Intergenerationele rechtvaardigheid en het pensioenstelsel. (Eva Platteau)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Inleiding

 

Er bestaat een legende over hoe in een vroegere tijd een jongen zijn vader en grootvader vergezelt op een rituele reis met de bedoeling dat de grootvader zichzelf vrijwillig het leven beneemt omdat hij niet meer in staat is zichzelf te onderhouden. De jongen krijgt echter medelijden met zijn grootvader en overhaalt zijn vader om de oude man te laten leven en hem tot het einde van diens leven te onderhouden. In ruil belooft de jongen dat hij hetzelfde zal doen voor zijn vader als zijn oude dag is aangebroken. Dit verhaal wekt het beeld op van een sociaal contract tussen de generaties dat gebaseerd is op reciprociteit. Het is natuurlijk een metafoor en geen historische verklaring voor het ontstaan van ons huidige pensioensysteem. De industriële revolutie en de demografische transitie hebben ervoor gezorgd dat een grote groep bejaarden afhankelijk is geworden van jongere generaties. Deze ouderdomskwestie werd opgevangen door een wettelijk pensioensysteem dat ingebed is in de ruimere ontwikkeling van de moderne welvaartstaat (Lindh, Malmberg & Palme, 2005, p. 2).

 

Dit pensioenstelsel, dat dus gedacht wordt als een sociale contract tussen de generaties waarbij de jongeren voor de ouderen zorgen, komt in de industriële landen onder druk te staan door een nieuw gegeven: de vergrijzing van de bevolking. Er doen allerlei alarmerende coëfficiënten de ronde over de toenemende en onhoudbare afhankelijkheid van ouderen ten aanzien van jongeren (Artoisenet, e.a. 2001, p. 1). Sommigen concluderen hieruit dat er nood is aan een herziening van het generationele contract omdat anders de “intergenerationele rechtvaardigheid” in het gedrang komt.

 

Hugo De Ridder schreef over deze ouderdomskwestie een kritisch, zelfs ironisch boek. Hij schetst een toekomstbeeld van een samenleving waarin ouderen zich vrijwillig het leven benemen, “ingegeven door altruïstische en hoogstaande motieven. Immers op vrijwillige basis verlossen ze de maatschappij van wat zij ziet als overlast. Daardoor kan het resterende menselijke en sociaal-economisch kapitaal maximaal worden benut en een planmatig rendement verkrijgen” (De Ridder, 1992, p. 10). In dit toekomstbeeld wordt het hierboven geschetste generationele contract dus vernietigd en vervangen door een Ultieme Transfer van de ouderen naar de jongeren. Dit druist natuurlijk volledig in tegen onze intuïtieve opvatting dat ieder mens recht heeft op leven.

 

In plaats van deze radicale oplossing kunnen we wel hervormingen doorvoeren aan het pensioenstelsel. Er zijn dan verschillende beleidsopties mogelijk. Dit wil zeggen dat er keuzes gemaakt zullen moeten worden. Sociale zekerheid is immers per definitie een verdeelprobleem: middelen toewijzen aan één sociale categorie beperkt immers de beschikbare middelen voor andere sociale categorieën. De vraag die beantwoord moet worden, is dan ook hoe we de schaarse middelen gaan verdelen (Teulings, van der Veen & Trommel, 1997, p. 203), hetgeen opnieuw het maken van keuzes inhoudt. Wat echter vaak uit het oog verloren wordt, is dat die keuzes van normatieve aard zijn. Ze worden gemaakt vanuit al dan niet expliciet gemaakte opvattingen over wat een rechtvaardig stelsel van sociale zekerheid is. Er liggen met andere woorden algemene ethische principes aan de basis van concrete beleidsmaatregelen (Schokkaert & Van Parijs, 2003a, p. 246).

 

De (normatieve) politieke filosofie heeft zich als discipline op het ethische probleem van de rechtvaardigheid gericht. De bekendste en ongetwijfeld meest geciteerde auteur in dit domein is John Rawls; in 1971 publiceerde hij A Theory of Justice (Kymlicka, 2002, pp. 1 & 10), waarin hij algemene principes gaf voor sociale rechtvaardigheid. Sociale rechtvaardigheid is sindsdien een ingeburgerd begrip geworden in het debat over de sociale zekerheid. Meestal kijkt men naar de rechtvaardige behandeling van individuen of sociale categorieën. In deze verhandeling willen we echter nagaan hoe sociale rechtvaardigheidstheorieën worden toegepast op generaties. Men spreekt dan van “intergenerationele rechtvaardigheid”.

 

Pas relatief recentelijk is “intergenerationele rechtvaardigheid” een onderwerp van discussie geworden onder filosofen en sociale wetenschappers. Begin jaren ’90 is het onderwerp pas echt in de belangstelling komen te staan gezien het aantal conferenties en publicaties over het onderwerp (Laslett & Fishkin, 1992, p. VII). Men is zich, als gevolg van de “uitdaging van de vergrijzing”, ervan bewust geworden dat intergenerationele rechtvaardigheid naast intragenerationele rechtvaardigheid een voorwaarde is geworden voor de houdbaarheid (sustainability) van de sociale zekerheid en in het bijzonder van de gezondheidszorg en de pensioenen (Vandenbroucke, 2002, pp. xvi-xvii). Deze verhandeling zal zich toespitsen op het pensioenstelsel als toepassingsgebied voor intergenerationele rechtvaardigheid. De problemen in de gezondheidszorg[1] zullen niet behandeld worden.

De bedoeling van deze verhandeling is in de eerste plaats om het begrip intergenerationele rechtvaardigheid uit te klaren. Vervolgens zal de aandacht gaan naar die filosofen die het thema hebben uitgewerkt vanuit een Rawlsiaans, of liberaal-egalitair denkkader. Steeds wordt de case van de pensioenen als uitgangspunt genomen. 

 

Deze verhandeling bestaat uit zes hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk definiëren we de centrale begrippen van deze verhandeling. Nadat we de begrippen generatie, leeftijdsgroep en cohorte van een definitie hebben voorzien, leggen we in dit eerste hoofdstuk uit wat we bedoelen met intra-, trans- en intergenerationele rechtvaardigheid. We stellen dat we een onderscheid moeten maken tussen twee verschillende betekenissen van intergenerationele rechtvaardigheid, zijnde het leeftijdsgroepen-probleem en anderzijds intercohorte rechtvaardigheid.

