| Prille Liefde. Relationele- en seksuele leefwereld van laatstejaars secundair onderwijs. (Bram Herbots) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
1. Inleiding, de relationele en seksuele leefwereld
Een toenemend aantal jongeren groeit tegenwoordig niet meer op in een traditioneel gezin, bestaande uit de biologische vader en moeder en de respectievelijke kinderen. Sommigen maken de echtscheiding van hun ouders mee, anderen hebben te maken met buitenshuis werkende moeders en thuiswerkende vaders. Allerlei ingrijpende levensgebeurtenissen spelen hen parten. Ze groeien op binnen een bepaalde klasse waarin ze vele kansen krijgen, of net niet. Daarbij worden ze allemaal gesocialiseerd als jongen of als meisje. Al deze ontwikkelingen hebben een sterke invloed op jongeren. Deze invloed geldt voor de specifieke identiteitsontwikkeling van jongeren én hun relationele- en seksuele moraal. Het zijn de meningen rond relaties en seksualiteit die hieruit voortvloeien die in dit onderzoek van naderbij worden bekeken.
Binnen de jeugd als onderzoekspopulatie kunnen verschillende subgroepen jongeren worden onderzocht. Deze eindverhandeling richt zich specifiek tot de visie van laatstejaars secundair onderwijs rond liefdesrelaties. De centrale probleemstelling stelt dat op zoek wordt gegaan naar de relationele- en seksuele leefwereld van laatstejaarsstudenten van het secundaire onderwijs.
Hierin wordt de gehanteerde moraal van deze jongeren gekoppeld worden aan enkele hedendaagse sociologische concepten. Enerzijds krijgt individualisering een bijzondere plaats in de zoektocht naar mogelijke denkpistes van jongeren rond relaties. Anderzijds vormt de nauw aansluitende trend van detraditionalisering een aanvulling hierop. Met de steun en verklarende krachten van onder meer deze concepten wordt er gestreefd om de relationele- en seksuele moraal in kaart te brengen en te komen tot enkele profielen/types van de hedendaagse denkpatronen van jongeren.
Deze eindverhandeling wordt geschreven als student sociologie, maar wanneer ik even afstand neem van mezelf, besef ik dat ik deze verhandeling schrijf meer dan louter als student sociologie. Voor de studies van sociologie doorliep ik immers de studie van maatschappelijk assistent. Ik ben momenteel ook actief lid in verschillende jeugd- en gehandicaptenorganisaties… Wanneer ik hierbij even stilsta, besef ik dat ik steeds graag bezig ben geweest met jongeren. Als monitor binnen de dienst Jeugd en Gezondheid Leuven, ben ik reeds zes jaar actief om jongeren op vakantie te begeleiden. In de speelpleinwerking van Het Balanske was ik actief voor kinderen met en zonder beperking en werk momenteel nog steeds mee aan kampen voor jonge mentaal gehandicapten. Bovenal hebben mijn stages gedurende mijn studies voor maatschappelijk assistent zich steeds tussen jongeren afgespeeld. Tijdens het 2e jaar liep ik stage bij het CLB, Centrum voor Leerlingen Begeleiding, te Aarschot. Tijdens mijn laatstejaarsstage heb ik bij Oikoten gewerkt met minderjarige jongeren uit de Bijzondere Jeugdzorg.
Doorheen deze ervaringen kom ik tot de conclusie dat jongeren me steeds hebben geboeid. Hoe denkt de jonge mens, hoe gedraagt deze zich, en hoe kan deze begrepen worden? Het onderzoeksdomein van deze eindverhandeling richt zich dan ook hier op. Geboeid door de vele processen die jongeren doormaken tijdens de jeugd, in het bijzonder tijdens de adolescentie, kwam het onderwerp voor deze eindverhandeling tot stand. Doorheen persoonlijke ervaringen en ervaringen die ik opdeed en observeerde tijdens mijn tijd op speelpleinen, jongerenkampen en stages, is de vlam aangewakkerd om hierop door te gaan en jongeren te onderzoeken op vlak van hun relationele en seksuele moraal.
Deze eindverhandeling bestaat uit zeven delen. Het eerste deel bevat een algemene inleiding in de thematiek, dat in het tweede deel wordt aangevuld door de maatschappelijke en de wetenschappelijke relevantie van het onderwerp. Hierop volgt in deel drie een literatuurstudie die naast de huidige stand in het jeugdonderzoek, ook een beschrijving geeft van de jongere en van theoretische concepten als seksuele- en relationele leefwereld. De probleemstelling die doorheen het onderzoek voorop staat volgt hieruit en wordt in deel vier geconcretiseerd. Vervolgens wordt in deel vijf de gehanteerde methodologie verduidelijkt, gemotiveerd en geconcretiseerd. Deel zes bevat de analyse van de empirische gegevens en zorgt voor de koppeling van de theorie met deze gegevens, om zo te komen tot een algemene theorievorming rond de relationele- en seksuele moraal van jongeren. Hier wordt eveneens de terugkoppeling gemaakt naar de vooropgestelde uitgangspunten. In het laatste en zevende deel wordt alles afrondend summier samengevat.
2. Maatschappelijke en wetenschappelijke uitdaging
Jongeren komen voor het eerst in contact met liefde in hun gezin. Het gezin is dan ook één van de belangrijkste leerscholen voor jongeren. Op latere leeftijd profileren ook leeftijdsgenoten zich als invloedrijke actoren in een jongerenleven. Het is bij kinderen reeds gedurende de eerste levensjaren dat de zoektocht start naar hoe lief te hebben en zelf geliefd te worden. Dit zoekproces houdt het kind vol doorheen de adolescentie, naar volwassenheid toe. Hoe het kind deze zoektocht doorloopt, is van uitermate belang voor de relationele ontwikkeling van het kind, de jongere, de jong-volwassene en uiteindelijk de volwassene zelf (Frans, 2000). In deze zoektocht komt de jongere namelijk tot een eigen persoonlijkheid, en zal hij binnen het gezin, de school en met leeftijdsgenoten cruciale ervaringen opdoen die een uitdaging zijn voor het vormen van deze eigen persoonlijkheid en de liefdesstijl wanneer het huiselijke nest wordt verlaten en waarop de adolescent zelf de overgang maakt naar een volwassen-status. Het zijn dus deze cruciale ervaringen die intimiteit- en relatievaardigheden bewerkstelligen en reeds vanaf jonge leeftijd de jongere beïnvloeden (Frans, 2000). De groei die de jongere tijdens de adolescentie op relationeel gebied doormaakt, mag dus als essentieel worden beschouwd in het vormen van zijn/haar relationele persoonlijkheid. Het is namelijk deze persoonlijkheid die later als basisinstrument steeds opnieuw zal gehanteerd worden in dagelijkse relaties, en dus ook op relationeel gebied met een partner (Gerritsen, 2001). Daarom wordt in dit onderzoek duidelijk aandacht besteed aan deze relationele persoonlijkheid, hoe deze jongeren hun mening vormen rond relaties en seksualiteit, en hoe ze zich op het moment van de overgang naar een volwassen-status gedragen.
Samengevat kan gesteld worden dat het relationele aspect tussen de jongere en zijn omgeving fundamenteel bepalend is voor de (relationele) persoonlijkheidsvorming van jongeren. Daarbij wordt het duidelijk dat jongeren in het laatste jaar secundair onderwijs een leeftijd bereiken waarop ze zichzelf en de andere op relationeel gebied ontdekken. Het is dát moment dat voor dit onderzoek belangrijk is. Op het moment dat jongeren meestal voor het eerst serieus starten met nadenken over en het beleven van relaties en seksualiteit, wordt hun mening bevraagd.
Jongeren werden als populatie in de sociologie lang ondergewaardeerd. Een zoektocht leert ons dat er rond jongeren in Vlaanderen tot voor kort weinig systematisch onderzoek verricht is. Enkele recente Vlaamse onderzoeken brengen hier stilaan verandering in (zie lijst in: Elchardus, 1999). De beschikbare informatie is echter veelal afkomstig van verouderde onderzoeken. De Vlaamse Jeugd is, in vergelijking met de Nederlandse jeugd, in hun visies op relaties en seksualiteit in mindere mate bestudeerd. Hierdoor kan de pertinente vraag stellen of de meeste informatie en onderzoeken nog wel relevant en representatief zijn voor de huidige generatie jongeren. Ze geven blijk van stereotypen en hardnekkige clichés, ondersteund enerzijds door media, reclame of publiciteit en anderzijds door het gedachtegoed van een revolterende jeugd uit de jaren zestig (Laermans, Vanhove, Smeyers, 2001). Het ontbreken van een recent algemeen beeld is dan ook de basis voor de wetenschappelijke uitdaging en de verdere inhoudelijke uitwerking van deze eindverhandeling om de visies van jongeren op relaties en seksualiteit te bestuderen en vanuit hedendaagse sociologische concepten te komen tot enkele mogelijke denkpatronen hieromtrent.
