| België beeft... Politieke misdrijven voor de Assisenhoven van Antwerpen en Brabant (1830-1849). (Elise Van Opstal) |
| home | lijst scripties | inhoud |
Het politiek misdrijf: een definitie
In de loop van deze scriptie zal worden getracht te onderzoeken wat de rol van politieke misdrijven was in de consolidatie van België. Maar vooraleer we hier dieper op in gaan is het noodzakelijk om de notie politiek misdrijf te definiëren. Vandaag de dag komen politieke misdrijven nog nauwelijks voor in de Belgische staat. Toch zien we nog zeer recent dat de notie politiek misdrijf heel wat stof kan doen opwaaien en de juristen aanzet tot het schrijven over politieke misdrijven. Men is het er nog steeds niet over eens hoe het concept politiek misdrijf moet worden ingevuld. Algemeen kan worden gesteld dat politieke misdrijven die misdrijven zijn die gericht zijn tegen de bestaande staatsordening. Politieke misdrijven hadden voor de opstellers van de grondwet in 1830 een vreemd karakter. Onder het Hollands Bewind waren verschillende revolutionairen in aanraking gekomen met het gerecht. Zo werd Louis De Potter samen met enkele anderen aan de vooravond van de Belgische revolutie vervolgd voor een politiek misdrijf[1]. Het zijn deze personen die een belangrijke plaats hebben ingenomen ten tijde van de Belgische Revolutie en ook vlak na de Onafhankelijkheid. De Grondwet werd mee opgesteld door mensen die hadden gestreden tegen het autoritaire bewind van Willem I. Dit verklaart de moeilijkheden die men ondervond bij de omschrijving van de inhoud van politieke misdrijven. Enerzijds waren ze bekend met het omstreden karakter ervan, anderzijds werden de politieke misdrijven gevreesd omwille van hun kracht. Dit is dan ook de reden waarom men in de grondwet vrij vaag is gebleven over het concept[2]. Hierin wordt enkel verwezen naar politieke misdrijven in artikel 98, waarin staat dat ze worden onderworpen aan het oordeel van de jury, als symbool van volkssoevereiniteit. Dit omdat een onpartijdigheid noodzakelijk is inzake politieke misdrijven, die niet kan worden gegarandeerd door de professionele rechters[3]. Het is duidelijk dat het politiek misdrijf een speciale behandeling kreeg. De wetgever verkoos deze vage omschrijving opdat de rechterlijke macht zou kunnen beslissen over de invulling ervan. Deze invulling moet worden gezocht in de latere rechtspraak en bij de rechtsgeleerden[4]. Dit vond grotendeels zijn neerslag in de Pandectes Belges en de RPDB. Er is een grote verscheidenheid inzake politieke misdrijven. Alle mogelijke misdrijven die onder de noemer politieke misdrijven vallen worden hierin beschreven. Meer concreet gaat dit om misdrijven die gedefinieerd worden als kiesmisdrijven, beledigingen tegen de vorst, ... De meest ernstige vormen zijn diegene die een staatsomwenteling voor ogen hebben, staatsgrepen, complotten en samenzweringen. Deze misdrijven bedreigen de binnenlandse veiligheid van de staat. Een tweede zeer ernstige soort politieke misdrijven zijn meeheulen met de vijand en aanzetten tot desertie, die samen kunnen voorkomen. Ze vormen beide een bedreiging voor de buitenlandse veiligheid van de staat. Het zijn deze twee soorten, die worden opgevat als de meest ernstige bedreigingen voor de staat, die in het bestek van deze scriptie zullen besproken worden.
In deze complexe aangelegenheid onderscheidt men over het algemeen in de rechtsgeleerdheid drie soorten politieke misdrijven:
Het politieke karakter van de eerste soort werd door de wetgever zelf onderschreven. Dit zijn de zuiver politieke of objectief politieke misdrijven. Ze worden beschreven als een aanslag op politieke instellingen en zijn gepleegd met politieke bedoelingen. Zo onderschrijft de wetgever vergrijpen tegen het gezag van de vorst of de wetgevende kamers als een politiek misdrijf (art. 3 van het decreet van 19 juli 1831). Ze zijn een rechtstreekse aanslag op het bestaan, de inrichting of de werking van een politieke instelling of op de rechten van de burger. Het zijn aanslagen tegen de politieke orde. Deze worden door het strafrecht beschreven in art. 86 e.v. Het gaat hier onder andere om misdrijven tegen de veiligheid van de staat.
Vervolgens zijn er de subjectieve politieke misdrijven. Dit zijn misdrijven die op zich geen politiek karakter hebben, maar die door de dader gepleegd werden met politieke doeleinden. Het zijn met andere woorden gemeenrechtelijke misdrijven die vanuit een politiek oogpunt werden gepleegd. Het is bij deze laatste categorie echter van belang te onderstrepen dat men rekening houdt met de zwaarst bestrafte misdaad. Een moord omwille van politieke redenen zal worden beoordeeld als moord en niet als politiek misdrijf.
De gemengde politieke misdrijven ten slotte zijn daden die niet in se een politiek karakter hebben, maar die er wel vaak mee in verband worden gebracht, zoals drukpersdelicten, opruiing tegen het openbaar gezag, enz[5].
Probleemstelling: Politieke misdrijven en de consolidatie van België
België is onafhankelijk sinds 1830, maar dat wil niet zeggen dat het koninkrijk en de parlementaire monarchie meteen door iedereen werd aanvaard. Er waren bepaalde delen van de bevolking die het niet eens waren met de bestaande staatsordening. Maar niet iedereen uitte zijn ontevredenheid op dezelfde manier. Wanneer men beschuldigd werd van een politiek misdrijf, wijst dit op een zeer radicale manier van protesteren. Toch is er nog geen enkel werk verschenen die dit aspect van de Belgische geschiedenis onder de loep heeft genomen. Andere manieren om ongenoegen te uiten na de onafhankelijkheid van België, zoals straatagitatie[6], het gebruik van de pers[7], verkiezingen,..., werden reeds elders beschreven. In deze verschillende werken kwamen politieke misdrijven terloops aan bod. Een enkel werk is geschreven over het ophefmakende politieke proces na de slag bij Risquons-Tout in 1848[8]. In verschillende werken, met een andere thematiek kwamen enkele processen wel aan bod, maar een studie die alle opeenvolgende politieke processen voor het Hof van Assisen van 1830-1848 omvat nog niet verschenen is. Wanneer we naar het buitenland kijken, dan zien we dat daar eveneens zeer weinig is verschenen. Toch is het werk van Chavaud het vernoemen waard, omdat deze de politieke agitatie in de negentiende eeuw in Frankrijk onder de loep neemt met een interessante invalshoek[9]. Een algemeen historisch werk over de activiteiten van het Hof van Assisen, zonder thematische voorkeur, in de negentiende eeuw bestaat enkel over Namen[10]. Tenslotte dient het criminologisch-historisch werk vernoemd te worden dat handelt over een doorlichting van de arresten van het Hof van Assisen van Luik[11].
Mijn probleemstelling luidt dat de politieke misdrijven in de eerste helft van 19e eeuw een rol hebben gespeeld in de consolidatie van de staat. Aangezien het koninkrijk België met zijn parlementaire monarchie nog bestaat, kunnen we besluiten dat de politieke misdrijven niet in hun opzet geslaagd zijn. Er waren personen die dit liever anders zouden gezien hebben. Nu luidt de vraag hoe het komt dat de staat grotendeels ongewijzigd is gebleven, hoe de aanvaarding van de staat als koninkrijk België tot stand is gekomen. We zouden kunnen stellen dat politieke misdrijven – aanvallen tegen de staat – de staat sterker hebben gemaakt en hebben bijgedragen in de voortduring of de consolidatie ervan. Men zou kunnen stellen dat de staat haar sterkte heeft bewezen doordat ze heeft standgehouden onder de verschillende golven van politieke misdrijven, met als hoogtepunt de algemene revolutiegolf van 1848. Er heerste overal in Europa een grote angst voor een nakende revolutie, ook in België. In het jaar 1848 vonden er in verschillende Europese landen revoluties plaats, die de bestaande staatsordeningen omverwierpen. Maar België heeft als kleine, jonge staat, ondanks de revolutionaire sfeer, standgehouden. Dit was het ultieme bewijs dat de Belgische parlementaire monarchie levensvatbaar en bestand was tegen revolutionaire agitatie.