 

In het tweede hoofdstuk komt het pensioenstelsel aan bod. Wat is een pensioen? Op welke verschillende manieren kan er in een pensioen voorzien worden? Hoe wordt het gefinancierd? Kortom, hoe ziet het institutionele design van het pensioenstelsel eruit? In dit hoofdstuk kaarten we ook reeds aan welke problemen van intra- en intergenerationele rechtvaardigheid zich stellen in het pensioenstelsel.

 

Het derde hoofdstuk gaat over het verdeelprobleem in een ouder wordende samenleving. In dit hoofdstuk bespreken we de opkomst van het generationele conflict-denken in het licht van de vergrijzingsproblematiek. Ook trachten we een overzicht te bieden van hoe de notie van intergenerationele rechtvaardigheid is opgekomen en ingeburgerd is geraakt en met welke verschillende connotaties. Om dit derde hoofdstuk af te sluiten, gaan we verder in op de rol van de normatieve theorie voor het vraagstuk van de intergenerationele rechtvaardigheid van het pensioenstelsel.

 

In het vierde hoofdstuk geven we een overzicht van verschillende theorieën over de rechten en plichten tussen generaties. Welke plichten hebben kinderen ten aanzien van hun ouders? Of bestaat er eerder een sociale verplichting ten aanzien van ouderen? Bestaat er een sociaal contract tussen generaties waarin de rechten en plichten ten aanzien van elkaar zijn vastgelegd? Zo ja, welke zijn de modaliteiten van dat generationele contract? Kunnen we uit deze theorieën implicaties afleiden in verband met een rechtvaardig pensioenstelsel?

In het vijfde hoofdstuk komt het leeftijdsgroepenprobleem aan bod. Eerst bespreken we hoe de levensloop geïntegreerd kan worden in het denken over sociale zekerheid. Vervolgens bespreken we Norman Daniels’ en Dennis McKerlie’s theorie van de rechtvaardigheid tussen jong en oud.

 

Het zesde en laatste hoofdstuk gaat over intercohorte rechtvaardigheid en specifiek de intercohorte rechtvaardigheid van het pensioenstelsel. Hoe komt het dat cohorten ongelijk behandeld worden door het pensioenstelsel? Wat is het liberaal-egalitair standpunt over ongelijkheid tussen cohorten? In dit laatste hoofdstuk, dat het sluitstuk is van deze verhandeling, bespreken we een praktisch voorstel om het pensioenstelsel gevoeliger te maken voor intercohorte rechtvaardigheid: de Musgrave-regel. In de literatuur bestaat er een grote eensgezindheid over het nut van deze vuistregel voor de pensioenen. Alex Gosseries, Philippe Van Parijs, Eric Schokkaert, John Myles en Norman Daniels formuleren allemaal een gelijkaardig voorstel voor de hervorming van het pensioenstelsel op basis van deze Musgrave-regel.

 

 

Hoofdstuk 1. De centrale begrippen gedefinieerd

 

Deze verhandeling gaat fundamenteel over twee aparte onderwerpen. De titel luidt immers “intergenerationele rechtvaardigheid en het pensioenstelsel”. Dit hoofdstuk introduceert het eerste deel van de titel: intergenerationele rechtvaardigheid. Het pensioenstelsel wordt vervolgens in het tweede hoofdstuk besproken. Omdat intergenerationele rechtvaardigheid een specifiek domein is van sociale rechtvaardigheid, zullen we vooreerst wat meer uitleg geven over sociale rechtvaardigheid en meer bepaald over de algemene rechtvaardigheidsprincipes van het liberaal-egalitarisme waarvan John Rawls de grondlegger is[2]. Na deze korte introductie van het begrip sociale rechtvaardigheid, zal in tweede instantie uitgelegd worden wat generationele rechtvaardigheid precies wil zeggen. Daartoe geven we eerst een overzicht van de verschillende definities van de term generatie. Vervolgens worden de begrippen inter-, intra- en transgenerationele rechtvaardigheid gedefinieerd.

 

Dit hoofdstuk biedt een basis voor de volgende hoofdstukken waarin enkele auteurs aan bod komen die getracht hebben om principes van intergenerationele rechtvaardigheid uit te denken binnen het paradigma van het liberaal-egalitarisme.

 

 

1.1. Sociale rechtvaardigheidstheorie

 

Sociale rechtvaardigheidstheorie houdt zich bezig met de “just design of social institutions” (Daniels, 1988, p. vii). Elke samenleving heeft instituties die de schaarse middelen toewijzen aan individuen. Deze middelen kunnen zeer uiteenlopend gedefinieerd worden, van pure materiële middelen die nodig zijn om te overleven tot alle mogelijke rechten en plichten die er bestaan in een samenleving en die samengaan met bepaalde sociale rollen (van der Burg & Pierik, 2003, p. 917). Omdat het gaat over het verdelen van sociale goederen, spreekt men soms ook wel van distributieve rechtvaardigheid (Kohli, 2006, p. 462).

 

Veel politiek filosofen hebben getracht een beginsel voor sociale rechtvaardigheid uit te denken vanuit zeer diverse theoretische achtergronden. John Rawls was de eerste die dit gedaan heeft binnen het liberale paradigma[3]. Hij wou een alternatieve theorie voor het utilitarisme, dat volgens hem intuïtief onaanvaardbare implicaties heeft, zoals bijvoorbeeld het opofferen van sommigen voor het grotere nut van de gehele samenleving (Kymlicka, 2002, pp. 53 & 65).

 

1.1.1. Introductie: John Rawls

 

Rawls’ boek A Theory of Justice (1971) is een mijlpaal binnen de politiek liberale theorie. Het bood als eerste een filosofische analyse van ontwikkelingen van na de Tweede Wereldoorlog zoals de opkomst van de mensenrechten en de verzorgingsstaat (van der Burg & Pierik, 2003, p. 917) en het wordt dan ook beschouwd als de legitimatie van de naoorlogse liberaal-democratische welvaartstaat (Kymlicka, 2002, p. 88). Eén reden voor het succes is allicht dat het “het juiste boek op het juiste moment” was. Toen het boek verscheen was de academische filosofie verlamd geraakt door onvruchtbare ideologische debatten die niet in staat waren een constructieve bijdrage te leveren aan de maatschappelijke discussie. Rawls heeft een in die zin bruikbaar theoretisch kader aangereikt dat gretig overgenomen werd door de politieke filosofie: het liberaal-egalitarisme[4] (van der Burg & Pierik, 2003, p. 917 & Kymlicka, 2002, p. 88).

