| Politiek Wantrouwen In De Lage Landen. (Bram Vanhoutte) |
| home | lijst scripties | inhoud |
Als we terugblikken op de jaren ‘90 voor ons land, is een van de meest in het oog springende en ophefmakende gebeurtenissen op politiek vlak ‘De Witte Mars’. Het massale protest dat volgde op het ontdekken van een pedofilienetwerk had verstrekkende gevolgen voor het imago van onze politici, het gerechtelijke apparaat en de politiediensten, zowel in binnen- als buitenland. Iets wat al een tijdje aan het sluimeren was, kwam nu aan de oppervlakte: het wantrouwen van de burger. Na de schandalen binnen politieke partijen (Augusta-Dassault bijv.) begin de jaren negentig, werden nu zowel de uitvoerende, rechterlijke als wetgevende macht in vraag gesteld, en daarmee het ganse principe van de volksvertegenwoordigende democratie. Alhoewel in Nederland van de kloof tussen burger en politiek niet echt leek te bestaan in de jaren negentig, bewees de razendsnelle opkomst van de populistische Lijst Pim Fortuyn in 2002 dat ook de Nederlanders hun vertrouwen in de traditionele partijen enigszins waren verloren. Aan de hand van de in 2002/2003 afgenomen European Social Survey zal ik nagaan welke houdingen in Vlaanderen, Wallonië en Nederland typerend zijn voor de wantrouwige burger. Na een beschrijving van de context van het wantrouwen zal ik nagaan in hoeverre we van een kloof kunnen spreken tussen de burger en de politiek.
Door de diepgang van het onderwerp kan ik onmogelijk alle gangbare theorieën onderzoeken, daarom leg ik mij toe op een begrensde benadering van het probleem waarbij ik vanuit vertrek vanuit het onderzoek van Marc Elchardus en zijn onderzoeksgroep (Elchardus & Smits 1998, Elchardus & Smits 2002), waarin een verband wordt gelegd tussen de nieuwe sociale breuklijn en wantrouwen. Ik leg mijn eigen accenten door de sociaal-psychologische aspecten wat meer te belichten. Naast de beperking die ik mezelf opleg vanuit theoretisch oogpunt , werk ik ook met de beperkingen verbonden aan de gebruikte survey, waar vooral de andere vraagstelling in vergelijking met de in Vlaanderen gebruikte APS surveys een grote rol speelt. Daarnaast is het beperken van de missing values ook een van de hoofdprioriteiten, omdat ik meen dat dit aangewezen is bij onderzoek naar wantrouwen en politieke houdingen.
Een fundamenteel probleem verbonden met een studie tussen verschillende regio’s is de mogelijkheid dat eenzelfde begrip verschillende ladingen dekt. De culturele en structurele regionale verschillen zorgen dus misschien voor een andere invulling van het wantrouwen. Door de regionale profielen uitdrukkelijk in beeld te brengen tijdens de analyse denk ik de moeilijk definieerbare invloed van omgevingsfactoren enigszins te kunnen interpreteren.
Hoofdstuk 1 : Wantrouwen in het Politieke Systeem
Om een beter beeld te krijgen van het politieke wantrouwen, lijkt het mij aangewezen de evolutie ervan in de lage landen te bestuderen. Aangezien het in deze taak om wantrouwen in het politieke systeem gaat, bespreek ik de politieke vertaling van dit wantrouwen. Met het politieke systeem wordt hier de manier waarop politieke beslissingen worden genomen bedoeld, maar ook de instellingen en organisaties die hierbij een rol spelen. De landen die ik hier met elkaar zal vergelijkingen hanteren allebei deze parlementaire democratie. Anders gezegd gaat het hier dus om het vertrouwen van individuele burgers in de parlementaire democratie en haar instellingen. Een tweede belangrijke gelijkenis, die van belang kan zijn als het over het wantrouwen in de politiek gaat, is het feit dat beide landen een ‘pacificatiedemocratie’ kennen (Deschouwer 2001). Dit impliceert dat de verkiezingen geen strijd zijn om de absolute macht, maar eerder een graadmeter voor de onderlinge krachtsverhoudingen. Eigenlijk wordt er bestuurd in een zekere consensus met de andere partijen, waarbij eenmaal deze en een andermaal een andere coalitie aan de macht is. Dit hangt samen met de verzuiling, hiermee wordt bedoeld dat de ideologische families ook verregaand geïntegreerd zijn in de maatschappelijke overheidsdienstverlening via allerlei nevenorganisaties.
1.1. Een schets van de evolutie van het politieke wantrouwen in België en Nederland
Om een vergelijkende studie van het wantrouwen tussen België en Nederland te doen, lijkt het mij interessant om even de evoluties van het vertrouwen in beide landen te bekijken. Het spreekt voor zich dat in dit hoofdstuk dus de nadruk zal liggen op een beschrijving van de gebeurtenissen of tendensen die een belangrijke invloed hadden op het vertrouwen van de burger. Ik neem de Belgische situatie als referentiepunt, aangezien we hier van een lang aanhoudende periode van wantrouwen kunnen spreken, terwijl Nederland pas vrij kort geleden een piek van wantrouwen kende, waarvan nog moet blijken of dit blijvend is. Daarom zal er in dit hoofdstuk ook wat meer aandacht zijn voor de Belgische context. Spijtig genoeg was het moeilijk om zowel voor Vlaanderen als voor Wallonië gelijkaardige cijfers te vinden, daarom enkel de Belgische indicatoren. Voor Nederland zal ik me beperken tot een bespreking van de momenten waarop een duidelijke stijging van het wantrouwen waar te nemen valt.
1.1.1. België
Vertrouwen werd door het enquêtebureau Inra in opdracht van de krant La Libre Belgique al sinds 1984 driemaandelijks gemeten met de vraag ‘In welke mate vertrouwt u erop dat de federale regering van [naam premier] de problemen kan oplossen waarmee België op dit moment kampt?’. Er werden vijf antwoordcategorieën geboden; sterk vertrouwen , eerder vertrouwen , eerder geen vertrouwen , geen vertrouwen en geen mening. Alhoewel deze vraag ons niet toelaat heel genuanceerd te stellen wat er gemeten wordt, de populariteit van de eerste minister of de vaardigheden van een regering, toont ze ons toch een vrij gedetailleerd beeld van de schommelingen inzake het vertrouwen in de regering en de eerste minister. Het percentage vertrouwen is het percentage dat zei volledig of eerder vertrouwen te hebben, terwijl de categorie geen vertrouwen is opgebouwd uit de respondenten die eerder geen of helemaal geen vertrouwen hadden (Van de Walle, Kampen, Bouckaert, & Maddens 2003, pp.21-22.) De steekproef bestond gedurende die periode steeds 2000 Belgen ouder dan 18, waarvan 750 uit Wallonië, 750 uit Vlaanderen en 500 uit het Brusselse Gewest (Nuytemans 2002, pp.19-20).
De belangrijkere rol die de pers is gaan spelen inzake de communicatie tussen burger en politiek wordt nog eens benadrukt als we zien hoe de schandalen van de jaren negentig een veel sterkere invloed hadden op deze peiling dan in de jaren tachtig. Of het hier om een oorzakelijk verband gaat dus deze schandalen en de daling van het vertrouwen laat ik hier in het midden, maar het is vrij logisch dat de aandacht van de pers het wantrouwen verhoogde (Elchardus 2002, p.30).
Figuur 1: Het vertrouwen in de (federale) regering in België 1982-2003 (%), La Libre Belgique

Als we ons beperken tot de jaren negentig zijn er enkele duidelijke pieken van het wantrouwen waar te nemen. We kunnen zelfs beter van een legitimiteitscrisis spreken gedurende de jaren negentig dan van afzonderlijke pieken in het wantrouwen van de regering. Het begin van deze crisis kunnen we situeren in de nasleep van de Zwarte Zondag (24 november 1991), de federale verkiezingen waarin het Vlaams Blok voor het eerst meer dan 10 procent van de stemmen haalde in Vlaanderen. Verder haalde de partij van de beursgoeroe Jean-Pierre Van Rossem 5 procent, terwijl de man zelf in de gevangenis zat op beschuldiging van financiële fraude (Witte e.a. 1997, p.344). De verschillende politieke families reageerden op verscheidene manieren op dit resultaat. Het antwoord dat retrospectief misschien het meeste invloed uitoefende op de ontwikkeling van de politiek in België voor de rest van de jaren negentig is het ‘Het Burgermanifest’ van Guy Verhofstadt uit 1992. Dit boek verscheen in de periode dat de PVV zich onder zijn leiding omvormde tot VLD, en zich zelf expliciet als derde weg tussen de traditionele regeringspartijen en extreem-rechts positioneerde (Witte e.a. 1997, p.410). Hoewel deze hernieuwingoperatie zich niet vertaalde in electoraal succes, had dit nieuwe discours veel invloed op de politieke elite zelf. De zogenaamde ‘Kloof met de Burger’ was geboren. Tezelfdertijd werd gesleuteld aan de configuratie van de Belgische staat. De staatshervormingen volgden elkaar op en het Belgische staatssysteem wordt complexer. Ik denk dat dit bij de Waalse bevolking argwanender werd bekeken dan in Vlaanderen, waar al jaren meer zelfbestuur en autonomie werd gevraagd.
In 1994 en de eerste helft van 1995 hersteld het vertrouwen zich enigszins. Hierna breekt echter een periode aan van sterk gemediatiseerde schandalen, die een echte crisis van de Belgische politieke instellingen met zich meebrengen. Het Augusta-Dassault schandaal in 1995 is het eerste in de reeks. In de zomer van 1996 wordt Marc Dutroux gearresteerd. Naarmate meer details uit deze zaak bekendgemaakt worden, kunnen we het wantrouwen in de regering zien stijgen. De Witte Mars (20 oktober 1996) illustreert het verlies aan vertrouwen van de bevolking in de democratische instellingen. Allerhande samenzweringstheorieën over een pedofiel netwerk waarin leidende figuren uit het gerechtelijk, politiek en politioneel apparaat in zouden betrokken zijn, geven de ontgoocheling van de burger in de instituties weer (Elchardus & Smits 2002, pp.35-36). Deze crisis leidde in de twee volgende jaren tot een grondige hervorming van de politie en het gerechtelijk apparaat. We zien het vertrouwen terug stijgen in de gebruikte peiling vanaf de tweede helft van 1998. Nochtans was er in deze periode geen gebrek aan politieke schandalen, ik vermeld hier de dood van Semira Adamu en de dioxinecrisis als voorbeeld (Deweerdt 1999, pp. 166-167). De betrokken ministers traden echter af (‘namen hun verantwoordelijkheid’), wat misschien een oorzaak kan zijn van het stijgende vertrouwen. Ook moeten we rekening houden met een zekere gewenning van de bevolking aan de overvloedige aandacht die de pers aan schandalen gaf. Deze daling van het wantrouwen zette zich voort tot halverwege 1999, waar het een niveau bereikte dat het ruw genomen tot de dag van vandaag aanhield. We zien een kleine piek in het vertrouwen in de regering rond september 2001 (aanslagen op het WTC in New York). Het vertrouwen daalt in 2002 lichtjes tot het niveau van eind 1999. De reden voor deze daling in het vertrouwen is in mijn ogen dezelfde als de reden voor de grote winst van het Vlaams Blok (24% in Vlaanderen) bij de Europese en Gemeenschapsverkiezingen in 2004: De heisa rond het migrantenstemrecht, die zowel de regeringspartijen, de oppositie als de kiezers verdeelden (De Standaard 14/6/2004 p.8).