Een politiek misdrijf is tegen de staat gericht en is dus een uiting van het ongenoegen dat leeft onder (een deel van) de bevolking. Het is bijgevolg een manier om het voortbestaan van de staat te verhinderen en een andere vorm van staatsordening te installeren. Aangezien het politiek misdrijf zijn doel niet bereikt heeft, wil dit zeggen dat de staat bewijst ertegen bestand te zijn. Het jaar 1848 wordt in de historiografie met consensus beschouwd als een eindpunt van een periode van consolidatie. De vaststelling dat er na 1848-1849 geen politieke delicten van grote omvang meer hebben plaatsgevonden, lijkt deze hypothese te bevestigen. Het feit dat er na de turbulente periode 1830-1849, waarin bijzonder veel processen zijn voorgekomen, geen assisenzaken meer gemeld worden, kan ons doen besluiten dat de staat heeft geleerd hoe ze ermee om moet gaan.
Om de hypothese dat politieke misdrijven hebben bijgedragen tot de bestendiging van België na te gaan, zijn er verschillende vragen die we ons moeten stellen. Waren de processen een middel van de staat om oppositiekrachten de mond te snoeren? Is de vervolging een manier om de slagkracht van deze groepen te ontnemen, of is ze eerder het gevolg van een effectief gevoel van bedreiging die moet worden afgewend? De vervolging van onrustzaaiers heeft ook een zeker afschrikkingseffect. Dit kan leiden tot de legitimatie van de staat, doordat deze aanvoelt wat er leeft onder de bevolking en tegelijk toont dat er sterk kan worden opgetreden.
Hierbij moet gewezen worden op het verschil tussen de beschuldiging van en het effectief plegen van een politiek misdrijf. De mogelijkheid bestaat dat een rechtzaak door het Openbaar Ministerie werd beschouwd als een politiek misdrijf, terwijl het in werkelijkheid niet voldoet aan de voorwaarden om hiervan te spreken. Bij deze zaken is het van belang de beweegredenen, om de feiten min of meer bewust verkeerd voor te stellen als politieke misdrijven, te onderstrepen. Ook deze zaken hadden een bepaalde functie binnen de politieke geschiedenis van België en wel precies omwille van het feit dat ze werden gezien als politieke misdrijven. Het is dus van groot belang te onderzoeken wat nu juist de functie was van de politieke misdrijven binnen de geschiedenis van België in het algemeen en in het bijzonder hun functie of rol voor de bestendiging van de staat.
Hoe is de staat erin geslaagd de dreiging af te wenden en wat zijn de redenen van het falen van het politiek delict? De tijdsperiode waarin deze vorm van processen plaatsvond, was een zeer woelige periode. België was nog maar net onafhankelijk en diende haar capaciteiten nog te bewijzen tegenover de grote mogendheden. Er heerste een constante dreiging van Willem I, die het vredesverdrag acht jaar lang weigerde te ondertekenen. De Europese buurlanden keken argwanend toe om te zien of de jonge staat tegen deze druk bestand was. Hierbij had België te kampen met een oppositie van republikeinse[12] en orangistische zijde op binnenlands vlak. De regering voelde in de periode van instabiliteit de noodzaak om deze oppositie de mond te snoeren. Een mogelijke strategie zou erin bestaan bepaalde elementen uit deze bewegingen te vervolgen. De opsporing van deze personen, die werden beschouwd als staatgevaarlijke elementen, gebeurde veelal door de dienst Openbare Veiligheid, met het gebruik van geheime agenten[13]. Zowel de republikeinse als de orangistische beweging zijn vaak terug te vinden in de verschillende politieke processen die in deze periode werden gevoerd. Deze politieke processen zouden kunnen bijdragen tot het breken van de oppositie en dus tot de consolidatie van de staat.
Wie waren de actoren? Waren het hoge figuren met belangrijke posities in de gemeenschap of eerder kleine garnalen die maatschappelijk weinig of niets betekenden? Welke waren de motieven en drijfveren van deze personen die hebben geleid tot deze vorm van het uiten van hun ongenoegen? Dit is een cruciaal aspect omdat het laat zien waar de staat tekort kwam in de ogen van deze groep. Bovendien krijgen we op die manier inzicht in hoe de staatsorganisatie er volgens hen uit zou moeten zien. Hierbij moet benadrukt worden dat een groot verschil bestond tussen processen gevoerd tegen individuen van republikeinse of radicaal-patriottische strekking - die later zal evolueren naar een radicaal-democratische beweging - enerzijds, dan wel tegen personen van orangistische strekking anderzijds. Ze hadden immers een totaal verschillende zienswijze op de staat. Het grote verschil ligt in het feit dat de eerste groep het koningschap afwees en dat de Belgische staat volgens hen een republiek diende te worden met een verkiesbaar staatshoofd. Deze groep ijverde ook voor democratische principes zoals gelijkheid en rechtvaardigheid. De strekking bestond uit patriotten; ze wilden een afzonderlijk België maar hadden hierbij een andere staatsordening voor ogen. De regering keek dan ook met argusogen naar iedere actie van deze groep, hoewel in deze acties niets illegaal te vinden was. De tweede groep daarentegen wenste dat een lid van de dynastie van Nassau als staatshoofd van België werd verkozen, met al dan niet een aanhechting aan Nederland. De monarchie als staatsvorm op zich wordt daarbij fundamenteel niet in vraag geteld. Waren ze hierbij in staat om een grotere groep te mobiliseren om hun doel te verwezenlijken of stonden ze geïsoleerd? Wanneer dit wel het geval was, moet worden opgemerkt dat niet iedereen op de hoogte was van de werkelijke bedoeling van de beschuldigden.
We zullen trachten aan de hand van de opeenvolgende processen de frustraties bloot te leggen en hoe de staat hierop reageert en ermee omgaat. Het is vanzelfsprekend dat een jonge staat zijn beleid nog moet bepalen en dat niet alles van een leien dakje loopt. Er was een nieuwe politieke elite opgestaan, die nog moest bewijzen dat ze capabel was een staat te leiden. De politieke misdrijven zijn een indicatie voor de ontevredenheid onder (delen van) de bevolking en via deze uiting van ongenoegen krijgt men inzicht in de elementen waar de staat tekort voor hen komt.
Wat was de visie van de tijdgenoten over het delict? Het is niet mogelijk om in het bestek van een scriptie de publieke opinie in zijn totaliteit te analyseren, maar wel om de visie van een bepaald deel van de bevolking uit te pluizen. We kunnen ons daarbij baseren op de uitspraken van de juryleden[14]. We kunnen ons een beeld vormen van wie er als jurylid fungeerde. Het is belangrijk voor ogen te houden dat, ondanks het feit dat de jury een emanatie van de publieke opinie hoort te zijn, de juryleden werden geloot uit de hogere lagen van de bevolking. Hun visie kan bijgevolg niet worden beschouwd als representatief voor de gehele bevolking. Toch beschikken we aan de hand van hun oordeel over heel wat informatie. De analyse van dit oordeel kan ons inzicht geven in de aanvaarding van de staat bij dit deel van de bevolking. We moeten in deze analyse zeker rekening houden met het motief achter het misdrijf. De eerder geponeerde tweedeling in republikeinse en orangistische complotten is van belang om de beoordeling van de jury te analyseren. Ze zijn namelijk om een heel andere reden gepleegd en zouden dus een verschillende beoordeling van de jury kunnen genieten. Soms is het echter ook mogelijk uit de algemene context af te leiden hoe andere delen van de bevolking over de feiten dachten.
