1747 dat Balthazar toegelaten zou worden tot de ambtseed mits betaling van een waarborg van 60 000 gulden. [338] Aldegonde voelde zich aangetast in haar eer zowel als in haar beurs.[339] Ze wou echter niet klagen, alles was goed afgelopen. Ze zouden hiervoor nog iemand moeten bedanken, maar dat zou ze haar zoon pas haarfijn uitleggen als hij weer thuis kwam. [340]

 

Aan Aldegonde’s zorgen kwam echter geen einde. Haar vijanden hadden met een of andere spitsvondigheid toch kunnen verhinderen dat haar zoon zijn ambt kon aanvangen. Aldegonde’s eer was in het spel en ze zou dus niet opgeven. [341] Haar vijanden wonnen ondertussen wel veel tijd, tijd waarin praatjes alleen maar verder aangedikt werden.

«au surplus ses lettres me causent un chagrin extreme car je remarque qu’on parle de vous dans l’endroit en question comme d’un garnement.» [342]

 

Het was tijd om crisisberaad te houden. Balthazar zou na Wespelaar bezocht te hebben naar Antwerpen komen waar ze dan samen met Rima konden bespreken welke maatregelen getroffen moesten worden.[343] Rima had de moed echter verloren en deelde Aldegonde mee dat hij niet langer bereid was om Balthazar bij te staan in zijn ambt.[344] Aldegonde was razend toen ze vernam dat Balthazars –niet nader beschreven- gedrag hiertoe de oorzaak was. Hoe had hij dit alles voor haar verborgen kunnen houden? Aldegonde wist geen raad meer. Haar zoon had niet de ervaring om de staatskas zelfstandig te beheren. Hoe schandelijk ook, ze zou alles nu nog liever afblazen om grotere rampen te voorkomen. Voor het eerst in meer dan zes jaar tijd ondertekende ze haar brief met “votre desolléé mere Proli”[345]

 

Net zoals de meeste moeders kon ook Aldegonde niet lang kwaad blijven. Dat had ook weinig zin. Ze had toch niet zoveel geïnvesteerd om bij de eerste tegenslag alles op te geven? Balthazar beloofde om in de toekomst niet meer van het rechte pad af te wijken. Hoewel Aldegonde hem graag wou geloven, was ze eerder sceptisch en drukte hem nogmaals op het hart dat zijn geluk en welslagen volledig van zijn gedrag afhingen. Het was nu echter vooral belangrijk dat ze ook Thomas Rima van Balthazars inkeer kon overtuigen.[346] Daarna moest ze de moeilijke taak aanvatten om de rest van de wereld te overtuigen van haar zoons kwaliteiten.

“tout ce que je vous recomande c’est que votre conduite soit entièrement oppossée à la précédente de façon que tout ceux qui ont seu ce qui c’est passé voient que vous vous répentez sinsèrement de vos désordres, qui me font bien soupirer et me causent un grand dérangement dans mes affaires, que je suis mesme encore tres ambarassé comment m’en tirer.”[347]

 

Een ongeluk kwam blijkbaar nooit alleen. Op 16 april 1747 stierf Ludwina Judith Catharina de Proli. Aldegonde schreef haar zoon hoe het vrome begijntje had gevraagd om een zeer armtierige begrafenis. Aldegonde had getracht om haar dochters laatste wens te verwezenlijken zonder de status van haar familie te ondergraven. Armtierig was de begrafenis daarom niet, maar toch minder pompeus dan de gewoonte was.[348]

 

Het verdriet om haar overleden dochter moest in de daaropvolgende weken vaak plaats ruimen voor de zorgen om haar oudste zoons benoeming. Aldegonde moest ervoor zorgen dat al haar inspanningen en vooral al haar onkosten niet voor niets waren geweest. Balthazar zou kost wat kost ontvanger-generaal worden. Ze schakelde hiervoor Crumpipen in en ook de graaf von Harrach deed weer zijn duit in het zakje.[349] Balthazars zaak zou in arbitrage voorkomen.[350] Aldegonde leek veel vertrouwen te hebben in de rechtsgang. Haar zoon vertrouwde ze echter iets minder, zeker wanneer deze zou terugkeren naar Aken. Ze gaf hem een flinke waarschuwing mee om niet te hervallen in zijn oude gewoonten. Ze vreesde echter het ergste. Balthazars laatste brief dateerde al weer van 23 juni. Ze bad hem om toch niet zo nalatig te zijn.

“Je suis sensiblement touchez mon cher fils de ce que vous deuvez de nouveau vous éloginer et sur tout à Aix [la Chapelle]. Lieu où vous êtes attirées tout ces désagrements quoy que j’espère que ces fatalitées vous rendrons d’autant pas circonspect et que vous témoignerez à tout ceux qui vous gueterons de pres que vous êtes totallement revenu de vos précédentes folies. Attachez vous à des gens d’honneur et de distinction et soiez avec eux souple et prevenant c’est le moien d’éffacer l’impression que leur a fait ce qui a precede, il y va de votre honneur pour toutte la vie et ce qui est plus de votre salut."[351]

 

Uiteindelijk kwam het tot een tussenkomst van de keizerin. Die had generaal Batthyàny om een rapport over deze zaak gevraagd. Daarin beklaagde de generaal zich over de partijdigheid van onder andere Capon. Zijn tegenstrubbelingen hadden echter weinig effect. Maria-Theresia beval op 26 juli 1747 dat de jongeheer Proli echter onmiddellijk toegelaten moest worden tot de uitoefening van zijn ambt.[352] Aldegonde had haar vijanden dus overwonnen. Ze moest nu alleen haar zoons eigen willetje zien te overwinnen. Ze trachtte daarom nogmaals om hem te wijzen op zijn belangrijke positie als chef de famille. Hij moest het voorbeeld van zijn vader trachten te volgen. Pietro was immers altijd vriendelijk, beleefd en nederig en hij kende zijn vrienden. Balthazar kon nu bewijzen dat hij een waardige opvolger van zijn vader was. Hij zou hiermee niet alleen zijn eigen geluk, maar ook dat van zijn moeder garanderen. Het welslagen van haar zoon zou haar dagen zeker verlengen.[353]

 

Moeder Proli hield echter het hart vast.[354] Haar zoon liet weer zeer weinig van zich horen.[355] Het leek alsof ze tegen muren stond te schreeuwen. Niettemin hield ze hardnekkig vol en kondigde onder andere de komst van baron van Kessel aan.[356] Balthazar moest deze man zonder fout de nodige diensten en hoffelijkheden bewijzen. Tot groot genoegen van zijn moeder antwoordde Balthazar uiteindelijk toch. Hij verzekerde zijn moeder nogmaals van zijn goed gedrag en lichtte haar in over zijn eerste werkdagen.[357]

 

Balthazar deed echter alleen maar loze beloften die niet weerspiegeld werden in zijn gedrag. Maar deze keer zou hij zulke dingen niet meer verborgen kunnen houden. De achterdochtige Aldegonde had immers haar spionnen uitgezet. Eén van hen deelde ongetwijfeld mee dat Balthazar hervallen was in zijn oude gewoonten. Moeder Proli was niet langer bereid alles met de mantel der liefde toe te dekken. Wat ze precies schreef aan haar zoon is ons onbekend. Het moge echter wel duidelijk zijn dat de brief een stevig ultimatum bevatte. Dat kunnen we immers afleiden uit Balthazars brief aan Marie-Jeanne von Clotz. Hij schreef haar hoe hij helemaal van stuk was gebracht door de brief die hij vond bij zijn terugkeer op zijn kamer. Geen wonder, Aldegonde dreigde er immers mee hem te verstoten als hij op de ingeslagen weg zou doorgaan. Ze was verbouwereerd dat haar zoon zijn familie zo in de steek liet. Een ware chef de famille gedroeg zich heel anders.

“ La personne en question pris la chose sur un tout autre pied que je ne me l’étois imaginé, on est outré, dit-on, de ma façon d’agir: on voit que je veux me perdre entièrement, et cela ne fait que rappeller la mémoire de tous mes écarts passés. Enfin on se plaint que je ne fais que causer de violens chagrins et qu’on craint qu’on ne soit enfin obligé de se resoudre à m’abandonner tout à fait à moi même."[358]

 

Moeder en zoon zouden nog geruime tijd op gespannen voet leven. Hun correspondentie stond op een laag pitje en was waarschijnlijk van een dergelijke aard dat ze niet geschikt werd geacht om te bewaren. Gelukkig is de periode tussen 29 augustus 1747 en 30 september 1748 te overbruggen met de correspondentie tussen Balthazar en Marie-Jeanne von Clotz.[359] De tussenkomst van deze dame was niet geheel vreemd was aan de gespannen situatie.

 

 

3.2. In Marie-Jeanne’s armen

 

Marie-Jeanne von Clotz (1728- ?) was de oudste dochter van Johan Berthold von Clotz (? – 1752) en zijn vrouw Maria Dormans. Het gezin Clotz-Dormans woonde in het kasteel Strijthagen. [360]  Dit domein was in 1691 aangekocht door Johan Bertholds vader, een koopman die had besloten op stand te gaan leven.[361] Bij zijn nieuwe woning paste ook een nieuwe naam; voortaan wenste hij aangesproken te worden als Mathias von Clotz. Of dit adellijke predikaat ook vergezeld ging van een officiële titel is ons niet helemaal duidelijk.[362]

 

De familie Clotz was geen onbekende voor de Proli’s. In de literatuur wordt immers aangenomen dat Marie-Jeanne een achternichtje was van Paul-Jacques de Cloots, baron van Schilde, een oude bekende uit Pietro Proli’s tijd bij de Oostendse Compagnie.[363] Het is echter onwaarschijnlijk dat de contacten tussen Balthazar en Marie-Jeanne tot stand kwamen op aanraden van Aldegonde. Ramakers achtte het waarschijnlijker dat één van Balthazars medestudenten, Mathias Jozef von Clotz, het tweetal aan elkaar voorstelde. De briefwisseling kan die hypothese echter niet bevestigen.[364]

 

De zoete oorlog van het minnen

 

Hoe de twee elkaar ook ontmoet hebben, de vonk sprong onmiddellijk over. Zelfs de boze brief van zijn moeder kon Balthazars vuur niet doven. Hij verzekerde Marie-Jeanne er immers van dat zijn moeder dan misschien wel de baas was over zijn persoon, maar niet over zijn hart. Zijn hart behoorde enkel haar toe.

“Elle a bien droit sur ma personne, mais elle n’en a aucun sur mon coeur. Celui ci est et sera toujours entièrement à vous.”[365]

 

Balthazar zou zich dus niet neerleggen bij Aldegonde’s weigerachtige houding tegenover Marie-Jeanne. Aangezien de brieven van Aldegonde ons ontbreken voor deze periode tasten we het in het duister omtrent de redenen van Aldegonde’s houding. Guyot merkte terecht op dat Marie-Jeanne vanuit een sociaal-economisch standpunt geen slechte partij zou zijn voor Balthazar.[366] Aldegonde was er echter niet de vrouw naar om vrede te nemen met een ‘niet slechte’ partij. Het moet haar ongetwijfeld gestoord hebben dat Balthazar zijn oog niet liet vallen op een dochter uit een adellijk geslacht. Het was voor de weduwe Proli echter nog veel te vroeg om zulke argumenten aan te halen. Zo ver ons bekend, was er immers nog geen sprake van een huwelijk. Het is waarschijnlijker dat Aldegonde schrik had dat haar zoon weer in zijn oude gedrag zou hervallen dat bij zovele mensen een zekere afkeer had opgewekt. Uit de brieven kunnen we immers afleiden dat Balthazar het met minstens één meisje al eens te bont had gemaakt.[367] Aldegonde was sindsdien erg op haar hoede. Daarom reageerde ze zo heftig toen Balthazars kersverse romance haar ter oren kwam. Aldegonde’s houding moet niet zo zeer gezien worden als een afwijzing van Marie-Jeanne’s persoon, wel van Balthazars gedrag. Het betaamde immers niet om er zomaar op los te flirten. Een serieuze relatie werd gekenmerkt door de betrokkenheid van de ouders. De voornaamste reden voor haar schrijven lag dan ook in Balthazars weigering om haar bij zijn leven te betrekken. Ze wilde haar zoon duidelijk maken dat hij op die manier niet ver zou komen.

 

Marie-Jeanne’s ouders waren veel minder achterdochtig. Hun dochter mocht in alle vrijheid Balthazars brieven lezen en ze beantwoorden. Haar moeder nam zelfs niet de moeite om de correspondentie te controleren. Balthazar moet ongetwijfeld een goede indruk op haar hebben gemaakt tijdens één van zijn bezoekjes.[368] Moeder Clotz zou echter niet over één nacht ijs gaan als het om de toekomst van haar dochter ging. Zij activeerde ongetwijfeld haar sociale netwerk om zoveel mogelijk te weten te komen over deze jongeman. Het is zelfs mogelijk dat vader Clotz Aldegonde contacteerde. Er stond hen dus een verrassing te wachten.

 

In tussentijd konden de tortelduifjes lustig enkele liefdesverklaringen heen en weer sturen. Balthazars hart liep zo over van liefde dat hij er de woorden niet voor kon vinden. Marie-Jeanne’s uitgebalanceerde brief deed hem vermoeden dat zij zulke problemen niet had. Hij opperde dat ze er misschien minder met haar hart dan met haar geest bij was. Daarenboven vreesde hij dat er nog andere mannen in het spel waren.[369] Dezelfde dag schreef Marie-Jeanne echter dat ze niet kon wachten tot ze elkaar weer zouden zien en zij hem haar oprechte genegenheid kon betuigen.[370] Haar gevoelens waren zelfs zo overweldigend dat ze er onwel van werd. Dat vond Balthazar dan weer te veel van het goede. Hij drukte haar op het hart zich niet zo te laten meeslepen door passie. Wat zij deelden was immers een oprechte en tedere vriendschap die veel wenselijker was dan de passionele liefde die vaak funeste gevolgen kende. De ironie wou dat hij in die zelfde brief meedeelde dat hij een beetje koortsig was en bijgevolg de volgende dag niet zou kunnen komen.

“A quoi pensez vous mademoiselle, de vous laisser abattre par le chagrin jusqu’au point que vous le faites? Ue amitié pure et tendre, telle qu’est la nôtre ne doit pas avoir les mêmes effets que l’amour passion aussi funest dans son progrès qu’elle semble aimable dans les commencemens. [...] Je viendrois en personne vous donner ces conseils, mais une très petite fièvre qui m’est survenue la nuit passée et qui pourroit bien me surprende encore me fait craindre que ce ne pourra être la journée de demain ..."[371]

 

Marie-Jeanne zou echter nog meer hartzeer te verduren krijgen. Haar ouders hadden hoogte gekregen van Balthazars situatie en hem tijdens de thee geconfronteerd met de feiten. Ze eisten in feite niets meer of niets minder van hem dan een huwelijksbelofte. Balthazar kon die echter niet geven wetende dat zijn moeder daarin niet zou toestemmen. Het gesprek liep dus op een sisser af en de volgende dag schreef Balthazar aan zijn lief dat dit zijn laatste brief zou zijn, niet omdat zijn gevoelens voor haar veranderd waren maar wel omdat men hem uit ongeduld in een moeilijke positie had gebracht. Hij veinsde beledigd te zijn dat er zo weinig waarde werd gehecht aan zijn woord. Was het hen niet duidelijk dat hij eerst orde op zaken moest stellen voor hij een huwelijksbelofte kon doen? Hij zou zich echter neerleggen bij de beslissing van moeder en vader Clotz en niet verder aandringen.[372]

 

De brief was echter niet voor Marie-Jeanne bedoeld maar wel voor haar moeder. Meer nog, Marie-Jeanne lag mee aan de basis van deze brief.[373] Het tweetal probeerde immers op zijn beurt wat meer druk op de ketel te zetten. Ze hadden gehoopt dat moeder en vader Clotz hun standpunt wat zouden afzwakken nu een perfect goede partij hen dreigde te ontsnappen. Daarenboven kon de brief ook dienen om Balthazars eigen moeder te sussen. Hij had de brief immers getoond aan Capon die hier ongetwijfeld verslag van zou uitbrengen. Capon was echter bij de pinken en sprak onmiddellijk zijn vermoeden uit dat de brief slechts geschreven was om Balthazars intrige te verdoezelen. Balthazar had enkel gereageerd door zijn schouders op te halen en te antwoorden: ‘zo de duivel, zo zijn vrienden’. Zijn moeder deelde echter Capons vermoedens en stuurde haar zoon een boze brief.[374] Ook de ouders van Marie-Jeanne lieten zich niet opjutten. Voor hen was, met deze laatste brief, de kous af.

 

De kous was echter verre van af. Marie-Jeanne, die geen problemen ondervond om haar brieven voorbij haar niets vermoedende ouders te loodsen, bleef schrijven. Ze verzekerde Balthazar dat haar gevoelens nog niet veranderd waren en ondertekende haar brieven met j:v:e:, je vous embrasse.[375] Ook Balthazar deed enkele impliciete beloften van zijn kant. Het was immers geen toeval dat hij een gesprek met één van zijn vrienden parafraseerde. Deze vriend had hem tijdens een ritje op de man af gevraagd waarom hij Marie-Jeanne niet huwde. Balthazar had gerepliceerd door de vraag om te draaien. Waarom huwde zijn vriend haar niet? Deze had hier op geantwoord dat hij de middelen niet had om haar gelukkig te maken. Balthazar dacht eerst dat haar ouders misschien toch nog geïnteresseerd waren en dat ze deze vriend hadden ingeschakeld om hem te peilen. Zijn vriend had hem echter verzekerd dat hij niet in opdracht werkte, hij was enkel bezorgd om Marie-Jeanne’s geluk.[376] Een aanzoek kunnen we dit niet onmiddellijk noemen. Het was eerder Balthazars manier om zijn lief te verzekeren dat zijn bedoelingen ernstig en oprecht waren.

 

Ook Marie-Jeanne communiceerde haar eigen gedachten op deze wijze. Op 5 oktober 1747 vertelde ze hoe haar moeder, die recentelijk ontdekt had dat het paar elkaar was blijven schrijven, haar op andere gedachten trachtte te brengen. Ze hield haar dochter voor dat Balthazar zich niet oprecht in haar kon interesseren. De voorbije gebeurtenissen hadden daar alleen maar het bewijs van geleverd. De flirtgrage Balthazar zou zich ook aan haar niet hechten. Marie-Jeanne kon niet anders dan haar gelijk geven. Waarom zou Balthazar immers stappen ondernemen? Hij was blij met de huidige situatie en meende dat de dingen zo konden blijven. Tussen de regels door had ze in deze brief echter laten verstaan dat zij niet langer op hem zou wachten indien hij haar niet meer zekerheden kon bieden.

“l’on m’a représentée avec les couleurs les plus vives combien j’étois dans l’erreur de m’imaginer qu’une personne comme vous pouvoit avoir du penchant pour moi. Apres toutes les choses qui s’étoient passé qu’il falloit que je serois encore plus bête que l’on me croiait pour penser que vous qui aviez aimé et eté aimé de plusieurs dem[oiselles] vous pouriez vous attacher solidement à moi. J’ai repondu que leurs raisonnements étoient juste et que je n’avois jamais eu ces idées et que de la façon dont vous aviez parlé l’on pouvoit bien augurer que vous ne vouliez avancer que ce que vous vous supposiez en etat de tenir."[377]

 

Deze brief werd waarschijnlijk buitengesmokkeld door één van de bedienden op Strijthagen. Moeder en vader Clotz waren immers razend en controleerden voortaan hun dochters correspondentie. Zelfs de postmeester was ingelicht over Marie-Jeanne’s ongehoorzaamheid en mocht haar brieven niet meer versturen.[378] Een beetje inventiviteit was dus vereist.

“sait que l’amitié parfaite est ingenieuse de nous faire trouver d’autres routes à nous assurer de tems en tems de sa force et de nous faire inventer des stratagèmes aux quels on ne s’atttens pas.”[379]

 

De spanningen liepen steeds hoger op en de onregelmatige en onvoorspelbare communicatiemogelijkheden deden daar hun schepje bovenop. Marie-Jeanne zette haar stille dreigement ondertussen om in de praktijk. Haar ouders probeerden haar immers af te leiden door haar voldoende andere aantrekkelijke huwelijkskandidaten voor te schotelen. Marie-Jeanne beweerde dan wel dat haar hart nog steeds bij Balthazar lag maar liet toch niet na om de feesten en de aanwezigen in alle geuren en kleuren te beschrijven. Misschien dat een beetje gezonde jaloezie Balthazar tot actie kon aanzetten.[380]

“Vous me demandez si l’auter du bal est joli et spirituel. Je vous diray qu’oui, qu’il a beacoup voiagé, qu’il raisonne joliment, le but principal et ce qui doit le flatter c’est qu’il est assez riche. Mais toutes ses qualités sont aussi indifférentes chez moi comme s’il étoit un butor"[381]

 

Marie-Jeanne’s tactiek werkte maar half. Balthazar was inderdaad stikjaloers en verdacht haar ervan nog veel meer achter te houden. Ze kreeg echter geen huwelijksaanzoek van hem. Hij omzeilde de kwestie door te beloven dat hij gewillig een stapje opzij zou doen indien er zich een waardiger kandidaat zou aandienen. Als het op deugdzaamheid aankwam, bekende hij, zou hij al snel het onderspit delven. Op het terrein van het hart achtte hij zichzelf echter onoverwinnelijk.[382] De nodige vleierij moest dat laatste standpunt onderschrijven.

“douceur, affabilité, politesse, esprit, candeur d’âme, toutes les graces en un mot et toutes les vertus semblent avoir voulu se reunir si heureusement dans vôtre personne, qu’elles y forment le coeur le mieux assorté qui fut jamais"[383]

 

Marie-Jeanne was de wanhoop nabij en gokte daarom nogmaals op een confrontatie. Ze beschuldigde Balthazar ervan haar persoon onrecht aan te doen.  Balthazar steigerde en eiste dat zij hem zou schrijven waar ze zulke ideeën vandaan haalde. Het kon immers niet dat ze zoiets uit zijn brieven haalde, daarin had hij zijn gevoelens voor haar steeds weer bevestigd. Haar beschuldiging was een raadsel voor hem en hij verlangde dan ook wat meer uitleg. Indien hij die niet kreeg zou hij dat beschouwen als een afwijzing.[384] Marie-Jeanne schreef hem terug dat ze van haar moeder had gehoord dat hij weer vaak met ‘de brunette’ gesignaleerd werd. Een feit dat Balthazar natuurlijk ontkende. Ze smeekte hem echter haar moeder hier niet op aan te spreken, zo zou hij immers hun geheime correspondentie verraden.[385] Balthazar zag echter in dat er hem maar één oplossing restte. Hij moest terug aan de onderhandelingstafel met haar ouders.

 

Huwelijksbeloften en huwelijksgeloften

 

Die onderhandelingen liepen blijkbaar vlotter dan verwacht. Balthazar werd op het matje geroepen bij moeder Clotz om een verklaring te geven voor enkele brieven die zij onderschept had. Balthazar hield echter vol dat die brieven niet de zijne waren. Er zat er trouwens effectief één bij die niet van zijn hand was, Marie-Jeanne had dus weer wat om uit te leggen.[386] Dat was nu echter van secundair belang, Balthazar was immers tot een verstandhouding gekomen met moeder Clotz. Het paar kon weer vrijelijk corresponderen en ze mochten elkaar zelfs bezoeken. Balthazar was echter voorzichtig in een eerste brief en peilde eerst of Marie-Jeanne nog wel geïnteresseerd was.[387] Zij vergaf hem echter voor zijn gedrag in het verleden en zag nu dat hij zich aan zijn belofte zou houden. Ook haar vader was bereid om een streep onder het verleden te trekken. Balthazar had hem nu voldoende zekerheden gegeven en hij was van mening dat deze jongeman zijn dochter niet meer ten schande zou maken. Het is wel veilig te veronderstellen dat het ouderpaar in het bezit was van een solide huwelijksbelofte van Balthazars kant.

“Mon chère Père m’a dit qu’il vous avoit écrit et que les assurances que vous lui avois fait, dans la vôtre lui faisoient esperer que si vous reveniez ici que ce ne seroit plus pour me replonger dans des nouveaux desagremens dont le malheur pour moi seroit irréparable.”[388]

 

Balthazar kreeg echter nog wat uitstel om zijn moeder te overtuigen en zijn leven weer op orde te brengen. Professioneel ging het hem nog steeds niet voor de wind en het wantrouwen ten opzichte van zijn persoon was nog niet verdwenen. Balthazar vreesde een complot en verzocht de hulp van zijn toekomstige.[389] Ze moest hem, op subtiele wijze, aanraden aan Mr. De Neny.[390] Zij zou hem deze gunst niet weigeren. Vol zelfvertrouwen schreef ze hem overtuigd te zijn dat iedereen zijn mening over hem zou veranderen als zij zich achter hem zou scharen. Het kon echter niet alleen van haar kant komen, ze verwachtte van Balthazar de nodige beleefdheid en minder onderworpenheid aan Capon. Die relatie leverde hem immers heel wat tegenstand op. Marie-Jeanne wenste niet dat zulke personen hun toekomst zouden hypothekeren.

“Mais il conviendroit aussi d’avoir certaines politesses aux quelles vous avez manqué à l’égard de ces messieurs et dames et de desister à suivre des intructions dont l’expérience vous fait sentir combien elles vous sont prejudiciables. Vous êtes ami de tout le monde rien ne gâté vos affaires que vôtre union pour monsieur. C’est ce que je sais de science certaine."[391]

 

Balthazar van zijn kant, vreesde echter dat die toekomst nog wel eens in het water kon vallen. Als hij nu zijn reputatie verloor mocht hij zeker ook afscheid nemen van zijn bruid.

“il est vrai que je ne devrois m’embarasser que de vous plaire. Mais c’est pour cela même que toutes ces traverses me font tant de peine. Car si mes envieux réussissent, me voilà, perdu de reputation, et il en faut pour vous mériter"[392]

 

Balthazar moest niet alleen zijn reputatie redden, hij moest ook nog eens de instemming van zijn moeder verkrijgen. Hij kon de toekomst dus niet voorspellen. Die onzekerheid weerspiegelde zich in een enorm wantrouwen jegens Marie-Jeanne.[393] Zij probeerde hem al die waanbeelden uit het hoofd te praten.[394] Het duurde echter niet lang vooraleer zij het geduld verloor en wenste dat de zaken wat sneller vooruit zouden gaan.[395] Hierop voelde Balthazar zich dan weer beledigd. Was zijn woord niet voldoende waard? Hij deed haar trouwens een plezier door het huwelijk nog uit te stellen. Hij wou haar niet meesleuren in zijn ongeluk, financieel en professioneel stond hij er immers niet zo goed voor.[396]

 

Ondanks vele van zulke strubbelingen zette het tweetal door in hun liefde. Nu Balthazar er met de hulp van Marie-Jeanne in geslaagd was om zijn ambt te redden moesten ze alleen zijn moeder nog trachten te overwinnen. Op dat vlak verging het hen aanvankelijk niet zo goed. Dat kon Balthazar haar nu wel eerlijk toevertrouwen, ze was immers zijn verloofde. Marie-Jeanne waarschuwde hem echter dat hij toch niet te kwistig moest zijn met zulke informatie. [397] Haar moeder las zijn brieven immers ook en ze zou niet willen dat die weer van gedachte veranderde. Misschien was het beter dat zijn bediende Joseph voortaan het adres zou schrijven, zijn handschrift zou ze niet herkennen. [398]  Balthazar volgde haar raad op hoewel hij het onrechtvaardig vond dat hij zijn toekomstige bruid nog niet in alle vrijheid kon schrijven. Haar moeder deed dat natuurlijk alleen maar voor haar bestwil. Hopelijk begreep ze dat haar dochters geluk alleen bij hem lag.[399]

 

Het werd echter hoog tijd dat zijn moeder nu eens een definitief antwoord zou geven.[400] Hij schakelde daarvoor één van zijn zusters in en ook Mr. De Labistrate, volgens Balthazar één van de weinige mannen naar wie Aldegonde luisterde, moest hij aan zijn kant zien te krijgen. Ook Aldegonde’s biechtvader kon een goed woordje voor hem doen. Het was van het uiterste belang dat Aldegonde nog niet te weten kwam dat hij zich al had verloofd met Marie-Jeanne. Zijn moeder lieten ze beter in de waan dat Balthazar niets zou ondernemen zonder haar toestemming. Ze moesten haar er echter van overtuigen dat ze best haar toestemming kon geven. Daarom moesten ze haar voorspiegelen hoe een goede partij Marie-Jeanne wel niet was, zeker na alle gebeurtenissen van vorige winter. Zulke gebeurtenissen zouden zich ook niet meer herhalen als Balthazar zou huwen. Daarenboven had Balthazar zich echt wel standvastig getoond in zijn wens deze vrouw te huwen. Hij had zijn moeder immers lange tijd geleden al eens om toestemming gevraagd. Bovendien zou dit huwelijk hem ook op sociaal vlak geen windeieren leggen, vijanden van vroeger zouden nu tot zijn vriendenkring gaan behoren. Hij zou ook graag enkele meer persoonlijke argumenten aanhalen en zijn moeder willen vertellen over het karakter van zijn geliefde. Jammer genoeg hielden ouders weinig rekening met zulke argumenten, nochtans vormden ze de basis van de perfecte vriendschap die hij voor Marie-Jeanne voelde.[401]

“mais si je pouvais lui parler que ne lui dirois-je pas! Comment ne depeindrai-je pas vôtre humeur et toutes ces qualités charmantes qui vous altèrent tous les coeurs? Mais il semble que les parents ne veuillent pas considerer ces sortes de choses."[402]

 

Aldegonde’s voorzichtige antwoord stemde Balthazar hoopvol. Hij kende zijn moeder immers goed genoeg om te weten dat zij nooit over één nacht ijs ging en zij zelden zomaar een gunst gaf. Uit haar voorzichtige antwoord leidde hij af dat Aldegonde haar spionnen zou raadplegen om haar de nodige argumenten te geven voor een antwoord dat in principe al vaststond. Balthazar meende dat dat antwoord echter positief zou zijn en dat dit uitstel slechts een constructie was om hem extra dankbaar te maken wanneer de verlossende brief kwam. Als Aldegonde vastbesloten was geweest om te weigeren had ze dit al lang gedaan, zijn moeder ging immers altijd recht door zee. Ze konden nu alleen maar afwachten. Hij dagdroomde echter al over de gelukkige dag waarop hij zijn geliefde zou kunnen voorstellen aan zijn moeder.[403]

 

Balthazar had zich echter misrekend. Zijn moeder weigerde haar toestemming te geven. Hij zou zonder haar zegen in het huwelijksbootje moeten stappen en een onbekende toekomst tegemoet varen. Balthazar en Marie-Jeanne gaven elkaar het jawoord op 25 februari 1748.[404]

 

 

Hoofdstuk 4:  Brussel-Wenen.  Heen en terug.

