| Het minste kwaad? Feiten, debatten en interpretaties over de Poolse crisis van 1980-1981. (Tom Junes) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
HOOFDSTUK I. INLEIDING
In zijn radiotoespraak tot de natie op 13 december 1981 verklaarde generaal Wojciech Jaruzelski : “Ons vaderland stond aan de rand van de afgrond. De verwezenlijkingen van vele generaties, het uit het as gerezen Poolse huis, zijn geruïneerd.”[1] De staat van beleg was uitgeroepen. Dit was het einde van een periode van 500 dagen feitelijke democratisering in de Poolse volksrepubliek. “De staat van beleg heeft ons diep verdeeld en de morele ruggengraat van het volk gebroken” zei Lech Wałęsa jaren na de val van het communisme.[2] Twintig jaar later sluimert die verdeeldheid nog na over wat we ondertussen kennen als de Poolse crisis van 1980-1981.
De crisis in het begin van de jaren ‘80 in de Poolse volksrepubliek kende geen precedent in de geschiedenis van het Sovjetblok, noch wat haar duur betreft, noch wat haar omvang betreft. Het was in zekere zin de voorbode van wat zich tien jaar later zich zou afspelen in Centraal en Oost-Europa. Over deze crisis bestaat een brede polemiek. Dat zal het onderwerp vormen van deze verhandeling. In dit inleidend hoofdstuk zal ik eerst op de vraagstelling en de opbouw ingaan. De tweede paragraaf behandelt mijn heuristiek en bespreekt de belangrijkste bronnen en auteurs. Ten slotte zal in de derde paragraaf de achtergrond van de gebeurtenissen van 1980-1981 besproken worden.
§1. Vraagstelling en opbouw
Op de nacht van 12 op 13 december 1981 rolden de tanks van het Poolse leger uit hun kazernes. Op een paar uur tijd namen legereenheden over het gehele land de belangrijkste strategische posities in. De telefoonverbindingen werden verbroken en duizenden mensen werden door de ordediensten gearresteerd. Een paar uur later vernam de wereld dat de noodtoestand was afgekondigd en een Wojskowa Rada Ocalenia Narodowego [Militaire Raad van Nationale Redding] de staat van beleg had uitgeroepen. Dit was het culminatiepunt van een crisis die anderhalf jaar eerder was ontstaan naar aanleiding van een massale stakingsgolf. De voorafgaande maanden getuigen van de legale activiteit van een niet-communistische massaorganisatie, NSZZ “Solidarność”. Dit was achter het IJzeren Gordijn een werkelijke historische primeur.
Niemand twijfelt eraan dat de uitroeping van de staat van beleg de uiteindelijke reactie was van het communistische regime op de opkomst van de oppositiebeweging rond “Solidarność”. Wel blijkt dit niet de enige reden te zijn en is de problematiek veel complexer. In Hongarije in 1956 reageerde de Sovjetunie na enkele dagen van protest met een militair offensief. De Praagse lente was maar enkele maanden oud toen in 1968 de legers van het Warschaupact Tsjechoslowakije binnenvielen en bezetten. Tussen het begin van de stakingen die leidden tot de oprichting van “Solidarność” en de uitroeping van de staat van beleg zijn er zestien maanden verlopen. In dit opzicht zijn de gebeurtenissen in Polen begin jaren tachtig opmerkzaam. Vele vragen, vooral over de redenen en de terechtheid van de beslissing, zijn nog niet opgelost en hebben integendeel polemieken op gang gebracht tussen protagonisten, analisten, politicologen en historici. Dit debat vormt het onderwerp van deze verhandeling.
Wie de verantwoordelijkheid draagt voor de uitroeping van de staat van beleg is zonder twijfel bekend. Die ligt bij de toenmalige regerings- en partijchef, generaal Wojciech Jaruzelski . Tot op de dag van vandaag heeft hij deze verantwoordelijkheid niet van zich af proberen te schuiven; sterker nog, hij neemt die volledig op zijn schouders. De discussie gaat echter over zijn motieven. Jaruzelski verklaart dat de beslissing om de staat van beleg uit te roepen eertijds het ‘minste kwaad’ was, en geeft tal van beweegredenen die tot dit besluit hebben geleid. Daaronder zijn verscheidene binnen- en buitenlandse factoren waarvan de meest controversiële een dreigende militaire interventie van het Warschaupact is.
De Poolse bevolking en uiteraard de toenmalige oppositie waren het slachtoffer van generaal Jaruzelski ’s militaire coup. Hoewel het aantal dodelijke slachtoffers nog relatief beperkt is gebleven, is deze machtsgreep door de toenmalige oppositie opgevat als een regelrechte oorlogsverklaring tegen de Poolse natie, als een misdaad tegenover het Poolse volk. Van ‘minste kwaad’ was volgens de oppositie geen sprake omdat de uitroeping van de staat van beleg enkel de belangen diende van het regime en zijn getrouwen. Jaruzelski ’s vermeende patriottisme wordt door de voormalige opposanten niet aanvaard. Integendeel, zijn handelswijze diende in de eerste plaats de imperiale belangen van de Sovjetunie en daarom brandmerkte de oppositie hem als een landsverrader. Na de val van de Berlijnse muur werd Jaruzelski ervan beschuldigd de democratisering van Polen tegengehouden te hebben en de Poolse natie een decennium langer onder het juk van het communisme gehouden te hebben.
Dit zijn in een notendop de standpunten van de twee tegenpolen in het debat over de staat van beleg. Over welke van de twee het dichtst bij de waarheid staat is men het echter niet eens. Historici, publicisten en politici blijven zich over die vraag buigen, maar komen niet tot een eensgezind antwoord. Men moet zich overigens de vraag stellen of hier überhaupt van één waarheid sprake kan zijn, en of beide partijen niet in een bepaalde mate gelijk hebben. Deze verhandeling ambieert dus niet om dé waarheid te achterhalen. In de plaats zullen enerzijds de belangrijkste historische feiten op een rijtje gezet worden, en anderzijds het debat hierover gereconstrueerd worden. Vooral dit tweede niveau is belangrijk. We zullen aandacht hebben voor de auteurs en hun achtergrond (die vaak een invloed heeft op hun standpunten), voor de bronnen die gebruikt worden (en de bronnen die niet zijn gebruikt) en voor de argumenten die aangehaald worden (om de eigen stellingname te staven en de tegenstanders aan te vallen). Op die manier zal het hele debat gedeconstrueerd worden en zal het mogelijk zijn een genuanceerder en objectiever standpunt in te nemen.
Dat gebeurt in drie hoofdstukken, die zowel chronologisch als thematisch afgebakend kunnen worden. Chronologisch omdat we ons concentreren op drie momenten of periodes die kritiek zijn geweest in de betrekkingen van de Poolse autoriteiten met zowel Moskou (en het Warschaupact) als “Solidarność” (en de hele Poolse maatschappij): december 1980, toen er al een militaire interventie op til was; het voorjaar van 1981, toen intens werd geprobeerd een maatschappelijk compromis tot stand te brengen tussen autoriteiten en oppositie; en december 1981, toen de staat van beleg werd uitgeroepen. Thematisch omdat we ons tegelijkertijd toespitsen op het thema dat in elk van die periodes op de voorgrond kwam en waarover in de daaropvolgende jaren het meest gediscussieerd is. Respectievelijk staan volgende vragen centraal: was een interventie van het Warschaupact reëel?; was een maatschappelijk compromis mogelijk?; was de uitroeping van de staat van beleg de enige uitweg?