 

Twee kenmerken zijn van belang. Ten eerste is Rawls’ liberaal egalitarisme een politiek liberalisme dat verschilt van het economisch liberalisme omdat ze de vrije markt niet als hoogste ideaal heeft, maar wel de waarden vrijheid en gelijkheid met elkaar wil verzoenen. Het belangrijkste kenmerk van dit liberalisme is de prioriteit van individuele burgerrechten op andere maatschappelijke doelstellingen (Vandevelde, 2005a, pp. 1-2). Daarmee verschilt het van het utilitarisme of het communitarisme die respectievelijk de samenleving als geheel, of de (morele) gemeenschap als uitgangspunt neemt.

 

Een tweede belangrijk kenmerk van Rawls’ theorie is dat ze een systematische oplossing wil geven voor het rechtvaardigheidsprobleem. Dit wil zeggen dat er “op zijn minst in gunstige omstandigheden, verondersteld wordt dat er een coherente ideale oplossing kan gespecificeerd voor substantiële beleidsproblemen; en die ideale oplossing wordt dan bepaald door de realisatie van een principe (of complex van principes in lexicale orde) dat zonder uitzondering moeten worden uitgevoerd” (Fishkin, 1992, p. 62).

 

1.1.2. Het verschilprincipe

 

Rawls’ theorie van sociale rechtvaardigheid berust op twee egalitaire principes. Ten eerste moet de individuele vrijheid voor iedereen zoveel mogelijk gewaarborgd worden. Ten tweede is er het verschilprincipe dat de nadruk legt op sociaal-economische gelijkheid. Het verschilprincipe stelt dat alle primaire sociale goederen - vrijheid en kansen, inkomen en welvaart en de bases van zelfrespect - pas gelijkelijk verdeeld moeten worden als een ongelijke verdeling van één van die sociale goederen in het nadeel van de minst bevoordeelden werkt.

 

Dit algemene principe om het verdeelprobleem op te lossen, vloeit voort uit het sociaal contract-argument. Volgens het sociaal contract-argument moeten de instituties van een samenleving opgevat worden als voortvloeiend uit een hypothetische situatie waarin de leden van de samenleving een samenwerkingsverband afsluiten terwijl ze zich in een toestand bevinden waarin ze onwetend zijn over hun eigen particuliere situatie. De individuen redeneren van achter de zogenaamde sluier van onwetendheid. De meest rationele houding die ze in deze positie kunnen aannemen is de maximin-strategie. Volgens de maximin-regel moet het samenwerkingsverband zo gekozen worden dat de slechtst mogelijke situatie gemaximaliseerd wordt (Kymlicka, 2002, pp. 53-66). Men geeft dus voorrang aan de positie van de minstbedeelden[5]. Deze Rawlsiaanse opvatting van rechtvaardigheid, waarbij wat rechtvaardig is, bepaald door wat er gekozen wordt achter de sluier van onwetendheid op basis van een maximin-redenering, noemt men ook wel “justice as fairness”. 

 

Het verschilprincipe beveelt geen radicale (sociaal-economische) gelijkheid, maar houdt rekening met de winsten in productiviteit als er ongelijkheid wordt toegestaan. Het is in feite een pragmatisch principe dat geïnspireerd is op de metafoor van de taart. Door het toestaan van een bepaalde mate van ongelijkheid kan men een grotere taart bakken waarbij het kleinste stuk groter is dan de gelijke stukken uit de oorspronkelijke taart (Gosseries, 2004, pp. 198-199 & van der Burg & Pierik, 2003, p. 919).

 

1.1.3. Algemene rechtvaardigheidsprincipes

 

Principes van rechtvaardigheid zeggen welke mate van ongelijkheid in de verdeling van belangrijke goederen moreel toelaatbaar is en op basis van welke kenmerken van individuen ongelijkheid verantwoord kan worden. Kohli stelt vast dat er in de literatuur een opmerkelijke consensus bestaat over distributieve rechtvaardigheid. Zowel op het niveau van normatieve theorieën als op het niveau van populaire overtuigingen als op het niveau van welvaartsstaatinstituties komen er steeds drie basisprincipes terug die de distributieve uitkomsten rechtvaardigen. Deze drie basisprincipes zijn behoefte, verdienste (meestal gebaseerd op werkprestaties) en gelijkheid (meestal gebaseerd op burgerschap). Verder is er nog een motivatiecriterium (incentive criterion) dat een aanvulling is op de criteria behoefte en verdienste voor de rechtvaardiging van een ongelijke verdeling. Volgens dit motivatiecriterium is een bepaalde mate van ongelijkheid nodig om mensen te motiveren om beter te presteren zodat in een “positive sum-game” iedereen er uiteindelijk beter van wordt (Kohli, 2006, p. 462) (cfr. Rawls’ verschilprincipe). 

 

De vraag is hoe deze algemene rechtvaardigheidsprincipes kunnen worden toegepast op generaties. Dat dit niet zo gemakkelijk is, wordt reeds duidelijk als we het verdienste criterium in ogenschouw nemen. In het liberaal-egalitarisme krijgt het verdienste criterium gestalte via het intuïtief argument voor gelijkheid van kansen, dat stelt dat het lot van mensen afhankelijk moet zijn van hun eigen keuzes en niet van de omstandigheden waarin ze zich toevallig bevinden (Kymlicka, 2002, pp. 57 & 58). Als we dit toepassen op generaties worden we geconfronteerd met enkele moeilijkheden. Zo is er bijvoorbeeld de vraag of een generatie collectief verantwoordelijk kan worden gesteld voor bepaalde keuzes die ze gemaakt heeft? Bijvoorbeeld voor het krijgen van minder kinderen dan de voorgaande generaties.