 

4.1. Brussel

 

Het eerste huwelijksjaar van Balthazar en Marie-Jeanne liep niet bepaald over rozen. Het tweetal moest zich immers zien te redden in een hen vijandige omgeving. Balthazar had zich niet geliefd gemaakt bij zijn collega’s op het financiële departement. Door zijn huwelijk met Marie-Jeanne had hij ook zijn moeder tegen zich weten te keren. De romantiek van hun verboden liefde werd daarom al snel verdorven door de bittere realiteit. Om te overleven in de 18de eeuw was er immers meer nodig dan de charmes van Marie-Jeanne. Balthazar besefte al snel dat hij het zonder familie en vrienden nooit ver zou schoppen. In de adellijke milieus waarin hij vertoefde kende men immers geen individuele toppers, maar slechts succesvolle allianties. Het was dus hoog tijd dat hij terug aansluiting zocht op zulk een netwerk. Hij zou zich, met andere woorden, moeten verzoenen met zijn moeder.

 

Een noodzakelijke verzoening

 

Het is ons onbekend hoeveel brieven Balthazar zijn moeder schreef om weer bij haar in de gratie te komen. Noch weten wij hoeveel personen hij inschakelde om voor hem te lobbyen. We hebben enkel nog de schriftelijke neerslag van hun verzoening, na een jaar van stilte, op 30 september 1748. [405] In deze brief schreef Aldegonde bereid te zijn het verleden achter zich te laten. Ze zou haar zoon en zijn vrouw weer in haar beschermende armen sluiten en verwelkomen in haar woning te Antwerpen.[406]

“Dorénavant mes soins, mes veilles et mes attentions serons égallement pour vous et pour votre épouse ma belle fille, comme pour mes autres enfants.”[407]

 

Het ultieme bewijs van haar ommekeer was dat ze een brief schreef aan Crumpipen[408], de toenmalige secretaris van staat en oorlog, om hun hereniging publiek te maken. Daarnaast had ze ook graaf Kaunitz aangeschreven en hem gevraagd haar zoon in bescherming te nemen.[409] Kwade tongen beweerden echter dat het eerder de charmes van Marie-Jeanne waren die hem hiertoe overhaalden.[410] Zijn collega’s zouden voortaan twee keer nadenken om Balthazar te dwarsbomen, hij had immers weer een machtige clan achter zich.

 

Aldegonde had natuurlijk haar voorwaarden voor deze verzoening. Balthazar en zijn vrouw moesten zich in de toekomst naar behoren gedragen. Voor Marie-Jeanne betekende dit dat ze een vlot lopende huishouding moest organiseren. Balthazar moest zich voortaan niet alleen gedragen als de man des huizes maar ook als een ware chef de famille. De lichtzinnigheid uit het verleden moest daarom plaats ruimen voor voorzichtigheid en standvastigheid. De wereldse ijdelheid moest omgezet worden in christelijke deugdelijkheid. Dat was een laatste sneer naar de Brusselse hofkringen waarin Balthazar nu snel zou vertoeven.

“Le vrai caractère de l’homme du monde crétien est de veiller  a ses interets, à s’acquitter des devoirs auxquels il est tenu, à être afable à chacun, complaisant et respectueux à ceux qui font du bien où qui peuvent en faire. Telles sont les qualitées que je voudrois que vous eussiez." [411]

 

Hoe waardevol de steun van Aldegonde ook was, ze zou slechts tijdelijk zijn. Aldegonde was de vijftig immers reeds gepasseerd. Balthazar moest daarom ook andere vrienden zien te maken en meer bepaald vrienden die hem van dienst konden zijn, nu of in de toekomst. Zijn wangedrag stond echter nog in menig geheugen gegrift. Aldegonde schreef daarom dat het een mirakel zou zijn als hij er ooit in zou slagen om het vertrouwen van de gehele regering terug te winnen. Dat vertrouwen kon echter wel eens onontbeerlijk worden. Er deden immers geruchten de ronde dat men het ambt van ontvanger-generaal voortaan nog maar door één persoon wou laten uitvoeren. De zaken stonden er allesbehalve goed voor. Alleen een aanbeveling van de graaf Kaunitz kon hem nog redden.[412]

 

Toen Balthazar die aanbeveling effectief kreeg was Aldegonde in de wolken. Ze bedacht meteen een handige manier om dit fantastische nieuws te verspreiden. Ze gaf Balthazar de opdracht de brief aan Mr. Van Cessen te geven. Deze zou vervolgens al zijn vrienden en kennissen afgaan en hen apetrots dit nieuwtje meedelen! Balthazar verkreeg hierdoor niet alleen de nodige publiciteit maar ook een nieuwe bondgenoot. Van Cessen zou hem immers zeer dankbaar zijn voor deze eer.[413]

 

‘Wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd’

 

Van Cessen kon Balthazar weinig meer diensten bewijzen dan hem de lof zingen. Maar ook zulke kleine visjes maakten deel uit van een stevig sociaal netwerk. Hoe meer mensen zijn lof zouden zingen hoe hoger de gezangen zouden opstijgen! Hetzelfde was het gesteld met Jean Wispien, een neef van Marie-Jeanne. Hij vroeg Balthazar om enkele gunsten, zoals inzage in een gerechtelijk dossier en een audiëntie bij majoor Franck.[414] Wanneer Wispien vernam dat het de zieke Capon aangeraden werd om elke dag drie glazen rijnwijn te drinken zorgde hij voor de wijn.[415] Capon zou hem daar ongetwijfeld dankbaar voor zijn en in de toekomst zijn naam misschien herinneren. Wispien leek dus meer op een bloedzuiger die wanhopig aansluiting zocht op het netwerk van Balthazar, en in extenso op dat van de Proli’s. Het enige nut van deze bloedzuigers was hun numerieke aantal, dat een indicatie vormde voor de aantrekkingskracht en dus voor de macht van een netwerk.

 

Balthazar moest echter ook weten hoe hij enkele ‘grote vissen’ in zijn netten kon strikken. Aldegonde gaf hem daartoe de nodige aanwijzingen. Ze drukte haar zoon op het hart dat hij de graaf van Figuerola goed te vriend moest houden. Balthazar en Marie-Jeanne nodigden hem prompt uit in hun woning te Brussel.[416] Ook Kaunitz moesten ze tevreden houden. Een paar peperdure zakdoeken konden misschien helpen. Aldegonde pochte dat er in heel Brussel geen gelijkaardig paar te vinden was.[417] De zakdoeken die ze naar hun neef Wispien gestuurd hadden verbleekten er naast.[418] Klassenverschillen uitten zich nu eenmaal in elk klein detail van het leven.

 

Jammer genoeg zou de graaf van Kaunitz de Nederlanden verlaten om als ambassadeur in Parijs te gaan werken.[419] Ook Capon werd gepromoveerd. Hij zou lid worden van de Hoge Raad voor de Nederlanden te Wenen.[420] Aldegonde vroeg hem om nog eens een bezoekje aan Wespelaar te brengen voor hij zou vertrekken.[421] Ze had hem dan ongetwijfeld de goede diensten van haar zoon en haar hele familie in herinnering gebracht. De tijd was immers gekomen dat Capon nog eens een tastbare blijk van zijn vriendschap voor de Proli’s zou geven. Het lot besliste er echter anders over. Capon stierf immers voor hij nog maar naar Wenen vertrokken was. De weduwe Proli was geschokt dat sommige mensen zich hierom verheugden. Toegeven, de man had niet het meest lieflijke karakter maar men zou er niet snel één vinden met dezelfde capaciteiten. Hij had de regering goed gediend. Dezelfde mensen die het nu waagden om te lachen hadden groen gelachen als Capon ooit in Wenen was geraakt!

“Tout Bruxelles est rejoui de cette mort et partie de cette ville par révérberation. Mais les gens censées le regrettent et les ministres bien intentionnées du gouvernement declarent qu’en un  demy siècle on ne trouvera pas à remplacer ce grand homme. Une personne me marque que quelqu’une qui sont charmée de son trépas ne déguisent pas memse leur joie par la peur ou il avoient étées que s’il étoit jamais arrivé à Vienne, on les eut connus la bas dans leur vrai jour."[422]

 

Gelukkig hadden ze nog een andere beschermheer, in de brieven steeds aangeduid met de initialen C.J., die Brussel zou inruilen voor Wenen. Misschien kon de heer C.J. een goed woordje voor hem doen bij enkele ministers in Wenen, het mekka van de staatsdienaren en het centrum van alle macht.[423]

 

Aldegonde liep echter nooit op de zaken vooruit. Zo lang Balthazar in Brussel verbleef moest hij zich daar ook leren handhaven. Aldegonde speelde hem daarom regelmatig de verzoeken van haar achterban door. Hij moest hetzelfde vertrouwen verwerven, dat deze mensen in zijn moeders lobbykunsten hadden. Het moeizaam opgebouwde netwerk van Aldegonde mocht immers niet wegkwijnen na haar dood. Balthazar moest voor de nodige continuïteit zorgen want het welzijn van vele mensen was onlosmakelijk verbonden met het lot van de Proli’s.

 

Aldegonde vroeg daarom aan Balthazar de zaak van zijn schoonbroer Stampa ter harte te nemen en de nodige mensen te mobiliseren om voor deze man een promotie te bekomen.[424] Ook Marie-Jeanne werd in deze zaak betrokken.[425] Een duidelijke aanwijzing dat moeder Proli wel degelijk besefte dat vooral Balthazars vrouw verantwoordelijk was voor de gratie die Kaunitz hen verleende. De landvoogd was haar blijkbaar ook zeer genegen[426], want ze wist zelfs een aanbevelingsbrief van Son Altesse Royale, alias Karel Alexander van Lotharingen, te bemachtigen.[427] Jammer genoeg had deze brief niet het gewenste effect. Aldegonde zou uitzoeken wie of wat hen had gedwarsboomd en een tweede poging zou niet uitblijven.[428] Voor een zekere B. moest het tweetal een vergunning zien te versieren om een fabriek in fijne lakens te kunnen opstarten. De arme jongen had hun steun erg nodig, zijn vader had de reputatie van de familie immers geruïneerd. De jongeman mocht dus terug onderaan de ladder beginnen.[429] Een zekere Blincker aasde dan weer op een prebende. Hij kwam uit één van de betere Mechelse families maar had het moeilijk om de daarbij horende levensstijl vol te houden.[430] Ze raadde Balthazar ook de zaak van d’Hérouville aan. Deze oude bekende had Aldegonde heel wat diensten bewezen tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog. Het was tijd dat ze de balans weer in evenwicht bracht. Als de ene hand de andere wast, worden ze immers beiden schoon.[431] Een spreekwoord dat de basis van elk sociaal netwerk precies weet weer te geven.

 

Slechts in één zaak voerde Aldegonde nog zelf de onderhandelingen. Dat was in het huwelijk van haar dochter Joanna Aldegonde (1719–1779) met de ridder Joannes Josephus Pelgroms. Aldegonde’s vreugde over dit huwelijk bleek duidelijk uit de brief die ze schreef aan haar oudste zoon. Die vreugde had niet alleen te maken met de vele kwaliteiten van deze jongeman, maar ook met de leeftijd van haar dochter. Joanna Aldegonde was er immers al 31, ze had zichzelf waarschijnlijk al neergelegd bij het feit dat ze zou sterven als oude vrijster.[432] Het huwelijk was dus een echte gelukstreffer! Aldegonde verkocht het vel van de beer echter nooit voor ze hem had geschoten. Ze eiste de nodige discretie van Balthazar tot de huwelijkscontracten getekend waren. Het paar gaf elkaar het jawoord op 31 maart 1750.

“Je dois vous dire l’apparant marriage de votre soeur avec Mr. Pelgrom [...] c’est un garcon d’une conduiite irreprochable ce qui est rare dans les tems où nous sommes. Outre cela il est son maître aiant perdu son père il y a un an. [...] il a 32 ans, une fort jolie maison a lui très bien meublée, équipage et domestiques enfin en plein ménage, et au surplus un bon capital. Son père a été anobli il y a quelques années. Il convient de n’en pas parler à d’autres que de la famille par ce qu’on ne peut pas prévoir les obstacles qui peuvent survenir quoy que l’aparance ni est pas."[433]

 

Een oude droom

 

Ondanks het feit dat Balthazar nu alle belangrijke contacten voor de Proli-clan waarnam, bleef Aldegonde de grote strateeg van de familie. Dat bleek des te meer toen zij zich weer ging interesseren voor de koloniale handel. Ze had goede herinneringen aan de tijd van de Oostendse Compagnie. Haar man, Pietro, had met deze onderneming niet alleen enorme winsten geboekt, maar ook een enorm aanzien.[434] De politieke en economische situatie was sindsdien echter grondig gewijzigd en Aldegonde besefte maar al te goed dat de compagnie van Trieste en Fiume, zoals deze nieuwe onderneming gedoopt werd, nooit meer zo rendabel kon zijn.

 

De Oostendse Compagnie was ontstaan op vraag van enkele ambitieuze ondernemers die op zoek waren naar een goede investering. De Compagnie van Trieste en Fiume ontstond daarentegen op vraag van de Weense regering.[435] De meeste investeerders interpreteerden dat gegeven als een stevige waarschuwing voor een risicovolle belegging. Aldegonde was echter niet zo bezorgd om de financiële risico’s. Het feit dat de vraag van de regering uitging was net haar grootste motivatie. Ze zou niet meer in haar oude fouten vervallen. Haar voorzichtigheid bij het begin van de Oostenrijkse Successieoorlog had haar haar positie als staatsbankier gekost. Nettine, die toen bereid was geweest om risico’s te nemen, had haar plaats ingepikt. Ze was vastberaden om die situatie weer om te keren.

 

Aldegonde gokte echter nooit op één paard. Nu de naam Proli menig Weens minister weer zeer bekend in de oren zou klinken was het moment gekomen om haar oudste zoon naar voren te schuiven. Moeder Proli bekende dan ook aan Balthazar dat haar inspanningen met betrekking tot de compagnie vooral gericht waren op zijn welslagen!

“Je me suis engagé pour une somme assez considerable pour l’affaire de Trieste et cela dans l’unique considération de vous soutenir à Vienne”[436]

 

Ze was bereid om heel wat geld te pompen in deze zaak indien Balthazar hiermee een vaste plaats aan het Weense hof kon verwerven. Het prestige dat de Proli’s hierdoor zouden verwerven kon hun fortuin hen nooit verschaffen! Dat Charles, haar jongste zoon en directeur van het bankhuis, wel eens in een moeilijk parket kon komen was van ondergeschikt belang. Het voortbestaan van de familie kwam op de eerste plaats en de familie stond of viel met het familiehoofd. De chef de famille kreeg daarom de beste kansen, maar tevens de grootste verantwoordelijkheden en bijgevolg de minste vrijheid. Charles, die zich tevreden moest stellen met een tweede plaats, kon echter zijn eigen weg banen.

 

Moeder Proli zou echter moeten knokken voor haar aandelen in de nieuwe compagnie. Een eerste reden hiervoor was de slechte economie. Zelfs Aldegonde de Proli moest al haar middelen inzetten om het nodige geld bijeen te krijgen. Ze gaf zelfs haar buitengoed Wespelaar in onderpand.[437] Dit nijpende geldtekort bracht haar af en toe in moeilijkheden. Haar oudste zoon moest bijvoorbeeld even bijspringen om de graaf de Fonseca te kunnen betalen.[438]  Balthazar had echter een eigen levensstandaard op te houden. Door zijn moeders onderneming zag hij de kans om het huis van Mr. Thisquen te kopen aan zijn neus voorbij gaan.[439]

 

De tweede oorzaak van Aldegonde’s moeilijkheden lag bij haar aloude vijanden: Nettine, de Nobili en de mysterieuze ‘B.’.[440] Moeder Proli vermoedde immers dat dit trio weer allerlei complotten aan het uitbroeden was. Misschien waren deze ‘duivelse geesten’ wel verantwoordelijk voor het bezoek van enkele fiscale ambtenaars aan het bankhuis de Proli. [441] Aldegonde was razend. Maar haar vijanden die dachten dat de afwezigheid van de graaf Kaunitz haar volledig hulpeloos maakte, hadden zich vergist.[442] 

“je ferai éclater la justice de ma conduite à la honte de ceux qui s’éfforcent de vouloir fletrir s’il leur fut posssible l’honneur, la réputation et le crédit de ma maison.”[443]

 

Aldegonde stelde een memorie op die ze kon overhandigen aan Karel van Lotharingen bij wie ze op audiëntie mocht. Misschien kon Stampa de brief ook meenemen naar Wenen. Daar zou men immers nog ontvankelijker zijn voor de inhoud ervan. ‘B.’ had er immers al veel krediet verloren.[444] Aldegonde had haar vijanden een waardevolle les geleerd. Een aanval op haar huis en familie kon niet ongestraft blijven!

 

‘La Nettine’ was echter even geslepen als Aldegonde.[445] Ook zij had contacten met een onderhandelaar van minister Chotek en was vastbesloten om hoofdaandeelhouder van de compagnie te worden.[446] Moeder Proli was erg ontstemd toen ze dit nieuws vernam van Arnoldt, haar onderhandelaar in Wenen.[447] Wat de twee dames niet wisten was dat Chotek zich handig bediende van hun vijandschap. Hij stuurde immers zijn onderhandelaar naar Nettine en haar kompanen omdat de besprekingen met Arnoldt niet naar wens verliepen.[448] Dat Arnoldt ontdekte dat de minister ook andere wegen aan het verkennen was, was helemaal geen toeval. Het was slechts Choteks manier om de onderhandelingen weer naar zijn hand te zetten.[449] Aldegonde voelde de druk immers stijgen en deed enkele, door Chotek noodzakelijk geachte, toegevingen. Op 1 oktober 1750 werd het octrooi voor de compagnie verleend. Balthazar mocht het goede nieuws overal gaan rondspuien.[450] Wie het nog niet gehoord had kon het twee weken later in de ‘Gazette de Bruxelles’ lezen.[451]

 

De toekomst verzekerd

 

Aldegonde had met deze onderneming niet alleen geïnvesteerd in de toekomst van haar zonen. Ze hoopte immers dat ook de volgende generaties konden voortbouwen op dit succes. Marie-Jeanne was immers zwanger en Aldegonde hoopte vurig dat het een jongetje zou zijn, zodat de mannelijke lijn verder gezet kon worden.[452] Ze volgde de gezondheid van haar schoondochter op de voet en trof al enkele regeling om voor een min te zorgen.[453] Ze sprak haar schoondochter streng toe toen ze hoorde dat zij gevallen was. In haar staat moest men toch wat voorzichtiger zijn. Ze stelde haar echter ook gerust, zoiets was haar ook al overkomen en het had geen negatieve gevolgen gehad.[454]

 

Nog tijdens Marie-Jeanne’s zwangerschap verhuisde het paar naar een nieuwe woning. Een nieuw buitenkansje had zich immers aangediend. Een zekere mevrouw Hellin verhuurde haar woning in Brussel. Haar man was immers overleden en ze wou niet alleen achter blijven in hun echtelijke woonst.[455] Balthazar en Marie-Jeanne voelden zich er veel gelukkiger.[456] Balthazar had als ontvanger-generaal maar liefst een salaris van een 6000 gulden en het was alleen maar gepast om hun status op gelijke hoogte te brengen met hun vermogen.[457] Aldegonde hoopte dat mevrouw Hellin het huis gemeubeld zou verhuren en dat Balthazar en Marie-Jeanne hun oude huis zonder verlies konden verkopen.[458] Ze was zeer benieuwd naar hun nieuwe woonst. Ze zou al snel een kans krijgen om die te zien. Ze had immers beloofd om naar Brussel te komen en aanwezig te zijn bij de doop van haar kleinkind. Balthazar moest haar maar waarschuwen wanneer de weeën waren begonnen.[459] Ondertussen bad zij samen met haar dochters opdat alles goed mocht verlopen.[460] Op 18 december beviel Marie-Jeanne van een kerngezonde zoon. Ze doopten hem Jean-Pierre Berthold de Proli. Aldegonde noemde hem haar ‘kleine Pietro’.[461]

 

Een ambitieuze ontvanger-generaal

 

In 1751 was het weer Balthazars beurt om twee jaar lang het ambt van ontvanger-generaal van domeinen en financiën waar te nemen. Hij was verantwoordelijk voor alle financiële verrichtingen van de centrale overheid. Althans dat was de theorie, in de praktijk bestonden er meerdere parallelle staatskassen, met een verregaande autonomie, zoals de Krijgskas en de kas van de Gastos secretos, en werden verschillende staatskassen beheerd door particuliere bankiers. [462]  De meeste betalingen verliepen ook via lagere ontvangers. De taak van de ontvanger-generaal bleef dan ook veelal beperkt tot het innen van de positieve saldi en het bijhouden van het grootboek om een overzicht te behouden op de staatsfinanciën. Deze laatste opdracht leverde echter grote problemen op tot het midden van de 18de eeuw.[463] Een toestand die Balthazar onder meer zou aanklagen.

 

Balthazar werd echter allesbehalve hartelijk ontvangen door zijn collega’s. Het liefst van al zouden ze hem buiten werken. Hij had maar één manier om zich te verweren en dat was zichzelf onmisbaar maken. Zijn oversten moesten de indruk krijgen dat hij twee keer zo hard werkte dan de anderen. Om die reden schreef Balthazar ook naar de graaf van Figuerola, sinds jaren een aanhanger van de Proli’s. Hij beklaagde zich in deze brief over de slechte medewerking die hij kreeg van zijn collega’s bij het opstellen van het grootboek van het jaar 1751. Hij vroeg zich luidop af of deze inertie misschien te wijten was aan hun gebrekkige intelligentie. Het kon echter ook zijn dat ze pienter genoeg waren om de gevolgen van Balthazars, naar eigen zeggen, doortastende optreden in te schatten. Het zou immers niet onopgemerkt blijven dat men met minder personeel meer werk kan verzetten. Natuurlijk zouden de vruchten van Balthazars nieuwe aanpak pas over enkele jaren geplukt kunnen worden. Figuerola moest zorgen dat hij zo lang mocht aanblijven want Balthazars collega Van Overstraeten zou het project niet verder zetten. [464]

 

Figuerola deed wat Balthazar van hem vroeg en vertelde Karel van Lotharingen alvast over diens plannen. De prins reageerde opgetogen. Balthazar drukte Figuerola op het hart om ook in Wenen enkele mensen op de hoogte te brengen van de mistoestanden op het bureau van de Algemene Ontvangerij. Figuerola’s brief had hem immers zodanig verzekerd van de continuïteit van zijn vriendschap voor hem, dat hij dit nog wel durfde te vragen. Hij hoopte dat Figuerola op zijn beurt ook overtuigd was van zijn genegenheid en bewondering voor hem.[465] Deze formules kon men in haast elke brief terugvinden. Men kan hier dus zeker niet uit afleiden dat er tussen deze twee heren een ware vriendschap, zoals wij die nu kennen, heerste. Deze formules zijn eerder een soort van bezegelingen van contracten van onbepaalde duur. Men wou hiermee slechts kenbaar maken dat men de alliantie trouw bleef en elkaar, althans voorlopig, zou blijven steunen. Daarom ook dat bij elke volgende gunst die men elkaar vroeg of verleende de formule herhaald moest worden.

 

 

4.2. Wenen

 

De Compagnie van Trieste en Fiume

 

In 1753 zaten Balthazars twee dienstjaren er weer op. Hij zou echter niet lang kunnen genieten van zijn vrijheid. Hij werd immers gevraagd door de gedeputeerden van de compagnie om als commissaris naar Fiume te trekken en daar orde op zaken te stellen. De onenigheid die er bestond tussen de directeurs Rima en Arnoldt belemmerde immers de activiteiten van de compagnie.[466]

Balthazar nam deze baan zonder veel twijfel aan. Het bood hem immers de kans om in contact te komen met de minister Chotek, de vertegenwoordiger van de Oostenrijkse aandeelhouders.[467] Balthazar vertrok op 11 juli 1753 naar Fiume. Al snel na zijn aankomst slonk zijn enthousiasme. De situatie bleek immers heel wat ernstiger dan verwacht. Schoorvoetend moest hij de minister meedelen dat men maar liefst 32 maanden achterstond met de boekhouding. Daarenboven puilden de magazijnen uit van de onverkochte goederen. Rima en Wellens wezen met een beschuldigende vinger naar Arnoldt. Het was wel duidelijk dat deze man misbruik had gemaakt van het onvoorwaardelijke vertrouwen dat de aandeelhouders in hem hadden. Niet alleen was hij nalatig geweest, er waren ook sterke vermoedens dat hij geld van de compagnie had verduisterd. De slechte staat van de boekhouding liet echter niet toe om die laatste beschuldiging te bewijzen.[468] Chotek reageerde echter positief. Hij vermoedde al dat Arnoldt niet zuiver op de graat was. Hij moedigde Balthazar aan om dit alles tot op de bodem uit te spitten, het ging immers niet alleen om het goed van zijn familie maar ook om zijn eigen eer.[469]

 

Tegenover de Antwerpse gedelegeerden was Balthazar iets opener.[470] Hij liet immers merken dat hij niet zo blij was met deze missie. Hij had niet geweten dat de situatie zo erg was. Als hij dat allemaal moest rechtzetten zou hij nog een tijdje van huis zijn en dit in een periode waarin er grote verschuivingen aan de gang waren in het Zuid-Nederlandse staatsapparaat. Hij had stiekem gehoopt op een promotie. De gedelegeerden antwoordden dat ze veel begrip hadden voor de netelige situatie waarin hij verzeild was geraakt. Balthazar moest echter niet te kortzichtig zijn. Als hij deze missie tot een goed einde bracht, wachtte hem een veel betere toekomst. Het relaas van zijn roemvolle missie zou immers ook in Wenen furore maken.

“si vous reussisez, comme nous l’esperons, l’honneur qu’il vous en resultera ira au pied du throne, et vous dedomagera de ce que vous aurez pu negliger par le changement de ministre.”[471]

 

Balthazar kon zich echter maar moeilijk bij de situatie neerleggen. Hij schreef daarom toch een sollicitatiebrief aan de gevolmachtigde minister Cobenzl.[472] Hij zou zijn best doen om zijn missie in Fiume zo snel mogelijk te beëindigen zodat hij onder Cobenzls leiding aan de slag kon gaan in een positie die de minister geschikt achtte. Zijn vrouw zou de minister nog bezoeken om te solliciteren in Balthazars plaats.[473] Champini, een vriend van Balthazar, waarschuwde hem echter dat de minister hem misschien niet zo goed gezind zou zijn. Zijn vijanden hadden immers gebruik gemaakt van Balthazars afwezigheid om hem zwart te maken bij Cobenzl. Balthazar antwoordde echter kordaat dat zijn vijanden hem niets konden maken, hij had de waarheid aan zijn kant.[474]

 

Toch bleef het een bittere pil om te slikken. Vooral ook omdat Balthazar geen medewerking kreeg van de directeurs te Fiume om de situatie weer recht te trekken. Vooral Rima bezorgde hem heel wat moeilijkheden. Misschien was deze nog steeds wrokkig over Balthazars wangedrag in Leiden.[475] Minister Chotek moest Balthazar daarom een beetje sussen. Hij schreef een strenge brief aan Rima en stuurde een kopie ervan aan Balthazar.[476] Daarenboven spiegelde hij Balthazar nogmaals het beeld van een prachtige carrière in Wenen voor. Het goede werk dat hij leverde verdiende immers een bedankje.[477] 

“assûrement, Monsieur, vous vous faites un mérite infini de cette affaire, et pour autant qu’il puisse dépendre de moi de vous rendre jsutice, vous en aurez au moins l’honneur qui vous est dû, et de ma part toute la satisfaction que pourra vous donner la reconnoissance."[478]

 

De gedeputeerden waren door het dolle heen dat Balthazar toch bleef. In hun brief van 7 december 1753 zongen ze nogmaals zijn lof.[479] Balthazar moest er ondertussen voor zorgen dat het achterstallige werk werd ingehaald. Daarenboven moest hij een plan zien te bedenken om gelijkaardige situaties in de toekomst te vermijden.[480] Minister Chotek was echter van mening dat ze best met een schone lei begonnen en de huidige directeurs daarom ontslagen moesten worden. Alleen Rima wou hij misschien nog sparen.[481] Balthazar en Chotek kwamen tot een compromis. Ze zouden de huidige directie behouden. Die moesten zich in de toekomst echter aan een aantal regels houden. Om er zeker van te zijn dat ze dat ook deden zou er een inspecteur aangesteld worden. De directeurs moesten zelf een deel van hun loon afstaan om deze inspecteur te betalen.[482]

 

Rond de kerstperiode keerde Balthazar voor een tijdje terug naar vrouw en kinderen in Brussel.[483] Van daaruit schreef hij enkele nieuwjaarsbrieven naar verschillende hoogwaardigheidsbekleders. Ze bevatten allen zeer gelijkaardige formules. Na hen geprezen te hebben om hun fantastische leiderschap, drukte Balthazar zijn wens uit om in de toekomst in hun dienst te mogen werken. Hij hoopte ten zeerste dat ze zijn brief, vanwege zijn oprechtheid, zouden kunnen onderscheiden van de massa’s andere nieuwjaarswensen die ze ongetwijfeld ontvingen.[484]

 

Op 28 december 1753 was Balthazar alweer terug in Fiume. Vanuit deze locatie stuurde hij zijn nieuwjaarswensen naar de graaf Chotek, de graaf Tarouca en de graaf Figuerola.[485] Ook in deze nieuwjaarswensen wist Balthazar een sollicitatie te verweven. Hier was hij echter veel concreter. Hij had in Brussel immers opgevangen dat de baron de Cazier de Raad van Financiën zou inruilen voor de Weense Hoge Raad voor de Nederlanden.[486] Hij zou de plaats van Cazier maar al te graag innemen. Hij was echter niet bereid om zijn post als ontvanger-generaal op te geven. Hij was er van overtuigd dat hij er voor kon zorgen dat de staatskas jaarlijks zo’n twee tot drie miljoen gulden meer kon opbrengen. Natuurlijk kon hij dat ambt niet meer persoonlijk uitvoeren. Hij zou daarom zelf iemand in dienst nemen en deze dan nauwlettend controleren.[487] Balthazar was er blijkbaar van overtuigd dat Chotek en Figuerola hem zouden steunen. Van Tarouca’s steun was hij echter minder zeker. Daarom schakelde hij de graaf van Vitrimont in om een goed woordje voor hem te doen. Een aanbeveling van mevrouw Pesora zou Tarouca helemaal moeten overtuigen.[488] 

 

Chotek hield alvast zijn belofte en solliciteerde voor deze baan, in naam van Balthazar, bij Maria-Theresia. Hij vond immers dat Balthazar tijdens zijn missie in Fiume zijn intelligentie, rechtschapenheid en voorzichtigheid duidelijk had getoond. Met deze kwaliteiten had hij dan ook geprobeerd om de keizerin te overtuigen. Het leek hem alsof ze zeker op zijn voorstel was ingegaan moest er geen andere, sterkere kandidaat zijn opgedaagd. [489] 

 

Balthazar bleef dus ontvanger-generaal. Hij kon zich echter troosten met de gedachte dat hij snel weer thuis zou zijn. De Antwerpse gedeputeerden hadden immers een bekwame man gevonden voor de functie van inspecteur. Archibald Kennedi had aanbevelingen op zak van de bankiers Bijl en Cruikshand, Osy en Hope. Balthazar moest echter in Fiume blijven zodat hij Kennedi kon briefen.[490] Op twee maart 1754 kon hij eindelijk de reis naar Wenen aanvangen. Hij moest immers eerst verslag uitbrengen bij minister Chotek. Balthazar schreef deze laatste dat hij hoopte in Wenen van nog dichterbij de effecten van diens bescherming kon voelen. Dit was Balthazars manier om de minister subtiel te herinneren aan zijn belofte.[491]

 

Chotek eiste echter nog een laatste gunst van Balthazar. Hij zou graag samen met hem naar Fiume reizen om de situatie met eigen ogen te kunnen zien. Balthazar was echter niet zo happig om nog drie à vier weken langer van huis weg te blijven. Hij vreesde dat vooral Marie-Jeanne niet zo blij zou zijn met dit nieuws. Zij was immers van mening dat het hoog tijd werd dat haar echtgenoot beloond zou worden voor zijn uitsloverij. Haar vertrouwen in Choteks woord was niet erg groot. Deze minister besliste om dit probleem op te lossen met een wel zeer charmante brief. Hij hoopte dat Marie-Jeanne niet te kwaad op hem zou zijn omdat hij haar man nog enkele weken nodig had. Hij verzekerde haar dat Balthazar al deze reizen slechts voor de gunsten van één dame maakte, namelijk Hare Majesteit de keizerin. Choteks brief was echter geen goedkoop charmeoffensief. Hij wist maar al te goed dat Marie-Jeanne Balthazars carrière plande en dat met deze dame niet te sollen viel. Ze wilde met zekerheid weten dat Chotek haar man niet zomaar zou laten vallen na alles wat Balthazar voor hem had gedaan. De minister gaf haar, tussen de regels door, zijn erewoord.