Zoals hierboven reeds vermeld, ligt het pijnpunt van het Vlaams jeugdonderzoek in de beperkte onderzoekstraditie ervan. Het onderzoeksdomein van jongeren en relaties is dan ook tot op heden slechts summier behandeld. Zeker omdat opvattingen, visies en houdingen van jongeren dynamische fenomenen zijn, zijn voorgaande onderzoeken dikwijls gedateerd en dringt de nood aan nieuw onderzoek zich op. Desondanks wordt hieronder enerzijds een beeld gegeven van de algemene evolutie van het jongerenonderzoek. Anderzijds wordt een interpretatiekader opgebouwd aan de hand van de huidige stand van zake in het jongerenonderzoek. Via een overzicht van de gekende gegevens rond de relationele- en seksuele leefwereld van jongeren, worden hiaten hierin blootgelegd, en wordt een vertrekpunt bekomen voor de analyse.
3.1. Jeugdonderzoek in evolutie
Het jeugdonderzoek is jong. De eerste tekenen van jeugdonderzoek in Vlaanderen dateren van de jaren vijftig - zestig. In de toenmalige onderzoekstraditie werd voornamelijk vanuit een pedagogisch standpunt naar de jeugd gekeken, vanuit een morele verontrusting van de ‘achteruit gaande’ jeugd. Het problematische, revolterende karakter van de jeugd vormde namelijk een rode draad in jeugdonderzoeken. Het feit dat de jeugd toen ter sprake kwam, had twee redenen die eveneens de twee belangrijkste pijlers vormden in het toenmalige jeugdonderzoek.
Ten eerste was er sprake van een toenemen differentiatie tussen de jongeren en de volwassenen. Jongeren werden steeds meer als een subgroep, een subpopulatie, met eigen gedragingen en houdingen ontdekt en aanvaard binnen het sociologisch onderzoek. De jongeren werden een bestudeerde sociale categorie.
Ten tweede werd deze kloof bevestigd door de groeiende massificatie van de jeugd. Een groeiende, gecreëerde, commerciële massacultuur zorgde voor een jeugd die zich steeds meer homogeen leek te gedragen. (Laermans, Vanhove, Smeyers, 2001).
Een grote lijn doorheen het jeugdonderzoek is merkbaar. Een duidelijke invloed van de denkbeelden van de jaren zestig wordt opgemerkt, waarin de revolterende jeugd, met de opkomst van verschillende tegenculturen zoals onder meer de hippies, een eigen plaats opeist (Verhoeven, 1999). Organisaties zoals het CCCS (Centre for Contemporary Cultural Studies) in Engeland die verschillende subculturen binnen de jeugd bestudeerden, illustreren deze achterliggende filosofie. Ze analyseerden onder meer de semiotische guerrilla die de punkbeweging halfweg de jaren zeventig typeerde (Vancoillie, Verhoeven, 1999). De specifieke eigenheid van de jeugd is sindsdien niet meer weg te denken en komt steeds sterker naar voor in recente jeugdonderzoeken (Laermans, Vanhove, Smeyers, 2001).
De context van het jeugdonderzoek is zodoende sterk bepaald door zijn situering in de tijd. Zoals hierboven vermeld, is de eigenheid van de jeugd als een sociale categorie, een constante factor. Steeds meer vormt dit de uitgangsbasis voor het bestuderen van de jeugd als subpopulatie. Daarnaast is de interpretering van het jeugdonderzoek onderhevig aan hedendaagse ‘tijdsgebonden’ populaire nieuwe concepten zoals detraditionalisering en individualisering. De basisidee van de kloof tussen volwassenheid en jongeren wordt daarmee ook versterkt. Toch wordt de jeugd gezien als een groep met slechts enkele gedifferentieerde subculturen. De jeugd wordt als een groep gezien met een afnemende heterogeniteit en groeiende homogeniteit, een vervlakking. De consumptiecultuur staat voor een, aan belang winnende, gedachte van postmoderniteit en ligt mee aan de basis voor deze vervlakking (Laermans, Vanhove, Smeyers, 2001).
Het is dus pas later dat de overgang heeft plaatsgevonden van het bestuderen van het problematische, revolterende karakter van de jeugd, naar het zoeken naar generaliseerbare gegevens over de jeugd. Het is de bedoeling om met dit onderzoek op deze ingeslagen, generalistische weg voort te gaan, naar het voorbeeld van enkele recente werken en buurlanden als Nederland waar vanuit de overheid impulsen werden gegeven voor het bestuderen van de jeugd (Laermans, Vanhove & Smeyers, 2001).
3.2. De leefwereld van jongeren
Jongeren zijn als ‘homo optionis’ verplicht om zelf op zoek te gaan naar hun eigen levensweg. Deze keuzebiografie brengt met zich mee dat houdingen meer verscheiden, minder voorspelbaar en vooral minder onderworpen zijn aan voorgeschreven regels. Dit proces wordt omschreven als individualisering (Waege, 1997). Individualisering is echter een populaire sociologische term die snel wordt gebruikt als verklaring voor vele processen die zich in onze hedendaagse, postmoderne maatschappij voordoen. Het is een omstreden en abstracte term. Toch wordt getracht om een korte inhoudelijke duiding te geven bij dit proces van het maken van de eigen keuzes door jongeren vanuit individualisering, aangezien deze trend zich ook manifesteert op relationeel en seksueel gebied.
De term individualisering staat voor een dubbel proces. Twee processen die samen hun opmars maken, zorgen voor een geïndividualiseerde maatschappij. Ten eerste wordt het hedendaagse handelen steeds minder gestuurd door routine, voorgeschreven handelingswijzen, tradities… Onder dit proces wordt een detraditionalisering verstaan van de maatschappij die steeds minder aan de individuen voorschrijft hoe ze zich moeten gedragen, en waar deze individuen steeds minder gebonden zijn aan gewoonten. Het proces van detraditionalisering gaat gepaard met een toegenomen actieve keuzevrijheid van het individu (Laermans, Verschraegen, 2001). Subjectieve zelfbeelden komen zo meer los van hun objectieve sociale posities en gaan gepaard met een erosie van de vigerende voorstellingen van hoe mensen zich moeten gedragen (Laermans, 1991).
“Een almaar toenemend aantal (jonge) mensen heeft individuele meerkeuze-mogelijkheden binnen de domeinen van consumptie, vrijetijdsbesteding, sociale relatievorming, e.d. Binnen de nu bestaande context van individualisering ‘pre-programmeren’ representaties niet langer het virtuele geheel van persoonlijke opties of individuele keuzes. De biografie van de mensen komt vrij van voorgegeven fixaties, tot opgave van het handelen van elk individu.” (Beck, 1986)
Belangrijk om hierbij te vermelden is dat het proces van individualisering niet als een synoniem mag gelden voor een toenemende mate van utilitair individualisme of egoïsme. Het bewust kiezen voor egoïstische waarden is niet hetzelfde als de hier bedoelde toenemende mate van zelfreflexieve, persoonlijke keuzebiografie (Laermans, 1991).
Ook op relationeel gebied ondergaan jongeren dit proces, komen ze los van tradities en gaan ze zelf op zoek naar hun mening en komen op dit pad vele andere invloedrijke actoren tegen. De toenemende belangrijkheid van de peergroup als een plaats om te experimenteren, te overleggen en te communiceren, illustreert dat. Jongeren stellen hun individuele handelingsplannen namelijk op mekaar af doorheen samenspraak, doorheen onderlinge communicatie. Jongeren kennen immers een lange jeugdfase, onder meer door de lange schoolperiode die ze doorlopen, waarin dit proces zich kan voltrekken. Tegelijkertijd worden jongeren steeds vroeger geacht de kinderfase ontgroeid te zijn. De postadolescent is hiermee geboren en zweeft in de ruimte tussen de adolescentieperiode en de (jong)volwassenheid. Het zijn dan ook de jongeren met deze half-volwassen status (cf. De Waal, 1989) die in dit onderzoek aan bod komen. Deze jongeren zijn, in navolging van Hurrelman, zoekende in hun relaties met de peers, in hun seksuele gedrag en in hun morele- en ethische oriëntatie (Van Achter, 1996). Deze vorm van overleg vormt dan ook de basis en voorwaarde voor relaties waarbij onderhandeling, meer dan vroeger bepalend is voor de partnerkeuze als onderdeel van de eigen keuzebiografie van jongeren (Van Achter, 1996). Het zijn deze consequenties van het proces van individualisering die een plaats krijgen in dit onderzoek over de relationele en seksuele moraal van jongeren.