Het tweede hoofdstuk – na dit eerste inleidende hoofdstuk – bespreekt dus de decembermaand van 1980 en het interventiescenario. Toen waren het de Amerikanen die de wereld op de hoogte stelden van een nakende militaire interventie in Polen. Hoewel we ons beperken tot de gebeurtenissen van 1980, zullen de fundamentele argumenten in de polemiek voor heel de periode van de crisis reeds duidelijk worden. Juist omdat er geen interventie heeft plaatsgevonden is er kritiek gerezen op de stelling van zo’n dreiging. In een eerste paragraaf gaan we in op de gebeurtenissen tussen september en december 1980 aan de hand van getuigenissen. In die maanden zagen we het ontstaan van de eerste niet-communistische massaorganisatie, een voortdurende maatschappelijke onrust in Polen en het toenemen van de spanning binnen het Warschaupact. De tweede paragraaf zal vervolgens handelen over het feit of die dreiging reëel was of niet en de verschillende meningen tegenover elkaar plaatsen. De derde paragraaf sluit het hoofdstuk af met een onderzoek rond de vraag waarom die interventie er niet gekomen is.
In het derde hoofdstuk gaan we dieper in op wat de staat van beleg zou kunnen hebben voorkomen, namelijk een maatschappelijk akkoord. Dit is belangrijk omdat, indien men een haalbaar compromis had kunnen bereiken, dit zeker en vast een ‘kleiner kwaad’ zou geweest zijn dan de uiteindelijke proclamatie van de staat van beleg op 13 december 1981. In de eerste twee paragrafen zal onderzocht worden wat de hindernissen en mogelijkheden waren tot het bereiken van een soort compromis. Als derde punt van dit hoofdstuk zal nagegaan worden of het bereiken van een modus vivendi met de oppositie tot de doelstellingen in Jaruzelski’s beleid behoorde. Tot slot zal ingegaan worden op de vraag waarom het niet tot een maatschappelijk vergelijk in het conflict is gekomen en of de uitroeping van de staat van beleg hierdoor onvermijdelijk werd.
Hiermee sluiten we aan bij het vierde en laatste hoofdstuk waarin de problematiek rond de noodzakelijkheid van de uitroeping van de staat van beleg behandeld wordt. In de eerste paragraaf zal er bezonnen worden over de concrete aanleiding tot de uitroeping van de staat van beleg. Zo zullen de achterliggende logica en de mechanismen die tot deze beslissing hebben geleid onder de loep genomen worden. In de tweede en derde paragraaf zal de controverse rond deze beslissing aan bod komen. Nieuw bronnenmateriaal heeft tot een zekere ambiguïteit geleid en critici vragen zich af of er geen andere waarheid bestaat dan degene die tot nu gepresenteerd werd. In een vierde paragraaf gaan we de speculatieve weg inslaan en zullen we op zoek gaan naar de redenen van het stilzwijgen van de VS in december 1981. De CIA was namelijk op de hoogte van de voorbereidingen voor de operatie van 13 december. Ten slotte zal in de laatste paragraaf een synthese gemaakt worden van de verschillende standpunten en conclusies over de uitroeping van de staat van beleg. Daar spitsen we ons toe op de vraag of Jaruzelski’s beslissing kan passen in een politiek van het ‘minste kwaad’ of niet.
Na het besluit volgen er nog twee korte hoofdstukken. Het eerste daarvan is een Nederlandse weergave van een interview met generaal Jaruzelski verkregen door de auteur van deze verhandeling tijdens een studiereis in Polen . Twintig jaar na de feiten kijkt de belangrijkste protagonist terug op de Poolse crisis van begin jaren tachtig en op zijn eigen rol daarin. Het laatste hoofdstuk geeft een chronologische weergave van de crisis van 1980-1981 met een opsomming van de belangrijkste gebeurtenissen en feiten tot aan de uitroeping van de staat van beleg.
§2. Bronnen en werken
Over dit onderwerp is er een massa literatuur verschenen in het Westen en in Polen.[3] Voor dit onderzoek kon ik dan ook gebruikmaken van uiteenlopend bronnenmateriaal. De meeste informatie haalde ik uit de talrijke boeken die over het onderwerp verschenen zijn en tijdens het onderzoek bleven verschijnen.[4] Daarenboven heb ik de jaargangen van enkele dag- en maandbladen doorgenomen, waarbij ik besloot Gazeta Wyborcza en Rzeczpospolita grondiger te raadplegen. Verder is het internet een zeer bruikbaar hulpmiddel gebleken voor het opsporen en het verwerven van bijkomende informatie. Mijn onderzoek heb ik eveneens aangevuld met enkele gesprekken met Prof. Dr. Jerzy Wiatr , die voorzitter was van de parlementaire onderzoekscommissie die in de jaren ‘90 de omstandigheden rond de uitroeping van de staat van beleg onderzocht. Een hoogtepunt tijdens het onderzoek was de mogelijkheid tot een persoonlijk interview met generaal Wojciech Jaruzelski , over wie geen verdere uitweiding nodig is.[5]
Bij de selectie van de literatuur hanteerde ik bepaalde criteria. Ten eerste keek ik naar de auteur. Indien die een belangrijke positie innam tussen de actoren tijdens die periode of een toonaangevend publicist is, was zijn visie van belang. Ten tweede was het tijdstip van uitgave belangrijk: sommige werken zijn duidelijk achterhaald aangezien er nieuwe bronnen en gegevens bekend zijn geworden na hun uitgave. Bovendien moest ik rekening houden met ideologische vooropstellingen – hiertoe waren recensies een tijdbesparend hulpmiddel. Als facultatief criterium stond originaliteit voorop. Werken die geen nieuwe interpretaties en perspectieven boden, werden overbodig. Tenslotte streefde ik naar representativiteit, en moesten alle kampen vertegenwoordigd zijn: zowel protagonisten als antagonisten.
Belangrijk is dat gezien de kleine afstand in de tijd bronnen en werken in elkaar overlopen. Protagonisten schrijven mémoires en historische werken, verslagen van een parlementaire onderzoekscommissie zijn zowel bron als werk. De meningen van protagonisten, historici, publicisten en politici worden dan weer uitvoerig weergegeven in de pers, die tegelijk ook secundaire literatuur recenseert. Dit heeft ervoor gezorgd dat het onderscheid tussen bronnen en werken moeilijk te maken is voor deze verhandeling.
Hieronder volgt een beknopt overzicht van de belangrijkste auteurs die over de problematiek gepubliceerd hebben, van de studies of boeken die zij geschreven hebben, en van de bronnen waarop zij zich gebaseerd hebben. Hierbij wil ik vermelden dat niet alle materiaal in deze paragraaf is opgenomen in mijn literatuurlijst, aangezien deze slechts die bronnen en werken bevat waarnaar gerefereerd werd. Omgekeerd zullen niet alle tijdens het onderzoek geraadpleegde werken (en bronnen) besproken worden in deze paragraaf. Achtereenvolgens zullen de publicaties in jaren ‘80, de mémoires, uitgaven van archieven, syntheses en perscommentaren aan bod komen.
Vlak na de gebeurtenissen zijn er twee uitgebreide werken verschenen over de “Solidarność”-beweging: Solidarność 1980-1981. Geneza i Historia (1982) van Jerzy Holzer – een historicus uit Warschau, protagonist van “Solidarność” en tevens slachtoffer van de staat van beleg – en The Polish revolution: Solidarity (1983) van Timothy Garton Ash , een Brits historicus die voor enkele Westerse kranten ter plaatse een verslaggeving maakte over de gebeurtenissen. Holzer s werk is een historische analyse over het ontstaan van de beweging terwijl dat van Garton Ash meer iets weg heeft van een kroniek van de crisis van 1980-1981. Beide werken verschenen indertijd in het Westen.
Een ander vroeg verschenen werk is The Polish drama 1980-1982 (1983) dat interessant is omdat het vanuit dit perspectief ook ingaat op het beleid van de Sovjetunie. Het werk is een synthese van de gebeurtenissen die tot de staat van beleg hebben geleid.[6] Het werk Poland under Jaruzelski, A comprehensive sourcebook on Poland during and after Martial Law (1983), samengesteld door Leopold Łabędź , is ook noemenswaardig. Het bevat verscheidene essays rond de problematiek van de staat van beleg. Vooral de bijdrage van Michail Sadykiewicz , een geëmigreerde ‘uitgezuiverde’ Poolse militair en medewerker van Radio Free Europe, is van belang.