Terzijde kan ook worden vermeld dat de Belgische economie in de periode 1991-1993 een recessie kende wat zich vertaalde in hogere werkloosheid (Witte e.a. 1997 p.348). De regering Dehaene ontwikkelde hiervoor het felbestreden Globaal Plan, dat een bevriezing van de loonkost via de loonnorm inhield. Deze door de Nationale Bank bedachte maatregel matigt de loonsverhoging aan de hand van de loonsverhogingen in onze drie belangrijkste handelspartners, toen nog onze buurlanden. Dit plan was een voorbereiding op de invoering van de Europese Muntunie en het daaraan voorafgaande Pact voor stabiliteit en groei (1996). Desondanks werd ons land rond de helft van de jaren negentig geplaagd door faillissementen en afdankingen, vaak in het kader van delokalisatie van multinationale ondernemingen. Exemplarisch hiervoor waren de eerste maanden van 1997, met bedrijfsovernames of -sluitingen zoals bij Forges de Clabecq, Renault-Vilvoorde, Caterpillar, Boël, enz (Witte e.a. 1997 p.350-352). De algemene economische groei, weerspiegeld door het BNP, verbeterde langzaamaan gedurende de daaropvolgende jaren tot de algemene economische recessie als gevolg van de aanslagen van 11 september 2001.
Een onderzoek over België is een onderzoek over Vlaanderen en Wallonië, en daarom omschrijf ik kort de grootste verschillen tussen beide regio’s. De verschillende manier waarop op de vertrouwenscrisis werd gereageerd komt straks aan bod, dus ik beperk mij hier tot de structurele verschillen.
Het belangrijkste verschil tussen Vlaanderen en Wallonië naast de voertaal is de verschillende economische dynamiek van elke regio. Vlaanderen kende sinds de tweede Wereldoorlog een economische ontwikkeling gericht op de lichte industrie en de tertiare sector, terwijl Wallonië af te rekenen had met een verouderde zware industrie basissectoren (kolen, ijzer, staal, cement, glas) (Witte et al. p.287). België is een zeer exportgericht land (meer dan 70% van het BBP) en hiervan profiteert vooral Vlaanderen door zijn strategische ligging. De achterstand van Wallonië in haar economische ontwikkeling is nog niet opgehaald. Dit weerspiegelt zich in de hogere werkloosheid (10,9% tegenover 4,9% in 2002)[1]. De aangroei van het BBP was in Vlaanderen en Wallonië in 2002 ongeveer hetzelfde (0,86% tegenover 0,8%)[2].
Figuur 2 : vergelijking tussen peiling La Libre Belgique en Eurobarometer (in standaardafwijkingen)

Als we ter controle de Eurobarometer, die tweemaal per jaar de publieke opinie in de lidstaten van de Europese Unie bevraagt, eens naast de peilingen van La Libre Belgique leggen zien we dat de geschetste evoluties grotendeels hiermee overeenkomen. De gebruikte vraagstelling hier is ‘Bent u algemeen genomen zeer tevreden, eerder tevreden, niet erg tevreden of helemaal niet tevreden met de manier waarop democratie werkt in België?’.
Het valt op dat het vertrouwensverlies eind 1992 dat in de peiling van La Libre Belgique sterk opvalt, niet zo sterk terugkomt in de Eurobarometer. Dit zou verklaard kunnen worden door het feit dat de herbronning van de VLD niet bij de massa aansloeg (en zich dus ook niet vertaalde in electoraal succes), maar toch indirect de positie van Dehaene verzwakte . Ook wijs ik erop dat de peiling van La Libre Belgique vaker gebeurde en deze peiling in vergelijking met de Eurobarometer daarom waarschijnlijk een grotere invloed van sterk gemediatiseerde politieke events weergeeft. Er werd geen bevraging gedaan tussen de herfst van 1995 en de herfst van 1997 in België, wat de precisie van de Eurobarometer doet dalen. Een gelijkaardige daling komt echter naar voren, zij het wat sterker dan bij de peiling van La Libre Belgique. Het feit dat het hier om een andere vraagstelling gaat en met een andere steekproef gewerkt werd zijn ook voor de hand liggende verklaringen van deze verschillen.
We bekijken ook nog eens de evolutie van de ‘tevredenheid met de werking van de democratie’ volgens de APS-survey (1990-2000), die echter enkel uitspraken doet over de Vlaamse bevolking. We kunnen hier een analoge evolutie zien als bij de Eurobarometer. De daling van het vertrouwen rond de tweede helft van 1992 is dus ofwel vooral te wijten aan de Waalse respondenten, ofwel een wantrouwen in de regering/premier dat zich niet weerspiegelt in een wantrouwen in de democratie, ofwel een meetfout te wijten aan steekproefschommelingen. Dit laatste lijkt echter onwaarschijnlijk aangezien het om een periode van bijna twee jaar gaat.
1.1.2. Nederland
Figuur 3: Vergelijking Vertrouwen (Eurobarometer) tussen België en Nederland

In Nederland kunnen we onmiddellijk zien dat het vertrouwen in de jaren negentig niet aangetast werd zoals in België. Het steeg zelfs lichtjes vanaf de helft van dit decennium. Eind 1999 zien we echter een vrij sterke daling in het politiek vertrouwen. Een symptoom hiervan is de oprichting van de populistische partij ‘Leefbaar Nederland’, die ontstond uit twee lokale partijen, ‘Leefbaar Utrecht’ en ‘Leefbaar Hilversum’, die op 21 maart van dit jaar werd opgericht. Het was uit deze partij dat de Lijst Pim Fortuyn in de aanloop naar de verkiezingen van 22 mei 2002 ontstond. Terwijl de Nederlandse politiek niet zo crisisgedreven is geweest tijdens de jaren negentig, was dit wel het geval bij deze verkiezingen. Kleine crisissen tijdens de tweede helft van de regeerperiode zoals de ramp in de vuurwerkfabriek in Enschede (13 mei 2000) en de brand op nieuwjaarsnacht in Volendam (1 januari 2001) deden de onvrede over de overheid stijgen. Ook heerste er onvrede met het gedogen van bepaalde praktijken door de overheid, zoals softdruggebruik en prostitutie (Pakes 2004, p.287). Gedogen betekent dat deze praktijken niet volledig legaal zijn geworden maar minder hard worden aangepakt of door de vingers gezien.
Op economisch vlak kende Nederland in 2002 de kleinste aangroei van het BBP sinds 1982 (0,2%)[3]. De werkloosheid in Nederland staat ongeveer op hetzelfde peil als Vlaanderen (4,1%)[4].
1.2. De kloof met de burger in België en Nederland
Het zou mij te ver leiden om het politiek systeem in de twee landen in detail te bespreken, maar ik vind het nuttig om een beknopt overzicht te geven van de verticale banden tussen politieke partijen en hun kiezers in België en Nederland, een verband dat door Lawson ‘linkage’ wordt genoemd (Lawson 1960). Dit doen we aan de hand van enkele indicatoren die de betrokkenheid van de burger met de politiek meten, en enkele vernieuwingen die werden doorgevoerd om de politiek terug ‘dichter bij de burger’ te brengen.
1.2.1. Indicatoren van de kloof tussen burger en politiek
Zoals eerder geschetst stonden de jaren negentig in Vlaanderen en in mindere mate in Nederland in het kader van “De nieuwe politieke cultuur”, die de kloof tussen burger en politiek moest dichten. In Wallonië lijkt de kloof tot op de dag van vandaag geen grote rol te spelen. Daarom even een overzicht van enkele traditionele indicatoren die de afstand tussen politiek en burger meten.
1.2.1.1. Verkiezingsopkomst
Terwijl in België kiesplicht heerst, is er toch een beduidend deel van de kiezers dat geen stem uitbrengt, enerzijds door blanco of ongeldig te stemmen, anderzijds door niet te gaan stemmen. Terwijl in 1985 12% bij deze groep behoorde, steeg dit percentage lichtjes tijdens de jaren negentig tot 14% in 1991 en 15% in 1995 en 1999.
In Nederland was het opkomstcijfer in 1998 met 73% vrij laag, maar een flink stuk hoger in 2002 met 79%. (Deschouwer & Lucardie 2003 pp.135-136)
1.2.1.2. Wisselende kiezers
Zowel in België als in Nederland zien we een terugval van de aanhang van de traditioneel met een zuil verbonden partijen. Ook de partijtrouw bij andere partijen daalt. De opkomst van kleinere partijen illustreert dit. Nederland is de koploper wat kleinere partijen aangaat, maar deze zijn dan ook niet altijd een lang leven beschoren. D66, SP en Groen Links lijken echter een eigen plaats gevonden te hebben in het politieke spectrum. In Vlaanderen leek enkel ROSSEM een kort leven te zijn beschoren. De Volksunie verbrokkelde in splinterpartijen, maar AGALEV (nu Groen!) en het Vlaams Blok bleven bestaan. (Deschouwer & Lucardie 2003 pp.136-139). In Wallonië kunnen we vooral het blijvende succes van Ecolo, de kleinere , maar toch aanwezig blijvende partijen Front Democratique Francophone en Front National aanstippen.
1.2.1.3. Voorkeurstemmen
Zowel in Nederland als in België steeg het aantal voorkeurstemmen sterk op het einde van de jaren negentig, alhoewel hierbij wel moet vermeld worden dat in België de lijsten voor de federale verkiezingen per kieskringen verschillen, wat in Nederland niet zo is. Aangezien het cliëntelisme echter officieel tot de oude politieke cultuur behoord, kunnen we deze stijging niet eenduidig interpreteren (Deschouwer & Lucardie 2003 pp.139-141). Ik denk echter dat dit fenomeen samenhangt met het feit dat de politieke beeldvorming veel meer dan voor de jaren negentig op het informele en persoonlijke rond de persoon van de politicus zelf gericht is, iets wat Jan Blommaert “Clintonificatie” noemde (Blommaert 1998).