 

 

1.2. Het generatiebegrip

 

Generationele rechtvaardigheid is een containerbegrip. Kijk maar naar de verschillende prefixen waarmee deze term aan ons verschijnt: inter-, intra-, trans-. In deze verhandeling staat intergenerationele rechtvaardigheid centraal. Intergenerationele rechtvaardigheid krijgt echter een verschillende inhoud, afhankelijk van wat er bedoeld wordt met “generatie”.  Het is dus geen overbodige luxe om dit begrip te verduidelijken.

 

1.2.1. Generatie(s): quid?

 

We maken een onderscheid tussen twee verschillende manieren waarop het begrip generatie in de literatuur wordt gebruikt (zie schema 1). Ten eerste kunnen alle huidig levende mensen, alle tijdsgenoten, beschouwd worden als één generatie. Dit wordt inzichtelijk gemaakt in de eerste opdeling van schema 1. Alle mensen die tevoren geleefd hebben, worden dan beschouwd als deel uitmakend van (de) vorige generatie(s). En alle mensen die nog geboren moeten worden, maken de toekomstige generatie(s) uit (Laslett, 1992, pp. 25-26).

 

Het is in deze context dat de ethische vraag naar de verplichting ten aanzien van de toekomstige generaties, of anders geformuleerd, naar de “rechtvaardige erfenis” gesteld wordt, vooral in het licht van de beperkte draagkracht van de aarde (Van Parijs, 1999, p. 68 & Gosseries, 2002, p. 241). Dit is ook het generatiebegrip dat Rawls hanteert als hij het heeft over intergenerationele rechtvaardigheid. Vanuit een economische groei-theorie wil Rawls komen tot een optimale spaarquote, (Vandevelde, 2003, p. 72) via een Just Savings Principle. Volgens dit principe moet er een bepaalde hoeveelheid van rijkdom, instituties en vrijheden overgeleverd of bewaard worden voor de komende generaties (Gosseries, 2004, pp. 203-204).

 

Dit filosofische debat naar de rechtvaardige erfenis voor toekomstige, nog niet geboren generaties, verschilt zowel conceptueel als wat de vraagstelling betreft van wat in deze verhandeling centraal staat. De problematiek van de intergenerationele rechtvaardigheid van het pensioensstelsel stelt immers andere eisen aan het generatiebegrip. Een tweede manier waarop het begrip generatie gehanteerd wordt, beschouwt de huidig levende bevolking niet meer als één generatie, maar deelt haar op in verschillende groepen. Dit vinden we in schema 1 terug in de kolommen onder de tweede opdeling. De huidig levende bevolking wordt dan gezien als bestaande uit verschillende generaties. Hierdoor ontstaat er echter conceptuele onduidelijkheid. Immers, soms wordt de term generatie gebruikt om leeftijdsgroepen aan te duiden en soms slaat het begrip op geboortecohorten. Het is dus belangrijk om de verschillende betekenisinhouden van het generatiebegrip goed uit elkaar te houden. In wat volgt zullen we eerst uitleggen wat cohorten en leeftijdsgroepen zijn. Vervolgens zullen we dieper ingegaan op het generatiebegrip. 

 

Schema 1. De betekenis van generatiebegrip

tijd

1e opdeling

2e opdeling

verleden

reeds overleden generatie(s)

 

 

 

heden

de huidig levende bevolking vormt één generatie

de huidig levende bevolking bestaat uit verschillende generaties

leeftijdsgroepen,

vb. onderscheid tussen

oud en jong

of actieve bevolking

versus gepensioneerden

 

 

geboortecohorten

 

toekomst

toekomstige generatie(s)

 

 

 

 

 

 

 

 

1.2.2. Cohorte versus leeftijdsgroep

 

Cohorte is een term die door demografen wordt verstaan als een groep van mensen die dezelfde gebeurtenis meemaken op een gegeven tijdstip of tijdens een gegeven periode. Meestal wordt cohorte gebruikt als synoniem voor geboortecohorte waarmee men een groep van mensen bedoeld die geboren zijn in hetzelfde jaar, of in een set van opeenvolgende jaren (Ermisch, 1990, p. 19). Een geboortecohorte bestaat uit een groep individuen die gezamenlijk oud worden. Of anders gezegd: ze doorlopen dezelfde levensfasen (bijvoorbeeld de fasen van de jeugd, de volwassenheid en de ouderdomsfase) tijdens een zelfde gegeven periode (Gosseries, 2004, p.33 & Daniels, 1988, p. 12).

 

Merk op dat men zich niet altijd op de geboortedatum hoeft te baseren om een cohorte te definiëren. Een pensioencohorte is bijvoorbeeld een term die gebruikt wordt om een groep van mensen aan te duiden die op hetzelfde moment de pensioenfase ingaan. En een huwelijkscohorte bestaat dan weer uit mensen die in een zelfde jaar getrouwd zijn. Wij zullen de term cohorte gebruiken in de betekenis van geboortecohorte.

 

Een leeftijdsgroep bestaat simpelweg uit een groep van individuen die dezelfde leeftijd hebben of binnen een bepaald leeftijdsgebied vallen, maar niet noodzakelijk op een zelfde moment in de tijd (Gosseries, 2004, p.33). Cohorten worden ouder en doorlopen de verschillende leeftijdsgroepen. Leeftijdsgroepen blijven daarentegen stabiel over de tijd: ze worden niet ouder, maar hun samenstelling wijzigt doorheen de tijd met de opeenvolging van de cohorten die erin voorkomen (Daniels, 1988, pp. 12-13).

 

We kunnen dit illustreren door te kijken naar de evolutie van de leeftijdspiramide. Vroeger had deze in de industriële landen daadwerkelijk de vorm van een piramide: een brede basis voor de in verhouding tot de bevolking grote aantallen kinderen, die met de leeftijd geleidelijk aan smaller wordt om te eindigen in een smalle top voor het kleine aandeel ouderen in de bevolking. Als we naar figuur 1 en 2 kijken, dan zien we dat de leeftijdssamenstelling in 1881 nog mooi de vorm van een piramide weerspiegelde. Sindsdien is er echter een evolutie geweest, waarbij enerzijds een stijging van de levensverwachting en anderzijds een daling van de vruchtbaarheid[6], ervoor gezorgd hebben dat de basis smaller is geworden en de top alsmaar breder. Dit komt doordat de bevolking een overgang heeft doorgemaakt van een situatie met hoge geboorte- en sterftecijfers naar een situatie met lage geboorte- en sterftecijfers. Demografen noemen deze overgang de demografische transitie (Matthijs, 2000, p. 107).