Interessant zijn ook twee studies over de Sovjetpolitiek tijdens de Poolse crisis: Soviet power. The Kremlin’s foreign policy – Brezhnev to Andropov (1983) van Jonathan Steele , een Brits journalist die als belangrijkste buitenlandse correspondent voor de Engelse krant The Guardian werkte, en Andropov (1984) door Zhores Medvedev , een Sovjetdissident en wetenschapper. Deze laatste geeft vooral een interessante kijk op de Sovjetpolitiek aan het einde van het Brezjnevtijdperk. Later verschenen nog mémoires en bronnenuitgaven van verscheidene hoofdrolspelers aan Sovjetzijde.
Over het Amerikaanse standpunt tegenover de gebeurtenissen in en rond Polen in 1980-1981 zijn vrij snel enkele mémoires gepubliceerd. Zbigniew Brzeziński , de veiligheidsadviseur van president Carter , schreef Power and principle (1983) en Game plan (1986). De minister van buitenlandse zaken onder Reagan , Alexander Haig Jr. , wijdde een hoofdstuk aan de Poolse crisis in zijn mémoires Caveat. Realism, Reagan and foreign policy (1984). Van beide Amerikaanse functionarissen zijn later nog perscommentaren te vinden die hun mémoires mooi aanvullen.
Vanaf het einde van de jaren ‘80 is het aantal publicaties pijlsnel de hoogte ingegaan. Veel personen – vooral Polen – die nauw bij de gebeurtenissen betrokken waren, schreven hun mémoires. Een speciale plaats neemt de getuigenis van kolonel Kukliński in . Hij was één van de vijf hogere officieren van het Poolse leger die verantwoordelijk waren voor het opstellen van de blauwdruk voor de operatie om de staat van beleg in te voeren. Kukliński was gedurende heel die tijd werkzaam als agent voor de CIA en ontvluchtte zijn vaderland enkele weken voor het invoeren van de staat van beleg. In april 1987 gaf hij zijn verhaal in het emigrantentijdschrift Kultura in Parijs. Het verscheen onder de titel Wojna z narodem widziana od środka.[7]
Andere belangrijke bronnen zijn uiteraard de verscheidene mémoires van generaal Wojciech Jaruzelski . De belangrijkste hiervan is Stan Wojenny dlaczego… (1992). Bovendien zijn er een resem artikels en interpellaties van hem in de pers gepubliceerd. Ook andere hoog geplaatsten van die tijd hebben hun getuigenissen op papier gezet, denken we maar aan Stanisław Kania (1ste secretaris van de PZPR van 1980-1981), Edward Gierek (1ste secretaris van de PZPR tot september 1980), Mieczysław Rakowski (vice-premier van Polen vanaf februari 1981), Kazimierz Barcikowski (lid van het Politiek Bureau van de PZPR en een van onderhandelaars bij de stakingen eind augustus 1980) en generaal Czesław Kiszczak (minister van buitenlandse zaken in de regering Jaruzelski en een van de ‘auteurs’ van de staat van beleg).
Ook het aantal mémoires uit het “Solidarność”-kamp is groot. Ik heb er echter minder gebruik van gemaakt, omdat ze vaak minder direct de problematiek van deze verhandeling bespreken. Toch zijn er enkele interessante tussen te vinden. Hier kunnen de autobiografie van Lech Wałęsa, een vraaggesprek met Zbigniew Bujak (een van de meer radicale protagonisten van “Solidarność”) door Janusz Rolicki en Stan Wojenny. Wspomnienia i oceny (1999) – een algemeen verzamelwerk van essays van verscheidene protagonisten – vermeld worden. Daarenboven hebben ook journalisten hun ervaringen uitgebracht zoals de Brit John Taylor in Five months with Solidarity (1981) en de Fransman Gabriel Mérétik in La nuit du général (1989).
De mémoires van Viktor Grisjin , lid van het Politburo van de KPSU tijdens de Poolse crisis, handelen niet over de Poolse crisis.[8] Niettemin geven ze een goed beeld over de top van het Sovjetestablishment in deze periode. Sommigen die meer betrokken waren bij de Poolse gebeurtenissen zoals Piotr Kostikov en Vitalij Svetlov (beiden vroegere functionarissen van de KPSU-afdeling belast met Poolse zaken) geven meer informatie. De getuigenissen van generaal Gribkov , destijds stafchef van het Warschaupact, en de mémoires van generaal Pavlov , eertijds vertegenwoordiger van de KGB in Warschau, Byłem rezydentem KGB w Polsce (1994) geven een enigszins ander beeld van de gebeurtenissen weer en veroorzaken vaak controverse.[9] De Russische dissident Vladimir Bukovski onderzocht tijdens het begin van de jaren negentig de Sovjetarchieven en zijn bevindingen worden weergegeven in het werk Jugement à Moscou. Un dissident dans les archives du Kremlin (1995).[10]
In 1992 werd een Sejmowa Komisja Odpowiedzialności Konstytucyjnej [een parlementaire onderzoekscommissie die de constitutionele verantwoordelijkheid onderzoekt] opgericht. Deze parlementaire onderzoekscommissie onderzocht gedurende vijf jaar de rechtsbasis van de staat van beleg.[11] De hoofdverantwoordelijken hiervoor werden in beschuldiging gesteld door de parlementsfractie van de KPN en de commissie moest onderzoeken of de klacht voor de Trybunał Stanu [Hooggerechtshof] kon voorgelegd worden. In 1997 werden de beschuldigden vrijgesproken.[12] Een weergave van de sessies van de onderzoekscommissie verscheen in het werk Sąd nad autorami stanu wojennego przed Komisją Odpowiedzialności Konstytucyjnej (1993). Het materiaal dat de commissie verzamelde is zeer waardevol. De uiteindelijke besluiten van de commissie met de verschillende rapporten van de experts – politicologen, juristen en historici – zijn terug te vinden in het werk O stanie wojennym, W Sejmowej komisji odpowiedzialności konstytucyjnej (1997).[13]
Ook in andere Oostbloklanden zijn er onderzoekscommissies opgericht om de archieven uit Sovjetperiode te bestuderen. In Tsjechië heeft een commissie zich beziggehouden met onderzoek rond mogelijke misbruiken van het Tsjechoslowaakse leger.[14] In Duitsland is een speciale onderzoekscommissie door de Bundestag gemachtigd om de opengestelde SED en STASI-archieven van de vroegere DDR te onderzoeken.[15] Dit onderzoek kwam onder leiding van Prof. Manfred Wilke te staan. Bevindingen in verband met de Poolse crisis vindt men in de werken SED-Politburo und die polnische Krise 1980-1982 (1993) en Hart und kompromißloss durchgreifen! Die SED contra Polen 1980-1981. Geheimakten der SED-Führung über die Unterdrükung der polnischen Demokratiebewegung (1995).[16]
In de voormalige USSR werden enkele documenten van het Politburo van de KPSU vrijgegeven voor de Poolse parlementaire onderzoekscommissie. Deze zijn gepubliceerd in Dokumenty ‘Komisji Susłowa’ in Rzeczpospolita en Ścisle Tajne: KPZR o Polsce in Gazeta Wyborcza. Het betreft een aantal documenten onder de naam ‘Teczka Susłowa [Het dossier van Suslov]’ die begin jaren negentig door de Russische president Jeltsin aan de Poolse president Wałęsa symbolisch overhandigd werden.[17] Ondanks hun waarde hebben die tot grote ambiguïteiten geleid. Het was veeleer een selectieve keuze van documenten dan een oprechte vrijmaking van al het materiaal aangaande deze episode uit de Koude Oorlogsgeschiedenis. Van hele periodes ontbreken er stukken, sommige ervan zijn niet volledig en van de Suslovcommissie, de zogenaamde Poolse club van het Politburo, is er nagenoeg niets vrijgegeven.[18] Niettemin blijven de vrijgegeven documenten een hoge waarde hebben voor onderzoek rond de crisis van 1980-1981.