Periodisering en selectiecriteria
Ik nam het jaar 1830 als beginpunt. Dit is het jaar van de Belgische Revolutie en dus het begin van de nieuwe staat. De politieke misdrijven die vóór 1830 werden gepleegd waren niet gericht tegen de Belgische staat, maar tegen het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en tegen de overheersing van de autoritaire Hollandse koning. Diegenen die overgingen tot het plegen van politieke delicten waren vaak de personen die nadien deelnamen aan de Belgische Revolutie, zoals de republikeinen Louis de Potter en Adolphe Bartels[15]. Na 1830 verrijst een nieuwe staat die nog broos en kwetsbaar is voor zowel binnen- als buitenlandse aanvallen. De staatsordening staat nog niet vast en wordt nog gedurende enkele jaren gecontesteerd. De politieke processen zijn een belangrijk aspect van dit protest tegen de Belgische staat. Ook de dreiging van de Hollandse vorst wijst op het feit dat België nog een lange weg heeft te gaan om tot haar consolidatie te komen. Als eindpunt van mijn scriptie heb ik geopteerd voor 1848-1849, omdat deze twee jaren worden beheerst door twee grote politieke processen tegen de radicaal-democratische republikeinse strekking. Deze twee processen zijn cruciaal, want ze schijnen een einde te maken aan de oppositie tegen de staat. Dit maak ik op uit het feit dat er nadien geen politieke processen meer plaatsvinden van die aard. Nadien zijn het enkel nog kiesmisdrijven. Het is naar aanleiding van dit breukpunt dat de probleemstelling naar voor is gekomen.
Als de geografische criteria voor deze scriptie heb ik geopteerd twee Hoven van Assisen te behandelen, namelijk Brabant en Antwerpen. Het Hof van Assisen van Brabant oordeelde over een groot aantal politieke misdrijven, voornamelijk als gevolg van het feit dat de hoofdstad hieronder resorteert. De aantrekkingskracht van Brussel voor politieke misdrijven is zeer opvallend. In deze stad bevinden zich de instellingen van de staat, de ministeries, het parlement en het koninklijk paleis. Het is duidelijk dat indien men niet tevreden is met één van deze instellingen of met de organisatie van België, dat men één van deze organen of de stad in het algemeen als doelwit zal nemen. Antwerpen speelt vooral een belangrijke rol door de nabijheid van Holland, en door het feit dat de Citadel te Antwerpen nog lange tijd bezet blijft door de Hollanders. Hier vinden voornamelijk politieke misdrijven van orangistische aard plaats.
Uit de definiëring van politieke delicten bleek reeds dat er duidelijke gradaties bestaan in de ernst van het misdrijf, van vrij licht tot zeer ernstig. Wegens deze grote diversiteit lijkt een selectie noodzakelijk. Als thematische criteria heb ik enkel die politieke delicten gekozen die nuttig waren in het kader van mijn probleemstelling, namelijk diegene die een echte bedreiging vormden voor de staatsordening. Beledigingen tegen de koning waren dit niet als dusdanig. Evenmin provocaties tot ongehoorzaamheid aan de wetten of kiesmisdrijven en dergelijke meer. De eerste soort binnen mijn selectie bedreigen de binnenlandse veiligheid van de staat op een zeer directe wijze, namelijk door het beramen van een complot of het plegen van een aanslag met hun verschillende gradaties. De tweede ernstige soort politieke misdrijven, die werd opgenomen in deze scriptie, is deze waarbij soldaten werden aangezet tot desertie of zelfs het onderhouden van contact met de vijand van de staat. Deze misdrijven bedreigen de buitenlandse veiligheid van de staat, omdat ze Belgische onderdanen aanzetten onder de vijand te gaan dienen. Hierdoor wordt de staat van buitenaf bedreigd en van binnenuit verzwakt. Of er al dan niet een veroordeling valt in deze processen was niet van belang als criterium, omdat dit onderscheid een grote rol speelt in het bewijzen van de probleemstelling. Na de voorgaande selectie te hebben doorgevoerd, ziet een overzicht van de politieke misdrijven er als volgt uit:
|
Jaar |
omschrijving |
beschuldigden |
Assisenhof |
veroordeling |
|
1830-1831 |
Complot met als doel het vernietigen of veranderen van de regering |
Grégoire, De Bast, Hutteau, Jaquemyns, Antheunis, Vanden-bergen, Trossaert |
Brabant (gepleegd te Gent) |
nee |
|
|
Aanslag met als doel de omverwerping van de regering van België |
Le Hardi de Beaulieu, D'Armagnac, Le Jeune, Bartels, Hellebaut |
Brabant |
nee |
|
|
Poging de regering te veranderen |
De Souter, Spilthoorn, Hellebaut, De Coster, Anssens, Bogaert |
Brabant (gepleegd te Gent) |
nee |
|
|
Onderhoud van contact met de vijand van de staat, meeheulen met de vijand |
Plissaert |
Antwerpen |
nee |
|
1832 |
Belgische soldaten aanzetten tot desertie-onderhoud van contact met de vijand |
Delrue |
Antwerpen |
nee |
|
1833 |
Belgische soldaten aanzetten tot desertie |
Van Aelst en Vandepoel |
Brabant |
nee |
|
1839 |
Poging om de staat omver te werpen |
Bartels, Kats |
Brabant |
nee |
|
|
Desertie van soldaten aanmoedigen; overgang naar een vijandelijk leger vergemakkelijken |
Hertog, Leliaert, Hoys |
Antwerpen |
nee |
|
1840 |
Desertie van soldaten aanmoedigen; overgang naar een vijandelijk leger vergemakkelijken |
Snollaerts |
Antwerpen |
nee |
|
1841 |
Complot tegen de gevestigde overheid |
Vandermeere,Crehen, J.D.Vander Smissen, Verpraet, Parys, J.H.Vander Smissen, Parent, Graves, Van Laethem |
Brabant |
ja |
|
1848 |
Aanval met wapens met als doel de regering te doen omwentelen |
Spilthoorn en consoorten |
Brabant-Antwerpen |
ja |
|
1849 |
Complot tegen de staat |
Laurent, Biot, Mottet, Esselens |
Brabant |
ja |
|
|
Complot tegen de regering |
Loriaux, Denis, Broquet,Dietens |
Brabant |
ja |
Toelichting bij de gebruikte bronnen
Ik ben vertrokken vanuit een doorlichting van de strafdossiers van de Hoven van Assisen van Brabant en Antwerpen. Deze bevatten alle documenten die tijdens het onderzoek door de onderzoeksrechter werden verzameld. Hieronder dient te worden verstaan: ondervragingen, processen-verbaal van de politie omtrent huiszoekingen en getroffen vondsten, oproeping van getuigen en soms een lijst van de gezworen juryleden. De toegang tot deze dossiers is verschillend voor de rijksarchieven. Voor het Hof van Assisen van Antwerpen bestaat er een eigentijdse toegang op chronologische volgorde[16]. Voor het Hof van Assisen van Brabant is er een eigentijdse toegang aanwezig, maar niet voor de strafdossiers[17]. De toegang tot de strafdossiers zelf is geordend in chronologische volgorde op fiches.
