Politieke kennis in Vlaanderen. Een comparatieve studie van 16-jarigen en stemgerechtigden. (Tine Polfliet)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

HOOFDSTUK II: Resultaten van vragenlijst politieke kennis bij jongeren

 

1. Portret van de respondenten

 

1.1. Wijze van rekruteren

           

1.1.1. School

           

In dit onderzoek doe ik een beroep op de vrijwillige medewerking van 280 jongeren.  Het is noodzakelijk om als eerste stap een aantal scholen vast te leggen waarin ik mijn enquêtes mag afnemen.  Om de invloed van de verstedelijking op de politieke kennis van de leerlingen mee op te nemen als hypothese, werd er gezocht naar drie verschillende graden van verstedelijking.  Om de geografische verscheidenheid wat te beperken werd gekozen voor eenzelfde provincie, namelijk West-Vlaanderen, eveneens de dichtstbijzijnde provincie voor mezelf.  Zo kwamen we terecht bij het landelijke Avelgem, het stedelijke Brugge en het semi-stedelijke Waregem. 

De stad Brugge doet zijn naam ‘stad’ alle eer aan en heeft meteen de grootste bevolking van de drie onderzochte gemeenten, namelijk 117.000 inwoners waarvan 56.676 mannen en 60.324 vrouwen.  De semi-stedelijke stad Waregem telt in het totaal 35.915 inwoners, 17.695 mannen en 18.220 vrouwen.  In de plattelandsgemeente ligt dit aantal nog wat lager met in het totaal 9.373 inwoners waarvan 4.580 mannen en 4.690 vrouwen.  We kunnen hierbij bemerken dat dit bevolkingsaantal behoorlijk hoog ligt voor een gemeente van het platteland.  Aangezien het in dit onderzoek de bedoeling is om een middelbare school te bestuderen die de drie onderwijsvormen bevat, zijn we genoodzaakt om bij een school in een iets grotere gemeente te gaan kijken.  Om de omgevingsfactoren van de opgroeiende jongeren zo duidelijk mogelijk te schetsen, lijkt het ons ook interessant om de sociaal-economische toestand van deze verschillende verstedelijkingsgraden mee te geven. We doen hiervoor net zoals bij de bevolkingsaantallen, beroep op de statistieken van de GOM (Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij) van West-Vlaanderen[166].  Om de sociaal-economische situatie van Brugge, Waregem en Avelgem te situeren, bespreken we de werkloosheidsdruk (dit zijn het aantal werklozen ten opzichte van de beroepsbevolking) en het gemiddeld inkomen van de inwoners[167]. De plattelandsgemeente Avelgem en de stad Brugge blijken op sociaal-economisch vlak niet zover uiteen te liggen.  De werkloosheidsdruk is respectievelijk 7,8 % en 7,6 %.  In het semi-stedelijke Waregem ligt dit met cijfer van 6,2 % toch beduidend lager dan in de andere gemeenten.  Het gemiddeld inkomen van de inwoners uit Avelgem ligt op 24.531 euro.  In Brugge is dit 24.527 euro en is dus bijna hetzelfde gemiddeld inkomen in vergelijking met het gemiddeld inkomen van de inwoners van de plattelandsgemeente.  In Waregem ligt dit cijfer hoger: het gemiddeld inkomen blijkt hier 26.569 euro te zijn.  De sociaal-economische perspectieven van Waregem lijken op basis van deze informatie aldus iets voordeliger te zijn dan in Avelgem en Brugge.

Bij het onderzoeken van de verstedelijkingsgraad in deze verhandeling moet er meteen de volgende opmerking gemaakt worden: het is soms moeilijk te zien in hoeverre leerlingen de effecten ondergaan van de verstedelijkingsgraad op basis van de keuze van de school.  Zo kunnen bijvoorbeeld scholen die zich in een stad bevinden toch eerder leerlingen van buiten de stad vertegenwoordigen en worden semi-stedelijke scholen eerder een verzamelplaats voor leerlingen die in de omringende plattelandsgemeenten wonen.  Toch is er hier gekozen voor deze werkwijze, omdat dit de best mogelijke benadering lijkt bij het testen van de invloed van de verstedelijkingsgraad op de politieke kennis van de onderzochte leerlingen.

Aangezien ik graag de leerlingen vanuit de drie verschillende niveau’s (ASO, TSO en BSO) wou testen op hun politieke kennis, moet er dus op zoek gegaan worden naar grote scholen.  De scholen waarbij ik terecht kwam, hebben zowel een ASO-,TSO- als BSO- afdeling.  In het landelijke Avelgem kwam ik terecht in het Sint-Jan Berchmanscollege.  Deze middelbare school telt 352 leerlingen.  In dit cijfer zijn weliswaar de eerstejaars en tweedejaars niet inbegrepen, omdat deze twee groepen eigenlijk bij een andere school horen (Sint-Jan Berchmans Middenschool) met een ander beleid en directeur etcetera.  Naast het Sint-Jan Berchmanscollege is er eveneens een Koninklijk Atheneum dat secundair onderwijs voorziet in Avelgem.  Voor het semi-stedelijke Waregem was dit voornamelijk het O.-L.-V.-Hemelvaartinstituut waar ik tevens oud-leerlinge ben, maar ik kon ook rekenen op de goedwillige medewerking van het Heilig Hart College.  Deze eerste school telt in het totaal 1634 leerlingen en is meteen een heel stuk groter dan de school in Avelgem.  Het Heilig Hart College telt 1252 leerlingen.  Naast deze twee scholen bevindt er zich in Waregem ook een Koninklijk Atheneum, de Middenschool Groenhove, een VTI (Vrij Technisch Instituut) en een VIBSO (Vrij Instituut voor Buitengewoon Secundair Onderwijs).  Tot slot vond ik in het stedelijke Brugge mijn weg naar het Sint-Jozefinstituut.  Deze school bevat eveneens een groot aantal leerlingen, namelijk 1220.  In Brugge zijn er nog zeker 15 andere scholen die middelbaar onderwijs aanbieden, dit zijn zowel gespecialiseerde scholen zoals een sportschool, een freinetschool en een hotelschool tot andere middelbare scholen zoals een VTI, een Atheneum en andere vergelijkbare scholen.  Het zou ons echter te lang nemen om deze allemaal bij naam op te sommen.

Om de reputatie van deze verschillende scholen te schetsen beroep ik mij op mijn ervaringen en indrukken vanuit deze scholen.  Uit het feit dat de leerlingen in het Sint-Jozefinstituut verplicht zijn om dagelijks een donkerblauw uniform te dragen leid ik af dat dit één van de meest strenge scholen uit deze steekproef is.  Deze school heeft ook de naam een goede school te zijn.  Van de twee scholen uit Waregem weet ik dat deze een goede reputatie genieten.  In de nabije omgeving staan deze scholen gekend om een goed niveau te halen en goede studenten ‘af te leveren’.  Avelgem heeft deze reputatie iets minder en gaat iets losser om met de leerlingen dan dat het geval is in de andere scholen. 

 

1.1.2. Klassen

           

Het is de bedoeling in het onderzoek om de 16-jarigen en de 18-jarigen te vergelijken op hun politieke kennis, om vervolgens deze 2 groepen te vergelijken met volwassenen.  Empirisch uitgedrukt gaat het dus om de vierdes en de zesdes van het secundair onderwijs.  Er werden aldus 6 klassen per school ondervraagd, telkens één klas vierdes vanuit het ASO, het TSO en het BSO en één klas zesdes, opnieuw vanuit het ASO, het TSO en het BSO.  Zo werd geopteerd voor een gelijkmatige verdeling van de verschillende klassen over de drie scholen heen. 

Vanuit de directie werden mij meestal telefoonnummers doorgespeeld van leerkrachten geschiedenis.  Hieruit kunnen we afleiden dat, althans in eerste instantie, alles wat met politiek te maken heeft in de middelbare school verbonden wordt met een vak zoals geschiedenis.  Niet geheel ten onrechte, leerkrachten geschiedenis staan ook effectief stil bij de politieke actualiteit, maar uit de resultaten blijkt dat politiek al evenveel of soms zelfs meer in andere vakken voorkomt dan in de les geschiedenis zelf.  Daar zullen we later wat meer uitgebreid bij stilstaan.

Toch werd er voor de afname van de enquêtes gekozen voor de les geschiedenis.  Dit vooral omdat er van uitgegaan werd dat leerlingen de enquête als toepasselijk voor de leerstof zouden benaderen en op deze manier een grotere motivatie konden opleggen voor deelname aan het onderzoek.  Zoals verder vermeld staat, is er in het Sint-Jan Berchmanscollege anders te werk gegaan. Ik kreeg lukraak een klas (die natuurlijk aan de voorwaarden voldeed) toegewezen en zo kwam ik terecht in uiteenlopende vakken, van informatica tot muziek.  Toch had ik daar niet het gevoel dat leerlingen minder gemotiveerd waren bij het invullen van hun enquêtes dan de collega’s die zich in de geschiedenisles bevonden.  Ze namen evenveel tijd in beslag en waren dus niet beduidend minder lang bezig.

 

1.2. Bevindingen tijdens het veldwerk

 

1.2.1. Ervaring met scholen

           

Al vanaf de eerste contacten zijn er een aantal verschillen te onderscheiden in hoe scholen omgaan met studenten die graag enquêtes zouden willen afnemen.  Waar de ene school mij meteen vrijgeleide geeft, zal de andere school een eerder afwachtende houding aannemen.  Zo was in mijn geval de directeur en het secretariaat van het Sint-Jan Berchmanscollege in Avelgem paraat om te helpen waar ze konden.  Zo werd er mij bijvoorbeeld een dag toegewezen waar ik alle klassen zou kunnen overlopen.  Mijn aanwezigheid die dag werd in een krantje voor leerkrachten vermeld opdat zij zouden weten dat ik ieder moment bij hen zou kunnen binnenvallen.  Op het eerste zicht lijkt dit heel gemakkelijk, maar toch zijn er hierbij een aantal opmerkingen te maken. Doordat ik geen rechtstreeks contact had met de leerkrachten zelf, hadden ze niet meteen inspraak op mijn aanwezigheid.  Ze konden geen tijdstip bepalen dat hen het beste uitkwam wat soms tot frustraties leidde.  Een ander nadeel hiervan is dat ik nooit kon kiezen welke klas ik enquêteerde.  In andere scholen kon ik soms een grotere klas verkiezen boven een kleinere. Deze opmerkingen zullen later wat meer uitgebreid behandeld worden.

     In de andere scholen daarentegen, heb ik met een grote overredingskracht mijn onderzoek moeten verdedigen vooraleer de argwanende blikken veranderden in die van interesse.  De scholen die ik uitgekozen had, waren grote scholen die zowel ASO- , TSO- en BSO- afdelingen hadden.  Daardoor waren deze scholen waarschijnlijk gegeerd door verschillende onderzoekers en thesisstudenten die graag een vergelijkende studie willen uitvoeren. Er heerste als het ware een soort van enquête-moeheid.  Wat mijn onderzoek betreft, was een doorslaggevend element bijvoorbeeld dat ik slechts enkele klassen nodig had en geen volledige jaren.  Wat ook in mijn voordeel speelde, was dat ik geen volledig lesuur nodig had om de enquête af te nemen.  Zo kreeg ik uiteindelijk toch nog een kans en werden me de telefoonnummers doorgespeeld van bevoegde leerkrachten die me verder konden helpen bij het afspreken van een specifiek tijdstip en een specifieke klas. 

 

1.2.2. Ervaring met leerkrachten

 

Net als bij de ervaring met de verschillende scholen, merk je meteen een onderscheid tussen de manieren waarop leerkrachten mij benaderen.  Vooreerst zijn er leerkrachten die het onderzoek zien als een verrijking voor hun les en motiveren hun leerlingen om er ernstig over na te denken.  Ze voelen zich vereerd om aan dit onderzoek te mogen deelnemen en vragen uitgebreid naar de verwachtingen.  Deze leerkrachten willen ook absoluut op de hoogte gehouden worden van de resultaten.  Deze groep beslaat de meerderheid van de leerkrachten.