De laatste jaren wordt veel archiefmateriaal van “Solidarność” gepubliceerd. Zo’n materie kan men vinden in werken als Zapis wydarzeń, Gdańsk - Sierpień 1980 (1999) en Solidarność w ruchu 1980-1981 (2000). Een ander zeer waardevolle bron is de Londense – uitgegeven door de emigrantenuitgeverij ANEKS – uitgave van protocollen van vergaderingen van het Politiek Bureau van de PZPR [Biuro Polityczne] gedurende de periode 1980-1981, TAJNE dokumenty Biura Politycznego, PZPR a “Solidarność” 1980-1981 (1992).[19] Het is niet duidelijk hoe deze documenten bij de uitgever geraakt zijn. Toch biedt het boek een uitstekend luik op de standpunten en meningen binnen de kringen van de Poolse hoogste autoriteiten van die tijd.
Over de Poolse crisis is uiteraard veel materiaal van de vroegere inlichtingendiensten van zowel het Oostblok als het Westen nog niet beschikbaar. Dit geldt niet voor de documenten die de KGB-overloper Mitrochin naar het Westen smokkelde, die besproken worden in The sword and the shield. The Mitrokhin archive and the secret history of the KGB (1999). Dit werk is geschreven door Christopher Andrew , die reeds eerder over de geheime dienst van de Sovjetunie gepubliceerd had. Nog recenter is het werk US Intelligence and the confrontation in Poland, 1980-1981 (2002), een studie gebaseerd op openbaar gemaakte documenten uit de archieven van de inlichtingendiensten van de Verenigde Staten. Dit werk is in zijn geheel ook op het internet te vinden.
Naast deze mémoires en bronnenuitgaven verschenen er ook steeds meer syntheses. Zeker de laatste jaren hebben verscheidene historici en publicisten alle feiten eens op een rij proberen te zetten. Al in het begin van de jaren ‘90 werd dat gedaan door de Amerikaanse militaire politicoloog Arthur Rachwald met zijn werk In search of Poland, The Superpowers’ response to Solidarity, 1980-1989 (1990). Het Woodrow Wilson Center for Scholars in Washington heeft een project gestart rond de Koude Oorlog, het Cold War International History Project. Daaruit zijn al verscheidene publicaties over de Poolse crisis van 1980-1981 voortgesproten (ook vrijgegeven documenten zijn hier in vertaling gepubliceerd). Interessant zijn de bijdragen die handelen over de houding van de andere Warschaupactstaten ten opzichte van de gebeurtenissen in Polen. Mark Kramer , docent Koude Oorlogsgeschiedenis aan de universiteit van Harvard, is de voornaamste auteur over de gebeurtenissen van 1980-1981. In de literatuurlijst zijn enkele titels opgenomen die in het CWIHP bulletin zijn verschenen binnen het dossier over de Poolse crisis die ik via het internet heb gevonden.
Een belangrijke poging om tot een synthese te komen was de conferentie onder de werknaam ‘Polen 1980-1981, interne crisis, internationale dimensies’ in november 1997 te Jachrańka nabij Warschau. Deze conferentie, die gesloten was voor de pers, had de bedoeling de ‘zwarte gaten’ in het historisch debat rond deze gebeurtenissen op te helderen. Aan dit initiatief, dat georganiseerd was door de Poolse Academie der Wetenschappen en het Cold War International History Project, namen niet alleen historici deel: ook protagonisten van “Solidarność”, de PZPR, de Sovjetunie en de Verenigde Staten waren aanwezig en debatteerden over de gebeurtenissen.[20] Uiteindelijk heeft de conferentie geen revelaties voortgebracht. De polemiek werd nog verder uitgediept. De opnamen van de sessies van deze conferentie zijn gepubliceerd in het werk Wejdą nie wejdą. Polska 1980-1982. Konferencja w Jachrance (1999).[21]
Na de conferentie van Jachrańka zijn er nieuwe pogingen gedaan om tot een synthese te komen over de gebeurtenissen van 1980-1981. Hier zijn de werken van Anton Pelinka , een Oostenrijkse politicoloog, The politics of lesser evil: leadership, democracy and…Jaruzelski’s Poland (1999), en Andrzej Paczkowski , een historicus uit Warschau en een vertegenwoordiger van het “Solidarność”-kamp, Droga do “mniejszego zła” (2002) van belang. Het laatste is zeer recent en maakt gebruik van het nieuwste bronnenmateriaal. Nochtans zijn er ook werken uitgebracht, die een ander perspectief bieden. Vermeldenswaard is het werk W objęciach utopii, Polityczno-ideowa analiza dziejów Solidarności 1980-2000 (2001), een studie over de “Solidarność”-beweging vanuit ideologisch standpunt door Lech Mażewski , een Pools jurist en publicist; en Polskie zmagania z wolnością (2000), een werk dat het transformatieproces in Polen na 1989 behandelt en daarin terugblikt op de erfenis van de Poolse volksrepubliek. Dit werk is geschreven door Andrzej Walicki , een Pools historicus die in Australië en de Verenigde Staten doceert.
Uiteraard werden niet alleen boeken geschreven over de staat van beleg. Nog veel groter is het aantal krantenartikels. De Poolse pers van de jaren 1990 bevat talloze analyses, verslaggeving van belangrijke sessies van de parlementaire onderzoekscommissie, brieven met interpellaties en speciale artikels rond herdenkingsdata. Na 1991 verschenen ook veel getuigenissen van allerlei militairen en politici uit verscheidene Oostbloklanden over 1980-1981 in de kranten. Vooral tijdens de periode dat de parlementaire onderzoekscommissie haar onderzoek voerde, werd de polemiek levendig in de pers weergegeven.
Voor deze verhandeling heb ik me voornamelijk gebaseerd op de artikels uit de Gazeta Wyborcza, waarvan Adam Michnik, voormalig KOR-lid en “Solidarność”-activist, de hoofdredacteur is. Dit heb ik aangevuld met artikels uit Rzeczpospolita, een ander vooraanstaand dagblad. Ik heb deze kranten doorgenomen – via het internet – respectievelijk voor de jaren 1992-2001 en 1993-2001. In totaal heb ik een 120-tal artikels over het onderwerp verzameld. Interessant zijn vooral de publicaties rond de herdenkingsdatum van de uitroeping van de staat van beleg en de verslaggeving over de bevindingen van de parlementaire onderzoekscommissie.
Ondanks de stevige basis waarop deze verhandeling gebaseerd is en de drieledige vraagstelling waarmee zij werkt (historische feiten – historiografische polemiek – eigen interpretatie) kan zij geen definitieve studie zijn. Veel archieven en documenten blijven immers tot op de dag van vandaag niet toegankelijk. Toch is het opvallend dat het materiaal dat geleidelijk beschikbaar is geworden, weinig heeft veranderd aan de historische polemiek rond de gebeurtenissen in Polen van 1980-1981. De debatten zijn rijker, interessanter en beter gestoffeerd geworden, maar de meningen en interpretaties van historici volgen nog steeds dezelfde lijn als twintig jaar geleden. Het blijft gissen of zich ergens in de militaire archieven van Polen of de ex-Sovjetunie materiaal bevindt dat meer of definitieve opklaring in de zaak zal kunnen bieden. Een ultiem bewijs dat de interpretatie van een ander kamp volledig ondergraaft, bestaat immers nog niet.
§3. Achtergrond: Polen anno 1980
Anno 1980 bevonden de Poolse autoriteiten zich als het ware tussen twee vuren: de Sovjetunie, meer bepaald haar buitenlandse politiek tegenover de satellietstaten in Centraal-Europa en de binnenlandse malaise van de Poolse volksrepubliek rond midden 1980 op sociaal, economisch en politiek vlak. In deze paragraaf zullen beide thema’s aan bod komen. We bekijken de realiteit van de zogenaamde Brezjnevdoctrine gevolgd door een uiteenzetting over het ontstaan van de crisis medio 1980 in Polen.