Na deze geraadpleegd te hebben konden de dossiers zelf aan bod komen. Hier doken meteen enkele problemen op. Eerst en vooral is het dossier van het proces tegen Grégoire en De Bast verdwenen uit het Rijksarchief van Brabant. Dit proces was echter na Cassatie verwezen naar het Hof van Assisen van Bergen. Maar ook hier was de zoektocht vruchteloos. Het dossier is wel opgenomen in de rollen (de enige toegang die dit rijksarchief heeft tot de strafdossiers), maar het is onvindbaar in het depot. Gezien het belang van dit proces in de vroege onafhankelijkheid van België, heb ik ervoor geopteerd om het verhaal te schetsen aan de hand van ander materiaal, zoals eerder verschenen publicaties omtrent de affaire, krantenartikels... Ook het dossier van het proces tegen De Souter en consoorten was onvindbaar. Ook hier werd geopteerd voor een schets door middel van kranten en andere eigentijdse documenten. Ten slotte werd ook het proces gericht tegen Bartels en Kats niet teruggevonden in de dossiers. Op dit proces werd dieper ingegaan op basis van het werk van Boland[18] in combinatie met tijdsdocumenten. Over het dossier van 1848, het proces van Risquons-Tout, is reeds een scriptie verschenen door Steylemans. De schrijver zelf had reeds opgemerkt in haar scriptie dat de procesdossiers, die zich hieromtrent in het Rijksarchief van Brabant bevinden, vrij onvolledig zijn. Er werd reeds een onderzoek naar dit proces gevoerd, maar toch is dit proces in het kader van mijn onderzoek eveneens belangrijk. Omdat het niet mogelijk is om eveneens andere bronnen te raadplegen heb ik me voor dit proces gebaseerd op het werk van Steylemans, doch krijgt het onderzoek in het licht van mijn probleemstelling een andere invalshoek.
Het proces zelf komt niet aan bod in de dossiers. Toch kan het soms van belang zijn. Soms is er sprake van een vrijspraak van een politiek misdrijf, hoewel een onderzoek van het dossier in de richting wees van een zekere schuld. Het is dan van belang te weten wat er is gezegd geweest tijdens het proces, dat heeft geleid tot een vrijspraak van de jury. Dit kan evenzeer in de omgekeerde richting gelden. Enkel de grote ophefmakende processen die hun neerslag vonden in de kranten. De kleinere processen geven enkel aanleiding tot een sporadische vermelding in de kranten.
2. 1830-1831 : De periode van de Belgische Omwenteling
2.1 Algemeen
Wanneer we een vluchtige blik werpen op de politieke processen die zijn gevoerd in het eerste levensjaar van de Belgische staat, dan is het bijzonder opvallend dat dit er relatief veel zijn. Deze processen zijn het gevolg van gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan in een periode van onstabiliteit, in een periode waarin België nog geen definitieve vorm had. Deze processen kunnen beschouwd worden als een uitdrukking van het verlangen van een bepaalde groep om de staat in een bepaalde zin te zien evolueren. Wanneer België onafhankelijk werd in 1830, was er nog geen sprake van een geconsolideerde natie. België moest zich nog bewijzen ten opzichte van de buurlanden, en er heerste een constante dreiging vanuit het Noorden die als een donderwolk naar het kleine land dreigde over te komen. Daar bovenop kwam er nog eens bij dat België het eerste jaar zonder staatshoofd doorbracht. Er waren verschillende kandidaten die in aanmerking kwamen voor een titel als koning, Leopold van Saksen-Coburg Gotha, die uiteindelijk tot vorst zou worden uitgeroepen, was slechts één van de kandidaten. Door een coalitie van burgerij, middenklasse, adel en clerus was België erin geslaagd haar onafhankelijkheid te verkrijgen. Er waren verschillende bronnen van ontevredenheid. Enerzijds was de grondwet voor bepaalde delen van de bevolking geen positieve evolutie. Er werd geen rekening gehouden met de middenklasse waartoe een groot deel van de democratische republikeinen behoorde. Door de nieuwe grondwet en de invoering van het cijnskiesrecht werden ze uitgesloten van het hele politieke gebeuren, ondanks het feit dat ze een niet te ontkennen rol hadden gespeeld in de Belgische revolutie[19]. Anderzijds bevond de economie, die onder het bewind van Willem I een grote bloei had gekend zich in een dal. Dit maakte dat vele handelaars en industriëlen hoopten op een terugkeer onder Hollands bewind. Dit alles zorgde voor grote verwarring en onrust. In de periode vlak na de Belgische onafhankelijkheid is er door de afwezigheid van een vorst sprake van een machtsvacuüm. Van deze zwakke positie werd door de orangisten gebruik gemaakt om te trachten Willem I terug op de troon te krijgen. Om hiertoe te komen, zijn er in deze periode verscheidene complotten gesmeed. Na de instelling van een Voorlopig Bewind in september 1830 en een Nationaal Congres op 10 november, dat belast was met het opstellen van een grondwet en het kiezen van een staatshoofd, werd de dynastie van Nassau vervallen verklaard op 24 november. Toch zal de groep der orangisten ijveren voor de Prins van Oranje als toekomstige vorst van België., hoewel de meest populaire kandidaat als vorst van België de hertog van Nemours was, zoon van de koning van Frankrijk. Op 3 februari werd hij uitgekozen maar de koning van Frankrijk weigerde dit aanbod. Het land zat enkele maanden na het uitroepen van zijn onafhankelijkheid nog steeds zonder staatshoofd. Dit deed het gevoel van onzekerheid nog toenemen, zeker nadat aan de hertog van Nemours de Belgische kroon werd ontzegd. Om aan deze onzekerheid het hoofd te bieden besliste het Nationaal Congres dan toch om een voorlopig staatshoofd te kiezen, de regent Surlet de Chokier, waarna het Voorlopig Bewind werd ontbonden. In deze toestand van onzekerheid op internationaal vlak was het van groot belang ieder mogelijk gevaar in het oog te houden. Daarom kreeg de dienst van Openbare Veiligheid een grote vrijheid[20].
2.2 Het orangisme
2.2.1 Het wezen achter het orangisme
Tijdens de periode van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden stelde Willem I alles in het werk om de Hollandse koopmansgeest en Zuid-Nederlandse industriële mogelijkheden op elkaar af te stemmen. Hij steunde hierbij vooral de stedelijke industriële elite, die haar macht in het postnapoleontische tijdperk trachtte te vestigen. Willem I trachtte de industrie (metaalnijverheid te Luik en textielnijverheid te Gent) – die door het voorgaande bestuur in verval was geraakt - terug uit de slop te halen. Hij investeerde ook veel in de haven van Antwerpen. Hiervoor werden allerhande financiële structuren, zoals bank-, investerings- en kredietinstellingen op poten gezet. Zijn economische politiek kon onder een protectionistische noemer geplaatst worden. Onder zijn bewind volgden vele institutionele verwezenlijkingen[21]. De twee steden die veel baat hadden bij deze verwezenlijkingen waren Gent en Antwerpen. De eerste leefde van zijn industrie, de tweede van zijn handel, waar vooral de haven van Antwerpen de bron van welvaart was. In beide steden kende het orangisme dan ook een grote aanhang na de revolutie.
