België beeft... Politieke misdrijven voor de Assisenhoven van Antwerpen en Brabant (1830-1849). (Elise Van Opstal)

 

home lijst scripties inhoud  

 

Inleiding

 

Het politiek misdrijf: een definitie

 

In de loop van deze scriptie zal worden getracht te onderzoeken wat de rol van politieke misdrijven was in de consolidatie van België. Maar vooraleer we hier dieper op in gaan is het noodzakelijk om de notie politiek misdrijf te definiëren. Vandaag de dag komen politieke misdrijven nog nauwelijks voor in de Belgische staat. Toch zien we nog zeer recent dat de notie politiek misdrijf heel wat stof kan doen opwaaien en de juristen aanzet tot het schrijven over politieke misdrijven. Men is het er nog steeds niet over eens hoe het concept politiek misdrijf moet worden ingevuld. Algemeen kan worden gesteld dat politieke misdrijven die misdrijven zijn die gericht zijn tegen de bestaande staatsordening. Politieke misdrijven hadden voor de opstellers van de grondwet in 1830 een vreemd karakter. Onder het Hollands Bewind waren verschillende revolutionairen in aanraking gekomen met het gerecht. Zo werd Louis De Potter samen met enkele anderen  aan de vooravond van de Belgische revolutie vervolgd voor een politiek misdrijf[1]. Het zijn deze personen die een belangrijke plaats hebben ingenomen ten tijde van de Belgische Revolutie en ook vlak na de Onafhankelijkheid. De Grondwet werd mee opgesteld door mensen die hadden gestreden tegen het autoritaire bewind van Willem I. Dit verklaart de moeilijkheden die men ondervond bij de omschrijving van de inhoud van politieke misdrijven. Enerzijds waren ze bekend met het omstreden karakter ervan, anderzijds werden de politieke misdrijven gevreesd omwille van hun kracht. Dit is dan ook de reden waarom men in de grondwet vrij vaag is gebleven over het concept[2]. Hierin wordt enkel verwezen naar politieke misdrijven in artikel 98, waarin staat dat ze worden onderworpen aan het oordeel van de jury, als symbool van volkssoevereiniteit. Dit omdat een onpartijdigheid noodzakelijk is inzake politieke misdrijven, die niet kan worden gegarandeerd door de professionele rechters[3]. Het is duidelijk dat het politiek misdrijf een speciale behandeling kreeg. De wetgever verkoos deze vage omschrijving opdat de rechterlijke macht zou kunnen beslissen over de invulling ervan. Deze invulling moet worden gezocht in de latere rechtspraak en bij de rechtsgeleerden[4].  Dit vond grotendeels zijn neerslag in de Pandectes Belges en de RPDB. Er is een grote verscheidenheid inzake politieke misdrijven. Alle mogelijke misdrijven die onder de noemer politieke misdrijven vallen worden hierin beschreven. Meer concreet gaat dit om misdrijven die gedefinieerd worden als kiesmisdrijven, beledigingen tegen de vorst, ... De meest ernstige vormen zijn diegene die een staatsomwenteling voor ogen hebben, staatsgrepen, complotten en samenzweringen. Deze misdrijven bedreigen de binnenlandse veiligheid van de staat. Een tweede zeer ernstige soort politieke misdrijven zijn meeheulen met de vijand en aanzetten tot desertie, die samen kunnen voorkomen. Ze vormen beide een bedreiging voor de buitenlandse veiligheid van de staat. Het zijn deze twee soorten, die worden opgevat als de meest ernstige bedreigingen voor de staat, die in het bestek van deze scriptie zullen besproken worden.

In deze complexe aangelegenheid onderscheidt men over het algemeen in de rechtsgeleerdheid drie soorten politieke misdrijven:

Het politieke karakter van de eerste soort werd door de wetgever zelf onderschreven. Dit zijn de zuiver politieke of objectief politieke misdrijven. Ze worden beschreven als een aanslag op politieke instellingen en zijn gepleegd met politieke bedoelingen. Zo  onderschrijft de wetgever vergrijpen tegen het gezag van de vorst of de wetgevende kamers als een politiek misdrijf (art. 3 van het decreet van 19 juli 1831). Ze zijn een rechtstreekse aanslag op het bestaan, de inrichting of de werking van een politieke instelling of op de rechten van de burger. Het zijn aanslagen tegen de politieke orde. Deze worden door het strafrecht beschreven in art. 86 e.v. Het gaat hier onder andere om misdrijven tegen de veiligheid van de staat.

Vervolgens zijn er de subjectieve politieke misdrijven. Dit zijn misdrijven die op zich geen politiek karakter hebben, maar die door de dader gepleegd werden met politieke doeleinden. Het zijn met andere woorden gemeenrechtelijke misdrijven die vanuit een politiek oogpunt werden gepleegd. Het is bij deze laatste categorie echter van belang te onderstrepen dat men rekening houdt met de zwaarst bestrafte misdaad. Een moord omwille van politieke redenen zal worden beoordeeld als moord en niet als politiek misdrijf.

De gemengde politieke misdrijven ten slotte zijn daden die niet in se een politiek karakter hebben, maar die er wel vaak mee in verband worden gebracht, zoals drukpersdelicten, opruiing tegen het openbaar gezag, enz[5].

 

 

Probleemstelling: Politieke misdrijven en de consolidatie van België

 

België is onafhankelijk sinds 1830, maar dat wil niet zeggen dat het koninkrijk en de parlementaire monarchie meteen door iedereen werd aanvaard. Er waren bepaalde delen van de bevolking die het niet eens waren met de bestaande staatsordening. Maar niet iedereen uitte zijn ontevredenheid op dezelfde manier. Wanneer men beschuldigd werd van een politiek misdrijf, wijst dit op een zeer radicale manier van protesteren. Toch is er nog geen enkel werk verschenen die dit aspect van de Belgische geschiedenis onder de loep heeft genomen. Andere manieren om ongenoegen te uiten na de onafhankelijkheid van België, zoals straatagitatie[6], het gebruik van de pers[7], verkiezingen,..., werden reeds elders beschreven. In deze verschillende werken kwamen politieke misdrijven terloops aan bod. Een enkel werk is geschreven over het ophefmakende politieke proces na de slag bij Risquons-Tout in 1848[8]. In verschillende werken, met een andere thematiek kwamen enkele processen wel aan bod, maar een studie die alle opeenvolgende politieke processen voor het Hof van Assisen van 1830-1848 omvat nog niet verschenen is. Wanneer we naar het buitenland kijken, dan zien we dat daar eveneens zeer weinig is verschenen. Toch is het werk van Chavaud het vernoemen waard, omdat deze de politieke agitatie in de negentiende eeuw in Frankrijk onder de loep neemt met een interessante invalshoek[9]. Een algemeen historisch werk over de activiteiten van het Hof van Assisen, zonder thematische voorkeur, in de negentiende eeuw bestaat enkel over Namen[10]. Tenslotte dient het criminologisch-historisch werk vernoemd te worden dat handelt over een doorlichting van de arresten van het Hof van Assisen van Luik[11].

            Mijn probleemstelling luidt dat de politieke misdrijven in de eerste helft van 19e eeuw een rol hebben gespeeld in de consolidatie van de staat. Aangezien het koninkrijk België met zijn parlementaire monarchie nog bestaat, kunnen we besluiten dat de politieke misdrijven niet in hun opzet geslaagd zijn. Er waren  personen die dit liever anders zouden gezien hebben. Nu luidt de vraag hoe het komt dat de staat grotendeels ongewijzigd is gebleven, hoe de aanvaarding van de staat als koninkrijk België tot stand is gekomen. We zouden kunnen stellen dat politieke misdrijven – aanvallen tegen de staat – de staat sterker hebben gemaakt en hebben bijgedragen in de voortduring of de consolidatie ervan. Men zou kunnen stellen dat de staat haar sterkte heeft bewezen doordat ze heeft standgehouden onder de verschillende golven van politieke misdrijven, met als hoogtepunt de algemene revolutiegolf van 1848. Er heerste  overal in Europa een grote angst voor een nakende revolutie, ook in België. In het jaar 1848 vonden er in verschillende Europese landen revoluties plaats, die de bestaande staatsordeningen omverwierpen. Maar België heeft als kleine, jonge staat, ondanks de revolutionaire sfeer, standgehouden. Dit was het ultieme bewijs dat de Belgische parlementaire  monarchie levensvatbaar en  bestand was tegen revolutionaire agitatie.

            Een politiek misdrijf is tegen de staat gericht en is dus een uiting van het ongenoegen dat leeft onder (een deel van) de bevolking. Het is bijgevolg een manier om het voortbestaan van de staat te verhinderen en een andere vorm van staatsordening te installeren. Aangezien het politiek misdrijf zijn doel niet bereikt heeft, wil dit zeggen dat de staat bewijst  ertegen bestand te zijn. Het jaar 1848 wordt in de historiografie met consensus beschouwd als een eindpunt van een periode van consolidatie. De vaststelling dat er na 1848-1849 geen politieke delicten van grote omvang meer hebben plaatsgevonden, lijkt deze hypothese te bevestigen. Het feit dat er na de turbulente periode 1830-1849, waarin bijzonder veel processen zijn voorgekomen, geen assisenzaken meer gemeld worden, kan ons doen besluiten dat de staat heeft geleerd hoe ze ermee om moet gaan.

            Om de hypothese dat politieke misdrijven hebben bijgedragen tot de bestendiging van België na te gaan, zijn er verschillende vragen die we ons moeten stellen. Waren de processen een middel van de staat om oppositiekrachten de mond te snoeren?  Is de vervolging een manier om de slagkracht van deze groepen te ontnemen, of is ze eerder het gevolg van een effectief gevoel van bedreiging die moet worden afgewend? De vervolging van onrustzaaiers heeft ook een zeker afschrikkingseffect. Dit kan leiden tot de legitimatie van de staat, doordat deze aanvoelt wat er leeft onder de bevolking en tegelijk toont dat er sterk kan worden opgetreden.

            Hierbij moet gewezen worden op het verschil tussen de beschuldiging van en het effectief plegen van een politiek misdrijf. De mogelijkheid bestaat dat een rechtzaak door het Openbaar Ministerie werd beschouwd als een politiek misdrijf, terwijl het in werkelijkheid niet voldoet aan de voorwaarden om hiervan te spreken. Bij deze zaken is het van belang de beweegredenen, om de feiten min of meer bewust verkeerd voor te stellen als politieke misdrijven, te onderstrepen. Ook deze zaken hadden een bepaalde functie binnen de politieke geschiedenis van België en wel precies omwille van het feit dat ze werden gezien als politieke misdrijven. Het is dus van groot belang te onderzoeken wat nu juist de functie was van de politieke misdrijven binnen de geschiedenis van België in het algemeen en in het bijzonder hun  functie of rol voor de bestendiging van de staat.

            Hoe is de staat erin geslaagd de dreiging af te wenden en wat zijn de redenen van het falen van het politiek delict? De tijdsperiode waarin deze vorm van processen plaatsvond, was een zeer woelige periode. België was nog maar net onafhankelijk en diende haar capaciteiten nog te bewijzen tegenover de grote mogendheden. Er heerste een constante dreiging van Willem I, die het vredesverdrag acht jaar lang weigerde te ondertekenen. De Europese buurlanden keken argwanend toe om te zien of de jonge staat tegen deze druk bestand was. Hierbij had België te kampen met een oppositie van republikeinse[12] en orangistische zijde op binnenlands vlak. De regering voelde in de periode van instabiliteit de noodzaak om deze oppositie de mond te snoeren. Een mogelijke strategie zou erin bestaan bepaalde elementen uit deze bewegingen te vervolgen. De opsporing van deze personen, die werden beschouwd als staatgevaarlijke elementen, gebeurde veelal door de dienst Openbare Veiligheid, met het gebruik van geheime agenten[13]. Zowel de republikeinse als de orangistische beweging zijn vaak terug te vinden in de verschillende politieke processen die in deze periode werden gevoerd. Deze politieke processen zouden kunnen bijdragen tot het breken van de oppositie en dus tot de consolidatie van de staat.

            Wie waren de actoren? Waren het hoge figuren met belangrijke posities in de gemeenschap of eerder kleine garnalen die maatschappelijk weinig of niets betekenden? Welke waren de motieven en drijfveren van deze personen die hebben geleid tot deze vorm van het uiten van hun ongenoegen? Dit is een cruciaal aspect omdat het laat zien waar de staat tekort kwam in de ogen van deze groep. Bovendien krijgen we op die manier inzicht in hoe de staatsorganisatie er volgens hen uit zou moeten zien. Hierbij moet benadrukt worden dat een groot verschil bestond tussen processen gevoerd tegen individuen van republikeinse of radicaal-patriottische strekking - die later zal evolueren naar een radicaal-democratische beweging - enerzijds, dan wel tegen personen van orangistische strekking anderzijds. Ze hadden immers een totaal verschillende zienswijze op de staat. Het grote verschil ligt in het feit dat de eerste groep het koningschap afwees en dat de Belgische staat volgens hen een republiek diende te worden met een verkiesbaar staatshoofd. Deze groep ijverde ook voor democratische principes zoals gelijkheid en rechtvaardigheid. De strekking bestond uit patriotten; ze wilden een afzonderlijk België maar hadden hierbij een andere staatsordening voor ogen. De regering keek dan ook met argusogen naar iedere actie van deze groep, hoewel in deze acties niets illegaal te vinden was. De tweede groep daarentegen wenste dat een lid van de dynastie van Nassau als staatshoofd van België werd verkozen, met al dan niet een aanhechting aan Nederland. De monarchie als staatsvorm op zich wordt daarbij fundamenteel niet in vraag geteld. Waren ze hierbij in staat om een grotere groep te mobiliseren om hun doel te verwezenlijken of stonden ze geïsoleerd? Wanneer dit wel het geval was, moet worden opgemerkt dat niet iedereen op de hoogte was van de werkelijke bedoeling van de beschuldigden.

            We zullen trachten aan de hand van de opeenvolgende processen de frustraties  bloot te leggen en hoe de staat hierop reageert en ermee omgaat. Het is vanzelfsprekend dat een jonge staat zijn beleid nog moet bepalen en dat niet alles van een leien dakje loopt. Er was  een nieuwe politieke elite opgestaan, die nog moest bewijzen dat ze capabel was een staat te leiden. De politieke misdrijven zijn een indicatie voor de ontevredenheid onder (delen van) de bevolking en via deze uiting van ongenoegen krijgt men inzicht in de elementen waar de staat tekort voor hen komt.

            Wat was de visie van de tijdgenoten over het delict? Het is niet mogelijk om in het bestek van een scriptie de publieke opinie in zijn totaliteit te analyseren, maar wel om de visie van een bepaald deel van de bevolking uit te pluizen. We kunnen ons daarbij baseren op  de uitspraken van de juryleden[14]. We kunnen ons een beeld vormen van wie er als jurylid fungeerde. Het is belangrijk voor ogen te houden dat, ondanks het feit dat de jury een emanatie van de publieke opinie hoort te zijn, de juryleden werden geloot uit de hogere lagen van de bevolking. Hun visie kan bijgevolg niet worden beschouwd als representatief voor de gehele bevolking. Toch beschikken we aan de hand van hun oordeel over heel wat informatie. De analyse van dit oordeel kan ons inzicht geven in de aanvaarding van de staat bij dit deel van de bevolking. We moeten in deze analyse zeker rekening houden met het motief achter het misdrijf. De eerder geponeerde tweedeling in republikeinse en orangistische complotten is van belang om de beoordeling van de jury te analyseren. Ze zijn namelijk om een heel andere reden gepleegd en zouden dus een verschillende beoordeling van de jury kunnen genieten. Soms is het echter ook mogelijk uit de algemene context af te leiden hoe andere delen van de bevolking over de feiten dachten.

 

 

Periodisering en selectiecriteria

 

Ik nam het jaar 1830 als beginpunt. Dit is het jaar van de Belgische Revolutie en dus het begin van de nieuwe staat. De politieke misdrijven die vóór 1830 werden gepleegd waren niet gericht tegen de Belgische staat, maar tegen het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en tegen de overheersing van de autoritaire Hollandse koning. Diegenen die overgingen tot het plegen van politieke delicten waren vaak de personen die nadien deelnamen aan de Belgische Revolutie, zoals de republikeinen Louis de Potter en Adolphe Bartels[15]. Na 1830 verrijst een nieuwe staat die nog broos en kwetsbaar is voor zowel binnen- als buitenlandse aanvallen. De staatsordening staat nog niet vast en wordt nog gedurende enkele jaren gecontesteerd. De politieke processen zijn een belangrijk aspect van dit protest tegen de Belgische staat. Ook de dreiging van de Hollandse vorst wijst op het feit dat België nog een lange weg heeft te gaan om  tot haar consolidatie te komen. Als eindpunt van mijn scriptie heb ik geopteerd voor 1848-1849, omdat deze twee jaren worden beheerst door twee grote politieke processen tegen de radicaal-democratische republikeinse strekking. Deze twee processen zijn cruciaal, want ze schijnen een einde te maken aan de oppositie tegen de staat. Dit maak ik op uit het feit dat er nadien geen politieke processen meer plaatsvinden van die aard. Nadien zijn het enkel nog kiesmisdrijven. Het is naar aanleiding van dit breukpunt dat de probleemstelling  naar voor is gekomen.

            Als de geografische criteria voor deze scriptie heb ik geopteerd twee Hoven van Assisen te behandelen, namelijk Brabant en  Antwerpen. Het Hof van Assisen van Brabant oordeelde over een groot aantal politieke misdrijven, voornamelijk als gevolg van het feit dat de hoofdstad hieronder resorteert. De aantrekkingskracht van Brussel voor politieke misdrijven is zeer opvallend. In deze stad bevinden zich de instellingen van de staat, de ministeries, het parlement en het koninklijk paleis. Het is duidelijk dat indien men niet tevreden is met één van deze instellingen of met de organisatie van België, dat men één van deze organen of de stad in het algemeen als doelwit zal nemen. Antwerpen speelt vooral een belangrijke rol door de nabijheid van Holland, en door het feit dat de Citadel te Antwerpen nog lange tijd bezet blijft door de Hollanders. Hier vinden voornamelijk politieke misdrijven van orangistische aard plaats. 

            Uit de definiëring van politieke delicten bleek reeds dat er duidelijke gradaties bestaan in de ernst van het misdrijf, van vrij licht tot zeer ernstig. Wegens deze grote diversiteit lijkt een selectie noodzakelijk. Als thematische criteria heb ik enkel die politieke delicten gekozen die nuttig waren in het kader van mijn probleemstelling, namelijk diegene die een echte bedreiging vormden voor de staatsordening. Beledigingen tegen de koning waren dit niet als dusdanig. Evenmin provocaties tot ongehoorzaamheid aan de wetten of kiesmisdrijven en dergelijke meer. De eerste soort binnen mijn selectie bedreigen de binnenlandse veiligheid van de staat op een zeer directe wijze, namelijk door het beramen van een complot of het plegen van een aanslag met hun verschillende gradaties. De tweede ernstige soort politieke misdrijven, die werd opgenomen in deze scriptie, is deze waarbij soldaten werden aangezet tot desertie of zelfs het onderhouden van contact met de vijand van de staat. Deze misdrijven bedreigen  de buitenlandse veiligheid van de staat, omdat ze Belgische onderdanen aanzetten onder de vijand te gaan dienen. Hierdoor wordt de staat van buitenaf bedreigd en van binnenuit verzwakt. Of er al dan niet een veroordeling valt in deze processen was niet van belang als criterium, omdat  dit onderscheid een grote rol speelt in het bewijzen van de probleemstelling. Na de voorgaande selectie te hebben doorgevoerd, ziet een overzicht van de politieke misdrijven er als volgt uit:

 

Jaar

omschrijving

beschuldigden

Assisenhof

veroordeling

1830-1831

Complot met als doel het vernietigen of veranderen van de regering

Grégoire, De Bast, Hutteau, Jaquemyns, Antheunis, Vanden-bergen, Trossaert

Brabant        (gepleegd te Gent)     

nee

 

Aanslag met als doel de omverwerping van de regering van België

Le Hardi de Beaulieu, D'Armagnac, Le Jeune, Bartels, Hellebaut

Brabant

nee

 

Poging de regering te veranderen

De Souter, Spilthoorn, Hellebaut, De Coster, Anssens, Bogaert

Brabant     (gepleegd te Gent)

nee

 

Onderhoud van contact met de vijand van de staat, meeheulen met de vijand

Plissaert

Antwerpen

nee

1832

Belgische soldaten aanzetten tot desertie-onderhoud van contact met de vijand

Delrue

Antwerpen

nee

1833

Belgische soldaten aanzetten tot desertie

Van Aelst en Vandepoel

Brabant

nee

1839

Poging om de staat omver te werpen

Bartels, Kats

Brabant

nee

 

Desertie van soldaten aanmoedigen; overgang naar een vijandelijk leger vergemakkelijken

Hertog, Leliaert, Hoys

Antwerpen

nee

1840

Desertie van soldaten aanmoedigen; overgang naar een vijandelijk leger vergemakkelijken

Snollaerts

Antwerpen

nee

1841

Complot tegen de gevestigde overheid

Vandermeere,Crehen, J.D.Vander Smissen, Verpraet, Parys, J.H.Vander Smissen, Parent, Graves, Van Laethem

Brabant

ja

1848

Aanval met wapens met als doel de regering te doen omwentelen

Spilthoorn en consoorten

Brabant-Antwerpen

ja

1849

Complot tegen de staat

Laurent, Biot, Mottet, Esselens

Brabant

ja

 

Complot tegen de regering

Loriaux, Denis, Broquet,Dietens

Brabant

ja

 

 

Toelichting bij de gebruikte bronnen

 

Ik ben vertrokken vanuit een doorlichting van de strafdossiers van de Hoven van Assisen van Brabant en Antwerpen. Deze bevatten alle documenten die tijdens het onderzoek door de onderzoeksrechter werden verzameld. Hieronder dient te worden verstaan: ondervragingen, processen-verbaal van de politie omtrent huiszoekingen en getroffen vondsten, oproeping van getuigen en soms een lijst van de gezworen juryleden. De toegang tot deze dossiers is verschillend voor de rijksarchieven. Voor het Hof van Assisen van Antwerpen bestaat er een eigentijdse toegang op chronologische volgorde[16]. Voor het Hof van Assisen van Brabant is er een eigentijdse toegang aanwezig, maar niet voor de strafdossiers[17]. De toegang tot de strafdossiers zelf is geordend in chronologische volgorde op fiches.

Na deze geraadpleegd te hebben konden de dossiers zelf aan bod komen. Hier doken meteen enkele problemen op. Eerst en vooral is het dossier van het proces tegen Grégoire en De Bast verdwenen uit het Rijksarchief van Brabant. Dit proces was echter na Cassatie verwezen naar het Hof van Assisen van Bergen. Maar ook hier was de zoektocht vruchteloos. Het dossier is  wel opgenomen in de rollen (de enige toegang die dit rijksarchief heeft tot de strafdossiers), maar het is onvindbaar in het depot. Gezien het belang van dit proces in de vroege onafhankelijkheid van België, heb ik ervoor geopteerd om het verhaal te schetsen aan de hand van ander materiaal, zoals eerder verschenen publicaties omtrent de affaire, krantenartikels... Ook het dossier van het proces tegen De Souter en consoorten was onvindbaar. Ook hier werd geopteerd voor een schets door middel van kranten en andere eigentijdse documenten. Ten slotte werd ook het proces gericht tegen Bartels en Kats niet teruggevonden in de dossiers. Op dit proces werd dieper ingegaan op basis van het werk van Boland[18] in combinatie met tijdsdocumenten. Over het dossier van 1848, het proces van Risquons-Tout, is reeds een scriptie verschenen door Steylemans. De schrijver zelf had reeds opgemerkt in haar scriptie dat de procesdossiers, die zich hieromtrent in het Rijksarchief van Brabant bevinden, vrij onvolledig zijn. Er werd reeds een onderzoek naar dit proces gevoerd, maar toch is dit proces in het kader van mijn onderzoek eveneens belangrijk. Omdat het niet mogelijk is om eveneens andere bronnen te raadplegen heb ik me voor dit proces gebaseerd op het werk van Steylemans, doch krijgt het onderzoek in het licht van mijn probleemstelling een andere invalshoek.

            Het proces zelf komt niet aan bod in de dossiers. Toch kan het soms van belang zijn. Soms is er sprake van een vrijspraak van een politiek misdrijf, hoewel een onderzoek van het dossier in de richting wees van een zekere schuld. Het is dan van belang te weten wat er is gezegd geweest tijdens het proces, dat heeft geleid tot een vrijspraak van de jury. Dit kan evenzeer in de omgekeerde richting gelden. Enkel de grote ophefmakende processen die hun neerslag vonden in de kranten. De kleinere processen geven enkel aanleiding tot een sporadische vermelding in de kranten.

 

 

2. 1830-1831 : De periode van de Belgische Omwenteling

 

2.1 Algemeen

 

Wanneer we een vluchtige blik werpen op de politieke processen die zijn gevoerd in het eerste levensjaar van de Belgische staat, dan is het bijzonder opvallend dat dit er relatief veel zijn. Deze processen zijn het gevolg van gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan in een periode van onstabiliteit, in een periode waarin België nog geen definitieve vorm had. Deze processen  kunnen beschouwd worden als een uitdrukking van het verlangen van een bepaalde groep om de staat in een bepaalde zin te zien evolueren. Wanneer België onafhankelijk werd in 1830, was er nog geen sprake van een geconsolideerde natie. België moest zich nog bewijzen ten opzichte van de buurlanden, en er heerste een constante dreiging vanuit het Noorden die als een donderwolk naar het kleine land dreigde over te komen. Daar bovenop kwam er nog eens bij dat België het eerste jaar zonder staatshoofd doorbracht. Er waren verschillende kandidaten die in aanmerking kwamen voor een titel als koning, Leopold van Saksen-Coburg Gotha, die uiteindelijk tot vorst zou worden uitgeroepen, was slechts één van de kandidaten. Door een coalitie van burgerij, middenklasse, adel en clerus was België erin geslaagd haar onafhankelijkheid te verkrijgen. Er waren verschillende bronnen van ontevredenheid. Enerzijds was de grondwet voor bepaalde delen van de bevolking geen positieve evolutie. Er werd geen rekening gehouden met de middenklasse waartoe een groot deel van de democratische republikeinen behoorde.  Door de nieuwe grondwet en de invoering van het cijnskiesrecht werden ze uitgesloten van het hele politieke gebeuren, ondanks het feit dat ze een niet te ontkennen rol hadden gespeeld in de Belgische revolutie[19]. Anderzijds bevond de economie, die onder het bewind van Willem I een grote bloei had gekend zich in een dal. Dit maakte dat vele handelaars en industriëlen hoopten op een terugkeer onder Hollands bewind. Dit alles zorgde voor grote verwarring en onrust. In de periode vlak na de Belgische onafhankelijkheid is er door de afwezigheid van een vorst sprake van een machtsvacuüm. Van deze zwakke positie werd door de orangisten gebruik gemaakt om te trachten Willem I terug op de troon te krijgen. Om hiertoe te komen, zijn er in deze periode verscheidene  complotten gesmeed. Na de instelling van een Voorlopig Bewind in september 1830 en een Nationaal Congres op 10 november, dat belast was met het opstellen van een grondwet en het kiezen van een staatshoofd, werd  de dynastie van Nassau vervallen verklaard op 24 november. Toch zal de groep der orangisten  ijveren voor de Prins van Oranje als toekomstige vorst van België., hoewel de meest populaire kandidaat als vorst van België de hertog van Nemours was, zoon van de koning van Frankrijk. Op 3 februari werd hij uitgekozen maar de koning van Frankrijk weigerde dit aanbod. Het land zat enkele maanden na het uitroepen van zijn onafhankelijkheid nog steeds zonder staatshoofd. Dit deed het gevoel van onzekerheid nog toenemen, zeker nadat aan de hertog van Nemours de Belgische kroon werd ontzegd. Om aan deze onzekerheid het hoofd te bieden besliste het Nationaal Congres dan toch om een voorlopig staatshoofd te kiezen, de regent Surlet de Chokier, waarna het Voorlopig Bewind werd ontbonden. In deze toestand van onzekerheid op internationaal vlak was het van groot belang ieder mogelijk gevaar in het oog te houden. Daarom kreeg de dienst van Openbare Veiligheid een grote vrijheid[20].

 

 

2.2 Het orangisme

 

2.2.1 Het wezen achter het orangisme

 

Tijdens de periode van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden stelde Willem I alles in het werk om  de Hollandse koopmansgeest en Zuid-Nederlandse industriële mogelijkheden op elkaar  af te stemmen. Hij steunde hierbij vooral de stedelijke industriële elite, die haar macht in het postnapoleontische tijdperk trachtte te vestigen.  Willem I trachtte de industrie (metaalnijverheid te Luik  en textielnijverheid te Gent) – die door het voorgaande bestuur in verval was geraakt - terug uit de slop te halen. Hij investeerde ook veel in de haven van Antwerpen. Hiervoor werden allerhande financiële structuren, zoals  bank-, investerings- en kredietinstellingen op poten gezet. Zijn economische politiek kon onder een protectionistische noemer geplaatst worden. Onder zijn bewind volgden vele institutionele verwezenlijkingen[21]. De twee steden die veel baat hadden bij deze verwezenlijkingen waren Gent en Antwerpen. De eerste leefde van zijn industrie, de tweede van zijn handel, waar vooral de haven van Antwerpen de bron van welvaart was. In beide steden kende het orangisme dan ook een grote aanhang na de revolutie.

            In tegenstelling tot de protectionistische politiek van Willem I, beschikte de nieuwe Belgische staat na de revolutie niet over de middelen om de binnenlandse handel te beschermen tegen concurrentie. De economie raakte in het slop en het waren vooral de handelaars en industriëlen van deze twee steden die droomden van een terugkeer van het Huis van Oranje. De welvaart die ze hadden gekend onder deze kroon was voor hen belangrijker dan de Belgische Onafhankelijkheid. Deze economische crisis bracht de orangisten in de waan dat een beweging in het voordeel van deze dynastie veel kans had op slagen, ondanks het feit dat het Nationaal Congres het huis van Nassau had uitgesloten van de troon. In de loop van het eerste levensjaar van de Belgische staat ondernamen de orangisten verschillende stappen om de Prins van Oranje, de zoon van koning Willem I, vooralsnog tot koning van België te kronen[22]. Men beschouwde het niet als noodzakelijk om de Nederlanden terug samen te brengen onder het Huis van Nassau. Velen waren er zelfs van overtuigd dat dit laatste onmogelijk was, omdat de Belgen zelfbestuur wensten. België diende geregeerd te worden door Belgen. Voordat het Nationaal Congres het Huis van Nassau had uitgesloten van de troon werd vooral de nadruk gelegd op een scheiding met Holland, maar niet per se een onafhankelijkheid van Holland. Deze tendens tot administratieve scheiding veranderde in een eis tot onafhankelijkheid na de septemberdagen wanneer Willem I op een gewelddadige manier had geprobeerd om België terug in te lijven. In tegenstelling tot deze visie bleven de orangisten ijveren voor een administratieve en politieke scheiding van de beide Nederlanden, maar onder dezelfde dynastie en met een eengemaakte economie. Ze streefden naar een federatieve regering onder de scepter van het Huis van Oranje, waarbij ook het leger zou worden geleid door Belgische officieren en gescheiden zou zijn van Holland. Door de economische belangen werd het noodzakelijk geacht om toch een band met Holland te behouden[23]. Buiten industriëlen en handelaars waren ook verschillende hooggeplaatste officieren orangistisch gezind. Zelfs in de nabije entourage  van de regering waren er personen aanwezig die een terugkeer van België onder het huis van Nassau verkozen. Deze stelden alles in het werk om het leger – en dan vooral de patriottische korpsen – te desorganiseren[24]. Willem I zelf hield zeer weinig partizanen over in België, zeker na de gebeurtenissen van September. Maar zijn zoon, de Prins van Oranje, kon wel nog op steun rekenen bij de Belgen[25]. Hij was zich ervan bewust dat een hereniging van België met Nederland onmogelijk was en ondernam op eigen initiatief stappen om zichzelf aan het hoofd van België als onafhankelijke staat te stellen, zonder medeweten van zijn vader[26]. De orangisten werden openlijk gesteund door lord Ponsonby, afgevaardigde van de Engelse regering. Hij achtte het noodzakelijk dat de Prins van Oranje zou worden uitgeroepen als vorst van een onafhankelijk België. De tegenkandidaten Leuchtenberg en vooral de hertog van Nemours, de zoon van de Franse koning Louis-Philippe, waren namelijk geen optie voor de Engelse regering. Deze laatste kon er immers makkelijk voor zorgen dat Frankrijk terug de hand zou kunnen leggen op België, wat koste wat kost moest vermeden worden[27].

 

 

2.2.2 Najaar 1830: contact met de Hollandse vijand te Antwerpen

 

2.2.2.1 De prins van Oranje

 

In Antwerpen  waren er heel wat industriëlen en handelaars die de Onafhankelijkheid betwistten. Onder koning Willem I kende Antwerpen immers een grote economische bloei dankzij vrije doorvaart op de Schelde en de daarmee samenhangende heropleving van de haven. Willem I hechtte een groot belang aan de economische bloei van de Antwerpse haven en industrie. Om dit te bekomen richtte hij de Société Generale pour favoriser l'industrie et le Commerce op in 1822 te Brussel, en de Handelsmaatschappij of Société du Commerce in 1824 te Den Haag. De personen die bij zijn politiek gebaat waren, waren dus vooral grote industriëlen en de Haute Commerce. Dezen waren daarenboven ook diegenen die de voornaamste politieke functies te Antwerpen waarnamen. Ook de sleutelposities in het leger werden bezet door hollandsgezinde militairen[28]. Dit in tegenstelling tot de officieren en soldaten met een lagere graad, waarbij een grote liefde voor het vaderland waar te nemen viel.

            Antwerpen neemt een speciale plaats in binnen de Belgische Revolutie. Antwerpen beschikte over een grote groep orangisten. Daarenboven bleven de Hollanders aanwezig in Antwerpen nadat de onafhankelijkheid van België was uitgeroepen. Op 4 oktober werd prins Willem van Oranje naar Antwerpen gestuurd door zijn vader Willem I, om daar voorlopig te regeren en de orde te herstellen in de delen van de provincies waar deze verstoord was.[29] De prins was de enige mogelijke leider van België voor de orangisten. Tijdens zijn verblijf te Antwerpen ondernam deze verschillende toenaderingspogingen om de gemoederen in zijn voordeel te doen evolueren. Hij erkende, in tegenstelling tot zijn vader, de noodzaak van een onafhankelijk België. Hij was bijgevolg bereid om toegevingen te doen aan de Belgen[30]. Aan de andere kant bezette de generaal Chassé, Nederlands bevelhebber te Antwerpen, vanaf oktober de Citadel van Antwerpen. Er heerste een grote orangistische dreiging boven Antwerpen. Deze expliciete aanwezigheid van de Hollanders op Belgisch grondgebied maakte de dreiging van een contra-revolutie nog groter.

            Op 15 oktober 1830 begaf een zekere Plissart, afkomstig uit Beauve vlakbij Chièvres in Henegouwen tot bij de prins om een laisser-passer te vragen om terug te keren naar de andere delen van België. De dag nadien keerde hij opnieuw terug omdat de Hollandse officieren dit hadden geweigerd. Dit was de dag waarop de prins van Oranje een proclamatie uitvaardigde waarin hij de Belgische onafhankelijkheid erkende. Op deze manier hoopte hij de situatie van de onafhankelijkheid vooralsnog in zijn voordeel te laten keren[31]

 

   “Belges! Depuis que je me suis adressé à vous par ma proclamation du 5 du présent mois, j'ai étudié        votre position, je la comprends et vous reconnais comme nation indépendante [...] Je me mets, dans les        provinces que je gouverne, à la tête du mouvement qui vous mène vers un état de choses nouveau et       stable, dont la nationalité fait la force. Voilà la langage de celui que versa son sang pour          l'indépendance de votre sol et qui veut s'associer à vos  efforts pour établir votre nationalité       politique[32]”.

 

Plissart aanhoorde deze afkondiging, waarna de Prins van Oranje hem opdroeg een exemplaar van deze afkondiging naar de gouverneur van Henegouwen te dragen. Beide waren blijkbaar geen vreemden van elkaar, Plissart was een soort bode in dienst van de Prins. In zijn verklaringen zei Plissart dat hij vermoedde dat deze uitvaardiging niet positief zou worden ontvangen[33]. De uitvaardiging lokte veel kritiek uit bij de Belgische bevolking, te meer daar generaal Chassé diezelfde dag had verklaard dat de Citadel van Antwerpen in staat van beleg was geplaatst. Door de tegenstrijdigheid tussen beide berichten hechtte men weinig geloof aan de pacifistische en goede intenties van de Prins. De vijandigheden te Antwerpen versnelden door de proclamatie van Chassé. In tegenstelling tot de vijandige houding van de generaal ondernam de Prins van Oranje hierna nog enkele verzoeningspogingen bij het Voorlopig bewind. Toch hadden bleven ze zonder resultaat omdat zijn intenties niet werden geloofd. Op 20 oktober verzond de koning van Holland een besluit waarin hij zijn zoon ontzette uit zijn plicht om te heersen over Antwerpen, dat hem vanaf 4 oktober was opgedragen. Dit besluit werd gepubliceerd op 24 oktober, dezelfde dag waarop het Nationaal Congres de ontzetting van de dynastie van Nassau verklaarde[34].

            Plissart keerde terug naar Antwerpen temidden van deze gebeurtenissen. Hij ontmoette er de prins, die hem meldde dat hij naar Londen zou gaan om daar de belangen van het Huis van Oranje door te drukken op de Conferentie van Londen, die zou plaatsvinden vanaf 2 november. Hij gaf Plissart de opdracht om contact met Den Haag te houden over de gang van zaken in België. Indien de zaken gunstig verliepen, kon hij een contra-revolutionaire beweging opzetten, in ruil voor 45000 waardebonnen[35]. Er zijn geen getuigen of medeplichtigen die kunnen bevestigen of ontkennen wat Plissarts plannen waren. Hijzelf erkende dat hij deze opdracht had gekregen van de Prins, maar ontkende dat hij dit ook ten uitvoer heeft gebracht. Hij zei dat hij had besloten om het bedrag dat de Prins hem had beloofd aan de Belgische staat te overhandigen, nadat bekend werd dat het huis van Nassau werd uitgesloten van de troon[36]. Deze verklaring lijkt vrij ver gezocht, maar het was voor Plissart een ideale manier om zichzelf vrij te pleiten. In een brief naar een vriend schreef hij dat hij het plan zo had verwoord dat hij zeker zou vrijgelaten worden[37].

            De prins zou Antwerpen verlaten de dag voor het uitbreken van volksrellen, die opgevolgd werden door het beruchte bombardement van Antwerpen[38]. Dit bombardement maakte voorgoed een einde aan de mogelijkheid van de Prins om te regeren over België. Het deed de Belgen beseffen dat onder Oranje verder gaan niet tot een van de opties behoorde. De prins had de aanslag op Antwerpen niet kunnen tegenhouden, ondanks de vele beloftes had gemaakt aan het Belgische volk. Dit maakte zijn troonsbestijging een verloren zaak[39].

 

2.2.2.2 Poging naar Holland te gaan – Arrestatie

 

Een anonieme persoon had Plissart ontmoet in de periode dat hij bij de Prins van Oranje was gegaan. Plissart had zich aan hem voorgesteld als landbouwer, genaamd Labrique[40]. Hij bevond zich in het Café de l'Empereur. Daar vertelde Plissart hem dat hij naar Brussel was geweest en daar verschillende mensen had ontmoet die zich tegen de Revolutie hadden uitgesproken. De huidige situatie kon enkel opgelost worden door Willem van Oranje of diens zoon te laten terugkeren. Het Voorlopig Bewind kon omvergeworpen worden binnen de 24 uur. Plissart vertelde hem de dag nadien dat de prins had vernomen dat hij in Antwerpen was en hem wilde zien. Na deze ontmoeting zei hij dat hij een missie had en hiervoor naar Brussel moest vertrekken, maar dat hij opnieuw contact zou opnemen. De getuige werd achterdochtig en ging op onderzoek uit. Bij de koetsierdienst, waarmee Plissart voordien naar Brussel was vertrokken, kende men geen Labrique. In het Hotel de la Couronne had niemand gelogeerd onder de naam Labrique. Maar na een persoonsbeschrijving bleek dat het wel degelijk ging om Plissart. Dit overtuigde hem ervan dat deze man een staatsgevaarlijk persoon was. Hij besloot te wachten tot hij terug zou komen, om zijn plannen te weten te komen. Nadat hij vernam dat er revoltes aan de gang waren in verschillende steden, besloot hij op 21 oktober om het Voorlopig Bewind in te lichten. Te Brussel aangekomen begaf hij zich naar de regering, waar hij naar De Potter werd gestuurd. Deze was hem zeer dankbaar voor de verklaring en vroeg hem in Brussel te  blijven om te zien hoe de regering de man in kwestie zou opsporen. Na het bombardement van Antwerpen vertrok hij. Twee dagen later verklaarde hij aan de politiecommissaris dat hij de papieren van Hotel de la Couronne moest halen. Daaruit bleek dat Plissart meerdere malen in dit hotel had verbleven. Nadat het hoofd van de Openbare Veiligheid, Plaisant, de feiten had vernomen, beval hij de politiecommissaris Plissart te arresteren wanneer hij in Antwerpen opdook.

            Begin december keerde Plissart terug naar Antwerpen, met als doel naar Holland te gaan. Dit om  daar de waardebonnen te verkrijgen die hem waren beloofd. Hij beschikte over een aanbeveling van een zekere Van Cazeele aan de generaal Van Der Smissen, die later nog een rol zal spelen in het orangistisch complot van maart 1831 en tien jaar later opnieuw een complot zal beramen. Op 7 december kwam hij aan in Antwerpen. De generaal was niet te bespeuren, waarop hij een overnachting boekte in het hotel St-Antoine. Daar informeerde hij zich over hoe hij makkelijk in de Citadel kon geraken, die nog steeds door Hollandse militairen werd bezet. Van daaruit zou hij de Schelde oversteken en naar Holland gaan. Daar werd hij diezelfde dag gearresteerd. Hij had geen paspoort bij zich, enkel een aanbevelingsbrief aan de generaal Vandersmissen op naam van Labrique. Hij droeg ook een brief voor de Gouverneur van Henegouwen[41].

            Hij werd vier dagen en vijf nachten vastgehouden[42]. Hij werd er bezocht door de substituut-procureur van Antwerpen en generaal Van Der Smissen, de militaire gouverneur van Antwerpen. Hij bekende dat hij informatie doorgaf aan de prins van Oranje. Hij kreeg van Willem 40 à 45000 waardebonnen als hij een contra-revolutie organiseerde. Hij zei dat hij de indruk gaf aan de dynastie van Nassau dat hij dit inderdaad aan het organiseren was, maar dat hij de middelen die hij van de dynastie kreeg voor het slagen van dit project, aan de regering van België zou overmaken. Hij gaf een open brief aan zijn ondervragers, gericht aan  Gendebien, lid van het Nationaal Congres, waarin de uiteenzetting van zijn plan neergeschreven stond. Plissart speelde een zeer dubieus en gevaarlijk spel.   Het lijkt vrij onwaarschijnlijk dat zijn sympathieën voor de dynastie verdwenen samen met het besluit van het Congres. Hij legde deze verklaring af, omdat hij op die manier kon worden vrijgelaten, waarna hij kon verdergaan met zijn plannen. Enkele dagen later werd hij uit de gevangenis opgehaald door een koets en naar Brussel gebracht. Daar ontmoette hij Plaisant, het hoofd van de Openbare Veiligheid, aan wie hij hetzelfde verhaal vertelde. Deze geloofde de vrij ongeloofwaardige verklaring en liet hem vrij, zodat hij zijn plan ten uitvoer kon brengen. Hij plaatste Plissart onder 'actieve' bewaking wanneer deze zich op Belgisch grondgebied bevond[43]. Dit was een gevaarlijke beslissing. Het plan kon gemakkelijk in het voordeel van Holland uitdraaien, maar de persoon die instond voor de veiligheid van België achtte dit gevaar blijkbaar niet groot. Toch was deze dreiging er wel degelijk. Plissart was een oplichter, die reeds voor de rechtbank was verschenen. Hij had onder het Hollands bewind verschillende handelsprojecten ondernomen, waardoor hij in contact was gekomen met de Minister van Binnenlandse Zaken en van Financiën en zelfs met de koning van Holland[44]. Dit contact maakte het gevaar nog waarschijnlijker.

            Plaisant droeg hem op naar Den Haag te gaan om daar de buit, de 45000 waardebonnen, op te halen. Hij kreeg een brief gericht aan generaal Van Der Smissen, van wie hij een overgangspasje kreeg om naar een Hollandse voorpost te gaan. In Holland aangekomen werd hij ter hoogte van Breda aangehouden op 31 december 1830. Na zijn arrestatie schreef hij naar prins Frederic (omdat Willem nog steeds in Londen was) dat hij graag zou worden overgeplaatst naar Den Haag. Hierop antwoordde Frederic dat hij graag zou weten waarover het juist ging. Op de achterkant van deze brief  was er een complex plan beschreven in het handschrift van de beschuldigde. Hierin stond dat hij na verschillende contacten met Prins Willem te hebben gehad over de toestand van België een plan had uitgewerkt. Hierbij zou door de behendigheid van enkele maatregelen, die als doel hebben verwarring te zaaien in de administratie van financiën, een contra-revolutie kunnen worden bewerkstelligd. Prins Frederic schreef hem terug op een gunstig moment te wachten om deze operaties - en dus de contra-revolutie - te doen plaatsvinden[45].

            Terug in België aangekomen verklaarde hij alles aan Plaisant[46]. Daarna vertrok hij opnieuw naar Holland, waar hij een brief zond aan de koning met de melding dat een restauratie onmogelijk was, maar dat het plan toch kans had op slagen indien een lid van de dynastie zou verklaren dat hij akkoord ging met de Grondwet, met de beslissingen van het Nationaal Congres en met het Voorlopig Bewind en dat de revolutie erkend werd. Hij kreeg een positief antwoord. De middelen om zijn plan te verwezenlijken zouden langs de Franse grens België binnenkomen. De politiecommissaris Barbieux werd ermee belast maatregelen te treffen om deze buit aan de Franse grens in ontvangst te nemen. Maar de buit kwam niet. Dit was al een eerste teken dat erop wees dat Plissart nog steeds handelde in voordeel van de belangen van Holland. Daar bovenop begaf hij zich nadien opnieuw naar Holland, zonder de toelating van Plaisant. Daar vernam hij dat de reden waarom hij nog niets had vernomen vanuit Den Haag was dat de situatie door de beslissingen van het Congres van Londen zou worden geregeld. Voor een vierde maal ging hij opnieuw naar Holland[47], waar men hem verzekerde dat, indien de beslissingen vanuit Londen nadelig waren, de middelen vooralsnog ter zijner beschikking zouden worden gesteld voor de uitvoering van zijn plan. Het lijkt er sterk op dat Plissart een dubbele rol speelde. Op 24 of 25 maart kwam hij terug uit Breda: de dag waarop een groots orangistisch complot werd ontdekt. Deze gelijktijdigheid maakt zijn stappen des te verdachter. De volgende dag kwam hij rond vier uur 's ochtends aan te Ath, niet ver van Chièvres. Het is onverklaarbaar hoe het komt dat Plaisant hem liet begaan. Het was namelijk duidelijk dat Plissart een gevaar betekende voor België en streng in het oog moest gehouden worden. Het is duidelijk dat hij zijn functie niet naar behoren uitvoerde en hierdoor België in gevaar bracht. Hij legde tijdens het onderzoek een zeer vage verklaring af over zijn rol in het gebeuren. Op het moment dat hij een verklaring aflegde in dit onderzoek was hij reeds ontslagen als hoofd van de Openbare Veiligheid omwille van duistere praktijken[48].

 

2.2.2.3 Arrestatie

 

Hierna verbleef Plissart een maand te Chièvres. Misschien wel omdat hij schrik had  om gearresteerd te worden op verdenking van medeplichtigheid aan het complot van 25 maart. Op 13 april werd hij geseind als een hoogst staatsgevaarlijk persoon en een agent van het huis van Oranje[49], waarna hij op 18 april werd hij aangehouden aan een voorpost aan de grens van Holland. Hij werd gevangen gezet in de amigo. In de pers schreef men dat hij reeds langer was gekend als agent van Oranje[50].

De dag van zijn arrestatie diende hij te verschijnen voor de  militaire gouverneur generaal Le Hardy De Beaulieu. Daar hoorde hij dat hij ervan werd beschuldigd de auteur of medeplichtige te zijn van een grote samenzwering. Hij vroeg de generaal om bewijzen te leveren van wat hij beweerde. Zonder gehoor te geven aan zijn vraag werd hij in de kelders van de amigo geworpen, waar hij 38 dagen verbleef. Tijdens zijn tweede ondervraging werd hij op de hoogte gesteld dat hij ervan beschuldigd werd relaties te hebben met de vijanden van de staat[51].

            De provinciegouverneur verdacht hem ervan dat zijn daden verband hielden met de troebelen die zich in verschillende steden hebben voorgedaan. Maar hij bleef volhouden dat zijn handelen helemaal los stond van het complot dat op 25 maart was uitgebroken te Antwerpen (zie 2.1.2). Hij zei dat zijn plan nog niet ten uitvoer was gebracht, en niet niet in verband kon worden gebracht met de gebeurtenissen van 25 maart. Maar het feit dat hij net die dag de grens overstak, kan erop wijzen dat die dag was uitgepikt als gunstig moment om zijn plan ten uitvoer te brengen. Hij had Van Der Smissen, één van de samenzweerders van 25 maart, ontmoet in de gevangenis in december. Plissart had weinig vertrouwen in hem en wilde aanvankelijk niets aan hem toevertrouwen. Toch droeg hij verschillende malen een brief op zich gericht aan Vander Smissen. Volgens Plissart zag Vander Smissen hem als een nuttig speler in het complot[52]. De persoon die Plissart had aangegeven had evenmin veel vertrouwen in de generaal, hij had zelfs een brief geschreven naar de Minister van Oorlog Goblet met de boodschap dat het nodig was om de generaal te schaduwen, nadat hij Plissart had ontmoet, wat eveneens wijst op een band tussen beide. Tijdens zijn gevangenschap schreef hij echter een brief die bewijst dat hij, ook na de verwerping van de dynastie van Nassau, Prins Willem zag als enige mogelijke troonpretendent. Hier verklaarde hij namelijk dat de staat is crisis verkeerde nadat de hertog van Nemours de kroon had afgewezen, en dat hij dit wilde verhelpen door de Prins van Oranje op de troon te helpen:

 

   “Ne pouvait il pas apres sa justification demander que la Congres rapporta l'arret de sa  decheance. Ne pouvai pas l'esperer, en promettant de ramener la paix interieur et exterieur de prêter  serment de fidelité a la Constitution et en declarant que la triomphe de la cause de la liberté des peuples daterait du jour de son ramenement au trone de la Belgique qu'en fui il serait le premier citoyen de la revolution. Ou est le crime de celui qui aurait donné un tel conseil au Prince et l'engager même à le suivre?”

 

2.2.2.4 Het proces

 

Isidore Plissart was niet meer van de jongste. Hij had de leeftijd van 65 jaar bereikt toen hij gearresteerd werd. Gedurende vijf maanden werd hij vastgehouden in een vochtige kelder zonder licht of frisse lucht. Zijn gezondheid ging dan ook zeer slecht achteruit. In verscheidene brieven aan de overheidsinstanties smeekte hij om vrijgelaten te worden en om een goede verzorging te verkrijgen. Hierdoor kon hij vaak niet aanwezig zijn op zijn rechtzaak, waardoor de zaak vertraging opliep en pas in december 1831 voorkwam. Hij bleef gedurende heel zijn gevangenschap volhouden dat hij niet medeplichtig was aan een groots complot en dat hij niemand deelachtig had gemaakt aan zijn plannen, behalve de heer Plaisant, lid van de Staatsveiligheid. Hiervoor schreef hij zelfs talrijke brieven naar verschillende instanties om hen hiervan te overtuigen. Toen het complot van generaal Van Der Smissen uitbrak op 25 maart 1831, bracht dit een enorme paniekreactie teweeg. Het is niet te verbazen dat de autoriteiten dit complot in verband brachten met de plannen van Plissart, aangezien deze vanaf oktober 1830 regelmatig in Antwerpen had verbleven, zoals de registers van de hotels La Couronne en St-Antoine bewijzen. Deze samenzwering was door militairen georganiseerd en werd berecht voor een militaire rechtbank. Aangezien Plissart aanvankelijk werd verdacht van medeplichtigheid, werd hij voor een militair gerecht gedaagd. In verschillende brieven aan verschillende instanties ontkende hij deze medeplichtigheid. Men geloofde hem en daagde hem voor het Hof van Assisen.

            Uiteindelijk kwam de zaak voor op 13 december 1831. De getuigen die werden opgeroepen om te verschijnen waren de heer Isidore Plaisant, advocaat-generaal van het Hooggerechtshof van Brussel en vroegere administrateur van de openbare veiligheid, Theodore Emmanuel Barbieux, politiecommissaris en Adolphe Eykholt, bediende van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Op verzoek van de beschuldigde werd de zitting achter gesloten deuren gehouden. Na deliberatie van de jury op 15 december 1831 onschuldig verklaard aan  “het onderhouden van contact met de vijand van de Staat en het ondernemen van manoeuvers, met als doel de toegang tot het grondgebied van België te vergemakkelijken”[53]. Omdat de zaak achter gesloten deuren werd gehouden weet men ook niet welke elementen hebben bijgedragen tot zijn vrijspraak. Een verklaringsfactor voor deze vrijspraak was dat men hem niet zou hebben veroordeeld op beschuldiging een politiek misdrijf gepleegd tegen een regering die zelf nog in staat van revolutie is. Een andere manier om zijn vrijspraak te verklaren is het feit dat vijf van de twaalf juryleden handelaars uit Antwerpen waren[54]. Antwerpen, een stad die leefde van zijn haven en industrie en dat tot economische bloei kwam onder Willem I, kende een groot aantal contra-revolutionnairen onder de handelaars en de fabrikanten[55]. Bovendien had Plissart reeds voordien  geargumenteerd dat de correspondentie die hij had met het Huis van Nassau van legale aard was en dat die gedreven had uit liefde voor zijn vaderland. Zijn was doel om het vaderland te redden in een staat van crisis en hij was hierbij van mening dat het Huis van Nassau hier het beste toe in staat was.

