Te vroeg gejuicht: beeldvorming over het Palestijns-Israëlisch conflict in NRC Handelsblad en Trouw van begin tot falen van het ‘Oslo-vredesproces’. (Bjorn Lanke)

 

home lijst scripties inhoud  

 

Inleiding

 

Beeldvorming in de massamedia is een onderzoeksterrein van evident belang. De journalistiek wordt niet ten onrechte weleens de ‘vierde macht’ in het democratisch bestel genoemd. Bij politieke en sociale kwesties wordt vaak op de echte of vermeende invloed van ‘de media’ gewezen. Een voorbeeld hiervan is de politiek getinte cultuurstrijd rondom de integratie van etnische groepen met een islamitische achtergrond. Journalisten wordt daarbij enerzijds een aandeel verweten in het creëeren van maatschappelijke problemen door stigmatisering, anderzijds worden zij juist beschuldigd van het onder tafel schuiven van tegenstellingen en obstructie van het debat door taboes. Ook de zogeheten publieke ‘demonisering’ van Pim Fortuyn ligt nog vers in het geheugen. Deze werd door sommige politici en opiniemakers zelfs tot aanleiding voor politieke moord gebrandmerkt.

            Een tweede onderzoeksterrein van evident belang is het Palestijns-Israëlisch conflict: een brandhaard die wereldwijd wordt gevolgd. Ons land is er nauw bij betrokken, in de eerste plaats door de historische, politieke en economische banden met Israël, maar ook vanwege de grote internationale belangen die ermee gemoeid zijn en de rol die het speelt voor diverse bevolkingsgroepen op eigen bodem.

Het zou een ware uitdaging vormen om het nieuws van de afgelopen jaren ook maar een week te volgen, zonder met het Palestijns-Israëlisch conflict te worden geconfronteerd. Een combinatie van beide onderzoeksgebieden ligt daarmee voor de hand. Een geschikt aanknopingspunt is het ‘Oslo-vredesproces’, dat zijn aanvang nam met rechtstreekse onderhandelingen tussen Israël en de PLO. Deze in de ‘Al Aqsa intifada’ uitmondende periode is nog altijd actueel: kennis ervan is noodzakelijk om de huidige situatie te kunnen begrijpen. Tegelijkertijd ligt ze ver genoeg achter ons om aan historische beschouwing te zijn onderworpen. De geschreven pers is als gemakkelijk toegankelijke bron een geschikte onderzoekskandidaat binnen het medialandschap. Ik heb besloten mij op twee kwaliteitsbladen te richten. De probleemstelling waarmee ik dit onderzoek onderneem, luidt: ‘Hoe is de beeldvorming over het Palestijns-Israëlisch conflict in NRC Handelsblad en Trouw te duiden tijdens de beginjaren (1993-1995) en de falende eindonderhandelingen (2000) van het Oslo-vredesproces?’

            Om deze vraag te kunnen beantwoorden, put ik uit theoretische hulpbronnen die uit meerdere wetenschappelijke disciplines afkomstig zijn. De bestudering van massamedia en beeldvorming is immers een vakgebied apart. Historici kunnen er een verrijkende bijdrage aan leveren, doordat zij een getraind oog hebben voor het longitudinale aspect van beeldvorming en voor de historische component van de in de media figurerende onderwerpen. De historicus heeft een eigen wijze van bronnen- en tekstkritiek. Deze benadrukt zaken die logischerwijs buiten het blikveld van andere wetenschappers vallen. Op zijn beurt doet de historicus er goed aan gebruik te maken van de kennis en praktische onderzoekservaring die buiten zijn geschiedenisboeken te vinden is. Alleen een interdisciplinaire benadering doet een complex onderwerp als beeldvorming over het Palestijns-Israëlisch conflict recht. Om die reden werk ik in hoofdstuk 2 een uitgebreid theoretisch kader uit. Een korte achtergrond van de ‘speciale relatie’ tussen Nederland en Israël vormt daarvan de basis. Deze wordt gevolgd door een schets van de ‘speciale traditie’ die zich in de pers tegenover deze bevriende natie heeft ontwikkeld. Daaruit komt een drietal paradigma’s naar voren dat aan de beeldvorming ten grondslag ligt. Om deze adequaat te kunnen analyseren gebruik ik de theorie van de ‘nieuwswaardefactoren’ (afkomstig uit de communicatiewetenschap, maar puttend uit sociologie en psychologie), tezamen met de ‘framing’-theorie (ontwikkeld in de antropologie en cognitieve psychologie, toegepast in talrijke wetenschappen). Ook de ‘agendasetting’-theorie en het ‘sluiswachtersconcept’ uit de communicatie-wetenschap bewijzen er hun nut bij. De keuze voor NRC Handelsblad en Trouw wordt in de loop van het betoog toegelicht, vergezeld van een korte omschrijving van hun signatuur. In twee onderzoekshoofdstukken wordt dit kader vervolgens geïmplementeerd. Hoofdstuk 3 gaat daarbij in op de algemene nieuwsstroom, terwijl in hoofstuk 4 de achtergronden bij het nieuws aan bod komen. Beschouwing van het Oslo vredesproces zelf en een kwantitatieve analyse van de berichtgeving vormen het achtergrondkader.

Allereerst treft u echter een wordingsgeschiedenis van het Palestijns-Israëlisch conflict aan: het fundament waarop uiteindelijk het hele onderzoek rust. Om beeldvorming erover te kunnen duiden moeten we immers het onderwerp zelf duiden. Zonder inzicht in de historische context is geen adequaat begrip van het Palestijns-Israëlisch conflict mogelijk. De geschiedenis van deze strijd is een lange en veelzijdige. Zij gaat terug tot de 19e eeuw.

 

 

Hoofdstuk 1. Historische achtergronden van het Palestijns-Israëlisch conflict

 

1.1  Karakterisering van het conflict

 

Dit is de geschiedenis van een koloniaal conflict, waarbij een keur aan derde partijen betrokken is.  Het zionisme gaf een etnische groep[180] in diaspora een nationale identiteit en bezorgde haar een staat. Dat gebeurde in confrontatie met onder andere het Britse rijk, de Arabische wereld en een andere etnische groep die een eigen nationale identiteit ontwikkelde: de Palestijnen.[181] Een fundamentele belangentegenstelling en diepe vijandschap zijn voortgekomen uit de wording van een expliciet joodse staat, die de bevolkings-samenstelling en machtsverhoudingen in een overwegend Arabische regio grondig veranderde ten gunste van zijn joodse burgers. Een permanente conflicttoestand was het gevolg. In beginsel ging het om land en om zelfbeschikking. Met de opkomst van fundamentalistische joodse kolonistenbewegingen na 1967 en fundamentalistische moslimbewegingen na 1987 raakte godsdiensttwist verweven met de strijd.

 

1.2 Van ‘Der Judenstaat’ tot joodse staat. Het ontstaan van een land en een conflict

 

 

De zionistische beweging

 

De grondvesten van de staat Israël zijn gelegd door de zionistische beweging. Deze moderne, Europese vorm van politieke organisatie ontstond met de ervaring van antisemitisme als drijfveer en het 19e-eeuwse liberaal nationalisme als leidraad. Zij wilde de ‘natie’ van het ‘wereldjodendom’ in een (nationale) staat verenigen. Dat zou tegen discriminatie en vervolging bescherming moeten bieden en de joodse identiteit waarborgen. Palestina werd het brandpunt van nationalistische aspiraties. Het was de plaats waar de geloofsgeschiedenis uit de Torah zich merendeels afspeelde en waar joden in 1.000 v. Chr. het koninkrijk Israël hadden gesticht.

In Oost-Europa leefden joden in achterstelling en segregatie. In Rusland, waar meer dan de helft van de joden ter wereld woonde, was hun bewegingsvrijheid wettelijk beperkt. De tweede helft van de 19e eeuw kende verscheidene antisemitische pogroms.[182] Diverse verenigingen zochten een antwoord op het status- en veiligheidsprobleem in emigratie naar Palestina. Zij sloten zich aaneen tot de Geliefden van Zion, die vanaf 1882 met matig succes nederzettingen stichtten. Hun leider, Leo Pinsker, riep op tot zelfemancipatie en het bemachtigen van een eigen territoir: ‘Te worden beroofd als jood of te worden beschermd als jood is even vernederend (…).’, ‘(…) een volk zonder grondgebied is als een man zonder schaduw, iets onnatuurlijks, spookachtigs.’[183] De meeste joden die tijdens de eerste aliyah (immigratiegolf) van eind 19e eeuw naar Palestina emigreerden, kozen deze wijkplaats echter meer uit religieuze dan uit politieke overwegingen.

Theodor Herzl geldt als de ‘aartsvader’ van het georganiseerde joodse staatsstreven en zijn boek Der Judenstaat (Berlijn: Jüdischer Verlag 1896) als het ideologische handvest ervan. In 1897 werd op het eerste Zionistische Congres in Bazel de Wereld Zionisten Organisatie (WZO) opgericht: een administratief orgaan met als doel een ‘thuisoord’ (‘Heimstätte[184]) in Palestina. De WZO richte in 1899 een bank op. In 1901 volgde het Joods Nationaal Fonds (JNF), dat verantwoordelijk was voor het aankopen van land in Palestina om het ‘onvervreemdbaar joods’ te maken. Herzl richtte zich op Europese staatshoofden en vermogende westerse joden om vestigingsrechten te verkrijgen via diplomatie, desnoods in een gebied als Argentinië.

In West-Europa had wettelijke gelijkberechtiging een assimilatieproces in gang gezet. Het verloren gaan van joodse eigenheid werd door zionisten betreurd. Bovendien geloofden zij niet dat antisemitisme door assimilatie zou verdwijnen. De ‘Dreyfuss affaire’ onderstreepte die overtuiging.[185] Onder westerse joden was de steun voor de WZO echter gering, uit vrees hun status in gevaar te brengen. Pogingen om met steun van westerse mogendheden (Duitsland in het bijzonder) toestemming tot vestiging in Palestina te krijgen liepen op niets uit. Met Herzl’s dood in 1904 kreeg de ‘Russische’ lijn de overhand: joodse immigratie en natiebouw diende niet afhankelijk te zijn van politieke erkenning, maar zou de erkenning van een nationaal thuis juist moeten afdwingen, door het in de praktijk vorm te geven.

De onder westerse overheersing gecreëerde staten die tegenwoordig het Midden-Oosten bevolken, bestonden destijds niet. Het Turkse sultanaat van de Ottomanen oefende een relatief zwak gezag uit over een conglomoraat van volkeren. Het Ottomaanse rijk stond negatief tegenover joodse immigratie. Het vreesde een nieuw nationaliteitenprobleem. Europese kolonisten zouden de zwakke cohesie van het rijk kunnen aantasten, door zich op capitulaire privileges en het beschermheerschap van een grootmacht te beroepen.[186] Er werden maatregelen genomen in de vorm van immigratiebeperkingen (vanaf 1882) en restricties op landaankopen (vanaf 1892). Het effect daarvan was echter gering. Een deel van de Arabische elite in steden als Jeruzalem, Damascus en Beiroet maakte onderscheid tussen Ottomaanse en ‘buitenlandse’ joden en was bezorgd over de zelfverklaarde zionistische intenties van de laatsten.[187] Er verschenen alarmerende artikelen in de Arabische pers. Politici trachtten de Ottomanen tot effectiever optreden te bewegen. Tussen 1909 en 1914 ontstond het eerste uitgesproken antizionisme. Dat kwam deels voort uit Ottomaans loyalisme of Arabisch nationalisme, maar getuigde soms ook van een specifiek Palestijns identiteitsbesef. Een in 1914 gepubliceerde ‘algemene oproep’ van ‘een Palestijn’ weeklaagt: ‘Landgenoten! (…) Heb medelijden met jullie land en verkoop het niet als handelswaar. (…) Willen jullie slaven zijn voor de Zionisten die gekomen zijn om jullie uit je land te zetten, bewerend dat dit land het hunne is?’[188] Vanuit de Arabische bevolking kwam het sporadisch tot gewelddaden tegen joden, aangemoedigd door de zwakte van het gezag en de partijdigheid van ambtenaren. Het conflict was geboren.

 

Beloftes, verdelingsplannen en de vredesregeling na de Eerste Wereldoorlog

 

Mede om tegenwicht te bieden aan een mogelijke jihad binnen de Britse kolonieën, waartoe de Ottomaanse kalief opriep, correspondeerde McMahon (hoge commissaris te Caïro, een ambt vergelijkbaar met dat van gouverneur) gedurende 1915-1916 met sharif Husayn van Mekka.[189] Dit contact mondde uit in een belofte voor een onafhankelijke Arabische staat. De grenzen daarvan zouden onder meer Syrië en Palestina omvatten, hoewel de omschrijving vaag was, ‘intended to promise more than it would fulfill.’[190] De Hashemitische familie van Husayn voerde daarop in samenwerking met Britse officieren een opstand aan.

Groot-Brittannië en Frankrijk besloten in de geheime Sykes-Picot overeenkomst van 1916 tot een verdeling van het Ottomaanse rijk die de belofte aan Husayn ongedaan maakte. Syrië zou Frans bezit worden. Groot-Brittannië beschouwde een te sterke Franse positie in het gebied echter als schadelijk voor haar eigen belangen. De kwestie van regionale hegemonie werd tijdelijk opgelost door Palestina als internationale bufferzone tussen Egypte en Syrië voor te stellen. Later overleg met Rusland, andere geallieerden en Husayn zou de definitieve status moeten bepalen.[191]

            In 1917 werd in de Balfourverklaring een belofte gedaan aan de zionistische lord Rothschild, die strijdig was met de toezeggingen aan zowel de Fransen als Husayn, namelijk voor ‘the establishment in Palestine of a National Home for the Jewish people.’ De ‘civil and religious rights of existing non-Jewish communities in Palestine’ zouden daarbij echter niet aangetast mogen worden, evenmin als de ‘rights and political status enjoyed by Jews in any other country.’[192]

Succesvol ‘netwerken’ door zionistisch woordvoerder Chaim Weizmann was cruciaal voor het totstandkomen van de Balfourverklaring. Over de precieze tekst was onderhandeld.[193] De Britten werden vooral gedreven door hun overtuiging dat zionistische steun de oorlogsinspanning en koloniale belangen ten goede zou komen. Bij het in de oorlog houden van Rusland en het mobiliseren van de Verenigde Staten werden joden voor een machtige factor gehouden. Het zionisme won in de VS aan invloed[194], terwijl het marxisme-leninisme als een joods product werd gezien dat Rusland bedreigde. Er bestond zorg over zionistische toenadering tot Duitsland en over ‘radicale’ bewegingen, zoals de Joodse Arbeidersbond. Voor de naoorlogse periode zou een joods protectoraat in Palestina een diplomatieke uitweg betekenen waarmee de controle over Palestina definitief aan Frankrijk ontzegd kon worden. Bijbelvaste kabinetsleden geloofden bovendien in de joodse Terugkeer en antisemitische politici zagen joden graag naar Palestina vertrekken.[195]

In 1917 werd Palestina door de Britten bezet. Op de conferentie van San Remo werd het in 1920 als mandaatgebied aan Groot-Brittannië toegekend. Mandaten hielden het bewind in van ‘ontwikkelde’ naties over volkeren die niet tot zelfbestuur in staat werden geacht, maar vormden tevens een formule waarmee de Volkenbond directe annexatie verhinderde. Het was de verplichting van de mandaatmacht om onafhankelijkheid voor te bereiden, naar het ideaal van zelfbeschikkingsrecht. Twee jaar later ratificeerde de Volkenbond het Britse mandaat over Palestina met als basis het uitvoeren van de Balfourverklaring. Een zionist, sir Herbert Samuel, werd tot hoge commissaris benoemd.[196]

Het mandaat betekende een groot dilemma: hoe de Balfourverklaring uit te voeren zonder inbreuk te maken op de rechten van de overwegend islamitische of christelijke Arabische meerderheid? Britse militaire ambtsdragers sympathiseerden over het algemeen met de Arabieren en zagen de zionistische eisen als arrogant en destabiliserend.[197] Onder internationaal militair recht was het voorafgaand aan het mandaat hun plicht geweest de status quo te handhaven tot de ingang van een nieuw burgerlijk bestuur. Dat was niet te rijmen met de door het zionisme nagestreefde grootschalige immigratie en landaankopen.[198] Onder het mandaat bleef het over het algemeen zo dat in de bureaucratie en bij de verschillende onderzoekscommissies die werden ingesteld, het Arabische perspectief de meeste instemming ondervond. Politici in Londen sympathiseerden daarentegen met het zionisme en zagen het als legitimatie van de Britse aanwezigheid.

 

Het mandaat: de Arabische en  joodse gemeenschappen onder Brits bestuur

 

Het faciliteren van de zionistische  koloniale ambities door westerse machten, riep woede op onder de Palestijnse bevolking. Bij rellen in 1920 en 1921 vielen er doden. In 1922 vaardigde de Britse regering een beleidsnota uit, bedoeld om de tegenstrijdige belangen van zionisten en Arabieren te verzoenen. Deze verzekerde joden van hun recht op een nationaal thuis, maar benadrukte ook dat de verdwijning of onderwerping van de Arabische bevolking niet werd beoogd en dat de immigratie de opnamecapaciteit niet mocht overstijgen.[199] Die ambivalente boodschap werd door beide groepen met argwaan ontvangen.

Samuel probeerde met diverse wetsvoorstellen joods-Arabische samenwerking in een eenheidsstaat te bewerkstelligen. Zonder Arabische participatie zag hij het mandaat als onwerkbaar. In zijn ogen had de Arabische bevolking daar ook iets bij te winnen: de kans zijn levensstandaard te verhogen. Arabische vertegenwoordigers verwierpen deze voorstellen echter, omdat zij geen inspraak in immigratiezaken kregen en zich ondervertegenwoordigd zagen. Bovendien wilden zij de Balfourverklaring niet de facto erkennen door aan het bestuur deel te nemen.[200] Dientengevolge kwamen er geen instellingen tot stand die de bevolking als geheel vertegenwoordigden. Het bestuur bleef in handen van de hoge commissaris en zijn ambtenaren. Joodse en Palestijnse gemeenschappen ontwikkelden zich geïsoleerd van of in oppositie tot elkaar.[201] Zionisten zagen Arabieren vooral als primitieve inheemsen, die weliswaar een obstakel voor een joods Palestina vormden, maar vanwege hun gebrek aan macht van ondergeschikt belang waren. Ze concentreerden zich op het uitbouwen van hun positie en het bevorderen van joodse immigratie.[202]

Palestijnse notabelen fungeerden als middelaars tussen hun cliëntèle en het Britse bewind. Ze  probeerden hun positie te handhaven door zich aan het gezag te onderwerpen, maar tegelijkertijd voorzichtig weerstand te bieden. Zij waren echter sterk verdeeld tussen rivaliserende clans. De belangrijkste daarvan waren de Nashashibi en al-Husayni families uit Jeruzalem.[203] Zowel de Britten als zionisten speelden op deze Palestijnse zwakte in met een verdeel-en-heers politiek. De traditionele elite had een forse organisatorische achterstand.  De eerste Arabische reactie op het mandaat kwam van islamitische en christelijke verenigingen die zich in 1920 samenvoegden tot het Arabisch Uitvoerend Comité. Deze losse coalitie van notabelen slaagde er niet in om brede steun onder de bevolking te verwerven of formele toegang tot de hoge commissaris te krijgen. In 1934 ging de organisatie samen met zijn president, Musa al-Husayni,  ter ziele.[204]

De opportunistische mufti Amin al-Husayni van Jeruzalem gebruikte zijn religieuze functie om zich tot leider van de Palestijnse Arabische gemeenschap op te werpen. In 1922 werd hij tot president van de Opperste Moslimraad gekozen, verantwoordelijk voor alle islamitische instellingen in Palestina. Hij bouwde een sterk patronagenetwerk op en organiseerde anti-zionistische betogingen, maar wilde de Britse macht niet tezeer tarten in de strijd tegen het zionisme. Hij speelde in op de Palestijnse onvrede, terwijl hij  haar tegelijkertijd temperde tot werkbare grenzen, voor zover dat in zijn macht lag. Ondanks zijn felle retoriek was hij voor Samual en de Britten aanvaardbaar, omdat hij de orde hielp handhaven.[205]

In tegenstelling tot de Arabieren hadden de zionisten officieel toegang tot de Britse autoriteiten, via het in 1929 erkende Joods Agentschap. Dat was in 1921 door de WZO gesticht als het Palestina Uitvoerend Comité. Het functioneerde als schaduwregering van de yishuv (de joodse gemeenschap in Palestina). Er bestond ook een bestuurlijke raad, die uit een joodse nationale vergadering gekozen werd. De belangrijkste maatschappelijke organisatie was de Federatie van Joodse Arbeiders, Histadrut. Als grootste vakbond en werkgever tegelijk had Histadrut enorme invloed op de ideologie en de politiek van de yishuv. [206] Er werd een boycot van Arabische arbeid en producten ingesteld, die gepaard ging met intimidatie van Arabieren en van joden die van hun diensten gebruik maakten. De vakbond had ook de controle over de Haganah, een (gedoogd) ondergronds leger dat geïntegreerd was in de joodse instituties.

In 1930 kwam Mapai voort uit de arbeidersbeweging. Deze socialistisch-egalitaire partij stelde het zionistische belang gelijk aan dat van de arbeiders en domineerde de politiek tot midden jaren ‘70. David Ben-Gurion werd in 1935 partijleider en was tevens voorzitter van het Joods Agentschap. Als zodanig was hij de erkende leider van de yishuv. Mapai had een veel groter politiek draagvlak dan de orthodoxe gemeenschap of de kapitalistische privé-sector.[207]

Het centrale discussiepunt binnen het zionisme werden de territoriale doelen en de wijze waarop deze dienden te worden nagestreefd. De meesten vertrouwden op het Britse mandaat en op de Histadrut. De rechtse ‘revisionisten’, onder aanvoering van Vladimir Jabotinsky, benadrukten daarentegen de rol van de middenklasse en privé-investeringen. Zij stonden een compromisloze aanpak voor: massale immigratie en het onmiddellijk uitroepen van een joods Gemenebest. Hun territoriale ambities reikten tot in Transjordanië. Jabotinsky zag conflict als onvermijdelijk: ‘Kolonisatie kan maar één doel hebben. Voor de Palestijnse Arabieren is dit doel ontoelaatbaar. Dat ligt in de aard der dingen.’[208] Succes was daarom alleen mogelijk achter een voor de lokale bevolking ondoordringbare ‘ijzeren muur’ (van bajonetten, symbool voor militaire kracht). Naarmate hij het vertrouwen in de Britten verloor, richtte Jabotinsky zich steeds meer op Mussolini. Hij hoopte op Italië als nieuwe beschermheer. In Oost-Europa had het revisionisme veel aanhang en werd Jabotinsky object van een fascistoïde persoonsverheerlijking, door de bruinhemden van jeugdbeweging Betar. Revisionisten zetten hun eigen militie op, de Irgun, en splitsten zich in 1935 in vijandschap af van de WZO. De geringe getalssterkte van de beweging werd gecompenseerd met een grote geweldsbereidheid, al boette zij met de dood van Jabotinsky (1940) aan kracht in. Deze voorloper van de Likud-partij bracht twee Israëlische premiers voort die haar radicale lijn hebben voortgezet: Menachem Begin en Yitzhak Shamir.[209]

 

Immigratie en land

 

Een samenvatting van de ontwikkelingen in bevolkingssamenstelling en landbezit is hier op zijn plaats. Deze vormden de drijvende kracht en belangrijkste materiële uitkomst van de zionistische beweging en waren een bepalende factor in de joods-Arabische verhoudingen. De cijfers die door verschillende bronnen gegeven worden, lopen uiteen. De grote lijn is echter duidelijk.

In 1882 maakten joden een kleine 4% van de bevolking uit. In de eerste aliyah van 1882 tot 1903 arriveerden naar schatting 20.000 tot 30.000 joodse immigranten. De tweede aliyah bracht er tussen 1904 en 1914 zo’n 35.000.[210] Vanaf 1882 tot en met 1914 kwamen er overigens meer immigranten naar Palestina dan deze cijfers aangeven: zo’n 100.000. De helft van de aangekomenen vertrok echter al snel.[211] De levensomstandigheden in Palestina waren zwaar en de slagingskans van vestiging was navenant.  In 1914 leefden een geschatte 60.000-85.000[212] joden naast ongeveer 600.000 Arabieren.  De derde en vierde aliyah (1919-1926) bestonden samen uit zo’n 80.000 Oost-Europese immigranten. De tweede helft van de jaren twintig kende weinig immigratie. In 1927 overtrof de uitstroom de instroom.[213]

De vijfde aliyah was het gevolg van de opkomst van het nationaal-socialisme en zij vergrootte tussen 1933 en 1936 de omvang van de yishuv fors, met 170.000 immigranten. De Verenigde Staten  vormden overigens een veruit favoriete bestemming, maar legden immigratiebeperkingen op. Deze politiek werd actief gesteund door zionistische leiders, die daarmee de immigratie naar Palestina wilden bevorderen.[214] Voor de Arabische bevolking versterkte deze plotse aanwas de dreiging van joodse dominantie. Van 1922 tot eind 1936 was het joodse bevolkingsdeel toegenomen van 93.000 tot 382.000 (28% van de bevolking). Het aantal Arabieren groeide van 700.000 tot 983.000.[215]

De verdeling van het schaarse vruchtbare land was gezien de toenemende bevolkingsdruk van het grootste belang. Het JNF zag erop toe dat land aan joden verpacht werd en verschafte kapitaal aan immigranten, die vaak straatarm waren. Aanschaf vond meestal plaats via Arabische grootgrondbezitters. Voorafgaand aan de Britse heerschappij gebeurde dat met Ottomaanse ingezetenen als tussenpersoon voor buitenlandse investeerders.[216] In spaarzaam bevolkte delen van de kuststrook en valleien werden kolonieën gesticht.[217] Veruit de meeste aankopen waren privé-investeringen. In 1914 was slechts 4% joods land in handen van het JNF. Bijna driekwart van de rest was gefinancierd met steun van baron Rothschild. Geldgebrek, sterk stijgende prijzen en Arabisch verzet tegen joodse landaankopen vormden remmende factoren. Tussen 1920 en 1939 verwierven joden 845.198 ha. grond, waarmee het totale joodse landbezit op 1.533.400 ha. kwam. In 1939 was daarmee 5% van het mandaatgebied (10% van het landbouwareaal) joods bezit. Het aantal nederzettingen was van 55 in 1922 gestegen tot 218 in 1939.[218] 

Op Arabische pachtboeren was het effect van de landaankopen ruïnerend. Zij werden meestal van hun land gezet. Een bijkomende grief was terug te voeren op de Ottomaanse landhervormingswetten van 1858 en 1867. Boeren lieten hun land vaak registreren op naam van grootgrondbezitters die de belastingen op zich namen. Door niet op de belastinglijst te komen, voorkwamen zij dat hun zonen voor dienst werden opgeroepen en dat corrupte overheidsdienaren ze konden afpersen. De boerenfamilies gingen er echter vanuit dat hun ‘gewoonterecht’ op het landgebruik in stand bleef. Bij verkoop bleek dat een illusie.[219]

De omstandigheden van kleine zelfstandige Arabische boeren verslechterden ook tijdens het mandaat, doordat de Britten de Ottomaanse betalingen in natura in geld omzetten. Hierdoor werden zij gedwongen zich in de schulden te steken of hun land te verkopen. Een aanzienlijk deel van de Arabische boerenstand verpauperde en hield daarvoor de traditionele notabelen, de Britten en de zionisten verantwoordelijk. Daarbij kwam de dreiging die van de joodse immigratie en het zionistische ideaal uitging.[220] De onvrede en onmacht kwamen in de jaren dertig tot uitbarsting in een grootschalige opstand.

 

Het mandaat ontspoort: de Arabische gemeenschappen in verzet

 

Vanaf 1923 uitte Palestijns verzet zich enkel in kleinere incidenten. In 1929 liep een dispuut over de voor joden en moslims heilige Westelijke Muur in Jeruzalem echter uit op rellen met tientallen slachtoffers.[221] De commissie Shaw werd ingesteld om na te gaan wat de diepere oorzaak van de spanningen was. De conclusie luidde dat de voornaamste conflictbron bestond uit een landloze klasse Arabieren en de angst dat massale immigratie tot een joodse staat zou leiden. In 1930 rondde de Hope-Simpson commissie een tweede onderzoek af, dat de basis vormde van de Passfield White Paper. Daarin werd kritiek geleverd op het weigeren van werk aan Arabieren en werd immigratiebeperking voorgestaan.[222] Premier MacDonald zwichtte echter voor zionistische druk en herriep de beleidsnota, in een brief aan het parlement die bij Arabieren bekend werd als de ‘Zwarte Brief’.[223] De Palestijnse politieke machteloosheid en de grootschalige werkloosheid zorgden voor onvrede met het beleid van de mufti en de Hoogste Moslim Raad. De nieuwe Onafhankelijkheidspartij (Istiqlal) betwiste zijn gezag, echter zonder succes.[224] Zij bestond uit jonge notabelen, die anti-Britse actie en nauwere banden met de Arabische wereld bepleitten.

            In 1936 brak een volksopstand uit tegen het zionisme en het Britse imperialisme, die deels ook tegen de traditionele notabelenkaste gericht was. Er vonden massale demonstraties en gewelddadige botsingen met de Britten en met joden plaats. Verzetscomités riepen op 19 april een algemene staking uit[225], die zou moeten doorgaan tot het installeren van een democratische regering en de inwilliging van eisen voor beperking van immigratie en landaankopen. Onder druk van de bevolking vormden de Arabische leiders het Arabische Hogere Comité onder het presidentschap van de mufti. Het verdeelde leiderschap verenigde zich aldus (christenen en moslims, traditionele notabelen en leden van Istiqlal), maar liep achter de feiten aan die door de rebellie werden gecreëerd.[226] De Britten sloegen de opstand uiteindelijk met harde hand neer. In oktober werd de staking beëindigd, na de dood van meer dan 1.000 Arabieren, 80 joden en 28 Britten.[227]

De commissie Peel ondernam een nieuwe onderzoeksmissie, in reactie op de opstand. Haar rapport uit 1937 concludeerde dat het uitgangspunt van het mandaat onhoudbaar was: er kon geen eenheidsstaat worden gefabriceerd op basis van de Balfourverklaring.[228] De ontbinding van het mandaat in een joodse en een Arabische staat werd aanbevolen, met Jeruzalem en Bethlehem onder Brits gezag. Beide partijen verwierpen het voorstel, hoewel de zionisten twijfelden: Weizmann en Ben-Gurion overwogen de voorgestelde grenzen als ‘springplank’ voor verdere expansie.[229]

Het rapport leidde tot een heropleving van gewelddadig verzet. De ontstane anarchie werd door rivaliserende familieclans benut voor onderlinge moordaanslagen. Vooral de Nashashibi’s moesten het ontgelden, omdat zij in eerste instantie het delingsplan wilden aanvaarden. In de zomer van 1938 hadden boerenrebellen een groot deel van het platteland in handen. Groot-Brittannië ontbond het Hogere Comité. De mufti vluchtte naar Syrië. Om hun gezag te herstellen gebruikten de Britten 20.000 man versterkingen en collectieve straffen (zoals het opblazen van huizen, een door Montgomery uit Ierland geïmporteerde praktijk die sindsdien het gebied niet meer heeft verlaten). Joodse strijders voerden wraakacties uit en beide zijden begingen gruweldaden tegen burgers. In maart 1939 was de ‘Grote Arabische Opstand’ neergeslagen.

De opstand en de dreiging van een wereldoorlog deden Groot-Brittannië naar een beleidswijziging omzien. Nadat een door het Koloniale Ministerie met beide partijen belegde conferentie faalde,  koos de regering voor een oplossing ten koste van de zionisten: een ommezwaai ingegeven door de noodzaak steun van de Arabische wereld te verwerven in de naderende oorlog.[230] De Churchill White Paper van 1939 verklaarde dat de wording van Palestina tot joodse staat géén Brits beleid was. De joodse immigratie werd beperkt tot 75.000 over de volgende 5 jaar, waarna Arabische toestemming voor immigratie vereist zou zijn. De hoge commissaris kreeg de bevoegdheid om in bepaalde gebieden joodse landaankopen te verbieden. Na 10 jaar zou Palestina onafhankelijkheid verkrijgen.[231] Deze verklaring kwam temidden van massale vlucht voor het Derde Rijk en werd door zionisten fel veroordeeld. Arabieren verwierpen hem evenzeer, omdat er geen directe onafhankelijkheid in werd verleend. De Irgun reageerde door aanslagen op de Britten te plegen. Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog bevond de yishuv zich tussen twee vuren. In de woorden van Ben-Gurion: “We zullen met Groot-Brittannië in deze oorlog vechten alsof er geen White Paper was, en we zullen tegen het White Paper vechten alsof er geen oorlog was.”[232]

 

Oorlog en onafhankelijkheid 

 

In Palestina werd met repressief optreden de Arabische politieke activiteit beperkt gehouden. De mufti collaboreerde met het Derde Rijk en berokkende daarmee het Arabische imago enorme schade.[233] Duizenden joodse vrijwilligers vochten daarentegen aan de zijde van de uiteindelijke overwinnaars mee. De Haganah werd door Britse instructeurs getraind voor commandomissies. Tegelijkertijd bereidden zionistische strijders zich voor op een toekomstige confrontatie met de Britten en smokkelden zij immigranten het land in. De ‘Sterngroep’, een radicale splinter van de Irgun, weigerde overigens de strijd te staken en zocht daarentegen contact met de Asmogendheden. Ze werd daarop door Irgun en Haganah aan de Britse politie verraden, die haar leider (Avraham Stern, 1907-1942) doodde.[234] Arabische landeigenaren bleven ondertussen bereid tot verkoop, ondanks de spanningen. Van 1940 tot 1946 verdubbelde het bezit van het JNF.[235]

Het bekend worden van de holocaust gaf het joodse verzet tegen het Britse bewind een ongekende impuls. De zekerheid dat de geallieerden de oorlog zouden gaan winnen en de overtuiging dat voor de na-oorlogse periode van de Britten niets te verwachten viel, leidden tot een hervatting van anti-Britse acties. In 1944 begonnen de Irgun (onder commando van Menachem Begin) en Lehi (opvolger van de Sterngroep)  een terreurcampagne. Er werd wraak genomen voor tragedies zoals die van de Patria en de Struma.[236] Lehi vermoordde lord Moyne, een vriend van Churchill. Deze vergeleek daarop de daders met nazi’s en staakte het debat over een nieuw verdelingsplan en de opschorting van immigratiequota.[237]

Na de Britse beleidswijziging was de zionistische strategie op de VS gericht. Het Amerikaans Zionistisch Congres nam in mei 1942 het Biltmore programma aan. Dat riep op tot onbeperkte immigratie en een joodse staat. Het leiderschap van de zionistische beweging ging in deze periode over van Weizmann naar de militante Ben-Gurion.[238] Tijdens de oorlog groeide de steun voor het zionisme onder Amerikaanse joden sterk. Een opinieonderzoek in 1945 liet 80,1% steun voor een joodse staat onder hen zien.[239] Het zionisme gaf Amerikaanse joden de mogelijkheid om vluchtelingen voor het nazisme te helpen zonder het antisemitisme in eigen land aan te wakkeren.[240] Zionisten hadden goede toegang tot de politiek en konden op een sterke achterban vertrouwen om pressie te leveren. Politici konden met een pro-zionistische houding joodse steun verwerven zonder stemmen te verliezen. Zij hadden terdege rekening te houden met isolationistische en racistische sentimenten, in zoverre zij deze al niet deelden. Het idee van een joodse staat over zee was daar prima mee verenigbaar.[241] Christenfundamentalisten geloofden bovendien dat Palestina door God aan het joodse volk beloofd was. Vanuit de maatschappelijke elite werden organisaties opgericht die de zionistische belangen behartigden. De belangrijkste daarvan was  het Amerikaanse Palestina Comité, een christelijke lobbygroep waar tweederde van de Senaat, 200 leden van het Huis van Afgevaardigden en de partij- en vakbondsleiders deel van uitmaakten.[242] De joodse stem kon in enkele belangrijke kiesdisctricten doorslaggevend zijn. De Republikeinse en Democratische verkiezingsprogramma’s van 1944 steunden de stichting van een ‘Joods Gemenebest’ in Palestina. Het omvangrijke zionistische politieke kapitaal beïnvloedde het buitenlands beleid. President Truman steunde het Biltmore programma. Met het in volle omvang zichtbaar worden van de holocaust ging schuldgevoel een rol spelen bij beslissingen over Palestina.  

In juni 1945 eiste het Joods Agentschap met steun van Truman de onmiddelijke toelating van 100.000 joden. Groot-Brittannië weigerde. In oktober bond de Haganah met sabotageacties de strijd aan. Een combinatie van Amerikaanse druk, negatieve binnenlandse publieke opinie en zionistische aanslagen maakte de Britse positie onhoudbaar.[243] Met het einde van de oorlog en het dekoloniseren van India verloor de ‘hell disaster[244] (Winston Churchill over Palestina) bovendien zijn voornaamste strategische waarde. In februari 1947 nam Groot-Brittannië afstand van het mandaat. De Verenigde Naties bogen zich over de zaak. 

Het United Nations Special Committee on Palestine (UNSCOP) bezocht het gebied en bracht in augustus een rapport uit dat unaniem onafhankelijkheid aanbeval. Over de verwezenlijking daarvan waren de meningen echter verdeeld. Er werden twee adviezen uitgebracht. De meerderheid van de deelnemende landen stelde een joods/Arabische deling voor (met een economisch unieverdrag). Jeruzalem en Bethlehem zouden daarbij een internationale enclave vormen. De minderheid stond een federale staat voor, waarin beide volken volgens een ‘binationale’ formule zouden moeten samenleven.[245]

Doordat het Arabische Hogere Comité UNSCOP boycotte ontbrak het Palestijnen aan inspraak. De Arabische Liga trad op als zaakwaarnemer. Arabische staatshoofden namen een onverzoenlijke ‘anti-imperialistische’ houding in om hun zojuist verworven onafhankelijkheid te demonstreren. Namens de Palestijnen verwierpen zij elk compromis en verklaarden zich bereid militair in te grijpen. Het Arabische standpunt luidde dat Palestina een deel van de Arabische wereld was, dat de bewoners nooit toestemming hadden gegeven voor de vestiging van een joods ‘nationaal thuis’ en dat noch de Britten, noch de Verenigde Naties het recht hadden hun land te vergeven. De Arabieren betaalden naar hun overtuiging de prijs voor westers antisemitisme en schuldgevoel.[246]

De zionisten verwierpen de federale oplossing maar accepteerden deling als absoluut minimum. Een intensieve lobbycampagne zette de Amerikaanse regering onder druk ten gunste van het delingsplan. Deze dwong op zijn beurt enkele lidstaten uit de Derde Wereld ervoor te kiezen.[247] De Algemene Vergadering stemde in november 1947 met een minimale meerderheid in met deling. Resolutie 181 werd aangenomen. Jeruzalem en Bethlehem zouden onder VN-controle komen. De 1.364.330 Palestijnse Arabieren (waaronder 127.000 bedoeïnen) kregen 4.300 km² toegewezen, de 608.230 joden 5.700 km².[248] Deze regeling kende de joodse staat 55% van Palestina toe, terwijl joden 31% van de bevolking uitmaakten en 10% van het land bezaten. Dat voegde een extra grief toe aan het Arabische gevoel van onrechtvaardigheid.[249] Op 4 december volgde een Britse verklaring dat het mandaat op 15 mei 1948 hoe dan ook beëindigd zou worden. Door zich afzijdig te houden bij de implementatie van het plan, verergerde Groot-Brittannië de situatie.

Britse strijdkrachten concentreerden zich op hun terugtrekking en zelfbehoud terwijl er direct een burgeroorlog uitbrak. Deze begon met straatgevechten en Arabische aanvallen op konvooien. In januari laaide met bomaanslagen door Irgun en Lehi een stedelijke terreurstrijd op. Palestijnse wraakacties werden door de Haganah vergolden.[250] Er ontstond een geweldsspiraal met wederzijdse gruweldaden. Aanvankelijk boekten de Arabieren succes en in maart hadden zij veel joods gebied geïsoleerd.[251] De Arabische strijders waren echter gevangen in een ‘web of rivalries and intrigue[252] en niet opgewassen tegen hun tegenstanders.

In april ging de Haganah in het offensief en half mei had zij het aan de joden toegewezen gebied in handen. Na de stille aftocht van de laatste hoge commissaris op 14 mei, verklaarde Ben-Gurion Israël onafhankelijk. De nieuwe staat werd onmiddellijk door beide supermachten erkend. Op 15 mei begon een invasie van Egyptische, Syrische, Transjordaanse, Iraakse, Libanese en Saoedische strijdkrachten. Over de ‘Onafhankelijkheidsoorlog’ die daarmee uitbrak is in het Westen een mythe ontstaan. Het kleine Israël speelt daarin de rol van een moderne ‘David’ die de plotselinge agressie van de Arabische ‘Goliath’ overwint.[253] De oorlog was echter de voortzetting van een langdurig conflict en Israël was de sterkste partij.

Bij aanvang van de strijd beschikten de Arabische legers over zo’n 23.500 man. De parate joodse eenheden telden 29.677 man. Mobilisatie en immigratie vergrootten de mankracht snel. Tegen 30 december bedroeg de joodse sterkte 108.300 man.[254] Daarbij voegden zich zo’n 5.000 joodse vrijwilligers uit het buitenland. Israël had gebrek aan wapens. De uitrusting werd echter verveelvoudigd zodra er havens en vliegvelden beschikbaar waren. Ondanks een wapenembargo konden de Israëli’s munitie, vuurwapens, geschut, tanks en vliegtuigen bemachtigen. Er waren voldoende mensen die met zwaar materieel konden omgaan. De Arabieren hadden door gebrek aan expertise weinig aan hun uitrusting.