1.2.1.4. Ledenaantallen
De ledenaantallen liepen in Nederland van alle partijen terug tijdens de jaren tachtig. In België was dit ook het geval zij het wel wat later, en in mindere mate bij de liberale partijen (Deschouwer & Lucardie 2003 p.141).
1.2.1.5. De kloof onderzocht
Het blijkt dat de kiezer weliswaar niet meer zo trouw is aan zijn partij en misschien wat minder ging stemmen (met uitzondering van de Nederlandse verkiezingen na de moord op Pim Fortuyn), maar waarschijnlijk niet meer of minder ver van de politiek afstaat dan ervoor. De kloof tussen burger en politiek die wordt waargenomen is er in de eerste plaats vooral een tussen kiezer en de politieke partijen (Deschouwer 1998). Dit gaat enigszins samen met de vaststelling dat verzuiling nog bestaat onder de elite en in het politieke discours, maar het maatschappelijke en culturele aspect ervan grotendeels is verdwenen (Huyse 1987). In Wallonië kunnen we stellen dat er nog geen sprake is van een ‘Nieuwe Politieke Cultuur’. Cliëntelisme werd niet echt afgebouwd tijdens de jaren negentig en de socialistische partij staat er nog dichter bij ‘de burger’ (De Standaard 11/6/2004)
1.2.2. Het dichten van de kloof
Om kiezers terug te winnen probeerden de partijen in België en Nederland verschillende recepten uit. Ik stip hier de belangrijkste veranderingen aan, waarbij wel gedacht moet worden aan het feit dat in Nederland pas na de verkiezingen van 2002 door de opkomst van Lijst Pim Fortuyn een gelijkaardig gewicht aan ‘de kloof’ werd gegeven als in België na de eerste Zwarte Zondag (24/10/1991).
1.2.2.1. Partijvernieuwing
Alle Vlaamse partijen uitgenomen het Vlaams Blok veranderden van naam. Naast deze formele vernieuwing werd de voorzitter in de verschillende partijen nu ook rechtstreeks verkozen, uitgenomen bij het Vlaams Blok. Deze rechtstreekse verkiezing bestond daarvoor al bij de Waalse christendemocraten en liberalen, en, het Brusselse FDF.
Inhoudelijk pasten de meeste partijen ook hun programma enigszins aan, maar vooral bij de VLD is dit uitgesproken. De eis naar directere vormen van participatie door het terugdringen van de rol van belangenorganisaties vormde de kern van Verhofstadt begrip burgerdemocratie (Verhofstadt 1992). In het Waalse partijlandschap vallen gelijkaarde veranderingen waar te nemen als in Vlaanderen, zij het wel pas tegen het einde van de jaren negentig. De Waalse liberalen deden net zoals hun Vlaamse tegenhangers een vernieuwingsoperatie die voor een bredere aanhang van de partij zorgde. In 2002 vernaderen ze ook hun naam van PRL naar Mouvent Reformateur. De christendemocraten vernieuwde zich ongeveer gelijktijdig in Vlaanderen en Wallonië, na de nederlaag van 1999. De Waalse socialisten vernieuwden zich ook , zij het vrij minimaal (zonder naamsverandering) en net zoals de SP zochten ze naar de sympathie van de groenen om een links front te vormen na de verkiezingen van 1999.
In Nederland kunnen we een soortgelijke evolutie zien als in Vlaanderen. CDA, PvdA, VVD, D66 en Groen-links vernieuwden hun partijstructuren en gaven de leden meer inspraak bij het verkiezen van de partijvoorzitter (Deschouwer & Lucardie 2003, pp.143-145).Bij de PvdA en de CDA kunnen we van een ideologische vernieuwing spreken. De PvdA ging naar het voorbeeld van de Britse socialisten op zoek naar een ‘derde weg’ tussen socialisme en liberalisme. De CDA bleef hetzelfde programma behouden , maar legde andere accenten, die de partij ietsje meer naar rechts deed verschuiven (Deschouwer & Lucardie 2003, p. 146-147).
1.2.2.2. Institutionele vernieuwing
In België was de institutionele vernieuwing een vast agendapunt geworden sinds de grondwetsherziening van 1970. Het sluitstuk van de federalisering van België was dan ook de grondwetsherziening van 1994 waarbij het eerste artikel van de Belgische grondwet veranderde van "België is ingedeeld in provincies" in: "België is een federale Staat, samengesteld uit de gemeenschappen en de gewesten". De federale staatsstructuur van België maakt het politieke gebeuren er echter niet transparanter op (Witte e.a. 1998 ). Verder werd in de nasleep van de zaak Dutroux voor de hervorming van de kieswetgeving en de invoering van referenda gepleit, op federaal niveau is hier echter nog weinig van in huis gekomen
In Nederland werd evenzeer veel gediscussieerd over het invoeren van een referendum, maar in de praktijk zijn hier nog geen gevolgen van (Deschouwer & Lucardie 2003 p.149, p.151 ). Nederland is een unitaire gedecentraliseerde staat en kent dus geen federale structuur.
1.2.2.2. Populisme
Alhoewel wat discussie heerst over wat populisme nu precies is, beschouw ik het hier, in navolging van andere auteurs[5] als een stijlvorm, alhoewel populisme vaak als een inhoudelijke kwestie wordt bekeken. De opkomst van de nieuwrechtse bewegingen wordt steevast in verband gebracht met hun populistische discours, en vooral in Vlaanderen ging populisme ook deel uitmaken van de politieke cultuur (Blommaert 2001, Blommaert et al. 2004, Jagers & Walgrave 2003). Aangezien de vaandeldragers van het populisme duidelijk de nieuwrechtse partijen zijn, bespreek ik deze ontwikkeling in het volgende hoofdstuk.
1.3. Populistisch rechts in België en Nederland
De politieke invulling van wantrouwen evolueert over de tijd. In de jaren zestig, toen de ‘Zeitgeist’ eerder conservatief was, kwam het politieke wantrouwen vooral uit linkse hoek. Vandaag echter wordt dit wantrouwen vooral in verband gebracht met nieuwrechtse politieke strekkingen. Ook de kloof met de burger werd, zowel in Vlaanderen als in Nederland, pas ‘ontdekt’ na de opkomst van een nieuwe ideologische familie van partijen, waar ik naar verwijs als ‘nieuw rechts’ of ‘populistisch rechts’.[6] In de vakliteratuur wordt vaak gebruik gemaakt van de term extreem rechts, maar als we naar Nederland kijken zien we dat de extreemrechtse kleine partijen hier weinig succes hebben, terwijl Lijst Pim Fortuyn, die uitdrukkelijk dit label weigerde, wel een enorm succes kende. In Vlaanderen kunnen we opmerken dat het Vlaams Blok zich sinds 1995 meer naar het centrum van het politieke spectrum beweegt, wat zich bijvoorbeeld toont in het laten vallen van het befaamde 70-puntenprogramma. Over het algemeen blijkt uit onderzoek dat partijgrootte een belangrijke rol speelt in het al dan niet succes hebben van populistisch rechts (Van der brug 2000). Ook indirect is de impact van populistisch rechts te merken, een effect dat het Vlaams Blok in het concept ‘zweeppartij’ vatte, dit betekent zonder machtsdeelname bepaalde punten op de agenda plaatsen. Verder kunnen we drie belangrijke gelijkenissen opmerken naast de verschillen in het partijprogramma van de drie partijen die in elke regio in de periode van de bevraging het best ‘populistisch rechts’ vertegenwoordigen, het Vlaams Blok in Vlaanderen, het Front National in Wallonië en Lijst Pim Fortuyn in Nederland.
1.3.1. Gelijkenissen van het Vlaams Blok, Front National en Lijst Pim Fortuyn
1.3.1.1. Houding tegenover migranten
Een belangrijke eerste overeenkomst is de houding tegenover migranten van de partijen, en de daar aan gekoppelde voorstellen voor een anti-immigratie politiek. Dit kadert in het ruimere proces van ‘scapegoating’, het zoeken van een zondebok voor bepaalde problemen (infra). Vooral de niet-Europese immigranten moeten het bekopen. Hun religie en gebruiken werden door Pim Fortuyn in een spraakmakend interview in de Volkskrant (9 februari 2002) expliciet als achterlijk bestempeld, terwijl de slogan van het Vlaams Blok ‘aanpassen of terugkeren’ duidelijk maakt dat hier geen plaats is voor een andere dan de ‘eigen’ cultuur. Het Waalse Front National profileert zich identiek als de gelijknamige Franse partij, dat gekend is om zijn etnocentrische partijprogramma. Door de aanslagen van 11 september werd wereldwijd de moslim als zondebok gelegitimeerd , terwijl het crisisgevoel en dus ook het gevoel van onveiligheid nog toenam.
1.3.1.2. Het misdaadcomplex
Een tweede centrale gelijkenis tussen de Vlaamse, Waalse en Nederlandse nieuw rechtse partijen kadert in wat Garland het misdaadcomplex noemde (Garland 2001). In dit discours speelt de term crisis een grote rol. Dit misdaadcomplex bestaat kort samengevat uit het gevoel dat de misdaad oncontroleerbaar is geworden, de gevangenissen overbevolkt, de politie ineffeciënt werkt en het gerecht zijn band met de realiteit is verloren. Dit heeft als gevolg dat het leven als onveilig wordt aangevoeld. Dit onveiligheidsgevoel wordt in het programma van nieuwrechtse partijen vaak gekoppeld aan de aanwezigheid van immigranten. De centrale rol die veiligheid speelt in het discours van nieuw rechts illustreert de band met het misdaadcomplex. Een belangrijk punt in dit verband is de crisis. Terwijl de Nederlandse politiek over het algemeen niet zo crisisgedreven is, was dit wel het geval bij de verkiezingen van 22 mei 2002 (Pakes 2004 p.284). Er heerste een algemeen gevoel bij de burger dat de overheid te laks was, niet genoeg controleerde. Exemplarische minicrisissen hiervoor zijn de ramp in de vuurwerkfabriek in Enschede (13 mei 2000), de brand op nieuwjaarsnacht in Volendam (1 januari 2001). Ook heerste er onvrede met het gedogen van bepaalde praktijken door de overheid, zoals softdruggebruik en prostitutie, dit betekent dat deze praktijken niet volledig legaal zijn geworden maar minder hard wordt aangepakt (Pakes 2004, p.294). De Belgische politiek kende tijdens de jaren negentig echter de ene crisis na de andere: politieke crisissen als gevolg van schandalen (Augusta bijvoorbeeld), crisis in de zin van het misdaadcomplex (Dutroux), en crisissen in de controlerende rol van de overheid (dioxinecrisis).