“Mais j’espère que vous ne vous facherez pas contre moi au point d’être irreconciliable. Je ne me flatte pas pourtant de pouvoir vous appaiser entièrement par cette lettre. Je souhaite de faire en sorte, que vous puissiez venir vous même en ces pays-cy pour vous venger, si vous en avez envie, et je me figure que je pourrois plutôt vous aimer que vous craindre, puisque l’estime, qu’on a pour une personne, est le premier mouvement de ceux qui aiment, et qu’il n’y a rien de plus parfait que celle avec laquelle j’ai l’honneur d’être, madame,vôtre tres humble et tres obéissant serviteur."[492]

 

Marie-Jeanne en Balthazar moesten wel even geduld hebben. Chotek moest immers wachten tot Maria-Theresia hersteld was van de bevalling.[493] Daarna maakt hij echter werk van de beloftes die hij had gemaakt. Op audiëntie bij Hare Majesteit trachtte hij een positie in Wenen te verwerven voor Balthazar. Maria-Theresia antwoordde echter met een zeer beslist “nee”. Mygind, de vertrouwensman van Chotek, stuurde Balthazar een brief om zijn spijt te betuigen. Het mocht niet zijn. Iemand in Wenen moest hem niet welgezind zijn.[494] Dezelfde dag schreef ook Chotek een brief met meer tekst en uitleg. Hij vond de reactie van Hare Majesteit onbegrijpelijk. Op de eerste audiëntie luisterde ze zeer aandachtig en welwillend naar zijn voorstel. Bij de tweede audiëntie leek zij echter volledig van idee veranderd te zijn. Ze had een hele preek klaar waar Chotek onmogelijk tegenop kon. Als Proli werd gedreven door de ijver om haar te dienen dan zou hij er immers geen problemen mee moeten hebben om haar in de Nederlanden te dienen, aldus Maria-Theresia.

“Proli, dit elle, a un des bons emplois aux Païs-Bas, dont il jouït depuis le berceau; s’il n’en est pas content, il ne le sera pas d’aucun autre. [...] Si c’est le zèle qui le guide il n’a qu’a les continuer encore quelque temps. Mais si c’est quelqu’autre motif, je ne puis barrer la carrière aux autres pour l’amour de lui. S’il étoit entreé dans celle d’un coprs de conseil ou de de quelque departemnat composé de plusieurs membres il pourroit avoir sujet de se plaindre, si quelqu’un moins ancien que lui le devancoit. On lui a donné le poste que son pere a souhaité pour lui, si’l est isolé, ce n’est pas ma faute, et je ne puis pour cela renverser l’ordre des choses, lorsque ceux qui ont servi actuellement avant lui auront fait leur tour, le sien pourra venir aussi."[495]

 

Chotek meende dat hij zijn best had gedaan. Het mocht wel duidelijk zijn dat Balthazar een geduchte tegenstander had zitten in de omgeving van het Weense hof. Het was echter nog niet nodig om te gaan wanhopen, er zouden immers nog andere kansen komen. Chotek zou er voor blijven ijveren om Balthazar naar Wenen te halen. Misschien moesten ze Karel van Lotharingen in dit verband eens schrijven.[496]

 

Tabak

 

Het duurde niet lang vooraleer Balthazar een nieuw plan bedacht om zich een weg naar het Weense hof te banen. Hij zou er de tabakspacht gaan waarnemen. Chotek en Mygind hadden de andere kandidaat-overnemers reeds uitgeschakeld.[497] Balthazar moest alleen nog onderhandelen met de huidige pachter, Pingitzer, wiens contract nog niet was afgelopen. Omdat hij verwachtte dat die onderhandelingen niet van een leien dakje zouden lopen liet hij zich vergezellen door twee specialisten ter zake; Mr. Brouwers en Mr. Caters.[498]

 

Vooraleer Balthazar kon vertrekken moest hij echter de toestemming van de Raad van Financiën verkrijgen, het was immers weer zijn beurt om het ambt van ontvanger-generaal waar te nemen. De raad was hem nog steeds niet goedgezind. Balthazar nam echter zijn maatregelen. Hij schreef Chotek opdat deze een toestemming aan Hare Majesteit zou vragen. [499]  Deze keer ging Maria-Theresia wel in op Choteks verzoek.[500] De raad moest zich dus wel neerleggen bij Balthazars vertrek. Ze waren evenwel niet bereid om dat op zijn voorwaarden te doen. De vervanger die Balthazar had aangeduid werd geweigerd. Hij zou vervangen worden door zijn collega Van Overstraeten.[501] Balthazar was allesbehalve blij met deze gang van zaken. Men wou de post van ontvanger-generaal immers al geruime tijd door slechts één persoon laten uitvoeren. Hij bevond zich dus op glad ijs want, zoals bekend, volgden wetten en voorschriften vaak de reële situatie. Als Balthazar echter een vaste post in Wenen kon bemachtigen zou hij zijn ambt als ontvanger-generaal met plezier opgeven. Hij schreef daarom aan Chotek dat hij hoopte dat zijn komst naar Wenen het begin van een nieuw tijdperk zou zijn.

“ces avantages me sont trop precieux pour ne pas considerer le moment de mon depart d’icy, qui me met à même d’y pouvoir aspirer comme l’époque de ma vie la plus heureuse, je suplie V.E. de vouloir être persuadée que je la saisi cette époque avec la voix la plus vive et la plus sincère."[502] 

 

 

Balthazar deed alvast zijn best om zoveel mogelijk vrienden te maken in Wenen. Om die reden schreef hij bijvoorbeeld naar Mygind en de baron van Bartenstein. Misschien kon hij voor deze heren enkele boodschappen doen in Brussel?[503] Hij schreef ook een brief naar zijn vriend Alexander Wellens. Deze man kon hem immers van dienst zijn in Wenen, om te beginnen door hem logies te bezorgen. Balthazar vroeg of hij misschen het quartier de Melgruben kon huren, dat leek hem wel geschikt voor zeven mannen –Balthazar, Caters, Brouwers en vier knechten.[504]

 

Balthazars missie in Wenen verliep echter niet al te vlot. Niet alleen voerde Pingitzer, zoals verwacht, zware onderhandelingen.[505] Balthazar werd ook nog eens een tijdlang uitgeschakeld door een ongeluk met zijn koets. Hij had zulk een grote snede aan zijn hoofd dat hij zich ettelijke dagen niet kon vertonen. Gelukkig toverde de zalf van mevrouw Wellens de wond om tot een klein litteken.[506]  Deze vertragingen zorgden er echter voor dat Balthazar de afwezigheidstermijn voor zijn ambt had overschreden. Hij schreef daarom naar Cobenzl opdat deze zijn belangen zou verdedigen tegenover de Raad van Financiën. Balthazar liet hem echter verstaan dat de graaf van Tarouca hem steunde en dat Cobenzls eventuele verzet slechts ongepast zou zijn.

“Quelques semaines de plus où de moins d’absence devroient elles tourner à mon préjudice? Le conseil auroit-il bonne grace de le prétendre et mon collegue de l’exiger? [...]J’en ai parlé à S.E. le comte de Tarouca, il m’a dit que cela ne devoir souffrir aucune difficulté. Dans l’incertitude pourtant ou je suis à cet egaard, j’ai recours à l’equité de V.E. et dans la flatteuse attente qu’elle daignera de ne me point abandonner."[507]

 

Balthazar bleef nog tot begin augustus 1755 in Wenen maar vertrok dan terug naar Brussel. Hij had geen vaste positie in één van de vele Weense raden weten te veroveren. Met spijt in het hart nam hij afscheid van Chotek. [508]

“je brule du désir d’être utile au service de ma Souveraine, V.E. le sait. Ainsi elle peut aisement se figurer la peine que je dois ressentir d’en voir continuellement retarder le moment."[509]

 

Oorlogskassier

 

In Brussel wachtte Balthazar echter goed nieuws. Hij kon alweer beginnen inpakken. De Hoge Raad voor de Nederlanden te Wenen had aan Cobenzl geschreven dat Hare Majesteit Balthazar de Proli graag in Wenen in dienst zou nemen. Balthazar mocht zijn ambt als ontvanger-generaal behouden en zich, voor de uitvoering ervan, laten vervangen. Maria-Theresia vroeg nog wel het consult van de Raad van Financiën. Zowel Cobenzl als Karel van Lotharingen stelden Balthazar echter gerust. Zijn collega’s bij financiën zouden hem weinig kunnen maken. Ze konden niet zomaar een bevel van Hare Majesteit negeren. Balthazar was daarom dolenthousiast. Hij schreef een bedankje aan Chotek, aan wie hij deze eer te danken had.

“je me flatte que la chose se terminera selon mes desirs, et que je ne longuirai pas beaucoup après l’instant que je desire depuis tant de tems, d’être à même de pouvoir donner continuellement en personne a V.E. des preuves de la vivacité de ma reconnoissance pour les bienfaits dont elle m’honore."[510]

 

Zijn collega’s op Financiën konden Balthazars vertrek inderdaad niet tegenhouden. Ze konden het echter wel bemoeilijken en dat deden ze met veel ijver. Wederom wilden ze Balthazars vervanger niet aanvaarden. Ze eisten dat Van Overstraeten hem zou vervangen en dat Balthazar hem hiervoor jaarlijks 2000 gulden zou betalen.[511] In feite hadden ze graag gezien dat Balthazar ontslag zou nemen en zijn ambt zou verkopen. Hij was hier echter niet toe bereid zo lang hij geen zekerheid had omtrent een vaste positie aan het Weense hof.[512] Balthazar schakelde daarom Karel van Lotharingen en Cobenzl in om enkele verzachtende brieven te schrijven als tegengewicht tegen het consult van de Raad van Financiën.[513] Daarin stelden ze voor dat Balthazar slechts 1000 gulden zou betalen aan zijn collega en dit alleen in de jaren waarin hij van dienst had moeten zijn.[514]

 

Dit geregeld zijnde, kon Balthazar in oktober reeds beginnen met het verhuizen van enkele persoonlijke spullen.[515] Hij en zijn gezin volgden in november.[516] De problemen die ontstonden in verband met Balthazars afwezigheid in de Ontvangerij volgden hen jammer genoeg ook. Van Overstraeten eiste immers dat Balthazar die 1000 gulden nu ook zou betalen voor de tijd die hij afwezig was geweest in 1755. Balthazar vond dat hoogst onrechtvaardig, hij had toen immers een toestemming voor zijn afwezigheid. Daarenboven had hij liever dat niet te veel mensen in Wenen kennis namen van deze problemen.[517] Hij wou immers de herinnering aan  zijn jeugdzonden – de voornaamste reden voor de spanningen met zijn collega’s – niet opnieuw gaan oprakelen. Gelukkig bleef Cobenzl hem steunen in deze zaak.[518]

 

Het is ons niet precies duidelijk welke functie Balthazar in Wenen had. Over zijn opdracht bestaat echter geen enkele twijfel. Met de Zevenjarige oorlog (1756-1763) in aantocht had de regering extra geld nodig om zijn oorlogskas te vullen. Het was Balthazars taak om zoveel mogelijk Antwerpse en Amsterdamse kapitalisten te overtuigen om geld te lenen aan de Oostenrijkse regering. Deze regering was bereid om haar –weliswaar bedreigde – grondgebied hiervoor in onderpand te geven.

 

Het was enorm belangrijk dat de Proli’s zouden slagen in deze opdracht. Balthazar zou daardoor zijn positie in Wenen kunnen consolideren en de bank Pietro Proli kon zijn oude positie als belangrijkste staatsfinancier weer innemen. Het sprak immers voor zich dat Balthazar zijn broer, vanaf het begin, afschilderde als de ideale man om deze opdracht tot een goed einde te brengen.[519]  Zijn familie zou alles in het werk stellen om Hare Majesteit te dienen.[520]

“nous n’embitionnons l’un et l’autre que de la servir dans cette affaire au gré de ses desirs et nous y emploierons tout le zèle et le travail dont nous sommes capables, ainsi que le credit que notre nom a dans ces quartiers, heureux si nous pouvons parvenir à la satisfaire."[521]

 

De bank Pietro Proli kon deze job echter niet alleen klaren. Charles had zich reeds geïnformeerd bij zijn vrienden en die hadden geen geld om te investeren.[522] Ook zijn oom, de bankier Osy, was niet dolenthousiast om alleen met Charles in zee te gaan.[523] Naar zijn mening zou het beter zijn om bijvoorbeeld ook de bank Nettine en de het huis Cogels erbij te betrekken.[524] De relatie tussen de Proli’s en de Nettines was echter nog steeds niet hartelijk. Nettine deed de lening liever zonder de Proli’s en vice versa.[525] Balthazar formuleerde daarom een erg voordelig voorstel opdat de regering het huis Proli boven dat van de Nettines zou verkiezen. Hij redeneerde immers dat het niet van zo’n groot belang was dat ze veel winst zouden maken op deze opdracht. Het was veel belangrijker dat hun huis in de toekomst meer opdrachten zou krijgen van de regering.[526]

 

Kaunitz besliste er echter anders over. Hij gaf de opdracht aan de bank Nettine. Balthazar was erg teleurgesteld in zijn beschermheer.[527] Ook de minister Haugwitz had niet het nodige vertrouwen in Balthazar. Hij verweet hem immers dat Balthazar te veel waarde hechtte aan het welzijn van zijn huis en veel te weinig aan het welzijn van Hare Majesteit. Balthazar, die dit opvatte als een aanval op zijn eer, ging in het verweer. Hij vroeg de minister hoe hij hem kon overtuigen van zijn ijver?

“Si je pouvoir lui prouver, comme je le voudrois, la réalité de mes sentiments zelée pour l’auguste service et de la reconnoissance respectueuse et profonde veneration avec la quelle j’ai l’honneur d’être."[528]

 

Haugwitz had Balthazar hierdoor in een houdgreep. Hij kon hem op deze manier de taak opdringen om de tweede, kleinere lening te doen. Niemand wilde deze opdracht nog aannemen. Na de eerste lening zouden de Nederlandse kapitalisten immers ‘uitgeperst’ zijn. Balthazar raadde zijn broer daarom aan om niet mee te werken aan Nettines lening.[529] Charles bad van zijn kant dat Balthazar de opdracht van de tweede lening niet zou aanvaarden.[530]  Door een gebrekkige communicatie en door het lastige parket waarin Balthazar zichzelf had gemanoeuvreerd, kwamen de Proli’s met twee leningen te zitten. Aanvankelijk had Balthazar nog de verzekering dat hij tegelijkertijd met ‘la Nettine’ de inschrijvingen op zijn lening mocht openen. Vol trots schreef hij zijn broer in Antwerpen dat dit het einde zou betekenen van de Nettine-heerschappij. De staten die hij als onderpand had gekregen waren immers veel verder verwijderd van het oorlogsgeweld dan die van Nettine. Alle kapitalisten zouden daarom zijn lening verkiezen.[531]

“Malgré toutes les contradictions que j’ai à surmonter, j’ai beaucoup lieu de croire que le regne de la Nettine ne durera guère et que le notre commencera.”[532]

 

Balthazar had echter moeten weten dat Nettine het daarbij niet zou laten. Ze kreeg het voor elkaar dat Balthazar pas zou mogen beginnen met zijn lening als de hare volgestort was. Charles vervloekte zijn broer en droeg hem om op de hele zaak af te blazen. [533]  De eer van hun huis kwam immers in het gedrang.[534] Van terugtrekken kon er echter geen sprake zijn. Ook Balthazars naam stond op het spel. Nogmaals wonnen de belangen van de chef de famille het op die van de benjamin van de familie.

 

De broertjes Proli zouden de zaak dus heel voorzichtig moeten aanpakken om beide leningen te doen slagen.[535] Balthazar zou naar de Nederlanden komen om zelf te onderhandelen met enkele bevriende kapitalisten.[536] Al gauw bleek dat zijn persoonlijke aanwezigheid er echter niet veel toe deed. [537] Het vertrouwen in de leningen was vooral afhankelijk van de oorlogssituatie en die was allesbehalve hoopgevend.[538] De Amsterdamse bankiers, die al wantrouwig waren tegenover Duitse leningen, werden daarenboven nog eens gehinderd door de expliciete pro-Pruissische houding van de Nederlandse bevolking. Balthazar vreesde dat hij de dupe zou zijn van de slechte gang van zaken. Hij drukte de graaf Haugwitz daarom verschillende malen op het hart dat de mislukking van zijn missie niet aan een gebrek aan inzet kon liggen. Hij had immers al zijn retorische troeven uitgespeeld.

“j’ose esprere que V.E. daignera ne pas l’attribuer à faut de zèle, de soins ou de peines de ma part, elle peut au contraire etre persuadé que rien ne m’eut été plus satisfaisant que de pouvoir prouver dans une occasion aussi essentielle, que ma plus grande attention est de faire le service, pour meriter l’estime et l’approbation de V.E."[539]

 

“Oserois je me flatter en attendant que le malheur que j’ai dans ma commission ne sera pas suivi de celui de voir alterer la gracieuse protection dont elle a daigné m’honorer jusqu’à présent»[540]

 

Om Haugwitz helemaal te overtuigen schreef hij hem een brief waarin hij het relatieve succes van Nettines lening voor zichzelf opeiste. Natuurlijk nam hij zulke ijdele woorden niet zelf in de mond. Maar ‘het werd beweerd’ dat haar succes eigenlijk aan hem te danken was. Hij kon alleen maar bevestigen dat het inderdaad zo was dat ‘la Nettine’ de meeste inschrijvingen kreeg na zijn bezoek aan Amsterdam.

“je n’aimerois pas de croiser la levée de madame Nettine ni lui faire le moindre tort, puisqu’elle travaille aussi bein que moi pour la service. Je sais pourtant qu’on attribue a mon voiage le peu de reussite qu’elle a actuellement, mais j’ose esperer que V.E. connoit assez ma façon de penser pour ne pas prendre impression de pareils discours d’autant que les deux premiers jours après mon retour d’hollande ont été ceux ou il y a eu le plus d’inscription."[541]

 

Balthazar werkte echter niet alleen zo hard om zijn concurrente te helpen. Zo vroeg hij bijvoorbeeld aan zijn vriend uit Gent, De Wulf, of hij enkele renteniers wou zoeken die bereid waren om te wachten tot Balthazar zijn lening mocht openen. Het sprak voor zich dat De Wulf hierbij de nodige discretie aan de dag moest leggen. Het zou immers Balthazars beste dag niet zijn als ‘la Nettine’ lucht zou krijgen van wat er achter haar rug om ging.[542]

 

Begin december 1756 was de eerste lening eindelijk vol gestort. Balthazar kreeg de opdracht om met het geld terug naar Wenen te keren.[543] Zulk een onderneming was echter nooit zonder gevaar. Balthazar schreef daarom de precieze route die ze zouden volgen aan zijn ongeruste vrouw.[544] Begin januari kwam Balthazar aan in Wenen.[545] Hij bleef er echter niet lang. Hij reisde bijna onmiddellijk door naar Venetië, op zoek naar nog meer fondsen voor de oorlogskas.[546] Ook ditmaal met weinig succes. Begin maart was hij al weer terug in Wenen.[547]

 

Het verhoopte succes voor het huis Pietro Proli bleef uit, ook in de toekomst. De terugbetalingen van de leningen verliepen immers eveneens via de bank Nettine. Nochtans had Charles aangeboden om het, geheel gratis, via zijn huis te doen. Hij kon zich enorm kwaad maken in het feit dat de keizerin niet goed gediend werd. [548] Het was toch schrijnend dat de waarheid er zelden in slaagde om de troon te bereiken.[549] Noch Marie-Jeanne noch Balthazar durfden er echter iets van zeggen, uit vrees dat het hun reputatie in Wenen enkel zou schaden.[550]

 

Madame Proli à Vienne

 

Niet alleen voor Balthazar was Wenen het toppunt van zijn carrière. Ook zijn vrouw was in haar nopjes over zijn promotie. Haar vertrek ontlokte menig afgunstige verzuchtingen. Haar vrienden schreven haar welk een groot verlies haar vertrek was voor Brussel.[551] Ze waren echter stuk voor stuk overtuigd van haar welslagen in Wenen. Marie-Jeanne had immers de gave om zich overal geliefd te maken.

«je n’ai jamais douté, aimbale Mike, que vous ne soyez agréablement à Vienne. Partout où vous serez, vous aurez l’agrément, vous serez recherchée, moi tel stoïque que je sois, j’avoue que votre joli petit minois et votre nez retroussé me faisait plaisir [...] Vous êtes à portée de tout faire, votre mari a de l’esprit et vous êtes charmante, et surtout étant partagés comme vous l’êtes tous deux d’une bonne langue et au fait du langage de la Cour, vous ne pouvez manquer réussir.»[552]

 

«tout ce que vous me dites des politesses reçu dans la maison de taxis ne me surprend guère, sachent que vous été fait pour plaire à toute l’univers»[553]

 

Marie-Jeanne’s vrienden waren trouwens niet van de minsten. Onder haar correspondenten treffen we onder andere de hertogin d’Ursel, de markiezin van Los Rios en de graaf van Lagueja aan.[554] De meesten onder hen verlangden niet meer van Marie-Jeanne dan dat ze op tijd en stond van haar nieuws zou laten horen.[555] Ook haar neefje, Jerôme Limpens, bad haar om hem af en toe te vereren met een brief. In ruil zou hij haar op de hoogte houden van de gebeurtenissen in Brussel. Hij kweet zich met verve van deze taak. Zo schreef hij Marie-Jeanne over de zonen van de baron de Melroy die beiden hun verstand hadden verloren. Of over de koets van de protserige “Madame Kinsky” die gesaboteerd was.[556] In januari 1756 werden zijn brieven overheerst door de aardbevingen in Brussel, die nochtans het feestgedruis van carnaval niet hinderden.[557] Twee kerken stortten in en zijn moeder raakte bijna bedolven onder een ingestorte schouw.[558] Marie-Jeanne was echter niet zo stipt in het beantwoorden van haar brieven. Limpens wees er haar dan ook even op dat ze zich niet al te veel allures moest aanmeten. Hij wist maar al te best dat zijn vriendschap geen al te groot verlies voor haar zou zijn. Het was niettemin een verlies en men deed er goed aan om ook de basis van zijn sociale netwerk te onderhouden.

“toujous vous ecrire et ne point recevoir reponse, je crains fort, ma chere cousine, que je serai beintot degouté de ce metier, vous n’y perdiez rien, il est vrai, mais c’est toujours perdre, que d’avoir un correpondant de moins dans le sein de sa patrie, qui sera d’ailleurs aussi exacte que moi a vous marquer toutes les nouvelles.”[559]

 

Vele andere correspondenten vroegen echter meer van Marie-Jeanne dan slechts een brief. Zij rekenden op Marie-Jeanne’s invloed in Wenen om allerlei gunsten te verkrijgen. Als men immers op een goed blaadje stond bij de graaf van Kaunitz en goed bevriend was met de prinses van Aversperg, dan moest men toch iets gedaan kunnen krijgen.[560] Een zekere Lunden hoopte dat Marie-Jeanne kon zorgen voor de ratificatie van één of andere document. Hij was er van overtuigd dat hij bij haar aan het juiste adres was.

“bien persuadé que votre protection me sera plus avantageuse que toutes celles que je pouvrois rechercher et que le bon informe que mon colonel à bien voulu faire en ma faveur.”[561]

 

De markies de Los Rios vroeg haar om de kannunik t’Serstevers aan te raden voor de positie van deken in het kapittel van Anderlecht.[562] De meest opmerkelijke verzoekster was echter de markiezin van Lambertije du Pont d’oye.  Zij stuurde de officiële documenten op die de adellijke afkomst van hun geslacht moesten bewijzen. Die papieren waren immers nodig als Marie-Jeanne in naam van de markies du Pont d’oye zou gaan solliciteren voor de positie van kamerheer. Het sprak natuurlijk voor zich dat de markiezin die documenten ook graag terug had. Ze waren immers essentieel voor de toekomst van haar kinderen.

“ayez aussi la bonté quand la chose sera faite comme je n’en doute pas, de me renvoyer tous mes  papiers téls que vous les aurai réçu. Ce sont des titres, dont je ne puis me désaisir, qui sont trop essentiels pour mes enfants, je vous recommande de les mettre en mains sûres."[563]

 

Marie-Jeanne deed echter niet wat van haar gevraagd werd. Dat resulteerde in een paar boze brieven van de markiezin.[564] Ze had twee redenen om kwaad te zijn. Haar man zou geen kamerheer worden en er gingen natuurlijk geruchten dat zij hun status niet konden bewijzen.[565]

 

De smeekbeden van de markiezin lieten Marie-Jeanne echter koud. Marie-Jeanne was vooral geïnteresseerd in het vooruit helpen van haar eigen familie. Volgens de weduwe Proli, haar schoonmoeder, moest dat ook haar eerste zorg zijn. Nu had ze de kans om voor haar man een mooie positie te verwerven en om haar kinderen een prachtige opleiding te geven. Ze moest het ijzer smeden nu het heet was, wie kon immers voorspellen hoe lang Wenen hen nog zou koesteren?[566]

 

Marie-Jeanne beheerde de zaken van haar man, tijdens zijn langdurige afwezigheden, met verve. Ze werd daarin bijgestaan door Cels en haar schoonbroer Charles de Proli.[567] Vooral die laatste was enorm trots op de manier waarop Marie-Jeanne de zaken aanpakte en bekende dat hij haar verkoos boven Balthazar.[568] Marie-Jeanne wist zich inderdaad heel goed te redden. Zo slaagde ze erin om de prins van Salm Salm te overtuigen dat hij zijn verblijf in Wenen om budgettaire redenen best zo kort mogelijk maakte.[569] Ook Balthazars vrienden waren in goede handen bij Marie-Jeanne. Zo verkreeg ze voor Charlé een aanbevelingsbrief voor de minister in Lissabon.[570] De neef van Verpoorten bezorgde ze een promotie tot Luitenant. Verpoorten, de nieuwe directeur van de Compangie van Triëste en Fiume, bedankte haar hiervoor.

“souffrez madame que je vous en fasse mille remerciements puisque je n’attribue ce prompt avancement qu’a votre bonne recommandation que je vous supplie de vouloir bien lui continuer a l’occassion."[571]

 

Jammer genoeg lukte het haar niet om haar eigen man de functie van president van de Rekenkamer, die na het overleden van Cordeys vrijkwam, te bezorgen.[572]

 

Marie-Jeanne had echter ook aandacht voor haar bredere familie. Haar gunsten varieerden echters sterk in omvang. Voor een klein visje als Jean de Wispien wist ze een portret van Kaunitz te versieren dat hij kon ophangen in zijn buitenverblijf Kalickhoven.[573] Voor haar neef Arnould Wautier Limpens moest ze echter alle registers open trekken. Hij had haar immers graag vervoegd in Wenen.[574] Hij hoopte er de kanselier van Brabant te vervangen, de man was immers doodziek. Marie-Jeanne moest er echter voor zorgen dat de concurrentie, bestaande uit Robiano, Cordeys en de Neny, werd uitgeschakeld.[575] Wanneer de kanselier stierf, bleek echter dat men hem niet wenste te vervangen. Deze beslissing maakte deel uit van enkele besparingen die men wou doorvoeren in de Hoge Raad voor de Nederlanden te Wenen.[576] In feite was Kaunitz bezig om deze raad langzaam aan te ontmantelen. Hij kon immers niet om met de groeiende ‘esprit national’ van haar leden. Wanneer de graaf van Tarouca op pensioen ging, maakte Kaunitz gebruik van de gelegenheid om de raad volledig af te schaffen.[577] Dat gebeurde in 1757, hetzelfde jaar waarin Limpens onverwacht stierf.[578]

 

Compagnie bis

 

Balthazar was na zijn eerste missie in Fiume nog niet verlost van de kopzorgen die de compagnie hem opleverden. Tussen de directeurs en de inspecteur boterde het immers niet.[579] Arnoldt beschuldigde Kennedi onder meer van dronkenschap en wreedheid tegenover de arbeiders. Een beschuldiging die de Antwerpse gedeputeerden ernstig wilden onderzoeken. Ze waren immers als de dood dat de problemen binnen de directie de activiteiten van de compagnie weer zouden hinderen. In juni 1755 brachten ze Balthazar hiervan op de hoogte en vroegen ze hem om een regeling te treffen met Chotek.[580] Balthazar wist echter dat Chotek niet blij zou zijn met de beschuldigingen tegen zijn vertrouweling Kennedi. Balthazar besloot daarom het probleem op eigen houtje op te lossen. Hij schreef de Antwerpse gedeputeerden dat het niet nodig was om zo van stapel te lopen. [581] Een waarschuwing aan het adres van Kennedi leek hem voldoende. Balthazar had er alle vertrouwen in dat Kennedi hem zou gehoorzamen.

il est de vôtre gloire de couper court à la société de ceux qui pourroient vous y entraîner, afin que S.E. n’en ait jamais aucune information, vous en concevrez aisement toutes les funestes consequences et comme je vous connois tous les sentiments d’honneurs qu’on peut avoir, je ne dois pas vous dire d’avantage. [...] aussi suis-je certain que connoissant le coeur qui parle par ma plume, vous aurez bon gré de mes représentations, et y aurez assez d’égard pour me donner au plutôt une reponse consolante, qui m’annoncera de votre part une resolution telle que j’ai lieu d’attendre de votre prudence et de votre fermeté, j’ose même y joindre de vôtre amitié pour moi."[582]

 

Kennedi’s antwoord overtuigde Balthazar ervan dat hij juist had gehandeld. Kennedi ontkende immers alle beschuldigingen aan zijn adres. Al deze aantijgingen maakten deel uit van een complot dat men tegen hem aan het smeden was. Balthazar, ervaringsdeskundige op het gebied van complotten, voelde een zekere sympathie voor Kennedi en gaf hem daarom enkele tips om met zijn belagers om te gaan.[583] Het leek alsof Aldegonde door zijn mond sprak.