De joodse krachten waren verenigd tegen een verdeeld Arabisch front. Op 31 mei gingen de joodse milities op in de Israeli Defence Forces (IDF).[255]  Het Arabische opperbevel ruste in naam bij de Arabische Liga. Van coördinatie was echter geen sprake. De nederlagen van rivalen werden zelfs met genoegen aanschouwd. Leiding, training en motivatie waren beneden peil. De verbindingen waren slecht en de ondermaatse bevoorrading werd belemmerd door vluchtelingenstromen. De goed georganiseerde joodse gelederen telden veel mensen met oorlogservaring, waren sterk gemotiveerd en bekwaam geleid. Hun communicatie- en bevoorradingslijnen waren korter en ze beschikten over een netwerk van gefortificeerde nederzettingen. De Arabische troepen bezaten twee voordelen. Ze spraken dezelfde taal en waren ‘vers’, terwijl de joden al maanden vochten, diverse talen spraken en land en klimaat vaak niet gewend waren.[256]

De enige eenheid die zich met de IDF kon meten was het Arabisch Legioen van Transjordanië, geleid door sir John Bagot Glubb en 45 Britse officieren. Het bracht 4.500 man in het veld uit een totaalsterkte van 6.000.[257] Koning Abdullah had echter een verborgen agenda: hij wilde de Westelijke Jordaanoever aan zijn koninkrijk toevoegen. Hij stuurde het Legioen de oorlog in om het gebied te bezetten, maar had geheime afspraken met het zionistische leiderschap gemaakt, om een serieuze confrontatie te vermijden. In Jeruzalem kwam het desondanks tot zware strijd.[258]

Bij het ingaan van de eerste wapenstilstand op 11 juni waren de Arabische aanvallen overal afgeslagen, met uitzondering van Oost-Jeruzalem. Vervolgens boekten de IDF in verschillende gevechtsrondes grote terreinwinst buiten de grenzen van het delingsplan. In maart 1949 werd de laatste wapenstilstand gesloten. Israël omvatte nu 80% van het voormalige mandaatgebied. Er was geen Arabische staat tot stand gekomen. In de Gazastrook stond Egypte de oprichting van een Palestijnse regering in ballingschap toe (onder leiding van al-Husayni). Deze had echter geen reëel gezag. In 1950 werd  de Westelijke Jordaanoever geannexeerd door wat nu Jordanië ging heten. De verpletterende nederlaag schokte de Arabische wereld en bracht de regimes die eraan hadden deelgenomen in diskrediet. Zij zou als ‘al Naqba’, ‘de Katastrofe’, de Arabische geschiedenisboeken ingaan.

 

Het Palestijnse vluchtelingenprobleem

 

Tijdens de burgeroorlog van december 1947 tot mei 1948 vluchtten zo’n 300.000 Palestijnen. De daaropvolgende oorlog voegde ruim 400.000 ontheemden toe. Over de toedracht is een propagandastrijd ontstaan.[259] Zionisten beweerden dat de vlucht van Arabieren door hun eigen leiders was bevolen, als ‘tijdelijke evacuatie’ in afwachting van de overwinning. Dat werd later de Israëlische verklaring en is algemeen aanvaard in de VS.  Deze claim doorstaat de toets der kritiek echter niet. Er is voornamelijk bewijs van het tegendeel, namelijk oproepen om niet te vluchten. De Arabische eenheden waren juist afhankelijk van de plaatselijke bevolking.[260] De Arabische verklaring luidde dat de enorme omvang van de vluchtelingenstroom te wijten was aan opzettelijke verdrijving. Deze claim blijkt grotendeels correct.

Aanvankelijk waren de vluchtelingenstromen de ‘normale’ reactie van een burgerbevolking op oorlogsdreiging en gevechten. Daarnaast verkozen duizenden een bestaan in een Arabisch land boven dat in een joodse staat.[261] De zionistische politiek-militaire top maakte echter van de gelegenheid gebruik om zoveel mogelijk Palestijnen te verdrijven. In de loop van de oorlog werd het overgrote deel van de Arabische steden en dorpen op het grondgebied van het latere Israël aangevallen of afgesneden van levensvoorziening, waarbij er vluchtcorridors werden opengelaten. Terugkerende vluchtelingen werden geweerd. Het verlaten van hun woonplaats stond daarmee voor Arabieren gelijk aan ballingschap. Achterblijvers in ontvolkte gebieden werden opgepakt en gedeporteerd. Onbeheerde bezittingen werden geplunderd en verwoest.[262]

Op 10 maart werd ‘Plan D’ operationeel, dat diende om het aan de joodse staat toegezegde gebied veilig te stellen en buiten dat gebied gelegen nederzettingen te beschermen, ter voorbereiding op de invasie die na het uitroepen van de onafhankelijkheid verwacht werd. Het gaf toestemming om Arabieren uit veiligheidsoverwegingen te verdrijven en gebouwen te venietigen. Door commandanten werd deze order gebruikt als vrijbrief voor etnische zuiveringen.[263] Bij de grootste actie, tijdens de bezetting van Lydda en Ramleh in juli, werden 50.000 bewoners uitgewezen.[264] Aan het einde van de oorlog waren zo’n 350 dorpen en stadjes ontvolkt en verwoest door de IDF.[265]

Terreur speelde een belangrijke rol. Op 9 april slachtten Irgun en Lehi zo’n 110 tot 250 inwoners van het dorp Deir Yasin af. Dit leidde tot paniek onder de Palestijnse bevolking. De fixatie van Arabische propaganda op joodse wreedheden vormde wellicht een catalysator voor massahysterie. ‘Deir Yasin’ was het startsein voor een massale vlucht van de burgerbevolking en voor het ineenstorten van de Arabische militaire weerstand.[266] Op kleinere schaal vonden vergelijkbare moordpartijen plaats.[267] Luidsprekereenheden van Irgun en Haganah herinnerden Arabische wijken met zogenoemde ‘zwarte propaganda’ aan het voorval.

In de ogen van Ben-Gurion was coëxistentie onmogelijk: ‘(…) de Arabieren kunnen het bestaan van Israël niet accepteren. Degenen die het accepteren zijn niet normaal.’[268] Binnen het leiderschap van de yishuv heerste de consensus dat ‘transfer’ van de Arabische bevolking naar de buurlanden nodig was, om het joodse karakter en de veiligheid van de staat te waarborgen, al was dit standpunt vanuit diplomatieke overwegingen niet het officiële.[269] Josef Weitz, hoofd van het JNF, was voorstander van het verwijderen van de Arabische bevolking en het gebruiken van haar land om er joodse immigranten op te vestigen. Hoewel hiertegen aanvankelijk ferme oppositie bestond, werd dit uiteindelijk het feitelijke beleid, onder de auspiciën van een functionaris die als ‘beheerder van bezittingen van absente personen’ fungeerde.[270] Met de Palestijnse uittocht was de bevolkingsbalans zeer ten gunste van de zionistische zaak veranderd: het Arabische volksdeel in het aan de joodse staat toegekende gebied bedroeg aanvankelijk 47%. De verovering van Palestijnse gebieden buiten die grenzen zou zelfs tot een Arabische meerderheid hebben geleid.[271] Naar het gevoel van de zionisten stond hun voortbestaan op het spel. Zij erkenden de Palestijnen niet als volk, met een eigen band met het land. De Arabieren die Israël bedreigden werden gelijkgesteld aan de nazi’s.[272]

Zo’n 350.000 tot 400.000 vluchtelingen kwamen naar Jordanië. Een derde van hen belandde in kampen. In de Gazastrook kwamen 200.000 mensen terecht, waarvan 60% in 8 vluchtelingenkampen. Nog eens 100.000 vluchtelingen eindigden in Libanon, waarvan 40% in kampen. Syrië telde 60.000 vluchtelingen in kampen rond Damascus. Jordanië was het enige Arabische land dat gevluchte Palestijnen burgerschap verleende, in december 1949. Zij behielden daarnaast hun vluchtelingenstatus, om recht op internationale hulp te houden en aanspraak op repatriëring te kunnen blijven maken.[273] In december 1949 werd de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees (UNRWA) opgericht, die zich tot op heden bezighoudt met de zorg voor Palestijnse vluchtelingen. In 1950 stonden 960.000 vluchtelingen bij UNRWA geregistreerd. In 2002 waren dat er door bevolkingsaanwas ruim 4.000.000.

In Israël bleven zo’n 160.000 Arabieren achter. Velen van hen waren als vluchteling ‘intern verplaatst’. Zij waren geïsoleerd van de Arabische wereld en werden als collaborateurs veroordeeld, terwijl ze in Israël juist als ‘vijfde colonne’ werden beschouwd en aan militair gezag (tot 1966) en landonteigening werden onderworpen. De Nationaliteitswet van 1952 verleende weliswaar burgerschap aan Arabieren die langdurige vestiging in Palestina konden aantonen, maar in de praktijk waren zij tweederangsburgers. [274] Hun welvaartsniveau verveelvoudigde desalniettemin. Vanaf de jaren ‘70 kreeg de Arabische stem enig politiek gewicht, door de opkomst van een moderne elite en de sterke Arabische bevolkingsgroei. Eind jaren ‘90 waren er bijna een miljoen Israëlische Arabieren, die 20% van de bevolking uitmaakten.[275]

 

 

1.3 Voortzetting van het conflict

 

De naoorlogse situatie

 

Met de Israëlische zege was het conflict geenszins beslecht. De Arabische wereld zag Israël als een door het westerse imperialisme geschapen koloniale ‘entiteit’, boycotte het land en eiste de terugkeer van alle vluchtelingen. De VS en de meeste VN-leden drongen eveneens op hun repatriëring aan. Sommige Arabische leiders riepen op tot grensherziening naar het voorheen niet door hen erkende verdelingsplan. Israël verwierp deze eis met het argument dat de oorlog de zaken veranderd had. Het eiste erkenning van zijn bestaansrecht en zag het als een Arabische plicht om de vluchtelingen op te nemen.[276] Het land wees de verantwoordelijkheid voor het creëeren van de vluchtelingenstroom af en daarmee ook die voor een oplossing. Volgens Israël stond terugkeer gelijk aan vernietiging van de joodse staat en diende de vijandschap van Arabische staatshoofden om de aandacht af te leiden van binnenlandse problemen.[277]

            Vredesinitiatieven zoals de VN-conferentie te Lausanne (1949) liepen op niets uit. Discrete Syrische en Egyptische bilaterale ouvertures liepen stuk doordat Israël iedere concessie weigerde.[278] De haalbaarheid van dergelijke toenaderingspogingen was op zich al twijfelachtig gezien de stemming in de Arabische wereld.[279] Het opkomende Arabisch nationalisme cultiveerde haat tegen Israël.[280] Koning Abdullah van Jordanië probeerde in weerwil van fel protest door de Arabische Liga en zijn eigen bevolking vrede te sluiten, maar staakte zijn pogingen toen Israël compromisloos bleek. Een vijfjarig non-agressiepact dat hij daarna voorstelde ontmoette zulke grote Arabische weerstand dat hij het schielijk introk.[281]

Voormalige Palestijnse bezittingen werden gebruikt voor de vestiging van joodse immigranten, waarvan er van 1948 tot 1951 680.000 binnenkwamen.[282] Aldus werd het probleem van hun opvang opgelost en werd een voldongen feit geschapen dat Palestijnse terugkeer in de weg stond. De Wet op de Terugkeer van 1950 gaf joden wereldwijd het recht op Israëlisch staatsburgerschap. Gediscrimineerde Oost-Europese joden maakten daar massaal gebruik van. Tot 1956 verlieten daarnaast 450.000 joden de Arabische landen waar zij na de oorlog zeer vijandig werden bejegend.[283] Israël stelde dat de Arabische staten deze ‘bevolkingsruil’ zouden moeten accepteren door de Palestijnen te assimileren.

            In beide kampen waren er partijen die uit waren op een nieuwe oorlog om het pleit definitief te beslechten. De Arabische wereld wilde de nederlaag ongedaan zien, de IDF wilde beter verdedigbare grenzen (die van 1948 waren bijzonder kwetsbaar). De rechtse Israëlische Herut-partij (de politieke opvolger van de Irgun) onder Menachem Begin riep op tot verovering van de Westelijke Jordaanoever.[284]

            De bestandslijnen vormden een conflicthaard. Confrontaties over de controle van gedemilitariseerde zones werden in 1951 en 1955 na gevechten met respectievelijk Syrië en Egypte in Israëls voordeel beslecht. Het grootste probleem vormde Arabische ‘infiltratie’. De grenzen kenden geen ‘natuurlijk’ verloop. Ze sneden Arabische gemeenschappen van elkaar af en scheidden boeren van hun land. Sociale en economische activiteiten gingen echter door, met ‘illegale grensoverschrijding’ tot gevolg. Van halverwege 1948 tot 1953 probeerden bovendien zo’n 30.000-90.000 Palestijnen zich weer in Israël te vestigen. Strijders (fedayeen ofwel ‘zelfopofferaars’) staken de grens over om joodse doelen aan te vallen of ‘collaborateurs’ te straffen. Berooide vluchtelingen ondernamen strooptochten. Israël probeerde zijn grenzen veilig te stellen met nederzettingen, deportaties, mijnen, hinderlagen, executies en het schieten op mensen in niemandsland.[285]

            Israël hield de Arabische staten verantwoordelijk voor de grensproblemen en vatte ze op als een poging het land te verzwakken voor een nieuwe aanval. Er volgden vergeldingsmaatregelen die op basis van het ‘Ben-Gurionisme’ bewust buitenproportioneel waren. Deze doctrine hield in dat de Arabieren alleen in bedwang konden worden gehouden door voortdurend machtsvertoon. De IDF vielen daarom regelmatig doelen in de buurlanden aan, zelfs bij oefeningen als ‘training met scherpe munitie’. Eenheid 101 (georganiseerd door Ariël Sharon) overviel vluchtelingenkampen en dorpen in de buurlanden, in een poging de grenzen met afschrikking te dichten. Berucht is de nachtraid op het Jordaanse Qibya, waarin 68 burgers omkwamen. Deze politiek voedde de haat en leidde ertoe dat Arabische leiders Israël van expansieplannen verdachten.[286] Er ontstond een wapenwedloop waarbij de supermachten betrokken raakten.

 

De Suez-crisis

 

Tijdens de Koude Oorlog belandde Israël uiteindelijk in het westerse kamp, maar kon niet voorkomen dat ook vele Arabische staten (evenals Iran en Pakistan) als bondgenoten dienden bij het ‘indammen’ van de Sovjets. In 1955 werd daartoe het Baghdad Pact opgericht, een alliantie onder Brits-Amerikaans hoede. De Egyptische president Nasser wierp zich op als ‘pan-Arabisch’ leider, met Arabische eenheid en vrijwaring van buitenlandse inmenging als ideaal. Een Israëlische inval in Gaza in februari 1955 dreef hem tot een agressieve opstelling.[287] Fedayeen-acties kregen Egyptische steun en de Straat van Tiran werd geblokkeerd voor de Israëlische scheepvaart.[288] In september werd een groot bewapeningsakkoord met Tsjechoslowakije gesloten. De aanschaf van Russische wapens vormde een protest tegen het Baghdad Pact, dat volgens Nasser de Arabische wereld verdeelde. In Israëlische ogen vormde deze Egyptische politiek een grote bedreiging.

Frankrijk bewapende Israël in reactie op de door het Baghdad Pact toegenomen Britse invloed in Syrië. Het deelde de vijandschap jegens Nasser, uit afschuw voor zijn rol als ‘Derde Wereldleider’ in Afrika en wegens verdenking van inmenging in de Algerijnse oorlog. Groot-Brittannië en Frankrijk reageerden furieus toen Nasser het Suez-kanaal nationaliseerde, nadat de VS een lening voor de financiering van de Aswan-dam introkken.[289] Er werd samen met Israël een aanvalsplan gevormd. Op 29 oktober 1956 viel Israël de Sinaï binnen. Tussen 5 en 6 november bemachtigde een Brits-Franse expeditiemacht de controle over het Suez-kanaal onder het voorwendsel de strijdende partijen te scheiden. De VS en de USSR veroordeelden dit optreden echter scherp[290] en onder zware Amerikaanse druk ruimden de Britten en Fransen het veld. In 1957 gaf Israël de Sinaï terug. Er werd een VN-buffermacht gestationeerd. Nasser kwam als overwinnaar uit de crisis, ongekend populair in de Arabische wereld. De Israëli’s beschouwden de operatie desondanks als succesvol. De blokkade van de Straat van Tiran was opgeheven en de grens gepacificeerd. In twee dagen tijd was een groot leger van reservisten gemobiliseerd dat indrukwekkend had gepresteerd.[291]

 

De verhoudingen tot 1967

 

In de periode tot 1967 concentreerde Israël zich op zijn economische opbouw, terwijl de Arabische wereld bezig was met een regionale machtsstrijd. In Irak en Syrië vonden meerdere regimewisselingen plaats. Nasser probeerde zonder succes Arabische eenheid tot stand te brengen door een unie met Syrië aan te gaan (de Verenigde Arabische Republiek, 1958-1961) en raakte verstrikt in een burgeroorlog in Jemen.[292] Tussen Syrië en Israël kwam het tot gewapende confrontaties over het gebruik van watervoorraden, Syrische steun aan Palestijnse guerrilla’s en de zeggenschap over gedemilitariseerde zones. Syrië legde het daarbij af. Vanwege een in 1966 gesloten defensiepact legde dit zware druk op Nasser om Syrië te hulp te komen.

            In 1964 richtte de Arabische Liga de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie op (bekend als de PLO, de Palestinian Liberation Organisation), met de Nasser-getrouwe al-Shuqayri aan het hoofd. Deze organisatie werd vooral gecreëerd om de Palestijnse ballingen onder controle te houden achter een ‘activist fascade behind which nothing would occur[293] en zo een onbedoelde oorlog met Israël te vermijden. Ze werd gedomineerd door conservatieve notabelen. Er waren echter Palestijnse groepen die buiten de PLO om ondergronds opereerden. De Arabische Nationale Beweging onder leiding van de christelijke arts George Habash zag Arabische eenheid als voorwaarde voor een overwinning op Israël. De belangrijkste guerrillagroep, Fatah (met Khalil Wazir en Yasser Arafat als sleutelfiguren), meende dat Arabische eenheid geen voorwaarde was voor het verslaan van Israël, maar er juist een gevolg van zou zijn. Fatah streefde angstvallig naar het waarborgen van zijn autonomie.[294] De organisatie begon in 1965 met aanslagen in Israël, die bedoeld waren om Israëlische represailles uit te lokken en daarmee de Arabieren tot oorlog te dwingen. Jordanië was ontstemd over de guerrilla-acties, die vanaf haar grondgebied werden uitgevoerd. Het land onderging Israëlische strafexpedities en deed de PLO in de ban, hetgeen echter niet mocht baten.[295]

 

De Zesdaagse Oorlog

 

Op 13 mei 1967 verstrekte de USSR aan Egypte valse informatie over onwaarschijnlijk grote Israëlische troepenconcentraties aan de Syrische grens. De Sovjets hadden al vaker breed uitgemeten over het gevaar van het westerse imperialisme, waarvan Israël een agressief instrument zou zijn. Ditmaal kwam de boodschap echter temidden van een explosieve situatie. Het wankele Syrische regime probeerde zijn positie te schragen met een confrontatiepolitiek tegenover Israël. De Syrische luchtmacht verging het daarbij echter slecht. Op 6 april hadden Israëlische jagers een spottend zegerondje boven Damascus gemaak, na gevechten boven de gedemilitariseerde zones waarbij 6 Syrische jagers waren neergehaald. Op 12 en 13 mei dreigden Israëlische hoogwaardigheidsbekleders met een grote vergeldingsaanval tegen Syrië als de aanvallen van Fatah zouden doorgaan.[296] Het Russische ‘nieuws’ werd dan ook serieuzer genomen dan waarschijnlijk de bedoeling was.[297] Nasser reageerde door troepen naar de Sinaï te sturen.

De Egyptische stafchef vloog naar Damascus voor militaire cöordinatie, maar er bleek geen spoor te bestaan van een op handen zijnde invasie. Desondanks verzocht Nasser de VN op 16 mei om de Sinaï te verlaten en begonnen Egyptische troepen de bufferzone in te trekken. Het was aanvankelijk Nassers bedoeling dat er wellicht in Sharm el Sheikh (dat de Straat van Tiran beheerst) en zeker in Gaza (met zijn fedayeen) nog VN-troepen zouden achterblijven. De secretaris-generaal van de VN, U Thant, verklaarde echter dat alleen volledige terugtrekking mogelijk was, hetgeen Nasser op 18 mei eiste en op 19 mei een feit was.[298] Israël reageerde door tussen 16 en 20 mei te mobiliseren. Een VN-aanbod om troepen aan de Israëlische kant van de grens te stationeren werd afgewezen. Op 21 mei bezette Egypte Sharm el Sheikh. De volgende dag sloot Nasser de Straat van Tiran voor Israël af: een riskante daad. Bij de teruggave van de Sinaï had Israël aangegeven een blokkade als oorlogsdaad te beschouwen.

Nassers handelingen zijn raadselachtig, aangezien het zijn politiek was om oorlog met Israël te vermijden. Zijn beste troepen zaten vast in Jemen. Hij verwachtte mogelijkerwijs dat de supermachten zouden ingrijpen en achtte zijn leger in staat zich te verdedigen. Egypte had de VS en USSR verzekerd niet als eerste te zullen aanvallen, maar klaar te zijn voor oorlog. De Egyptische leider werd in ieder geval gedreven door zijn verlangen zich als voorvechter van de ‘Arabische zaak’ te profileren. Hij was door Jordanië bespot als een lafaard die zich achter de VN verschuilt en werd van een ‘slappe houding’ beticht door zijn Syrische rivalen.[299] De Egyptische escalatiestappen gingen gepaard met strijdlustige retoriek en leverden enorme bijval in de Arabische wereld op. Nasser verloor wellicht de controle door mislukt ‘brinkmanship’, waarbij de onverwacht snelle en volledige VN-terugtocht een catalysator was.[300] Het is ook mogelijk dat Nasser van de gelegenheid gebruik wilde maken om Eilat terug te winnen, dat na de wapenstilstand van 1949 nog snel door Israël was bezet. Daarmee was de Arabische wereld in tweeën gesneden.[301] Tenslotte is het de vraag in hoeverre Nasser het leger onder controle had. Zijn minister van Defensie loog hem voor over Russische steun voor een oorlog.[302] De troepen die de Sinaï in waren gestuurd, hadden geparadeerd met leuzen over het oprukken naar Tel Aviv.

In Israël heerste het gevoel dat oorlog onvermijdelijk was en dat een ‘tweede holocaust’ dreigde bij een nederlaag. Een spervuur van Arabische propaganda beloofde de vernietiging van de joodse staat. Het kabinet Eshkol stelde op 28 mei een oorlog twee weken uit om de Amerikanen de kans te geven via internationale druk de blokkade op te heffen.[303] Op 30 mei sloten Jordanië en Egypte een verdedigingspact, na een plotseling bezoek van koning Hoessein aan Caïro waarin de onderlinge geschillen terzijde werden geschoven. Onder druk van het leger, dat geen vertrouwen in hem had, vormde Eshkol op 1 juni een regering van nationale eenheid. Moshe Dayan (een oorlogsheld uit 1956) werd tot minister van Defensie benoemd.  Begin werd minister zonder portefeuille. Daarmee werd de ultrarechtse lijn na decennia van uitsluiting door het ‘Arbeiderspartij establishment’ getolereerd. Het ‘oorlogskabinet’ zag een snelle aanval als de beste optie. Israël kon zich een langdurige mobilisatie niet veroorloven en het publiek eiste actie. Aanzet tot handelen werd gegeven door het nieuws op 2 juni dat de Egyptische vice-president, Zakariya Mohieddine, op 7 juni te Washington overleg zou plegen om een vreedzame uitweg te vinden. Nasser zou misschien een diplomatieke overwinning kunnen behalen.[304] Om die mogelijkheid uit te sluiten werd op 4 juni besloten om Egypte aan te vallen. Het hoofd van de Mossad had op 3 juni gerapporteerd dat de VS niet genoeg zouden doen om de blokkade op te heffen, maar een Israëlisch offensief niet zouden afkeuren.[305]

Israël opende op 5 juni de aanval door de Egyptische luchtmacht op de grond te vernietigen. Jordanië werd verzocht zich afzijdig te houden. De Jordaanse artillerie mengde zich echter in de strijd. Met een bevolking die voor tweederde uit Palestijnen bestond had koning Hussein weinig keus. Bovendien loog Egypte over de ‘grote overwinning’ die zojuist in een luchtslag met Israël was behaald. De Jordaanse luchtmacht werd daarop eveneens uitgeschakeld, net als die van Syrië. De IDF veroverden de Gazastrook, de Sinaï, Oost-Jeruzalem en de Westelijke Jordaanoever. Uit vrees voor Russische interventie zette Dayan aanvankelijk geen landstrijdkrachten tegen Syrië in. Hij veranderde echter van gedachten: tussen 9 en 10 juni werd de Golanhoogte veroverd.[306] De Arabische legers hadden meer manschappen en moderner materieel, maar waren geen partij voor de Israëlische strategie, tactiek en training.[307] In het westen leidde de oorlog tot groot enthousiasme voor Israël. De Israëli’s hadden de propagandaoorlog totaal van de Arabieren gewonnen.[308] In de VS leidde Israël’s succes ertoe dat het land als een strategische partner werd gezien. De Amerikaanse wapenleveranties namen sterk toe, om de USSR en de Arabieren af te schrikken.[309]

Egypte hervatte sporadisch vijandelijkheden, waarop de Israëli’s langs het Suez-Kanaal de Bar Lev linie aanlegden. In 1969 begon een door Nasser verklaarde ‘uitputtingsoorlog’, met artillerieduels die de steden langs de waterweg in puin legden, Egyptische commando- en luchtaanvallen en Israëlische luchtlandingen en bombardementen tot diep in Egypte. Russische piloten en adviseurs kwamen de verliezende Egyptenaren te hulp, waarna de balans in Egyptisch voordeel omsloeg. Geen van beide partijen bereikte echter zijn doel: Egypte slaagde er niet in de oostelijke Kanaaloever te herwinnen en het lukte Israël niet Nasser ten val te brengen. In juli 1970 volgde na Amerikaanse bemiddeling een wapenstilstand.[310]

 

De na-oorlogse situatie en de opkomst van de Palestijnse guerrillabewegingen

 

Op de Westelijke Jordaanoever resteerden 670.000 Arabieren; zo’n 120.000 mensen waren gevlucht of verdreven. Op de Golanhoogte bleven zo’n 6.400 van de 120.000 bewoners achter.[311] Door de veroverde gebieden was de strategische positie van Israël enorm verbeterd. De verovering van het Bijbelse ‘Judea en Samaria’ (de Westelijke Jordaanoever) had voor velen een religieuze betekenis. Rond de Klaagmuur werd een Arabische wijk met de grond gelijk gemaakt om ruimte voor gebed te maken. Op 27 juni werd Oost-Jeruzalem geannexeerd. Een VN-resolutie verklaarde dit besluit op 4 juli ongeldig.

De USSR en de Arabische staten eisten onvoorwaardelijke terugtrekking. De VS steunden het Israëlische standpunt dat terugtrekking deel moest uitmaken van een vredesregeling.[312] Een Arabische top in Khartoum, eind augustus 1967, verklaarde dat er geen erkenning van Israël zou zijn, geen onderhandelingen en geen vrede. Daarbij werd gerefereerd aan de rechten van de Palestijnen.[313] De supermachten zochten een oplossing via de VN. Op 22 november 1967 werd Resolutie 242 aangenomen, die de officiële basis voor onderhandelingen beoogde te bieden en werd ondertekend door de betrokken partijen (door Syrië pas in 1972). De resolutie benadrukt de ontoelaatbaarheid van het verwerven van territorium door oorlog en gebiedt de terugtrekking van Israël uit ‘territories occupied in the recent conflict.’[314] Ze roept op tot erkenning van de soevereiniteit en territoriale integriteit van alle staten en onderstreept het recht op een vreedzaam bestaan binnen veilige grenzen.[315] Voor het vluchtelingenprobleem zou een rechtvaardige oplossing moeten komen. Gunnar Jarring werd tot speciaal vertegenwoordiger benoemd om onder-handelingen op gang te brengen. Na drie jaar diplomatie legde hij zijn taak onvervuld neer.

De Palestijnse politieke aanspraken werden in de VN-resolutie genegeerd. In plaats van de joodse staat te ontmantelen hadden de Arabische legers nog meer territorium verspeeld. Lippendienst aan de Palestijnse zaak maskeerde de onderwerping en buitensluiting van Palestijnen door autocratische Arabische regimes. In Palestijnse kring groeide het besef op zichzelf te zijn aangewezen..[316] Yasser Arafat infiltreerde de Westelijke Jordaanoever om er een opstand te organiseren (juli 1967). De pro-Jordaanse elite en het Israëlische veiligheidsapparaat verijdelden deze opzet echter. Koning Hoessein tolereerde daarna operaties vanuit Jordanië. Een veldslag met een Israëlisch aanvalsmacht bij het Jordaanse Karameh (21 maart 1968) bezorgde Fatah voldoende faam om dit treffen om te zetten in de ‘foundation myth of the modern Palestinian commando movement.’[317] Een belangrijke rivaal ontstond in het marxistisch georiënteerde Popular Front for the Liberation of Palestine (PFLP) onder George Habash, dat revolutie in de Arabische wereld tot doel had. Daarnaast was de Democratic Front for the Liberation of Palestine (DFLP) van belang, een splintergroep van de PFLP onder Nayif Hawatmah. De guerrillabewegingen slaagden erin om de controle over de PLO te bemachtigen. In 1969 werd Arafat voorzitter van het Uitvoerend Comité. In 1970 trad de PFLP toe. De PLO was een gefragmenteerde organisatie, ‘a kind of parliament reflecting all the conflict and intrigue of the Arab world.’[318] Ze verwierp Resolutie 242 en had een seculiere democratie in geheel Palestina tot doel. Israël verwierp dit streven als een ‘rookgordijn’, waarachter antisemitisme school. Premier Golda Meir verklaarde in 1969 dat Palestijnen niet bestonden.

De PLO bleek te zwak om via een guerrillastrijd gebied te bevrijden en richtte zich op terreur. Fatah wilde door geweld de zionistische migratie ‘omkeren’ en geloofde dat het mogelijk was ‘to exterminate all that made Israel a specifically zionist state, without physically destroying the jews.[319] De PFLP meende dat Israëlische burgers een legitiem doelwit waren: de Palestijnen waren immers verdreven om plaats voor ze te maken. Het zou bovendien slechts om ‘militairen in burgerkleren’ gaan, aangezien iedere gezonde Israëlische man of vrouw regelmatig als reservist werd getraind.[320] In de jaren ’70 en ’80 golden ook westerlingen als doel, vanwege de westerse rol bij het ontstaan en steunen van Israël.[321] Palestijnse terroristen werkten samen met extreemlinkse terreurgroepen zoals de Duitse Rote Armee Fraktion, de Italiaanse Rode Brigades, het Franse Action Directe en het Japanse Rode Leger. Het terrorisme deed het imago van de Palestijnen geen goed, maar zorgde er wel voor dat hun probleem niet langer genegeerd werd.

In 1969 kreeg de PLO in zuid-Libanon het gezag over de vluchtelingenkampen, na een confrontatie met de Libanese regering die door ingrijpen van Nasser beslecht werd met de ‘Caïro Akkoorden’. In Jordanië liep de spanning op. Het gezag van het koningshuis werd ondermijnd, doordat de Palestijnen een ‘staat binnen de staat’ vormden. Hun acties lokten zware Israëlische repressailles uit. Na vliegtuigkapingen door de PFLP kwam het in september 1970 tot gevechten tussen het Jordaanse leger en de Palestijnen.[322] In 1971 richtte de PFLP de Vrij Jordanië-beweging op, met als doel het omverwerpen van de monarchie. Het Jordaanse leger verdreef daarop in verbitterde gevechten de PLO, die uitweek naar Libanon. In 1972 kwamen in München 11 leden van het Israëlische Olympische team om, bij een gijzelingsactie door de ‘Zwarte September’ groep. Deze was vernoemd naar de bloedige ‘broederstrijd’ van 1970.

 

De Oktoberoorlog en Camp David

 

In 1970 overleed Nasser. Zijn opvolger, Anwar Sadat, wees de Russische adviseurs het land uit[323] en verklaarde zich bereid over vrede te onderhandelen op voorwaarde dat Israël zich van het Suez-Kanaal zou terugtrekken. Toen dat niets opleverde (Golda Meir verlangde erkenning van Israël, de VS namen de Egyptische verklaring niet serieus) besloot Sadat tot oorlog. Hij wilde de Israëlische expansieplannen in de bezette gebieden stoppen[324], het Suez-kanaal heropenen en de supermachten tot ingrijpen dwingen. Een gezamenlijke verrassingsaanval met Syrië op 6 oktober 1973 (de joodse feestdag Yom Kippur)[325] begon uiterst succesvol. Egypte rolde de Bar Lev linie op en Syrië brak bijna door op de Golan. Israël leed zware verliezen. Op 8 oktober beval het kabinet de Israëlische kernwapens in gereedheid te brengen, om een totale nederlaag af te wenden. De VS werden daarvan op de hoogte gesteld en er werd grootschalige hulp geëist.[326]  Op 10 oktober begon een Amerikaanse luchtbrug de Israëlische verliezen aan te vullen, terwijl de Russen Syrië en Egypte massaal bevoorraadden. Uiteindelijk slaagden de Israëli’s erin om de Syriërs te verslaan en het Egyptische leger in de Sinaï af te snijden. Op 24 oktober eindigde de oorlog.

De strijd had de Egyptische positie versterkt. Israël bleek niet onkwetsbaar en de status quo die het land toestond de bezette gebieden te behouden bleek risicovol. De OPEC had een olie-embargo ingesteld tegen de VS (en Nederland) en daarmee de Arabische positie versterkt. In 1974 werd de PLO op een Arabische top en vervolgens door de Algemene Vergadering van de VN erkend als vertegenwoordiger van het Palestijnse volk. Het praktische doel van de organisatie veranderde in het vestigen van een staat op de Westelijke Jordaanoever en in Gaza, echter zonder het bestaansrecht van Israël te erkennen. Israël werd ondertussen de grootste ontvanger van Amerikaanse financiële en militaire ondersteuning ter wereld.[327]

De verkiezingen van 1977 brachten de Likud voor het eerst aan de macht, met Begin als premier. De Arbeiderspartij (de opvolger van Mapai) werd geassocieerd met corruptie en met het zaaien van tweedracht.[328] De Oktoberoorlog bracht de partij nog verder in diskrediet. Sefardische joden[329] maakten inmiddels meer dan de helft van de bevolking uit. Zij stemden massaal rechts uit protest tegen hun maatschappelijke achterstelling en omdat zij de bezette gebieden wilden behouden (uit religieuze en economische overwegingen, maar ook omdat heerschappij over Arabieren hun eigen status verhoogde).[330]

In 1978 sloten Israël en Egypte, na bemiddeling van de Amerikaanse regering Carter, de Camp David akkoorden, met resolutie 242 als uitgangspunt. Deze werden op 26 maart 1979 in een vredesverdrag bekrachtigd. Egypte erkende Israël en kreeg de Sinaï terug. De overdracht werd in 1982 voltooid. De akkoorden behelsden een plan voor Palestijnse autonomie in de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever. Dat was echter zo vaag en vrijblijvend dat Begin er zijn annexatiepolitiek niet mee in gevaar bracht.[331] Sadat hoopte dat vrede voor economische verbetering zou zorgen, door heropening van het Suez-Kanaal en Amerikaanse steun. Voedselrellen bedreigden zijn regime: betogers eisten van de ‘Held van de Oversteek’ (van het Suez-Kanaal in 1973) hun dagelijks brood. Egypte werd voor zijn ‘desertie’ gestraft met royering uit de Arabische Liga en een economische boycot. Op 6 oktober 1981 werd Sadat tijdens een militaire parade door fundamentalistische militairen vermoord.[332]

De Israëlische politiek in de bezette gebieden

 

Tot 1977 verwachtten opeenvolgende Israëlische kabinetten delen van de bezette gebieden weer te zullen afstaan in ruil voor vrede, met uitzondering van militair waardevol terrein. Vice-premier Yigal Allon stelde in 1967 een plan op waarin stadsuitbreiding Oost-Jeruzalem insluit, terwijl in de oostelijke Jordaanvallei en op de westelijke heuvelrug twee linies van nederzettingen verrijzen. Hij stelde een Arabische ‘entiteit’ voor met een vorm van zelfbestuur op zo’n 50 procent van het gebied, mogelijk onder Jordaans bewind. Controle over het gebied zou aldus mogelijk zijn zonder rechtstreekse bezetting. De Palestijnse inwoners waren een last die Israël liever kwijt dan rijk was. Zij maakten volledige annexatie onmogelijk: het joodse karakter van de staat zou met zo’n Arabische meerderheid niet te handhaven zijn. In het decennium tot de machtsovername door Likud vormde het Allon Plan de basis van een weinig omvangrijke nederzettingen-politiek die zich op de grensstreek en Jeruzalem concentreerde.[333]

            In 1977 lanceerde Sharon, als minister van Landbouw en Nederzettingen, een plan voor kolonieën die de grens tussen Israël en de Westelijke Jordaanoever moesten vervagen. Deze zouden door snelwegen met nederzettingen in de Jordaanvallei verbonden moeten worden. De WZO vulde deze opzet in oktober 1978 aan met een ‘vijfjarenplan’ dat de laatste twee decennia nauw is gevolgd. Het omringt Palestijnse bevolkingsconcentraties met nederzettingen en deelt de Westoever in drieëen. De verkiezing van Begin viel samen met de opmars van een religieuze kolonistenbeweging: Gush Emunim (het Blok der Gelovigen). Militante fundamentalisten stichtten illegale nederzettingen die naderhand werden gedoogd en gewettigd.[334]

Begins beleid was erop gericht om teruggave van bezet gebied onmogelijk te maken door het creëren van voldongen feiten. Het militaire bestuur onteigende Arabisch land met een beroep op veiligheidseisen. In 1980 maakte de regering gebruik van de verwarde landadministratie die na Ottomaans, Brits en Jordaans bewind was ontstaan door zo’n 40% van de Westoever en 30% van de Gazastrook als staatsland te classificeren. Israël maakte de economie van de Westoever en Gaza van zich afhankelijk door Arabische loonarbeiders aan te trekken en tegelijkertijd de economische ontwikkeling van de bezette gebieden te breken. Het welvaartsniveau van de Arabische bevolking steeg enorm[335], maar dit ging niet gepaard met een eigen economische opbouw. Er werden nauwelijks openbare voorzieningen aangelegd voor Arabisch gebruik. Politieke overheersing werd gewaarborgd door het vervolgen van Palestijnse nationalisten en collectieve bestraffing. Kolonisten pleegden eigenrichting. In juni 1981 verhevigde Begin de repressie met zijn ‘Ijzeren Vuist’-politiek. Tegelijkertijd werd een burgelijk bestuur ingesteld en probeerde Israël via dorpsraden in de bezette gebieden een Palestijns marionettenbewind te installeren.[336]

 

De invasie van Libanon

 

In Libanon was de PLO betrokken geraakt bij een burgeroorlog tussen de verschillende religieuze groepen en hun krijgsheren. Palestijnse guerrilla’s beheersten een landstrook van west-Beiroet tot de grens met Israël. De regering Begin zag het verdrijven van de PLO uit Libanon als noodzakelijk voor het ‘pacificeren’ van de bezette gebieden.[337] Volgens Israël kwam de ‘onrust’ daar voort uit ophitsing door de PLO. Begin hoopte de Palestijnen te dwingen zijn versie van autonomie te aanvaarden door de PLO te verslaan.

            In 1978 was er een Israëlische inval tot aan de Litani in Zuid-Libanon, die de PLO weinig schade deed en leidde tot de installatie van de United Nations Interim Forces in Lebanon (UNIFIL) in het zuiden. In 1981 werd Sharon minister van Defensie. Hij stelde een  invasieplan op met als doel het verdrijven van de PLO en Syrische troepen (sinds 1976 als ‘Arabische vredesmacht’ in het gebied gelegerd). Het installeren van een bevriende regering zou de operatie moeten bekronen. Er werd daartoe een bondgenootschap gesloten met Bashir Gemayel, commandant van de Lebanese Forces (christelijke milities).[338]

Het excuus voor de oorlog werd geleverd toen de Palestijnse Abu Nidal groep op 3 juni 1982 de Israëlische ambassadeur in Londen, Shlomo Argov, neerschoot. Abu Nidal was een gezworen vijand van de PLO; niettemin volgden op 4-5 juni uitgebreide bombardementen op PLO-doelen in Libanon.[339] De PLO reageerde door nederzettingen in Noord-Israël te beschieten, waarna op 6 juni operatie ‘Vrede voor Galilea’ van start ging, met 78.000 man en 2.760 gevechtsvoertuigen.[340] Het Israëlische publiek, de VS en sommige kabinetsleden werden door Sharon en Begin misleid over aard en omvang van de operatie. De IDF gingen tussen 7 en 11 juni de confrontatie aan met Syrië (dat zijn luchtafweer in de Bekaa vallei en zo’n 90 jagers verloor) en namen tussen 9 en 13 juni posities rondom Beiroet in. Om een stadsguerrilla te vermijden werd de stad gedurende de zomer zwaar gebombardeerd en pleegde de inlichtingendienst er bomaanslagen. Het effect op de ingegraven PLO was gering, maar het leverde veel burgerslachtoffers en felle kritiek uit binnen- en buitenland op.[341] Arabisch optreden ten gunste van de PLO bleef echter zeer beperkt. Op 18 augustus werd een akkoord bereikt over terugtrekking van de organisatie. Een internationale troepenmacht zag toe op de aftocht van 14.398 man personeel, die op 1 september voltooid was.[342] Het PLO-hoofdkwartier werd verplaatst naar Tunis, ‘2,000 miles (3,200 km) away from the territories it sought to liberate.’[343]

Op 23 augustus werd Bashir Gemayel tot president gekozen. Op 14 september werd hij echter het slachtoffer van een bomaanslag. Het politieke deel van Sharon’s plan was hiermee mislukt. Syrië verwierf in de jaren die volgden de dominantie. Israël reageerde door het staakt-het-vuren te schenden en west-Beiroet te bezetten. Op 16 september lieten de IDF een 150 man sterk doodseskader van de christelijke Falange (de paramilitairen van de Gemayel clan) de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila binnen, naar eigen zeggen om ze van een veronderstelde 2.000 achtergebleven PLO-strijders te laten zuiveren. Er volgde een slachting die aanhield tot de ochtend van de 19e.[344] In Tel Aviv eisten 350.000-400.000 betogers een onderzoek. De comissie Kahane werd ingesteld, die stelde dat er van rechtstreekse medeplichtigheid geen sprake was.[345] Zij bekritiseerde wel diverse kabinetsleden en militairen omdat zij de risico’s kenden en te laat actie ondernamen. Al op 17 september werd door militairen en journalisten melding gemaakt van een bloedbad zonder dat werd ingegrepen. Sharon werd persoonlijk verantwoordelijk gesteld en moest aftreden.[346] Israël trok zich tussen 1983 en 1985 terug, maar hield een ‘veiligheidszone’ in het zuiden bezet. De oorlog betekende Begin’s politieke einde en brak hem persoonlijk.