 

Na de Tweede Wereldoorlog is er tijdelijk een doorbreking geweest van de trend van lage vruchtbaarheid met een plotse toename van geboorten. Het gevolg is de relatief omvangrijke geboortecohorte van mensen die geboren zijn tussen 1945 en 1965, de zogenaamde baby boom generatie (Lambrecht,1997, p. 7). Door haar “beslissing” om minder kinderen te krijgen werd de baby boom generatie gevolgd door de in omvang veel kleinere baby bust generatie van mensen die geboren zijn na 1964 en die zelf ook de trend naar een lage vruchtbaarheid hebben voortgezet (Matthijs, 2000, p. 106). In de leeftijdspiramide schuift de babyboom generatie jaar na jaar een trapje hoger in de piramide. Deze brede cohorte zal in België vanaf 2010 de pensioengerechtigde leeftijd bereiken (Gieselickx, e.a. 2002, p. 25).

 

Het onderscheid en het verband tussen leeftijdsgroepen en geboortecohorten wordt nog duidelijker als we kijken naar tabel 1. De geboortecohorten staan in de uiterst linkse kolom en zijn steeds een groep mensen die geboren zijn in een specifiek tijdsinterval. De grenzen van het tijdsinterval worden arbitrair vastgesteld. Hier bestrijkt het tijdsinterval steeds een periode van 15 jaar. Naast de geboortecohorten worden in tabel 1 ook vijf leeftijdsgroepen onderscheiden: de jonge werknemers (tussen 20 en 34 jaar), de werknemers op middelbare leeftijd (tussen 35 en 49 jaar), de oudere werknemers (tussen 50 en 64 jaar), de jong gepensioneerden (tussen 65 en 79 jaar) en de oud gepensioneerden (tussen 80 en 94 jaar) (Peeters & Larmuseau, 2005, p. 107).

 

Nemen we cohorte vier als voorbeeld. Deze cohorte bestaat dan uit alle mensen die geboren zijn tussen 1935 en 1950. In de periode 1970 maakte deze cohorte de leeftijdsgroep van 20 tot 34 jarigen uit. In tabel 1 kan men zien hoe deze cohorte ouder wordt en de verschillende levensfasen doorloopt met het verstrijken van de tijd: van jonge werknemers in 1970 tot oudere werknemers in 2000. Vanaf 2015 zullen alle mensen uit cohorte vier ouder zijn dan 65 jaar. 

 

Figuur 1. Leeftijdspiramide van de bevolking op 1 januari 1881 per leeftijdsgroep van 5 jaar

en per 1.000 inwoners

Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, 2006

 

 

Figuur 2. Leeftijdspiramide van de bevolking op 1 januari 2004 per leeftijdsgroep van 5 jaar

en per 1.000 inwoners

Bron: FOD Economie, Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, 2006

 

Tabel 1. Geboortecohorte versus leeftijdsgroep

 

 

periode 1

1970

periode 2

1985

periode 3

2000

periode 4

2015

cohorte 7

1981 - 1995

 

 

 

 

werknemer jong

20-34j

cohorte 6

1966 - 1980

 

 

 

werknemer jong

20-34j

werknemer

middelbare leeftijd

35-49j

cohorte 5

1951 -1965

 

 

werknemer jong

20-34j

werknemer

middelbare leeftijd

35-49j

werknemer oud

50-64j

cohorte 4

1936- 1950

 

werknemer jong

20-34j

werknemer

middelbare leeftijd

35-49j

werknemer oud

50-64j

gepensioneerd

jong

65-79j

cohorte 3

1921 -1935

 

werknemer

middelbare leeftijd

35-49j

werknemer oud

50-64j

gepensioneerd

jong

65-79j

gepensioneerd

oud

80-94j

cohorte 2

1906 - 1920

 

werknemer oud

50-64j

gepensioneerd

jong

65-79j

 

gepensioneerd

oud

80-94j

 

cohorte 1

1891 - 1905

 

gepensioneerd

jong

65-79j

gepensioneerd

oud

80-94j

 

 

 

   Bron: eigen bewerking op Peeters & Larmuseau, 2005, p. 108.

 

1.2.3. Verdere uitwerking van het generatiebegrip

 

In het voorgaande hebben we het begrip generatie meer specifiek gemaakt door te spreken van enerzijds leeftijdsgroepen en anderzijds geboortecohorten. Zoals we gezien hebben zijn leeftijdsgroepen en geboortecohorten afgebakende groepen op basis van een arbitrair[7] criterium: namelijk respectievelijk leeftijd en geboortedatum. Maar als we het hebben over jong en oud: wie of wat bepaalt vanaf welke leeftijd men oud is en niet meer jong? En waarom en onder welke voorwaarden  is een cohorte  “meer” dan de som van haar leden? In wat volgt wordt er dieper ingegaan op deze en andere vragen. Eerst komt de sociale constructie van leeftijdsgroepen aan bod. Vervolgens schetsen we een sociologische benadering van het “generatiebegrip” in de betekenis van cohorte.

 

1.2.3.1. Sociale constructie van leeftijdsgroepen

 

De grenzen van leeftijdsgroepen kunnen getrokken worden op basis van kalenderleeftijd. Dit is de tijd dat iemand leeft uitgedrukt in jaren. Leeftijd kan echter veel breder worden opgevat. Natuurlijk zijn er biologische eigenschappen die verbonden zijn met leeftijd en die voor een stuk de grenzen van leeftijdsgroepen bepalen (Kohli, 2006, p. 457), maar er komt ook een groot stuk “sociale constructie” aan te pas. Naast de biologische zijn er immers ook psychologische, maatschappelijke en culturele determinanten van leeftijd die bepalend zijn voor het socialisatieproces dat mensen doorlopen. Mensen maken zich leeftijdsnormen en -waarden eigen, die verschuiven in de loop van de tijd en sterk verbonden zijn met de cultuur en levensomstandigheden (Wagemakers & Quispel, 2004, p. 64).