Vervolgens zijn er ook leerkrachten die minder interesse tonen voor welke reden dan ook.  Ze zien mij eerder als een obstakel voor de voorbereide les of het leerschema en houden angstvallig de klok in de gaten.  In één klas kregen de leerlingen een opdracht om aan te werken indien ze klaar waren met de enquête.  Dit was huiswerk waar de leerling die reeds vlugger klaar was beloond werd met extra tijd om aan die opdracht te werken en dus minder werk thuis had.  Toch was dit geen stimulans voor de leerlingen om de enquête vroeger af te geven.  Deze klas was net zolang bezig aan de enquête als gelijkaardige klassen zonder deze opdracht.

Deze laatste taferelen kwamen meer voor in de scholen waar ik eerder contact had met de directie dan in de scholen waar ik rechtstreeks afspraken maakte met de leerkrachten zelf.  Zo wist bijvoorbeeld geen enkele leerkracht in Avelgem dat ik naar hun les zou komen.  Toch reageren sommigen enthousiast op het onderzoek en maken geen probleem rondom mijn aanwezigheid.  Maar zo kwam ik ook terecht bij de muzieklerares die slechts één uur in de week gaf en nog maar pas de week ervoor ook al een lesuur verloren had.  Dit is een nadeel aan het systeem waar ik alle klassen op één dag kon enquêteren.  Leerkrachten hadden geen inspraak in het tijdstip en dit leidt klaarblijkelijk tot frustraties.

           

1.2.3. Ervaring met leerlingen

 

Met de leerlingen heb ik aangename momenten meegemaakt.  Ik heb weinig ongemotiveerde gezichten gezien en kreeg echt het gevoel dat ze hun best deden.  Sommigen stelden vragen als ze wat verklaring wilden of zelfs als ze hun mening kwijtwilden.  Af en toe liet een leerkracht na de enquête wat tijd voor een korte nabeschouwing.  De leerlingen vonden het over het algemeen een moeilijke enquête.  Zo kreeg ik ook herhaaldelijks de vraag of de enquête op punten stond.  Een andere steeds terugkerende reactie was de vraag naar de leerkracht toe waarom ze nog niets over politiek geleerd hadden.  Hetzelfde werd ook als excuus aangehaald waarom ze iets niet wisten. 

            Wat ik ook ondervonden heb, is dat een kleine aanmoediging de leerling kan aanzetten tot het leveren van een extra inspanning die vervolgens betere resultaten geeft.  Zo steken bijvoorbeeld leerlingen hun vinger op en vertellen ze me dat ze geen ministers kunnen opsommen.  Een kleine opmerking zoals ‘denk eens goed na’ zonder enige additionele ‘hint’ levert meteen al betere resultaten op. 

            Een probleem dat zich ook op het niveau van de leerlingen stelt, is het aantal afwezigheden in de klas. Eenmaal heb ik om een extra klas gevraagd, omdat van de acht leerlingen er slechts zes aanwezig waren.  Op drie na, situeerden deze afwezigen zich bijna uitsluitend bij de zesdejaars.  Een ander opvallend element die we in de volgende tabel zien is dat we bij deze afwezigen een mooie evolutie zien naargelang het onderwijstype.  Vertrekkend van het ASO naar het TSO wordt het aantal afwezigen verdubbeld.  Van het TSO naar het BSO worden we geconfronteerd met een meer dan verdubbeling van het aantal afwezigheden.  Zo was één derde van de zesdes uit het BSO niet aanwezig op de dag waarop ik de enquêtes afnam.  Deze stijgende lijn van afwezigheden naar onderwijstype verwijst naar een bepaalde trend, maar het totale aantal afwezigen is natuurlijk wat weinig om grote conclusies te trekken. 

 

Tabel 1: Aantal afwezigheden naar jaar en onderwijstype (in %)

 

Jaar

Totaal

Vierdes

Zesdes

ASO

0

5,4

2,5

TSO

2,6

9,6

6,7

BSO

4,8

33,3

16,7

Totaal

2,11

13

7,5

 

Graag had ik voor mijn onderzoek zoveel mogelijk leerlingen samen in een klas geënquêteerd.  In de middelbare school in Avelgem werd me een aantal klassen toegewezen, dus had ik geen zeg in het aantal leerlingen er in een klas aanwezig waren.  Maar uiteindelijk blijkt dit niet veel te verschillen met het aantal leerlingen ik in het Sint-Jozefinstituut in Brugge heb kunnen ondervragen.  Zoals blijkt uit de volgende tabel heb ik in Waregem het grootst aantal leerlingen kunnen enquêteren.  103 respondenten waren bereid om de vragenlijst in te vullen.  In Brugge had ik door de toevallige toewijzing van klassen een iets kleiner aantal leerlingen.  In het totaal had ik daar 92 respondenten.  Als laatste had ik in Avelgem slechts 85 leerlingen.

 

Tabel 2: Frequentieverdeling van verstedelijkingsgraad

Verstedelijkingsgraad

 

Frequentie

Percentage (in %)

Avelgem

85

30,4

Waregem

103

36,8

Brugge

92

32,9

Totaal

280

100

 

1.2.4. Ervaring met omgaan politiek

 

Tijdens de periode waarin ik de enquêtes afnam, heb ik heel wat bijgeleerd over hoe vooral leerkrachten, maar ook leerlingen omgaan met politiek.  Zo is er duidelijk een verschil tussen leerkrachten die politiek als bijkomstig ervaren, of die althans - voor welke reden dan ook - er niet over uitweiden in de les en tussen leerkrachten die politiek als belangrijke materie benaderen.  De eerste groep laat in mijn ervaring minder ruimte open voor politiek.  De tweede groep probeert altijd wat ruimte open te houden voor de politieke actualiteit en is inventief in de manier waarop men de leerlingen extra probeert te motiveren.  Zo kwam ik bijvoorbeeld terecht bij een leerkracht die het volgen van de politieke actualiteit effectief voor één vierde van de punten op het examen geschiedenis liet meetellen.  Dit kan mede een verklaring bieden voor het verschil in politieke kennis bij jongeren.  De manier waarop leerlingen met politiek omgaan zullen we later uitgebreider zien bij het bespreken van de resultaten.

            In deze enquête werd bevraagd of de leerlingen reeds werden geconfronteerd met politiek in bepaalde lessen.  Meer dan één vierde van de leerlingen beweerde dat politiek nog niet aan bod was gekomen in de les.  We moeten hierbij opmerken dat het bij deze bevraging in de eerste plaats gaat over het subjectief aanvoelen van de leerling zelf.  Het gaat hier niet over het effectieve aanbod van politiek tijdens de lesuren.  Als we het verschil nagaan tussen de vierdes en de zesdes, zien we in de volgende tabel significante verschillen opduiken.  De zesdes blijken significant meer politiek in de les te hebben gezien dan de vierdes.  Dit kan gedeeltelijk te maken hebben met het feit dat de zesdes een langere schoolcarrière hebben dan de vierdes.  Een andere verklaring kan zijn dat er meer aandacht gegeven wordt aan de politieke actualiteit omdat deze groep er misschien zelf meer mee bezig is aangezien de stemleeftijd toch naderbij komt en ze dus zelf meer vragen stellen. De naderende stemleeftijd kan er ook voor zorgen dat leerkrachten individueel de taak opnemen om hun leerlingen te informeren over het politieke leven, ook al is dit geen onderdeel van het curricula.

 

Tabel 3: Kruistabel van politiek in de les naar jaar (in %)

 

Jaar

Totaal

 

Vierdes

Zesdes

Ja

59

90

74

Nee

41

10

26

Totaal   N

           In %

141

100

137

100

278

100

Chi-square: 34,605  df: 1 p-value: 0,000

 

            Indien er politiek in de les is aan bod gekomen, was dit volgens meer dan een derde van de leerlingen expliciet in de leerstof van bepaalde vakken (36,4 %).  Ook het discussiëren over de politieke actualiteit blijkt hoog te scoren als manier waarop politiek in de les aan bod komt (30,3 %).  De vakken geschiedenis (27,2 %) en Nederlands (20,3 %) blijken het meest over politiek te handelen.  Maar ook andere vakken of vormingsprojecten kunnen meer concrete politieke informatie geven aan de leerlingen.  Zo bevatten de vakken ‘Maatschappelijke Vorming’ (MAVO) en ‘Pakket Algemene Vakken’ (PAV), gegeven in het BSO, specifieke informatie over de politieke actualiteit.  In deze vakken handelt de leerstof over bijvoorbeeld welke ministers of partijen er allemaal zijn.  Zo stond ik in een klas die de week ervoor een toets had gekregen met vragen zoals welk ministerie bij een specifieke politicus hoorde.  Een andere klas, ditmaal in het ASO, had er net een Europa-dag opzitten waarbij ze onder andere het Europese Parlement bezocht hadden.  Misschien worden de effecten hiervan wat overschat, maar misschien ook niet.  Wat de leerling al dan niet oppikt heeft veel te maken met de interesse die hij voor het onderwerp koestert.  De ‘verplichte’ aandacht voor politiek kan natuurlijk ook de interesse aanwakkeren en zo toch rechtstreeks een grotere politieke kennis verklaren.  In ieder geval was in deze steekproef bijna 70 % van de leerlingen enthousiast over het feit dat tijdens de lesuren wel eens politieke zaken werden aangekaart.  Toch was de meerderheid niet te vinden voor meer politiek op school.

 

1.3. Kenmerken van de respondenten

 

1.3.1. Verdeling geslacht

 

De cijfers die we terugvinden bij de verdelingen van het geslacht van de respondenten, spreken voor zich. Het is duidelijk dat de vrouwen met hun 61,4 % in dit onderzoek oververtegenwoordigd zijn.  De mannen daarentegen zijn voor 38,6 % in de minderheid.

 

Tabel 4: Frequentieverdeling van geslacht

Geslacht

 

Frequentie

Percentage (in %)

Man

108

38,6

Vrouw

172

61,4

Totaal

280

100

 

De verklaring hiervoor heeft vooral te maken met de keuze van de scholen.  Hoewel de drie uitverkozen scholen officieel gemengde scholen zijn, was dit alleszins voor twee scholen niet volledig het geval. Zo is bijvoorbeeld het O.-L.-V.-Hemelvaartinstituut nog altijd gekend als de meisjesschool van Waregem.  In deze school is het aantal jongens heel beperkt. In de volgende tabel zien we dan ook dat er dubbel zoveel meisjes geënquêteerd zijn dan jongens.  Het tegenvoorbeeld hiervan is het Sint-Jan Berchmanscollege in Avelgem.  Hoewel deze school een geschiedenis heeft als jongensschool, zijn ook hier de meisjes duidelijk in de meerderheid.  Ook hier zijn er bijna de helft meer meisjes die de vragenlijst ingevuld hebben dan jongens.  Tot slot is er nog het Sint-Jozefinstituut in Brugge waar ik net zoals bij de andere scholen terecht kwam in klassen met voornamelijk meisjes.  Toch is het verschil hier veel kleiner en kunnen we hier in mindere mate spreken van een absolute meerderheid.    

 

Tabel 5: Kruistabel van geslacht naar school (in %)

 

School

 

Avelgem

Waregem

Brugge

Jongen

36,5

34

45,7

Meisje

63,5

66

54,3

Totaal

100

100

100

 

1.3.2. Verdeling leeftijd

 

In dit onderzoek zijn de onderzochte doelgroepen de 16- en 18-jarigen.  Aangezien de enquête zowel voor de vierdes als voor de zesdes in het eerste semester is afgenomen, zijn de meest voorkomende leeftijden de 15- en de 17-jarigen.  Deze leerlingen moeten dus nog respectievelijk 16 en 18 jaar worden tijdens hetzelfde schooljaar. 

Zoals de volgende tabel duidelijk maakt, zijn de 15-jarigen met hun 40 % het grootst vertegenwoordigd bij alle respondenten.  Bij de groep 14-jarigen, die slechts 5% bedraagt, zullen er hoogst waarschijnlijk nog jongeren zijn die nog tijdens het eerste semester verjaren of die een jaar voorop zitten.  De 16-jarigen die zich onder de respondenten bevinden zijn ofwel een jaar achter op de 15- jarigen ofwel een jaar voorop bij de 17-jarigen.  Deze jongeren zijn met hun 8.6 % aldus een soort tussengroep.  Dezelfde redenering kan voor de 17-jarigen gemaakt worden.  Zij zijn de op één na grootste groep met 33,6 %.  De 18-jarigen zijn blijkbaar jongeren die voor welke reden dan ook een jaar achter zijn.  De jongeren die ouder zijn dan 18 zijn op een hand te tellen.