 

Van intifada tot Oslo

 

De verkiezingen van 1984 en 1988 leidden tot coalitieregeringen van Likud met de Arbeiderspartij en kleine, maar invloedrijke religieuze partijen. Shimon Peres (Arbeiderspartij) trad in 1984 als premier aan. Hij werd in 1986 afgewisseld door Yitzhak Shamir (Likud), die tot 1992 het ambt bekleedde. Onder diens bewind werd de ‘Groot-Israël gedachte’ (een joodse staat in al het bezette gebied, op basis van de Torah) tot grondslag van de koloniale politiek verheven. De nederzettingenbouw en landonteigeningen werden opgevoerd, de repressie verhevigd.  De bezetting werd steeds indringender voelbaar.

Eind 1987 brak in de bezette gebieden een volksopstand uit, die bekend werd als de intifada.[347] De directe aanleiding was een ongeval op 9 december waarbij een Israëlische tanktransportwagen op Palestijnse arbeiders inreed. Diepere oorzaken waren de nederzettingenpolitiek, de dagelijkse vernederingen die de bezetting meebracht, intimidatie door kolonisten (die zich legertaken bij controleposten toeëigenden) en watertekort. Het voorbeeld dat scholieren en studenten namen aan recente guerrilla-acties vormde een belangrijke inspiratiebron.[348] Diplomatieke uitzichtloosheid en een gevoel van isolement sterkten de overtuiging op eigen actie te zijn aangewezen. De PLO werd door de VS geboycot en op de laatste Arabische top werd de Palestijnse kwestie alleen als ‘sociale verplichting’ even genoemd. In januari 1988 organiseerden plaatselijke leiders, waaronder vertegenwoordigers van Fatah, PFLP, DFLP, de communisten en Islamitische Jihad[349] zich in het Verenigd Leiderschap van de Opstand. Zij riepen via vlugschriften op tot burgerlijke ongehoorzaamheid en organiseerden stakingen, winkelsluitingen, demonstraties en belastingweigering. Israëlische producten werden geboycot. Als collaborateurs en informanten aangemerkte Palestijnen werden bij tientallen gedood. Jongeren zochten de confrontatie met de bezettingsmacht op, met barricades en stenen. Van gewapend verzet werd afgezien, al nam het ongecontroleerde gebruik van wapens vanaf 1990 wel toe. Beelden van Israëlische troepen die opstandelingen neerschoten wekten internationale sympathie voor de Palestijnse zaak. Op 22 januari 1988 kondigde defensieminister Rabin een nieuwe aanpak aan: ‘force, might and beatings[350], waaronder het met stenen en stokken breken van ledematen als alternatief voor het gebruik van scherpe munitie. Dit was niet bepaald een mediagenieke aanpak.

In 1988 ontstond Hamas (acroniem voor Islamitische Verzetsbeweging).  Deze fundamentalistische groepering betwistte het PLO en UNLU-gezag. Ze bouwde een sterke achterban op, via haar netwerk van sociale organisaties en moskeeën.[351] Het Hamas handvest (augustus 1988) schetste Palestina als een ondeelbaar islamitisch land, bevatte antisemitische complottheorieën en stelde dat enkel de jihad een oplossing voor het Palestijnse probleem bood.[352]

Het Israëlische leger probeerde de controle te herwinnen met uitgebreide strafmaatregelen, zoals het verwoesten van huizen van verdachten, deportaties, censuur van Arabische kranten, het afsluiten van water en electriciteit, collectief huisarrest en het sluiten van scholen en universiteiten. Militairen en kolonisten vernielden Palestijnse boomgaarden, groentetuinen en productiemiddelen. Arrestanten werden op grote schaal mishandeld en soms ernstig gemarteld of gedood. De Israëlische tegenmaatregelen en interne verdeeldheid deden de kracht van de opstand vanaf 1990 afnemen, hoewel zij sporadisch opleefde tot 1992. Eind 1990 had de opstand het leven gekost aan zo’n 1.025 Palestijnen (waarvan 250 slachtoffers van Palestijnse eigenrichting) en 56 Israëli’s. Er waren zo’n 37.000 Palestijnen gewond geraakt.[353] Tussen 1998 en 1993 werden 112.000 Palestijnen enige tijd vastgehouden zonder aanklacht en weer vrijgelaten.[354]

Arafat probeerde grip te krijgen op de opstand en er diplomatiek gebruik van te maken. Hij zag de VS als de enige macht die in staat was om Israël te dwingen haar annexatiepolitiek op te geven. Op 15 november 1988 riep de PLO een Palestijnse staat uit met Oost-Jeruzalem als hoofdstad, erkende Israël’s bestaansrecht, verklaarde terreur af te zweren en riep op tot een internationale vredesconferentie. Daarmee was aan de Amerikaanse voorwaarden voor rechtstreekse onderhandelingen met de PLO voldaan. Deze gingen daarop in Tunis van start. Ze leidden echter tot niets. Shamir weigerde over de bezette gebieden te onderhandelen.  In 1990 verbrak president George Bush onder druk van de pro-Israëlische lobby het contact, nadat een PLO-splintergroep een aanvalspoging tegen Israël ondernam. In de Tweede Golfoorlog koos Arafat de kant van Saddam Hussein. Als gevolg daarvan raakte de PLO in een internationaal isolement. Uit Koeweit werden zo’n 350.000 Palestijnse gastarbeiders verdreven, die voor het merendeel terugkeerden naar Jordanië, een grote financiële klap.[355] Door de belangrijkste donoren (de Golfstaten en Saoedi-Arabië) van zich te vervreemdden, verergerde de organisatie zijn geldproblemen sterk.

            Na de oorlog zocht de regering Bush, die een ‘nieuwe wereldorde’ had beloofd, naar een oplossing voor het Palestijns-Israëlisch conflict. De Arabische bondgenoten van de VS  contrasteerden de interventie ter bevrijding van Koeweit met de consequentieloze internationale veroordeling van de Israëlische bezetting. De VS waren hen een serieuze inspanning verschuldigd. Bovendien was het Palestijnse probleem met de Iraakse raketaanvallen op Israël ook een Amerikaans probleem gebleken. Op 30 oktober 1991 begon te Madrid een internationale vredesconferentie, waar voor het eerst openlijk werd  onderhandeld tussen Israël, Jordanië, Libanon, Syrië (landen die Israël niet erkenden) en Palestijnse afgevaardigden uit bezet gebied (als onderdeel van de Jordaanse delegatie).[356] Tot in de lente van 1993 kwamen de afgezanten meerrmaals bijeen, waarbij de VS zich tegen de nederzettingenpolitiek uitspraken. In 1990 had Israël het grootste nederzettingenprogramma ooit gelanceerd. Israëlische vertragingstactieken aan de onderhandelingstafel leken een dekmantel voor verhevigde kolonisatie: ‘This was de facto annexation, and it was no longer creeping, it was raging.[357] Nadat de Israëlische regering bleef weigeren de bouw te staken, bevroor de VS een leningsgarantie van 10 miljard dollar, die Israël nodig had om honderdduizenden joodse immigranten uit de voormalige USSR te huisvesten. Shamir zwichtte echter niet en bij de verkiezingen in juni 1992 benadrukte Likud de Groot-Israël gedachte. De Arbeiderspartij onder Rabin won overweldigend. Rabin was een ‘havik’ die als defensieminister de intifada bijna vermorzelde, maar hij was pragmatisch en wilde de relaties met de VS herstellen. Hij ‘bevroor’ de bouw van nederzettingen, op 24.000 gestarte wooneenheden en 1.000-2.000 woningen per jaar voor ‘natuurlijke groei’ na (deze gedeeltelijke concessie was van tijdelijke aard). Israël verkreeg daarop de Amerikaanse leningsgarantie. De nieuwe premier verklaarde zich bereid Arabische staatshoofden en PLO-leden te ontmoeten.[358]  

            In de zomer van 1993 werd op de elfde Arabisch-Israëlische onderhandelingsronde in Washington een geheim akkoord openbaar gemaakt. Het voorzag in wederzijdse erkenning tussen Israël en de PLO en het zou tot Palestijnse autonomie in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever moeten leiden. Dit kwam als een volslagen verrassing naast het Madrid-overleg, dat volledig was vastgelopen. Het akkoord was het resultaat van geheime, rechtstreekse onderhandelingen tussen gezanten van Israël en de PLO, die met Noorse bemiddeling in Oslo plaatsvonden.

 

 

Hoofdstuk 2. Nederland, de kwaliteitskranten en het Palestijns-Israëlisch conflict: een korte achtergrond en een theoretisch kader

 

2.1 Een speciale relatie

 

In het diplomatieke verkeer benadrukken Nederland en Israël nog immer de ‘speciale’ onderlinge relatie. Er bestaat een informeel bondgenootschap dat zijn oorsprong vindt in de jaren vijftig, toen er een bijzondere verstandhouding tussen de bevriende, socialistische premiers Drees en Ben-Gurion was. Deze kwam simpelweg neer op: “als je ons nodig hebt, laat dat dan even horen.”[359] Steun aan Israël kon op een breed politiek en maatschappelijk draagvlak rekenen. De holocaust en een schuldgevoel over het Nederlandse oorlogsverleden speelden een belangrijke rol in de loyaliteit aan de joodse staat, die werd geheroïseerd als onverzettelijk klein land temidden van onverzoenlijke vijanden.[360] Iedere zuil vond er iets om zich mee te  vereenzelvigen, zoals het socialisme, de religieuze band met het ‘Verbondsvolk’, of het militaire en economische succes van deze westerse pioniersstaat. In de Koude Oorlog gold Israël bovendien als een betrouwbaar bastion tegen de invloed van de Sovjetunie, in het strategisch zo belangrijke Midden-Oosten.[361]

            De identificatie met het land als ‘één van ons’ was duurzaam. Het kon op politieke steun van Nederland rekenen, voor zover dat binnen EU- en VN-verband mogelijk was. Als trainingspartner en leverancier of doorvoerhaven van oorlogsmaterieel, vervulde Nederland een spilfunctie. Israëlische instructeurs oefenden bijvoorbeeld amfibische aanvallen op de Maas; onmisbare ervaring voor de cruciale oversteek van het Suez-Kanaal in 1973. In tijden van nood vonden aanzienlijke hoeveelheden munitie, wapens en onderdelen hun weg vanuit depots van de krijgsmacht naar Israël. Via Nederland werden vanaf de jaren vijftig diverse wapenembargo’s omzeild. Dergelijke steun was vaak (publiek) geheim, om Nederlandse belangen in Arabische staten niet te schaden, of om wettelijke bepalingen en democratische controle te omzeilen.[362] Een bekend voorbeeld daarvan is de snelle militaire steun die minister van Defensie Vredeling en staatssecretaris Stemerdink in de Oktoberoorlog regelden, buiten kabinet en parlement om. De welgezindheid die tot eind jaren zeventig ten aanzien van Israël domineerde, betekende dat er weinig vragen werden gesteld. Oud-premier (1977-1982) Van Agt, in retrospectief: ‘In de jaren van mijn premierschap heb ik te grif geloofd dat alles wat Israël deed, wel gedaan was. Zoals bijna alle Nederlanders destijds.’[363]

Gebeurtenissen als de Arabische olieboycot van 1973, de controversiële invasie van Libanon en de Palestijnse volksopstand hebben wel tot een politieke verwijdering en nuancering van standpunt geleid. De rechten van Palestijnen en het negeren van VN-resoluties door Israël krijgen sindsdien aandacht en er is kritiek op het Israëlische nederzettingenbeleid. Zo vermeldt de CDA Commissie Buitenland in een standpuntbepaling van 2003 dat de christen-democraten een ‘bijzondere sympathie voor het joodse volk’ koesteren, vanwege de jodenvernietiging, maar dat ‘het onrecht dat het ene volk is aangedaan (…) niet ten koste [mag] gaan van de andere partij, het Palestijnse volk.’[364] Tijdens de Golfoorlogen van 1991 en 2003 functioneerde de samenwerking evenwel als vanouds. De emoties die in de Tweede Kamer oplaaien bij kritiek op Israël die ‘te ver’ gaat, laten zien hoezeer de verbondenheid de vraagtekens nog altijd overstijgt. El Al heeft een vrij autonome positie op Schiphol behouden, de Bijlmerramp ten spijt.[365] Economisch zijn de banden sterk: in 2005 was Nederland met een bilaterale handelsbalans van 1,58 miljard dollar de derde grootste handelspartner van Israël.[366]

            De Nederlandse betrokkenheid houdt in dat de positie van de Nederlandse media niet die van een afzijdige toeschouwer is. Politiek, publieke opinie en beeldvorming door de pers hebben invloed op elkaar, met tastbare gevolgen. Niet alleen voor Nederland, ook voor het Palestijns-Israëlisch conflict zelf. Nederland speelt daarin immers een actieve rol. Berichtgeving over het conflict is maatschappelijk relevant en politiek beladen. De strijd wordt ook in Nederland uitgevochten, getuige de actie- en lobbygroepen die beeld- en besluitvorming  trachten te beïnvloeden. Zo vervult het Centrum voor Informatie en Documentatie over Israël sinds 1974 een zionistische ‘waakhondfunctie’ ten opzichte van de pers. Daarbij weet het zich doorgaans een betere mediatoegang te verschaffen dan zijn tegenspeler, het Nederlands Palestina Komitee, dat in 1969 uit ‘solidariteit met het Palestijnse volk’ werd opgericht. De veranderende bevolkingssamenstelling voegt een nieuwe dimensie toe aan de communicatiestrijd. Voor leden van sommige bevolkingsgroepen - joden, moslims, Arabieren - is het conflict een ijkpunt waaraan zij hun eigen positie relateren: ‘Veel Marokkanen voelen zich in Nederland als Palestijnen in Israël.’[367] In 2001 ontstond naar aanleiding van de Al Aqsa intifada Een Ander Joods Geluid, dat naleving van VN-resoluties, eerbiediging van mensenrechten en terugtrekking naar de grenzen van 1967 door Israël bepleit. De groep stelt daarmee onder joodse Nederlanders een taboe te doorbreken.

 

 

2.2 Een speciale verslaggeving

 

De speciale relatie tussen beide landen komt tot uitdrukking in een speciale traditie in de Nederlandse pers. Er is bijzondere aandacht en sympathie voor Israël. De keuzes bij de aanstelling van correspondenten maken het laatste bijna vanzelfsprekend. Vanaf het begin is de berichtgeving voor een groot deel overgelaten aan (geëmigreerde) Nederlandse joden.[368] Nieuwsgaring aan Arabische zijde was voor hen nauwelijks mogelijk; hun afkomst maakte ze tot ‘de vijand’. Dat politieke voorkeur de berichtgeving fundamenteel beïnvloedde, mag geen wonder heten. Het Palestijnse vluchtelingenvraagstuk is daarvan een goed voorbeeld. Nederlandse lezers worden er de eerste decennia nauwelijks over geïnformeerd. Het publiek zat destijds ook zeker niet op dergelijk nieuws te wachten: ‘De correspondenten komen ermee weg, omdat ook de niet-joodse Nederlandse  lezers sympathie koesteren voor het kleine, door vijanden omringde Israël.’[369] De serie oorlogen die het land uitvecht, wordt decennialang vanuit die optiek belicht. Jaap van Meekren (1923-1997), 18 jaar lang  presentator/eindredacteur van actualiteitenrubriek Televizier: “De eerste 35 jaar (...) was de Nederlandse verslaggeving zonder enig voorbehoud pro-Israëlisch. Alles wat die Arabieren deden was mis.”[370] 

            Aanvankelijk kenmerkte de Nederlandse opstelling zich nog door terughoudendheid. Ten tijde van Israël’s ontstaansstrijd was het de naoorlogse wederopbouw die telde. Het behoud van het eigen koloniale rijk werd daarbij als een vitaal belang ervaren. ‘Indië verloren, rampspoed geboren’, heette het spreek-woordelijk. De regering hield rekening met de Indonesische moslimbevolking, die geacht werd met de Palestijnen te sympathiseren. Nederland was dan ook een van de laatste Europese landen die Israël erkende, op 16 januari 1950. Indonesië was inmiddels onafhankelijk en premier Hatta had te kennen gegeven geen bezwaar te maken. De kranten volgden deze voorzichtige koers na. Wegens gebrek aan geld en zelfs papier was de ruimte voor buitenlands nieuws toch al beperkt. De enige Nederlandse verslaggever in het gebied was Henriëtte Boas, geëmigreerd uit zionistische overtuiging en werkzaam voor het Amerikaanse United Press.[371] De berichtgeving over de eerste Arabisch-Israëlische oorlog berust dan ook grotendeels op buitenlandse bronnen. De algemene teneur doet paternalistisch aan. Het mislukken van het verdelingsplan wordt betreurd: konden beide volkeren maar verstandiger zijn. Het Israëlische militaire optreden dwingt echter respect af. Het beeld dat uiteindelijk overheerst is dat van David die Goliath overwint.[372]

            Gedurende de Suez-oorlog van 1956 zet de positieve toon ten aanzien van het Israëlische kunnen door. Een gevoel van respect en saamhorigheid uit zich in de beeldvorming tijdens deze periode, waarin op politiek gebied het bondgenootschap groeit. De Israëlische militaire superioriteit wordt afgezet tegen de ‘lafheid’ van de Egyptenaren. De buitenlandcorrespondentie getuigt van een amateuristische goed-gelovigheid. Zo worden propagandaverhalen over Arabieren die hun schoenen uitgooien om sneller te kunnen vluchten, klakkeloos overgenomen. In werkelijkheid was krijgsgevangenen hun schoeisel afgenomen om ze het ontsnappen over het hete zand te bemoeilijken.[373]

            Tijdens de Zesdaagse Oorlog vindt er een geweldige politieke en maatschappelijke mobilisatie ten gunste van de Israëlische strijd plaats. Net als in Israël leefde de angst dat er een nieuwe holocaust voor de  deur stond, dat de joden ‘in zee gedreven’ zouden worden.[374] De hysterische bewoordingen waarmee de Jordaanse, Syrische en Egyptische radio de vernietiging van de joodse staat in het vooruitzicht stelde, riep in Europa associaties met nazi-Duitsland op. Het gebruik van gifgas door Nassers expeditieleger in Jemen sloot daar wel zeer ongelukkig bij aan. Nederland verklaart zich dan ook onomwonden solidair en levert militaire voorraden. Er vertrekken vrijwilligers naar Israël om tijdens de mobilisatie de economie draaiende te houden. Burgercomités organiseren steunmarsen en zamelen geld in. De Nederlandse Zionistenbond richt de (nog steeds bestaande) stichting Collectieve Israël Actie op, die 18 miljoen gulden bijeenbrengt. Oud-verzetskrant Het Parool kiest actief partij, met een eigen inzamelingsactie van 135.000 gulden. Het uitgangspunt van de pers is dat van Israël als een vriend die men op zijn woord gelooft. Journalisten worden opgenomen door de propagandamachine van het Israëlische leger en brengen gezagsgetrouw verslag uit van georkestreerde excursies en officiële frontverslagen. Het kleine Israël blinkt in de beschrijvingen uit door moed, vaardigheid en rechtschapenheid.[375]

            De Nieuwe Rotterdamse Courant publiceert op de voorpagina een sympathiebetuiging, die de ‘speciale relatie’ treffend samenvat: ‘Aan alle  kanten wordt Israël nu aangevallen. Verbeten en bekwaam slaat dit kleine land midden in de vijandige Arabische wereld van zich af. (...) Het Nederlandse volk reageert, heftig zelfs. (...) dit afgezien nog van de sympathie die Israël in Nederland vanouds en als het ware van nature geniet. (...)  Als Israël’s moed en vaardigheid blijvend succes zullen hebben, zal op den duur heel de wereld dank verschuldigd zijn aan dat kleine land in zijn schier onmogelijke positie.’[376] In De Volkskrant is het centrale interpretatiekader dat van een kwetsbaar staatje, dat verdedigbare grenzen verlangt en de veroverde gebiedsdelen alleen zal afstaan in ruil voor duurzame vrede. De opvatting van  een Israëlische officier dat alleen “biologische veranderingen” of het “wegvagen” van “2000 jaar geschiedenis” zo’n vrede mogelijk zullen maken, vindt in die context zelfs onweersproken zijn weg naar de krantenkolommen.[377]  

            De trend is hiermee gezet. Tijdens de voor Israël catastrofale openingsdagen van de Oktoberoorlog gaan de kranten alvast uit van de westerse militaire superioriteit. Zij maken gewag van fictieve overwinningen. Terwijl Egyptenaren de Bar Lev linie oprollen en Syrische tanks bijna doorbreken naar Galilea, wordt er geschreven over afgesneden Arabische legers. De Israëlische luchtmacht, die zware verliezen lijdt, wordt heer en meester van het luchtruim geacht. Salomon Bouman, ruim 30 jaar Israël- correspondent voor onder andere NRC Handelsblad (hierna: NRC): “In mijn naïviteit dacht ik dat we door de legerleiding niet bedonderd werden. We konden ons niet voorstellen dat het mis kon gaan.”[378] Zodra het leger de ernst van de situatie niet meer kan verhullen, doet de twijfel echter zijn intrede. Drie dagen na het losbarsten van de strijd meldt Trouw zijn lezers dat de geplande reis naar Israël (voor abonnees) wellicht niet doorgaat.[379] Een dag later volgt het nieuws dat Israël niet meer in een snelle overwinning gelooft. De krant zelf is optimistischer, ze oppert de mogelijkheid dat de tegenslagen in werkelijkheid een Israëlische krijgslist vormen.[380] Naarmate de strijd voortduurt, verschuift het accent naar de Nederlandse solidariteit, inclusief vermelding van gironummers van de Collectieve Israël Actie. Haagsche Courant-redacteur Albert Schol: “Objectief zijn was toen onmogelijk. Het was autistisch gedrag. Israël had altijd gelijk. Punt uit.”[381] 

            Toch was de solidariteit niet zo onvoorwaardelijk als ze leek. Het gelijk van Israël mocht dan wel een vanzelfsprekendheid zijn, het gelijk van de regering in het trotseren van een Arabische olieboycot was dat niet. Van rechtse zijde krijgt het kabinet het verwijt niet diplomatiek genoeg te zijn opgetreden. NRC, Het Parool en het Financieel Dagblad stellen in hun commentaren dat Nederland zich met zijn scherpe partijkeuze onnodig tot doelwit heeft gemaakt voor een machtsdemonstratie door de OPEC. Hoewel de economische schade minimaal is, maakt de olieboycot met zijn autoloze zondagen wel indruk. Martin van Amerongen in Vrij Nederland: ‘(...) de ‘Wij staan achter Israël’ sentimenten van een niet onaanzienlijk deel van de Nederlandse publieke opinie word[en] bepaald door de regelknop van de centrale verwarming.’[382] Op militair gebied is de episode een schok, die de beeldvorming wijzigt: ‘Een militaire mythe is aan flarden. Die van de laffe, vluchtende Arabier.’[383] Het Arabische perspectief krijgt na deze crisis meer aandacht. De golf van vliegtuigkapingen, gijzelingen en aanslagen door Palestijnse commando’s in de jaren zeventig, heeft dat effect eveneens, al is het op een negatieve manier. Enerzijds stigmatiseert het Palestijnen als terroristen, anderzijds zet het hun zaak op het wereldtoneel centraal.

            In de jaren tachtig zetten de scheuren in het metselwerk van onvoorwaardelijke solidariteit door, zij het zonder in een daadwerkelijke breuk uit te monden. De stationering van Nederlandse UNIFIL-militairen in zuid-Libanon (1979-1986) verstoorde de verhoudingen al enigszins. De waarnemers waren getuige van oorlogsmisdaden en doelwit van ‘pesterijen’. De Nederlandse ‘pottekijkers’ werden bij hun gang naar de latrine regelmatig begeleid door kogels van Israëlische sluipschutters. ‘We stuurden elk jaar achthonderd pro-Israëlische Nederlanders naar Libanon, en er kwamen achthonderd anti-Israël gezinden terug.’[384] Het is echter de invasie tot in west-Beiroet, die voor een echte verschuiving zorgt. De Nederlandse regering en doorsnee opinie distantiëren zich in de Libanonoorlog nadrukkelijk van de Israëlische Likud. Een absoluut dieptepunt daarbij is de massamoord op Palestijnse burgers in Sabra en Shatila. Ronald Reagan dreigt met sancties en spreekt zijn ‘weerzin en woede’ uit. De zeer Israël-gezinde Joop den Uyl is zo van streek, dat hij de Nederlandse ambassadeur uit Tel Aviv wil terugroepen.

            De Nederlandse kranten reageren kritisch. Zoals Paul Brill zich namens de redactie buitenland van De Volkskrant afvraagt: ‘Laten we het voor het gemak eens niet over ethiek hebben (...) maar gewoon over politiek. Wat heeft het trio Begin-Shamir-Sharon bereikt?’ Hij beantwoordt deze vraag met een reeks negatieve gevolgen van hun beleid voor Israël. In de slotsom komt politieke vervreemding naar voren. ‘Rest de vraag: hoe is het mogelijk dat de heren (...) zich nog weten te handhaven? Maar die vraag laat zich misschien niet beantwoorden aan de hand van westerse politieke logica.’ Voor de PLO is het een publicitaire overwinning:  ‘Niettemin konden Arafat en de zijnen met opgeheven hoofd Beiroet verlaten (...) in een golf van sympathie en erkenning.’[385] De Volkskrant sluit zich met zijn stellingname bij de Israëlische oppositie aan. De links-intellectuele krant Ha’aretz vormt een belangrijke bron voor de berichtgeving. Vanuit Beiroet verslaat eigen correspondent Jan van Keulen van 1980 tot 1985 het conflict voor het eerst structureel vanaf de Arabische kant. Bij de aanvaarding van de Prijs voor de Dagbladjournalistiek in 1984 stelt hij dat er weinig aandacht is voor het Palestijnse vluchtelingenprobleem.

            In Trouw keert de Tweede Wereldoorlog als moreel referentiekader zich nu tegen Israël zelf. Een spotprent toont Sharon, gezeten in de koepel van een tank met Davidsster. Begin staat ervoor. Erachter ligt een grote plas bloed. Op het achterdek zitten twee duistere figuren met rokende machinegeweren en het opschrift ‘christelijke milities.’ De beide oorlogsleiders hebben de armen stoer gekruist en claimen als uit één mond: ‘Wij hebben dit niet (op ons) geweten!’[386] Een niet mis te verstane referentie aan het naoorlogse ‘Wir haben es nicht gewusst!’ Israël krijgt ervan langs met het eigen slachtofferschap: ‘Dan spreken we van oorlogsmisdaden, net zoals toen in de Tweede Wereldoorlog Joden in concentratiekampen werden vermoord. (...) Israël weet uit ervaring wat het betekent als het beest in de mens wordt vrijgelaten.’[387]

            De intifada betekent een nieuwe blamage voor het Israëlische imago. De repressie door leger en geheime dienst slaagt er de eerste jaren niet in de opstand te breken, maar kost wel veel ‘goodwill’. Gezien de Israëlische overmacht is de opstand in sterke mate een mediastrijd. Zoals een Israëlische legerwoord-voerder stelt: “The battle for the media and the battle on the ground during the intifada are closely integrated. (...) it is not the amount of force which determines the outcome of battle (...) clearly the media plays a very important role.”[388] Ondanks strikte censuur, goede banden met de pers en deskundige propagandadiensten, raakt Israël de controle over de internationale beeldvorming voor een belangrijk deel kwijt. Bumperstickers met ‘Waak voor de vijandige pers’ worden er populair.[389] Alleen in eigen land slaagt de Israëlische overheid er grotendeels in om de opstand als een ‘law and order’ probleem voor te stellen. Beelden van soldaten die op burgers schieten en op bevel de ledematen van stenengooiers breken, zorgen er in het buitenland voor dat de bewoners van bezet gebied in de slachtofferrol figureren. In plaats van stilzwijgend geannexeerde wingebieden blijkt Israël de scepter over een politiek en moreel wespennest te zwaaien. De intifada plaatst de bezetting op de internationale agenda. Daar komt nog eens bij dat de erkenning van Israël door de PLO in 1988 deze organisatie meer ‘salonfähig’ maakt in het westen.

            De verschuivingen in beeldvorming betekenen echter niet dat de speciale verslaggevingstraditie  verdwenen is. Het buitenlandcorrespondentschap in het Midden-Oosten stond bij aanvang van het ‘Oslo-tijdperk’ nog altijd sterk onder Israëlische invloed. Zoals Van Keulen het in 1994 stelde: “Nederland is pro-Israëlisch en daardoor zijn de kranten pro-Israëlisch.”[390] In haar afstudeeronderzoek op basis van in februari-juli 1994 gehouden interviews met de vaste Nederlandse televisie- en dagbladcorrespondenten, trok Jacqueline de Bruijn de conclusie dat deze door hun sociale achtergrond en leefomstandigheden het conflict vanuit Israëlisch perspectief belichtten. Allen woonden in Israël, waren joods staatsburger of hadden een Israëlische partner. De bronnen die zij naast de persbureaus voor hun werk gebruikten waren voornamelijk de Israëlische media, het leger en woordvoerders van Israëlische of Palestijnse instanties. Door gebrek aan  beheersing van het Arabisch en hun perceptie van een hoog veiligheidsrisico, begaven zij zich zelden in bezet gebied, daarbij altijd vergezeld door een tolk annex gids.[391] Een dergelijke ‘fixer’ speelt uiteraard in op de nieuwsmarkt en kent zijn eigen loyaliteiten. Volgens de Israëlische onderzoeker Wolfsfeld kostte het journalisten gewoonlijk echter weinig moeite om zelf informatie uit bezet gebied te vergaren: ‘Journalists  can  normally take an Arab taxi (...). Israeli authorities were reluctant to seal off completely the territories [for] fear that the news agencies would then supply the Palestinians with video cameras.’[392] De Bruijn: ‘Zowel in de Gazastrook als op de Westelijke Jordaanoever kun je overal heel goedkoop en met de taxi komen. (…) Het blijkt echter dat de correspondenten ondanks de vele jaren van verblijf niet op de hoogte zijn van deze situatie.’[393] Nederlandse verslaggevers vertrouwden er op zich voornamelijk vanuit hun standplaats in Israël een relevant beeld te kunnen vormen. Naast praktische redenen, gaven zij als motivatie voor die keuze dat het publiek vooral geïnteresseerd was in het effect van het conflict op Israël.

            RTL-Nieuws-correspondent Conny Mus stelt in 2001 vast: “In mijn vijftien jaar hier heb ik negen van de tien Nederlandse collega’s hun werk vanuit een kantoortje thuis zien doen.” Het feit dat journalisten als Bouman, Rosenthal, Werkman, Meijers, Bloemendal  en Kupferschmidt kinderen in het Israëlische leger hebben, compliceert volgens hem de berichtgeving: “Om te bewijzen dat ze objectief zijn, gaan ze overcompenseren met anti-zionistische verslaggeving.  Ze lopen bijvoorbeeld mee in demonstraties van de Vrede Nu-beweging en schrijven daar dus onevenredig veel over. Gevolg is dat je opnieuw een eenzijdig politiek Israëlisch beeld krijgt. Linkser dan de werkelijkheid. Rechtse kolonisten, die veel invloed hebben, blijven onderbelicht.”[394]

            De Bruyn stelt wel dat Nederlandse media met het aantreden van een Likud-regering in 1996 kritischer van toon zijn geworden. De nieuwe premier Netanyahu was een uitgesproken tegenstander van de Oslo-akkoorden en traineerde de uitvoering ervan zoveel mogelijk. Dat viel slecht bij de pers. De bevindingen van Nathalie Hutten, die de berichtgeving in Franse en Nederlandse kranten tijdens de regering Rabin vergeleek met die tijdens Netanyahu, bevestigen deze trend. Haar onderzoek richtte zich op koptitels, woordkeuze en stijlmiddelen, met als conclusie dat in De Volkskrant, NRC en de Telegraaf een pro-Israëlische houding doorschemerde, die onder Netanyahu verminderde.[395]

 

 

2.3 Paradigmaverschuiving?

 

Anja Meulenbelt is van mening dat na de machtsovername door Sharon en het uitbreken van een nieuwe intifada, de houding van de Nederlandse media nog verder veranderd is. Deze politica en activiste werkt voor een stichting in de Gazastrook die Palestijnse weeskinderen opvangt. Zij maakt een grofmazige onderverdeling van de berichtgeving in drie paradigma’s.[396] Het eerste daarvan overheerste decennialang en luidde dat Israël de overlevenden van de holocaust bescherming bood, waarbij het land met voortdurende Arabische agressie worstelde. De kern van het probleem bestaat in deze zienswijze uit jodenhaat, revanchisme en de weigering Israël te erkennen. Arabieren worden er veelal in gestereotypeerd met negatieve wezenskenmerken, die aan Edward Said’s concept van het ‘oriëntalisme’ doen denken, zoals primitief, irrationeel, onbetrouwbaar en gewelddadig. Dit is een bij uitstek historisch geworteld paradigma, met de holocaust en zionistische geschiedenisversies als referentiekader.

            Een tweede, meer contemporain paradigma heeft echter terrein gewonnen: dat van ‘waar er twee vechten, hebben er twee schuld’. In deze visie komt de haat van twee kanten en is de kern van het probleem dat beide volkeren compromisloos in hun strijd om hetzelfde grondgebied volharden. Van daaruit krijgt dan eens de ene, dan de andere partij een gunstige pers, afhankelijk van wie er op dat moment als ‘dwarsligger’ wordt ervaren. Dit uitgangspunt is aantrekkelijk, aangezien het goed lijkt aan te sluiten bij het journalistieke principe van hoor en wederhoor. Daarmee wekt het de indruk van een zo groot mogelijke objectiviteit. Toch houdt ook dit paradigma een (onbedoelde) politieke stellingname in. Het impliceert dat er sprake is van symmetrie tussen beide partijen, terwijl een grote machtsongelijkheid kenmerkend is voor het conflict. Een burgerbevolking en pover bewapende politieke facties staan tegenover een regionale grootmacht, gesteund door een supermacht. De strijd om het grondgebied is reeds lang in het voordeel van één van beide partijen beslist. Er vindt een kolonisatieproces plaats waarmee het bezette gebied fysiek wordt ingelijfd. Israël kan Palestijnen hun vrijheid, werk, woning, water, voorzieningen of toegang tot medische hulp ontnemen. Een systeem van controleposten, alleen voor kolonisten en militairen toegankelijke wegen, pasjes, avondklokken, uitgaansverboden, spergebieden en collectieve straffen controleert het leven van alledag. In zoverre er enige symmetrie bestaat, is deze beperkt tot het gebruik van geweld tegen burgerdoelen. De ‘emotionele balans’ van wraak en wederwraak haalt met het ‘evenwichtigheidsparadigma’ als uitgangspunt sneller de kranten dan de politieke, economische en militaire ongelijkheid. Wat betreft stijl betekent deze invalshoek dat er veel abstracte termen worden gebruikt, waaraan geen directe actor is verbonden, zoals ‘het geweld neemt toe’, na een ‘periode van rust’ (als betrof het een soort natuurverschijnsel).

            Het derde paradigma heeft met het eerste een sterk historisch bewustzijn gemeen, maar vanuit een geschiedenisvisie die er bijna lijnrecht tegenover staat. Het ziet de koloniale wording van de joodse staat ten koste van Palestijnen als de uiteindelijke oorzaak van het conflict, met als hedendaagse kern de bezetting en voortschrijdende kolonisering, de discriminatie van Palestijnen in Israël zelf en de Israëlische weigering verantwoording te erkennen voor het vluchtelingenvraagstuk. Deze invalshoek vertegenwoordigt een minderheidsvisie, die echter niet langer taboe is. Zo stelt Marcel van Dam in De Volkskrant dat de Palestijnen met het plegen van verzet in hun recht staan, terwijl Israël disproportioneel geweld inzet om een onwettige situatie in stand te houden.[397]

            De aan het Clingendael Instituut verbonden arabist en jurist Maurits Berger wijst erop dat ‘zelfs de meest intensieve krantenlezer (…) totaal onvoorbereid [is] als hij de twee volkeren met een bezoek vereert.’[398] Zijn ervaring is dat journalisten, beleidsmedewerkers en toeristen nogal eens ‘radicaliseren’ in hun beeldvorming ten nadele van de Israëli’s, zeker indien zij Palestijns gebied aandoen. Zijn collega Alfred Pijpers stelt dat de pro-Israëlische gezindheid onder Nederlanders de laatste jaren aanzienlijk is afgenomen.[399] Een opmerkelijke illustratie daarvan is wel de radicale ommezwaai van oud-premier Van Agt, die de publiciteit zocht om zijn afkeuring over de Israëlische bezettingspolitiek uit te spreken. Hij schuwde daarbij een vergelijking met het Nederlandse equivalent niet: ‘Veertig jaar bezetting! Dat is ácht maal vijf, mensen!’ De pers kreeg er ook van langs: ‘Sinds wanneer is het een bezet volk niet meer toegestaan zich met geweld te verzetten tegen een bezettingsleger? Palestijnse geweldsdaden worden altijd als terrorisme afgeschilderd, de daden van het Israëlische leger nooit.’[400]

            Dat er een verandering gaande is, valt ook op te maken uit de polemiek van internetsites als die van Waarnet en Likud Nederland. Pro-Israëlische groepen en publicisten trekken ten strijde tegen de in hun ogen toenemende ‘pro-Palestijnse media bias’, zoals de pressiegroep CAMERA dat al langer doet in de Verenigde Staten. Een groep Europarlementariërs en nationale politici heeft zich in september 2006 georganiseerd als Europese Vrienden van Israël, om de houding en het beleid van de EU ten gunste van Israël te beïnvloeden.[401] De steun aan de joodse staat is blijkbaar niet zo vanzelfsprekend meer. Vertogen door voorvechters en diplomatieke vertegenwoordigers van Israël over het ‘nieuwe antisemitisme’ dat aan de kritische houding van de EU ten grondslag zou liggen, wijzen daar ook op. Ik zou dan ook en passant nog een ander paradigma willen noemen, dat van het antisemitische, antiwesterse interpretatiekader. Dit is grotendeels een ‘spookparadigma’, dat in Nederland een marginaal bestaan leidt onder groeperingen zoals de Arabisch-Europese Liga. Zijn weg naar de pers heeft het hooguit als curiositeit gevonden. Aanhangers van het eerste paradigma schrijven het echter vaak aan hun tegenstanders toe.

            In hoeverre deze paradigma’s in de berichtgeving terug te vinden zijn, zal inhoudsanalyse moeten uitwijzen. Zij vormen in ieder geval een logisch drieluik: ten opzichte van een conflict zijn uiteindelijk alle houdingen te verdelen in ‘neutraal’, ‘voor de één’, of ‘voor de ander’. Waarbij ‘neutraal’ in dit geval het aan de winnaar laten van het strijdperk en het de facto legitimeren van een bezetting betekent. De vraag naar impliciete en expliciete partijkeuze in de berichtgeving is in het geval van Nederland en het Palestijns-Israëlisch conflict van evident belang. Uit praktische overwegingen houd ik de termen ‘pro-Israëlisch’, ‘pro-Palestijns’ en ‘evenwichtigheidsparadigma’ aan, tussen nadrukkelijke aanhalingstekens.