In tegenstelling tot de protectionistische politiek van Willem I, beschikte de nieuwe Belgische staat na de revolutie niet over de middelen om de binnenlandse handel te beschermen tegen concurrentie. De economie raakte in het slop en het waren vooral de handelaars en industriëlen van deze twee steden die droomden van een terugkeer van het Huis van Oranje. De welvaart die ze hadden gekend onder deze kroon was voor hen belangrijker dan de Belgische Onafhankelijkheid. Deze economische crisis bracht de orangisten in de waan dat een beweging in het voordeel van deze dynastie veel kans had op slagen, ondanks het feit dat het Nationaal Congres het huis van Nassau had uitgesloten van de troon. In de loop van het eerste levensjaar van de Belgische staat ondernamen de orangisten verschillende stappen om de Prins van Oranje, de zoon van koning Willem I, vooralsnog tot koning van België te kronen[22]. Men beschouwde het niet als noodzakelijk om de Nederlanden terug samen te brengen onder het Huis van Nassau. Velen waren er zelfs van overtuigd dat dit laatste onmogelijk was, omdat de Belgen zelfbestuur wensten. België diende geregeerd te worden door Belgen. Voordat het Nationaal Congres het Huis van Nassau had uitgesloten van de troon werd vooral de nadruk gelegd op een scheiding met Holland, maar niet per se een onafhankelijkheid van Holland. Deze tendens tot administratieve scheiding veranderde in een eis tot onafhankelijkheid na de septemberdagen wanneer Willem I op een gewelddadige manier had geprobeerd om België terug in te lijven. In tegenstelling tot deze visie bleven de orangisten ijveren voor een administratieve en politieke scheiding van de beide Nederlanden, maar onder dezelfde dynastie en met een eengemaakte economie. Ze streefden naar een federatieve regering onder de scepter van het Huis van Oranje, waarbij ook het leger zou worden geleid door Belgische officieren en gescheiden zou zijn van Holland. Door de economische belangen werd het noodzakelijk geacht om toch een band met Holland te behouden[23]. Buiten industriëlen en handelaars waren ook verschillende hooggeplaatste officieren orangistisch gezind. Zelfs in de nabije entourage van de regering waren er personen aanwezig die een terugkeer van België onder het huis van Nassau verkozen. Deze stelden alles in het werk om het leger – en dan vooral de patriottische korpsen – te desorganiseren[24]. Willem I zelf hield zeer weinig partizanen over in België, zeker na de gebeurtenissen van September. Maar zijn zoon, de Prins van Oranje, kon wel nog op steun rekenen bij de Belgen[25]. Hij was zich ervan bewust dat een hereniging van België met Nederland onmogelijk was en ondernam op eigen initiatief stappen om zichzelf aan het hoofd van België als onafhankelijke staat te stellen, zonder medeweten van zijn vader[26]. De orangisten werden openlijk gesteund door lord Ponsonby, afgevaardigde van de Engelse regering. Hij achtte het noodzakelijk dat de Prins van Oranje zou worden uitgeroepen als vorst van een onafhankelijk België. De tegenkandidaten Leuchtenberg en vooral de hertog van Nemours, de zoon van de Franse koning Louis-Philippe, waren namelijk geen optie voor de Engelse regering. Deze laatste kon er immers makkelijk voor zorgen dat Frankrijk terug de hand zou kunnen leggen op België, wat koste wat kost moest vermeden worden[27].
2.2.2 Najaar 1830: contact met de Hollandse vijand te Antwerpen
2.2.2.1 De prins van Oranje
In Antwerpen waren er heel wat industriëlen en handelaars die de Onafhankelijkheid betwistten. Onder koning Willem I kende Antwerpen immers een grote economische bloei dankzij vrije doorvaart op de Schelde en de daarmee samenhangende heropleving van de haven. Willem I hechtte een groot belang aan de economische bloei van de Antwerpse haven en industrie. Om dit te bekomen richtte hij de Société Generale pour favoriser l'industrie et le Commerce op in 1822 te Brussel, en de Handelsmaatschappij of Société du Commerce in 1824 te Den Haag. De personen die bij zijn politiek gebaat waren, waren dus vooral grote industriëlen en de Haute Commerce. Dezen waren daarenboven ook diegenen die de voornaamste politieke functies te Antwerpen waarnamen. Ook de sleutelposities in het leger werden bezet door hollandsgezinde militairen[28]. Dit in tegenstelling tot de officieren en soldaten met een lagere graad, waarbij een grote liefde voor het vaderland waar te nemen viel.
Antwerpen neemt een speciale plaats in binnen de Belgische Revolutie. Antwerpen beschikte over een grote groep orangisten. Daarenboven bleven de Hollanders aanwezig in Antwerpen nadat de onafhankelijkheid van België was uitgeroepen. Op 4 oktober werd prins Willem van Oranje naar Antwerpen gestuurd door zijn vader Willem I, om daar voorlopig te regeren en de orde te herstellen in de delen van de provincies waar deze verstoord was.[29] De prins was de enige mogelijke leider van België voor de orangisten. Tijdens zijn verblijf te Antwerpen ondernam deze verschillende toenaderingspogingen om de gemoederen in zijn voordeel te doen evolueren. Hij erkende, in tegenstelling tot zijn vader, de noodzaak van een onafhankelijk België. Hij was bijgevolg bereid om toegevingen te doen aan de Belgen[30]. Aan de andere kant bezette de generaal Chassé, Nederlands bevelhebber te Antwerpen, vanaf oktober de Citadel van Antwerpen. Er heerste een grote orangistische dreiging boven Antwerpen. Deze expliciete aanwezigheid van de Hollanders op Belgisch grondgebied maakte de dreiging van een contra-revolutie nog groter.
Op 15 oktober 1830 begaf een zekere Plissart, afkomstig uit Beauve vlakbij Chièvres in Henegouwen tot bij de prins om een laisser-passer te vragen om terug te keren naar de andere delen van België. De dag nadien keerde hij opnieuw terug omdat de Hollandse officieren dit hadden geweigerd. Dit was de dag waarop de prins van Oranje een proclamatie uitvaardigde waarin hij de Belgische onafhankelijkheid erkende. Op deze manier hoopte hij de situatie van de onafhankelijkheid vooralsnog in zijn voordeel te laten keren[31] :
“Belges! Depuis que je me suis adressé à vous par ma proclamation du 5 du présent mois, j'ai étudié votre position, je la comprends et vous reconnais comme nation indépendante [...] Je me mets, dans les provinces que je gouverne, à la tête du mouvement qui vous mène vers un état de choses nouveau et stable, dont la nationalité fait la force. Voilà la langage de celui que versa son sang pour l'indépendance de votre sol et qui veut s'associer à vos efforts pour établir votre nationalité politique[32]”.
Plissart aanhoorde deze afkondiging, waarna de Prins van Oranje hem opdroeg een exemplaar van deze afkondiging naar de gouverneur van Henegouwen te dragen. Beide waren blijkbaar geen vreemden van elkaar, Plissart was een soort bode in dienst van de Prins. In zijn verklaringen zei Plissart dat hij vermoedde dat deze uitvaardiging niet positief zou worden ontvangen[33]. De uitvaardiging lokte veel kritiek uit bij de Belgische bevolking, te meer daar generaal Chassé diezelfde dag had verklaard dat de Citadel van Antwerpen in staat van beleg was geplaatst. Door de tegenstrijdigheid tussen beide berichten hechtte men weinig geloof aan de pacifistische en goede intenties van de Prins. De vijandigheden te Antwerpen versnelden door de proclamatie van Chassé. In tegenstelling tot de vijandige houding van de generaal ondernam de Prins van Oranje hierna nog enkele verzoeningspogingen bij het Voorlopig bewind. Toch hadden bleven ze zonder resultaat omdat zijn intenties niet werden geloofd. Op 20 oktober verzond de koning van Holland een besluit waarin hij zijn zoon ontzette uit zijn plicht om te heersen over Antwerpen, dat hem vanaf 4 oktober was opgedragen. Dit besluit werd gepubliceerd op 24 oktober, dezelfde dag waarop het Nationaal Congres de ontzetting van de dynastie van Nassau verklaarde[34].
Plissart keerde terug naar Antwerpen temidden van deze gebeurtenissen. Hij ontmoette er de prins, die hem meldde dat hij naar Londen zou gaan om daar de belangen van het Huis van Oranje door te drukken op de Conferentie van Londen, die zou plaatsvinden vanaf 2 november. Hij gaf Plissart de opdracht om contact met Den Haag te houden over de gang van zaken in België. Indien de zaken gunstig verliepen, kon hij een contra-revolutionaire beweging opzetten, in ruil voor 45000 waardebonnen[35]. Er zijn geen getuigen of medeplichtigen die kunnen bevestigen of ontkennen wat Plissarts plannen waren. Hijzelf erkende dat hij deze opdracht had gekregen van de Prins, maar ontkende dat hij dit ook ten uitvoer heeft gebracht. Hij zei dat hij had besloten om het bedrag dat de Prins hem had beloofd aan de Belgische staat te overhandigen, nadat bekend werd dat het huis van Nassau werd uitgesloten van de troon[36]. Deze verklaring lijkt vrij ver gezocht, maar het was voor Plissart een ideale manier om zichzelf vrij te pleiten. In een brief naar een vriend schreef hij dat hij het plan zo had verwoord dat hij zeker zou vrijgelaten worden[37].