1.3.1.3. Populisme en demagogisch discours
De derde gelijkenis is het gebruik van een enigszins demagogisch discours, populisme. Terwijl dit geen exclusief nieuwrechtse retoriek is, is het wel duidelijk dat zij op dit moment er het meeste gebruik van maken (Jagers & Walgrave ). In een recent onderzoek wordt politiek populisme in twee hoofdkenmerken samengevat: De spreker identificeert zich met het volk, dit volk wordt als homogeen beschouwd, soms met uitzondering van enkele specifieke bevolkingscategorieën (politici, kapitalisten, allochtonen, intellectuelen, …) (Jagers & Walgrave 2003 p.4). Zo gedefinieerd is populisme een stijl die wordt gebruikt bij politieke beeldvorming, wat bijvoorbeeld tot uiting komt in de slogan ‘Politiek gaat over de mensen’ waarmee SPa-voorzitter Stevaert de verkiezingen van 2003 introk. Typerend voor het hedendaagse populisme van de rechterzijde is enerzijds het sterke anti-establishment karakter, en anderzijds dat identificatie met ‘het volk’ als grond voor uitsluiting dient. Zowel het Vlaams Blok als de Lijst Pim Fortuyn profileren zich als een partij die tegen de eerder vernoemde pacificatiedemocratie is, en die het anders wil aanpakken. Ze profileren zich ook uitdrukkelijk beide als de enige partij die geen deel uitmaakt van dat politieke establishment. Ze schilderen de politiek zoals die nu wordt bedreven af als vriendjespolitiek en verwijten de partijen geen rekening te houden met ‘de stem van het volk’. Zo leidt hun populistische betoog ertoe dat politiek cynisme een programmapunt wordt, en krijgt populistisch rechts ook de antipolitieke proteststemmers op hun hand. Het Vlaams Blok kan hierbij nog op de rol van underdog rekenen door het ‘cordon sanitaire’ die deelname aan de macht onmogelijk maakt, en de Lijst Pim Fortuyn had als nieuwkomer op dit vlak ook een schone lei. Het Front National schopt vooral tegen de schenen van de PS, sinds jaar en dag de grootste partij in Wallonië en de rechtstreekse ideologische concurrent. Volgens Zijderveld wortelt dit anti-elitisme in een ‘anti-institutional mood’ die typisch is voor de laatmoderne samenleving (Zijderveld 2000, p. 13). Het tweede kenmerk voor rechts populisme, het gebruik van de categorie ‘volk‘ als middel tot exclusie, kadert in het etnocentrische gedachtegoed van de partijen.
1.3.1.4. Nuancering
Ik wil hierbij niet in de val trappen de kiezers van deze partijen te stigmatiseren als ‘de wantrouwige racisten’. Waarschijnlijk zijn ook heel wat burgers die voor een andere partij stemmen in enige mate wantrouwig of etnocentristisch, maar de populistisch rechtse partijen blijven de enigen partijen die etnocentrisme en politiek cynisme in de kern van hun partijprogramma hebben. Hierdoor is de opkomst van deze partijen een teken aan de wand van het dalende vertrouwen in onze politieke instellingen, en kunnen we verwachten dat zij de meest wantrouwige kiezers hebben.
1.3.2. De verschillen
1.3.2.1. Het Vlaams Blok
Het Vlaams Blok ontstond net voor de parlementsverkiezingen van 1987 als een afsplitsing van de toenmalige Volksunie. De eis naar een onafhankelijk Vlaanderen is nog steeds een van de belangrijkste programmapunten van de partij. Het Blok kende echter pas succes nadat ze zich naar het voorbeeld van het Front National van Le Pen tegen immigratie profileerde. Pas rond 1995 werd nadruk gelegd op misdaadbestrijding, vooral in verband met hun migrantenstandpunt (De Witte & Scheepers 1997).
Door het ‘cordon sanitaire’ verplichtten de andere partijen zichzelf ertoe geen coalities aan te gaan met het Vlaams Blok. Dit versterkte echter de ‘underdog’-positie van de partij, die vanuit de oppositie het politieke bestel bekritiseerde. Doordat het Blok nooit aan de macht kwam, kon de partij zich ook niet geëvalueerd worden op basis van de simpele oplossingen die zij voor complexe problemen naar voren schoof. Ook kreeg het Blok zo de tijd en de financiële middelen om een sterk partijapparaat op te bouwen.
De Vlaamse kwestie speelt naast het migrantenstandpunt een hoofdrol in het verklaren van het succes van het Vlaams Blok. Vlaams-nationalisme en etnocentrisme zijn trouwens sterk samenhangende houdingen, terwijl in Wallonië het verband in de omgekeerde richting gaat (Maddens et al. 2000 pp.254-255). Enerzijds is de Vlaamse Beweging historisch verbonden aan de rechterzijde, wat geïllustreerd wordt door de eis naar amnestie voor collaborateurs van het Blok. Anderzijds laat de eis voor Vlaamse onafhankelijkheid van het Blok ook toe alle andere partijen als ‘verraders van Vlaanderen’ af te schilderen, betrokken in de ‘Belgicistische samenzwering’ door ‘toegevingen’ te doen aan de Walen. Deze samenzwering is volgens het Blok in de eerste plaats een samenzwering van ‘links’. De ondervertegenwoordiging in de media bevestigd het beeld dat het Blok voortdurend wordt genegeerd. Een laatste punt, dat echter minder relevant is in deze studie, is het feit dat zowel het Vlaams Blok als het Front National op sociaaleconomisch vlak een mengeling van linkse en rechtse programmapunten aanbieden (Swyngedouw 2001a p.21). Zowel de vrije markt als de sociale zekerheid worden geprezen.
De kiezers van het Blok zijn voor een groot stuk door aangetrokken door het standpunt over migranten en in mindere mate door het nationalistische thema en het antipolitiek protest (Swyngedouw 2001b p.235).
1.3.2.2. Het Front National
In fel contrast met de opkomst van het Vlaams Blok in Vlaanderen staat de zwakke positie van het Front National in Wallonië. Het feit dat de partij niet zo goed gestructureerd is en geen echte goede partijleiding heeft als het Vlaams Blok is volgens velen de reden voor dit verschil (Le Monde Diplmoatique 5/2003 p.8-9). Alhoewel er veel minder onderzoek is naar het ontbreken van het succes van nieuw- rechts in Wallonië dan de opkomst ervan in andere regio’s, kunnen we toch enkele belangrijke bevindingen vermelden. Het FN leek in Wallonië in 1994 minder proteststemmen aan te trekken. De kiezers vallen nog meer in de traditionele sociaal-economische breuklijn te vatten, omdat toebehoren tot een sociale klasse in Wallonië nog sterker met het politieke systeem is verbonden (Van der brug et al. 2000, p.91). De verkiezingen van 1999 zetten echter de trend in een andere richting, en het FN wordt meer een partij van proteststemmers (Van der brug & Tillie 2003 p.68).
1.3.2.3. De Lijst Pim Fortuyn
De plotse opkomst van de Lijst Pim Fortuyn in mei 2002 in Nederland kan moeilijk worden vergeleken met de jarenlange groei van het Vlaams Blok. Zoals daarnet geschetst was er een zeker pessisme bij de Nederlanders vanaf 2000-2001, dat zich vertaalde in een wantrouwen in de bestaande politieke partijen. Ook wordt gesteld dat de moord op Fortuyn net voor de verkiezingen waarschijnlijk veel kiezers op de partij deed stemmen.
Het populistische discours van de Lijst Pim Fortuyn op vlak van migranten of misdaad verschilt weinig van dat van het Vlaams Blok, en ook viel de partij net zoals het Blok met oneliners en krasse uitspraken de manier waarop aan politiek gedaan werd in Nederland frontaal aan. Daarom meen ik dat zij erg vergelijkbare partijen zijn. Fortuyn zelf wilde echt niets weten van vergelijkingen met partijen die beschouwd worden als extreem rechts. De homoseksualiteit en liberale opvattingen in verband met softdrugs van Pim Fortuyn werden meermaals als reden aangevoerd dat de partij van Fortuyn niet kan worden vergeleken met partijen zoals bijvoorbeeld het FN van Le Pen of het Vlaams Blok van Dewinter. Het zijn echter niet de liberale politieke punten die zorgden voor het succes van de Lijst, maar de gelijkenissen met ‘populistisch rechtse’ partijen.
De lijst Pim Fortuyn kende na haar verkiezingssucces echter grote interne problemen zonder het leiderschap van Fortuyn. De snelle wissels in de partijleiding zijn hier een symptoom van. Al snel was de partij verdeeld en beschuldigden ze elkaar van vriendjespolitiek. Uiteindelijk trokken VVD en CDA hun steun aan de coalitie terug, zodat de regering viel. De coalitie tussen LPF, CDA en VVD was maar 87 dagen aan de macht. Bij de daaropvolgende verkiezingen van 22 januari 2003 was de LPF de grootste verliezer : ze verloor 18 van haar 26 zetels. De grote winnaar was de PvdA die 19 zetels won en zo ongeveer terug op het niveau van voor de opkomt van Pim Fortuyn kwam (Hylarides 2003, p.272). Alhoewel LPF nu geen electoraal zwaargewicht meer is, slaagden ze er toch in indirect enkele van hun punten te verwezenlijken door ze op de politiek agenda te plaatsen.
Hoofdstuk 2: Theoretisch kader
2.1. Wat is Wantrouwen?
‘[…] a complete absence of trust would prevent him [lees: iemand, bv] even from getting up in the morning.’ (Luhmann 1979, p.4)
Om een studie te maken over het wantrouwen van de burger in de politiek moet allereerst duidelijk worden gemaakt welke lading het begrip wantrouwen dekt. Daarom ga ik eerst de betekenis van het woord wantrouwen na, zodat een goed beeld ontstaat van wat ik hiermee bedoel. Vervolgens zal ik het begrip wantrouwen in een sociologisch kader plaatsen.
Het algemeen woordenboek van de Nederlandse taal (Van Dale) leert ons alvast het volgende:
Wān·trou·wen (het ~):
De afwezigheid van vertrouwen => achterdocht,argwaan, suspicie
Tegengestelde van vertrouwen.
Wantrouwen wordt expliciet gedefinieerd als het tegengestelde van vertrouwen of het ontbreken ervan. Dit brengt ons echter niet veel verder. Wat is vertrouwen dan precies? Het woordenboek brengt ons hier niet verder dan ‘het geloof in iemands betrouwbaarheid’. Dit duidt erop dat vertrouwen verbonden is met zekerheid. Iemand vertrouwen betekent dat je zeker bent dat hij (of zij) zal handelen zoals je van hem (of haar) verwacht. Achter vertrouwen schuilt dus een bepaalde verwachting, die de onzekerheid eigen aan het contingente vervangt door zekerheid.