"Je ne puis que vous repetez ce que je vous ai dit dans ma precedente, que le mepris est le juste partage des calomniateurs, et que s’est faire tort a sa propre gloire et les honorer pour ainsi dire que de s’alarmer de leurs discours au point que vous le faites.”[584]

 

De klachten over de directie van de compagnie bleven echter binnenstromen. Het duurde daarom ook niet lang voor de Antwerpse gedeputeerden zich weer begonnen te roeren. Ditmaal schreven ze rechtstreeks naar Chotek. Indien er geen maatregelen getroffen werden dreigden ze ermee niet langer te investeren in de compagnie.[585] Charles de Proli hield zich echter afzijdig en ondertekende de brief van zijn collega’s gedeputeerden niet. Hij wou zijn broer immers niet compromitteren. Hij stelde Balthazar zo in de mogelijkheid om de missie te weigeren en zich buiten schot te stellen.[586] Balthazar maakte gebruik van Charles’ aanbod en weigerde naar Fiume te gaan.[587]

 

Achteraf gezien bleek dat echter een vergissing. Kennedi was inderdaad niet te vertrouwen. In 1758 verdween hij, samen met een grote som geld van de compagnie, spoorloos. Cels was woedend, niet alleen om Kennedi’s vlucht maar ook om de nadelen die Balthazar door deze man had ondervonden. Ondanks Charles pogingen om zijn broer buiten schot te houden was de relatie tussen Chotek en Balthazar toch wel enigszins verkoeld.[588] Balthazar zou nu echter weer gevraagd worden door de Antwerpse gedeputeerden om naar Fiume te gaan.[589] Cels was van mening dat Balthazar deze opdracht mocht weigeren indien hij hierdoor enkele mooie kansen zou missen in Wenen. Nochtans was dit wel het moment om Chotek van zijn ongelijk te overtuigen en diens vertrouwen in Balthazar te herstellen.[590] Ook Marie-Jeanne zou haar duit in het zakje kunnen doen. Cels stuurde haar immers een kopie van een nogal ruwe brief van Chotek gericht aan de Antwerpse gedeputeerden. Misschien kon ze er handig gebruik van maken?[591]

 

In juni vertrok Balthazar naar Fiume. Hij had echter al gauw spijt van zijn beslissing. Alles liep er weer in het honderd en de directie probeerde hem zo veel mogelijk te dwarsbomen.[592] Zelfs de arbeiders van de compagnie waren niet vriendelijk tegen hem.[593] Mygind, de vertrouwensman van Chotek, kwam Balthazar ook niet te hulp. Hij spendeerde zijn tijd met het zoeken van planten en kruiden om te bestuderen.[594] Het lot van de compagnie kon hem blijkbaar gestolen worden. Balthazar beklaagde zich verschillende malen over het gebrek aan tact en scholing van deze man.[595] Daarenboven maakte Mygind Balthazar alleen maar zwart bij Chotek. Balthazar kon zich echter niet meer eervol terugtrekken. Hij zou er blijven om de Antwerpse gedeputeerden te dienen, die hadden tenminste nog vertrouwen in hem.[596]

 

Choteks begon zijn mening over Balthazar echter te veranderen toen deze afkwam met heel wat bezwarend bewijsmateriaal tegen de directeurs. Zij hadden immers heel wat belangrijke documenten laten tekenen door ondergeschikten, zonder ze zelfs maar te controleren.[597] Balthazar vond zelfs een document waarin het gestolen geld aan Kennedi werd overhandigd. De directie had het document – waarschijnlijk zonder het te lezen – zelfs getekend.[598]   Marie-Jeanne kreeg de eer om dit alles aan de minister mee te delen.[599]

 

Mygind was natuurlijk niet gediend met Balthazars ontdekkingen. Hij besloot daarom zijn lastercampagne naar het juridische niveau op te tillen.[600] De brieven geven echter geen informatie over de inhoud van de aanklacht. Balthazar hoopte dat Chotek tussenbeide zou komen. Marie-Jeanne en de prinses van Aversperg moesten hem hiertoe overtuigen.[601]  Chotek liet de twee kemphanen echter aan hun lot over. Als Balthazar gelijk had dan zou hij hem bedanken om hem te wijzen op een fout van een man die hij – ten onrechte – blindelings vertrouwde.[602]

 

Balthazar stond er dus alleen voor. Hij vond zelfs geen advocaat die hem wou verdedigen. Niemand was bereid om tegen Mygind in te gaan. Tot overmaat van ramp legde Wellens een valse verklaring af. [603]  Balthazar kreeg alleen de steun van een locale jongeheer, Bono. Hij verdiende het om aanbevolen te worden bij de prinses van Aversperg. Balthazar vertrouwde erop dat zijn vrouw hiervoor zou zorgen.[604] Hij dankte haar voor alle hulp die ze hem bood in deze moeilijke tijden. Zij wist wel hoe na zijn eer hem aan het hart lag. [605]

 

De brieven geven ons geen inzicht over de precieze afloop van de rechtzaak. Het is echter wel duidelijk dat Balthazar aan het langste eind trok. Er werd in de verdere geschiedenis van de compagnie immers met geen woord meer gerept over Mygind. De compagnie stond voortaan onder de leiding van Ignace Verpoorten en Balthazar bleef nog geruime tijd aan als commissaris. Deze Verpoorten toonde zich heel ijverig. Hij had grootste plannen met de suikerraffinaderijen van de compagnie.[606] De suiker zou zo goed worden dat ze zelfs met Hamburg konden concurreren.[607] Marie-Jeanne kreeg de eer om een eerste staal te overhandigen aan Hare Majesteit.[608]

 

Balthazar pendelde in 1759 verschillende malen tussen Wenen en Fiume. In Wenen trachtte hij de handel in suiker te organiseren. Het leek hem het best om hiervoor een magazijn op te richten.[609] De directeurs van de compagnie vonden het van hun kant echter beter om rechtstreeks met de kruideniers te onderhandelen.[610] Balthazar dreef zijn eigen willetje echter door, dit tot groot ongenoegen van de directeurs.

“vous devez scavoir monsieur, jusqu’ou s’étend votre commission. Nous scavons que la notre est de faire le service de directeurs. C’est à dire diriger, et diriger ne veut pas dire être dirigé, ainsi comme directeurs etant responsables de toute la direction des affaires de la compagnie. Nous devons scavoir ce que nous avons a faire.”[611]

 

Die konden echter weinig beginnen tegen Balthazar. Hij had immers de onvoorwaardelijke steun van de minister en van de Antwerpse gedeputeerden.[612] 

Verpoorten zag Balthazar daarom niet meer zo graag in Fiume komen.[613] Hij probeerde er dan ook voor te zorgen dat Balthazar, nadat hij de financiële rompslomp met de oude directeurs had afgehandeld, niet meer zou blijven. [614] Verpoorten was niet beschaamd om daar alle middelen voor in te zetten. Hij schreef de Antwerpse gedeputeerden dat hun commissaris het nogal breed liet hangen. Niet alleen had hij de beste kamers voor zichzelf opgeëist en had men een stal moeten bouwen voor zijn paarden, hij had ook nog eens een theatergezelschap uitgenodigd en dit allemaal op kosten van de compagnie. Cels vermoedde dat Verpoorten dit allemaal sterk overdreven had, niettemin schreef hij Balthazar om hem te herinneren aan zijn voorbeeldrol.

“il est certain monsieur, que si vous ne menez pas costi, une vie reglé, telle qu’un honnet homme de vortre sorte qui a femme et enfans a entretenir le doit faire, votre credit en souffriraient beaucoup parmi les principals interessés d’icy, qui comme vous scavez, par experience, sont des gens qui ne depensent point ce qu’ils ont annuellement et chez qui un homme qui mange largement sont revenu, n’y a point de credit.”[615]

 

Nochtans vond Cels het ook geen goed idee om nog langer in Fiume te blijven. Balthazar kwam best terug naar huis, niet alleen omdat zijn moeder zwaar ziek was, maar ook om nu eindelijk eens een goede en vaste positie binnen het Oostenrijkse regeringsapparaat in te nemen. Charles wou zich stilaan ook gaan verwijderen van de compagnie, die hem uiteindelijk veel ellende had gekost en dit niet alleen financieel. Balthazar was het eigenlijk verplicht aan zijn broer om zich nu eindelijk te settelen. Charles had immers veel moeten opofferen voor zijn broer.

“je n’ai jamais vu d’amitié pareille a celle que monsieur votre frere vous porte, car je crois qu’il sacrifiroit et santé et argent pour vous voir heureux ... rien n’est plus necessaire tant pour votre santé que pour l’avantage de vous, de votre epouse et de vos enfans qu’apres toutes les courses et les fatigues de 4 années d’absence vous soiez bien et solidement placé, c’est a quoi il faut travailler et Mr. Votre frere va faire au meme effet les derniers efforts et mettre en usage toutes les ressources practicables."[616]

 

Cels hoopte dat al hun moeite niet voor niets was geweest. Hij twijfelde echter sterk aan Choteks goede bedoelingen.

“ce minister vous fait bonne mine et mauvais jeux."[617]

 

 

4.3. Brussel

 

Cels wantrouwen bleek gegrond want Balthazar kon zijn positie in Wenen niet consolideren. Cels besefte maar al te goed hoe frustrerend dat voor hem moest zijn. Hij deed er nu echter goed aan om terug naar Brussel te keren en zijn taak als ontvanger-generaal weer op te nemen. In combinatie met het pensioen van 2000 gulden dat hem was toegezegd verdiende hij immers evenveel dan de presidenten van de verschillende raden, zonder de verplichting om dagelijks op die raad aanwezig te zijn. Hij kon zo een luilekker leventje gaan leiden en er naast zijn comfortabele huis in Brussel nog een buitengoed bijnemen. De voornaamste reden om zich te vrede te stellen met deze regeling was echter dat Balthazars oudste zoon zijn vader zou kunnen opvolgen als ontvanger-generaal.[618]

 

Balthazar volgde Cels raad op en deed dus een stapje naar beneden. Deze vernedering werd geprojecteerd in zijn brievencollectie. Na 1760 werden nog nauwelijk brieven bewaard. Alleen de schriftelijke neerslag van de zoektocht naar een echtgenoot voor Balthazars dochter ‘Flore’ haalde de archieven.

 

Balthazars zuster Mosconi de Frosconi schreef in maart 1778 voor het eerst aan haar broer over een prachtige huwelijkskandidaat die ze in Milaan op het oog had voor zijn dochter. Deze kandidaat was echter te hoog gegrepen zolang ze door de heraldische raad niet erkend werden als afstammelingen van de Priuli’s. Jongemannen vroegen immers eerst naar de afstamming van hun ‘liefjes’ en vervolgens naar de bruidschat.[619] Zij zou echter voor die erkenning zorgen. Als Balthazar haar financieel ter hulp wou komen. Men had haar verteld dat ze er met 100 ducaten wel vanaf moest komen.[620]

 

0p 18 januari 1779 kregen de Proli’s de toestemming om het wapen van de Priuli’s te dragen. Ze werden officieel erkend als hun nazaten.[621] Het duurde echter tot het einde van datzelfde jaar vooraleer Balthazars zuster een geschikte huwelijkskandidaat voor haar nichtje vond. Toen ze haar broer schreef had ze reeds onderhandeld over de huwelijksvoorwaarden. De jongeman Pozzi wenste dat Balthazar hem aan een ambt zou helpen en hij had graag een bruidsschat van maar liefst “100 000 livres” gehad. 50 000 voor en 50 000 na Balthazars dood.[622] Mevrouw Mozzoni de Frosconi was zeer tevreden over haar ‘vangst’. De kosten die ze hadden gemaakt om het wapen van de Priuli’s te mogen dragen loonden wel degelijk.[623]

 

Balthazar was daar echter niet zo van overtuigd. Hij wachtte veel te lang met zijn antwoord naar zijn zusters zin. Ze waarschuwde hem dat hij best nu kon solliciteren voor dat ambt. Anders zou de jongeheer Pozzi door een andere familie weggekaapt worden.[624] Ze verzekerde haar broer nogmaals dat Pozzi echt een goede partij was. De informatie die Balthazar had gekregen over hun afstamming was niet correct. Ze kon hem verzekeren dat de Pozzi’s geen notarissen in hun stamboom hadden.[625] Ze zou haar eigen broer toch niet beliegen? Ook op zijn persoonlijkheid had ze niets aan te merken.

“vous ne devez pas croire que si je vous avez proposer un banquier je vous l’aurez nommée chevallier.”[626]

 

“pour le personnel je vous assure qu’on ne peut rien desirer d’avantage il est aimable car il a un tres bon caractere doux complaisante, il ne manque pas d’esprit, il n’a aucune vice il est jolie, et a un respect tres grand a son pere et a sa mere, qu’il aime et de qu’il est aimée tendrement, voici son portrait”[627]

 

Het werd dus hoog tijd dat Balthazar voor dat ambt zou zorgen. Pozzi’s vader werd immers ongeduldig. Alleen Flore’s schoonheid en haar Vlaamse opvoeding zorgden voor enig respijt.[628] Mevrouw Frosconi de Mozzoni slaagde erin om Pozzi’s vader nog enkele maanden aan het lijntje te houden. Balthazars antwoord kon immers elk moment komen. Maar Balthazars antwoord bleef uit. In juni 1780 kwam vader Pozzi daarom melden dat zijn zoon en haar nicht twee vrije mensen waren. Hij vatte Balthazars stilzwijgen immers op als een afwijzing. Balthazars zuster schreef  een boze brief aan haar ondankbare broer. De zaak was verloren. Ze zou hem niet meer schrijven, aangezien haar brieven hem blijkbaar tot last waren.[629]

 

In september kwam er echter toch antwoord van Balthazar. Die beweerde haar reeds lang geleden geschreven te hebben dat hij het ambt niet had verkregen. Zijn brief moest echter verloren gegaan zijn. Vertelde Balthazar hier de waarheid? Of was het een leugentje om bestwil? De laatste optie lijkt ons waarschijnlijker, er werden immers geen brieven bewaard aan hun oude beschermheren Kaunitz, Chotek of Haugwitz om in Pozzi’s naam te solliciteren. Balthazars leugentje had succes. Zijn zus vergaf hem en zou ook de plooien met de familie Pozzi glad strijken.[630] Het onderhouden van een sociaal netwerk vroeg nu eenmaal om de nodige inventiviteit.

 

 

Hoofdstuk 5: Risicovolle investeringen

 

5.1. Balthazar

 

Het Proli-imperium had al meerdere malen gewankeld. Gekruist door het lot, verloren ze op korte tijd hun chef de famille, Pietro, en zijn opvolger, Jean-Jacques. Aldegonde nam echter zonder veel problemen de rol van gezinshoofd over. Ze had immers ervaring genoeg, Pietro verbleef aan het einde van zijn leven regelmatig voor langere tijd in Milaan.[631] Ook voor Jean-Jacques vond ze snel een vervanger in haar tweede zoon Balthazar. Die speelde zijn rol voorbeeldig in Leuven en Leiden waar hij zich ontpopte tot een goede student. Daarna liet hij het echter afweten en bracht hij door zijn gedrag schande over de Proli’s. Hij verloor bijna zijn duurbetaalde ambt en stapte in het huwelijksbootje met Marie-Jeanne de Clotz zonder de toestemming van de weduwe Proli. Het kwam hierdoor tot een tijdelijke breuk met zijn familie en even zag het ernaar uit dat de post van chef de famille nogmaals zou worden doorgeschoven. Ditmaal, ironisch genoeg, naar de benjamin van het gezin.

 

Gelukkig wist Balthazar, met de hulp van zijn kersverse bruid, zich tijdig te herpakken. Nog voor ze naar Brussel terugkeerden gingen ze langs bij de weduwe Proli om het hele zaakje af te zoenen. Het tweetal vestigde zich in Brussel, alwaar Balthazar begon met de uitoefening van zijn ambt. Hij toonde zich zeer ambitieus en zorgde ervoor dat dit feit onder de aandacht van enkele belangrijke ministers werd gebracht. Hierdoor verwierf hij een paar opdrachten die hem achtereenvolgens naar Fiume en naar Wenen brachten. Jammer genoeg kon hij zijn positie in deze laatste stad niet consolideren. In Brussel zat hij – als ontvanger-generaal - echter als gebeiteld.

 

Dat werd nog het best geïllustreerd door de gebeurtenissen in 1783. Aldegonde’s aloude vrees werd toen waarheid. Bij de hervorming van de staatscomptabiliteit besliste men dat het ambt van ontvanger-generaal voortaan slechts door één ambtenaar zou worden uitgevoerd. Men benoemde Edouard de Walckiers, de schoonzoon van ‘la Nettine’, voor deze functie.[632] Balthazar trachtte men af te schepen door hem wegens gezondheidsredenen op pensioen te sturen.[633] Marie-Jeanne zou zoiets niet laten gebeuren en schreef al haar contacten aan. Vriendjespolitiek paste echter niet in het ethos van Jozef II. Eén van haar correspondenten waarschuwde haar dan ook om slechts Kaunitz en de Zuid-Nederlandse minister Belgiojoso aan te schrijven. De bescherming van anderen was onder dit regime niet alleen onnuttig maar mogelijk ook schadelijk. Hij verzuchtte dat men er in Wenen al niet meer van opkeek wanneer respectabele dienaars met een jarenlange ervaring, zoals uw man, zomaar opzij werden geschoven.

“Au reste ma chère comtesse, ce qui vous arrive est arrivé ici a nombre de personnes; qui étaient en place et qui avaient bien serai et long tems.  Je ne vous dis pas cela par forme de consolation, elle seroit trop mauvaise, mais je veus dire seulement qu’on est deja tout habituée ici à de pareils evenements, en sorte qu’ils ne sont plus chez nous les mêmes sensations qu’ils sont chez vous, où ils  sont plus nouveaux.  Ce n’est pas cependant, qu’en mon particulier, je ne sent trés vivement tout ce que vous sentez."[634]

 

Zeer waarschijnlijk volgde Marie-Jeanne deze raadgevingen op en schreef ze Kaunitz. Met resultaat, want Balthazar kreeg een jubileumviering aangeboden waarop hij benoemd werd tot controleur van de Algemene Ontvangerij.[635]

 

Het mocht wel duidelijk zijn dat Balthazar ‘den stouten jong’ had plaatsgemaakt voor Balthazar ‘de brave en ijverige burger’. De fatale klap voor de Proli’s kwam dan ook niet van hun ‘enfant terrible’ maar wel van de benjamin van de familie. Dit was niet alleen voor de Proli’s een grote verassing, maar ook voor de rest van de wereld. Charles en in extenso het bankhuis Pietro Proli hadden immers een goede en betrouwbare naam.

 

 

5.2. Charles

 

Ongebreidelde ambities

 

Charles had sinds 1751 onder de vleugels van moeder Proli gewerkt .Ook na haar dood in 1761, bleef Aldegonde’s temperende invloed merkbaar in Charles’ zaken. Hij hield zich begin jaren zestig slechts bezig met weinig risicovolle commerciële ondernemingen. Na 1763 begon Charles strebermentaliteit echter meer en meer aan de oppervlakte te komen.[636] Jammer genoeg was er ditmaal geen sterke vrouw die Charles’ ongebreidelde ambities kon in tomen. Cornelia Petronella Van der Linden had immers weinig zeggenschap over haar man zoals mag blijken uit haar brieven. Op 16 januari 1776, bijvoorbeeld, schreef ze haar man te Wenen  het volgende: “Ik mankeer niet Godt te bidde, hoope U geluckig en gesont sult tuys koomen, hetgeen ben wenschende dat Ued. content sult syn om de reeden u naer Weenen vertrocke sydt. Waer om het is ende weet ik niet, alhoewel wel redlyck soude syn dat de vrouw soude van verwettig syn alsoo myn intreste is, te wetten of de afferrens wel ghaen.”[637]

 

In de jaren zestig en zeventig interesseerde Charles zich vooral in industriële ondernemingen en in de landwinning. Hij kocht uitgestrekte landerijen aan in de Antwerpse Vóór-Kempen en in de Moeren. Hij stond mee aan de basis van een jeneverstokerij op Mishagen en vervoegde de in 1752 gestichte Compagnie der Houtzaagmolens. De ‘compagnie’ in de suikerraffinaderij Cels, Aerts en Compagnie stond in feite enkel en alleen voor Charles de Proli. Zijn meest winstgevende onderneming was echter de katoendrukkerij van Dambrugge.[638] Op basis van zijn bedrijvigheid meende Charles zichzelf te mogen bewieroken als één van de meest innovatieve mannen – op economisch vlak - die de Zuidelijke Nederlanden hadden gekend. Charles’ beweringen waren – zoals Houtman-De Smedt onthulde - niet geheel gebaseerd op de waarheid. Ze toonden echter zeer goed zijn vurige wens aan om als een belangrijk personage en een homo novus erkent te worden. Charles was dan ook voornamelijk bezig met het binnenrijven van complimenten. Hij had veel minder aandacht voor de precieze gang van zaken in al zijn ondernemingen. Dat was ook haast onmogelijk gezien het te veel aan hooi dat hij op zijn vork had genomen. Mede door deze nonchalance leverden Proli’s ondernemingen niet altijd de gewenste winsten op. Deze teleurstelling en de aloude droom zijn roemrijke vader te evenaren dreven Charles eind jaren zeventig en begin jaren tachtig daarom in de richting van de koloniale handel.[639]

 

Conspicuous ‘everything’

 

Charles uitzinnige ambities uitten zich niet enkel in zijn economische activiteiten. Zijn omgeving en zijn persoonlijke contacten werden ook sterk gekleurd door zijn zoektocht naar erkenning. Een mooie aanduiding daarvan zijn de steeds groeiende bedragen voor persoonlijke onkosten die in zijn boekhouding werden ingeschreven. Ettelijke gulden gingen naar zijn garderobe, veelal van Italiaanse makelij. In zijn immense huis aan de Antwerpse schoenmarkt bewaarde hij verschillende kostbare schilderijen en een bibliotheek van onschatbare waarde.[640] Gasten die hij ontving in Antwerpen of op zijn buitengoed ‘Mishagen’ –waar hij een classicistisch kasteel had laten optrekken - werden ondergedompeld in luxe. Een rijk assortiment aan drank en spijzen werd hen aangedragen op de mooiste porseleinen schotels. Anderen hadden het geluk om uitgenodigd te worden in Charles’ loge in het theater van het Antwerpse tapissierspand. Na afloop van het theaterstuk konden ze zich dan terugtrekken in de “ijskelder” die hij daar bezat.[641] 

 

Charles’ imago werd echter niet alleen in stand gehouden door uiterlijk vertoon. Zijn hele levenswijze straalde elegantie en verfijndheid uit. De inhoud van zijn boekencollectie toonde hem als een liberaal en nogal Frans georiënteerd denker. Vooral het Franse theater van Corneille, Racine en Molière boeide hem mateloos. Hij profileerde zich graag als patroon van de kunsten en steunde daarom ondermeer de Brusselse schouwburgen.[642]

 

Charles, overtuigd van zijn eigen grootsheid, achtte het niet meer dan normaal dat hij zich alleen inliet met de crème de la crème van zijn tijdgenoten. Voor zijn kinderen gold hetzelfde. Zij mochten zich alleen verloven met iemand die hun status waardig was, maar hem het liefst van al nog verhoogde. Charles gaf zijn kinderen ook steeds exuberante bruidsschatten mee. Het leek wel alsof hij zijn schoonfamilie moest overtroeven. Zijn tactiek had echter alleen omgekeerde effecten: niet alleen verloor hij enorm veel geld, hij werd ook nog eens vreemd bekeken door zijn omgeving.[643] Charles had niet begrepen dat het begrip ‘conspicuous consumption’ niet toepasbaar was op het sociale bedrijf.[644]

 

Een oude droombis

 

Terwijl Balthazar leefde als God in Frankrijk stapelden de donderwolken zich op achter deze façade. Charles’ enthousiasme voor het koloniale avontuur haalde immers de bovenhand op zijn gezonde koopmansverstand. Hij begon onnodige risico’s te nemen. Toen hij in 1781 de virtueel failliete Aziatische Associatie van Wilhelm Bolts overnam tekende hij in feite zijn eigen doodsvonnis. Het is onbegrijpelijk hoe een ervaren koopman als Charles zomaar een zaak met schulden kon overnemen zonder zelfs maar een idee te hebben van de omvang van die schulden. Er gebeurden echter nog meer vreemde zaken. Het beginkapitaal van de nieuwe compagnie op aandelen werd in realiteit nooit volgestort en haar activa bleven daardoor ver beneden de geplande twee miljoen Duitse gulden. Men begon daarom al snel te werken met blancowissels. De hele Compagnie was dus op drijfzand gebouwd. Het zou niet lang duren voor de eerste problemen zich zouden aankondigen.[645]

 

In tussentijd leek het alsof er geen vuiltje aan de lucht was. Het vertrouwen in de bank Pietro Proli bleek sterker dan ooit, het aantal deposito’s steeg immers exponentieel in het begin van de jaren ‘80. Dat vertrouwen was echter gebaseerd op een kleine truc van Charles’ kant. Deze had een enorm bedrag geplaatst bij de kassier François Emmanuel van Ertborn om zo te laten uitschijnen dat hij in goede papieren zat. Niets was echter minder waar, het aandeel van Charles’ middelen in de Aziatische Compagnie was zelfs verwaarloosbaar. Hij moest noodgedwongen terugvallen op al dat slapend kapitaal dat men hem had toevertrouwd. Charles creëerde hierdoor een wel zeer explosieve situatie. Indien deze mensen in een sfeer van paniek massaal hun geld zouden opvragen was er geen mogelijkheid dat Charles aan hun verzoeken kon voldoen. De bank Pietro Proli had onvoldoende reserve’s om het hoofd aan zulk een situatie te bieden.[646]

 

In 1783 was het faillissement eigenlijk al een feit. Door omstandigheden had geen enkel schip van de Compagnie de terugreis kunnen maken. De goederen die zij vervoerden vormden echter de borg op de blancowissels die men had uitgeschreven. Men had het vel van de beer dus verkocht voor hij geschoten was. Men wist dit acute cashflow probleem echter ‘op te lossen’ – lees: verdoezelen - door te lenen op het bankhuis Kick te Marseille en op het bankhuis Perrouteau Delon en Compagnie te Parijs. Toen deze laatste bank begin 1785 ten onder ging in het faillissementenspoor dat de ondergang van het Amsterdamse huis Thomas Hope Heyliger had achtergelaten, was het hek helemaal van de dam. Alle wissels die door dit huis werden uitgeschreven voor de compagnie werden nu geprotesteerd. Charles kon geen kant meer op. De aandeelhouders van de Compagnie kwamen nu zelf in actie. De weduwe van Louis de Wulf liet beslag leggen op het schip “den Keizerlijken Arend”.[647]

 

Het leek er nog even op dat de regering van de Zuidelijke Nederlanden Charles ter hulp zou komen. Op 7 februari kreeg hij immers één jaar uitstel van betaling. Een week later werd deze gunst echter weer ingetrokken op persoonlijk bevel van Jozef II.[648] Zijn oordeel over Charles was bijzonder hard: “Le comte Charles Proli a été de tous tems une mauvaise tête et un homme dont la mauvaise économie domestique, le peu de bonne foi et de délicatesse dans le choix de ses moyens pour parvenir à ses buts, ne pouvoient jamais inspirer de la confiance[649] 

 

Het vertrouwen in Charles smolt ook bij anderen als sneeuw voor de zon en de gevreesde paniekopvraag was onafwendbaar. Charles vluchtte naar Brussel op 13 februari 1785, de dag waarop zijn huis bankroet werd verklaard. Hij had de bui duidelijk zien hangen en was niet overhaast vertrokken. Heel wat kostbare spullen werden later teruggevonden in het huis van Delsaux, één van de weinige vrienden die Charles bleef steunen. Bij anderen was het vertrouwen echter zodanig gebroken dat zij Charles zelfs trachtten te verbieden om naar Antwerpen terug te keren. Naar hun mening zou hij de afhandeling van de faillissementen alleen maar vertroebelen en nog meer kostbare spullen uit zijn huis vervreemden. De gouverneurs-generaal waren hem echter gunstiger gezind en verleenden Proli nog een vrijgeleide voor een half jaar.[650]

 

In die tijd moest hij getuige zijn van de advertenties in de Gazette van Antwerpen voor de openbare verkoop van zijn inboedel. En in 1786 ging ook zijn onroerend goed onder de hamer. Verschillende auteurs meenden dat Charles, niet opgewassen tegen deze ellende, zichzelf van het leven beroofde. Een waarschijnlijke verklaring gezien zijn passionele karakter. Houtman-De Smedt vond echter een tegenbewijs. Charles werd op 18 september 1786 – twee dagen na zijn dood – immers begraven in de gewijde aarde van het Brusselse Sint-Goedele-kerkhof, iets dat voor zelfmoordenaars toen bij wet verboden was. We houden het daarom best bij de volgende doodsoorzaak: “van apoplexie geslagen”.[651]

 

Bankroet van de naam Proli

 

Charles’ dood bevrijdde hem al snel van alle zorgen. Zijn nazaten moesten echter zien te overleven in deze nachtmerrie. De beloften die Charles had gemaakt bij de huwelijken van zijn kinderen konden nu natuurlijk niet meer waargemaakt worden. Het is zeer waarschijnlijk dat de scheiding van zijn zoon Carolus Cornelius Proli hieraan te wijten was. De familie Vilain XIIII had immers alleen in het huwelijk toegezegd omdat Carolus zijn vader zou opvolgen in de zaak. Toen die mooie toekomst echter in rook op ging en Carolus zelfs veel moeite had om een deel van zijn huwelijksgift van 100 000 gulden te behouden, dacht de familie Vilain XIIII al heel anders over haar schoonzoon. Van de 700 gulden die Maria Sophia Coletta Ghislena Vilain XIIII in het huwelijk had ingebracht kon het gezin immers niet leven, althans niet op stand. Het koppel besloot daarom om elk weer hun eigen weg te gaan. Die weg leidde Carolus naar het landelijke Essen, waar hij twee hoeven en de bijbehorende gronden kocht. Hij liet er later nog een bescheiden woning optrekken waarin hij op 8 november 1803 kwam te overlijden.[652] Zijn zonen verging het niet veel beter. Zijn oudste zoon – Charles Marie Gislène Armand -overleed reeds op 33-jarige leeftijd. Hij bleef ongehuwd bij gebrek aan financieel kapitaal, maar waarschijnlijk eveneens bij gebrek aan symbolisch kapitaal. Zijn jongere broer – Marie Philippe Pierre Gislène – kwam na zijn omzwervingen als officier in Oostenrijkse dienst ook in Essen terecht. Hij spendeerde er de rest van zijn leven in armoede en stierf op 4 mei 1864. Zijn oudste zoon, tevens Philippe de Proli, was de laatste naamdrager van de familie Proli. Hij had het nog tot luitenant-kolonel geschopt. Bij zijn overlijden op 9 maart 1878 doofde het geslacht Proli weinig eervol uit.[653]

 

Ook Balthazar de Proli en zijn zonen voelden de gevolgen van Charles faillissement. De naam Proli had immers een negatieve bijklank gekregen in Weense regeringskringen. Statusuitbreiding zat er voor Balthazar daarom niet meer in. Joseph II achtte hem immers ongeschikt voor de post van Intendant van Brussel.[654]  Zijn positie als controleur van de Algemene Ontvangerij kon hij wel behouden. De Brabantse revolutie en even later de Franse invasie dreven hem echter weg uit Brussel. Hij stierf in 1804 op 82-jarige leeftijd te Hesse.[655] De carrière van Balthazars oudste zoon, Jeanne Pierre Berthold, was beloftevol begonnen. Sinds 1774 was hij auditeur bij de Rekenkamer.[656] Hij had echter het karakter van zijn oom Charles geërfd.[657] Zijn ambities lagen bijgevolg niet bij een ‘veilige’ carrière in regeringsdienst. Hij droomde veel meer van een groots koloniaal avontuur. In 1781 vertrok hij daarom naar het Oosten. Uit hoofde van zijn ambt ging hij daar zijn licht opsteken over de mogelijkheden tot uitbreiding van de Oostenrijkse economie.[658] In Indië richtte hij “la compagnie de commerce de la mer rouge” op. Men beweerde dat hij hierdoor op minder dan een jaar tijd miljonair werd.[659] Na twee jaar keerde Jean-Pierre terug. Niet naar Brussel, wel naar het Parijs van zijn studententijd waar hij zich voornamelijk bezig hield met beursspeculatie. Om gezondheidsredenen liet hij zich ontslaan van zijn functie in de Rekenkamer.[660] Lange tijd werd nauwelijks iets gehoord van Jean-Pierre. Pas tijdens de Brabantse revolutie dook hij weer op als tussenpersoon bij de onderhandelingen tussen Oostenrijk en de Vonckisten. In zijn krant ‘Le cosmopolite’ verdedigde hij ook in Parijs de Oostenrijkse positie. Hij pleitte voor het behoud van de alliantie Frankrijk-Oostenrijk en dit vooral uit pacifistische overwegingen. Zijn overtuigingen brachten hem echter in de problemen. Een lastercampagne, waarin Proli werd afgeschilderd als een bastaard van Kaunitz, werd opgezet. Hij moest bijgevolg wel een agent van Oostenrijk zijn. Op 18 februari 1794 werd hij opgepakt en in staat van beschuldiging gesteld. Zijn executie vond een kleine week later plaats.[661] Ook Balthazars jongste zoon kwam om in Frankrijk. Zijn verhaal is echter veel minder glamoureus. Gustave had nooit enige inzet getoond. Zodat Balthazar – terecht - voor zijn toekomst vreesde. Na een mislukte carrière in het Weense leger geraakte hij aan lager wal. Hij belandde in 1806 in een Parijse gevangenis wegens schulden.[662] Met het overlijden van Gustave, in 1810, verdween ook deze tak van de Proli’s.[663]

 

 

5.3. Aldegonde’s geest

 

Aldegonde had zorgvuldig een veelbelovende toekomst uitgebouwd voor haar kinderen. Ze had iedere kans met twee handen gegrepen en onnodige risico’s angstvallig vermeden. De dromen die ze koesterde voor haar nazaten gingen samen met de Aziatische Compagnie ten onder. Aldegonde draaide zich waarschijnlijk om in haar graf.