 

De term “gender” wordt gebruikt om de sociale constructie van sekse aan te duiden. Zo’n afzonderlijke term voor de sociale constructie van leeftijd is echter niet voorhanden. Mogelijk is het begrip “sociale leeftijd” nog het meest adequaat, omdat het goed de inbedding in de maatschappelijke en culturele context aangeeft (Wagemakers & Quispel, 2004, p. 64). In wat volgt zullen nagaan hoe leeftijd als een sociaal orderingsmechanisme fungeert en wat er verstaan moet worden onder “sociale constructie van leeftijd”. 

 

In het dagelijkse leven hanteren mensen vaak een drievoudig generatiemodel van kinderen, ouders en grootouders (Vincent, 2005, p. 580) waarbij er een verwijzing gemaakt wordt naar de positie in de familiale afstammingslijn (Kohli, 2006, p. 458). Ook voor analytische doeleinden wordt vaak dit drievoudige onderscheid gemaakt. De reden hiervoor is dat deze drie groepen overeenkomsten hebben op basis waarvan rechten, plichten en welvaartsstromen van de groepen ten aanzien van elkaar geanalyseerd en besproken kunnen worden (Laslett, 1992, p. 30). Leeftijd heeft hier dus zowel een economische als een afstammingslijndimensie.

 

Aan de hand hiervan maakt Peter Laslett een onderscheid tussen drie groepen. Ten eerste zijn er de kinderen, die nog niet economisch zelfstandig zijn en ouders hebben die voor hen zorgen (children generation). Ten tweede is er de middengroep van volwassenen. Dit zijn de onafhankelijke, leiding gevende, welvaartsproducenten (parental generation). Ten slotte is er de groep van ouderen die, als ze niet genoeg gespaard hebben, economisch afhankelijk zijn omdat ze zelf geen inkomen meer verwerven. Naar het einde van hun leven toe is deze derde groep ook meer en meer op een niet-financiële manier afhankelijk van de actieve bevolking, namelijk voor zorg (de grandparental generation) (Laslett, 1992, pp. 30-31). 

 

Ook Philippe Van Parijs (1999) maakt een schematisch of ideaaltypisch[8] onderscheid tussen deze drie groepen: een actieve bevolking die in staat is voor zichzelf te zorgen, vervolgens een jonge bevolking die nog niet actief is en speciale behoeftes heeft op het vlak van onderwijs en ten slotte een oudere groep mensen die niet meer actief is en die vooral behoefte heeft aan zorg. Het leeftijdsgroepenprobleem betreft dan volgens Van Parijs “la partage équitable entre trois classes d’âge contemporaines des ressources nettes produits par une seule d’entre elles" (Van Parijs, 1999, pp. 79-80).

 

Leeftijdsgroepen worden voor een aanzienlijk stuk sociaal geconstrueerd doorheen de institutionalisering van de levensloop[9] (Kohli, 2006, p. 457). Sociologen gebruiken de term levensloop (“life course”) om de opeenvolging van gebeurtenissen of hoedanigheden aan te duiden, die zich voordoen in een mensenleven tussen geboorte en sterfte: studeren, de arbeidsmarkt betreden, een huis kopen, trouwen of samenwonen, een eerste kind krijgen, scheiden, op pensioen gaan,... Doorheen de levensloop raken individuen verbonden met sociale structuren doordat ze bepaalde sociale posities en rollen innemen waardoor ze als het ware lid worden van de institutionele orde  (Mayer, 2003, p. 465).

 

Leeftijdsgroepen worden dus voor een groot stuk sociaal geconstrueerd. Vaak door socio-culturele normen, maar ook door (en in wisselwerking met) wetgeving (Kohli, 2006, pp. 457-458). Leeftijd fungeert dan als een (quasi-)legale norm (Mayer, 2003, p. 462) Voorbeelden zijn legio. Denk maar aan de wettelijke leeftijd vanaf wanneer men meerderjarig is of de leeftijd tot wanneer men schoolplichtig is. Deze wettelijke leeftijdsgrenzen zijn voor een stuk conventioneel, ze verschillen van samenleving tot samenleving en ze construeren leeftijdsgroepen of -categorieën. De categorie van “ouderen” wordt bijvoorbeeld bepaald door de wettelijke pensioenleeftijd, die volgens Kohli een institutionele verwachting schept, namelijk tot wanneer men moet participeren op de arbeidsmarkt om een inkomen te verwerven. John Myles vertelt hoe die pensioenverwachting vroeger nog niet bestond en hoe ouderen een sociale categorie zijn geworden:

 

Throughout the nineteenth century and well into the twentieth century, the majority of people did not retire. [...] (R)etirement was generally a privilege of those with independent means who had no necessity to labor in order to sustain themselves. The “elders” of the community were defined less by chronological age than by institutional seniority, particularly within the family. Being old meant that one held a particular position within a system of generations – having adult children and grandchildren – rather than that one was member of an age cohort defined by date of birth. The transformation of old age into a social category to which one gains access by virtue of reaching a specified age was made possible bye the establishment of a set of age-based income entitlements administered by the state – that is, the public pension (Myles, 1984, pp. 1-2).  

 

Dat leeftijdsgroepen sociaal geconstrueerd worden, wil echter niet zeggen dat de grenzen van leeftijdsgroepen gemakkelijk veranderd kunnen worden. Kohli zegt hierover: “ze zijn verbonden met structurele basiskenmerken van de welvaartstaat en diep geworteld in biografische oriëntaties en verwachtingen” (Kohli, 2006, p. 458). Dit kan als verklaring dienen voor de starre houding ten aanzien van een verhoging van de pensioenleeftijd (Kohli, 2006, p. 473).

 

1.2.3.2. Een sociologische benadering van het “generatiebegrip”

 

Een sociologische benadering van het generatiebegrip gaat verder dan het louter chronologisch opdelen van mensen in cohorten (Vincent, 2005, p. 579), maar ziet generaties - eigenlijk moeten we voor de conceptuele duidelijkheid de term cohorte hanteren[10] - als denkbeeldige en contextafhankelijke gemeenschappen (Vincent, 2005, p. 595). “In sociologische zin duidt het begrip generatie op een deel van de bevolking dat herkenbaar is aan eigenschappen die terug te voeren zijn tot de omstandigheden die heersten in de tijd dat men opgroeide” (van den Broeck, 2001, p. 331).