 

 

2.2.3 Gent, begin 1831

 

2.2.3.1 Een openlijk georganiseerd complot

 

In de loop van januari werd er een groots complot voorbereid. De orangisten waren in deze periode bijzonder actief. Orangistische bladen spuiden dagelijks kritiek op het Congres en het Voorlopig Bewind, terwijl er in de steden massaal gepropageerd werd ten voordele van de prins van Oranje. Men kon haast spreken van een openlijk georganiseerd complot ten voordele van het huis van Oranje-Nassau. Het doel was om in Gent de macht in handen te nemen, te Leuven en Antwerpen onlusten uit te doen breken en te Brussel de zittingszaal van het Congres binnen te dringen, deze te ontbinden en tenslotte daar de Prins van Oranje uitroepen tot luitenant-generaal van het koninkrijk[56]. Toen het Nationaal Congres duidelijk pleitte voor de hertog van Nemours als toekomstige koning van België, was het voor de orangisten noodzakelijk om snel te handelen. Op 3 februari zou hij worden uitgeroepen tot koning van België. Het plan was om een zekere luitenant-kolonel Ernest Grégoire in te schakelen. Men droeg hem op naar Gent te marcheren met zijn bataljon. Daar zouden de orangisten, die in deze stad talrijk aanwezig waren, zijn binnentocht voorbereiden. Het succes van de opdracht werd hem verzekerd. Het garnizoen te Gent zou zich meteen aan zijn zijde scharen en de Gentse orangisten zouden hem met open armen ontvangen.[57] Ernest Grégoire was een dokter, geboren te Charleville. Hij had zich genoodzaakt gezien Frankrijk te verlaten om een publieke beschuldiging van de rechtbank te  ontlopen. Hij vestigde zich te Spa, dat hij in 1828 verliet om in de hoofdstad te gaan wonen. Bij het nieuws van de revolutie te Parijs verliet hij Brussel om terug te keren naar zijn vaderland. Hij keerde terug naar België vlak voordat hier de revolutie uitbrak. Hij nam actief deel aan verschillende 'evenementen'. Hij was zelfs stichtend lid van de Réunion Centrale, een radicaal-patriottische vereniging, bestaande uit enkele vooraanstaande republikeinen met onder meer De Potter[58]. Omwille van zijn heldhaftige acties ontving hij van  het Voorlopig Bewind de graad van luitenant-kolonel[59]. Hij werd belast met de organisatie van drie divisies der infanterie te Brugge[60]. Toch leek hij niet tevreden,  waardoor hij kon worden ingeschakeld om de Prins van Oranje te laten uitroepen, iets waar zijn vroegere medestanders van de Réunion Central heftig tegen gekant waren. Men zag in deze eeuwige ontevredene de ideale persoon om de actie voor de terugkeer van de Prins van Oranje te bewerkstelligen. Door hem beloftes te doen van een roemrijke toekomst werd hij voor de zaak gewonnen[61]. De persoon die naast hem zou staan op 2 februari was De Bast, een gekend orangist, geboren en getogen Gentenaar. Hij was een oud wapenmeester. Hij had eveneens van de Belgische regering een bevordering gekregen en hij was benoemd tot kapitein van het tweede bataljon der tirailleurs[62].

 

2.2.3.2 Vertrek van de troepen

     

De avond van 1 op 2 februari verliet de troep van kolonel Grégoire in het grootste geheim het garnizoen te Brugge om later die avond aan te komen te Eeklo. Bij zijn uittocht liet hij de fanfares klinken, waardoor zijn vertrek werd opgemerkt. Toen generaal Mahieu in Brugge ontdekte dat de troepen van Grégoire zich in de richting van Gent begaven, stuurde hij twee koeriers op tot bij de commandant van Vlaanderen, generaal Duvivier, om hem de komst van Grégoire te melden. Hoewel hij de melding rond middernacht had gekregen, stuurde hij de bode pas drie uur later op[63]. Te Eeklo, waar de troepen waren aangekomen, heerste er een geladen sfeer. D'Origny, één van Grégoire's medestanders, vroeg aan de cabaretier Rodrigos of het mogelijk was om de troepen in zijn etablissement te laten overnachten en de manschappen te voorzien van brood, kaas en jenever. Wanneer deze dit weigerde werd er gedreigd de boel kort en klein te slaan. D'Origny gaf de manschappen een som geld, zeggende dat dit van de Prins van Oranje kwam, die weldra zou worden uitgeroepen als vorst van België. De burgemeester werd eveneens bedreigd wanneer men zag dat er nog geen koetsen waren gearriveerd voor de volgende ochtend[64]. Er werden de hele nacht patriottische liederen gezongen en de zin “Vive le Prince d'Orange” werd vaak geproclameerd. Van Romme, adjudant onderofficier, ontving die avond het bevel van Grégoire om zich met zijn troepen naar de kazerne te begeven. Rond 10 uur 's avonds bewapende hij zijn manschappen. D'Origny gaf hen een voorraad cartouches. Men had er echter geen flauw benul van waarom ze moesten oprukken en waar ze heen gingen. Toen Van Romme op weg naar Gent aan de kolonel vroeg waar ze heen gingen antwoordde deze hem: “A la découverte”. De Bast zei tegen de commandant Rijbroeck dat ze naar Maastricht gingen. Ter hoogte van Mariakerke kregen de troepen het bevel hun wapens te laden. Volgens een getuige kwam dit bevel van D'Origny. Volgens De Bast, die zelf afkomstig was van Gent, moest men op de hoede zijn in Gent omdat daar een revolutionaire sfeer hing. Grégoire was echter nog steeds overtuigd van een makkelijke overwinning, die hem was gegarandeerd door zijn opdrachtgevers[65].

 

2.2.3.3 Sabotage- gebrek aan voorzorgsmaatregelen

 

Generaal Duvivier vernam het nieuws van de beweging rond 10 uur 's ochtends. Hij verklaarde tijdens de zitting zeer veel vertrouwen te hebben in het patriottisme van Grégoire, en bijgevolg dacht hij dat de beweging ging om de wapenstilstand met Holland te verbreken[66]. Toch gaven zijn verdere acties aan dat hij op de hoogte was van Grégoire's plannen. Hij gaf aan generaal de Wautier, militaire gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen, het schriftelijk bevel om naar Eeklo te  rijden en Grégoire, die met zijn bataljon het garnizoen te Brugge had verlaten, te bevelen terug te keren naar Brugge[67]. Deze kwam de troepen van Grégoire tegen ter hoogte van Mariakerke. Daar aangekomen deelde hij het bevel van generaal Duvivier mee. Maar Grégoire antwoordde hem dat hij naar Gent oprukte om de prins van Oranje te proclameren, dat de bevolking hem opwachtte en dat hij geen enkel bevel moest opvolgen, noch van Duvivier, noch van de Wauthier. Hij beschikte namelijk over een opdracht die hij had ontvangen van de prins van Oranje in persoon. Dit vernemend stuurde de Wautier zijn aide-de-camp in alle haast naar Gent om Duvivier in te lichten over de plannen van Grégoire. Hij vroeg aan Grégoire om hem het bevel, dat hij had ontvangen van de Prins van Oranje, te tonen. De brief was getekend door de prins vanuit Londen, op datum van 14 januari:

 

           Londres, 14 janvier 1831

   “ Mon Colonel,

   J'ai reçu ce matin votre lettre par... et datée de Bruges. Je crois ne pouvoir mieux y répondre qu'en          vous remerciant des sentiments que vous met portez et du zèle que vous paraissez vouloir déployer en           faveur de ma cause. La pièce ci-incluse contient ma profession de foi publique; communiquez-la à mes    partisans et servez vous-en pour rassurer ceux parmi les Belges qui pourraient se croire trop fortement         compromis, et pourraient, par là, craindre une réaction. L'oubli du passé est proclamé dans l'espèce de    manifeste que je vous transmets, et vous savez que je n'ai jamais faussé ma parole.”

     “GUILLAUME, prince d'Orange”[68]

 

Generaal de Wautier bleef ter plekke om de optocht af te remmen, zodat men in Gent de tijd had om de nodige voorzorgen te nemen tegen de beweging. Maar omwille van de koude zetten de troepen zich in beweging zonder bevel. Hij stapte mee met de kolonne gezien de onmogelijkheid uit deze troep te ontsnappen[69]. Toen hij de stad naderde, zag hij dat er geen enkele maatregel was getroffen door de generaal Duvivier: de brug over het kanaal was niet opgehesen, de Brugse poort was niet gesloten noch waren er extra troepen om de stad te verdedigen tegen wat komen ging[70].

            De aide-de-camp van de Wautier had generaal Duvivier reeds de boodschap doorgegeven dat Grégoire kwam om een contra-revolutie te verwezenlijken. Dit was reeds een eerste teken van een zekere medeplichtigheid van de generaal. In de stad dacht men dat de mededeling van de beweging vals alarm was, aangezien er geen enkele maatregel werd getroffen, zoals generaal de Wautier had opgemerkt. Maar tegen 13 uur zag men de troepen van Grégoire aankomen, samen met De Bast, die een troep van 250 man aanvoerden. Men riep “Vive le prince d'Orange” en gooide geld naar de inwoners van Gent. Maar in plaats van zich aan de zijde van Grégoire's troepen te scharen, raapte men het geld op en riep men de troepen “Leve de Belgen” toe[71]. Het verliep niet zoals Grégoire had verwacht. Hij had immers vernomen dat Gent een broeihaard van orangisme was en dat hij met open armen zou worden ontvangen. Deze reactie was van groot belang omdat de stad, die gekend stond als orangistisch bastion, toch nog veel tegenstand vertoonde. In andere steden zou de tegenstand met andere woorden nóg groter zijn. Enkel de heren Van den Berghe, Trossaert en Antheunis waren enthousiast en liepen constant heen en weer voorbij de Brugse poort[72]. De Bast kwam aan in de stad  en riep: “Amis! Amis!”. Van Den Berghe, die hem opwachtte, vloog hem rond de nek en riep: “Vive le prince d'Orange!”. Het eerste peleton herhaalde deze kreet, het tweede riep: “Vive Napoleon!”. Het derde riep: “Vive les Français, vive la liberté!”[73]. Het is duidelijk dat vele mannen niet eens wisten om welke reden ze naar Gent waren opgerukt. Ze merkten echter al snel dat ze helemaal niet met open armen werden ontvangen door de Gentenaars. Binnengekomen in de stad verdeelden de troepen zich in twee groepen. De troepen van kapitein De Bast marcheerden naar de kazerne van de pompiers om daar wapens te bemachtigen en de troepen van Grégoire begaven zich rechtstreeks, zonder enige hindernis, naar het gouverneurshuis[74].

            Binnengekomen in Gent, begaf de Wautier zich snel naar generaal Duvivier, vergezeld door D'Origny die met hem was meegestuurd. Hij betoonde toen reeds spijt van zijn medewerking aan de onderneming. Aangekomen bij Duvivier, bleek deze rustig aan zijn bureau te zitten, zeggende dat de nodige maatregelen waren getroffen. Het was duidelijk dat dit helemaal niet zo was, waaruit we kunnen afleiden dat de hoogste militaire autoriteit te Gent bij de beweging was betrokken, evenals een groot deel van de korpsen onder zijn bevel[75]. Op deze manier probeerde hij iedere tegenactie af te remmen. Enkel op aandrang van de Wautier begaven beide generaals zich naar de kazernes om de troepen te bevelen op te rukken tegen de beweging. Maar wanneer hij daar aankwam, bleek dat men ook hier had geprobeerd een verdediging af te remmen. Bij verschillende legereenheden was geen munitie aanwezig. Kolonel l'Olivier probeerde de Wauthier te overtuigen aan Grégoire's zijde te strijden. Wanneer Duvivier later geen maatregelen nam om de man te straffen, werd zijn medeplichtigheid nogmaals duidelijk[76].

            Ondertussen was Grégoire aangekomen op Duviviers bureau. Hier uitte hij nogmaals het vertrouwen in het slagen van de optocht en zei hij dat de Prins sowieso zou worden uitgeroepen, ongeacht het aantal doden. Het lijkt erop alsof Grégoire ervan op de hoogte was dat de Gentse troepen niet in staat waren de beweging af te weren. D'Origny, die op het bureau was achtergebleven, raadde hem aan de stad zo snel mogelijk te verlaten. Hij was er, in tegenstelling tot Grégoire, niet langer van overtuigd dat de beweging legaal was, laat staan een kans had op slagen[77].

 

2.2.3.4 Tussenkomst van de brandweer

 

Intussen maakte de commandant-kolonel van de pompiers Vande Poele zijn manschappen om met zijn troepen en kanonnen de manschappen van Grégoire tegen te houden. Toen hij net wilde vertrekken zag hij een troep zich in versnelde pas in de richting van de kazerne begeven, onder leiding van De Bast. Hij ging de kazerne binnen en sloot de poort en richtte het kanon op de poort. Hij beval Roliers  om de rebellen te beschieten als ze de kazerne wilden aanvallen. Maar De Bast passeerde zonder iets te doen en begaf zich in de richting van het gouverneurshuis. Daar bevond Grégoire zich reeds, die zonder enig obstakel de stad had kunnen doorkruisen. Aanvankelijk had Van de Poele het bevel gekregen om de kazerne te bewaken tegen een aanval van de beweging, maar toen hij van twee verschillende bronnen[78] had vernomen dat Grégoire de pompiers bij het gouvernement reeds had overmeesterd en de mannen gevangen had genomen, besloot hij zich naar zijn manschappen te begeven. Een huwelijkskoets, die voor de kazerne halt hield, moest eraan geloven en werd ingepalmd door de brandweermannen. De orangistische personages te Gent hadden immers, ter voorbereiding van het complot, de cavalerie van de brandweer ontnomen[79]. Nog maar een feit dat erop wijst dat iedere vorm van verdediging was gesaboteerd. Van De Poele begaf zich met zijn pompiers en de kanonnen naar de plaats van het gebeuren. Daar zei Grégoire dat hij niet kwam om een burgeroorlog te ontketenen maar enkel om de prins van Oranje uit te roepen als koning en hij voegde hieraan toe dat Duvivier en de gouverneur de Lamberts dit reeds erkenden. Van Duvivier kon dit aangenomen worden, maar de gouverneur had reeds voordien verklaard dat hij de prins van Oranje weigerde te erkennen. Grégoire had hem gezegd dat de brandweermannen hun wapens hadden afgegeven en de Prins van Oranje wel aanvaardden. Aangezien de politie noch de militaire overheid hem was komen waarschuwen, was de gouverneur ervan overtuigd dat deze allen bij het complot betrokken waren en dat de revolutie dus een verloren zaak was[80].

            Luitenant Roliers kreeg de opdracht van Van de Poele om naar de gouverneur te gaan en te horen wat hiervan waar was. Deze kwam weldra terug met de boodschap dat Grégoire een leugen had verteld. Hierop klonken enkele schoten vanwege de troepen van Grégoire, waarmee een man werd gedood en drie anderen werden verwond. Van de Poele beval het vuur te openen[81]. Hierop vielen  enkele doden binnen de troepen van Grégoire en vele gewonden[82]. Nadat het vuur was geopend, vluchtten de troepen van Grégoire, waarvan een vijftigtal onder hen werd gevangen genomen. Volgens het rapport van Duvivier over de zaak waren het er rond de honderd[83]. Pas nadat het gevaar geweken was, kwamen de militairen aan op het slagveld[84]. Het was enkel dankzij het optreden van de brandweermannen dat Grégoire's ondergang werd getekend. De stad stond in rep en roer. De bevolking riep woedend “Vivent les belges, vivent les patriotes!” naar de 'verraders van België'[85] .       

 

2.2.3.5 Arrestatie

 

Wat gebeurde er nu met de verliezers? Grégoire had zich uit de voeten kunnen maken. Aan de Brugse poort verzamelde hij zijn manschappen en begaf hij zich naar Mariakerke. Daar verliet hij zijn troepen en stapte hij in een koets. Te Eeklo werd hij diezelfde avond aangehouden door de burgemeester van de gemeente, de Stroo, en de commandant van de burgerwacht, Ryffrancks. Hij droeg de brief bij zich die hij had ontvangen van de prins van Oranje. De Bast was ernstig gewond geraakt en vluchtte in een kelder in de Kruisstraat, waar hij werd gevonden en gevangen genomen. Hij zei tegen de man die hem vond dat hij misleid was, dat men hem overtuigd had dat de prins zou uitgeroepen worden als koning. Hij had enkel de bevelen van zijn kolonel uitgevoerd[86]. Een angstige Jacquemyns had zich verstopt in het stadhuis na de fatale afloop van hun onderneming[87]. L'Indépendant meldde dat de soldaten zich niet hadden verzet bij hun arrestatie. Reeds voordien was gebleken dat het merendeel niet wist waarvoor er werd gestreden en en dat ze enkel de bevelen van hun oversten uitvoerden. Op drie februari werden Grégoire en zijn medeplichtingen binnengebracht in Gent op algemeen gejoel van de bevolking[88]. De personen, die Grégoire hadden bijgestaan in de operatie, schoven vlak na en zelfs nog tijdens de gebeurtenissen de schuld volledig in de schoenen van de kolonel. Ze trachtten zichzelf vrij te pleiten door te zeggen dat ze enkel bevelen hadden opgevolgd en dat ze dachten dat de Prins overal een warm welkom te wachten zou staan.

            Twee dagen na de poging om België onder Hollands bewind te plaatsen, werd het stadsbestuur van Gent ontbonden omdat het zichzelf zwaar gecompromitteerd had in het hele gebeuren. Er werd een veiligheidscommissie opgericht bestaande uit twaalf leden, waaronder de republikeinse advocaten en patriotten De Souter en Spilthoorn[89]. Op 10 februari besliste deze commissie om de pompiers te belonen voor hun moedig gedrag van 2 februari omdat dankzij hen Grégoire's nederlaag was bezegeld. Door hun toedoen heeft de strijd niet geleid tot onnodige bloedvergieten. Er werd beslist om hen een paar nieuwe epauletten te geven. Op 3 februari werd de hertog van Nemours, de tweede zoon van Louis-Philippe verkozen als vorst. Maar op 17 februari 1831 weigerde Louis-Philippe. De gebeurtenissen te Gent hadden hem doen vrezen voor een algemene oorlog naar aanleiging van de kandidatuur van zijn zoon en dit wenste hij te vermijden[90].

 

2.2.3.6 Het proces

 

Aangezien een militair, meer bepaald luitenant-kolonel Grégoire, heeft getracht de Prins van Oranje uit te roepen, en daarbij zijn rang misbruikte om zijn soldaten aan te zetten tot rebellie, zou de zaak voor een militair gerecht moeten komen. Maar hier zou het delict bestraft worden met de doodstraf. Daarom betrok Grégoire enkele burgers in zijn complot, Jacquemyns en D'Origny, omdat hij op die manier voor een burgerlijke rechtbank zou verschijnen, met name het Hof van Assisen, waar de doodstraf nooit werd uitgevoerd. Het waren hooggeplaatste orangistische militairen die stappen ondernamen om hem voor het Hof van Assisen te laten verschijnen. Kolonel d'Hane was tijdens het hele gebeuren aanwezig geweest in Gent, maar in plaats van actie te ondernemen wachtte hij rustig de uitkomst van het gebeuren af. De raad die bevoegd was met het onderzoek bevatte enkele van deze orangistische militairen, waardoor Grégoire dankzij deze militairen voor een burgerlijke rechtbank werd gedaagd[91].

            Begin juni kwam de zaak voor het Hof van Assisen van Brabant. De akte van in beschuldigingstelling van de Procureur-Generaal van 25 april 1831 stelde dat Ernest Grégoire, Barthélémi De Bast, Louis Hutteau D'Horigny, Edouard Jacquemyns, Charles Antheunis, Edouard Vandenberghe en Bernard Trossaert Roeland ervan werden beschuldigd in België in de loop van het jaar een complot te hebben beraamd met als doel de vernietiging of verandering van de regering van dit land. Daarbij hadden ze ter uitvoering van dit complot een deel van het tweede bataljon van de schutters en met een détachement du 6e régiment de ligne ingezet. Ze hadden een aanslag gepleegd waarvan het doel de verandering van de regering van België was, door te Gent te proclameren dat de Prins van Oranje het staatshoofd was. Hierbij heeft Louis Hutteau D'Horigny met medeweten de auteurs geholpen of geassisteerd met deze aanslag. Edouard Vandenberghe heeft de bevolking of inwoners van deze stad direct geëxiteerd om deze aanslag te plegen, door middel van een openbare voordracht. Toch hadden zijn provocaties geen enkel effect[92].

            Na het aanhoren van de getuigen stond het zo goed als vast dat Grégoire gehandeld heeft om de Prins van Oranje uit te roepen. Hij erkende ook dat hij dit heeft gepoogd. Maar zijn advocaat en die van zijn medebeschuldigden betwistten de strafbaarheid van zijn handelingen. Grégoire's advocaat  pleitte dat het artikel 87 van het strafrecht niet meer van kracht was. Zo pleitte hij dat dit artikel was ingesteld om revoluties te straffen, maar dat België zich zelf nog in een staat van revolutie bevond. Het artikel was ingesteld om een macht die vaststond te beschermen, maar niet om een voorlopige regering te beschermen. Vervolgens stelde hij dat Grégoire de revolutie niet ongedaan wilde maken, maar de prins aan het hoofd ervan wilde plaatsen om haar te consolideren[93]. Hij zag ervan af van geweld te gebruiken, wat moest blijken uit het feit dat hij geen kanon meehad en de soldaten over slecht schietgerij en sabels beschikten. Hij voelde zich geroepen door de algemene wil: hij wilde de prins declameren in alle kalmte[94].  Het zou echter zeer naïef geweest zijn van Grégoire om te denken een beweging zonder wapens te kunnen lanceren, en op pacifistische wijze het land door te trekken. De manschappen droegen wapens en hadden ze voor hun aankomst te Gent geladen, wat meteen in tegenspraak stond met zijn woorden. De advocaat van D'Horigny pleitte dat zijn cliënt niets afwist van de plannen, en zodra hij dit vernam, iedere samenwerking staakte[95]. Ook voor Jacquemyns werd dit gepleit, maar toch stond hij Grégoire op te wachten aan de poort waarlangs hij Gent zou binnenkomen. Dit wijst in de richting van een dichte betrokkenheid[96]. Tegen de verdediging bracht de procureur-generaal de Bavay in dat er  geen enkele analogie bestond tussen de revolutie van 1830 en de revolte van februari. Dit omdat de revolte niet werd gedragen door het volk, maar door een bepaald deel van de bevolking. Er was besloten het artikel 87 in ere te laten waardoor de wet nog steeds van kracht is. Hierbij was er ook het voorstel om doodstraf om te zetten in verbanning[97].

            Op de zitting van 8 juni 1831 besloot de jury dat Grégoire en De Bast schuldig waren en veroordeelde de beschuldigden tot respectievelijk 10 jaar opsluiting (avec exposition) en 5 jaar opsluiting (sans exposition). Jacquemyns en D'Origny werden vrijgesproken. Zoals duidelijk blijkt uit de straffen die werden toegekend, had de jury de actie niet beoordeeld als een aanslag om de staat te veranderen. De uitspraak was gemotiveerd op het feit dat ze de openbare macht een bevel hadden gegeven dat tegenstrijdig was met de beslissing van het Congres, namelijk de uitsluiting van het Huis van Nassau als troonpretendent, wat werd bestraft met artikel 188 van het strafrecht[98]. Beide schuldigen stapten naar het Hof van Cassatie. Daar werd het arrest van het Hof van Assisen van Brabant verbroken en werden ze naar het Hof van Assisen van Bergen verwezen op 6 juli 1831. Daar werden ze vrijgesproken van hun schuld op 16 september 1831, met als verklaring: “Acquité attendu que le fait dont il a été coupable n'est pas défendu par une loi pénale”, zoals de verdediging had geponeerd. Het motief voor deze vrijspraak was dat de wetten, die deze misdaad straffen, zijn ontstaan onder het Franse bewind en enkel hier geldig waren. Deze uitspraak werd onthaald op een verraste stilte[99]. Op 5 oktober 1831 werd hij in vrijheid gesteld, nadat het Openbaar Ministerie voorzag in Cassatie[100]. Na deze uitspraak vertrok Ernest Grégoire naar Holland, waar men hem de organisatie van een korps partisanen toevertrouwde. Daar bleef hij enige tijd, om nadien terug te keren naar Frankrijk[101] .      

            Op 5 maart 1832 veroordeelde het Hof van Assisen van Brabant de advocaat Charles Antheunis van Laerne en Edouard Vandenbergen uit Gent tot de doodstraf bij verstek voor medeplichtigheid in de zaak Gregoire. Trossaert, fabrikant te Gent, werd vrijgesproken. Charles Antheunis was op dat moment voortvluchtig te Rijsel en Edouard Vandenbergen bevond zich waarschijnlijk (volgens de krant) in Den Haag, bij Ernest Grégoire en De Bast[102] .

 

2.2.4 Een militair complot te Antwerpen

 

Reeds eerder was allusie gemaakt op het complot van 25 maart te Antwerpen. Dit complot valt echter buiten het bestek van deze scriptie omdat militaire complotten voor een militair gerecht worden gedaagd en niet voor het Hof van Assisen. Toch wordt het kort aangehaald om onvolledigheid te vermijden. Er waren eveneens hooggeplaatste militairen bij dit complot betrokken. De onrust in België werd groter vlak nadat de hertog van Nemours de troon van België had geweigerd. Men zat nog steeds zonder vorst. Het Nationaal Congres besloot over te gaan tot de verkiezing van een regent: baron Surlet de Chokier. Men was ervan overtuigd dat zijn zwak beleid ervoor had gezorgd dat het mogelijk werd een groots geplande staatsgreep te doen plaatsvinden. Hij was niet bepaald een tegenstander van de orangisten. De Engelse diplomaat Lord Ponsonby had een grote invloed op de regent. Hij had de regent ervan kunnen overtuigen dat de Prins van Oranje de beste kandidaat voor de troon zou zijn en  dat België in een staat van anarchie en burgeroorlog zou terechtkomen indien men niet verder ging onder de dynastie van Nassau. Verschillende leden van het Congres, hoge industriëlen, bankiers en vooraanstaande handelaars stonden de Engelse diplomaat hierin bij[103]. Het zwak beleid en de onrust die er heerste werden door de orangisten aangegrepen om de toestand in hun voordeel te laten verlopen en een contra-revolutie uit te roepen[104].  Men maakte er zelfs geen geheim van dat men ijverde voor de terugkeer van het Huis van Nassau.

            Te Antwerpen werd het terrein voorbereid door generaal Chassé, die het kasteel bezette. Hij mengde zich niet openlijk in de zaak, maar had wel het bevel gekregen om de orangisten te Antwerpen te beschermen. Ondanks het feit dat het Nationaal Congres de dynastie had uitgesloten van de troon, bleven de orangisten doorzetten[105]. De autoriteiten waren op 22 maart op de hoogte van de contra-revolutie. De Minister van Oorlog, Goblet, was reeds langer op de hoogte van het complot, maar hij greep niet in[106]. Lord Ponsonby had de orangisten gegarandeerd dat een mislukking onmogelijk was. Maar op het laatste ogenblik liet hij de orangisten echter in de steek, wanneer hij Frankrijk een ultimatum stelde: Leopold van Saxen-Coburg als vorst of een restauratie[107].

            De aanvoerder van de samenzwering te Antwerpen was de militaire gouverneur van Antwerpen, generaal Vander Smissen. Deze zou een beweging ten voordele van de gevallen dynastie bewerken. Ook verschillende rijke handelaars en gekende orangisten zouden betrokken zijn in het complot. Op 25 maart 1831 riep Van Der Smissen zijn officieren bijeen en zette samen met generaal Nypels zijn plan uiteen. Ook vooraanstaande orangistische burgers van Antwerpen waren hier aanwezig. Maar in tegenstelling tot wat de generaal verwacht had,  reageerden Ryckholt en Eenens, beide 'commandants des batteries de campagne', met een grote verontwaardiging en weigerden eraan deel te nemen. Ze zegden dat enkel het Congres en de regent bevoegd waren om over de toekomstige vorst te beslissen en besloten geen bevelen van de generaals meer op te volgen[108]. Te Brussel werd er gerekend op baron d'Hooghvorst en op de kolonel van de burgerwacht Borremans. Ook in Hasselt en Mechelen, respectievelijk onder leiding van generaal Daine en luitenant kolonel Edline, ageerden de orangisten voor de terugkeer het Huis van Oranje. Toch bleek dat lang niet iedereen de Prins van Oranje even gunstig gezind was. Heel België stond in rep en roer wanneer deze beweging ontdekt werd. Uit de politieverslagen blijkt dat de plaatselijke autoriteiten niet op de hoogte waren van de samenzwering (hoewel men sprak over een openlijk georganiseerde samenzwering) en dat verschillende hooggeplaatste personen in het bestuur verdacht werden. In verschillende steden braken onlusten uit: het volk ging over tot plunderingen van de huizen van bekende orangisten en toonde een huldebetoon aan de officieren die zich verzet hadden: De Rijckholt, Coitin, Tabor en Le Hardy de Beaulieu[109]. Generaal Vandersmissen vluchtte via het platteland tot bij de Regent. Deze hielp de generaal te vluchten naar de grens met Pruisen in plaats van hem uit te leveren[110]. Enkel kolonel Borremans werd voor het militair gerecht gedaagd en veroordeeld. De anderen gingen vrijuit. Na dit optreden werd het volk hoogst wantrouwig tegenover de militairen. De komst van generaal Le Hardy de Beaulieu en generaal De Failly, respectievelijk ter vervanging van generaal Nypels en generaal Vandersmissen, bracht hier verandering in. Deze waren patriotten, in tegenstelling tot generaal Van Der Smissen [111]. De mislukking van deze samenzwering betekende het begin van het einde van het orangisme in Antwerpen[112].

 

2.2.5 Het falen van het orangisme

 

Misschien net omwille van het feit dat de complotten zo openlijk werden voorbereid, kwam de beweging zo verrassend en schokkend over. Uit de verschillende gebeurtenissen bleek dat de staat niet in staat was repressieve maatregelen te treffen, ook al was er sprake van een contra-revolutionaire beweging. Te Gent toonde de late waarschuwing vanwege de militaire autoriteiten aan dat hooggeplaatste officieren bij de beweging betrokken waren. De autoriteiten ondernamen niets: de administrateur van de openbare veiligheid en de minister van Oorlog reageerden niet – of op de verkeerde manier – op de dreiging. Het falen van de samenzweringen was niet het resultaat van een adekwate reactie vanwege de autoriteiten, maar eerder een samenloop van omstandigheden. Grégoire's beweging werd afgewend door de actie van de brandweermannen, Van Der Smissen zijn beweging door de weigering van de lagere officieren om mee te werken aan de uitvoering ervan. Plissart werd pas verdacht nadat het complot van maart duidelijk werd. Het zou kunnen dat zijn beweging helemaal los staat van deze van Van Der Smissen. Het tegendeel kon niet bewezen worden. Toch is het moeilijk te geloven dat een 65-jarige man helemaal alleen een plan op het touw had gezet om de Prins van Oranje als koning van België te laten uitroepen of zoals hij zelf zegt, zijn plan te gebruiken in voordeel van België en geld te recupereren van de Hollanders.

            De orangisten hadden gedacht dat de weg vrij stond voor een kroning van de Prins van Oranje als koning van België, door enkele hoge functionarissen voor hun plan te winnen. Maar ze hadden geen rekening gehouden met het nationaal bewustzijn dat leefde onder de Belgische bevolking. Het was voor velen onaanvaardbaar om terug te keren onder het Huis van Oranje. Zo zou de Revolutie, waarvoor zij zo hard hadden gestreden midden 1830, teniet worden gedaan. De meeste officieren (meestal met een lagere graad) zworen het orangisme af en beschikten over een groot patriottisch gevoel. Ook het volk deelde deze mening, wat we kunnen opmaken uit de plunderingen van 31 maart 1831 gericht tegen de orangisten. Tijdens deze plunderingen werd er niet ingegrepen door de militairen en de burgerwacht, wat deze stelling ook versterkt. Het overgrote deel van het volk was niet gewonnen voor de orangistische partij[113]. Vervolgens beseften de orangisten evenmin dat de tegenstand van het volk tegen de restauratie nog was toegenomen na het bombardement van Antwerpen. Het was voor de publieke opinie duidelijk geworden dat een terugkeer van het de Nassau-dynastie onmogelijk was[114]. De populariteit van de patriottisch republikeinse vereniging, de Association Nationale, die enkele dagen voor het grootse complot, op 23 maart gesticht werd, toont eveneens dat de meerderheid van het volk absoluut gekand is tegen de terugkeer van het huis van Oranje[115]. De twee voornaamste programmapunten van deze vereniging waren namelijk het bewaren van de Onafhankelijkheid en de eeuwige uitsluiting van het Huis van Oranje van de troon.

 

 

2.3 De republikeinen

           

2.3.1 De republikeinse verenigingen

 

Een andere strekking die in de periode van de Belgische Omwenteling actie ondernam, is de republikeinse groep. Maar de redenen van hun beslissing om tot actie over te gaan komen van een totaal andere hoek dan die van de orangisten. De republikeinen kunnen worden gezien als vroeg-democratische figuren, als een radicale patriottische groepering. Ze stonden met andere woorden sterk achter de onafhankelijkheid van België. Belangrijke kopstukken van deze beweging hadden zelfs een grote rol gespeeld in de onafhankelijkheidsstrijd. Zo brachten De Potter, Jottrand en Ducpectiaux een tijd samen in de gevangenis door en waren Louis De Potter en Adolphe Bartels samen veroordeeld tot verbanning onder het bewind van Willem I omwille hun strijd tegen dit bewind[116]. Maar wat hen onderscheidde van andere strijders voor de onafhankelijkheid was dat zij geen monarchie voor ogen hadden. Ze zagen de revolutie zelfs als een aanslag tegen de monarchie. Dit omdat ze meenden dat bij deze staatsordening de weg openstond voor misbruiken zoals onder het bewind van Willem I. Daarom stonden ze een republikeinse staatsordening voor. Enkelen van hen waren leden van het Voorlopig Bewind, die moesten beslissen over de toekomst van  België (De Potter en Gendebien). Aanvankelijk waren zij ervan overtuigd dat België wel degelijk een republiek zou worden omdat men meende dat de revolutie die door het volk mogelijk werd gemaakt voordelig moest zijn voor het gehele volk. Het republikeinse ideaal was een samenleving onder vorm van een republiek, waarin alle mensen gelijke kansen hebben en het lot van de arbeiders zou worden verbeterd.  Dit was enkel mogelijk onder een niet-erfelijk leiderschap. De toenmalige republikeinse organisatie Réunion Centrale, die was ontstaan in de schoot van de revolutie, ijverde dan ook voor de republiek en voor de rechten van de arbeiders[117].  Er volgden lange discussies onder de politici over de toekomst van de Belgische staat[118]. Begin november 1830 besloot het Voorlopig Bewind tot een grondwet waarin de monarchie werd uitgeroepen tot de staatsordening van België. Dit leidde tot grote woede van de republikeinen omdat de monarchie de aristocratie en de grondeigenaars bevoordeligde die niet hadden deelgenomen aan de revolutie, en het volk niet de electorale wetten gaf waar het recht op had. Na de uitroeping van de monarchie ging de vereniging ten onder[119]. Maar dit betekende zeker niet het einde van de republikeinse beweging. Deze vereniging werd namelijk opgevolgd door een organisatie opgericht door Louis De Potter, de Association de L'Indépendance Nationale op 14 februari (13 februari?). Ze was echter helemaal niet zo populair bij het volk. Het was namelijk een uitgesproken republikeinse vereniging, opgericht met het expliciete doel een republiek te vestigen waardoor ze ook enkel een republikeinse aanhang kende. Dit betekende de ondergang van de Association de L'Indépendance Nationale. Ten gevolge van volksrelletjes tegen deze vereniging op 23 februari (20 februari?) tijdens een zitting, vluchtte De Potter naar Parijs. De vereniging werd nadien opgedoekt[120]. Op 23 maart 1831 werd de Association Nationale Belge opgericht door Gendebien. De voorzitter van de organisatie was de advocaat Tielemans, de vice-voorzitters waren Gendebien en Van Meenen. In deze organisatie zetelden eveneens republikeins gezinden, en kan worden gezien als de opvolger van de Association de L'Indépendance Nationale. Maar het grote verschil tussen beide was echter dat de Association Nationale geen expliciete uitdrukking gaf aan zijn republikeinse gezindheid. Ze ontstond in een context van grote onrust, waarbij er nog steeds geen vorst verkozen was, de orangistische dreiging steeds groter werd (zie het orangistische complot van 25 maart) en men vreesde dat België door het jammerlijke bewind van de regent  in een fatale crisis zou terecht komen[121]. De twee doelstellingen van de vereniging waren de exclusie van de dynastie van Nassau, het behoud van de onafhankelijkheid en de instandhouding van het Belgische territorium:

   “Une association formée à Bruxelles, pour assurer l'indépendance du pays et l'exclusion perpétuelle des Nassau. Les associés s'engagent sur l'honneur à défendre et à maintenir, au prix de tous les sacrifices, l'indépendance et la nationalité belges, à combattre les Nassau, à jamais transiger avec eux   à quelque extrémité que la patrie soit réduite, et à repousser toute agression hostile de la part de           l'étranger.”[122]

 

Zowel het anti-orangistische karakter als het behoud van de onafhankelijkheid van de Association Nationale als de afwezigheid van republikeinse uitspraken, maakten dat de vereniging een grotere aanhang kreeg, ook onder het gewone volk[123]. Deze aanhang kan ook mede verklaard worden door het orangistische complot dat ten tijde van de oprichting van de vereniging zou plaatsvinden. Toch propageerde men acties binnen een wettelijk kader: “Obéissance à la constitution, respect à la propriété, à l'ordre public”[124]. Het was met andere woorden niet door hun toedoen dat de plunderingen hadden plaatsgevonden, of althans niet officieel. De Association Nationale was georganiseerd met vertakkingen over het hele land. Er waren lokale departementen die verslag moesten uitbrengen aan het proviniciaal comité, dat op zijn beurt verslag moest uitbrengen aan het centraal comité te Brussel. Deze hiërarchische structuur die verspreid was over het hele land kwam meteen bedreigend over op de staat, die nog niet in staat was de organisatie te breken. In de principeverklaring van de organisatie was niets  bedreigends op te merken, maar toch argwaanden de autoriteiten de organisatie, omwille van het republikeinse karakter van haar leden. Naast het feit dat verscheidene hogere officieren binnen het leger gewonnen waren voor de orangistische zaak kende ook de republikeinse beweging een belangrijke aanhang binnen het leger. Zo waren onder andere de generaals Mellinet, Le Hardy de Beaulieu en Niellon uitgesproken republikeins en bijgevolg ook de korpsen die onder hen dienden. De langdurige onzekerheid, veroorzaakt door het uitblijven van een aanstelling van een vorst, deen op verschillende plaatsen onlusten ontstaan. Het verlangen naar de stichting van een republiek kwam opnieuw naar boven.

            Juni 1831 stond volledig in het teken van de te verwachten beslissingen die door het Nationaal Congres zouden genomen worden na de Conferentie van Londen. Daar was voorgesteld om de Prins Leopold van Saksen-Coburg Gotha te verkiezen als koning van België. De enige voorwaarde voor zijn aanvaarding van de troon was echter dat hem werd opgelegd het verdrag van de XVIII artikelen te aanvaarden, dat was opgesteld tijdens de Conferentie van Londen. Dit hield in dat een deel van het Belgisch grondgebied zou worden afgestaan aan Holland, in ruil voor diens aanvaarding van de Belgische Onafhankelijkheid. Delen van Luxemburg en Limburg zouden bij Holland worden gevoegd. Dit was echter onaanvaardbaar voor de republikeinen. Eén van de belangrijkste pijlers van de  Association Nationale was immers het behoud van L'integrité du Territoire. Op 24 juni 1831 werden de resoluties betreffende dit verdrag overgemaakt aan het Congres en op 1 juli werd het debat geopend[125]. Begin juli 1831 ontstonden er in verschillende Belgische steden onlusten naar aanleiding van de aanvaarding van de XVIII artikelen. Verschillende leden van de Association Nationale waren erbij betrokken. De dag voor de overhandiging van het verdrag zou de algemene vergadering van de vereniging een dagorde hebben verstuurd naar de verschillende lokale organisaties waarin men de leden aanmaande:

   “Se tenir prêt à tout, mais tranquille en attendant les instructions du comité directeur. Point de     mouvements  partiels: ensemble, calme et vigueur. 

     Ducpectiaux: secretaire

     Lebroussart: vice-président”[126]

 

Reeds de dag nadien werd deze dagorde opgevolgd door een dagorde n° 10, waarin te lezen stond:

            “Se tenir prêt à soutenir d'un instant à l'autre soit la majorité, soit la minorité du Congres, qui rejettera   les protocoles que nos commiss. ont rapporté de Londres. La question sera décidées le premier ou le   deuxième juillet ou plus tard. Nous vous avertirons dès qu'il sera necessaire d'agir. Il importe de bien    se pénétrer de l'idée que le succes dépend de l'ensemble qui règnera dans nos efforts.

     Union-confiance-force

     Gendebien: vice-président

     Ducpectiaux: sécretaire”

 

Maar wanneer bleek dat het verdrag en de verkiezing van Leopold als vorst gunstig werden onthaald in het Nationaal Congres, werd duidelijk voor de organisatie dat de monarchie steeds meer werkelijkheid werd. De vereniging verzond een dagorde n° 11 dat aanzette tot protest tegen de aanvaarding van de 18 artikelen:

            “Protester contre les 18 articles proposés à Londres. Les 18 articles violent notre constitution et sont     contraires aux résolutions précédentes du congres qui n'a offert na couronne de la Belgique au prince  du Cobourg qu'à la condition d'accepter purement et simplement notre constitution et de maintenir     l'integrité du territoire.”[127]

 

Hier was nog steeds geen sprake van illegale acties. Men wilde protesteren tegen de schending van hun patriottistische principes. Tijdens het grootse onderzoek dat volgde op de gebeurtenissen van begin juli, ging men op zoek naar bewijzen dat er nog een andere versie van deze dagorde bestond. Hierin werden de leden aangespoord om massaal actie te ondernemen tegen de beslissingen van de Conferentie van Londen, tegen de XVIII artikelen en tegen de verkiezing van koning Leopold I en hiervoor op te rukken naar Brussel.  Er zou een geheim comité zijn ontstaan, het comité dirigeant, met slechts een beperkt aantal leden: Bartels, Gendebien en Levae[128]. Dit comité zou verantwoordelijk zijn voor het versturen van deze alternatieve dagorde n° 11. In verschillende steden ontstonden onlusten, wat de autoriteiten het bestaan van deze alternatieve dagorde deed vermoeden. Te Leuven heerste een grote onrust en waren de leden van de Association Nationale van plan om naar Brussel te marcheren. Op 3 juli verzamelde het volk zich op de Grote Markt en eiste de verwerping van het verdrag. Men dreigde zich naar de hoofdstad te begeven om daar  de regering te dwingen de oorlog te verklaren aan Holland. Toch kon deze bedaard worden door de advocaat Roussel, door het volk mee te delen dat een afvaardiging van deze lokale Association Nationale zich tot de regent zou wenden om het ongenoegen tegen het verdrag te uiten. De regent verklaarde tijdens een onderhoud met de Leuvenaars dat hij een manifestatie van de publieke opinie zoals deze steunde, en  dat hij niet dacht dat de XVIII artikelen zouden worden aanvaard. Tenslotte zei hij dat hij Venloo noch Maastricht zou opgeven[129]. Hier kon de situatie bedwongen worden. Dit in tegenstelling tot het hele gebeuren in dezelfde periode te Geraardsbergen en Gent. Naar aanleiding van de feiten die zich in deze twee steden voordeden  werden er twee processen gevoerd tegen verscheidene leden van de Association Nationale. De gelijkaardige acties, die bovendien gelijktijdig plaatsvonden, maakten het bestaan van een overkoepelende afspraak om naar Brussel te marcheren waarschijnlijk. Maar een mars op Brussel lijkt niet illegaal, tenzij er meer aan verbonden is dan enkel een intentie om de wil van het volk openbaar te maken.

 

2.3.2  Geraardsbergen in juli 1831

 

2.3.2.1 Een patriottische afvaardiging

 

De generaal Le Hardy de Beaulieu had reeds een roemrijke militaire carrière achter de rug. Hij had deelgenomen aan de Slag van Waterloo, waarna hij het Hollandse leger diende. Hier nam hij ontslag na de Belgische Revolutie in oktober. Zijn ontslag werd goedgekeurd op 4 november 1830. In België werd hij nog diezelfde maand benoemd tot generaal-majoor. Hij werd generaal van Namen en later kreeg hij het bevel over het tweede militaire commandement van Antwerpen. Deze functie werd hem toegekend na de affaire van maart 1831, waar verschillende generaals bij betrokken waren. Hij slaagde erin het vertrouwen van de bevolking te winnen omwille van de adekwate maatregelen die hij nam ten aanzien van generaal Chassé, die nog steeds het kasteel te Antwerpen bezette. Hij werd zeer populair en geliefd in Antwerpen. Maar reeds in april werd hij gedwongen ontslag te nemen, omwille van persoonlijke troebelen met generaal Daine. Hierover was hij woedend en teleurgesteld. Hij werd op eigen vraag op non-activiteit en later op verlof geplaatst[130]. De Association Nationale zond naar aanleiding van deze gebeurtenissen een delegatie naar de generaal om medeleven en spijt te betuigen. Hierna zou hij een belangrijke rol spelen binnen de Association Nationale. Hij maakte zelfs deel uit van een afvaardiging naar de kasteelheer van Lingelom om hem aan te moedigen tot een verandering van zijn ministerie. Hij stelde zich samen met Gendebien, Tielemans, de Brouckère voor als vervanger. Hij zou daarbij de functie van Minister van Oorlog op zich nemen. Net zoals vele andere radicale patriotten, verafschuwde hij de regent en diens bewind[131].

            Tijdens een zitting van de Association Nationale zou hij eind juni de kolonel Lejeune hebben ontmoet. Daar had Lejeune hem verteld over de patriottische gevoelens van de inwoners van Geraardsbergen, waarna de generaal hem had beloofd deze patriottische stad eens te komen opzoeken. Dit zou hij op 1 juli effectief doen, vergezeld van zijn zoon en baron Alfred-Napoleon-Cézar D'Armagnac[132]. D'Armagnac was een Fransman, zoon van generaal D'Armagnac. Hij had tijdens de revolutie van Griekenland gestreden aan de zijde van de revolutionairen. Nadat hij had vernomen dat er in België een revolutie aan de gang was, besloot hij ook hier mee te strijden voor de onafhankelijkheid. Na de revolutie ging hij naar Namen om te dienen onder de Franse republikeinse generaal Mellinet, die zijn vader nog had gediend. Na een schandaal waarbij Mellinet de schutters “Vive la république” had laten uitroepen, werd Mellinet overgeplaatst naar Doornik, waarbij hij werd gevolgd door d'Armagnac[133]. Daar werd hij lid van de Association Patriotique. Hij omtmoette De Beaulieu te Brussel, nadat de Doornikse vereniging had besloten een afvaardiging naar het Centraal Comité te sturen om steun te betuigen aan het protest tegen het verdrag van de XVIII artikelen. Vanuit Brussel is hij met Le Hardy de Beaulieu en diens zoon naar Geraardsbergen gegaan. Pas toen hij reeds met de generaal onderweg was, werd hem meegedeeld wat het werkelijke doel was van de reis naar Geraardsbergen[134]...

 

2.3.2.2 Een enthousiast onthaal

 

Op 1 juli werd generaal Le Hardy de Beaulieu door een koetsier opgehaald bij Gendebien en naar Geraardsbergen gereden. Hij werd vergezeld door zijn zoon en d'Armagnac. Onderweg werden ze tegengehouden door een man te paard, die vroeg of er nieuws was of er binnenkort zou gevochten worden. Een van de passagiers antwoordde: “Bientôt le tocsin sonnera dans la Belgique et l'on chassera les Hollandais”. Ze kwamen aan in Geraardsbergen rond vijf uur in de namiddag en vertrokken opnieuw rond 1 uur 's nachts naar Brussel[135]. Aangekomen te Geraardsbergen begaven ze zich naar de woonplaats van de kolonel van de burgerwacht, Lejeune. Bij deze kolonel werden verschillende officieren van zijn korps uitgenodigd. Men praatte over politiek en in het bijzonder over de aanvaarding van de XVIII artikelen. Le Hardy de Beaulieu zei hen dat het Congres verraad pleegde door dit verdrag te aanvaarden. Dit zou de patriotten in verschillende gemeenten zo ontzet hebben, dat men beslist had om vanuit deze gemeenten naar de hoofdstad te marcheren, om daar de regent te helpen de grondwet te handhaven en de ministers die de XVIII artikelen hadden aanvaard te verjagen om zo het vaderland te redden van de Hollanders. Dit was meteen een aansporing om de regering omver te werpen, maar de manier van formuleren deed de actie  overkomen als de redding van België. De bezoekers van Lejeune waren het ermee eens dat er iets moest gebeuren, en verklaarden zich bereid om naar Brussel te gaan. Er zouden zondagochtend 60 à 80.000 manschappen toestromen uit de verschillende regio's. Men zou door verschillende poorten Brussel binnentrekken. De burgerwacht van Geraardsbergen verklaarde zich eveneens bereid 'het vaderland te redden'. Men zou optrekken zonder wapens, omdat het enkel de bedoeling was om de wil van het volk kenbaar te maken. Blijkbaar konden ze de burgerwacht ervan overtuigen dat de ministers zomaar bereid zouden zijn om af te treden door een optocht. In werkelijkheid zou het gebruik van wapens de enige manier zijn om de beweging te  doen slagen. Te Anderlecht zou er volgens d'Armagnac eten en jenever voorzien zijn voor de manschappen[136]. De hele avond werden in kroegen patriottische liederen gezongen en er werd gedronken op de gezondheid van generaal Le Hardy de Beaulieu.

 

2.3.2.3 De eerste tekens van argwaan

 

D'Armagnac had aan kapitein Antheunis de werkelijke bedoeling toevertrouwd: er zouden verschillende posten van Brussel worden overmeesterd, kanonnen worden bemachtigd en de woningen van ministers en de regent worden omsingeld. Ten slotte zou men het Congres verjagen. Bij deze beweging zouden verschillende korpsen van de Brusselse burgerwacht  hen bijstaan[137]. Ook de zoon van generaal de Beaulieu beweerde aan Byl dat er wapens en munitie ter hunner beschikking zouden zijn om zich te verdedigen wanneer de troepen zouden worden aangevallen[138]. Hij sprak volgens Byl over een contra-revolutie. Hierop werd de schepen achterdochtig. Maar een contra-revolutie was niet wat de republikeinen voor ogen hadden. Zij wilden de bestendiging van de onafhankelijkheid, niet het ongedaan maken ervan. Toch maakte de wil om de ministers af te zetten in combinatie van het gebruik van geweld en wapens, de mars niet langer legaal. Rond 1 uur 's nachts vertrokken de drie mannen opnieuw in dezelfde koets naar Brussel.

            Zaterdagochtend rond half 10 werden verschillende officieren van de burgerwacht van Geraardsbergen bij de kolonel Lejeune geroepen. Daar bleek dat de kolonel geen enkele brief kon voorleggen met een schriftelijk bevel voor de optocht. Dit wakkerde de argwaan van verschillende officieren aan, die meenden dat er niet kon worden opgerukt zonder een bevel van de autoriteiten, aangezien ze geen bevel konden uitvoeren van een generaal op non-activiteit. Men besliste om een afvaardiging naar Brussel  te sturen waar de schepen Byl, samen met luitenant Van Cleemputte en adjudant Van Cazeele, deel van zouden uitmaken. Ze zouden er inlichtingen inwinnen over de beweging die zich zou voordoen. Te Brussel hadden de leden van de afvaardiging zich verspreid en contacteerden verscheidene personen. Iedereen zei hen dat er geen sprake was van een wil tot verandering van de regering, dat enkel de fransgezinden, de orangisten en een deel van de republikeinen dit wilden bekomen. Ze hadden zich eveneens tot de generaal d'Hooghvorst gewend die de hoofdcommandant van de burgerwacht was[139]. Hij zei hen dat er geen enkel bevel was gegeven voor een dergelijke beweging en dat het ging om een compagnie die werkte tegen de staat die de regering omver wilde werpen[140].

 

2.3.2.4 Mobilisatie van de burgerwacht

 

Le Hardy en d'Armagnac hadden de kolonel aangespoord om de verschillende korpsen van de burgerwacht te verenigen door de burgerwacht van de verschillende gemeenten van het kanton bijeen te roepen. Zaterdag liet de kolonel alarm slaan en verzocht de burgerwacht om zich die dag te verenigen op de grote markt, samen met de burgerwacht van naburige dorpen. Ze werden verzocht daar samen te komen en van daaruit naar Brussel op te trekken. Op de inspectie kwamen enkel 78 manschappen van Overboelare en Goefferdingen opdagen[141]. De burgerwacht weigerde echter te vertrekken zolang de afvaardiging niet terug was met een legaal bevel. De kolonel Lejeune deelde mee dat de deputatie op de terugweg was en dat men zou wachten tot 23 uur. Indien de afvaardiging dan nog steeds niet zou zijn aangekomen, dan zou men  zich op weg begeven. Rond 22 uur verzamelde een grote menigte zich op de Grote Markt.

            Een half uur voor het aangekondigde vertrek kwamen de Gentenaars Adolphe Bartels, ex-banneling onder het Hollands bewind, en Hellebaut, advocaat en lid van de veiligheidscommissie, aan te Geraardsbergen. Daar aangekomen gingen ze rechtstreeks naar kolonel Lejeune, waarna de alarmbel werd geluid. Ze probeerden de manschappen aan te manen te vertrekken. Hierop onstond er een grote discussie tussen de twee vreemdelingen, Barthels en Hellebaut en leden van de burgerwacht. Een deel van de officieren weigerde om te vertrekken omdat er immers was besloten te wachten op de deputatie. Barthels en Hellebaut riepen naar Lejeune: “vous êtes commandant, commandez votre troupes!”. En dat deed hij ook: “volontaires de Grammont en avant, marche”. Daarbij vertrok hij rond middernacht met een kleine troep van ongeveer 200 man via Ninove naar Brussel[142]. Een ander deel bleef in Geraardsbergen, weigerend te marcheren voordat de afvaardiging was toegekomen. Op een halve mijl verwijderd van de stad kwam de deputatie de kolonne tegemoet. Byl beval de troepen terug te keren naar de stad. In Brussel was alles namelijk volkomen rustig en de stappen die waren ondernomen hadden volgens hem enkel een contra-revolutie voor ogen. Hierna gingen ze binnen in het cabaret Het molenhuys met de kolonel Lejeune, Bartels en Hellebaut. Daar brachten ze verslag uit van wat  ze hadden gezien en gehoord te Brussel. Hierop had Byl een woordwisseling met Bartels, die zei  dat men hem had voorgelogen. Wanneer Byl en Van Cazeele terug buitenkwamen, werden ze achterna gelopen door Bartels, waarop een luide discussie volgde met Van Cazeele en Byl. Hij beschuldigde hen ervan orangisten te zijn omdat ze tegen de mars waren. Hierop verweten de twee mannen hem een anarchist te zijn en Byl riep hem toe : “vous voulez faire massacrer le Grammontois, qui se trouveront seuls à Bruxelles!”[143]. Bartels bedreigde hem met de woorden: “je vous connais, sous peu je vous trouverai”. Hierna stapte Byl in zijn koets en keerde terug naar Geraardsbergen. Lejeune, die met verstomming geslagen was, gaf zijn manschappen onmiddelijk het bevel terug te keren naar Geraardsbergen[144].