De prins zou Antwerpen verlaten de dag voor het uitbreken van volksrellen, die opgevolgd werden door het beruchte bombardement van Antwerpen[38]. Dit bombardement maakte voorgoed een einde aan de mogelijkheid van de Prins om te regeren over België. Het deed de Belgen beseffen dat onder Oranje verder gaan niet tot een van de opties behoorde. De prins had de aanslag op Antwerpen niet kunnen tegenhouden, ondanks de vele beloftes had gemaakt aan het Belgische volk. Dit maakte zijn troonsbestijging een verloren zaak[39].
2.2.2.2 Poging naar Holland te gaan – Arrestatie
Een anonieme persoon had Plissart ontmoet in de periode dat hij bij de Prins van Oranje was gegaan. Plissart had zich aan hem voorgesteld als landbouwer, genaamd Labrique[40]. Hij bevond zich in het Café de l'Empereur. Daar vertelde Plissart hem dat hij naar Brussel was geweest en daar verschillende mensen had ontmoet die zich tegen de Revolutie hadden uitgesproken. De huidige situatie kon enkel opgelost worden door Willem van Oranje of diens zoon te laten terugkeren. Het Voorlopig Bewind kon omvergeworpen worden binnen de 24 uur. Plissart vertelde hem de dag nadien dat de prins had vernomen dat hij in Antwerpen was en hem wilde zien. Na deze ontmoeting zei hij dat hij een missie had en hiervoor naar Brussel moest vertrekken, maar dat hij opnieuw contact zou opnemen. De getuige werd achterdochtig en ging op onderzoek uit. Bij de koetsierdienst, waarmee Plissart voordien naar Brussel was vertrokken, kende men geen Labrique. In het Hotel de la Couronne had niemand gelogeerd onder de naam Labrique. Maar na een persoonsbeschrijving bleek dat het wel degelijk ging om Plissart. Dit overtuigde hem ervan dat deze man een staatsgevaarlijk persoon was. Hij besloot te wachten tot hij terug zou komen, om zijn plannen te weten te komen. Nadat hij vernam dat er revoltes aan de gang waren in verschillende steden, besloot hij op 21 oktober om het Voorlopig Bewind in te lichten. Te Brussel aangekomen begaf hij zich naar de regering, waar hij naar De Potter werd gestuurd. Deze was hem zeer dankbaar voor de verklaring en vroeg hem in Brussel te blijven om te zien hoe de regering de man in kwestie zou opsporen. Na het bombardement van Antwerpen vertrok hij. Twee dagen later verklaarde hij aan de politiecommissaris dat hij de papieren van Hotel de la Couronne moest halen. Daaruit bleek dat Plissart meerdere malen in dit hotel had verbleven. Nadat het hoofd van de Openbare Veiligheid, Plaisant, de feiten had vernomen, beval hij de politiecommissaris Plissart te arresteren wanneer hij in Antwerpen opdook.
Begin december keerde Plissart terug naar Antwerpen, met als doel naar Holland te gaan. Dit om daar de waardebonnen te verkrijgen die hem waren beloofd. Hij beschikte over een aanbeveling van een zekere Van Cazeele aan de generaal Van Der Smissen, die later nog een rol zal spelen in het orangistisch complot van maart 1831 en tien jaar later opnieuw een complot zal beramen. Op 7 december kwam hij aan in Antwerpen. De generaal was niet te bespeuren, waarop hij een overnachting boekte in het hotel St-Antoine. Daar informeerde hij zich over hoe hij makkelijk in de Citadel kon geraken, die nog steeds door Hollandse militairen werd bezet. Van daaruit zou hij de Schelde oversteken en naar Holland gaan. Daar werd hij diezelfde dag gearresteerd. Hij had geen paspoort bij zich, enkel een aanbevelingsbrief aan de generaal Vandersmissen op naam van Labrique. Hij droeg ook een brief voor de Gouverneur van Henegouwen[41].
Hij werd vier dagen en vijf nachten vastgehouden[42]. Hij werd er bezocht door de substituut-procureur van Antwerpen en generaal Van Der Smissen, de militaire gouverneur van Antwerpen. Hij bekende dat hij informatie doorgaf aan de prins van Oranje. Hij kreeg van Willem 40 à 45000 waardebonnen als hij een contra-revolutie organiseerde. Hij zei dat hij de indruk gaf aan de dynastie van Nassau dat hij dit inderdaad aan het organiseren was, maar dat hij de middelen die hij van de dynastie kreeg voor het slagen van dit project, aan de regering van België zou overmaken. Hij gaf een open brief aan zijn ondervragers, gericht aan Gendebien, lid van het Nationaal Congres, waarin de uiteenzetting van zijn plan neergeschreven stond. Plissart speelde een zeer dubieus en gevaarlijk spel. Het lijkt vrij onwaarschijnlijk dat zijn sympathieën voor de dynastie verdwenen samen met het besluit van het Congres. Hij legde deze verklaring af, omdat hij op die manier kon worden vrijgelaten, waarna hij kon verdergaan met zijn plannen. Enkele dagen later werd hij uit de gevangenis opgehaald door een koets en naar Brussel gebracht. Daar ontmoette hij Plaisant, het hoofd van de Openbare Veiligheid, aan wie hij hetzelfde verhaal vertelde. Deze geloofde de vrij ongeloofwaardige verklaring en liet hem vrij, zodat hij zijn plan ten uitvoer kon brengen. Hij plaatste Plissart onder 'actieve' bewaking wanneer deze zich op Belgisch grondgebied bevond[43]. Dit was een gevaarlijke beslissing. Het plan kon gemakkelijk in het voordeel van Holland uitdraaien, maar de persoon die instond voor de veiligheid van België achtte dit gevaar blijkbaar niet groot. Toch was deze dreiging er wel degelijk. Plissart was een oplichter, die reeds voor de rechtbank was verschenen. Hij had onder het Hollands bewind verschillende handelsprojecten ondernomen, waardoor hij in contact was gekomen met de Minister van Binnenlandse Zaken en van Financiën en zelfs met de koning van Holland[44]. Dit contact maakte het gevaar nog waarschijnlijker.
Plaisant droeg hem op naar Den Haag te gaan om daar de buit, de 45000 waardebonnen, op te halen. Hij kreeg een brief gericht aan generaal Van Der Smissen, van wie hij een overgangspasje kreeg om naar een Hollandse voorpost te gaan. In Holland aangekomen werd hij ter hoogte van Breda aangehouden op 31 december 1830. Na zijn arrestatie schreef hij naar prins Frederic (omdat Willem nog steeds in Londen was) dat hij graag zou worden overgeplaatst naar Den Haag. Hierop antwoordde Frederic dat hij graag zou weten waarover het juist ging. Op de achterkant van deze brief was er een complex plan beschreven in het handschrift van de beschuldigde. Hierin stond dat hij na verschillende contacten met Prins Willem te hebben gehad over de toestand van België een plan had uitgewerkt. Hierbij zou door de behendigheid van enkele maatregelen, die als doel hebben verwarring te zaaien in de administratie van financiën, een contra-revolutie kunnen worden bewerkstelligd. Prins Frederic schreef hem terug op een gunstig moment te wachten om deze operaties - en dus de contra-revolutie - te doen plaatsvinden[45].