 

 

2.4 De kwaliteitskranten

 

Tenzij Nederlanders buitensporig veel vis verpakken, kunnen zij met recht een krantenlezende natie genoemd worden. Wat betreft ‘krantendichtheid’ per inwoner was Nederland in 1995 vierde op de wereldranglijst.[402] In combinatie met de televisie vormt de krant dan ook de belangrijkste informatiebron over wat er in de wereld gebeurt, hoewel dat dankzij internet en persoonlijke ervaring of studie niet in alle gevallen opgaat. Er is daarbij een samenspel tussen beide mediavormen. Televisiejournalisten beschouwen toonaangevende dagbladen als onmisbare aangevers van onderwerpen en achtergronden: “(…) een toetssteen (…) zitten we op de goede lijn en wat zijn de dingen die spelen. (...) NRC, Volkskrant, Trouw hebben analyses geschreven door verstandige mensen vanuit de NL’se optiek.”[403] Voor de onderzoeker, op zijn beurt, vormen kranten een bijzonder goed toegankelijke historische bron. Zij fungeren als een ‘maatschappelijk memo’ waarin politieke en sociale ontwikkelingen zijn opgetekend.[404]

            Dit onderzoek beperkt zich tot NRC en Trouw, de twee dagbladen die samen met De Volkskrant als de nationale kwaliteitskranten worden aangemerkt.[405] Alledrie worden zij verspreid door uitgeefconcern PCM. Deze ‘persconcentratie’ is het gevolg van ontzuiling en het teruglopen van het totale lezerspubliek (dankzij concurrentie van beeldbuis en beeldscherm). Uit praktisch oogpunt is De Volkskrant niet meegenomen in de analyse. De jaargangen 1993 en 1994 zijn enkel als microfilmarchief te raadplegen, terwijl van beide andere kranten de integrale tekst beschikbaar is via de database van zoeksysteem Lexis Nexis. Met het oog op de grote hoeveelheid te onderzoeken materiaal, maakt deze keuze een gedetailleerder onderzoek mogelijk. Ze is daarnaast gerechtvaardigd omdat er binnen de kwaliteitskranten geen fundamentele verschillen in de beeldvorming over het conflict bestaan, ofschoon er per krant wel andere accenten worden gelegd. Mijn onderzoek richt zich echter niet op de indentiteitsverschillen die tussen de dagbladen onderling bestaan, maar op de perspectieven die het kwaliteitssegment in het algemeen op het conflict biedt. Over het derde kwartaal van 2005 hadden NRC en Trouw een oplage van respectievelijk 226.798 en 94.237 exemplaren (zoals geregistreerd door Het Oplage Instituut). Voor De Volkskrant was dat 268.528. De grote zogeheten ‘populaire bladen’, Telegraaf en Algemeen Dagblad, bedienden in dezelfde periode tweemaal zoveel lezers, met hun oplagecijfers van 710.420 en 555.000. Deze dagbladen onderscheiden zich van de kwaliteitsbladen door hun meer op verstrooiing en sensatie gerichte inhoud en stijl. De lezerskring bevindt zich voor driekwart in de lagere sociaal-economische klassen. Van de totale binnenlandse markt werd in 1996 55,6% bediend door 12 regionale dagbladen met een oplage van meer dan 100.000 exemplaren. Hun rol is dan ook niet te veronachtzamen. Zo is het dagblad De Limburger in zijn verspreidingsgebied wellicht meer beeldbepalend dan de ‘grote kranten’, met een oplage van 197.125 in datzelfde jaar.[406]

            Gezien het kwantitatieve overwicht van beide laatste dagbladcategorieën, verdient mijn keuze enige toelichting. Om het onderzoeksmateriaal tot een hanteerbare omvang te beperken, was het selecteren van een enkele soort krant vereist. De keuze voor landelijke dagbladen berust op de aanname dat zij de berichtgeving op het gebied van de internationale politiek domineren. Zij beschikken bovendien over meer eigen correspondenten in het buitenland. Een praktische overweging is hun geringere aantal. Een selectie uit de talrijke regionale bladen zou tamelijk arbitrair zijn. De keuze voor kwaliteitsbladen berust allereerst op hun circulatie in de politiek-maatschappelijke elite en de wisselwerking met diezelfde elite. Vanwege hun kwaliteit en status nemen zij een voorrangspositie in bij het informeren en bekritiseren van de ‘hogere kringen’. Zij vertegenwoordigen deze echter ook en zijn voor informatie deels afhankelijk van de politieke en economische top. De versmelting van pro-Israëlische politiek en pro-Israëlische verslaggeving in het verleden is een sprekend voorbeeld van deze interactie. Hierbij moet wel gezegd worden dat ook een populair blad als de Telegraaf bij menig politicus of topbestuurder op het bureau ligt. De kwaliteitsbladen zijn echter interessanter, omdat zij de hoogste kwaliteitsstandaard nastreven. Zij gelden als het meest objectief. Het wereldbeeld dat in de artikelen naar de lezer wordt uitgedragen zegt daarmee des te meer.

            De kwaliteitskranten hebben gemeenschappelijke journalistieke beroepsnormen, maar werken vanuit een duidelijke eigen signatuur. NRC bekent zich met zijn motto ‘Lux et Libertas’ (‘Licht en Vrijheid’) tot de westerse verlichtingsidealen, vanuit een liberaal engagement. Dit middagblad verschijnt vanaf oktober 1970 en komt voort uit een fusie tussen het Algemeen Handelsblad (1828) en de Nieuwe Rotterdamse Courant (1844). De doelgroep bestaat uit intellectuelen of, zoals de eigen beginselverklaring het uitdrukt, een ‘publiek dat bereid is na te denken’. Het blad wordt ook door zijn concurrenten als het meest elitair beschouwd. Zoals een redactielid van De Volkskrant het typeert: “gouvernementeel, het kaderblad van de macht.”[407] Verslaggever Toine Heijmans (De Volkskrant) noemt het topblad “autoriteitgebonden”: “dat ze bijvoorbeeld pro-Israël zijn, spat dan aan alle kanten eraf.”[408] Een terloopse illustratie, die boekdelen spreekt over de relatie Nederland-Israël, macht en beeldvorming.

            Trouw ontstond in 1943 als protestants-christelijke verzetskrant en komt sinds de oorlog als ochtendblad uit. Onder invloed van de ontzuiling heeft het een geleidelijke transformatie doorgemaakt, van spreekbuis van de gereformeerde Anti-Revolutionaire Partij tot een links georiënteerd blad.[409] Het onderscheidt zich van zijn vakbroeders door zijn christelijke identiteit en de ruimte die er is voor religieus geïnspireerde wereldbeschouwing. Het conflict in het ‘Beloofde Land’ figureert geregeld in de katerns ‘Religie en Filosofie’ of  ‘De Verdieping’.

Door een proces van ontzuiling, marktwerking en professionalisering, zijn de dagbladen overigens steeds meer op elkaar gaan lijken. De pluriformiteit binnen de krant zelf is daarentegen juist meegegroeid met die van het lezerspubliek. Eind jaren negentig had de combinatie van beide ontwikkelingen in Trouw (en De Volkskrant) zelfs een tijdelijke ‘identiteitscrisis’ tot gevolg.[410] De algemene positie van de onderzochte dagbladen is in mijn invalshoek in ieder geval gelijk: kwalitatief hoog geschatte nieuwsbrengers, vertegenwoordigers van de historische relatie Nederland-Israël en zijn even kleurrijke als gekleurde perstraditie. Hun respectievelijke signatuur zal daarbij zeker een stempel drukken op de berichtgeving, al is het onderscheid lang niet meer zo scherp als in verzuilde tijden.

            Voor een adequate analyse van de berichtgeving, is meer nodig dan kennis van de geschiedenis van het conflict en die van Nederland en de pers op dat gebied. Beeldvorming is uiteindelijk ‘in the eye of the beholder’. Het is dan ook zaak het eigen analytisch vertrekpunt goed te onderbouwen bij het bestuderen ervan. De keuzemogelijkheid is groot: ‘Any effort to create a comprehensive “master approach” to foreign reporting is inevitably doomed, as the written, oral or visual texts of foreign reporting can be related to literally all social sciences and arts.’[411] Gelukkig zijn er een aantal veel gebruikte theorieën en begrippen uit de communicatiewetenschap, sociologie, psychologie en antropologie, die onderling goed te combineren zijn en zich lenen voor ‘historisch handwerk’.

 

 

2.5 Nieuws en beeldvorming: van sluis tot frame

 

Dagbladen fungeren als ‘sluiswachter’ tussen hun publiek en de buitenwereld. Zij beheren een informatiekanaal en bepalen wat erdoor komt. Materiaal is afkomstig van persagentschappen, eigen personeel en allerlei organisaties of individuen (van officiële persberichten tot ingezonden brieven). Daarnaast worden gericht opinies verzameld, bijvoorbeeld van beleidsmakers, deskundigen of ‘gewone burgers’. Deze informatie wordt gefilterd en bewerkt tot krantklaar nieuws. Het ‘water’ stroomt echter niet zomaar de ‘sluis’ binnen. Nieuws vergaren betekent nieuws maken: ‘It is the journalists who have to make the news by talking about it. (...) the news is no set of events, it is the journalist’s reactions to them.’[412] De realiteit klopt natuurlijk niet dagelijks op de deur van de redactiekamer in de gedaante van objectieve nieuwsfeiten die toevallig precies een krant vullen. Er wordt geselecteerd, geïnterpreteerd, geformuleerd, becommentarieerd en gerangschikt. Opvattingen over hoe de wereld in elkaar steekt en wat belangrijk is, bepalen de ‘items’ en ‘issues’. Het  nieuws komt tot stand via een bedrijfsproces, dat aan economische, sociale, culturele, organisatorische, professionele en ideologische wetten onderhevig is. Het is uiteindelijk de redactie die bepalend is voor vorm en aard van de berichtgeving.

            Het benoemen en verspreiden van nieuws maakt media tot agendabepalers: “De massamedia zijn misschien niet in staat te bepalen wat we denken maar ze kunnen wel degelijk bepalen waarover we denken.”[413] Er gelden daarbij beperkingen. Een blad dat onderwerpen en invalshoeken probeert te slijten die geen weerklank vinden, verkoopt niet. Bovendien stellen beroepscodes grenzen aan de subjectiviteit van de verslaggeving. Kranten onderschrijven wel openlijk bepaalde ideologische uitgangspunten en hebben er ongemerkt nog vele meer. Zij maken deel uit van een informatienetwerk waarin andere krachten gelden dan alleen maar een idealistisch objectiviteitsstreven: ‘Assumed beliefs and opinions of both powerful news actors (sources) and the public determine agendas for topics and issues and the ideological orientation of the opinions formulated or implied by selection and treatment of stories.’[414]  Het gaat dan ook meer om het ‘vertolken’ van de ‘juiste’ agenda’s, dan het eigenmachtig bepalen ervan. ‘Journalistieke media-inhoud is te beschouwen als een verzameling (...) werkelijkheidsdefinities, die niet alleen door journalisten zijn geformuleerd.’[415] Bij het invullen en uitwerken van nieuwsagenda’s keren een aantal elementen steeds terug. Deze staan in de communicatiewetenschap bekend als de nieuwswaardefactoren.[416] Ik zal de meest relevante kort toelichten, voorzien van een op mijn onderzoek toegespitste interpretatie. 

            Fundamenteel is de gerichtheid op ‘actualiteit’, zoals de  term ‘nieuws’ al aangeeft. Desondanks kan ook geschiedenis deel van het nieuws zijn. In het Palestijns-Israëlisch conflict speelt de ‘strijd om het verleden’, met al zijn politieke implicaties, zelfs een belangrijke rol. Om in de krant te belanden, moet er echter een nieuw aanknopingspunt bestaan. Zo wordt een nieuwsitem als het uitbreken van een oorlog meestal voorzien van een chronologisch overzicht of een historische achtergrond. Soms bezitten recente uitingen over het verleden nieuwswaarde op zich, meestal omwille van hun hedendaagse relevantie. De beperkte ruimte die er voor historie is, heeft consequenties voor het inzichtelijk maken van het Palestijns-Israëlisch conflict: ‘The “reasons” for the Second World War, for example, were not that Britain and Germany kept bombing each other. The origins of a conflict and the implications that these have (...) cannot be understood simply by reporting day-to-day events and responses.’[417] Bij een steekproef uit Britse televisiejournaals in 2000 bleken slechts 17 van ruim 3.500 regels bulletintekst aan de geschiedenis van het conflict te refereren, bij het verslaan ervan.[418] Dagbladen onderscheiden zich van televisienieuws doordat ze wat meer ruimte hebben voor historische achtergrond. Het is dan ook een belangrijke vraag of berichtgeving vergezeld gaat van dergelijke contextverschaffing en zo ja, wat daarvan de strekking is. Geschiedenis speelt overigens nog een andere, minder zichtbare rol in de nieuwsvoorziening, die zeer belangrijk is: de formule die een redactie bij een itemreeks hanteert, zoekt aansluiting bij nieuwsstromen uit het verleden.

            In het nieuws ligt de nadruk op gebeurtenissen. Die zijn beter in beeld te brengen dan structurele zaken. The periodicity of newspapers, marked by daily deadlines (...), determines the overall preference for momentaneous spot news: instants of events, with clear beginnings and ends.’[419] Het belangrijkste gezicht van het conflict voor de meeste Palestijnen - het leven als vluchteling of onder bezetting - trekt daarom van nature maar weinig aandacht. Centrale conflictervaringen van Israëli’s doen dat wel. Voormalig Midden-Oosten correspondent Joris Luyendijk (NRC, De Volkskrant, Radio 1 en NOS Journaal, 1998-2003): ‘(...) de bezetting was nooit nieuws, maar iedere nieuwe aanslag wel. Bij iedere bom had je in één beeld de situatie volgens Israël. (...) Maar bezetting... Dan bleef het bij shots van tanks, soldaten die papieren controleren, lange rijen wachtende burgers. Hoe konden correspondenten invoelbaar maken wat een ellende, onderdrukking en onrechtvaardigheid achter zulke taferelen schuilging?’[420] De strategie van ‘soemoed[421] (‘standvastigheid’, passief verzet) waarmee de Palestijnse burgerbevolking de eerste twintig jaar de bezetting onderging, bezat nog minder nieuwswaarde. Hetzelfde geldt voor de nederzettingenpolitiek. De vestiging van (tot nu toe) ruim 430.000 joodse kolonisten in de bezette gebieden is van centraal belang voor het conflict, maar het bouwen van huizen is nu eenmaal geen voorpaginanieuws.

            Negatieve zaken domineren westerse berichtgeving: ‘goed nieuws is géén nieuws’. De nieuws-stroom betreft vooral oorlogen, conflicten, rampen, politiek-maatschappelijke tegenstellingen, schandalen, misdaad, ‘enge ziektes’ (zoals ‘vogelgriep’) en ander leed. Het afwijkende karakter van de uitzonderings-toestand genereert veruit de meeste nieuwswaarde. ‘Voor ik correspondent werd, dacht ik dat nieuws ging over het belangrijkste in de wereld. (...) een misvatting (...) Nieuws is wat afwijkt van het alledaagse, de uitzondering op de regel.’[422] Positief of neutraal nieuws vloeit vaak voort uit het negatief-afwijkende: het beëindigen van oorlogen, het sluiten van verdragen, machthebbers die zich politiek verantwoorden, sociaal-economische vooruitgang, gijzelaars die worden bevrijd, misdadigers die worden opgepakt, etcetera. Het uitvergroten van dramatische elementen leidt tot vertekening. ‘Wie alleen de uitzondering krijgt, gaat deze aanzien voor de regel.’[423] Het alternatief is echter weinig nieuwswaardig. Het Palestijns-Israëlisch conflict biedt ruimschoots materiaal voor het ‘nieuwsepos’ van strijd, paradoxen, chaos en wat dies meer zij.

            ‘Geruchtmakende’, ‘opzienbarende’ of desnoods ‘barbaarse’ actie kan dankzij deze nieuwswaarde-factor een middel zijn om via de massamedia een politiek podium te bereiken. Wolfsfeld vergelijkt de internationale berichtgeving met een symbolische arena, waarin de media als poortwachter dienen en het schouwspel wordt overheerst door de machtigen der aarde. Buitenstaanders kunnen zich echter via ‘deviants gate’ de toegang verschaffen. Het is de ‘poort’ waar de terrorist zich een weg door tracht te blazen. De prijs die ‘radicalen’ betalen voor hun nieuwswaardigheid is echter hoog: ‘damned to infamy if they act and damned to obscurity if they don’t.’[424] Terreurgroepen als Hamas en Islamitische Jihad of extreemrechtse kolonistenbewegingen zoals Kach, blijven alleen nieuws als ze zich bedienen van “constantly escalating (...) tactics and rhetoric to stay above the media’s rising boredom treshold.”[425] Yasser Arafat en de PLO slaagden erin een gewelddadige publieke entree om te zetten in internationale politieke legitimiteit. Hun nieuwsstatus werd daarmee duurzaam verhoogd: ook zonder gewapende strijd en terrorisme waren de woorden van Palestijnse voormannen voortaan nieuws. Het ‘vredesproces’ dat met de Oslo-akkoorden werd aangekondigd, bestendigde deze overgang van ‘hooligan’ tot ‘speler’. De media hebben een spilfunctie in het conflict, maar het is de vraag in hoeverre die relatie in het uiteindelijke nieuwsproduct blijkt: ‘Nieuws zat zo in elkaar dat ik wel schreef over “woedende mannen” die vlaggen verbrandden en leuzen scandeerden [maar niet dat] ze pas hun aansteker tevoorschijn haalden als de camera’s draaiden, en dat ze daarna op huis aangingen voor het eten.’[426]

            Nieuws gaat weliswaar vooral in op het momentele, negatieve, afwijkende en onverwachte, maar dat gebeurt vanuit bestaande context en vooronderstellingen. Journalist en redactie gaan er bijvoorbeeld van uit dat begrippen als ‘Midden-Oosten’, ‘vredesakkoord’ of ‘VN-resolutie’, geen uitleg behoeven. Zonder basiskennis (van Koude Oorlog tot holocaust) snapt de lezer er niets van, maar dat is geen probleem: de krant richt zich immers op een doelgroep, die zijn codes begrijpt. De vooronderstelling van een gedeeld begrippenkader, houdt in dat de nieuwsbrenger zich positioneert, ten opzichte van zijn publiek en van het beschrevene. De terrorist van de één is de vrijheidsstrijder van de ander, zo luidt een cliché. Definitiestrijd staat in het Palestijns-Israëlisch conflict op de voorgrond. Beide partijen weigerden zelfs decennialang elkaar bij de naam te noemen en daarmee als volk te erkennen. Ambivalente of beladen begrippen (‘gematigd’, ‘onschuldige burgerslachtoffers’, ‘vergeldingsactie’) geven het perspectief van de gebruiker weer. Het is voor journalisten niet mogelijk zich aan het definitiedilemma te onttrekken. Neutraal klinkende termen zijn niet altijd adequater, laat staan objectief. Luyendijk: ‘(...) omwille van de begrijpelijkheid was ik “president” blijven schrijven en niet “roverhoofdman”, “parlement” en niet “applausmachine”, “commentator” en niet “ophitser” of “slijmerd.”[427] Woordkeuze en stijlmiddelen zijn meer dan alleen verpakking. Zij vervatten symbolische boodschappen in het bericht die verder reiken dan de directe inhoud.

            Bij het construeren van nieuws vormt consonantie een (cognitief) criterium. Nieuws strookt veelal met sociale normen, waarden en attitudes. Nieuws dat aansluit bij gangbare opvattingen is veel gemakkelijker voor waar aan te nemen (‘waar’ te nemen), te begrijpen en te plaatsen, zowel door journalist en redactie als publiek. Informatie over ‘vreemde’ of ‘afgekeurde’ actoren heeft weinig kans in het nieuws te komen, tenzij deze aansluit bij bestaande percepties. De handel en wandel van islamisten komt bijvoorbeeld pas echt in beeld wanneer zij botsen met het Westen. Deze nieuwswaardefactor heeft betrekking op het filteren en duiden van feiten. De verschijningsfrequentie van het ‘onwelgevallige’ op zich is immers juist opvallend hoog. Het dissonante dient als contrastpunt: het is de beeldvorming erover, die gewoonlijk consonant blijft.[428] Twee belangrijke nieuwswaardefactoren, die samenhangen met gedeelde contextuele kaders en consonantie, zijn nabijheid en relevantie. Hoe kleiner de afstand is, in geografische, praktische, politieke, sociaal-economische of culturele zin en hoe directer iets op de leefwereld van een groot publiek betrokken is, hoe groter de nieuwswaarde. Gezien de sterke band met Nederland staat Israël dicht bij het ‘nieuwsvuur’ (zoals de kwantitatieve analyse in het volgende hoofdstuk illustreert). De moderne Israëlische informatiesamenleving is ook veel toegankelijker dan die van zijn Arabische opponenten. Het Israëlische perspectief heeft veel gemeen met dat van westerlingen in het algemeen: ‘Autochtone Nederlanders lijken gewoon veel meer op Israëliërs dan op Palestijnen.’[429]

            De eerder genoemde ‘verborgen aanwezigheid’ van geschiedenis in het nieuws, bestaat in feite uit de historische component van consonantie. In (mainstream) Nederland schept de gebruikelijke perceptie van Israël als een westerse democratie en joden als historisch slachtoffer, een verwachtingspatroon dat de berichtgeving beïnvloedt. Beelden van Israël als agressor of schender van mensenrechten ontmoeten een filter. Van Keulen noemt als voorbeeld de getuigenis van een Britse fotograaf, over de in 1994 door Israël ontruimde centrale gevangenis van Gaza. “Hij was in de martelkamers geweest en er was overal bloed aan de muur. (…) Als ik dat zou opschrijven dan zou dat op ongeloof stuiten. (…) Ik zou als het ware gebrandmerkt zijn dat ik heel negatief over Israël schrijf.”[430] Internationale, Israëlische en Palestijnse mensenrechtenorganisaties als de UNHCR, Human Rights Watch, Amnesty International, B’Tselem, Hamoked en Al Haq documenteren regelmatig de mensenrechtenschendingen die met de bezetting gepaard gaan. Deze bereiken echter niet vaak het nieuws. Israël neemt het (internationaal niet erkende) standpunt in, dat het de in 1967 veroverde gebieden niet bezet, maar ‘beheert’, omdat er voorheen geen sprake was van een soevereine staat. De Vierde Conventie van Genève (die burgers beschermt en onder andere kolonisatie verbiedt) zou er daarom niet opgaan, al heeft Israël toegezegd de humanitaire bepalingen ervan wel te zullen respecteren (hetgeen niet gebeurt). Het dagelijks bestuur vindt er plaats via meer dan 1.000 militaire verordeningen en door terug te grijpen op Britse en Jordaanse wetten, die vaak in het leven waren geroepen om een roerige bevolking onder de duim te houden.[431] Voor Palestijnen gelden er andere wetten dan voor joden. Kolonisten mogen er als enige burgers wapens dragen en vormen milities die zich paramilitaire taken toeëigenen. Dat in bezet gebied democratie derhalve niet opgaat, is een scharnierpunt waarop het ‘pro-Palestijnse’ paradigma afbuigt. In dit paradigma is ook zeer negatieve informatie over Israël niet dissonant. Luyendijk lijkt zich er tot te bekennen, wanneer hij stelt: ‘Mij leek geen andere conclusie mogelijk dan dat bezetting neerkomt op terreur, alleen dan permanent en niet door terroristen, maar door soldaten en de geheime dienst. En bezetting is als dictatuur, want je hebt geen rechten. Ieder moment kan de Israëlische “veiligheidsdienst” je huis binnenvallen en jou of een familielid meenemen, je martelen of jaren opsluiten zonder proces.’[432] Het wisselen van de wacht, waarbij oudgedienden uit de Midden-Oosten verslaggeving plaats maken voor een nieuwe generatie, kan een factor zijn in de paradigmaverschuiving die gaande lijkt.

In het nieuws overheersen gezagsdragers en elites. Hun macht en status vergroot logischerwijs het belang dat aan hun uitspraken en handelingen wordt gehecht, maar er is ook een praktische reden: ‘Accessibility of sources favours (...) news actors that have organized relationships with the press (...) routines of news production thus [lead to] special and repeated attention for elite persons, groups and countries (…).’[433] Vanwege hun grote nieuwswaarde is de mediatoegang van elites zoals de Israëlische overheid of de Palestijnse Autoriteit geïnstitutionaliseerd: ‘Journalists are assigned (...) for the routine collection of information from sources with higher levels of political and social status. This allows for both medium- and long-term planning by editors, correspondents and political elites. Clearly such a system leads to tremendous inequalities in access (…).’[434]

            Het Palestijns-Israëlisch conflict vraagt om een specifieke toevoeging aan deze algemene factor: de nieuwswaarde van informatie wordt sterk beïnvloed door het voeren van een succesvolle mediastrategie. De zionistische beweging kent van oudsher een effectief lobby-apparaat. De joodse staat is er voor een deel zelfs aan te danken. Voor Israël is gunstige internationale beeldvorming van levensbelang, gezien de claim thuishaven te zijn voor joden wereldwijd en de grote afhankelijkheid van de Verenigde Staten en bondgenoten zoals Nederland. Het public relations beleid is navenant: ‘Israëlische ambassadeurs en lobbyisten liepen ook in Nederland de hoofdredacties bij de Publieke Omroep, de commerciële zenders en de grote dag- en weekbladen af. In Amerika (...) zetten oud-medewerkers van de Mossad een mediacentrum op dat de Palestijnse en Arabische pers afzocht op antisemitische, anti-Amerikaanse en antiwesterse propaganda. Ik vond hun rapporten in Nederland regelmatig letterlijk terug in columns, artikelen en Kamervragen, altijd zonder bronvermelding.’[435] De persdiensten van de Israëlische overheid maken zelfs gebruik van vasthoudende telemarketeer tactieken, zoals correspondente Ankie Rechens duidelijk maakt: ‘Die telefoneren gewoon hun informatie in, dat krijg je dus op je telefoon. Ook de legerwoordvoerder, het Government Press Office, de woordvoerder van de politie, het ministerie of van toerisme, [daar] krijgen we dus continue informatie van, ook om 1.00 uur ’s nachts, om 3.00 uur ’s nachts. Iedereen vervloekt ze, maar je krijgt dus continue die informatie.’[436]

De politieke structuur van de PLO stond een professioneel Palestijns mediabeleid in de weg. Posities werden verdeeld op basis van loyaliteit in plaats van competentie. Arafat duldde maar zelden charismatische woordvoerders (zoals Hanan Ashrawi) naast zich in de schijnwerpers. In plaats daarvan werd hij steevast omringd door lijfwachten en getrouwen met de uitstraling van gangsters of leden van een militaire junta. Daaronder bevond zich ook zijn vaste ‘souffleur’, die hem discreet hielp met zijn gebroken Engels. Met het verharden van het conflict in het afgelopen decennium zijn de Palestijnse autoriteiten door Israël steeds verder geïsoleerd. Voor Palestijnse organisaties in bezet gebied is het vaak moeilijk de buitenwereld te bereiken. Hun publicaties zijn onderworpen aan Israëlische censuur. Militaire verordening nr. 378 maakt het mogelijk gesloten militaire zones in te stellen en Palestijnen de mond te snoeren door ze in ‘administratieve hechtenis’ te nemen. Dat betekent maximaal een half jaar opsluiting zonder proces en kan in de praktijk eindeloos verlengd worden door hernieuwde arrestatie. Bij rellen of de dreiging daarvan, volgt collectief huisarrest, waarmee de bevolking ook gelijk van de pers is afgeschermd. Zo werd in Hebron na de  dood van 29 Palestijnen bij een aanslag door een kolonist (zie hoofdstuk 3) wekenlang huisarrest ingesteld. De na zo’n bloedbad gebruikelijke menselijke achtergrondverhalen over nabestaanden en overlevenden werden daarmee en passant ingedamd. Er vonden wel wat telefonische interviews met Palestijnen plaats.[437] In de jaren ‘90 heeft de Palestijnse Autoriteit zijn eigen (officieuze) censuur aan die van het militaire bewind toegevoegd. Bovendien maken Palestijnse ‘veiligheidsdiensten’ en verschillende politieke facties het intimideren of vermoorden van dissidenten en ‘collaborateurs’ tot onderdeel van hun ‘ordehandhaving’.

In Arabische landen heeft het ontbreken van politieke vrijheid, de sterke onderlinge verdeeldheid, de afhankelijkheid ten opzichte van de Verenigde Staten en de culturele kloof met het Westen, de vorming van een effectieve pro-Palestijnse lobby verhinderd. Dat wreekt zich op politiek gebied: ‘In de lente van 2002 bood de Arabische Liga Israël volledige vrede in ruil voor volledige terugtrekking uit de bezette gebieden. (…) Diezelfde avond kaapte Hamas met een grote aanslag de voorpagina’s en nadien spraken Amerikaanse en Israëlische regeringen niet meer over het aanbod. (…) Ze negeerden het aanbod gewoon en bij gebrek aan een krachtige medialobby in het Westen kregen de Arabische landen het niet meer op de agenda.’[438]

Palestijnen in diaspora in het Westen genieten persvrijheid, waarvan door mensen als Edward Saïd (1935-2003) ten volle gebruik is gemaakt. Hun aantal en invloed is echter klein vergeleken bij dat van hun pro-Israëlische tegenhangers. Waar Palestijnen westerse steun hoofdzakelijk aan linkse zijde vinden, kan Israël zowel in Europa als in de Verenigde Staten in brede kring op welwillendheid rekenen. Toch biedt de ‘elitestatus’ van Israël ook aan Palestijnen één groot voordeel: overweldigende mediabelangstelling. It is ironic but true that Israel’s high level of media status is a major advantage for the Palestinians, for it offers a convenient springboard (...) to the international community.’[439] De intrinsieke nieuwswaarde van Palestijnen is voor Nederlanders gering, de grote aandacht voor hun zaak hangt rechtstreeks samen met het westerse, joodse karakter van Israël.

            Tenslotte rest mij nog het ‘human interest’ aspect te noemen, dat in westerse verslaggeving opvallend aanwezig is. Bij het nieuws wordt regelmatig gezocht naar de impact ervan op het dagelijks leven, naar de meningen en emoties van gewone mensen. Dat lijkt me geen nieuwswaardefactor in de eigenlijke in van het woords, maar een soort tegenwicht. Het brengt grootse zaken terug tot menselijk proporties en vergemakkelijkt het daarmee voor de toeschouwer of lezer om zich in te leven. Het bestaan in een nederzetting op de Westoever is bijvoorbeeld niet interessant vanwege de dagelijkse routine, maar door het contrast met het op de achtergrond dreigende conflict. Subtiele doorbrekingen van de schijn van normaliteit zetten dergelijke beelden vaak extra kracht bij: zoals een schooldag die begint met een gepantserde bus en begeleiding naar de bushalte door een tot de tanden bewapende vader.

            Het effect van diverse nieuwswaardefactoren laat zich tot besluit in één zinsnede samenvatten: ‘the probability of an event being processed as news increases with the journalist’s perception of geographical, political or cutural proximity, with the “surprise” element of the event, with the presence of “conflict” or “disaster”, or with a high degree of “elite involvement” or “ethnocentrism.”[440] De historische relatie tussen Nederland, de Nederlandse pers en Israël, heeft in samenhang met verschillende nieuwswaardefactoren decennialang tot overwegend ‘pro-Israëlische’ berichtgeving geleid. Er is echter ruimte voor paradigmaverschuiving, zoals de opkomst van ‘evenwichtige’ of ‘pro-Palestijnse’ perspectieven laat zien. Politieke en maatschappelijke opvattingen zijn immers veranderlijk van aard en dat vindt zijn weerslag in de media. Bovendien bepaalt de feitelijke ontwikkeling van het conflict de parameters waarbinnen beeldvorming plaatsvindt. Zo vormden de Oslo-akkoorden een onverwachte wending, waardoor de internationale media hun opstelling inzake het Palestijns-Israëlisch conflict moesten herijken. De verkiezing van Ariël Sharon tot premier (17 februari 2001) is een ander voorbeeld. Deze ‘havik’ of ‘oorlogsmisdadiger’ werd daarmee plotseling een bevriend staatshoofd, hetgeen de Nederlandse pers ten aanzien van zijn persoon tot een ander repertoire noopte.

Het concept ‘nieuwswaarde’ verheldert wat en wie zich wanneer op welke nieuwsagenda’s bevindt. Het zegt ook iets over de aard van de beschrijving. Om de uitwerking ervan in concrete media-inhoud te analyseren, is echter een directer op de nieuwsteksten zelf betrokken invalshoek wenselijk. Het hoe van krantenberichten laat zich goed onderzoeken aan de hand van ‘framing’. Omdat deze term in uiteenlopende wetenschappelijke disciplines wordt toegepast kent ze vele definities. Het begrip ‘frame’ verwijst naar de zin- en betekenisgeving die ten grondslag ligt aan vorm en inhoud van de tekst, de ‘rode draad’ van een boodschap. Door het selecteren van feiten en sleutelwoorden construeert de schrijver een bepaald beeld (in het geval van krantenberichten nog eens vertaald in een kop). Als uitgangspunt voor mijn onderzoek neem ik de synthese van gangbare interpretaties waarmee Baldwin van Gorp een frame definieert: ‘(…) een standvastige, meta-communicatieve boodschap die het structurerende denkbeeld weergeeft dat een nieuwsbericht samenhang en betekenis verleent.’ Framing is daarbij ‘(…) het proces waarbij een frame enerzijds bij de productie van een nieuwsbericht aangeeft welke elementen uit de waargenomen realiteit te selecteren, uit te sluiten, te benadrukken of aan te vullen, en anderzijds de ontvangers van context en een betekenissuggestie voorziet.’[441]

            Voor de duidelijkheid is een praktische illustratie op zijn plaats. De kwalificatie ‘frame’ wordt relevanter naarmate het abstractieniveau hoger is. ‘De rem werkte niet, dus verongelukte de bestuurder’ is eerder een causale gevolgtrekking dan een frame. ‘Door een gebrek aan technische controles gebeuren teveel ongelukken’ is daarentegen reeds een betekenisverlening die het individuele ongeval overstijgt. In een typisch framingproces zou daar nog een verantwoordelijke partij  (bijvoorbeeld ‘het Ministerie van Verkeer- en Waterstaat’), een indirecte oorzaak (zoals ‘doorgeschoten liberalisering’), een mogelijke oplossing (‘meer overheidsregulering’) en een impliciete boodschap (‘stem links’) aan gekoppeld kunnen worden. Krantenartikelen maken meestal deel uit van een ‘lopend nieuwsverhaal’ dat is opgebouwd uit in individuele berichten terug te vinden frames. Nieuwsmedia hanteren frames ‘to fit the information they are receiving into a package that is professionally useful and culturally familiar.’[442] Nadat iets op de nieuwsagenda staat, haken nieuwe berichten aan bij bestaande frames. Zo levert de term ‘vredesproces’ een kader op waarbinnen vrijwel alle informatie uit het Palestijns-Israëlisch conflict routinematig kan worden verwerkt. Zelfs oorlogshandelingen vinden er als ‘obstakels’ hun plaats in.

            Volgens Wolfsfeld resulteert de gerichtheid van nieuwsmedia op actuele gebeurtenissen vaak in het gebruik van ‘the shallowest of frames.’[443] Deze staan echter niet op zichzelf, maar ontlenen hun betekenis weer aan diepere frames die niet direct in het bericht zijn terug te vinden. Zo correspondeert een frame dat ‘terreuraanvallen’ en ‘onschuldige burgerslachtoffers’ bevat, mijns inziens met elders in het ‘cultureel reservoir’ voorradige frames, die aangeven wat rechtvaardig is en wat legitieme strijdmethoden zijn. De internationale nieuwsmedia grijpen in de beeldvorming over het Israëlisch-Arabisch conflict veelvuldig terug op een viertal metaframes.[444] Dat van de ‘strategische belangen’ vat het probleem op als een geopolitieke kwestie, met de competitie tussen beide supermachten als drijvende kracht. Met het einde van de Koude Oorlog heeft dit frame zijn relevantie verloren. Het idee van de ‘clash of cultures’ lijkt mij een opvolger van deze denktrant (westerse democratie versus Arabisch despotisme of islamisme). Het ‘twistende buren’ frame stelt het fanatisme en de langgekoesterde grieven van de strijdende partijen als kernprobleem voor, waarvan de burgerbevolking aan beide kanten de dupe is. Het ‘Arabische vijandigheid’ frame ziet de Arabische weigering om Israël te erkennen als de essentie van het conflict, terwijl het ‘Israëlisch expansionisme’ frame de schuld juist bij Israël legt, als product van westers imperialisme. Deze laatste drie frames vertonen natuurlijk sterke overeenkomsten met de in de Nederlandse berichtgeving aangeduide paradigma’s. Het onderscheid tussen beide theoretische begrippen lijkt daarmee wellicht wat diffuus. Er is echter een duidelijk verschil. Een paradigma betekent een bepaalde wereldbeschouwing, terwijl een frame of metaframe de vertaling van zo’n wereldbeeld in woord, beeld of geschrift inhoudt.

 

 

2.6 Vraagstelling en onderzoeksopzet

 

Gezien de veelheid van theoretische overwegingen is gekozen voor een open vraagstelling: hoe is de beeldvorming over het Palestijns-Israëlisch conflict in NRC en Trouw te duiden? Het onderzoek richt zich eerst en vooral op de cruciale beginjaren van het met de Oslo-akkoorden in september 1993 ingezette ‘Oslo-vredesproces’. Zowel op machtspolitiek gebied als in de beeldvorming erover, werden toen de basispatronen vastgelegd waarbinnen zich dat voltrok. Zoals in hoofdstuk 3 aan de orde komt, lag de kiem van het falen van deze poging om het conflict te beslechten, reeds besloten in de eerste akkoorden en de ermee gepaard gaande strategie van de regering Rabin. De machtsovername door Likud[445] luidde een periode van stagnatie, neergang van het onderhandelingsproces en escalatie van vijandigheden in. In het bestek van een doctoraalscriptie onbreekt de ruimte om ook dit uitgebreide traject de revue te laten passeren. Met het aantreden van de regering Barak werd in het oog van de kranten de gevaarlijk ontrafelde vredesdraad weer opgepakt. Het is daar dat ik mijn analyse vervolg, met het diplomatieke eindpunt van het proces: de mislukte poging om in juli 2000 te Camp David een definitieve overeenkomst te bereiken. Op basis van vakliteratuur voorzie ik in kritische achtergrondanalyse, als referentiekader om de beeldvorming door kranten tegen af te zetten. Een geschiedkundige aanpak in combinatie met op framing, paradigma’s en nieuwswaardefactoren gerichte inhoudsanalyse vormt de basis van het onderzoek. Een belangrijk punt van aandacht vormen de werkelijkheidsdefinities die in woordkeuzes doorklinken. Deze worden met behulp van citaten geïllustreerd.

De hoofdstukindeling berust op de functionele kenmerken van artikelen. Dagbladen volgen een vaste basisformule. De voorpagina is een spreekwoordelijk uithangbord, waarmee de krant de nieuwsagenda presenteert. ‘Vervolgens veraanschouwelijken foto’s en reportages de nieuwsfeiten, verduidelijken analyses en achtergronden de betekenis ervan en vergemakkelijken commentaren, cartoons en columns de meningsvorming erover.’[446] Hieruit volgt een onderverdeling in drie categorieën: informatie, achtergrond en opinie. Hoofdstuk 3 geeft de achtergronden van het Oslo-proces weer en bespreekt vervolgens de artikelen van algemeen-informerende aard. Na een kwantitatieve analyse worden de hoofdlijnen van de berichtgeving samengevat en geïnterpreteerd. De centrale boodschap is per onderwerp schematisch weergegeven in een ‘framematrix’. Daarin wordt het centrale frame getypeerd, dat een itemreeks zijn samenhang verleent. Een voorbeeld hiervoor ontleen ik aan Wolfsfeld.[447] Omwille van overzichtelijkheid en analytische zuiverheid worden beide kranten afzonderlijk besproken. Dit leidt weliswaar tot enige herhaling, maar is niet storend. Integendeel: het verduidelijkt hoezeer het centrale discours in beide kranten overeenkomt en illustreert daarmee de uniformiteit van de nieuwsstroom.

Hoofdstuk 4 gaat in op de achtergronden bij het nieuws. Columns, spotprenten, ingezonden brieven en ander ‘los materiaal’ blijven buiten beschouwing. Dat geldt ook voor opiniestukken. Deze dienen een ander doel dan de nieuws- en achtergrondartikelen, omdat zij trachten de lezer van een bepaalde zienswijze of een bepaald standpunt te doordringen. In zeker opzicht proberen overigens ook gewone nieuwsartikelen de lezer te overtuigen, namelijk van de juistheid en het belang van de gepresenteerde feiten. Het informatieve karakter van de tekst staat daarbij echter centraal. Achtergrondartikelen komen eveneens tot stand vanuit een informatieve intentie. Al bevatten zij natuurlijk ook persuasieve elementen en beïnvloedt achtergrond-informatie opinievorming, het doel is de lezer van context te voorzien om nieuwsfeiten te plaatsen. Met andere woorden: informatieve en achtergrondartikelen formuleren werkelijkheidsbeelden, terwijl opiniestukken meningen formuleren. Opinievorming is de overtreffende trap van beeldvorming en daarmee een ander onderzoeksobject. Redactionele commentaren worden wel meegenomen. Zij geven immers de centrale visie van de krant zelf weer, die richting geeft aan de beeldvorming. De feiten en meningen waaruit de samenvattingen van de berichtgeving in hoofdstuk 3 en 4 bestaan, zijn alle afkomstig uit de kranten zelf. Ik heb getracht hun relaas zo getrouw mogelijk weer te geven. Eigen commentaar is als zodanig herkenbaar, door de dagbladen weergegeven gedachtengoed van derden is dat eveneens.

 

 

Hoofdstuk 3. De berichtgeving in NRC Handelsblad en Trouw in de beginjaren en slotfase van het ‘Oslo vredesproces’ - een voortijdig verwelkomde ‘historische doorbraak’

 

3.1 Achtergrond

 

Oslo I

 

De Oslo-akkoorden kwamen tot stand in een reeks ontmoetingen tussen Israëlische academici en Ahmad Qurai (Abu Ala), penningmeester van de PLO (december 1992 - augustus 1993). Geheimhouding van de gesprekken vergemakkelijkte een doorbraak. Deze diplomatieke achterdeur was geopend door de Israëlische onderminister van Buitenlandse Zaken, Yossi Beilin, in samenwerking met de Noorse onderzoeker Terje Rod Larsen. Het Israëlische onderhandelingsteam werd door Peres versterkt met Uri Saver en Joel Singer, twee juridische topanalisten die de documenten opstelden. Arafat nam eigenmachtig alle beslissingen, met Mahmud Abbas (Abu Mazen) als tussenschakel. Aan Palestijnse zijde ontbrak het daardoor aan adequate juridische vertegenwoordiging. Naar later bleek hadden beide partijen fundamenteel verschillende opvattingen over wat de overeengekomen formule eigenlijk betekende.[448] Zij waagden echter de sprong.