De Brezjnevdoctrine
Wie even terugdenkt aan de periode van ‘Glasnost’ en ‘Perestrojka’, zal dan ook zien dat het helemaal anders gesteld was met de Sovjetunie eind jaren ‘70. De Brezjnev-periode kan worden beschreven als het ‘gouden tijdperk van de apparatsjiks’. De bureaucratie vierde hoogtij, de ‘nomenklatura’ binnen het partij- en staatsapparaat kon genieten van verregaande privileges en corruptie was schering en inslag.[22] De elite was er in de eerste plaats op uit haar positie te handhaven. Men kan deze tijd zien als een koude winter, een stagnatie, na de woelige jaren onder Nikita Chrusjtsjev . De voornaamste zorg van de ‘nomenklatura’ was de stabiliteit van het politieke en maatschappelijke leven. Daarom lijkt het alsof er zich geen wezenlijke veranderingen in de Sovjetunie hebben voorgedaan in die twintigjarige periode. Hier stond Brezjnev voor garant. In de nieuwe constitutie van de USSR van 1977 werd in het zesde artikel het machtsmonopolie van de communistische partij opgenomen. Hierdoor werd de ‘nomenklatura’ wettelijk beschermd.
Deze praktijken van de nomenklatura speelden zich ook af in de satellietstaten in Centraal Europa. Voor Moskou was de controle over deze landen onontbeerlijk om de veiligheid te garanderen van de Sovjetunie. De lokale partijstructuren en dus ook de respectievelijke nomenklatura in die landen vormden een uitstekend medium waardoor Moskou zijn greep over Centraal-Europa kon behouden. Het principe van de ‘leidende rol van de communistische partij’ moest dus eveneens gelden in die landen. Daarenboven was het Warschaupact de strategisch-militaire belichaming van Moskou’s machtsstructuur tijdens de Koude Oorlog. Lidmaatschap van deze alliantie was als het ware het tweede belangrijkste principe waar de satellietstaten zich aan te houden hadden. Het Warschaupact was sinds de oprichting ervan uitgegroeid tot een efficiënt middel van de Sovjetpolitiek.
De Poolse volksrepubliek nam binnen het Warschaupact een strategische plaats in. Via Polen kon Moskou de DDR, Tsjechoslowakije en Hongarije beheersen. Dankzij de controle over Polen werden de naar het Westen georiënteerde naties van de Sovjetunie afgesneden van Westerse invloed.[23] Daarenboven had de Poolse vlakte zich doorheen de geschiedenis een reputatie opgebouwd van ‘snelweg’ waardoor Westerse legers Rusland binnenvielen en omgekeerd.[24] Hoewel Polen de grootste staat van Centraal-Europa was en de grootste groep strijdkrachten binnen het Warschaupact had op die van de Sovjetunie na, kon het in die omstandigheden niet meer dan een vazalstaat zijn van de Sovjetunie. Voor vele Polen was de op communistische leest, naar Sovjetmodel geschoeide staat, een ‘raison d’état’ omdat na Jalta enkel een ‘socialistisch’ Polen onafhankelijk kon zijn.
Deze onafhankelijkheid was echter relatief. Verscheidene malen heeft Moskou militair ingegrepen in de satellietstaten om daar processen een halt toe te roepen die haar machtsbasis dreigden onderuit te halen. De interventies in Hongarije in 1956 en Tsjechoslowakije in 1968 bewezen dit maar al te duidelijk. De invasie van Afghanistan in 1979 liet de wereld zien dat de Sovjetunie – toen op het hoogtepunt van haar militaire expansie – zich niet weerhield om zelfs buiten haar traditionele invloedsfeer via militaire weg haar belangen te vrijwaren.
De militaire interventie in Tsjechoslowakije in 1968 was in bepaalde opzichten een primeur. Enerzijds was het niet uitsluitend een Sovjetoperatie. Alle landen van het Warschaupact namen deel aan de operatie in Tsjechoslowakije, enkel het Roemenië van Ceaucescu verzette zich en participeerde niet. Anderzijds was de aanleiding hiertoe geen gewelddadige opstand zoals in Hongarije in 1956, maar vond de interventie plaats om de toenmalige Tsjechoslowaakse partijleiding, die het systeem van binnenuit trachtte te hervormen, de pas af te snijden. De hervormers van de ‘Praagse lente’ werden vervangen door een marionettenregime van Moskou. De invasie van Tsjechoslowakije heeft de formulering van de ‘doctrine van beperkte soevereiniteit’ met zich meegebracht, beter bekend als de ‘Brezjnevdoctrine’. Zij hield in dat de Sovjetunie zich het recht toeëigende om overal in te grijpen waar het socialisme ‘in gevaar’ was. Met andere woorden deze doctrine gaf Moskou de legitimiteit om de status quo van de Koude Oorlog te kunnen vrijwaren.
Elke bedreiging voor het Sovjetsysteem in de satellietstaten zou desnoods door militaire actie kunnen uitgeschakeld worden. Een poging om het systeem onafhankelijk van Moskou te hervormen gold dus eveneens als een bedreiging. Het was een ideologische stijlbreuk voor het Kremlin. Het beleid van Brezjnev wordt weleens met de term ‘neo-stalinisme’ geduid. Toch moet erop gewezen worden dat onder het stalinisme hervormers als Dubček wellicht ‘verdwenen’ uit het establishment voor ze iets konden ondernemen. Militaire interventie was dan ook niet van toepassing. Onder Brezjnev ging de Sovjetunie zich steeds meer gedragen als een imperialistische wereldmacht.
De Sovjetunie kon bovendien elke veroordeling van een interventie verhinderen door zijn vetorecht in de veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Nochtans schaadde deze politiek het internationale imago van Moskou niet. Integendeel, men mag niet vergeten dat op dat ogenblik het Kremlin de nucleaire pariteit met Washington bereikt had. Daarenboven waren de Verenigde Staten volop verzeild in hun ‘vuile oorlog’ in Vietnam. Dit kwam Moskou maar al te goed uit. Het hoogtepunt van het prestige van de Sovjetunie viel misschien wel in 1975. Op 1 augustus ondertekenden de leiders van 35 landen te Helsinki de Slotakte van de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa. In deze akte werden de Europese grenzen zoals opgetekend in Jalta formeel bevestigd en werd hiermee de Brezjnevdoctrine de facto erkend.
In 1980 was deze situatie nog niet veranderd, ook niet voor Polen dat een strategisch belang had voor de Sovjetunie. Er was geen enkele aanwijzing dat de Sovjetunie van de Brezjnevdoctrine afgestapt was. Integendeel, de militaire interventie in Afghanistan was pas enkele maanden oud. Het was een teken aan de wand dat het Kremlin verder keek dan de status quo van de Koude Oorlog. Indien zich een situatie zou voordoen waarin Moskou oordeelde dat ‘het socialisme in Polen’ bedreigd was, zou een militaire interventie volgens de formulering van de doctrine nog steeds een optie zijn om deze dreiging uit te schakelen. Puur logistiek gezien was een operatie om Polen militair te bezetten niet onmogelijk. Het Warschaupact beschikte over voldoende middelen hiervoor.
Interne malaise en “Solidarność”
Het ontstaan van de “Solidarność”-beweging in Polen in 1980 was een rechtstreeks gevolg van de reactie van verschillende maatschappelijke lagen van de bevolking op de economische crisis die eind jaren zeventig in het land was ontstaan.[25] Deze crisis was het gevolg van het economische beleid van het toenmalige regime. Dat had vooral onder Gierek s bewind grote leningen aangegaan in het Westen, om de Poolse economie aan te zwengelen en de levenstandaard van de bevolking op te trekken. Dit ‘leven op kredieten’ werd vaak al lachend door de Polen geduid als ‘het bouwen van het socialisme met kapitalistisch geld’. Maar de humor verdween al snel toen bleek dat dit beleid catastrofale gevolgen had voor de Poolse economie.