 

2.3.2.5 Arrestatie en proces

 

De autoriteiten zaten zeer verveeld met de hele zaak. Het liefst van al wilden ze de aanhangers van de revolutie hun acties vergeven en het hele gebeuren snel vergeten. Dit wordt geïllustreerd door het debat van 20 juli 1831 in het Nationaal Congres, slechts enkele weken na de gebeurtenissen van begin juli. Daar werd door De Brouckère algemene amnestie voorgesteld, ten voordele van alle politieke misdrijven[145]. Toch was niet ingrijpen geen optie omdat dit de zwakte van het gezag zou onderstrepen. Daarom werd de procureur-generaal  ingeschakeld en een onderzoek gestart. Op 7 juli 1831 werden de generaal Le Hardy de Beaulieu, zijn zoon en d'Armagnac gearresteerd en naar de gevangenis Les Petits Carmes gebracht[146].  Lejeune, Bartels en Hellebaut zijn na het falen van hun actie op de vlucht geslaan. Men verdacht deze laatste zelfs van orangisme[147]. Dit wijst erop dat lang niet iedereen op de hoogte was van de doelstellingen van de Association Nationale. De kolonel Lejeune had een grote rol gespeeld in de Belgische Revolutie en was daardoor zeer populair geworden, zowel bij de burgerwacht, bij de inwoners als bij de notabelen van de stad Geraardsbergen. Alle lokale autoriteiten en notabelen waren unaniem in het afraden en opschorten van de maatregelen tegen de kolonel. Aanvankelijk waren de heren Ducpectiaux, Kops, Fievez, Nyberg en Lesbroussart eveneens beschuldigd van medeplichtigheid, maar ze werden niet aangeklaagd door een gebrek aan bewijsmateriaal[148].

            Op 17 augustus 1831 pleitte de procureur-generaal voor de Kamer van Inbeschuldigingstelling dat er niet genoeg bewijsgrond was om over te gaan tot de vervolging van Le Hardy de Beaulieu, diens zoon en d'Armagnac. Na beraadslaging oordeelde de Kamer van Inbeschuldigingsstelling echter dat er wel degelijk genoeg bewijzen waren tegen de generaal en de Fransman om een proces te voeren. Enkel Hannibal Claude Louis Le Hardy de Beaulieu werd buiten beschuldiging gesteld. Ze werden ervan beschuldigd begin juli 1831 een aanval en een complot te hebben gepleegd, met als doel de vernietiging van de regering van België en dit door het omverwerpen van het Nationaal Congres en door de uitvaardiging van het bevel om de burgeroorlog te ontketenen[149].

            Het proces werd geopend op 27 oktober. Het was een klucht. Le Hardy de Beaulieu bekende dat hij de mensen had aangespoord zich te verzetten tegen de aanvaarding van de XVIII artikelen, maar hij beweerde dat hij niet gesproken over een omverwerping van het Congres. Zijn bedoeling was een deputatie naar de regent te sturen, hem aan te raden de 18 artikelen te verwerpen en de ministers te verjagen, omdat ze het vaderland hadden verraden door de aanvaarding van het verdrag. Dit was identiek aan wat de Leuvense afvaardiging had gedaan[150]. Toch is het verjagen van ministers eveneens een politiek misdrijf. Het hele gebeuren werd gebagatelliseerd door de beschuldigden: kolonel Lejeune zei dat hij niet zeker wist of hij een bevel had gekregen van de generaal, omdat hij toen dronken was[151]. Wanneer Charles Antheunis, kapitein van de burgerwacht, verklaarde dat d'Armagnac hem in het café La Cloche had verteld dat het Congres een pied au cul zou krijgen, glimlachte d'Armagnac, zeggende dat hij aangeschoten was toen hij dat zei. Hij had van Lejeune gehoord dat de getuige deel uitmaakte van de meerderheid van het Congres en maakte daarom een grap[152].

            Op 28 oktober werden Le Hardy de Beaulieu en zijn medeplichtige d'Armagnac vrijgesproken bij gebrek aan bewijzen[153]. Toch had deze laatste in zijn verklaring opgebiecht dat er wel degelijk sprake was van een omwenteling en had hij het bestaan van een Comité Dirigeant bevestigd. Dit geheime comité zou de dagorde n° 11, ondertekend door Gendebien en Ducpectiaux, hebben verstuurd[154]. Bartels en Hellebaut werden veroordeeld bij verstek. Op 12 februari 1832 werd de procedure heropend, en werden Hellebaut en Barthels nogmaals opgeroepen om te verschijnen voor hun proces. In maart 1832 lieten beide beschuldigden zich arresteren en verzetten ze zich tegen hun veroordeling. Het Hof verklaarde dat het niet kan worden bewezen dat Barthels en Hellebaut schuldig waren en op 6 maart 1832 werden ze, net zoals hun medebeschuldigden een half jaar voordien, vrijgesproken van hun aanklacht[155] . Adolphe Bartels schreef echter nadien in zijn memoires dat er wel degelijk sprake was geweest van een georganiseerd verzet, en dat het plan erin bestond om vanuit iedere stad in de omgeving van Brussel honderdtal gewapende mannen te sturen. Zowel Le Hardy de Beaulieu als De Coster (waarover later meer) waren volgens Bartels de afgevaardigden die hiervoor naar de verschillende steden waren gezonden[156].

 

2.3.3 Gent in juli 1831

 

2.3.3.1 De Gentse republikeinen

 

Te Gent hadden enkele radicale republikeinen vanaf 4 februari de macht in handen, nadat het vorige gemeentebestuur door het Voorlopig Bewind werd ontheven uit haar functie. Na de poging tot omverwerping van de regering door Ernest Grégoire, werden zij aangesteld door de afgevaardigde van het Voorlopig Bewind Van der Linden als leden van de commission de la sûreté publique, ter vervanging van het corrupte gemeentebestuur. Deze commissie bestond uit elf leden: baron Coppens, commandant van de brandweer Vandepoele, Piers de Ravenschoot, Karel Pycke, d'Hane De Potter, Martens de Meersmans, advocaten Balliu, De Souter en Spilthoorn, Vergauwen en van de Capelle[157]. Ze werden beschouwd als echte patriotten, waaronder enkele republikeinenen, en waren bijgevolg betrouwbaar, in tegenstelling tot het voorgaande bestuur. Gent, een broeihaard van orangisme, werd vanaf die dag geleid door de grootste tegenstrevers ervan.

            In deze periode uitte de Gentse groep radicalen zich het scherpst tegen de binnenlandse ontwikkelingen. Ze waren veel radicaler in hun verzet tegen de toekomstige verkiezing van Leopold van Saksen-Coburg Gotha dan hun medestanders te Brussel[158]. Ook de aanvaarding van de XVIII artikelen, die verbonden was met de verkiezing van Leopold van Saksen-Coburg Gotha, stootte op groot verzet vanwege de republikeinen. Dit verdrag bevatte namelijk de afstand van delen van Luxemburg en Limburg. Binnen de Gentse vereniging werd er zelfs een voorstel ingediend om een petitie naar het Nationaal Congres te sturen, als blijk van het ongenoegen vanwege deze vereniging tegenover de gang van zaken, met de mededeling dat de verkiezing van Leopold indruiste tegen de belangen van het Belgische land. Op 3 juni deed deze petitie de ronde in de stad. De ondertekening ervan eiste de aanvang van  vijandelijkheden tegen Holland en uitte het verzet tegen de kandidatuur van Leopold van Saksen-Coburg als vorst. Twee dagen later werd er vernomen dat deze prins toch was verkozen. De dag nadien, op 6 juni, kwam een deputatie van het Nationaal Congres naar de stad met de officiële mededeling van de aanstelling[159] .

 

2.3.3.2 Vergaderingen van de lokale Association Nationale

 

In juli besloot de Association Nationale om actie te ondernemen. Op 4 juli vond er in de namiddag een grote samenkomst plaats in de herberg La Rhetorique. Tijdens de zitting werden er patriottische liederen gespeeld door de burgerwacht. Er werden verschillende voorstellen gedaan, waarvan er één betrof om de verschillende lokale verenigingen van de Association Nationale op te roepen om in algemeen overleg de leden van het congres hun macht te ontnemen omdat ze het vaderland hadden verraden. Deze uitspraak is vrijwel identiek aan wat de Beaulieu had verklaard in Geraardsbergen, wat wijst op een afspraak van de vereniging om met vereende krachten te reageren tegen het Congres en de Ministers. Bovendien werd het gebruik van wapens niet afgewezen. Er heerste een staat van opwinding. Lebeau en zijn associés werden in de discussies niet gespaard[160]. Ook de republikeinen Spilthoorn, De Coster, Hellebaut en Anssens waren op deze vergadering aanwezig[161]. De Coster was in Brussel aangesteld als afgevaardigde om het terrein in Gent voor te bereiden[162]. Op 5 juli was er opnieuw een bijeenkomst, rond drie uur, voorgezeten door de advocaat De Souter. Bijna de gehele burgerwacht was er aanwezig en nog een heleboel anderen. Over de functie van de voorzitter De Souter zijn er verschillende opvattingen. Volgens één bron was hij constant aan het woord en trachtte de opgehitste menigte in bedwang te houden[163]. Andere bronnen menen dat hij het was die de menigte ophitste door te protesteren tegen de XVIII artikelen, en hen aanzette om naar Brussel te marcheren[164]. Toch zal later nog blijken dat De Souter meermaals het woord zou nemen, maar op geen enkel moment de burgerwacht of een andere instantie inschakelde om de beweging tegen te houden. Er werd opgeroepen om te protesteren tegen de aanvaarding van de XVIII artikelen. Er heerste een opgehitste sfeer. Men was bereid alle mogelijke middelen – zelfs wapens – aan te wenden voor het behoud van de grondwet, de vrijwaring van het Belgische grondgebied en de onafhankelijkheid en de eeuwige uitsluiting van het Huis van Nassau[165]. Sommigen zegden zelfs dat indien het ministerie niet onmiddellijk werd omvergeworpen en de XVIII artikelen niet werden verworpen, een revolutie de enige uitkomst was[166]. Zowel het ene als het andere was een overtreding van de wet. De analogie met Geraardsbergen is groot. Ze waren van plan om de dag nadien naar Brussel te marcheren. Toch wees De Souter de opgehitste menigte erop dat een revolutionnaire beweging enkel negatieve uitkomsten zou hebben[167].

            Diezelfde avond vond er een tweede vergadering plaats. De Souter, president van de vereniging, hield een toespraak uitgesproken tegen de aanvaarding van de XVIII artikelen en tegen de prins van Saksen-Coburg, die op applaus werd onthaald. Na deze toespraak trok een grote troep naar het stadhuis om daar wapens te kunnen bemachtigen, waarna het vertrek naar Brussel rond middernacht zou plaatsvinden[168]. Een veertigtal jongemannen bewapende zich met zeisen aan het stadhuis, waarvan de sergeant van de burgerwacht Scheppers hen voorzag. Ze eisten wapens. Ze werden er toegesproken door De Souter die hen zei dat men respect moest hebben voor personen, bezittingen en opinies. Hij wees erop dat diegenen die de publieke orde zouden schaden de grootste vijanden waren, zoals de prinicipes van de vereniging voorschreven. Volgens één bron zei hij: “Mes amis, je ne sais ce que vous voulez; il ne s'agit nullement de marcher sur Bruxelles, et je n'ai point d'armes...”[169] . Maar volgens Anssens had De Souter wel degelijk aan de opgehitste menigte gezegd dat er wapens om in verkrijgen waren, op de plaats van hun bestemming. Hij had namelijk het bevel gekregen te Boom een wapenlevering van 13000 wapens te voorzien. Deze wapens zouden ter beschikking worden gesteld van de manschappen wanneer ze in Laken aankwamen. Hij vertrok rond half 10 's avonds op bevel van De Coster, eveneens lid van de veiligheidscommissie te Gent.  Hij moest zich wenden tot een majoor van het 12de regiment te Boom, die De Coster had ontmoet te Brussel. Maar nog voor zijn aankomst te Boom werd hij echter aangehouden[170]. Het grote aantal wapens wijst erop dat men van plan was een zeer grote beweging te mobiliseren. Ook had hij volgens Anssens gezegd dat men in kleine groepjes diende op te rukken[171].  Toen de troep ter hoogte van Melle aankwam bij een bos waar men dacht zich te kunnen bewapenen[172], werd men toegesproken door een man. Er bestaat onduidelijkheid over wie dit was[173]. Ondertussen was de bende benaderd door de troepen van generaal de Wautier, die de menigte op bevel van gouverneur Lamberts moesten tegenhouden op hun tocht. Deze slaagden erin om de mannen een halt toe te roepen door te dreigen dat ze zouden worden aangevallen door de cavalerie van het tweede regiment. Het grootste deel van de menigte was ongewapend en had gehoopt zich op weg naar Brussel te kunnen bewapenen.  Ze werden vrijgelaten op voorwaarde dat ze hun zeisen op de kar zouden achterlaten. De menigte werd aangevallen door de jagers en uit elkaar gedreven. De wacht (la garde) maakte zich meester van de kar met zeisen. Het merendeel van de personen die de wapens hadden afgegeven werden door militairen terug naar de stad geleid en begaven zich naar het centrum van de stad via de Sint-Lievenspoort.

            Terug aangekomen in de stad verspreidde het volk zich over verschillende kroegen ter hoogte van de Brusselse poort, waar ze dronken en weigerden te betalen.  De mannen die de opmars naar Brussel hadden bevolen waren nergens te bespeuren. Legertroepen van het 8ste regiment der infanteristen en de jagers van de Maas stonden in voor de ordehandhaving. Ze bleven de hele nacht op post op de Kouter, terwijl patrouilles van de infanterie en de cavalerie de stad doorkruisten, maar alles bleef rustig[174].

 

2.3.3.3 Arrestatie en proces

 

De dag nadien hing er een aanplakbiljet omhoog in Gent om een nieuwe samenkomst bijeen te roepen:[175]

            “L'association nationale se réunira aujourd'hui 8 juillet 1831 à 4 heures de relevée. Le sort de la Belgique va se décider. UNION et COURAGE; tout espoir n'est pas perdu.

     Le vice-président de l'association nationale, Signé L. DE SOUTER”[176]

 

Maar deze samenkomst zou niet doorgaan want om kwart voor vier diezelfde dag werd er opnieuw een aanplakbiljet uitgehangen met de boodschap:

 

           “AVIS”

   “Des affaires importantes retiennent l'avocat De Souter à la maison de ville. La séance n'aura pas lieu. Le jour de réunion sera annoncé

     Le président, L. DE SOUTER”[177]

 

De Souter wist wat er komen ging en wachtte in het stadhuis op zijn arrestatie. In de namiddag verzamelden 3000 manschappen – zowel infanterie, cavallerie, gendarmerie, artillerie als brandweer –  zich op de Place d'Armes. Zelfs kanonnen werden ingezet. Om één persoon te arresteren werd de hele militaire macht van Gent bewapend. De tegenstelling met de middelen die men gebruikte om Grégoire tegen te houden is treffend. Er bevond zich veel volk op straat, maar in tegenstelling tot de dag voordien, waren nu het nieuwsgierige toeschouwers[178]. Omstreeks zes uur omsingelden de troepen het stadhuis en werden de twee kanonnen op de ingangen gericht. De politiecommissaris en vier agenten gingen het secretatiaat van de  veiligheidscommissie binnen, waar De Souter hen zat op te wachten. Hij werd aangehouden en door de generaal de Wauthier weggebracht naar de Citadel. Met een sigaar in zijn mond riep hij “Leve de vrijheid!”. Hij richtte zich tot werknemers en anderen met luide stem “Adieu mes amis, adieu”[179]. Nog verschillende andere aanhoudingsbevelen werden uitgevaardigd tegen leden van de Association Nationale. De advocaat Spilthoorn kon al zwemmend vluchten. De Souter en Spilthoorn werden ontzet uit hun functie als lid van de veiligheidscommissie[180] .

            Zoals reeds was aangehaald bij het hele gebeuren te Geraardsbergen leek de regering  verveeld te zitten met de zaak. Zo blijkt dat het Openbaar Ministerie zich ook hier verzette tegen het bevel om over te gaan tot vervolging. In de conclusies die de magistraat van het Openbaar Ministerie had uitgesproken voor de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Brussel werd vastgesteld dat men niet schuldig was en dat er niet genoeg bewijzen waren om de schuld aan te tonen. Maar toch verzond de kamer van Inbeschuldigingsstelling te Brussel de beschuldigden voor het Hof van Assisen van Brabant. Ze werden beschuldigd van: 1) een complot of aanslag waarvan het doel was de regering te veranderen; 2) een complot of aanslag met als doel de bevolking te bewapenen tegen de soevereine autoriteit, bestraft volgens artikel 87 van het strafrecht; 3) een complot of aanslag met als doel een burgeroorlog uit te lokken door de burgers te bewapenen of aan te zetten zich te bewapenen tegen elkaar[181]. Het feit dat het Openbaar Ministerie argumenteerde dat er niet genoeg bewijsgrond was voor een beschuldiging, kan men beschouwen als een indicatie voor het feit dat de overheid koste wat kost het hele gebeuren achter zich wilde laten en afwijzend stond tegenover een vervolging en bestraffing van deze radicale patriotten voor het hele gebeuren[182].

            Op 31 oktober kwam de zaak voor het Hof van Assisen. Uit de beschrijving van de gebeurtenissen is reeds gebleken dat De Souter wel degelijk samenkomsten had georganiseerd, maar er was geen expliciet bewijs voor het feit dat hij de bevolking had aangezet tot het opnemen der wapens. Over zijn rol in het gebeuren bestaan tegenstrijdige berichten. Toch lijkt het erop dat hij het volk wel degelijk had aangespoord om naar Brussel te marcheren, zoals zijn medeplichtige Anssens had verklaard tijdens het onderzoek. Maar De Souter ontkende in het proces iedere betrokkenheid en beweerde dat hij steeds alle mogelijke maatregelen had getroffen tot het bewaren van de orde. De toespraken aan het volk, waarin hij zei dat men zich klaar moest houden, waren geen aansporing tot een gewelddadige actie. Ook beweerde hij dat hij officieren had toegesproken aan de Universiteit om zich klaar te houden om de openbare veiligheid te waarborgen. Toch blijkt dat men de menigte heeft laten begaan. De kolonel van de brandweer Vandepoele verklaarde daarentegen dat De Souter een grote invloed had op het volk en met zijn aanmaningen in staat was het volk wel uiteen te drijven[183], wat hij niet heeft gedaan. In zijn toespraken sprak hij enkel dat men respect moest hebben voor bezittingen...

            Enkele dagen voordien waren Le Hardy de Beaulieu en d'Armagnac vrijgesproken om hetzelfde feit. Enkele maanden voordien was Grégoire vrijgesproken van een gelijkaardige beschuldiging, waar zijn schuld was aangetoond. De Souter beriep zich dan ook op deze precedenten om te wijzen op een vrijspraak. Maar toch maakt men in België geen gebruik van het precedentensysteem. Hij beriep zich vervolgens op zijn recente verleden en op zijn patriottische acties. Tenslotte legde hij de nadruk op het feit dat ook enkele politici aan de macht zich hadden uitgesproken tegen de aanvaarding van de XVIII artikelen, zoals Charles de Brouckère en Jaminé. Zijn bedoeling was om het Congres te laten weten dat grote delen van de bevolking het niet eens waren met de gang van zaken. Maar het was reeds duidelijk dat de bedoelingen net iets verder gingen dan de wil van het volk duidelijk maken.

            Na dit pleidooi, waarvan zowel de jury als het publiek sterk onder de indruk waren, stelde de voorzitter de schuldvragen waarover de jury diende te oordelen. Na een beraadslaging werden de drie beschuldigden, De Souter, Bogaert en Anssens vrijgesproken[184]. Het was voornamelijk door de nadruk te leggen op het patriottisch gevoel van de beschuldigden dat een vrijspraak werd verkregen. Het waren zij die de onafhankelijkheid mee mogelijk hadden gemaakt en haar verdedigden tegen een Hollandse en orangistische dreiging.

            Een jaar later kwam het proces opnieuw voor het Hof van Assisen, met betrekking tot de rol van Jean De Coster in het hele gebeuren. Hij was voortvluchtig tijdens het proces en was veroordeeld tot de doodstraf bij verstek, net zoals Charles Spilthoorn en Edouard Hellebaut. Deze twee hadden reeds in maart 1832 een vrijspraak gekregen, samen met Adolphe Bartels. Om het arrest teniet te laten doen, verscheen hij op 14 juni 1832 voor de jury. Hij werd verdedigd door Gendebien, die de patriottische achtergrond van de actie benadrukte. Zijn pleidooi berustte opnieuw op het patriottische  gevoel van de jury. De beschuldigde had mede het complot van de orangisten helpen verijdelen. De 18 artikelen waren tegen de wil van het Belgische volk. Daarom was het noodzakelijk dat men de wil van het volk meedeelde en er en masse tegen protesteerde. Hierna diende de jury nogmaals te oordelen over de vragen die een jaar voordien reeds waren gesteld aan de jury. De beschuldigde vrijgesproken, net zoals zijn medestanders een jaar voordien[185].

 

2.3.4 Falen van de republikeinse actie

 

Gebruik makend van het recht op vereniging, werd door de radicale patriotten in maart L'Association Nationale gesticht om het vaderland te redden van de orangistische bedreiging. Toch zal deze vereniging buiten het wettelijk kader treden door de gebeurtenissen van juli. Hoewel men deze acties beschouwde als protest tegen de opdeling van het territorium, kunnen we veronderstellen dat de vereniging een verborgen agenda had. Het feit dat expliciet werd gesproken over het verjagen van de Ministers, wijst erop dat de actie sowieso de wet overtrad. Daarbij is het mogelijk dat achter deze actie een diepere bedoeling schuilging. Het feit dat de Gentse vereniging uit alle macht protesteerde tegen de verkiezing van Leopold als vorst, kunnen we beschouwen als een  indicatie dat de protestactie nog een andere bedoeling had. Indien men erin slaagde de regering omver te werpen, was de stap klein om hun ideaal te verwezenlijken. Aangezien de vereniging bestond uit republikeinen, zouden deze protestactie als een laatste kans kunnen beschouwen om de situatie in vooralsnog hun voordeel te laten verlopen, toen de  monarchie steeds meer realiteit dreigde te worden.

            Zoals reeds is gebleken, genoten zowel advocaat De Souter als kolonel Lejeune een grote populariteit onder het volk. Ze konden de burgerwacht en het volk mobiliseren door hen gevoelig te maken voor politieke troebelen. Toch had De Souter ook tegenstanders. Er waren mensen die teleurgesteld waren na de arrestatie van De Souter, maar anderen waren tevreden omdat hij volgens hun het volk de dood wilde injagen door hen naar Brussel te sturen[186]. Tijdens de zittingen van de Association Nationale werd er gepleit tegen de aanvaarding van de  XVIII artikelen. Er is echter een verschil tussen ongewapend naar Brussel marcheren om de wil van het volk duidelijk te maken en daarentegen gewapend het Congres omver te stoten omwille van haar illegale acties. Het was met andere woorden de aanwezigheid van wapens die het verschil zou maken. Vanaf de eerste vergadering te Gent was al duidelijk dat men het gebruik van wapens niet schuwde. Ook uit enkele verklaringen bleek dat er wapens waren besteld, wat meteen een ander licht wierp op de doelstellingen van de mars. Ze bleven steeds volhouden dat ze niets anders voor ogen hadden dan het uitlokken van een protestmanifestatie. Het meest treffende bewijs was te vinden in de memoires van Bartels van 1834, waarin letterlijk wordt gezegd dat er wel degelijk een plan was om met wapens Brussel binnen te treden, het Congres te verdrijven en de regent onder toezicht te plaatsen.  Maar deze was voortvluchtig en legde dus geen verklaring af voor de rechtbank. Het feit dat ook de burgerwacht, zowel in Gent als in Geraardsbergen, had deelgenomen aan de troebelen, wijst erop dat de openbare macht, net als het leger, nog geen middel was om zulke gebeurtenissen te onderdrukken. De burgerwacht in Geraardsbergen heeft uiteindelijk niet deelgenomen aan de optocht richting Brussel. Dit was enkel het resultaat van een kleine minderheid die de situatie wantrouwde.

            Over de organisatie zelf is weinig bekend. Toch is het niet overdreven te stellen dat de mars zeer gebrekkig was georganiseerd. Na het hele gebeuren dienden verschillende leden van de Association Nationale hun ontslag in. Ze wilden zich niet vereenzelvigd zien met de beweging die had plaatsgevonden. Ondertussen werden de XVIII artikelen echter aanvaard in het Congres met een grote meerderheid 196 stemmen tegen 70 en werd de verkiezing van Leopold I bevestigd[187]. Een grote meerderheid was met andere woorden wél te vinden voor het verdrag en voor Leopold als vorst. De meerderheid had er geen oorlog met Holland voor over.

            Nadat de aanvaarding van de XVIII artikelen een feit was, werd de Association Nationale ontbonden op 9 juli 1831. Het verklaarde dat het had gefaald in haar opzet, en daarom moest ophouden te bestaan. Eén van haar voornaamste peilers was namelijk de instandhouding van het werk van de revolutie en dus ook de integriteit van het Belgisch territorium. Nu België bereid was om delen van Limburg en Luxemburg af te staan zag de Association Nationale zich genoodzaakt de strijd op te geven[188]. Dit wil niet zeggen dat de republikeinen daarna verdwenen in het niets, maar wel dat de republikeinse beweging verdween. Het is wel zo dat velen van hen andere manieren opzochten om te strijden voor hun principes. Velen van hen schoven hun republikeinse gezindheid opzij en ijverden voor de incorporatie van de democratische principes in de bestaande staat, de monarchie[189].

 

 

2.4 Besluit

 

Wanneer we de politieke misdrijven van dit jaar bekijken dan zijn er enkele opvallende punten. Ten eerste spelen de machthebbers een speciale rol. Wanneer men op de hoogte werd gesteld van het gebeuren was men niet in staat adekwaat te reageren op de situatie. De verijdeling van de acties berustte op een toeval. Op geen enkel moment konden de autoriteiten op een adekwate manier ingrijpen, laat staan dat men in staat was om op de gebeurtenissen te anticiperen.  Vervolgens werden alle politieke misdrijven in deze periode gepleegd vanuit een gevoel van onvrede met de situatie. Enerzijds beschikte de staat niet over de middelen om de orangisten onder het nieuwe bewind tevreden te stellen en kon ze hun belangen niet verdedigen tegen de buitenlandse concurrentie. Het was voornamelijk om deze reden dat de industriëlen en handelaars contra-revolutionair gezind waren. Anderzijds was er de onvrede tegen de opdeling van het territorium en de verkiezing van Leopold I als vorst. Toch kon de staat hier niets aan verhelpen aangezien het de grote mogendheden waren die beslisten over het lot van de Belgische staat. Tenslotte is het opmerkelijk dat er veel politieke misdrijven zijn gepleegd in het eerste levensjaar van de Belgische staat, maar dat geen enkel proces heeft geleid tot een veroordeling. De prille staat was zich bewust van het ambiguë karakter van de politieke misdrijven. Hierop speelden de advocaten van Grégoire in om zijn vrijspraak te bekomen. Het Openbaar Ministerie erkende dit eveneens in het proces tegen de radicalen. Vooral de jury had een doorslaggevende rol in de vrijspraak. Men maakte vooral gebruik van emoties om een vrijspraak te bekomen.

            In het eerste levensjaar van België heeft de staat de touwtjes helemaal nog niet in handen. We zouden zelfs het omgekeerde kunnen beweren: de middelen die zouden moeten dienen ter bescherming van de staat, namelijk het leger en de burgerwacht, werden net door de tegenstanders ervan gebruikt om deze aan te tasten. Het is een periode waarin het nog helemaal niet duidelijk is welke kant het met België zal uitgaan. Het aanvaarden van het verdrag van de XVIII artikelen en de aanvaarding van Prins Leopold van Saksen-Coburg als vorst waren twee aspecten die de stabiliteit zowel op binnen- als op buitenlands vlak zouden bevorderen en een einde zouden maken aan het grote aantal politieke misdrijven die als gevolg van (en temidden van) deze onrust hadden plaatsgevonden. De verkiezing van Leopold I was dus voor beide groepen het begin van het einde. Het verdrag zou een einde maken aan de vijandelijkheden met Holland. Dit was echter ijdele hoop. Vlak na de troonsaanvaarding van Leopold I verklaarde Willem I dat er een einde was gekomen aan de wapenstilstand en viel hij België binnen. Zo werd een nieuwe fase ingeluid, met een nieuwe maar nu buitenlandse bedreiging.

 

 

3. 1831-1838 : Vanaf de kroning van Leopold I tot het verdrag van de XXIV artikelen

 

3.1 Een periode van onstabiliteit, meeheulen met de vijand van België

 

Deze periode vangt aan met de troonsaanvaarding van Leopold I. Het was de eerste hoopvolle gebeurtenis in een lange tijd. De troonsaanvaarding maakte een einde aan de onrust en luidde een nieuwe periode in voor de  Belgen. Een vorst was het eerste hoopvolle teken voor de Belgen. Maar al snel werd deze troonsaanvaarding overschaduwd door een grote buitenlandse dreiging. Op 2 augustus verklaarde generaal Chassé, die nog steeds in de Citadel verschanst zat, de wapenstilstand opgeheven[190]. België, dat nauwelijks over een adekwaat leger beschikte, werd binnengevallen door het Hollands leger, een leger dat veel sterker stond. Willem I had namelijk voordien gemeld dat hij de oorlog zou verklaren aan diegene die de Belgische troon zou aanvaarden. Reeds enkele dagen na het feestgedruis viel hij het kersverse Belgische koninkrijk binnen met een vijftigduizend koppig leger. Tien dagen duurde de oorlog. De Nederlandse troepenmacht kon enkel worden verdreven door tussenkomst van de schoonvader van Leopold I, Louis Philippe van Frankrijk[191].

            De Conferentie van Londen besloot dat het verdrag niet kon worden opgelegd aan Holland, na het onmiskenbare succes van de tiendaagse veldtocht. Er zou een nieuw verdrag worden opgesteld dat veel minder gunstig was voor België: het Verdrag van de XXIV Artikelen. Het hield in dat Limburg ten oosten van de Maas en Luxemburg ten zuiden van Aarlen moesten worden afgestaan. De  staatsschuld was voor België evenmin voordelig. Ook de scheepvaart op de Schelde werd aan tolrecht onderhevig. De Belgische regering aanvaardde het verdrag onmiddellijk, ondanks de zware voorwaarden voor België. Een weigering was onmogelijk door de nederlaag die België had geleden tegenover Nederland. In ruil eiste België wel de ontruiming van Antwerpen en de  Scheldeforten, die nog steeds door Holland werden bezet. Aanvankelijk stonden de mogendheden hier zeer weigerachtig tegenover. Toen echter bleek dat Willem I het verdrag weigerde te aanvaarden, ondanks de grote voordelen, beslisten de Franse en Britse regering tot de ontruiming van de Citadel van Antwerpen in november 1832[192]. Op 19 november begon de belegering van Antwerpen. Generaal Chassé was verplicht een strijd te voeren omwille van het prestige van zijn koning. Op 23 december capituleerde hij na een krachtig verzet[193]. Maar deze ontruiming had geen fundamentele verandering veroorzaakt. Men leefde nog steeds op voet van oorlog. Willem I bleef weigeren om het verdrag te aanvaarden. Nederland stond bijgevolg nog steeds afwijzend tegenover vrede. België daarentegen toonde zich bereid om vredesonderhandelingen aan te gaan. Dit leidde tot een voor België gunstige status-quo tijdens de Conferentie van 1833, die van kracht bleef zolang de regering van Den Haag het verdrag niet aanvaardde. Hoewel Holland een succes had behaald, had de 10-daagse veldtocht nogmaals aan de Prins van Oranje en de orangisten geïllustreerd dat de Belgische bevolking onder geen omstandigheden wenste terug te keren onder het Hollands gezag.

            Er was in deze periode, zoals uit het voorgaande blijkt, nog geen regeling getroffen over de toekomst van België op internationaal vlak. Een contrarevolutie van orangistische zijde behoorde bijgevolg nog steeds tot één van de mogelijkheden. Toch zien we dat er in deze periode geen politieke misdrijven van die aard te vinden zijn. Ook vanuit republikeinse hoek valt een afwezigheid van politieke misdrijven op. Deze periode wordt met andere woorden voornamelijk gedomineerd door de onderhandelingen voor vrede en een constante buitenlandse dreiging. Deze dreiging had op binnenlands vlak tot gevolg dat men alle krachten samenbundelde om te weerstaan aan deze buitenlandse dreiging.

            De periode na de aanvaarding van Leopold I als eerste koning der Belgen onderscheidt zich wat politieke processen betreft zeer duidelijk van de voorgaande periode. Wanneer we de politieke misdrijven voor het Hof van Assisen van Brabant en Antwerpen bekijken, dan valt op dat er in 7 jaar tijd amper 2 zijn gepleegd vanuit orangistische zijde. Dit wijst op een enorm verschil met de voorgaande periode, het jaar 1830-1831, waarin vier politieke processen voor het Hof van Assisen werden gevoerd.

            Na de complete nederlaag van het Belgische leger werd het Leopold I duidelijk dat het leger aan een reorganisatie toe was. De officieren van 1830 waren eigenlijk niet capabel en werden met verlof gestuurd. Deze officieren waren belast met de bevelvoering van de Belgische troepen en de verdediging van het land. Maar velen onder hen bleken namelijk niet in staat om België te verdedigen en kozen zelfs de kant van de vijand. Om te kunnen voldoen aan de ontstentenis van hogere officieren werd op 22 september 1831 een wet goedgekeurd die de koning toeliet buitenlanders aan te werven. Er werd eveneens een militaire academie opgericht voor de opleiding van Belgische militairen. Deze reorganisatie drong zich tevens op nadat Willem I opnieuw had geweigerd om het vredesverdrag te aanvaarden. Men had nood aan een krachtige verdediging bij een nieuwe inval[194].

            Tussen 1832 en 1833 rekenden de orangisten bijgevolg nog steeds op een restauratie. De Antwerpse orangisten, die in rechtstreeks contact stonden met Den Haag, waren hier zelfs van overtuigd. Een nieuwe invasie van het Hollandse leger zou worden bijgestaan door enkele Belgische officieren[195]. Hieruit blijkt dat er nog steeds afvallige officieren te vinden waren in de hogere rangen van het leger, zelfs nadat de vorst verschillende officieren met verlof had gestuurd. Willem I bedreigde de Conferentie van Londen zelfs constant met een nieuwe inval[196]. Deze bedreiging werd nog eens versterkt door het feit dat soldaten deserteerden en werden aangezet tot desertie. Dit misdrijf werd in deze onzekere periode dan ook zeer serieus genomen door de overheid. Terwijl er een militaire dreiging boven het hoofd van het Belgische leger hing, werd het leger verzwakt doordat Belgische soldaten werden geworven om tegen België te strijden.

 

 

3.2 Aanzetten tot desertie via krantenartikels

 

3.2.1 Het orangisme te Antwerpen

 

In Antwerpen was het orangisme een zaak van de haute commerce. Diegenen die in deze kringen de revolutie van 1830 een goede zaak vonden waren in de forse minderheid. Onder de rest van de bourgeoisie was het orangisme eerder een uitzondering, in tegenstelling tot de numerieke aanhang te Gent. Ook de meeste eigenaars en kleinere handelaars waren patriottisch en dus revolutionair gezind. Dit was voornamelijk te wijten aan het katholieke geloof.  Deze groep werd door Willem I, die protestants was, onder zijn regime namelijk zwaar benadeeld[197]. Het was dus zeker niet zo dat de het orangisme in Antwerpen de regel was. Slechts een kleine minderheid van de inwoners werd gezien als pro-Hollands en die vond men vooral in de hogere klasse van de samenleving terug. Reeds uit het vorige hoofdstuk is gebleken dat de overgrote meerderheid van de Antwerpenaars het orangisme ronduit afwees. De orangistische kranten maakten zich tot doel de minderheid die ze waren om te zetten in een meerderheid door België duidelijk te maken wat men kon winnen door de terugkeer van het Huis van Nassau[198].

            Soldaten aanzetten tot desertie was een zwaar misdrijf omdat dit werd gezien als meeheulen met de vijand. Dit zorgde voor een ondermijning in de functionering van de staat en een versterking van de vijand. Er bestond immers nog steeds geen vredesverdrag dat België de garantie bood tegen een Hollandse aanval. Wanneer daarenboven soldaten de Belgische vlag verlieten om onder een vijandige vlag te dienen, kon er meteen een doemscenario van een tweede Hollandse inval worden verwacht. Dit was, zoals reeds gezegd, nog steeds een doelstelling van Willem I. Het middel bij uitstek om het ongenoegen te uiten was de pers, wegens het vrij liberale klimaat en de persvrijheid die in de Belgische grondwet was opgenomen. Maar de onzekere politieke toestand in België dreef de vorst Leopold I ertoe maatregelen te treffen om ook deze vorm van oppositie aan banden te leggen en deze uiting van protest het zwijgen op te leggen. Het meest efficiënte middel om hen de mond te snoeren was het decreet op persmisdrijven. Toch werd er één persproces gevoerd dat eveneens kon worden beschouwd als een politiek proces, zoals we hieronder zullen zien. De niet-verlenging van dit decreet op 1 mei 1833 gaf nadien aanleiding tot verscheidene persprocessen[199]. Een ander middel om de orangisten de mond te snoeren was het volgende: waar de orangisten in groten getale aanwezig waren werden de steden - zoals Gent en Antwerpen -  in een staat van beleg geplaatst[200]. Iedere vorm van agitatie werd gezien als staatsgevaarlijk en werd van  nabij gevolgd door de Openbare Veiligheid. Deze dienst maakte gebruik van obscure middelen en trachtte verdachte personen te bespioneren en te provoceren door middel van geheime agenten[201].

 

3.2.2 Schadelijke artikels gepubliceerd door Journal du Commerce

 

In het Antwerpse orangistische dagblad Journal du Commerce, waarvan het algemeen geweten was dat het rechtstreeks werd gefinancieerd vanuit Den Haag[202], verscheen in het nummer van 9 en 10 januari 1832 een artikel waarin Belgische soldaten werden aangemoedigd om toe te treden tot het Nederlandse leger. De inhoud van het artikel ging als volgt:

  

   “Chers compatriotes,

   Sur ma demande et en vertu du decret de S.M. Le roi, en date de 25  novembre dernier, n° 18, je viens       d'être chargé de la composition d'un corps de chasseurs, qui portera mon n om. Honoré de cette   marque de confiance, que mon souverain veut bien m'accorder, je m'empresse de faire connaître à mes camarades de l'armée des Indes Orientales, nés dans les pays bas, que je me trouve par cette nouvelle mission à même de satisfaire à leurs demandes réitérées de servir sous les drapeaux de mon roi, et par là coopérer au rétablissement du bon ordre et de la paix. Pour faciliter l'enrolement de sous officiers et militaires de moindres grades, il sera formé des dépots de recrutement, dans les ports de mer duroyaume et dans de plusieurs places des  frontières, où j'engage mes anciens camarades qui ont cueillis  des lauriers à Java, et ceux de mes compatriotes à qui l'honneur est cher de venir me joindre.

   Outre le corps sus nommé, je suis aussi autorisé à former un corps de cavalerie, qui réunis formeront        une colonne  mobile, avec laquelle je desire pouvoir agir en partisan, aussitôt que les hostilités          recommenceront...

     Le colonel  commandant du corps susdit,     J.B. CLEERENS[203]

 

Deze oproep is vrijwel identiek aan een vlugschrift dat in de loop van december 1831 was verspreid in Antwerpen, afkomstig van de hand  van kolonel-commandant J.B. Cleerens uit Breda. Het enige verschil met het vlugschrift van Cleerens zelf was dat hierin beroep werd gedaan op de Belgen “camarades de l'armée des Indes Orientales, né dans les provinces méridionales[204]”. De uitgever Delrue was wel listig genoeg geweest om deze laatste woorden te veranderen in “Pays-Bas”, maar toch is het duidelijk dat het gaat om een letterlijke overname van een aansporing van Belgen om aan Hollandse zijde te gaan strijden. Het gaat hier dus om een vrij letterlijke oproep om de Belgische vlag te verlaten en te strijden tegen ditzelfde België om een restauratie van het Hollands gezag te kunnen verwezenlijken. Enkele dagen later, in het nummer van 18 januari 1832 verscheen een kort artikel waarin te lezen stond:

 

   “Les journaux hollandaises annoncent que beaucoup de deserteurs et volontaires belges, se rendent à   Thiel, pour  y être incorporés dans le beau corps de chasseurs du colonel Cleerens. Il paraît que ces         recrues sont parfaitement  accueillis et soldés[205]

 

Dit artikel was een duidelijke provocatie aan het adres van de Belgische autoriteiten. Bovendien toonde deze vermelding duidelijk aan dat het artikel dat de week voordien was verschenen wel degelijk gericht was aan Belgische militairen. Voornamelijk de militaire autoriteiten zagen deze artikels als een zeer ernstige bedreiging. De aanklager voor het militair gerechtshof richtte dan ook een verzoek aan de burgerlijke strafrechtelijke instanties om een onderzoek te starten. De dag na de publicatie van het artikel startte de onderzoeksrechter een onderzoek geopend naar de 21-jarige uitgever van het blad Journal du Commerce, Emile Delrue. Tijdens de ondervraging verklaarde hij dat hij met de voornoemde artikels soldaten niet had aangezet tot desertie en dat hij enkel teksten had overgenomen die verschenen waren in Hollandse dagbladen. Hij erkende echter wel dat de publicatie, het overschrijven en aanpassen van de artikels zijn eigen verantwoordelijkheid waren[206]. Na deze ondervraging lag het onderzoek enkele weken stil. Men leek geen gevolg te geven aan de eerste ondervraging.   Wanneer enkele weken later opnieuw een artikel verscheen, trad het gerecht opnieuw in actie. In het nummer van 4 maart 1832 verscheen een artikel in verband met het legioen dat ondertussen was gesticht door kolonel Cleerens:

 

            “Le Courrier pretend savoir qu'on organise, dans ce moment en Hollande, une légion étrangère  composé en grande partie des Belges, sous le commandement de colonel Cleerens, belge. Elle ne devait      être forte d'abord que de 4000 hommes; mais de nombreuses désertions de la B elgique la feront, dit-   on, porter à 8000. Le colonel Kleerens servait dans l'armée hollandaise, lors de la dernière attaque par  le prince d'orange, qui l'avait chargé de porter au général Van Geen l'ordre de faire un mouvement,  lequel, s'il eût été executé, aurait coupé la retraite aux Belges. Van Geen n'ayant éxécuté l'ordre, son commandement lui avait alors retiré.[207]

 

Dit artikel wees erop dat de vorige artikels wel degelijk een zekere impact moeten hebben gehad. Het vrij schappelijke aantal gedeserteerden betekende een versterking van de Hollandse gelederen maar ook een sterke verzwakking aan Belgische zijde, die België bij een nieuwe inval van Holland fataal zou kunnen worden. Het verband met de voorgaande artikels is duidelijk. Het grote aantal deserteurs deed het gerecht opschrikken en in actie schieten. De eerste verantwoordelijke die men hiervoor zag, was de uitgever Delrue. Hoewel hij de artikels enkel had overgenomen, hadden deze artikels toch een duidelijke impact uitgeoefend op het gedrag van militairen en op de ondermijning van de staat. Naar aanleiding van dit artikel werd Emile Delrue opnieuw opgeroepen om een nieuwe verklaring af te leggen. In deze verklaring beweerde hij dat hij hierin geen enkele verantwoordelijkheid had omdat hij een artikel had overgenomen dat eveneens werd gepubliceerd in zowel Franse als Britse dagbladen. Bovendien verklaarde hij eveneens dat hij geen verplichting had zijn bronnen van informatie vrij te geven en dat hij dit enkel zou doen indien hij zou worden vervolgd[208].

 

3.2.3 De arrestatie

 

Op 12 maart werd de eis van het Openbaar Ministerie voor de Raadkamer voorgedragen. Hoewel de artikels niet uitsluitend waren gepubliceerd in het dagblad Journal du Commerce, werd de vervolging van Delrue geëist omwille van de volgende redenen. Door de publicatie van het vlugschrift van Cleerens in zijn dagblad had Delrue niet enkel desertie geprovoceerd, maar ook het ronselen van Belgische soldaten. Deze bewering werd gestaafd aan de hand van het feit dat er in het artikel werd verteld waar de depots zich bevonden. Op die manier wisten de Belgische soldaten waar ze een trefpunt konden vinden aan de landsgrenzen. De onderzoeksrechter sloot uit dat het artikel de recrutering van soldaten voor de Oostelijke Indiën voor ogen had. Tenslotte was het duidelijk dat het ging om het aanwerven van Belgische soldaten, ondanks het feit dat de woorden provinces meridionales zijn vervangen door Pays-Bas, zeker wanneer men het originele pamflet van de hand van Cleerens voor ogen had. Het artikel had dus de aanwerving van Belgische soldaten voor ogen, met als doel om onder vijandelijke vlag te dienen. Dit is een misdaad volgens artikel 3 van de wet van 12 december 1817[209]. De Raadkamer van Antwerpen achtte, in tegenstelling tot het requisitoir van het Openbaar Ministerie, dat men over onvoldoende bewijzen beschikte om tot de vervolging van Delrue over te gaan. Dit besluit was gemotiveerd doordat Delrue de artikels niet zelf had geschreven en ze enkel had overgenomen uit andere dagbladen[210].

            De Procureur des Konings Van Zuylen verscheen op 15 maart 1832 voor de Rechtbank van Eerste Aanleg om protest aan te tekenen tegen het besluit van de Raadkamer van Antwerpen. In zijn vordering pleitte hij dat het wel degelijk vaststond dat Delrue door de publicatie van de verschillende artikels de militairen trachtte te overtuigen van desertie en de overgang naar de dienst van Holland, ook al had hij het artikel niet zelf geschreven. Van Zuylen pleitte dat het feit dat hij de artikels niet zelf had geschreven, hem niet onschuldig maakte. Bovendien was hij medeplichtig, aldus Van Zuylen, aan het feit dat hij de echte auteurs had meegeholpen de boodschap de wereld in te sturen door de publicatie van het artikel en hen daarenboven niet bekend wilde maken. Dit zijn misdrijven die werden bestraft volgens de artikels 59 en 60 van het strafrecht. Na dit requisitoir aanhoord te hebben werd het arrest van de Raadkamer geannuleerd. Op 26 maart verwees de Kamer van Inbeschuldigingstelling de zaak naar het Hof van Assisen van Antwerpen[211]. Op 27 maart werd Emile Delrue aangehouden en naar de amigo gebracht[212]. Na deze arrestatie wees het dagblad Journal d'Anvers et de la province op het feit dat de krant Journal du Commerce niet de enige was die de mededeling van Cleerens had opgenomen:

 

            Il est remarquable que la proclamation de Cleerens a été enserée dans un journal ministériel qui n'a    point été poursuivi. Etait-ce de la part de ce journal une sorte de guet-à-pens et un piège pour créerdes coupables et des procès?[213]

 

Dit echter zonder te specifiëren om welk ministerieel dagblad het ging[214]. Het was voornamelijk omdat Delrue gekend was als orangist dat men de situatie veroordeelde en men duidelijke motieven zag achter de publicaties. Men wist dat hij Holland genegen was. Uitgaande van deze wetenschap was het de autoriteiten duidelijk wat Delrue met de artikels voor ogen had. Men ging ervan uit dat het voor Journal du Commerce geen louter informatieve boodschap was. De overname van een pamflet dat was verspreid in Antwerpen was één zaak. Maar het was pas na de verschijning van latere artikels in Le Journal du Commerce waarin opnieuw werd gealludeerd op de feiten, dat men in actie schoot, net omdat hierdoor de boodschap een tweede en een derde maal de wereld werd ingestuurd. Door de publicatie van deze artikels werd de veiligheid van de staat in gevaar gebracht, omdat Belgische militairen werden aangespoord de Belgische vlag te verlaten én onder een vijandige mogendheid te dienen tegen het vaderland. De militairen zijn voor iedere staat van precair belang. Zij zijn het die de staat moeten beschermen tegen buitenlandse aanvallen. Aangezien Willem I het vredesverdrag nog steeds niet had aanvaard leefde België nog steeds met een constante angst om opnieuw te worden aangevallen, een angst die niet ongegrond was. Bovendien waren de Hollandse militairen nog steeds fysiek aanwezig in de Antwerpse citadel. De personen die dienden ter verdediging van de staat werden dus aangezet om zich in te zetten in dienst van de vijand.  Het mag dan nog zo zijn dat het aantal gedeserteerde soldaten zwaar overdreven werd, toch toonde het aan dat de Belgische staat zich in een zeer zwakke positie bevond. Een vrees voor een nieuwe aanval vanuit Holland was sterk aanwezig. Wanneer deze dreiging gepaard ging met een ondermijning van het eigen militaire apparaat, was het voor de staat onmogelijk hier niet op te reageren.

 

3.2.4 Het proces

 

Delrue beschikte over vier advocaten ter zijner verdediging: de Gentse orangistische leider Hypolyte Metdepenningen, Duvigniaux, Steven van Brussel en Pelvaux van Antwerpen[215]. Twee maanden na zijn arrestatie kwam de zaak voor het Hof van Assisen. De halsstarrigheid waarmee het Openbaar Ministerie de vervolging van Delrue eiste, wijst erop dat de vertegenwoordiger van de staat Delrue werkelijk als een staatsgevaarlijk persoon beschouwde, die men liever opgesloten zag. Toch oordeelde de jury hier anders over. Op 23 mei werd Delrue, na beraadslaging van de jury, vrijgesproken[216]. Deze beslissing was vooral gemotiveerd op het feit dat de artikels die door Delrue waren gepubliceerd ook te vinden waren in andere dagbladen[217]. Deze uitspraak werd op applaus ontvangen door een groot deel van de aanwezigen – vrienden van Delrue. Maar wanneer Delrue het justitiepaleis verliet, was er gefluit en gejoel van wege toeschouwers te horen. Het volk dat aanwezig was, was buiten zinnen van razernij door de uitspraak van de jury en door de goedkeuring die de vrienden van Delrue eraan hadden gegeven. Na de vrijspraak troepten de mensen samen voor het huis van Delrue. De anti-orangistische meute sloeg de ramen van zijn huis één voor één aan diggelen. Men drong binnen in de woonst, vernielde tal van bezittingen en kostbare bezittingen werden meegenomen[218]. De gewapende macht aarzelde niet om er troepen heen te sturen en de menigte uit elkaar te drijven[219].  Deze patriottisch getinte actie was slechts één van de vele die zich in de periode 1831-1834 in Antwerpen voordeden aan het adres van orangisten[220]. Deze actie wees erop dat het volk echt afkerig stond tegenover het orangisme en iedere gelegenheid aannam om dit te laten blijken. De staat en de militaire overheid zagen deze patriottische acties en lieten ze betijen. De jonge Belgische staat schakelde dit volksgeweld zelfs in in de consolidatie.

 

 

3.3 Aanzetten tot desertie in een kroeg

 

3.3.1 Het orangisme in Brussel

 

In Brussel had het orangisme nooit een erg grote aanhang gekend. Het orangisme had er geen lokale machtsposities kunnen uitbouwen. Het kende enkel een kleine aanhang onder de afgezette functionarissen en voorstanders van de antiklerikale lekenstaat, adel en industriëlen[221]. Maar diegenen  die voor het Hof van Assisen werden gedaagd in 1833 op verdenking van meeheulen met de vijand maakten geen deel uit van deze sociale groepen. Het waren geen gekende personen die een hoge positie bekleedden, maar mensen die hadden gemerkt dat het leven voor hen aangenamer was onder het bewind van Willem I.

            In de kroeg De leeuw van Waterloo in Brussel, vlakbij de kazerne, werd in het voorjaar van 1833 vaak contrarevolutionaire taal gehoord. Van Aelst, de eigenaar van het cabaret, was de spreker. Gezien de nabijheid van de kazerne was dit cabaret een uitgelezen plaats om soldaten te overtuigen van de orangistische zaak. In de loop van 1832 was hij voordien reeds geschaduwd omwille van zijn overtuiging door een geheim agent, Michel Joseph Charlier. Deze had hem horen zeggen dat hij ongelukkig was onder de huidige regering, dat hij meer geld verdiende en meer bier tapte onder het Hollands bewind[222]. Hij had gezien dat van Aelst een ex-sergeant-majoor van de jagers trachtte te overtuigen om samen met 12 kameraden naar Holland te deserteren en hem zegde dat hij reeds verschillende soldaten over de grens had geholpen, maar dat het die dagen steeds moeilijker werd[223]. Enige tijd later, toen Charlier opnieuw in de herberg  kwam, vertelde Van Aelst hem dat er op 21 juli, op de eerste nationale feestdag, een contrarevolutionair  bij hem was langsgeweest met de boodschap dat de koning en enkele hoge functionarissen dienden te worden vermoord. Op tien september hoorde hij een gelijkaardig verhaal van een andere cabaretier, Platon, die hem vertelde dat de vorst die avond zou worden vermoord door Van Aelst en zijn mannen. Maar nergens werd zijn verhaal bevestigd. Sinds 15 februari 1833 waren er tien mannen van het korps der koninklijke gidsen op een zeer korte tijd gedeserteerd. Dit grote aantal deed de autoriteiten vermoeden dat hier personen aan het werk waren die desertie provoceerden en vergemakkelijkten. Maar enkel op basis van deze gebeurtenissen kon men niemand laten arresteren, er waren meer bewijzen nodig. Daarom werden militairen zelf ingezet om Van Aelst in het oog te houden.