            De eerste stap tot het bezegelen van het akkoord was een briefwisseling, waarin Arafat het recht op bestaan van Israël in vrede en veiligheid erkende, beloofde af te zien van terreur en verantwoording nam voor het naleven daarvan door PLO-leden. De PLO aanvaardde VN-resoluties 242 en 338, en zou de clausulen die Israël’s bestaansrecht ontkenden uit zijn Handvest verwijderen.[449] Israël erkende daarop de PLO als onderhandelingspartner namens het Palestijnse volk. Deze ongelijkwaardige transactie weerspiegelde de politieke machtsbalans. Zoals de Israëlische regering en de Palestijnse oppositie jegens hun thuisfront benadrukten, werden de historische PLO-claims ermee opgegeven, zonder dat er sprake was van de erkenning van een Palestijnse staat. Israël zwoer het geweld niet af en bood evenmin veiligheidsgaranties voor de bezette Palestijnse bevolking.[450] Wederzijdse erkenning maakte nochtans de weg vrij voor de ‘Declaration of Principles on Interim Self-Governing Arrangements’ (de DoP, bekend als ‘Oslo I’, 20 augustus 1993). Op 13 september werd deze in een ceremonie op het gazon van het Witte Huis getekend.

Op 13 april 1994 zouden Israëlische troepen in Gaza en Jericho plaats moeten hebben gemaakt voor een Palestijnse politiemacht. Een vijftal civiele sectoren zou daar aan Palestijnen worden overgedragen. De DoP verleende de Palestijnen geen territoriale autoriteit, maar enkel het gezag over personen. Door het installeren van gezamenlijke comité’s ‘for every issue and eventuality[451] hield Israël een grote mate van controle. Economische ontwikkeling werd ondergebracht in een ‘joint framework, which is tantamount to subordinating development to Israeli control.[452] Op 13 juli zou de bevolking van de Gazastrook en de Westoever een Palestijns interimbestuur moeten kiezen, waarmee een overgangsperiode van vijf jaar zou ingaan. Daarvoor was nog wel een ‘Interimakkoord’ vereist, om de structuur en het gezag ervan te bepalen. Vanaf uiterlijk juli 1997 moesten dan onderhandelingen over een definitieve regeling beginnen, met de belangrijkste problemen als inzet, zoals Jeruzalem, vluchtelingen, nederzettingen, grenzen en diplomatieke betrekkingen/soevereiniteit. Intussen hield Israël de controle over veiligheid, buitenlands beleid, staatsland (tweederde van de Westoever), militair terrein, nederzettingen en kolonisten. De afgesproken tijdschema’s werden niet gehaald. De DoP ontweek geschilpunten via algemeenheden. Deze ‘constructieve ambiguïteit’ maakte het mogelijk om tot een akkoord te komen, maar had moeizaam voortslepende discussies tot gevolg. De Palestijnen waren daarbij in het nadeel: de bezetting (en kolonisatie) duurde voort, terwijl zij in de onderhandelingen evengoed het onderspit dolven. Sommige verplichtingen, zoals het creëeren van een Palestijnse reiscorridor tussen Gazastrook en Westoever[453], werden jarenlang niet door Israël nagekomen. De PLO stond daartegen zo goed als machteloos. Bij gebrek aan onafhankelijke internationale arbitrage wierpen de VS zich op als ‘honest broker’, waarbij zij Israël echter steunden en de PLO onder druk zetten.[454]

 

Beweegredenen en verwachtingen

 

Voor Arafat was het akkoord niet minder dan een politieke reddingsboei. De PLO verkeerde na het Golfoorlog-débacle in een politieke en financiële crisis. Het einde van de Koude Oorlog bracht bovendien een ‘nieuwe wereldorde’, waarin de VS het voor het zeggen hadden. Met het aantreden van de regering Clinton, waren die pro-Israëlischer dan ooit.[455] Het middelpunt van de Palestijnse strijd was de intifada, ver van het PLO-hoofdkwartier in Tunis.[456] Hamas groeide in kracht. Door met Israël te onderhandelen, bezwoer Arafat het gevaar internationaal buitenspel te staan en te worden overvleugeld door de islamisten. Dat laatste was de Israëli’s eveneens een schrikbeeld. De intifada dreef Israël tot het zoeken naar een serieuze oplossing voor het Palestijnse probleem. Het verzet verzwakte echter danig door onderlinge strijd en Israëlische repressie. Voor de PLO was het dan ook zaak er de snel verdorrende politieke vruchten van te plukken. Arafat’s zwakke positie en zijn potentieel als buffer tegen Palestijnse ‘radicalen’ maakten hem voor Israël tot een aantrekkelijke onderhandelingspartner. De veiligheidsdiensten verzekerden Rabin ervan dat hij tot grote concessies kon worden gedreven.[457] Na het falen van zijn poging in juli om een afzonderlijke vrede met Syrië te bereiken, zette deze zijn zinnen op een akkoord met de Palestijnen. De Palestijnse delegatie die volgens de ‘Madrid-formule’ onderhandelde stond zo duidelijk onder gezag van Arafat, dat hij toegaf daarbij niet om erkenning van de PLO heen te kunnen.[458]

            Rabin zag de interimperiode als noodzakelijk om vertrouwen in het akkoord te laten groeien. Daarenboven bood de lange overgangsperiode (gebonden aan talloze mitsen, maren en vervolgafspraken) de gelegenheid om feiten te creëeren waarmee Israël een definitieve regeling naar zijn hand kon zetten. Dat eindresultaat moest hoe dan ook bestaan uit het behoud van geheel Groot-Jeruzalem (105 km diep, met een waaier van nederzettingen) en de annexatie van gebied ‘which would encompass two-thirds of the settlers and, from a domestic political perspective, isolate the most militant.’[459] Een beperkte vorm van zelfbestuur (“iets dat minder is dan een staat”)[460] in federatie met Jordanië zou Israël definitief van bijna 3 miljoen niet-gewenste Arabieren en de terreur moeten verlossen. Wat Gaza betreft kon daar meteen een begin mee worden gemaakt: ‘Gaza was so overpopulated, impoverished, economically unviable and politically volatile that it was essentially ungovernable.’[461] Terugkeer van vluchtelingen naar Israël was ondenkbaar.[462] Blijvende (mogelijk gedeelde) controle over de grenzen met Jordanië en Egypte was essentieel, evenals beheersing van zee- en luchtruim. Rabin was voorstander van het Allon Plan en stemde in met het akkoord uit overtuiging dat het een vergelijkbare uitkomst mogelijk maakte. Arafat zag de zaken heel anders, zoals verwoord tegenover de Arabische Liga op 19 september: “Israel (…) has officially recognized the Palestinian people, their legitimate rights,their occupied territories, and the PLO (…) the final solution (…) must result in the dismantlement of the occupation and the complete withdrawal of occupation troops from our land (…) and holy Jerusalem.[463] De PLO zette zwaar in op de DoP, die echter niet verder ging dan een principeverklaring. Zoals Rabin de regeringscoalitie voorhield: “Er zijn geen verplichtingen aangegaan met betrekking tot de aard van de permanente regeling.”[464]

 

Reacties op het akkoord: van optimisme tot afwijzing

 

Het akkoord werd wereldwijd begroet als een ‘historische doorbraak’. De VS waren verrast, maar wierpen zich graag op als financiële en diplomatieke sponsor. Dat gold ook voor de Europese Unie. Arabische landen waren ontstemd over hun buitensluiting, maar getuigden schoorvoetend hun instemming. Jordanië sloot in 1994 een vredesverdrag met Israël. Een PLO-meerderheid was neutraal of gematigd optimistisch, een minderheid enthousiast. PFLP en DFLP verwierpen de overeenkomst als een versluierde variant van het Camp David autonomieplan en boycotten de zitting van de Centrale Raad waarop ze werd bekrachtigd.  In de ogen van het ‘afwijzingskamp’ werden Palestijnse rechten verspeeld en verbrak Arafat de Palestijnse eenheid. Critici zoals Haydar Abd al-Shafi (hoofd van de Madrid-delegatie) vonden het onverteerbaar dat de bezetting in de DoP niet als zodanig werd benoemd en dat de nederzettingenpolitiek niet werd beëindigd: ‘(…) we are trying to read into it what is not there.’[465] Twee prominente PLO-voormannen, Mahmoud Darwish en Shafiq Al-Hout, traden na de parafering in augustus uit protest af (overigens zonder dat het bestaan van het akkoord al publiek bekend werd). De krachtigste tegenstand kwam van Islamitische Jihad en Hamas, die erkenning van Israël categorisch afwezen[466] en net als de PLO-rejectionisten Oslo I als de blauwdruk van een geknecht ministaatje naar apartheidsmodel zagen. Volgens de voorstanders van het akkoord bood het geleidelijk implementeren van zelfbestuur uitzicht op een Palestijnse staat. Aangezien in de DoP VN-resoluties 242 en 338 als basis voor de eindoplossing worden genoemd, zouden de grenzen die van 1967 moeten volgen. Woordvoerders als Nabil Sha’ath en Hanan Ashrawi baseerden daarop hun optimisme.[467] Deze gedachte hield een misrekening in, die een deel van het falen van ‘Oslo’ verklaart. Israël interpreteerde deze resolutie immers geheel anders dan de VN deden, naar eigen voordeel. Het ‘vredesproces’ gaf de speelruimte om die visie unilateraal op te leggen.

De bevolking in bezet gebied had serieuze twijfels, maar hoopte dat het akkoord de bezetting zou verlichten en vervolgens beëindigen. Opiniepeilingen toonden er een steun van 60%. Onder de Israëlische bevolking was 65% bereid de PLO als onderhandelingspartner te dulden, in de verwachting dat Palestijnse aanslagen zouden stoppen. Slechts 13% maakte ernstig bezwaar.[468] Rechtse Israëli’s en fundamentalistische rabbijnen reageerden echter furieus op de ‘weggave van joods land’ aan ‘aartsterrorist Arafat’. Oppositie-leider Benjamin Netanjahu zwoer de uitvoering van het akkoord te zullen stoppen als hij premier zou worden. Hij vergeleek Rabin’s politiek met Chamberlain’s beruchte poging Hitler te pacificeren.

 

Implementatie en vervolg

 

In februari en mei 1994 werden economische en administratieve overeenkomsten gesloten die de overdracht van Gaza en Jericho mogelijk maakten. Daarbij werden alle geschilpunten in Israëlisch voordeel beslecht. De Palestijnse inbreng was zo minimaal dat Peres stelde dat Israël vooral met zichzelf onderhandelde.[469] Zelfbestuur in Jericho volgde gemeente- in plaats van districtsgrenzen, er kwamen geen gezamenlijke grenscontroles, de nederzettingen in de Gazastrook werden opgenomen in een veiligheidsblok dat tweevijfde van het gebied besloeg. Israël kreeg via een gezamenlijk comité beslissingsbevoegheid over het toelaten van vluchtelingen uit 1967. Op talrijke punten (van religie en archeologie tot electriciteits- en waterbeheer) was de machtsoverdracht  ingeperkt  met  het  oog  op  Israëlische belangen.  De PLO  waagde  zich  er  zelfs niet

aan om toepassing van de Vierde Conventie van Genève op tafel te leggen, voorheen een onvoorwaardelijke eis. De meeste politieke gevangenen bleven vastzitten en verbetering van de mensenrechtensituatie bleef uit. Een groot voorstander van de Oslo akkoorden binnen de PLO, de Palestinian People’s Party, keerde zich woedend af. De meeste Palestijnen vierden echter de overdracht en verwachtten binnen 5 jaar een eigen staat, met Oost-Jeruzalem als hoofdstad.[470]

Op 25 februari schoot dr. Baruch Goldstein, een kolonist uit Brooklyn, 29 moskeegangers in Hebron dood. Israël legde uit angst voor rellen ruim een miljoen Palestijnen 5 weken lang een totaal uitgaansverbod op, terwijl de IDF bij grootschalige ‘ongeregeldheden’ 76 Palestijnen doodden. Het extreemrechtse Kach[471] (waarvan Goldstein lid was) en Kahane Chai werden verboden. Israël weigerde echter om op PLO-verzoek het nederzettingenprobleem al op de agenda te zetten of de paar honderd fundamentalistische kolonisten uit Hebron te verwijderen.[472] De PLO staakte uit protest enige tijd de onderhandelingen. Uiteindelijk nam Arafat genoegen met de installatie van 160 internationale waarnemers. Deze hadden slechts de status van observeerders en werden in augustus alweer teruggetrokken. Hamas nam wraak voor de aanslag, met een autobom in Afula (6 april, 8 doden) en de eerste zelfmoordaanslag in Israël zelf (13 april, 5 doden). Er volgde een kettingreactie waarin Israël en Hamas elkaars acties ‘vergolden’. Met deze strategie ondermijnde Hamas op de langere duur met succes de onderhandelingen en het Israëlische vertrouwen in de regering. Betogingen en gewelddadige confrontaties met het leger bleven tot het beeld van de bezetting behoren, met name in Gaza, dat al vanaf juni 1993 aan uitgaansverboden onderhevig was. De Israëlische reactie op geweld en aanslagen bestond (naast repressie) uit uitbreiding en intensivering van gebiedsafsluitingen. In oktober 1994 en januari 1995 werden ook de onderhandelingen tijdelijk stopgezet.

In juli 1994 vestigde Arafat zich met een feestelijke intocht in Gaza, als hoofd van de Palestijnse Autoriteit (PA). Hij werd vergezeld door meerdere veiligheidsdiensten, die werden ingezet om zijn macht veilig te stellen. Arafat’s loyale PLO-cliëntèle nam lucratieve posities in. Het passeren van plaatselijke leiders ten gunste van ‘de Tunesiërs’ wekte wrevel. In de jaren die volgden concentreerden zich ‘no less than 60 semi-governmental functions under the sole pregorative of one man.’[473] De consequente Israëlische eis om geweld en Hamas-aanslagen te stoppen (iets waartoe de PA net zomin in staat was als Israël zelf) ‘encouraged Arafat to become the authoritarian ruler he was already inclined to be.’[474] Zoals Usher stelt, schoot het onderhandelingsproces ernstig tekort, doordat het zwaartepunt kwam te liggen bij vrede als ‘unconditional security for Israel but extremely conditional security for the Palestinians.’[475] De PA had zijn onderhandelingspositie en zijn sociaal-economische basis kunnen versterken door transparant bestuur, een deugdelijke rechtsorde en een controleerbaar belastingstelsel op te zetten (al werd ze daarbij tegengewerkt door de bezettingsautoriteiten). In plaats daarvan manouvreerde Arafat zich in een positie waarin steeds meedogenlozer optreden ten bate van de Israëlische veiligheid de prijs werd voor onderhandelings-transacties. Zo ondernam de PA tussen oktober 1994 en januari 1995 vijf golven van buitengerechtelijke arrestaties onder Hamasleden en PLO-tegenstanders van het akkoord.[476] In februari 1995 werden speciale militaire rechtbanken opgericht voor zulke gevangenen. Bij rellen vielen doden. Israël voerde ondertussen een beleid dat tot groeiend verzet leidde, daarmee mogelijke ‘veiligheidswinst’ door de PA teniet doend.

            Na het tekenen van de DoP lanceerde Rabin een forse uitbreiding van nederzettingen. Voldongen feiten zouden Jeruzalem als de ‘eeuwige en ondeelbare hoofdstad van het joodse volk’ moeten veiligstellen, en nederzettingen tot gemakkelijk te annexeren clusters aaneensluiten. De Westoever werd er in drie Palestijnse enclaves door opgedeeld. Tegen dergelijke stappen bood Oslo I geen enkele garantie: ‘There is no word about the changes Israel can effect through legislation or faits accomplis.’[477] Tussen 1993 en 1995 werd 20.000 hectare Palestijns land onteigend. Tussen 1992 en 1995 steeg het aantal kolonisten buiten Oost-Jeruzalem van 74.800 tot 136.000.[478] Er werd een systeem van ringwegen aangelegd (voor exclusief gebruik door kolonisten), dat de nederzettingen onderling en met Israël verbond. Dit netwerk fragmenteerde het Palestijnse achterland en werd ook veelvuldig gebruikt om gebied bij gewelddadige betogingen of aanslagen van de buitenwereld te isoleren. De economische omstandigheden bereikten een dieptepunt. Vanaf 1967 had Israël de levensstandaard van Palestijnen bevorderd (als afzetmarkt en om politieke onrust te reduceren), maar hun zelfstandige ontwikkeling zoveel mogelijk gebroken en ze economisch afhankelijk gemaakt. De algehele afsluiting die vanaf 1993 gold en in 1994 werd bestendigd, kneep deze levensader toe. In 1993 werkten 116.000 Palestijnen in Israël. In 1996 waren dat er nog 28.000. Palestijnse arbeiders werden er vervangen door gastarbeiders. De Palestijnse landbouwsector onderging tussen 1993 en 1995 40,12% terugval in reëele waardeopbrengst, met Israëlisch ingrijpen als voornaamste oorzaak.[479] Wanbeleid van de PA verergerde de zaak. Ontwikkelingsfondsen verdwenen naar de bureaucratie en de veiligheidsdiensten, functionarissen verrijkten zichzelf. Tezelfdertijd waren talrijke Palestijnse families voor hun voortbestaan afhankelijk van de werkgelegenheid en sociale zekerheid (zoals geld voor gezinnen van gevangenen) die de PA bood. Daarmee hadden zij een gevestigd belang in het vredesproces.[480]

De vijandschap tussen bezettingsmacht en bevolking bleef diep. Soldaten mochten Palestijnen die ze van ‘veiligheidsmisdrijven’ verdachten 18 dagen vasthouden ‘without charge and without access to a lawyer, during which time he or she can be subjected to constant interrogation and a punitive and                                                  humiliating regime that, according to B’Tselem, usually involves torture.’[481] Bekentenissen volstonden voor een veroordeling, zonder recht op beroep. Bij het vernietigen van huizen verschoof het accent van collectieve bestraffing naar een politiek ‘to encourage the emigration of Palestinians - especially from East Jerusalem - and to extend the landmass that Israel would control in any final settlement (…).’[482] Tussen 1993 en 1999 sloopte Israël 962 woningen. De officieel aangevoerde reden was doorgaans het ontbreken van een (voor Palestijnen vrijwel niet te verkrijgen) vergunning. Aan beide zijden bleven slachtoffers vallen. Van september 1993 tot en met augustus 2001 lieten 884 Palestijnen en 416 Israëli’s het leven.[483]

 

Oslo II en de moord op Rabin

 

            Op 24 september 1995 werd uiteindelijk het ‘Interimakkoord’ oftewel ‘Oslo II’ gesloten. Het was een lijvig document dat in minutieus detail het overdragen van bepaalde bevoegdheden aan een Palestijnse Raad beschreef. Deze was uiterlijk januari 1996 te verkiezen, na goedkeuring van de kieslijst door Israël, dat eveneens zeggenschap had over de door deze Raad op te stellen Basiswetten. De Westoever werd in drie verschillende zones verdeeld, ten behoeve van een ‘gefaseerde relocatie’ van troepen. Voor Hebron werd een speciale regeling getroffen, waarbij de kolonisten konden blijven. Terugtrekking uit deze stad zou binnen zes maanden plaats moeten vinden, maar werd door Peres opgeschort na Hamas-aanslagen. De PA zou rechtstreekse controle krijgen over de zes steden van zone A (3% van de oppervlakte). In zone B (27%, zo’n 450 dorpen en gehuchten) zou de PA burgerzaken en ordehandhaving waarnemen, terwijl Israël eindtoezicht hield. Zone C (70%, alle 145 nederzettingen) bleef onder totale Israëlische controle. Zones B en C zouden naderhand ook overgedragen moeten worden. Voor de C-gebieden bleek dit door het voorbehoud ‘uitgezonderd zaken gereserveerd voor de permanente status onderhandelingen’ een dode letter. In ruil voor meer zeggenschap in zones A en B had Arafat in gesprekken onder vier ogen met Peres toegezegd. Daarmee had hij tot afgrijzen van zijn onderhandelingsteam een grote vergissing begaan. Terwijl Arafat claimde 80% van de Westoever te hebben herwonnen, kon Rabin de Knesset met een gerust hart melden nog altijd 70% te controleren.[484] Voor de Palestijnen was dit een nederlaag: Oslo II made it impossible to sustain the pretence that the PLO had done anything other than negotiate from a position of weakness and that it had received anything other than the peace of the weak.’[485] Vrijlating van politieke gevangenen (wegens aanslagen stopgezet) en toezeggingen voor realisatie van de Palestijnse reiscorridor (in 1999 deels geïmplementeerd) plus een zeehaven in Gaza (nooit geopend) konden dat niet verhullen. Voor Rabin was de belangrijkste overwinning ‘the granting of Arab authority over nearly 90 percent of the West Bank’s Arab population whilst ceding only 30 percent of the land area.’[486] De bevolking in de ‘bevrijde’ gebieden reageerde sceptisch. De praktijk had in Gaza en Jericho uitgewezen dat zelfbestuur vooral isolement en omsingeling door een militair controlenetwerk betekende. De opdeling in talrijke ‘eilandjes’ leidde inderdaad tot een proliferatie van wegversperringen en controleposten, temeer daar Jeruzalem was afgesloten voor Palestijnen uit andere gebieden. Een reis van luttele kilometers kon onzeker of onmogelijk worden, of grote omwegen vergen. Urenlang oponthoud en vernederende taferelen bij de checkpoints waren dagelijkse praktijk, hetgeen verbittering over het vredesproces versterkte.[487] Op zich bevatte Oslo II clausulen, die het mechanisme van Israëlische belangenbehartiging in combinatie met diplomatieke bedwinging van de PLO, leken bij te stellen. Tot aan de eindgesprekken mocht geen van beide partijen mocht stappen ondernemen die de ‘status’ of ‘integriteit’ van Westoever of Gazastrook aantastten. De Palestijnen en de meeste waarnemers vonden uitbreiding van nederzettingen daarmee strijdig. Rabin stelde echter dat deze voorwaarden alleen golden voor politieke status (een inperking die in de documenten niet voorkomt) en dat Israël de volledige vrijheid had “om de veiligheids- en politieke doelen te bereiken die op de permanente status betrekking hebben.”[488]

Op 4 november 1995 werd premier Rabin, bij het verlaten van een massale vredesrally in Tel Aviv, neergeschoten door Yigal Amir. Deze 24-jarige joodse religiestudent zag in hem een din rodef, een jood die andere joden in gevaar brengt en daarmee zijn levensrecht verspeelt. Zijn inspiratiebron was de religieus gesanctioneerde veroordeling die fundamentalistische rabbijnen hadden uitgesproken over Israëlische terugtrekking. De moord toonde hoe diep de kloof was met het rechtse kamp, dat geen centimeter grond wilde prijsgeven. Rabin’s weduwe beschuldigde Netanyahu van medeverantwoordelijkheid, omdat hij haar man als landverrader had verketterd en samen met Sharon protestbijeenkomsten had bijgewoond waarop Rabin in nazi-uniform werd afgebeeld. Als premier weigerde Netanyahu later om de dag van de moord tot nationale rouwdag te verklaren. Peres volgde Rabin op en voerde eind 1995 de terugtrekkingen uit zones A en B door. Op 20 januari 1996 werd de Palestijnse Raad verkozen. In een door internationale waarnemers als redelijk eerlijk omschreven gang naar de stembus won Fatah een absolute meerderheid. De praktische invloed van de raad was echter minimaal. Ze werd door Israël en Arafat min of meer terzijde geschoven.

Op 5 januari 1996 blies Israël Hamas-kopstuk Yahya Ayyash op, met een explosief in diens mobiele telefoon. Hij werd als bommenmaker verantwoordelijk gehouden voor verschillende zelfmoordaanslagen. De manier waarop Israël hem uitschakelde baarde opzien in de wereldpers.[489] De aanslag had een averechts effect. Hamas had al enkele maanden een de facto bestand in acht genomen. Het zou de populariteit van de organisatie immers niet ten goede komen om het vooruitzicht van een gedeeltelijke Israëlische terugtrekking letterlijk op te blazen. Als wraak pleegde Hamas tussen 25 februari en 4 maart vier zelfmoordaanslagen, waarbij 59 Israëli’s omkwamen. De spanning liep zo hoog op dat de VS een internationale conferentie in Egypte organiseerden. De 31 deelnemende landen en de PA veroordeelden terrorisme en beloofden het vredesproces, veiligheid en stabiliteit te bevorderen. Arafat werd sterk onder druk gezet om toekomstige aanvallen te voorkomen.[490] In mei verklaarden Israël en de PA zich bereid tot het voeren van gesprekken over een eindregeling.[491] De verkiezing van Netanyahu maakte aan dat vooruitzicht een eind. Netanyahu’s zege was nipt (1% voorsprong). De aanslagen gaven de doorslag: Likud stond eerst 15% achter in peilingen.[492]

Netanyahu was een felle tegenstander van de Oslo-akkoorden. Zijn verkiezingsbelofte was geen land meer aan Arabieren te geven en het vredesproces te ‘vertragen’. Hij zwoer zijn vijand Arafat nooit te zullen ontmoeten en hield dat vier maanden vol. Eerdere afspraken werden ernstig vertraagd of in het geheel niet uitgevoerd. Netanyahu beriep zich op ‘wederkerigheid’, legde nieuwe eisen op en claimde dat de Palestijnen hun verplichtingen niet nakwamen. De regeringscoalitie was bijzonder instabiel en ‘lurched from one self-induced crisis to another, barely managing to survive.[493] Om de religieuze kolonistenvleugel te vriend te houden voerde Netanyahu een harde bezettingspolitiek, breidde nederzettingen uit en startte nieuwe bouw-projecten. De meest provocatieve ervan (Har Homa, 1997) bevond zich in Oost-Jeruzalem, in weerwil van de Oslo-akkoorden, die wijziging van de status quo daar verbieden. Het was het sluitstuk in de ring die het Palestijnse stadsdeel afsloot van de Westoever. Deze strategie beoogde de door Likud afgewezen Palestijnse claim op Jeruzalem irrelevant te maken en het eveneens afgewezen zelfbestuur te beperken tot enclaves. De Palestijnen konden hier weinig tegen uitrichten. Israël beschouwde zich als rechtmatig soeverein: intrekken van een toezegging was niet meer dan een beleidswijziging door het bevoegd gezag, in plaats van een vertrouwensbreuk tegenover een gelijkwaardige onderhandelingspartner.[494] Internationaal recht en VN-bepalingen waren ingeruild voor bemiddeling door Israël’s voornaamste bondgenoot: ‘Although the United States (…) did raise objections to Israel’s land confiscation, increased settlement activities, and refusal to redeploy its troops, Washington showed no inclination to back up its objections (…).’[495]

            Geweldsescalatie en het definitief afblazen van Israëlische terugtrekking uit Hebron dreven de VS ertoe om Netanyahu alsnog tot onderhandelen te dwingen.[496] Op 15 januari 1997 werd het ‘Hebronprotocol’ getekend, dat de stad verdeelde. Sector H1 kwam onder sterk ingeperkt Palestijns bestuur. De 450 kolonisten (0,3% van de bevolking) in H2 bleven onder Israëlisch gezag: 20% van de oppervlakte (inclusief het economisch centrum en 40.000 Palestijnen) bleef aldus bezet. Bovendien werd een precedent geschapen voor het behoud van zelfs de kleinste en meest controversiële nederzettingen. Het was ‘the most explicit loss for the Palestinians.’[497] Als beloning voor Netanyahu’s medewerking had Clinton hem volledig gesteund. De president verloor zijn geduld met Netanyahu echter steeds meer.[498] Twee terugtrekkingen elders op de Westoever maakten ook deel uit van het akkoord, maar bleven achterwege. Zelfs bepalingen uit Oslo I waren nog steeds niet uitgevoerd. In 1998 bekritiseerden de VS Israël scherp en dwongen opnieuw overleg af. Resultaat was het ‘Wye akkoord’, een herhaling van zetten, waarin de PLO zijn Handvest aanpaste en Israël zich van 13% Westoever terugtrok.[499] Netanyahu distantieerde zich er onmiddellijk van door in Israël te verklaren dat hij onder druk had getekend. Sharon deed een dramatische oproep “zoveel mogelijk heuvels te grijpen” voordat eindgesprekken aanbraken.[500] Binnen een maand na ondertekening verklaarde Netanyahu dat de terugtrekking werd opgeschort. Toch bracht zijn noodgedwongen acceptatie van ‘land voor vrede’ zijn reeds door binnenlandse problemen verscheurde coalitie ten val. In een zitting waarin ze het Wye akkoord verwierp, ontbond de Knesset zichzelf: ‘Netanyahu’s attempt to satisfy the United States and Israeli moderates by signing the Wye Accords and to mollify the religious Right by refusing to carry them out had failed.[501] Op 17 mei 1999 behaalde Barak met zijn rond de Arbeiderspartij opgebouwde ‘Eén Israël’-coalitie een verpletterende verkiezingsoverwinning. Doordat de Knesset versplinterd was in 15 partijen, berustte ook zijn kabinet op een bonte politieke verzameling met een belangrijk religieus element.

            De nieuwe premier probeerde allereerst een akkoord met Syrië te bereiken. Vervolgens blies hij de onderhandelingen met de PA nieuw leven in. Hij verklaarde zich compromisbereid. Als hoogst gedecoreerde militair van het land stond de veiligheid voor hem echter centraal. Op 4 september 1999 werd een tweede Wye overeenkomst bezegeld. Daarin werden afspraken uit voorgaande verdragen nogmaals toegezegd. Israël zou in drie fasen de tweede terugtrekking uit het Hebronprotocol realiseren, politieke gevangenen vrijlaten, de corridor tussen Gazastrook en Westoever verwezenlijken en de bouw van een zeehaven toestaan. Ook werden onderhandelingen over een eindregeling afgesproken. Toch viel van een fundamentele beleids-verandering weinig te bespeuren. Barak richtte zich wederom op Syrië, tot Palestijns chagrijn. De tweede fase van terugtrekking werd vijf maanden vertraagd, de derde bleef uit. Gevangenen kwamen niet vrij. Een belofte om drie dorpen bij Jeruzalem over te dragen werd niet ingelost. Nederzettingenbouw, onteigening en huizensloop gingen door. Tegen illegale kolonisatie tradt de staat niet op. Barak stelde de eindbesprekingen uit met vertragingstactieken, totdat het overleg met Syrië doodliep. Onderhandelingen in Washington en geheime gesprekken in Oslo liepen in maart 2000 op niets uit. Op Israëlisch verzoek riep Clinton op 11 juli 2000 een top bijeen te Camp David, Washington. Een slotakkoord was het doel. Arafat weigerde aanvankelijk te komen, maar gaf toe aan intensieve Amerikaanse druk. Zijn uitgangspositie was zwak, met slechts enclaves onder zijn hoede en nog niet verzilverde eerdere onderhandelingsresultaten.

 

Camp David

 

Barak bedong dat alle tussenstappen kwamen te vervallen, inclusief de nog onvervulde Israëlische verplichtingen uit Oslo II, het Hebronprotocol, Wy I en Wye II. In plaats daarvan kwam een alles-of-niets poging tot een totaalregeling. Er was niet in een diplomatiek vangnet voorzien in het geval de top faalde, hoewel alle betrokkenen die kans groot achtten. De toedracht van het eindoverleg is alleen indirect te achterhalen. De gesprekken waren geheim en zijn niet op schrift gesteld. Ik baseer me vooral op het werk van Rubenberg, die alle beschikbare bronnen hanteert en zich beperkt tot meermaals bevestigde informatie.            Onderling vertrouwen ontbrak. De communicatie was slecht. Barak maakte zelfs aan de Amerikanen niet bekend hoever hij uiteindelijk bereid was te gaan. Arafat vreesde te worden misleid, stelde zich defensief op en kwam niet met tegenvoorstellen. Goede kaarten ontbraken. In het meest uitgekristalliseerde plan zou Israël minimaal 96 nederzettingen annexeren, zo’n 10% van de oppervlakte van de Westoever. Het Palestijnse gebied zou uit vier delen (plus Gaza) bestaan en doorsneden worden door Israëlische rondwegen met hun systeem van controleposten, pasjes en wegversperringen.[502] Nog eens 10% strategisch terrein zou voor 12 jaar aan Israël verpacht worden: het gehele grensgebied met Jordanië en Egypte, plus delen van de Jordaanvallei. De IDF zouden er troepen en waarschuwingsstations handhaven. De grensovergangen bleven onder permanente Israëlische controle. Of de nederzettingen in de Gazastrook zouden worden ontruimd of niet, was onduidelijk. Ook de verdeling van de watervoorraden bleef in het midden. Aangezien de belangrijkste aquifers onder te annexeren gebied lagen, betekende dat in de praktijk Palestijnse afhankelijkheid van Israël. Wat betreft het vluchtelingenvraagstuk stelde Barak alleen een ‘bevredigende oplossing’ voor. Ook deed hij een vrijblijvende toezegging over het ‘mogelijk’ toelaten tot Israël van 10.000 vluchtelingen, in het kader van gezinshereniging. Dat was een humanitair gebaar:  het ‘recht op terugkeer’ en enige Israëlische aansprakelijkheid wees hij publiekelijk en nadrukkelijk af.[503]

Het definitieve struikelblok bleek Jeruzalem te zijn, dat pas op het laatste moment ter sprake kwam. Barak bood het gezag over Palestijnse wijken in Oost-Jeruzalem aan, maar zonder volledige soevereiniteit. De Oude Stad zou worden opgedeeld, met de joodse en Armeense wijk onder Israëlische autoriteit. Israël claimde het eindgezag over de Haram-al Sharif, al was Barak bereid het religieus bestuur aan de Palestijnen te laten. Op het terrein van dit heiligdom zou ook een synagoge moeten komen. Amerikaanse pogingen een compromis te bereiken via gedeelde of gezamenlijke soevereiniteit liepen op niets uit. Arafat brak hierop het overleg af. Op 25 juli werd het falen van de top aan de pers gemeld.[504] De PLO verliet het mediaslagveld grotendeels. Doordat de VS en Israël het nieuws domineerden, overheerste internationaal het beeld dat de PLO-leider een ‘genereus aanbod’ had afgeslagen. De Palestijnen zouden vrijwel de gehele Westoever hebben gekregen en toch zeiden ze nee. In september leek het er na een vriendschappelijke ontmoeting tussen Barak en Arafat op dat de onderhandelingstafel nog niet definitief verlaten was. Na de schok van de mislukking was er persoonlijk vertrouwen opgebouwd. Het uitbreken van de tweede intifada (29-9-2000) maakte de vraag of beide leiders alsnog een uitkomst zouden kunnen vinden echter academisch. In Israël werd de notie gemeengoed dat de PLO zich een bedrieglijke vredespartner had getoond. Arafat zou de top bewust hebben laten mislukken om vervolgens Israël onder druk te zetten met een nieuwe intifada. Zelfs de Israëlische vredesbeweging keerde zich massaal af van het vredesproces.

 

Slotsom: typering van het ‘vredesproces’

 

De Israëli’s zagen hundominantie als vanzelfsprekend en het praten met ‘terroristen’ als een ongekende concessie. Voor de PLO was het recht op zelfbeschikking in de vorm van een eigen staat vanzelfsprekend en het praten met ‘de bezetter’ een ongekende concessie. Deze botsing van twee compleet tegengestelde werelden vond plaats in een context (onderhandelingen onder bezetting) waarin het recht van de sterkste zegevierde: ‘Israel structured the accords to ensure that the Palestinian objective of a sovereign independent state in the Occupied Territories would be subordinated to the Israeli goal of maintaining as much territory and control as possible while pacifying the Palestinians with the symbols of nationalism and statehood.’[505] Door van de PA absolute veiligheidsgaranties te eisen, kon Israël steeds op zijn schreden terugkeren. Gedeeltelijke terugtrekking en zeer gedeeltelijke zelfbeschikking werden ‘concessies’. Een vredesproces met zulke ongelijkwaardige partners, tegengestelde belangen en ideologieën, had slechts een geringe kans van slagen. Dat neemt niet weg dat het streven naar vrede een daadwerkelijk gezamenlijk ideaal was: onderhandelingen staan doorgaans voor ‘er samen uit komen’ en een meerderheid van Palestijnen en Israëli’s interpreteerde dat aanvankelijk ook zo. Peres droomde van een Pax Israelia, die de Arabische afzetmarkten zou openen en de integratie met Europa versterken. Gezien de omarming van het akkoord door de voornaamste autoriteitsfiguren (wereldleiders, Rabin, Peres, Arafat) is het niet verwonderlijk dat de positieve noot van ‘vrede en voorspoed’ de boventoon zou voeren in de berichtgeving.

 

 

3.2 De berichtgeving in kwantitatief perspectief

 

Een ver conflict, dicht bij huis

 

Gemeten aan de grote omvang van de berichtenstroom, staat het Palestijns-Israëlisch conflict in de onderzoeksperiode hoog op de Nederlandse nieuwsagenda. Vergelijking met andere nieuwsitems geeft een referentiekader om de absolute cijfers op waarde te schatten. Daartoe zijn enkele steekproeven genomen uit de database van Lexis Nexis. De Tweede Golfoorlog vormt als ongeëvenaarde mediaoorlog een ijkpunt dat naar ik veronderstel de toenmalige bovengrens van verslaggevingsdichtheid aangeeft. In NRC verschijnen in de maand van het grondoffensief en de Iraakse overgave (februari 1991) in totaal 479 relevante artikelen (trefwoorden: ‘Saddam’, ‘Irak’ of ‘Iraakse’).[506] Trouw is voor deze jaargang helaas niet beschikbaar. Aan de Oslo-akkoorden besteedde NRC in september 1993 een totaal van 117 artikelen. Daarmee was deze diplomatieke doorbraak in het Palestijns-Israëlisch conflict goed voor 24% van het aantal krantenkoppen dat de climax van de Golfoorlog ten deel viel. Met de intensieve 24-uurs nieuwscampagne van de westerse coalitie in het achterhoofd is dat geen onaanzienlijke score. In de strijd tegen Irak was Nederland direct betrokken en voegden kranten soms speciale oorlogspagina’s toe. Overigens hebben ook 48 van de Golfoorlog-artikelen betrekking op Israël of de PLO.[507] De burgeroorlog in Joegoslavië stond in NRC en Trouw met 397 artikelen centraal in de maand dat de door Dutchbat beschermde enclave Srebrenica viel (11 juli 1995). Deze combinatie van schokkend Europees en binnenlands nieuws inéén bezat logischerwijs een sterkere nieuwswaarde dan de Oslo-akoorden. Deze kregen met 222 artikelen in NRC en Trouw echter nog altijd 56% van de aandacht voor de strijd op de Balkan en het Nederlandse débacle aldaar. Beide vergelijkingen wijzen uit dat er weliswaar gewichtiger zaken zijn, maar dat het Palestijns-Israëlisch conflict een prominente plaats inneemt in de nieuwswaardehiërarchie.

De genocide in Rwanda kon op minder belangstelling rekenen dan de perikelen van Israëli’s en Palestijnen. Bij elkaar opgeteld komen beide kranten aan een gemiddelde van 78 artikelen per maand in april, mei en juni 1994 (trefwoorden: ‘Tutsi’, ‘Hutu’, ‘Rwanda’). In diezelfde periode bezat het Palestijns-Israëlisch conflict met een gemiddelde van 94 nog steeds een grotere nieuwswaarde, terwijl de Oslo-akkoorden bijna driemaal zoveel berichten genereerden. Tegenover iedere omgekomen Israëli of Palestijn staan meerdere krantenartikelen. Voor de ongeveer 850.000 Rwandese slachtoffers is de ratioeen ruime 3.600 per artikel. Het in journalistiek en communicatiewetenschap gevleugelde gezegde ‘if it bleeds, it leads’ blijkt daarmee slechts zeer ten dele waar. In deze cijfers vertaalt zich het uitgebreide aantal nieuwswaardefactoren dat zoals we in hoofdstuk 2 zagen op het Palestijns-Israëlisch conflict van toepassing is. De Chinese inlijving van Tibet vormt bij wijze van contrast een goed voorbeeld van een conflict aan de onderzijde van het nieuwswaardespectrum (trefwoorden: ‘Tibet’, ‘Tibetaanse’, ‘Dalai Lhama’). In de septembermaand waarin Arafat’s vergelijk met Israël de Palestijnse zaak wederom op het wereldtoneel zette, kwam de Tibetaanse kwestie tweemaal voor in Trouw en één keer in NRC, als controversiële voetnoot bij de Chinese organisatie van de Olympische Spelen.[508]

Een positiebepaling ten opzichte van nabije Europese landen (Duitsland, België en Frankrijk) wijst tenslotte uit dat de nieuwsafstand tot Israël veel kleiner is dan de geografische. Voor de vergelijking heb ik de itemreeks genomen waarin het Palestijns-Israëlisch conflict de minste aandacht kreeg, te weten die rond het Interimakkoord. Daaraan werden in september en oktober 1995 61 artikelen gewijd. Helaas is een nauwkeurige telling van tezelfdertijd verschenen artikelen over de Europese naburen niet mogelijk. Zoeken in de gehele tekst levert honderden valse treffers op, door overlap met sport- en economisch nieuws, kunst en cultuur of toevallige referentie. Door de zoekopdracht tot titelbeschrijvingen te beperken, wordt echter een adequate indicatie verkregen. De zoektermen ‘Duitsland’, ‘Duitse’ en ‘Kohl’ leverden 108 treffers op; ‘België’, ‘Belgische’ en ‘Dehaene’ 49; ‘Frankrijk’, ‘Franse’ en ‘Chirac’ 163. Frankrijk was vaker in het nieuws dan gewoonlijk vanwege kernproeven op het atol Mururoa. De voorzichtige conclusie luidt dat Israël een nieuwswaardepotentieel heeft dat niet veel afwijkt van de landen die Nederland omringen. Het conflict wordt dan ook gekaderd als een belangrijk wereldprobleem. Op die grondslag berust de beeldvorming.