 

Strategie en lot

 

De vraag die de Proli’s waarschijnlijk toen ook bezighield, brandt nu op onze lippen. Hoe was het zover kunnen komen? Waaraan was de mislukking te wijten? Waren de Proli’s zelf verantwoordelijk voor hun ondergang? Had Aldegonde een berekeningsfout gemaakt? Of zat het lot hen gewoon tegen?

 

Op deze vragen valt geen éénduidig antwoord te geven. De mislukking van de Proli’s was te wijten aan een combinatie van persoonlijk falen en van onverwachte lotswendingen. De betekenis die Bourdieu gaf aan het begrip ‘strategie’ tracht nu net deze twee elementen te combineren. Het begrip ‘strategie’ vormt een soort overbrugging van de dichotomie tussen subjectivisme en objectivisme, tussen individuele keuzevrijheid en structureel determinisme. In al zijn theorieën probeerde Bourdieu immers om ‘de vloek’ van het structuralisme, dat een beeld ophangt van de “Plastic Man”, op te heffen zonder te vervallen in een naïef geloof in de “Autonomous Man”. Het begrip ‘strategie’ is de veruitwendiging van deze balanceeroefening.[664]

 

Door het begrip ‘strategie’ in te vullen als een constante inventiviteit en een onuitputtelijk improvisatievermogen tracht Bourdieu de determinerende rol van het lot terug te dringen. Voor een inventieve geest kan het lot dan immers geen onoverkomelijke hinderpaal vormen, doch slechts een uitdaging. Door het begrip anderzijds te ontdoen van het langetermijnperspectief waarmee het vaak werd vereenzelvigd weet hij de almacht van de menselijke actor te relativeren.[665] Volgens Bourdieu zijn mensen dus vrij in de keuzes die ze maken en de acties die ze ondernemen. Deze mensen zijn zich meestal ook goed bewust van de redenen die aan de basis van hun keuzes en acties liggen. De uitkomst van hun beslissingen en acties ligt echter buiten hun bereik. Zij hebben geen vat op de oorzaken die hun acties wel eens heel anders – lees: tegen hun plannen in - kunnen doen uitdraaien. Foucault drukte deze spanning als volgt uit: “People know what they do; they frequently know why they do what they do; but what they don’t know is what they do does”.[666]

 

Tegen deze theoretische achtergrond kunnen we Aldegonde onmogelijk als een slechte strateeg afschilderen. Ze was immers bewust bezig met de beslissingen die ze nam. Ze wist niet alleen onverwachte moeilijkheden goed te corrigeren, ze speelde ook perfect in op de kansen die zich daarbij konden aandienen. Zij nam bijvoorbeeld zonder veel problemen de rol van chef de famille over zolang Balthazar minderjarig was. Ze wist ook het ambt van haar overleden zoon te behouden. Het feit dat zij immigranten waren en dus niet konden terugvallen op een stevige familiale basis compenseerde zij met een dijk van een sociaal netwerk. Tijdens de Oostenrijkse successieoorlog wendde zij zich zonder schroom naar de vijand. Haar zoon Balthazar kreeg door deze oorlog dan weer de kans om enkele belangrijke Oostenrijkse staatsdienaren aan zijn sociaal netwerk toe te voegen. En tijdens de Zevenjarige oorlog profiteerden de Proli’s van het geldgebrek van de Weense regering om het huis Pietro Proli weer groots te maken. In andere situaties hadden Aldegonde’s goed voorbereidde acties jammer genoeg niet het gewenste resultaat. Tijdens de Oostenrijkse successieoorlog besliste zij om op veilig te spelen en haar financiële diensten tegenover de regering drastisch terug te schroeven. De situatie was immers te riskant en Aldegonde wou de continuïteit van haar familie niet op het spel zetten. Door deze beslissing maakte ze echter ongewild de weg vrij voor de Nettines. Aldegonde had tevens goed nagedacht over de investeringen die ze deed in de Compagnie van Trieste en Fiume. Ze wist maar al te goed dat ze geen grote winsten moest verwachten uit deze compagnie. De compagnie kon echter wel dienen als een opstapje voor Balthazars Weense carrière. Jammer genoeg kon haar zoon zijn positie in Wenen niet consolideren. 

 

Aldegonde’s verhaal toont dus duidelijk aan dat de continuïteit van een geslacht nooit als vanzelfsprekend werd ervaren. De weduwe bleef constant op haar hoede want er dienden zich steeds nieuwe uitdagingen aan. Aangezien ze de uitkomst van haar plannetjes niet kon voorspellen bleef ze voortdurend alert en speelde ze vooral kort op de bal. Langtermijnstrategieën waren immers veel te riskant. Het lot van Charles kan deze laatste stelling wel illustreren. Zijn buitenproportionele ambities brachten hem ertoe om onnodige risico’s te nemen. Hij bracht zichzelf en zijn familie, daardoor in een situatie waarin ze overspoeld werden met uitdagingen. Hun inventiviteit was ontoereikend en de mogelijkheden te beperkt om hieraan nog het hoofd te kunnen bieden.

 

Besluitend kunnen we dus zeggen dat het proces van transversale groei – door deze inherente spanning tussen vrijheid en determinisme - zeer delicaat van aard is en onmogelijk te controleren valt door de actoren.[667] Voor hen is het koffiedik kijken wat de uitkomst van hun ondernemingen zal zijn. Er bestaan geen strategieën die succes garanderen. Waar de grens tussen een berekend en een onnodig risico ligt is slechts achteraf vast te stellen. De delicate natuur van dit proces van transversale groei impliceert dat de meerderheid van de families falen in het omzetten van hun financieel kapitaal. Historici vertonen echter een voorkeur om de geschiedenis van succesvolle geslachten te schrijven. De reden daarvoor is vooral te vinden in het feit dat deze families veelal doorlopende reeksen bronnen nalieten. Door deze focus vertekenden ze echter de realiteit en bevestigden ze impliciet het clichébeeld van de adel als een gesloten en stabiele sociale groepering. Het moet daarom nog eens gezegd worden hoe zeldzaam het verhaal van een familie als de Teding van Berkhouts is.[668] Er zouden meerdere families zoals de Proli’s bestudeerd moeten worden om de bestaande cliché’s te corrigeren.

 

Maatschappelijk vermogen en eer

 

Charles’ faillissement zorgde ervoor dat de Proli’s schaakmat kwamen te staan. Met alle wil van de wereld konden ze zich niet herstellen van deze “beurscrash” van hun maatschappelijke vermogen. Hun eer, hun kostbaarste goed, was immers aangetast. Het faillissement van het huis Pietro Proli betekende eveneens het bankroet van het prestige en het aanzien van de Proli’s of kortom van hun naam. Charles nazaten moesten niet meer rekenen op enige vorm van kapitaalsuitbreiding. De regering stond zeer wantrouwig tegenover de Proli’s en was niet langer bereid om belangrijke ambten aan deze familie toe te vertrouwen. De kansen van de Proli’s op de huwelijksmarkt waren nihil. Een financieel-commerciële onderneming op hun naam zou gedoemd zijn om te mislukken.

 

Deze vaststelling suggereert dat de hiërarchie van de verschillende kapitaalsvormen herzien moet worden. Bourdieu meende immers dat het financiële kapitaal van een familie de basis was voor verdere uitbreiding van haar maatschappelijk vermogen.[669] Uit het bovenstaande mogen wij echter afleiden dat het begrip ‘eer’, één aspect van het symbolisch kapitaal, de fundering vormt voor het maatschappelijk vermogen van een familie. Toen de fundering van de Proli’s wegzakte, verkruimelden de kapitaalszuilen die hierop steunden in een sneltempo. De Proli’s beseften al snel dat hen nog weinig vrienden restte. Hun financiële situatie dwong hen ertoe om al het symbolisch en cultureel kapitaal dat zij hadden verworven - zoals vastgoed, kledij, boeken en schilderijen -  te verkopen.

 

Waarschijnlijk vermoedde Schmidt al wel iets van de enorme draagwijdte van het begrip ‘eer’. Zijn titel luidde vermoedelijk niet zomaar “om de eer van de familie”. Toch werkte hij dit begrip niet verder uit.[670] In deze eindverhandeling is het onmogelijk om dit euvel te verhelpen. Er bestaat immers te weinig onderzoek naar eerbegrippen in de Zuidelijke Nederlanden, vooral dan wat betreft de adel. De antropologische studies over het mediterrane gebied en enkele historische studies uit Nederland, Frankrijk en Duitsland kunnen weliswaar als referentiepunt functioneren.[671] De conclusies van deze onderzoeken mogen echter niet zomaar getransponeerd worden naar de Zuid-Nederlandse nieuwe adel, wiens specifieke positie vermoedelijk zorgde voor even specifieke varianten van het ‘eerbegrip’. We geven daarom slechts enkele voorlopige bevindingen.

 

Net zoals in de Noordelijke Nederlanden werd vastgesteld, lijkt het alsof de mannelijke eer hier sterk gelinkt was aan professionele bekwaamheid en betrouwbaarheid.[672] Balthazar werd immers woest wanneer iemand durfde te beweren dat hij zijn baan niet goed deed. Charles wou niets liever dan erkend te worden als een grootse en vernieuwende ondernemer. Dat hij uiteindelijk failliet ging en werd uitgescholden voor ‘bankroutier’ moet hem zwaar gevallen zijn. Mannen hadden echter geen monopolie op beroepseer. Ook vrouwen in topfuncties konden eer halen uit hun werk. Aldegonde had zeker zoveel aanzien als haar man Pietro.

 

In de antropologische studies van de mediterrane samenlevingen werd een sterke nadruk gelegd op het verband tussen eer en seksualiteit. Vooral vrouwen werden afgerekend op hun seksualiteit of beter gezegd op hun kuisheid.[673] Voor de Proli-vrouwen was kuisheid klaarblijkelijk niet zo belangrijk. We zien zelfs dat zowel Aldegonde als Marie-Jeanne hun seksualiteit als wapen gebruikten om de respectievelijke bescherming van d’Hérouville en Kaunitz te verkrijgen. Ze ondervonden hiervan trouwens weinig negatieve gevolgen. De roddels die ontstonden over het vaderschap van Jean-Pierre waren niet zozeer bedoeld om Marie-Jeanne te beschamen, maar veeleer om Jean-Pierre’s beschuldiging voor spionage in opdracht van Oostenrijk te onderschrijven.

 

Uit het verhaal van de Proli’s blijkt dat de vrouwelijke eer met een andere variabele samenhangt, namelijk de moedersrol. Een moeder werd beoordeeld op het welslagen van haar kinderen. De fundamenten voor een succesvol leven werden immers gelegd in de opvoeding. Aldegonde vervulde haar pedagogische opdracht aanvankelijk uitstekend. Zij zorgde er niet alleen voor dat Balthazar een mooie intellectuele vorming kreeg. Ze bracht hem tevens een zekere savoir-vivre bij. Ook de huwelijkspolitiek behoorde tot de taken van de moeder. Balthazar besliste echter op dat gebied zijn eigen gangetje te gaan. Aldegonde kon het maar moeilijk verkroppen dat hij haar autoriteit zo durfde uit te dagen. De weduwe werd hierdoor het mikpunt van spot. Balthazar wou zijn moeder echter niet gehoorzamen. De situatie ging zelfs zo ver dat het tot een tijdelijke breuk kwam tussen de twee.

 

Een volgend aspect dat reeds in andere studies naar eergevoelens in adellijke kringen naar boven kwam vindt hier zijn bevestiging. Op de hogere echelons van de samenleving werd het begrip eer meer en meer losgekoppeld van lichamelijkheid en geweld. Eer werd een meer verinnerlijkt begrip.[674] In een totaal van 882 brieven vinden we daarom slechts één verwijzing naar een duel. Alle andere eerconflicten werden uitgevochten met de pen, vaak scherper dan het zwaard. Aldegonde was dan ook op haar hoede voor roddelcampagnes.

 

Tenslotte moet nog een laatste aspect van eer aangehaald worden. Het is immers opvallend dat één familielid schande kan brengen over zijn hele familie. Moet het nog gezegd worden dat eer in de 18de eeuw vooral een collectief begrip was?

 

 

Conclusie

 

De Nederlandse Teding van Berkhouts, de Van der Meulens, de Huydecoopers en de Brabantse Berthouts vertoefden generaties lang in de hoogste regionen van hun maatschappij.[675] Kooijmans, Schmidt en Croenen onthulden dat deze families niet zomaar van meet af aan voorbestemd waren om tot die crème de la crème te behoren. Tussen de wieg en het graf bedienden zij zich van diverse strategieën om hun positie te vrijwaren. Continuïteit stond voorop en dat was éénieder van hen met de paplepel ingegeven. Wie het patrimonium bedreigde werd zonder pardon verstoten. Doordrongen van de realiteit die men ‘geslacht’ placht te noemen, ging men bijna onbewust op zoek naar vermogensconsolidatie of liever nog naar vermogensgroei op financieel, politiek, sociaal, cultureel en symbolisch vlak.[676] 

 

De geschiedenis van de Proli’s verliep zeer gelijkaardig aan die van voornoemde geslachten. Het continuïteitsprincipe kwam duidelijk naar voor in de strategieën van de weduwe Proli. Zij deed immers haar uiterste best om het financiële kapitaal van de familie te transformeren in politiek, sociaal, cultureel en symbolisch kapitaal. Er werd daarom bijvoorbeeld duchtig gezocht naar een geschikte huwelijkspartner voor alle kinderen van het gezin Proli-Pauli. Aldegonde en Pietro kochten voor hun oudste zoon een mooi ambt. Een ander deel van hun kapitaal investeerden zij in symbolische tekens zoals een gigantisch huis, een hof van plaisantie, een bibliotheek en een schilderijencollectie. Balthazar kreeg dan weer de kans om zijn cultureel vermogen uit te breiden door middel van een universitaire opleiding. Op deze wijze manoeuvreerden de Proli’s zich naar de machtscentra Brussel en Wenen. Daar zochten ze de gratie op van enkele machtige patroons – Kaunitz, Haugwitz en Chotek - en bombardeerden ze zichzelf tot ‘makelaars in sociaal en politiek vermogen’, zodat ze een uitgebreid cliënteel konden opbouwen.

 

De feel for the game van de Proli’s was dus helemaal niet slecht ontwikkeld. Uit het feit dat ze hun maatschappelijke positie niet konden consolideren mogen we daarom niet zomaar concluderen dat ze slechte strategen waren. Zoals we in het laatste hoofdstuk aantoonden, bestaan er geen strategieën die succes garanderen. Zelfs goed doordachte acties konden een ongewenste of onbevredigende uitkomst hebben. Dit geldt nog sterker in het precaire proces van transversale groei. In zulk een proces probeert men één kapitaalsvorm – veelal financieel kapitaal – om te zetten in een andere kapitaalsvorm. Dat het proces van transversale groei veel delicater is dan het proces van verticale groei – het vergroten van éénzelfde kapitaal - werd duidelijk geïllustreerd in de verschillende loopbaantrajecten van Balthazar en zijn broer Charles.[677] Waar Balthazar enorm veel moeite had om zijn positie te veroveren en vooral om die te consolideren werden voor Charles “de deuren voor een grootse carrière als vanzelf geopend.”[678] Deze laatste moest namelijk slechts de reeds geplaveide wegen van zijn voorouders bewandelen.

 

De delicate natuur van het transversale groeiproces impliceert ook dat de kans dat een geslacht zich verschillende generaties op eenzelfde maatschappelijk niveau kan handhaven zeer gering is. Een case zoals de Teding van Berkhouts zal men daarom niet snel terugvinden. Historici gingen echter specifiek op zoek naar zulke cases om de eenvoudige reden dat deze families veel archiefmateriaal nalieten. Ze vertekenden hierdoor de historische realiteit en bevestigden het cliché: eens elite, altijd elite. De geschiedenis van de Proli’s ontkracht dit cliché en toont ook aan dat dezelfde vragen even zinvol beantwoord kunnen worden aan de hand van een beperkter en meer fragmentarisch archief.

 

In het onderzoek naar het sociale vermogen van een familie kan men onmogelijk het eerbegrip negeren. Zoals in het laatste hoofdstuk werd aangetoond was het immers voornamelijk het bankroet van de naam Proli die het begin van het einde aankondigde voor deze familie. Dat alle Proli’s de gevolgen van Charles’daden moesten ondergaan valt te wijten aan het feit dat eer in de 18de eeuw een uitgesproken collectieve dimensie had. Het wekt enige verbazing op dat er nauwelijks onderzoek werd gedaan naar het adellijke eerbegrip in de Zuidelijke Nederlanden. In het eerbegrip ligt immers de sleutel tot het sociale verkeer van de 18de eeuw. Daarenboven kan eer ook beschouwd worden als het fundament van het maatschappelijk vermogen van een familie. Er is daarom nog heel wat onderzoek naar dit begrip vereist. Het valt te betreuren dat Schmidt, ondanks wat de titel van zijn werk deed vermoeden, zo weinig aandacht besteedde aan dit begrip.[679]

 

Schmidt wijdde in zijn studie over de Teding van Berkhouts ook nauwelijks uit over een toch wel opvallend element in de sociale praktijk van een geslacht, namelijk de rol van de vrouw. De vrouw was immers de spin in het web. Zij spon de strategieën van de familie en vertoonde hierbij een enorme flexibiliteit. Het beeld van Aldegonde als zwarte weduwe dringt zich bijna op. Onverbiddelijk strafte ze iedereen af die haar tere web in gevaar bracht, ook wanneer het om haar eigen kinderen ging! Men kan natuurlijk opwerpen dat Aldegonde die positie noodgedwongen moest uitoefenen omdat zij op jonge leeftijd weduwe was geworden. De rol die Barbe Stoupy, de weduwe van Matthias Nettine, speelde bevestigt het beeld dat deze machtige rollen alleen voor weduwes waren weggelegd. Marie-Jeanne de Clotz helpt ons echter om deze stelling van de tafel te vegen. Hoewel de bronnen haar meer een plaats in de schaduw toebedeelden, blijkt uit kleine nuances toch dat zij even pienter en ambitieus was als haar schoonmoeder. Zij zorgde immers voor de bescherming van de machtige Kaunitz. En minister Chotek schreef deze vrouw niet zomaar met zijn beloftes om haar man een plaats in Wenen te bezorgen. Hij wist maar al te goed wie ‘de broek’ droeg. Ook in Wenen was de machtsontplooiing van deze dame overduidelijk. Marie-Jeanne was het aanspreekpunt voor het cliënteel van de Proli’s, niet Balthazar.  Een laatste bewijsstuk dat niet kan ontbreken is de gehoorzaamheid van Balthazar. Is het immers niet opvallend hoe goed hij in het gareel liep onder beide vrouwen? Alleen de machtsoverdracht tussen moeder en vrouw zorgde voor enige problemen.

 

Het moet ook aangestipt worden dat deze vrouwen zich voornamelijk van het sociale vermogen van de familie bedienden. Als volgens Bourdieu het sociale kapitaal op de hoogste echelons van de maatschappij relatief aan belang wint, dan volgt hieruit dat ook de rol van de vrouw belangrijker wordt. Uit de bronnen blijkt dit niet altijd even duidelijk. Daar is echter een logische verklaring voor. Informele sociale contacten kenden immers niet zo vaak een schriftelijke neerslag. Het werkterrein van de vrouwen bevond zich dan ook in prachtige balzalen, mondaine theesalons en luxueuze eetkamers. Af en toe kropen ze echter achter hun ebbenhouten kabinetten om hun netwerk schriftelijk te mobiliseren. De brieven van Aldegonde Proli-Pauli en Marie-Jeanne Proli-von Clotz vormen één van de weinige bewaarde, maar prachtige overblijfselen van deze praktijk.

 

Het wordt pas duidelijk waarom zo weinig van deze brieven bewaard bleven, als men het sleutelwoord van sociaal management kent: discretie. Men moest immers ‘zuinig’ omgaan met zijn sociale krediet. Er moest voortdurend gewikt en gewogen worden over de gunsten die men zou vragen en de wederdiensten die men in de toekomst kon bieden. Het spreekt ook voor zich dat de eigen familie de eerste begunstigde was. Pas als men zelf verzadigd was kon men enkele gunsten laten afvloeien en zo een cliënteel uitbouwen. Dat deed men echter best met mate. Men wist maar al te goed dat een sterke boom geveld kon worden door een te groot aantal parasiterende lianen. Het was daarom niet wenselijk om te veel te pronken met zijn contacten. Het sociale kapitaal mocht niet tot symbolisch kapitaal vervallen. ‘Conspicuous consumption’ was algemeen aanvaard. ‘Conspicuous socializing’ – om de eerstgenoemde term te parafraseren - werd daarentegen ervaren als hoogmoed.[680]

 

Uit onze bronnen blijkt ook dat vrouwen veel beter met dit ongrijpbare sociale kapitaal konden omgaan. Ze beseften immers maar al te goed dat gratis niet gelijk stond met gratuit. Marie-Jeanne beheerste dit domein meesterlijk. Verschillende van haar vrienden en familieleden hadden hun promotie aan haar te danken. Charles, haar schoonbroer, bakte er daarentegen niets van. De exuberante bedragen die hij zijn kinderen meegaf bij hun huwelijk zorgden voor heel wat fronsende wenkbrauwen. Charles had niet begrepen dat sociaal management niet zozeer veel geld vereiste, doch wel veel tijd. Dat ‘time money’ was mocht echter uit niets blijken; “arbeid adelt, maar de adel arbeidt niet”! Voor de nieuwe ambtsadel ging dit laatste echter niet helemaal op. De mannen hadden het immers druk genoeg met hun ambten. Het kan daarom geopperd worden dat de vrouwen deze rol daarom van hen overnamen. Deze these zou echter nog bevestigd moeten worden door bijkomende casestudies. De vraag naar de man-vrouw verhoudingen – vanuit het perspectief van het maatschappelijke vermogen – bij Zuid-Nederlandse oud adellijke families wacht ook nog steeds op een antwoord. Misschien dat deze eindverhandeling het ijs heeft kunnen breken zodat dit haast onontgonnen domein van de geschiedenis in de toekomst op wat meer enthousiasme kan rekenen.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[1] ARA, HSverz. n° 1567, brief van Aldegonde de Proli aan Balthazar de Proli, 4 januari 1740.

[2] «On ne conserve aux Archieves Générales que fort peu de correspondance privées. Il peut donc paraître opportun d’attirer l’attention sur celle de Balthazar de Proli et de sa femme, d’autant plus que les quelque quatre cents lettres*, qui contituent cette petite collection, apportent sur l’histoire politique, économique et sociale du XVIIIe siècle, maint détail curieux, qu’on chercherait en vain dans les documents officiels.» Citaat uit: LEFÈVRE, «La correspondance des Proli», blz. 34.

*Lefèvre vergiste zich wel in het aantal brieven, het zijn er immers 882.

[3] G. GUYOT, «Un milieu européen au XVIIIe siècle à travers la correspondance Proli - Cloots» en «Un milieu européen ... (suite et fin)»

E. RAMAKERS, “De familie Proli-Clotz, een huwelijk in Europa.” Dit artikel is enkel gebaseerd op een klein deel van de brievencollectie, namelijk de brieven tussen Balthazar de Proli en Marie-Jeanne de Clotz voor de twee huwden.

[4] Guyot keerde zich ook al snel tot het meer ‘interessante’ broertje Charles de Proli:  G. GUYOT, «Un capitaliste, Charles Proli (1723-1786), et deux revolutionnaires, Pietro Proli (1750-1749) et Anacharsis Cloots (1755-1794).»

[5] M. HUISMAN, «Proli (Balthazar-Florent-Joseph comte de)», «Proli (Charles-André-Melchior, comte de)» en «Proli (Pierre)», in: Biographie Nationale, dl. 18, kol. 275-281.

De grote aandacht voor de Oostendse Compagnie mag ons niet verbazen M. Huisman doctoreerde in 1902 aan de ULB immers met dit onderwerp. Zijn doctoraat werd datzelfde jaar nog gepubliceerd: M. HUISMAN, “La Belgique commerciale sous l’empereur Charles VI. la Compagnie d’Ostende. étude historique de politique commercial et coloniale.”, Bruxelles, 1902.

[6] J. DENUCÉ, “Proli” in: Italiaansche koopmansgeslachten te Antwerpen in de XVIe-XVIIIe eeuwen, blz. 157-174.

[7] L. MICHIELSEN, «De familie de Proli. Bijdrage tot de economische geschiedenis van Antwerpen in de XVIIIde eeuw» en L. MICHIELSEN, “De kompagnie van Triëste en Fiume (1750-1800)”

[8] F. PRIMS, Geschiedenis van Antwerpen. IX. Met Oostenrijk en onder de Franschen (1715-1814), Antwerpen, 1947. F. PRIMS schreef ook nog korte artikels over Charles’ faillissement en over de Aziatische Compagnie: F. PRIMS, “Het failliet van Charles de Proli, 1785” en F. PRIMS, “Het lot van de “Keizerlijken Arend” van de Aziatische Compagnie”.

V. JANSSENS, Het geldwezen der Oostenrijkse Nederlanden, Brussel, 1957.

[9] DE SMEDT, H., Charles Proli, Antwerps zakenman en bankier, 1723-1786. Een biografische en bedrijfshistorische analyse . Deze doctoraatsverhandeling werd in 1983 uitgegeven onder de zelfde titel in de reeks Verhandelingen van de koninklijke academie voor Wetenschappen, letteren en schone kunsten van België. Klasse der letteren, 108.

[10] Geciteerd door P. JANSSENS, De evolutie van de Belgische adel, blz. 105. Uit G. BOMANS, Erik of het klein insectenboek, blz. 43-44.

[11] P. JANSSENS, De evolutie van de Belgische adel sinds de late middeleeuwen (Pro Civitate. Historische Uitgaven, reeks in -8°, 93), Brussel, 1998.Dit werk verscheen reeds als doctoraatsthesis aan het Departement  literatuurwetenschappen, Nederlandse literatuur en volkskunde van de Katholieke Universiteit Leuven in 1988 onder de titel “Standenongelijkheid: het adelsbeleid in de Zuidelijke Nederlanden van de vijftiende tot de negentiende eeuw” en werd een jaar later bekroond met de Geschiedenisprijs van het Gemeentekrediet. Het duurde echter nog negen jaar voor zij werd uitgegeven.

[12] ID., o.c., blz. 107.