3.3. De relationele leefwereld van jongeren
De relationele moraal van jongeren is een abstract gegeven. Het operationaliseren van dit concept vergt een keuze. Deze keuze impliceert de opsplitsing naar deelcomponenten als een fundamenteel proces en dus bepalend voor de latere conclusies. Daarom wordt nagegaan welke invulling relationele moraal tot hiertoe in, de voornamelijk fragmentarische, onderzoeken kreeg en welke aspecten van relaties nog niet werden behandeld. Uit de verkenning van deze analyses en deelcomponenten die beschreven werden door andere auteurs en de ontdekking van hiaten hierin, volgt de structuur waarmee de relationele moraal hieronder wordt geoperationaliseerd.
Definiëring liefdesrelatie
Ten eerste is het belangrijk te weten wat een liefdesrelatie is. Sinds mensen tegenwoordig voornamelijk zelf instaan voor de selectie van een liefdespartner, en deze keuze minder door ouders of culturele dwang bepaald wordt, blijkt de romantische liefde de norm en het ideaal te zijn. Sociologisch gezien is deze romantische liefde, een partnerkeuze op basis van liefde, echter een recent fenomeen. Het ontstaat samen met de ontwikkeling van het geliberaliseerde ‘self’ en de ontwikkeling van keuzevrijheid. Dit keuzeproces illustreert het onafhankelijkheidstreven van jongeren. Liefdesrelaties zijn hierin een bijzonder mechanisme dat het onafhankelijkheidsstreven aanvult met een getolereerde afhankelijkheid van een andere persoon zonder de eigen onafhankelijkheid te verliezen. Deze functie van liefde maakt een combinatie van nabijheid en onafhankelijkheid mogelijk (Buck & Ginsburg, 1991). Deze sociologische benadering van liefde is weinig concreet. Geen enkele theorie of onderzoeksprogramma blijkt immers toereikend om liefde te bevatten om de simpele reden dat liefde als gegeven te complex is (Laqueur, 1990). Over hoe jongeren zelf dit romantische liefdesideaal -gebaseerd op een individuele keuzevrijheid en partnerselectie op basis van liefde- invullen, is echter weinig wetenschappelijke consensus (Hendrick & Hendrick, 1991). Verscheidene pogingen om jongeren te positioneren op een gestandaardiseerde liefdesschaal, worden als ontoereikend beschouwd (Hendrick & Hendrick, 1991). Wanneer jongeren zelf worden bevraagd, blijkt dat ze zich het best zouden thuis voelen in een duurzame relatie, alleszins beter dan in losse contacten of kortdurende relaties. Volgens Van Zessen en Sandfort geloven zelfs nog zeer veel jongeren in de enige ‘ware’. Niettegenstaande dat, vinden ook veel jongeren zich terug in de idee dat meerdere grote liefdes mogelijk zijn. Het is echter slechts een minderheid van hedendaagse jongeren die het begrip liefde invult als meerdere, tegelijk beleefde liefdes, als polygamie (Van Zessen, Sandfort, 1991). Sekseverschillen zijn hier merkbaar. Meisjes blijken meer belang te hechten aan een vaste relatie dan jongens. Daarbij is het opvallend dat jongens zich minder vinden in de stelling die zegt trouw te blijven aan de partner in een serieuze relatie. Jongens zien zich minder heel het leven met dezelfde partner doorbrengen en vinden in mindere mate dat overspel ongerechtvaardigd is (Elchardus, 1999). Desondanks blijken jongeren dus de liefdesrelatie voornamelijk als een duurzame liefde te (willen) beleven.
Relationele beleving: houdingen
Ten tweede wordt getracht achterliggende waarden voor het relatiegedrag van jongeren rechtstreeks te achterhalen. De achterliggende waarden en normen die gezocht worden zijn echter niet steeds rechtstreeks waarneembaar. Daarom wordt getracht ze te achterhalen, enerzijds via overstijgende concepten, anderzijds via de analyse van de relatie-ervaringen. Relatiesatisfactie is één van de belangrijke overstijgende concepten om de opvatting te kennen van een jongeren rond de definiëring van een liefdesrelatie. Deze relatiesatisfactie hangt immers van vele facetten af. Wanneer jongeren hierover worden bevraagd, wordt onrechtstreeks gepeild naar wat zij belangrijk vinden voor het slagen van een relatie. Hieruit blijkt dat de waarden eerlijkheid en vertrouwen veruit de belangrijkste waarden zijn die jongeren wensen en hanteren binnen een relatie, zowel voor jongens als voor meisjes. Voorts zijn wederzijds respect, (seksuele) trouw, vrijheid, onafhankelijkheid en openheid nog enkele van de overige relatiewaarden waar jongeren belang aan hechten (Vanhove, Matthijs, 2003). Openheid blijkt daarbij zelfs een sterke voorwaarde om tot liefde over te kunnen gaan.
Hoe zeer echter bovenstaande innerlijke waarden worden benadrukt, toch blijkt ook de fysieke verschijning van significant belang te zijn als belangrijk onderdeel van de partnerkeuze. Het is voor jongeren namelijk de eerste bron van informatie rond de persoonlijkheid van de anderen. De sociale luiheid van jongeren zorgt niet zelden dat deze eerste indruk voor feit wordt aangenomen (Bar-Tal & Saxe, 1976). Deze ‘self-fulfilling prophecy’ maakt dat het uiterlijke van iemand nog steeds een bepalende rol speelt in de beeldvorming van de andere, ook als mogelijke toekomstige partner (Merton, 1948). Of dit een bewust of onbewust proces is, blijkt echter nog niet duidelijk. In de partnerselectie van jongeren zijn naast het uiterlijk ook leeftijd, religie, sociale klasse en persoonlijkheid van belang. In de gelijkheidstheorie wordt benadrukt dat jongeren kiezen voor een partner die gelijkend is op deze levensvlakken. De theorie van ‘aantrekkende tegenpolen’ beweert het omgekeerde. Desondanks het belang van de fysieke verschijning, de leeftijd, sociale klasse, religie en persoonlijkheid, blijft het zich kwetsbaar opstellen en openstellen naar de andere toe de belangrijkste voorwaarde voor het slagen van een relatie (Hendrick & Hendrick, 1991).
Eens jongeren een partnerkeuze hebben gemaakt en een liefdesrelatie hebben, leven ze met seriële monogamie als norm. Hoewel zowel jongens als meisjes zeggen zich hierin het beste thuis te voelen, blijkt jaloezie op een derde persoon toch nog een belangrijke rol te spelen. Binnen de onderzoekstraditie rond jongeren zijn echter maar weinig auteurs die zich hierop hebben geconcentreerd. De complexiteit en persoonsgebondheid van het begrip ‘jaloezie’ is hiervan voornamelijk de oorzaak. Toch wordt getracht dit begrip te doorgronden om het vervolgens in het onderzoek te kunnen toetsen (Perlman & Duck, 1987). De omgang van partners in een relatie tegenover jongeren, meestal van het andere geslacht, buiten de relatie, en meer specifiek met een ex, zijn hierin namelijk nog te onderzoeken aspecten. Jaloezie wordt hiervoor opgevat als volgt:
“Jealousy is an aversive emotional reaction evoked by a relationship involving one’s current or former partner and a third person. This relation may be real, imagined or expected, or may have occuredin the past.” (Clanton & Smith, 1989)
Hierin blijkt vooral een onbewust affectieve respons te spelen, soms zelfs tegen cognitieve beslissingen in. Het gevoel van verraden, inferieur, kwaad, bang en teleurgesteld te zijn, blijkt zich te bundelen in een niet-cognitieve ‘jaloezie-flash’ (Clanton & Smith, 1989). Dit zorgt meestal voor een bedreigend gevoel in de relatie. Mazur schetste hiervoor vijf mogelijke jaloeziepatronen. De houdingen van hedendaagse jongeren worden later hierover gepeild, een meer concrete invulling van jaloezie wordt hiervoor gevonden bij Mazur:
“(1) possessive jealousy: one’s property rights are violated, (2) exclusion jealousy: being left out, (3) competitive jealousy: competing as the result of feeling inadequate, (4) egotistical jealousy: inability to expand one’s ego awareness, (5) fearful jealousy: feeling of being lonely or rejected” (Mazur, 1977).
Opmerkelijk is ten slotte dat bij jongeren, volgens Vanwesenbeeck, Bekker en van Lenning, op relationeel vlak nog steeds duidelijke stereotiepe verschillen worden teruggevonden. Sommige jongeren hanteren een conservatieve en vijandige genderattitude in de liefdesrelatie die gepaard gaat met meer initiatief en activiteit voor jongens, waarnaast een tendens staat naar onzekerheid en inschikkelijkheid bij meisjes, terwijl andere jongeren een meer tolerante houding aannemen. Niet alle jongeren kunnen echter in deze twee types gevat worden. Een verruiming van de blik op de verschillende houdingen van jongeren rond de beleving liefdesrelaties is nodig (Vanwesenbeeck, Bekker & van Lenning, 1999).