Als we even nagaan wat er binnen de sociologie is geschreven over vertrouwen, komen we hoofdzakelijk bij twee auteurs terecht : Niklas Luhmann en Anthony Giddens. Dit toont dat vertrouwen (en de keerzijde ervan, wantrouwen) pas vrij laat ‘ontdekt’ werd als sociologisch thema.
2.1.1. Luhmann en vertrouwen
Luhmann stelt allereerst dat de sociologie een verkeerd beeld hanteert van de samenleving: deze is niet opgemaakt uit verschillende concrete individuen die kunnen samenleven door de consensus die ontstaat door gedeelde van waarden en normen. Luhmann streeft, net zoals Habermas, eerder naar een sociologie die het communicatieve centraal plaatst. In zijn visie is vertrouwen niet gebaseerd op de acties van individuen maar op de acties van communicatieve actoren. Wat niet gecommuniceerd wordt maakt volgens hem geen deel uit van de maatschappij. Individuen nemen op deze manier nooit volledig deel aan de maatschappij, alleen doorheen wat zij communiceren (Luhmann 1997 , pp.17-25).
Volgens Luhmann is het onmogelijk zonder enige vorm van vertrouwen te leven. Het is niet de nood aan stabiliteit of orde die deze noodzaak aan vertrouwen creëert, maar structurele veranderingen in de moderne maatschappij. Ten eerste is de wereld waarin wij leven uiterst complex geworden en schept ze zelf ongecontroleerde complexiteit. Ten tweede worden concrete gevaren vervangen door abstractere risico’s (Luhmann 1979 pp.4-8). In dit kader speelt vertrouwen een belangrijke rol. Vertrouwen vergroot de mogelijkheden om complexiteit te reduceren. Deze complexiteitsreductie gebeurt volgens Luhmann door communicatie doordat vertrouwen een algemene communicatieve boodschap is, net zoals bijvoorbeeld geld, liefde en macht.
Een klein voorbeeld lijkt me hier wel op zijn plaats. Stel je eens voor dat je geld wil beleggen. Je stapt hiervoor naar je bank en vraagt om een gesprek met de specialist in dit domein. Als je deze man vertrouwt, dan zal het gesprek beperkt blijven tot vrij algemene richtlijnen die je hem geeft, zoals bijvoorbeeld de duur van de termijn waarin je je geld belegt, of je veel risico wil nemen of niet, en misschien enkele ethische richtlijnen wat de beleggingen aangaat. Als je de specialist echter niet vertrouwt, zal je alles veel nauwkeuriger gaan bespreken. Je zal precies willen weten wat er gebeurt met je geld, waar het geïnvesteerd wordt, hoe dit systeem van beleggen precies werkt, wat de verwachte veranderingen in rente zijn enzovoort. Als je de specialist vertrouwt ga je er vanuit dat hij je belangen zal behartigen en hoef je het eigenlijke beleggingssysteem niet te snappen. In het tweede geval zal de expert niet enkel de praktische kant van de zaak moeten uitleggen, maar ook de complexere systemen van de verschillende beleggingsmechanismen. Als je de specialist vertrouwt, dan houdt dit geen gevaar in. Natuurlijk is er wel risico dat je vertrouwen ongegrond was.
Luhmann maakt ook een duidelijk onderscheid tussen ‘persoonlijk vertrouwen’ (trust) en ‘systeemvertrouwen’ (confidence). Ik ga hier niet verder in op Luhmann’s vrij ingewikkelde theorie rond persoonlijk vertrouwen, maar op de relatie tussen persoonlijk vertrouwen en systeemvertrouwen. Luhmann stelt dat persoonlijk vertrouwen in onze complexe maatschappij niet kan functioneren zonder systeemvertrouwen. Persoonlijk vertrouwen als input is een conditio sine qua non voor elk systeem, of het nu politiek, economisch of sociaal is. Luhmann beweert dat tegenwoordig functionele systemen zoals de economie en de politiek geen beroep meer doen op persoonlijk vertrouwen, maar enkel op systeemvertrouwen. Een gebrek aan systeemvertrouwen en een nood aan persoonlijk vertrouwen kunnen elkaar echter wel versterken en zo een vicieuze cirkel vormen. Door een gebrek aan persoonlijk vertrouwen kan een systeem in onzekere situaties geen ondersteunende activiteiten ontwikkelen. Gelijktijdig kunnen structurele en operationele componenten van zo’n systeem het systeemvertrouwen aantasten en hierdoor een van de essentiële voorwaarden voor persoonsvertrouwen ondermijnen (Luhmann 1988 , pp. 102-104).
Volgens Luhmann is systeemvertrouwen gemakkelijker te genereren dan persoonlijk vertrouwen, maar moeilijker te controleren, doordat het minder communicatief is. Systeemvertrouwen kan van belang zijn als actoren ervan afhankelijk zijn, doordat ook de andere actoren vertrouwen hebben en dit vertrouwen continu is (Luhmann 1979 , p. 50). Deze continuiteit van systeemvertrouwen moet hier niet begrepen worden alsof het hier om routines gaat. Systeemvertrouwen is niet hetzelfde als vertrouwdheid. Het fundamentele verschil is volgens Luhmann dat het bij vertrouwdheid om onafwendbare feiten gaat, terwijl vertrouwen een oplossing is voor een specifiek risicoprobleem. Ook is vertrouwdheid gericht op het zekere en veilige verleden, terwijl vertrouwen meer met de onvoorspelbare en complexe toekomst te maken heeft. In een wereld van vertrouwdheid is met andere woorden geen vertrouwen nodig. Doordat onze beslissingen en acties echter risico’s produceren, is deze wereld van vertrouwdheid onbereikbaar (Luhmann 1988).
2.1.2. Giddens en vertrouwen
Giddens ziet de maatschappij in tegenstelling tot Luhmann als de verzameling van alle individuen. Het volledige individu is dus betrokken in alles wat maatschappelijk is, en niet enkel hun communicatieve handelingen.
Giddens’ theorievorming rond vertrouwen kadert in zijn bredere theorie over de modernisering van de maatschappij en de daarmee gepaard gaande problemen. Centraal in deze moderniseringstheorie is voor hem het ‘ontwortelen’ (disembedding) van de identiteit. Toegewezen statusposities veranderen in verworven statusposities en de traditionele noties van tijd en plaats krijgen een andere invulling door standaardisering en globalisering. Hoewel Giddens vanuit andere hoek vertrekt plaatst hij gelijkaardige begrippen als Luhmann centraal als hij het over vertrouwen heeft. Ook hij ziet het complexer en gedifferentieerder worden van onze samenleving en de daaruit voortvloeiende verhoging van risico’s als een belangrijke factor in de huidige discussie rond vertrouwen. Giddens verbindt vertrouwen echter eerder met contingentie, zoals we uit het woordenboek afleidden. Terwijl Giddens de scheiding tussen persoonlijk vertrouwen en systeemvertrouwen die Luhmann maakt, verwerpt door te stellen dat persoonlijk vertrouwen een vorm is van systeemvertrouwen, poneert hij zelf een soortgelijk onderscheid. Hij maakt onderscheid tussen ‘gezichtsloze’ verbintenissen (faceless commitments) en verbintenissen met gezicht (facework commitments), waarbij deze verbintenissen als nauw verbonden met het ontwikkelen van vertrouwen moeten worden gezien. Het verschil tussen beide bestaat uit het al dan niet aanwezig zijn van personen die de verbinding aangaan (Giddens 1990 p. 80). Waar in traditionele maatschappijen de verbintenissen tussen individuen gebaseerd waren op een aanwezigheidsrelatie, is dit in de moderne maatschappij veel minder het geval door het ontstaan van gezichtsloze verbintenissen. De kernprocessen van deze gezichtsloze verbintenissen zijn de in de moderniteit ontstane expertsystemen en nieuwe symbolische tekens, zoals geld. Expertsystemen zorgen ervoor dat vertrouwen een centrale kwestie wordt, omdat ze de sleutel zijn in de relatie tussen individu en maatschappij. De meest kritieke situaties van vertrouwen, waarin systeemvertrouwen groeit of afneemt, noemt Giddens ‘toegangspunten’ (acces points). Dit is de situatie die ontstaat wanneer een leek het expertsysteem ontmoet, zoals in ons eerder gegeven voorbeeld van de persoon die naar de bank stapt. Deze situaties hebben een groot potentieel om vertrouwen te genereren, maar tegelijkertijd zijn ze ook de meest kwetsbare delen voor abstracte systemen, omdat het hier is dat wantrouwen kan ontstaan (Giddens 1990 pp. 90-92).
Giddens poneert noch een derde soort vertrouwen, het basisvertrouwen, dat in tegenstelling tot het persoonlijk en systeemvertrouwen eerder emotioneel van aard is. Hiervoor steunt Giddens op onderzoek van de psycholoog Erik Erikson. Hij stelde dat de eerste sociale vaardigheid van een kind is zijn moeder te laten gaan, zonder gevoelens van woede of angst. Een kind kan dit doen omdat hij een zekere mate van innerlijke zekerheid heeft verworven over zijn externe condities. Anders gezegd vertrouwt het kind andere personen en zichzelf (Erikson 1963 pp. 15-16). Giddens plaatst dit ontwikkelen van basisvertrouwen binnen wat hij ontologische zekerheid noemt, het vertrouwen in de continuiteit van identiteit en het constant blijven van sociale en materiële omgeving. Het belang van ontologische zekerheid en het daarmee gepaard gaande vertrouwen blijft even belangrijk als je opgroeit. Basisvertrouwen is een voorwaarde voor persoonlijk vertrouwen en zo ook voor systeemvertrouwen (Giddens 1990 pp. 92-94).
2.1.3. Gebruikte definitie
Samenvattend kunnen we stellen dat wantrouwen een gebrek aan vertrouwen is. Met vertrouwen bedoel ik hier Luhmann’s systeemvertrouwen of het vertrouwen dat Giddens gepaard ziet gaan met gezichtsloze verbintenissen. Zoals we zagen ligt het grootste verschil tussen Luhmann en Giddens in hun visie op vertrouwen in het feit dat Luhmann vertrouwen als een communicatieve handeling ziet van een actor, terwijl Giddens dit als een individuele capaciteit en dus als een houding beschouwt. Aangezien ik kwantitatief te werk ga hanteer ik Giddens opvatting als werkdefinitie van vertrouwen. In een kwalitatieve benadering van het probleem kan mijns inziens een meer op communicatie toegespitste definitie, zoals Luhmann hanteert, werkbaarder zijn. Functioneel gezien kunnen we stellen dat vertrouwen het mogelijk maakt de complexiteit van de samenleving te reduceren. Psychologisch werkt vertrouwen als een demper op de onzekerheid die voortspruit uit de contingentie van ons dagdagelijkse leven. Indien we deze visie doortrekken, werkt wantrouwen onzekerheid in de hand en maakt het onze leefwereld complexer. Het beginpunt van wantrouwen in het systeem is volgens Giddens te vinden in situaties waar het individu tegenover het abstracte systeem komt te staan. Deze situaties maken of breken het systeemvertrouwen.