[13] Een kleine nuance is hier wel vereist. Nog voor Janssens’ publicatie verscheen in 1952 bij de Koninklijke Vlaamse academie voor wetenschappen, letteren en schone kunsten van België immers de studie van H. Coppejans-Desmedt: Bijdrage tot de studie van de gegoede burgerij te Gent in de XVIIIe eeuw. De vorming van een nieuwe sociaal-economische stand ten tijde van Maria Theresia. Hierin werd ook enige aandacht besteed aan de strategieën die op economisch, politiek en sociaal gebied werden uitgezet door deze burgers.

[14] Cools hield het daarom bij een korte bespreking van een viertal criteria voor de invloed van Bourgondisch-Habsburgse aristocraten: cultuur en vorming, loopbanen, families en huwelijken. Croenen onderscheidde een vijftal belangrijke factoren i.v.m. de mechanismen en technieken van machtsverwerving en machtsverdeling: het patrimonium, de politiek, de verwantschap, het sociaal prestige en de veruiterlijking van de macht. Hij zorgde ook voor een de nodige terminologische duiding en afbakening van de begrippen clan en cliënteel.

H. COOLS, Mannen met macht: edellieden en de moderne staat in de Bourgondisch-Habsburgse landen (1475-1530)

G. CROENEN, Familie en macht. De familie Berthout en de Brabantse adel.

[15] J. AALBERS, en M. PRAK, eds., De bloem der natie, blz. 8.

[16] L. STONE, The crisis of the aristocracy, 1558-1641, Oxford, 1965.

[17] L. KOOIJMANS, Onder regenten. De elite in een Hollandse stad, Hoorn 1700-1780, ’s Gravenhage, 1985.

Een andere aanhanger van de prosopografische methode is J. DE JONG, Een deftig bestaan. Het dagelijks leven van regenten in de 17de en 18de eeuw, Utrecht en Antwerpen, 1987.

[18] C. SCHMIDT, Om de eer van de familie. Het geslacht Teding van Berkhout 1500-1950: een sociologische benadering, Amsterdam, 1986.

[19] C. SCHMIDT, “Een lengteprofiel van het Hollandse patriciaat. Het geslacht Teding van Berkhout”, blz. 129

[20] De term ‘maatschappelijk vermogen’ gaat terug op Bourdieu’s term ‘maatschappelijke sterkte’. Schmidt vond een terminologische omduiding echter noodzakelijk omdat ‘vermogen’ zowel de subjectieve als de objectieve kant van kracht in zich verenigt. C SCHMIDT, Om de eer, blz. 10.

[21] Cfr. infra.

[22] L. KOOIJMANS, Vriendschap en de kunst van het overleven in de zeventiende en achttiende eeuw, Amsterdam, 1997.

[23] AALBERS, J. en PRAK, M. eds., De bloem der natie, blz. 13.

[24] C. BRUNEEL en J.P. HOYOIS, Les grands commis du gouvernement des Pays-Bas autrichiens, blz. 58-59, 418-419, 572-573 en 610-611.

[25] K. DEGRYSE, “De Antwerpse adel in de 18de eeuw”, blz. 133-141. Ook Magda Van Den Berg stelde een kloof vast tussen oude en nieuwe adel en dan vooral tussen grondbezittende en mercantiele adel. Van de laatste soort kon men nauwelijks vertegenwoordigers vinden aan het hof of in de entourage van de landvoogd Karel van Lotharingen. Zelfs de rijke Nettine’s, die in rijkdom konden wedijveren met De Merode’s werden nooit in die kringen opgenomen. Uit: M. VAN DEN BERG, “De adel in de 18de eeuw: een “leisure class”?”, blz. 143-183.

[26]ARA, HSverz. n° 1567: ‘Lettres de la douarière de Proli à son fils.  1740-1746.’ en n° 1568: ‘Lettres adressées à M.  Balthazar de Proli par la douarière de Proli.  1747-1750.’

[27] ARA, HSverz. n° 1569: ‘Correspondance de M. de Proli avec Mme. de Proli. 1747-1758.

[28] ARA, HSverz. n° 1570: ‘Lettres adressées à M. et Mme. de Proli par M. Cels. 1755-1761.

[29]In 1755 was Cels “comptoirgast bij mevr. Proly”.  Hij bleef nog een tijdje werken voor Charles, maar na 1761 werd zijn job overgenomen door Cornelis Jacobs. Uit: K. DEGRYSE, “Boekhouders, notarissen, stadsboden en factors”, blz. 60.

[30] Het is echter wel mogelijk dat zij zich op het Stadsarchief te Antwerpen bevinden. SAA, IB, nrs. 1864-1927. Uit: J. VAN DEN NIEUWENHUIZEN, Beknopte inventaris van de insolvente boedelkamer, blz. 167-170.

[31] ARA, HSverz. n° 1571: ‘Lettres diverses adressées à M. de Proli, conseiller receveur général des domaines et finances de S.M.I. et R.  1749-1783.

[32] ARA, HSverz. n° 1572: ‘Lettres adressées à Madame de Proli par divers membres de sa famille. 1749-1756 en n° 1573: ‘Lettres adressées à Madame de Proli par diverses personnes.  1754-1783 

[33] ARA, HSverz. n° 1573bis: ‘Volume contenant la transcription de lettres du comte Balthasar de Proli receveur général des finances avec personnages politiques, et expédiés tant de Vienne que de Bruxelles du 3 avril 1752 au 9 decembtre 1756.’

[34] G. GUYOT, “Un milieu européen”., blz. 85, R. CASTEELS, “De familie Proli”, blz. 159-168.

[35] ARA, HSverz. n° 1570, brief van M. Cels, Anvers, 15 mei 1761.

[36] ARA, HSverz. n° 1571, brief van Ignasio Testori, Venetië, 19 februari 1778.

[37] P. BOURDIEU, «Marriage Strategies», blz.  118-120.

[38] P. BOURDIEU en L.J.D. WACQUANT, An invitation, blz. 19-20.

[39] Het is belangrijk dat we begrijpen wat Bourdieu bedoelt met strategie. Het is geen bewust volgen van regels noch is het een uitvoering van een onbewust aanwezig programma. Het is iets daar tussen in. Het is het product van een praktisch gevoel, ‘the feel for the game’. Die ‘feel’ leer je al van kindsbeen aan door deel te nemen aan sociale activiteiten, je leert het als het ware al spelenderwijs. Een goede speler kan op het spel inspelen en doet precies wat het spel van hem vraagt, niet door zogenaamde regels te volgen, maar door een constante inventiviteit en een onuitputtelijk improvisatievermogen. Dat is immers nodig omdat geen enkele situatie ooit identiek is. Die ‘feel for the game’ is wat Bourdieu ook habitus noemt, het is de belichaming van het sociale spel, het is de tweede natuur van de mens. Uit: P.  BOURDIEU, In 0ther Words, blz. 62-63.

[40]P. BOURDIEU, «Marriage Strategies», blz. 122.

[41] Bij grote adellijke families kon voor het huwelijk van een dochter tot één derde van het bezit van de familie worden afgestaan. De input van de bruidegom werd daarentegen niet zozeer in klinkende munt uitgedrukt, maar in familiestatus. Zijn bijdrage was dan gewoonlijk beduidend kleiner dan die van de bruid. “It was the exchange of millions for a title” Uit: O. HUFTON, The prospect before her, blz. 65 en 105.

[42] Dit kwam het meest voor wanneer de bruidegom zelf geen zusters had die nog voorzien moesten worden van een bruidsschat. Hij was baas over zijn eigen lot en kon dus ook een meisje nemen die in andere situaties beneden zijn status geacht zou worden. Uit: ID, o.c., blz. 108.

[43]“Better an unmarried daughter at home or in the cloister than a record of social failure” uit:  ID, o.c., blz. 106.

[44] P. BOURDIEU, «Marriage Strategies», blz. 132.

[45] R. JENKINS, Pierre Bourdieu, blz. 85.

[46] P. BOURDIEU, La distinction, blz. 133.

[47] ID., o.c., blz. 166.

[48] Een vergelijking van Bourdieu maakt dit duidelijker:  “The kinship relations that are actually and presently known, recognized, practiced and, as the saying goes, “kept up”, are to the genealogical construct what the network of roads that are presently, built, traveled, kept up and therefore easy to use is to the geometric space of a map furnishing an imaginary representation of all the theoretically possible paths and itineraries.”   Uit: P. BOURDIEU, «Marriage Strategies», blz. 120-121.

[49] Vandaar dat Rochefoucauld zei: "Overmuch eagerness to discharge one’s obligations is a form of ingratitude." Als men tracht zich zo snel mogelijk te kwijten van zijn schulden, verraadt men eigenlijk de ware aard van het systeem en daarmee ontmantelt men het systeem. Uit: P. BOURDIEU, Outline of a Theory of Practice, blz. 6.

[50] P. BOURDIEU, «Marriage Strategies», blz. 121.

[51] L. KOOIJMANS, Vriendschap en de kunst van het overleven, blz. 326-328. Zie ook: J. DOMS, Vriendschap in de Zuidelijke Nederlanden.

[52] SCHMIDT, C., Om de eer van de familie.

[53] L. KOOIJMANS, Vriendschap en de kunst van het overleven, blz. 16-17.

[54] C. SCHMIDT, “Een lengteprofiel”, blz. 130.

[55] De twee laatste families werden bestudeerd door Kooijmans in zijn studie over vriendschap in de zeventiende en achttiende eeuw.

[56] Door andere auteurs bij zijn ‘Nederlandse naam’ genoemd:  Johannes Jacobus Proli. Uit: R. CASTEELS, “De familie Proli”, blz. 159.

[57] De Cioia’s waren Milanese bankiers. Uit: H. HOUTMAN-DE SMEDT, Charles Proli, blz. 16.

[58] ID., o.c., blz. 16-19.

[59] G. GUYOT, «Un milieu européen», blz.84.

[60] R. CASTEELS, “De familie Proli”, blz. 159.

[61] Pietro kreeg 10 000 gulden als huwelijksgift en nog 30 000 gulden ut meliorus mercaturam exercere valeret (opdat hij zou in staat zijn het koopmansberoep beter uit te oefenen). Daarnaast erfde Pietro ook zijn deel in het Italiaanse onroerend goed dat zijn vader had bezeten. Pietro’s deel werd geschat op een 73 477 gulden. Uit: H.  HOUTMAN-DE SMEDT, Charles Proli, blz. 18.

[62] Het huwelijkscontract dateert van 14 augustus 1705.  uit: G.  GUYOT, «Un milieu européen», blz 84.

[63] De oudste dochter overleed al in 1696, zes jaar na haar vader. Zie genealogische tabel bij: H. HOUTMAN-DE SMEDT, Charles Proli, blz. 24.

[64] ID., o.c., blz. 22-23.

[65] “Gezien de omvang van zijn oeuvre moet Adriaen van de Velde tijdens zijn korte leven (1636-1672) hard hebben gewerkt. Van de Velde was dan ook al vroeg met schilderen begonnen: zijn eerste leermeester was zijn vader, de zeeschilder Willem van de Velde de Oude. De landschappen van Adriaen van Velde worden bevolkt door mensen en dieren. Omdat de figuren zo goed getroffen waren vroegen collega-schilders hem om ook hun landschappen met mensen en dieren te stofferen. Zo verschenen Adriaens figuren in het werk van zijn broer Willem van de Velde de Jonge, zijn tweede leermeester Jan Wijnants, Jacob van Ruisdael, diens leerling Meindert Hobbema, Jan van der Heyden, Philips Koninck en Allart van Everdingen. Misschien ging Van de Velde in de jaren '50 naar Rome, maar dat is niet zeker. Hij woonde verder in Amsterdam.” uit: www.rijksmuseum.nl

[66] Tien kinderen is het maximum, het zouden er ook zes kunnen zijn, van vier kinderen, geboren tussen 1700 en 1704 is immers enkel geweten dat ze jong stierven. Zie genealogische tabel bij: H. HOUTMAN-DE SMEDT, Charles Proli, blz. 26.

[67] ID, o.c., blz. 28.

[68] Zie genealogische tabel bij: ID., o.c., blz. 26.

[69] ID, o.c. , blz. 19.

[70]ID, o.c. , blz. 20.

[71] Het Barrièretraktaat werd in 1715 gesloten tussen Oostenrijk en de Republiek na de Spaanse Successieoorlog. Hierin werd bepaald dat de Republiek garnizoenen mocht leggen op verscheidene plaatsen in de Zuidelijke Nederlanden. De keizer moest het onderhoud van die garnizoenen betalen; jaarlijks zo’n 1 125 000 gulden.  Ook de Schelde bleef gesloten en de vaart op de Indiën was verboden voor de Zuidelijke Nederlanden. De zeemogendheden behielden hun gunstig douanetarief. In 1718 slaagde de markies de Prié, plaatsvervangend landvoogd, er in om het traktaat wat te verzachten. Uit: H.P.H. JANSEN, Kalendarium, blz. 130-134.

[72] R. CASTEELS, “De familie Proli”, blz. 160.

[73] De compagnie werd opgericht door het octrooi van Karel VI op 19 december 1722. Op 23 januari 1723 werden de zeven directeurs benoemd: Jacomo de Pret, Pietro Proli, Louis François de Coninck, Jacomo Maelcamp, Paulo de Kimpe, Jacomo Baut en Thomas Ray.  Uit: K. DEGRYSE EN J. PARMENTIER, “Agiotage en verkoop “op tijdt”, blz. 120. Voor meer informatie over de Oostendse Compagnie zie: M.  HUISMAN, La Belgique commerciale. en E.J. BAELS, De Oostendse Compagnie.

[74] hij had 50 aandelen van 1000 gulden het stuk.  Uit: L. Michielsen, “De familie de Proli”, blz. 277.

[75] J. PARMENTIER, Oostende en Co, blz. 15-16.

[76] J. DENUCÉ, “Charles de Proli en de Aziatische Compagnie”, blz. 4.

[77] K. DEGRYSE EN J. PARMENTIER, “Agiotage en verkoop “op tijdt”, blz. 120-122.

[78] L. MICHIELSEN, «De familie de Proli», blz. 277-279.

[79] R. CASTEELS, “De familie Proli”, blz. 160.

[80] H. HOUTMAN – DE SMEDT, Charles Proli, blz. 21.

[81] Na Aldegonde’s dood werden maar liefst 55 van haar schilderijen verkocht. Onder hen werken van Caravaggio, Raphaël, P.P. Rubens, Antoon van Dijck, Adriaan Brouwer, Adriaan van de Velde en Jacob Jordaens. Natuurlijk kunnen we ons niet uitspreken over de authenticiteit van deze werken. Voor de volledige lijst zie: HOET, G. en TERWESTEN, P., Catalogus of naamlijst van schilderijen, blz. 275-278.

[82]H. HOUTMAN – DE SMEDT, Charles Proli,  blz. 22.

[83] ID, o.c., blz. 29. Citaat uit een brief van P. Mac Nény vanuit Brussel op 7 oktober 1726.

[84] Dat een weduwe de zaken van haar man overnam was ook niet uitzonderlijk. Dit aspect van de economische geschiedenis van de Zuidelijke Nederlanden bleef echter onbemind en bijgevolg onbekend. De tentoonstelling “Vrouwenzaken-zakenvrouwen” die van 30 november 2001 tot 24 maart 2002 liep in de kunsthal van de St-Pietersabdij te Gent trachtte hier enige verandering in te brengen.

[85] L. MICHIELSEN, “De Kompagnie van Triëste en Fiume”, blz. 75.

[86] L. MICHIELSEN,"De familie de Proli", blz. 280.

[87] V. JANSSENS, “Geld en bankwezen”, blz. 207.

[88] Drie kinderen overleden echter op zeer jonge leeftijd: Aldegondis Judith (25 sempterber 1709 - ?), Judith Theresia Amelia (9 juli 1712 – 24 mei 1713) en Petrus Fransiscus (5 oktober 1716 – 7 juli 1717).

[89] Hij was eerst raadsheer-afgevaardigde voor handelszaken (31 jan 1731), op het einde van het jaar (11 november 1731) werd hij auditeur en nog geen jaar later (20 oktober 1732) was hij al “maître” van het rekenhof. Uit: L. MICHIELSEN, «De familie de Proli», blz. 282.

[90] G. GUYOT, «Un milieu européen», blz. 85.

[91] L. MICHIELSEN, “De familie de Proli”, blz. 282.

[92] Eenzelfde wissel –geld voor status- gebeurde ook wel eens tussen de Hollandse regenten en de Hollandse edellieden. Zie: J. DE JONG, Een deftig bestaan, blz. 90-91

[93] R. CASTEELS, “De familie Proli”, blz. 168.

[94] E. AERTS en H. COPPENS, “Ontvangerij-generaal”, blz.537.

[95] L. MICHIELSEN, «De familie de Proli», blz. 282.

[96] ARA, HSverz. n° 1568, brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 13 februari 1750.

[97] E. AERTS en H. COPPENS, “Ontvangerij-generaal”, blz. 537.

Thomas Rima was van Zwitserse afkomst. Hij kende de Proli’s al sinds de jaren 1720-1730 toen hij secretaris was van de Oostendse Compagnie. Hij was daarom de geknipte man om de taak van ontvanger-generaal uit te voeren tijdens de minderjarigheid van Balthazar. Hij stond de jongeman ook nog bij aan het begin van diens carrière. Zijn post als één der directeurs van de Compagnie van Trieste en Fiume was misschien wel een beloning voor jarenlange trouwe dienst. Uit: BRUNEEL, C. en HOYOIS, J.P., Les grands commis, blz. 531-532.

[98] In 1745 vervulde hij ook de functie van groot aalmoezenier van Antwerpen. Uit: Annuaire de la noblesse de Belgique, Bruxelles, 1862, blz. 59.

[99] R. CASTEELS, “De familie Proli”, blz. 168.

[100] Ludwina Judith Catharina (28 september 1714 – 16 april 1747) en Anna Theresia Josepha (2 december 1717 – 31 december 1750).

[101] Martha Maria (3 juli 1720 – 3 maart 1792)  en Magdalena Theresia (29 september 1713 – 14 januari 1799).

[102] Charles bracht maar liefst 80 000 gulden in, in het huwelijk. Daarenboven had hij de belofte om voor 1/3de eigenaar te worden van het bankhuis en  na het overlijden van zijn moeder zou hij volwaardig eigenaar worden. Om Cornelia te paaien kocht hij haar ook juwelen voor een slordige 7000 gulden. Cornelia moest echter niet onderdoen voor haar toekomstige. Zij bracht een bruidsschat van 75 000 gulden mee en nog eens 5000 gulden voor haar uitzet. Uit: H. HOUTMAN-DE SMEDT, Charles Proli, blz. 35.

[103] Voor meer informatie over Charles’ bruid en zijn huwelijk zie: H. HOUTMAN-DE SMEDT, Charles Proli, blz. 34-35.

[104] R. CASTEELS, “De familie Proli”, blz. 161-162.

[105] H.  HOUTMAN – DE SMEDT, Charles Proli, blz. 29.

[106] uit: R. CASTEELS, De familie Proli, eigenaar van …, blz. 168.

[107]H. COPPENS en E. AERTS, “Ontvangerij-generaal”, blz. 537.

[108] G. PROOT, "Het toneel van de Antwerpse Augustijnen", blz. 192.

[109] De studenten die wel zulke ambities koesterden moesten ook nog een lange stage doorlopen om de kloof tussen de theorie van het Romeinse recht en de praktijk van het gewoonterecht te overbruggen. In de tweede helft van de 18de kwamen er onder meer daarom meer en meer stemmen op om de rechtenopleiding grondig te hervormen. Zie hiervoor: K. BREUGELMANS, “De hervorming van de Leuvense rechtsfaculteiten”.

[110] ARA, HSverz., n° 1567: Lettres de la douarière de Proli à son fils. 1740-1746; n°1568: Lettres adressées à M. Balthazar de Proli par la douarière de Proli. 1747-1750. Deze twee bundels bevatten samen 283 brieven van de hand van Aldegonde Pauli-Proli. Er is geen enkele brief bewaard van Balthazar aan zijn moeder.

[111] ARA, HSverz. n° 1567, brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 4 januari 1740.

[112] Citaat uit ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 4 januari 1740.

[113] R. CASTEELS, “De familie Proli”, blz. 163.

[114] Citaat uit: ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 25 mei 1740.

[115] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 23 maart 1740.

[116] Dit college ontstond in 1483 toen Robertus de Lacu (van de Poele), professor canoniek recht, zijn huis in de Nieuwstraat (nu Vanderkelestraat) per testament legateerde aan de rechtenfaculteit om er armere rechtenstudenten in te huisvesten. Het college werd echter tevens voor tal van andere activiteiten gebruikt, onder andere de disputen van de baccalaurei hadden er plaats. Daaraan dankte het college dan ook zijn bijnaam “Collège des Bacheliers”. Uit: G. VAN DRIEVOET ed., Lovanium docet, blz. 106-107.

[117] 550 jaar Universiteit Leuven, blz. 165.

[118]ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 30 maart 1740.

[119] Citaat uit ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 18 mei 1740.

[120] A. SCHILLINGS ed., Matricule de l’université de Louvain VIII, blz. 70.

[121] Ze schreef dat ze er van overtuigd was dat hij zijn diploma wel zou behalen en zo voor de rest van zijn leven eer zou verwerven. Uit: ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 6 april 1740.

[122] 550 jaar universiteit Leuven, blz. 287.

[123]J. ROEGIERS,  “De artersfaculteit. Het begin van alle wetenschap”, blz. 174.

[124]ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 6 april 1740.

[125] J.M. DAUWE, “Een rumoerig wereldje”, blz. 111.

[126] Citaat uit: ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 24 oktober 1740.

[127] “Vous scavez que je ne regrette pas ses sortes de depences!" citaat uit: ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 24 oktober 1740.

[128]  Heuschling zou het later nog tot professor schoppen. Uit: G. GUYOT, "Un milieu européen", blz. 86.

[129] ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 14 december 1740.

[130] Frederik von Harrach was de opvolger van Giulio de Visconti die zijn plaats als gevolmachtigd minister had gewisseld voor het vice-koningschap van Napels. Von Harrach was een harde en intelligente werker, maar hij wist zich niet echt geliefd te maken in de Nederlanden. Uit: L. DE REN, e.a., De gouverneurs-generaal, blz. 16.

[131] ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 13 februari 1741.

[132] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 26 februari 1741.

[133] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 18 maart 1741 en brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 22 maart 1741.

[134] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 21 april 1741.

[135] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 10 juni 1741.

[136] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 2 juli 1741.

[137] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 2 juli 1741.

[138] Citaat uit ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 15 juli 1741.

[139] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 15 juli 1741.

[140] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 15 juli 1741.

[141] Leonardes Joesphus Streithagen had zich in 1728 aan de Leuvense universiteit ingeschreven. Hij was lid van een confrérie van studenten in de theologie en in de rechten die uit Leuven zelf afkomstig waren. Uit: G. VAN DRIEVOET ed., Lovanium docet, blz. 130-131.

[142] ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 18 juli 1741.

[143] Mariemont was het zomerverblijf van de gouvernante Maria Elisabeth. Karel van Lotharingen zou het later omvormen tot één van de mooiste jachtresidenties van de Nederlanden. Uit: L. DE REN e.a., De gouverneurs-generaal, blz. 18-20.

[144] Capon was ook een Leuvense alumni. Hij was licentiaat in beide rechten. Na zijn studies trachtte hij carrière te maken in regeringsdienst. Hij begon als griffier bij de Raad van Financiën en probeerde zich verder op te werken. Ondanks zijn grote competentie verliep dat niet zonder problemen, dat was vooral te wijten aan zijn karakter. Toch schopte hij het tot raadgever van de Raad van Financiën. In 1750 was hem een positie in Wenen beloofd. Capon overleed echter onverwacht voor hij de reis naar Wenen had kunnen aanvatten. Uit: C. BRUNEEL en J.P. HOYOIS, Les grands commis, blz. 145-146.

[145] “Si vous voiez quelqu’un a Bruxelles comme sudit vous scavez qu’il faut se comporter avec beauoup de souplesse et se rendre a leurs avis”, citaat uit: ARA, HSverz. n° 1576, twee brieven van Aldegonde Proli, Antwerpen, 22 juli 1741. Een naar Leuven en een naar Brussel.

[146] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 23 juli 1741.

[147] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 26 juli 1741.

[148] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 27 juli 1741.

[149] G. VAN DRIEVOET ed., Lovanium docet, blz. 130.

[150] ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 3 augustus 1741.

[151] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 12 augustus 1741.

[152] Alexander Albert de Spenraey zou het later schoppen tot wethouder. Uit: M. MOEHLIG, Het jezuïetencollege te Antwerpen, blz. 101.

[153]ARA, HSverz. n° 1576,  brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 15 augustus 1741.

[154] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 17 augustus 1741.

[155] A. de Steenhault was voorzitter van de Geheime Raad van 1739 tot 1785. uit: P. LENDERS, “Wenen en Brussel”, blz. 68.

[156] ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 26 augustus 1741.

[157] Figuerola was afkomstig uit Spanje maar werd in 1740 genaturaliseerd. Hij had in Rome gestudeerd en was doctor in de rechten. Sinds 1739 maakte hij deel uit van de Geheime Raad. In 1748 werd hij gepromoveerd tot raadgever van de Raad van State en twee jaar later kon hij een plek verwerven in Wenen in de Hoge Raad voor de Nederlanden te Wenen. Uit: C. BRUNEEL en J.P. HOYOIS, Les grands commis, blz. 259-260.

[158] ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 28 augustus 1741.

[159] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 21 augustus 1741.

[160] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 1 september 1741.

[161] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 6 augustus 1741.

[162] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 1 september 1741.

[163] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 20 november 1743.

[164] ID., o.c., brief (2) van Aldegonde Proli, Antwerpen, 27 november 1743.

[165] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 29 november 1743.

[166] Citaat uit ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 2 december 1743.

[167] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 2 december 1743.

[168] Mr. Mostinck was een schoonbroer van Aldegonde. Hij huwde in 1705 met Joanna Catharina Pauli. Hij was licentiaat in de rechten en secretaris van de Soevereine Raad van Brabant. Uit: H. HOUTMAN-DE SMEDT, Charles Proli, blz. 26.

De graaf van Nava was gouverneur van het kasteel van Antwerpen tussen 1741 en 1744. uit: R. LOYEN, De Franse bezetting van Antwerpen, blz. 177.

[169]ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 29 november 1743.

[170] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 9 december 1743.

[171] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 14 december 1743.

[172] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 9 december 1743.

[173] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 14 december 1743.

[174] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 17 december 1743.

Jammer genoeg is de thesis van Balthazar de Proli niet aanwezig in het universiteitsarchief. We kunnen daarom ook niet met zekerheid zeggen of ze nu effectief werd opgedragen aan de graaf von Harrach.

[175] ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 14 december 1743.

[176] «bas blanc, les souliers de castor et des chemises a dentelles et broderies». Citaat uit ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 12 december 1743.

[177] Citaat uit: ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 17 december 1743.

[178] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 14 december 1743.

[179] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 17 december 1743.                                                                              

[180] Dit is een term van T. Veblen uit  zijn boek: The theory of the leisure class: an economic study of  institutions.

[181]ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 1 november 1740.

[182] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 13 november 1740.

[183] Een pleureuse is een lange hangende struisveer.

[184]Citaat uit: ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 19 november 1740.

[185] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 26 november 1740.

[186] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 5 februari 1741.

[187] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 30 mei 1741.

[188] Citaat uit: ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 20 oktober 1740.

[189] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 15 juli 1741.

[190] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 18 juli 1741.

[191] Jérôme Della Faille was de zoon van Chalres-Joseph die verschillende malen schepen en burgemeester van Antwerpen was. Jérôme huwde in 1748 Marie-Guillelmine Collin. Samen kregen ze zeven kinderen. Uit: G. GUYOT, “Un milieu européen”, blz. 87.

[192] Citaat uit: ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 20 oktober 1740.

[193] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 30 mei 1741.

[194] Er is geen enkele Proli terug te vinden in het ledenboek “Nomina praenobilium ac doctissimorum D.D. Juristarum Antverpiensium”. Uit: E. LALOIRE, “L’union des étudiants anversois à Louvain.”, p. 598-637.

[195] K. DEGRYSE, “De Antwerpse adel in de 18de eeuw”, blz. 136.

[196] ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 20 oktober 1740.

[197] ID., o.c., brief (1) van Aldegonde Proli, Antwerpen, 27 november 1743.

[198] Citaat uit: ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 12 december 1743.

[199] Uit: C. BRUNEEL en J.P. HOYOIS, Les grands commis, blz. 301.

[200] ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 2 mei 1743.

[201] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 21 november 1743, brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 25 november 1743 en brief (2) van Aldegonde Proli, Antwerpen, 27 november 1743.

[202] Königsegg was tussen 1714 en 1716 de gevolmachtigde minister onder gouverneur-generaal Eugeen van Savoie. Uit: P. LENDERS, “Brussel en Wenen”, blz. 68.

[203]ARA, HSverz. n° 1576, brief (1) van Aldegonde Proli, Antwerpen, 27 november 1743.

[204] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 9 juli 1744.

[205] Mr. Andreol was een handelaar uit Amsterdam. Uit: C. BRUNEEL en J.P. HOYOIS, Les grands commis, blz. 681.

[206] ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 6 juli 1744.

[207] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 9 juli 1744.

François Joseph Xavier graaf van Baillet was kanselier van Gelderland. Uit: C. BRUNEEL en J.P. HOYOIS, Les grands commis, blz. 683.

[208] ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 29 juli 1744.

Nicolas Joseph Charlé was één van de grootste aandeelhouders van de Compagnie van Trieste en Fiume. Hij was medeondertekenaar van het plan waarmee Charles Proli en Arnoldt naar Wenen reisden. Uit: L. MICHIELSEN, “De kompagnie van Triëste en Fiume”, blz. 78-80.

[209] ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 3 augustus 1744.

[210] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 17 augustus 1744.

[211] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 31 augustus 1744.

[212] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 1 oktober 1744.

Het gaat hier waarschijnlijk over François Arnold Adrien Jean Philippe de Hoensbroeck, drossaard van Gelderland of diens opvolger Lothaire François Guillaume Henri Hyacinthe Victor. Uit: C. BRUNEEL en J.P. HOYOIS, Les grands commis, blz. 318-319.

De baron van Reisbach was François Thadée de Reisbach. Deze zou het later tot ambassadeur in Den Haag schoppen. Uit: ID., o.c., blz. 523.

[213] ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 8 oktober 1744.

[214] Citaat uit: ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 1 oktober 1744.

[215] Citaat uit: ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 9 november 1744.

[216] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 9 oktober 1744.

[217] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 26 november 1744.

[218] Citaat uit: ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 31 december 1744.

[219] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 31 december 1744.

[220] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 17 september 1744.

[221] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 10 augustus 1744.

[222] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 17 augustus 1744.

[223] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 7 september 1744.

[224] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 17 september 1744.

[225] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 17 augustus 1744.

[226] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 9 juli 1744.

[227] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 17 september 1744.

[228] H. ROODENBURG, “Eer en oneer”, blz. 132-134.