 

Tabel 6: Frequentieverdeling van leeftijd

Leeftijd

 

Frequentie

Percentage (in %)

14

14

5

15

112

40

16

24

8,6

17

94

33,6

18

31

11,1

19

4

1,4

20

1

0,4

Totaal

280

100

 

Bij het gebruik van leeftijd als variabele, zouden we telkens heel uitgebreid de verschillen bij iedere leeftijd moeten overlopen.  Omdat dit ons in het onderzoek te ver zou leiden, blijven we best bij de kerngroepen, namelijk degene die in de loop van het jaar 16 en 18 jaar zullen worden.  Daarom is het eenvoudiger en duidelijker om met een andere variabele te werken.  Het jaar waarin de respondent zich bevindt, is als variabele beter om de twee groepen optimaal te vergelijken.  Deze gegevens  vinden we terug in de volgende tabel.  Daarbij zien we dat vierdes en de zesdes aan elkaar gewaagd zijn wat de verdeling betreft.  Het totale aantal respondenten dat in het vierde jaar van het secundair onderwijs zit (de 16-jarigen) bedraagt 142.  De groep respondenten die zich in het zesde jaar van het middelbare onderwijs bevindt (de 18-jarigen), bedraagt 138 en is dus net iets kleiner dan het aantal vierdes.  Dit is echter een te verwaarlozen verschil.

 

Tabel 7: Frequentieverdeling van het jaar van de respondenten

Jaar

 

Frequentie

Percentage (in %)

Vierdes

142

50,7

Zesdes

138

49,3

Totaal

280

100

 

1.3.3. Verdeling onderwijstype

 

Zoals reeds was aangeduid in de wijze waarop er gerekruteerd werd, wordt er in dit onderzoek gewerkt met een aantal klassen.  Het aantal klassen is voor ieder onderwijstype gelijk, maar toch valt er meteen op in de frequentietabel dat het aantal respondenten in het ASO (118) veel hoger ligt dan bij de andere twee types.  Dit is mede te verklaren door de grootte van de klassen.  Blijkbaar bevatten de ASO-klassen meer leerlingen dan de klassen in het TSO (90) en het BSO (72).  Een andere factor die hierin een rol speelt is waarschijnlijk ook de graad van specialisatie die typerend is voor bepaalde onderwijstypes.  Zo zullen bijvoorbeeld technische- en beroeps- richtingen meer specialisatie vereisen dan algemeen vormende richtingen.  Een ander element is de afwezigheidsgraad die een stuk hoger ligt in bijvoorbeeld het BSO vergeleken met het ASO, maar hierbij hebben we al stilgestaan.   

 

Tabel 8: Frequentieverdeling van onderwijstype

Onderwijstype

 

Frequentie

Percentage (in %)

ASO

118

42,1

TSO

90

32,1

BSO

72

25,7

Totaal

280

100

 

1.3.4. Verdeling gevolgde richting

 

Als we kijken naar de richting die de respondenten uit het onderzoek volgen, merken we een disproportionele vertegenwoordiging van de richtingen kantoor, handel, economie-wiskunde en wetenschappen-wiskunde.  Dit heeft waarschijnlijk te maken met mijn vraag naar de scholen toe om zo groot mogelijke klassen te mogen enquêteren.  Deze richtingen zijn blijkbaar bij de leerlingen het meest gevolgd.

 

Tabel 9: Frequentieverdeling van de gevolgde richting van de respondenten

Richting

 

Frequentie

Percentage (in %)

Latijn-Wiskunde

1

0,4

Latijn-Moderne talen

5

1,8

Wetenschappen

20

7,1

Wetenschappen-Wiskunde

35

12,5

Wetenschappen-Economie

2

0,7

Wetenschappen-Moderne talen

4

1,4

Economie

4

1,4

Economie-Wiskunde

35

12,5

Economie-Moderne talen

11

3,9

Grieks-Wiskunde

1

0,4

Handel

56

20

Secretariaat-Talen

22

7,9

Informaticabeheer

2

0,7

Toerisme

10

3,6

Kantoor

63

22,5

Mode Realisatie en Verkoop

9

3,2

Totaal

280

100

 

1.3.5.  Verdeling sociale achtergrond

 

Om meer te weten over de achtergrond van de respondent, staat er in de enquête een vraag die peilt naar het hoogst behaalde diploma van de ouders van de respondent.  Bij beide ouders valt in de volgende tabel meteen op dat de twee grootste categorieën dezelfde zijn, namelijk het niet universitair hoger onderwijs en het hoger secundair technisch.  Het niet universitair hoger onderwijs is bij ouder 1 de grootste categorie.  Eén vierde van de respondenten heeft aldus een ouder die na de middelbare school verder gestudeerd heeft in het niet universitair hoger onderwijs.  Bij ouder 2 is deze categorie iets kleiner geworden, namelijk 18,6 %.  Deze groep ligt heel dicht bij het hoger secundair technisch, ook wel gekend als de A2.  23,6 % van ouder 1 bij de respondenten heeft als hoogst behaald diploma dat van hoger secundair technisch.  Bij ouder 2 is deze categorie het grootst.  Hier heeft 18,9 % dit als diploma.

            Voor de andere categorieën valt er op dat ook het lager secundair technisch (A3) hoog scoort.  Eén op de tien van de ouders van de respondenten heeft dit als hoogst behaald diploma.  Respectievelijk 9,3 en 11,4 % bij ouder 1 en ouder 2.  Gelijkaardige cijfers vinden we terug bij de universitairen.  11,4% en 7,5 % van beide ouders van de respondenten hebben aan de universiteit gestudeerd.  Tot slot is er de groep die in hun laatste schoolperiode het hoger secundair algemeen vormend onderwijs gevolgd heeft.  Deze categorie bedraagt 8,6 en 8,9 % en vertegenwoordigt daarmee ook een beduidend aantal respondenten en diens achtergrond.

 

Tabel 10: Onderwijsniveau van ouders respondenten

 

Onderwijsniveau ouder 1

Onderwijsniveau ouder 2

Frequentie

Percentage (in %)

Frequentie

Percentage (in %)

Geen

1

0,4

4

1,4

Lager onderwijs

8

2,9

6

2,1

Lager secundair beroeps

10

3,6

13

4,6

Lager secundair technisch (A3)

26

9,3

32

11,4

Lager secundair algemeen vormend

5

1,8

13

4,6

Hoger secundair beroeps

12

4,3

24

8,6

Hoger secundair technisch (A2)

66

23,6

53

18,9

Hoger secundair algemeen vormend

24

8,6

25

8,9

Niet universitair hoger onderwijs

70

25,0

52

18,6

Universitair hoger onderwijs

32

11,4

21

7,5

Andere of twijfel

16

5,7

22

7,9

Missing

10

3,6

15

5,4

Totaal

280

100

280

100

 

 

2. Verband tussen politieke kennis en politieke participatie naar socialisatiecontext

 

DEEL I: Individuele kenmerken van de respondenten

 

1. Geslacht

 

1.1. Politieke kennis naar geslacht

 

Vooraleer we de politieke kennis naar geslacht bespreken is het noodzakelijk om wat meer uitleg te geven over de manier waarop de politieke kennis bij de jongeren is gemeten.  Om de resultaten van deze steekproef in een later stadium te vergelijken met de volwassenen, is er onder andere gebruik gemaakt van de vragen die in het ISPO-onderzoek van het jaar 1995[168] opgenomen zijn.  Het gaat hier meerbepaald over het verklaren van een aantal begrippen, de kennis van de samenstelling van de federale en de Vlaamse regering, het opsommen van een vijftal ministers om tot slot deze ministers op het juiste niveau te plaatsen.  Om eveneens een Europese dimensie aan de vragenlijst te geven, werden er twee vragen over de Europese Unie toegevoegd.  Aan de respondenten werd gevraagd wie ons land als commissaris in de Europese Commissie vertegenwoordigt en of ze de tien nieuwe lidstaten van de EU op een lijstje konden aanduiden.  De juiste antwoorden op al deze vragen werden opgeteld zodat we een maximum van 27 mogelijke ‘punten’ konden toekennen en we de politieke kennis in vergelijkend perspectief konden analyseren.

Bij het vergelijken van de jongens en de meisjes in dit onderzoek wat de politieke kennis betreft, komen we tot verschillende vaststellingen.  Bij het vergelijken van de gemiddelden zien we dat meisjes iets minder op de hoogte zijn van de politiek dan jongens.  De eerste groep scoort gemiddeld 12,7 op een totaal van 27 vragen (47 %) over de politiek, de jongens scoren iets hoger, namelijk 13,7 (50,7 %).  Bij het vergelijken van de gemiddelden met een t-toets blijkt dat dit verschil niet significant bevonden is (p-waarde: 0,156). 

 

1.2. Politieke participatie naar geslacht

 

1.2.1. Mediagebruik naar geslacht

 

1.2.1.1. Mediagebruik in het algemeen naar geslacht

 

Tabel 11: Kruistabel van de frequentie krant lezen naar geslacht (in %)

 

Geslacht

Jongens

Meisjes

Elke dag

25

22,1

3x per week

16,7

15,7

1x per week

21,3

22,1

3x per maand

7,4

8,7

1x per maand

13,9

13,4

Nooit

15,7

18

Totaal N

                In %

108

100

172

100

Chi-square: 0,654  df: 5  p-value: 0,985

 

De tabel met de frequentie krant lezen toont slechts kleine verschillen tussen jongens en meisjes.  Er is dan ook geen verschil in significantie vastgesteld.  De grootste krantlezers zijn weliswaar de jongens waarbij één vierde elke dag de krant leest.  Ook 22,1 % van de meisjes probeert iedere dag op de hoogte te blijven van de actualiteit door gebruik te maken van de krant als mediamiddel.  Ook het aantal jongeren dat de krant 1x per week leest, is bij beide groepen goed vertegenwoordigd en bedraagt iets meer dan één vijfde van de jongeren.

            Bij het tv-kijken merken we eveneens weinig significante verschillen op.  De meisjes zijn de grootste televisiekijkers, maar ook de jongens kijken graag tv.  Opnieuw is er consensus bij de beide groepen wat betreft het aantal uren per dag kijken.  De meeste jongeren kijken één à twee uur per dag naar de televisie. 

Als we de zendervoorkeur nagaan merken we wel significante verschillen tussen de beide geslachten (p-waarde: 0,001)[169].  De voorkeur van de meisjes gaat duidelijk uit naar de programma’s die VTM op tv brengt.  Eén vierde (25,1%) spreekt hier zijn duidelijke voorkeur uit, dit in tegenstelling tot de jongens waar slechts 10,6 % geboeid is door de VTM-programma’s.  De uitgesproken voorkeur (38,5 %) van de jongens gaat naar VT4.  Deze zender komt met slechts 21,6 % op de tweede plaats bij de meisjes tussen de jongeren.  Op de tweede plaats bij de jongens staat TV1 (21,2 %).

 

Tabel 12: Kruistabel van de frequentie tv-kijken op een normale weekdag naar geslacht (in %)

 

Geslacht

Jongens

Meisjes

> 3 uur per dag

11,1

12,8

2-3 uur per dag

25

30,2

1-2 uur per dag

40,7

36,6

< 1 uur per dag

21,3

19,8

Nooit

1,9

0,6

Totaal N

                In %

108

100

172

100

Chi-square: 2,167  df: 4  p-value: 0,705

 

            Bij het bekijken van de volgende tabel zien we een significant verschil tussen jongens en meisjes wat de frequentie internetgebruik buiten de schooluren betreft (p-waarde: 0,016).  De grootste groep jongens, 37,4 %, maakt meer dan 11x per week gebruik van het internet.  De groep meisjes die evenveel op internet zit, is slechts beperkt tot 18,9 %.  De meerderheid van de meisjes onder de jongeren uit deze steekproef gebruikt het internet tussen de twee à vijf keer per week.