2.2. Systeemvertrouwen in de praktijk: politiek en ontgoocheling
2.2.1. Theoretische belemmeringen
Het wantrouwen kwam in het brandpunt van de aandacht tijdens de vertrouwenscrisis in België, en werd diepgaander onderzocht, vanuit cultuursociologische invalshoek, door Mark Elchardus (Elchardus & Smits 1998, Elchardus & Smits 2002). De houdingen van individuen worden hierbij als patronen van waarden en houdingen beschouwd, een soort culturele cluster. Elchardus ziet zo een nieuwe breuklijn opduiken, die de traditionele sociaal-economische breuklijn verzwakt en zelfs vervangt. Deze breuklijn onderscheidt ook sterk de laatst ontstane progressieve (groene) van de conservatieve (nieuwrechtse) partijen. Deze nieuwe breuklijn bestaat hoofdzakelijk uit vier componenten en is de ideologische vertaling van de ‘nieuwe sociale kwestie’(Elchardus & Pelleriaux 2001).
Het mensbeeld is de eerste component. Een utilitair individualistisch mensbeeld, die samen te vatten valt in ‘Elk voor zich’, staat voor een positie rechts van de breuklijn. De manier waarop intermenselijke relaties zich zouden moeten afspelen is ook een belangrijk onderwerp in deze ‘nieuwe sociale kwestie’. Een autoritaire en etnocentrische opvatting van interpersoonlijke en interculturele relaties gaat gepaard met een rechtse positie in het breuklijnenmodel. De laatste component die de breuk vormt is de houding tegenover politiek en democratie. Een fundamenteel antidemocratische houding wordt vanuit deze optiek geassocieerd met een positie rechts van de breuklijn.(Elchardus 1994 p. 50, Elchardus & Smits 2002, p.71). Deze houdingen hangen sterk samen, zodat we, indien we de houding op 1 component kennen, vrij goed kunnen voorspellen wat de houding op de andere componenten van deze nieuwe breuklijn zal zijn. Dit is dus een soort waardencluster, die op zichzelf al een vertaling is van maatschappelijk ongenoegen, of met een ander woord ressentiment (Elchardus & Pelleriaux 2001 pp.11). Vaak wordt politiek cynisme hier ook nog aan toegevoegd aan deze nieuwe breuklijn (Elchardus & Pelleriaux 2001 p.11), maar in het kader van politiek wantrouwen lijkt mij dit een tautologie, door de nauwe band die er is tussen politiek cynisme en politiek wantrouwen. Iemand die vertrouwen heeft in de politici zal niet politiek cynisch zijn.
Een rechtse positie op de ‘nieuwe breuklijn’ samen met een sterk onveiligheidsgevoel en een negatief toekomstbeeld, die door Elchardus als respectievelijk politieke en emotionele uitingen van onbehagen worden gezien, verklaart een groot deel van de variantie binnen wantrouwen (Elchardus & Smits 2002 p. 49-50). Verder kunnen we ook vermelden dat een rechtse positie op de nieuwe breuklijn een zwak verband toont met een laag opleidingsniveau (Elchardus & Smits 2002 p.54).
Voor ik verder ga met de theoretische verkenning van het onderwerp, moet ik even bespreken in hoeverre ik met mijn onderzoek de zojuist vernoemde verklarende factoren kan reproduceren. Het is namelijk mijn bedoeling met dit onderzoek het model van Elchardus te toetsen op Vlaanderen, Wallonië en Nederland in zoverre dit mogelijk is met de gebruikte data. Het was niet mogelijk een soort nieuwe breuklijn te construeren, omdat er geen vragen waren die op een soortgelijke nauwkeurige manier als in de APS-surveys in Vlaanderen peilden naar autoritarisme, utilitair individualisme of houdingen tegenover het vertegenwoordigingsprincipe. Naar de toekomstverwachting van de respondent werd evenmin gepeild, en over onveiligheidsgevoel was er slechts een vraag. Daarom pas ik het model van Elchardus aan. De factoren die wel aan bod komen, naast de klassieke sociologische verklarende factoren zoals geslacht, leeftijd, onderwijsniveau, inkomensniveau en levensbeschouwing, zijn op te splitsen in twee domeinen. Enerzijds ga ik in op houdingen die, naast wantrouwen, politiek worden vertaald door populistisch rechtse partijen over de drie regio’s (supra). Dit is in de eerste plaats een etnocentrische houding en in de tweede plaats een gevoel van onveiligheid. Aan de andere kant ga ik de invloed van het subjectief welbevinden na. Dit is weliswaar niet hetzelfde als de toekomstverwachting, maar het is te verwachten dat toekomstverwachting voor een groot stuk bepaald wordt door de huidige tevredenheid. Deze veranderlijke bewees ook in de eerste Vlaamse analyse zijn geldigheid (Elchardus & Smits 1998 p.70).
2.2.2. Zonder kompas: laaggeschoolden in de kenniseconomie.
De verklaring voor het hoe en waarom van deze gegroeide onvrede moeten we gedeeltelijk zoeken in de meritocratie die onze hedendaagse maatschappij is geworden, die samen met het stijgende belang van onderwijsniveau voor een sterke individuele responsabilisering zorgt (Derks en Kochuyt 2003, p.465, Elchardus & Pelleriaux 2001 p.3 Elchardus 2002 pp.268-270). Een belangrijk element van onze postindustriële ‘kennismaatschappij’ is het onderwijsniveau. Velen zien hierin de nieuwe scheidingslijn tussen machtigen en machtelozen, die in de industriële samenleving door kapitaal werd getrokken (Cantillon & Marx 1995). Onderwijsniveau draagt de bestaande sociale ongelijkheden als een ‘sociale erfenis’ over tussen de generaties (Bourdieu & Passeron 1970), en functioneert tegelijkertijd als een plafond voor sociale mobiliteit (Kochuyt 1999). De individuele responsabilisering die volgt uit het stijgende onderwijspeil en de daarmee gepaard gaande nadruk op persoonlijke prestaties verklaart waarom de lager opgeleiden zichzelf de schuld geven voor hun falen binnen het onderwijssysteem, iets wat zich reflecteert in hun lagere opleidingsniveau (Elchardus & Pelleriaux 2001 p. 5). Deze responsabilisering wordt nog aangezwengeld door de actieve welvaartsstaat (Elchardus & Pelleriaux 2001 p.7). Pelleriaux beschreef op basis van onderzoek bij jongeren in Vlaanderen het gevolg van beide fenomenen als demotie, het tegengestelde van promotie (Pelleriaux 2001). Hiermee duidt hij erop dat de jongeren zich uitgesloten voelen, ze ‘weten’ dat ze laag op de sociale ladder staan en uiten dit in een eigen tegencultuur. Deze tegencultuur wordt gekenmerkt door dezelfde factoren die politiek wantrouwen aanzwengelen, namelijk etnocentrisme, autoritarisme, een elk voor zich mentaliteit, en een negatief zelf- en toekomstbeeld. Dit geldt natuurlijk niet enkel voor jongeren (Elchardus & Smits 2002 p. 54). Dit duidt er echter wel op dat laaggeschoolden andere waarden aanhangen dan de meeste hooggeschoolden, en dat deze verschillen al bestaan onder jongeren. Doordat deze waarden door het ‘politieke establishment’ worden afgewezen, vertaalt deze tegencultuur zich in wantrouwen. We zouden naar analogie met Bourdieus begrip ‘habitus’ kunnen zeggen dat ze met een ander cognitief apparaat zijn uitgerust, doordat ze op een andere manier gesocialiseerd zijn. De ‘tegencultuur’ die zijn oorsprong vindt in dit mentaal apparaat gaat dan gepaard met een andere manier van denken, handelen en voelen (Bourdieu 1979). Wat Elchardus als een samenhang tussen verschillende waarden ziet, zie ik meer als een ‘mentaliteit’[7]. Dit is echter een kwestie van interpretatie.
Het verband tussen onderwijsniveau en wantrouwen bestaat maar is zwak (Elchardus & Smits 1998 p.65, Elchardus & Smits 2002 p.54). Uit onderzoek is duidelijk dat wantrouwige houdingen van laagopgeleiden beter verklaart kunnen worden door naar de positie op de nieuwe breuklijn te kijken (Elchardus & Smits 2002 p.54). De houdingen van de respondenten (die een uiting zijn van hun ideële wereld) verklaren dus meer dan hun opleidingspeil.
2.2.3. Zingevend vertrouwen
Elchardus stelt dat vertrouwen samenhangt met ruimere ervaringen en overtuigingen zoals levensbeschouwing (Elchardus & Smits 2002 p.60). In dit onderzoek komt een rechtsreeks verband naar boven, dat bij controle voor positie op de nieuwe breuklijn blijft bestaan. Als we even terugdenken aan Giddens kunnen we aannemen dat gelovigen vertrouwender zijn dan minder gelovigen of ongelovigen, omdat geloven net zoals vertrouwen, een kwestie van ‘faceless commitment’ is.
Een eerder onrechtstreekse invloed heeft geloven op wantrouwen doordat gelovigen tevredenener zijn met hun leven.
2.2.4. Het morrende volk
Een eerste punt dat mij vrij belangrijk lijkt als het gaat om individuele houdingen, is van eerder fenomenologische aard. De manier waarop iemand de werkelijkheid beoordeelt wordt voor een sterk stuk bepaald door de manier waarop hij deze waarneemt. De subjectieve instelling bepaalt met andere woorden de objectieve realiteit.[8] Mensen die over het algemeen ontevreden zijn of eerder pessimistisch ingesteld, zullen in allerhande zaken eerder de negatieve dan de positieve kant uitlichten. Daarom is een eerste uitgangspunt, los van andere factoren, dat mensen die eerder ontevreden zijn over algemenere zaken ook minder vertrouwen zullen hebben in de politiek. Hun algemeen negatievere instelling zal hen beletten veel vertrouwen te leggen in de politiek.