Relationele beleving: ervaringen
Jongeren hebben meestal heel wat meegemaakt in hun leven. Deze persoonlijke ervaringen zijn naast de zelfevaluatieve methodes ook belangrijke indicatoren voor de relatiemoraal van jongeren. De ervaringen van jongeren kunnen worden opgesplitst in eigen ervaringen en ervaringen met de omgeving, voornamelijk de thuissituatie. Elk hebben ze hun effect op het latere (liefdes)leven van de jongere.
Ten eerste zijn ouders en hun burgerlijke staat één van de belangrijke omgevingsinvloeden op jongeren. Jongeren van ouders die niet zijn gescheiden geloven klaarblijkelijk meer in de romantische liefde, terwijl bij jongeren met gescheiden ouders dit geloof minder sterk is (Jacobs, 1999). Het scheiden van ouders heeft ook een nefast effect hebben op het geloof in intimiteit en blijvende liefde. In de onderzoekswereld is rond de gevolgen van echtscheiding echter nog geen consensus bereikt. Meningen tussen onderzoekers lopen daardoor sterk uiteen. Enerzijds wordt scheiding gezien als fenomeen dat de jongeren sterker zou maken en emotioneel doet groeien. Anderzijds bestaan er tegenovergestelde meningen van onderzoekers die stellen dat de scheiding van ouders verregaande effecten heeft op zowel korte, bv. een stressvol bestaan, als op lange termijn, bv. ‘sleeper effect’[1] (Sinclair, Nelson, 1998). Hoe dan ook, naast de burgerlijke staat is de communicatieve omgang van ouders over liefdesrelaties met hun kinderen bepalend voor de mening van jongeren. Hieromtrent is echter weinig bekend vanuit de ervaring van de jongeren. Nader onderzoek naar de ervaringen in relationele en seksuele communicatie van jongeren met hun ouders dringt zich op.
Ten tweede staan naast de ouderlijke invloeden, de persoonlijke relationele ervaringen ook als cruciaal gegeven tegenover de moraalvorming van jongeren. Deze ervaringen zijn meestal schaars, maar soms ook overvloedig aanwezig bij adolescenten (Nias, 1991). Aangezien dit onderzoek zich beperkt tot laatstejaarsstudenten van het middelbaar onderwijs, moet daarom in het achterhoofd gehouden worden dat de gehanteerde moraal niet steeds een beproefde moraal is. De relationele moraal en gehanteerde waarden en normen zullen daardoor soms louter inschattingen zijn die de jongere nog niet of weinig heeft getest en beleefd in de werkelijkheid. Dat wordt onder meer afgeleid uit de gegevens van Vanhove en Matthijs die er opwijzen dat één vierde van de eerstkanstudenten aan de KULeuven nog nooit een ‘serieus’ lief heeft gehad. Daarnaast blijkt de duur van de huidige relatie van deze eerstekanstudenten voor 50% niet langer dan 10 maanden te zijn (Vanhove, Matthijs, 2003).
De ervaringen in partnerkeuze blijken bij jongeren voornamelijk volgens een vast stramien te verlopen. Het aanmaken van een liefdesrelatie wordt meestal voorafgegaan door een kennismakingsfase. Hoe en waar deze fase verloopt is variabel, afhankelijk van de jongere en diens vrijetijdsbesteding. Meer dan de helft van de jongeren leren hun partner kennen tijdens een avondje uit (voornamelijk op café) of in de hobbyclub (Hendrick & Hendrick, 1991; de Hoog, 1974). De ontmoetingsplaatsen kenmerken zich door een inherent doel op zich te hebben dat niets met partnerkeuze te maken heeft (bv. café: iets drinken en samenzijn). De ontmoetingsplaatsen moeten ruimten zijn waarbinnen jongeren zich vrij kunnen bewegen, zonder partnerkeuze als direct doel, maar waar dit wel tot de mogelijkheden behoort (Hendrick & Hendrick, 1991).
Toekomstbeleving
Ongehuwd samenwonen is de voorbije jaren ontwikkeld van een relatief weinig tot een relatief veel voorkomen verschijnsel. In 1991 verkozen al meer dan de helft van de jongeren met of zonder een relatie om op termijn ongehuwd samen te wonen. Niet alleen steeds meer jongeren wonen samen, ze doen dat ook langer dan voorheen. Een grote meerderheid van 80% van de jongeren op 20-jarige leeftijd denken pas te trouwen binnen 5 jaar of later. Desondanks het lange samenwonen zal een groot deel van deze jongeren alsnog trouwen, weliswaar op latere leeftijd. Het kiezen voor samenwonen is voor jongeren meestal een bewuste afwegingsproces van de voor- en nadelen van trouwen en ongehuwd samenwonen. Activiteiten op andere belangrijke levensterreinen, zoals carrière uitbouwen, vrije tijd en het krijgen van kinderen, spelen hierin een belangrijke rol (Liefbroer, 1991). Direct trouwens is immers niet populair. De wens om mekaar eerst beter te leren kennen is daarbij de belangrijkste reden die jongeren aanhalen bij hun keuze om ongehuwd samen te wonen. Jongeren zien daarbij soms zelfs geen verschil in trouwen en samenwonen, en vinden bijgevolg geen reden om wel te trouwen. De omkering van motivatie, nu zoekt men immers redenen om zo nodig wel te trouwen, is frappant en leidt tot de bewuste en persoonlijke keuze om al dan niet te trouwen. Tegenargumenten voor jongeren om te trouwen zijn bijgevolg: de meerwaarde van het samenwonen omdat het de mogelijkheid biedt om mekaar beter te leren kennen, het niet zien van een verschil tussen het samenwonen en het huwelijk, de inperking van de vrijheid en ten slotte de kosten van een bruiloft. Argumenten om wel te trouwen zijn voor jongeren de kinderwens, het bevestigen en verstevigen van de onderlinge band, religieuze overtuiging en praktische redenen (fiscaal of zakelijk). Deze argumenten zijn echter minder sterk aanwezig. Dat bevestigt de preferentie van het ongehuwd samenwonen (Kooy, 1986; Liefbroer, 1991).
Daarnaast worden jongeren in deze maatschappij steeds meer in hun naaste omgeving geconfronteerd met echtscheidingen. Een schatting dat 45% van de Belgische huwelijke zal eindigen in een echtscheiding, leert ons dat dit proces gestaag toeneemt. Het maakt het daarbij boeiend om na te gaan hoe jongeren de invloed hiervan op hun houdingen en gedragingen percipiëren, nu blijkt dat jongeren met gescheiden ouders hun eigen echtscheidingsrisico significant hoger inschatten (Vanhove & Matthijs, 2003). Daarbij vinden jongeren wiens ouders gescheiden zijn in de helft van de gevallen dat er goede redenen waren om te scheiden. Jongeren vinden namelijk echtscheiding steeds meer als een logische stap binnen een huwelijk dat slecht verloopt (Vanhove & Matthijs, 2003). Samengevat is het plannen en het gedrag van jongeren ontrent trouwen, ongehuwd samenwonen en echtscheiding in belangrijke mate bepaald door een rationele afweging van de voor- en nadelen die aan deze relatievormen zijn verbonden enerzijds, aangevuld door normatieve overwegingen anderzijds.
Het onderzoek naar de waarden en normen gehanteerd door Vlaamse jongeren is stilaan uit de kinderschoenen aan het groeien. Een eensgezinde en eenduidige algemene visie en typering van jongeren ontbreekt daarom dikwijls in bovenstaande onderzoeksgegevens. Klassieke, stereotype bevindingen wisselen progressieve tendensen af. Het is daarom vandaag nog steeds een uitdaging om op zoek te gaan naar een algemeen beeld van deze jongeren op relationeel vlak en een schets te maken van mogelijke denkpistes en achterliggende waardenpatronen rond liefdesrelaties bij jongeren.
3.4. De seksuele leefwereld van jongeren
Jongeren beginnen steeds vroeger aan seks. Bijna de helft van de 17-jarigen heeft al ooit seks gehad (Vanhove & Matthijs, 2002). Het hoort ook steeds vroeger bij het hebben van een relatie. Bij deze studie van de visies op relaties van jongeren, wordt daarom naast de relationele moraal, ook ingegaan op deze seksualiteit. Hoewel dit onderzoek geen seksualiteitsonderzoek is en de nadruk ligt op de visie op relaties, krijgt seksualiteit als één van de aspecten binnen een relatie hierin toch een belangrijke plaats. De seksuele waarden leveren immers niet alleen kennis op over de gehanteerde seksuele moraal, maar kunnen eveneens onrechtstreeks iets vertellen over achterliggende relatiewaarden. De werkelijke invulling van het begrip seksuele moraal is wederom niet eenvoudig. Zoals bij de relationele moraal wordt ook hier op zoek gegaan naar voorgaande manieren van interpretatie om zodoende te komen tot een overzicht hiervan en de hiaten hierin bloot te leggen.