Terug in België aangekomen verklaarde hij alles aan Plaisant[46]. Daarna vertrok hij opnieuw naar Holland, waar hij een brief zond aan de koning met de melding dat een restauratie onmogelijk was, maar dat het plan toch kans had op slagen indien een lid van de dynastie zou verklaren dat hij akkoord ging met de Grondwet, met de beslissingen van het Nationaal Congres en met het Voorlopig Bewind en dat de revolutie erkend werd. Hij kreeg een positief antwoord. De middelen om zijn plan te verwezenlijken zouden langs de Franse grens België binnenkomen. De politiecommissaris Barbieux werd ermee belast maatregelen te treffen om deze buit aan de Franse grens in ontvangst te nemen. Maar de buit kwam niet. Dit was al een eerste teken dat erop wees dat Plissart nog steeds handelde in voordeel van de belangen van Holland. Daar bovenop begaf hij zich nadien opnieuw naar Holland, zonder de toelating van Plaisant. Daar vernam hij dat de reden waarom hij nog niets had vernomen vanuit Den Haag was dat de situatie door de beslissingen van het Congres van Londen zou worden geregeld. Voor een vierde maal ging hij opnieuw naar Holland[47], waar men hem verzekerde dat, indien de beslissingen vanuit Londen nadelig waren, de middelen vooralsnog ter zijner beschikking zouden worden gesteld voor de uitvoering van zijn plan. Het lijkt er sterk op dat Plissart een dubbele rol speelde. Op 24 of 25 maart kwam hij terug uit Breda: de dag waarop een groots orangistisch complot werd ontdekt. Deze gelijktijdigheid maakt zijn stappen des te verdachter. De volgende dag kwam hij rond vier uur 's ochtends aan te Ath, niet ver van Chièvres. Het is onverklaarbaar hoe het komt dat Plaisant hem liet begaan. Het was namelijk duidelijk dat Plissart een gevaar betekende voor België en streng in het oog moest gehouden worden. Het is duidelijk dat hij zijn functie niet naar behoren uitvoerde en hierdoor België in gevaar bracht. Hij legde tijdens het onderzoek een zeer vage verklaring af over zijn rol in het gebeuren. Op het moment dat hij een verklaring aflegde in dit onderzoek was hij reeds ontslagen als hoofd van de Openbare Veiligheid omwille van duistere praktijken[48].
2.2.2.3 Arrestatie
Hierna verbleef Plissart een maand te Chièvres. Misschien wel omdat hij schrik had om gearresteerd te worden op verdenking van medeplichtigheid aan het complot van 25 maart. Op 13 april werd hij geseind als een hoogst staatsgevaarlijk persoon en een agent van het huis van Oranje[49], waarna hij op 18 april werd hij aangehouden aan een voorpost aan de grens van Holland. Hij werd gevangen gezet in de amigo. In de pers schreef men dat hij reeds langer was gekend als agent van Oranje[50].
De dag van zijn arrestatie diende hij te verschijnen voor de militaire gouverneur generaal Le Hardy De Beaulieu. Daar hoorde hij dat hij ervan werd beschuldigd de auteur of medeplichtige te zijn van een grote samenzwering. Hij vroeg de generaal om bewijzen te leveren van wat hij beweerde. Zonder gehoor te geven aan zijn vraag werd hij in de kelders van de amigo geworpen, waar hij 38 dagen verbleef. Tijdens zijn tweede ondervraging werd hij op de hoogte gesteld dat hij ervan beschuldigd werd relaties te hebben met de vijanden van de staat[51].
De provinciegouverneur verdacht hem ervan dat zijn daden verband hielden met de troebelen die zich in verschillende steden hebben voorgedaan. Maar hij bleef volhouden dat zijn handelen helemaal los stond van het complot dat op 25 maart was uitgebroken te Antwerpen (zie 2.1.2). Hij zei dat zijn plan nog niet ten uitvoer was gebracht, en niet niet in verband kon worden gebracht met de gebeurtenissen van 25 maart. Maar het feit dat hij net die dag de grens overstak, kan erop wijzen dat die dag was uitgepikt als gunstig moment om zijn plan ten uitvoer te brengen. Hij had Van Der Smissen, één van de samenzweerders van 25 maart, ontmoet in de gevangenis in december. Plissart had weinig vertrouwen in hem en wilde aanvankelijk niets aan hem toevertrouwen. Toch droeg hij verschillende malen een brief op zich gericht aan Vander Smissen. Volgens Plissart zag Vander Smissen hem als een nuttig speler in het complot[52]. De persoon die Plissart had aangegeven had evenmin veel vertrouwen in de generaal, hij had zelfs een brief geschreven naar de Minister van Oorlog Goblet met de boodschap dat het nodig was om de generaal te schaduwen, nadat hij Plissart had ontmoet, wat eveneens wijst op een band tussen beide. Tijdens zijn gevangenschap schreef hij echter een brief die bewijst dat hij, ook na de verwerping van de dynastie van Nassau, Prins Willem zag als enige mogelijke troonpretendent. Hier verklaarde hij namelijk dat de staat is crisis verkeerde nadat de hertog van Nemours de kroon had afgewezen, en dat hij dit wilde verhelpen door de Prins van Oranje op de troon te helpen:
“Ne pouvait il pas apres sa justification demander que la Congres rapporta l'arret de sa decheance. Ne pouvai pas l'esperer, en promettant de ramener la paix interieur et exterieur de prêter serment de fidelité a la Constitution et en declarant que la triomphe de la cause de la liberté des peuples daterait du jour de son ramenement au trone de la Belgique qu'en fui il serait le premier citoyen de la revolution. Ou est le crime de celui qui aurait donné un tel conseil au Prince et l'engager même à le suivre?”
2.2.2.4 Het proces
Isidore Plissart was niet meer van de jongste. Hij had de leeftijd van 65 jaar bereikt toen hij gearresteerd werd. Gedurende vijf maanden werd hij vastgehouden in een vochtige kelder zonder licht of frisse lucht. Zijn gezondheid ging dan ook zeer slecht achteruit. In verscheidene brieven aan de overheidsinstanties smeekte hij om vrijgelaten te worden en om een goede verzorging te verkrijgen. Hierdoor kon hij vaak niet aanwezig zijn op zijn rechtzaak, waardoor de zaak vertraging opliep en pas in december 1831 voorkwam. Hij bleef gedurende heel zijn gevangenschap volhouden dat hij niet medeplichtig was aan een groots complot en dat hij niemand deelachtig had gemaakt aan zijn plannen, behalve de heer Plaisant, lid van de Staatsveiligheid. Hiervoor schreef hij zelfs talrijke brieven naar verschillende instanties om hen hiervan te overtuigen. Toen het complot van generaal Van Der Smissen uitbrak op 25 maart 1831, bracht dit een enorme paniekreactie teweeg. Het is niet te verbazen dat de autoriteiten dit complot in verband brachten met de plannen van Plissart, aangezien deze vanaf oktober 1830 regelmatig in Antwerpen had verbleven, zoals de registers van de hotels La Couronne en St-Antoine bewijzen. Deze samenzwering was door militairen georganiseerd en werd berecht voor een militaire rechtbank. Aangezien Plissart aanvankelijk werd verdacht van medeplichtigheid, werd hij voor een militair gerecht gedaagd. In verschillende brieven aan verschillende instanties ontkende hij deze medeplichtigheid. Men geloofde hem en daagde hem voor het Hof van Assisen.
Uiteindelijk kwam de zaak voor op 13 december 1831. De getuigen die werden opgeroepen om te verschijnen waren de heer Isidore Plaisant, advocaat-generaal van het Hooggerechtshof van Brussel en vroegere administrateur van de openbare veiligheid, Theodore Emmanuel Barbieux, politiecommissaris en Adolphe Eykholt, bediende van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Op verzoek van de beschuldigde werd de zitting achter gesloten deuren gehouden. Na deliberatie van de jury op 15 december 1831 onschuldig verklaard aan “het onderhouden van contact met de vijand van de Staat en het ondernemen van manoeuvers, met als doel de toegang tot het grondgebied van België te vergemakkelijken”[53]. Omdat de zaak achter gesloten deuren werd gehouden weet men ook niet welke elementen hebben bijgedragen tot zijn vrijspraak. Een verklaringsfactor voor deze vrijspraak was dat men hem niet zou hebben veroordeeld op beschuldiging een politiek misdrijf gepleegd tegen een regering die zelf nog in staat van revolutie is. Een andere manier om zijn vrijspraak te verklaren is het feit dat vijf van de twaalf juryleden handelaars uit Antwerpen waren[54]. Antwerpen, een stad die leefde van zijn haven en industrie en dat tot economische bloei kwam onder Willem I, kende een groot aantal contra-revolutionnairen onder de handelaars en de fabrikanten[55]. Bovendien had Plissart reeds voordien geargumenteerd dat de correspondentie die hij had met het Huis van Nassau van legale aard was en dat die gedreven had uit liefde voor zijn vaderland. Zijn was doel om het vaderland te redden in een staat van crisis en hij was hierbij van mening dat het Huis van Nassau hier het beste toe in staat was.