 

Tabel 13: Kruistabel van de frequentie internetgebruik buiten de schooluren naar geslacht (in %)

 

Geslacht

Jongens

Meisjes

>11x per week

37,4

18,9

6-10x per week

23,4

28,4

2-5x per week

26,2

38,5

1x per week

8,4

9,5

Nooit

4,7

4,7

Totaal  N

                 In %

107

100

169

100

Chi-square: 12,196  df: 4  p-value: 0,016

 

1.2.1.2. Politiek mediagebruik naar geslacht

 

Bij geen enkel politiek mediagebruik is er bij de statistische analyses een significant verschil gevonden tussen de jongens en de meisjes.  Het valt wel op dat bij praktisch elke vorm van politiek mediagebruik de jongens iets meer gebruik maken van deze middelen om op de hoogte te blijven van de politieke actualiteit.  Dit is vooral het geval bij het volgen van de politiek op het internet.  Een opvallend element is dat vooral de programma’s die gedurende de verkiezingen op radio of tv te zien of te horen zijn de jongeren kan aanspreken.

 

Tabel 14: Kruistabel van het politiek mediagebruik naar geslacht (in %)

 

Politiek in krant

Politiek op radio/tv

Volgen verkiezingen op radio/tv

Politiek op internet

Jongens

Meisjes

Jongens

Meisjes

Jongens

Meisjes

Jongens

Meisjes

(Bijna) altijd

3,7

1,7

2,8

1,8

16,8

9,3

0

0

Vaak

6,5

5,8

16,8

8,8

18,7

15,7

4,6

0,6

Zo nu en dan

27,8

23,8

30,8

34,5

33,6

34,3

11,1

6,5

Zelden

36,1

39

33,6

35,7

18,7

26,2

35,2

37,3

Nooit

25,9

29,7

15,9

19,3

12,1

14,5

49,1

55,6

Totaal N

           In %

108

100

172

100

107

100

171

100

107

100

172

100

108

100

169

100

 

Chi-square: 1,942  df: 4

p-value: 0,746

Chi-square: 4,699 

df: 4

p-value: 0,320

Chi-square: 5,277 

df: 4 

p-value: 0,260

Chi-square: 7,252

df: 3 

p-value: 0,064

 

1.2.2. Politieke discussie naar geslacht

 

Als we kijken naar de mate waarin de jongeren met hun vrienden over politiek discussiëren, zien we een significant verschil opduiken tussen jongens en meisjes.  Hoewel de groep jongens die vaak met hun vrienden over politiek discussieert slechts 10,2 % bedraagt, is dit nog steeds 5x meer dan bij de meisjes. 

            In deze discussie zullen jongens en meisjes gelijkaardig reageren ten opzichte van hun vrienden en zullen slechts in beperkte mate anderen voor hun eigen mening proberen te winnen. 

 

Tabel 15: Kruistabel van politieke discussie en mate voor eigen politieke mening te winnen

naar geslacht (in %)

 

Discussiëren met vrienden over politiek

Anderen voor eigen politieke mening proberen te winnen

Jongens

Meisjes

Jongens

Meisjes

(Bijna) altijd

0

0

2,8

1,8

Vaak

10,2

2,3

8,3

5,3

Zo nu en dan

33,3

22,1

19,4

20,7

Zelden

38

44,8

31,5

28,4

Nooit

18,5

30,8

38

43,8

Totaal N

           In %

108

100

172

100

108

100

169

100

 

Chi-square: 15,397 

df: 3 

p-value: 0,002

Chi-square: 2,025 

df: 4 

p-value: 0,731

 

1.3. Vertrouwen in instellingen naar geslacht

 

Bij het nagaan van eventuele verschillen tussen jongens en meisjes wat het vertrouwen in politieke instellingen betreft, is er enkel een significant verschil vastgesteld bij het vertrouwen in politieke partijen (p-waarde: 0,035).  Jongens hebben blijkbaar meer vertrouwen in de politieke partijen dan meisjes. Een ander opvallend element dat voor alle politieke instellingen geldt, is dat meisjes over het algemeen neutraler zijn en dus hoger scoren in de ‘noch veel, noch weinig’- categorie dan de jongens.  Een andere bemerking is dat de overheid het meeste vertrouwen inboezemt in vergelijking met de politieke partijen en de politici. 

            Waar beide groepen eerder wantrouwig staan tegenover de politieke instellingen, kunnen we stellen dat er globaal gezien een groter vertrouwen is in zowel de wetenschap als het onderwijs. Hoewel er geen significante verschillen werden ontdekt, kunnen we toch een aantal interessante vaststellingen maken.  In de groep waar de jongeren betuigen ‘heel veel’ vertrouwen te hebben in de wetenschap vinden we de helft meer jongens dan meisjes terug.  De meisjes blijken dan iets meer vertrouwen te hebben in het onderwijs dan de jongens.

 

Tabel 16: Kruistabel van vertrouwen in politieke instellingen naar geslacht (in %)

 

Politieke partij

Politici

Overheid

Jongens

Meisjes

Jongens

Meisjes

Jongens

Meisjes

Heel veel

0

0

1

0

1,9

0,6

Eerder veel

16,2

6,7

7,8

7

23,3

16,8

Noch veel, noch weinig

43,8

52

49

51,6

43,7

49,7

Eerder weinig

27,6

34

30,4

31,2

19,4

25,2

Heel weinig

12,4

7,3

11,8

10,2

11,7

7,7

Totaal N

               In %

105

100

150

100

102

100

157

100

103

100

155

100

 

Chi-square: 8,617

df: 3 

p-value: 0,035

Chi-square: 1,834 

df: 4 

p-value: 0,766

Chi-square: 4,633

df: 4 

p-value: 0,327

 

Tabel 17: Kruistabel van vertrouwen in de wetenschap en het onderwijs naar geslacht (in %)

 

Wetenschap

Onderwijs

Jongens

Meisjes

Jongens

Meisjes

Heel veel

26,7

13,2

8,4

8,2

Eerder veel

54,3

61,6

52,3

56,5

Noch veel, noch weinig

11,4

17

23,4

29,4

Eerder weinig

3,8

4,4

12,1

4,1

Heel weinig

3,8

3,8

3,7

1,8

Totaal N

               In %

105

100

159

100

107

100

170

100

 

Chi-square: 8,127 

df: 4 

p-value: 0,087

Chi-square: 7,973

df: 4 

p-value: 0,093

 

1.4. Politieke voorkeur naar geslacht

 

De statistische analyses wijzen uit dat jongens een significant verschillende stem uitbrengen dan meisjes (p-waarde: 0,025).  De partijvoorkeur van 29,9 % van de jongens gaat uit naar het Vlaams Blok.  Deze partij heeft bij de meisjes de helft minder stemmen, namelijk 14,7 %.  De absolute voorkeur van de meisjes ligt bij de meer traditionele CD&V/N-VA (31,3 %).  Dit is tevens de tweede grootste partij bij de jongens (26,8 %).  Een andere vaststelling vinden we terug bij de blanco-stemmen, waar 18% van de meisjes nog niet goed weet welke stem ze zullen uitbrengen.  Dit in tegenstelling tot de jongens waar slechts 10,3 % blanco zou stemmen.

 

Tabel 18: Kruistabel van partijvoorkeur naar geslacht (in %)

 

Partijvoorkeur

Totaal

Jongens

Meisjes

Groen!

7,2

13,3

10,9

CD&V/N-VA

26,8

31,3

29,6

PVDA

2,1

0

0,8

SP.A -SPIRIT

12,4

12

12,1

Vlaams Blok

29,9

14,7

20,6

VLD

11,3

10,7

10,9

Blanco

10,3

18

15

Totaal  N

                In %

97

100

150

100

247

100

 

Chi-square: 14,493 

df: 6 

p-value: 0,025

 

 

            We zien ook een significant verschil als we de stembereidheid nagaan van de beide groepen (p-waarde: 0,003)[170].  Maar liefst 72,6 % van de jongens gaat akkoord om te gaan stemmen indien dit niet verplicht zou zijn.  Dit cijfer ligt beduidend hoger dan bij de meisjes.  Daar zou 55 % gaan stemmen indien er geen stemplicht was.

            Over wat de ideale stem-leeftijd[171] is, bestaat er consensus tussen de twee groepen.  Beide zijn het er over eens dat 18 jaar een goede leeftijd is.  Toch is er een verschil te zien als we stemrecht op 16 of 21 jaar bekijken.  Waar er meer jongens zijn die stemrecht op 16 jaar willen (21,3 %), is dit totaal niet het geval bij meisjes (12,9 %).  We zien zelfs dat de groep meisjes die liever zouden gaan stemmen op 21 jaar (19,9 %) groter is dan bij de jongens (14,8 %).  Aldus denkt één vijfde van de meisjes pas op 21 jaar rijp genoeg te zullen zijn om te gaan stemmen.  Iets meer dan één vijfde van de jongens denken dan op hun beurt dat 16 jaar ideaal is.  Toch is de overgrote meerderheid het eens met 18 jaar als stemgerechtigde leeftijd. 

 

1.5. Besluit

 

Hoewel er in deze steekproef meer meisjes dan jongens zijn vertegenwoordigd, kunnen we toch een aantal duidelijke verschillen vaststellen.  In de lijn van de verwachting valt het meteen op dat de jongens meer geïnteresseerd zijn in de politiek dan de meisjes.  Jennings en Niemi stelden dit reeds in 1981 vast.  Daarenboven vonden deze auteurs dat deze kloof sinds de adolescentie alleen maar verbreedde naarmate de jongeren ouder werden.  Voor dit onderzoek geldt dat jongens meer discussiëren over politiek dan de meisjes.  Ook bij het politiek engagement bij de jongeren vinden we dit verschil terug.  Indien de stemplicht zou vervangen worden door het stemrecht dan zou één vierde van de jongens afhaken.  Bij de meisjes zou bijna de helft niet meer gaan stemmen.  Het dikwijls gebruikte argument dat vrouwen geen tijd hebben om te gaan stemmen omdat zij voor het huishouden en de kinderen moeten zorgen, wordt hier weerlegd.  Blijkbaar zien we de verschillen in politieke participatie naar geslacht al terug tijdens de adolescentie.  Aangezien de omgevingsfactoren voor de jongeren op die leeftijd toch in grote mate gelijk zijn, heeft dit verschil in interesse misschien toch wel te maken met een verschillend rollenpatroon dat de maatschappij wordt opgelegd, zoals Hess en Torney beweren.  Dit verschil in interesse heeft echter geen effect op de politieke kennis in deze steekproef: meisjes weten evenveel over de politiek dan jongens.  Hiermee kunnen we de onderzoeksgegevens van Torney-Purta bevestigen.

Wat het mediagebruik betreft merken we dat jongens meer gebruik maken van het internet dan meisjes.  Voor deze eerste groep is de stap kleiner om het internet voor politieke doeleinden te gebruiken, dit gebeurt dan ook.  Een laatste belangrijke vaststelling heeft te maken met het verschil in partijvoorkeur naar geslacht.  De jongens uit deze steekproef stemmen maar liefst dubbel zo veel op het Vlaams Blok dan de meisjes.  Meisjes zullen vervolgens op hun beurt twee keer meer blanco stemmen dan jongens.  Kortom, uit dit onderzoek blijkt dat jongens en meisjes politiek op een verschillende manier benaderen.  Maar wat is de oorzaak van deze kloof tussen mannen en vrouwen wat politieke interesse en participatie betreft?  Volgens de resultaten van dit onderzoek blijkt duidelijk dat het verschil al op jonge leeftijd zichtbaar is.  Het lijkt ons interessant om in plaats van deze kloof gewoon vast te stellen, eens na te gaan wat hiervan de oorzaak is.  Heeft het te maken met de verschillende maatschappelijke rol die het meisje wordt opgelegd of is zoals Verba beweert het politieke leven te vergelijken met sport.  Volgens deze onderzoeker is politiek gewoon een mannenzaak waarin de belangrijkste sleutelfiguren mannen zijn.  Het lijkt ons zeker de moeite om deze piste verder uit te spitten.

 

2. Onderwijsvorm

 

2.1. Politieke kennis naar onderwijsvorm

 

Bij het nagaan van het verschil in politieke kennis naar onderwijsvorm, komen we tot een aantal vaststellingen.  Bij het vergelijken van de gemiddelden van de scores op de vragen over politieke kennis zien we een stijging van de kennis naargelang de onderwijsvorm.  In het BSO is de gemiddelde score 9,7 op de 27 vragen (35,9 %), in het TSO ligt het gemiddelde met een score van 13 (48,1 %) een stuk hoger en in het ASO gaat het hier over een gemiddelde score van 15,1 (55,9 %).  Deze verschillen werden significant bevonden (p-waarde: 0,000) bij het vergelijken van de gemiddelden met de Kruskal-Wallis toets.  We kunnen dus stellen dat leerlingen uit het ASO het best geïnformeerd zijn over de politiek en dat de leerlingen uit het BSO de laagste politieke kennis hebben.