 

Kenmerken, spreiding en herkomst  van artikelen

 

De berichtgeving over vijf gebeurtenissen is als steekproef genomen: Oslo I, de aanslag op Palestijnen door Goldstein, het Interimakkoord, de moord op Rabin en de Camp David onderhandelingen. Bij het vergaren van de artikelen is gebruik gemaakt van Lexis Nexis. De basiszoektermen waren ‘Israël’ en ‘Palestijnen’, per onderwerp aangevuld met een specifieke derde term (‘Oslo’, ‘Goldstein’, ‘Interimakkoord’, ‘Rabin’ en ‘Camp David’). Bij controle aan de hand van microfilmarchief bleek daarmee een vrijwel volledig overzicht van relevante berichten te zijn verzekerd. Ik geef er de voorkeur aan de geselecteerde itemreeksen van begin tot eind te volgen. Gezien de uitgebreide en langdurige berichtgeving waarmee gebeurtenissen in het Palestijns-Israëlisch conflict gepaard gaan, geven gedeeltelijke steekproeven een te impressionistisch beeld. Artikelen vormen vaak een in elkaar grijpende reeks. Een deel eruit lichten is vergelijkbaar met een aantal pagina’s uit een tijdschrift scheuren: het levert een redelijk beeld op, maar geen volledig verhaal. Bovendien kan alleen door kennis te nemen van alle relevante informatie, met zekerheid iets geconstateerd worden over ontbrekende of onderbelichte elementen. Een concreet voorbeeld: na de aanslag in Hebron werden weinig Palestijnse reacties opgetekend. De meeste achtergrondinterviews vonden plaats met kolonisten. Een steekproef van enkele dagen zou gemakkelijk de artikelen kunnen missen die wel ingaan op Palestijnse achtergronden. De berichtgeving rond Oslo I bleek als volledige itemreeks echter te omvangrijk en niet goed te isoleren. Feitelijk komt er geen einde aan de nieuwsstroom en loopt deze over in het vervolg van het onderhandelingsproces. Deze steekproef strekt zich uit van 20 augustus tot en met 30 september 1993.

Tabellen 1a en 1b geven een kwantitatief overzicht per artikelsoort in respectievelijk NRC en Trouw. Na vermelding van tijdsspanne en totaal aantal artikelen per steekproef, volgt een telling en percentuele weergave op basis van de categorieën algemeen-informerend, achtergrond, opinie en zelfstandige fotoreportage. Ook wordt het aantal voorpaginastukken vermeldt, behalve waar deze informatie in de database ontbreekt. Bijlage 2 geeft een gedetailleerd overzicht van alle geraadpleegde artikelen.

 

1a) NRC Handelsblad

 

Steekproef

Totaal

Informatief

Achtergrond

Opinie

Foto

Voorpagina

Oslo I

20-08-1993 t/m

30-09-1993

117

 

 

68

 

58%

42

 

36%

6

 

5%

1

 

1%

23

 

 

Goldstein

25-02-1994 t/m

31-03-1994

52

 

 

34

 

65%

16

 

31%

2

 

4%

0

 

0%

7

 

 

Oslo II

07-09-1995 t/m

14-10-1995

31

 

 

19

 

61%

10

 

32%

2

 

6%

0

 

0%

4

 

 

† Rabin

06-11-1995 t/m

25-11-1995

47

 

28

 

60%

11

 

23%

8

 

17%

0

 

0%

9

 

Camp David

23-06-2000 t/m

19-08-2000

46

25

 

54%

16

 

35%

4

 

9%

1

 

2%

11

 

1b) Trouw

 

Steekproef

Totaal

Informatief

Achtergrond

Opinie

Foto

Voorpagina

Oslo I

20-08-1993 t/m

30-09-1993

129

 

84

 

66%

40

 

30%

3

 

2%

2

 

2%

25

 

 

Goldstein

26-02-1994 t/m

12-04-1994

50

 

33

 

66%

14

 

28%

1

 

2%

2

 

4%

9

 

 

Oslo II

02-09-1995 t/m

25-10-1995

30

 

20

 

67%

8

 

27%

2

 

7%

3

 

10%

onbekend

 

† Rabin

06-11-1995 t/m

29-11-1995

53

30

 

57%

17

 

32%

4

 

7%

10

 

19%

onbekend

 

 

Camp David

06-07-2000 t/m

30-08-2000

47

19

 

40%

18

 

38%

9

 

19%

1

 

2%

10

 

Wat betreft nieuwsdekking vertonen beide kranten per itemreeks een vergelijkbare artikeldichtheid. Trouw blijft onderwerpen wat langer volgen, maar de verschillen zijn te verwaarlozen. Met een maandlang vrijwel dagelijkse voorpaginavermeldingen krijgt Oslo I als ‘historische doorbraak’ veruit de meeste aandacht. Kenmerkend is dat de verhouding tussen de verschillende soorten artikelen in beide bladen steeds dezelfde formule volgt. Gemiddeld bestaat 60% van de berichtgeving uit algemeen-informatieve artikelen en wordt iets meer dan 30% aan achtergronden gewijd. Wat betreft hoeveelheid tekst evenaren of overtreffen achtergrondartikelen het gewone nieuwsgedeelte. Zo besteedt NRC bij Oslo I 31.226 woorden aan algemeen-informatieve artikelen en maar liefst 44.077 aan achtergronden. Voor Trouw zijn deze aantallen respectievelijk 38.922 en 37.719. Eigen uitleg en duiding vormen dus een belangrijke vaste component, zoals kwalitatieve analyse bevestigt. NRC neemt verder wat meer opiniestukken op, met een gemiddelde van 8% tegen 4,5%. Trouw heeft daarentegen meer zelfstandige fotobijdragen (5%). Voor een deel lijkt dat een gevolg van interesse voor religie: 5 van de 9 afbeeldingen tonen joodse feestdagen. Tabellen 2a en 2b geven de herkomst van artikelen weer. De categorie ‘overig’ bevat opiniebijdragen en ongeattribueerde artikelen.

 

2 a) NRC Handelsblad

 

Steekproef

Totaal

Persbureau

Correspondent

Redacteur

Overig

Oslo I:

20-08-1993 t/m

30-09-1993

117

 

 

32

 

27%

45

 

38%

16

 

14%

24

 

21%

Goldstein:

25-02-1994 t/m

31-03-1994

52

 

 

15

 

29%

30

 

58%

2

 

4%

5

 

10%

Oslo II

07-09-1995 t/m

14-10-1995

31

 

4

 

13%

22

 

70%

1

 

1%

4

 

13%

† Rabin

06-11-1995 t/m

25-11-1995

47

 

6

 

13%

29

 

62%

5

 

11%

7

 

14%

Camp David

23-06-2000 t/m

19-08-2000

46

5

 

11%

26

 

57%

2

 

4%

13

 

28%

 

2 b) Trouw

 

Steekproef

Totaal

Persbureau

Correspondent

Redacteur

Overig

Oslo I

20-08-1993 t/m

30-09-1993

129

 

 

32

 

24%

41

 

32%

28

 

22%

28

 

22%

Goldstein

26-02-1994 t/m

12-04-1994

50

 

 

29

 

58%

13

 

26%

6

 

12%

2

 

4%

Oslo II

02-09-1995 t/m

25-10-1995

30

 

16

 

54%

7

 

23%

4

 

13%

3

 

10%

† Rabin

06-11-1995 t/m

29-11-1995

53

10

 

19%

25

 

47%

5

 

9%

13

 

25%

Camp David

06-07-2000 t/m

30-08-2000

47

onbekend

3

 

6%

13

 

28%

onbekend

 

 

Wat betreft artikelherkomst zijn de verschillen veel groter, zowel tussen de kranten onderling als tussen nieuwsitems. Het grootste deel van de artikelen in NRC komt van vaste correspondenten: gemiddeld 58%. Daarin reflecteert zich de toppositie van het blad, dat een naam heeft hoog te houden door waar mogelijk eigen verslaggevers in te zetten. Het intellectuele publiek waarop de krant zich richt, heeft bovendien een relatief grote interesse in buitenlands nieuws. Dat is in NRC daarom sterker vertegen-woordigd dan in andere kranten.[509] In Trouw verzorgen vaste verslaggevers 32% van het nieuws en wordt de berichtgeving vaker door redacteuren zelf ter hand genomen (14% ten opzichte van NRC’s 6%). Ook maakt Trouw meer gebruik van persbureau’s. Daaraan is gemiddeld 39% van de artikelen ontleend. Opvallend is dat tijdens de politieke aardverschuiving van Oslo I de participatie van redacteuren in beide kranten aanmerkelijk groter is. Als vaste correspondent treedt in NRC vrijwel altijd Salomon Bouman op, die deze positie bijna dertig jaar innam. In Trouw zijn Inez Polak en Ina Friedman de vaste krachten. In 2000 werkte Polak een deel van het jaar als buitenlandredacteur, vandaar het lage aantal artikelen dat bij de steekproef rond Camp David onder de noemer ‘correspondent’ valt: ze werkte vanuit Amsterdam.

               

Standplaatsen en bronnen

 

De spreiding over verschillende standplaatsen is een indicator van invalshoeken. Tel Aviv, Amsterdam of Washington als dateline getuigen immers van een ander perspectief dan Ramallah, Gaza of Caïro. Omwille van de overzichtelijkheid heb ik de verzamelde informatie van alle steekproeven gebundeld in vijf categorieën, waarvan hieronder een overzicht volgt. Waar sprake is van meerdere standplaatsen, heb ik deze telkens individueel geteld. Meestal gaat het dan om twee of drie Arabische hoofdsteden, wanneer reacties van de Arabische wereld gepeild worden. Overwegend Palestijnse plaatsen binnen Israël (zoals Kfar Kassem) zijn tot de Arabische standplaatsen gerekend, indien deze bezocht werden vanwege de Arabische identiteit van hun inwoners. Plaatsen in bezet gebied gelden als Arabisch, tenzij daar alleen Israëli’s (militairen, kolonisten) zijn geïnterviewd. Dan luidt de classificatie ‘Israëlisch’. De rubriek ‘algemeen’ bestaat uit internationale bronnen, zoals op conferenties afgelegde verklaringen of de inhoud van akkoorden. Opiniestukken zijn niet inbegrepen.  

                                                           NRC                              Trouw

Israëlisch:                                          148                              82                                          

Arabisch:                                             42                                34       

Nederlands:                                        31                                89                               

Andere westerse landen:                 53                                38

Algemeen:                                           6                                  2         

 

Westerse en Israëlische standplaatsen zijn ongeveer 4,5 maal vaker vertegenwoordigd dan Arabische. Aangezien Nederland een westers land is en het overgrote deel van haar Midden-Oosten correspondenten in Israël is gevestigd, wekt dat geen verwondering. Zoals besproken in hoofdstuk 2, richt de verslaggeving zich vooral op dat land en minder op de Palestijnse kant van het conflict. De autoriteitsfiguren die als bron het nieuws domineren zijn allereerst de Israëlische staatslieden Rabin, Peres en Barak, Arafat en zegslieden van de PLO. Palestijnse uitspraken worden daarbij vrijwel altijd gekaderd als subjectieve zienswijze van één van de strijdende partijen, terwijl Israëlische werkelijkheidsdefinities vaak verweven zijn met het eigen nieuwsverhaal. De Amerikaanse president en Amerikaanse diplomaten nemen ook een toppositie in, maar zijn niet altijd bij het nieuws betrokken. De tweede laag in de nieuwsrangorde wordt gevormd door de Israëlische oppositie, belangrijke Arabische staatshoofden, Europese leiders en EU-functionarissen. Nederlandse actoren en bronnen vormen natuurlijk een bijzondere categorie en komen vaak op de binnenlandpagina’s voor. Bewegingen als Hamas, de PFLP en DFLP hebben minder mediatoegang, maar vormen wel een constante nieuwsfactor als storende bedreiging van het vredesproces. Er wordt vaker over hen gepraat in het nieuws, dan door hen. Hun uitlatingen worden ook wel rechtstreeks toegelaten tot de nieuwsarena, maar daarbij wordt steevast aangetekend dat het gaat om radicale bewegingen, een sterk delegitimerende kwalificatie. Naast persbureau’s en het internationale westerse nieuwsdomein zijn het vooral Israëlische media waarop correspondenten zich in hun stukken baseren. Hun persoonlijke netwerk speelt ook een rol: regelmatig wordt informatie toegeschreven aan niet nader omschreven bronnen in deze of gene kring. De geografische positie temidden van het nieuws is de voornaamste troefkaart van de buitenlandcorrespondent, die regelmatig wordt uitgespeeld door gedrag, reacties, attitudes en opinies van de Israëlische of Palestijnse bevolking te peilen. Ook kolonisten krijgen ruimschoots de gelegenheid hun zegje te doen, zolang zij als Israëlische burgers spreken over hun veiligheidsproblemen en toekomstvisie. De politieke aspiraties van de kolonistenbewegingen worden wanneer zij het nieuws halen echter van hetzelfde predikaat voorzien als die van Hamas: extreem. Wanneer daarentegen de Israëlische oppositie hun belangen behartigt, duiden woordkeuzesignalen aan dat het om een ‘legitieme’, democratische actor gaat.

 

 

3.3 Oslo I: de ‘vrede der dapperen’ wordt ingeluid

 

Inhoudelijke hoofdlijnen in NRC

 

Het begin van de itemreeks staat in het teken van zware PLO-kritiek op Arafat. De financiële crisis en zijn autocratisch optreden worden aan de kaak gesteld. Kern van het geschil zijn concessies waartoe hij zich eigenmachtig bereid verklaart: beginnen met autonomie in Gaza en Jericho, Jeruzalem later bespreken. Volgens al-Hout overschrijdt hij daarmee de afgesproken “rode lijnen.”[510] ‘Radicale groepen’ die zich ‘altijd al verzetten tegen een vergelijk’ eisen aftreden van alle verantwoordelijken.[511] Op de 27e maakt Ha’aretz bekend dat blijkbaar in het geheim de basis voor een akkoord is gelegd. Volgens Bouman is er plotseling enorme media-aandacht voor Palestijnen: ‘Deze publikaties hebben veel weg van een massa-hersenspoeling, volgens het devies van premier Rabin dat er “anders moet worden gedacht.”[512] Wanneer het kabinet het akkoord twee dagen later goedkeurt wordt gerept van een historisch besluit. De oppositie beschuldigt Rabin van “verraad en bedrog.”[513] Op de 31e wordt de inhoud van de DoP voor het eerst gepubliceerd. Noorwegen openbaart trots zijn rol. Daarna domineert overleg over wederzijdse erkenning de nieuwsagenda. Het afzweren van geweld (intifada incluis) en wijzigen van het PLO-Handvest staat daarbij centraal. De EG biedt ‘alle mogelijke economische en politieke steun’ en gaat investeren in de economische en administratieve opbouw van Gaza en Jericho. De economische samenwerking met Israël wordt versterkt.[514] De Israëlische oppositie voelt zich door de snelle ontwikkelingen ‘in de hoek gedreven.’ Bennie Begin haalt volgens Bouman ‘zijn vader erbij’ om de publieke opinie te mobiliseren.[515] Likud verklaart het akkoord onwettig, roept op tot nieuwe verkiezingen en belooft alles terug te draaien bij een machtswisseling.

Arafat komt als overwinnaar uit PLO-crisisberaad, volgens zijn critici omdat er niet werd gestemd. Vervolgens reist hij door het Midden-Oosten om steun te verwerven. Tegenstanders roeren zich. Syrië ‘doet geen enkele moeite radicalen de mond te snoeren.’ Jibril (PFLP-GC) roept op Arafat te doden. Hamas stelt dat de PLO de Palestijnse zaak “liquideert.”[516] Ondertussen heerst op de 11e ronde van het vredesoverleg in Washington verwarring. Delegatieleden voelen zich gebruikt. Arabische leiders reageren met ‘kil stilzwijgen danwel boos wantrouwen.’ Alleen Egypte verwelkomt het nieuws. Vrede met Israël is volgens NRC niet het probleem. Dat is inmiddels een volkomen geaccepteerd idee, stelt redactrice Roelants.[517] De buurlanden voelen zich echter gepasseerd. Een afzonderlijk akkoord ondermijnt ook nog eens hun eigen onderhandelingspositie. Assad stelt dat vrede “niet in afleveringen kan worden bereikt.” Hussein waarschuwt dat Jordanië een akkoord waarbij het niet is betrokken, verwerpt. De Syrische opstelling baart NRC zorgen. Assad heeft een afkeer van Arafat en ‘een hele reeks Palestijnse extremisten in huis’ die tot moordaanslagen bereid zouden zijn.[518] PLO-woordvoerder Rabbo verwacht echter dat Syrië, Libanon en Jordanië tegelijkertijd vrede sluiten. Arafat slaagt er inderdaad in om de ‘kribbige’ Hussein tot steun te bewegen. Ook zijn eigen Fatah-comité stemt ‘tegenstribbelend’ in.[519]

Aan het nieuws van de wederzijdse erkenning worden op 10 september 15 artikelen gewijd. Rabin spreekt de hoop uit op een historisch einde aan “honderd jaar bloedvergieten.”[520] De VS hervatten de dialoog met de PLO. Een verheugde EU stelt zichzelf als voorbeeld van vrede door regionale samenwerking. PLO-vertegenwoordigers plaatsen wel de nodige kanttekeningen bij het akkoord. Ashrawi noemt het “verre van ideaal.” Al-Shafi ontwaart “fundamentele zwakheden.” PLO-strateeg Sha’ath verheugt zich er echter op ‘naar huis’ (Palestina) te gaan.[521] Arafat’s concessies leiden binnen het Uitvoerend Comité van de PLO tot scherpe kritiek en het opstappen van twee leden. ‘Radicale groepen’ reageren furieus. Jordanië en Syrië zwijgen. In een tv-optreden bedankt Peres Mitterand voor de Franse rol bij de eindgesprekken (in Parijs). Een gepland gesprek met Arafat gaat hij echter niet aan: dat wordt hem ‘iets te intiem.’[522]

            Op de vooravond van de DoP-ondertekening vallen doden bij ‘door (…) Hamas geïnstigeerd geweld.’ Dat is ‘niet bevorderlijk’ voor de ‘toch al niet te grote vreugde’ over het akkoord. Rabin: “Vandaag zijn er vier begrafenissen en ik sta op het grasveld van het Witte Huis.”[523] Een oproep van vredesactivisten aan automobilisten om overdag licht te voeren als steun aan de vrede, wordt erdoor verpest. De lampen blijven uit. Op weg naar Washinton stopt Rabin te Schiphol, een vriendschapsgebaar aan Israël’s trouwe ‘pleitbezorger’ in Europa. Hij heeft een aarzelende pauze nodig om de PLO als ‘nieuwe vredespartner (…) uit zijn mond te krijgen.’ Lubbers blijkt tien dagen eerder al door Rabin te zijn ingelicht. Hij is enthousiast over het “fantastische akkoord” van het “land waar we zo lang mee hebben meegeleefd.”[524] 

            De toespraken van Rabin en Arafat tijdens de officiële ceremonie worden afgedrukt. Rabin benadrukt op verontschuldigende, aarzelende toon hoe moeilijk het voor hem is, als soldaat van een land dat nooit vrede heeft gekend. Hij eert de doden, maar zet een streep onder de vijandschap “voor onze kinderen (…). Genoeg bloed en tranen. Genoeg!”[525] Arafat wil “vrede, goed nabuurschap en gelijke rechten.” Hij roept Israël op om de “enorme moeilijkheden” te helpen overwinnen op weg naar een rechtvaardige eindregeling. “De strijd voor vrede is de moeilijkste (…).”[526] Volgens NRC spraken Rabin en Peres ‘veel guller dan Arafat en Abbas.’[527] Clinton citeert uit Bijbel en Koran en haakt daarna voor het oog van een geëmotioneerd publiek gezworen vijanden aan elkaar. Hij brengt Rabin ertoe om Arafat’s hand te schudden, ondanks diens zichtbare weerzin. De voormalige ‘boeman’ geniet stralend van zijn nieuwe status.[528] Voor het Witte Huis demonstreren orthodoxe joden. Joodse en Arabische lobbygroepen vieren daarentegen samen feest. Op de 23e accepteert de Knesset de DoP met krappe meerderheid. Voor Rabin was het een vertrouwenskwestie: “Laat de zon opkomen. Het is een zege voor het zionisme door zijn ergste vijand te worden erkend.”[529]

Het tekenen van de DoP opent de deur voor toenadering tot Israël. Een dag later ondertekenen Jordaanse en Israëlische diplomaten een onderhandelingsagenda, terwijl Rabin de Marokkaanse koning de hand drukt in Rabat. Temidden van alle euforie haalt hij vervolgens uit naar Syrië, dat “nu maar eens moet laten blijken in vrede geïnteresserd te zijn.” Syrië lijkt “een hand in vrede uit te strekken”, maar tegelijk “opent de andere hand het vuur” door radicalen te herbergen. Assad verzekert Clinton van zijn gehechtheid  aan het vredesproces en bekritiseert op zijn beurt het achter zijn rug om sluiten van vrede.[530]  Hij noemt de Israëlische houding negatief, maar stelt ook dat de kans op vrede is gegroeid. Mubarak verklaart dat de meeste, “misschien alle”, Arabische landen Israël en de PLO willen volgen. Hij kondigt aan te bemiddelen met Syrië en verwacht resultaat.[531] Israël spoort hij aan niet te wachten om het gesprek aan te gaan. De Arabische Liga spreekt zich uit ten gunste van het akkoord, maar voegt toe dat Israël zich ook van Libanees, Syrisch en Jordaans grondgebied moet terugtrekken. Rabin roept de Arabische wereld op de boycot tegen Israël te staken en financiële steun te bieden.[532] Ook het Vaticaan maakt een stap richting diplomatieke erkenning, via een ontmoeting tussen de paus en de Israëlische operrabijn. De kwestie Jeruzalem blijft voor Rome wel een obstakel, dat formele erkenning nog kan ophouden tot de eindregeling.

 

Inhoudelijke hoofdlijnen in Trouw

 

De itemreeks begint met Darwish en Al-Hout die hun functies neerleggen, uit protest tegen Arafat’s manier van leiden, zijn solobeleid bij de vredespolitiek en de ‘financiële janboel.’[533] De onvrede neemt de vorm aan van een ‘revolte’ waarin vele PLO-commandanten aftreden of dat juist van Arafat eisen. Vroeger was er ‘geld als water’ en schreef de PLO-leider zonder controle cheques uit aan klagende leden. Nu is de tijd van ‘de kool en de geit sparen’ echter voorbij.  Ashrawi en Erekat dreigden eerder al de onderhandelingen te verlaten omdat Arafat bereid was later pas over Jeruzalem te praten.[534] Israël betreurt de problemen van voormalig ‘aartsvijand nummer één’, aangezien ze de vredesbesprekingen in gevaar brengen.[535]

            Op de 27e geeft Sha’ath aan dat het PLO-bestuur zich in Gaza en Jericho zou kunnen vestigen, als Israël zich terugtrekt. Peres stelt dat een “Gaza-Plus-optie (…) dichterbij [is] dan ooit.” Trouw concludeert dat Israël ‘de lokale Palestijnen heeft gepasseerd en het op een akkoordje heeft gegooid met de hoogste gelederen (…).’[536] In Syrië gebaseerde linksradicalen en de fundamentalisten hebben er ‘geen goed woord’ voor over. Ze dreigen en zinnen wellicht op terreur. Het Uitvoerend Comité van de PLO is merendeels tegen. Dat wil ‘nog niet zeggen dat de meeste Palestijnen die negatieve mening delen.’[537] Arafat heeft politiek niets te vrezen, zolang de Fatah meerderheidsfactie hem steunt. Op 1 september bericht Trouw dat Israël de PLO zal erkennen, als diens Handvest wordt aangepast. Dan is de weg vrij voor beperkte autonomie. Uit het verdeelde Palestijnse kamp komen felle protesten. ‘Mogelijk is het aantal tegenstanders (…) groter dan het lijkt.’[538] Israëlische en Palestijnse delegatieleden te Washington voelen zich ‘verre van vrolijk’ over 20 maanden vruchteloos onderhandelen, terwijl elders ‘spijkers met koppen werden geslagen.’ Jordanië en Syrië voelen zich misleid en buitengesloten, temeer daar zij in Washington onderhandelen over een alomvattende vredesregeling. [539] Hoewel Hussein ‘danig in zijn wiek geschoten’[540] is, zet hij zich over zijn ergernis heen. Hij verwacht spoedig een eigen vredesakkoord.[541] Ook Syrië tempert zich tot het zuinige standpunt dat de Palestijnen uiteindelijk zelf moeten besluiten wat hen goeddunkt. In Israël dreigen ‘ultra-nationalisten’ met een burgeroorlog. Netanyahu belooft alles in het werk te stellen om het akkoord te torpederen. Shamir hekelt de “uitverkoop” aan “de ergste vijanden van de joden sinds Hitler.”[542] Het westen bejubelt daarentegen de “moedige stap.”[543] Peres bezoekt de EG, om de rekening te presenteren van ‘een soort Marshall-plan.’[544] Brussel trekt honderden miljoenen voor de Palestijnen uit. Nederland maakt zich daarnaast sterk voor forse steun aan Israël.[545] Nederlandse politici zijn verheugd. Ook spiegelen ze zich aan Noorwegen, dat bewijst dat een klein westers land “een belangrijke rol (…) kan spelen.”[546]

            Fatah steunt Arafat met tegenzin. Er is kritiek omdat de Palestijnse ‘minimum-rechten’ niet worden verwezenlijkt en het akkoord de bezetting legitimeert. De Golfstaten verklaren onder druk van de VS vrij enthousiast hun steun. Iran, Irak en Libië blijven om ‘het hardst roepen dat het (…) niet deugt.’[547] In Israël beklaagt legerleider Barak zich dat terrorismebestrijding nu moeilijker wordt. De oppositie neemt deze kritiek dankbaar over. President Weizman verklaart dat een officier zijn orders niet ter discussie mag stellen. Op de 10e komt het nieuws van de wederzijdse erkenning (de brieven worden gepubliceerd) en de geplande ondertekening van het akkoord. De PLO-delegatie te Washington weigert eraan mee te werken. Al-Shafi verklaart dat hij zich niet persoonlijk beledigd voelt, maar dat Arafat een onjuiste procedure heeft gevolgd en een te grote gok heeft genomen. De Israëlische oppositie verzet zich fel tegen deze ‘kiem’ van een Palestijnse staat. In de bezette gebieden zijn de reacties gemengd. ‘Voortvarende huisvrouwen vragen of Arafat van taart houdt.’ Fundamentalisten spreken over de ‘grote capitulatie: “Het is niet meer dan uitbreiding van [gevangenenkamp] Ketsiot (…) met Arafat als verbindingsman (…).”[548]  Hamas zet de strijd voort, zo laat Trouw weten. De eerste Arabische reacties zijn gereserveerd tot afwijzend, uitgezonderd die van Egypte en de Arabische Liga. Voor ‘radicalen’ binnen de PLO is het een ‘zwarte dag.’[549] De paus verwelkomt het nieuws en hoopt Jeruzalem spoedig te bezoeken: ‘een van de weinige onvervulde wensen van de reislustige pontifex.’ Hij blijft een internationale status voor de heilige stad bepleiten.[550]

Wie er uit het Arabische kamp bij de ondertekening zullen zijn is van bijzonder politiek belang. Syrië, dat zich ‘zeer op de vlakte houdt’, staat onder zware druk om acte de presence te geven. Terreur en sabotage door pro-Syrische groepen kan immers voor grote problemen zorgen.[551] Assad doet echter niet mee aan de ‘Arafatshow.’ Trouw verwacht dat hij de PLO spoedig zal volgen, met een eigen ‘Assadshow.’[552] Hoewel Hamas-aanvallen de vooravond van de ceremonie ontsieren, zijn er in Gaza ook steunbetuigingen voor het akkoord. Arafat laat er na een open uitnodiging ‘geen gras over groeien’: hij komt zelf. Hij draagt wel zijn gebruikelijke gevechtstenue, maar geen revolver: een compromis tegenover eigen achterban en tegenpartij. De plechtigheid levert Clinton ‘prestige op als staatsman, zonder dat hij er iets voor heeft hoeven doen.’[553] Hij stelt in zijn toespraak dat zijn voorgangers zich allen voor de vrede hebben ingespannen. Nu zal de “vrede van de dapperen” de “veiligheid van het Israëlische volk” verzoenen met de “hoop van het Palestijnse volk.” Peres voorspelt: “We zullen de bittere driehoek van Jordaniërs, Palestijnen en Israëliërs omvormen tot een driehoek van politieke overwinning en economische welvaart. (…) We beginnen een nieuwe dag.” Rabin noemt het ondertekenen niet gemakkelijk, maar richt zich tot de Palestijnen: “(…) we zijn voorbeschikt om samen te leven op dezelfde grond in hetzelfde land.” Beëindigen van het Palestijnse gevoel van onrecht is volgens Arafat de sterkste garantie voor vreedzame coëxistentie. Abbas concludeert: “We weten heel goed dat dit slechts het begin is van een reis [vol] gevaren en moeilijkheden.” Over twee jaar moet een eindregeling over Jeruzalem, nederzettingen en vluchtelingen “de laatste steen leggen in het gebouw van vrede (…).” De grote vraag voor de pers is: zal Rabin de hand van Arafat schudden? Nadat Clinton beide heren aanmoedigt met een duwtje in de rug, gebeurt het: ‘Hier wordt geschiedenis geschreven: het onverzoenlijke wordt verzoend.’ Het publiek juicht, sommigen huilen.[554]

De in NRC als dankgebaar omschreven Israëlische tussenlanding vormt in Trouw een kleine controverse achteraf. De Rijksvoorlichtingsdienst stelt dat het gewoon een routinestop was. Wanneer Israël en Marokko aansluitend op het akkoord toenadering zoeken, wordt wederom een historische handdruk gesignaleerd: ‘ze beginnen al een beetje aan inflatie onderhevig te raken.’ Trouw verwacht dat er nog vele zullen volgen.[555] Jordanië gaat nu ook zaken doen met Israël. Aangezien de PLO geen staat is, vormt de onderhandelingsagenda het tweede akkoord dat wordt gesloten met een Arabisch land. Het is nog ‘geen vredesverdrag, maar een blauwdruk voor een vredesverdrag.’[556] Gezien de langdurige vriendschappelijke betrekkingen, was het wachten op een doorbraak op een ander front, dat Jordanië het stigma van verraad zou besparen. Arafat verklaart dat al met Jordanië wordt onderhandelt over een mogelijke confederatie.[557]

Bij terugkeer in Israël noemt Rabin Marokko als voorbeeld van een ommekeer in de Arabische houding. Hij denkt binnen een jaar tot een vergelijk met Libanon te komen en veroordeelt de tweeslachtige politiek van Syrië. Een bestand tussen Hamas en Fatah schept verwarring. Sommige Hamasleiders ontkennen het bestaan ervan. Binnen de PLO blijft de weerstand tegen het akkoord groot. Veiligheids-maatregelen in Tunis worden verscherpt uit vrees voor een aanslag. Trouw relativeert enigzins bevoogdend: ‘Een opsteker voor Arafat is in ieder geval, dat hij het geschopt heeft tot een ereplaats in het Witte Huis.’[558] De foto van de ceremonie hangt in Clinton’s werkkamer. Op de 24e ratificeert de Knesset het akkoord. ‘Van een leien dakje’ gaat dat niet. Na een corruptieschandaal is de Shas-fractie opgestapt, waardoor Rabin de begeerde joodse meerderheid wellicht niet achter zich zou vinden.[559] Aan het eind van de steekproef bevindt zich het bijzonder symbolische bericht dat de Voice of Peace, een piratenzender op zee van een vredesactivist, er na 20 jaar mee stopt. Met het akkoord lijkt de missie vervuld.[560]

 

Frame: ‘vredesdoorbraak’ in NRC en Trouw

Centraal discours: De Oslo-akkoordenvormeneen historische doorbraak in het vredesproces. Er is een compromis bereikt waarin beide partijen ongekende concessies hebben gedaan. Vrede zal welvaart brengen en welvaart zal vrede verzekeren. In de tussentijd is internationale steun noodzakelijk. Er is veel tegenstand en er zijn vele obstakels, maar het is de enige rationele uitweg. Rabin en Arafat zetten een wijze stap.

Probleemdefinities: Tegenstanders van het akkoord kunnen de vrede saboteren. Palestijnse radicalen en fundamentalisten plegen wellicht aanslagen. De Israëlische oppositie wil het verdrag terugdraaien.

Implicaties: Een rechtvaardige oplossing ligt in het verschiet. Regionale vrede is binnen handbereik.

Centrale frasen: historische doorbraak/uitverkoop en verraad, moedige stap, vrede der dapperen, genoeg bloed en tranen, euforie

Historische parallel: Camp David 1978

 

 

3.4 Aanslag in de Tombe der Patriarchen: ontzetting over joods extremisme

 

Inhoudelijke hoofdlijnen in NRC

 

Drie vragen domineren de berichtgeving: hoe kon dit gebeuren, wat betekent dit voor het vredesproces, hoe zal het probleem van de kolonisten worden aangepakt? De dader is meteen bekend: Goldstein, een 42-jarige arts uit Kyriat Arba. In uniform passeert hij de Israëlische schildwachten en vuurt ongehinderd 10 minuten lang met zijn legerwapen op in gebed geknielde Palestijnen: krachtig beeld van ‘een slachtpartij.’[561] Volgens ooggetuigen zijn er mogelijk twee daders: een kwestie die herhaaldelijk in het nieuws terugkeert, zonder definitief uitsluitsel. Bij protesten vallen nog wekenlang doden. De aanslag wordt gekoppeld aan spanningen rond gedeelde toegang tot de Tombe der Patriarchen. De Arabische wereld reageert ontzet en woedend. Arafat stelt het leger aansprakelijk voor deze ‘terugslag in het vredesproces.’[562] Hij eist internationale bescherming voor de Palestijnen in Hebron, ontwapening van kolonisten en bespreking van de neder-zettingenpolitiek. Arafat’s tegenstanders roepen op de PLO-leider ten val te brengen en de akkoorden op te zeggen. Overleg over de implementatie van zelfbestuur in Gaza en Jericho bevriest. Arabische landen schorten ook hun vredesberaad op. De VS regelt spoedoverleg tussen Israël en de PLO, maar die wacht bij nader inzien een uitspraak van de Veiligheidsraad af. Doordat de VS Israël verdedigen, blijft deze echter wekenlang uit.[563] Met betrekking tot de Amerikaanse rol benadrukt NRC dat de regering Clinton Israël onvoorwaardelijk steunt. Volgens de PLO is deze zelfs “Israëlischer dan de Israëliërs.”[564] Israël stelt als lijmpoging een onderzoekscommissie in en laat ook honderden gevangenen vrij. Rabin verklaart zich bereid om civiele waarnemers (“geen gewapende lieden”)[565] toe te laten, maar wijst alle andere eisen af. Kach en Kahane Chai worden verboden na het uitvaardigen van arrestatiebevelen tegen hun leiders.

Het Israëlische onderzoek komt uitgebreid in het nieuws. Volgens het leger hadden vijf wachtposten zich verslapen. Veronachtzaming van joods geweldspotentieel blijkt cruciaal. Dat een jood zoiets kon doen was “moeilijk voor te stellen.”[566] De commissie wijst echter op eerdere Israëlische televisiebeelden waarin kolonisten Palestijnen beschieten, terwijl soldaten toekijken. Door politici wordt ‘verbijsterd’ gereageerd op de ‘onthulling’ door commandanten dat er een bevel gold onder geen beding op kolonisten te vuren, “omdat joden niet de vijand zijn.”[567] Opperbevelhebber Barak betwist later het bestaan van die order. Het leger zou in plaats van kritiek juist eer toekomen, omdat het optreedt volgens moreel hoogstaande waarden.

Contact met de PLO in Tunis doorbreekt de diplomatieke impasse niet. NRC haalt daarop uitsluitend Israëlische bronnen aan, die stellen dat de akkoorden moeten worden nageleefd en dat Arafat tijd wil rekken om de VN voor zijn eisen te winnen.[568] Bij een persconferentie met Clinton zoekt Rabin toenadering tot Syrië en kapittelt Arafat: het is niet gepast “na elke terroristische aanslag nieuwe eisen te stellen.”[569] Op 18 maart veroordeelt een VN-Resolutie de aanslag, waarna Syrië, Jordanië en Libanon onder Amerikaanse druk de onderhandelingen heropenen. Rabin tracht Arafat ‘morele genoegdoening’ te geven en extreem-rechts te isoleren. Hij signaleert het gevaar van “joods racisme”[570] en vraagt zich af of Goldstein ‘wel een mens was.’ Meerdere ministers spreken zich uit voor het verwijderen van extremistische kolonisten. Volgens Peres is het ‘samenleven’ in Hebron ‘dood.’[571] Bouman beschrijft een sterk verslechterende ‘veiligheidssituatie’, ‘hoewel ook voor het drama (…) Israëliërs door “God is groot” roepende Palestijnen werden vermoord.’[572] Daarmee illustreert hij zowel de intensiteit van het geweld als zijn Israëlische standplaatsgebondenheid. In hetzelfde artikel heet het doden door militairen van een zwangere Palestijnse vrouw een ‘ernstig incident’ en zijn tientallen Palestijnse gewonden even zovele ‘incidenten.’ Ondanks de “oorlogstoestand”[573] (op 23 maart worden antitankraketten ingezet tegen vier Hamas-strijders in Hebron) praten Israël en de PLO verder. Het leger haalt met een nieuwe blunder het nieuws, wanneer als Arabier vermomde militairen olie op het vuur gooien door op de 28e enkele Fatah-leden van nabij dood te schieten.

Netanyahu waarschuwt voor ernstige tweespalt als de regering zover gaat joden te verwijderen uit Hebron, volgens Likud het hart van Groot-Israël. Fundamentalistische rabbijnen roepen militairen op om bevelen daartoe te weigeren: een flinke schok in een land waar militaire deugden centraal staan. NRC tekent verschillende afkeurende reacties van andere rabbijnen, politici en bevelhebbers op. Op 31 maart komt van het diplomatieke front het nieuws dat overeenstemming is bereikt over het stationeren van 160 waarnemers in Hebron en voortzetting van het vredesproces. Twee dagen later verzekert Rabin de oppositie dat er geen kolonisten uit Hebron verwijderd zullen worden. Om verder ‘ontsporen’ te voorkomen luidt het voornemen de autonomiebesprekingen ‘in de hoogste versnelling’ te hervatten.[574] Deze opzet neemt evenals de itemreeks echter een scherpe wending door een reeks aanslagen binnen Israël. Die waren door Hamas als wraak in het vooruitzicht gesteld, te beginnen na de islamitische rouwperiode van 40 dagen. Met dit staaltje mediamanagement verhoogt Hamas de nieuwswaarde (kranten houden de aangekondigde ‘totaalstand’ bij) en illustreert het Israëlische onvermogen tot preventie, ondanks algehele afsluitingen en troepenconcentraties. In het door rouw en woede ‘overspoelde’ Israël heeft Likud volgens NRC het idee ‘de straat mee te hebben’ en valt de akkoorden met de PLO aan als “de grootste misdaad in onze geschiedenis.”[575] PLO en Hamas zouden samenzweren om Israël te vernietigen. Peres geeft echter aan het overleg voort te zetten. Rabin verklaart bereid te zijn de “politieke” nederzettingen die onder Likud ‘als paddestoelen (…) uit de grond schoten’ op te geven.[576] Het inlijven van bezet gebied is volgens hem geen optie omdat het apartheid of het einde van het joodse staatskarakter betekent. Pas na felle Israëlische kritiek veroordeelt Arafat de aanslagen, hetgeen volgens de ‘Israëlische deskundigen’ die NRC aanhaalt de zwakte van zijn positie tegenover een wraaklustige achterban aanduidt.