[229] ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 28 december 1744.

Het kan hier ook gaan om Mr. Miscus. Aldegonde’s handschrift was hier zeer onduidelijk.

[230] ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 9 juli 1744.

[231] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 31 augustus 1744.

[232] H. COPPENS en E. AERTS, “Ontvangerij-generaal van financiën”, blz. 536.

[233] Van Overstraeten, zoon van recent geadelde heer van Welden, legde zijn eed als ontvanger-generaal af op 6 augustus 1744. Hij bleef op post tot zijn pensioen in 1783. uit: C. BRUNEEL en J.P. HOYOIS, Les grands commis, blz. 470-471.

[234]ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 10 augustus 1744.

[235] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 17 september 1744.

[236] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 9 juli 1744 en ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 17 augustus 1744.

[237] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 7 september 1744.

[238] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 17 september 1744.

[239] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 1 oktober 1744.

[240] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 1 oktober 1744.

[241] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, ongedateerd (waarschijnlijk geschreven tussen 2 en 7 oktober 1744)

[242] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 8 oktober 1744.

[243] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 19 oktober 1744.

[244] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 19 november 1744.

[245] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 26 november 1744.

[246] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 3 december 1744.

[247] G. GUYOT, “Un milieu européen.”, blz. 91.

[248] ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 28 december 1744.

[249] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 10 augustus 1744.

[250] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 31 augustus 1744.

[251] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 24 augustus 1744.

[252] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 31 augustus 1744.

[253] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 17 augustus 1744.

[254] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 24 augustus 1744 en brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 8 oktober 1744.

[255] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 31 augustus 1744.

[256] Nicolas de Nobili was de zoon van de graaf Charles de Nobili en zijn vrouw Éléonore Sardi. Wegens zijn banden met het Amsterdamse bankhuis Sardi kwam de Nobili terecht in de Nederelanden. Na zijn huwelijk met de burggravin de Patin in 1744 liet hij zich naturaliseren en verwierf hij de positie van meester-raadgever van de Rekenkamer. Vanaf 1755 droeg hij ook de titel van commissaris voor de leiding van de loterij. Datzelfde jaar kreeg hij ook een plaats in de Raad van Financiën. De Nobili eindigde zijn carrière echter als raadver van de Raad van State. Uit: C. BRUNEEL en J.P. HOYOIS, Les grands commis, blz 451-452.

[257]ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 7 september 1744.

[258] Nicolaas Leopold van Salm Salm, heer van Hoogstraten nam in 1744 het gouverneurschap van het kasteel over van de graaf van Nava. Uit: R. LOYEN, De Franse bezetting van Antwerpen, blz. 177.

[259] Vanaf 1752 betaalde de bank Pietro Proli het loon van de prins van Salm-Salm uit. Mettertijd gingen ze ook de inkomsten van zijn hertogdom Hoogstraten beheren. Uit: J. DENUCÉ, Italiaansche koopmansgeslachten, blz. 162.

[260] ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 19 oktober 1744.

[261] Citaat uit: ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 29 oktober 1744.

[262] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Anvers, ongedateerd (waarschijnlijk geschreven tussen 2 en 7 oktober 1744)

[263] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 29 oktober 1744 en brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 19 november 1744.

Aldegonde had zich vergist van graad. Philippe Fançois Joseph Charlse de Fonseca was immers baron. Als jongeman ebuteerde hij als page aan het hof van Karel van Lotharingen. In 1734 werd hij echter benoemd tot raadgever bij de Raad van Financiën. Deze functie had hij gekregen omdat de regering zijn vader wilde bedanken voor jaren trouwe dienst. De Fonseca was echter niet opgeleid om in de financiën en daar beklaagde men zich wel eens over. Zijn overplaatsing naar de Raad van State in 1744 was meer een soort van troostprijs. Uit: C. BRUNEEL en J.P. HOYOIS, Les grands commis, blz. 263-264.

[264] ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 19 november 1744.

Marie Louise Bernardine was de dochter van Charles Philippe de Patin, lid van de Raad van State en president van de Raad van Vlaanderen. Uit: C. BRUNEEL en J.P. HOYOIS, Les grands commis, blz. 478-480.

[265] ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 26 november 1744.

[266] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 3 december 1744.

[267] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 31 december 1744.

[268] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 29 mei 1746.

[269] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 31 mei 1746.

[270] Balthazar  en zijn kompaan deden onder andere ook de volgende bestemmingen aan: Luik, Maastricht, Hasselt, Namen en Olne.

[271]ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde Proli, Anvers, 29 mei 1746.

[272] «J’ai la tranquilité que toutes mes lettres ont etées remises [...] il n’y a rien qui ne puisse être vu, mais encore n’auroi je pas souhaittez quelles seroient restées en d’autres mains» citaat uit: ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 15 augustus 1746.

[273] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 2 september 1746.

[274] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Antwerpen, 23 mei 1746.

[275] Maastricht was blijkbaar wel goed bereikbaar. Aldegonde stuurde er thee, chocola en zelfs Balthazar’s paard naartoe: ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 12 september 1746 en brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 18 september 1746.

[276] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 6 juli 1746.

[277] Citaat uit: ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 10 augustus 1746.

[278] Citaat uit: ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 1 juli 1746.

[279] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 23 augustus 1746.

[280] Citaat uit: ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 22 november 1746.

[281] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 8 juli 1746.

[282] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 5 augustus 1746.

[283] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 18 augustus 1746.

De graaf (later prins) Charles Joseph de Batthyàny was hoofdcommandant van de troepen tijdens de Oostenrijkse successieoorlog en een tijd lang gevolmachtigd minister. Uit: C. BRUNEEL en J.P. HOYOIS, Les grands commis, blz. 683.

[284] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 2 juli 1746.

[285] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 8 juli 1746.

[286] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 11 november 1746.

[287] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 22 oktober 1746.

[288] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 16 september 1746.

[289] Lees alles over de Franse bezetting van Antwerpen bij R. LOYEN, De Franse bezetting van Antwerpen of F. PRIMS, Antwerpen onder Lodewijk XV.

[290] ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 23 mei 1746.

[291] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 26 mei 1746.

[292] ID., o.c., brief van Aldegonde Proli, Anvers, 23 mei 1746.

[293] Citaat uit: ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 11 november 1746.

[294] Clermont de Galerande was militair commandant van Antwerpen tussen 28 oktober 1746 en 10 april 1747. uit: R. LOYEN, De Franse bezetting van Antwerpen, blz. 178.

[295] ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 12 juni 1746.

Casteels besprak deze episode uit de geschiedenis van het domein Wespelaar niet in zijn artikel: “De familie Proli, eigenaar van het domein te Wespelaar van 1735 tot 1784.”

[296] Deze graaf van Saksen was sinds 1747 gouverneur-generaal in de Nederlanden. Uit: R. LOYEN, De Franse bezetting van Antwerpen, blz. 177.

[297] Jacques-Antoine Ricouart, markies van Hérouville. Uit: F.-A. AUBERT DE LA CHESNAYE DES BOIS, Dictionaire de la noblesse, tome 5, blz. 590.

[298] Citaat uit: ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 22 juli 1746.

[299] Elisabeth Norbertine Alexine Joséphine Van der Laen, vrouwe van het markiezaat Melin en Bisecq, was gehuwd met Jean Jerôme Ange, raadgever-pensionnaris van de staten van Limburg. Uit: C. BRUNEEL en J.P. HOYOIS, Les grands commis, blz. 535.

[300] ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 26 juli 1746.

[301] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 12 juni 1746.

[302] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 16 september 1746, brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 25 september 1746 en brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 25 oktober 1746. Een citaat uit deze laatste brief: “il m’a rendu des services à l’égard de mes terres et aussi à d’autres que je lui ai recommandé enfin je vous repette que c’est un grand seigneur qui a beaucoup de meritte et dont la conduitte est sans reproche."

[303] “J’ose dire que j’ai par mes representations garantis cette ville de bien des désagrements qu’on y auroit eu par les mauvaises façons de certaines gens.” Citaat uit: ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 25 oktober 1746.

[304] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 25 oktober 1746.

[305] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 25 oktober 1746.

[306] Citaat uit: ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 19 oktober 1746.

[307] «car il est tres important d’avoir des protections dans la situation ou nous sommes.» Citaat uit:  ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 19 oktober 1746.

[308] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 26 oktober 1746.

[309] Citaat uit: ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 31 oktober 1746.

[310] Citaat uit: ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 3 december 1746.

[311] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 15 september 1746.

[312] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 29 september 1746.

[313] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 5 juni 1746.

[314] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 7 juni 1746.

[315] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 12 juni 1746.

[316] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 25 september 1746.

[317] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 20 november 1746.

[318] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 18 augustus 1746.

[319] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 5 augustus 1746, brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 8 augustus 1746, brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 10 augustus 1746 en brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 11 november 1746.

[320] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 29 november 1746.

[321] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 11 november 1746.

[322] Deze minimum- en maximumschatting werd gemaakt door R. LOYEN, De Franse bezetting van Antwerpen, blz. 235.

[323]ARA, HSverz. n° 1576, brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 9 oktober 1746.

[324] Zo spreekt Marie-Jeanne Balthazar aan in haar brief van 16 oktober 1747. ARA, HSverz. n° 1569, brief van Marie-Jeanne Clotz aan Balthazar Proli, Hambach, 16 oktober 1747.

[325] ARA, HSverz. n° 1567, brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 11 november 1746.

[326] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 18 november 1746.

[327] “8 ½ el d’une fort jolie dentelle a campanne”. Citaat uit: ARA, HSverz. n° 1568, brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 27 januari 1747.

[328] ARA, HSverz. n° 1567, brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 3 december 1746.

[329] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 18 november 1746.

“Crumpipen, (Jean Henri De)” in: C. BRUNEEL en J. P. HOYOIS, Les grands commis, blz. 198-199.

[330] Citaat uit: ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 11 december 1746.

[331] Citaat uit: ARA, HSverz. n° 1568, brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 1 januari 1747.

[332] Over Capon werd nog steeds gesproken als “nôtre amy” en “vôtre compagnon”. Volgens Aldegonde was deze geheimhouding nog steeds noodzakelijk. ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 13 januari 1747.

[333] In een memorie over de regering van de Oostenrijkse Nederlanden werd hij als volgt geschetst: “[il] est sûrement celui qui brille le plus au Conseil des finances, mais il veut ce qu’il veut; il est bon jurisconsulte [...], l n’a pas le don de se faire aimer et l’on dit qu’il est brusque...". Citaat uit: «Capon (André)», in: C. BRUNEEL en J. P. HOYOIS, Les grands commis, blz. 145.

[334] ARA, HSverz. n° 1568, brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 20 januari 1747.

[335] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 26 januari 1747.

[336] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 27 januari 1747.

[337] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 1 februari 1747.

[338] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 6 maart 1747.

Balthazar legde zijn eed af op 11 maart 1747. “Proli (Balthazar Florent Joseph De)” in: C. BRUNEEL en J. P. HOYOIS, Les grands commis, blz. 502.

[339] ARA, HSverz. n° 1568, brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 23 februari 1747.

[340] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 6 maart 1747.

[341] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 14 maart 1747.

[342] Citaat uit:  ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 7 april 1747.

[343] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 7 april 1747.

[344] Het is niet geheel duidelijk of Rima deze boodschap persoonlijk over maakte of hij dit per brief deed.

[345] ARA, HSverz. n° 1568, brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 15 april 1747.

[346] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 20 april 1747.

[347] Citaat uit: ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 6 mei 1747.

[348] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 22 mei 1747.

[349] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 25 mei 1747 en ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 2 juni 1747.

[350] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 17 juni 1747.

[351] Citaat uit: ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 9 juli 1747.

[352] «Proli(Balthazar Florent Joseph De)» in: C. BRUNEEL en J. P. HOYOIS, Les grands commis, blz.502.

[353]ARA, HSverz. n° 1568, brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 11 augustus 1747.

[354] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 23 augustus 1747.

[355] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 24 augustus 1747.

[356] André François, baron van Kessel was ontvanger van de domeinen te Antwerpen. Uit: C. BRUNEEL en J.P. HOYOIS, Les grands commis, blz. 705.

[357] ARA, HSverz. n° 1568, brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 29 augustus 1747.

[358] Citaat uit: ARA, HSverz. n° 1569, brief van Balthazar Proli aan Marie-Jeanne Clotz, Aken, 11 september 1747.

[359] Deze correspondentie werd bewaard in één bundel onder het nummer 1569 in het fonds handschriftenverzameling op het Algemeen Rijksarchief te Brussel. De bundel werd getiteld: “Correspondance de M. De Proli avec Mme. De Proli. 1747-1758.”

[360] E. RAMAKERS, “De familie Proli-Clotz”, kol. 71.

[361] E. RAMAKERS, “De bewoners van Strijthagen”, kol. 168.

[362] E. RAMAKERS, “De familie Proli-Clotz”, kol. 71.

Ramakers vermeldt alvast geen officiële adellijke titel in haar artikel.

[363] G. GUYOT, “Un milieu européen”, blz. 96.

Paul-Jacques de Cloots was al voor de oprichting van de Compagnie van Oostende geïnteresseerd in de koloniale handel. In 1718 nam hij het initiatief voor de expeditie van het schip “De Prins Eugenius” naar Kanton. Uit: J. PARMENTIER, Oostende en co, blz. 12.

[364] E. RAMAKERS, “De familie Proli-Clotz”, kol. 70.

Deze Mathias Josephus de Clotz uit Aken schreef zich in aan de Leuvense universiteit als Praenobilis op 21 maart 1740. uit: SCHILLINGS, A. ed., Matricule de l’université de Louvain VIII, blz. 70.

[365] Citaat uit: ARA, HSverz. n° 1569, brief van Balthazar Proli aan Marie-Jeanne Clotz, Aken, 11 september 1747.

[366] G. GUYOT, “Un milieu européen”, blz. 97.

[367] Wie dit meisje was is ons niet bekend. Marie-Jeanne spreekt enkel over “de brunette”. ARA, HSverz. n° 1569, brief van Marie-Jeanne Clotz aan Balthazar Proli, Hambach, 16 oktober 1747.

[368] ID., o.c., brief van Balthazar Proli aan Marie-Jeanne Clotz, Aken, 13 september 1747; brief van Balthazar Proli aan Marie-Jeanne Clotz, Aken, 14 september 1747 en brief van Marie-Jeanne Clotz aan Balthazar Proli, s.l., 14 september 1747.

[369] ID., o.c., brief van Balthazar Proli aan Marie-Jeanne Clotz, Aken, 14 september 1747.

[370] ID., o.c., brief van Marie-Jeanne Clotz aan Balthazar Proli, s.l., 14 september 1747.

[371] Citaat uit: ID., o.c., brief van Balthazar Proli aan Marie-Jeanne Clotz, Aken, 23 september 1747.

[372] ID., o.c., brief van Balthazar Proli aan Marie-Jeanne Clotz, Aken, 27 september 1747.

[373] Balthazar vraagt haar immers in zijn volgende brief naar het effect van zijn voorgaande: ID., o.c., brief van Balthazar Proli aan Marie-Jeanne Clotz, Aken, 28 september 1747.

[374] ID., o.c., brief van Balthazar Proli aan Marie-Jeanne Clotz, Aken, 5 oktober 1747.

[375] ID., o.c., brief van Marie-Jeanne Clotz aan Balthazar Proli, s.l., 28 september 1747.

[376] ID., o.c., brief van Balthazar Proli aan Marie-Jeanne Clotz, Aken, 29 september 1747.

[377] Citaat uit: ID., o.c., brief (1) van Marie-Jeanne Clotz aan Balthazar Proli, Hambach, 5 oktober 1747.

[378] ID., o.c., brief van Marie-Jeanne Clotz aan Balthazar Proli, s.l., 30 september 1747.

[379] Citaat uit: ID., o.c., brief (2) van Marie-Jeanne Clotz aan Balthazar Proli, Hambach., 5 oktober 1747.

[380] ID., o.c., brief (2) van Marie-Jeanne Clotz aan Balthazar Proli, Hambach, 5 oktober 1747; brief van 9 oktober 1747 en brief van 12 oktober 1747.

[381] Citaat uit: ID., o.c., brief van Marie-Jeanne Clotz aan Balthazar Proli, Hambach, 12 oktober 1747.

[382] ID., o.c., brief van Balthazar Proli aan Marie-Jeanne Clotz, Aken, 8 oktober 1747; brief van Balthazar Proli aan Marie-Jeanne Clotz, Aken, 9 oktober 1747.

[383] Citaat uit:  ID., o.c., brief van Balthazar Proli aan Marie-Jeanne Clotz, Aken, 12 oktober 1747.

[384] ID., o.c., brief van Balthazar Proli aan Marie-Jeanne Clotz, Aken, 14 oktober 1747.

[385] ID., o.c., brief  van Marie-Jeanne Clotz aan Balthazar Proli, Hambach, 16 oktober 1747.

[386] ID., o.c., brief van Balthazar Proli aan Marie-Jeanne Clotz, Aken, in de nacht van 17 op 18 oktober 1747.

[387] ID., o.c., brief van Balthazar Proli aan Marie-Jeanne Clotz, Aken, 20 oktober 1747.

[388] Citaat uit: ID., o.c., brief van Marie-Jeanne Clotz aan Balthazar Proli, Hambach, 23 oktober 1747.

[389] ID., o.c., brief van Balthazar Proli aan Marie-Jeanne Clotz, Aken, 24 oktober 1747.

[390] ID., o.c.,  brief van Balthazar Proli aan Marie-Jeanne Clotz, s.l., s.d.

Het is niet duidelijk of het hier om Corneille François of Patrice François de Neny gaat, respectievelijk lid van de Raad van Financiën en van de Geheime Raad. Uit: C. BRUNEEL en J.P. HOYOIS, Les grands commis, blz. 440-446.

[391] ARA, HSverz. n° 1569, brief (3) van Marie-Jeanne Clotz aan Balthazar Proli, Hambach, 5 oktober 1747.

[392] Citaat uit: ID., o.c., brief van Balthazar Proli aan Marie-Jeanne Clotz, Aken, 24 oktober 1747.

[393] ID., o.c., brief van Balthazar Proli aan Marie-Jeanne Clotz, Aken, 1  november 1747.

[394] ID., o.c., brief van Marie-Jeanne Clotz aan Balthazar Proli, Hambach, 30 oktober 1747, brief van Marie-Jeanne Clotz aan Balthazar Proli, Juliers, 1 november 1747.

[395] ID., o.c., brief van Marie-Jeanne Clotz aan Balthazar Proli, Hambach, 2 november 1747.

[396] ID., o.c., brief van Balthazar Proli aan Marie-Jeanne Clotz, Aken, 4 november 1747.

[397] ID., o.c., brief van Balthazar Proli aan Marie-Jeanne Clotz, Aken, 7 december 1747.

[398] ID., o.c., brief van Marie-Jeanne Clotz aan Balthazar Proli, Hambach, 7 december 1747.

[399] ID., o.c., brief van Balthazar Proli aan Marie-Jeanne Clotz, Aken, 8 december 1747.

[400] ID., o.c., brief van Balthazar Proli aan Marie-Jeanne Clotz, s.l., s.d.

[401] ID., o.c., brief van Balthazar Proli aan Marie-Jeanne Clotz, Aken, 11 december 1747 en brief van Balthazar Proli aan Marie-Jeanne Clotz, Aken, 1 januari 1748.

[402] Citaat uit: ID., o.c., brief van Balthazar Proli aan Marie-Jeanne Clotz, Aken, 11 december 1747.

[403] ID., o.c., brief van Balthazar Proli aan Marie-Jeanne Clotz, Aken, 1 januari 1748.

[404] «Proli(Balthazar Florent Joseph De)» in: C. BRUNEEL en J. P. HOYOIS, Les grands commis, blz. 501.

[405] ARA, HSverz. n° 1568, brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 30 september 1748.

[406] Ze nodigde het tweetal immers uit om haar te bezoeken wanneer ze van Aken naar Brussel zouden reizen. Ze meende immers dat de oorlog nu snel voorbij zou zijn en de regering zou terugkeren naar Brussel. Ze moest echter wachten tot april 1749. Uit: “Crumpipen, (Jean Henri De)” in: C. BRUNEEL en J. P. HOYOIS, Les grands commis, blz. 198.

[407] ARA, HSverz. n° 1568, brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 7 oktober 1748.

[408] “Crumpipen, (Jean Henri De)”  in: C. BRUNEEL en J. P. HOYOIS, Les grands commis, blz. 198-199.

[409] Kaunitz was gevolmachtigd minister van de Oostenrijkse Nederlanden van januari 1745 tot juni 1746. uit: J. LAENEN, Le ministère de Botta-Adorno, blz. 29.

[410] G. GUYOT, «Un milieu européen», blz. 98.

Er werd zelfs beweerd dat Marie-Jeannes’ eerstgeborene de zoon van Kaunitz was en niet van Balthazar. Guyot zocht een verklaring voor dit gerucht in het controversiële leven van deze zoon. Hij geraakte immers verwikkeld in de nasleep van de Franse Revolutie. Als stichter van de krant ‘Le Cosmopolite’ wierp hij zich op als verdediger van de oude alliantie tussen Oostenrijk en Frankrijk en als tegenstander van de Girondijnen. Franse historici hebben daarom getracht met deze man af te rekenen, door hem, zonder enig bewijsmateriaal, af te schilderen als de bastaard van Kaunitz. Uit: G. GUYOT, Un capitaliste, Charles Proli (1723-1786) et deux révolutionnaires», blz. 328-329.

Michielsen stond minder kritisch tegenover dit gerucht. Hij schreef immers “de weduwe Proli had misschien gelijk toen ze zich verzette tegen dit huwelijk, want uit de briefwisseling blijkt dat “Mike” moeilijk trouw kon zijn. De oudste zoon van Marie de Clotz ging zelfs door voor een bastaard van Kaunitz.” Uit: L. MICHIELSEN, “De familie de Proli”, blz. 283.

Deze bewering doet mij echter vermoeden dat L. Michielsen weinig aandacht besteedde aan de bundels 1572 en 1573 uit het fonds handschriftenverzameling. In deze twee bundels bevinden zich alleen brieven die aan Marie-Jeanne geschreven werden en geen enkele van haar hand. Het feit dat zij wel eens een liefdesbrief kreeg bewijst niet dat zij die daarom beantwoordde en dat er ook daadwerkelijk een affaire was. De toenmalige, vaak gekunstelde schrijfstijl en het overaanbod aan complimentjes maakt het onderscheid tussen een gewone brief en een liefdesbrief trouwens niet altijd even gemakkelijk. Daarenboven had Michielsen ook moeten opmerken dat er geen enkele brief van Kaunitz te vinden is. Dit sluit natuurlijk een romance tussen de twee niet uit, maar er is alvast geen bewijsmateriaal voor.

[411]Citaat uit: ARA, HSverz. n° 1568, brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 7 oktober 1748.

[412] ID., o.c., brief van Aldegonde Pauli, Antwerpen, 10 november 1748.

[413] ID., o.c., brief van Aldegonde Pauli, Antwerpen, 18 november 1748.

[414] ARA, HSverz. n° 1571, brief van Jean Wispien aan Balthazar de Proli, Aken, 29 januari 1749 en ID, o.c., brief van Jean Wispien aan Balthazar de Proli, Aken, 22 februari 1749.

[415] ID, o.c., brief van Jean Wispien aan Balthazar de Proli, Aken, 22 maart 1749.

[416] ARA, HSverz. n° 1568, brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 12 februari 1750.

[417] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 18 juli 1750.

[418] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 2 augustus 1750.

[419] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 7 december 1750.

[420] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 19 april 1750.

[421] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 10 mei 1750/

[422] Citaat uit: ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 13 juni 1750.

[423] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 19 november 1750 en brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 28 november 1750.

[424] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 23 augustus 1750.

[425] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli aan Marie-Jeanne de Proli, Antwerpen, 28 augustus 1750.

[426] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli aan Marie-Jeanne de Proli, Antwerpen, 3 september 1750.

[427] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 30 september 1750.

[428] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 7 december 1750 en brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 9 december 1750.

[429] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli aan Marie-Jeanne de Proli, Antwerpen, 28 augustus 1750.

[430] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 29 november 1750. en brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 1 december 1750.

[431]“l’on dit pour proverbe qu’une main, l’ave l’autre” Citaat uit: ARA, ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 21 oktober 1750.

[432] De gemiddelde leeftijd waarop haar zussen en schoonzussen in het huwelijksbootje stapten bedroeg immers tussen de 23 en de 24 jaar. (Henriette Aloïse Blount werd hierin niet inbegrepen omdat van haar geen geboortedatum bekend is)

[433] Citaat uit: ARA, HSverz. n° 1568, brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 15 februari 1750.

[434] Cfr. supra, blz. 24-25.

[435] L. MICHIELSEN, “De kompagnie van Trieste en Fiume”, blz. 74-75.

[436] Citaat uit: ARA, HSverz. n° 1568, brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 4 maart 1750.

[437] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 26 februari 1750.

[438] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 12 mei 1750.

[439] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 4 maart 1750.

[440] Het gaat hier zeer waarschijnlijk om Jacques Bernaert, de zoon van Louis Bernaert, de vroegere commissionaris in Oostende van de Oostendse Compagnie. De graaf Kinsky, Choteks voorganger, had zich met zijn plannen voor een compagnie van Trieste en Fiume eerst tot deze man gewend. Uit: H. HOUTMAN-DE SMEDT, Charles Proli, Antwerps zakenman en bankier, blz. 70.

[441] ARA, HSverz. n° 1568, brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 19 maart 1750.

[442] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 20 maart 1750.

[443] Citaat uit: ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 28 maart 1750.

[444] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 14 april 1750 en brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 19 april 1750.

[445] La Nettine is Barbe Stoupy, de tweede vrouw van Matthias de Nettine. Na zijn dood op 28 juni 1749 zette ze zijn zaken, met veel verve, verder. In feite beheerde zij ook al voor zijn dood het bankhuis. Uit: V. JANSSENS, “Geld en bankwezen in de Zuidelijke Nederlanden”, blz. 207.

[446] Chotek was het hoofd van de “Ministerial-Banco-Hofdeputation” en van het “Universal-Commerz-Directorium”. Uit: L. MICHIELSEN, “De Kompagnie van Trieste en Fiume”, blz. 75-76 en blz. 80.

[447] ARA, HSverz. n° 1568, brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 16 oktober 1750 en ARA, HSverz. n° 1568, brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 18 oktober 1750.

[448] Arnoldt nam Charles mee naar Wenen. De jongeman kon immers heel wat leren van deze ervaren ondernemer. Ook andere aandeelhouders gebruikten de compagnie om hun familieleden wat ervaring te laten opdoen. Zo deed Jean Joseph Moretus een soort van stage bij de compagnie en ook J.C.J. Borrekens deed iets gelijkaardigs op aansporen van zijn moeder. Uit: L. MICHIELSEN, “De Kompagnie van Triëste en Fiume”, blz. 84.

[449]Het verloop van de onderhandelingen staat gedetailleerd beschreven in het reeds geciteerde artikel van L. MICHIELSEN, “De Kompagnie van Trieste en Fiume”, blz. 75-82.

Houtman-De Smedt ging echter niet akkoord met Michielsens verklaring voor deze hele intrige. Ze had in de bewaarde archieven immers geen aanwijzingen kunnen vinden dat de onderhandelingen met Chotek niet volgens regeringswensen verliepen. Nochtans moest ze toegeven dat de plannen van Arnoldt en Charles de Proli voor de compagnie sterk afweken van die van Chotek. Uit: H. HOUTMAN-DE SMEDT, Charles Proli, Antwerps zakenman en bankier, blz. 72-73.

[450] ARA, HSverz. n° 1568, brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 26 oktober 1750.

[451] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 11 november 1750.

[452] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli aan Marie Jeanne de Proli, Antwerpen, 28 augustus 1750.

[453] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 3 september 1750.

[454] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 28 september 1750.

[455] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 15 november 1750.

[456] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 1 december 1750.

[457] H. COPPENS en E. AERTS, “Ontvangerij-generaal”, blz. 538.

[458] ARA, HSverz. n° 1568, brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 19 november 1750.

[459] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 23 november 1750.

[460] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 9 december 1750.

[461] ID., o.c., brief van Aldegonde de Proli, Antwerpen, 26 december 1750.

[462] “Staatskassen en ontvangkantoren”, in: H. COPPENS, Het institutioneel kader van de centrale overheidsfinanciën, blz. 57-80.

[463] H. COPPENS en E. AERTS, “Ontvangerij-generaal”, blz. 538-541.

[464] ARA, HSverz. n°1573bis, brief van Balthazar de Proli aan de graaf van Figuerola, Brussel, 3 april 1752. Figuerola was sinds oktober 1750 raadgever-regent in de Hoge Raad voor de Nederlanden te Wenen. Uit: “Figuerola (Raymond DE)”, in: C. BRUNEEL en J. P. HOYOIS, Les grands commis, blz. 259-260.

[465] ARA, HSverz. n°1573bis, brief van Balthazar de Proli aan de graaf van Figuerola, Brussel, 9 augustus 1752.

[466] Die onenigheid ging voornamelijk terug op het enorme verschil in loon tussen deze twee. Arnoldt had een loon van 8000 gulden. Rima verdiende slechts 4000 gulden. De derde directeur Jean Antoine Wellens moest zich tevreden stellen met 3000 gulden. Uit: L. MICHIELSEN, “De Kompagnie van Triëste en Fiume”, blz. 83.

[467] Uit: ID.,o.c., blz. 85.

[468] Uit: ID.,o.c., blz. 85-86.

[469] ARA, HSverz. n° 1571, brief van de graaf van Chotek aan Balthazar de Proli, Wenen, 19 september 1753.

[470] De Antwerpse aandeelhouders lieten zich vertegenwoordigen door vijf gedeputeerden: P.A. Wellens, N.J. Charlé, C. de Proli, T.J. de Bie en F.J. Moretus. Uit: L. MICHIELSEN, “De Kompagnie van Triëste en Fiume”, blz. 85.

[471] Citaat uit: ARA, HSverz. n° 1571, brief van de Antwerpse gedeputeerden aan Balthazar de Proli, Antwerpen, 9 oktober 1753.

[472] Karl von Cobenzl was gevolmachtigd minister in de Nederlanden van 1753 tot 1770. uit: P. LENDERS, “Brussel en Wenen”, blz. 68.

[473] ARA, HSverz. n°1573bis, brief van Balthazar de Proli aan de graaf van Kobenzl, Fiume, oktober 1753.

[474] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan Mr. Champini, Fiume, s.d. (tussen oktober en eind december 1753.)

[475] ARA, HSverz. n° 1571, brief van de graaf van Chotek aan Balthazar de Proli, Wenen 19 januari 1753.

[476] ID., o.c., brief van Mr. De Mygind aan Balthazar de Proli, Wenen, 22 december 1753.

[477] ID., o.c., brief van de graaf van Chotek aan Balthazar de Proli, Wenen, 14 november 1753.