 

2.2. Politieke participatie naar onderwijsvorm

 

2.2.1. Mediagebruik naar onderwijsvorm

 

2.2.1.1. Mediagebruik in het algemeen naar onderwijsvorm

 

De statistische analyses ontdekten geen significante verschillen naar onderwijsvorm wat de frequentie krant lezen betreft. 

 

Tabel 19: Kruistabel van de frequentie krant lezen naar onderwijsvorm (in %)

 

Onderwijsvorm

ASO

TSO

BSO

Elke dag

22,9

24,4

22,2

3x per week

18,6

12,2

16,7

1x per week

20,3

24,4

20,8

3x per maand

8,5

8,9

6,9

1x per maand

11

14,4

16,7

Nooit

18,6

15,6

16,7

Totaal    N

          In %

118

100

90

100

72

100

Chi-square: 3,486  df: 10  p-value: 0.968

           

Er zijn wel verschillen te vermelden als we de frequentie tv-kijken van dichterbij bekijken (p-waarde: 0,005).  Maar liefst 26,4 % van de leerlingen uit het BSO kijken meer dan drie uur per dag naar de televisie, terwijl deze percentages bij de andere onderwijsvormen beduidend lager liggen.  Bij respectievelijk ASO en TSO, kijken slechts 8,5 % en 5,6 % meer dan drie per dag tv.  Toch vinden we bij alle drie de onderwijsvormen de grootste groep terug bij ‘1-2 uur per dag’ tv kijken. 

 

Tabel 20: Kruistabel van de frequentie tv-kijken op een normale weekdag naar onderwijsvorm (in %)

 

Onderwijsvorm

ASO

TSO

BSO

> 3 uur per dag

8,5

5,6

26,4

2-3 uur per dag

26,3

32,2

26,4

1-2 uur per dag

43,2

40

27,8

< 1 uur per dag

21,2

20

19,4

Nooit

0,8

2,2

0

Totaal       N

            In %

118

100

90

100

72

100

Chi-square: 22,228  df: 8  p-value: 0,005

 

            Ook bij het nagaan van de favoriete zender van de jongeren, zien we significante verschillen opduiken (p-waarde: 0,000)[172].  De uitgesproken favoriet van de leerlingen van het ASO is TV1 (29,1 %).  De tweede meest populaire zender voor deze groep is VT4 (18,8 %).  Zowel bij het TSO (36,8 %) als het BSO (32,8 %) is deze laatste zender, VT4, de grootste aandachtstrekker van de jongeren.

We stellen ook een significant verschil vast bij de frequentie internetgebruik buiten de schooluren naar onderwijsvorm (p-waarde: 0,008).  Zowel bij het ASO als het TSO vinden we de grootste groep terug bij degenen die tussen twee à vijf keer per week op het internet zitten.  Bij het BSO echter, maken de meeste leerlingen meer dan 11x per week gebruik van het internet.  Als we er vervolgens de leerlingen bijtellen die meer dan zes keer per week op het internet zitten, kunnen we vaststellen dat de grootste internetgebruikers zich tussen de BSO-leerlingen bevinden.

 

Tabel 21: Kruistabel van de frequentie internetgebruik buiten de schooluren naar

onderwijsvorm (in %)

 

Onderwijsvorm

ASO

TSO

BSO

>11x per week

22,2

19,1

41,4

6-10x per week

26,5

29,2

22,9

2-5x per week

38,5

40,4

17,1

1x per week

6,8

7,9

14,3

Nooit

6

3,4

4,3

Totaal  N

                 In %

117

100

89

100

70

100

Chi-square: 20,591  df: 8  p-value: 0,008

           

2.2.1.2. Politiek mediagebruik naar onderwijsvorm

 

Bij het vergelijken van het politiek mediagebruik van de jongeren in de steekproef naar onderwijsvorm, kunnen we de volgende zaken vaststellen.  Zo zijn er op bijna alle vormen van politiek mediagebruik significante verschillen waar te nemen.  Enkel bij het volgen van de politiek in de krant zijn er nauwelijks verschillen te ontdekken tussen het ASO, het TSO en het BSO. 

Dit kunnen we niet zeggen van de andere politieke mediamiddelen.  Zo is er een verband te zien bij het volgen van de politieke actualiteit op radio of tv.  In alle ‘positieve’ categorieën, dit zijn ‘(bijna) altijd’, ‘vaak’ en ‘zo nu en dan’, is het percentage van de ASO-leerlingen groter dan dat van de leerlingen van het TSO.  Vervolgens stellen we vast dat het percentage TSO-leerlingen die de politiek op radio of tv volgen groter is dan dat van de leerlingen van het BSO.  De grootste categorie van deze laatste bevindt zich dan ook bij degenen die de politiek op radio of tv nooit volgen (33,8 %). Deze cijfers gaan de hoogte in als er verkiezingsprogramma’s te horen of te zien zijn. De meeste jongeren, van welke onderwijsvorm dan ook, proberen zo nu en dan de politiek tijdens de verkiezingen te volgen.  De leerlingen vanuit het ASO en het TSO zullen dit vaker doen dan de jongeren uit het BSO.  Ook bij degenen die de politiek op dat moment nooit zullen volgen, heeft het BSO (27,8 %) een grote voorsprong ten opzichte van het ASO (9,4 %) en het TSO (7,8 %).  Ook het volgen van de politiek via het internet verloopt gelijkaardig.  De leerlingen uit het ASO gebruikt het internet iets meer voor politieke doeleinden dan het geval is in het TSO.  De leerlingen uit het BSO gebruiken het minst van al het internet voor het opzoeken van politieke informatie.

 

Tabel 22: Kruistabel van het politiek mediagebruik naar onderwijsvorm (in %)

 

Politiek in krant

Politiek op radio/tv

Volgen verkiezingen op radio/ tv

Politiek op internet

ASO

TSO

BSO

ASO

TSO

BSO

ASO

TSO

BSO

ASO

TSO

BSO

(Bijna)

altijd

4,2

1,1

1,4

2,6

2,2

1,4

13,7

14,4

6,9

0

0

0

Vaak

6,8

8,9

1,4

13,7

12,2

8,5

24,8

13,3

8,3

4,3

1,1

0

Zo nu en dan

28,8

22,2

23,6

39,3

30

26,8

33,3

36,7

31,9

6,8

10

8,6

Zelden

35,6

40

38,9

34,2

40

29,6

18,8

27,8

25

45,3

30

30

Nooit

24,6

27,8

34,7

10,3

15,6

33,8

9,4

7,8

27,8

43,6

58,9

61,4

Totaal N

           In %

118

100

90

100

72

100

117

100

90

100

71

100

117

100

90

100

72

100

117

100

90

100

70

100

 

Chi-square: 9,270

df: 8

p-value: 0,320

Chi-square: 19,118

df: 8

p-value: 0,014

Chi-square: 26,900

df: 8

p-value: 0,001

Chi-square: 12,814

df: 6

p-value: 0,046

 

2.2.2. Politieke discussie naar onderwijsvorm

 

Als we kijken naar de mate waarin de jongeren over politiek discussiëren, kunnen we het volgende vaststellen: er zijn significante verschillen naargelang de onderwijsvorm waartoe de respondent behoort (p-waarde: 0,002).  In het ASO praten de meeste leerlingen ‘zo nu en dan’ (36,4 %) of ‘zelden’ (38,1 %) over de politiek met hun vrienden.  In het TSO vinden we de grootste groep leerlingen (48,9 %) terug bij degenen die ‘zelden’ discussiëren over politiek met vrienden.  Ook leerlingen uit het BSO doen dit ‘zelden’, maar de meerderheid zegt dit zelfs nooit (41,7 %) te doen.

            Hoewel de meerderheid van de leerlingen ‘zelden’ tot ‘nooit’ anderen proberen te winnen voor hun eigen politieke mening, zien we toch een aantal verschillen naar onderwijsvorm.  Jongeren uit het ASO zullen dit meer proberen dan leerlingen uit het TSO en het BSO, terwijl de meeste leerlingen uit het BSO dit helemaal niet proberen.  Deze verschillen zijn weliswaar niet significant bevonden (p-waarde: 0,139).

 

Tabel 23: Kruistabel van politieke discussie en mate voor eigen politieke mening te winnen

naar onderwijsvorm (in %)

 

Politieke discussie met vrienden

Anderen voor eigen politieke mening proberen te winnen

ASO

TSO

BSO

ASO

TSO

BSO

(Bijna)

altijd

0

0

0

1,7

3,4

1,4

Vaak

4,2

7,8

4,2

6,8

7,9

4,2

Zo nu en dan

36,4

23,3

13,9

24,8

22,5

9,9

Zelden

38,1

48,9

40,3

32,5

22,5

33,8

Nooit

21,2

20

41,7

34,2

43,8

50,7

Totaal N

           In %

118

100

90

100

72

100

118

100

89

100

71

100

 

Chi-square: 21,087

df: 6

p-value: 0,002

Chi-square: 12,288

df: 8

p-value: 0,139

 

2.3. Vertrouwen in instellingen naar onderwijsvorm

 

De onderwijsvorm toont weinig significante verschillen wat het vertrouwen in politieke instellingen betreft.  Enkel bij het vertrouwen dat de leerlingen in politieke partijen stellen is er een significant verschil (p-waarde: 0,011) tussen de onderwijsvormen bevonden.  De meeste leerlingen staan eerder neutraal ten opzichte van politieke partijen.  In het ASO is dit bijna de helft van de leerlingen (49,6 %).  De tweede grootste groep ASO-leerlingen stelt ‘eerder weinig’ vertrouwen in deze instelling (34,8 %).  Zowel in het TSO als in het BSO kunnen we gelijkaardige conclusies vaststellen.  In het BSO zijn er wel meer jongeren die wantrouwig staan ten opzichte van politieke partijen (21,7 %).

            Het vertrouwen in politici verloopt in dezelfde trend, maar hier werden weliswaar geen significante verschillen vastgesteld (p-waarde: 0,186). De meeste leerlingen staan eerder neutraal ten opzichte van politici.  De tweede grootste groepen zullen ‘eerder weinig’ vertrouwen stellen.   De onderwijsvorm dat zich uitgesproken negatief uitlaat over politici is het BSO waar 17,5 % ‘heel weinig’ vertrouwen heeft. 

            Opnieuw vinden we bij het vertrouwen in de overheid de grootste groepen terug bij het neutrale standpunt.  Dit keer is in zowel het ASO als in het TSO een meer positieve noot te horen.  Eén vijfde van hun leerlingen beweren ‘eerder veel’ vertrouwen te hebben in deze politieke instelling.  Toch is ‘eerder weinig’ weer in grote getale vertegenwoordigd.  Het BSO stelt het minst van al vertrouwen in de overheid.  De verschillen die hier vastgesteld werden, zijn weliswaar niet significant bevonden (p-waarde: 0,347).

           

Tabel 24: Kruistabel van vertrouwen in politieke instellingen naar onderwijsvorm (in %)

 

Politieke partij

Politici

Overheid

ASO

TSO

BSO

ASO

TSO

BSO

ASO

TSO

BSO

Heel veel

0

0

0

0,9

0

0

0,9

1,3

1,6

Eerder veel

11,3

13,8

5

7,1

10,7

3,2

22,6

20

12,7

Noch veel, noch weinig

49,6

30

26,7

49,1

52,4

50,8

51,3

42,5

46

Eerder weinig

34,8

30

26,7

36,6

25

28,6

20

26,3

23,8

Heel weinig

4,3

7,5

21,7

6,3

11,9

17,5

5,2

10

15,9

Totaal N

          In %

115

100

80

100

60

100

112

100

84

100

63

100

115

100

80

100

63

100

 

Chi-square: 16,565

df: 6

p-value: 0,011

Chi-square: 11,278

df: 8

p-value: 0,186

Chi-square: 8,942

df: 8

p-value: 0,347

 

            Zoals we reeds vastgesteld hadden, ligt het vertrouwen in het onderwijs en de wetenschap heel wat hoger dan in de politieke instellingen.  De verscheidene onderwijsvormen hebben een significant andere mening over de wetenschap (p-waarde: 0,000).  We zien dat de meeste leerlingen ‘eerder veel’ vertrouwen in de wetenschap vertonen.  In het ASO en het TSO liggen deze cijfers boven de 60 %.  Ook in het BSO schenken de meeste jongeren hun vertrouwen aan de wetenschap (45,2 %), maar anderen benaderen wetenschap toch op een neutrale manier of zelfs wantrouwig. 