 

Klassieke sociologische studies in verband met het generatiebegrip zijn te vinden bij Pierre Bourdieu en Karl Mannheim. Bourdieu gebruikte bijvoorbeeld het begrip habitus om aan te duiden dat cohorten een gemeenschappelijke, “taken for granted-understanding” delen (Vincent, 2005, p. 579). Karl Mannheim wijdde een essay aan het onderwerp met als titel Das Problem der Generationen (1928). Hierin lezen we hoe door sterfte en geboorte een continue vervanging van de bevolking plaatsvindt, zodat er voortdurend mensen zijn die voor het eerst met het culturele erfgoed in contact komen. Degenen die in een bepaald tijdperk opgroeien, ondergaan dezelfde historische gebeurtenissen en veranderingen op dezelfde leeftijd en maken op vergelijkbare wijze kennis met het culturele erfgoed, waardoor ze in potentie een generatie vormen (Generationslagerung). Volgens Mannheim is er echter pas sprake van een generatie als mensen zich als gevolg hiervan ook daadwerkelijk onderscheiden van degenen die eerder en later opgroeiden (Generationszusammenhang).

 

Aan dit denken ligt de veronderstelling ten grondslag dat mensen blijvend worden gevormd door de historische invloeden die ze in hun jeugd hebben ondergaan. Dit is de theorie van de formatieve jaren (van den Broeck, 2001, pp. 331-332). Een voorbeeld van een dergelijke sociologische generatie is de zogenaamde oorlogsgeneratie (war generation). Deze wordt gevormd door de mensen die de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt (Vincent, 2005, p. 588).

 

Er is empirisch onderzoek geweest om na te gaan of cohorten zich tot een generatie in sociologische zin laten clusteren. Of ze zich met andere woorden significant laten clusteren rond bepaalde politieke en maatschappelijke oriëntaties en waarden en dus verschillen van andere cohorten met betrekking tot die waarden en attitudes. Volgens van den Broeck heeft dergelijk empirisch onderzoek echter niet kunnen aantonen dat een bepaald generatiepatroon superieur is aan een ander[11] (2001, pp. 340-342).

 

Dit neemt echter niet weg dat er bij veel mensen een generatiebesef leeft in die zin dat mensen zich identificeren met een generatie. Uit onderzoek is gebleken dat verschillen met niet-leeftijdsgenoten vaker geïnterpreteerd worden in termen van generaties dan in termen van levensfase. Toch wijzen van den Broeck en Dekker erop dat het denken in termen van specifieke generaties sterk gerelativeerd dient te worden (Dekker, 2001, pp. 347 & 357).

 

Vincent toont bijvoorbeeld aan dat er wel enig bewijs is te vinden voor een gemeenschappelijke culturele identiteit en gelijklopende economische belangen van de oorlogsgeneratie, hetgeen weerspiegeld wordt in een collectief gedrag, met name via het stemgedrag. Maar onmiddellijk plaatst hij hier kanttekeningen bij (Vincent, 2005, pp. 588-590). Oudere mensen worden immers vaak ten onrechte behandeld als een ongedifferentieerde categorie. Men mag niet uit het oog verliezen dat er binnen deze groep ook verschillen bestaan (intragenerationele verschillen).

 

Binnen de oorlogsgeneratie zijn er dan bijvoorbeeld verschillen met betrekking tot pensioenrechten of eigendomsrechten (“ouderen met” versus “ouderen zonder” een eigen huis) (Vincent, 2005, pp. 590-593) en ook rijke versus arme ouderen of jongbejaarden versus hoogbejaarden. Deze opmerking geldt natuurlijk voor alle leeftijdsgroepen en cohorten en maant ons aan om steeds een kritische houding aan te nemen ten aanzien van het gebruik van het generatiebegrip; om met andere woorden op te passen voor de “verraderlijke charme van het begrip generatie” (van den Broeck, 2001, p. 329).

 

 

1.3. Inter-, intra- en transgenerationele rechtvaardigheid

 

In het voorgaande hebben we het begrip generatie meer specifiek gemaakt door te spreken van enerzijds leeftijdsgroepen en anderzijds geboortecohorten. Dit laat ons toe de populatie op twee verschillende manieren in te delen in de tijd. Verder laat het ons toe om twee verschillende vragen te stellen met betrekking tot intergenerationele rechtvaardigheid. De rechtvaardigheid tussen cohorten betreft dan transfers tussen volledige levenscycli: heeft de ene cohorte het beter of slechter gehad dan de andere? Deze benadering houdt rekening met de specifieke socio-economische geschiedenis van de cohorten (Gosseries, 2004, p. 34). Ze stelt de vraag naar de rechtvaardige behandeling van deze ouderen en deze jongeren op een gegeven ogenblik in de tijd (Daniels, 1988, p. 14). De rechtvaardigheid tussen leeftijdsgroepen daarentegen stelt de vraag of er bepaalde verplichtingen bestaan van één leeftijdsgroep ten aanzien van een andere (Gosseries, 2004, p. 34) of de vraag hoe we beschikbare middelen het best verdelen tussen jong en oud (Daniels, 1988, p. 17).

 

Intergenerationele rechtvaardigheid krijgt dus een verschillende inhoud, afhankelijk van wat bedoeld wordt met de term “generatie”. Als intergenerationele rechtvaardigheid slaat op de rechtvaardige behandeling van leeftijdsgroepen is de Amerikaanse ethicus Norman Daniels niet weg te denken uit het debat. In 1988 schreef hij een boek met als titel Am I My Parents’ Keeper? An essay on justice between the Young and the Old. Zoals de titel reeds doet vermoeden is Norman Daniels in de eerste plaats geïnteresseerd in de rechtvaardige behandeling van leeftijdsgroepen. Hierbij maakt hij abstractie van de omstandigheden waarin een cohorte heeft geleefd. Hij maakt een arbitrair onderscheid tussen enerzijds ouderen (the old) - zij die ouder zijn dan 65 jaar - en anderzijds jongeren (the young) met een leeftijd tussen 16 en 65 jaar. Vervolgens wil hij onderzoeken wat een rechtvaardige verdeling is van sociale goederen tussen de leeftijdsgroepen.