Niet enkel het wanbeheer en de grootschalige corruptie speelden hierin een rol. Toen het Westen in een recessie terechtkwam ten gevolge van de oliecrisis, bracht dit ook de Poolse volksrepubliek in economische problemen: de export naar het Westen daalde en de afbetaling van de schulden werd problematisch. Tegen midden 1980 werd de situatie zo zwaar dat het regime de subsidiëring van basisproducten in feite niet meer kon handhaven en moest besluiten deze gedeeltelijk op te heffen. Op 1 juli 1980 werden onaangekondigd commerciële prijzen ingevoerd op bepaalde soorten vlees. De reactie van de bevolking liet niet lang op zich wachten.[26] Een ware stakingsgolf overspoelde het land. Uit deze stakingsgolf zou “Solidarność” geboren worden.
In tegenstelling tot andere crisissen in het Sovjetblok, waren het de arbeiders die het initiatief tot protest namen in 1980.[27] Prijsstijgingen op basisproducten, in concreto vlees, hadden in Polen sinds de Tweede Wereldoorlog meerdere malen tot onlusten geleid. In december 1970 hadden arbeidersstakingen zelfs dramatische gevolgen toen het leger en ordetroepen het vuur openden op de stakers in Gdańsk. Het waren precies de arbeiders die het radicaalst op zulke prijsstijgingen reageerden, omdat zij er het meest door getroffen werden. Hun protest was aanvankelijk van economische aard en hun eisen waren vooral gericht tegen de prijsstijgingen.
Toch verschilde het protest in 1980 van de vorige arbeidersonlusten in Polen in 1956, 1970 en 1976. Voor de eerste keer werd de arbeidersklasse immers gesteund door de oppositionele intelligentsia, die zich tijdens vroegere conflicten afzijdig gehouden had. Daarenboven had ze de morele steun van de katholieke Kerk, de traditionele drager van de Poolse nationale cultuur, aan wiens hoofd in het Vaticaan sinds 1978 een Pool stond. Er was een alliantie tussen arbeiders, intelligentsia en de Kerk tot stand gekomen.[28] Tegen de achtergrond van de economische crisis zouden zelfs de PZPR-leden die de minste notie hadden van Lenin s werken, kunnen zien dat er zich een revolutionaire situatie ontwikkelde. Deze keer was die niet gericht tegen de kapitalistische bourgeoisie, maar tegen de elitaire nomenklatura.
De Poolse autoriteiten hadden geen antwoord op de crisis. Enerzijds gingen ze in op de looneisen van de stakers, wat spoedig het effect van de prijsstijging zou neutraliseren, anderzijds maakten ze beloften – die vaak slechts op plaatselijke behoeften inspeelden – aan de stakers. Daarmee konden ze de stakingsgolf geen halt toeroepen. Integendeel, er ontbrandden steeds meer stakingen op plaatsen waar nog geen toegevingen waren gedaan. Op 14 augustus brak een staking uit op de Leninscheepswerf te Gdańsk, die een breekpunt betekende in de gebeurtenissen sinds begin juli. Tot dan toe was er gestaakt om economische redenen. In Gdańsk was dit niet meer het geval, toen Lech Wałęsa , een militant voor vrije vakbonden en ontslagen werknemer van de scheepswerf, de leiding van de staking op zich nam.
Dat het protest een nieuwe wending begon te nemen werd ook opgemerkt door het Poolse leiderschap, dat in allerijl zijn jaarlijkse vakantie op de Krim moest afbreken.[29] De Poolse partijleiding haastte zich om zo spoedig mogelijk een einde te maken aan de staking in Gdańsk. Op zaterdag 16 augustus willigde de directie van de Leninscheepswerf de eisen van de stakers in: 1.500 złoty loonsverhoging, geen maatregelen tegen de stakers en de wederindienstneming van personen die omwille van vakbondsactiviteit ontslagen waren. Het compromis leek beklonken. De arbeiders zagen hun eisen ingewilligd en kondigden het einde van de staking af.
Toen gebeurde datgene waar de autoriteiten voor gevreesd hadden. In plaats van de werf te ontruimen, zette een harde kern de staking voort uit solidariteit met de nog stakende bedrijven. In de daaropvolgende dagen vormden zich stakingscomités tussen verschillende bedrijven.[30] Zij coördineerden de stakingsbeweging op grotere schaal, zeker nadat op andere plaatsen aan de kust en in Silesië gelijkaardige initiatieven werden ondernomen. De autoriteiten konden de stakers geen voldoening meer schenken met loonsverhogingen en kleinschalige beloften en werden gedwongen te onderhandelen over politieke eisen.
In de laatste dagen van augustus begon het Kremlin, dat tot dan toe argwanend had toegekeken op de ontwikkelingen in Polen, druk uit te oefenen op de Poolse leiders om aan de staking een einde te maken. De eisen van de stakingscomités waren immers zeer radicaal en omvatten vrije vakbonden en persvrijheid, wat voor Moskou onaanvaardbaar was. De Poolse leiders waren met hun rug tegen de muur geduwd. De stakingen met geweld onderdrukken was geen optie, omdat dit de gemoederen nog meer zou verhitten.[31]
Daarom gaf het regime, zonder de zegen van Moskou, toe aan de eisen van de stakers. Op 30 augustus werd met het stakingscomité in Gdańsk een historisch compromis gesloten. Gelijkaardige compromissen werden bereikt in Szczecin en Silesië. Het regime erkende het recht op ‘onafhankelijke, zelfbesturende’ vakverenigingen. Dit was de eerste keer in de geschiedenis van het Sovjetcommunisme in Europa, dat een communistische partij een deel van haar machtsmonopolie feitelijk afstond. Maar ook om andere redenen waren de akkoorden van Gdańsk een historische gebeurtenis. Voor de eerste keer had de oppositie in een socialistisch land democratische eisen afgedwongen van de heersende partij.
In de formuleringen van de eisen van de stakers was zeer duidelijk de hand van de oppositionele intelligentsia te zien. Nochtans kwam het belangrijkste postulaat – dat van de vrije vakbonden – niet van de intelligentsia, maar van de arbeiders zelf.[32] Zij zagen in de verwezenlijking van deze eis de garantie voor de realisatie van de andere eisen. Het was dus de arbeidersklasse die het initiatief nam in de strijd met een partij, die zichzelf als de woordvoerder van die klasse profileerde. De arbeiders hadden het middel gevonden om het regime succesvol te bestrijden: de algemene staking met bezetting. De crisis die begin juli ontbrand was ten gevolge van economische factoren was nu veranderd in een politieke crisis.
HOOFDSTUK 2. DE IJZIGE WIND VAN DE KOUDE OORLOG (DECEMBER 1980)
Een eerste moment waarbij de vuren waartussen de Poolse volksrepubliek zich bevond sterk oplaaiden was december 1980. Rond deze periode wordt door nagenoeg alle bronnen gewag gemaakt van een rechtstreekse dreiging van een militaire interventie op het grondgebied van Polen. Dit hoofdstuk gaat hierop in. In een eerste paragraaf worden de historische context van de gebeurtenissen en de concrete aanloop naar december 1980 kort gesitueerd. Vervolgens laten we de belangrijkste getuigen aan het woord en onderzoeken we wanneer een mogelijke militaire interventie voor het eerst ter sprake kwam. In de tweede paragraaf gaan we in op de twee belangrijkste discussiepunten. Enerzijds wordt gepolemiseerd over de vraag hoe reëel de dreiging van een militaire interventie door de Sovjetunie of het Warschaupact was. Anderzijds debatteren we over de interpretatie van de gebeurtenissen, aangezien er uiteindelijk geen interventie gekomen is. In de laatste paragraaf zullen de gevolgen van de besproken gebeurtenissen en hun invloed op wat in 1981 geschiedde aan bod komen. Daarbij zullen we ook zien welke invloed de interpretaties hebben in het debat.
§1. Stilte voor de storm?