2.2.3 Gent, begin 1831
2.2.3.1 Een openlijk georganiseerd complot
In de loop van januari werd er een groots complot voorbereid. De orangisten waren in deze periode bijzonder actief. Orangistische bladen spuiden dagelijks kritiek op het Congres en het Voorlopig Bewind, terwijl er in de steden massaal gepropageerd werd ten voordele van de prins van Oranje. Men kon haast spreken van een openlijk georganiseerd complot ten voordele van het huis van Oranje-Nassau. Het doel was om in Gent de macht in handen te nemen, te Leuven en Antwerpen onlusten uit te doen breken en te Brussel de zittingszaal van het Congres binnen te dringen, deze te ontbinden en tenslotte daar de Prins van Oranje uitroepen tot luitenant-generaal van het koninkrijk[56]. Toen het Nationaal Congres duidelijk pleitte voor de hertog van Nemours als toekomstige koning van België, was het voor de orangisten noodzakelijk om snel te handelen. Op 3 februari zou hij worden uitgeroepen tot koning van België. Het plan was om een zekere luitenant-kolonel Ernest Grégoire in te schakelen. Men droeg hem op naar Gent te marcheren met zijn bataljon. Daar zouden de orangisten, die in deze stad talrijk aanwezig waren, zijn binnentocht voorbereiden. Het succes van de opdracht werd hem verzekerd. Het garnizoen te Gent zou zich meteen aan zijn zijde scharen en de Gentse orangisten zouden hem met open armen ontvangen.[57] Ernest Grégoire was een dokter, geboren te Charleville. Hij had zich genoodzaakt gezien Frankrijk te verlaten om een publieke beschuldiging van de rechtbank te ontlopen. Hij vestigde zich te Spa, dat hij in 1828 verliet om in de hoofdstad te gaan wonen. Bij het nieuws van de revolutie te Parijs verliet hij Brussel om terug te keren naar zijn vaderland. Hij keerde terug naar België vlak voordat hier de revolutie uitbrak. Hij nam actief deel aan verschillende 'evenementen'. Hij was zelfs stichtend lid van de Réunion Centrale, een radicaal-patriottische vereniging, bestaande uit enkele vooraanstaande republikeinen met onder meer De Potter[58]. Omwille van zijn heldhaftige acties ontving hij van het Voorlopig Bewind de graad van luitenant-kolonel[59]. Hij werd belast met de organisatie van drie divisies der infanterie te Brugge[60]. Toch leek hij niet tevreden, waardoor hij kon worden ingeschakeld om de Prins van Oranje te laten uitroepen, iets waar zijn vroegere medestanders van de Réunion Central heftig tegen gekant waren. Men zag in deze eeuwige ontevredene de ideale persoon om de actie voor de terugkeer van de Prins van Oranje te bewerkstelligen. Door hem beloftes te doen van een roemrijke toekomst werd hij voor de zaak gewonnen[61]. De persoon die naast hem zou staan op 2 februari was De Bast, een gekend orangist, geboren en getogen Gentenaar. Hij was een oud wapenmeester. Hij had eveneens van de Belgische regering een bevordering gekregen en hij was benoemd tot kapitein van het tweede bataljon der tirailleurs[62].
2.2.3.2 Vertrek van de troepen
De avond van 1 op 2 februari verliet de troep van kolonel Grégoire in het grootste geheim het garnizoen te Brugge om later die avond aan te komen te Eeklo. Bij zijn uittocht liet hij de fanfares klinken, waardoor zijn vertrek werd opgemerkt. Toen generaal Mahieu in Brugge ontdekte dat de troepen van Grégoire zich in de richting van Gent begaven, stuurde hij twee koeriers op tot bij de commandant van Vlaanderen, generaal Duvivier, om hem de komst van Grégoire te melden. Hoewel hij de melding rond middernacht had gekregen, stuurde hij de bode pas drie uur later op[63]. Te Eeklo, waar de troepen waren aangekomen, heerste er een geladen sfeer. D'Origny, één van Grégoire's medestanders, vroeg aan de cabaretier Rodrigos of het mogelijk was om de troepen in zijn etablissement te laten overnachten en de manschappen te voorzien van brood, kaas en jenever. Wanneer deze dit weigerde werd er gedreigd de boel kort en klein te slaan. D'Origny gaf de manschappen een som geld, zeggende dat dit van de Prins van Oranje kwam, die weldra zou worden uitgeroepen als vorst van België. De burgemeester werd eveneens bedreigd wanneer men zag dat er nog geen koetsen waren gearriveerd voor de volgende ochtend[64]. Er werden de hele nacht patriottische liederen gezongen en de zin “Vive le Prince d'Orange” werd vaak geproclameerd. Van Romme, adjudant onderofficier, ontving die avond het bevel van Grégoire om zich met zijn troepen naar de kazerne te begeven. Rond 10 uur 's avonds bewapende hij zijn manschappen. D'Origny gaf hen een voorraad cartouches. Men had er echter geen flauw benul van waarom ze moesten oprukken en waar ze heen gingen. Toen Van Romme op weg naar Gent aan de kolonel vroeg waar ze heen gingen antwoordde deze hem: “A la découverte”. De Bast zei tegen de commandant Rijbroeck dat ze naar Maastricht gingen. Ter hoogte van Mariakerke kregen de troepen het bevel hun wapens te laden. Volgens een getuige kwam dit bevel van D'Origny. Volgens De Bast, die zelf afkomstig was van Gent, moest men op de hoede zijn in Gent omdat daar een revolutionaire sfeer hing. Grégoire was echter nog steeds overtuigd van een makkelijke overwinning, die hem was gegarandeerd door zijn opdrachtgevers[65].
2.2.3.3 Sabotage- gebrek aan voorzorgsmaatregelen
Generaal Duvivier vernam het nieuws van de beweging rond 10 uur 's ochtends. Hij verklaarde tijdens de zitting zeer veel vertrouwen te hebben in het patriottisme van Grégoire, en bijgevolg dacht hij dat de beweging ging om de wapenstilstand met Holland te verbreken[66]. Toch gaven zijn verdere acties aan dat hij op de hoogte was van Grégoire's plannen. Hij gaf aan generaal de Wautier, militaire gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen, het schriftelijk bevel om naar Eeklo te rijden en Grégoire, die met zijn bataljon het garnizoen te Brugge had verlaten, te bevelen terug te keren naar Brugge[67]. Deze kwam de troepen van Grégoire tegen ter hoogte van Mariakerke. Daar aangekomen deelde hij het bevel van generaal Duvivier mee. Maar Grégoire antwoordde hem dat hij naar Gent oprukte om de prins van Oranje te proclameren, dat de bevolking hem opwachtte en dat hij geen enkel bevel moest opvolgen, noch van Duvivier, noch van de Wauthier. Hij beschikte namelijk over een opdracht die hij had ontvangen van de prins van Oranje in persoon. Dit vernemend stuurde de Wautier zijn aide-de-camp in alle haast naar Gent om Duvivier in te lichten over de plannen van Grégoire. Hij vroeg aan Grégoire om hem het bevel, dat hij had ontvangen van de Prins van Oranje, te tonen. De brief was getekend door de prins vanuit Londen, op datum van 14 januari:
Londres, 14 janvier 1831
“ Mon Colonel,
J'ai reçu ce matin votre lettre par... et datée de Bruges. Je crois ne pouvoir mieux y répondre qu'en vous remerciant des sentiments que vous met portez et du zèle que vous paraissez vouloir déployer en