 

3.3.2 Een valstrik opgezet door militairen

 

Omwille van de nabijheid van de herberg waren de activiteiten van Van Aelst aan de oren gekomen van de kolonel van de kazerne, de Croy. Deze werd wantrouwig en stelde aan de trompettist Jan Jenkens voor om zich naar het cabaret te begeven om Van Aelst uit te horen. Jenkens was hiervoor de uitgelezen man. Hij was van Maastricht en had bijgevolg een Hollands accent. De keuze bleek meteen vruchten af te werpen. Van Aelst sprak Jenkens aan op zijn Hollands accent. Nadat Van Aelst zijn vertrouwen had gewonnen, vertelde Jenkens hem dat hij niet tevreden was in Belgische legerdienst. Het was meteen een schot in de roos. Van Aelst deelde hem mee dat hij beter zou weggaan uit het leger omdat Den Ouden toch snel zou terugkeren. Hij zei dat hij voordien reeds 13 mannen de grens over had  geholpen en dat hij binnenkort opnieuw drie soldaten zou helpen deserteren. Hij stelde Jenkens voor om hem en enkele kameraden te helpen deserteren. Voor koning Leopold had hij geen goed woord over[224]:

            “Dien koeyboer, dien schelen, hij reyd van Brussel naar Laeken en terug. Sedert acht dagen heeft hij      geen stuk getekend en intusschen, gij kunt wel peizen, dat diegene die aan het hoofd zijn alles  avangeren, binnen 2 maenden leyd'er den Hollander den hand op”

 

Meteen na dit gesprek begaf Jenkens zich naar zijn kolonel en vertelde hem wat hij had gehoord. In het dossier is geen verklaring van de kolonel aanwezig, maar op het proces verklaarde hij dat hij toen pas de plannen van Van Aelst vernam[225]. Op aanraden van deze laatste zocht hij opnieuw contact op met de herbergier om meer informatie in te winnen en nam hij enkele kameraden mee. Zo ging hij halverwege de maand maart met twee kameraden, Janssens en Willems, opnieuw het cabaret van Van Aelst binnen. Daar vernamen ook zijn twee vrienden dat deze hen wilde helpen te deserteren, wat ze voordien reeds van Jenkens hadden vernomen. Opnieuw had hij geen goed woord over voor de Belgische dienst en was ervan overtuigd dat “Den Dikken” weldra zou terugkeren. De vier militairen spraken af het spel mee te spelen en te doen alsof ze overtuigd waren door Van Aelsts voorstel, waarna ze  de herberg meermaals bezochten. Dit zou later tegen hen worden gebruikt omdat ze Van Aelst op die manier zouden hebben geprovoceerd, hoewel het reeds langer duidelijk was dat Van Aelst dit meerdere malen had gedaan. De gesprekken omtrent de desertie duurden ongeveer tien dagen. Ze dronken op Van Aelsts kosten. Er werd overeen gekomen dat ze zoveel mogelijk legeruitrusting moesten meenemen uit de kazerne om aan Van Aelst te overhandigen. Ze spraken af om op 8 april te vertrekken. Willems, die die nacht de wacht had, kreeg 1 frank en 30 cent om vervanging te betalen[226]. Dit geven van geld werd beschouwd als een strafbaar feit, omdat hierdoor militairen werden aangespoord de Belgische vlag te verlaten. Maar nadat ze Van Aelst zijn taal hadden aanhoord,  brachten ze onmiddellijk het hoofd van de Openbare Veiligheid François op de hoogte en waarschuwden hem voor deze man. Op maandag 8 april ontmoetten ze Van Aelst in een herberg buiten de Schaarbeekse poort. Hier zouden ze burgerkleding krijgen. Van Aelst meldde hen echter dat de reis enkele dagen moest worden uitgesteld, omdat hij eerst nog een afspraak had met de secretaris van de vierde divisie van hat Ministerie van Oorlog, een zekere Van den Eynde. Hieruit blijkt dat de mogelijkheid bestaat dat ook overheidsambtenaren bij de zaak betrokken waren. De reis werd uitgesteld tot 16 april omdat Van Aelst hen wilde vergezellen. Hier zei hij tegen hen dat hij enkele maanden voordien reeds 13 militairen de grens had overgeholpen[227]. Op een dag bevond Van Aelst zich in het gezelschap van de reeds eerder genoemde Van den Eynde, samen met een adjudant majoor van de rijkswacht en een onbekende[228]. Een andere keer in de herberg werd het de militairen duidelijk dat Van Aelst een groot gevaar was voor de staat omdat hij ook effectief in contact stond met de Hollandse leiding, met de koning van Holland en generaal Borrel[229]. Nadat de onderneming was uitgesteld, keerden de militairen terug met een vierde compagnon, brigadier Matheus Mertens. Ook deze hoorde meteen uit welk hout Van Aelst gesneden was wanneer hij het Hollands leger de hemel in prees en hen gek verklaarde omdat ze nog steeds dienst deden in het Belgische leger.

 

3.3.3 Het vertrek naar Holland

 

Hun vertrek richting Nederland zou plaatsvinden op dinsdag 16 april 1833.  Op 15 april, de dag voor het vertrek, meldde Van Aelst dat een zekere Nicolas Vandepoel hen zou vergezellen. Hij was op 15 januari dat jaar met congé gestuurd omdat de militaire overheid hem niet langer in staat achtte het Belgische leger eervol te dienen[230]. Het leek erop dat deze uit frustratie had besloten om België te verlaten en eventueel in het leger van de vijand in dienst te treden. Op aanraden van Van Aelst lieten ze hun militaire mantels, pistolen en de trompet van Jenkens bij hem achter, die hij verstopte in een gat onder de trap. De ochtend van 16 april ontmoetten ze elkaar in een herberg, waarna Van Aelst en Vandepoel op zoek gingen naar burgerkleding. Diezelfde avond begaven ze zich naar de herberg “Den Troost”, gelegen tussen Schaarbeek en Sint-Joost-Ten-Noode, alwaar Van Aelst hen de brief, geld (20 frank), een galon en een handgeschreven routebeschrijving overhandigde[231]. Het feit dat Van Aelst effectief in contact stond met de legerleiding van Holland werd nogmaals bevestigd door de brief die Van Aelst meegaf aan de militairen, gericht aan generaal Borrel[232].  Volgens de wegbeschrijving zouden ze de grens oversteken te 's Hertogenbosch[233]. Het overhandigen van geld aan militairen maakte zijn actie nog meer strafbaar, omdat dit militairen ertoe aanzette het leger te verlaten. Nadat ze op aanraden van Van Aelst hun sabels onder hun kledij hadden verstopt, begaven de militairen en Vandepoel  zich op weg. Ze gingen op weg zonder effectief de mogelijkheid te hebben gehad Van Aelst te laten arresteren. Daarom wilden ze Van Aelst het plan nogmaals horen bevestigen. Ze vroegen hem of hij er zeker van was dat ze in Holland zouden geraken. Van Aelst bevestigde dit en beloofde hen een schitterende toekomst in het Hollandse leger. Op dit antwoord werden zowel Van Aelst als Vandepoel vastgegrepen. Van Aelst smeekte hen hem te laten gaan, hij bood zelfs geld en zijn gouden horloge aan in ruil voor zijn vrijheid. Maar de militairen gingen niet in op zijn verzoek en brachten hem tot bij het hoofd van Openbare Veiligheid François en nadien naar de gevangenis[234].

            Van Aelst trachtte zich nog uit de situatie te redden door het bezwarend materiaal uit zijn woonst te laten verwijderen. Daarom deed hij beroep op de bakker van de gevangenis, Joseph Coenen. Hij beloofde hem veel geld, gaf hem twee sleutels en twee documenten[235] en zei dat zijn vrouw de militaire kledij, wapens en papieren die belastend konden zijn moest laten verdwijnen. Maar Coenen had zich meteen bij de directeur gemeld en droeg de sleutels en beide documenten over aan het hoofd van de openbare veiligheid[236].  Omdat Van Aelst werd verdacht van contacten met andere orangisten, werd zijn huis onder bewaking gesteld[237]. Het is duidelijk dat de Openbare Veiligheid de hand had in de arrestatie van Van Aelst. Op 17 april werd er een huiszoeking uitgevoerd bij Van Aelst waarbij de eerder vermelde militaire spullen werden gevonden onder de trap. Toch bleef de herbergier alles stelselmatig ontkennen. Hij zei dat de militairen enkel onruststokers waren die steeds op krediet dronken[238]. Bovenop de spullen van de militairen teruggevonden in zijn woonst, wijzen de verklaringen van de drie militairen erop dat hij hen wel degelijk had geholpen. Daarenboven waren ze in het bezit van een wegbeschrijving en een brief van de hand van Van Aelst. Als ook nog bleek dat hij voordien ook al andere militairen had geholpen, leek zijn schuld vast te staan. Wanneer de onderzoekers op zoek gingen naar de befaamde secretaris van het Ministerie van Oorlog, bleek er geen Van den Eynde te bestaan. Wel had Van Aelst contacten met Jean Chrétien Michaëlis, die op het Ministerie van Oorlog werkte als controleur[239]. Het is wel vreemd dat er geen confrontatie werd aangegaan met de militairen om te zien of Michaëlis diegene was die ze hadden gezien in de kroeg.

 

3.3.4 Het proces

 

Op 14 mei 1833 eiste het Openbare Ministerie de vervolging van Van Aelst voor de Kamer van Inbeschuldigingstelling van Brussel. Hij werd ervan beschuldigd in de loop van 1833 manoevers te hebben uitgevoerd en contacten te hebben onderhouden met de vijand. Dit door te proberen het leger van Holland te bevoorraden met soldaten van het Belgische leger. Verschillende van elkaar onafhankelijke bronnen beweerden dat hij vaak slecht sprak over de Belgische regering en het Belgische leger. Maar een nog sluitender feit van dit contact met de vijand was dat uit verschillende getuigenissen bleek dat hij contact had met de Hollandse generaal Borrel en met de koning van Holland zelf. Van dit contact bestaat er zelfs een fysisch bewijs, de brief gericht aan generaal Borrel. Op basis van deze bewijslast werd Van Aelst verwezen naar het Hof van Assisen van Brabant. De feiten waarvan hij werd beschuldigd werden bestraft door de artikels 77, 2, 59 en 60 van het strafrecht[240]. Vandepoel werd eveneens voor het Hof van Assisen gedaagd, op beschuldiging van medeplichtigheid. Uit het strafdossier blijkt echter dat deze slechts een minieme rol speelde in de acties van Van Aelst. Volgens de militairen, die samen met hem richting Holland zouden trekken, was Vandepoel slechts op zoek naar betere levensomstandigheden. Buiten het feit dat hij hen van burgerkleding had voorzien, was er niets dat wees op een samenwerking tussen de twee mannen. De beklaagden eisten de verwerping van de getuigenis van Charlier, omdat deze geheim agent was in de periode dat hij Van Aelst had aanhoord. Openbare ambten mogen geen verklaring afleggen[241]. Maar het was slechts deze getuigenis die erop wees dat de werving van de drie militairen geen alleenstaand feit was. De eis werd door het Hof verworpen, gezien Charlier de feiten niet à charge uitte, maar enkel een verklaring  had afgelegd wanneer hij werd opgeroepen door de onderzoeksrechter.

            Op 30 juli 1833 kwam het proces voor het Hof van Assisen onder voorzitter M. Lauwers. De zitting werd geopend met de akte van beschuldiging, voorgelezen door de substituut procureur-generaal D'Anethan. De vier militairen, die ervoor hadden gezorgd dat Van Aelst door de mand viel, werden gehoord. Verschillende andere minder belangrijke getuigen werden die dag ook gehoord[242]. Op 31 juli werd de commandant van het regiment der gidsen de Croy gehoord, die de militairen de opdracht had gegeven om bij Van Aelst te gaan, om zich ervan te vergewissen dat hij wel degelijk plannen had om militairen te doen overlopen naar het Hollands leger. Opmerkelijk was dat deze beweerde dat hij de opdracht pas aan Jenkens had gegeven nadat deze door Van Aelst was benaderd. De feiten werden door de Croy zo voorgesteld omdat de aansporing om iemand uit te horen kan worden beschouwd als provocatie. Daarna werd de eis van het Openbaar Ministerie aanhoord om ten slotte af te sluiten met de pleidooien van Fontainas en Keymolen, respectievelijk advocaten van Van Aelst en Vandepoel. Deze legden beide een pleidooi af tegen de “schandelijkheid” van het systeem van spionage. De manier waarop de geheime agenten in dienst van de staatsveiligheid tewerk ging was zeer dubbelzinnig[243]. Dit systeem van spionage en provocatie werd door de bevolking afgekeurd. Op dit gevoel pikte de verdediging in:

 

   “Il y a basesse dans leur conduite. Le devoir d'un soldat est de battre l'ennemi à la frontière, mais non    de s'introduire dans le foyer domestique, de chercher par un langage hypocrite de capter la confiance d'un malheureux pour plus tard, et par suite de cette provocation, le livrer à la justice.”    

 

De jury was sterk onder de indruk van de pleidooien van deze advocaten. Het was dus op basis van de provocatie dat de advocaten hun cliënten verdedigden, hoewel het duidelijk was dat Van Aelst al meerdere malen had geprobeerd militairen te overtuigen en bovendien in contact stond met de vijand in een periode van onveiligheid. Nadat de jury alles had aanhoord, trok ze zich terug voor beraadslaging. De juryleden hadden slechts 5 minuten nodig om te komen tot een besluit. Het verdict van vrijspraak werd op algemeen applaus ontvangen[244]. Deze uitspraak lijkt zeer vreemd. Maar België was in juni 1833, wanneer het proces voorkwam, niet meer hetzelfde als enkele maanden voordien. In het voorjaar was er  nog steeds een reële dreiging vanwege de noorderburen. Maar ondertussen was er een status-quo beslist, die een stabielere toestand had gecreëerd voor België. Het was met andere woorden ook de politieke situatie die het besluit van de jury mede had beïnvloed.

 

 

3.4 1833-1838: een periode van legaal protest

 

In de loop van 1833 begon de Belgische economie zich te herstellen. De staat kreeg aandacht voor industrie en handel. De citadel van Antwerpen was ontruimd en er bevonden zich geen Hollanders meer op Belgisch grondgebied. Deze factoren droegen bij tot een zelfzekere houding op binnenlands vlak. Deze zelfverzekerdheid werd in de hand gewerkt door de beslissingen die waren genomen op de Conferentie van 21 mei 1833[245]. Hier werd gesteld dat het grondgebied van Limburg en Luxemburg nog steeds in Belgische handen bleef en dat er geen tol betaald moest worden voor de bevaring van de Schelde, zolang Willem I het vredesverdrag niet aanvaardde. Deze beslissing was zeer gunstig voor België. Ook de angst voor een aanval van buitenaf verminderde door de status-quo. Dit alles droeg ertoe bij dat de orangisten aan slagkracht  verloren. De beslissingen tot een status-quo hadden tot gevolg dat Willem I niet langer van plan was om zelf een poging tot restauratie op gang te brengen, maar men sprak wel van een  “conspiration expectante” [246], waarbij men een gunstig moment zou afwachten om toch nog tot een restauratie te komen.

            De twee groeperingen die in de periode voordien veel van zich lieten horen, begaven zich nu  niet buiten de perken van de wet. Noch de orangisten noch de republikeinen maakten gebruik van de instabiele situatie. De voorgaande periode, waarin het protest van beide groepen zelfs had geleid tot een proces, had uitgewezen dat hun mening niet werd gedragen door een brede basis. Het volk schaarde zich niet achter de opvattingen van beide groepen, integendeel. De anti-orangistische plunderingen die in 1831 en ook in de latere periode plaatsvonden zijn hiervoor illustratief. Het volk stond zeer afwijzend tegenover iedere orangist en iedere orangistische actie en was zeer gehecht aan de nationale zaak[247]. Ook was de afkeer van het volk tegen de uitgesproken republikeinse opvattingen van de Réunion Centrale in februari 1831 een duidelijk teken aan de wand dat ook de republiek werd afgewezen. Voor de volksmassa was het koningshuis namelijk uitermate belangrijk[248]. Het ontbreken van een grote achterban kan een verklaringsfactor zijn voor de afwezigheid van grootschalige politieke misdrijven. Een andere verklaringsfactor was een doorgedreven repressie vanwege de overheid. De Belgische grondslagen lagen nog altijd niet vast door het feit dat Willem I het vredesverdrag had geweigerd. De Belgische politieke macht werd bijgevolg gedreven door de wens om internationaal erkend te worden. Het trachtte zijn onstabiele positie te verstevigen door hard op te treden op binnenlands vlak[249]. Maar deze harde repressie kan eveneens toe te schrijven zijn aan de angst van de autoriteiten om ook op binnenlands een onstabiele situatie te creëren. Zo werden verschillende republikeins getinte verenigingen en hun leden zeer nauwlettend gevolgd door de overheid door middel van politieagenten en spionnen. De republikeinse groep werd door de autoriteiten namelijk beschouwd als hoogst staatsgevaarlijk. De voorgaande periode had namelijk uitgewezen dat deze groep in staat was een grote massa te mobiliseren onder het mom van patriottisme. Een angst dat een gelijkaardige beweging deze keer wel zou slagen, zorgde voor een schaduwing waarbij iedere verdachte beweging onmiddellijk in de kiem kon worden gesmoord. De overheid trachtte de hele republikeinse beweging in diskrediet te brengen en hen af te schilderen als subversief, revolutionair en crimineel[250], maar toch hielden de republikeinen zich – angstvallig – binnen het legaal kader.

            Zowel de orangisten als de republikeinen maakten gebruik van de liberale vrijheden van vereniging en pers die de grondwet hen bood om hun principes de wereld in te sturen. De tegenstanders van de Belgische monarchie verlieten de wettelijke paden niet en maakten gebruik van legale middelen om hun protest te uiten. Maar, zoals reeds eerder aangewezen, werd de orangisten voordien de mond gesnoerd door het decreet op persmisdrijven. De niet-verlenging van dit decreet op 1 mei 1833 gaf nadien aanleiding tot verscheidene persprocessen[251]. Het was dus pas na 1833 dat we de uiting van het protest van orangistische zijde zien opduiken – buiten het eerder besproken proces tegen Journal du Commerce – via krantenartikels. Daarnaast werden de orangisten gedwongen binnen het kader van de wet te ageren door een wet die in april 1834 werd goedgekeurd, na de laatste fase van zware anti-orangistische rellen. Deze stelde dat iedere openlijke manifestatie van orangisme, ieder teken van streven naar restauratie van de Nassau-dynastie, zwaar zou worden bestraft. Zij werden met andere woorden eerst door het repressief persdecreet van 1831 en nadien door de wet van 1834 zwaar gestraft voor hun voorliefde voor Holland. Het is duidelijk dat deze wet zeer zeker heeft bijgedragen tot een legale actie vanuit orangistische hoek. De orangisten bestreden de de overheid nog op een andere manier. Op lokaal niveau beschikten de orangisten, in tegenstelling tot het nationale niveau, in verschillende steden over sleutelposities in het bestuur. Via deze weg trachtten ze de overheid te dwarsbomen[252]. Toch was het duidelijk dat het orangisme geen kans had op slagen. Ze beschikten niet over een overkoepelende organisatie, een centraal leidend comité. Er kon dus bijgevolg geen sprake zijn van een nationaal geleide actie[253]. Uit de ontstentenis van politieke misdrijven kunnen we opmaken dat men enkel op lokaal vlak in staat was problemen te veroorzaken. Het orangisme betekende geen echt gevaar meer voor de politieke machten[254]. Toch zal het nog tot na de aanvaarding van de XXIV Artikelen duren vooraleer deze beweging werkelijk uiteenspatte. Dan pas had het geen bestaansreden meer.

            De vrijheid van vereniging werd door de republikeinen ten volle benut. Zo ontstond er in deze periode te Gent Société du Progrès onder Bernard Vispoel en te Brussel Les Amis de la Vérité met als voornaamste figuren Mellinet, Schavije en Gillo, samen met Bartels[255]. Een persoon die hierin een grote rol speelde was Jacob Kats, die echter niet tot de republikeinen kan gerekend worden, maar wel belangstelling wekte van deze groep. Hij slaagde erin contacten te leggen met het gewone volk, een cruciaal aspect waar zijn voorgangers niet in geslaagd waren. Hij was begaan met het lot van de sociaal minder begoeden en de lotsverbetering van de arbeiders. Met dit doel voor ogen richtte hij in 1833 de “Maatschappij der verbroedering” op. Dit was een toneelvereniging waarin de sociale problematiek centraal stond. Vooraanstaande republikeinen zoals Gendebien en Le Hardi de Beaulieu merkten het grote belang van deze vereniging op en besloten Kats te financieren. Maar een grotere impact kende de Meetingbeweging, dat een grote bloeiperiode kende in de periode 1836-1840, eveneens geleid door Jacob Kats. Deze vereniging stond voor iedereen open en had eveneens de lotsverbetering van de arbeiders tot doel. Er was geen sprake van heimelijke samenkomsten. Kats wees geweld openlijk af en benadrukte dat elk optreden binnen een wettelijk kader diende te verlopen. Toch was de overheid er niet gerust in. Kats' doen en laten werd nauwkeurig gevolgd door geheime agenten en van iedere samenkomst werd een gedetailleerd verslag geschreven. Dit zouden we voornamelijk kunnen toeschrijven aan de interesse die vooraanstaande radicale patriotten toonden voor de vereniging en de ideologische banden die er bestonden tussen deze meetingbeweging en radicaal-patriottische democraten[256]. Hun protest was nooit onwettelijk en de overheid kon de beweging niets ten laste leggen. Ook gekende republikeinse buitenlanders werden geschaduwd. Zo vreesde men gedurende enkele jaren een staatsgreep vanwege generaal Mellinet. Maar deze angst nam geleidelijk af. Zoals vele republikeinen propageerde Mellinet zijn ideeën via kranten, maar tot een gewelddadige actie werd er niet overgegaan[257], noch vanwege zijn zijde, noch vanwege andere republikeinen. Ook zien we dat de republikeinen sterk gebruik gaan maken van de persvrijheid. In de periode 1833-1838 ontstonden er overal in België ontzettend veel radicale dagbladen[258].

            Een bijkomende verklaringsfactor voor de ontstentenis aan complotten ligt in het feit dat zowel de orangisten als de republikeinen geen eenvormige ideeën hadden over de verwezenlijking van hun doel. Verdeeldheid was in beide gevallen de regel[259]. Door deze verdeeldheid was het onmogelijk om een grootschalige actie op te zetten, omdat men het niet eens was over hoe men dit diende waar te maken en vooral over wat er nadien zou volgen. Uiteenlopende belangen doorkruisten het overkoepelend belang. Zeker na 1833 verloor het orangisme heel wat slagkracht. Zo zegt de orangist Lebrocquy: “L'orangisme était mort à Anvers même avant la conclusion du traité final. Il y avait encore des individus à opinions orangistes, il n'y avait plus de parti orangiste[260]”. In tegenstelling tot de Antwerpse orangisten, die in constant contact stonden met Den Haag, hield de Gentse afdeling zich ver weg van politieke intriges. Enkel in Gent zal het orangisme een langdurige invloed hebben[261].

 

 

3.5 Besluit

 

Deze periode werd gedomineerd door de afwezigheid van vrede met Holland. In een eerste fase, waar een dreiging van Holland nog vrij reëel was, werd deze dreiging nog eens extra in de verf gezet door het feit dat Belgische burgers andere inwoners van België aanzetten om zich te verzetten tegen het bestaan van de staat én daarenboven door Hollandse troepen te gaan versterken. Hierdoor werd België in een zwakke positie geplaatst ten opzichte van Holland. In de twee processen die in deze periode plaatsvonden werden de beschuldigden vrijgesproken. Zowel Van Aelst als Delrue stonden bij de staat gekend als orangisten, maar ze werden beide vrijgesproken, hoewel men echter over genoeg bewijzen ten laste beschikte. De jury erkende het gevaar dat de praktijken met zich meebrachten niet[262]. De jury leek sterk onder de indruk van het pleidooi van de verdediging, waarbij men het gebruik van geheime agenten bekritiseerde. We zien in deze periode wel dat de organisatie van de staat verbetert. Door de schaduwing was men in staat staatsgevaarlijke elementen te vervolgen en mogelijke gevaren de kop in te drukken. Maar deze schaduwing had mede de vrijspraak van Van Aelst tot gevolg gehad. Het volk was bijgevolg niet te vinden voor deze manier van werken, maar het was   voor de staat een geschikte manier om gevaren af te wenden.

            Vanaf midden 1833 echter, veranderde de situatie. Het heeft een nieuwe conferentie gekost om Holland te  bedwingen. Door de status-quo die op deze Conferentie werd vastgelegd, zolang Willem I het vredesverdrag niet aanvaardde, nam de dreiging van Hollandse zijde af. Daarenboven hadden de politieke machten middelen gevonden om binnenlands protest de mond te snoeren. Door middel van een strak doorgevoerde repressie en schaduwing van staatsgevaarlijke elementen enerzijds en repressieve wetten anderzijds, was men in staat om de binnenlandse dreiging af te wenden en te kanaliseren. In deze periode vertoonde het orangisme haar eerste scheuren. Dit was voornamelijk toe te schrijven aan het feit dat de staat zich begon in te zetten voor de industrie en de handel. De voornaamste basis van ongenoegen bij de orangisten spruitte voort uit de slechte toestand waarin de economie zich bevond. Wanneer deze zich herstelde, was een groot deel van de orangistische inspiratie weggenomen en bijgevolg ook een groot deel van haar aanhangers.

            De radicalen spitsten hun strijd niet langer toe op de verwezenlijking van de republiek, maar wel op de verbetering van de levensomstandigheden binnen het huidige kader. Er werd kritiek geuit op het beleid door middel van de pers, met als doel aanpassingen door te voeren. Een stabiele situatie (na de Conferentie van 1833) zorgde voor de mogelijkheid om op binnenlands vlak een kracht uit te bouwen en zich bezig te houden met repressie van die elementen die voor problemen zouden kunnen zorgen. De stilte op buitenlands vlak gaat samen met een vrij vredevolle situatie op binnenlands vlak.

 

 

4. 1838-1842: De aanvaarding van het verdrag van de XXIV artikelen en zijn gevolgen

 

4.1 Algemeen

 

De periode 1833-1838 was een gunstige periode geweest voor België. De dreiging van Holland was minder reëel en dit heeft ervoor gezorgd dat België zich had kunnen ontwikkelen op alle vlakken van de samenleving. Aan deze rust werd abrupt een einde gemaakt op 14 maart 1838. Op deze dag besloot Willem I om na al die jaren toch het vredesverdrag te aanvaarden. Dit betekende dat België afstand moest doen van een gebied dat sinds de onafhankelijkheid deel had uitgemaakt van het grondgebied. Dit had grote gevolgen voor de Belgische samenleving. Vanaf 1838 bevond België zich in een staat van agitatie naar aanleiding van het besluit van Willem I. België kon het verdrag niet meer weigeren aangezien de regering in 1831 onmiddellijk had besloten om het te aanvaarden. De publieke opinie verzette zich massaal tegen de opdeling van het territorium. Alle geledingen van de samenleving waren voor het behoud van de integriteit van het territorium[263]. Ook de radicaal-patriottische zijde deelde de mening van het volk en protesteerde hevig, net zoals in 1831. Een oorlogsdreiging werd opnieuw reëel. Maar tegen het einde van 1838 begon deze unanimiteit reeds barsten te vertonen. De economie ging steeds slechter ten gevolge van deze onstabiele situatie. Het algemeen belang werd doorkruist door tegenstrijdige belangen. Op 22 januari werd de aanvaarding van het vredesverdrag ondertekend te Londen. Het duurde echter zeer lang vooraleer het verdrag in België zelf werd aanvaard. Er bleef nog lange tijd veel tegenstand tegen de aanvaarding. Op 15 maart ratificeerde de Kamer het verdrag, maar het verdrag van de XXIV artikelen werd uiteindelijk pas ondertekend op 19 april 1839. Europa bekrachtigde de ontbinding van het Koninkrijk der Nederlanden en de onafhankelijkheid van België. Hierdoor was de diplomatieke consolidatie van België na negen jaar eindelijk een feit[264].

            Bovendien zorgde deze aanvaarding voor een uitsterven van de orangistische gelederen. Ijveren voor een restauratie met Holland was dus een verloren zaak. Maar nog tot begin jaren ´40 waren er geheime contacten tussen de kroon van Holland en de orangistische beweging op te merken. Het is met andere woorden zo dat er eigenlijk nog steeds geen sprake was van een stabiele situatie, hoewel het vredesverdrag getekend was en België na een jarenlange instabiliteit eindelijk erkenning gekregen had. Willem I hield nog steeds de mogelijkheid van een inlijving van België achter de hand, hoewel reeds jaren duidelijk was dat zowel de Belgische als de Hollandse publieke opinie tegen een hereniging was. Volgens de gekende orangist Lebrocquy was Willem I  nooit gestopt met annexatieplannen te hebben in de loop van de jaren 1830, maar hij wachtte een geschikt moment af om actie te ondernemen. De tijd om actie te ondernemen was echter aangebroken ten tijde van de discussies omtrent het vredesverdrag, dat in alle geledingen van de Belgische samenleving weerslag kende[265].

            Maar zijn zoon Willem II, die hem in deze periode had opgevolgd, droomde nog meer dan zijn vader van een hereniging van de Nederlanden. Hoewel de Belgen reeds vele malen hadden duidelijk gemaakt dat deze pogingen op een groot verzet zouden stuiten, waren er enkele dissidente stemmen die hem vertrouwen gaven voor het slagen van een dergelijke onderneming. Zo had de republikein De Potter een grote invloed op hem uitgeoefend door een plan van een Belgisch-Nederlandse federatie voor te stellen[266]. Door de denkbeelden van De Potter werden de radicalen er door de overheid van verdacht een republikeins-orangistisch pact te hebben afgesloten om zo te komen tot een staatsomwenteling.

 

 

4.2 Een vermeend complot ten tijde van de discussies omtrent de XXIV artikelen

 

4.2.1  Protest tegen de XXIV artikelen

 

De debatten omtrent de XXIV artikelen wakkerden het protest van radicaal-patriottische zijde aan[267]. Zoals enkele jaren voordien kon deze groepering zich niet verzoenen met een afstand van het territorium. Ook de meetingbeweging bleef niet in het donker. Dit protest uitte zich zowel op straat als in de kranten. Vanaf het begin van deze periode was Adolphe Bartels actief in het protest tegen de aanvaarding ervan. Bartels had eveneens een actieve rol gespeeld in het protest van radicaal-democratische zijde in 1831, tegen het vredesverdrag van de XVIII  Artikelen. Omwille van zijn opvattingen werd hij reeds door de autoriteiten in het oog gehouden. Hij was een republikeins democraat en stond voor de langzame afschaffing van iedere vorm van regering, waarin de staat zich diende te transformeren tot een simpele administratieve instantie[268]. Aanvankelijk was de publieke opinie ervan overtuigd dat de integriteit van het territorium een prioriteit was. Jacob Kats, de spilfiguur van de meetingbeweging, deelde hierin volledig de mening van Bartels. Deze hadden vele meningsverschillen gehad, maar op vlak van de integriteit van het territorium en dus het protest tegen de opdeling ervan toonden beide zich fervente voorstanders en waren ze bondgenoten. Toch hadden ze geen concrete afspraken en ontmoetingen getroffen[269].

            In deze periode had Bartels een onderhoud met de orangist Lebrocquy, wat zou kunnen wijzen op een toenadering met de orangisten. Deze was naar Brussel gezonden in naam van de orangisten om daar medestrijders te vinden voor een algemene staatsgreep om Willem op de troon te helpen. Maar de uitgangspunten van beide mannen waren te verschillend om tot een overeenkomst te komen. Het enige punt van overeenkomst was de afwijzing van het huidige regime. Maar Bartels was een patriot in hart en nieren en stond dus na bijna tien jaar nog steeds afwijzend tegenover de orangistische beweging, dit in tegenstelling tot De Potter (cfr.supra). Op basis van deze contacten waren de autoriteiten ervan overtuigd dat er een afspraak bestond tussen beide groepen om een staatsgreep voor te bereiden[270]. Volgens Lebrocquy had Bartels, samen met zijn geloofsgenoten, wel degelijk een omverwerping van de bestaande orde voor ogen[271]. Tijdens de periode waarin de discussies omtrent de aanvaarding van het vredesverdrag zich in een cruciale fase bevonden, werd hij aandachtig gevolgd door de autoriteiten. Omwille van zijn overtuiging werd hij in deze periode van onzekerheid als verdacht en gevaarlijk beschouwd. Deze verdachtmaking werd versterkt door het feit dat Bartels een niet-aflatende stroom van protest lanceerde en de massa mobiliseerde om te protesteren.

            Reeds voordien had Bartels aan De Potter een plan ter verdediging van het grondgebied bezorgd. Dit plan was radicaal, maar beoogde geen omwenteling van de staat[272]. De parketmagistraten meenden echter dat de radicalen van de agitatie gebruik wensten te maken om samen te zweren en over te gaan tot een gewapende opstand. Toch wees het overgrote deel van de radicalen, onder wie ook Bartels, gewelddadige en revolutionaire actie af[273].

 

4.2.2 Arrestatie

 

Eind februari publiceerde Bartels een artikel in zijn krant Le Belge, getiteld Appel à l'armée[274]. Dit was een oproep om te protesteren tegen de aanvaarding van de XXIV artikelen, en dus een aansporing om te ijveren voor het behoud van het territorium van België zoals deze in 1830 was vastgelegd.  Ook Jacob Kats publiceerde een vertaling van dit artikel in Den Volksvriend. Men greep deze kans aan om deze twee agitatoren te vervolgen voor samenspanning tegen de regering. Men zag in het protest, dat door beide groepen werd gevoerd en overigens patriottisch van aard was, een poging om de bestaande orde omver te werpen. Na het verschijnen van het artikel werd Bartels op 28 februari 1839 in het bureau van Le Belge gearresteerd en naar de gevangenis van Les Petits Carmes overgebracht. Men las in verschillende kranten:

   “Les appels à une resistance extra-legale ont pris dans ces derniers temps un caractère nouveau qui       n'a pas   permis au gouvernement de rester plus longtemps dans l'inaction. Une proclamation à l'armée     rédigée en français et traduite en flamand a été repandue avec profusion. Des recherches ont été faites           immediatement. Dans un interrogatoire subi le 27, au sujet des attroupements, M. Adolphe Bartels s'est       reconnu l'auteur de cette proclamation, en déclarant qu'elle avait été imprimée et qu'elle se distribuait            pas ses soins. La cour d'appel de Bruxelles a évoqué l'affaire [...]. M. Bartels a été arrêté dans la matinée, ainsi que le sieur Kats chez qui on a trouvé le manuscrit d'une traduction flamande de la      proclamation.[275]

 

Twee dagen na zijn arrestatie werd er door de minister van Justitie de Theux een rogatoire commissie naar Parijs gestuurd om een huiszoeking te verrichten bij De Potter[276]. Men vermoedde dat er in diens woonst bewijzen zouden te vinden zijn van een plan tussen Bartels en De Potter om verzet aan te wakkeren bij de bevolking om op die manier zowel in België als in de Rijnstreek een republiek uit te roepen[277]. Toch was hiervan geen enkel concreet bewijs te vinden. In Parijs kreeg men de toelating om de brieven die van belang waren te kopiëren, wat men ook deed[278]. Maar men kopieerde enkel de brieven die konden gebruikt worden om de beschuldiging te staven, brieven die tegen de zaak pleitten werden genegeerd. In Parijs werd er een vervolging ingesteld tegen De Potter op dezelfde verdachtmakingen als Bartels en Kats. Hier werd op 20 maart een non-lieu uitgesproken. Tijdens zijn gevangenschap bleef Bartels schriftelijk contact onderhouden met De Potter. In deze correspondentie deed De Potter zijn visie over een Belgisch-Nederlandse bond en over de verloren zaak van het republicanisme uit de doeken. Maar Bartels wees diens visie radicaal af, omdat die niet onverzoenbaar was met zijn patriottisch gevoel[279]. Zoals reeds eerder was gebleken uit zijn ontmoeting met Lebrocquy was een toenadering tussen patriotten en orangisten onmogelijk, omdat reeds vanaf 1830 was gebleken dat de eersten niet bereid waren tot een compromis met de dynastie Oranje-Nassau.

 

4.2.3 Het proces

 

Op 10 april werden ze tegen alle verwachtingen in door de Kamer van Inbeschuldigingstelling verzonden naar het Hof van Assisen van Brabant, op beschuldiging van samenspanning tegen de staatsveiligheid, op straffe van verbanning of 2 jaar hechtenis. Ze werden ervan beschuldigd : ten eerste de burgers te hebben aangespoord de wapens te nemen, de soldaten te hebben aangemoedigd zonder bevel van de legitieme macht en ten tweede door geschriften de officieren en commandanten te hebben aangespoord tegen de regering[280]. Maar, in tegenstelling tot wat de autoriteiten dachten, had deze proclamatie niet tot doel de regering omver te werpen, maar wel het leger als patriottische kracht te laten protesteren tegen het vredesverdrag. Zij zagen in deze aansporing een poging om de bestaande orde der Belgische staat omver te werpen.  Kats uitte zijn ongenoegen hierover in een brief gericht aan Den Volksvriend, waarin hij stelde dat het onvoorstelbaar was dat iemand, die net zijn vaderlandsliefde heeft geuit, werd vervolgd voor een samenzwering tegen de staat[281]. Op 23 mei 1839 werd het proces  geopend. De volledige akte van beschuldiging was gebaseerd op citaten uit brieven die men bij De Potter in Parijs in beslag had genomen[282]. Adolphe Bartels werd verdedigd door zijn broer Jules Bartels, Jacob Kats werd verdedigd door Jottrand[283]. Jules Bartels stoelde zijn verdediging op het feit dat diens broer steeds was uitgekomen voor zijn republikeinse gezindheid, maar nooit de intentie heeft gehad om met zijn propaganda de troon omver te werpen en een republiek te stichten. Het enige wat hij steeds nastreefde was de nationale soevereiniteit te waarborgen. Jacob Kats was vrij toevallig in het proces terecht gekomen omdat hij het artikel van Bartels had overgenomen. Buiten ideologische banden en het feit dat ze beide tegen de opdeling van het Belgische grondgebied waren, hadden ze geen enkel contact met elkaar. Er heerste zelfs een soort van vijandschap tussen Bartels en de meetingbeweging[284]. Het Openbaar Ministerie zocht naar getuigenissen die spraken van een effectief contact, namelijk de aanwezigheid van Kats en Bartels op het Martelaarsplein tijdens een protestactie tegen de 24 artikelen waar ze het Appel à l'armée zouden hebben uitgedeeld [285].

            Het proces was, net zoals de akte van beschuldiging, volledig gebaseerd op tien brieven en delen uit brieven van Bartels, plus twee brieven vanwege Jottrand gericht aan De Potter. Uit deze brieven werden daarenboven in het requisitoir van de advocaat-generaal D'Anethan citaten zorgvuldig geselecteerd om hun zaak te bewijzen[286]. De zitting van 25 mei werd ingenomen door de pleidooien van de verdediging. Jules Bartels ging hierop dieper in op de verdediging van zijn broer, en behandelde de politieke vraagstukken, met nadruk op de patriottische instelling van zijn acties. Ten slotte kwam Jottrand aan het woord ter verdediging van Kats, waarbij hij zich voornamelijk toelegde op het bewijs van het nut van de meetings[287]. Uit het proces bleek duidelijk dat er helemaal geen bewijzen te vinden om de beschuldiging te staven. Na vijf zittingen werden Kats en Bartels op 28 mei 1839 vrijgesproken[288]. Het kon niet bewezen worden dat Bartels een staatsomwenteling wilde veroorzaken. Hij was in staat een grote massa te mobiliseren voor een patriottische actie. Maar diezelfde beweging zou waarschijnlijk wel afwijzend staan tegenover een staatsomwenteling ten voordele van de republiek. De mogelijkheid blijft wel bestaan dat hij een kans zou aangegrepen hebben om de zaak waarvoor hij reeds sinds 1830 had gestreden, in vervulling te laten gaan, maar dit lijkt vrij onwaarschijnlijk. Bovendien is het wel degelijk de vraag of hij in zijn opzet zou zijn geslaagd. Lebrocquy was de enige die ervan overtuigd was dat er vanwege de radicalen een revolutionaire actie op til was. De complottheorie tussen orangisten en republikeinen zou in de geesten van het Openbaar Ministerie blijven bestaan.  Drie jaar later zouden deze feiten opnieuw opgerakeld worden en in verband gebracht met een complot dat werd beraamd door orangisten (zie 4.4 complot van de paniers percés). Toch was eerder reeds duidelijk dat Bartels onverzoenlijk was met het orangistisch gedachtengoed, noch met de visie van De Potter van een eengemaakte Bond.

 

 

4.3 Een trip naar Egypte

 

4.3.1 Een eigenaardig voorstel

 

Omwille van de hernieuwde dreiging had koning Leopold I besloten over te gaan tot de creatie van een keurkorps Jagers. Vanaf 6 mei waren er drie bataljons gestationeerd te Antwerpen, waarvan één onder het bevel van luitenant-kolonel Alexis Adolphe Capiaumont. Dit korps bleef er gestationeerd na de aanvaarding van de XXIV artikelen. Nadat deze bedreiging was afgenomen ging men over tot de afbouw van het aantal manschappen. Een groot aantal militairen werden met verlof geplaatst. Dit leidde tot een grote ontevredenheid vanwege deze groep.

            Reeds gedurende geruime tijd was de militaire overheid van Antwerpen op de hoogte dat er enkele individuen soldaten aanspoorden om het vaandel te verlaten. Daarom had kolonel Capiaumont, bevelhebber over een korps der jagers, zijn manschappen bevolen hem onmiddellijk te waarschuwen indien ze hier iets van merkten[289]. Op zondag 1 december 1839 tijdens de parade van de wacht van Antwerpen werd sergeant François Joseph Defleron aangesproken door Joseph Hertog. Ze kenden elkaar reeds van tevoren. Hertog was vergezeld door de ex-cavalerist Clement Leliaert. Deze was ook met verlof gestuurd na de aanvaarding van het vredesverdrag. Ze nodigden hem uit een glas te drinken in de kroeg Café du Nord aan de Groenplaats[290]. Daar zei Hertog aan Defleron dat hij naar Egypte zou vertrekken. Ook Hertog was met verlof gestuurd na de hervormingen die plaatsvonden in het leger. Voordien was reeds een foerier van de cavalerie gedeserteerd met de kas van zijn eskadron. Op het wervingsbureau te Brussel had hij 200 frank gekregen, waarna hij vertrok naar Egypte met de graad van officier. Hij verzekerde Defleron dat hij voor hem hetzelfde kon versieren. Wanneer ze de kroeg verlieten zei Leliaert aan Defleron dat Hertog niet te vertrouwen was, maar dat hij hem zou helpen[291]. Het is echter zeer onduidelijk waarom er militairen werden geworven voor een expeditie in Egypte. Hier hield de koning Mohammed Ali in deze periode regelmatig expedities tegen Anatolië en Syrië. Het is mogelijk dat dit de reden van de werving was, maar nergens wordt dit vermeld. Defleron betrad het café van Lebrun samen met Leliaert en Hertog. De sergeant Pascal was hier aanwezig. Defleron liet hem naar de binnenkoer roepen door de uitbaatster Catherine Wautier, waar hij hem vertelde dat hij met 2 mannen aan tafel zat die hem trachtten te rekruteren. Een kwartier later zijn de militairen met Leliaert en Hertog naar Au Billard gegaan, een café vlakbij de kazerne, waar adjudant Delnest hen kwam vergezellen. Daar verzekerde Leliaert Defleron dat hij ook zijn vrienden naar Brussel wilde brengen.

            Daarna begaven ze zich met zijn allen naar de Poort van Borgerhout. Onderweg sprak Pascal met Hertog, die hem vertelde dat hij wachtte op papieren om naar Egypte te kunnen gaan. Daar aangekomen gingen ze binnen in het café Het Pannenhuys in de buurt van het station, waarna Hertog de kroeg verliet[292]. De militairen zijn met Leliaert naar een andere kroeg gegaan, La ville de Bruxelles. Daar praatten ze opnieuw over het engagement, maar nu zonder Hertog. Delnest eiste burgerkleding en een schriftelijke garantie dat ze effectief 200 frank zouden ontvangen. Hij eiste daarom een schriftelijke neerslag van hun plan. Hij schreef een brief die werd ondertekend door Leliaert omdat hij zelf niet schrijven kon[293]. Ze spraken de de dag nadien af, maar Leliaert was niet op café, noch in de buurt op te merken. Na een vruchteloze zoektocht kwamen ze hem toch tegen. Omdat ze geen adres hadden van de contactpersoon in Brussel, stelde Leliaert voor om Hertog te zoeken. Ze gingen naar de kroeg Aen den minnen Vragtwagen. Defleron wist waar Hertog woonde, boven de herberg 't Zonneken[294]. Daar aangekomen  kregen ze van Hertog het adres van de contactpersoon, maar helaas geen burgerkleding. Ook gaf hij hen een brief waarin hij zijn contactpersoon in Brussel verzocht de militairen te helpen vertrekken naar Egypte. Hierna keerden Leliaert en Defleron terug naar de kroeg waar ze de anderen hadden achtergelaten. Iets later kwam Hertog hen vergezellen. Maar het lijkt wel heel vreemd dat Hertog eerst werd uitgesloten om daarna opnieuw deel uit te maken van het plan. Het lijkt duidelijk dat er iets fout is in het verhaal dat wordt verteld door de militairen, maar nergens is een tegenstrijdigheid te bespeuren. Na een uur verliet Defleron de kroeg samen met Pascal onder het voorwendsel dat geld en burgerkleding te kunnen bemachtigen[295].  Pascal ontbood zich bij kolonel Capiaumont. Hij deed het verhaal uit de doeken en vroeg om een toelating om naar Brussel te gaan. Capiaumont zei dat hij hen zou laten volgen door een andere onder-officier met een brief voor de militaire gouverneur van de provincie. Dit om te voorkomen dat de politie hen zou arresteren omdat ze zich zo ver van hun stationering bevonden. Hij had het bevel gekregen van de kolonel om de persoon enkel te contacteren op een vast uur. Defleron en Pascal kwamen enkele minuten na elkaar aan in de herberg om geen argwaan te wekken[296]. Pascal kwam binnen met een soldaat die de burgerkleding vasthield, gewikkeld in een doek. Hij omkleedde zich in de herberg. Defleron, die nog steeds geen kleren had, ging met Hertog en Leliaert opnieuw op zoek, de twee anderen achterlatend in een café aan de poort van Borgerhout. Na iets gegeten te hebben verlieten ze de herberg en stapten in een koets[297].

 

4.3.2 Op zoek naar de contactpersoon

 

Uiteindelijk kozen de militairen ervoor om toch samen met Hertog naar Brussel te gaan, omdat deze de contactpersoon kende en hen zeker in contact zou brengen. Enkel op deze manier kon de poging tot werving van soldaten de kop worden ingedrukt. Ze hebben meteen de eerste trein richting Brussel genomen zonder op Leliaert te wachten. In Brussel hebben ze een hele tijd moeten zoeken naar de contactpersoon Hoys om hem uiteindelijk te ontmoeten in de herberg de Voltigateur Belge. Nadien nam Hoys hen mee naar de herberg La Giraffe, dat zogezegd het bureau was waar ze een contract moesten tekenen. Toch werd er geen contract getekend, noch werd er over het engagement gesproken. Maar Hoys praatte wel met de uitbater[298]. Onderweg stopten ze bij de kroeg van Verhulst, Auberge, om daar een liter bier te drinken. Daar kwamen ze een ex-cavalerist tegen, die klaagde over het feit dat men hem op definitief verlof had gestuurd. Hierop zei Hoys dat hij hem binnen de 5 minuten een vervalst document kon bezorgen waarin het tegendeel te lezen stond. Dit wijst erop dat de drie militairen niet de enigen waren aan wie het voorstel werd gedaan. Toch is er nergens een aanwijzing van wie deze militair was en Hoys ontkende deze feiten ten stelligste. Bij het buitengaan toonde Hoys de militairen een verlicht raam, de plaats waar de commissarissen van de rekrutering zich bevonden, maar dat ze die avond niet meer te spreken waren omdat het al te laat was geworden om nog te onderhandelen. Het engagement zou pas de dag nadien plaatsvinden.  Het feit dat er leden van een commissie bestonden, zou een indicatie kunnen zijn van een groot opgezette operatie om militairen te laten deserteren. Het feit dat Capiaumont reeds op de hoogte was van verscheidene gevallen van desertie wijst des te meer in deze richting. Maar toch komen deze nadien nergens ter sprake. Hoys stelde voor om de uniformen te verwisselen, maar de getuigen maakten duidelijk dat ze liever wachten tot ze vertrokken, anders zou men hen kunnen beschuldigen dat ze werkelijk desertie hadden gepleegd. Ze verlieten het cabaret om naar de Grand Roi d'Espagne te gaan, gelegen op de Kleine zavel, om daar te overnachten. Hoys stelde voor om ergens anders te gaan logeren, omdat deze plaats dicht bij de rijkswacht was, en dus gevaarlijk. Maar de getuigen waren te moe om te veranderen. Hoys toonde hen de plaats waar ze elkaar zouden terug zien de volgende ochtend. Voordat Hoys 's avonds vertrok, zei hij dat ze het drukwerk van de papieren van kleyn en onbepaald verlof moesten gaan halen bij de drukker Delmotte op de Grote Markt.  Hij verzekerde hen dat ze in het bezit van deze papieren zonder moeite naar Frankrijk kon gaan[299]. Hun afspraak de volgende dag zou doorgaan zonder Hertog, die de volgende ochtend wilde vertrekken naar Antwerpen.

 

4.3.3  Een tweemalige aanhouding

 

Die nacht werd Hoys door politiecommissaris Nicolas Huart aangehouden toen hij rondhing in de buurt van de kazerne van Sint-Elisabeth. Hoys verklaarde dat een adjudant onder-officier en 2 sergeanten van de infanterie waren gedeserteerd uit Antwerpen dat ze in de Grand Roi d'Espagne op de Kleine Zavel verbleven en dat ze die ochtend naar Egypte zouden vertrekken[300]. De reden voor deze verklaring is onduidelijk. Hierop begaf de commissaris zich meteen naar de plaats waar de militairen zich bevonden, waarop de adjudant hem de brief gaf ondertekend door Capiaumont. Hierin stond dat ze de toestemming hadden naar Brussel te gaan voor een affaire van de politie. De 3 mannen verklaarden dat ze daar waren omdat ze meewerkten aan een onderzoek van werving van soldaten en dat Hoys hen de dag nadien een vals verlof zou kunnen bezorgen[301]. De militairen en de politie maakten een afspraak. Nadat Hoys een vals verlof zou hebben geschreven, zou Pascal het etablissement verlaten onder voorwendsel Defleron te gaan halen. Deze laatste zou op zijn hotelkamer zijn gebleven omdat hij nog steeds in uniform rondliep. Maar in plaats van Defleron erbij te halen, zou hij de politie verwittigen[302].

            De dag nadien ontmoetten de drie militairen Hoys om half negen, zoals afgesproken. Men sprak inderdaad af dat Defleron zich zou blijven verschuilen omdat hij nog steeds gekleed was in militair uniform. Delnest en Pascal, die in burgerkleding waren, gingen met Hoys mee. Wanneer hun verlofbrieven in orde waren, dan zou Defleron erbij gehaald worden. Het is echter wel vreemd dat Hoys nog steeds meewerkte nadat hij hen zelf had aangegeven bij de politie. Zijn argwaan werd niet gewekt toen hij zag dat ze op het uur van de afspraak kwamen opdagen. Rond 11 uur kwam Pascal de politie informeren dat Hoys hen naar de herberg van Bosmans in de Lignestraat had gebracht, waar hij een vervalste verlofbrief had geschreven met de vervalste handtekening van Capiaumont, zoals afgesproken[303]. Nadat deze verlofbrief vervaardigd was, gingen ze naar de Auberge van Verhulst op het Leuvenseplein om daar het verlof van Defleron in orde te maken. Daar zaten ze in een aparte kamer. Toen de politie er binnenviel was Hoys net bezig met het schrijven van het woord Anvers. Op de tafel lag een stuk papier met een stempel van het eerste regiment der jagers en de handtekening van Capiaumont op. Hij zei dat hij een klacht aan het schrijven was naar de Minister van Oorlog in naam van Delnest en Pascal over hun opgelegd verlof. Dit was uiteraard gelogen aangezien de militairen nog steeds in dienst waren. Hij ontkende dat hij deze brieven had opgesteld en dat het zijn geschrift was, waarna hij werd gearresteerd en naar de gevangenis gebracht[304]. De ochtend van vier december werden Leliaert en Hertog eveneens aangehouden[305]. Nadien vonden ze bij Pascal een briefje met een routebeschrijving van Brussel naar Parijs, die Hoys hem had gegeven om veilig in Parijs te raken. Hoys had hen opgedragen de papieren die hij hen had gemaakt enkel boven te halen indien het hoogst noodzakelijk was en hij gaf hen een beitel om zich mee te verdedigen.

 

4.3.4 Het proces

 

Hoys was gekend bij de overheid als een très mauvais sujet, hij was voordien reeds beschuldigd geweest van valsheid in geschriften. Ook was hij in de loop van 1839 reeds beschuldigd van diefstal, maar hij werd vrijgesteld van vervolging[306]. Het parket verscheen op 6 januari voor de Raadkamer met de beschuldigingsakte waarin Hoys, Hertog en Leliaert ervan werden beschuldigd drie militairen in Brussel en Antwerpen te hebben aangewerfd en   reeds waren begonnen met de uitvoering ervan door hen aan te zetten te deserteren naar een vreemde mogendheid. Hoys werd eveneens beschuldigd van valsheid in geschriften. Op 15 januari 1840 werd het arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling uitgevaardigd en de beschuldigden naar het Hof van Assisen verwees. De drie beschuldigden bleven volharden in hun onschuld[307].

De rechtszaak werd geopend op 11 mei 1840, maar kon nauwelijks de belangstelling wekken van de pers. Enkel in het dagblad Journal d'Anvers et de la province verscheen er een korte mededeling van enkele lijntjes in de afdeling varia:

 

   “L'audience dans l'affaire de Hoys, Hertog et Leliaert accusés d'embauchage et de faux en écriture publique, dont la cour s'occupe depuis hier a été reprise ce jour à 5 heures; on ne pense pas que l'arrêt soit prononcé aujourd'hui[308]

 

Op 13 mei 1840 werden Jean Hoys, Clement Leliaert en Joseph Hertog vrijgesproken en onmiddellijk opnieuw in vrijheid gesteld[309]. Hoewel het contact tussen de drie beschuldigden en de drie militairen kon worden bevestigd door onafhankelijke getuigen en hoewel Hoys zelfs op heterdaad werd betrapt tijdens het schrijven van een congé, werden ze toch vrijgesproken. Buiten de militairen waren er geen getuigen die het hele verhaal konden bevestigen. Enkel de aanwezigheid van de drie mannen in gezelschap van de militairen in verschillende kroegen kon worden aangetoond, maar dit bewees in geen geval de werving van soldaten. Bovendien verkeerde België sinds de aanvaarding van het vredesverdrag in een staat van rust. De bevolking ervaarde voor het eerst sinds de onafhankelijkheid geen gevaar van buitenaf. Wanneer er gevaar heerst, dan moet het leger instaan voor de bescherming van het land, maar dit was niet het geval. Daarom ook werd de werving niet aanzien als een direct gevaar voor de staat, hoewel het dit in se wel was.