 

Inhoudelijke hoofdlijnen in Trouw

 

Dezelfde drie thema’s staan centraal. Ook het geweld en de protesten die de weken na de aanslag tekenen, figureren vanzelfsprekend prominent in de berichtgeving. Omdat ochtendblad Trouw het nieuws een dag later brengt, opent het met meer details over het ‘bloedbad.’ Zo meldt het dat Goldstein lid was van het ‘racistische’ Kach en na meerdere malen herladen werd doodgeslagen met ijzeren staven. Rabin belde Arafat direct op om zijn ‘schaamte’ uit te spreken en stelde daarbij dat “dwaze acties van gestoorde mensen” de wederzijdse verzoening niet zullen stoppen. Arafat neemt echter geen genoegen met verontschuldigen en eist specifieke maatregelen.[577]  De reacties van ondermeer de VS, Egypte, de VN en Amnesty International zijn eenkennig: ontzetting over de vraag hoe dit kon gebeuren en zorg over de schade voor het vredesproces. Iran en Libië wijzen naar het leger: ‘monsters’ volgens Khadafi. Als christelijk georiënteerde krant geeft Trouw met regelmaat ruimte aan Ojec, een Nederlands overlegorgaan van joden en christenen. Dat spreekt zijn afschuw uit, terwijl ook de paus de “wrede slachting” veroordeelt.[578]

Het blad gaat in op waarschuwingssignalen voor de aanslag. Islamitische leiders komen met een eerdere brief aan Rabin, waarin ze maatregelen eisten tegen Goldstein als gevaarlijke geweldpleger. Palestijnen melden dat ‘Baruch’ ter plaatse een berucht begrip was. Diens vrouw belde ’s ochtends tevergeefs de wachtcommandant dat haar man bewapend op weg was en ‘niet om te bidden.’[579] Trouw besteedt nog meer aandacht aan de Israëlische hoorzittingen dan NRC. Verklaringen door militairen en Palestijnen doen vermoeden dat een andere kolonist Goldstein hielp. Trouw is daar stelliger in dan NRC. Verder blijkt dat de soldaten bij de ingang Goldstein kenden en hem zonder problemen doorlieten: “Waarom ben je in uniform, dokter? Ben je op reservedienst?” Goldstein: “Ja, ik heb reservedienst.”[580] Bewakers bij de Izaak-hal waar hij het vuur opende, hadden zich verslapen. Het duurde even voordat soldaten doorhadden dat het geweld van joodse kant kwam. In de chaos werden verschillende Palestijnen buiten de moskee door het leger neergeschoten. De commandant stelt zelfs niet op kolonisten te mogen schieten als deze het vuur op hem openen. Desgevraagd vertelt hij de ‘zichtbaar verbijsterde’ rechter dat dit hem ook een “bizarre” order scheen. De Westoever-commandant noemt soortgelijke orders.[581] Botsingen tussen Palestijnen en leger blijven slachtoffers maken. De PLO zou bloedwraak door  verwanten niet kunnen voorkomen.[582]

De aanslag komt tijdens slepende onderhandelingen over uitvoering van de akkoorden, waarvoor de steun onder Israëli’s en Palestijnen sterk dalende is. Israël’s inschatting van de gevolgen voor het overleg zijn eerst ‘luchthartig’, maar dat verandert na Arafat’s eisen.[583] De PLO vraagt ook Nederland om deelneming toe te zeggen aan een gewapende internationale vredesmacht, maar de regering wacht EU- en VN-besluiten af. De VS dringen voortdurend aan op overleg en blijven optimistisch. Vrijlating van gevangenen, oppakken van Kach-leiders en onderhandelen achter de schermen moeten de schade beperken. Ondergedoken Kach-leden drijven de spot met de politie door interviews te geven: “We vermaken ons kostelijk.”[584] Op 6 maart gaat Rabin tegen een kabinetsmeerderheid in door te weigeren de kwestie van de kolonisten in stemming te brengen. Volgens hem is dat een zaak voor een slotakkoord en moet niet worden toegegeven aan de PLO. Gelijktijdig probeert hij het uiterst rechtse Tsomet bij zijn coalitie te betrekken.[585]

Na het mislukte contact met de PLO in Tunis vertrekt Rabin alleen naar Washington, waar een gezamenlijke ontmoeting het vredesproces had moeten doorstarten. Rabin’s verwijten aan Arafat worden in Trouw niet geciteerd, wel volgen speculaties dat zijn overleg met Clinton nieuwe opties opleverde, zoals Palestijnse politiepatrouilles in Hebron. De VS houdt een VN-resolutie nog enige tijd tegen, ‘om Israël niet onnodig te kwetsen’, aldus Trouw.[586] Na een compromis spreken de VN zich uit voor het stationeren van waarnemers. Een Amerikaans vijfpuntenvoorstel waarmee aansluitend op de resolutie het zelfbestuur in Gaza en Jericho zou zijn geregeld, werd een week eerder door Arafat afgewezen (NRC gaat hier niet op in). De VS zijn echter optimistisch. Israël benadrukt het belang van het herstellen van de “rust” onder Palestijnen en het ‘op de rails zetten’ van het vredesproces. Het ‘paait’ de PLO met ‘veiligheidsmaatregelen.’[587] Aan het 18 uur durende gevecht met Hamas (de ‘oorlogstoestand’ van NRC) wordt slechts een alinea gewijd. Het liquideren van Fatah-Haviken door een undercover eenheid komt in Trouw niet als zodanig naar voren. Het wordt een ‘schietpartij’ genoemd, waarna het vredesoverleg ondanks felle betogingen toch doorgaat. De invalshoek verschilt daarmee nogal van NRC, dat de toedracht duidelijk maakt en kritiek van Ha’aretz, B’tselem en uit het leger zelf aanhaalt. De voorlopige oplossing van het probleem Hebron door waarnemers te stationeren leidt tot luid protest onder kolonisten. Volgens Sharon “heeft de  (…) regering Hebron aan de buitenlanders [Arabieren] verkocht.” Demonstranten scanderen: “Wij zijn allen Goldsteins.”[588] De itemreeks eindigt met de Hamas-aanslagen en de conclusie dat de onderhandelingen ondanks publieke desillusie doorgaan, met het gebruikelijke gekibbel.

 

Frame: ‘aanslag op het vredesproces’ in NRC en Trouw

Centraal discours: De aanslag treft op een kritiek moment het wankele vredesproces.

Probleemdefinitie: De aanslag toont de kwetsbaarheid van het stapsgewijze onderhandelingssproces  tegenover extremisten. Rabin laat politieke belangen boven vrede prevaleren door terug te deinzen voor een harde aanpak van kolonisten. Arafat overvraagt door meer te eisen dan de akkoorden bepalen. Onachtzaamheid, partijdigheid en vreemde schietinstructies van het leger maakten een drama mogelijk.

Implicaties NRC: Het vredesproces hangt aan een zijden draad. Het probleem van het extremisme is niet bezworen, een voorspelbare keten van wederzijdse wraakacties zal volgen.

Implicaties Trouw: Het vredesproces hangt aan een zijden draad. De steun ervoor onder Israëli’s en Palestijnen is sterk afgekalfd. Het probleem van het extremisme is niet bezworen. Israël is sterk verdeeld.

Centrale frasen: bloedbad, slachting, aanslag op de vrede

Historische parallel: geen

 

 

3.5 Oslo II: taai vredesproces zet door

 

Inhoudelijke hoofdlijnen in NRC

 

De berichtgeving rond Oslo II spitst zich toe op onenigheid over de al dan niet gehele Israëlische ontruiming van Hebron en de vrijlating van politieke gevangenen. De PLO zag de bevrijding van ‘krijgsgevangenen’ als diplomatieke basisstap, terwijl Israël sterk verdeeld was over het op vrije voet stellen van ‘terroristen’. In de aanloop naar ondertekening buitelen twijfel en optimisme over elkaar heen, afhankelijk van de geluiden van de onderhandelingstafel. Rabin en Peres worden als compromisbereid geschetst, door open te staan voor Palestijns zelbestuur in (delen van) Hebron.[589] Met Amerikaanse druk komt het akkoord er uiteindelijk wel, is de teneur. Op 18 september loopt het overleg echter vast op de Israëlische weigering om kolonisten uit Hebron te verwijderen. NRC identificeerde hun aanwezigheid eerder al als conflicthaard en bericht nu over een B’Tselem rapport, dat coëxistentie onmogelijk acht.[590] Bij het nieuws dat een Israëlisch compromis over Palestijnse politiemannen het overleg weer vlot heeft getrokken, wordt het rapport nog eens aangehaald.[591] Hoewel NRC daarmee impliciet het Palestijnse standpunt ondersteunt, weerhoudt dit de krant er later niet van het opdelen van Hebron als een Israëlische concessie te boekstaven.

In de cruciale fase van 19 en 20 september staat Arafat’s woede centraal. Bij het onder ogen krijgen van de kaart bij Oslo II verliet deze hevig verontwaardigd over de ‘kantonisering’ van Palestijns zelfbestuur het overleg. Volgens NRC past een dergelijke crisis bij de “harde” eindfase van onderhandelingen en is van definitief falen nog geen sprake.[592] Wanneer het vervolgens tot een oplossing komt, is dat volgens NRC te danken aan belangrijke concessies door Israël, dat 30% meer land zou hebben ‘gegeven’ dan het aanvankelijk voorstelde en ook zelfbestuur in Hebron toestond.[593] Likud’s rouwklacht over “een rampzalige zwarte dag voor Israël”[594] onderstreept dit beeld. Dat Rabin beklemtoont Groot-Jeruzalem en de Jordaanvallei te zullen behouden wordt vermeld, terwijl elders Arafat’s uitspraken over een Palestijnse staat worden genoemd. Volgens Rabin zou dat een federatie met Jordanië moeten worden. NRC kadert deze twee zaken zonder ze als dissonant tegen elkaar af te zetten, als twee zijden van dezelfde vredesmedaille. Amerikaanse pendeldiplomatie krijgt de eer toegekend beide partijen te hebben aangespoord (waar nodig ‘rammelend met de geldzak’) en Arafat ‘tot bedaren’ te hebben gebracht.[595] De Amerikaanse verlegenheid bij Oslo I buitenspel te hebben gestaan, is daarmee volgens de krant verleden tijd.

Kernstuk van de itemreeks is de officiële ondertekening, die Clinton de wereld ten voorbeeld stelt. Het bijwonen ervan door Jordanië en Egypte illustreert de veranderde opstelling van Arabische landen tegenover Israël. Syrië en Libanon worden opgeroepen zich bij de onderhandelingen aan te sluiten. Arafat stelt dat het vredesproces onomkeerbaar is. Hij oogst applaus met het veroordelen van geweld. Rabin roept op tot samenwerking tegen terroristen die “het land van melk en honing (…) bloed en tranen” brengen. Hij stelt dat hij na twee jaar onderhandelen Arafat persoonlijk kent en “vlinders” in zijn buik had bij het schudden van zijn hand.[596] Deze beeldspraak sluit krachtig aan bij het ‘vredesdoorbraak’-frame van Oslo I, toen de handdruk nog met zichtbare tegenzin gepaard ging. Wel zitten er volgens NRC nog de nodige haken en ogen aan de afwikkeling. Dat blijkt wel wanneer de Knesset het akkoord na een ‘stormachtig’ debat slechts met de kleinst mogelijke meerderheid ratificeert.[597] Of het akkoord in de praktijk werkt hangt mede af van de vraag of de Palestijnse politie kan samengaan met kolonisten, zo wordt herhaaldelijk aangetekend.

De vrijlating van Palestijnse gevangenen geeft nog een heikel staartje aan deze berichtenstroom. Weizman schoffeert Peres door gratie te weigeren aan enkele vrouwelijke gevangenen ‘met joods bloed aan hun handen.’ Daarop weigeren alle politieke gevangenen hun vrijlating en komen slechts tientallen ‘gewone gevangenen’ (criminelen) vrij.[598] De snelheid van terugtrekking leidt ook gelijk tot misverstand: het leger bepaalt zijn eigen tempo en logenstraft daarmee een boude PLO-uitspraak over een termijn van 10 dagen. Wat betreft verdere reacties is er aandacht voor internationale financiële steun, voor Palestijnse rellen gericht tegen kolonisten in Hebron, voor een gewelddadige protestmars door kolonisten aldaar en voor kolonisten die demonstratief de Jordaanse grens schenden. Een Hamasdelegatie krijgt Rabin’s toestemming om met leiders in Sudan te overleggen over een bestand, om het akkoord een kans te geven.[599]

 

Inhoudelijke hoofdlijnen in Trouw

 

Trouw noemt de aanwezigheid van joodse kolonisten in Hebron eveneens als voornaamste struikelblok, gevolgd door het tijdschema voor de vrijlating van 5.000 gevangenen. Het blad vertoont minder verwachtingsvolle anticipatie dan NRC en benadrukt dat de streefdata al een jaar verstreken zijn.[600] Bij het vermelden van de inhoud van het geparafeerde akkoord, wijst het erop dat de belangrijkste problemen pas over een jaar aan bod komen. Daarbij bestaat er aanzienlijke discrepantie tussen de Palestijnse staatswens en de toekomstvisie van Rabin, die permanente Israëlische omsluiting van Palestijns gebied inhoudt. Door dit feit te benadrukken kadert Trouw het interimakkoord kritischer dan NRC doet. Rabin tekende het verdrag snel, zodat hij zijn religieuze coalitiepartners te vriend kon houden door het joodse nieuwjaar bij te wonen. Dit feest verhinderde ook dat het parlement zich nog voor de ceremonie in Washington met het akkoord kon bemoeien. Arafat’s woede tijdens de onderhandelingen wordt betiteld als een “show” die onbuigzaamheid moet tonen aan de achterban, een met NRC vergelijkbare interpretatie dus.[601]

Polak en Friedman geven uitgebreide informatie over de interimbepalingen. Zij vervolgen de kritische noot, door er op te wijzen dat het slecht een ‘voorspel’ betreft, een vervolg op de ‘quantumsprong’ van Oslo I, die in praktisch opzicht echter ook maar een ‘intentieverklaring’ was. De correspondenten van Trouw hebben de aanvankelijke euforie en het optimisme van Oslo I duidelijk geherevalueerd. De oplossing rond Hebron is geen echte en kan tot bloedbaden leiden tussen Palestijnse politie en kolonisten. Bovendien kan de voorzichtige  aanloop naar eindbesprekingen teniet worden gedaan bij een verkiezingsnederlaag van de Arbeiderspartij.[602] Het westen begroet Oslo II weliswaar met instemming, maar voor Arafat wordt het lastig het ‘gecompliceerde akkoord aan zijn volk te verkopen.’[603] PLO-hardliners, Hamas, Syrië, Libië en Iran wijzen het af. In Hebron leidt het tot strijd tussen Palestijnen, kolonisten en het leger.

De officiële ceremonie biedt het opmerkelijke schouwspel van een ontspannen ‘vredeskamp’: Clinton temidden van Rabin, Hoessein, Arafat en Mubarak.[604] Libanon en Syrië zijn nadrukkelijk uitgenodigd, maar opvallend afwezig. De spanning is eraf, de partners zijn aan elkaar gewend, de toespraken plichtmatig. Rabin roept op tot broederlijk samenleven en stelt de gezamenlijke strijd tegen de “boze engel van het kwaad” (terreur) tot doel. De veiligheid van de Israëlische burgers is volgens hem cruciaal voor de vrede, anders zullen er van de akkoorden ‘niets dan kleurenfoto’s’ resteren. De ondertoon van deze vermaning wordt door Trouw als ‘licht dreigend’ ervaren, waarmee de krant opnieuw voor een wat kritischer insteek dan NRC kiest. Opvallend is ook dat Trouw constateert dat Arafat de term staat zorgvuldig vermijdt ten gunste van ‘entiteit.’[605] Bouman parafraseert Arafat’s toespraak in NRC juist als voorspelling van een Palestijnse staat. Het laatste deel van de itemreeks gaat in op de implementatie van de Israëlische terugtrekking (met als symbool de Palestijnse vlag die de Israëlische vervangt) en onenigheid over de uitvoering daarvan. De gevangenenkwestie en de botsingen tussen Palestijnen, kolonisten en leger uit protest tegen het akkoord komen eveneens aan bod. Geestelijk Hamasleider Yasin spreekt zich uit voor een tijdelijke wapenstilstand om de levensvatbaarheid van Palestijns zelfbestuur te verhogen.

 

Frame: ‘taai vredesproces’ in NRC en Trouw

Centraal discours NRC: Het vredesproces blijkt taai qua problemen maar ook qua veerkracht. Ondanks grote meningsverschillen en afkalvend draagvlak hebben Israëlische concessies en Amerikaanse druk tot een doorbraak geleid. Arafat heeft met dramatisch theater een betere deal verkregen. Kern van het vredesproces is een territoriaal compromis door Israël in ruil voor veiligheid.

Centraal discours Trouw: Het vredesproces blijkt taai qua problemen maar ook qua veerkracht. Arafat heeft met dramatisch theater een betere deal verkregen. Kern van het vredesproces is een territoriaal compromis door Israël in ruil voor veiligheid. Het proces verloopt traag, Oslo II is slechts een tussenstap. De eindvisies van beide partijen liggen ver uiteen en het akkoord valt slecht bij de Palestijnen.

Probleemdefinities NRC: De aanwezigheid van kolonisten in Hebron is een conflicthaard die met de komst van Palestijnse politie groeit. De gevangenenkwestie is een emotioneel probleem waarin Weizman zijn positie misbruikt. De rechtse oppositie, de kolonisten en Palestijnse terreur bedreigen het vredesproces.

Probleemdefinitie Trouw: De aanwezigheid van kolonisten in Hebron is een conflicthaard die verwijderd had moeten worden. Bloedbaden liggen waarschijnlijk in het verschiet. De implementatie van afspraken is vaak problematisch. De rechtse oppositie, de kolonisten en Palestijnse terreur bedreigen het vredesproces.

Implicaties: De risicovolle weg naar duurzame vrede en een Palestijnse staat wordt voortgezet.

Centrale frasen: concessies, show, vredesproces

Historische parallel: Oslo I, Camp David 1978

 

 

3.6 De dood van Rabin: vredeskrijger sneuvelt

 

Inhoudelijke hoofdlijnen in NRC

 

De dood van Rabin is een enorme politieke en maatschappelijke schok, waarbij gevoelens van verdriet, verbijstering, pijn en woede ruimschoots in beeld komen. De aandacht gaat uit naar de tweedeling binnen Israël: jood vermoordt jood. De rechtse oppositie wordt verantwoordelijk gehouden voor een hysterisch politiek klimaat, waarin het uitschakelen van deze ‘verrader’ voor religieuze extremisten een morele plicht werd. Rabin geldt als vredesmartelaar: de soldaat die inzag dat vrede de enige weg was en als oorlogsheld het gezag had om die koers af te dwingen. Zijn begrafenis wordt het symbool van offers voor vrede.

            Honderdduizenden betuigen Rabin voor de Knesset de laatste eer. Op het plein ‘waar zaterdagavond de vredesliederen schalden’ rouwen dag en nacht jongeren. Deze tsabre blijkt hun idool: ‘In deze in Israël geboren man herkennen ze zichzelf (..) als één van de echte Israëlische familie.’[606] De Nederlandse, Britse, Franse en Duitse reacties getuigen van afschuw en van steun voor het vredesproces. Clinton noemt Rabin zijn vriend en gedenkt zijn woorden bij Oslo II, over het land van melk en honing. Ruim 40 staatshoofden wonen de begrafenis bij. Zo ook koningin Beatrix, een unicum. Het emotionele accent bij de plechtigheid ligt volgens de krant op de Arabische aanwezigen. Koning Hoessein herdenkt zijn ‘broeder en vriend’ namens de “vredescoalitie.”[607] Zijn uitspraak nooit te hebben gedacht Jeruzalem zo voor het eerst te bezoeken, groeit uit tot ikoon van het vredesproces. Mubarak vergelijkt de dood van Rabin met die van Sadat. Senator Kennedy strooit zand van de graven van zijn vermoorde broers op dat van Rabin. Dat onderstreept samen met Clinton’s tranen de hechte band met Amerika, zo constateert NRC. Het met bloed doordrenkte vredeslied uit Rabin’s jaszak wordt voorgedragen. Namens het Palestijnse volk biedt Arafat zijn condoleances aan. Hij vindt het pijnlijk dat hij ‘om veiligheidsredenen’ niet welkom is. Later bezoekt hij heimelijk Rabin’s weduwe, die hem vertelt dat haar man in hem een ‘vredespartner’ zag. Wanneer dat bekend wordt is de publieke reactie dat voor deze éne keer Arafat’s voet op Israël’s bodem terecht gedoogd werd. De Amerikaanse consul en een Palestijnse minister vermelden hoe Arafat bij het horen van het nieuws huilde en tijdelijk instorte. Op Arabische straten tonen ‘radicalen’ daarentegen hun vreugde, net als Islamitische Jihad, Hamas, Iran, Soedan en Libië. Syrië houdt zich op de vlakte. In nederzettingen als Ariël en Hebron vieren rabbijnen en kolonisten Rabin’s dood, bericht de krant afkeurend.

Lea Rabin geeft Likud ‘zonder meer de schuld’ van de aanslag. Netanyahu verdedigt zich door deze aanval te vergelijken met de vraag of “Lee Harvey Oswald een Republikein of een Democraat was.”[608] In opiniepeilingen verliezen de rechtse partijen fors aan steun. De Shin Bet wordt hevig bekritiseerd wegens de falende beveiliging, waarin geen aandacht was voor het extreemrechtse gevaar, hoewel dat ten volle bekend was. Aan de toedracht wordt in meerdere berichten aandacht besteedt, net als aan de drastische veiligheidsmaatregelen nadien. Peres ontvangt doodsbedreigingen. Amir vertelt de politie geen berouw te hebben: “God heeft me de opdracht gegeven.”[609] Hij had al eerdere pogingen gepland, elf in totaal. Zijn broer wordt als medeplichtige opgepakt. Hij zou de gebruikte dum-dum kogels hebben geslepen.[610] In een TV-interview verklaart Amir’s moeder huilend hem niet meer als zoon te beschouwen. Er is behoorlijk wat aandacht voor de familie-achtergrond: religieus maar niet politiek extremistisch, waarbij titels uit Amir’s boekenkast echter op onderhuidse radicaliteit duiden. Op de religieuze Bar-Ilan universiteit maakte hij deel uit van het extreemrechtse Eyal. Vijf leden van deze ‘terroristische ondergrondse’ worden gearresteerd, waaronder de ondergedoken leider.[611] Later volgen een militair uit een elite-eenheid en diens vader, evenals een medestudente die een hoofdrol zou hebben gespeeld in de samenzwering. Waarschuwingen dat er over een aanslag werd gedebatteerd, blijken door de Shin Bet te zijn genegeerd.

Rabbijn Bin-Nun verklaart de oorlog aan rabbijnen die tot moord hebben aangezet en noemt twee van hen bij naam.[612] Daarmee wordt de vraag actueel of ze aangeklaagd moeten worden en welke extreme reacties dat kan oproepen. Peres waarschuwt voor een ‘storm van geweld.’ Ministers uiten ‘ferme taal’ over het ‘verpletteren’ van extremisten.[613] Mensen die de aanslag op Rabin goedpraten komen in juridische problemen.  De veiligheidsdienst concentreert zich ook op joodse extremisten in de VS.[614] Amerikanen die banden hebben met Kach of Kahane Chai wordt de toegang tot het land ontzegd. Als gevolg van kritiek dat justitie lankmoedig optreedt, worden 120 Palestijnse aanklachten tegen kolonisten in behandeling genomen. Staatssubsidies aan racistische, ondemocratische instellingen worden onder de loep genomen: een maatregel die tegen verschillende jesjivot (religieuze opleidingsinstituten) is gericht. De onthulling dat de leider van Eyal (Avishai Raviv) Shin Bet informant was, leidt tot opschudding. In Israël doen complottheorieën de ronde. Wellicht stonden sommige ‘krachten’ binnen de geheime dienst ‘niet onwelwillig’ tegenover het ‘uit de weg ruimen’ van Rabin, zo vlak voor het overdragen van steden aan de Palestijnse Autoriteit.[615] Raviv blijkt fotomontages van Rabin in SS-uniform te hebben verspreid: voor Sharon en Netanyahu aanleiding te suggereren dat hij daarmee juist in opdracht van de Arbeidersregering Likud in diskrediet wilde brengen.

Met het wegvallen van Rabin komt een zware last op Peres’ schouders te rusten. Naar algemene overtuiging (gedeeld door NRC) is hij daarvoor als impopulaire idealist en intellectueel minder geschikt, maar de aanslag verschaft hem voorlopig heel wat extra politiek krediet. Hij belooft de akkoorden stipt te zullen uitvoeren en draagt Jenin over aan de Palestijnse politie, met de gebruikelijke berichtgeving over Palestijns vlagvertoon en sceptische blijdschap onder de bevolking. Vredesonderhandelingen met Syrië blijven hoog op de agenda staan. Hamas besluit mee te doen aan verkiezingen voor de Bestuursraad: een officieus bestand. Op 15 november wordt waarnemend premier Peres tot kabinetsformateur benoemd. Dit met instemming van Netanyahu, omdat een regeringswisseling niet door moord tot stand mag komen.

 

Inhoudelijke hoofdlijnen in Trouw

 

Hoewel ook bij dit onderwerp de hoofdlijnen in beide kranten grotendeels overeenkomen, komt de signatuur van Trouw daarbij duidelijk naar voren. De joods-christelijke vriendschap en de band van politiek en koningshuis met Israël worden benadrukt. Aan reacties uit de joodse gemeenschap wordt grote aandacht besteed. Zo stelt de orthodoxe rabbijn Meijers dat een moordenaar “geen religieus levende jood” is en dat Amir dan ook zeker niet ‘ultra-orthodox’ mag worden genoemd. Liberaal rabbijn Numan benadrukt dat de aanslag “onverenigbaar” is met de “joodse levensovertuiging.” Dergelijk fanatisme moet volgens rabbijnen in Nederland geen kans krijgen. Kwalificaties als ‘tragiek’, ‘traumatisch’ en “slag voor de democratie” (Nieuw Israëlitisch Weekblad) passeren de revue.[616] Van het feit dat de dader joods is wordt unaniem gegruwd. Bij de Amsterdamse herdenking van Kristallnacht (10 november) wordt de minuut stilte aan Rabin opgedragen. In een treffende illustratie van de speciale Nederlands-Israëlische relatie noemt minister Van Mierlo het “absoluut exceptioneel” dat koningin Beatrix de begrafenis bijwoont.[617] Premier Kok naderhand: “De wereld weende aan zijn graf.”[618]

            De hoop dat Peres ook zonder Rabin het vredesproces kan doorzetten kenmerkt de westerse reacties. Voorlopig houdt de oppositie zich gedeisd en kan hij een coalitie samenstellen die voldoende draagvlak bezit om de ingeslagen te vervolgen. Volgens Trouw is de belangrijkste vraag of hij ook op langere termijn ‘de wagen met evenveel autoriteit zal weten te trekken.’[619] De emoties in de VS leveren meerdere berichten op. Amerikanen koesteren “het beeld van de keiharde soldaat die vredesapostel wordt” en vergelijken de moord met die op Kennedy. Clinton’s eerste afscheidswoorden - ‘Shalom, cahweer’: ‘Vaarwel, vriend’ - worden vereeuwigd in Israëlische bumperstickers.[620] Het zwaartepunt van de itemreeks ligt bij de begrafenis, politiek drama bij uitstek. De VS en Israël proberen vergeefs van de gelegenheid gebruik te maken, Syrië bij het vredesproces te betrekken. Trouw getuigt van empathie met het Israëlische lot: ‘En alsof dat [de internationale steun] nog niet genoeg was voor een land dat zich jaren eenzaam, geïsoleerd heeft gevoeld, stonden daar ook de gezanten uit de Arabische landen (…).’[621] Daarbij komt later nog het bezoek ‘via een achterdeurtje’ van de ‘ooit zo gehate PLO-leider’ aan Lea Rabin.[622] De toespraken van regeringsleiders hebben Rabin’s offer voor vrede als gemene deler. Zijn tekstschrijver verwoordt het kleurrijk: ‘je bloed bedekt de woorden van het “Lied van de Vrede.”[623] Haar signatuur indachtig geeft Trouw bij dit alles uitleg over joodse rouwrituelen. De herdenkingen door de Israëlische “flower-power”-jeugd’ in Tel Aviv zorgen voor een sacrale omlijsting: “Jitschak Rabin, jij was onze Mozes. Jij hebt ons naar de vrede geleid.”[624]

Amir’s persoonlijke achtergrond krijgt veel aandacht (‘een religieus, maar tolerant gezin’[625], ‘een onopvallende jongen, die veel tijd doorbracht in de bibliotheek’[626]). Zijn moeder, een kleuterleidster, maakt een sympathieke media-entrée. Ze vraagt vergiffenis en valt haar zoon openlijk af. Doordat zij Amir’s broer kushandjes toewerpt wanneer hij voor het gerecht zijn “onschuld” verdedigt, komt er wat Trouw betreft echter een barst in dit tragische portret. De toon wordt zelfs denigrerend: in het vervolg wordt ze  consequent ‘mama Amir’ genoemd.[627] Wat betreft politieke context staan Amir’s studie in rechts-religieuze kring en het lidmaatschap van Eyal centraal. Het kabinet richt een eenheid op tegen extremistische joden, maar gezien het vrije wapenbezit is het de vraag of dat zin heeft: “Er is geen recht om te betogen met een wapen in de hand. (…) We zijn te ver gegaan.”[628]  Binnen de Shin Bet gaan vanwege het evidente falen ‘koppen rollen’[629], voorspelt Trouw: “Niemand dacht dat bij ons zoiets kon gebeuren.”[630] Bij het oprollen van de samenzwering worden explosieven in beslag genomen. Amir neemt een als arrogant omschreven houding in, zonder spijt. In de VS blijkt de radicale stroming ook zijn wortels te kennen: zo zamelt een New Yorkse rabbijn geld in om Amir te steunen. Volgens hem was Rabin een “extreem radicale racist, die joden haatte.”[631] Een stadgenoot verkondigde eerder in preken dat joden onder bepaalde omstandigheden hun leiders mogen doden. De itemreeks eindigt met het schandaal dat Aviv een ‘agent-provocateur’ van Shin Bet zou zijn, waarvan Likud dankbaar gebruik maakt. Trouw schetst hoe gevoelige informatie wordt gelekt doordat veiligheidsdienst en politie ‘elkaar (…) de schuld in de schoenen proberen te schuiven.’[632]

 

Frame: ‘vredesmartelaar’ in NRC en Trouw

Centraal discours: Op zijn moment van glorie is Rabin tot groot verlies van de wereld geslachtofferd. Hij stierf als soldaat die uiteindelijk streed voor vrede. Politiek en staat hebben joods extremisme onderschat en een fanatisme laten voortwoekeren dat lijnrecht ingaat tegen de idealen van Israël en het jodendom.

Probleemdefinitie: Karaktermoord op Rabin door Likud vormde de voedingsbodem voor een echte moord. Joods fundamentalisme en rechtsextremisme bedreigen de democratie en het vredesproces

Implicaties: Peres zal het moeilijk krijgen, maar het vredesproces zal doorgaan. Er zullen maatregelen genomen moeten worden tegen religieuze extremisten in het Israëlische kamp.

Centrale frasen: soldaat, vredesheld, extremisme

Historische parallel: aanslag op Kennedy, aanslag op Sadat

 

 

3.7 Camp David: een brug te ver

 

De itemreeks start met het nieuws dat in geheime besprekingen de basis voor eindonderhandelingen is gelegd. Op 5 juli kondigt Clinton een top te Camp David aan. Drie partijen verlaten daarop Barak’s coalitie, omdat hij volgens hen solistisch en ondemocratisch optreedt. Zijn minderheidsregering overleeft een motie van wantrouwen. Barak beroept zich op het vredesmandaat van de kiezers en wijt de ‘prestigenederlaag’ aan “kinderachtig gedrag” van de oppositie.[633] NRC geeft er een manhaftige draai aan: ‘Ondanks deze enorme tegenslag (…) is Barak vastbesloten om in Camp David historische vredesbeslissingen te nemen (…).’[634] De inzet is hoog. De PLO beroept zich op VN-Resolutie 242, terwijl Barak gebieden met kolonisten wil annexeren. Arafat kondigt aan op 13 september (de afgesproken tijdslimiet voor een eindregeling) hoe dan ook een Palestijnse staat uit te roepen, met Oost-Jeruzalem als hoofdstad. De VS en Israël waarschuwen hem voor ernstige consequenties.[635] Beide zijden bereiden zich voor op mogelijke vijandelijkheden. Arafat vreest een mislukking vanwege gebrek aan voorbereiding, waarvan hij dan de schuld zal krijgen.

Bij de opening van de top roept Clinton op tot compromis. De sfeer wordt ‘ontspannen’ genoemd, hetgeen wordt onderstreept door een ‘stoeiende’ Barak die een lachende Arafat naar binnen duwt.[636] Later begrijpt NRC echter van Ha’aretz dat zij elkaar in werkelijkheid ‘niet konden uitstaan.’[637] De inhoud van de gesprekken wordt van de pers afgeschermd. Bouman meldt dat de Israëli’s door politici en opperrabbijnen worden voorbereid op ‘concessies’, zoals landruil en Palestijns gezag over grafplaatsen.[638] Na een week rapporteert Clinton enige vooruitgang, maar: “God, wat is het moeilijk.”[639] Op 19 juli wil Barak opstappen, omdat Arafat volgens hem niet serieus onderhandelt. ’s Nachts brengt een doodvermoeide Clinton het nieuws dat het reeds beëindigd verklaarde overleg toch doorgaat, omdat niemand wil opgeven. Een naar Ha’aretz gelekt Amerikaans voorstel leidt tot consternatie onder rechts-religieus Israël. Het verbreekt het ‘taboe op de onbespreekbaarheid’ van Jeruzalem met gedeeltelijk Palestijns zelfbestuur.[640] Verder zou het de stichting van een Palestijnse staat op 95% van de Westoever inhouden, waarbij 80% van de kolonisten onder Israëlisch gezag blijft. Israëlisch grondgebied dient daarbij ter compensatie.[641] Op de 24e gaat volgens ingewijden een ‘cruciale fase’ in: Jeruzalem wordt besproken. Beilin verwacht een “creatief compromis.”[642] Twee dagen later blijkt de top echter te zijn mislukt. Het Witte Huis verklaart dat de kloven niet konden worden overbrugd, maar dat beide partijen met Amerikaanse coördinatie in gesprek blijven.

            Een teleurgestelde Clinton vertelt de pers dat Barak “bijzondere moed” toonde en “verder is opgeschoven dan Arafat.” Volgens hem is het alternatief voor onderhandelen “ondenkbaar” en zijn de moeilijkste problemen in ieder geval aangesneden.[643] Barak verklaart dat de top faalde door Arafat’s “halsstarrigheid” en “gebrek aan visie.” De Israëlische standpunten genoten volgens hem complete Amerikaanse steun. Arafat was echter “bang om historische beslissingen te nemen” inzake Jeruzalem. Israël zal de joodse meerderheid daar blijven uitbreiden.[644] Twee dagen later verschijnt Clinton in een interview op de Isaëlische tv om Barak’s ‘moeilijke binnenlandse positie te stutten.’[645] Hij prijst hem als een leider die vrede kan sluiten en tegelijk pal staat voor vitale veiligheidsbelangen. Naar aanleiding van Arafat’s opstelling te Camp David overweegt hij de Amerikaanse ambassade naar Jeruzalem te verplaatsen. Hoewel hij nog voor 13 september een akkoord verwacht, waarschuwt hij tegen het eenzijdig uitroepen van een Palestijnse staat. Arafat geeft geen persconferentie. Volgens Palestijnse woordvoerders was juist Barak onbuigzaam, maar is een vredesregeling ‘dichterbij dan ooit.’[646] Volgens een onderhandelaar zijn ‘de voorwaarden (…) nog nooit zo goed geweest.’[647] In de Gazastrook wordt Arafat onthaalt ‘als een nieuwe Salah a-Din die de kruisvaarders versloeg’ omdat hij niet toegaf. Zijn positie is zodanig versterkt, dat hij zich wellicht alsnog concessies over Jeruzalem kan permitteren, menen ‘Palestijnse waarnemers.’ Bouman stelt dat ook Barak een gedeeltelijke zege heeft behaald, die ruimte laat om een stap verder te gaan. Hij ligt weliswaar onder vuur omdat hij ‘grote territoriale concessies’ heeft gedaan en de Palestijnen ‘zelfs vaste voet geeft’ in Jeruzalem. Arafat erkent echter voor het eerst de ‘legitimiteit’ van de nederzettingen, en neemt de Israëlische veiligheidsdoctrine grotendeels over in een ‘historisch veiligheidssucces.’[648]

            Een tweeweekse rondreis door Arafat om steun te verwerven voor het uitroepen van een staat, ondervindt geen bijval. Uit de islamitische wereld komt obligate steun, maar deze wordt gekoppeld aan dringende suggesties de datum uit te stellen. Op 16 augustus wordt het overleg formeel hervat. De itemreeks eindigt met het op tafel komen van advies door een Israëlische Jeruzalem-specialist. Die beveelt aan het ‘verouderde concept’ van soevereiniteit los te laten en het bestuur van de stad symbolisch in handen van God te leggen, via een bestuurlijk compromis en een internationaal religieus forum.[649]

 

Inhoudelijke hoofdlijnen in Trouw

 

Trouw kondigt de top aan als een laatste poging om met “een gok” het vredesproces te redden. Barak roept op tot “moedige beslissingen.” Arafat vreest een ‘een-tweetje’ tussen Clinton en Barak. Barak’s opgestapte  coalitiepartijen verwachten een “nationale uitverkoop.”[650] Hij verzekert het volk dat hij niet zal toegeven op vijf punten: Jeruzalem blijft Israëlisch, de grenzen van ’67 zijn verleden tijd, de nederzettingen blijven, vluchtelingen keren niet terug, de Jordaanvallei wordt gedemilitariseerd.

            Er worden geen handen geschud op de ‘top (…) zonder illusies’, maar de spanning ontlaadt zich in een ‘giechelige botsing’ als beide leiders tegelijk de drempel oversteken.[651] In Israël en de bezette gebieden zijn er pro- en contrademonstraties. Informatie is gebaseerd op geruchten: Jeruzalem en de vluchtelingen zijn struikelblokken, er wordt gesproken over landruil. Vlak voor hij enkele dagen naar G8 overleg vertrekt, probeert Clinton met ‘somberheid (…) als wapen’ een beslissing te forceren. Volgens hem is de positie van beide leiders ongekend zwaar en zal “hun halve achterban [hoe dan ook] woest op hen zijn.” Zware regen tekent de sfeer.[652] Toch sluit Trouw een doorbraak op het laatste moment niet uit. Zes jaar eerder stond Arafat bij het tekenen van een deelakkoord ‘nog op het podium stampvoetend tegen te stribbelen.’ Wat betreft Jeruzalem kan echter niemand ‘zelfs maar de indruk wekken te zwichten.’[653] Bij het tijdelijk afbreken van overleg werpt Barak zijn gesprekspartner naar verluidt voor de voeten dat het opgeven van soevereiniteit over Jeruzalem hem zijn premierschap kost. Arafat repliceert dat hij wordt vermoord als hij genoegen neemt met beheer van de Tempelberg en zelfbestuur in Palestijnse wijken. Dan moet Barak met Hamas verder. Na een nachtelijke redding door Clinton breekt de ‘dag van de kater’ aan. Het uitgelekte Amerikaanse ‘overbruggingsvoorstel’ lost het dilemma niet op. In ruil voor een staat en soevereiniteit over wijken en voorsteden (uitgewisseld tegen nederzettingen), zouden de Palestijnen het conflict voor beëindigd moeten verklaren. Omdat hij in Israëlische ogen ‘haast ondenkbare concessies’ zou hebben gedaan, kan Barak niet zonder zo’n verklaring. Arafat kan die echter onmogelijk geven zonder soevereiniteit over Oost-Jeruzalem. Clinton loopt dan ook ‘een blauwtje.’[654] Hamas deelt mee alleen over vrede te willen praten als Israël zich volledig terugtrekt, ook uit Oost-Jeruzalem. Eerder meldde Trouw nog dat Hamas geen enkel akkoord accepteert. De paus bepleit een speciale, internationale status voor de stad.

            Tijdens het ‘kritieke etmaal’ waarin Jeruzalem ter sprake komt, doorbreken ministers via telefonische interviews de ‘radiostilte.’ ‘Veel te melden hadden ze niet’, behalve irritatie. Netanyahu, wiens comeback zich in opiniepeilingen aftekent, veroordeelt Barak’s “gevaarlijke beleid.” Clinton en de Israëli’s proberen Arabische buurlanden te overreden om Arafat tot een ‘milder’ standpunt te bewegen.[655] Daags ervoor steunden Egypte en Saoedi-Arabië publiekelijk de Palestijnse aanspraak op Oost-Jeruzalem. Wanneer de top faalt, bereiden beide kampen zich op het ergste voor. Clinton benadrukt echter dat er veel is bereikt en kondigt aan dat hij een gezant stuurt voor vervolgoverleg. Hoewel volgens hem ook Araft “de zaak van de vrede is toegedaan”, trekt hij ‘duidelijk partij’ voor Barak, man van “moed en visie.” Beide leiders wacht een roerige achterban. Arafat heeft echter een ‘bres’ geslagen in de ‘ondeelbaarheid’ van Jeruzalem.[656] Palestijnen interpreteren Clinton’s positie als bewijs van Arafat’s standvastigheid. Ook in Trouw wordt zijn thuiskomst vergeleken met het onthaal van Saladin. De itemreeks eindigt met Arafats rondreis en dringende adviezen om het uitroepen van een staat uit te stellen. Mubarak neemt het voortouw door te verklaren dat de datum wordt verschoven, waarbij niet duidelijk is of dat een ‘dwingend advies’ of een feit is.[657] Medio augustus komt hervatting van het overleg aan de orde, terwijl Israëlische en Palestijnse delegaties elkaar over de wereld volgen om steun voor hun standpunten te verwerven.

 

Frame: ‘voorlopige mislukking’ in NRC en Trouw

Centraal discours: Barak heeft een groot risico genomen en ongekende concessies gedaan. Het afstaan van soevereiniteit over Jeruzalem vormde het uiteindelijke breekpunt. De tegenstand in eigen achterban is enorm. Wel zijn belangrijke taboes doorbroken. Volgens de VS en Israël is het falen te wijten aan Arafat’s onbuigzaamheid. De Palestijnen prijzen hem daarvoor.

Probleemdefinitie: Gedeelde soevereiniteit over Jeruzalem is voor beide kampen nog een brug te ver.

Implicaties: Als Arafat nog een stap verder zet is vrede mogelijk. Barak is misschien tot nog meer concessies bereid. Het alternatief is het einde van het vredesproces: geen optie, wel een gevaar.