Seksuele beleving: houdingen
De seksuele moraal van jongeren is een dynamisch gegeven en dus voortdurend aan verandering van de tijd onderhevig. Vlaams algemeen waardenonderzoek geeft namelijk aan dat met betrekking tot de seksuele moraal alle leeftijdscategorieën permissiever zijn dan 10 jaar eerder (Lesthaeghe, Moors, 1999). Ook volgens het onderzoek van Deceulaer zijn hedendaagse jongeren permissiever dan voorgaande generaties, maar is de invulling van het begrip permissiviteit niet zuiver (Deceulaer,1994). Ongeveer 23% van de jongeren is permissief tot zeer permissief (Vanhove & Matthijs, 2003). Hoe jongeren zelf hierover denken en hoe ze dat juist zelf invullen, blijkt echter weinig onderzocht. Daarbij wordt dikwijls voor sekse als verklarende factor geopperd. Jongens blijken steeds meer permissief dan meisjes. De verklaringskracht van sekse zou echter nog meer opbrengen indien het wordt gecombineerd met en gecontroleerd voor de persoonlijkheid en de ervaringen van de jongeren (Deceulaer, 1994). Ten slotte zijn er belangrijke verschillen naar opleiding toe. Jongeren uit het beroeps- en deeltijds onderwijs blijken minder terughoudend te zijn (Deceulaer, 1994). Ook hier geldt dezelfde opmerking als voor sekse. Samen met sekse, de persoonlijkheid en de relationele ervaringen van de jongere, kan opleidingsniveau aan verklaringskracht winnen. Omdat het concept van de persoonlijkheid dikwijls ontbreekt, wordt in de analyse getracht dit binnen te brengen. In het opstellen van een typering van jongeren, krijgt dit vorm en worden sekse, opleiding en persoonlijkheid gecombineerd.
Belangrijk is welke plaats seksualiteit binnen een relatie krijgt. Daarom wordt op zoek gegaan naar wat de belangrijkste motivaties en waarden bij seksualiteit zijn. Eerder onderzoek stelt dat de reden waarom mensen vrijen, in de eerste plaats de eigen bevrediging en de bevrediging van de partner is. Belangrijk voor veel mensen bij het vrijen zijn gevoelens van overgave, intimiteit en ontspanning. Dat geldt zowel voor jongens als voor meisjes. Jongens ervaren seksualiteit echter wel meer als bevrijdend dan meisjes. Voor meisjes zou er een grotere samenhang zijn tussen tevredenheid over de relatie en seksualiteitsbeleving, bij jongens zijn beide zaken meer onafhankelijk van elkaar (Frans, 1999). Opvallend is dat deze sekseverschillen nog steeds gekenmerkt zijn door klassieke stereotypes. Het onderzoek van Van Zessen en Sandfort geeft namelijk aan dat mannen voornamelijk een dominante positie innemen tijdens het vrijen, en dat vrouwen meer gekenmerkt worden door angst, onzekerheid en defensiviteit (Van Zessen, Sandfort, 1991). Het overleven van klassieke, stereotype visies bij jongeren, is zodoende een belangrijke te onderzoeken factor. Hoe jongeren de progressieve moraal combineren met stereotiepe beelden over een relatie, wordt dan ook concreet nagegaan. Naast het lichamelijk contact (de bevrediging van de partner en zichzelf), zijn emotionele factoren ook van belang in een seksuele relatie. Het praten over seksualiteit helpt om een beeld te scheppen van zichzelf, verwachtingen te formuleren en mekaars grenzen te ontdekken. Het praten over seksualiteit blijkt dus een belangrijk aspect binnen een seksuele relatie (Hutton, 1988). De innerlijke betekenis van seksualiteit is belangrijk wanneer seksualiteit gepaard gaat met liefde. Als dat zo is, is seksualiteit een diepte-ervaring die twee personen verenigt en niet louter twee lichamen. Seksualiteit hoeft echt niet steeds gepaard te gaan met liefde. Slechts 45% van de jongeren keurt immers de stelling af dat een seks enkel kan binnen een relatie (Vanhove, Matthijs, 2003). De keuzevrijheid voor seks zonder of met liefde, gaat hand in hand gepaard met de tolerantie die nu leeft voor elk individu om de eigen ethische grenzen te stellen.
Seksuele beleving: ervaringen
Eén van de belangrijkste bevinden doorheen de laatste jaren is dat jongeren steeds vroeger met seks beginnen. De helft van de 17-jarigen al ooit seks heeft gehad (Hubert, 1998). De houding van jongeren hierrond is ambigu. Slechts een nipte minderheid van de jongeren vindt dat er door jongeren te snel naar bed wordt gegaan (Vanhove & Matthijs, 2003). De verschillen tussen jongens en meisjes in verband met de leeftijd van het eerste seksuele contact zouden daarbij ook afnemen, wat te wijten is aan een inhaalbeweging van de meisjes (Van Hove, Carpentier, Knops, 1995). Jongeren uit het beroeps- en deeltijds onderwijs zouden er ook veel vroeger bij zijn dan jongeren die algemeen secundair onderwijs volgen. Deze jongeren uit het beroeps- en deeltijds onderwijs hebben namelijk op de leeftijd van 15 jaar meer ervaring met geslachtsgemeenschap dan jongeren uit het algemeen secundair onderwijs (Deceulaer, 1994).
Hoewel jongeren steeds vroeger met seks beginnen, is toch een overgrote meerderheid van de jongeren nog wel terughoudend wat betreft een volledige seksuele vrijheid voor iedereen. Een overgrote meerderheid vindt namelijk dat relaties serieus genomen moeten worden, in de zin dat seks met iemand anders dan de partner wordt afgekeurd (Elchardus, 1999). De helft van de jongeren geven zelfs aan dat seks alleen kan tussen mensen die elkaar graag zien (Vanhove, Matthijs, 2003). De partnerschapsrelaties worden dus in grote mate gekenmerkt door sequentiële of seriële monogamie, met name een opeenvolging van exclusieve relaties met een ‘serieuze’ liefdespartner (CGSO, 1997).
Anticonceptie en soa’s
Hedendaagse jongeren worden regelmatig geconfronteerd met mediaboodschappen rond het vermijden van zwangerschappen en de bescherming tegen soa’s via scholen, campagnes… Desondanks gebruiken slechts 20% van de jongeren op regelmatige basis effectieve voorbehoedsmiddelen (Visser, Geeraert, Lehort, 1991). Wanneer toch voor anticonceptie wordt gekozen, spelen voornamelijk drie factoren een belangrijke rol in de keuze voor welke voorbehoedsmiddel. In de eerste plaats is betrouwbaarheid een fundamenteel aspect. De betrouwbaarheid wordt het grootst ingeschat bij de pil. Daarnaast zijn de veiligheid voor de gezondheid en de invloed op het seksuele leven belangrijke aspecten die de keuze van het voorbehoedsmiddel beïnvloeden. Ook als niet-storend middel scoort de pil het beste. Op vlak van veiligheid voor de gezondheid is echter slechts 60% van de jongeren overtuigd dat de pil volledig veilig is. Deze gezondheidsbezwaren zijn wel niet meer van toepassing op de modernere driefasenpil. Hoe dan ook, de pil blijft het meest populaire anticonceptiemiddel. De condoom volgt gestaag op een tweede plek (Visser, Geeraert, Lehort, 1991).
De manier waarop de relationele- en seksuele moraal wordt geoperationaliseerd, wordt hieronder verduidelijkt. Aan de hand van concrete bevindingen en opvallende hiaten in voorgaand onderzoek, wordt immers getracht een passende en aanvullende onderzoeksvragen te vormen om vervolgens via diepte-interviews de analyse te uit te voeren. Hoewel op zoek wordt gegaan naar een algemeen beeld van jongeren op relationeel en seksueel gebied, en het dus een exploratief onderzoek betreft, wordt toch getracht om enkele inleidende onderzoeksvragen op te stellen. Zo krijgt de inleidende probleemstelling verder vorm en werd de structuur bekomen waarbinnen de diepte-interviews zich echter vrij konden bewegen.
4.1. De relationele moraal van jongeren
De relationele moraal wordt geoperationaliseerd in drie fasen die de structuur van de literatuurstudie volgen. Eerst wordt de definiëring van liefdesrelaties behandeld, vervolgens de relationele beleving (zowel betreffende houdingen als ervaringen) en ten slotte het toekomstperspectief van de jongeren. Op deze manier worden mogelijke denkpatronen van jongeren achterhaald: de manier waarop ze over relaties denken, welke ervaringen ze hebben, en voornamelijk hoe deze twee samen gaan. Concreet bevat de analyse volgende onderzoeksvragen.