            Wat betreft het vertrouwen in het onderwijs, zien we opnieuw significante verschillen naar onderwijsvorm (p-waarde: 0,000).  In het ASO stelt bijna 80 % van de leerlingen vertrouwen in het onderwijs.  In het TSO daalt dit cijfer, maar toch is een duidelijke meerderheid positief over het onderwijs.  De meeste leerlingen uit het BSO bevestigen ook hun vertrouwen in het onderwijs (45,7 %), maar de anderen staan, gelijkaardig als met de wetenschap, eerder neutraal of negatief ten opzichte van het onderwijs.

 

Tabel 25: Kruistabel van vertrouwen in de wetenschap en het onderwijs naar onderwijsvorm

(in %)

 

Wetenschap

Onderwijs

ASO

TSO

BSO

ASO

TSO

BSO

Heel veel

25,9

17,4

6,5

15,3

5,6

0

Eerder veel

61,2

65,1

45,2

63,6

50,6

45,7

Noch veel, noch weinig

9,5

12,8

27,4

18,6

29,2

38,6

Eerder weinig

2,6

1,2

11,3

2,5

11,2

10

Heel weinig

0,9

3,5

9,7

0

6,4

5,7

Totaal N

           In %

116

100

86

100

62

100

118

100

89

100

70

100

 

Chi-square: 38,517

df: 8

p-value: 0,000

Chi-square: 35,470

df: 8

p-value: 0,000

 

2.4. Politieke voorkeur naar onderwijsvorm

 

Bij het bekijken van de partijvoorkeur naar onderwijsvorm zien we opmerkelijke, significante verschillen (p-waarde: 0,016).  In de eerste plaats zien we in het ASO een uitgesproken voorkeur voor de CD&V/N-VA met maar liefst 40,9 %.  Andere populaire partijen zijn Groen!, het Vlaams Blok en de VLD.  Slechts 9,1 % van de leerlingen uit het ASO geeft zijn voorkeur uit aan het kartel SP.A-Spirit en is daarmee op één na (PVDA) de slechtst scorende partij in deze onderwijsvorm.  In het TSO ligt de partijvoorkeur van de leerlingen dichter bij elkaar.  De meeste leerlingen stemmen hier op het Vlaams Blok (24,7 %).   Daarnaast scoort ook CD&V/N-VA (20,8 %) goed, net zoals het SP.A-Spirit-kartel (19,5 %) dat aldus in het TSO heel wat populairder is dan in het ASO.  Ook de jongeren uit het BSO duiden het Vlaams Blok (31,7 %) aan als de partij waar hun voorkeur naar uit gaat.  Eén vijfde van de leerlingen (20 %) zou op de CD&V/N-VA stemmen. De andere partijen zijn minder populair.  Wat bij deze onderwijsvorm tevens opvalt is dat het aantal blanco-stemmers hier heel wat groter ligt (20 %) in vergelijking met de andere types.

 

Tabel 26: Kruistabel van partijvoorkeur naar onderwijsvorm (in %)

 

Onderwijsvorm

Totaal

ASO

TSO

BSO

Groen!

12,7

10,4

8,3

10,9

CD&V/N-VA

40,9

20,8

20

29,6

PVDA

0,9

1,3

0

0,8

SP.A -SPIRIT

9,1

19,5

8,3

12,1

Vlaams Blok

11,8

24,7

31,7

20,6

VLD

10,9

10,4

11,7

10,9

Blanco

13,6

13

20

15

Totaal  N

               In %

110

100

77

100

60

100

247

100

 

Chi-square: 24,757 

df: 12

p-value: 0,016

 

 

            Als we vergelijken in welke mate de leerlingen uit de verscheidene onderwijsvormen bereid zijn om te gaan stemmen indien dit niet verplicht zou zijn, constateren we een aantal opmerkelijke, significante verschillen (p-waarde: 0,011)[173].  De stembereidheid daalt naargelang men het ASO, TSO en het BSO bekijkt.  In het ASO is maar liefst 68,4 % van de leerlingen bereid om te gaan stemmen, in het TSO is dit 64,8 %.  In het BSO is slechts 47,2 % van de leerlingen bereid om te gaan stemmen indien er geen verplichting zou bestaan.  De motivatie bij deze groep wat de politieke participatie betreft, is dus een stuk minder dan deze bij de andere onderwijsvormen. 

            Als we stilstaan bij wat de leerlingen als ideale stemleeftijd beschouwen, zien we in het BSO meer voorstanders voor stemrecht op 16 jaar (25 %), in vergelijking met het ASO (12,7 %) en het TSO (13,5 %).  Hieruit kunnen we afleiden dat degenen vanuit het BSO het liefst hun politieke stem zo vroeg mogelijk laten klinken.  Toch zijn de meeste jongeren uit de verscheidene onderwijsvormen het eens over de ideale stemleeftijd, namelijk bij 18 jaar.  De verschillen zijn dan ook niet significant bevonden (p-waarde: 0,196)[174].

 

2.5. Besluit

 

Als we stilstaan bij het opleidingsniveau van de jongere, merken we een groot aantal significante verschillen op.  Zo zien we als eerste belangrijke vaststelling dat de specifieke onderwijsvorm van de jongere een invloed heeft op de graad van politieke kennis.  Leerlingen uit het ASO blijken een grotere politieke kennis te hebben dan leerlingen uit het TSO.  Studenten uit het TSO blijken dan op hun beurt over een grotere politieke kennis te beschikken dan de jongeren uit het BSO.  Een zijbemerking hierbij is dat de leerlingen uit het BSO nochtans meestal als één van de enige in hun school specifieke politieke thema’s krijgen aangeboden zoals Pakket Algemene Vakken of Maatschappelijke Vorming.  Toch scoren zij het laagst in politieke kennis.  Vandaar dat Dewachter en Fiers een inhoudelijk voorstel op tafel proberen te leggen om de overheid te overtuigen een specifieke politieke vorming door te voeren. Dit opdat een grotere politieke kennis eveneens een grotere politieke betrokkenheid veroorzaakt wat op zijn beurt een betere democratie oplevert.  Want ook bij de stembereidheid indien er geen verplichting tot stemmen bestaat, zien we hetzelfde patroon.  Leerlingen uit het ASO hebben een grotere neiging om te gaan stemmen dan leerlingen uit het TSO.  Studenten uit het BSO zijn minst van al bereid om te gaan stemmen.  Hetzelfde verloop werd ontdekt bij de mate waarin men met zijn vrienden over politiek discussieert.  Hieruit kunnen we besluiten dat hoe meer men over politiek discussieert, hoe groter de vastgestelde kennis bij de jongeren zal zijn, of omgekeerd.

We zien ook een aantal grote verschillen terug in de politieke voorkeur van de leerlingen.  Waar leerlingen uit het ASO massaal op de CD&V/NVA stemmen (41 %), is de grootste partij in het TSO (25 %) en het BSO (32 %) het Vlaams Blok.  Wat het mediagebruik betreft, zien we dat de leerlingen uit het BSO significant meer tv-kijken en het internet gebruiken dan de leerlingen uit de andere onderwijsvormen.  In de zendervoorkeur merken we dat waar studenten uit het ASO TV1 als favoriete zender verkiezen, de leerlingen uit andere opleidingsniveau’s eerder VT4 verkiezen.  Bij de keuze van de voornaamste nieuwsbron om de politieke actualiteit te volgen, stellen we telkens, op de kranten na, een significant verschil naar onderwijsvorm vast.  Opnieuw merken we hetzelfde patroon: leerlingen uit het ASO maken meer gebruik van de vernoemde mediabronnen (tv, radio, internet) om te politiek te volgen dan leerlingen uit het TSO.  Ook hier wordt er bij de leerlingen uit het BSO het minste gebruik gemaakt van deze mediamiddelen.  Als we echter kijken naar het vertrouwen die de leerlingen in de wetenschap en het onderwijs stellen merken we andere significante verschillen op.  Leerlingen uit het ASO en TSO zijn het meest vertrouwensvol wat de wetenschap betreft.  Het vertrouwen in het onderwijs leunt bij de jongeren uit het TSO eerder aan bij de leerlingen uit het BSO die in mindere mate vertrouwen in deze instelling stellen.  Het opleidingsniveau dat de jongere volgt, blijkt aldus mede bepalend te zijn voor de mate van politieke kennis, gebruik van politieke mediamiddelen, politieke discussie en politiek engagement.  Het lijkt ons interessant om in verder onderzoek na te gaan welke aanpak in het onderwijs de leerlingen zou kunnen motiveren op politiek vlak.  Leidt een theoretische aanpak tot een betere politieke kennis en engagement bij de jongeren of zou een praktijkgerichte strategie misschien een groter effect veroorzaken?  Zo zou de neerwaartse spiraal in politieke kennis, discussie en engagement bij de leerlingen uit het beroepsonderwijs de juiste richting kunnen uitgaan. 

 

3. Jaar

 

3.1. Politieke kennis naar jaar

 

In dit onderzoek is het van groot belang om de politieke kennis van de respondenten te vergelijken op basis van de onderzochte klassen, met name de vierdes en de zesdes.  Als we de gemiddelde politieke kennis vergelijken zien we al vlug een groot verschil.  Waar de vierdes een gemiddelde score van 11,8 goede antwoorden op 27 vragen (43,7 %) halen, scoren de zesdes 14,3 op 27 (55 %).  Bij het omrekenen van deze cijfers naar percentages, maakt dit het verschil uit tussen al dan niet ‘geslaagd’.  Ook bij het vergelijken van de gemiddelden van deze twee groepen, duidt de t-toets aan dat het verschil in politieke kennis significant is (p-waarde: 0,000).  We zien dus duidelijk een evolutie wat betreft de politieke kennis.  Naarmate de leerlingen ouder worden, weten ze beduidend meer over politiek.  Wat verder in het onderzoek staan we wat meer uitgebreid stil bij deze vaststelling waarop we de resultaten van de jongeren vergelijken met volwassenen.

 

3.2. Politieke participatie naar jaar

 

3.2.1. Mediagebruik naar jaar

 

3.2.1.1. Mediagebruik in het algemeen naar jaar

 

In de tabel zien we dat de meerderheid van de jongeren wekelijks de krant leest.  Op het eerste zicht lijken de zesdes dit meer te doen dan de vierdes.  Zo leest bijvoorbeeld één vierde van de zesdes elke dag de krant.  De grootste groep bij de vierdes leest slechts 1x per week de krant.  Maar volgens de statistische analyse zijn de verschillen tussen de verschillende jaren niet significant te noemen.

 

Tabel 27: Kruistabel van de frequentie krant lezen naar jaar (in %)

 

Jaar

Vierdes

Zesdes

Elke dag

21,1

25,4

3x per week

14,1

18,1

1x per week

22,5

21

3x per maand

9,9

6,5

1x per maand

16,2

10,9

Nooit

16,2

18,1

Totaal N

                In %

142

100

138

100

Chi-square: 3,886  df: 5  p-value: 0,556

 

            Ook de verschillen naar jaar wat het tv-kijken op een normale weekdag betreft zijn niet significant bevonden.  De grootste groep tv-kijkers ligt bij beide jaren in dezelfde categorie:  de vierdes en zesdes kijken het meest één à twee uur per dag naar tv.  Ook twee à drie uur tv-kijken per dag scoort hoog. 

            Er is wel een significant verschil op te merken als we de voorkeur voor een bepaalde tv-zender (p-waarde: 0,000) nagaan.  Vierdejaars kijken veel liever naar VTM (25,7 %) en muziekzenders (26,5 %) dan laatstejaars.  De uitgesproken favoriet van deze laatste is VT4 dat met 35,6 % de concurrenten ver achter zich laat.  TV1 (21,5%) komt bij de zesdejaars op de tweede plaats. 