Waar tien jaar terug bij verzuring nog aan neerslag werd gedacht, is het nu vooral de ontevreden burger die ermee wordt aangeduid. Niet alleen zal een algemene ontevredenheid invloed hebben op de houding tegenover de politiek, maar ook tegenover alle andere houdingen. Dit moeilijk grijpbare verschijnsel wordt vaak aangeduid met de term subjectief welbevinden of levenstevredenheid en kadert in het bredere onderzoeksterrein van de levenskwaliteit (Van Geel 2003). Het interessante aan dit fenomeen is dat het maar voor een klein gedeelte verklaard wordt door sociale achtergrondfactoren zoals leeftijd, geslacht, inkomen, en sociale participatie (Bowling en Winsor 2001), terwijl we, redenerend vanuit het gezond verstand, zouden aannemen dat groepen die in objectief betere sociale omstandigheden leven toch tevredener zouden moeten zijn. Tevredenheid op zich is natuurlijk geen puur subjectieve aangelegenheid, omgevingsfactoren kunnen hier een rol in spelen. Uit onderzoek bleek bijvoorbeeld dat werklozen beduidend ontevredener zijn dan werkenden en laag geschoolden ontevredener dan hoog geschoolden (Van Geel 2003 p. 55). Hier speelt voor een stuk ook het gevoel van deprivatie mee. De econoom Erik Schokkaert verwoordt dit als volgt: “Het geluk in de praktijk niet zozeer wordt bepaald door het absolute welvaartsniveau, maar door de welvaart die mensen rondom zich zien en door de relatieve plaats die hun eigen welvaart daarbij inneemt.” (Schokkaert 2001).
Het blijkt wel dat tevredenheid met inkomen, gezondheid en levensstandaard sterk correleren en samen te voegen zijn in een component (Van Geel 2003, p.54).
Het spreekt dus voor dat we met de factor tevredenheid een moeilijk plaatsbaar gevoel proberen te kwantificeren. Sommigen gaan er vanuit dat tevredenheid en geluk enkel ‘einfühlend’ te begrijpen zijn, en eerder vanuit de aspiraties en hoop van het individu dan vanuit de eigenlijke vervulling.
Geluk kan evenals levenstevredenheid maar voor een vrij klein deel (9%) worden verklaard door typisch sociologische achtergrondveranderlijken zoals geslacht, inkomen, leeftijd opleidingsniveau, aantal vrienden (Van Geel 2003 p. 75). Daarom geloof ik dat het gerechtvaardigd is aan te nemen dat dit soort veranderlijken eerder een weerspiegeling is van een dieperliggende, eerder psychologisch te benaderen instelling, die een sterke invloed uitoefent op het wereldbeeld.
Alhoewel er een kleine spreiding is binnen deze veranderlijken , geloof ik dat door de eerder tevredene van de eerder ontevredene helft te onderscheiden ook wat wantrouwen betreft veel kan verklaard worden. Ik wil hier echter niet zo ver in gaan als Helmut Gaus, die niet alleen de opkomst van extreem rechts, maar ook de lange termijn conjunctuurschommelingen aan een verandering van “mood” wijst en de daarmee gepaard gaande opleving van angstgevoelens (Gaus 2004 p.74).
Het verband tussen ontevredenheid en wantrouwen kan eveneens anders worden geïnterpreteerd. Bij deze benadering wordt er vanuit gegaan dat personen die eerder ontevreden zijn over het leven in het algemeen door hun wantrouwen van de politiek tonen dat zij meer verwachten van de politiek. Zij geven dus de schuld van hun als slecht gepercipieerde toestand aan het politieke systeem. Deze interpretatie van het verband is wijdverbreid onder de naam ‘overload’ hypothese (Mansbridge 1997). Als we vanuit deze veronderstelling vertrekken wordt ontevredenheid met het privé-leven afgeschoven op ‘de politiek’. De verschuiving van de persoonlijke frustratie naar ontevredenheid met de politieke instellingen functioneert als een soort bliksemafleider. Het politieke systeem wordt herleid tot een geheel, en bij deze politieke entiteit wordt de schuld gelegd voor persoonlijke ontevredenheid. Terwijl dit wantrouwen wel samenhangt met de verwachtingen tegenover het politieke systeem van de respondent, denk ik dat we niet uit het oog mogen verliezen dat dit ook een eenvoudige manier is om ontevredenheid psychologisch te verwerken. ‘De politiek’ fungeert dan als zondebok voor alles wat misgaat. Ik denk dat verwachtingen tegenover de politiek ongeveer bij alle burgers ongeveer dezelfde zijn, het is enkel bij de ontevredenen dat deze hoge verwachtingen voor een wantrouwige houding zorgen. Daarom meen ik te mogen stellen dat het zondebokmechanisme in dit verband een grote rol speelt (infra).
Het is uit onderzoek duidelijk dat er een verband is (Elchardus & Smits 1998, p.70), de vraag hoe het te interpreteren is echter minder gemakkelijk te beantwoorden.
2.2.5. Wantrouwen en Autoritarisme
Het is lijkt een grote stap om wantrouwen in de politieke instellingen te gaan vertalen in termen van autoritarisme, etnocentrisme, en antipolitiek. Velen vinden een kritische houding tegenover de machtsinstellingen een heel normale instelling. Journalisten zonder een kritische houding tegenover de zetelende regering zijn vrij nutteloos, en fungeren als megafoon van de woordvoerders. Er is echter een verschil in een kritische reflectie van de partijen die aan de macht zijn en politiek wantrouwen in algemeen. Deze laatste houding stelt de werking van het democratische systeem in vraag.
Als we terugkijken naar de periode voor tweede wereldoorlog kunnen we zien dat de opkomst van de Nazi-partijen in Duitsland gedurende de jaren dertig gepaard ging enerzijds met een economische crisis en anderzijds met een verlies van vertrouwen in het (nieuwe) democratische systeem. In de nadagen van de Weimar-republiek leek het alsof de democratie had gefaald. Talrijke en snel wisselende coalities kwamen aan de macht maar konden geen oplossing vinden voor de crisis waarin Duitsland verzeild was geraakt.
Begin de jaren dertig, net voor de grote doorbraak van de NSDAP bij de arbeiders, werd een van de eerste sociologische analyses van het stemgedrag gedaan door Erich Fromm van het toonaangevende Duitse sociologie-instituut van het moment, de Frankfurter Schule. Fromm stelde vast dat, in een periode van wantrouwen in het democratische systeem zoals de jaren dertig, bij de arbeiders het vooral de NSDAP aanhangers zijn die een irrationele zondebok kiezen (Fromm 1984, p.85). Hiermee wordt bedoeld dat geen bevolkingsgroep of institutie die op rationele gronden oorzaak kan zijn van maatschappelijke problemen gekozen wordt, zoals bijvoorbeeld banken, industriëlen, kapitalisten, maar groepen gekozen worden die eerder gevoelsmatig of op basis van samenzweringstheorieën als zondebok functioneren, zoals joden, vrijmetselaars en jezuïeten.[9]
Het belangrijkste van dit boek voor ons onderzoek is het feit dat op het tijdstip van deze bevraging hoofdzakelijk arbeiders die aanhanger waren van de NSDAP deze ‘cultureel verschillende’ groepen, terwijl de andere arbeiders groepen met andere ‘materiële’ kenmerken als zondebok namen. Toen Fromm in ongenade viel van de intussen naar de Verenigde Staten verhuisde Frankfurter Schule en een apart instituut oprichtte, nam hij zijn onderzoeken met zich mee, zo ook het halfvergeten onderzoek naar het stemgedrag van de arbeiders uit de jaren dertig, dat uiteindelijk pas in 1984 werd gepubliceerd.
De opkomst van het fascisme in Duitsland leidde tot een dieper sociaal-wetenschappelijk onderzoek naar de oorzaken van het nemen van een ‘cultureel verschillende’ zondebok, dat in de sociologie door het concept etnocentrisme wordt samengevat. Het is duidelijk dat etnocentrisme zich op de scheidingslijn van psychologie en sociologie bevindt.[10]
Het tot op de dag van vandaag toonaangevende onderzoek hierover is zonder twijfel ‘The Authoritarian Personality’ van Theodor Adorno en zijn onderzoeksgroep (Adorno et al. 1969), dat gebaseerd is op zowel kwantitatieve als kwalitatieve vragenrondes in de Verenigde Staten begin de jaren ’50. Zoals de titel aangeeft gaat het hier om een eerder psychologische invalshoek. In de inleiding wordt expliciet vermeld dat het hier gaat om een objectieve studie van houdingen, waarden en opinies, met als uiteindelijk doel een psychologische structuur[11] te ontdekken. Dit betekent dat de meeste meetschalen die tijdens dit onderzoek werden gebruikt tot op de dag van vandaag gebruikt kunnen worden om deze fenomenen sociologisch te onderzoeken. Er werd gebruik gemaakt van vier schalen: de Anti-Semitische (A-S) schaal, de etnocentrisme (E) schaal , de politiek-economische (PEC) schaal en de Fascisme (F) schaal. De A-S schaal bespreek ik hier niet, aangezien dit probleem de dag van vandaag niet meer binnen de problematiek van het wantrouwen kadert door de veranderde positie van de Joden.
De E-schaal onderzoekt in welke mate de respondent expliciet bepaalde groepen als ‘minderwaardig’ beschouwd. De verwoording van wat etnocentrisme is heb ik zelden zo duidelijk gelezen als Levinson deze geeft:
‘Ethnocentrism is based on a pervasive and rigid ingroup-outgroup distinction; it involves stereotyped negative imagery and hostile attitudes regarding outgroups and submissive attitudes regarding ingroups, and a hierarchical, authoritarian view of group interaction in which ingroups are rightly dominant, and outgroups subordinate’ (Adorno et al. 1969, p.150).
Het spreekt voor zich dat identificatie met de wij-groep (‘ingroup’) hierin een sleutelrol speelt. In deze schaal werd expliciet verwezen naar ‘etnische’ minderheden en hun kenmerken, zodat dit een vrij ruwe meter is voor etnocentrisme. De F-schaal is echter subtieler (infra).
De PEC-schaal onderzoekt in hoeverre etnocentrisme in verband te brengen valt met de ideologische links-rechts spreiding van de ondervraagden. Hier valt een verband af te leiden, namelijk dat conservatieven eerder etnocentrisch zijn dan liberalen, maar dit verband is niet eenduidig en vrij zwak (Adorno et al. 1969, p.207). In dit opzicht is het interessant dat partijen die een expliciet etnocentrisch standpunt innemen vaak ook een mengelmoes van linkse en rechtse maatregelen voorstellen (supra), iets wat door de term nationaal-socialisme op zich al tot uiting wordt gebracht.