(1) Hoe definiëren jongeren een liefdesrelatie?
Uit de literatuur blijkt dat jongeren op verschillende manieren spreken over relaties. De verschillende manieren waarop het romantische liefdesideaal -gebaseerd op individuele keuzevrijheid en partnerselectie op basis van liefde- wordt ingevuld, komen hierin aan bod. Aangezien de manier waarop jongeren spreken over relaties, hun houdingen beïnvloedt, wordt hier nagegaan hoe jongeren zelf een liefdesrelatie omschrijven. Het open karakter van de vraagstelling tracht de jongeren tot creativiteit te bewegen. Hierin moet plaats zijn voor zowel de verschillende soorten relaties, als voor de relaties waarin jongeren zichzelf het beste zouden thuis voelen. Op deze manier wordt eveneens de openheid en tolerantie naar andere soorten relaties nagegaan.
(2) Hoe beleven jongeren een relatie?
Hierin wordt enerzijds nagegaan wat jongeren belangrijk vinden in een relatie en anderzijds hoe ze de relatie percipiëren en ervaren. Uit de studie van voorgaande onderzoeken bleek dat dit op vele manieren kan. De piste van de bevraging van de relatiesatisfactie vormt zoals de literatuur aangeeft een eerste goede inschatting van achterliggende waarden en normen in relaties. Anderzijds zullen respondenten hier rechtstreeks bevraagd en geconfronteerd worden met onderstaande relatievragen en concepten. De bevraging betreft dus enerzijds de confrontatie met waarden die hun degelijkheid in andere onderzoeken hebben bewezen, en anderzijds aanvullende waarden die de jongeren zelf aanbrengen wanneer gepeild wordt naar waarden die nodig zijn voor het goede verloop van een relatie, de relatiesatisfactie.
Ten eerste is de communicatieve houding over relaties met ouders, de peers en de partner van belang. De manier waarop jongeren communiceren over relaties vertelt iets over hun visie op relaties.
Ten tweede wordt het innerlijke versus het uiterlijke bekeken. Er wordt met name nagegaan of de fysieke verschijning volgens de jongeren een, al dan bewuste, bepalende rol speelt bij partnerkeuze.
Vrijheid versus betrokkenheid is ten derde een dualiteit waarmee de jongeren moet leren omgaan. Hoe dat gebeurt en hoe de jongere dit beleeft staat centraal.
Ten vierde komen de populairste relatiewaarden aan bod: eerlijkheid en openheid. Het belang ervan en het waarom hieromtrent voor de jongeren wordt bevraagd. In welke mate trouw zijn belangrijk is en welke rol jaloezie speelt, vult dit aan.
Ten vijfde wordt nagegaan of het opleidingsniveau, de politieke- en de religieuze overtuiging van belang zijn en aspecten zijn die meespelen in de partnerkeuze. Lopen de verwachtingspatronen van jongeren hier rond volgens het principe van de gelijkheid, of van het principe van ‘aantrekkende tegengestelde polen’? De plaats waar de partnerkeuze plaatsvindt, komt hier ook aan bod.
Ten slotte worden jongeren bevraagd over het belang van het tonen van affectie en over het beëindigen van een relatie.
(3) Wat is het toekomstperspectief van de jongeren?
Als laatste onderdeel in de operationalisering van de relationele moraal krijgt het toekomstperspectief van jongeren rond ongehuwd samenwonen, huwen en scheiden de aandacht. Aan de hand van de open bevraging van de toekomstvisie van de jongeren wordt enerzijds nagegaan of jongeren überhaupt wel met de toekomst bezig zijn, en anderzijds hoe deze invulling van de toekomst tot stand komt en hoe de houding is van jongeren met betrekking tot deze verschillende samenlevingsvormen.
4.2. De seksuele moraal van jongeren
De waarden en normen rond seksualiteit vormen samen met de seksuele ervaringen een onmiskenbaar zwaartepunt om te komen tot de relationele- en seksuele moraal van jongeren. Door de nauwe samenhang van de concepten relationele- en seksuele moraal, kunnen achterliggende waardenpatronen zowel op seksueel als op relationeel gebied herkend worden bij de bevraging rond de seksuele leefwereld van jongeren. De meerwaarde voor de analyse van de relationele moraal, naast de seksuele moraal an sich, geeft deze subonderzoeksvraag een extra dimensie.
De seksuele moraal wordt geconcretiseerd aan de hand van twee thema’s. Deze vormen een aanvulling op de nood die wordt afgeleid uit hiaten in voorgaand onderzoek. Daaruit blijkt immers dat gedrag voornamelijk in kwantitatief onderzoek wordt besproken, maar zelden wordt gepeild naar achterliggende motivaties en motieven voor seksualiteit. Daarom wordt tot volgende opdeling van subonderzoeksvragen gekomen. Ook hier wordt de opdeling van de literatuurstudie gevolgd.
(1) Hoe beleven jongeren een seksuele relatie?
Vooreerst wordt gepeild naar de ervaringen van jongeren op seksueel gebied. In welke mate hebben jongeren ervaringen, en in welke mate zijn deze volgens henzelf bepalend voor de meningvorming rond relaties en seksualiteit. Welke zijn deze ervaringen, met name: ‘Hoe vullen ze zelf het begrip vrijheid en permissiviteit in?’ en ‘Vinden ze überhaupt wel dat ze vrij en permissief zijn?’.
Vervolgens wordt op zoek gegaan naar achterliggende waarden. De communicatieve houding rond seksualiteit wordt bevraagd. Jongeren blijken immers het praten over relaties belangrijk te vinden. Via het peilen naar andere mogelijke voorwaarden voor een seksuele relatie en de belangrijkheid van seksualiteit binnen een relatie, wordt getracht een algemeen beeld te scheppen van de respondenten dat complementair wordt geacht aan de relationele moraal. Het kan zo mee voor de basis zorgen bij het opstellen van mogelijke denkpatronen en types van jongeren rond relaties en seksualiteit, zoals hieronder verder wordt uitgewerkt.
(2) Hoe denken jongeren over anticonceptie en seksueel overdraagbare ziektes (soa’s)?
Zoals vermeld blijken de pil en het condoom de meeste geprefereerde manieren van anticonceptie. Op welke manier maken jongere de keuze om zich te beschermen tegen zwangerschappen of soa’s? De motivaties die Visser, Geeraert en Lehort (1991) aanhaalden worden hier nagegaan.
Ook om op een onrechtstreekse manier achterliggende waarden en normen voor de relatie en seksualiteit te bekomen, worden respondenten geconfronteerd met aspecten van anticonceptie en met de problematiek van seksueel overdraagbare ziektes. Op deze manier worden jongeren uitgedaagd om na te denken over deze thema’s en hun houding hiertegenover te duiden binnen de context van de eigen ervaringen en binnen de context van de relatie waarbinnen ze zich het best zouden voelen.
4.3. Een typologie van jongeren
Ten slotte worden de gevonden bevindingen getoetst aan hedendaagse, theoretische sociologische concepten. De theoretische ‘zoeklichten’ van waaruit wordt vertrokken zijn individualisering en detraditionalisering. Er wordt nagegaan in welke mate de processen van individualisering en detraditionalisering een invloed hebben op de visies van hedendaagse jongeren op relaties. Daarbij wordt de pertinente vraag gesteld of jongeren opdeelbaar zijn in enkele (ideaal)types. Aangezien voorgaand onderzoek dikwijls fragmentarisch en kwantitatief van aard was, is een ruim beeld van alle mogelijke denkpatronen van jongeren onbestaande. Houdingen worden immers in de eerste plaats steeds gekoppeld aan sekse, opleidingsniveau of sociale achtergrond als onafhankelijke variabelen. Met de typologie in deze eindverhandeling verloopt de denkoefening anders. De persoonlijkheid, houdingen en gedragingen van jongeren worden los van bovenstaande onafhankelijke variabelen als uitgangspunt genomen en leiden tot enkele (ideaal)types. Deze typologie kan een eerste aanzet te geven tot een ruim en algemeen beeld van mogelijke denkpatronen/types van jongeren. Vervolgens kan kwantitatief onderzoek een meerwaarde bieden door hierop verder bouwen en zo mogelijk de typologieën wederom te koppelen aan sekse, opleidingsniveau of sociale achtergrond…
De basis voor deze typologie groeide doorheen het onderzoek aangezien de onderzoeksvraag slechts concreter werd naarmate het onderzoek vorderde. Uit de data werd namelijk duidelijk dat naast individualisering en traditie, ook de ervaring en idealen/verlangens van jongeren een grote rol spelen in de relationele- en seksuele moraal van jongeren. De gehanteerde onderzoeksvraag naar een typering van jongeren was bijgevolg dynamisch doorheen het onderzoek waardoor de analyse op een abductieve manier vorm kreeg. Dit resulteerde uiteindelijk in drie invloedrijke concepten (traditie/ervaring/liefdesideaal) voor de relationele- en seksuele moraal van jongeren die de basis vormen voor de typologie van jongeren rond relaties en seksualiteit. Vervolgens zal voor elk type nagegaan worden wat de omgang is met de relationele en de seksuele moraal.