 

 

4.4 Een trip naar Holland

 

Een zeer kleinschalige rechtszaak verscheen voor het Hof van Assisen in het voorjaar van 1840. Op zondag 2 februari waren twee militairen Waterschoot en Vuylsteke aan het wandelen naar de vrije kolonie van Wortel. Tijdens deze wandeling vertelde Waterschoot aan Vuylsteke dat hij wilde deserteren en raadde hem aan hem te volgen. Ze besloten iets te eten in Wortel, waarop ze zijn binnengegaan bij een zekere Snollaerts. Daar sprak Waterschoot opnieuw over zijn plan om te deserteren. Snollaerts, die daarop binnenkwam, zei dat ze zeer onvoorzichtig gehandeld hadden door hun mantels in de kazerne te laten. Indien ze de mantels bij zich hadden, konden ze hen later nog verkopen. Hierop werkten ze een plan uit om ongemerkt de mantels weg te halen. Snollaerts ging naar de kantine iets drinken en nadien verstopte hij zich -  volgens afspraak – achter de stallen. Nadat hij eerst de mantel van Waterschoot naar Snollaerts had gebracht achter de stallen, deed Vuylsteke alsof hij moe was en ging slapen. Nadat de taptoe (het signaal om naar bed te gaan) was uitgeroepen, griste hij zijn mantel weg en vergezelde Snollaerts. Aangekomen aan het huis van Snollaerts, bood deze 10 frank voor beide mantels[310], hoewel deze per stuk 50 frank waard waren[311]. Bovendien stelde hij voor hen te brengen tot in Holland. Vuylsteke kreeg bovenop de 5 frank nog een witte broek en een Duitse pijp. Ze vertrokken 's nachts tussen één en twee uur. Dit bleef Snollaerts tijdens de ondervragingen ontkennen. Hij bevestigde dat hij hen had vergezeld naar Nederland, maar hij beweerde dat hij onder dwang had gehandeld. Onderweg stopten ze éénmaal in een herberg, zonder te weten of het reeds Holland of nog steeds België was.

            Na een uur bedacht Vuylsteke zich en zei dat hij wilde terugkeren omdat hij niet wilde deserteren. Hij verliet de twee anderen en ging op weg naar zijn verblijfplaats. Snollaerts en Waterschoot zetten hun weg verder richting Holland. Op zijn terugweg ging Vuylsteke langs bij het huis van Snollaerts om zijn mantel terug te krijgen, waar hij van diens vrouw te horen kreeg dat zij niet wist waar haar man ze had gelegd. Zonder zijn mantel zette hij zijn weg verder richting zijn kazerne, waar hij rond 3 uur in de namiddag is toegekomen. Daar vertelde hij het hele verhaal aan zijn kapitein. Deze liet meteen het huis van Snollaerts bewaken, opdat er geen enkele bewijsstukken uit het huis zouden verdwijnen. De volgende ochtend beval hij om de burgemeester te gaan waarschuwen. De kapitein was echter enkel op de hoogte van de feiten die Vuylsteke hem had verteld. Hij wist niet of Snollaerts hen had geëngageerd om tot het Hollands leger toe te treden of dat Snollaerts op de hoogte was van hun plan om toe te treden tot het Hollandse leger. Maar zelfs uit de getuigenis van Vuylsteke bleek wel dat Snollaerts hen niet expliciet heeft aangeraden te deserteren. Hij heeft gezegd dat hij “mij en mijne cameraad op den goeden weg zou geleyd hebben om gemakkelijk in Holland te geraeken”[312]. Aanvankelijk ontkende Snollaerts iedere betrokkenheid. Hij ontkende dat hij met Vuylsteke naar de kazerne was gegaan en dat hij het huis verlaten had, behalve de volgende ochtend. Daarna gaf hij toe dat hij de 2 lansiers in de namiddag van 2 februari naar zijn huis waren gekomen en hem  te kennen gaven dat ze wilden deserteren naar Holland. Hij beweerde dat hij had geprobeerd hen af te raden hun plan verder te zetten, zoals het een Belgische burger betaamde, maar ze weigerden te luisteren. Ze zeiden dat hij met hen moest meegaan om de mantels te gaan halen. Hij weigerde dit, “maar op hun aandringen ben ik eindelijk genoodzaekt geweest met eenen van hun mede te gaen” terwijl de andere in afwachting thuis bleef.  Hij zei dat hij onder druk met een van hen meeging naar de kazerne, hun mantels had gekocht en hen had vergezeld naar Holland. Hij begeleidde hen hierbij tot aan de gemeente Uylekoten onder Baarle- Nassau (Holland), waar hij hen heeft verlaten[313]. Toch lijken beide verklaringen vreemd. Indien het duidelijk was dat de militairen zelf wilden deserteren, was er geen enkele reden waarom Snollaerts hen zou vergezellen naar Holland. De gemeente Wortel was niet ver gelegen van de Hollandse grens en gemakkelijk te bereiken. Het is dus vreemd dat hij zou hebben voorgesteld hen te begeleiden. Bovendien is er nog steeds de mogelijkheid dat Snollaerts wel degelijk heeft geprobeerd om de militairen hun plan af te raden en dat hij daarom was verplicht met hen mee te gaan. Want indien hij effectief tegen de actie was, dan had hij de plaatselijke militaire autoriteiten kunnen waarschuwen alvorens de 2 deserteurs de grens hadden bereikt.

            Op 20 februari 1840 eiste de Procureur des Konings voor de Raadkamer de vervolging van Cornelius Snollaerts, op betichting van aanzetten tot desertie. De Procureur meende dat dit plan enkel mislukte door omstandigheden onafhankelijk van de wil van de beschuldigde[314]. Op 27 februari werd door het Hooggerechtshof te Brussel een bevel uitgevaardigd tot de arrestatie en gevangenneming van Snollaerts in het Huis van Justitie[315]. De feiten waarvan Snollaerts werd beschuldigd werden volgens de artikels 1 en 3 van de Strafwet bestraft. Hiervoor werd hij voor het Hof van Assisen van Antwerpen gedaagd[316]. Maar toch was er geen enkel bewijs tegen Snollaerts. Het was woord tegen woord. Het is wel vreemd dat men iemand vervolgde op basis van één getuigenis.

            Waterschoot, de compagnon van Vuylsteke, was erin geslaagd te deserteren aangezien hij niet werd opgeroepen om te verschijnen op het proces. Aangezien men eigenlijk slechts over één enkele getuige beschikte, was het onmogelijk op basis van deze getuigenis iemand te veroordelen. Zo werd Snollaerts, bij gebrek aan degelijke bewijzen, vrijgesproken op 6 juli 1840[317]. Daarenboven kan worden aangestipt dat diegene die toch gedeserteerd is, uiting heeft gegeven dat hij werkelijk zelf wilde deserteren en Snollaerts hem enkel de grens heeft overgeholpen. Het was dus met andere woorden hulp met desertie, maar geen aanzetten tot desertie. Wanneer Snollaerts bovendien beweerde dat hij onder druk gehandeld had, dan was er al helemaal geen bewijs van aanzetten tot desertie. De zaak was vrij gering van betekenis, omdat ze slechts berustte op één getuigenis. Maar de reden waarom ze werd opgenomen in het onderzoek was omdat het tevens een indicatie was van uiting van verzet tegen de Belgische staat  én een uiting van orangisme, terwijl het orangisme zijn reden van bestaan reeds verloren had. Het zou kunnen worden gesteld dat deze acties juist daarom hadden plaatsgevonden. Het feit dat Waterschoot zijn zinnen had gezet op deserteren naar Holland, zou kunnen beschouwd worden als een bewuste keuze om België te verlaten, vooral nu er geen sprake meer was van een restauratie van de dynastie van Oranje-Nassau. Er was op dat moment wel nog sprake van een ijver van de zijde van de Hollandse vorst om dit toch nog te bewerkstelligen, maar toch is het vrij duidelijk dat men in een klein dorp als Wortel niet op de hoogte was van het reilen en zeilen van de orangisten in de grote Belgische steden.

 

 

4.5 Het proces van de Paniers percés[318]

 

4.5.1 De actoren

 

In het najaar 1841 werd Brussel opgeschrikt door een laatste zindering van organisme. Er deden reeds vanaf 1839 geruchten de ronde dat er een toenadering op te merken was tussen de republikeinen en de orangisten tijdens de spanningen die veroorzaakt werden door het vredesverdrag. Het gerucht deed de ronde dat beide partijen van de verwarring wilden gebruik maken om de gevestigde orde omver te werpen[319]. Toch lijkt het ver gezocht dat de grootste tegenstanders van iedere orangistische actie opeens te vinden zouden zijn om Holland weer op de troon te plaatsen. Zo stond de orangist Vandermeere in contact met De Potter en had Bartels eveneens contacten gehad met gekende orangisten zoals Lebrocquy. Maar zoals reeds eerder was opgemerkt had dit contact geen resultaat omwille van het feit dat Bartels nog steeds een overtuigde patriot was. Hoewel de Hollandse zaak reeds twee jaar voordien verloren was, zien we in 1841 een laatste zucht van het orangisme. Willem I had de onafhankelijkheid van België reeds twee jaar aanvaard, waardoor er geen enkele kans van slagen was. Zijn zoon had hem ondertussen opgevolgd, koning Willem II. Hij was diegene die door de orangisten in het begin van de onafhankelijkheid werd gezien als enige mogelijke vorst van België. Hij koesterde nog steeds hoop op een ommekeer, ondanks  het feit dat de Belgen hem reeds meerdere malen hadden afgewezen. Dit werd versterkt door het feit dat De Potter hem met zijn plan van een Belgisch-Hollandse Bond had gecontacteerd. Bij zijn troonsbestijging werd hij door een afvaardiging van de – nauwelijks nog bestaande -   orangistische partij begroet. Dit deed hem hoop koesteren en hij bleef hen steunen[320]. Toch was het orangisme een zaak van een kleine minderheid, nu nog meer als voordien. De Belgen zouden een restauratie radicaal afwijzen.

            Willem II liet zich verleiden deel te nemen aan een onzinnig complot beraamd door Vander Smissen en Vandermeere, temidden van zijn fantasieën van een eengemaakt Koninkrijk der Nederlanden[321]. Toch kon hij niet rekenen op de bijstand vanwege de Nederlandse publieke opinie en de regering. Hij was eveneens gebonden de verdragen van 1839 te eerbiedigen en dus de onafhankelijkheid van België. Zijn ministerie veroordeelde het contact met de orangisten ten stelligste[322]. Hij beschikte bijgevolg over weinig realiteitszin, wanneer hij dacht dat het mogelijk was om deze contrarevolutionaire beweging, die reeds tien jaar voordien gedoemd was te mislukken, nu wel  te doen slagen.

            De graaf generaal-majoor August Louis Nicolas Vandermeere de Cruyshoutem en ex-generaal en oud-samenzweerder Jacques Dominique Van der Smissen zijn de twee voornaamste actoren in het hele gebeuren. Beide hadden ze in de vroege revolutionaire periode de graad van generaal weten te bekomen. Ze hadden beide gestreden aan de zijde van de Prins van Oranje. Vandermeere was een man die geen vaste doelstellingen of voorliefde had, wat hem reeds snel verdacht maakte bij de regering. De ene maal schaarde hij zich aan de zijde van de orangisten, andermaal werd hij bevoegd over een revolutionair korps. Tijdens de Tiendaagse Veldtocht had hij een actieve rol gespeeld, maar toch werd hij nadien met verlof geplaatst. Wanneer er buitenlandse officieren werden aangewend om het Belgische leger te bevolken, leidde dit tot een grote woede en frustratie, die hem een veroordeling voor geweldpleging bezorgde[323]. Na enkele jaren week hij uit naar Parijs[324]. Daar ontmoette hij naar verluid andere ontevredenen, zoals de republikein De Potter. Ook had hij contact met Max Delfosse, een vriend van Van Gobbelschroy. Vandermeere werd zonder enige problemen voor de orangistische zaak gewonnen omdat ze zich zouden verenigen met de patriotten[325]. Maar hieruit blijkt meteen de contradictie, omdat patriotten nooit konden gewonnen worden voor een zaak die het vaderland aantastte. Toch leek Vandermeere hier wel van overtuigd. Later verklaarde hij in zijn Mémoires dat De Potter deelachtig zou zijn geweest aan het complot, nadat deze had ingezien dat zijn zaak verloren was en dat een Nederlands-Belgische federatie noodzakelijk was voor een goede toekomst van België[326]. Dit project overhandigde De Potter  in de loop van 1839 aan de koning van Holland. Deze stond vrij sceptisch tegenover het plan. Tegelijkertijd was er door het plan van De Potter, die voordien een der grootste tegenstanders was van het Hollandse regime, hoop op een federatie. Volgens Vandermeere was hij met De Potter overeen gekomen dat hij zijn politieke vrienden zou overtuigen deel te nemen[327]. Het was een feit dat De Potter achter dit idee stond, maar geen enkele andere radicaal was ervoor te vinden. De betrokkenheid van De Potter eindigde eigenlijk met het scheppen van hoop in de geesten van enkele orangisten[328].

            Men verdacht Bartels er eveneens van in contact te staan met de orangisten van Gent. Zo zag de procureur-generaal De Bavay een verband tussen het proces tegen Kats en Bartels en de samenzwering drie jaar later vanwege de orangisten. Volgens De Bavay was dit een eerste poging ter ondermijning van de bestaande staatsordening[329]. Maar het is reeds eerder gebleken dat Adolphe Bartels een toenadering met de orangisten volstrekt afwees. Hij had reeds jaren voordien het plan van De Potter  van de hand gewezen. Het was zelfs zo ver gekomen dat Bartels reeds in 1840 ieder contact met De Potter verbroken had na diens publicatie van zijn project[330]. De Potter en andere republikeinen bleven iedere betrokkenheid bij het verraad ontkennen[331].

            De ex-generaal Van der Smissen is reeds eerder in dit werk aan bod gekomen, tijdens de orangistische samenzwering van maart 1831 in Antwerpen. Hij had een schitterende en beloftevolle carrière achter de rug onder het Hollandse gezag[332], die werd afgebroken wanneer hij een verwonding aan zijn been opliep. Men weet niet veel over hem, maar hij werd vaak afgeschilderd als een man met twee gezichten. Ook hij was tijdens de revolutie van 1830 een voorstander van de Prins van Oranje als nieuwe vorst van België. Dit was reeds duidelijk  tijdens de orangistische samenzwering van maart 1831, waarin hij een centrale rol speelde. Na de gebeurtenissen van maart 1831 was hij naar het buitenland gevlucht. Hij verbleef enkele jaren in Parijs, waar hij eveneens contacten zou hebben gehad met Vandermeere en De Potter[333]. Hij hoopte echter op gratie. Nadat in 1839 het vredesverdrag was aanvaard, gebruikte hij dit verdrag als argument ter kwijtschelding van zijn schuld om te mogen terugkeren op Belgisch grondgebied. Dit werd hem ook effectief toegekend, tot grote verontwaardiging van het leger, door een koninklijk besluit van 15 juli 1839[334] en hij werd gereïntegreerd in het leger. Deze gebeurtenissen lokten echter veel protest uit vanwege de publieke opinie. De ondergeschikte officieren weigerden trouw te zijn aan een generaal die de Belgische vlag ontrouw was geweest. Deze discussie leidde zelfs tot een regeringscrisis[335]. De graad van generaal werd hem opnieuw afgenomen, waardoor  hij opnieuw gefrustreerd raakte. Maar de vos was zijn streken niet kwijtgeraakt. Amper teruggekomen op Belgisch grondgebied werd hij opnieuw beschuldigd van een complot ter restauratie van de macht van Oranje-Nassau.

 

4.5.2 Een complot tijdens de herdenking van de septemberdagen

 

Beide generaals bevonden zich na enkele jaren opnieuw in België, na al dan  niet met elkaar in contact te hebben gestaan in het buitenland. Het was echter een feit dat ze, eenmaal terug aanwezig in België, niet de minste middelen hadden om in hun levensonderhoud te voorzien. Hun toestand was dus allesbehalve rooskleurig. Hun financiële situatie droeg bij tot het beramen van een waanzinnig complot.  Reeds vanaf augustus 1841 werden er geruchten verspreid over een mogelijke staatsgreep. Het plan was om tijdens de herdenkingsfeesten van september gebruik te maken van de drukte om het magasin des fourrages des guides in brand te steken. Terwijl de militaire macht bezig zou zijn de brand te blussen, zouden de samenzweerders samen met het volk, dat ze hoopten voor zich te kunnen winnen door geld uit te delen, de kazernes bezetten. Dit maakte het plan nog meer onzinnig omdat het volk nooit te vinden zou zijn om deel te nemen aan een orangistische actie. In dit magazijn zouden ze wapens kunnen bemachtigen, de commandant de la place gevangen nemen en daarna ook de Minister van Oorlog. Ten slotte zouden ze ook de vorst gevangen nemen en hem dwingen af te treden[336].

            In de loop van augustus ontmoette Jottrand de dokter Feignaux. Hun gesprek ging over een latente aanwezige spanning en de angst voor een beweging vanwege de orangisten[337]. Doordat Feignaux de eerste was die van dit gerucht sprak, werd hij eveneens verdacht eraan te hebben deelgenomen. Toch was er voor de rest geen enkel bewijs dat hij deelnam aan het complot. In diezelfde periode ontmoette majoor Desaeger de broer van Vander Smissen. Deze zei dat er een revolutie op til was ter restauratie van de Nassau-dynastie en dat Ducpectiaux, Jottrand en Feignaux deelnamen aan de staatsgreep[338]. Het zou plaatsvinden op de zondag van de Septemberfeesten. Ook dokter Demoor, chirurg van de jagers van Kasterlee, aanhoorde het plan en de vermeende betrokkenheid van de republikeinen, wanneer hij Vander Smissen en Desaeger ontmoette op 25 september in een kroeg in Etterbeek. Maar hij geloofde dit niet en ging Ducpectiaux opzoeken, die het verhaal met een grote verontwaardiging aanhoorde en ten stelligste ontkende. Nadien ontmoette hij Desaeger in het Café de l'Amitié, aan wie hij vertelde dat zowel Ducpectiaux als Gendebien hun deelname aan dit plan ten stelligste ontkenden. Desaeger vertrouwde hem nadien toe dat hij de opdracht had gekregen om informatie in te winnen en dat hij Demoor erbij had betrokken omdat hij getuigen nodig had om het verhaal te bevestigen[339]. Dit werd bevestigd door de Minister van Binnenlandse Zaken De Briey. Aan hem was Desaeger volledig vrijwillig komen verklaren dat er een groot complot gaande was. Aanvankelijk geloofde De  Briey hem niet. Het is generaal Buzen die hem had overtuigd naar Desaeger te luisteren. De beweging zou op gang gebracht worden op 12 september om 19u. Er zouden banken worden geplunderd, de Kamer van Afgevaardigden zou in brand worden gestoken en men zou enkele personen van de regering uitschakelen. Er is met andere woorden geen eenvormigheid over de manier waarop de beweging zou plaatsvinden. In het Hotel du Groenendael zou er een banket plaatsvinden, waar de samenzweerders zouden samenkomen. Desaeger moest hier naartoe gaan, waarna een arrestatie zou volgen[340]. Dit is echter nooit gebeurd, en nergens is er melding van een dergelijk banket.

            Wanneer majoor Kessels Vander Smissen, Parys en Vandermeere ontmoette op 25 september, hoorde hij gelijkaardige uitspraken : De industrie en de handel gingen slecht, het volk was misnoegd en het leger ook. Enkel Willem II zou er iets aan kunnen veranderen. De samenzweerders waren voorstanders van een reünie onder dezelfde scepter maar met een gescheiden administratie, zoals de orangisten reeds vanaf 1831 trachtten na te streven. Men had de steun van het leger van Henegouwen onder leiding van generaal Daine, eens de hoofdstad was ingenomen. Kessels zou de graad van kolonel, het bevel over de artillerie van Antwerpen en een decoratie verwerven indien hij zou meewerken[341].  In 1856 verklaarde Vandermeere voor de Kamer van Volksvertegenwoordiging dat Daine wel degelijk deel uitmaakte van het complot, maar dat hij pas in actie zou schieten indien Brussel reeds was ingenomen zodat, wanneer de beweging mislukte, hem niets ten laste kon worden gelegd[342].

            De Crehen, kapitein van de Belgische gewonden van september, was aanvankelijk voor het complot gewonnen. Men had hem de graad van kolonel in het Hollandse leger beloofd[343]. Toch had  De Crehen zich tijdens de septemberfeesten  reeds gemeld bij Hody, de administrateur van de openbare veiligheid, waar hij verklaarde dat er sprake was van het uitlokken van troebelen in de stad, maar dat de regering kon rekenen op zijn loyaliteit. Hody had niets concreet aan de vage verklaring en zei hem dat hij, indien de zaak zou exploderen,  zijn plicht moest doen, wat De Crehen later effectief zou doen.

            De eerder vernoemde majoor Kessels speelde een onduidelijke rol. Hij nam niet deel aan het complot, maar is evenmin naar de autoriteiten gegaan om de samenzweerders aan te geven, omdat hij het plan vaag en onwaarschijnlijk vond. Op 26 september had Kessels echter wel een anonieme brief geschreven naar de burgemeester van Brussel:

 

            «Dévoué au bienêtre de mon pays, je crois qu'il est mon devoir de vous instruire Monsieur Wyns, que les émeutiers republicains ont formé le propos à venir saccager et bruler votre maison et le magasin àfourrages ce soir. Prenez donc vos mesures et veillez en salut de votre [fomiele]. Monsieur le Ministre de la Guerre est instruit par moi de la funeste projet.

   Déchirez s.v.p. ce billet et pourtant ne le laisse lire à personne.

   A la station de chemin de fer. Dimanche 3 ½ de l'apres midi.[344]» [s.n.]

 

Na dit te hebben vernomen, begaf de burgemeester zich in alles haast naar het Ministerie van Oorlog[345]. Het plan om een nieuwe revolutie te ontketenen tijdens de Septemberfeesten werd uiteindelijk uitgesteld omdat een berichtgever vanuit Holland, de ex-kolonel Grégoire, de beweging op het laatste moment afblies, omdat Holland ertegen was en men de koning zou beschuldigen van geheime onderhandelingen indien de troebelen zouden plaatsvinden[346]. Bovendien zou er sprake zijn van een tegenbeweging van de staat. Dit lag echter voor de hand, aangezien de samenzweerders zonder enige bedachtzaamheid hun plan vertelden aan iedereen die het horen wilde. Het was echter pas op 24 september dat de nodige voorzorgsmaatregelen werden genomen om een beweging te voorkomen. Toch dachten de samenzweerders dat de autoriteiten niets afwisten van hun plan en dat hun plan alle kansen had om te slagen[347]. De poging werd voortijdig afgebroken, zonder enige vorm van uitvoering, waardoor het voor justitie onmogelijk was de verdachten te vervolgen, er was namelijk geen enkel materieel bewijs.

            Onmiddellijk nadat duidelijk werd wat er aan de hand was, liet Hody De Crehen bij hem komen om een meer concrete verklaring af te leggen. Het was Hody namelijk duidelijk geworden, nadat de regering van verschillende zijden onthullingen had gekregen van een complot, dat De Crehen hier meer van wist. De Crehen vertelde een onsamenhangend verhaal een beweging die pas zou plaatsvinden op 15 december. Vervolgens toonde hij een geldbeugel met daarin 25 à 28 gouden stukken die hij van Vandermeere zou hebben gekregen. Vanaf die dag geloofde Hody hem en stelde hem aan als spion[348]. Hierna zal De Crehen verder werken aan het complot, maar als dubbelagent, aangesteld door Hody.

 

4.5.3 Uitstel is geen afstel

 

Maar dit was niet het einde van deze hachelijke onderneming. Uiteindelijk werd de uitvoering van het complot verplaatst naar oktober. Toen de koning zich in de Ardennen bevond, was er sprake van de uitvoering ervan. Parys vond dit het geschikte moment om te ageren, maar Vandermeere was het daar niet mee eens en wilde wachten op een meer kritiek moment[349]. Tijdens de maand oktober ging de  generaal Vandermeere naar de Banque de Belgique om daar twee biljetten van 1000 frank in te wisselen. Drie of vier dagen later is de ex-generaal Vander Smissen eveneens naar hetzelfde bureau gegaan om ook twee biljetten van 1000 frank te wisselen. Enkele dagen voordat het complot werd ontdekt, kwam deze laatste opnieuw langs om drie biljetten te wisselen. Deze waren afkomstig van de Société Générale. Ze werden betaald in goud, in florijnen[350]. Het verbaast eender wie dat twee berooide mannen opeens over een grote som geld beschikten.

            In de loop van oktober werden er manschappen gerecruteerd om deel te nemen aan de revolutionaire beweging, vooral door kapitein De Crehen. Deze recrutering vond plaats zonder enige bedachtzaamheid. Tegen iedere mogelijke militair werd het plan uit de doeken gedaan, hij schuimde de verschillende kroegen af op zoek naar manschappen[351]. De Procureur vermoedde dat ook Parent deelnam aan deze beweging en een centrale persoon was in de werving van manschappen. Dit maakte men op uit een brief die Parent kreeg van een  zekere Chaumont met een smeekbede om naar Brussel te komen en daar kapitein De Crehen op te zoeken. Op 18 oktober heeft hij zijn woonplaats in Spa ook effectief verlaten zonder iemand van zijn vertrek op de hoogte te stellen. Het is echter niet bewezen dat Parent ook effectief  deelnam aan het complot. Een bewijs van zijn deelname was dat De Crehen en Parent de ochtend van 28 oktober aan de Naamse Poort de Poolse vluchteling Walenkiewilz ontmoetten en hem vroegen of hij bereid was om samen met nog 16 anderen deel te nemen aan de beweging[352]. Ook Van Laethem sprak verschillende militairen aan en bood hen geld en een hoge militaire graad aan. Zo trachtte hij op 28 oktober een marechal-des-logis au regiment des guides te overtuigen om deel te nemen, in ruil voor de graad van onder-luitenant en een som van 4000fr. Hij deed hem het plan uit de doeken:

 

   «samedi soir nous nous rendrons maîtres de chemin de fer, nous expedierons quatre à cinq centshommes à Liege, nous mettrons en même temps le feu au petit château et pendant que la police sera occupée a éteindre l’incendie et que toute la trouppe se sera portée sur les lieus dans le même but, nous nous emporterons facilement des casernes des annonciades et de Ste. Elisabeth.[353]»

 

Tegen andere soldaten beweerde hij dat hij hen wilde engageren om een expeditie te ondernemen naar Portugal. Hier waren er in de loop van de jaren '30 verschillende manschappen naartoe gestuurd om koningin Dona Maria bij te staan in de burgeroorlog die er woedde. Maar de toestand was daar al enkele jaren stabiel[354]. Het was duidelijk dat dit een vals voorwendsel was. Later bleek namelijk dat het ging om een engagement om deel te nemen aan een revolutie. Aan de soldaten Dulieu, Hazard en Roscamps werd een gelijkaardig voorstel gedaan, om te deserteren  naar Egypte[355].

            Ten slotte werden er door Vander Smissen eveneens manschappen aangeworven om deel te nemen aan de beweging. Hij ging op zoek naar werkloze mannen, onder voorwendsel om zijn vijvers te Etterbeek te komen dempen. Zo dacht Vander Smissen zijn plannen te camoufleren. Hij gebruikte hiervoor de arbeider Dewever als tussenpersoon. Vander Smissen had hem gevraagd of hij werk nodig had, waar Dewever op inging en Vander Smissen een bezoekje bracht. Hij kreeg geld met de opdracht tussen pot en pint manschappen te werven om zich te verenigen en een revolutie te plannen. Vander Smissen liet uitschijnen dat ze aan zijn vijvers kwamen werken, dit in afwachting van de septemberfeesten. Maar Dewever weigerde omdat hij volledig achter de regering stond[356].

 

4.5.4 Aankoop van wapens

 

In de loop van oktober ondernam De Crehen een reis naar Antwerpen, waar hij Van Leemputte ontmoette. Hij had het adres van diens zoon gekregen[357]. Hij bestelde er twee kanonnen van brons. Hij maakte Van de Leemputte wijs dat hij de broer was van Beaumont, vuurwerkmaker van de Koning, en dat de kanonnen dienden voor het circus Loysset[358]. Op 16 oktober ontmoette De Crehen Vandermeere in het Café de l'Empereur in Antwerpen[359]. Op zaterdag 23 oktober kwam De Crehen opnieuw bij Van de  Leemputte om de twee kanonnen te betalen en ze per trein naar Brussel te vervoeren. Diezelfde dag vond er opnieuw een ontmoeting plaats tussen De Crehen en Vandermeere in het Hotel des Etrangers[360]. Dit zou met andere woorden kunnen wijzen op een actieve rol die Vandermeere gespeeld heeft in de aankoop van de kanonnen. Deze werden ook effectief, althans volgens De Crehen, gefinancierd door Vandermeere. Zondagavond kwamen de wapens aan in Brussel, waar ze maandagochtend werden afgehaald met een verhuiswagen van de firma Dewallens. Het is dus duidelijk dat de voorbereidingen niet echt in het grootste geheim plaatsvonden.

            Te Brussel ontstonden nadien enkele problemen omtrent een geschikte opslagplaats van de tuigen. Aanvankelijk werden ze naar een oud lokaal van het Ministerie van Financiën gebracht, dat dienst deeds als lokaal van het fonds voor gewonden van September, waar De Crehen lid van was. Maar de conciërge Thys, die als enige aanwezig was in het gebouw, waarschuwde de beheerder van dit fonds, Levae. Deze beval De Crehen onmiddellijk de twee kanonnen weg te halen. Ook aan hem zei hij dat de kanonnen van Beaumont waren, maar toch moesten de kanonnen weg. Op 27 oktober kwam De Crehen hen opnieuw ophalen[361]. De kanonnen zaten dus zonder onderdak. Later diezelfde dag lieten Parys en Vandermeere zich rondrijden door de chauffeur Adolphe Janssens, op zoek naar een nieuwe opslagplaats. Eerst begaven ze zich naar bankier de Salter in de Pippelingstraat, maar deze was afwezig. Daar vroegen ze aan zijn kassier Bigwood of hij geen huis te huur had staan, waarop negatief werd geantwoord[362]. Vervolgens ging hun reis naar de oude manège van het gidsenregiment met de vraag of daar geen lokaal ter beschikking stond, die volledig af te sluiten was voor buitenstaanders. Ten slotte begaven ze zich naar de gebroeders Jones, aan wie ze dezelfde vraag stelden. Zij stonden gekend als orangisten waardoor ze werden vertrouwd door de samenzweerders. Wanneer ze vroegen naar de bedoeling van de ruimte, kregen ze een vrij direct en ondubbelzinnig antwoord:

 

            «Un mouvement devait éclater à Bruxelles le dimanche suivant. Il était temps que cela finisse, que les     ministres auraient été absent pour l'inauguration du chemin de fer de Turbise, qu'ils ne auraient       empêcher de revenir et qu'ainsi leur mouvement devait assurement réussir.»

 

De samenzweerders hadden gedacht dat de broers te vertrouwen waren, aangezien ze gekende orangisten waren, die tijdens de aprilrellen van 1834 zwaar beroofd waren geweest[363]. Maar de tijden waren veranderd en de gebroeders hadden een mooie zaak uit de grond kunnen stampen. Ze waren niet langer orangistisch gezind. Na het aanhoren van deze verklaring besloten de gebroeders Jones dit te rapporteren bij het gerecht[364]. Wanneer De Crehen de sleutel van de winkel de dag nadien wilde ophalen bij de gebroeders Jones, weigerden deze vooralsnog mee te werken. Parys begaf zich na weigering van de Engelsmannen naar een zeker heer Janssens-Decuyper, in Sint-Jans-Molenbeek waar hij zich meldde onder de naam Vanderelst. Hij sprak niet over kanonnen maar wel over een machine à faire des briques[365], maar de concierge Stéphanie Paucoup weigerde het pand te verlaten. Als noodoplossing liet De Crehen de kanonnen in- en uitladen bij de heer Tilmont. De volgende ochtend haalde hij ze op met een andere wagen en bracht ze naar Tivoli of het Parc des Fées[366], gelegen aan een uithoek van het kanaal van Willebroeck, waar hij ze onder het "orkest" in het park zette.

            De munitie werd eveneens door De Crehen besteld tussen 26 en 28 oktober bij Bolté[367]. Het poeder werd, bij gebrek aan beter, in een onbewoond huis van Van Der Smissen te Ixelles opgeslaan, waarvan de sleutel werd gevonden in het huis van zijn broer. Verschillende getuigen zagen dat er meubels naar dit huis werden gedragen[368]. De Crehen diende de munitie daar af te leggen, maar wanneer hij ontdekte dat de weg onbegaanbaar was, keerde hij terug naar het huis van Vander Smissen[369]. Hierop ging De Crehen terug naar het huis van Vander Smissen en gaf daar de sleutel en de zakken af. Onderweg naar huis ontmoette hij Van Der Smissen in zijn rijtuig, die hem beval in te stappen. Dit wordt door verschillende getuigen bevestigd. Het is dus duidelijk dat ook De Crehen en Van der Smissen met elkaar in verband te brengen zijn. De Crehen had eveneens een groot aantal wapens besteld bij Albert Guerard. Deze werden op 10 november gevonden in het lokaal van financiën. De dag voor De Crehens arrestatie zag het hoofd van de Openbare Veiligheid Hody hem terug. De Crehen gaf hem zo veel details dat Hody besloot om De Crehen voor te stellen aan de Minister van Oorlog, Buzen. Daar gaf hij na veel aandrang toe dat hij 2 kanonnen had besteld, poeder, wapens en dat hij kogels had laten maken, die van een te groot kaliber waren. Uiteindelijk gaf hij de mannen de plaats waar de kanonnen zich bevonden[370].

 

4.5.5 Derde keer goede keer?

 

Het lijkt vreemd dat de autoriteiten de onderneming zo ver hadden laten komen, zelfs al was het voor iedereen duidelijk dat er iets gaande was. Toch was de overheid reeds lang op de hoogte van het hele gebeuren. Men wachtte echter op genoeg fysiek bewijsmateriaal om te kunnen overgaan tot vervolging, dit om te vermijden dat de samenzweerders vrijuit gingen zoals een maand eerder het geval was geweest. Op 29 oktober schoot men uiteindelijk in actie. Hody begaf zich samen met De Crehen naar de plaats waar de kanonnen zich bevonden, maar De Crehen vluchtte. Beide kanonnen stonden nog steeds onder het orkest van Tivoli waar De Crehen ze had achtergelaten. Later die dag werd hij alsnog gearresteerd. Diezelfde dag werd er een huiszoeking gehouden bij Joseph Van der Smissen, de broer van de ex-generaal, waarop diens arrestatie volgde[371]. De ex-generaal Van der Smissen en generaal Vandermeere vluchtten naar de schilder Verwée, waar ze ondergedoken zaten tot de politie hen daar de dag nadien vond, verstopt in een klein paviljoen achter het huis[372]. Diezelfde dag werd Parent gevonden bij de Pool Roczynski.

            Parys vluchtte naar een zekere Seghers, aan wie hij had wijsgemaakt dat hij op de vlucht was omdat hij schulden had gemaakt[373]. Later die avond kwam Seghers echter te weten dat de waarheid nog veel minder rooskleurig was. De koetsier van Vandermeere, Dauhaive, kwam hem opzoeken. Hij gaf hem het adres van de schilder Verwée met de boodschap dat zowel zijn meester als de generaal Vander Smissen daar verstopt zaten en voegde eraan toe dat kapitein De Crehen gearresteerd was. Dit nieuws maakte een diepe indruk op Parys[374]. Later die avond werd hij bezocht door mevrouw Vander Smissen. Ze deelde hem mee dat De Crehen gearresteerd was, maar dat de beweging nog steeds kans had op slagen indien hij wilde meewerken, met de woorden: ‘il nous fallait un homme d’action, tout irait bien' en dat hij met haar mee diende te komen. Maar Parys raakte geïrriteerd en zei:

   «Madame, laissez-moi tranquille, allez- vous en; comment ai-je été me mettre dans cette boutique là.»

 

Het hele gesprek werd gevolgd door Seghers, die zich in een nabijgelegen ruimte bevond[375]. Na deze ontmoeting legde  Parys de situatie als volgt uit:

 

            «On me considere comme un mécontent, et tous les individus mécontents gravitent autour de moi. On     dit qu'il y a un conspiration , je n'y suis pour rien, mais j'ai peut-être fait des démarches imprudentes, et je pourrais etre compromis. Mais je suis si peu dans une mauvaise affaire, que demain je sortirai et    j'irai me promener au Parc.»

 

Maar Seghers raadde dit af en zei hem naar de Minister van Oorlog te gaan en een verklaring af te leggen. Wanneer men een samenzwering aangaf alvorens ze ten uitvoer was gebracht, dan was er geen veroordeling mogelijk, omdat de verklaring een verijdeling mee heeft mogelijk gemaakt. Maar dit is hier niet het geval, een arrestatie hing hem reeds boven het hoofd. Seghers voelde zich, als medestrijder van september, geroepen om de autoriteiten in te lichten over  het complot. In het midden van de nacht begaf hij zich na het gesprek met Parys naar de generaal Delahaye. Vanaf het moment dat er sprake was van een samenzwering, hebben ze onmiddellijk de minister van Oorlog Buzen ingelicht. Alle officieren werden ingelicht en in staat van paraatheid gebracht en troepen uit Antwerpen, Gent en Luik werden eveneens ingezet[376].

            Parys speelde met andere woorden een dubbelzinnige rol. Enerzijds was er het gesprek met Vandermeere en De Crehen, waarin hij meende dat men onmiddelijk tot actie moest overgaan. Anderzijds was er dit afwijzend gedrag. Waarschijnlijk ligt de verklaring van zijn gedrag in het feit dat hij op het laatste moment, nadat De Crehen was gearresteerd, besefte dat hun plan geen enkele kans op slagen had en spijt had van zijn gedrag voordien, zoals blijkt uit zijn gesprek met mevrouw Vander Smissen. Later die dag werd hij gearresteerd. Het was duidelijk dat mevrouw Vander Smissen,  in tegenstelling tot Parys' reactie, de plannen van haar man koste wat kost wilde verder zetten en vooralsnog wilde overgaan tot de geplande actie. Dit blijkt des te meer uit de verdere gebeurtenissen van die dag.  Nadat ze de woonst van Seghers had verlaten, begaf ze zich naar De Sagher om een boodschap over te brengen. Aangezien hij niet aanwezig was, gaf ze een briefje aan diens zoon, sergeant van rang, zeggende dat De Sagher moest opdagen met zijn mannen om 7u[377]. De inhoud van het briefje ging als volgt:

 

   «Place du rendez-vous: entre la rue verte et le palais du Prince d’orange. Les cris sont: «à bas la culotte, à bas les ministres, allons délivrer les prisonniers» Il faut se rendre à la prison des petitscarmes et en route casser les lanternes, les vitres et faire du tapage.»

 

Onmiddelijk hierna ging deze man bij zijn vader en vertelde wat de vrouw van ex-generaal Vander Smissen hem had gezegd. Vervolgens begaf hij zich naar het huis van Vander Smissen, waar hij diens zoon zag, die eveneens wilde doorgaan met de beweging. Hij beweerde dat de jagers van Capiaumont zouden komen helpen nadat ze hun officieren hadden gedood[378]. Diezelfde dag ronselde Verpraet opnieuw manschappen in de kroeg van Aldersoons. Hij trakteerde soldaten, deed hen het plan uit de doeken, gaf hen geld en beloofde hen een roemrijke carrière wanneer de beweging zou slagen[379]. Maar het was duidelijk dat vrijwel geen militairen bereid waren deel te nemen aan een onzinnig plan. Op 31 oktober werden zowel mevrouw Vander Smissen als haar zoon Ernest gearresteerd[380].

            De nacht van 30 op 31 oktober 1841 werd er omtrent deze gebeurtenissen een brief gestuurd in naam van koning Leopold I naar de gouverneur van Namen, baron d'Huart. De koning bevond zich ten tijde van de gebeurtenissen in zijn favoriete buitenverblijf in de Ardennen toen hij het nieuws vernam. De brief bevatte volgende woorden:

            «Monsieur le Baron,

   Le Roi partira pour Bruxelles demain à neuf heures du matin. Il me charge de vous en informer et de vous fairepart de son désir de vous voir un instant à son passage à Namur. Je calcule que S.M. pourra y arriver entre une heure et demie et deux heures.

   S.M. suppose que vous aurez déjà appris ce qui ce passe à Bruxelles. Dieu veuille que, cette fois au  moins, le Gouvernement sache montrer un peu de fermeté et qu'il ne recule pas devant une poignée de misérables qui font la honte de l'armée et du pays! Pour moi, je ne crains pas qu'une chose, c'est que  l'on ait laissé le temps à la plupart des meneurs de s'échapper et j'en suis presque à regretter qu'on ait pas laissé aller les choses un peu plus loin pour pouvoir arrêter tous ceux qui sont compromis dans    l'affaire. Le Roi vous prie, monsieur le Baron, de vous  entendre avec le Colonel Mertens pour lesmesures de prudence et de précaution qui seraient urgentes à Namur.

     Agrée, je vous prie... Edouard CONWAY[381]»

 

De koning was zich duidelijk bewust van de ambiguïteit van politieke misdrijven en wenste daarom genoeg concrete bewijzen om de beschuldiging te onderbouwen. Het is wel duidelijk dat hij wenste dat deze groep agitators eens en voor altijd de mond werd gesnoerd. Het was het eerste politiek misdrijf van dergelijke omvang dat had plaatsgevonden onder zijn bewind. Maar het was duidelijk dat aan zijn  wens zou worden voldaan. Op 29 en 30 oktober werden de verdachten gearresteerd. Ook voorzorgsmaatregelen waren reeds door de regering genomen, meer bepaald door regimenten vanuit andere steden te laten komen om de toestand in het oog te houden. Wanneer de vorst later toekwam in de hoofstad, ademde de stad nog steeds de ontdekking van het complot. De bevolking volgde de gebeurtenissen op de voet, de dagbladen rapporteerden iedere dag nieuwigheden[382]. Op 1 november vonden verschillende huiszoekingen plaats. Het lokaal van Financiën, het buitenhuis van Vander Smissen in Etterbeek en het huis van Vander Smissen zelf werden doorzocht. Op de laatste locatie werd de munitie gevonden in een zolderkamertje[383].

            Enkele dagen later werd Kessels gearresteerd omdat hij een verdachte rol had gespeeld in het hele gebeuren. Hij was van in het begin op de hoogte maar had de autoriteiten niet geïnformeerd over wat hij wist omdat het plan hem, volgens eigen zeggen, uiterst vaag en onwaarschijnlijk leek. Op 7 of 8 november werd hij bij de Minister van Oorlog geroepen en heeft hiervoor zelfs 26 dagen in de cel moeten doorbrengen[384]. Uiteindelijk gaf hij op 2 december toe dat hij was aangesproken en deed het hele verhaal uit de doeken[385].  Maar omdat er geen bewijs van enige inzet was, werd hij opnieuw vrijgelaten. Ook enkele republikeinen zoals Feignaux werden gearresteerd omdat men ervan overtuigd was dat het complot een krachtenbundeling van beide groeperingen was. Zo eindigde het meest absurde complot ooit gevoerd, dat in de volksmond met reden le complot des paniers percés werd genoemd.

 

4.5.6 Het proces

 

Eind december verschenen de beschuldigden voor de Raadkamer. Er werd een niet-vervolging uitgesproken in voordeel van Kessels, Metdepenningen, Dr. Feignaux en Daine[386]. Een medeplichtigheid vanwege de republikeinen kon niet worden aangetoond. Toch werden Dr. Feignaux en Daine enkele dagen later ontheven uit hun functies, zoals blijkt uit een publicatie van twee besluiten in de Moniteur van 29 december[387]. Roczynski, een Poolse vluchteling, was reeds in 1834 veroordeeld in Frankrijk voor het plegen van een aanslag tegen de regering, waarvoor hij was veroordeeld tot 10 jaar detentie. Te België had hij contact met Parent, wat voor het Parket en de Kamer voldoende bewijslast was voor een medeplichtigheid in het complot[388].

            Een maand later werd dit besluit door de Kamer van Inbeschuldigingsstelling bevestigd[389]. De voornaamste actoren van het hele gebeuren werden voor het Hof van Assisen gedaagd en bleven gevangen in de Petits Carmes: Vander Smissen, Vandermeere, Parys, De Crehen en Verpraet. Later werd ook Van Laethem gevangen genomen, die tot vlak voor de opening van de zitting voortvluchtig was[390]. De beklaagden werden er door het Openbaar Ministerie van beschuldigd te hebben samengewerkt om een plan om de regering omver te werpen, om de bevolking op te hitsen en te bewapenen tegen de koninklijke autoriteit, een burgeroorlog uit te lokken en om de vernietiging en plundering van Brussel en andere steden van België uit te lokken. Hierbij had De Crehen munitie en wapens gekocht, die waren gefinancieerd door Vandermeere, de gebroeders Vander Smissen hadden de munitie opgeslagen, Parent, Verpraet, Graves, Van Laethem en Jacques Dominique Vander Smissen hadden zowel burgers als militairen geronseld voor de uitvoering van hun plan[391].

            De gebeurtenissen hadden echter een grote impact gehad. Tussen de gebeurtenissen van oktober en het proces in maart, werd generaal Buzen bestookt door een lastercampagne in de pers. Hij werd ervan beschuldigd tijdens zijn dienst onder het Franse bewind te hebben gedeserteerd en niet de Belgische maar de Nederlandse nationaliteit te hebben. Uiteindelijk is gebleken dat deze campagne berustte op valse documenten, die tijdens een huiszoeking bij Parent thuis werden gevonden. Bovendien publiceerden verschillende kranten dat Buzen de hele beweging – samen met De Crehen – in scène had gezet om Vandermeere en Vander Smissen een hak te zetten. Ook al was het duidelijk dat de feiten die hem werden toegeschreven vervalst waren, toch was Buzens reputatie besmeurd. Enkele weken voor het proces pleegde hij zelfmoord[392].

            Het hele proces duurde 15 zittingen lang, onder een niet aflatende stroom van nieuwsgierige toeschouwers. Op de bank van de verdediging bevonden zich negen advocaten, waaronder Armand Roussel, patriot en Jules Bartels, broer van Adolphe. Zoals ieder politiek proces dat reeds was gevoerd voor het Hof van Assisen van Brabant, was ook hier de procureur-generaal De Bavay de aanklager. Hij toonde in zijn betoog op systematische wijze het bestaan van een complot aan. Zowel Vandermeere als Vander Smissen bleven iedere betrokkenheid loochenen. Zo meende Vandermeere na 15 jaar nog steeds dat er na 25 september geen sprake meer was van een complot en dat men, nadat Willem II iedere betrokkenheid had afgewezen, niet meer verder ging met de uitvoering ervan[393]. Toch spreken de bewijzen dit tegen. Zo gebeurde de aankoop van wapens, die gefinancieerd werden door Vandermeere pas in oktober[394]. Voor de rest had generaal Vandermeere – met opzet of niet – niets op zijn kerfstok, er was geen compromiterend materiaal. Hij had niemand aangespoord deel te nemen aan de beweging, in tegenstelling tot Vander Smissen. Het was vooral de getuigenis van de gebroeders Jones die de doorslag gaf inzake de betrokkenheid van Vandermeere.

            De getuigen die werden opgeroepen à decharge waren er vooral op gericht om de credibiliteit van De Crehen, Kessels en Seghers te ondermijnen. De Crehen was diegene die deel had genomen aan het complot, maar tegelijk onder een hoedje speelde met de autoriteiten. Het is niet duidelijk wat zijn bedoeling was door zo ver door te gaan in de voorbereiding van het complot. Maar het is echter wel een feit dat hij het bestaan van een complot, reeds voor de uitvoering ervan, was gaan melden bij de autoriteiten, waardoor hij niet veroordeeld kon worden (art. 108)[395]. De verdediging probeerde op het gevoel van de juryleden te werken door aan te tonen dat De Crehen een geheim agent was, die de beschuldigden had geprovoceerd. Maar het Hoofd van de Openbare Veiligheid Hody beweerde dat De Crehen enkel een verklikker was en niet was ingehuurd om acties uit te lokken[396]. Bovendien kon de betrokkenheid van de beklaagden nog door andere getuigen bevestigd worden aangezien dit complot was beraamd met de grootste onbedachtzaamheid. Vrijwel de hele stad Brussel was met andere woorden op de hoogte van de plannen, zelfs de kranten maakten melding van een contrarevolutionaire beweging die op til was. Na ellenlange debatten besloot De Bavay zijn requisitoir met volgende woorden:

 

            «Je n'appellerai plus votre attention sur le ridicule qu'on tente de jeter sur le complot. Je ne répondrai    que par une citation: «Le ridicule cesse où commence le crime»[397]»

 

Het resultaat van het proces was dat er voor het eerst een zware veroordeling werd uitgesproken inzake een politiek misdrijf. Vandermeere en Vander Smissen, maar ook Van Laethem en Verpraet werden veroordeeld tot de doodstraf, dat werd omgezet naar levenslange gevangenschap[398]. Opvallend was dat Parys werd vrijgesproken, hoewel hij van dezelfde misdrijven werd beschuldigd als Vandermeere en Vander Smissen. Deze vrijspraak kon te wijten zijn aan het feit dat hij berouw toonde van zijn acties, iets waar een jury begrip voor toonde. Er werd een verzet aagetekend tegen het arrest voor het Hof van Cassatie, maar deze verklaarde de aanvraag onontvankelijk[399].

            Na enkele maanden in de gevangenis van Petits Carmes opgesloten te zitten, werd Vander Smissen bezocht door de onderzoeksrechter op 5 november 1842. Er was een brief voor hem toegekomen op datum van  1 november 1841. Uit deze brief blijkt duidelijk de schuld van de ex-generaal, die de hele tijd was blijven volharden in zijn onschuld:

 

   «Mon cher général!

   Votre derniere lettre que vous m'avez fait l'honneur de m'ecrire le 15 octobre dernier, n'est arrivée en     son tour, comme vous me l'indiquez les 250 fusils me sont bien parvenus et que mon honorable  correspondant de Luxembourg m'a adressé ainsi que les 100 kilos de poudre; quant aux balles mon collègue ne m'en a pas envoyées mais ca ne tardera pas en rien l'affaire ca je me suis déjà procuré jusqu'a 150 livres de plomb et duquel je desire que nous fassions un excellent usage. Pour le moment nos jeunes volontaires sont animés du meilleur esprit: j'en ai 40 sous mes ordres, tous de jeunes gens sans emploi et decidés à verser la dernière goutte de leur sang pour une cause aussi legitime. Comme l'affaire ne doit éclater que dans une quinzaine de jours je compte pour ce temps avoir 150 combattans, dans une quinzaine je vous ferai parvenir les noms de tous ceux qui seront vaillement distingués, car notre Guillaume qui est aussi generaux que juste, n'oublira pas leurs services. Dans cet etat de choses j'attends vos ordres et suis votre tout dévoué serviteur.

T.K.»

          

Vander Smissen zat zijn gevangenisstraf uit, tot hij op een dag in de kleren van zijn echtgenote ontsnapte uit de gevangenis van Les Petites Carmes. Hierna verliet hij het Belgisch grondgebied met bestemming Hamburg[400].

            Na zijn veroordeling werd Vandermeere ziek in de gevangenis van Petits Carmes en verkreeg de toelating zich buiten de gevangenismuren te laten verzorgen. Nadat een definitief akkoord werd ondertekend tussen België en Holland en nadat Vander Smissen was ontsnapt, werd hem het voorstel aangeboden zijn vrijheid te verkrijgen indien hij het Belgische grondgebied zou verlaten. De straf die hij moest ondergaan werd omgezet in levenslange verbanning op 23 februari 1843[401]. Hij verliet België en vestigde zich in Brazilië[402]. Na de dood van Leopold I kreeg hij de toelating opnieuw in België te komen wonen «[...]la bonté de S.M. Leopold II m'a permis de respirer l'air de mon pays [...][403]». .

            De rol van Parent was vrij dubbelzinnig in dit complot. Begin oktober 1841 had hij Spa verlaten om naar Brussel te komen, waar hij contact had met De Crehen. De Openbare Veiligheid had hem al gauw opgemerkt toen deze buskruit kocht te Brussel. Toch bleek uit de verklaring van Hody tijdens het proces dat Parent lid was van de geheime politie en als spion fungeerde in het complot. Hij was voordien naar Parijs gegaan en had van generaal D'Hane de opdracht gekregen daar Van der Smissen te schaduwen[404]. Toch lijkt dit vreemd aangezien we zien dat diezelfde Hody geen geloof hechtte aan de verklaring van De Crehen over hetzelfde complot. Een andere mogelijkheid is dat hij in 1841 naar Parijs ging om geld te kunnen recupereren van generaal Vandermeere en toch deel uitmaakte van het complot. Het bleef dus vrij onduidelijk wat nu de juiste rol was van Parent in de samenzwering. Toch werd hij na een lange beraadslaging vrijgesproken en in vrijheid gesteld. Na dit proces was hij woedend om wat er over hem was komen boven drijven en hij dreigde andere feiten bekend te maken. Nog maar net vrijgekomen uit de gevangenis, werd hij reeds opnieuw vervolgd in juni 1842 naar aanleiding van een geschrift, Le Complot et Le Pouvoir[405], waarbij hij werd veroordeeld tot 6 maanden detentie.

            De Crehens reputatie was doorheen het onderzoek en het proces door het slijk gehaald. Ook de organisatie van de geblesseerden van September waren uiterst geschokt en stuurden een afvaardiging naar de koning om hun verontwaardiging en hun eer aan de dynastie te betonen. Na de afloop van het proces trok De Crehen naar Mexico.

            Vanaf het moment dat Nederland de onafhankelijkheid had aanvaard, was er geen enkele legitimatie meer om te ijveren voor de terugkeer van de dynastie van Nassau. Zowel tegenover de eigen bevolking als tegenover het buitenland was men genoodzaakt hard op te treden, om te tonen dat België in staat was deze beweging de kop in te drukken. Dit werd dan ook gedaan, door een zware veroordeling. De veroordeling met de doodstraf kan worden gezien als exemplaristisch. Door de veroordeling trachtten de autoriteiten een voorbeeld te stellen. Dit omdat België zich reeds in een dergelijke mate had kunnen ontwikkelen zodat een complot tegen deze staat ontolereerbaar was. Het complot van de paniers percés  zou in de toekomst aan samenzweerders moeten duidelijk maken dat een misdrijf van die omvang niet meer zou worden getolereerd en streng worden bestraft. Voordien waren er steeds gronden geweest om de beklaagden vrij te spreken van een politiek misdrijf, omdat België nog geen definitieve vorm had aangenomen, maar dit was in deze periode onaanvaardbaar geworden.

 

 

4.6 Besluit

 

Het mag duidelijk wezen dat het relatief groot aantal processen in deze periode (4 op 2 jaar tegenover 2 op 7 jaar tijd) een indicatie was van een gevoel van ontevredenheid die heerste tijdens en vlak na de aanvaarding van het vredesverdrag. Het zal dus nog even duren vooraleer de rust in België weerkeerde. Een duidelijk verband tussen de verschillende processen is niet op te merken. Er is het vermeende verband tussen de zaak tegen Bartels en Kats en de actie Vander Smissen, Vandermeere en consoorten twee jaar later. De processen gevoerd voor het Hof van Assisen van Antwerpen, zijn eerder geïsoleerd. We zouden de aanwerving van soldaten om naar Egypte te kunnen afreizen wel kunnen zien als een grootscheepse actie om soldaten te doen verdwijnen van Belgisch grondgebied. Maar de motivatie achter deze acties is niet duidelijk gebleken. Uit dit hoofdstuk blijkt eens te meer dat men inzake politieke misdrijven niet gauw zal overgaan tot een veroordeling. Maar de periode werd afgesloten met een eerste zware veroordeling voor een politiek misdrijf.