Met de akkoorden van Gdańsk eind augustus 1980 had Gierek zijn politiek doodsvonnis ondertekend. Het Kremlin had zich immers gekant tegen politieke concessies aan de stakers en daardoor werd Gierek begin september vervangen door Stanisław Kania .[33] In de weken die erop volgden vonden verdere persoonswissels plaats. Hiermee hoopte Moskou de “Solidarność”-beweging snel te kunnen neutraliseren. Bovendien beloofde de Sovjetunie extra economische steun aan de noodlijdende Poolse economie. Men was er in Moskou op dat moment van overtuigd dat de Poolse autoriteiten met de hulp en steun die ze kregen – ook de andere Warschaupactlanden kwamen met economische hulp over de boeg – tot een vreedzame ommekeer van de situatie konden komen.[34]
Al gauw keek Moskou echter opnieuw met wantrouwen naar het beleid van de nieuwe Poolse leiders. De Poolse autoriteiten speelden immers een dubbel spel. Enerzijds beschouwden zij de onlusten van de bevolking ideologisch gezien als een ‘gezonde’ reactie op de slechte economische toestand. Anderzijds zagen ze in het oppositionele karakter van de nieuwe beweging het werk van de ‘contrarevolutie’. Kania beweerde de situatie met politieke middelen aan te zullen pakken. In werkelijkheid deden de Poolse autoriteiten echter de ene concessie na de andere om zo een modus vivendi met de bevolking terug te vinden.
Uit onder andere de getuigenis van kolonel Kukliński blijkt , dat de Poolse autoriteiten tegelijk begonnen waren aan een zekere ‘contingency-planning’– d.i. een noodplan op te stellen. Er was een staf van sleutelfiguren uit de regering begonnen aan het uitwerken van een ‘worst-case’ scenario[35]. Dit resulteerde in plannen voor een operatie waarin de noodtoestand afgekondigd zou kunnen worden. Uiteindelijk werden deze plannen afgekeurd omdat zo’n operatie niet legaal bleek en in de praktijk niet haalbaar zou zijn. Kukliński geeft zelfs nog een bijkomende reden waarom: de Poolse leiders wilden de voorstanders van de “Solidarność”-beweging enkel met politieke middelen bekampen.
“Het lijdt geen twijfel dat die houding van Stanisław Kania , tot op een zeker moment ook door generaal Jaruzelski gesteund, de druk van de voorstanders van een harde lijn afhield en de beslissingen in die periode beïnvloed heeft.”[36]
Het Kremlin had geen redenen in het protest een gezonde uitdrukking van ontevredenheid van de bevolking te zien. Het noemde de politiek van Kania en Co een tactiek van capitulatie en verweet hen dat zij geen stappen ondernamen om het protest de kop in te drukken. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het volgende fragment van een protocol van het Politburo van de KPSU op 29 oktober 1980, daags voor een bezoek van Kania aan Moskou.
“Brezjnev : In Polen bestaat een werkelijke uitzaaiing van de contrarevolutie, maar in de Poolse media en door de Poolse kameraden wordt daar niets over gezegd, men spreekt niet over de vijanden van het volk. Maar dat zijn toch de vijanden van het volk, directe collaborateurs van de contrarevolutie. […] Hoe kan dit zijn? Andropov : In plaats van de antisocialistische elementen te ontmaskeren, legt de Poolse pers de nadruk op de fouten van het PZPR leiderschap etc. Men moet rechtuit spreken over de vijanden van het socialistische systeem in Polen. […] Hierover moet gesproken worden met de Poolse leiders. Brezjnev : Ze verliezen stap voor stap controle over het parlement, maar ze spreken alsof het leger aan hun kant zou staan. […] Misschien moet de staat van beleg inderdaad afgekondigd worden. Ustinov : Indien de staat van beleg niet ingevoerd wordt, zal de situatie complexer worden en zal alles nog moeilijker worden. Het leger weifelt. Maar onze Noordelijke Groep Legers is voorbereid en bevindt zich in volledige staat van paraatheid. Gromyko : Over Jaruzelsk i kunnen we zeker zijn, niettemin toont hij zich niet bijzonder enthousiast. Hij heeft zelfs gezegd dat het leger niet tegen de arbeiders zal optreden. Brezjnev : Tijdens het gesprek met Kania over wie de hoofdtaak op zich moest nemen, heeft Jaruzelski categoriek geweigerd om eerste secretaris te worden en raadde hij aan dat Kania die functie op zich zou nemen. Dit wil ook iets zeggen. Gromyko : [...] Het afkondigen van de noodtoestand moet overwogen worden als een middel om de verworvenheden van de revolutie te redden. […] We mogen Polen niet verliezen. […] Suslov : De huidige leiders van de Poolse volksrepubliek zijn niet sterk genoeg, maar ze hebben goede bedoelingen, het zijn de besten uit het huidige leiderschap. […] Rusakov : Het tweede probleem dat we aan kameraad Kania kunnen voorleggen, is de kwestie van de veelzijdige hulp van de socialistische landen. Het probleem is dat Kania tegen zo’n hulp is. Ik zeg dit omdat kameraad Bajbakov in zijn materiaal het aspect aanhaalt van internationalistische hulp voor Polen, maar de Poolse leiders stellen dat de situatie anders is dan die in Hongarije en Tsjechoslowakije.”[37]
Uit het bovenstaande fragment kan men enkele zaken met zekerheid concluderen. De Sovjets waren niet gediend met het Poolse beleid en daarenboven lijkt het erop dat ze ook in het Poolse leger weinig vertouwen stelden. Vooral Ustinov , de minister van defensie, lijkt bedreigend over te komen. Wat er bedoeld werd met ‘noodtoestand’ en staat van beleg is niet duidelijk en ook de vage bewoording van ‘internationalistische hulp’ werpt vraagtekens op. Het is juist deze soort van ambiguïteit die de polemiek onder historici voedt. Al moet men er ook bewust van zijn dat de toenmalige Poolse leiders niet op de hoogte waren van de inhoud van deze gesprekken.
Ambiguïteit of niet, de feiten wijzen erop dat het Kremlin aanvankelijk de Poolse leiders liet begaan en althans formeel zijn vertrouwen stelde in het politieke leiderschap van Stanisław Kania . Er werd hulp en steun beloofd aan de Poolse volksrepubliek. Toch oefende het Kremlin tegelijk ook druk uit op de Polen via onder andere diplomatie en media. Maar het leek alsof men in Moskou geduldig toekeek en wachtte totdat Kania en de PZPR orde op zaken zouden stellen in Polen. Aan het geduld van het Kremlin leek een einde te komen tegen het einde van 1980. De reden hiervoor was het aantal incidenten omtrent de registratie van NSZZ “Solidarność”. De Poolse autoriteiten hadden hier geen politiek antwoord op en bonden in.
Dit laatste feit moet even toegelicht worden. De autoriteiten hadden met de akkoorden van Gdańsk hun akkoord toegezegd voor het oprichten van vrije vakbewegingen. Hier kon een tactiek van ‘verdeel en heers’ in meegespeeld hebben. Zolang er verschillende kleine vakbonden waren, zou de partij die tegen elkaar kunnen uitspelen. De situatie draaide echter anders uit. De stakingsgolf was niet volledig beëindigd geweest eind augustus. Net zoals bij de prijsstijgingen werd opeenvolgend gestaakt in verschillende plaatsen. Tegen het einde van de maand september waren er al 35 onafhankelijke bonden opgericht. Uiteindelijk zagen deze organisaties in dat ze sterker zouden staan indien ze zich zouden verenigen. Dit gebeurde in de derde week van september 1980. Een Komisja Krajowa Porozumiewawcza [Nationale Coördinatie Commissie] werd aangesteld en er werd besloten de naam “Solidarność” aan te nemen, wat treffend het ontstaansproces beschreef. Op 24 september bracht Lech Wałęsa de officiële aanvraag tot registratie binnen bij het provinciaal gerechtshof in Warschau.[38]
Ondertussen was over het ganse land de bal aan het rollen geslagen. Iedereen wilde onafhankelijke organisaties oprichten. Tegelijk kondigde de KKP een nationale waarschuwingstaking af, omdat de autoriteiten de akkoorden van de zomer niet implementeerden. Er rolden verschillende koppen binnen de PZPR, er werden hervormingen in het vooruitzicht gesteld, maar er was nog geen datum vastgesteld voor een buitengewoon partijcongres. Op 24 oktober werd de NSZZ “Solidarność” uiteindelijk officieel geregistreerd. Men had evenwel de statuten van de vakbond gewijzigd en een clausule ingevoegd over de ‘leidende rol van de partij’.