[478] Citaat uit: ID., o.c., brief van de graaf van Chotek aan Balthazar de Proli, Wenen, 1 december 1753.

[479] ARA, ID., o.c., brief van de Antwerpse gedeputeerden aan Balthazar de Proli, Antwerpen, 7 december 1753.

[480] ID., o.c., brief van Mr. De Mygind aan Balthazar de Proli, Wenen, 22 september 1753.

[481] ID., o.c., brief van de graaf van Chotek aan Balthazar de Proli, Wenen, 14 november 1753.

[482] ID., o.c., brief van de graaf van Chotek aan Balthazar de Proli, Wenen, 2 januari 1754.

[483] Op 26 oktober 1752 had Marie-Jeanne immers nog een meisje op de wereld gezet: Maria Theresia Charlotta.

[484] ARA, Hsverz. n°1573bis, brief van Balthazar de Proli aan de baron van Bartenstein, Brussel, 24 december 1753. Vermoedelijk gaat het hier om Jean Christophe de Bartenstein, vice-kanselier van het Directorium in publicis et camerabilus van Bohemen en Oostenrijk. Uit: C. BRUNEEL en J.P. HOYOIS, Les grands commis, blz. 81.

ARA, Hsverz. n°1573bis, brief van Balthazar de Proli aan de graaf van Kaunitz, Brussel, 24 december1753 en brief van Balthazar de Proli aan de graaf van Cobenzl, Brussel, 24 december 1753.

[485] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan de graaf van Chotek, Fiume, 28 december 1753; brief van Balthazar de Proli aan de graaf Tarouca, Fiume, 28 december 1753 en brief van Balthazar de Proli aan de graaf van Figuerola, Fiume, 4 januari 1753.

[486] Denis Benoît Joseph de Cazier (1718-1791) was licentiaat in beide rechten. Hij startte zijn carrière als advocaat bij de Raad van Brabant maar klom al snel op tot auditeur van de Rekenkamer. In 1750 werd hij raadgever bij de Raad van Financiën. Vanaf 1753 was er sprake van om hem naar Wenen te halen, naar de Hoge Raad voor de Nederlanden te Wenen. Het duurde echter tot november 1754 vooraleer dit effectief gebeurde. Drie jaar later was de man reeds terug in de Nederlanden. De Hoge Raad voor de Nederlanden te Wenen werd immers afgeschaft in 1757. Cazier kreeg in ruil een positie in de Raad van State die hij tot aan zijn pensioen in 1787 bleef uitvoeren. Uit: C. BRUNEEL en J.P. HOYOIS, Les grands commis, blz. 151-153.

[487] ARA, Hsverz. n°1573bis, brief van Balthazar de Proli aan de graaf van Figuerola, Fiume, 4 januari 1753.

[488] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan Madame de Pesora, Fiume, 31 december 1753.

[489] ARA, HSverz. n° 1571, brief van de graaf van Chotek aan Balthazar de Proli, Wenen, 19 januari 1754.

[490] ID., o.c., brief van de Antwerpse gedeputeerden aan Balthazar de Proli, 14 december 1753 en brief van de graaf van Chotek aan Balthazar de Proli, 14 februari 1754.

[491] ARA, HSverz. n°1573bis, brief van Balthazar de Proli aan Mr. Mygind, Fiume, 2 maart 1753.

[492] Citaat uit: ARA, HSverz. n° 1573, brief van de graaf Chotek aan Madame de Proli, Wenen, 11 april 1754.

[493] ARA, HSverz. n° 1571, brief van de graaf Chotek aan Balthazar de Proli, Holitsch, 22 juni 1754.

[494] ID., o.c., brief van Mr. De Mygind aan Balthazar de Proli, Wenen, 10 juli 1754.

[495] Citaat uit: ID., o.c., brief van de graaf van Chotek aan Balthazar de Proli, Wenen, 10 juli 1754.

[496] ID., o.c., brief van de graaf van Chotek aan Balthazar de Proli, Wenen, 10 juli 1754.

[497]ID., o.c., brief van Mr. De Mygind aan Balthazar de Proli, Wenen, 1 februari 1755 en brief van Mr. De Mygind aan Balthazar de Proli, Wenen, 11 december 1754.

[498] Brouwers tabaksmanufactuur werd uitgebreid besproken in de eindverhandeling van R. VAN NIEUWENHUYSEN, Bijdrage tot de geschiedenis van de tabak.

[499] ARA, HSverz. n°1573bis, brief van Balthazar de Proli aan de graaf Chotek, Brussel, 25 december 1754.

[500] ARA, HSverz. n° 1571, brief van de graaf van Chotek aan Balthazar de Proli, Wenen, 1 januari 1755.

[501] ARA, HSverz. n°1573bis, brief van Balthazar de Proli aan Mr. De Mygind, Brussel, 8 februari 1755.

[502] Citaat uit: ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan de graaf van Chotek, Brussel, 1 maart 1755.

[503] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan Mr. De Mygind, Brussel, 1 februari 1755.

[504] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan Mr. A. Wellens, Brussel, 8 februari 1755.

[505] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan Mr. Brauwer, Wenen, 16 juni 1755.

[506] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan Mr. Caters, Wenen, 14 juni 1755.

[507] Citaat uit: ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan de graaf van Cobenzl, Wenen, 18 juni 1755.

[508] Hoe de onderhandelingen met Pingitzer precies afliepen mag niet blijken uit de brieven. Er wordt helemaal niets meer gezegd over de tabakspacht. Volgens L. Michielsen stelde de zevenjarige oorlog in 1756 reeds een einde aan deze pacht. Uit: L.MICHIELSEN, “De familie de Proli”, blz. 283.

[509] Citaat uit: ARA, HSverz. n°1573bis, brief van Balthazar de Proli aan de graaf van Choteck, Wenen, 8 augustus 1755.

[510] Citaat uit: ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan de graaf van Chotek, Brussel, 27 augustus 1755.

[511] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan de graaf van Haugwitz, Brussel, 30 augustus 1755.

[512] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan de graaf van Chotek, Brussel, 6 september 1755.

[513] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan de graaf van Chotek, Brussel, 13 september 1755.

[514] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan de graaf van Chotek, Brussel, 19 september 1755.

[515] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan de graaf van Chotek, Brussel, 4 oktober 1755.

[516] ARA, HSverz. n° 1573, brief van Mr. Tonnois aan Madame de Proli, Brussel, 12 november 1755.

[517] ARA, HSverz. n°1573bis, brief van Balthazar de Proli aan de graaf von Cobenzl, Wenen, 6 maart 1756.

[518] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan de graaf von Cobenzl, Wenen, 16 januari 1756.

[519] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan de graaf van Chotek, Brussel, 13 september 1755.

[520] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan de graaf van Haugwitz, Wenen, 11 augustus 1756 en brief van Balthazar de Proli aan de graaf van Haugwitz, Wenen, 17 augustus 1756.

[521] Citaat uit:ARA, ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan de graaf van Chotek, Brussel, 6 september 1755.

[522] ARA, HSverz. n° 1570, brief van Mr. Cels en Charles de Proli aan Balthazar de Proli, Antwerpen, 1 augustus 1756.

[523] ID., o.c., brief van Charles de Proli aan Balthazar de Proli, Antwerpen, 30 juli 1756.

[524] ID., o.c., brief van Mr. Osy aan Charles de Proli, Rotterdam, 3 augustus 1756. Charles stuurde deze brief door naar zijn broer in Wenen.

[525] ID., o.c., brief van Mr. Cels aan aan Balthazar de Proli, Antwerpen, 30 augustus 1756.

[526] ARA, HSverz. n°1573bis, brief van Balthazar de Proli aan Mr. Cels, Wenen, 29 augustus 1756.

[527] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan Charles Proli, Wenen, 17 september 1756.

[528] Citaat uit: ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan de graaf van Haugwitz, Wenen, 5 september 1756.

[529] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan Mr. Cels, Wenen, 3 september 1756.

[530] ARA, HSverz. n° 1570, brief van Mr. Cels aan Balthazar de Proli, Antwerpen, 8 september 1756; ARA, HSverz. n° 1570, brief van Mr. Cels aan Balthazar de Proli, Antwerpen, 13 september 1756 en brief van Mr. Cels aan Balthazar de Proli, Antwerpen, 14 september 1756.

[531] ARA, HSverz. n°1573bis, brief van Balthazar de Proli aan Charles Proli, Wenen, 25 september 1756.

[532] Citaat uit: ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan Mr. Cels, Wenen, 11 september 1756.

[533] ARA, HSverz. n° 1571, brief van Pietro Proli aan Balthazar de Proli, Antwerpen 6 oktober 1756.

[534] ID., o.c., brief van Pietro Proli aan Balthazar de Proli, Antwerpen, 10 oktober 1756.

[535] ARA, HSverz. n° 1570, brief van Mr. Cels aan Balthazar de Proli, Antwerpen, 2 oktober 1756.

[536] ID., o.c., brief van Mr. Cels aan Balthazar de Proli, Antwerpen, 1 oktober 1756.

[537] ARA, HSverz. n°1573bis, brief van Balthazar de Proli aan Charles Proli, Wenen, 29 september 1756.

[538] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan Mr. Königg, Antwerpen, 1756.

[539] Citaat uit: ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan de graaf van Haugwitz, Amsterdam, november 1756.

[540] Citaat uit: ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan de graaf van Haugwitz, Antwerpen, 23 november 1756.

[541] Citaat uit: ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan de graaf van Haugwitz, Antwerpen, 3 december 1756.

[542] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan Mr. De Wulf, Brussel, 2 december 1756.

[543] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan de graaf von Cobenzl, Antwepren, 9 december 1756

[544] ARA, HSverz. n° 1569, brief van Balthazar de Proli aan Marie-Jeanne von Clotz, Brussel, 22 december 1756.

[545] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan Marie-Jeanne von Clotz, Lintz, 6 januari 1757.

[546] ARA, HSverz. n° 1570, brief van Mr. Cels aan Madame de Proli, Antwerpen, 18 januari 1758.

[547] ID., o.c., brief van Mr. Cels aan Balthazar de Proli, Antwerpen, 9 maart 1758.

[548] ID., o.c., brief van Mr. Cels aan Madame de Proli, Antwerpen, 7 maart 1759.

[549] ID., o.c., brief van Mr. Cels aan Madame de Proli, Antwerpen, 23 maart 1759.

[550] ID., o.c., brief van Mr. Cels aan Madame de Proli, Antwerpen, 1 april 1759 en brief van Mr. Cels aan Madame de Proli, Antwerpen, 14 april 1759.

[551] ARA, HSverz. n° 1573, brief van de graaf van Lagueja aan Madame de Proli, Brussel, 7 februari 1756 en brief van mevrouw De Keerle aan Madame de Proli, Brussel, 16 maart 1756.

[552] Citaat uit: ARA, HSverz. n° 1572, brief van Charles de Proli aan Madame de Proli, s.l., s.d.

[553] Citaat uit: ARA, HSverz. n° 1573, brief van Mr. Hutmachers aan madame de Proli, Streithagen 30 december 1755.

[554] ID., o.c., brief van de markiezin de Paltsy de Los Rios aan Madame de Proli, s.l., 27 januari 1756; brief van de graaf van Lagueja aan Madame de Proli, Brussel, 7 februari 1756; brief van de hertogin d’Ursel aan Madame de Proli, Aken, 21 juni 1755 en brief van de hertogin d’Ursel aan Madame de Proli, Avelghem, 6 november 1755.

De hertogin van d’Ursel was M.J. de Lobkowitz (1726-1756). Ze huwde in 1740 de hertog van d’Ursel en Hoboken. Ze hadden samen acht kinderen. Uit: G. GUYOT, “Un milieu européen”, blz. 160.

[555] ID., o.c., brief van de herrogin d’Ursel aan Madame de Proli, Aken, 21 juni 1755 en brief van de hertogin d’Ursel aan Madame de Proli, Avelghem, 6 november 1755.

[556] ID., o.c., brief van J.J.A. de Limpens aan Madame de Proli, Brussel, 22 december 1755.

[557] ARA, HSverz. n° 1572, brief van J.J.A. de Limpens aan Madame de Proli, 13 januari 1756.

[558] ID., o.c., brief van J.J.A de Limpens aan Madame de Proli, Brussel, 21 februari 1756.

[559] Citaat uit: ID., o.c., brief van J.J.A de Limpens aan Madame de Proli, Brussel, 21 februari 1756.

Jerôme de Limpens was de jongere broer van A.W. de Limpens (cfr. infra), uit: G. GUYOT, “Un milieu européen”, blz. 159.

[560] ARA, HSverz. n° 1573, brief van Mr. Althann aan Madame de Proli, Praag, 18 mei 1756; brief van de prinses van Avensperg aan Madame de Proli, Flatina, 6 juli 1756; brief van Mr. Althann aan Madame de Proli, Praag, 26 oktober 1756 en brief van de prinses van Avensperg aan Madame de Proli, s.l., s.d.

[561] Citaat uit: ID., o.c., brief van Mr. Lunden aan madame de Proli, Brussel, 23 december 1755.

[562] ID., o.c., brief van de markies de Los Rios aan Madame de Proli, Brussel, 22 april 1756.

[563] Citaat uit: ID., o.c., brief van Madame de Lambertije du Pontdoye, Pontdoye, 30 juni 1756.

[564] ID., o.c., brief van Madame de Lambertijde du Pontdoye, Pontdoye, 14 augustus 1756 en brief van Madame de Lambertijde du Pontdoye, Pontdoye, 1 september 1756.

[565] ARA, HSverz. n° 1571, brief van de markiezin Lambertije du Pontdoye aan Madame de Proli, Brussel, 26 oktober 1756.

[566] ARA, HSverz. n° 1572, brief van moeder Proli aan Madame de Proli, Antwerpen, 22 maart 1756.

[567] ARA, HSverz. n° 1573, brief van Mr. Cels aan Madame de Proli, Antwerpen, 30 oktober 1756; brief van Mr. Cels aan Madame de Proli, Antwerpen, ? oktober 1756 en  brief van Mr. Cels aan Madame de Proli, Antwerpen, 9 februari 1758.

[568] ID., o.c., brief van Mr. Cels aan Madame de Proli, Antwerpen, 4 november 1756.

[569] ARA, HSverz. n° 1570, brief van Mr. Cels aan Madame de Proli, Antwerpen, 20 februari 1758.

[570] ID., o.c., brief van Mr. Cels aan Madame de Proli, Antwerpen, 24 maart 1758. Alleen had Charles zich vergist, het moest een aanbevelingsbrief voor de minister in Madrid zijn. Uit: ID., o.c., brief van Mr. Cels aan Madame de Proli, Antwerpen, 1 april 1759.

[571] Citaat uit: ARA, HSverz. n° 1573, brief van J. Verpoorten aan Madame de Proli, Fiume, 26 maart 1759.

[572] ARA, HSverz. n° 1570, brief van Mr. Cels aan Madame de Proli, Antwerpen, 20 juni 1759.

[573] ARA, HSverz. n° 1572, brief van Jean de Wispien aan Madame de Proli, 10 januari 1756.

[574] ARA, HSverz. n° 1573, brief van A.W. de Limpens aan Madame de Proli, Brussel, 17 januari 1755.

[575] ID., o.c., brief van J.J.A. de Limpens aan Madame de Proli, Brussel, 22 december 1755; ARA, HSverz. n° 1572, brief van A.W. de Limpens aan Madame de Proli, Brussel, 3 april 1756; brief van J.J.A. de Limpens aan Madame de Proli, Brussel, 18 juni 1756; brief van A.W. de Limpens aan Madame de Proli, Brussel, 29 juni 1756; brief van A.W. de Limpens aan Madame de Proli, s.l., s.d. en brief van J.J.A. de Limpens aan Madame de Proli, s.l., 18 augustus 1756.

[576] ID., o.c., brief van A.W. de Limpens aan Madame de Proli, Brussel, 11 semptember 1756.

[577] E. AERTS en H. COPPENS, De centrale overheidsinstellingen, blz. 116-120.

[578] A.W.J. de Limpens was lid van de Geheime raad en werd in 1757 nog lid van de Raad van State, waarschijnlijk ter compensatie van zijn gemiste kans om in Wenen te gaan werken. Hij stierf onverwachts op 14 november 1757. Uit: C. BRUNEEL en J.P. HOYOIS, Les grands commis, blz. 383-385.

[579] ARA, HSverz. n° 1571, brief van Mr. Cels aan Balthazar de Proli, Antwerpen, 9 april 1754.

[580] L. MICHIELSEN, “De Kompagnie van Triëste en Fiume”, blz. 90.

[581] ARA, HSverz. n°1573bis, brief van Balthazar de Proli aan Mr. C. Proli, Wenen, 25 juni 1755.

[582] Citaat uit: ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan  Mr. K(ennedi), Wenen, 25 juni 1755.

[583] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan Mr. K(ennedi), Wenen, 9 juli 1755.

[584] Citaat uit: ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan Mr. K(ennedi), Wenen, 12 juli 1755.

[585] ARA, HSverz. n° 1570, brief van Mr. Cels aan Balthazar de Proli, Antwerpen, 13 april 1756 en brief van Mr. Cels aan Balthazar de Proli, Antwerpen, 3 mei 1756.

[586] ID., o.c., brief van Mr. Cels aan Balthazar de Proli, Antwerpen, 6 april 1756 en brief van Mr. Cels aan Balthazar de Proli, Antwerpen, 16 juli 1756.

[587] ARA, HSverz. n°1573bis, brief van Balthazar de Proli aan de graaf van Chotek, Wenen, 27 april 1756 en brief van Balthazar de Proli aan de heren gedeputeerden, Wenen, 29 april 1756.

[588] ARA, HSverz. n° 1570, brief van Mr. Cels aan Madame de Proli, Antwerpen, 18 april 1758.

[589] ARA, HSverz. n° 1571, brief van de Antwerpse gedeputeerden aan Balthazar de Proli, Antwerpen, 24 april 1758.

[590] ARA, HSverz. n° 1570, brief van Mr. Cels aan Madame de Proli, Antwerpen, 18 april 1758 en brief van Mr. Cels aan Balthazar de Proli, Antwerpen, 18 april 1758.

[591] “il faut avoir un esprit bien leger, ou une ame bien noire pour inventer, ou croire et debiter avec assurance de prailles faussetés. Les soupcons mal fondés, sont en quelque manière pardonable, on ne trompe que soi; mais d’en empoisonner les discours, c’est trahier son honneur et sa conscience." Citaat uit: ID., o.c., kopie van een brief van de graaf van Chotek aan de Antwerpse gedeputeerden, 12 oktober 1757.

[592] ARA, HSverz. n° 1569, brief van Balthazar de Proli aan Marie-Jeanne de Clotz, Fiume, 5 juni 1758.

[593] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan Marie-Jeanne de Clotz, Fiume, 19 juni 1758.

[594] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan Marie-Jeanne de Clotz, Fiume, 3 juli 1758.

[595] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan Marie-Jeanne de Clotz, Fiume, 21 juli 1758.

[596] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan Marie-Jeanne de Clotz, Fiume, 31 juli 1758.

[597] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan Marie-Jeanne de Clotz, Fiume, 7 augustus 1758.

[598] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan Marie-Jeanne de Clotz, Fiume, 14 augustus 1758.

[599] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan Marie-Jeanne de Clotz, Fiume, 7 augustus 1758.

[600] ID., o.c., brief (2) van Balthazar de Proli aan Marie-Jeanne de Clotz, Fiume, 4 augustus 1758.

[601] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan Marie-Jeanne de Clotz, Fiume, 25 augustus 1758.

[602] ARA, HSverz. n° 1573, brief van de graaf van Chotek aan Madame de Proli, s.l., 31 augustus 1758.

[603] Uit deze brief valt wel af te leiden dat men Balthazar niet aanviel op zijn professionele eerbaarheid maar op zijn persoonlijke eerbaarheid. Wellens beweerde immers dat Balthazar het nogal breed liet hangen en iedere nacht vrouwen ontving. ARA, HSverz. n° 1569, brief van Balthazar de Proli aan Marie-Jeanne de Clotz, Fiume, 16 september 1758.

[604] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan Marie-Jeanne de Clotz, Fiume, 28 augustus 1758.

[605] ID., o.c., brief van Balthazar de Proli aan Marie-Jeanne de Clotz, Fiume, 16 september 1758.

[606] ARA, HSverz. n° 1571, brief van J. Verpoorten aan Balthazar de Proli, Fiume, 26 januari 1759.

[607] ID., o.c., brief van J. Verpoorten aan Balthazar de Proli, Fiume, 5 februari 1759.

[608] ARA, HSverz. n° 1573, brief van J. Verpoorten aan Madame de Proli, Fiume, 29 juni 1759.

[609] ARA, HSverz. n° 1571, brief van J. Verpoorten aan Balthazar de Proli, Fiume, 2 februari 1759 en brief van J. Verpoorten en J.A. Wellens aan Balthazar de Proli, Fiume, 9 april 1759.

[610] ARA, HSverz. n° 1571, brief van J. Verpoorten en J.A. Wellens aan Balthazar de Proli, Fiume, 27 april 1759; brief van J. Verpoorten en J.A. Wellens aan Balthazar de Proli, Fiume, 7 mei 1759 en brief van J. Verpoorten en J.A. Wellens aan Balthazar de Proli, Fiume, 11 mei 1759

[611] Citaat uit: ARA, HSverz. n° 1571, brief van J. Verpoorten en J.A. Wellens aan Balthazar de Proli, Fiume, 1 juni 1759.

[612] ARA, HSverz. n° 1571, kopie van een brief van de Antwerpse gedeputeerden aan J. Verpoorten en J.A. Wellens, Antwerpen, 7 augustus 1759; brief van J. Verpoorten en J.A. Wellens aan Balthazar de Proli, Fiume, 8 juni 1759; brief van J. Verpoorten en J.A. Wellens aan Balthazar de Proli, Fiume, 29 juni 1759 en kopie van een brief van de Antwerpse gedeputeerden aan J. Verpoorten en J.A. Wellens, Antwerpen, 7 augustus 1759.

[613] ID., o.c., brief van de graaf van Chotek aan Balthazar de Proli, Wenen, 7 maart 1759 en brief van de graaf van Chotek aan Balthazar de Proli, Wenen, 28 juli 1759.

[614] ID., o.c., brief van J. Verpoorten aan Balthazar de Proli, Fiume, 6 april 1759 en ARA, HSverz. n° 1570, brief van Mr. Cels aan Balthazar de Proli, Antwerpen, 25 september 1759.

[615] Citaat uit: ID., o.c., brief van Mr. Cels aan Balthazar de Proli, Antwerpen 2 oktober 1759.

[616] Citaat uit: ID., o.c., brief van Mr. Cels aan Balthazar de Proli, Antwerpen, 13 oktober 1759.

[617] Citaat uit: ID., o.c., brief van Mr. Cels aan Balthazar de Proli, Antwerpen, 4 december 1759.

[618] ID., o.c., brief van Mr. Cels aan Balthazar de Proli, Antwerpen, 11 februari 1760.

[619] ARA, HSverz. n° 1571, brief van T. Mozzoni de Frosconi aan Balthazar de Proli, Milaan, 21 maart 1778.

[620] ID., o.c., brief van T. Mozzoni de Frosconi aan Balthazar de Proli, Milaan, 10 april 1779.

[621] Uit: G. GUYOT, «Un milieu eruopéen», blz. 162.

[622] ARA, HSverz. n° 1571, brief van T. Mozzoni de Frosconi aan Balthazar de Proli, Milaan, 13 november 1779.

[623] ID., o.c., brief van T. Mozzoni de Frosconi aan Balthazar de Proli, Milaan, 6 november 1779.

[624] ID., o.c., brief van T. Mozzoni de Frosconi aan Balthazar de Proli, Milaan, 1 december 1779.

[625] ID., o.c., brief van T. Mozzoni de Frosconi aan Balthazar de Proli, Milaan, 30 maart 1780.

[626] Citaat uit: ID., o.c., brief van T. Mozzoni de Frosconi aan Balthazar de Proli, Milaan, 22 januari 1780.

[627] Citaat uit: ID., o.c., brief van T. Mozzoni de Frosconi aan Balthazar de Proli, Milaan, 11 maart 1780.

[628] ID., o.c., brief van T. Mozzoni de Frosconi aan Balthazar de Proli, Milaan, 18 februari 1780.

[629] ID., o.c., brief van T. Mozzoni de Frosconi aan Balthazar de Proli, Milaan, 10 juni 1780.

[630] ID., o.c., brief van T. Mozzoni de Frosconi aan Balthazar de Proli, Milaan, 9 september 1780.

[631] H. HOUTMAN-DE SMEDT, Charles Proli, blz. 33.

[632] COPPENS, H., Het institutioneel kader, blz. 57-58.

[633] «Proli (Balhtazar Florent Joseph de)», in: BRUNEEL, C. en HOYOIS, J.P., Les grands commis, blz. 503.

[634] Citaat uit: ARA, HSverz. n° 1573, brief van een zekere Renner aan Marie-Jeanne de Proli, Wenen, 6 september 1783.

[635] Balthazars collega, François Jacques van Overstraeten verliet zijn post in 1783. Hij ontving nog de helft van zijn loon als pensioen. Uit: “Overstraeten (François Jacques van)”, in: BRUNEEL, C. en HOYOIS, J.P., Les grands commis, blz. 470-471.

[636] H. HOUTMAN-DE SMEDT, Charles Proli, blz. 263-264.

[637] Citaat uit bijlage 7: “Brief van mevrouw de Proli aan haar man. 1776.” Uit: L. MICHIELSEN, “Charles Proli en de Aziatische Compagnie”, blz. 27-28.

[638] Voor meer informatie over al deze ondernemingen van Charles de Proli, lees «Charles Proli als landwinner en als industrieel ondernemer», in: H. HOUTMAN-DE SMEDT, Charles Proli, blz. 96-125.

[639] ID, o.c., blz. 264-265.

[640] Men kon er schilderijen van Van Dijck, Jordaens, Van de Velde en andere bewonderen. Zijn bibliotheek telde zoveel boeken dat de inventaris ervan maar liefst 384 bladzijden telde. Die inventaris was getiteld: “Catalogue d’une fort riche et tres-belle collection de livres rares et choisis en tout genre (...) recueillis avec beaucoup de soin et depenses en  nombre d’années par le Comte Charles de Proli.", en werd te Antwerpen gedrukt bij J. GRANGÉ.

Charles’ huizen waren trouwens ook niet goedkoop. Hij huurde eerst een huis aan 450 gulden per jaar – dat moet dus een voorname patriciërswoning geweest zijn – en in 1756 kocht hij de woning “het Wout” van de overleden oud-buitenburgemeester J.A. Van Hove. Indien de omschrijving die Houtman-De Smedt citeert nog niet genoeg verteld, dan doet de prijs dat zeker wel: 24 000 gulden. Uit: ID., o.c., blz. 43-46.

[641] ID., o.c., blz. 43-48.

[642] ID., o.c., blz. 42-47.

[643] ID., o.c., blz. 36-41.

[644] Dit is een begrip van Thorstein Veblen uit zijn boek: The theory of the leisure class: an economic study of institutions.

[645] ID., o.c., blz. 146-149.

[646] ID., o.c., blz. 261-262.

[647] ID., o.c., blz. 155-158.

[648] ID., o.c., blz. 158.

[649] Geciteerd door L. MICHIELSEN, “Charles de Proli en de Aziatische Compagnie”, blz. 14. Uit: A. CAUCHIE, «Le comte L.C.M. de Barbiano di Belgiojoso et ses papiers d’Etat conservés à Milan.» blz. 231.

[650] H. HOUTMAN-DE SMEDT, Charles Proli, blz. 166-168.

De gouverneurs-generaal waren op dat moment Albert Casimir van Saksen-Teschen en Maria Christina van Habsburg. Uit: P. LENDERS, “Wenen en Brussel”, blz. 68.

[651] H. HOUTMAN-DE SMEDT, Charles Proli, blz. 170-175.

De these van de zelfmoord werd onder andere gehanteerd door H. MELIS, De Aziatische compagnie van Triest, blz. 107.

[652] ID., o.c., blz. 39-40.

[653] ID., o.c., blz. 48-49.

[654] «Proli (Balhtazar Florent Joseph de)», in: BRUNEEL, C. en HOYOIS, J.P., Les grands commis, blz. 503.

[655] Joseph II schreef in een brief van 16 november 1786 het volgende: «[Proli] n’a pas les qualités qu’il faut pour bien remplir les devoirs de l’intendance de Bruxelles.” Geciteerd in: ID., o.c., blz. 503.

[656] “Proli (Jean Pierre Berthold de)”, in: C. BRUNEEL en J.P. HOYOIS, Les grands commis, blz. 505.

[657] Charles was trouwens ook medeverantwoordelijk voor Jean Pierre’s opleiding in Parijs. Uit: G. GUYOT, “Un capitaliste”, blz. 326-327.

[658] “Proli (Jean Pierre Berthold de)”, in: C. BRUNEEL en J.P. HOYOIS, Les grands commis, blz. 505.

[659] G. GUYOT, “Un capitaliste”, blz. 327.

[660] “Proli (Jean Pierre Berthold de)”, in: C. BRUNEEL en J.P. HOYOIS, Les grands commis, blz. 506.

[661] G. GUYOT, “Un capitaliste”, blz. 328-330.

[662] L. MICHIELSEN, “De familie de Proli”, blz. 285.

[663] G. GUYOT, “Un milieu européen (suite et fin)”, blz. 166.

[664] R. Jenkins, Pierre Bourdieu, blz. 66-67.

[665] Voor Bourdieu’s begrip strategie, cfr. supra, blz. 17-19.

[666] Foucault werd geciteerd door A. BLOK in: Honour and violence, Cambridge, 2001, blz. 3.

[667] Transversale groei is tevens een begrip van Bourdieu. Hij duidt hiermee het proces aan waarin één kapitaalsvorm in een andere wordt omgezet. Uit: P. BOURDIEU, La distinction, blz. 145-146.

[668] C. SCHMIDT, Om de eer van de familie.

[669] Cfr. supra, blz. 19.

[670] H. Roodenburg merkte dit al op in zijn artikel “Eer en oneer”, blz. 137.

[671] Het is onmogelijk om hier volledig te zijn, we laten daarom slechts enkele belangrijke studies de revue passeren: J. PITT-RIVERS, The fate of Shechem en The people of the Sierra; J.K. CAMPBELL, Honour, Family and Patronage; J.G. PERISTIANY, Honor and shame.

In Nederland deden o.a. A. Keunen, H. Roodenburg, L.C. Van de Pol en A. Blok onderzoek naar eerbegrippen. Belangrijke namen voor het Duitse onderzoek zijn M. Dinges, K Schreiner en G. Schwerhoff. Frans materiaal werd onderzocht door o.a. Y. Castan en D. Garrioch.

[672] H. ROODENBURG, “Eer en oneer”, blz. 132-134.

[673] ID., o.c., blz. 132-134