            Er was een grote diversiteit op te merken tussen de verschillende politieke misdrijven en de drijfveren erachter. Naar aanleiding van de aanvaarding van de XXIV artikelen werd er een proces gevoerd tegen diegenen die protest voerden tegen deze aanvaarding. Vervolgens waren er die misdrijven gepleegd uit ontevredenheid over de afbouw van het leger en de orangistische sympathieën in het leger. Tenslotte was er het eerste grote complot tijdens de heerschappij van Leopold I. Tussen de verschillende processen is er geen verband op te merken maar de overheid achtte wel een verband tussen de gebeurtenissen van 1839 en 1841. Dit is echter nooit bewezen. In de eerste drie gevallen waren er verschillende redenen om te pleiten voor een vrijspraak, voornamelijk omdat er geen harde bewijzen waren om de schuld aan te wijzen. Het eerste proces dat in deze periode werd gevoerd, was voornamelijk een poging om de radicalen de mond te snoeren, maar hun protest had geen karakter dat kon wijzen op een politiek misdrijf. De twee daarop volgende processen waren zeer kleinschalig  waarin men over te weinig bewijzen beschikte. In het strafrecht heeft men ervoor geopteerd om in deze zaken te pleiten voor een vrijspraak om geen onschuldigen op te sluiten[406]. Enkel het vierde en laatste proces dat in 1842 werd gevoerd had een veroordeling tot gevolg  omdat dit een werkelijk gevaar kon betekenen voor de Belgische staat. Dit was de eerste veroordeling inzake politieke misdrijven in de Belgische geschiedenis. De vervolgingen zonder veroordeling waren eerder een waarschuwing dat dergelijke acties werden gevolgd door de overheid. Er is reeds eerder opgemerkt dat een volksjury, samengesteld uit de hogere delen van de bevolking vaker vermogensdelicten zal bestraffen dan politieke delicten. In de zaken gevoerd voor het Hof van Assisen van Antwerpen waren de daders geen gekende personen en ze kunnen eerder beschouwd worden als kleine ontevredenen.

            Na de genadeslag die het orangisme te verwerken kreeg door de veroordeling van de beschuldigden tijdens het proces van de stompzinnigste samenzwering uit de geschiedenis, was het definitief afgelopen met het orangisme. Het was duidelijk dat zowel Nederland als België een vereniging tussen beide landen radicaal afwees en dat de orangisten bijgevolg geen enkele bestaansreden meer hadden. De definitieve regeling van het conflict, dat nu reeds meer dan tien jaar aan de gang was, werd besloten met een definitieve overeenkomst inzake nog niet uitgeklaarde kwesties zoals scheepvaart en financiën. Na tien jaar konden beide landen eindelijk op normale voet met elkaar omgaan[407]. Na 1841 werd de orangistische beweging volledig opgenomen in de liberale rangen, waarmee ze het antiklerikale karakter gemeen hadden. Ook zien we dat in diezelfde periode de liberale rangen werden versterkt met de andere groep agitators, met name de Belgische radicalen[408]. Hiermee werd de strijd in België gelegaliseerd. De voornaamste tegenstanders van de Belgische staat werden na tien jaar opgenomen in het bestel. Hun strijd zal zich nu met andere woorden enkel uiten in verkiezingsstrijd.

 

 

5. 1848-1849: een bewogen periode voor de Belgische radicalen

 

5.1 Aanloop

 

Na het proces van de “doordraaiers” in 1842 werden zowel de radicalen als de orangisten opgenomen in de rangen van de liberalen. De orangistische ijver is uitgestreden. Ze worden opgenomen in het staatsbestel, en ijverden binnen een bestaande groep, gekenmerkt door een gemeenschappelijk antiklerikaal karakter, verder voor hun eisen.  Deze uitbreiding was des te meer gewenst om een brug op te werpen tegen het klerikalisme. De uitbreiding van leden en denkbeelden bracht ook een uitbreiding van de kiezers met zich mee. Dit mondde uit in verschillende verkiezingsresultaten voor de liberalen. Toch zal de radicale groep binnen de partij ijveren om haar wil door te drukken. Toen dit niet lukte scheurde de radicale vleugel binnen de liberale partij zich af van de doctrinairen en vormde een eigen partij, L'Alliance. Dit resulteerde op 8 juni 1847 in een verkiezingsoverwinning voor de liberalen. Het liberaal ministerie werd geïnstalleerd op 8 augustus. Rogier was formateur en werd minister van binnenlandse zaken, Chazal werd minister van Oorlog[409].

            Deze periode is een periode waarin de consolidatie van België verder werd gezet. De uitbouw van de staat werd echter belemmerd. Zo werd België vanaf 1846 België getroffen door misoogsten, de aardappelziekte en de daarbij volgende hongersnood. Dit alles maakte de situatie in België grimmig. De bevolking was ontevreden en had honger. Het was de radicale beweging die zich bekommerde om het lot van het volk en de maatschappelijke situatie aanklaagde. Zo besloten de volksmaatschappijen tot een mars op Brussel tijdens de hongerperiode, om de aandacht te vestigen op de ellende van de arbeiders in Vlaanderen. Vertegenwoordigers van de volksmaatschappijen Labiaux, Verbaere, Pellering en Deveyne schreven hiervoor een manifest waarin het volk werd opgeroepen om zich naar het Paleis te begeven om de ministers en de Koning bewust te maken van de ellende van de arbeiders. Het enige wat men wilde was “du travail et du pain”. Maar het werd een groot fiasco. De optocht was reed enkele dagen voordien aangekondigd, waardoor de politie de nodige maatregelen had getroffen[410]. De aanstichters van de optocht werden voor het Hof van Assisen gedaagd en veroordeeld tot 6 maanden cel. Maar na een voorziening in Cassatie werd Pellering vrijgesproken[411]. Ook 1847 was een vruchtbaar jaar voor processen. Zo was er het persproces gevoerd tegen de auteurs van verschillende radicale bladen, op beschuldiging van beledigingen tegen de vorst. In maart 1847 werden Kats en Pellering gearresteerd tijdens een meeting. Ze werden beschuldigd van rebellie, poging tot moord en provocatie tot omwenteling van de regering. Op 25 juni kwam Arlequeeuw met zijn Hoop van België voor het Hof van Assisen van Oost-Vlaanderen.

            In 1847 ontstond te Brussel de Association démocratique. Iedere subgroep had er zijn afgevaardigde. Zo werd Gent vertegenwoordigd door Spilthoorn, Luik door Tedesco, Brussel door Jottrand, Funck, Faider, Mellinet, Picard en Senault, Namen door Braas, de arbeidersbeweging door Pellering, Kats en Labiaux. Ook had de vereniging een internationale uitstraling. Gekende buitenlanders, zoals de Fransman Imbert, de Duitsers Marx, Von Bornstedt en enkele Polen Lelewel, Lubliner en Zalewski, maakten deel uit van de vereniging[412]. Deze organisatie pleitte voor betere levensomstandigheden voor de arbeiders, maar bleef louter een organisatie met vertegenwoordigers uit de middenklasse en de toplaag van de arbeiders, net zoals de voorgaande organisaties[413].

            In de lente van 1848 waaide er een revolutionaire wind door Europa. Zowel Frankrijk, de Duitse Staten, Italië en Oostenrijk werden erdoor beroerd. De nabijheid van Frankrijk deed de Belgen opschrikken voor mogelijke revolutionaire republikeinse agitatie in eigen land. Terecht zoals we later zullen zien. De Association Democratique werd meteen gezien als centrale actor binnen republikeins protest in België. Er was echter geen band met de arbeidersklasse, wat een republikeins-democratische revolutie in België onmogelijk maakte.

 

 

5.2 1848: een Europese revolutie

 

5.2.1 De Association Democratique te Brussel

 

Nadat de republiek was uitgeroepen in Frankrijk op 25 februari, vonden er in de Belgische hoofdstad verschillende vergaderingen plaats van de republikeins gezinde Association Democratique. De organisatie werd door de autoriteiten als staatsgevaarlijk beschouwd en sterk geschaduwd. De voorzitter Jottrand schreef op 26 februari een brief aan Spilthoorn te Gent onmiddellijk na het nieuws van de Franse revolutie:

   “Il est indispensable que vous vous rendiez à Bruxelles demain, afin d'être à la réunion de la société democratique. Le poids des évènements est assez lourd à porter pour que vous veniez m'aider ici.

   Au reste, tout marchera bien pour nous j'espère. Nous devons travailler à sauver la nationalité d'après   le système que la Belgique doit toujours devancer la France ou du moins marcher aussi vite  [...][414]

 

Op 26 februari was er een eerste samenkomst van de Association Democratique in de Vieille Cour de Bruxelles om te discussiëren over de situatie in Frankrijk. De Luikenaar Tedesco was meteen nadat hij het nieuws had vernomen spoorslags naar Brussel gekomen en hield er toespraken voor het volk. De vestiging van een Franse republiek deed hem hopen op een mogelijke omwenteling van de Belgische staat en hij hield er een toespraak over de noodzaak van België het Franse voorbeeld te volgen. Toch werden zijn oproepen niet onthaald door de andere democratische boegbeelden[415]. De volgende dag vergaderden ze opnieuw. Hier was Spilthoorn aanwezig. Er werd besloten om drie missives op te stellen. Men zou een brief sturen naar Frankrijk met felicitaties voor de doorbraak van de republiek. Een tweede werd gestuurd naar de Fraternel Democrats te Londen en een derde adres naar de gemeenteraad van Brussel om te melden dat er extraordinaire maatregelen moesten worden getroffen voor het behoud van de veiligheid, maar ook voor de voorbereiding van een nieuwe situatie[416]. Ze feliciteerden met andere woorden de Franse republikeinen, maar tegelijkertijd keurden ze enkele maatregelen goed die moesten zorgen voor de vrijwaring van de neutraliteit, de openbare orde en de Belgische nationaliteit. Het erkende enkel het gebruik van wettelijke middelen[417], in tegenstelling tot het beeld dat de autoriteiten van de vereniging hadden. Braas en Charles-Louis Spilthoorn werden als afgevaardigden naar Frankrijk gestuurd. Diezelfde avond vonden er verschillende manifestaties plaats waarbij verschillende arrestaties werden verricht, waaronder ook deze van de aanstichter Victor Tedesco. Ook Martin Sas werd gearresteerd. Deze werd opnieuw vrijgelaten op 1 maart, omdat hij het 'complot' aan de politie wilde verklikken.  Later verspreidde hij geruchten dat twee leden van de vereniging (waarschijnlijk Braas en Spilthoorn) te Parijs fondsen verzamelden om een simultane beweging uit te lokken in eigen land. Ook Wilhelm-Frederik Wolff, Antoine Tavernier en Thomas Joseph Dassy werden opgepakt [418]. De dag daarop liet de burgemeester van Brussel een samenscholingsverbod uitvaardigen. De Association Democratique werd nu des te meer gewantrouwd. De vreemdelingen Marx en Bornstedt werden uitgewezen. In deze periode waren er twee Franse agenten Jules Hetzel en Tony Johannot, vermoedelijk ingezet door Lamartine, aanwezig in Brussel. Ze werden opgemerkt bij Jottrand, Gendebien en Castiau, alledrie gekend als republikeins gezinde personen en in provinciale steden.

            In verschillende steden deden zich kleinschalige troebelen voor. Deze waren enerzijds het resultaat van de nabijheid van een nieuw republikeins Frankrijk, anderzijds waren ze het gevolg van de barslechte levensomstandigheden, die de arbeiders ertoe dwongen te protesteren. Beide zouden met elkaar in verband kunnen gebracht worden, indien er niets gedaan werd aan de vreselijke honger waar het volk onder leed. Het was met andere woorden zo dat de republikeinen de arbeiders zouden kunnen gebruiken in hun voordeel. Maar dit deden ze niet. De republikeinen zouden tijdens het onderzoek in verband worden gebracht met de troebelen in verschillende steden. Men stelde dat ze zelfs werden uitgelokt door de republikeinen. Maar er was geen enkele bewijs van een groepering die een volksopstand probeerde te organiseren. Het was bovendien niet erg waarschijnlijk dat het volk in beweging kon worden gebracht door de vereniging. Zoals reeds eerder aangehaald was de band met de arbeidersbeweging immers vrijwel onbestaande[419]. Het was dus voor de staat van essentieel belang aan de vragen van de arbeiders tegemoet te komen om zo de situatie te kunnen bedwingen. De afdelingen van de Association Démocratique in Gent en in Luik, die gekend waren voor hun republikeinse gezindheid, kregen in deze periode bezoek van de twee Franse agenten[420].

 

5.2.2 Republikeinse Belgen in Frankrijk

 

Eind februari was het reeds aan de oren van de autoriteiten gekomen dat enkele Franse steden, gelegen aan de grens, besloten hadden de republiek in België te laten uitroepen, omdat verschillende Franse republikeinen België beschouwden als een strategisch gebied van Frankrijk. Toch meldden de officiële Franse bronnen dat de neutraliteit van België zou worden aanvaard en dat de republiek geen aspiraties had om België in te lijven. Te Parijs werd een Société Patriotique georganiseerd op initiatief van Felix Becker, met medewerking van de Belgen Frédéricq Blervacq en Graux. Ze werfden mensen aan om in België de revolutie te voeren. Ook een andere club in Café Belge, onder leiding van Jules Fosse had een gelijkaardig doel. Aanvankelijk werden beide organisaties gezien als louter patriottisch. Maar onder invloed van de gebeurtenissen aldaar, waren de Belgen in Parijs overtuigd van de noodzaak van een republikeins België. De leiders van de organisaties ontpopten zich tot ware leiders van een Belgisch Legioen. Men wierf daarvoor Belgische arbeiders aan, die in Parijs verbleven[421]. Er werd hen eten en een gratis rit naar België beloofd. Er werd dus een legioen gevormd van werkloze arbeiders die eigenlijk niets anders voor ogen hadden dan terug naar huis te keren, omdat het leven door de grote werkloosheid in Frankrijk ondraaglijk was geworden[422].

            Ten tijde van deze vorming bevond Spilthoorn zich te Parijs en onderhield contacten met verschillende kopstukken van deze beweging. Toen in België duidelijk werd dat er in Frankrijk een dergelijke vereniging werd gevormd, bracht men Spilthoorns bezoek hier meteen mee in verband[423]. Hij zou nog tot 20 maart te Frankrijk verblijven[424]. Verschillende informanten zagen Spilthoorn als een sleutelfiguur in de organisatie van het Belgisch Legioen en als afgevaardigde van een grootse samenzwering. Men was ervan overtuigd dat deze beweging werd gesteund door de Franse voorlopige regering en vooral door de ministers Ledru-Rollin en Arago[425]. Spilthoorn had met deze laatste contact gehad tijdens zijn verblijf in Frankrijk. Ook Imbert, de vroegere ondervoorzitter van de Association Democratique had hij opgezocht. Ook Blervacq had hij ontmoet, de stichter van het Belgisch Legioen. Ten slotte was hij eveneens voorgesteld aan Jules Hetzel, een zendeling van de Lamartine. Maar Spilthoorn ontkende dat hij ook maar iets te maken had met de vorming van het Belgisch Legioen of een samenzwering. Zijn redevoeringen voor de menigte Belgische arbeiders waren vredelievend en hij poogde in te staan voor de voedselverspreiding ten voordele van deze arbeiders[426].

            Op 22 maart kondigde een affiche een samenkomst van de patriotten aan. Op deze samenkomst werd het definitieve vertrek van het legioen voorzien[427].  Twee dagen voordien was Spilthoorn reeds vertrokken naar België, volgens sommigen om het terrein te België voor te bereiden op wat komen zou. Maar hij zou nooit zo ver geraken, want hij werd aan de grens ter hoogte van Moeskroen aangehouden omdat zijn papieren niet in orde waren. Dit was het resultaat van strenge grenscontroles die de Belgische regering had bevolen te houden, omwille van de geruchten die de ronde deden. Toen hij herkend werd, werd hij onmiddellijk aangehouden. Tijdens het wachten op bevestiging van zijn arrestatie zou hij hebben gezegd dat de Belgen binnen 4 of 5 dagen Fransen zouden zijn. Zijn officiële aanklacht luidde verdenking van daderschap of medeplichtigheid aan het aanstichten van een burgeroorlog[428]. Ook Louis Delestrée kwam in die periode vanuit Parijs naar België. Hij kwam te Brussel aan op 22 maart. Van daaruit ging hij meteen naar Antwerpen, waar verschillende mensen hem hoorden zeggen dat de revolutie dichtbij was.

 

5.2.3 Houding  van de regering

 

Op vrijdag 25 februari schreef de vorst dat hij dacht dat België, als liberale staat, geen land was waar een revolutie te verwachten viel. Maar hij achtte het wel noodzakelijk om op de hoede te blijven voor agitatoren vanuit Parijs. Diezelfde avond vernam men in België de  val van zijn schoonvader, koning Louis-Philippe[429]. Naar aanleiding de afzetting van zijn schoonvader zag Leopold I zijn positie steeds meer in gevaar komen. Hij was zich hier ten volle van bewust en verklaarde zich bereid af te treden, indien het volk dit zou eisen[430].

            Naar aanleiding van de februarirevolutie te Frankrijk was het Parlement onrustig over de positie die Frankrijk aannam ten aanzien van België. Zolang Louis-Philippe aan de macht was, was men overtuigd van het respect voor de neutraliteit en onafhankelijkheid van België. Maar nu deze was afgetreden, was het goed mogelijk dat Frankrijk een drang van annexatie aan de dag zou leggen. Lamartine, Minister van Buitenlandse Zaken van Frankrijk, richtte een rondschrijven waarin stond geschreven dat de republikeinse staatsvorm niets veranderde aan de erkenning van de onafhankelijkheid van de andere naties en de wil van Frankrijk op een loyale en eerlijke manier de harmonische relaties te behouden[431]. Maar dit was slechts schijn  naar buiten uit. Tegelijkertijd steunde hij een beweging die een inval op Belgisch grondgebied beraamde en stuurde hij 2 agenten naar België, vermoedelijk om de situatie aldaar te polsen.

            Het liberale ministerie Rogier, dat sinds 1847 aan de macht was, was echter niet van mening dat de monarchie gedoemd was ten onder te gaan. Zowel politieke, economische als militaire maatregelen werden genomen om de republikeinse agitatie te dwarsbomen en een revolutie in België te verhinderen. Het dynamisme dat aan de dag werd gelegd werd hen door niemand nagedaan. Een hele reeks progressieve maatregelen werd doorgevoerd. Hierdoor werd de slagkracht van de republikeinen sterk beperkt, omdat het volk zijn eisen ook zag ingewilligd onder een monarchistisch bewind. De maatregelen waren de volgende: het cijns werd tot een minimum beperkt, waardoor de niet-kiesgerechtigde middenklasse geen toenadering zocht tot de radicale democraten. Vervolgens werden de reactionaire gemeentekieswetten afgeschaft, het zegelrecht van kranten afgeschaft en evenzo de onverenigbaarheid van een staatsambt met een parlementair mandaat. Ook de economische crisis werd aangepakt om sociale oproer te vermijden: grote investeringen werden gerealiseerd in de openbare sector waardoor tewerkstelling werd gecreëerd, financiële middelen werden aan lokale overheden bezorgd en de industrie kreeg financiële middelen om de arbeiders te kunnen uitbetalen[432]. Ook militaire maatregelen werden getroffen om de troebelen tegen te gaan: militairen werden terug op actief gezet en de militaire forten werden versterkt. Reeds op 26 februari had de minister van Oorlog Chazal aan generaal Fleury-Duray bevolen om de orde aan de grens te handhaven. Maar toch hield men geen rekening met een mogelijke inval van Franse zijde zoals dit het geval was eind maart.  Tussen de verschillende diensten, provincies, politici was er een voortdurende correspondentie over de toestand. Deze maatregelen zorgden ervoor dat de impact die 1848 op andere landen had gehad, niet zo groot was in België.

            Het is echter zeer vreemd dat er enerzijds zware maatregelen worden getroffen aan de grens ter verdediging van het grondgebied in geval van een inval, terwijl er anderzijds nog steeds stemmen zijn die de beweging niet au ernstig nemen. Zo schrijft de minister van Buitenlandse Zaken in een brief aan de Belgische ambassadeur te Parijs op 24 maart:

            [...] Blervacq, serait il bien le président de l'Association Belge? Il ne serait point sans interet, Prince,   de receullir quelques renseignements à cet égard... Nous savons bien que les démonstrations du club de         Rue Ménilmontant n'ont rien de sérieux; mais encore serait-il bon que l'opinion publique fut éclairé sur     la valeur des hommes qui ont quelque prétention de venir s'imposer au pays[433]”.

 

Dit terwijl er diezelfde dag een brief vanuit Parijs vertrok met de boodschap dat er reeds 200 manschappen vertrokken waren richting België.

 

5.2.4 België voor de storm

 

Vanaf 6 maart kwamen er van diverse zijden berichten binnen die wezen op een naderende inval vanuit Frankrijk. Zo ontving de voorzitter van de senaat een brief met de mededeling dat Becker, de ex-stafchef van generaal Mellinet, een Belgisch legioen organiseerde en dat republikeinen zoals Mellinet, Gendebien en Spilthoorn hun medewerking verleenden. De troepen zouden via Menen oprukken naar Kortrijk en Oudenaarde. Op hetzelfde moment zouden er onlusten ontstaan in Brussel, Gent en Luik[434]. Na dit bericht stroomde dagelijks nieuwe informatie binnen. Verschillende plaatsen in België waren   onrustig. Deze onrust werd in verband gebracht met de organisatie van het Belgisch legioen[435].

            Halverwege maart onderschepte het parket verschillende brieven gericht aan Ernest Grégoire[436]. Hij is reeds eerder opgedoken in het begin van de onafhankelijkheid, waar hij eerst republikein was en nadien orangist in dienst van de prins van Oranje. Nu leek hij weer opgedoken en ditmaal opnieuw in republikeinse context. Later werd hij opgemerkt tijdens aanwervingen, maar nadien raakte men ieder spoor bijster.

            Op zondag 26 maart waren er heel wat samenkomsten. Ook in het lokaal van de Association Démocratique, in de Vieille Cour de Bruxelles was er veel volk. De vergaderzaal was echter gesloten. Lucien Jottrand, de voorzitter, had besloten geen vergadering te houden omdat hij rellen vreesde. Men had hem gemeld dat er mannen door de politie waren betaald om heibel te maken[437]. Die avond  waren er betogingen op straat. Tedesco bevond zich in het gezelschap van Mellinet, Perin, Pellering, De Rudder, Bailliu, Labiaux en enkele arbeiders[438]. Enkelen van hen bevonden zich in het anders vrij rustige café L'Union. Twee Fransen, de agenten van Lamartine, waren hier ook aanwezig. Mellinet heeft met één van hen gepraat[439]. Enkele individuen werden opgepakt voor poging tot oproer. Onder hen ook Pellering en De Guesco, die voor de correctionele rechtbank kwamen op beschuldiging van provocatie tot rebellie. Ook Delestrée, sinds 23 maart uit Antwerpen teruggekeerd, werd eveneens gearresteerd. Hij had verschillende brieven op zak, waaronder een van zijn eigen hand, gericht aan Imbert over de verbreking van iedere betrekkingen met Spilthoorn[440]:

 

   “Je dois à moi même comme je dois à l'acceuil si honorable et si bienvolant que vous avez bien voulu me faire, de vous déclarer que tout rapport cessera d'exister à l'avenir entre le citoyen Spilthoorn et moi. Cette decision est fondée sur la molesse qu'il montre en ce moment et après que nous avions consenti à le prendre en qualité d'un des chefs pour diriger une expedition révolutionaire en Belgique; sur le ton dicatorial que rien ne justifie et dont il use envers ceux qui veulent le rappeler à un état de choses plus sérieux que celui de dormir au coin de votre feu; sur les indiscrétions qu'il s'est permises dans certains épanchements relativement aux moyens qui devaient nous être accordés ici afin de pouvoir marcher sur la Belgique, épanchements que rien au monde ne l'autorisait à faire, puisque nous nous étions engagés formellement à n'en faire à âme qui vive [...][441]

 

De brief die Delestrée op zak had wijst op de dubieuze rol van Spilthoorn in de hele onderneming. Het is moeilijk om de brief, die toch van groot belang lijkt, te plaatsen. Dit kan in verschillende richtingen wijzen. Een eerste mogelijkheid ligt in het verlengde van zijn verklaringen voor de onderzoeksrechter, waarin hij zegt dat de Association Democratique een pacifistische vereniging is die streeft naar het behoud van de nationale integriteit. Zijn zwakheid of zachtheid (molesse) is dan te vervangen door pacifistische bedoelingen en de afwijzing van een gewelddadige actie. Een andere verklaring is dat hij zichzelf trachtte in te dekken door zijn loslippigheid en zich zwak voor te doen. Delestrée had ook een papiertje op zak met vermelding van de namen: Castiau, De Robaulx, Tedesco, Le Hardi de Beaulieu, Mellinet en Pellering. Hierin zag het parket – zeer vergezocht - de samenstelling van een Voorlopig Bewind van de Republiek België, indien het zou komen tot een overwinning van de republikeinen[442]. Omwille van de aanwezigheid van enkele gekende radicalen, vermoedde men dat de troebelen door hen waren uitgelokt. Op verschillende plaatsen in België vonden er arbeidersmanifestaties en -stakingen plaats[443].

            Men was ervan overtuigd dat er een verband bestond tussen de troebelen die zich voordeden in de loop van maart en vooral op 26 maart[444], de dag van het vertrek van het Belgisch Legioen te Parijs. Over het algemeen wordt deze gelijktijdigheid beschouwd als een bewijs van het feit dat de rellen zouden zijn geprovoceerd door de radicalen om een republikeinse omwenteling voor te bereiden. Maar de geringe invloed van de groepering bij de arbeiders spreken dit tegen. Voornamelijk omdat reeds eerder in de Belgische geschiedenis was bewezen dat het volk vooral royalistisch gezind was.

 

5.2.5 De tocht naar België

 

Vanuit Frankrijk werden er 2 expedities van het Belgisch Legioen naar België geleid. De arbeiders werden gratis getransporteerd met speciale treinen. De ene expeditie vertrok onder leiding van Fosse richting Valenciennes, waar deze op 25 maart aankwam. Van daaruit zou de expeditie, bestaande uit twee treinen verder gaan richting Quiévrain. De andere expeditie, onder leiding van Blervacq en Graux zou langs Moeskroen binnenkomen en werd langs Rijsel gestuurd. Op deze treinen bevonden er zich enkele duizenden Belgische arbeiders zonder werk. Te Rijsel bevonden er zich drie Parijse studenten die de expeditie zouden moeten vergezellen[445].

            De autoriteiten waren reeds op 24 maart op de hoogte van de komst van de trein en stuurden 2 Belgische locomotieven naar Quiévrain om de Franse treinen naar Belgisch grondgebied te slepen. De volgende ochtend kwam het konvooi aan te Valenciennes. Op het moment dat het konvooi door Belgische locomotieven op sleeptouw werd genomen hoorde men van verschillende hoeken: “Nous sommes trahis!”. Sommigen sprongen uit de wagons vooraleer ze België bereikten. Op zaterdagochtend 25 maart kwam het konvooi op de bestemming Quiévrain aan, alwaar het werd opgewacht door troepen van het leger. De troepen omsingelden de trein en overmeesterden de passagiers[446]. Deze poging om het Belgisch grondgebied te penetreren was mislukt, de Belgische autoriteiten hadden het verhinderd. Maar er was nog een tweede expeditie, die een dag na de eerste expeditie was vertrokken. Deze bestond uit 2 treinen met ongeveer 1500 man. De expeditie werd aangevoerd door Blervacq en Graux, vergezeld door 2 studenten van de école polytechnique van Parijs, Lefrançais en Viot. Het konvooi arriveerde te Seclin, een dorp op een tiental kilometers van Rijsel. Hier ontmoette de groep van Fosse, die had kunnen ontsnappen, de troepen van Blervacq en Graux.  De troepen waren genoodzaakt om enkele dagen te Seclin halt te houden, wegens verzet van generaal Negrier om wapens te leveren aan de Belgen. Delescluze eiste dat hij de wapens zou voorzien, op expliciet bevel van de Minister van Oorlog, wat achteraf niet waar bleek te zijn[447]. Uit deze tegenstrijdige berichten blijkt de dubbelzinnige houding die de Franse Voorlopige Regering in de hele zaak. 

            Op 28 maart vertrokken de troepen in de richting van België. Ze namen de trein tot aan Rijsel, vanwaar een smokkelaar hen door de velden zou leiden. In de vroege ochtend zouden ze dan een verrassingsaanval uitvoeren. Na ongeveer 2 uur stappen van Rijsel, werden hen wapens en een pakje patronen overhandigd. Na een hele nacht door een slecht begaanbare weg te hebben gemarcheerd, kwam men in de ochtend aan te Tourcoing. Hier besliste men niet verder te gaan door de velden, maar de steenweg te nemen richting Risquons-Tout.

            Men had gerekend op een gemakkelijke overwinning, omdat de streek waar ze waren binnengedrongen niet goed verdedigd was. Maar naar aanleiding van de troebelen die zich er de laatste maand hadden voorgedaan, had de overheid aangestuurd op een troepenversterking in deze regio[448]. De ochtend van 29 maart kreeg de Belgische generaal Fleury-Duray te Moeskroen het bericht dat een aanzienlijk grote vijandelijke troep, die zich reeds enkele dagen aan het organiseren waren aan de andere kant van de grens, het Belgische territorium was binnengedrongen en zich naar het gehucht Risquons-Tout begaf, dat zijn naam waardig zou blijken. Onmiddellijk daarna stuurde hij een bericht naar Kortrijk om de mobiele troepen in te zetten. Hijzelf marcheerde de vijand tegemoet met zijn troepen, gewapend met twee kanonnen. Te Risquons-Tout ontstond een vuurgevecht, dat leek uit te draaien op de overwinning van  het Belgisch legioen. Net op het moment dat het Belgisch Legioen een stormloop wilde uitvoeren om de kanonnen te bemachtigen, verschenen de mobiele troepen vanuit Kortrijk, waardoor de aftocht van de vijand werd geblazen[449]. Er werden een zestigtal gevangenen gemaakt, de rest van de troep verdween over de grens.

            Het leger kon hier consequent worden ingezet ter verdediging van het territorium. Het was een middel was in handen van de staat dat kon worden aangewend om agitatie tegen de staat af te wenden. Dit was ooit anders geweest. Eens te meer was duidelijk dat het Belgische volk en de Belgische militairen een aanhechting met Frankrijk ten stelligste afwezen en dat ze gehecht waren aan een onafhankelijk België. België leek het enige land te zijn dat in de onrustige periode van 1848 niet leek te bezwijken onder de revolutionaire druk. Deze gebeurtenis was het sluitstuk van het onafhankelijkheidsverhaal van België. Het had op alle fronten gestreden voor zijn onafhankelijkheid. Het volk was niet bereid om op te geven wat ze in 1830 aan de barricades hadden verworven.

            Enkele republikeinen, die ten tijde van de relletjes op 26 maart in Brussel waren, vertrokken van Brussel naar Gent nadat de uitslag van Risquons-Tout bekend raakte. Onder hen bevonden zich Victor Mathieu, Charles Perin en Dominique Auvenne. In Gent ontmoetten ze op 30 maart De Rudder en Bailliu, leden van de democratische vereniging[450]. De aanwezigheid van steeds dezelfde personen doet wel degelijk argwaan wekken. Maar buiten deze aanwezigheid was er geen enkel bewijs dat het republikeinen waren die de rellen provoceerden.  Het waren arbeiders die protesteerden, meer vanuit een oogpunt van honger dan de republikeinse gezindheid. Op 6 april werd de hierboven vernoemde Perin gearresteerd. Hij had een namenlijst op zak die overeenkwam met deze van Delestrée. Meteen na de rellen van Brussel en Gent eind maart waren Victor Mathieu, Dominique Auvenne, Felix Bailliu en Charles Perin aangehouden.

            De hele onderneming draaide uit op een sisser. Het was duidelijk dat de monarchie stand hield onder de druk van Frankrijk, maar toch vonden er nog steeds troebelen plaats in verschillende provincies. Er werd gezegd dat er aan de grens nog steeds manschappen werden geronseld voor een vernieuwde inval in België. Een vaak gehoorde naam was Ernest Grégoire. Maar deze werd op verschillende plaatsen tegelijk waargenomen, waardoor men veronderstelde dat dit slechts een gerucht was. Ook de gids van de troepen op 29 maart getuigde dat er een nieuwe poging tot een inval zou worden ondernomen aan de politiecommissaris van Wervik op 31 maart. Dit werd door verschillende andere bronnen bevestigd[451].

            Na de gebeurtenissen was er van verschillende zijden kritiek op te merken op de hele onderneming. De radicalen wezen de gewelddadige actie resoluut af, omdat ze voorstanders waren van een vreedzame manier van verwezenlijkingen. Op internationaal vlak werd België geloofd, omdat het het enige land was dat had kunnen weerstaan aan de revolutionaire acties. Ook de vorst was trots op de manier waarop zijn land de hele periode had kunnen doorstaan. Door toedoen van de liberale regering Rogier werd de steun die de republikeinen eventueel hadden kunnen genieten van het volk teniet gedaan. De republikeinse beweging kon dus -  net zoals in 1831 – enkel op de steun van het volk rekenen omwille van de democratische opvatting die het voorstond. De republiek zelf werd door de meerderheid van de bevolking afgewezen. Hierdoor had een republiek geen enkele kans op slagen in België. Bovendien werd de monarchie gezien als de enige constante, als een houvast in een periode van onzekerheid.  Men was vooral geschokt over de inbreng van de Franse regering. Het was duidelijk dat de nieuwe leiders op de hoogte waren van het gebeuren en het steunden, ondanks de beloftes die men aan België had gedaan. De Franse overheid weigerde immers een officiële ontkenning te publiceren van diens betrokkenheid[452].

 

5.2.6 Onderzoek

 

Het parket met de procureur-generaal de Bavay zag in deze reeks gebeurtenissen een complot. De republikeinse agitatie werd door de autoriteiten gezien als een tweeluik. Enerzijds waren er de ongeregeldheden die ten tijde van de Franse februarirevolutie en in de loop van maart plaatsvonden in verschillende Belgische steden. Anderzijds was er de beweging in Parijs, de oprichting van het Belgisch legioen door Belgische republikeinen in Frankrijk en de slag bij Risquons-Tout. Tussen deze twee uitingen van agitatie bestond er volgens de autoriteiten een verband, te meer daar de troebelen aan de grens en deze in het binnenland vrij gelijktijdig plaatsvonden. De simultaneïteit van het hele gebeuren deed de autoriteiten vermoeden dat er meer aan de hand was dan enkel een inval vanuit Parijs. Ten eerste was er de vorming van het Belgisch Legioen ten tijde van de aanwezigheid van Spilthoorn te Parijs. Dit kon geen toeval zijn. Ook de brief die Delestrée bij zich droeg tijdens zijn arrestatie bewees dit. Ten tweede was er de gelijktijdigheid van de troebelen in verschillende Belgische gebieden, op het moment van het vertrek van het Belgisch legioen vanuit Parijs. Dit wees op een organisatie die zowel in Parijs als in België plaats had. In België werd het terrein voorbereid door de republikeinen en door Fransen die voorop waren gestuurd. De troebelen zouden de revolutie vergemakkelijken. De autoriteiten schenen uit het oog te verliezen dat het in die periode overal in Europa onrustig was en dat er terzelfdertijd een hongersnood heerste onder het volk. Ten derde was de aanwezigheid van radicalen in de buurt van de rellen, ook al zaten ze gewoon in de kroeg, dat voor het het parket een sluitend bewijs was voor het bestaan van een complot. Gelijkgezinden die elkaar opzochten was hoogst verdacht. Volgens de autoriteiten wachtten de radicalen de uitslag van de troebelen af om hun slag te slaan. Hieruit blijkt dat men via indirecte bewijzen een complot probeerde te onthullen. Men kan achter ieder evenement verbanden gaan zoeken. Er bestaat geen eensgezindheid over de rol van Spilthoorn in de vorming van het legioen. Enerzijds is er de brief vanwege Delestrée, die bewijst dat hij was aangeduid als leider ervan. Daarenboven is er een brief van Mungersdorff, secretaris van Becker die schreef dat Braas en Spilthoorn deel uitmaakten van een samenzwering. Ook Mathieu beschrijft dat Spilthoorn personen aanwierf om de republiek uit te roepen, wat dan weer werd bevestigd door een anonieme brief. Daarbij zei hij dat Spilthoorn had verklaard dat België het Franse voorbeeld zou volgen en dat hij naar België wilde gaan om een beweging op gang te brengen. Hijzelf werd belast met een missie te informeren wat verschillende vooraanstaande republikeinen ervan vonden. Allen keurden ze – volgens Mathieu – de actie af[453]. Anderzijds was er Spilthoorns verklaring en deze van verschillende van zijn vrienden die zijn pacifistische houding en het behoud van de Belgische onafhankelijkheid benadrukten als de voornaamste eigenschappen van Spilthoorn. Hijzelf ontkende dat hij ook maar een toenaderingspoging heeft gezocht om arbeiders te engageren het grondgebied binnen te vallen. Hij was naar Frankrijk gegaan als afgevaardigde van de Association Democratique met de bedoeling het Voorlopig Bewind te feliciteren en niet om een legioen te organiseren om de republiek met geweld op te leggen aan België. Mijns inziens ligt de waarheid ergens tussenin. Het feit dat Spilthoorn werd aanzien als een leider, duidt wel degelijk op een zekere verantwoordelijkheid in het hele gebeuren. De hoop van Spilthoorn dat de republiek zou worden gevestigd was reeds vanaf 1831 aanwezig. Hij zal zeker wel uitspraken hebben gedaan ten voordele van de republiek, in de hoop dat deze zou worden uitgeroepen in navolging van Frankrijk, maar of deze ook effectief een aansporing waren om deze gewapenderhand uit te roepen blijft giswerk. Zijn pacifistische gezindheid wijzen in een andere richting. Of hij zijn wens ook heeft omgezet in daden blijft onbewezen. Hij zat namelijk in de gevangenis toen het Belgisch Legioen het Belgisch grondgebied binnendrong. De brief van Delestrée bewijst een aandeel in het gebeuren, maar bewijst eveneens het pacifisme van Spilthoorn, waardoor hij als leider van de groep werd afgewezen. Men zou dus kunnen stellen dat hij aanvankelijk wel te vinden was voor het plan, maar op het moment van de uitvoering terugkeerde op zijn woorden, met in het achterhoofd de principes van de Association Democratique. Hierin stond namelijk dat men ten allen tijde de wettelijke paden diende te volgen. Op deze principes beriep hij zich ook tijdens zijn ondervragingen om zijn onschuld aan te tonen. Deze organisatie wees iedere gewapende actie af en ijverde voor het behoud van de onafhankelijkheid[454]. De afwijzing van iedere gewapende actie werd gedeeld door de meest gekende republikeinen. De afwezigheid van mensen zoals Jottrand, Bartels en De Potter wijzen erop dat de hele onderneming door hen werd veroordeeld. Het lijkt dan ook vreemd dat Spilthoorn zijn vrienden in de steek zou laten en zelf een gewapende actie zou steunen.

            Ook in Frankrijk werd een onderzoekscommissie ingesteld naar de verantwoordelijkheid van Franse revolutionairen. Op 4 april werd een non-lieu in voordeel van Blervacq uitgesproken voor de Raadkamer van Rijsel. Dit terwijl er ontegensprekelijk bewijs was van de schuld van Blervacq. Maar het was waarschijnlijk onder invloed van Delescluze, die een grote rol had gespeeld in de ontwikkelingen. Deze zou uit vrees dat zijn eigen verantwoordelijkheid aan het licht zou komen hebben geopteerd voor deze oplossing. Dit werd nogmaals bevestigd wanneer op 10 april het hele dossier uit de rechtbank werd weggenomen[455]. Delescluze stelde zichzelf boven de wet en meende dat hij op eigen houtje kon handelen, zonder rekening te houden met de wettelijkheid ervan.

            Na een uitgebreid vooronderzoek dat 3 maanden in beslag nam, verkreeg de procureur-generaal de Bavay een arrest van het Hof van Beroep van Brussel om 43 beschuldigden voor het Hof van Assisen te dagen. De personen  die werden verdacht in de zaak zaten vrijwel allemaal gevangen in Kortrijk, dicht bij de grens. Omwille van deze nabijheid richtte Van Cutsem een verzoek aan de minister van Justitie om een overplaatsing. De zaak kwam onder de bevoegdheid van Procureur-Generaal de Bavay te staan, die sinds het begin van de onafhankelijkheid de grote politieke processen voor zich had genomen. Deze had reeds vlug duidelijk gemaakt dat hij de zaak op zich wilde nemen. Hij achtte het ook van op voorhand duidelijk dat Spilthoorn en Victor Mathieu, hoewel ze niet hadden deelgenomen aan de gewapende slag bij Risquons-Tout, zeker niet onschuldig waren (art. 60 van het Strafrecht), zoals blijkt uit de eis van het Openbaar Ministerie voor de Kamer van Inbeschuldigingstelling op 29 juni. Hierin werd  de vervolging van 61 personen geëist, waaronder de meeste waren gearresteerd na het incident met de wapens in de hand. Tedesco, Spilthoorn en Mathieu stonden eveneens op de lijst vermeld, hoewel ze niet aanwezig waren bij de arrestaties te Quiévrain, noch bij de slag van Risquons-Tout. Hier blijkt duidelijk dat de autoriteiten een verband zagen tussen de troebelen in het binnenland en het grensgebeuren. Op 29 juni verwees de Kamer van Inbeschuldigingstelling 43 personen voor het Assisenhof van Brabant[456], onder hen heel wat republikeins gezinde personen[457]. Na dit besluit richtte De Bavay een verzoek om de zaak te verwijzen naar het Hof van Assisen van Antwerpen. Hij achtte de inwoners van Brussel dermate beïnvloed door de troebelen die daar hadden plaats gevonden, dat ze niet neutraal zouden kunnen oordelen. Antwerpen daarentegen was gedurende het hele gebeuren vrij onbewogen gebleven. Dit werd hem toegestaan op 17 juli door het Hof van Cassatie[458]. Het was tekenend dat  Blervacq, een van de belangrijkste figuren in het hele gebeuren, niet werd vervolgd voor zijn rol in het Belgisch Legioen.

 

5.2.7 Het proces

 

Op 9 augustus ging te Antwerpen het proces van start. De eerste zitting werd volledig in beslag genomen door een uiteenzetting van De Bavay, waarbij hij de Association Democratique zag als voornaamste actor. Hij haalde brieven en verklaringen aan en poogde  de rellen in enkele steden in verband te brengen met de gebeurtenissen aan de grens. Ook de rol van Frankrijk werd niet vergeten[459]. Vanaf 10 augustus begon het verhoor van de beschuldigden. De afwezigheid van de voornaamste actoren van de stichting en mobilisatie van het Belgisch Legioen was tekenend. De eerste negen ondervraagden waren de republikeinen die met de rellen in verband werden gebracht[460]. Uit de verklaringen van de arrestanten aan de grens kunnen we opmaken dat het overgrote deel – althans zo beweren ze – net voor of tijdens de actie is weggevlucht of enkel had deelgenomen aan de onderneming omwille van het gratis treinvervoer en het eten dat men kreeg[461]. In tegenstelling tot wat de autoriteiten dachten had deze terugkeer een grotere aversie tegenover de Fransen tot gevolg. De arbeiders hadden in Parijs heel wat beledigingen van de Fransen moeten  doorstaan. Een inlijving bij Frankrijk werd door de arbeiders dus allerminst goedgekeurd[462].

            Na deze weinig onthullende verklaringen waren de getuigen aan de beurt, te beginnen met de negen getuigen à charge van Spilthoorn. De aanwezigheid van Spilthoorn en Mathieu te Parijs werd hier nog eens bevestigd, maar over hun rol werd ook hier geen uitsluitsel gebracht. Het contact met Franse republikeinen en de Belgen was er effectief geweest, maar de redenen die hieraan worden gegeven zijn uiteenlopend. Na verschillende getuigenissen omtrent de aanwezigheid van de republikeinen te Parijs, ging men over op het onderzoek naar de rol van de republikeinen in eigen land. Enkelen getuigden dat verschillende republikeinen verkondigden dat België binnenkort zou veranderen[463]. Maar deze uitspraak kon evengoed bedoeld zijn als een wens. De getuigen à decharge, die de nadruk legden op de pacifistische gezindheid van de beklaagden, waren veel minder talrijk[464].  Na het verhoor van de getuigen ving De Bavay aan met zijn requisitoir, dat enkele zittingen in beslag zou nemen. Hierbij begon hij met een uiteenzetting van de mogelijke motieven van de republikeinen. Op een zeer overtuigende wijze zette De Bavay de feiten op een rijtje, die wezen op het bestaan van een complot. Uit citaten uit brieven concludeerde De Bavay dat er sprake was van een complot. Maar  hij liet – uiteraard – geen opening voor een andere interpretatie van wat geschreven stond[465]. Hij stelde de feiten zo voor dat een schuld evident leek, terwijl deze ook anders konden worden geïnterpreteerd. De procureur-generaal erkende dat arrestanten aan de grens niet noodzakelijk hadden deelgenomen aan de strijd, zoals eerder was gebleken uit de ondervragingen[466]. Na zijn rekwisitoor repliceerde de verdediging, waarna hij opnieuw het woord nam[467].

            Zo blijkt dat het De Bavay er enkel om te doen was de republikeinen in eigen land te vervolgen voor een reeks gebeurtenissen waarbij ze niet aanwezig waren. De werkelijke daders van de slag bij Risquons-Tout bleven vrij rondlopen. Een zeker medeweten van de Belgische republikeinen was wel te vermoeden, maar toch leek het erop alsof de republikeinen werden vervolgd omwille van hun opinie. Dit was ook de kern van de verdediging. Als laatste nam Spilthoorn het woord waarin hij benadrukte dat hij, net zoals in 1831, totaal onschuldig was:

   “Parce que j'ai procuré du pain à quelques malheureux, on m'inpute a crime cet acte de bienfaisance.    On me regarde comme un chef de conspiration, et quand je reviens croyant tout terminé, on m'arrête et   on me mêle à cette sale affaire de Risquons-Tout. (zich tot de jury richtend) Vous aussi, Messieurs,quelles que soient vos opinions politiques, vous jugerez sans prévention et il vous sera pas difficile de reconnaître que mes opinions et mes opinion seules sont en cause[468]

 

Met deze toespraak werden de debatten gesloten. Nu was het de beurt van de Antwerpse jury.  Slechts vier uur had de jury nodig om tot een verdict te komen over de 64 vragen die waren gesteld. Spilthoorn, Perin, Mathieu en Tedesco werden met een voldoende meerderheid schuldig verklaard aan samenzwering en beslissing tot gewapende aanval om de Belgische regering omver te werpen. Deze misdrijven werden bestraft met de doodstraf (art. 86 e.v.). Delestrée, Mellinet, De Rudder en Bailliu werden ook schuldig verklaard met een meerderheid van 7 tegen 5. Van de gewapende mannen te Risquons-Tout werden Carnel, Guelton, Jouannin, Calonne, Clauwens, Baeten, Nonkel,  Coopmans, Bourgeois en Declercq schuldig verklaard aan de gewapende inval (art. 91). Ten slotte werden Spilthoorn en Mathieu medeplichtig verklaard door de inval te Risquons-Tout te hebben vergemakkelijkt door de uitdeling van brood en beloften[469].

            Enkele vooraanstaande republikeinen van België werden door deze veroordeling verwijderd uit het Belgische politieke leven. De voornaamste agitatoren en onruststokers werden achter tralies geplaatst en voor hun medestanders die niet voor het gerecht waren gedaagd, was dit een waarschuwing. De gewapende legionairen werden beschuldigd en veroordeeld een der zwaarste misdaden te hebben gepleegd, gericht tegen de staat. Dit terwijl ze enkel terug naar huis wilden en zich door het gratis voedsel en de treinreis hadden laten overtuigen.  Men was zwaar geschokt door het hoge aantal ter dood veroordeelden. Het was de tweede maal in de Belgische geschiedenis dat politieke misdrijven werden bestraft met de doodstraf. Men deinsde er niet meer voor terug meteen een groot aantal personen ter dood te veroordelen. Dit betekende de facto het einde van de Association Démocratique.

            Wanneer we de acties van de Belgische republikeinen bekijken, lijkt het ons logisch dat de autoriteiten hen argwanend in het oog hielden en iedere stap die ze ondernamen met argusogen volgden. Het is een feit dat de republikeinen door de situatie in het buurland Frankrijk hoop kregen op verandering. Het contact die enkelen onder hen hadden met Fransen moet in dit licht bekeken worden. Toch werd het reünionisme met Frankrijk door de democraten afgewezen en verkozen ze de nationale onafhankelijkheid boven een republikeinse staat, indien dit zou betekenen dat België bij Frankrijk zou worden ingelijfd. Bovendien werd iedere gewelddadige actie door de radicalen afgewezen, zoals Spilthoorn had verklaard in zijn ondervragingen[470]. Uiteindelijk werd het een vervolging van politieke opinies. Deze opinie, die afweek van de opinie van de burgerjury te Antwerpen, waar er geen politieke agitatie plaatsvond in 1848, werd in se als verdacht beschouwd.

            Alle veroordeelden, met uitzondering van Delestrée, verzochten een voorziening in Cassatie aan, die op 8 november werd verworpen. Op 21 november werd de doodstraf omgezet in 20 jaar opsluiting. De veroordeelden werden opgesloten in de Citadel van Hoei na enkele maanden te verblijven in het Diestse fort. De oude Mellinet (80 jaar) kon niet worden overgebracht door zijn slechte gezondheid. In tegenstelling tot het gevangenisbeleid enkele jaar voordien was bezoek hier slechts zeldzaam[471].

 

Na een half jaar werd het dossier heropend. Bernardin Loriaux, Pierre Joseph Denis, Benoit Broquet en Eugène Dierens werden ervan verdacht deel te hebben genomen aan de samenzwering. De twee laatste hadden een papier waarin stond dat ze deel uitmaakten van het Legion Belge, maar beide verklaarden dat ze op die manier makkelijker aan werk zouden geraken en gratis vlees en brood zouden krijgen. Ze waren nooit te Risquons-Tout geweest. Denis werd voor het Hof van Assisen gedaagd omdat hij dit papier had ondertekend. Loriaux had een graad van bevelvoerder van  het legioen, maar ontkende deel te hebben genomen aan de expeditie en zelfs aan de organisatie ervan. Broquet en Dierens werden op verzoek van de Procureur-Generaal vrijgelaten wegens gebrek aan bewijsmateriaal. De twee anderen werden voor het Hof van Assisen van Brabant gedaagd. Loriaux werd beschuldigd op basis van het feit dat hij tijdens de ondervragingen in Frankrijk werd herkend als officier en dat hij een artikel had ondertekend met gelukwensen aan het Legioen van Blervacq. Denis had niet deelgenomen aan de expeditie te Risquons-Tout. Hij was namelijk met het Duitse legioen onder leiding van Bornstedt en Blervacq doorgereisd naar Baden in  Duitsland, waar hij een reisverhaal had bijgehouden. Op 17 februari werden ze op basis van deze bewijzen schuldig verklaard, met een meerderheid van 7 tegen 5. De voorziening in cassatie werd afgewezen op 2 april[472]. Dit tweede proces lokte veel minder belangstelling dan het jaar voordien. 

 

 

5.3 Het complot van het Prado-banket

 

5.3.1 sociaal-democratische verenigingen met een republikeins tintje

 

Toch had de vervolging van republikeinen niet tot gevolg dat ze van het toneel verdwenen, integendeel. In 1848 zagen opnieuw verschillende organisaties het licht in enkele belangrijke Belgische steden. Deze kregen dan ook extra aandacht van hogerhand en werden geschaduwd door geheime agenten. Vooral de Luikse afdeling van de Association Democratique, waarvan Victor Tedesco de medestichter was, kreeg veel aandacht. De geheim agent Le Bègue volgde de gebeurtenissen op de voet en maakte melding dat de revolutie openlijk gepreekt werd. Ook was er nog steeds angst voor een vernieuwde aanval en een nieuwe Risquons-Tout. Zo bleek uit een brief van Graux in het najaar van 1848, waarin hij meldde dat het Belgisch Legioen zich aan het voorbereiden was voor een nieuwe inval. Ze zouden Parijs verlaten onder het mom deel te nemen aan een democratisch banket[473]. Zijn legioen zou midden december vanuit Parijs komen en langs Namen België binnendringen. Hij besefte niet dat een gewelddadige actie door de publieke opinie niet zou worden getolereerd en dat hij deze keer niet zo makkelijk zou kunnen ontsnappen als in maart. Men zag opnieuw een verband tussen de voorbereidingen te Parijs en de Belgische republikeinen. Zo was er een nota van Graux gevonden waarin stond dat het Belgisch Legioen klaar was voor een nieuwe operatie:

            [...] La légion Belge vous prier de vouloir bien prêter votre concours afin qu'elle puisse opérer son       mouvement pour se rendre en Belgique et aider les démocrates du pays à proclamer la republique   [...][474]

 

Verschillende samenkomsten vonden plaats in het Brusselse. Zo werd op 22 november een vergadering gepland voor de oprichting van een Comité Central de la Démocratie belge op initiatief van l'Union fraternelle onder leiding van voorzitter Victor Faider in het Maison des Brasseurs. Hier waren verschillende afgevaardigden van democratische verenigingen van België aanwezig[475]. Toch waren enkele vooraanstaande personen, zoals de afgevaardigden van de Luikse vereniging, niet aanwezig[476]. Tijdens deze vergadering werden voorbereidingen getroffen voor een vergadering van 26 november waarin de algemene principes op papier werden gezet. Deze waren de principes die zouden worden gepropageerd door de leden van de Confederation républicaine démocratique. Als republikeinen stonden ze uiteraard de creatie van een republiek voor. Daarenboven werden enkele democratische principes vastgelegd, zoals vrijheid van meningsuiting, recht op leven en op werk, recht op vereniging van arbeiders, directe belastingen. Ook werd er besloten een fonds op te richten voor de financiering van democratische dagbladen[477]. Het was een uitstippeling van de principes waar alle democratisch-republikeinse verenigingen achterstonden, een uiteenzetting van het te volgen beleid en propaganda van de verenigingen. Door deze opsomming van principes waar alle leden achter stonden was het mogelijk om hun slagkracht te vergroten. Voor de staat was dit echter zeer bedreigend, omdat de weg naar vorming van een republiek hierdoor openstond. De vermelding van de republiek als staatsvorm was slechts de uiting van een opinie. Maar volgens de autoriteiten, die het gebeuren argwanend volgden, leek dit verdacht veel op de creatie van een grondwet die zou worden uitgetekend eenmaal de republiek was uitgeroepen. Ze zouden voor moeilijkheden blijven zorgen indien er niet hard werd opgetreden[478].