5. Methodologie, een kwalitatieve benadering
In het huidige wetenschappelijk onderzoek heeft de socioloog traditiegetrouw de keuze uit twee basissoorten van onderzoek. Het eerste betreft kwantitatief onderzoek waarbij de onderzoeker via gestandaardiseerd vragenlijsten informatie verzamelt en verwerkt in statistieken die vervolgens worden samengebracht, geïnterpreteerd en het testen van veralgemenende hypotheses mogelijk maakt. Het tweede betreft het kwantitatieve onderzoek de koepelterm voor onderzoek onder de vorm van participerende observatie, analyse van documenten en als voornaamste vorm het diepte-interview (Billiet, 2001).
In dit werk wordt gebruik gemaakt van kwalitatieve onderzoeksmethode, met name het diepte-interview, om informatie te verzamelen rond het gedrag, de visies en de houdingen van laatstejaarsstudenten secundair onderwijs rond liefdesrelaties. Na een beschrijving van de gebruikte methode, wordt deze keuze gemotiveerd en concreet ingevuld.
5.1. Het diepte-interview besproken
In tegenstelling tot het gestandaardiseerde interview in de kwantitatieve onderzoeksmethode, is het niet-gestandaardiseerde interview één van de methoden bij uitstek in de kwalitatieve onderzoeksmethode. Aangezien het geen gebruik maakt van voorgestructureerde vragenlijsten met voornamelijk gesloten vragen, wordt het diepte-interview ook wel open interview genoemd. Concreet wordt er aan de hand van een topiclijst, die de ruggengraat vormt van het gesprek, een open gesprek aangegaan met de respondent waarbij de interviewer vragend naar feiten, houdingen en gedragingen de respondent zijn of haar verhaal laat doen. Hierbij is enerzijds belangrijk dat de respondent de mogelijkheid heeft om zijn antwoorden te nuanceren en naar eigen aanvoelen en in de eigen woorden te antwoorden. Anderzijds heeft de onderzoeker ook de mogelijkheid om door te vragen en in te spelen op de antwoorden van de respondent.
Een typisch kenmerk en belangrijke meerwaarde van het diepte-interview is dat het de mogelijkheid biedt om zowel verticaal[2] als horizontaal[3] dieper in te gaan op de topics, de houdingen, de gedragingen en de feiten, meer als in een gestandaardiseerd interview (Billiet, Waege, 2001).
5.2. Een kwalitatieve onderzoeksmethode voor relaties en seksualiteit
In dit onderzoek naar de visie van jongeren over liefdesrelaties wordt bewust de methode van het diepte-interview verkozen. De eerder beperkte onderzoekstraditie in Vlaanderen over liefdesrelaties bij de jeugd geeft nog niet veel duidelijkheid over hoe hedendaagse jongeren denken over relaties. Enkele statistische gegevens rond relationele- en seksuele gedragingen en waarden van jongeren zijn reeds gekend. Achterliggende denkpistes van deze jongeren zijn echter nog niet duidelijk te herkennen en beschreven. De keuze voor het diepte-interview speelt in op deze behoefte omdat het de mogelijkheid biedt om diepgaand op de onderzoeksmaterie door te gaan tijdens het interview, op maat van de respondent, én zo ons in de mogelijkheid stelt een achterliggende moraal te schetsen.
Grotendeels zal dit onderzoek op een abductieve manier vorm krijgen. De interviews vormen de absolute vertrekbasis. Aangezien er wordt gewerkt rond enkele theoretische kaders, worden deze theorieën tijdens het onderzoek echter wel steeds bij de hand gehouden. Theorie en praktijk bepalen dus in wederzijdse afhankelijkheid het, voornamelijk exploratief, onderzoeksverloop.
Om enerzijds dit dynamische karakter te garanderen en anderzijds de respondent de nodige vrijheid te geven, wordt doorheen de diepte-interviews zo weinig mogelijk gestructureerd. Enkel de thema’s die ter sprake komen, worden door de interviewer aangegeven. Daarnaast moet de respondent zelf thema’s kunnen aanbrengen, steeds vrij kunnen antwoorden, in de eigen woorden, naar eigen aanvoelen en naar eigen belangrijkheid. De subjectieve ervaringen, houdingen, opinies zullen zodoende besproken worden op maat van de respondent (Billiet, Waege, 2001).
De ondervraagde jongeren vormen echter geen representatieve steekproef voor de huidige generatie jongeren. Toch wordt er via de diepte-interviews de basis gelegd voor een inzicht in de visies van hedendaagse jongeren op relaties. Deze onderzoeksmethode laat toe om mogelijke denkpistes en typologieën op te stellen, die niet gebaseerd zijn op cijfers en statistieken, maar op open, diepgaande interviews met jongeren. Zo kunnen ze een fundament voor theorievorming rond jongerenrelaties vormen die een mogelijk interpretatiekader kan bieden voor toekomstig, aanverwant kwantitatief onderzoek.
Tijdens de diepte-interviews wordt gebruik gemaakt van bandopnames. Omdat aan het gebruik van opnamemateriaal voor- en nadelen zijn verbonden, wordt deze manier van werken even toegelicht. De nadelen van de bandopnemer zijn dat het de controle en machtspositie van de interviewer kan bevestigen. Daarbij kan het gevoel van anonimiteit worden doorbroken wat een geremdheid bij de respondent kan creëren (Fowler, Mangione, 1985). De voordelen ervan zijn echter niet te onderschatten. De mogelijkheid om naderhand interviews uit te schrijven, geeft ruimte om tijdens het gesprek meer aandacht te besteden aan de respondent, het doorvragen, het concentreren op de topics en de lichaamstaal van de respondent (Billiet, Waege, 2001). Het is dan ook een must om het anonieme gebruik van de bandopnemer tegenover de respondent te duiden bij het begin van elk diepte-interview.
5.3.1. Laatstejaars secundair onderwijs
Voor dit onderzoek worden laatstejaarsstudenten uit het secundaire onderwijs geselecteerd. Deze keuze ligt niet voor de hand aangezien het veel wat overleg vergt om deze jongeren te mogen en te kunnen contacteren. Scholen, en de respectievelijke directeurs die de toestemming dienen te geven, geven aan overvraagd te zijn als onderzoekspopulatie en zijn meestal geen vragende partij. De keuze voor laatstejaars secundair onderwijs wordt echter toch gemaakt omdat de noodzaak bestaat om jongeren te interviewen uit uiteenlopende studierichtingen en –niveaus. Een bevraging van bijvoorbeeld enkel universiteitsstudenten zou voor een vernauwing zorgen die resulteert in een bevraging louter van jongeren die verder studeren, wat voor dit onderzoek naar algemene beeldvorming rond liefdesrelaties minder interessant lijkt. Daarbij wordt voor laatstejaarsstudenten van het secundaire onderwijs geopteerd wegens de bijzondere positie die ze innemen. Ze staan voor een belangrijke keuze en periode van verandering in hun leven: gaan werken en/of verder studeren zijn ingrijpende gebeurtenissen. Ze komen op een leeftijd dat ze de pubertijd definitief verlaten, en dingen naar een volwassenstatus. Deze specifieke situering van deze jongere kan gepaard gaan met de eerste serieuze ervaringen op relationeel en seksueel gebied. Het is de bedoeling in dit onderzoek om de jongeren op dat moment te confronteren met vragen rond relationele- en seksuele moraal.
5.3.2. Respondentenselectie, uit de klas geplukt
Voor deze eindverhandeling werden enkele scholen benaderd om zo in contact te komen met laatstejaarsstudenten uit het secundaire onderwijs. Indien de directeur de toestemming gaf, wat op zich al veel voeten in de aarde had, werd na een korte uitleg in de klas over het onderzoek en zijn bedoeling, de contactgegevens van leerlingen zich bereid vonden tot deelname aan het onderzoek, opgenomen. Deze dienden voor de latere contactopname en het maken van een afspraak voor een diepte-interview. Zowel jongens als meisjes, en zowel leerlingen uit het ASO (Algemeen Secundair Onderwijs), als jongeren uit het BSO (Beroeps Secundair Onderwijs) werden geïnterviewd. Op deze manier wordt geacht dat een voldoende breed spectrum wordt gehanteerd.