 

Volgens Daniels’ levensloopbenadering is een ongelijke verdeling van middelen over de hele levensloop niet per se onrechtvaardig. Hoewel mensen verschillend behandeld zullen worden op een gegeven moment naargelang hun leeftijd, is dit toch geen discriminatie. Leeftijd is met andere woorden een moreel relevant criterium om sociale goederen te verdelen. Daniels toont aan dat “age-rationing”, waarbij sociale goederen worden toegewezen op basis van leeftijd, het gelijkheidsprincipe niet schaadt. De reden hiervoor is simpel: we worden allemaal ouder. Ieder van ons zal dus op het einde van zijn leven dezelfde behandeling gekregen hebben, tenminste als men aanneemt dat de sociale instituties stabiel blijven doorheen de tijd.

 

Een andere manier om de rechtvaardigheid tussen generaties te denken, vinden we bij Alex Gosseries (2004)[12]. Bij hem staat de rechtvaardigheid tussen cohorten centraal (Gosseries, 2004, pp. 37-38). Gosseries onderscheidt transgenerationele rechtvaardigheid van intergenerationele rechtvaardigheid. Eerst leggen we uit wat transgenerationele rechtvaardigheid betekent, vervolgens gaan we dieper in op de betekenis van intergenerationele rechtvaardigheid.

 

Transgenerationeel heeft betrekking op ongelijkheden die van de ene op de nadere generatie worden doorgegeven via sociale instituties. Iemand die opgroeit in een arm gezin, heeft later bijvoorbeeld een grote kans om ook arm te zijn omdat het hem in zijn jeugd ontbrak aan bepaalde kansen, zoals bijvoorbeeld onderwijskansen. Schema 2 toont dat transgenerationele rechtvaardigheid niet alleen minstens twee cohorten veronderstelt, maar ook telkens meer dan één lid binnen elke cohorte. Het voorbeeld van de onderwijskansen veronderstelt minstens één ander gezin, namelijk een rijker gezin dat meer onderwijskansen heeft kunnen geven aan haar kinderen waardoor die kinderen een kleinere kans op armoede hebben dan de kinderen uit het arme gezin.

 

Schema 2. Transgenerationele rechtvaardigheid 

 

gezin 1

gezin 2

cohorte A

lid 1A

lid 2B

cohorte B

lid 2A

lid 2B

 

Transgenerationele rechtvaardigheid betreft de mate waarin de overdracht van (sociale) ongelijkheden van de ene op de volgende generatie gerechtvaardigd is. Het heeft te maken met investeringen in kinderen en een gelijke startkans voor iedereen, hetgeen en belangrijk onderwerp is in de politieke filosofie. Hier situeert zich ook het normatieve debat over erfenisrechten. James Fishkin zegt in dit verband dat de vrijheid om voor zijn eigen kinderen (of familie) te zorgen hier botst op de waarde van het principe van gelijke kansen (Fishkin, 1992, p. 74). De vaststelling is immers dat transfers binnen families zorgen voor regressieve intergenerationele herverdeling[13]  (Esping-Andersen, 2002b, pp. 51-52).

Volgens sommigen vereist transgenerationele rechtvaardigheid de verplichting tot transfers binnen een cohorte zodat de volgende cohorte niet het slachtoffer is van onrechtvaardige ongelijkheden tussen de leden van voorafgaande cohorten (Gosseries, 2004, p. 40-41).

 

Zoals we hebben gezien veronderstelt transgenerationele rechtvaardigheid niet alleen minstens twee cohorten, maar ook telkens meer dan één lid binnen elke cohorte. Het probleem van intergenerationele rechtvaardigheid stelt zich daarentegen reeds vanaf het ogenblik dat er twee cohorten (A en B, of B en C) zijn met telkens slechts één lid (Laslett & Fishkin, 1992, p. 10) (zie schema 3).

 

Schema 3.  Intergenerationele rechtvaardigheid

cohorte A

lid A

cohorte B

lid B

toekomstige, nog niet geboren cohorte C

lid C

 

Dit is natuurlijk een theoretische constructie, maar ze laat toe duidelijk te omschrijven wat bedoeld wordt met intergenerationele rechtvaardigheid. We vragen ons dan af welke verplichting lid A uit cohorte A heeft ten aanzien van lid B uit cohorte B en vice versa. Ook stelt zich hier de vraag naar wat we verplicht zijn ten aanzien van de toekomstige generaties (cohorte C). Tussen cohorte A en B, die op hetzelfde moment leven (maar verschillen in leeftijd en dus de verschillende leeftijdsgroepen uitmaken op een bepaald moment in de tijd) is er wederzijdse interactie mogelijk (Laslett & Fishkin, 1992, p. 10). Er is geen interactie mogelijk met cohorte C. Daniels legt dit als volgt uit: “Age groups coexist, cooperate, and compete in the same political and moral setting; future generations (cohorte C) are at the mercy of current ones” (Daniels, 1988, p. 15).

 

In de bovenstaande paragraaf worden de termen leeftijdsgroep en cohorte weer door elkaar gehaald. Dit komt omdat we nog geen onderscheid hebben gemaakt tussen het gehanteerde tijdskader. De vraag is: gebruiken we een statisch of een dynamisch tijdskader? Vergelijken we de positie van leeftijdsgroepen op een bepaald moment in de tijd (statische benadering) (Cohen, 1993, p. 15)? Dat kan bijvoorbeeld door te kijken naar de relatieve welvaartspositie van leeftijdsgroepen (cfr. Kangas, 2000). Of kijken we naar het welzijn van verschillende cohorten tijdens een bepaalde levensfase (dynamische benadering) (Cohen, 1993, p. 15)? Dan vergelijken we bijvoorbeeld de welvaartspositie van cohorte X en cohorte Y tijdens de kindertijd. Het is ook mogelijk om hele levenslopen van cohorten in ogenschouw te nemen.

Schema 4 maakt een onderscheid tussen twee specifieke betekenissen van intergenerationele rechtvaardigheid al naargelang het gehanteerde tijdskader en al naargelang de groepen waartussen men een vergelijking maakt. Enerzijds is er dan het leeftijdsgroepenprobleem en anderzijds is er de vraag naar de intercohorte rechtvaardigheid.

 

Schema 4. Het leeftijdsgroepenprobleem en intercohorte rechtvaardigheid