            Zoals reeds eerder gezegd kreeg de Luikse organisatie het meeste aandacht. De geheim agent Le Bègue  schreef aan de Minister van Oorlog dat men van plan was in alle provincies te plunderen en een gebouw in brand zouden steken om het leger te lokken. Ondertussen zou men de korpsen kunnen overmeesteren en de kanongieterijen kunnen bezetten[479]. Hierna zou men treinen bezetten onder leiding van ex-onderofficieren, die zouden gewonnen zijn voor het complot en daarmee naar Brussel rijden. Dit was het complot waarvan Le Bègue op de hoogte leek te zijn en waarna hij meende dat de Luikse vereniging de sleutel was voor het complot. Toch lijkt dit verhaal vrij ongeloofwaardig en is er geen enkele andere getuige die dit kan bevestigen. Het was met andere woorden enkel de geheim agent in opdracht van de regering die van een dergelijke onderneming had vernomen. Er waren regelmatige contacten tussen de verschillende verenigingen op te merken. Ook Tedesco, die nog steeds zijn gevangenisstraf uitzat, onderhield contacten met Esselens, de voorzitter van de Luikse afdeling. Hij feliciteerde hem dat Luik aan het hoofd van de democratische partij in België stond[480]. Dit kon eveneens werden geïnterpreteerd als een indicatie dat de Luikse afdeling aan het hoofd van de revolutionaire beweging stond, zoals dit zeker zou worden gedaan door de autoriteiten. Iedere vergadering of samenkomst van de republikeinen werd met de grootste voorzichtigheid geobserveerd door de Openbare Veiligheid. Vooral omdat deze op zeer regelmatige basis plaatsvonden werden ze als staatsgevaarlijk aanzien.

Reeds vanaf begin 1849 waren er regelmatig samenkomsten. Het was mogelijk om een zeer groot aantal gelijkgezinden op eenzelfde tijdstip te verzamelen door een banket te geven. Hier was niets illegaal aan. Toch verontrustte het de autoriteiten danig. De administrateur van openbare veiligheid Hody, die ondertussen al tien jaar dienst had, was zich bewust van de grote bedreiging die uitging van zo een banket en leek aan te sporen tot het aan banden leggen van democratische verenigingen[481]. Maar men kon onmogelijk de vrijheid van vereniging, die werd gegarandeerd door de grondwet, aan banden leggen. Maar een angst had zich meester gemaakt van de autoriteiten en repressie leek de enige mogelijke manier om tot rust te kunnen komen. Dit omdat de republikeinse verenigingen een schijnbaar onstuitbare opgang maakten. In elke middelgrote tot grote stad was er wel een vereniging (of meerdere) te vinden. Ook ontstonden er heel wat dagbladen in deze middens en kwamen de leden regelmatig samen. Ook waren verschillende republikeinen abonnees van de dagbladen van hun medestanders. Deze goede organisatie met vertakkingen over het hele land droeg ertoe bij dat men vreesde voor een hernieuwde staatsgreep. Daarenboven leek de bedreiging vanuit het buitenland opnieuw reëel te worden wanneer Rigot een brief aan Graux schreef vanuit Atrecht begin januari waarin hij besloot met de woorden:

 

   “Quant à vous constituer, n'en fait rien, on ne sait ce qui peut arriver. Espérez toujours en notre cause    si juste, si noble aussi. Bientôt nous triompherons, car le peuple doit avoir son tour et il arrivera peut-être plus tôt que vous ne le pensez. Aussitôt que l'aurais reçu réponse aux lettres que j'envoie de nouveau en Belgique, je vous écrirai.[482]

    

Maar een latere correspondentie tussen de twee bewijst net dat er geen banden meer waren tussen de agitatoren in Frankrijk en de Belgische republikeins gezinden/ democraten.

 

   “Je ne sais à quoi attribuer le long silence des amis politiques de la Belgique. Je n'ai reçu auconréponse. C'est même un peu malhonnête. Après avoir fait tout mon possible et j'y ai sacrifié du mien [...]. Je n'ai reçu aucun compte rendu du banquet de Bruxelles [...]. Je crois cependant que le parti  démocratique progresse en Belgique [...]. Croyez vous qu'on m'accuse de trahir la cause? Cela m'a fait sourire de pitié.[483]

 

De angst van de autoriteiten leek gegrond wanneer de geheim agent Le Bègue melding maakte van een aanzet tot revolutie op een banket in februari in Verviers.:

 

            “Le comité secret a eu lieu et diverses résolutions ont été prises, notamment celle de marcher le même jour et à la même heure sur Bruxelles en passant par Liège. On s'emparera des canons de la garde civique et de ceux qui seront disponibles à la fonderie. On négligera les forts et on occupera la   garnison par des émeutes partielles et des dimulacres de pillage et d'incendies. C'est droit sur la capitale que l'on marchera. On occupera les stations et on s'emparera des locomotives. Mais le jour n'est pas fixé [...][484]”.

 

Diezelfde dag schreef Rigot een derde brief aan Graux, waarin hij meldde dat hij naar België ging “sur un appel qui m'est fait”. Hij zou Graux later informeren over de gang van zaken “afin qu'au besoin nous puissions filer ensemble pour allers vivre bien doucement, bien ignorés peut-être, dans notre petite république belge, bien démocratique du Ier coup.[485]

            Op 12 maart meldde Le Bègue aan de Minister van Oorlog dat Dormal, président d'une société républicaine werd gearresteerd op verdenking van een bestelling van 300 karabijnen. Hij werd “verraden” door een arbeider bij Journal du travailleur, die zelf een karabijn in zijn bezit had. Dormal werd echter in vrijheid gesteld nadat hij had beloofd afstand te doen van de vereniging[486]. In het verdere verloop is er nergens sprake van deze man. Misschien juist omwille van het feit dat hij zich had teruggetrokken uit de vereniging. Hij werd zelf niet ondervraagd als getuige, wat bevreemdend overkomt.

Diezelfde periode werd er gemeld dat de Luikse republikein Esselens beschikte over een chemische substantie die zou worden ingezet bij de revolutionaire beweging. Maar na een huiszoeking werd er niets gevonden. Of er nu werkelijk sprake was van een poeder dat Esselens net op tijd had kunnen doen verdwijnen, staat niet vast. Dit poeder zou een brandend gevoel in de hoeven van de paarden veroorzaken, waardoor ze zouden steigeren. Een andere chemische substantie zou de munitiewagens doen springen. Dit zou de garantie zijn voor het slagen van de beweging.[487].

 

5.3.2 Ondernemingen ten tijde van het Prado banket

 

5.3.2.1 De Société des Droits de l'ouvrier: een verdachte

 

Tot hiertoe was er geen enkel bewijs dat de democratische verenigingen onwettelijke doeleinden voor ogen hadden. Enkel brieven van een geheim agent in dienst van de Openbare Veiligheid, een dienst die veel argwaan opwekte bij de bevolking, wezen in deze richting. Toch lijkt het mij dat er één vereniging was die zich anders gedroeg dan de anderen. De Société des Droits de l'Ouvrier, of tenminste enkele leden ervan, ondernamen verschillende stappen die wezen op het stichten van een beweging. Deze vereniging werd er reeds voordien van verdacht in het café La vieille Cour de Bruxelles revolutionaire taal te spreken. Zo had de Procureur des Konings enkele leden ervan aangespoord de vereniging te verlaten. Verheyden, Latour en Roussel hadden de voorzitter van de organisatie horen zeggen tegen een toetredend lid dat het doel van de vereniging de omverwerping van de regering en de stichting van een republiek was. De eerste heeft nadien zijn ontslag ingediend, de tweede werd uit de vereniging gestoten omdat hij contacten zou hebben met de politie[488], wat hij niet ontkende. Maar Latour werd volgens Taverniers verwijderd omdat hij opruiende taal sprak. Deze twee verklaringen wijzen misschien op het feit dat Latour was ingehuurd door de overheid om de vereniging  dingen in de schoenen te schuiven. Buiten deze drie had niemand die er deel van uitmaakte, noch diegene die de vereniging hadden verlaten na confrontatie met de Procureur zelf gehoord over de revolutionaire doelen van de vereniging[489]. Maar het was echter niet omdat men uitkwam voor zijn republikeinse sympathieën en dat de republiek werd geacht beter te voldoen aan de democratische eisen waarvoor de vereniging stond, dat er daarom meteen ook sprake was van een complot.

            Maar toch waren er enkele verdachte handelingen. Zo was er tussen enkele leden van de vereniging sprake van een beweging die zou uitbreken ten tijde van de Septemberfeesten. Opdemessinck en Taverniers zouden hebben voorgesteld om de kazerne van de rijkswacht in brand te steken, maar uiteindelijk was dit voorstel niet gevolgd door enige voorbereidingen. Het is mogelijk dat dit ter sprake kwam in een gesprek[490], maar dat er nadien niet meer over werd gepraat. Na de feesten, die zonder problemen waren verlopen, zou de uitbater van La vieille Cour de Bruxelles  aan Boon en Opdemessinck hebben voorgesteld om een vorm te kopen waarmee kogels konden worden gemaakt. Met deze vorm hadden de twee laatste in de keuken van Van Heer kogels gesmolten[491]. Maar van de uiteindelijke afloop blijkt Boon niets af te weten doordat hij door een ziekte niet meer kon deelnemen aan de bijeenkomsten. Verheyden, die reeds eerder vernoemd werd omdat hij de vereniging had verlaten, lijkt een dubieuze rol te spelen. Zo werden er een vorm en kogels gevonden tijdens een huiszoeking. Deze had eveneens een machine uitgevonden die alles in brand kon steken[492].

 

5.3.2.2 Verdachte reizen

 

Eind februari ging Laurent zijn broer bezoeken in Charleroi. Taverniers, die eveneens deel uitmaakte van de vereniging, vergezelde hem. De autoriteiten van Charleroi beschouwden de broer van Laurent als een 'instrument docile des brouillons qui s'efforcent de troubler la tranquilité profonde'. Hij werkte bij het bureau van de post, van waaruit hij volgens de onderzoeksrechter makkelijk zijn socialistische publicaties kon verspreiden[493]. Men verdacht hen ervan deze reis te hebben ondernomen om wapens en munitie te bestellen.

            Isidore Deprez was vaak te vinden in cafés waar hij constant praatte over de ongunstige toestand van de arbeiders, over de republiek in Frankrijk omdat deze goed scheen te werken, maar verder ging het niet. Wanneer hij Laurent, de voorzitter van de Société des Droits de l'Ouvrier, ontmoette sprak Deprez[494] niet enkel over de erbarmelijke toestand van de arbeiders en de Franse republiek, maar eveneens over de wil tot actie. Hij sprak over een beweging die zou losbarsten tijdens het Prado- banket dat zou plaatsvinden op zondag 25 maart. Op een dag gingen ze samen naar de fysicus Manzoni die zei dat hij zelfs trucs kende om een leger te doen vallen[495]. Hierna had Deprez tegen Laurent gezegd dat zulks middel wel goed van pas zou komen om te gebruiken tegen de rijkswacht indien een beweging zou losbarsten[496]. Hij had hem op een dag gevraagd om hem geld te lenen. Hiermee zou hij naar Quiévrain gaan, waar hij Rigot zou ontmoeten. Laurent nam hem mee naar de weduwe Thibault, die hem dit geld gaf. Op 15 maart vertrok Deprez met dit geld naar Quiévrain samen met Biot, secretaris van de Société des Droits de l'Ouvrier. Rigot zou hem in Quiévrain geld geven om poeder te kopen en om een banket te organiseren. Rigot was echter niet aanwezig op de afspraak in Quiévrain en daarom nam Deprez Biot mee naar Atrecht, alwaar ze Rigot ontmoetten op 16 maart. Samen aten ze iets in het Hôtel du Griffon[497]. In hun bijzijn schreef hij een brief naar Esselens. Deze brief kwam echter nooit aan bij hem:

 

            “Deprez, qui te remettra la lettre est là, à coté de moi. Tu sais le motif qui l'amène dans la compagnie du dévoué Biot. Ce sont là bien sûr, deux excellent coeurs. Ils te donneront des détails – les mêmes qu'à moi – et te diront que j'ai fait mon possible. Je ne doute pas que tu fasse le tien [...] il faut ici un effort suprême et je compte sur ton généreux dévouement [...][498]

 

Het was op basis van deze brief dat men vermoedde dat Esselens de opdracht had gegeven om Rigot op te zoeken. Maar hier was geen enkel bewijs van te vinden en bovendien werd het door Esselens zelf ontkend. Op 17 maart vertrok Deprez volgens Laurent naar Verviers om nog geld bijeen te zoeken en poeder te kopen. Diezelfde dag vertrok Biot naar Luik. Ze kwamen elkaar tegen op de trein. Deprez vergezelde Biot naar het huis van Esselens, waar hij een pakje gewikkeld in toile cirée en een briefje heeft achtergelaten:

 

            “Comme ayant été chez vous vers trois heures, aujourd'hui, pour vous trouver, comme je reviens   demain soir à Bruxelles, veuillez-vous trouver à la station.[499]

 

Deze twee voorwerpen die werden gevonden bij Esselens, waren volgens de autoriteiten van doorslaggevend belang. Toch trof men in het pakje enkel stalen van verfborstels aan, die Biot gebruikte als handelsreiziger in borstels. Hierna nam Deprez het laatste konvooi richting Verviers, maar men is er nooit achter gekomen wie hij heeft ontmoet en met welk doel. Deze reis kon dus niet gelden als bewijs voor een complot, zoals door de autoriteiten werd voorgesteld. Biot heeft die nacht in Luik doorgebracht. Maar men heeft er absoluut geen idee van waar hij verbleef. Men vermoedde dat hij bij Esselens heeft overnacht, maar dit werd ontkend door verscheidene getuigen en bedienden. Evenmin heeft hij een kamer in een hotel geboekt. Dit geldt ook voor Deprez in Verviers. Het enige doel van deze reis was volgens de autoriteiten het smeden van een complot[500]. Men dacht dat hij de nacht had doorgebracht bij de Vervierse republikein Mottet. Op die manier kon er een verband worden aangetoond tussen de voornaamste verdachte en Mottet. Maar geen enkele getuige kon dit vermoeden bevestigen[501].

            Op 18 maart ontmoette Biot Mottet, De Steiger en Paquay in het station van Luik. Ze  zegden hem dat ze op weg waren naar Tienen om Vandenbroeck een bezoekje te brengen[502]. Biot zei dat hij hen daar zou ontmoeten omdat hij Vandenbroeck wilde uitnodigen voor het Prado-banket. Het is niet duidelijk hoe Deprez en Biot elkaar die dag hebben ontmoet[503], maar beide zijn nadien effectief naar Vandenbroeck gegaan om hem uit te nodigen voor het banket die de zondag nadien zou plaatsvinden. Na een half uur verlieten ze het gezelschap, waarna de wegen van Biot en Deprez scheidden. Mottet had aan zijn medereizigers verklaard niet gerust te zijn in het verloop van het banket. Hij vreesde provocaties van de zijde van de politie en zei dat hij naar Gendebien zou gaan om te bespreken hoe dit kon worden vermeden.

 

5.3.2.3 Wantrouwen in het banket

 

Aangekomen in Brussel begaf hij zich naar zijn schoonbroer Jean Collard. Ze zijn later op de avond samen naar L'Alliance gegaan. Ook Vandenbroeck was hier aanwezig. Ook hij meende  dat het ongunstig zou zijn het banket te laten doorgaan, omdat er geruchten de ronde deden dat er die dag rellen zouden zijn. Samen gingen ze naar André, die mee in stond voor de organisatie, om hem af te raden het banket te laten doorgaan. Maar André zei dat dit onmogelijk was, dat er uitnodigingen waren uitgedeeld en dat er maatregelen waren getroffen om de orde te handhaven[504]. Diezelfde dag ondernam Mottet stappen bij Gendebien. Hij werd hier vergezeld door Van Goitsenhoven. Mottet trachtte Gendebien te overtuigen de organisators van het banket aan te sporen het te annuleren. Op 20 maart kwam hij Biot tegen op straat, die hem om geld vroeg. Hij waarschuwde Biot voor de geruchten die hij had opgevangen, zeggende dat hij moest opletten omdat de politie in het gebeuren een complot leek te zien en ervan zou profiteren om met macht op te treden[505]. Geen van deze personen was aanwezig op het banket. Vandenbroeck vertrok op 24 maart naar Tienen, voordat het banket had plaatsgevonden.

            Op 18 maart kwamen Deprez en Biot aan in Brussel, net als Mottet. Laurent kwam Deprez de dag nadien tegen in de kroeg Saint-Martin, na een lange zoektocht. Hier zei Deprez dat hij met een persoon uit Verviers op stap was die hem geld zou willen lenen. Maar later – op 20 maart -  bleek dat deze persoon zich had laten ompraten door mensen die Deprez niet vertrouwden. Diezelfde dag waren Deprez en Biot langs gegaan bij de vervaardiger van wapens Fusnot. Biot had Esselens zien buitengaan en vroeg de wapenhandelaar waar hij naartoe ging. Daarna volgde een gesprek tussen Deprez en Fusnot op fluistertoon over de levering van poeder. Fusnot zei dat deze levering onmogelijk was. Biot had niets van dit gesprek gehoord, wat volgens de collega van Fusnot best mogelijk was aangezien het gesprek heel stil was[506]. Later die dag ontmoette Esselens Biot en Deprez in de galerie van St-Hubert. Biot wilde geld lenen. Esselens was haastig en heeft hem toegeroepen (a haute voix) dat hij geen tijd had. Het was dus niet zo dat Esselens Biot had opgewacht aan het station, zoals Biot in de brief aan Esselens had geschreven. Ook de manier waarop Esselens Biot toesprak doet vermoeden dat er helemaal geen sprake was van een complot tussen beide. Op diezelfde plaats kwamen ze de arbeider Dugimont tegen. Volgens hem vroeg Deprez hem of hij op de arbeiders kon rekenen, omdat er een van de volgende dagen iets zou gebeuren. Maar deze zei dat hij niets wilde weten van een dergelijke onderneming, omdat hij werk had[507]. De avond van 21 maart ging Deprez uiteindelijk ten rade bij Longfils, in gezelschap van Laurent en de weduwe Thibault. Hij leek zeer ontevreden over Deprez[508].  Aangezien hij bij verschillende mensen had aangeklopt om geld te lenen waren er heel wat mensen op de hoogte van zijn ondernemingen.

            Enkele personen zagen Deprez op vrijdag [23 maart] de woonst van zijn schoonbroer Loiseau verlaten in een koets richting Aix-en-Chapelle. Volgens sommigen was hij vergezeld door Longfils. Hij stapte uit aan de Sint-Jozefskerk in de wijk Leopold[509]. Hij vluchtte op donderdag 22 maart naar weduwe Thibault, Caroline Deleeuw, nadat hij werd opgeroepen om een straf van 15 dagen uit te zitten[510]. Dit werd door haar ontkend, maar getuigen bevestigen dat ze vaak bezoek kreeg van mannen en dat donderdag voor het Prado-banket een zeer goed geklede man bij haar buiten kwam – de dag dat Deprez was gevlucht. Maandag nadien kwam er een man buiten, vermomd als landbouwer. Deleeuw verklaarde aan haar buurvrouw dat “nous allons à la grand banket”[511]. Ook Laurent bevestigde Deprez' aanwezigheid bij Caroline Deleeuw, omdat hij Deprez daar had bezocht. Hij kreeg de boodschap om poeder te bestellen in Charleroi, samen met Taverniers. Maar Taverniers en Biot besloten om het geld op te drinken aan de toog[512].  Op 24 maart werd een werknemer van Deprez verzocht om hem spullen te gaan brengen in Etterbeek[513]. Hierna vluchtte hij naar het buitenland. Deze vlucht zou dus blijkbaar niets te maken hebben met het complot dat hij zou hebben gesmeed, maar wel met een straf die hij moest uitzitten. Bovendien had hij bij verschillende personen schulden staan. Men verrichtte verscheidene huiszoekingen bij personen die mogelijk met hem in verband konden worden gebracht, maar zonder resultaat.

 

5.3.2.5 Preventieve arrestaties

 

Op 25 maart zou er in Prado een democratisch banket plaatsvinden, georganiseerd door l'Union Fraternelle. De autoriteiten meenden dat dit niet zomaar een banket was, maar wel een “démonstration monstre de toutes les nuances”. Alle radicaal-democraten uit het hele land zouden er aanwezig zijn. Zoals reeds eerder vermeld waren de autoriteiten niet gerust in deze grootscheepse samenkomsten, hoewel ze door de grondwet werden gegarandeerd. Vanaf 20 maart ging het gerucht de ronde dat er troebelen zouden plaatsvinden op de dag dat het Prado-banket was gepland. Deze troebelen zouden worden geprovoceerd door personen ingehuurd door de overheid. Garsou schreef over het banket op 20 maart:

 

            “Le banquet qui doit avoir lieu dimanche prochaine au Prado, n'est plus un banquet comme on pouvait   bien le   penser. D'après les renseignements puisés en premières sources, c'est une démonstration  monstre de toutes les nuances[...] Un fait certain et qui m'a été offert voilà un mois, que si je voulais  être des leurs et prendre un commandement. C'est qu'ils ont des munitions et des armes et une batterie d'artillerie de l'armée à leur disposition. Cela m'a été proposé et assuré. Il est encore temps que le banquet n'ait pas lieu[...] Ce sera une grande service, rendu à la société, à l'industrie, au commerce et   au pays tout entier.[514]

 

Maar nergens is terug te vinden op basis van welke inlichtingen men dit vermoedde. Geen enkele verklaring omtrent 20 maart wijst in die richting. Mijns inziens wijst dit des te meer op een provocatie van de overheid zelf met als doel de democratische beweging een complot in de schoenen te schuiven, gebaseerd op los feitenmateriaal en zwakke vermoedens. Dit enkel om zich te ontdoen van vijand nummer één van de staat; juist omwille van de legaliteit van de samenkomsten, acties en de organisatie over het hele land was deze strekking zo gevaarlijk. Zij zou immers met legale middelen in staat zijn de macht over te nemen.

            Zoals reeds eerder vermeld bevond Henri Mottet, afgevaardigde van de Société des Droits et des Devoirs de l'Homme, zich die dag in Brussel. Wanneer hij dit gerucht vernam, begaf hij zich onmiddellijk naar de Minister van Binnenlandse Zaken Gendebien[515]. Enkel de verklaring van de fysicus Manzoni zou wijzen op een complot. Hij was op 21 maart gaan verklaren aan de politiecommissaris dat Deprez en Laurent drie weken voordien bij hem waren geweest en hem hadden gesproken over een beweging die zou uitbreken, dat ze enkel nog een machine nodig hadden om de cavalerie te breken en hem vroegen of hij die kon leveren[516].

            Op vrijdag 23 maart was er een samenkomst van de Société des Droits de l'Ouvrier. De bijeenkomst was georganiseerd door Laurent en Taverniers met als doel de leden ervan aan te sporen om niet naar het banket te gaan omdat men hen verdacht er herrie te gaan schoppen[517]. Deze vereniging kwam altijd samen in de Cour Royale. Biot was hier niet aanwezig, want hij was diezelfde dag naar Antwerpen vertrokken. Men meende dat deze reis rechtstreeks in verband stond met het Prado-banket en de vermeende beweging die dan zou uitbreken, te meer aangezien op dat moment het gerucht in Antwerpen de ronde deed dat er de dag nadien een rel zou plaatsvinden in Brussel[518]. Het is niet duidelijk wie dit had gemeld, want dit bericht werd zelfs door de politiecommissaris van Antwerpen ontkend. De autoriteiten voerden in Antwerpen een nauwkeurig onderzoek uit, doch zonder enige bezwarend bewijsmateriaal te vinden. Op 24 maart, terwijl hij zich in Antwerpen bevond, werd er bij hem een huiszoeking gedaan door de politie, omdat hij deel uitmaakte van de Société des Droits de l'Ouvrier[519]. Diezelfde dag werd er eveneens een huiszoeking gehouden in La Cour Royale, waar de vereniging de dag voordien was samengekomen. Men had er niets gevonden omdat de uitbaatster Van der Driessche een pakket dat ze in haar café had gevonden had laten wegbrengen door de dienster Elisabeth Mertens, nadat ze had vernomen dat verschillende leden van de vereniging waren gearresteerd[520]. Er werden 12 aanhoudingen verricht tegen de leden van de vereniging, waaronder Laurent. Ook de schoonbroer van Deprez, Loiseau, werd gearresteerd[521]. Ook enkele individuen die niets te maken hadden met de organisatie werden gearresteerd. Men verdacht hen ervan de dag nadien een beweging te doen uitbreken, ten tijde van het Prado-banket. De bedoeling zou zijn om tussen elf uur en middernacht: “couper les conduits du gazometre et plonger ainsi la ville dans l'obscurité, afin de favoriser une démonstration revolutionnaire [...] Quelques étrangers devaient arriver à Bruxelles au moment ou cette petite intrigue à laquelle nous ne voulons pas donner le nom de complot, devait éclater[522]”.

Het vermoeden dat er helemaal geen complot aan de gang was, werd bevestigd door de kranten. Ook het feit dat de leden van de Société des Droits de l'Ouvrier waren gearresteerd, die nog nooit waren gesignaleerd als herrieschoppers, deed vermoeden dat er wel eens onschuldige mensen zouden zijn gearresteerd:

            Dans ces douze arrestations il n'y a aucun nom ayant la moindre importance. Nous craignons au  contraire que parmi les coupables, si coupables il y a, il y ait au moins un innocent d'arrêté”.

 

5.3.2.6 Een banket zonder geweld...

 

Enkele personen die op 24 maart waren gearresteerd, waren opnieuw in vrijheid gesteld na hun ondervraging. De politie had voorzorgsmaatregelen genomen ter vrijwaring van enige troebelen die zouden ontstaan bij het nieuws van de ontdekking van een complot. De burgerwacht van Laken was naar Sint-Joost-Ten-Noode opgetrommeld, de rijkswacht had een numerieke versterking gekregen en alle lokale autoriteiten waren in een staat van paraatheid gebracht. Er waren zware maatregelen getroffen ter repressie van iedere poging tot wanorde. Agenten waren aanwezig in burger. Niet enkel in de buurt van het banket was er een hoge staat van paraatheid op te merken, ook in alle andere wijken van Brussel waren er voorzorgen genomen. Maatregelen, zoals een doorgedreven paspoortcontrole, waren getroffen aan de spoorwegen opdat de deelnemers van het banket die met de trein vanuit de andere steden naar Brussel zouden komen niet zouden opdagen. Enkel wanneer men kon bewijzen dat men niet naar het banket ging, werd men doorgelaten[523]. Op het Muntplein en aan het Stadhuis was een post van de burgerwacht geplaatst.

            Maar in tegenstelling tot wat de autoriteiten dachten, verliep het banket zeer rustig. Men maakte melding dat er een groot aantal ingeschrevenen niet waren komen opdagen, waarschijnlijk omwille van de geruchten dat de orde er zou worden verstoord. De effectieve opkomst werd geschat op ongeveer 500 democraten. Enerzijds waren verschillende democraten reeds van op voorhand op de hoogte van wat de autoriteiten van plan waren. Het was hen met andere woorden reeds voordien duidelijk dat men van plan was hen iets ten laste te leggen, waar helemaal niets van waar was. Anderzijds was een aanzienlijk deel van de democraten opgehouden aan de spoorwegen en kon de stad niet in, omwille van de doorgedreven controle.

            Tijdens het banket protesteerden de sprekers tegen het feit dat men het banket afschilderde als een gewelddadige, vijandige en revolutionaire bijeenkomst van een fractie van de republikeinse partij. Ondertussen was er in de buurt van het Prado een grote menigte nieuwsgierigen toegestroomd. Opeens drong een honderdtal individuen die niet beschikten over toegangskaarten, waaronder verschillende havenarbeiders, het Prado binnen waarna er een vechtpartij ontstond[524]. Stenen werden door ruiten gegooid en een van de  invallers werd verwond met een mes. Nadat de organisatoren de lokale autoriteiten hadden verwittigd, kwam de politie samen met een peloton van de rijkswacht ter plaatse en versperde iedere uitgang van het gebouw. Heel wat gasten verlieten het gebouw na de inval, waarop ze door nieuwsgierige toeschouwers werden uitgejouwd: “Vive Leopold! Pas de république!”[525]. Het banket dat om zes uur was begonnen was na amper twee uur afgelopen, na een bruuske onderbreking. Na het hele gebeuren stroomde de menigte naar de verschillende kroegen van de voorstad. De burgerwacht bleef paraat tot middernacht[526]. Een deurwaarder vaardigde een aanmaningsbrief uit, dat de gemeente verantwoordelijk stelde voor iedere schade die tijdens het banket was opgelopen doordat niet-uitgenodigden er binnenvielen.

            Het mag dus duidelijk wezen dat de rust niet werd verstoord door de democraten zelf, maar wel door onruststokers die aanwezig waren, misschien wel ingehuurd door de autoriteiten. Dit vermoeden wordt bevestigd door het feit dat er een zeer strenge controle en een hoge staat van paraatheid op te merken was, maar dat de politie niets deed om de indringers tegen te houden. Het is niet duidelijk op welke gronden de autoriteiten een complot vermoedden.

            De politie werd naar het Prado gestuurd met de opdracht daar alle wapens, poeder en munitie in beslag te nemen en andere objecten die konden dienen voor een vervolging. Na een nauwkeurig onderzoek van 2 uur had de politie niets belastend gevonden. Bij de aankomst was men er zeker van dat niemand het etablissement had verlaten voordat ze aankwamen[527]. Geen enkel lid van de Société des droits de l'Ouvrier was aanwezig, voornamelijk omdat het grootste deel de dag voordien in de boeien was geslagen. Enkel Van Humbeeck was effectief naar het Prado-banket gegaan, maar toen hij lawaai hoorde, was hij gevlucht, omdat hij schrik had om net zoals de andere leden van de vereniging gearresteerd te worden[528].

            De dag na de afloop van het banket werd er door de kamer voorgesteld om de goedkeuring van een democratisch wetsvoorstel uit te stellen. Dit ten gevolge van de ontdekking van een – vermeend – complot[529]. De democraten hadden de verbetering van het lot van de arbeiders en enkele andere democratische maatregelen voor ogen. Een eerste stap in die richting was het eerste democratisch voorstel. Door dit te willen opschorten, negeerde men de noden die reeds sinds halverwege de jaren veertig wogen op het land. Men had bewezen dat men onafhankelijk kon zijn, dat men troebelen kon onderdrukken, maar men slaagde er nog steeds niet in tegemoet te komen aan de eisen van het volk, van diegenen die reeds jaren in erbarmelijke omstandigheden leefden. Het opschorten van het wetsvoorstel zou een bewijs zijn dat men schrik had voor democraten en democratische maatregelen, schrik dat de eigen positie erdoor aangetast zou worden.

 

5.3.3  Arrestaties en onderzoek met vage vermoedens

 

Na het banket werden verschillende kopstukken van de democratische beweging gearresteerd en gevangen gezet. Esselens werd gearresteerd op basis van de brief die Biot op zak had van de hand van Rigot, maar hij had de brief nooit in handen gehad. Er was geen enkel bewijs dat wees in de richting van enig contact met Biot of Deprez, behalve een haastige babbel – à haute voix - waarin het ging om een vraag om hulp, wegens financiële problemen. In november 1848 had Esselens een brief ontvangen van Rigot waarin de zin “Les actions sont en hausse” stond[530]. Toch was er hierna geen enkele correspondentie meer tussen hen. Ook het vervaardigen van kogels, waarvan hij een jaar voordien was beschuldigd, leek voor de autoriteiten een bewijs[531]. Op basis van de brieven en het vervaardigen van munitie vermoedde men dat Esselens deel uitmaakte van een complot. Ook Mottet, die zich steeds had opgeworpen als tegenstander van het banket, was een van de gearresteerden. Nochtans was Mottet steeds voorstander van het gebruik van vredige en legale middelen om hun doelen te bereiken, net zoals het overgrote deel van de republikeinen. Nergens was een concreet bewijs van een medeplichtigheid in een soort van complot. Hij bracht maandenlang in gevangenschap door. Hij schreef verscheidene brieven aan de onderzoeksrechter en de procureur met de vraag hem in voorlopige vrijheid te stellen. Uit zijn brieven blijkt zijn verachting voor het Belgische gerechtelijke apparaat, omdat men hem op basis van een uiterst zwakke bewijslast gevangen hielden. Hij schreef onder andere:

 

            “non, nous n'avons pas conspiré. Le jour que nous voudrions le faire votre gouvernement tombera. L'experience nous montre que les gouvernements qui voudraient se maintenir par l'injustice, un jour ou    l'autre seront ecrasé sous la reprobation politique[532]

 

Ook Gendebien richtte een verzoek aan de Kamer van Inbeschuldigingstelling om hem vrij te laten. Aanvankelijk bleef Laurent ontkennen ook maar iets te weten van een samenzwering. Zo zegt hij de verklaring van Manzoni te kunnen weerleggen, omdat dit bezoek enkel had gediend om geld te verkrijgen. Deprez bevond zich volgens hem in een constante geldnood. Longfils, die enkele malen contact had met Deprez, werd eveneens gevangen gehouden. Ook hij protesteerde tegen zijn arrestatie, tegen de zwakke bewijzen die er tegen hem opgeworpen werden[533].

            Het onderzoek werd zeer grondig uitgevoerd. De reizen die werden ondernomen in deze periode werden uitgepluist. Iedereen die werkte aan de spoorwegen of in de buurt van het station werd ondervraagd. De aankoop van poeder, kogels en wapens, wat zou wijzen op een poging tot gewelddadige actie, draaide op niets uit. Iedere mogelijke verkoper van munitie en wapens en diens omgeving werd hieromtrent ondervraagd, zonder resultaat. Zonder de aanwezigheid van wapens kon een omverwerping van de staat immers niet worden bewezen. Met woorden was zo een beweging onmogelijk. Men zocht ijverig naar Deprez, maar deze  bevond zich reeds gedurende een geruime tijd in Frankrijk, in Atrecht of Parijs[534]. Aangezien er geen uitlevering mogelijk was inzake politieke misdrijven, was het onmogelijk om hem te vervolgen. Ieder contact tussen de Belgische republikeinen en Rigot in Atrecht werd onderzocht, omdat dit wees op een tweede Risquons-tout. Maar uiteindelijk was er slechts een zeer onregelmatig contact, telkens omtrent de democratische banketten[535]. Misschien was het net daarom dat men deze samenkomsten van gelijkgezinden uit het hele land niet vertrouwde. Uiteindelijk was het een zeer zwakke bewijslast waarop de beschuldiging berustte. Toch ging men door met het proces. Men wilde schuldigen zien, hoewel deze er niet waren. Enkel Deprez kwam in aanmerking, maar deze was enkele dagen voor het banket naar het buitenland gevlucht, men wist niet waarheen. Bijgevolg waren diegenen die voor het Hof van Assisen werden gedaagd de zondebokken.

 

5.3.4 Het proces: de doodsteek voor de republikeinen

 

Op 13 juli werden Adrien Tavernier, Michel Van Hees, Egide Verheyden, Jean Baptiste Opdemessinck, Adolphe Dugimont, Jean François Dumont, Jean Baptiste Clement, Guillaume Désir, Alexandre Loiseau, Corneille De Winter, Jean Baptiste Braeckman, Charles Van Humbeeck, Louis Boon, Paul Van Overstraeten en Caroline Brassine buiten vervolging gesteld door de Raadkamer wegens gebrek aan bewijsmateriaal en werden Isidore Deprez, Ghislain Laurent, Mathieu Joseph Biot, Louis Rigot, Hector Mottet en Prosper-Joseph-Antoine Esselens verwezen naar het Hof van Beroep. Daar werden ze door de Kamer van Inbeschuldigingstelling verwezen naar het Hof van Assisen op beschuldiging van complot. Deprez en Rigot verbleven echter in het buitenland en konden niet worden uitgeleverd. Voor Mottet werd een non-lieu uitgesproken[536].

            In de akte van beschuldiging, opgesteld door Procureur-Generaal De Bavay, werden de  principes van de Confederation républicaine démocratique, die op 22 november op papier werden gezet, gezien als een eerste teken van streven naar een republiek. Volgens De Bavay was dit een republikeinse grondwet. De akte van beschuldiging was opgebouwd uit verschillende losse fragmenten die moesten aantonen dat er wel degelijk sprake was van een complot. In België bestond er verdeeldheid over de manier waarop de vervolging gebeurde. Zelfs in het juridisch blad La Belgique Judiciaire, waarin deze akte van beschuldiging was opgenomen, protesteerde men tegen de manier waarop men het Prado-banket afschilderde als een poging tot omverwerping van de regering[537]. Het was een ingebeeld complot, om de voornaamste tegenstanders van de regering te nekken. Ook verschillende dagbladen uitten hun kritiek op het proces.

            Vanaf 21 augustus stonden de democraten terecht. Het proces nam tien dagen in beslag, exact een jaar nadat het proces omtrent Risquons-Tout had plaatsgevonden. Het leek opnieuw een proces van opinies te worden, hoewel men hiervoor niet kon worden veroordeeld. De bewijsstukken waren een paar laarzen, een klein houten kistje, verschillende registers, een portefeuille en een pakje in toile cirée. De getuigen à charge waren Manzoni,  de buurman van Deprez en nog vele anderen. Maar de getuigenissen waren niet in staat de schuld van de beklaagden aan te wijzen. In het totaal leverde het Openbaar Ministerie 41 getuigen[538]. De getuigen à décharge verklaarden allen dat ze nooit enige vijandige taal hadden gehoord van de beklaagden. De Substituut-procureur Keymolen was belast met het aanwijzen van de schuld van de beklaagden. Maar vlak voor de aanvang van het rekwisitoor van het Openbaar Ministerie verscheen de Procureur-Generaal De Bavay. Deze vatte de beschuldiging samen. Hij oordeelde dat een socialist vroeg of laat toch zou overgaan tot gewelddadige acties, ondanks zijn pacifistische principes. Ook zei hij dat ze reeds lang samenzwoeren, hoewel geen enkel feit tijdens het proces in die richting wees. Hij achtte verscheidene aspecten  als bewezen, hoewel dit lang niet het geval was. Hij meende dat het ontwerp van hun principes op 26 november 1848 het besluit was om te handelen[539]. Hieruit blijkt nog maar eens dat een politiek misdrijf moeilijk te vatten is. De beslissing tot handelen is doorslaggevend voor het bewijs. Maar wanneer is er een beslissing tot handelen? Dit is niet altijd even objectief vast te stellen, zoals blijkt uit deze zaak. Ondanks de verdediging, de pacifistische intenties van de beklaagden en de zwakke bewijslast achtten de twaalf juryleden, omwille van de overtuigingskracht van de Procureur-Generaal, Laurent, Biot en Esselens schuldig aan het smeden van een complot. Het lijkt alsof het Openbaar Ministerie en de liberale regering medeplichtigen hadden gevonden in de jury. Dit lijkt een indicatie van het feit dat de jury, net als de regering, bijzonder angstig was voor een democratische overname, ook al was dit op een legale manier. De veroordeling kon worden gezien als de enige manier om de opmars te stuiten. Enkel op basis van het smeden van kogels, handelsreizen en een brief werden de drie veroordeeld tot de doodstraf. De jury had wel ingezien dat Mottet op geen enkele manier in verband te brengen was met een of ander plan tot de omverwerping van de regering. Opnieuw werden linksen veroordeeld tot de doodstraf op basis van de artikels 87, 89, 26 en 55 van het strafrecht[540]. In tegenstelling tot de opinie die de juryleden hadden uitgesproken, uitte de pers, ongeacht de strekking, hun ongenoegen tegenover de manier waarop de veroordeling had plaatsgevonden. Hier werd de jury voor de eerste keer in vraag gesteld als rechtsprekend orgaan.

            Op 30 november zagen de drie veroordeelden hun doodstraf omgezet in 15 jaar opsluiting. Ze werden overgeplaatst naar de Citadel van Hoei, waar hun geestesgenoten, de veroordeelden van Risquons-Tout, zich ook bevonden[541]. Biot verkreeg na één jaar remise du restant de sa peine op 7 november 1850 en Laurent kreeg gratie op 29 maart 1853. Esselens daarentegen weigerde gratie te vragen, met als reden dat een onschuldige geen gratie hoeft te krijgen. Hij werd uiteindelijk vrijgelaten op 22 juli 1856, na een zware gevangenisstraf, waarbij hij blind is geworden[542].

 

            Men kan het proces beschouwen als een preventief proces. Men was ervan overtuigd dat de bom vroeg of laat zou zijn gebarsten. Om dit te vermijden werden kopstukken veroordeeld en veilig opgeborgen. Eens en voor altijd werden potentiële agitatoren gewaarschuwd. De bedreiging die uitging van de groepering werd gebroken door het proces van het vermeende Prado-complot.

 

 

5.4 Besluit

 

In de twee laatste politieke processen werd duidelijk dat ze door de overheid werden gebruikt om de agitatie tegen de staat de mond te snoeren, ook al waren er geen doorslaggevende bewijzen van te vinden. De republikeinse beweging, die een grote aanhang leek te hebben, werd een steeds grotere bedreiging. De veroordeling van enkele voorname republikeinen heeft ervoor gezorgd dat de grootste tegenstand tegen de monarchie werd gebroken. Na het orangisme werd ook het republicanisme monddood gemaakt. Daarenboven heeft de Belgische staat zowel naar buiten toe als op binnenlands vlak op zijn strepen stond. Door middel van adequate maatregelen ter bestrijding van de economische depressie en een doorgedreven repressie, werd de Belgische nationaliteit gehandhaafd. De verklaring van het feit dat een revolutie in België uitbleef, was eerder te wijten aan de gevestigde macht dan aan de revolutionairen[543]. Het was eens te meer duidelijk dat België een onafhankelijke monarchie zou blijven. De consolidatie was een feit. Net zoals in de periode van onzekerheid en bedreiging van Hollandse zijde meer dan tien jaar tevoren, schaarde de bevolking zich opnieuw achter vorst en vaderland. Toch zal een blijvende angst de autoriteiten blijven achtervolgen voor een sociale opstand of een revolutie. Na het proces van Risquons-Tout schrok de beweging echter niet terug en overal in België schoten verenigingen uit de grond. Door de regelmatige contacten die de leden ervan met elkaar onderhielden werd de bedreiging nog vergroot. Men maakte enkel gebruik van legale middelen en dus was er geen enkele mogelijkheid om de protestacties de mond te snoeren, tenzij men de beweging verdacht kon maken van een complot. Hoewel de Belgische instituties op geen enkel moment echt bedreigd werden, ging men toch over tot de vervolging en werden de beschuldigden veroordeeld. Er moeten wel degelijk andere redenen zijn geweest voor een vervolging dan de vrees voor een omwenteling. Het was de hoop op het ongedaan maken van iedere politieke agitatie dat de autoriteiten dreef om de republikeinen te laten veroordelen zonder echte harde bewijzen. De jury leek een goed instrument in de handen van de regering. Tot twee maal toe verkreeg de regering zijn zin en oordeelde de jury tegen het bestaan van republikeinse verenigingen. De jury was dus evenals de regering conservatief. Hoewel er geen sprake leek te zijn van een effectief bestaan van een politiek misdrijf, buiten de verklaringen van de geheim agent, werden nog enkele kopstukken van de republikeinse beweging veroordeeld tot de doodstraf. Dit was tevens het doodvonnis voor de beweging. Na 48 jaar was duidelijk geworden dat België een monarchie was en dit zou blijven, tot vandaag de dag

            In België waren er enkele democraten en republikeinen waarvan de invloed zou kunnen groeien en hun actie meer en meer drukkend zou kunnen worden. Door hen te zien als de aanstichters van Risquons-Tout en door hen te veroordelen voor een gewapend complot tot omwenteling van de regering, zou de democratische, socialistische en republikeinse  beweging onthoofd worden. Hierdoor kon de staat verder blijven functioneren, zonder zich zorgen te maken over enige agitatie. Zelfs het gebruik van legale middelen leek geen garantie meer om verzekerd te zijn van een vrijspraak. Met deze processen werd zelfs het protest via wettelijke wegen en dus iedere vorm van protest, de mond gesnoerd. De processen tegen de republikeinen werden gebruikt om aan latere agitators duidelijk te maken dat geen enkele dissidente stem getolereerd zou worden.

 

 

Conclusie

 

Wanneer we ons nu de vraag stellen of politieke misdrijven hebben bijgedragen tot de consolidatie van de Belgische staat, dan dienen we bij verschillende aspecten stil te staan. Politieke misdrijven zijn steeds het gevolg van een gevoel van ontevredenheid tegenover het huidige bewind. De redenen van deze ontevredenheid zijn echter zeer uiteenlopend. De orangisten waren ontevreden met het economisch beleid van de Belgische staat, waardoor ze gingen ijveren voor een terugkeer naar de voorgaande situatie. Men stak de voorliefde voor Holland niet onder stoelen of banken en het ijveren voor een restauratie van de Nassaudynastie was steeds expliciet aanwezig. Dit in tegenstelling tot de republikeinse beweging, die nooit expliciet actie ondernam met als doel een republiek op te richten. Het republikeins protest was steeds patriottisch getind en was het resultaat van onvrede met maatregelen die waren genomen door de overheid. Zo lokte de beslissing om Leopold I te verkiezen als vorst en daarbij het vredesverdrag van XVIII artikelen te aanvaarden het protest uit van deze beweging. Later was datzelfde patriottische protest op te merken tegen de aanvaarding van de XXIV artikelen. Tien jaar later werd er geprotesteerd tegen sociale onrechtvaardigheid vanuit deze hoek. Na de februarirevolutie in Frankrijk in 1848 kunnen we een hoop op de stichting van een republiek opmerken, maar zonder dat er vanwege deze groep expliciet sprake was van de vorming van een groots complot. De autoriteiten waren zich voor 1839 ten volle bewust van het patriottische karakter van de republikeinse acties. Hoewel men deze groep steeds viseerde, werd ze nooit veroordeeld. Maar toen in 1848 duidelijk werd dat de republikeinen wel eens een gevaar zouden betekenen voor de monarchie, besloot men onmiddellijk over te gaan tot de vervolging. Hoewel het strafrecht pleit om de beschuldigde vrij te laten bij een onzekerheid over de schuld, besloot men dat het gevaar te groot was om dit principe toe te passen. De Procureur-Generaal stelde het zodanig voor alsof een schuld van tevoren vaststond. Het Openbaar Ministerie kon daarbij rekenen op de jury, die in deze periode de republikeinen steeds veroordeelde.

            Diegenen die soldaten aanzetten tot desertie ageerden eveneens vanuit onvrede met de situatie. Ook hier is er een onderscheid te maken tussen de periode voor 1839 en de periode nadien. Vóór de internationale erkenning van de onafhankelijkheid van België was het aanzetten van soldaten inderdaad een reëel gevaar voor België. Omdat het Belgische leger nog niet dermate georganiseerd was kon de minste verzwakking van het leger de doodslag betekenen voor de onafhankelijkheid. Het aansporen van soldaten was evenzeer het gevolg van een gevoel van ontevredenheid tegenover de staat en werd in deze periode steeds gepleegd door oranje-gezinden. Na 1840 is het aansporen van soldaten tot desertie het gevolg van een tegenovergestelde evolutie. Het leger was georganiseerd en had een vast kader aangenomen. Omwille van de afwezigheid van een buitenlandse bedreiging werden de korpsen afgebouwd en belandden vele militairen zonder inkomsten, waarbij ze anderen gingen aanzetten om naar het buitenland te deserteren. Deze processen werden nooit gevolgd door een effectieve veroordeling. Dit zou enerzijds kunnen te wijten zijn aan de zware bestraffing ervan en anderzijds aan het feit dat de daders steeds geprovoceerd werden door de openbare veiligheid, een middel dat door de publieke opinie sterk werd veroordeeld.

            De aanhang die de verschillende bewegingen hadden verschilde sterk. Sommige politieke misdrijven waren op eigen houtje beraamd, zonder enige medeplichtige. Deze buiten beschouwing gelaten kunnen we stellen dat de orangistische en republikeinse beweging nooit op een grote aanhang konden rekenen, tenzij men niet op de hoogte was van de werkelijke doelstellingen van het gebeuren. De pogingen om Prins Willem op de troon te helpen mislukten omdat er geen wil was van lagere officieren om aan de beweging deel te nemen, noch in 1831 noch in 1841. Bij het gewone volk en de militairen konden de orangisten op geen enkele steun rekenen, wat de slaagkans tot nul herleidde. De aanhang waarop de republikeinse vleugel kon rekenen was niet te wijten aan de republikeinse gezindheid, maar wel aan het patriottische karakter van de verenigingen. Geen enkel bewijs wijst echter in de richting dat deze vleugel een politiek misdrijf trachtte te plegen om een republiek te vestigen. Het protest was steeds patriottisch van karakter, maar werd omwille van de republikeinse gezindheid van de leden sterk geviseerd. In 1848 was er geen enkele band op te merken tussen het protest van ontevreden arbeiders en de republikeinen. De politieke misdrijven hadden geen enkele kans op slagen omdat ze geen beroep konden doen op een grote achterban. Reeds vanaf 1830 was duidelijk dat de bevolking niet gewonnen was voor de orangisten noch voor de republikeinen.

            Het is ook opvallend dat de vervolging van politieke misdrijven steeds plaatsvond in een periode van instabiliteit op internationaal vlak. Aanvankelijk, voor de ondertekening van het vredesverdrag in 1839, was er geen sprake van een stabiele situatie. Men leefde op voet van oorlog met Holland. We zien dat er tot en met 1840 geen enkele veroordeling valt tijdens de politieke processen. Hierbij dient men er rekening mee te houden dat België op internationaal vlak nog steeds niet was erkend als onafhankelijke staat, waardoor het moeilijk was om politieke misdrijven tegen deze staat ook effectief te straffen. Bovendien was de strafmaat op politieke misdrijven zeer zwaar, waardoor de jury vaak afzag van een veroordeling. Hierbij valt het op dat de internationale context de houding ten opzichte van binnenlands protest sterk beïnvloedt. In de periode vóór 1833 was de bedreiging van Hollandse zijde zeer reëel, waardoor de autoriteiten zich genoodzaakt zagen iedere vorm van protest aandachtig te volgen en te vervolgen. Na 1833, het jaar waarin de internationale mogendheden beslisten tot een status-quo ten aanzien van Nederland, werd de toestand op binnenlands vlak heel wat stabieler en zien we minder gevaarlijk proces en ook geen vervolgingen meer. Er was nog steeds geen vrede, maar een dreiging van Holland was veel minder groot. Ten tijde van de aanvaarding van de XXIV artikelen werd de toestand opnieuw heel wat minder stabiel. Men leefde opnieuw op voet van oorlog met Nederland, maar nu stond men veel sterker dan de periode ervoor. Vlak voor en meteen na de aanvaarding van de XXIV artikelen zien we een toename in de vervolgingen op beschuldiging van politieke misdrijven, zonder dat er echter een effectieve veroordeling op volgde. Hier komt verandering in met het proces van de “paniers percés”. Met dit proces wordt een nieuwe fase van vervolgingen ingeluid. In tegenstelling tot de periode tot 1840, wordt hier voor de eerste maal in de geschiedenis van België een veroordeling uitgesproken tijdens een politiek proces.

            Bij de latere processen volgde er steeds een veroordeling. Dit kan worden toegeschreven aan het feit dat België als onafhankelijke staat op internationaal vlak erkenning had gekregen, waardoor iedere vorm van repressie en vervolging van politieke agitatie gerechtvaardigd werd. De organisatie van de staat was voltooid en men leefde in vrede. In tegenstelling tot de periode voordien was er geen enkele mogelijkheid dat België terug zou keren onder Hollands bewind of zou worden omgevormd tot republiek en was iedere agitatie tegen de staat onvergeefelijk. Men trad streng op tegen iedere vorm van politiek tegenstand.

            Wanneer België in 1848 opnieuw bedreigd werd, deze keer vanuit Frankrijk, ging men over tot de vervolging van enkele belangrijke republikeinen. Deze waren door de proclamatie van de republiek in Frankrijk beginnen dromen van een Belgische republiek. Hoewel er geen enkel bewijs was dat de Belgische republikeinen ook effectief hadden meegewerkt aan een tot stand brengen van een Legioen om België binnen te vallen, werden ze door de jury massaal veroordeeld voor een politiek misdrijf. Het jaar daarop is nog treffender wanneer de republikeinen tijdens een banket werden lastig gevallen door ingehuurde lastposten, om nadien vervolgd te worden voor een politiek misdrijf. Zonder enig hard bewijs tegen de republikeinen werden ze opnieuw veroordeeld door de jury. 

            Door de vervolging van een politiek misdrijf liet de staat met andere woorden zien aan zijn tegenstanders dat er geen enkele mogelijkheid was om hun wil in wet om te zetten. Men ging als het ware preventief tewerk. Door de vervolging van politieke misdrijven werd tegenstand monddood gemaakt omdat deze simpelweg niet meer durfde te reageren. Zelfs de liberale vrijheden gegarandeerd door de grondwet boden niet langer een garantie tegen een vervolging, dit in tegenstelling tot tien jaar voordien. Als gevolg hiervan verdwenen politieke tegenstanders van de voorgrond. Door de manier waarop België de republikeinen in 1848 had aangepakt, werd België op internationaal vlak voor het eerst au ernstig genomen. Door de repressie ten aanzien van de republikeinen had de staat bewezen dat het tegen een dergelijke dreiging bestand was. Op die manier werd de staat op internationaal vlak geconsolideerd.

            De vervolging van politieke misdrijven was aanvankelijk een middel om de instabiliteit die er op dat moment heerste de kop in te drukken. Dit was noodzakelijk om de monarchie en de onafhankelijkheid ten opzichte van Holland te behouden. Wanneer België een vaste structuur had aangenomen en erkend werd door de grote mogendheden, evolueerde deze vervolging als een machtsmiddel van de staat om politieke tegenstand de kop in te drukken. De vervolging van politieke misdrijven lijkt vanaf dit moment een middel te zijn om politieke tegenstanders uit te roeien, om zo de staat te bevestigen en de consolidatie van België te bewerkstelligen. Na 1849 is er niet langer een protest vanwege oppositiegroepen. Dit is niet het resultaat van een evolutie waarin de Belgische staat is tegemoet gekomen aan de eisen van deze groepen, maar wel het gevolg van een doorgedreven repressie. Aanvankelijk gebeurde de repressie van politieke misdrijven zeer toevallig en was de staat niet voorbereid op wat komen zou. Maar na verloop van tijd was er niet eens sprake meer van repressie van politieke misdrijven, maar wel van repressie van politieke tegenstand op basis van een geënsceneerde beschuldiging van politieke misdrijven en niet op basis van feiten. Door politieke tegenstand te verwijderen werd de staat op nationaal vlak geconsolideerd.

 

home lijst scripties inhoud  

 

[1]Procès porté devant la Cour d'Assises du Brabant méridional contre L. De Potter, J.-J. Coché-Mommens, E. Vanderstraeten et J.-B. De Nève, accusés d'avoir excité directement à un complot ou attentat ayant pour but de changer ou de détruire le gouvernement du Royaume des Pays-Bas, Bruxelles, 1830, 426 p.