 

Tabel 28: Kruistabel van de frequentie tv-kijken op een normale weekdag naar jaar (in %)

 

Jaar

Vierdes

Zesdes

> 3 uur per dag

15,5

8,7

2-3 uur per dag

27,5

29

1-2 uur per dag

33,1

43,5

< 1 uur per dag

21,8

18,8

Nooit

2,1

0

Totaal N

                In %

142

100

138

100

Chi-square: 7,916  df: 4  p-value: 0,950

 

            Een ander en meteen meest populaire vorm van mediagebruik is het internet.  Bij de volgende tabel valt er meteen op dat bij de intergebruikers tussen de jongeren maar liefst 86,2 % meer dan 1x per week het internet gebruikt.  De meest voorkomende categorie ligt zowel voor de vierde – als zesdejaars tussen de twee à vijf keren per week.  Er zijn geen significante verschillen ontdekt tussen deze twee groepen wat deze variabele betreft. 

 

Tabel 29: Kruistabel van de frequentie internetgebruik buiten de schooluren naar jaar (in %)

 

Jaar

Vierdes

Zesdes

>11x per week

22,7

29,6

6-10x per week

28,4

24,4

2-5x per week

32,6

34,8

1x per week

11,3

6,7

Nooit

5

4,4

Totaal  N

                 In %

141

100

135

100

Chi-square: 3,479  df: 4  p-value: 0,481

 

3.2.1.2. Politiek mediagebruik naar jaar

 

In dit onderzoek is het van belang om te meten in welke mate jongeren gebruik maken van de hedendaagse media voor politieke doeleinden.  De resultaten uit de volgende tabel zijn eerder ontgoochelend. Bij de onderzochte respondenten scoort het opzoeken van politieke informatie, in vergelijking met andere mediamiddelen, duidelijk het slechtst.  Wat nog opvalt, is dat de politieke interesse bij verkiezingen sterk de hoogte ingaat.

            De statistische analyses hebben voor geen enkel politiek mediagebruik een significant verschil tussen de vierdes en de zesdes vastgesteld.  Toch zien we dat bij het volgen van de politiek via het internet de zesdes iets meer gebruik maken van dit mediamiddel om de politieke actualiteit te volgen.

 

Tabel 30: Kruistabel van het politiek mediagebruik naar jaar (in %)

 

Politiek in krant

Politiek op radio/tv

Volgen verkiezingen op radio/tv

Politiek op internet

Vierdes

Zesdes

Vierdes

Zesdes

Vierdes

Zesdes

Vierdes

Zesdes

(Bijna) altijd

2,1

2,9

1,4

2,9

9,2

15,2

0

0

Vaak

3,5

8,7

9,3

14,5

17

16,7

0,7

3,7

Zo nu en dan

23,2

27,5

32,9

33,3

31,2

37

8,5

8,1

Zelden

41,5

34,1

37,9

31,9

24,8

31,7

31,2

41,9

Nooit

29,6

26,8

18,6

17,4

17,7

9,4

59,6

46,3

Totaal N

           In %

142

100

134

100

140

100

138

100

141

100

138

100

141

100

136

100

 

Chi-square: 4,996  df: 4

p-value: 0,288

Chi-square: 3,052 

df: 4

p-value: 0,549

Chi-square: 6,562 

df: 4 

p-value: 0,161

Chi-square: 7,296

df: 3 

p-value: 0,063

 

3.2.2. Politieke discussie naar jaar

 

Er is een significant verschil vastgesteld tussen de vierdes en de zesdes wat betreft het discussiëren met vrienden over politiek (p-waarde: 0,001).  De zesdes discussiëren duidelijk meer dan de vierdes met hun vrienden over politieke onderwerpen.  Hieruit kunnen we afleiden dat zesdes toch iets meer mee bezig zijn met de politiek dan hun twee jaar jongere collega’s.

Hoe de jongeren omgaan met verschillende meningen in een discussie, is blijkbaar niet zo verschillend van elkaar wat de verschillende jaren betreft.

 

Tabel 31: Kruistabel van politieke discussie en mate voor eigen politieke mening te winnen

naar jaar (in %)

 

Discussiëren met vrienden over politiek

Anderen voor eigen politieke mening proberen te winnen

Vierdes

Zesdes

Vierdes

Zesdes

(Bijna) altijd

0

0

2,1

2,2

Vaak

4,9

5,8

5

8

Zo nu en dan

16,2

37

20,7

19,7

Zelden

46,5

37,7

25,7

33,6

Nooit

32,4

19,6

46,4

36,5

Totaal N

           In %

142

100

138

100

140

100

137

100

 

Chi-square: 17,214 

df: 3 

p-value: 0,001

Chi-square: 4,104 

df: 4 

p-value: 0,392

 

3.3. Vertrouwen in instellingen naar jaar

 

De statistische analyses geven bij het testen van het vertrouwen in politieke instellingen naar jaar geen enkel significant verschil tussen de vierde -en de zesdejaars.  Deze laatste groep lijkt meer vertrouwen te hebben in de politieke instellingen dan de jongere vierdejaars, maar dit verschil is dus niet significant.  De meeste jongeren blijven evenwel onbeslist.

 

Tabel 32: Kruistabel van vertrouwen in politieke instellingen naar jaar (in %)

 

Politieke partij

Politici

Overheid

Vierdes

Zesdes

Vierdes

Zesdes

Vierdes

Zesdes

Heel veel

0

0

0,8

0

0

2,3

Eerder veel

9,4

11,8

7,7

7

15,7

22,9

Noch veel, noch weinig

51,6

45,7

49,2

51,9

44,9

49,6

Eerder weinig

26,6

36,2

30,8

31

27,6

18,3

Heel weinig

12,5

6,3

11,5

10,1

11,8

6,9

Totaal N

               In %

128

100

127

100

130

100

129

100

127

100

131

100

 

Chi-square: 5,312 

df: 3 

p-value: 0,150

Chi-square: 1,260 

df: 4 

p-value: 0,868

Chi-square: 9,016 

df: 4 

p-value: 0,061

 

            Bij het nagaan van de volgende tabel valt het op dat globaal gezien het vertrouwen in de wetenschap en het onderwijs heel wat groter is dan het vertrouwen in de politieke instellingen.  Tussen de vierdes en de zesdes werd er een significant verschil (p-waarde: 0,005) teruggevonden wat het vertrouwen in de wetenschap betreft.  Zesdejaars vertonen blijkbaar meer vertrouwen in de wetenschap dan vierdejaars.  Het meten van vertrouwen in het onderwijs naar jaar geeft geen significante verschillen weer.

 

Tabel 33: Kruistabel van vertrouwen in de wetenschap en het onderwijs naar jaar (in %)

 

Wetenschap

Onderwijs

Vierdes

Zesdes

Vierdes

Zesdes

Heel veel

12,3

24,6

5,7

11

Eerder veel

57,7

59,7

56,7

52,9

Noch veel, noch weinig

16,9

12,7

25,5

28,7

Eerder weinig

6,9

1,5

9,2

5,1

Heel weinig

6,2

1,5

2,8

2,2

Totaal N

               In %

130

100

134

100

141

100

136

100

 

Chi-square: 14,698 

df: 4 

p-value: 0,005

Chi-square: 4,526 

df: 4 

p-value: 0,340

 

3.4. Politieke voorkeur naar jaar

 

Bij het politiek gedrag van de jongeren zien we een significant verschil tussen de twee verschillende groepen (p-waarde: 0,014).  Indien de respondenten mochten stemmen, gaat de voorkeur bij beide groepen naar de CD&V/N-VA.  Ook over de tweede grootste partij van Vlaanderen bestaat er een consensus.  Het Vlaams Blok staat op een overtuigende tweede plaats.  Een andere bemerking die we kunnen maken is dat de zesdes al een beter zicht hebben op de partij waarop ze zouden willen stemmen.  Maar liefst één vijfde van de vierdejaars zou blanco stemmen, dit in tegenstelling tot de zesdejaars waar slechts 8 % blanco zou stemmen.  Dit kan erop wijzen dat de laatstejaars zich al beter een beeld gevormd hebben van de politiek in ons land.  De grotere kennis kan hierbij een grote rol spelen.

            De vorige opmerking wordt bevestigd als we peilen naar de stembereidheid van de jongeren[175] indien er geen stemplicht zou zijn.  71,5 % van de zesdejaars zou toch zijn verantwoordelijkheid opnemen als burger en gaan stemmen.  Dit is significant verschillend (p-waarde: 0,001) van de vierdejaars, bij wie slecht de helft (52,1 %) zijn stem zou uitbrengen indien er geen stemplicht is.

            De jongeren zijn het wel eens over de leeftijd waarop ze het liefst zouden gaan stemmen[176] (p-waarde: 0,194).  18 jaar krijgt bij beide groepen de absolute meerderheid als ideale stem-leeftijd. 

 

Tabel 34: Kruistabel van partijvoorkeur naar jaar (in %)

 

Partijvoorkeur

Totaal

Vierdes

Zesdes

Groen!

9,7

12,2

10,9

CD&V/N-VA

33,1

26

29,6

PVDA

0

1,6

0,8

SP.A -SPIRIT

11,3

13

12,1

Vlaams Blok

16,9

24,4

20,6

VLD

7,3

14,6

10,9

Blanco

21,8

8,1

15

Totaal  N

                In %

124

100

123

100

247

100

 

Chi-square: 15,972 

df: 6 

p-value: 0,014

 

 

3.5. Besluit

 

Volgens dit onderzoek kunnen we besluiten dat er toch een aantal belangrijke veranderingen gebeuren in de periode tussen het 16e en 18e levensjaar van de adolescent in het omgaan met politiek.  Zo kunnen we vaststellen dat de zesdes op twee jaar tijd een grotere politieke kennis hebben in vergelijking met de vierdes.  Deze vaststelling ligt volledig in de verwachting naar aanleiding van het grootschalige IEA-onderzoek.  Het valt dan ook op dat zesdes eveneens meer met hun vrienden discussiëren over de politiek dan de vierdes.  Dit kan mede een verklaring bieden voor de grotere politieke kennis.  Wat het vertrouwen in de instelling ‘wetenschap’ betreft, merken we dat zesdes een groter vertrouwen in deze instelling stellen dan de vierdes.  Bij de vierdes stellen we eveneens vast dat indien de stemplicht zou wegvallen, slechts de helft van hen nog zou gaan stemmen.  Bij de zesdes zouden nog steeds zeven op de tien leerlingen gaan stemmen in tijden van verkiezingen.  Zesdes hebben dan ook een meer duidelijke politieke mening dan de vierdes aangezien van de vierdes één vijfde een blanco-stem zou uitbrengen.  Bij de zesdes is dit percentage gedaald tot 8 %.  Wat de verschillende partijen betreft zien we dat bij de vierdes CD&V/NVA veruit de favoriete partij is.  Deze partij is eveneens de grootste bij de zesdes, maar heeft hier slechts enkele procenten voorsprong op het Vlaams Blok.  Kortom, deze voorgaande vaststellingen tonen aan dat de zesdes op twee jaar tijd toch een evolutie van groeiende politieke maturiteit hebben meegemaakt.  Niet alleen de kennis is gegroeid, maar ook de politieke betrokkenheid bij de jongeren is gestegen.  Ze lijken in grote mate geschikt om volwaardig deel te nemen aan het politiek maatschappelijk leven. 

We kunnen ons afvragen of het feit dat de jongeren de stemleeftijd naderen, genoeg is om zich meer bezig te houden met de politiek.  Stel dat dit zo zou zijn, dan zou het stemrecht voor 16-jarigen wel een goede zaak zijn.  Op die manier zou de naderende stemleeftijd op zich genoeg zijn om de politiek minder als een ‘ver-van-mijn-bed-show’ te ervaren en zo de politieke interesse bij deze jongeren aanwakkeren.  Maar misschien spelen eerder andere factoren een rol in de grotere politieke maturiteit van de 18-jarigen ten opzichte van de 16-jarigen.  Deze piste lijkt het ons toch waard om verder te onderzoeken.