Beide bevraagde scholen komen uit praktische overwegingen uit de omgeving van Leuven. Er wordt verondersteld dat dit echter geen probleem vormt voor de geldigheid van de data. De leerlingen uit het ASO komen uit de richting menswetenschappen. Hier werd de ideale verdeling bereikt met een evenwichtige bevraging van vijf jongens en vijf meisjes. De leerlingen uit het BSO komen uit de richting kantoor enerzijds en houtbewerking anderzijds. Hier is de verdeling minder evenwichtig. Vier meisjes en twee jongens werden bevraagd. Een geringe motivatie, het -dikwijls laattijdig- afzeggen van deelnamebereidheid, foutieve of verouderde contactgegevens, en vergeten afspraken blijken de voornaamste redenen te zijn voor deze stroeve selectie.
De afname van het interview gebeurde bijna steeds bij de jongeren thuis. Op aanvraag van drie jongeren, gebeurde het interview niet thuis. De faculteit sociale wetenschappen aan de K.U.Leuven zorgde in twee gevallen voor de nodige infrastructuur. Eénmaal werd het interview op voorstel van de respondent thuis bij de interviewer afgenomen. De duur zonder voorgesprek en nagesprek varieerde van minstens een half uur, tot maximum 1uur 45min. De meeste interviews schommelen rond de grens van 1uur.
6. Tussen traditie en ‘instant satisfaction’: analyse van de diepte-interviews
6.1. Opstellen van een typologie
Het opstellen van een typologie is geen sinecure. De bedoeling is immers om aan de hand van enkele houdingen relaties en seksualiteit elke jongere te kunnen plaatsen binnen het kader van enkele types. De diversiteit tussen de jongeren mag hierbij echter niet uit het oog verloren worden. Er wordt als het ware op zoek naar achterliggende denkpatronen die de houdingen en gedragingen van jongeren op gebied van relaties en seksualiteit kunnen verklaren en waardoor deze begrepen kunnen worden. Hierbij staat een afwegen centraal tussen een klein of een groot aantal types. Een heel groot aantal types zal resulteren in een grote homogeniteit binnen de types, en een grote heterogeniteit tussen de types. Dat is op zich een goede zaak, maar brengt ons niet dichter bij het doel om de houdingen en gedragingen te kunnen reduceren tot enkele types. Een heel klein aantal types gaat gepaard met een kleinere homogeniteit binnen de types en een kleinere heterogeniteit tussen de types. Het gevaar bestaat hier dat niet alle jongeren binnen het te beperkte kader begrepen kunnen worden en dus een waardeloze typologie is opgesteld. De opgave is dus een evenwichtspunt te creëren, waarop de homogeniteit binnen het type en heterogeniteit tussen de types gewaarborgd blijft, en dat de lading dekt van alle houdingen en gedragingen van jongeren. De typologie mag echter niet verabsoluteerd worden. Het betreft immers ideaaltypes die een goede werkbaarheid met zich meebrengen. Alternatieve manieren om de jongeren in te delen en varianten op de types zullen zeker bestaan. Toch werd getracht met deze indeling een zo ruim mogelijk spectrum van houdingen en gedragingen van jongeren te dekken.
In deze analyse werd geopteerd om de typologie op te stellen in twee stappen. In een eerste stap werd nagegaan welke parameters een bepalende rol spelen in de houdingen en gedragingen van jongeren rond relaties en seksualiteit. In een tweede stap worden deze parameters de werkelementen om alle jongeren op te delen in groepen. Deze groepen zijn de types die de basis vormen voor de verdere analyse. Aan de hand van drie parameters werden vier types bekomen. De bevraging van 16 laatstejaars secundair onderwijs zorgde ervoor dat een bevredigend saturatiepunt bereikt werd. Elke type werd zo een groep met een voldoende hoge interne homogeniteit, en externe heterogeniteit.
De indeling van alle respondenten in enkele types verloopt dus volgens de manier waarop de jongeren zelf hun houdingen en ervaringen rond relaties en seksualiteit beschrijven. Het gaat om de persoonlijke invulling van de drie parameters die bepalend zijn voor de visie op relaties en seksualiteit. De score betreffende volgende parameters is nooit goed of slecht. Elke invulling van elke jongere is een mogelijke benadering van elke parameter. De invulling hiervan is dus een subjectieve houding van de respondent en krijgt geen normatief oordeel mee. De parameters zijn:
1. Traditie (Sterke traditie versus weinig traditie)
Traditie wijst op de mate waarin jongeren traditionele waarden aanhalen en traditionele denk- en handelingspatronen verdedigen. Dat geldt in het algemeen én strikt op relationeel- en seksueel gebied. Jongeren in Vlaanderen hebben doorgaans twee manieren om dit toe te passen. Ofwel komen ze tot een invulling van houdingen en gedragingen volgens weinig tot geen traditie enerzijds of ze komen tot een invulling volgens de christelijke traditie anderzijds. De (christelijke) traditie kan zowel bewust als latent aanwezig zijn en zo voor sommige jongeren een inspiratiebron zijn. De moraal die hieruit volgt, kent een beperkte invloed van het proces van detraditionalisering en individualisering. De houdingen en gedragingen van jongeren met weinig tot geen traditie zijn eerder wel onderhevig aan het proces van detraditionalisering en individualisering.
2. Liefdesideaal (weinig, tolerant of sterk)
De houdingen en gedragingen rond relaties en seksualiteit die jongeren kenmerken worden eveneens bepaald door een achterliggende visie op relaties. Deze achterliggende visie kan al dan niet bepaald worden door sterke idealen. Wanneer jongeren een sterke liefdesideaal hebben, hebben ze een duidelijk beeld van hoe een goede relatie moet verlopen. Een sterke liefdesideaal is in feite een blauwdruk van een relatie, een voorgeschreven axioma dat bepaalt hoe dé liefdesrelaties er moet uitzien. Het verlangen om een relatie op deze manier te beleven is dan ook groot. Een zwakke liefdesideaal duidt op een open visie op relaties waarbij op voorhand niet wordt uitgegaan van bepaalde vastliggende patronen of voorwaarden waaraan een relatie moet voldoen om geslaagd te zijn. Ten slotte kan het liefdesideaal tolerant zijn. De tolerante houding impliceert een duidelijke en sterke visie op hoe een relatie zou moeten verlopen voor zichzelf en eveneens een groot verlangen hiernaar. Dat gaat echter niet ten koste van een tolerante houding tegenover andere jongeren zonder of met een afwijkende, alternatief liefdesideaal .
3. Ervarenheid (nihil en/of onbepalend versus ervaringsgericht en bepalend)
De mate waarin jongeren reeds ervaringen hebben opgedaan op relationeel en seksueel gebied is een derde parameter. Dit betreft zowel de eigen ervaringen, als de ervaringen in de directe omgeving. Laatstejaars secundair onderwijs komen namelijk op een moment in hun leven wanneer ze de pubertijd stilaan verlaten en zo mogelijk beginnen aan het uitbouwen van een relationeel en eventueel seksueel leven. Dat is echter nog niet bij alle jongeren het geval. Daarom loopt de ervarenheid van nihil en/of weinig invloedrijk enerzijds, tot een sterke ervaringsgerichtheid én bepalende rol voor de houdingen rond relaties en seksualiteit anderzijds.
Wanneer deze parameters worden toegepast op de respondenten, worden vier types bekomen waarbinnen de subgroep van jongeren telkens intern homogeen is betreffende elke parameter en in het geheel. Aan de hand van onderstaande schema’s wordt de typologie samengevat en de types geïdentificeerd. Vervolgens wordt elk type besproken aan de hand van de bepalende parameters.
Tabel 1: Invulling parameters per type
|
PARAMETERS
TYPE |
Traditie
|
Liefdesideaal |
Ervarenheid
|
|
1. Klassieke type |
Sterke Traditie
|
Sterk liefdesideaal |
ervaring onbepalend |
|
2. Naïeve type
|
Weinig traditie
|
Sterk liefdesideaal |
ervaring nihil |
|
3. Tolerante type
|
Sterke traditie |
Ideologisch tolerant |
ervaring bepalend |
|
4. Permissieve type |
Weinig/geen traditie
|
Weinig liefdesideaal |
ervaringsgericht |
Tabel 2: Identificatie types naargelang scholing en geslacht [4]
|
IDENTIFICATIE
TYPE |
Jongens Meisjes |
BSO Jongens Meisjes |
||
|
1.Klassieke type |
Dirk,Samuel |
Emilie |
|
|
|
2.Naïeve type |
Dieter |
Marie |
|
Sanne,Lore |
|
3.Tolerante type |
Nico |
Nathalie,Katja,Sophie |
Wouter |
|
|
4.Permissieve type |
David |
|
Steven |
Hanne,Tamara |
Type 1: ‘Het klassieke type’
Respondentenvoorstelling
De jongeren uit de diepte-interviews die behoren tot het klassieke type zijn Emilie, Dirk en Samuel. Ze komen alledrie uit het algemeen secundair onderwijs.