De bekendste en meest besproken schaal is zonder twijfel de F-schaal, die werd opgesteld om impliciete antidemocratische disposities of anders uitgedrukt autoritarisme te meten. Het ging er hierbij om de vatbaarheid van mensen voor etnocentrisme te meten, zonder het expliciet over minderheidsgroepen te hebben in de vragen. De achterliggende hypothese die voortkwam uit de constructie van de andere schalen was dat bepaalde psychologische mechanismen, zoals bijvoorbeeld stereotypering en conventionalisme, de basis vormen voor etnocentrische houdingen.
De belangrijkste componenten van deze schaal waren vragen die peilden naar conventionalisme, onderwerping, benadrukken van bestraffing, afkeuren van het imaginaire en gevoelige, stereotypering, nadruk op macht en ‘hardheid’, cynisme, destructiviteit, bijgeloof en geloof in samenzweringstheorieën (Adorno et al. 1969, p. 222-228). Deze schaal correleerde vrij sterk met de E-schaal en minder sterk met de PEC-schaal zoals te verwachten viel. Ook viel een zwak, maar significant verband op tussen een hogere score op de F-schaal en een lager scholingsniveau en een lager IQ (Adorno et al., 1969 p.288).
Het doel van het boek is een bepaalde persoonlijkheidsstructuur te ontdekken die impliciet antidemocratische (en dus autoritair) is. Ik vind het interessanter even dieper in te gaan op de politieke beeldvorming van de hoog-scorende respondenten. Zo bleek uit de diepte-interviews dat ze vaak politiek onwetend of verward door het overaanbod aan politieke opinies zijn (Adorno et al. 1969, p. 658). Om zich toch een beeld te kunnen vormen, maken deze politiek onvolwassenen gebruik van stereotypering en personalisatie. Alhoewel ze tegengesteld werken, vult het ene mechanisme het andere aan. Terwijl om de chaotische wereld te ordenen stereotypering wordt gebruikt, wordt personalisatie gebruikt om objectieve, abstracte economische en sociale processen of politieke programma’s te beschrijven (Adorno et al. 1969, p. 664-665).
Als ik even inga op de verschillende persoonlijkheidstypes die bij de hoogscorende respondenten werden opgemerkt komen we naast de te verwachten ‘autoritaire’,‘conventionele’,’psychopathische’ en ‘rebellerende’ types (duidelijk psychologische typeringen), een ‘type’ tegen dat dit niet is en niet op hetzelfde logische niveau als de andere types. Dit type wordt beschreven als oppervlakkig ressentiment, ‘… a condensation of the more rational, either conscious or preconscious, manifestations of prejudice…’ (Adorno et al. 1969, p.753). Bij deze respondenten komen de vooroordelen en stereotypes niet van binnenuit, maar worden ze gebruikt om eigen moeilijkheden en problemen te rationaliseren en, in realiteit of psychologisch, op te lossen. Het is op deze groep dat de zondeboktheorie het meeste invloed heeft. De schuld die ze in de eerste plaats bij zichzelf leggen, verschuiven ze naar de zondebok door externe attributie (Adorno et al. 1969, p. 754-756). Dit is sociologisch van groot belang, aangezien het hier is dat voor het eerst duidelijk een verband wordt gelegd tussen ressentiment (een zekere onvrede) en autoritarisme, en daarnaast wordt gesteld dat deze ontevredenen vatbaar zijn voor het gebruiken van gangbare zondebokken.
Het zondebokmechanisme is een mechanisme dat dus blijkbaar een grote rol speelt in het verwerken van onvrede. Als we de analyse van Adorno en zijn onderzoeksgroep volgen, speelt het een grote rol in het vertalen van onvrede naar etnocentrisme en autoritarisme bij personen die op zich geen ‘puur’ autoritair karakter hebben. Deze groep mensen zijn dus eerder ‘functioneel autoritair’, wat we niet mechanistisch mogen opvatten.[12] Dit betekent dat, als we aannemen dat er een bepaalde proportie ‘psychologisch autoritairen’ altijd aanwezig is in de maatschappij, het deze ‘functioneel autoritairen’ zijn die het verschil maken, omdat zij in grotere mate door veranderingen rond zich, en dus in de samenleving, autoritair en etnocentrisch worden. Daarom ga ik hier in even op dit psychologische mechanisme. De oorsprong van de term zondebok is volgens Gordon Allport (een toonaangevend auteur op dit vlak) afkomstig van een oud Joods ritueel, beschreven in de bijbel.
‘On the Day of Atonement a live goat was chosen by lot. The high priest, robed in linen garments, laid both his hands on the goat's head, and confessed over it the iniquities of the children of Israel. The sins of the people thus symbolically transferred to the beast, it was taken out into the wilderness and let go. The people felt purged, and for the time being, guiltless.’(Allport 1954, p.244)
Terwijl de met zonden beladen geit oorspronkelijk werd vrijgelaten, moet een zondebok in de huidige betekenis boeten voor andermans zonden of fouten. Het zoeken van een zondebok wordt psychologisch verklaard als een verdedigingssysteem van ontkenning door projectie (Landes 1994, p.659). Terwijl het zoeken van een zondebok in kleine groepen uit eigen wangedrag en het daaruit volgende schuldgevoel wordt verklaard, gaat deze redenering niet op voor het zoeken van een zondebok in een ganse sociale groep. Allport suggereert dat ook frustratie aan de basis kan liggen van een tweede patroon, dat zowel in grote als kleine groepen tot het zoeken van een zondebok kan leiden. Agressie, die veroorzaakt wordt door deze frustratie, wordt verwerkt door de schuld bij een zondebok te leggen (Allport 1954, p.350). Het valt te verwachten dat voor mijn sociologische analyse eerder het tweede fenomeen als verklaring kan dienen.
Vaak gaat het ‘sociale’ zondebokmechanisme dat in maatschappijen werkzaam is samen met stereotypering, wat leidt tot het vormen van vooroordelen tegenover de gestereotypeerde groep(en). Door een zondebok te creëren, wordt de eigen groep niet alleen de beste, maar wordt eveneens de interne groepscohesie verstevigd en de eigen identiteit (negatief) gedefinieerd (Colman 1995, pp.7-10). Dit is de rol die het zondebokmechanisme speelt in het kader van etnocentrisme. René Girard, die de culturele implicaties van zondebokredeneringen becommentarieerde, meent dat de nood aan een zondebok het grootst is als een maatschappij een ‘identiteitscrisis’ heeft door de rol die het speelt op vlak van groepsidentiteiten (Girard 1982, p. 43-44).
Ik zou er bijvoorbeeld de aandacht willen op vestigen dat het zondebokmechanisme niet enkel psychologisch een uitleg geeft aan racisme, maar dit evengoed een verklaring kan zijn voor ontgoocheling in de politiek, wat verder onderstreept dat beide verschijnselen een verband hebben. Hierbij is het belangrijk in te zien dat reïficatie hierin een grote rol speelt. Reïficatie of verdinglijking is een cognitief proces waarbij complexe abstracte relaties worden vereenvoudigd tot een enkel fenomeen. We zouden het kunnen vergelijken met een metafoor op linguïstisch niveau. Bij het zoeken naar een zondebok vanuit frustratie wordt een bepaalde problematiek verschoven tot een persoon of instelling, terwijl het probleem dat de frustratie veroorzaakt complexer is. Iemand die zijn werk kwijt is, kan deze frustratie afschuiven op ‘de immigranten’ (“ze nemen mij mijn job af”), of eveneens op ‘de politiek’ (“ze kunnen geen werkgelegenheid scheppen”), of op beiden. In beide gevallen wordt een complexe problematiek herleidt tot een eenvoudige oorzaak-gevolg redenering. In het tweede geval, waarbij de schuld naar ‘de politiek’ wordt verschoven, is de zaak wat complexer, omdat verwachtingen hierin een grote rol spelen (supra).
Hoofdstuk 3 : Hypotheses en operationalisatie
3.1. Hypothese 1
Laaggeschoolden beseffen dat ze in deze kenniseconomie een zwakke positie bekleden. Deze frustratie kan zich in een rechtse positie op de nieuwe breuklijn uiten, een indicator voor wantrouwen (Elchardus & Smits 2002), in dit onderzoek gesymboliseerd door een etnocentrische houding. Laaggeschoolden die niet etnocentrisch zijn worden echter verwacht door hun precaire positie ook wantrouwiger te zijn.
3.2. Hypothese 2
We kunnen verwachten dat mensen die gelovig zijn meer vertrouwen hebben in het politieke systeem doordat zij getraind zijn in ‘faceless commitment’. Dit betekent ook dat we verwachten dat de traditionele confessionele partijen de minst wantrouwige kiezers hebben.
3.3. Hypothese 3
Ontevreden mensen zien het leven door een donkere bril. Daarom kunnen we verwachten dat ontevredenen minder vertrouwen zullen hebben in het politieke systeem. Een alternatieve interpretatie van dit verband is dat ontevreden mensen meer verwachten van het politieke systeem, of dat ontevreden mensen hun persoonlijke problemen afschuiven op het politieke systeem.
3.4. Hypothese 4
Wantrouwen in de politieke en maatschappelijke instellingen is vooral onder de aandacht gekomen door het discours van nieuw rechtse politieke partijen zoals de Lijst Pim Fortuyn in Nederland, het Vlaams Blok in Vlaanderen en het Front National in Wallonië. Het zou dus logisch zijn dat kiezers van deze partijen, voor zover is na te gaan, beduidend wantrouwiger zijn dan kiezers met een andere partijvoorkeur. Aangezien in Wallonië het Front National echter weinig succes kent is het interessant te zien waar de wantrouwige kiezers dan wel op zullen stemmen.
Aangezien LPF en VB vooral kiezers aantrokken die voorheen op een socialistische partij stemden, valt te verwachten dat in Wallonië de PS de meest wantrouwige kiezers heeft, na het FN.
3.5. Hypothese 5
Een kenmerk dat de populistisch rechtse partijen gemeen hebben is dat zij immigranten hoofdzakelijk in een negatief daglicht plaatsen. Uit onderzoek in Vlaanderen (Elchardus & Smits 2002) weten we dat er een rechtsreeks verband is tussen een negatieve houding tegenover immigranten en een wantrouwige houding tegenover politiek. Het valt te verwachten dat dit verband ook in Wallonië en Nederland waar te nemen valt.
3.6. Hypothese 6
Het misdaadcomplex van Garland (supra) toont hoe een gevoel van onveiligheid zich kan vertalen in een wantrouwige houding tegenover de politiek. Doordat de veiligheidsproblematiek echter heel vaak gekoppeld wordt aan de immigratieproblematiek denk ik dat het effect van onveiligheidsgevoel op politiek wantrouwen na controle op etnocentrisme geen grote rol meer zal spelen.
3.7. Data
De data[13] waarmee ik zal werken komen uit de eerste bevraging van de European Social Survey.