[2]VANDEPUTTE, Het begrip politiek misdrijf in het Belgisch recht, Antwerpen, 1932, p. 52

[3]Ook al wordt er van de rechters verwacht dat ze onpartijdig en onafhankelijk zijn, kan dit niet worden gegarandeerd. Dit wordt duidelijk geïllustreerd door de politieke benoemingen van magistraten in 1830-1832. Zie hiervoor; J.P. NANDRIN, “Les nominations judiciaires en Belgique en 1832. Une entreprise de legitimation d'un jeune Etat indépendant”, in: X. ROUSSEAUX et R. LEVY, Le pénal dans tous ses Etats. Justice, Etats et sociétés en Europe (XIIe-XXe siècles), Bruxelles, 1997, pp. 405-423; J. GILISSEN, “L'Ordre judiciaire en Belgique au début de l'indépendance”, in: Journal des tribunaux, 102, 1983, pp. 565-574

[4]Zie hiervoor: “Délits politiques”, in: RPDB, tome III, kol. 572-579; E. PICARD en N. D'HOFFSCHMIDT,  “Délit politique”, in: Pandectes belges, Bruxelles, Larcier, tome 29, kol. 351-390

[5]P. PAPADATOS, Le délit politique. Contribution à l’étude des crimes contre l’état, 1955, Genève, 204 p.; R. VANDEPUTTE, Het begrip politiek misdrijf in het Belgisch recht, Antwerpen, 1932, 189 p.

[6]G. DENECKERE, Sire, het volk mort, sociaal protest in België, Gent, AMSAB, 1997, 415 p.

[7]   A. VERMEERSCH en H. WOUTERS , Bijdragen tot de geschiedenis van de Belgische pers, Leuven-Parijs, 1958 (Interuniversitair Centrum voor Hedendaagse Geschiedenis, Bijdragen 4); L. BUYSSE, De persprocessen van de orangistische krant “ Le Messager de Gand”, 1830-1856, Gent, R.U.G. (onuitgegeven lic.verhandeling), 1968 (sectie pers- en communicatiewetenschappen)

[8]  S. STEYLEMANS, Risquons-tout: het proces van het republicanisme. Politieke processen voor de assisenhoven van Antwerpen en Brabant 1848-1849, Leuven, KUL, onuitgegeven licentieverhandeling (geschiedenis), 1988

[9]CHAVAUD (F.), “La magistrature du parquet et la diabolisation du politique 1830-1870”, in: Droit et Société, 34, 1996, pp. 541-556

[10]S. EVRARD, L'activité de la cour d'Assises de Namur (1833-1880), Louvain-La-Neuve, UCL (mémoire de licence d'histoire inédit), 1995

[11]J. MAQUET, Les arrêts de la Cour d'Assises de Liège (1825-1835). Étude historique, pénologique et statistique, Liège, ULG (travail de fin d'études en criminologie), 1997

[12]Zie hiervoor: E. WITTE,“De Belgische radicalen: brugfiguren in de democratische beweging (1830-1847)”, in: Tijdschrift voor geschiedenis, 1977, 90, pp. 11-45; C. DE MULDER, De republikeinse beweging in de periode 1830-1831, haar leiders, haar verenigingen (onuitgegeven lic.verhandeling), Gent, Rijksuniversiteit Gent, 1970

[13]G. FOUTRÉ, Een onderzoek naar de werking van het Belgische politionele apparaat 1830-1848, Gent, Rijksuniversiteit Gent (onuitgegeven lic.verhandeling geschiedenis), 1985, 278 p.; L. KEUNINGS, Histoire de la police à Bruxelles (1831-1914), Bruxelles, ULB (mémoire de licence en histoire, inédit), 1980;         L. VAN OUTRIVE, Y. CARTUYVELS en P. PONSAERS, Sire, ik ben ongerust. Geschiedenis van de Belgische politie 1794-1991, Leuven, Kritak, 1992, 367 p.

[14]Voor een gedetailleerde analyse van de juryrechtspraak: S. HEYVAERT, Twelve men good and true? Een doorlichting van de juryrechtspraak van Brabant tussen 1830-1850, Leuven, KUL (onuitgegeven licentieverhandeling geschiedenis), 1988; E. ROGIERS, De juryrechtspraak in de Provincie Brabant in de periode 1880-1900, Leuven, KUL (onuitgegeven lic.verhandeling), 1985

[15]L. DE POTTER, Procès porté devant la Cour d'Assises du Brabant méridional contre L. De Potter, J.-J. Coché-Mommens, E. Vanderstraeten et J.-B. De Nève, accusés d'avoir excité directement à un complot ou attentat ayant pour but de changer ou de détruire le gouvernement du Royaume des Pays-Bas, Bruxelles, 1830, 426 p.; A.BOLAND, Le procès de la Révolution belge: Adolphe Bartels 1802-1862. Namur, Presses universitaires de Namur, 1977, 316 p.

[16]ROTTHIER (I.), Nadere toegang tot het archief van het Hof van Assisen te Antwerpen (1811-1939) en rechtsvoorgangers (1795-1811), Brussel, Algemeen Rijksarchief, 2002, 2 vols.

[17]BOUMANS (R.), Inventaire des archives de la Cour d'Assises du Brabant: août 1832-1915, Bruxelles, Archives générales du royaume, 2001, 20 p.; COSEMANS (A.), Inventaire des archives des tribunaux criminels du Département de la Dyle et de la Cour d'Assises du Brabant: dossiers n° 1931-2369 (An III-1923), Bruxelles, Archives générales du royaume, 2001, 97 p.

[18] A. BOLAND, Le procès de la Révolution belge: Adolphe Bartels 1802-1862, Namur, 1977

[19]E. LAMBERTS, “België sinds 1830”, in: J.C.H. BLOM, E. LAMBERTS eds., Geschiedenis van de Nederlanden, Baarn, HBuitgevers, 2001, p. 257; E. WITTE,  “De Belgische radicalen: brugfiguren in de democratische beweging (1830-1847)”, in: Tijdschrift voor geschiedenis, 1970, pp. 13-16

[20]K. VELLE, X. ROUSSEAUX en HEIRBAUT, Politieke en sociale geschiedenis van justitie in België, Gent, 2003, pp. 210-211

[21]J. DE MAEYER en P. HEYRMAN, Geuren en kleuren, een economische en sociale geschiedenis van Vlaams-Vlaams-Brabant in de 19de  en 20ste eeuw, Leuven, 2001, p. 46; PRIMS, “De Antwerpse groothandel in 1830”, in: Bijdragen tot de geschiedenis, XX, 1929, p. 239

[22]H. PIRENNE, Geschiedenis van België, dl. IV, p. 15

[23]C. NIELLON, Histoire des événements militaires et des conspirations orangistes de la révolution en Belgique de 1830 à 1833.,  Bruxelles, 1868, pp. 128-129

[24]Ibid., p. 125-127,p. 166

[25]J. STENGERS, “Sentiment nationale, sentiment orangiste et sentiment français à l'aube de notre indépendance”, in: revue belge de philologie et d'histoire, 1950, XXVIII, pp. 999-1002

[26]A. EENENS, Les conspirations militaires de 1831, Bruxelles, 1875, tome I, p. 46

[27]H. PIRENNE, op.cit., p. 16

[28]R. JESPERS, De publieke opinie te Antwerpen tijdens de Belgische Omwenteling (juli 1830-juli 1831), Gent, RUG, 1971 (onuitgeg. Lic.verh.), pp. 108-112

[29]A. EENENS, op.cit., pp. 31-37

[30]Zo zegt hij in een proclamatie de dag nadat hij aankwam te Antwerpen: “En vous quittant, nous avons porté au pied du trône le voeu par beaucoup d'entre vous pour une séparation entre les deux parties du royaume, qui néanmoins resteraient soumises au même sceptre. Ce voeu a été acqueilli.”

[31]R. LIS, “Revolte en repressie. De omwentelingsjaren 1830-31 te Antwerpen”, in: BTNG,III, 1972, 3-4, p.342

[32]A. EENENS, op.cit., pp. 53-54; M.J. VAN DER VOORT, Gebeurtenissen van Antwerpen sedert 1830 tot den eersten september 1833, onderbegrepen het beleg van het kasteel, Antwerpen, 1833, p. 23

[33]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1663, Brief van Plissart op 19 september 1831

[34]A. EENENS, op.cit., p. 74

[35]In het Frans: bons de syndicat

[36]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1663, brief van Plissart op 19 september 1931

[37]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1663, Brief aan Van Caseele, s.d.

[38]Na zijn vertrek stegen de vijandigheden ten top. Belgische troepen uit Brussel omsingelden Antwerpen reeds vanaf 21 oktober onder leiding van Van den Herreweghe. Ze ondernamen vanaf  25 oktober verschillende pogingen om het kasteel in te palmen en de Hollandse militairen te dwingen het kasteel te verlaten. Vanaf 27 oktober heeft het Belgisch leger de overhand in de stad. Om de situatie vooralsnog  in hun voordeel te laten verlopen, beslissen de Hollanders tot een bombardement van Antwerpen.. R. JESPERS, op.cit., pp. 178-179; R. LIS, “De omwentelingsjaren...”, op.cit., p. 343; F. PRIMS, “Van den Herreweghe en de inname van Antwerpen in 1830”, in: Bijdragen tot de geschiedenis, XX, 1929, p. 331-333

[39]J. STENGERS, «sentiment nationale...», op.cit., p. 1003

[40]Dit bleek de naam te zijn van een familielid

[41]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1663, ondervraging van een anonieme getuige, 18 april 1831

[42]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1663, ondervraging Plissart op  25 mei 1831

[43]RABE, Assisenhof Antwerpen, 1663, Ondervraging Isidore Plaisant, 23 juni 1831; Ondervraging Theodore Emmanuel Barbieux, 24 juni 1831

[44]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1663, Brief van de overheid met inlichtingen over Plissart, s.d.

[45]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1663, brief aan prins Frederic van Oranje, Breda, 5 januari 1831

[46]Volgens zijn eigen verklaring, Plaisant legde maar éénmaal een verklaring af, die bovendien zeer vaag was.

[47]In zijn verklaringen zei hij dat hij tweemaal contact had gezocht met de politiecommisaris om hem hierover in te lichten, maar hem niet kon bereiken.

[48]L. VAN OUTRIVE, Y CARTUYVELS en P. PONSAERS, Sire, ik ben ongerust. Geschiedenis van de Belgische politie 1794-1991, Leuven, Kritak, 1992, p. 53-54

[49]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1663, brief van de provinciegouverneur, s.d.

[50]L'Indépendant, 22 april 1831, p.3 k.1

[51] RABE., Assisenhof Antwerpen, 1663, Brief aan de militaire auditeur van Antwerpen, 2 augustus 1831

[52]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1663, Brief aan de heer Verheyen, substituut procureur van de regering te Antwerpen, s.d.

[53]  RABE., Assisenhof Antwerpen, 652: zittingsbladen; L'Indépendant n° 314, 16 december 1831

[54]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1663, Lijst van juryleden

[55]R. JESPERS, op.cit., p. 111

[56]H. PIRENNE, op.cit., p. 15

[57]L. LECONTE, Les éphémères de la révolution de 1830, Bruxelles, Editions Universitaires, 1945, p. 32

[58]Ibid., p. 29

[59]C. DE BAVAY, La révolution belge de 1830, Bruxelles,Bruylant-Christophe et Cie, 1873, p. 233

[60]L'Indépendant, dimanche 6 février 1831, p. 3, kol.1

[61]L. LECONTE, Les éphémères..., p. 32

[62]Ibid., p. 34; L'Indépendant, dimanche 6 février 1831, p. 3, kol.1

[63]A. EENENS, op.cit., p. 152; L. LECONTE, Les éphémères..., p. 33

[64]L'Indépendant, verslag van de eerste zitting, 3 juni 1831, verklaring van de burgemeester van Eeklo Charles De Stroo

[65]L'Indépendant, derde zitting, 6 juni 1831, verklaringen van adjudant onderofficier Van Romme en luitenant Rijbroeck

[66]Later zal echter blijken dat deze generaal op de hoogte was van het complot

[67]L'Indépendant, verslag van de tweede zitting, 4 juni 1831, verklaring generaal Duvivier

[68]DE BAVAY, op.cit., pp. 233-234. Dit betreft een stuk uit het dossier van Grégoire, dat nu vermist is.

[69]de Wautier zal nadien door de kranten worden beschuldigd van meewerking aan de beweging, dat hij zich onbekommerd liet in de hele affaire, en niets had ondernomen. De orangisten gebruikten de Wautier als zwarte schaap. Doordat hij naar de troepen was gezonden door zijn chef Duvivier, wordt hij er door de pers van beschuldigd om Grégoire en zijn troepen te hebben binnengeleid in Gent. (A. EENENS, op.cit., p. 167)

[70]A. EENENS, op.cit., pp. 156-159; L'Indépendant, tweede zitting 5 juni, verklaring generaal de Wautier;        L. LECONTE, Les éphémères..., p. 33;

[71]D. DESTANBERG, Gent sedert 1831. Voornaamste gebeurtenissen. Eerste reeks 1831-1840, Gent, 1903; EENENS, op.cit., pp.170-171

[72]L'Indépendant, verslag van de tweede zitting, 4 juni, Verklaring Raman, bevelvoerder van de post van de Brugse poort; verklaring manschappen Gelyse en Lemmens

[73]L'Indépendant, verslag tweede zitting, 4 juni, Verklaring Gelyse; DE BAVAY, op.cit., p. 234

[74]L. LECONTE, Les éphémères..., p. 34

[75]L. LECONTE, “Une conspiration patriotique en  1831. Le général vicomte Le Hardy de Beaulieu”, in: Carnet de la Fourragère, 1931, III, pp. 282

[76]A. EENENS, op.cit., pp. 160-162

[77]L'Indépendant, verslag van de tweede zitting, 5 juni, Verklaring Ramon

[78]Hij vernam dit van een professor van de universiteit en van een brandweerman die was kunnen ontsnappen.

      L. LECONTE, Les éphémères..., p. 34

[79]A. EENENS,op.cit., p. 181-182; L. LECONTE, Les éphémères..., p. 34

[80]A. EENENS, op.cit., p. 174;L'Indépendant, verslag van de tweede en derde zitting 4 en 5 juni, verklaringen Felix Bayet en  baron de Lamberts,

[81]L. LECONTE, Les éphémères..., p. 35

[82]D.DESTANBERG, op.cit., p. 13: zeven vrijwilligers van Grégoire dood, velen gewond; Le Messager de Gand, 4 februari 1831, p. 1 k.2 twaalf vrijwilligers dood, vele gewonden.

[83]Le Messager de Gand, 5 februari 1831, p.1 kol.2

[84]C. NIELLON, op.cit., p. 156-157

[85]Le Courrier, zaterdag 5 februari, p. 3, kol.2; LECONTE, Les éphémères..., p. 35

[86]D. DESTANBERG, op.cit., p. 13; L'Indépendant, verslag van de tweede zitting, 5 juni, verklaring Van de Poele

[87]L'Indépendant, verslag van de tweede zitting, 4 juni, verklaring van Mast

[88]L'Indépendant, zondag 6 februari 1831,p. 2-3, kol. 3, kol.1; C. NIELLON, op.cit., p. 155

[89]A. EENENS, op.cit., 169; D. DESTANBERG, op.cit., pp. 13-14

[90]DE BAVAY, op.cit.,p. 230-231

[91]A. EENENS, op.cit., p. 184

[92]ARAB., Assisenhof Brabant, 388, arrestboek, 5 maart 1832

[93]Ook Plissart maakte in zijn ondervragingen en brieven gebruik van dit argument.

[94]L'Indépendant, verslag van de vierde zitting, 7 juni, pleidooi advocaat De Pauw

[95]L'Indépendant, verslag van de vijfde zitting, 8 juni, pleidooi advocaat Rolin

[96]L'Indépendant, verslag van de vijfde zitting, 8 juni, pleidooi advocaat Jottrand

[97]L'Indépendant, verslag van de vijfde en zesde zitting, 8 en 9 juni, advocaat-generaal De Bavay

[98]L'Indépendant, verslag van de achtste zitting, 11 juni, uitspraak van de jury; D. DESTANBERG, op.cit., p. 31

[99]RAH, Cour d'Assises Hainaut, procesrollen, 16 september 1831; L'Indépendant, mardi 20 septembre 1831, n° 227

[100]D. DESTANBERG, op.cit., p. 43 en 45

[101]L. LECONTE, Les éphémères..., p. 35

[102]ARAB, Assisenhof Brabant, 388, arrestboek, 5 maart 1832; L'Indépendant, 7 maart 1832

[103]C. NIELLON, op.cit., p. 157, p.167

[104]A. BARTELS, Les Flandres et la revolution belge, Bruxelles, Imprimerie J. De Wallens, 1834, p. 485;        L. LECONTE, “Une conspiration patriotique en 1831. Le général vicomte Le Hardy de Beaulieu”, in: Carnet de la Fourragère, 1931, III, pp. 271-272; R. JESPERS, op.cit., p. 248

[105]C. NIELLON, op.cit., p.155

[106]Ibid., pp. 160-161

[107]DE BAVAY, op.cit., pp. 236-240; BARTELS, op.cit., p. 577 e.v.

[108]Zie hiervoor: C. NIELLON, op.cit., pp. 169-170; L. LECONTE, Les éphémères..., pp. 163-166; A. EENENS, op.cit.,187 e.v.

[109]R. JESPERS, op.cit., p. 133

[110]L. LECONTE, “Une conspiration patriotique en 1831...”, op.cit., p.285

[111]M.J. VAN DER VOORT, op.cit., pp. 56-57

[112]R. JESPERS, op.cit., p. 221

[113]G. DENECKERE, “Anti-orangistische plunderingen als purificatieriten”, in: Handelingen. Koninklijke Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis, XLVIII, 1994,  pp. 69-86 ; F. JUDO, «De lange aanloop naar de aprilrellen van 1834. Een bijdrage tot de geschiedenis van het orangisme te Brussel.», In:BTNG, XXVI, 1996, 1-2, pp. 85-103; R. JESPERS, op.cit., p. 235; R.  LIS, “Revolte en repressie...”, op.cit., pp. 355-358

[114]JESPERS, op.cit., p. 179

[115]H. PIRENNE, op.cit., p. 21; C. DE MULDER, de republikeinse beweging in de periode 1830-1831, haar leiders, haar verenigingen, Gent, 1970, p. 74

[116]E. WITTE, “De Belgische radicalen: brugfiguren in de democratische beweging (1830-1847)”, in: Tijdschrift voor geschiedenis, 1977, 90, pp. 11-45; Procès porté devant la cour d'assises de Brabant meriodonal contre L.De Potter, F. Tielemans, A. Bartels, J.J. Coché Mommens, E. Vanderstraeten (...)contenant la correspondance, leurs interogations, Bruxelles, 1830

[117]C. DE MULDER, op.cit., p. 56

[118]L. BERTRAND, Histoire du démocratie et du socialisme,Bruxelles, Dechenne & C°,1907, dl. 1, p. 35;       W. THIBAUT, Les républicains belges (1787-1914), Bruxelles, La Renaissance du livre, 1961, pp. 50-53

[119]C. DE MULDER, op.cit., p. 45-47

[120]Ibid., p. 73

[121]A. BARTELS, op.cit., p. 485

[122]ARAB, Assisenhof Brabant, 621, Deelnemingsformulier van de Association Nationale Belge

[123]C. DE MULDER, op.cit., p.77; E. WITTE, “De Belgische radicalen...”, op.cit., p. 17

[124]WOUTERS, Documenten in verband met de geschiedenis der Arbeidersbeweging. Deel I: 1831-1853, Leuven-Parijs, 1963, pp. 14-16

[125]P. VERHAEGEN, “Les soulèvements de Grammont et de Gand en juillet 1831”, in: Revue Générale, 1934, p. 52

[126]ARAB., Assisenhof Brabant, 621, dagorde n° 9, 25 juni 1831

[127]ARAB., Assisenhof Brabant , 621, dagorde n° 11, 30 juni 1831

[128]ARAB., Assisenhof Brabant, 617, verklaring D'Armagnac, 6 juli 1831

[129] L'Emancipation, 7 juli 1831, p.2 k.2; A. BARTELS, op. Cit., p. 523; L. LECONTE, Les éphémères..., p. 280

[130]J. LIAGRE, “Le Hardy de Beaulieu”, in: Biographie Nationale, Bruxelles, Bruylant-Christophe et Cie, 1890-1891, tome 11; L. LECONTE, Les éphémères..., pp. 282-299; L. LECONTE, “Une Conspiration Patriotique de 1831...”, op.cit., pp. 276-287

[131]L. LECONTE, “Une Conspiration Patriotique de 1831...”, op.cit., p. 293-294

[132]P. VERHAEGEN, “Les soulèvements...', op.cit., p. 57

[133]L. LECONTE,“Une Conspiration Patriotique de 1831...”, op.cit.,p. 295; W. THIBAUT, Les républicains belges (1787-1914), Bruxelles, 1961, pp. 65-66

[134]ARAB, Assisenhof Brabant, 617, ondervraging D'Armagnac, 6 juli 1831

[135]ARAB., Assisenhof  Brabant, 617, ondervraging koetsier Claessens, 12 juli 1831

[136]ARAB., Assisenhof Brabant, 621, ondervraging Byl op 9 juli; dit wordt tijdens het proces door d'Armagnac ontkend.

[137]ARAB., Assisenhof Brabant, 621, verklaringen van verschillende leden van de burgerwacht; L. LECONTE, “Une conspiration patriotique en 1831...”, op.cit.,p. 274 en p. 297

[138]Deze munitie werd door Anssens  uit Gent besteld in Boom. Hij moest deze naar Laken transporteren. Deze persoon is het  bewijs van een verband tussen de gebeurtenissen te Gent en te Geraardsbergen. Hij was door De Souter naar Boom gestuurd met een briefje van De Coster : ARAB., Assisenhof Brabant, 621, verklaring Anssens, 6 juli 1831

[139]P. VERHAEGEN, “Les soulèvements...” in: op.cit., p. 59.

[140]ARAB. Assisenhof Brabant, 617, ondervraging  Byl, 9 juli 1831; onvervraging Van Cazeele, 10 juli 1831; ondervraging Van  Cleemputte, 10 juli 1831

[141]P. VERHAEGEN, “Les soulèvements...”, op.cit., p. 60; L. LECONTE, “Une conspiration patriotique en 1831...”, op.cit.,p. 298

[142]ARAB., Assisenhof Brabant, 621, verklaringen van verschillende leden van de burgerwacht;            P. VERHAEGEN, “Les soulèvements...”, op.cit., p. 61

[143]L. LECONTE, “Une conspiration patriotique en 1831...”, op.cit.,p. 299

[144]ARAB., Assisenhof Brabant, 617, Ondervraging Byl, 9 juli 1831; 621, ondervraging  De Botte, s.d.

[145]R. VANDEPUTTE, Het begrip politiek misdrijf in het Belgisch recht, Antwerpen, 1932, p. 53

[146]L'indépendant, 8 juli 1831, p.1 k.3

[147]ARAB., Assisenhof Brabant, 621, Brief van de rechter van instructie van Dendermonde, s.d.

[148]ARAB., Assisenhof Brabant, 621, document zonder hoofding

[149]ARAB., Assisenhof Brabant, 621, beschuldigingsakte 10 september 1831

[150]L'Indépendant, 29 oktober 1831, zitting van 27 oktober, verklaring Le Hardi de Beaulieu

[151]L'Indépendant, 29 oktober 1831, zitting van 27 oktober, verklaring Lejeune

[152]L'Indépendant, 29 oktober 1831, zitting van 27 oktober, verklaring Antheunis en d'Armagnac

[153] L'Indépendant, 30 oktober 1831

[154]ARAB., Assisenhof Brabant, 617, ondervraging D'Armagnac, 6 juli 1831

[155]ARAB., Assisenhof Brabant, 621, brief zonder hoofding;  P. VERHAEGEN, “Les soulèvements...”, op.cit., p. 67

[156]A. BARTELS, op.cit., p. 523-524

[157]D. DESTANBERG, op.cit., p. 13-14

[158]C. DE MULDER, op.cit., pp. 94-95

[159]D. DESTANBERG, op.cit., p. 29

[160]L'Indépendant, 6 juli 1831, p.1 k.2

[161] C. DE MULDER, op.cit., p. 107

[162]A. BARTELS, op.cit., p. 524

[163]L'Indépendant, 6 juli 1831, p.1 k. 2

[164]C. DE MULDER, op.cit., p. 108

[165]Le Messager de Gand, 7 juli 1831, p.1 kol.1; L'indépendant, 6 juli 1831, p.1 k.2

[166]L'Indépendant, 7 juli 1831, p.4 k.2

[167]L'Indépendant, 3 november 1831, zitting  van 31 oktober, verklaring Charlot, cabaretier van La Rhetorique

[168]Le Messager de Gand, 7 juli 1831, p.1 kol.1; D. DESTANBERG, op.cit., pp. 32-33

[169]L'Indépendant, 3 november 1831, zitting  31 oktober 1831, Ondervraging Lejeune, secretaris van de veiligheidscommissie

[170]ARAB., Assisenhof Brabant,  617, verklaring Anssens, 6 juli 1831. Hij neemt echter tijdens de rechtzaak terug dat hij door De Souter werd gestuurd. Zegt dat hij alles heeft gedaan op bevel van De Coster (L'Indépendant, 2 novembre 1831, n° 270, zitting van 30 oktober 1831)

[171]ARAB., Assisenhof Brabant, 617, verklaring Anssens, 6 juli 1831

[172]L'Emancipation, 8 juli 1831, p.2 kol. 1

[173] De ene bron zegt dat de troep werd toegesproken door zowel Anssens, de kapitein-adjudant  van de burgerwacht als door  De Souter, vice-voorzitter van de veiligheidscommissie (Messager de Gand, 10 juli 1831, p.1 kol.1). Tijdens het proces tegen De Coster zegt men dat hij de aanvoerder was. (L'Indépendant, 16 juni, zitting van 14 juni 1832) verklaring generaal De Wauthier; verklaring luitenant majoor Boon). Andere bronnen doen hier geen uitspraak over.

[174]Le Messager de Gand, 10 juli 1831, p.1 kol.1

[175]D. DESTANBERG, op.cit., pp.32-33; Le Messager de Gand, 7 juli 1831 en 10 juli 1831

[176]Le Messager de Gand, 10 juli 1831, p.1 kol.1

[177]Le Messager de Gand, 10 juli 1831, p.1 kol.2

[178]L'Indépendant,10 juli 1831, p.1 kol.1

[179]D. DESTANBERG, op.cit., pp. 34; SAG, politiearchieven, Reeks R, dagelijkse gebeurtenissen, 8 juli 1831

[180]D. DESTANBERG, op.cit., pp. 34

[181] L'Emancipation, 18 september 1831, p.2 kol.1

[182]A. BARTELS, op.cit., p. 524

[183]L'Indépendant, 2 november 1831, zitting van 30 oktober 1831, verklaring Vandepoele

[184]D. DESTANBERG, op.cit. pp. 47-48; L'Indépendant, 3 november 1831, zitting van 1 november 1831

[185]L'Indépendant, 16 juni 1832, zitting van 14 juni 1832

[186] SAG, politiearchieven, Reeks R, dagelijkse gebeurtenissen, 8 juli 1831

[187]P. VERHAEGEN, “Les soulèvements...”, op.cit., p. 63

[188] A. BARTELS, op.cit., pp. 525-527

[189] Zie hiervoor  E. WITTE , “De Belgische radicalen...”, op.cit., pp. 17-18

[190]H. PIRENNE, op.cit., p. 27

[191]Voor een gedetailleerde beschrijving van de tiendaagse veldtocht: C. NIELLON, op.cit. ; J.-J. THONISSEN, La Belgique sous le règne de Léopold Iier, Liège, Imprimerie de J.-G. Lardinois, 1855, tome I, pp. 13- 95

[192]E. WITTE, J. CRAEYBECKX en A. MEYNEN, Politieke geschiedenis van België van 1830 tot heden, Brussel, VUBpress, 1997, p. 27-28; L. BERTRAND, op.cit., pp. 56-60; De geschiedenis van het Belgische leger, Brussel, 1982, dl. I, p. 90

[193]H. PIRENNE, op.cit., p. 31

[194]C. BRONNE, “Belgique en 1840. L'armée et la fin de l'orangisme”, in: Le Flambeau, Bruxelles, 1956, 39, n° 6, p. 740-741; Geschiedenis van het Belgische leger, op.cit., p. 90

[195]P. LEBROCQUY, Les Souvenirs d'un ex-journaliste, Bruxelles, 1842, pp. 46-47

[196]C. DE BAVAY, op.cit., p. 302

[197]R. JESPERS, op.cit., p. 113; J.-J. THONISSEN, op.cit., tome II, p. 72; P. LEBROCQUY, op.cit., p. 44

[198]LEBROCQUY, op.cit.,p. 46

[199]G. DENECKERE, “Anti-orangistische plunderingen...”, op.cit., p. 77

[200]E. WITTE, Politieke machtsstrijd in en om de voornaamste Belgische steden, 1830-1848, Pro Civitate Historische Uitgaven, reeks in-8°, 1973, p. 106; G. DENECKERE, “Anti-orangistische plunderingen...”, op.cit., p. 76

[201]L. VAN OUTRIVE, Y. CARTUYVELS en P. PONSAERS, op.cit., Brussel, 1992, p. 53

[202]C. DE BAVAY, op.cit., p. 316; P. LEBROCQUY, op.cit., p. 64

[203]Journal du Commerce, 9 et 10 januari 1832, p. 2 kol. 1

[204]Vlugschrift van de hand van Cleerens, Breda, 1 december 1831

[205]Journal du Commerce, 18 januari 1832, p. 1, kol. 2

[206]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1686, Ondervraging Emile Delrue, 18 januari 1832

[207]Journal du Commerce, 4 maart 1832, p.1 k. 1

[208]RABE, Assisenhof Antwerpen, 1686, Ondervraging Delrue 5 maart 1832

[209]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1686, requisitoir van het Openbare Ministerie op 12 maart 1832

[210] RABE., Assisenhof Antwerpen, 1686, arrest van de Raadkamer op 12 maart 1832

[211]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1686, Arrest van de Kamer van Inbeschuldigingsstelling op 26 maart 1832

[212]L'indépendant, 30 maart 1832???; Journal d'Anvers et de la province, 30 maart 1832, p.2 k. 1

[213]Journal d'Anvers et de la province, 30 maart 1832, p.2 k. 1

[214]In de krant van 25 mei, waar men de vrijspraak van Delrue nader toelicht, verklaarde men dat het ging om de krant L'indépendant, die hiervoor niet werd vervolgd. Journal d'Anvers et de la province, 25 mei 1832, p.3 k. 1-2

[215]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1686, Verklaring Delrue van 7 april 1832

[216]RABE., Assisenhof Antwerpen, 671, arrestboek, 23 mei 1832; Journal d'Anvers et de la province, 25 mei 1832, p.3 k. 1

[217]De aankondiging van Cleerens  was ook te vinden  in de Gazette van Gend (volgens Journal d'Anvers et de la province was dit ook te vinden in L'Indépendant). De vermelding over de goede opvang van Belgische deserteurs  werd ook opgenomen in Journal de l'industrie, n° 14 van maandag 16 en dinsdag 17 januari 1832. Het artikel waarin werd vermeld dat men in Holland een vreemdelingenlegioen  zou opstarten was ook gepubliceerd in Le constitutionnel, journal du commerce, politique et littéraire, n° 61 van 1 maart 1832 (RABE., Assisenhof Antwerpen, 1686).

[218]G. DENECKERE, Sire, het volk mort. Collectieve actie in de sociale geschiedenis van de Belgische staat, 1831-1940, Gent, Universiteit Gent (doctoraalsproefschrift) dl. 1 p. 29

[219]L'Indépendant , 25 mei 1832, p.3 k.2

[220]Zie: JUDO (F.), «De lange aanloop naar de aprilrellen van 1834. Een bijdrage tot de geschiedenis van het orangisme te Brussel.», In: Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis. XXVI, 1996, 1-2, pp. 85-103

[221]E. WITTE,“Politieke leven 1830-1914”, in: STENGERS, Brussel, de groei van een hoofdstad, Antwerpen, 1979, p. 189

[222]ARAB., Assisenhof Brabant, 687, Ondervraging Rosalie Van Damme 29 april 1833; ondervraging maarschalk Louis Blancke, 30 april 1833; Ondervraging François Bernard Fermond, 1 mei 1833

[223]ARAB., Assisenhof Brabant, 687, Ondervraging Michel Joseph Charlier, ondervraging Genin 1 mei 1833. Dit wordt bevestigd door de dienstmeid van Van Aelst die het had vernomen van Van Aelsts vrouw,  Ondervraging Rosalie Van Damme 29 april 1833; het werd opgenomen in een brief van de Administrateur van de Openbare Veiligheid aan de Procureur des Konings, 17 april 1833

[224]ARAB., Assisenhof Brabant, 687, Ondervraging Jan Jenkens, 19 april 1833; ondervraging getuige Lambert Van Meerbeeck, 23 april

[225]L'Émancipation, 1 augustus 1833, p.3 k.2

[226]ARAB., Assisenhof Brabant, 687, ondervraging Nicolas Willems, 19 april 1833

[227]ARAB., Assisenhof Brabant, 687, ondervraging brigadier Christiaan Janssens, 19 april 1833; ondervraging Nicolas Willems, 19 april 1833; Ondervraging Jan Jenkens, 19 april 1833

[228]ARAB., Assisenhof Brabant, 687, ondervraging Jan Jenkens, 19 april 1833; De adjudant majoor van de rijkswacht blijkt Nicolas Ruess te zijn. Deze zei dat hij Van Aelst reeds lange tijd kende,  maar hem nog nooit had horen spreken over het aanzetten van soldaten tot desertie.

[229]ARAB., Assisenhof Brabant, 687, Ondervraging Matheus Martens, 19 april 1833

[230]ARAB., Assisenhof Brabant, 687, congé-renvoi van Vandepoel, 15 januari 1833

[231]Deze feiten worden door de vier militairen bevestigd.

[232]ARAB., Assisenhof Brabant, 687, Ondervraging Nicolas Willems, 19 april 1833

[233]ARAB., Assisenhof Brabant, 687, brief van de procureur des Konings aan de rechter, 18 april 1833

[234]ARAB., Assisenhof Brabant, 687, ondervragingen Jenkens, Janssens, Martens, 19 april 1833

[235]Deze documenten waren een ontslagbrief aan het adres van Vandepoel en een vaststelling dat deze nog had gediend in een vrijkorps.

[236] ARAB., Assisenhof Brabant, 687, verklaring Joseph Coenen, 20 april 1833; Brief van de Administrateur van de openbare veiligheid aan de procureur des Konings, 17 april 1833

[237]ARAB., Assisenhof Brabant, 687, Brief van de Administrateur van de openbare veiligheid aan de procureur des Konings, 17 april 1833

[238]ARAB., Assisenhof Brabant, 687, Ondervraging Van Aelst, 18 april en 24 april 1833

[239]ARAB., Assisenhof Brabant, 687, ondervraging Jean Chrétien Michaëlis, 26 april 1833; ondervraging Rosalie Van Damme, 29 april 1833; ondervraging François Bernard Fermond, 1 mei 1833

[240]A. CHAVEAU et F. HELIÉ, Théorie du code pénal, Paris, 1887-1908, tome 2, 6e édition, p. 47

[241]ARAB., Assisenhof Brabant, 687, brief van Van Aelst, Vandepoel en advocaten Keymolen en Fontainas, 6 juli 1833

[242]L'Indépendant, 31 juli 1833, p.2 k.3 & p. 3 k.1; L'Emancipation, 31 juli 1833, p. 3 k. 1-2

[243]L. KEUNINGS, “De geheime politie en politieke politie in België van 1830 tot 1914”, in: Panopticon, 1988, 9, n° 2, p. 133; L. VAN OUTRIVE, Y. CARTUYVELS en P. PONSAERS, op.cit., p. 54

[244]L'Emancipation, 1 augustus 1833, p. 3 k. 2

[245]J.-H. PIRENNE, L'Europe  et l'indépendance Belge ou le triomphe du parlementarisme en Occident 1830-1839 , Nivelles, Ed. Memo codec, 1990, pp. 303-305

[246]P. LEBROCQUY, op.cit.,p. 68

[247]J.-J. THONISSEN, op.cit., p. 71; G. DENECKERE, Sire, het volk mort..., p. 32

[248]G. DENECKERE, Sire, het volk mort. Collectieve actie in de sociale geschiedenis van de Belgische staat, 1831-1940, Gent, Universiteit Gent (doctoraalsproefschrift) dl. 1, pp. 47-48

[249]C. CARPENTIER en F. MOSER, De staatsveiligheid. Geschiedenis van een destabilisatie, Leuven, Kritak, 1994, p. 26

[250]Voor een inzicht in deze materie zie: G. FOUTRÉ, Een onderzoek naar de werking van het Belgische politionele apparaat 1830-1848, Gent, R.U.G. (onuitgegeven licentiaatsverhandeling geschiedenis), 1985

[251]Zie hiervoor: L. BUYSSE, De persprocessen van de orangistische krant “ Le Messager de Gand”, 1830-1856, Gent, R.U.G. (onuitgegeven lic.verhandeling), 1968

[252]Zie hiervoor: E. WITTE, Politieke machtsstrijd..., pp. 83-132

[253]Ibid., p. 131

[254]J.-J. THONISSEN, op.cit., p. 74

[255]E. WITTE, “De Belgische radicalen...”, op.cit., p. 20

[256]G. FOUTRÉ, op.cit., p. 181-182

[257]Ibid., p. 177

[258]Zie hiervoor: E. WITTE, “De Belgische radicalen...”, op.cit., pp. 20-22; H. WOUTERS, “De Belgische radicale pers”, in: A. VERMEERSCH en H. WOUTERS, Bijdragen tot de geschiedenis van de Belgische pers, 1830-1848, Leuven-Parijs, 1958

[259]E. WITTE, “De Belgische radicalen...”, op.cit., p. 23-25

[260]P. LEBROCQUY,op.cit., p. 49

[261]E. WITTE, Politieke machtsstrijd...,p. 118

[262]Uit een studie van de uitspraken van de jury blijkt dat de jury zeer zwaar oordeelt inzake vermogensdelicten, maar in andere zaken niet:  S. HEYVAERT, Twelve men good and true? Een doorlichting van de juryrechtspraak van Brabant tussen 1830-1850, Leuven, KUL (onuitgegeven licentieverhandeling geschiedenis), 1988, p. 167

[263]J. STENGERS en E. GUBIN, Le grand Siècle de la nationalité belge: histoire du sentiment national en Belgique des origines à 1918, Bruxelles, Racine, 2002, p. 28

[264]E. WITTE, J. CRAEYBECKX en A. MEYNEN,op.cit., p. 29; J.H. PIRENNE, L'Europe  et l'indépendance Belge ou le triomphe du parlementarisme en Occident 1830-1839, Nivelles, 1990, pp. 317-319

[265]LEBROCQUY, op.cit., p. 68

[266]L. DE POTTER, La révolution belge 1828-1839. Souvenirs personnels, Bruxelles, 1840, tome II, pp. 298-303, pp. 388 e.v.; L. DE POTTER, 1840  et la Hollande, 1840

[267]E. WITTE, “De Belgische radicalen...”, op.cit., p. 20

[268]L. BERTRAND, op.cit., p. 141; E. WITTE, De Belgische radicalen...”, op.cit., p. 23

[269]A. BOLAND, Le procès de la Révolution belge: Adolphe Bartels 1802-1862, Namur, 1977, p. 194-195

[270]De procureur De Bavay was daarvan overtuigd (zie C DE BAVAY, op.cit., ...), maar ook Bronne was hiervan overtuigd (C. BRONNE, “Belgique en 1840...”, op.cit., p. 750)

[271]A. BOLAND, op.cit.,p. 195; P. LEBROCQUY, op.cit., pp. 69-70

[272]A. BOLAND, op.cit., p. 192

[273]E. WITTE, “De Belgische radicalen...”, op.cit.,p. 25; L. BERTRAND, op.cit.,p. 143

[274]Den Volksvriend, februari 1839, jg. 4, nr. 5, blz. 35-42, in: H. WOUTERS, Documenten betreffende de geschiedenis der arbeidersbeweging (1831-53), Leuven-Parijs, 1963, dl. III, pp. 1199-1211

[275]L'Indépendant, 2 maart 1839, p.2 k.1

[276]L. DE POTTER, La révolution belge 1828-1839..., p. 198; A. BOLAND, op.cit., p. 198

[277]Men zag een verband met eerdere gebeurtenissen. In 1837 was de Rijnstreek in opstand gekomen tegen Pruisen. Naar aanleiding van deze gebeurtenissen schreef Bartels in L'Eclaireur een project van klein Europa, waarin hij sprak over een Fédération belgo-rhénane. Men zag in zijn aansporing tot protest tegen het verdrag een poging om dit project tot uitvoer te brengen (A. BOLAND, op.cit., p. 171; P. LEBROCQUY, op.cit.,p. 70)

[278]A. BOLAND, op.cit., p. 199

[279]Ibid., p. 204

[280]L. BERTRAND, op.cit., pp. 144-145; H. WOUTERS, op.cit.,dl. III, p. 1212

[281]H. WOUTERS, op.cit., p. 1212

[282]L. DE POTTER, La revolution belge 1828-1839..., p. 115;  Arrêt de renvoi et acte d'accusation contre Adolphe Bartels et Jacques Kats, Bruxelles, 1839

[283]H. WOUTERS, op cit., p. 215, p. 1211

[284]L'Indépendant, 25 mei 1839, p. 3 k. 1-2, verklaring Jacob Kats en Philippe-Joseph Michaels

[285]L'Indépendant,p. 3 k. 2, verklaring Michaels en Jan Pellering

[286]L'Indépendant, 26 mei 1839, p. 3 k.1-2, rekwisitoir van de advocaat generaal. Deze citaten verwezen naar de gebeurtenissen van 1837 in de Rijnstreek en waren niet van toepassing op de situatie van 2 jaar later.

[287]L'Indépendant, 27 mei 1839, pp. 2-3

[288]L. BERTRAND, op.cit., pp. 144-145; BOLAND...; WOUTERS, III, 1211-1222; L'Indépendant, 29 mei 1831 extra bladzijde

[289]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1944, Akte van beschuldiging, 6 januari 1840

[290]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1944, Ondervraging Defleron, 6 december 1839; wordt bevestigd door herbergierster: Verklaring  Marie Joseph  Siren, 7 december 1839; Verklaring Joseph Hamat, 13 december 1839

[291]Maar deze ontkent iedere betrokkenheid in de zaak. Hij zegt enkel iets met hen te zijn gaan drinken, zonder ook maar iets gehoord of gezegd te hebben dat in verband stond met de werving van militairen voor een buitenlands leger.

[292]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1944, Ondervraging Pascal en Defleron, 6 december 1839;

[293]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1944, Ondervraging Delnest, 12 december 1839; De herbergierster beaamt dat de mannen in haar café om pen en papier zijn komen vragen: Ondervraging  Maria Margaretha Lechaut, 12 december 1839; engagement op 1 december, getekend door Leliaert

[294]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1944, Ondervraging  Defleron, 6 december 1839. Dit wordt allemaal ontkend door Leliaert (ondervraging 5 december 1839)

[295]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1944, Ondervraging Pascal en Defleron, 6 december 1839; verklaring Maria Catherina Theuys, herbergierster, 12 december 1839

[296]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1944, Ondervraging Pascal, 6 december 1839

[297]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1944, verklaring Maria Catherina Theuys, herbergierster, 12 december 1839; verklaring Christina Libaert, dienstmeid, 12 december 1839

[298]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1944, Ondervraging Defleron, 6 december 1839, ondervraging Delnest, 12 december 1839; Hoys beweerde dat hij de militairen nooit heeft meegenomen naar dit café (5 december 1839); De uitbater van  het etablissement, Isidore Joseph Fievez, bevestigde dat de militairen daar zijn geweest, maar ontkende dat hij met Hoys heeft gepraat (10 december 1939).

[299]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1944, ondervraging Defleron, Pascal en Delnest, 6 december- 12 december 1839

[300]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1944, Proces-verbaal van de politiecommissaris, 4 december 1839; Ondervraging Jean Hoys, 5 december 1839; verklaring Nicolas Huart, 5 december 1839

[301]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1944, Proces-verbaal van de politie 4 december 1839

[302]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1944,, verklaring  van Nicolas Huart, 5 december 1839

[303]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1944, Proces-verbaal van de politie, 4 december 1839; Zowel de herbergier als zijn vrouw herkennen Hoys als de schrijver (verklaring Pierre Joseph Bosmans; verklaring Eleonore Macquet )

[304]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1944, Proces-verbaal van de politie, 4 december 1839

[305]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1944, Brief van het parket van Antwerpen, 8 december 1839

[306]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1944, Brief van de politiecommissaris van Brussel aan de procureur-generaal, 18 januari 1840

[307]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1944, Akte van de Kamer van Inbeschuldigingstelling, 15 januari 1840

[308]Journal d'Anvers et de la province, 13 mei 1840, p. 2 k.3

[309]RABE., Assisenhof Antwerpen, 672, 13 mei 1840

[310]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1945, verklaring Vuylsteke, 4 februari 1840

[311]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1945, Verklaring kapitein Brockowski, 24 februari 1840

[312]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1945, verklaring Vuylsteke, 4 februari 1840

[313]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1945, Ondervraging Snollaerts, 5 februari 1840

[314]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1945, Brief van de Procureur des Konings, 20 februari 1840

[315] RABE., Assisenhof Antwerpen, 1945, Bevel ter gevangenneming van de Rechtbank van eerste Aanleg voor de Raadkamer – 27 februari

[316]RABE., Assisenhof Antwerpen, 1945, arrest van de Kamer van Inbeschuldigingsstelling, 9 maart

[317]RABE., Assisenhof Antwerpen, 672, proces-verbaal,  6 juli 1840

[318]Het complot van de doordraaiers

[319]C. BRONNE, La conspiration des paniers percés, 1959, p. 29

[320]H. PIRENNE, op.cit., p. 57; C. BRONNE, La conspiration..., p. 31

[321]Deze medewerking van Willem II aan het complot werd echter ontkend door Hollandse historici, zoals De Bosch Kemper ( J. DE BOSCH KEMPER, Geschiedenis van Nederland sinds 1830, Amsterdam, 1875, dl. IV, pp. 56-58)

[322]H. PIRENNE, op.cit.,p. 57; C. BRONNE, “La Belgique en 1840...”, op.cit., p. 751. Dit wordt echter vanwege Hollandse historiografen ontkend:  DE BAVAY, op.cit., pp. 313-314

[323]C. BRONNE, La conspiration...,pp. 63-64

[324]Ibid., p. 66

[325]N. VANDERMEERE, Memoires, Bruxelles, 1880, 2e editie, p. 236

[326]L. DE POTTER, Révolution belge 1828-1839..., pp. 298-303, pp. 388 e.v.; C. DE BAVAY, op.cit., p. 310; H. PIRENNE, op.cit., p. 57;N. VANDERMEERE, op.cit., p. 237

[327]N. VANDERMEERE, op.cit., p. 238

[328]J.-J. THONISSEN, op.cit., tome IV, pp. 80-81

[329]Ibid., p. 313; C. BRONNE, “La Belgique en 1840...”, op.cit., p. 750

[330]C. BRONNE, La conspiration...,p. 71; A. BOLAND, op.cit.,p. 208

[331]C. BRONNE, La conspiration..., p. 75

[332]L. LECONTE, “L'Histoire inconnuede Belgique. Une conspiration orangiste en 1841.», in: L'Action Nationale. Bruxelles, 1925, 5e année, n° 28, 29, 30, p. 2, kol. 3; C. BRONNE, La conspiration..., pp. 35-36

[333]C. BRONNE, La conspiration..., p. 167

[334]L. LECONTE, “L'Histoire inconnu...”, in: op.cit., n° 29; L. LECONTE, Les éphémères..., p. 166

[335]L'Indépendant, 13 maart 1842, zitting van 12 maart, verklaring Auguste Blaes; C. BRONNE, La conspiration..., pp. 48-49; J.-J. THONISSEN, op.cit., dl. IV, p. 16-17

[336]L. LECONTE, Les éphémères..., p. 340; Het plan om een beweging te ontketenen tijdens de septemberfeesten werd ook bevestigd door Vandermeere zelf (VANDERMEERE, op.cit, p. 239)

[337]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, verklaring Eugène Louis George Feignaux, 21 december 1841

[338]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, verklaring Guillaume Pierre De Sagher, 5 november 1842; C. BRONNE, La conspiration..., p. 77

[339]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, verklaring Alexandre François De Moor, 24 november 1841; BRONNE, La conspiration..., p. 79

[340]L'Indépendant, 15 maart 1842, zitting van 14 maart, verklaring Corneille De Briey

[341]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, verklaring Herman Kessels, 2 december 1841

[342]C. DE BAVAY, op.cit., p. 308

[343]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, proces-verbaal van de politie, na gesprek met de moeder van De Crehen, 29 oktober 1841

[344]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, anonieme brief van de hand van Kessels, 26 september 1841

[345]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, verklaring François Jean Wyns, 5 november 1841

[346]C. BRONNE, La conspiration..., p. 84-85, N. VANDERMEERE, op.cit.,p. 239

[347]C. BRONNE, La conspiration..., pp. 84-86

[348]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, verklaring Alexis Guillaume Hody, 10 december 1841

[349]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, Verklaring De Crehen, 6 november 1841

[350]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, verklaring Theodore Verel, 10 november 1841

[351]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, verklaring Duffhus, 30 oktober 1841; verklaring Antoine Lauwens, 9 november 1841; verklaring J.-J. Aldersoons, 1 november 1841; verklaring Marie Castiniels, 1 november 1841

[352]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, verklaring Walenkiewilz, 24 november 1841; Dit werd echter ontkend door Parent

[353]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, verklaring Jean Fournal, 3 november 1841

[354]Geschiedenis van het Belgische leger...,op.cit., p. 127

[355]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, verklaring Dulieu, 26 november 1841; verklaring Charles Hazard, 26 november 1841; verklaring Jean Roskams, 26 november 1841

[356]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, verklaring Dewever, 17 november 1841; verklaring Pierre Joseph Bercé, 13 november 1841

[357]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, François Van de Leemputte, 17 november 1841

[358]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, Jean Antoine Van de Leemputte, 30 oktober 1841

[359]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, Auguste Molle, 9 november 1841

[360]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, August Meys, 30 november 1841

[361]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, Jean François Thys, concierge, 8 november 1841; Levae, 31 oktober 1841

[362]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, Joseph Bigwood, 13 november 1841

[363]ARAB., Assisenhof Brabant, 2354, Akte van beschuldiging tegen J.D. Vander Smissen, A.L.N. Vandermeere, Razynski, J.D. Parys, E.F.M.H.De Crehen en P.J.J Parent

[364]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, Verklaringen gebroeders Jones, 11 november 1841, 22 november 1841

[365]Dit bleef hij tijdens de zittingen volhouden.

[366]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, verklaring Pierre François Hellemans, 17 november 1841

[367]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, verklaring Virginie Bolté, 4 december 1841; verklaring Marie Goossens, 27 november 1841

[368]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, verklaring Catherine Chatelau, 19 november 1841; verklaring Theodore Hoevenaert, 19 november 1841

[369]Dit werd hem gemeld Antoine Perugine, eigenaar La Cour de Rome, wanneer hij daar onderweg stopte om iets te eten.

[370]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, verklaring Alexis Guillaume Hody, 10 december 1841

[371]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, proces-verbaal van de politie, 29 november 1841

[372]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, proces-verbaal van de politie, 30 oktober 1841

[373]C. BRONNE, La conspiration..., p. 109

[374]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, verklaring van Seghers, 8 november 1841; verklaring Joseph Dauhaive, 23 november 1841. Deze is eveneens naar Parent en naar de redactie van Le Lynx een gelijkaardig briefje gaan afgeven

[375]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, verklaring Seghers, 8 november 1841; C. BRONNE, La conspiration..., p. 109

[376]L'Indépendant, 9 maart 1842, zitting van 8 maart 1842, verklaring Seghers

[377]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, Constant Antoine De Sagher, 5 november 1841

[378]L'Indépendant, 12 maart 1842, zitting van  11 maart, verklaring zoon van De Sagher

[379]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, verklaring Jean Joseph Aldersoons, 1 november 1841

[380]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, verklaring François Caenen, koetsier, 23 november 1841

[381]C. BRONNE, “Belgique en 1840...”, op.cit., p. 733

[382]Ibid., p. 734

[383]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, proces-verbaal van de politie, 15 november 1841

[384]L'Indépendant, 11 maart 1842,  zitting van 10 maart, verklaring van Kessels; zitting van 12 maart, verklaring Michaelis

[385]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, verklaring Herman Kessels, 2 december 1841

[386]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, akte van verwijzing naar het Hof van Assisen. Metdepenningen was echter nergens op te merken in de dossiers.

[387]C. BRONNE, La conspiration...,p. 118

[388] ARAB., Assisenhof Brabant, 785, akte van verwijzing naar het Hof van Assisen

[389]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, arrest van de Kamer van Inbeschuldigingsstelling, 19 januari 1842

[390]C. BRONNE, La conspiration..., p. 119

[391]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, akte van beschuldiging, 24 januari 1842

[392]L. LECONTE, “L'Histoire inconnue...”, in: op.cit., n° 30; voor een gedetailleerd beeld hiervan: C. BRONNE, La conspiration..., pp. 143-158

[393]N. VANDERMEERE, op.cit.,p. 240. Hij ging hierin zelfs zo ver dat hij wijlen Minister van Oorlog ervan beschuldigde dat hij het hele complot zou hebben opgezet door een arsenaal aan te leggen ,kogels te smelten... Wanneer hij dan werd opgeroepen als getuige, zouden zijn plannen worden ontdekt. Dit is de reden van zijn zelfmoord (sic).

[394]J.-J. THONISSEN, op.cit., p. 390; Hoewel dit door Vandermeere nog steeds betwist werd.

[395]A. CHAVEAU et F. HELIE,op.cit., p. 171

[396]N. VANDERMEERE, op.cit., p. 248

[397] C. BRONNE, La conspiration..., p. 225

[398]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, uitspraak

[399]ARAB., Assisenhof Brabant, 785, extract van de minuten van het Hof van Cassatie

[400]L. LECONTE, Les éphémères..., pp. 168-169

[401]N. VANDERMEERE, op.cit., p. 250

[402]L. LECONTE, Les éphémères..., p. 157; N. VANDERMEERE, op.cit.,p. 250

[403]N. VANDERMEERE, op.cit., p. 261

[404] L'Indépendant, 3 maart 1842, zitting van 2 maart, verklaring administrateur van de openbare veiligheid Hody

[405]ARAB., Assisenhof Brabant, 786

[406]A. CHAVEAU en HELIÉ, op.cit., p. 83

[407]J.-H. PIRENNE, op.cit., pp. 325-328

[408]Zie E. WITTE, Politieke machtsstrijd in en om de voornaamste Belgische steden, Brussel, 1973

[409]L. BERTRAND, op.cit., p. 235

[410]E. WITTE, “De Belgische radicalen...”, in: op.cit., p. 39

[411]L. BERTRAND, op.cit., p. 254-255; Pellering en Labiaux waren radicaler dan hun voorganger Kats. Ze spraken geen revolutionaire taal, maar de manifesten kregen een radicaler karakter en Pellering maande zelfs aan tot verzet.

[412]E. WITTE, “De Belgische radicalen...”, in: op.cit., p. 41; L. MAES,