Daarom werd een algemene staking afgekondigd voor 12 november. Ondertussen had de KKP nog andere eisen toegevoegd aan haar hoofdeis van de ongewijzigde statuten. Na onderhandelen werd besloten dat zij zich ging neerleggen bij de beslissing in beroep van het Hooggerechtshof die op 10 november zou vallen. Er ontstond een zenuwoorlog tussen het regime en de vakbond tot op de ‘dag des oordeels’ de beslissing viel. “Solidarność” werd geregistreerd met ongewijzigde statuten, maar er werd een stuk uit de akkoorden van Gdańsk bijgevoegd in de appendix. Uiteraard was dit het stuk waar de ‘leidende rol van de partij’ in de maatschappij werd bevestigd.[39]
Ondanks dit ‘compromis’ leek het een overwinning voor de oppositie. De Britse historicus Timothy Garton Ash , die tijdens de gebeurtenissen als correspondent voor enkele kranten verslag uitbracht, bemerkt dat de registratiecrisis schadelijke effecten met zich mee heeft gebracht. Het heeft het politiek gedrag van “Solidarność” naar de toekomst toe bepaald. De massale mobilisatie en het organiseren van stakingen bleken twee succesfactoren van de nieuwe vakbond. Garton Ash bemerkt dat dit reeds van in het begin “Solidarność” een radicale houding bezorgde, omdat door de stakingsactiviteit men het volk achter zich schaarde en de regering op de knieën kon krijgen.[40]
Dit alles gebeurde tot grote frustratie van Moskou. De Sovjettop vreesde dat als de PZPR geen weerwerk bood, er ook andere onafhankelijke organisaties geïnstitutionaliseerd zouden worden, die dan op hun beurt verder de autoriteit van de communistische partij zouden kunnen ondermijnen. Bovendien deed er zich in het Westen een zeker machtsvacuüm voor ten gevolge van de presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten. Indien men de analogie met Tsjechoslowakije zou aanhalen – de Brezjnevdoctrine indachtig – dan waren er omstandigheden gerezen waarin een voorwendsel gecreëerd was voor een interventie van het Warschaupact.
Dit was in het Westen niet ongemerkt voorbijgegaan. Begin december vernam men in de VS dat er aanwijzingen waren dat de Sovjets voorbereidingen ondernamen voor een militair offensief.[41] In tegenstelling tot 1956 en 1968 was het van in het begin duidelijk dat de VS niet afzijdig zouden blijven. De Poolse zaak lag de Carteradministratie nauw aan het hart.[42] Zbigniew Brzeziński , National Security Adviser van president Carter , schreef hierover het volgende in zijn mémoires:
“Doorheen deze periode werd ik geleid door de gedachte dat de Verenigde Staten de fout die het in 1968 beging, moest vermijden toen het er niet in slaagde de Sovjets, voorafgaande aan hun interventie in Tsjechoslowakije te waarschuwen voor de te betalen prijs van zo’n agressie voor de Oost-West relaties en meer bepaald voor de Sovjetunie.”[43]
Carter reageerde inderdaad en zond een waarschuwing naar Moskou dat de VS niet onverschillig zouden blijven indien de Sovjetunie in de Poolse binnenlandse aangelegenheden zou tussenkomen. Dit werd ook in het openbaar aangekondigd. Brzeziński zette ondertussen een groots diplomatiek offensief op het getouw om de internationale druk op het Kremlin te verhogen. Voorts kondigde Carter aan dat hij in geval van een interventie een economische boycot van de Sovjetunie zou instellen en de wapenexport naar de Chinese Volksrepubliek zou vergroten. De schijnbare mobilisatie van het Warschaupact werd aan de pers meegedeeld, om zo het verrassingselement aan Moskou te ontnemen. Hoewel er onder Amerikaanse veiligheidsdiensten twijfels bestonden, mede doordat de informatie waarover ze beschikten niet sluitend was, werd toch aangenomen dat de Sovjetunie in die eerste week van december de Poolse Volksrepubliek zou binnentrekken.[44] De week ging gespannen voorbij, maar een interventie kwam er niet.[45] Brzeziński insinueerde achteraf dat de gebeurtenissen een andere wending kregen dankzij de Amerikaanse diplomatieke acties.
Jaren na de feiten zijn er ook rechtstreekse getuigenissen vanuit Polen zelf opgedoken, die een ander licht op de feiten werpen en de Amerikaanse rol naar de achtergrond duwen. Merkwaardig is dat in Polen in de jaren tachtig deze dreiging van een mogelijke militaire interventie nooit eerder werd vernoemd. Pas tegen het einde van het decennium, wanneer de PZPR en “Solidarność” met elkaar aan de ‘Ronde Tafel’ onderhandelden over de toekomst van de Poolse volksrepubliek, gaf Stanisław Kania in een interview te kennen dat Polen in december 1980 bedreigd was geweest door een militaire interventie.[46] Hij staafde dit met drie feiten. Ten eerste was hij persoonlijk door Leonid Brezjnev opgebeld om deel te nemen aan een bijeenkomst op 1 december van de eerste secretarissen van de partijen en de leiders van de landen van het Warschaupact. De internationale situatie en de ontwikkelingen in Polen zouden hierop het onderwerp van discussie zijn. Kania vroeg Brezjnev om deze bijeenkomst uit te stellen, wat de laatste uiteindelijk deed met vijf dagen.
Ten tweede kreeg Kania van generaal Jaruzelski te horen dat maarschalk Kulikov , de bevelhebber van de legers van het Warschaupact, de instemming had gevraagd om het aanvangsuur 0:00 van de militaire oefeningen ‘Sojuz 80’ in te stellen op 8 december. Kania gaf zijn toestemming voorlopig niet omdat dit volgens hem neerkwam op een feitelijk openstellen van de Poolse grenzen. Zijn ongerustheid nam toe omdat de vraag van Kulikov synchroon kwam met de topontmoeting op 5 december. Daarom wenste hij hierover een persoonlijk onderhoud met Brezjnev . Die zou echter niet beschikbaar geweest zijn voor zo’n onderhoud, en dit noemt Kania een derde aanwijzing dat er iets in de zin van een militaire actie op til was. Toen de Poolse delegatie op 4 december, aan de vooravond van de topontmoeting in Moskou aankwam, werd Kania meegedeeld dat dit onderhoud pas na afloop van de topontmoeting zou kunnen plaatsvinden.
Tijdens de topontmoeting werd er scherpe kritiek geuit aan het adres van de Poolse regering en partij. Naast Brezjnev waren de Oost-Duitsers en de Tsjechoslowaken het radicaalst. Over een interventie werd tijdens deze ontmoeting echter met geen woord gerept:
“Op de topontmoeting kwam het uiteraard niet tot een vaststelling van een militaire interventie in Polen. Het werd wel steeds duidelijker, dat onze buren, een invasie voorbereidend, op iets hoopten in de aard van een toenadering in die zin van onze kant.”[47]
Tijdens het gesprek tussen Kania en Brezjnev na de top werd echter wel een over interventie gepraat. Kania overtuigde Brezjnev van de negatieve inpakt die een mogelijke interventie zou hebben, en stelde daarom voor dat indien ze in Polen niet via ‘politieke’ weg uit de crisis zouden geraken, ze zelf met eigen krachten orde op zaken zouden stellen.
“Ik was er diep van overtuigd, dat de dieperliggende belangen van de Sovjetunie niet in mindere mate dan die van Polen niet strookten met een interventie en hierdoor moest men de gedachte aan een militaire inval in Polen uit het hoofd zetten. De legers moesten van de grenzen weggetrokken worden […]. In zijn antwoord hoorde ik Brezjnev