 

 

DEEL II : Bredere sociale settings

 

1. Sociale achtergrond

 

Om de invloed van de sociale achtergrond van de leerlingen op andere variabelen na te gaan, is er in dit onderzoek bevraagd wat het hoogst behaald getuigschrift of diploma van de ouders van de leerlingen is.  Het is voor de verdere analyse moeilijk om de invloed van beide ouders na te gaan.  Daarom zal ik van het diploma van ouder één en van ouder twee telkens het hoogste bespreken.  Kortom, in de verdere analyse van de sociale achtergrond van de leerlingen is er alleen rekening gehouden met de ouder die het hoogste diploma heeft behaald.

            De hoogst behaalde diploma’s heb ik vervolgens tot vier groepen herleid.  Het gaat vooreerst over de groep met de leerlingen wiens ouders een beroepsopleiding gevolgd hebben.  Hierin zitten de ouders met als hoogst behaald diploma het lager secundair beroeps en het hoger secundair beroeps.  In de tweede groep gaat het over de leerlingen wiens ouders een technische opleiding in de middelbare school hebben gevolgd, dus met een diploma lager secundair technisch of hoger secundair technisch.  In de derde groep hebben de ouders van de ondervraagde leerlingen als hoogst behaald diploma ofwel lager of hoger secundair algemeen vormend.  Deze mensen hebben aldus een algemeen vormende opleiding gehad.  In de vierde groep bevinden zich de leerlingen wiens ouders verder gestudeerd hebben en een diploma niet-universitair of universitair hoger onderwijs op zak hebben.  De leerlingen waarvan hun ouders geen enkel diploma of een diploma lager onderwijs behaald hebben, worden uit de analyse geweerd wegens een te laag aantal respondenten in deze categorieën.  Ook de leerlingen die twijfelden over de opleiding van hun ouders worden uit de analyse gelaten.  We moeten tevens bemerken dat er in de andere categorieën grote verschillen zijn wat het aantal respondenten betreft.

 

1.1. Politieke kennis naar sociale achtergrond

 

Bij het nagaan van de impact van de sociale achtergrond op de politieke kennis van de leerlingen, toont de statistische analyse significante verschillen aan (p-waarde: 0,007)[177].  Er is een duidelijk verband vast te stellen tussen de politieke kennis en de sociale achtergrond van de leerlingen.  Leerlingen wiens ouders een beroepsopleiding gevolgd hebben, scoren het laagst wat politieke kennis betreft.  De politieke kennis van de leerlingen stijgt naargelang de ouders respectievelijk een technische, algemeen vormend of hoger onderwijs gevolgd hebben. 

In cijfers behalen de leerlingen uit de eerste groep (beroepsopleiding) gemiddeld 8,8 juiste antwoorden op een totaal van 27 vragen (33 %).  De technische opleiding van de ouders levert een gemiddelde score op van 12,9 op 27 (48 %).  De leerlingen wiens ouders een algemeen vormende opleiding volgden, scoren 13,1 op 27 (49 %) en ten slotte de leerlingen wiens ouders na het middelbaar verder studeerden, hebben gemiddeld 13,9 juiste antwoorden op de 27 vragen over politieke kennis (52 %).

 

1.2. Politieke participatie naar sociale achtergrond

 

1.2.1. Mediagebruik naar sociale achtergrond

 

1.2.1.1. Mediagebruik in het algemeen naar sociale achtergrond

 

In dit onderzoek is er geen significant verband aangetoond van de frequentie krant lezen naar sociale achtergrond (p-waarde: 0,661).  In alle vier de categorieën zijn er grote krantlezers te bespeuren.  We moeten hierbij opmerken dat er in dit onderzoek niet bevraagd is welke krant de leerlingen lezen.  Evenmin is gevraagd welke sectie de jongeren onder de loep nemen.

 

Tabel 35: Kruistabel van de frequentie krant lezen naar sociale achtergrond (in %)[178]

 

Sociale achtergrond

1

2

3

4

Elke dag

20

25,7

17,9

26,4

3x per week

0

16,2

10,3

18,2

1x per week

30

23

23,1

18,2

3x per maand

5

6,8

15,4

8,3

1x per maand

15

13,5

12,8

13,2

Nooit

30

14,9

20,5

15,7

Totaal N

               In %

20

100

74

100

39

100

 

121

100

Chi-square: 12,242  df: 15  p-value: 0,661

 

Tabel 36: Kruistabel van de frequentie tv-kijken op een normale weekdag naar sociale

achtergrond (in %)

 

Sociale achtergrond

1

2

3

4

> 3 uur per dag

10

14,9

17,9

5,8

2-3 uur per dag

50

41,9

25,6

20,7

1-2 uur per dag

30

23

33,3

50,4

< 1 uur per dag

10

17,6

20,5

23,1

Nooit

0

2,7

2,6

0

Totaal N

                In %

20

100

74

100

39

100

121

100

Chi-square: 31,212  df: 12  p-value: 0,002

 

            Als we kijken naar de frequentie tv-kijken op een normale weekdag naar sociale achtergrond, zien we dat leerlingen met een verschillende achtergrond hier significant verschillend op scoren (p-waarde: 0,002).  De grootste tv-kijkers die meer dan drie uur per dag tv kijken vinden we vooral terug in groep twee en drie.  Bij de leerlingen die tussen twee of drie uur tv kijken zien we een dalende lijn beginnende van de beroepsopleiding tot een hoger onderwijs-opleiding van de ouders.  Deze laatste groep is tevens de grootste groep leerlingen die één uurtje tv kijkt.

            Bij de zendervoorkeur echter, gaf de statistische analyse geen significant verschil tussen de vier categorieën (p-waarde: 0,209)[179].  Waar bij de derde groep (algemeen vormend) en de vierde groep (hoger onderwijs) TV1 in de top drie staat, staat in groep één (beroepsopleiding) en groep twee (technische opleiding) de muziekzenders bij de favorieten.  VTM en VT4 vinden we in de vier categorieën van sociale achtergrond terug.

            De statistische analyse wijst geen significante verschillen aan (p-waarde 0,848) wat de frequentie internetgebruik buiten de schooluren naar sociale achtergrond betreft.  De grootste internetgebruikers onder de leerlingen komen uit de eerste groep.  In de andere drie groepen zullen de meeste leerlingen het internet twee à vijf keer per week buiten de schooluren gebruiken.

 

 

Tabel 37: Kruistabel van de frequentie internetgebruik buiten de schooluren naar sociale achtergrond (in %)

 

Sociale achtergrond

1

2

3

4

>11x per week

31,6

21,6

25,6

27,7

6-10x per week

36,8

28,4

17,9

27,7

2-5x per week

26,3

33,8

43,6

32,8

1x per week

0

9,5

7,7

8,4

Nooit

5,3

6,8

5,1

3,4

Totaal N

                In %

19

100

74

100

39

100

119

100

Chi-square: 7,148  df: 12  p-value: 0,848

 

1.2.1.2. Politiek mediagebruik naar sociale achtergrond

 

Het onderzoeken van het politiek mediagebruik naar sociale achtergrond brengt maar weinig significante verschillen op.  Het volgen van de politiek in de krant gaat wel de richting uit van hoe hoger de opleiding van de ouders, hoe meer de leerlingen de politiek in de krant zullen volgen.  Het politiek mediagebruik via de radio en/of de tv toont dit verschil duidelijker aan (p-waarde: 0,005).  Ook hier zien we dat naarmate de sociale achtergrond van categorie stijgt en dus de ouders een hogere opleiding genoten hebben, de leerlingen meer de politiek zullen volgen via de radio of de tv.  Deze verschillen zijn in mindere mate terug te vinden bij het volgen van de verkiezingen op radio of tv en bij het volgen van de politiek via het internet.  In tijden van verkiezingen groeit de interesse bij de leerlingen van alle categorieën.  De verschillen situeren zich hier bij de sterkste uitspraken (‘bijna altijd’ en ‘nooit’).  Opnieuw stellen we vast dat hoe hoger de gevolgde opleiding van de ouders is, hoe meer de leerlingen de verkiezingen zullen volgen op radio en tv.  Politiek op het internet toont zulke verschillen niet aan.

 

Tabel 38: Kruistabel van het politiek mediagebruik naar sociale achtergrond (in %)

 

Politiek in krant

Politiek op radio/tv

Volgen verkiezingen op radio/ tv

Politiek op internet

1

2

3

4

1

2

3

4

1

2

3

4

1

2

3

4

(Bijna)

altijd

0

3

3

3

0

1

3

3

5

10

15

16

0

0

0

0

Vaak

0

1

5

10

5

8

15

15

5

15

21

20

0

5

0

2

Zo nu en dan

10

22

26

28

10

35

28

36

35

30

39

38

5

4

13

12

Zelden

35

45

33

38

30

35

36

36

30

28

13

20

26

30

44

38

Nooit

55

30

33

21

55

20

20

10

25

18

13

7

68

61

44

48

Totaal N

           In %

20

100

74

100

39

100

121

100

20

100

74

100

39

100

120

100

20

100

74

100

39

100

120

100

19

100

74

100

39

100

120

100

 

Chi-square: 19,494

df: 12

p-value: 0,077

Chi-square: 28,228

df: 12

p-value: 0,005

Chi-square: 17,317

df: 12

p-value: 0,138

Chi-square: 13,288

df: 9

p-value: 0,150

 

1.2.2. Politieke discussie naar sociale achtergrond

 

Als we nagaan welke invloed de sociale achtergrond van de leerlingen heeft op de mate waarin ze met hun vrienden over politiek discussiëren, stellen we een terugkerend patroon vast.  Hoewel er geen significant verschil vastgesteld is (p-waarde: 0,137), zien we een bepaalde richting te voorschijn komen.  Leerlingen uit de vierde groep discussiëren meer met hun vrienden over politiek dan het geval is in de andere groepen.

            Er is een significant verschil vastgesteld bij het bekijken van de mate waarin de leerlingen anderen voor hun eigen politieke mening proberen te winnen (p-waarde: 0,034).  Leerlingen die qua sociale achtergrond bij groep drie of vier behoren, zullen dit meer proberen dan leerlingen uit groep één of twee.

 

Tabel 39: Kruistabel van politieke discussie en mate voor eigen politieke mening te winnen naar sociale achtergrond (in %)

 

Politieke discussie met vrienden

Anderen voor eigen politieke mening proberen te winnen

1

2

3

4

1

2

3

4

(Bijna)

altijd

0

0

0

0

5,3

1,4

0

3,3

Vaak

0

4,1

5,1

8,3

0

6,8

10,3

7,5

Zo nu en dan

5

28,4

30,8

30,6

10,5

9,6

38,5

22,5

Zelden

45

35,1

43,6

41,3

21,1

34,2

23,1

28,3

Nooit

50

32,4

20,5

19,8

63,2

47,9

28,2

38,3

Totaal N

           In %

20

100

74

100

39

100

121

100

19

100

73

100

39

100

120

100

 

Chi-square: 13,617

df: 9

p-value: 0,137

Chi-square: 22,336

df: 12

p-value: 0,034

 

1.3. Vertrouwen in instellingen naar sociale achtergrond

 

Bij het vertrouwen van de leerlingen in politieke instellingen naar sociale achtergrond zijn er geen significante verschillen vastgesteld. 

De statistische analyse van vertrouwen in de wetenschap duidt wel een opmerkelijk, significant verschil aan (p-waarde: 0,000).  Leerlingen wiens ouders een hogere opleiding genoten hebben, zullen meer blijk tonen van vertrouwen in de wetenschap dan leerlingen wiens ouders een lagere opleiding gevolgd hebben.  Als we kijken naar de impact van de sociale achtergrond op het vertrouwen in het onderwijs, merken we geen significante verschillen op.  We zien wel dat de groep leerlingen met het minste vertrouwen in het onderwijs, tot de eerste groep (beroepsopleiding ouders) behoren.

 

Tabel 40: Kruistabel van vertrouwen in politieke instellingen naar sociale achtergrond (in %)

 

Politieke partij

Politici

Overheid

1

2

3

4

1

2

3

4

1

2

3

4

Heel veel

0

0

0

0

0

0

2,6

0

0

0

0

2,5

Eerder veel

0

6,3

13,2

12,8

0

9

2,6

7,9

0

18,5

25,6

18,6

Noch veel, noch weinig

52,6

49,2

50

48,7

38,9

49,3

55,3

52,6

52,9

50,8

53,8

45,8

Eerder weinig

36,8

33,3

31,6

32,5

44,4

29,9

28,9

31,6

29,4

16,9

12,8

28,8

Heel weinig

10,5

11,1

5,3

6

16,7