Centrale frasen: moed en visie, grote concessies, ondeelbaarheid van Jeruzalem

Historische parallel: Camp David 1978, Oslo I

 

 

3.8 Conclusie

 

Het Palestijns-Israëlisch conflict geniet grote belangstelling. De berichtgeving getuigt van nauwe politieke, culturele en emotionele betrokkenheid bij het wel en wee van Israël als westerse democratie en joodse staat. De aspiraties en ervaringen van Palestijnen komen ook aan bod, maar de intrinsieke waarde daarvan is ondergeschikt aan de vraag of zij bereid zijn het onderhandelingspad te vervolgen en of de veiligheid van Israël in het geding is. Het met de Oslo-akkoorden ingezette ‘vredesproces’ wordt positief gekaderd. De fundamentele ongelijkheid in de machtsverhoudingen en de onderhandelingstransacties blijft onderbelicht. De pers neemt weliswaar een kritische houding in, maar richt zich daarbij primair op de ‘vooruitgang’ in het ‘proces’ en de ‘bedreigingen’ ervan. De kern van de zaak blijft daarmee buiten schot. De frames waarin het nieuws wordt geplaatst, zijn geconstrueerd rond tegenstellingen, zoals ‘concessies’ en ‘verzoening’ versus ‘extremisme’ en ‘vijandschap’. Dergelijke kaders passen uitstekend in het ‘evenwichtigheidsparadigma’, hoewel het ‘pro-Israëlische’ paradigma er evengoed mee verenigbaar is: Rabin’s regering wordt immers vooral met de positieve kant van de weegschaal geassocieerd. Soms vindt ook het ‘pro-Palestijnse’ paradigma een beperkte plaats in de berichtgeving. Met name in reactie op ‘afgekeurde’ actoren aan Israëlische zijde (rechts-extremisten, de ‘nationalistische oppositie’) creëert de in hoofdstuk 2 gepostuleerde ‘emotionele balans’ meer ruimte voor de tegenpartij.

De verschillen in informatieve berichtgeving tussen beide kranten zijn relatief klein. Dat NRC meer gebruik maakt van eigen correspondenten dan Trouw blijkt voor dit type artikelen weinig verschil te maken. Dat ligt in de lijn der verwachting: de internationale nieuwsstroom (persbureaus, grote netwerken) bepaalt doorgaans de hoofdlijnen van de agenda als het erom gaat wat het wereldnieuws is. Het metaframe is feitelijk al door deze ‘onzichtbare hand’ bepaald voordat de Nederlandse dagbladen grip op de gebeurtenissen krijgen. In dit geval wordt de ‘officiële’ Amerikaanse, Israëlische en PLO-lijn van een ‘historische vredesdoorbraak’ overgenomen als fundament waar daaropvolgende frames op rusten.

 

 

Hoofdstuk 4. De achtergronden bij het nieuws in NRC Handelsblad en Trouw

 

4.1 Oslo I: het vredespad wordt ingeslagen

 

Achtergronden in NRC

 

De PLO-crisis wordt door Bouman vergeleken met de kritiek op Ben-Gurion bij het delingsplan van 1948. Ook Arafat ‘neemt genoegen met een “klein begin.” Voor het Palestijnse onderhandelingsteam uit de bezette gebieden zou dat wellicht aanvaardbaar zijn, ware het niet dat Jeruzalem voorlopig van de agenda wordt gevoerd. Daarom worden alle argumenten aangegrepen om Arafat’s leiderschap te bekritiseren. Door de Palestijnen wordt hij als een dictator gezien, die het democratische beslissingsproces in de PLO blokkeert. De afsluiting van de bezette gebieden (vooral Oost-Jeruzalem) treft hen zeer, waardoor Hamas groeit.[658]

Roelants noemt het ‘nauwelijks verwonderlijk’ dat grote concessies een ‘storm van protest’ oogsten, zeker als een kleine groep beslist en het geld ‘om de bittere pil te vergulden’ ontbreekt. Voor Palestijnen is het ‘heel verwarrend allemaal’: jarenlang is hen ingeprent dat ‘alleen de vernietiging van de staat Israël’ een betere toekomst bood. Toen moest er ineens worden gepraat, vervolgens werd de zijde van Saddam Hussein gekozen, die notabene de beste Palestijnse geldschieter bezette. Daarna werd er twee jaar zonder tastbaar resultaat onderhandeld. Roelants gaat gedetailleerd in op de gevolgen van de crisis, maar concludeert dat Arafat als politieke overlever zijn positie wel zal behouden. Het lijkt haar wel moeilijk om een ‘piepklein begin’ te verkopen aan een ‘verkommerende achterban’ en aan strijders die in ‘bedelaars’ zijn veranderd. Daarvan getuigt de kritiek door al-Hout, “het eenzame overblijfsel van de eens bloeiende PLO-staat in Libanon” en Darwish, het “geweten van de Palestijnse revolutie.” Kopstukken Husseini, Erekat en Ashrawi volgen Arafat echter schoorvoetend, ‘in de wetenschap dat er zicht is op een tastbaar resultaat.’[659]

            In Israël is de ‘nationalistische oppositie’ in paniek over de ‘vredespolitiek.’ Dat verklaart volgens Bouman de felle kritiek door Shamir en Tsomet-leider Eitan op opperbevelhebber Barak. Na de dood van negen soldaten in Libanon eisen ze zijn aftreden, omdat hij volgens hen Assad ‘de hemel in prijst.’ Vanuit de ministerraad komt hierop het verwijt dat de oppositie het leger tot opstand aanzet. Bouman noteert dat het debat nog nooit ‘zo scherp (…) uit de bocht is gevlogen’ en dat nog wel ‘over de verse graven heen.’ De ware reden voor het tumult is dat Rabin ‘flinke territoriale concessies’ in de bezette gebieden overweegt, zoals valt af te leiden uit zijn omschrijving van kolonisten op de Westoever als “huilebalken.” Dat er iets op stapel staat blijkt ook uit een recente toespraak van Rabin tot de legertop, waarin hij de tsabre (“de nieuwe jood”) afzet tegen de jood uit ballingschap, die ‘met gebogen hoofd door het leven ging.’ De tijd zou zijn aangebroken dat de ‘in zichzelf gekeerde (…) superman’ een ‘revolutie’ doormaakt en vrede sluit.[660]

            Het eerste nieuws over de op handen zijnde doorbraak wordt in een redactioneel commentaar voorzichtig onthaald. Israël doorbreekt met acceptatie van de ‘altijd vervloekte’ PLO een ‘geweldig taboe.’ Arafat doet ‘ondenkbare concessies’, door 15 jaar na het ‘verachtelijk afgeslagen [zelfbestuur] van Camp David’ beperkte autonomie te aanvaarden. Er zijn echter nog vele psychologische en politieke hindernissen, zo waarschuwt de krant. De PLO-leider als ‘buurman’ in plaats van ‘personificatie van het kwaad’ is ‘even wennen.’ Beide partijen zijn jarenlang ‘geïnformeerd over de slechtheid van de ander.’ Palestijnse vluchtelingen en kolonisten zien hun dromen van respectievelijk terugkeer en Groot-Israël vervliegen. Gewapend verzet dreigt en moslim-extremisten kunnen ‘nog een dikke streep door de rekening trekken.’[661]

Bouman bezoekt Jericho om Palestijnse reacties te peilen. Niets duidt op naderend zelfbestuur, in de hitte is ‘apathie’ zelfs troef. Na 26 jaar bezetting kunnen de bewoners nog niet geloven dat de vrijheid in zicht is. Verwarring overheerst en er is bezorgdheid vanwege de economische afhankelijkheid van Israël. De plaatselijke Hamas-leider verwerpt het akkoord en kondigt “agressieve middelen” aan, een ‘eufemisme voor moordaanslagen’, zo legt de gids uit. Enthousiasme is alleen bij een agronoom te bespeuren, die hoopt dat het grote landbouwpotentieel ontwikkeld kan worden als de fnuikende Israëlische heerschappij over de watervoorraden verdwijnt. Het stuk sluit af met een ‘wanhopige moeder’, die nog niet weet wat haar te wachten staat. Onder Arabieren wil deze joodse immigrante uit Marokko niet leven, maar de nederzetting waarin ze woont staat in een Israëlische krant al op de ‘verkeerde kant van de kaart.’[662]

            Bij de legertop leiden de vredesplannen tot ‘ingehouden woede.’ Ze voelt zich gepasseerd door ‘politici die beslissingen nemen die de veiligheid [sterk] beïnvloeden.’ Via de media laten generaals doorschemeren dat de veiligheidsclausules te wensen overlaten. Terrorismebestrijding zou bemoeilijkt worden en de samenwerking met Palestijnse politie roept vraagtekens op, vooral in relatie tot kolonisten. De oppositie neemt deze kritiek graag over.[663] Met een ‘intensieve propaganda-campagne’ bereiden Rabin en Peres het volk intussen voor op wat Bouman de ‘historische verzoening tussen het zionisme en Palestijns nationalisme’ noemt.[664] Hun tegenstanders maken hen uit voor ‘verraders’, waarbij ‘het verstand stokt in de emotie.’ Het Palestijnse ‘vredeskamp’ reist rond om de ‘vredesboodschap’ te brengen. Het ‘grote gevaar’ aan Israëlische zijde komt van extremistische kolonisten, die worden aangemoedigd door ‘fanatici.’ Volgens Bouman laten echter steeds meer Israëli’s zich voor de vrede winnen.[665] Aan Peres schrijft hij de verdienste toe dat hij Rabin hielp om ‘de Rubicon over te steken.’ Op hun oude dag is de ‘bijna ziekelijke rivaliteit’ van beide politici daarmee zeer positief doorbroken.[666]

            In een achtergrondbeschouwing stelt NRC dat de PLO zijn oorsponkelijke doelen, waarin voor Israël geen plaats was, heeft verlaten: ‘Mr. Palestina wordt voorlopig president van Gaza en Jericho.’ Ook Israël heeft ‘ondenkbare stappen’ gezet sinds de tijd dat Meir het bestaan van een Palestijns volk ontkende: ‘de doodsvijanden van weleer [hebben] elkaar geaccepteerd.’ Helaas is het wel uit zwakte: Israël kampt met de intifada, de bezetting heeft een ‘verloederende uitwerking’ en ‘moslim-extremisten’ blijken een ongekend onverzoenlijke vijand. Voor de geïsoleerde PLO is een akkoord de laatste overlevingskans. Israël reikt daarmee de enige partner die ‘voor vrede vatbaar’ is de hand. Het gaat dus om een kwetsbare ‘onderlinge reddingsactie.’ De krant spreekt de hoop uit dat desalniettemin ‘de olijftak het geweer overwint.’[667]

            Uit verschillende hoeken worden reacties op het geplande akkoord opgetekend. Een ‘verbitterde’  al-Shafi licht in een interview zijn afkeuring toe. Afgezien van de reductie van zijn delegatie tot een “theekransje” stoort hij zich bovenal aan de tekst van de DoP, die het woord ‘bezetting’ mijdt. Hij is ervan overtuigd dat het verdrag deze juist zal consolideren.[668] De schrijver Uri Avneri, een voormalig Lehi-strijder die een ‘metamorfose’ tot ‘pro-Palestijns’ vredesactivist onderging, betuigt zich na een ‘vredesfeest’ met 100.000 Israëliërs overweldigd. De massa zong het vredeslied ‘alsof het het volkslied zelf was.’[669] In Oost-Jeruzalem wordt Palestijnen naar hun mening gevraagd. Een rijke zakenman uit de VS wil de vrede met investeringen steunen en hoopt op de gelukkige dag dat.Arafat zich in Jericho vestigt. Een jonge judoka is wrokkig: “Het zijn rotdagen voor ons. Heel Jeruzalem is van ons.” Een aantal anderen is bezorgd dat Arafat met te weinig genoegen neemt.[670] Onder Israëlische Arabieren overheerst volgens Bouman opluchting. Het akkoord maakt de weg vrij voor hun integratie. Ze merken nu al dat de achterdocht tegen hen afneemt.[671] Bij  vluchtelingen in Amman leeft de oude vijandschap daarentegen nog volop. Volgens een bejaarde is Arafat een jood: ‘En joden, daar spuugt de oude man op.’ Hij zou ze graag allemaal doden, als hij maar een geweer had. Anderen verwerpen een akkoord al even fel. Er zijn echter ook voorstanders, die de discussie met Arafat’s critici aangaan. De tegenstelling tussen ‘radicaal en gematigd’ loopt volgens het artikel door alle leeftijds- en beroepsgroepen heen. Het eindigt met een hoopvol teken: een student de zich eerder nog voor het doden van Arafat uitsprak, laat zich alsnog van diens politiek overtuigen.[672] Op het PLO-kantoor in Amman is de stemming onderwijl ‘opperbest.’ Een woordvoerder verwijst naar het PLO-besluit uit 1974 om ieder stukje bevrijd grondgebied te aanvaarden en stelt dat het ‘werkelijk een heel goed begin’ is.[673]

            Een vonnis van het Hooggerechtshof dat twee van corruptie verdachte Shas-kabinetsleden op moeten stappen, wordt met gejuich onthaald door ‘anti-vredesdemonstranten.’ Zij bidden dat dit “hemelse ingrijpen” de regering ten valt brengt en het land “van de aartsterrorist Arafat zal redden.” De uitspraak valt samen met massale rechtse demonstraties tegen het akkoord. De vraag is of Shas het vredesproces blijft steunen. Bouman meent dat het harde politieoptreden tegen de betogers, onder wie veel Shas-stemmers, daar nog weleens van invloed op kan zijn. De politiecommandant verzekert hem dat Nederlandse politie net zo zou handelen wanneer het kantoor van de premier wordt geblokkeerd: “We hebben ons ingehouden. Gelooft U me maar.” Een gewapende kolonist zegt echter dat hij de agenten “kogels door het hoofd” zou hebben geschoten vanwege “het geweld van vannacht”, als het geen joden waren. Een psycholoog voelt zich ‘vernederd’: “De politie moet toch begrijpen dat de helft van het volk pijn heeft.” Oppositieleiders schieten ‘verbale pijlen’ op Rabin af. Bouman concludeert dat zij voor hun politieke overleven vechten. Als het vrede wordt en er een Palestijnse staat komt, verliest hun territoriale doctrine namelijk zijn bestaansgrond.[674]

            Met het ondertekenen van wederzijdse erkenning wordt volgens NRC een ‘grandioze streep’ gezet onder de strijd ‘over de joodse kolonisatie in Palestina.’ De ‘bloedvete’ kan eindigen, maar succes hangt af van gezamenlijke geweldsbestrijding.[675] Het verzet is aanzienlijk. De zienswijze van Likud sluit ‘gelijk-waardigheid in [bezet gebied] per definitie uit’, terwijl verschillende Palestijnse facties de ‘liquidatie’ van Israël zouden beogen. De krant hoopt echter dat zich een onomkeerbaar proces heeft ingezet.[676] Bouman is ervan overtuigd dat het ‘proeflaboratorium’ van zelfbestuur tot een echte staat zal leiden. De ‘dynamiek van het vredesproces’ moét daar wel toe leiden. De oppositie beseft dat volgens hem en daarom zag Netanyahu er in debat ‘zelden verbetener’ uit. Rechtse leiders maakten ten overstaan van een ‘meeschreeuwend Likud-koor’ Peres voor “oplichter” uit. De oppositie zou het volk angst aanjagen voor het “Palestijnse monster” met termen als “shoah, ramp, Auschwitsch.” Peres bestempelt zijn ‘luidruchtige’ tegenstanders dan ook als ‘mensen van het verleden.’ Bouman verhaalt lyrisch: ‘Peres dook als een roofvogel (…) in een duikvlucht op de oppositie. De hoop op vrede stroomt deze bijzondere dagen door zijn aderen. (…) Ook Rabin is duidelijk in hoger sferen. Zijn stem heeft plotseling de zuivere, rustige klank van een man die een grote beslissing heeft genomen en daar innerlijke vrede mee heeft.’ De tegenstanders van Arafat hebben het mis: hij heeft de “Palestijnse onafhankelijkheidsdroom” niet verraden. De kolonisten zullen zich wellicht minder fel tegen verzoening verzetten als hun veiligheid gewaarborgd blijkt. Misschien ‘kunnen zij zelfs blijven wonen’ in een Palestijnse staat: ‘er zijn hier al zoveel dingen gebeurd die de wereld hebben verwonderd, dat dit er ook nog wel bij kan.’ De beste garantie voor succes zou ‘royale dollar-bijstand’ zijn.[677]

            Na het tekenen van de DoP maakt Bouman in een opmerkelijk voorpaginastuk de lezer deelgenoot van zijn overpeinzingen als Israëli. Wandelend over het strand van Tel Aviv verwondert hij zich erover dat Arafat nooit door de Mossad ‘uit de weg is geruimd.’ Bestond er wellicht een ‘heren-akkoord’, zag Israël de ‘potentie van Arafat als een mogelijke vredesmaker’ al eerder? Of begrepen de geheime dienst en de CIA dat de PLO zonder hem ‘agressiever en ongrijpbaarder’ zou zijn? Hij herinnert zich dat een soldaat die Arafat in 1982 in het vizier had, het bevel kreeg de trekker niet over te halen. Nu gaat de Mossad met de PLO samenwerken: “Je wrijft je ogen uit als je zo’n bericht leest. Was Arafat volgens Menahem Begin geen Palestijnse Hitler?’ Het bewijst maar dat ‘niet van het “einde van de geschiedenis” kan worden gesproken zolang er nog mensen zijn.’ Bij de ondertekening van de DoP wordt volgens Bouman een ‘bijzondere bladzijde’ in de joodse geschiedenis omgeslagen. Misschien zal ‘een deel van het (…) joodse volk voor het eerst na tweeduizend jaar in echte vrede kunnen leven.’ Misschien blijkt het ook maar een momentopname in het ‘joodse drama’, maar het is hoe dan ook indrukwekkend: ‘aan de vrede moet je evengoed wennen als aan de stilte.’ In de toekomst zou het onderscheid tussen diasporajoden en Israëli’s zo sterk kunnen worden, dat er van twee volkeren sprake is.[678] Als Israël een ‘gewoon land’ wordt, verliest het zijn ‘centrale plaats in het joodse denken en voelen.’ Bouman sluit zijn beschouwing vol emotionele verbondenheid af: ‘Het zand is spierwit, de zee is nog blauw (...). Dat zijn de kleuren van de Israëlische vlag denk ik na een reeks van gesprekken met voorbijgangers over de vrede.’[679]

            Redacteur Van der Heide doet verslag van een ‘woeste cavalcade’ van Palestijnen, die na de ceremonie in Bethlehem feest vieren. De niet langer illegale PLO-vlag wordt uitbundig gevoerd. Het publiek is echter verdeeld. Tussen juichende mensen staan sombere Hamasleden. Een van de deelnemers roept: ‘Kijk uit voor de mannen met baarden! Die zijn niet te vertrouwen. Of het nu joden of Palestijnen zijn, zo herken je fundamentalisten.” Burgemeester Freij is uitgelaten over de vrede en stelt desgevraagd dat kolonisten van goede wil gewoon kunnen blijven. De orthodoxe joden die hun ‘anti-vredesboodschap’ bij een heiligdom brengen, noemt hij racisten. De lokale moslims en christenen zouden beter met elkaar omgaan. Een Nederlandse hulpverlener zegt echter dat christenen juist uit angst voor de islam vertrekken. Hij vertelt ook hoe de intifada-jeugd (de shabaab, de ‘jongens met de lange messen’) de verstandelijk gehandicapten onder zijn hoede heeft bedreigd en getraumatiseerd. Het artikel besluit ermee dat de ‘indianenkreten’ van de jongeren ’s nachts nog klinken, maar dat ze gelukkig niet meer ‘voor shabaab hoeven te spelen.’[680] In Gaza leidt “Bevrijdingsdag” tot een volksfeest. Hamas en Fatah delen de straat: eerst staken de tegenstanders, daarna vieren de voorstanders ongestoord feest. Van der Heide’s gids heeft een lage dunk van Hamasleden. Het zouden “bodybuilders met de hersenen van een vogel” zijn, die zich vandaag niet vertonen omdat ze “naar de moskee zijn” of “hun vrouwen neuken.” Zwarte vlaggen spreken echter boekdelen, voor Hamas is dit een dag van rouw. Vaders in een vluchtelingenkamp overpeinzen dat hun kinderen nu moeten leren om gezagsdragers te gehoorzamen, na hun hele jeugd ‘te zijn gestimuleerd in het plegen van geweld tegen de (…) “bezetters.”[681] De aanhalingstekens bij het laatste woord in deze gekleurde zinsnede getuigen van een sterk ‘pro-Israëlisch’ paradigma. Dat zelfs schuttingtaal over Hamas gepubliceerd wordt, doet consonantie met Van der Heide’s eigen opvattingen vermoeden.

            Bouman verheft een Palestijns jongetje dat trots met de PLO-vlag fietst tot symbool: hij rijdt ‘in vrijheid in de richting van een Palestijnse staat.’[682] De soldaten regelen nu Palestijns ‘vlaggenverkeer’:  een bijzonder gezicht in een ‘land waar meer bloed heeft gevloeid dan goed is voor de gezondheid.’ Zelfs Likud zal de klok niet meer kunnen terugdraaien: ‘de situatie is absoluut onomkeerbaar.’ In 1967 hebben de ‘zegevierende Israëlische legerscharen’ volgens Bouman uiteindelijk de ‘bouwstenen voor een Palestijnse staat aangedragen.’ De linkse Israëli’s die altijd zijn ‘uitgekotst’ vormen nu een ‘vredesfront met hun Palestijnse broeders.’[683] In een gezamenlijk artikel stellen Bouman en Van der Heide in navolging van Peres dat economische vooruitgang in de bezette gebieden bepalend is voor de stabiliteit. In de overbevolkte Gazastrook zullen de nederzettingen zeker moeten verdwijnen, met hun paar 1.000 inwoners die 30% van het water gebruiken.[684] De Wereldbank verwacht grote economische groei bij het juiste beleid.[685] Voor het overige passeren de vele problemen die nog op een oplossing wachten de revue.[686] De verbeterende diplomatieke betrekkingen in de regio[687] en de Jordaanse onvrede[688] komen ook meermaals aan bod.

 

Achtergronden in Trouw

 

Aan de PLO-crisis worden in Trouw alleen informatieve artikelen gewijd. Het eerste relevante achtergrond-stuk is een redactioneel commentaar dat het naderende akkoord onthaalt. De vraag doemt op of Arafat net als Sadat ooit nog eens de Knesset zal toespreken: ‘een beeld dat tot voor kort slechts in de stoutste dromen van volstrekt wereldvreemde idealisten post kon vatten.’ Ondanks ‘voetangels en klemmen’ gaat het om een ‘doorbraak van formaat.’[689] Polak legt uit dat Peres heeft onderhandeld met ‘een organisatie die in Israël symbool staat aan dood en verderf.’ Los van de psychologische barrière heerste in Israël het idee dat met de PLO ‘geen zaken te doen waren’, omdat deze het ‘recht op terugkeer’ vertegenwoordigde. Peres behoorde tot de minderheid die stelde dat zonder de PLO simpelweg geen oplossing mogelijk was. Hij maakte gebruik van Arafat’s positie als een ‘kalkoen’, die ‘geslacht dreigde te worden’ en bood hem een ‘driedubbele uitweg’: deelname aan het vredesproces, grondgebied en veel geld. Met als ‘klap op de vuurpijl’ erkenning. Het opgeven van Gaza was een oud idee: dit ‘broeinest van islamitisch fundamentalisme en terrorisme’ was door Begin reeds aan Sadat aangeboden, ‘die bedankte voor de eer.’ Als ‘concessie’ kreeg Arafat er Jericho bij. Voor Rabin was de eeuwige rivaliteit met Peres nu een voordeel: hij kon altijd ontkennen iets van diens “geheimzinnige geïntrigeer” te hebben afgeweten. Arafat gebruikte zijn rivalen evenzeer. Door het team in Washington onwetend te houden terwijl dat over Jeruzalem onderhandelde, vergrootte hij de “concessie” erover. Daarmee heeft hij ‘bewezen geen kalkoen te zijn.’[690]

            Zowel op 1 als op 2 september verschijnt er een interview met Bennie Begin, Likud-parlementslid en zoon van de oud-premier. De gespreksvragen onderstrepen Friedman’s standplaatsgebondenheid:  de toonzetting is die van een landgenoot. In een ‘stormachtige’ parlementszitting heeft Begin ‘zijn mondje flink geroerd’ tegen het akkoord. Friedman vraagt hem wat het verschil is met het autonomievoorstel onder zijn vader. Volgens Begin is dat de introductie van de PLO, die uit is op Israël’s “vernietiging.” Bij de bestuursoverdracht aan de PLO heeft de bevolking geen inspraak: “Dit staat toch wel heel ver af van het idee van zelfbestuur (…) door plaatselijke Arabieren.” Gevraagd naar een alternatief, verkiest hij de “moeilijke status quo” boven een “gapende afgrond.” Op de suggestie dat de PLO misschien ‘het minste van twee kwaden’ is, repliceert Begin: “een mes blijft een mes en een graf blijft een graf, of het nu wordt gegraven op bevel van de PLO of de Hamas.” Het enige verschil zou zijn dat de PLO Israël stapsgewijs wil verzwakken alvorens toe te slaan. Bij terugtrekking neemt Hamas bovendien de macht over, “wat de PLO ook beweert.” Volgens Begin houden soldaten er niet van in bezet gebied te dienen, maar melden zich desondanks massaal vrijwilligers. Ook de regering heeft ze daar liever niet, maar het alternatief zou “een soort zuidelijk Libanon op twintig kilometer van Tel Aviv” zijn.[691] Het tweede stuk beschrijft Begin’s persoonlijke achtergrond, gekenmerkt door zijn passie als geoloog en een vrijzinnige en warme opvoeding. In de Knesset, waar het ‘grof en rumoerig’ kan zijn, wordt hij ‘alom gewaardeerd’ voor zijn beschaving. Begin benadrukt dat politieke scheidslijnen geen persoonlijke hoeven te zijn. De reden dat het debat vaak zo fel is komt volgens hem omdat het “niet over het recht op het vissen van sardines” gaat, maar om “leven of dood.” Desondanks moeten de Israëli’s nooit vergeten dat zij “broeders” zijn. Daarom gebruikt hij nooit zijn ellebogen.[692]

            Een achtergrondreportage vanuit vluchtelingenkamp Mar Elias in Beiroet schetst een verwarrende situatie. Er houden tien Palestijnse partijen kantoor en er zijn diverse persconferenties. Fatah ontbreekt er echter. Iedereen is tegen het akkoord. Een DFLP-woordvoerder spreekt over een indianenreservaat en blijvend vluchtelingschap. Hij ‘explodeert’ bijna bij de suggestie dat het beter is dan niets: “Luister eens, jullie mogen dan een schuldgevoel hebben tegenover de joden, ik niet. Wij zijn hier het slachtoffer, vergeet dat niet!” Een woordvoerder van Abu Nidal heeft de sleutel van zijn ouderlijk huis nog en stelt het als volgt: “Mijn schoonzus komt [uit Nederland]. Wilt u in de Bijlmer wonen als u een villa in Wassenaar heeft?”[693]         De kerkredactie tekent reacties van joodse geestelijken op. Rabbijn Evers van het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap vindt de prijs van het akkoord te hoog. Als er 800.000 Palestijnen “midden in het joodse land gaan wonen” betekent dat een “paard van Troje.” Zijn collega Van de Kamp ziet de “jubel-stemming” met verbazing aan. Hoewel hij het principe van land voor vrede aanhangt, voorspelt hij dat tegenkrachten de PLO-rol zullen overnemen. Liberaal rabbijn Soetendorp is optimistisch over “het stralende perspectief van vrede.” Volgens hem vertegenwoordigt Israël “l’espoir humain.”[694] De Nederlands-joodse jongerenorganisatie Haboniem waardeert het akkoord als stap om een “veilige grens op te bouwen.”[695]

            Op de moshave (landbouwcommune) Vered Jericho spreekt Friedman met ‘bezorgde moeders’, die zich bedreigd voelen door Palestijnse autonomie. De prikkeldraadomheining inspireerde er iemand tot de bijnaam ‘Stalag Jericho’[696], zo noteert zij onheilspellend. De bewoners omschrijft ze als ‘niet ideologisch gedreven’, want geen ‘aanhangers van de Groot-Israël-gedachte.’ De Arbeidersregering hield hen voor dat het stichten van de nederzetting “een zionistische onderneming was”, die de veiligheid van de staat Israël zou bevorderen.’ Klaarblijkelijk ziet Friedman een dergelijke motivatie niet als ideologisch, vergeleken met die van het rechtse kamp. Tot dusver was er weinig zorg: ‘zelfs in de hoogtijdagen van de intifada’ was het er ‘veilige en rustig.’ Nu zijn de mensen echter bang: “Ik (…) laat de kinderen achter in de crèche. Hoe kan ik er dan zeker van zijn dat de Arabieren (…) niet de nederzetting binnendringen en de boel verwoesten?” Volgens Friedman is de ‘ironie (…) onmiskenbaar’: de bewoners waren eerst bang te moeten vertrekken, nu vrezen ze juist dat de regering ze ‘gewoon aan hun lot overlaat.’ Ze vervolgt haar relaas met de emotionele worsteling van een joods echtpaar, dat goede ervaringen met “de Arabieren hier” heeft, maar “eindeloze moeilijkheden” verwacht. Van het eeuwige bloedvergieten tussen Palestijnse facties zullen zij immers het eerste slachtoffer zijn. Friedman leeft met ze mee: ‘de onzekerheid, de angst en het wantrouwen’ richt zich begrijpelijkerwijs op politici, ‘omdat zij de oprechte, wellicht wat naïeve burger als onderpand gebruiken in hun eindeloze machtsspel.’ De Palestijnen staan al klaar om de boel over te nemen, zo weten de kolonisten: “Mijn huishoudster, uit het vluchtelingenkamp, heeft haar oog al laten vallen op ons huis. Ze heeft het me verteld, als complimentje voor onze goede smaak.”[697]

In dezelfde weekeindbijlage doet Friedman verslag van Palestijnse verwachtingen in en om Jericho. De sfeer is er ‘bijna uitgelaten, terwijl elke buitenlander [Friedman valt hier onder die categorie] bekeken wordt als een mogelijke toerist (…).’ Een werkloze verpleger in een vluchtelingenkamp windt zich zo op over Arafat dat hij boos wegloopt. Zijn zus verontschuldigt zich voor zijn frustratie en stelt dat 90% van de Palestijnen het akkoord steunt. Ze hoopt op verzoening en terugkeer: “Als er vrede komt, wil ik terug naar ons dorp. Ik wil onder elke regering leven, zelfs onder de Israëlische.” Buiten het kamp zou de ‘droom’ van terugkeer niet meer leven. Zo hopen de gebroeders Damanhoeri (‘harde pragmatici’) vooral op betere zaken. Het uniform van de machthebbers maakt hen niets uit. Een fundamentalistische koopman is evenmin in autonomie geïnteresseerd. Alleen een pan-islamitische staat heeft voor hem betekenis. Het akkoord keurt hij af als een “strohalm.” Een grootgrondbezitter tenslotte, ziet toekomst voor toerisme en verzoening.[698]

            Eildert Mulder bericht vanuit Gaza dat zelfs daar de vrede lijkt te hebben ‘toegeslagen.’ Er lijkt de rust van het dorpje Laren te hangen. Dan ‘breekt echter de hel los’ en blijkt ‘Gaza Gaza weer te zijn’. Er klinken knallen, Israëlische jeeps schieten ‘niet te zuinig’ terug en de correspondent zit naast een van schrik spookrijdende gids. Het onderstreept de woorden van PLO-onderhandelaar Maddain dat de tegenstanders van het akkoord een ‘luidruchtige minderheid’ zijn. Volgens hem kan Israël goede wil laten blijken door nederzettingen te ontruimen. Een hotelier maakt plannen: “Het eerste wat ik doe is een bulldozer halen. Daarmee schuif ik deze hele griebuszooi in de Middellandse Zee. En dan bouw ik me toch iets moois!” Muldert vraagt zich af hoe je het troosteloze gebied, onder Egypte al verwaarloosd, uit het slop trekt. Economische opbouw is essentieel. Een stokoude veteraan is het daar mee eens. Anders betekent het verdrag volgens hem alleen maar nieuwe overheersing: na de Turken, Britten en Israëliërs “die lui van Arafat.”[699]

Twee artikelen beschrijven de toedracht van de geheime onderhandelingen in Oslo, van ‘privé-intiatief’ tot de geheime ondertekening.[700] Uit een toespraak van Amos Oz (‘pleitbezorger voor de Palestijnse zaak zonder de veiligheid van Israël te verwaarlozen’) bij een manifestatie van Vrede Nu, worden grote delen afgedrukt. Hij roept Israëli’s op hun ‘angst voor de vrede te overwinnen.’ Beide partijen zullen hun gerechtvaardigde aanspraken moeten inperken. De ‘hysterische stemmen’ die de vrede willen vernietigen vergelijkt hij met die van de “Palestijnse demagogen en opruiers die hun volk decennia van lijden, ontbering en ballingschap hebben bezorgd.” Wel is begrip voor de legitieme angst van landgenoten op zijn plaats.[701]

Mulder schrijft sterk afkeurend over tegenstanders van het akkoord. ‘Palestijnse en Israëlische weigeraars’ pretenderen hun gehele volk te vertegenwoordigen en zijn in hun absolute afwijzing elkaars spiegelbeeld. Een ‘gebrek aan maat’ delen ze ook. De politicoloog Damiri komt aan het woord: een ‘gewaardeerde Palestijnse wetenschapper’, die zijn Israëlische toehoorders ooit verraste door ze te vertellen dat hun kibboets op zijn geboortedorp stond. Hij meent dat iedere fout fataal kan zijn. De PLO moet niet de vergissingen van het Algerijnse bevrijdingsleger FLN maken: dat richtte een bloedbad aan onder het plaatselijke verzet om de macht te vestigen en verpestte de economie met socialisme. De PLO zal een ‘grote maat stroopkwast’ moeten hanteren om de ‘prominenten’ uit bezet gebied te pacificeren.[702]

Aan de wederzijdse erkenning verleent Trouw nogmaals het predikaat ‘doorbraak van formaat.’ Het betekent niets minder dan een verandering van de Palestijnse en Israëlische identiteit, die in het teken stond van de vijandschap tussen de “zionistische invasie” en de ‘terreurorganisatie’ die Israël wilde vernietigen. Volgens de krant strekt het Rabin, Peres en Arafat tot eer dat ze dit veeleisende ‘avontuur’ aangaan en getuigt het ook van moed: het tekenenen van een “historisch akkoord” is nogal eens dat van het eigen ‘doodvonnis’ gebleken. Gejuich is op zijn plaats, maar ‘pais en vree’ is het nog niet, integendeel: de terreur zal juist toenemen en daarom moet er ‘heel veel geld naar het Midden-Oosten.’[703]

Friedman brengt de grote Israëlische verdeeldheid voor het voetlicht. Slagzinnen van Vrede Nu wedijveren met die van Tsomet, waarin Arafat als vriend van de duivel en van Rabin figureert. Ondertussen maakt een Israëlische fabriek Palestijnse vlaggen. Psychologieprofessor Bar-On licht de verwarring toe. Israëli’s zijn gewend zich op oorlog voor te bereiden en kunnen moeilijk accepteren dat vrede niet zal ‘uitbreken’, maar hard werk vergt. Generaties lang hebben beide volkeren zich ‘gedefinieerd als slachtoffers van de ander.’ Nu de “negatieve ander” dreigt te verdwijnen klampen mensen zich aan hun vijandbeeld vast. De strijd om de publieke opinie is dan ook in volle gang. Rabin bemoeilijkt de zaak door zijn afschuw voor de PLO niet te verbergen en de ‘soms hysterische’ oppositie te ridiculiseren. Bar-On roept op tot begrip voor andermans weerstand: “als er een klimaat blijft van vijandigheid, delegitimering en strijd, zal de vrede ons veel meer kosten.” Friedman constateert dat er ‘geen denderende meerderheid’ voor het akkoord bestaat, dat immers van bovenaf is opgelegd. Ze wijst er echter op dat de Israëlische leiders hun volk al vaker tot een ‘historische stap’ dwongen: Ben-Gurion drukte de onafhankelijkheidsverklaring door en zo werd ‘door zijn ijzeren wil de staat Israël een feit.’ De bevolking is voorlopig echter nog in “vredesshock.”[704]

Bij het ondertekenen van de PLO-erkenning maakte Rabin volgens Trouw de indruk van ‘een gevangene tussen zijn eigen lijfwachten in.’ Er kon ‘geen lachje af’ terwijl hij zijn handtekening zette. Hij zou ‘inderdaad een gevangene’ zijn, ‘van zijn eigen gave tot scherpe analyse.’ Zijn emoties kunnen hem er niet in volgen. Hij doet immers zaken met iemand die hij ‘tot in het diepst van zijn ziel verafschuwt.’ Met zijn pragmatisme steekt deze ‘soldaat-politicus’ af tegen de ‘ideologisch gedreven leiders’ van het vroegere zionisme. Hij vertegenwoordigt de geboren en getogen Israëli ‘nieuwe stijl’, die ‘gewoon in alle rust’ wil leven. Voor hem is de holocaust - en daarmee de noodzaak tot absolute kracht - niet langer allesbepalend. Zijn tegenstanders waren ‘zeer specifiek’ de Arabieren en Palestijnen die Israël ‘van de kaart wilden vegen.’ Het hard neerslaan van de intifada was een middel om vanuit een sterke positie te kunnen onderhandelen. Zijn huiver daarbij bevordert het Israëlische ‘enthousiasme’ niet, maar is voor het volk wel herkenbaar.[705]

Naar aanleiding van de ceremonie richt de kerkredactie zich op reacties uit religieuze hoek. Het wacht op de uitwerking van de akkoorden alvorens Israël te erkennen. Arabische christenen reageren ook afwachtend. De Raad van Kerken spreekt van ‘eerherstel’ voor de sinds 1979 uitgedragen voorkeur voor onderhandelingen. Het Ojec is verheugd over het akkoord, maar betreurt het dat de Raad achteraf zijn gelijk wil halen. Christenen voor Israël is van mening dat Arafat een “hyena” is en blijft.[706]

De VS-correspondent gaat in op de vraag waarom Amerika buitenspel stond. Uit ‘Palestijnse hoek’ luidt de verklaring dat de ‘Midden-Oosten-“kliek” er uit joden bestaat die “roomser dan de paus” zijn inzake de PLO. Die visie zou een ‘kern van waarheid’ bevatten. Daarnaast hadden de VS al veel geïnvesteerd in de ‘Madrid-formule.’ Omdat Peres een ‘vijand’ van Rabin was, werd het Noorse beraad ook niet serieus genomen: “Wie kon vermoeden dat zij hun bijna legendarische vijandschap als alibi zouden gebruiken?”[707]

Onder Palestijnen in Oost-Jeruzalem zijn de eerste reacties argwanend. Naast blijdschap overheerst ongeloof. Het Palestijnse ‘afwijzingsfront’ slaagt er in het voetbalstadion van Jericho nog niet in veel mensen op de been te brengen. Een banier verkondigt dat de “groene boom” van de islam “gedijt op bloed” en de imam houdt een ‘donderpreek’,  maar het lijkt er niet op dat ‘de voor zijn soort islam noodzakelijke rode vloeistof [vandaag] nog zal gaan stromen.’[708] Onder de grote Palestijnse gemeenschap in Vlaardingen is de stemming naar eigen zeggen “positief” maar “afwachtend.” De hoop is dat de “onderdukking” stopt en de “krachten voor de vrede” in Israël winnen. De joodse gemeenschap in Amsterdam is verdeeld. De één is bang dat de Palestijnen die ‘altijd in tenten hebben geleefd’ en nu ‘mooie huizen’ eisen, Israël willen vernietigen. De ander ziet niet in waarom het niet goed zou komen, als er maar genoeg geld is.[709]

De voorbereidingen voor de officiële DoP-ceremonie worden uitgebreid in kaart gebracht, inclusief Palestijnse en joodse jongeren die “van de weg geplukt” zijn als “symbool van een betere toekomst.” De hamvraag is hoe de ontmoeting tussen Rabin (‘zwijgzaam, onhandig, stug’) en Arafat (‘extravert, gebarend en knuffelend’) zal verlopen. Arafat’s gebruikelijke ‘zoenpartijen’ zijn wat het Witte Huis betreft in ieder geval taboe.[710] Daags erna worden de Palestijnse reacties in Oost-Jeruzalem weergegeven: ‘louter geglimlach en opwinding’ van Palestijnen van allerlei pluimage. Er wordt hard gefloten en gejuicht voor de ‘handdruk van de eeuw’: “Zie, zie wat Aboe Amar [Arafat] doet!” Onder het Palestijnse volkslied wordt de vlag geheven, het ‘symbool van de dag.’ In bezet gebied is de reactie gemengd, met een PLO-mars rondom de ‘doorgaans heetgebakerde’ kolonisten van Kiryat Arba en protest door Hamas.[711]

Mulder betoogt in een achtergrondanalyse dat alleen Arafat een dergelijk akkoord kon klaarspelen. Zijn verdienste is dat hij tijdens het ‘grote politieke spel’ het contact met zijn achterban niet is kwijtgeraakt. De ‘ellende’ van de bezetting en het verwijt van ‘verraad’ hebben zijn ‘symboolfuncie’ niet verloren doen gaan. ‘Hoe je het ook bekeek’: het was ‘aandoenlijk en indrukwekkend’ om Palestijnen tijdens de intifada ‘toch maar weer een optochtje’ achter Arafat’s portret te zien vormen. Ondertussen deden de PLO-diplomaten in westerse ‘salonstijl’ met ‘flair’ hun werk. Zonder Arafat als brug naar het volk zouden zij echter ‘hun kunsten in het luchtledige hebben moeten vertonen.’ Mulder stelt dat de ‘magie’ van Arafat’s ‘toverkracht’ op Palestijnse geesten voor buitenstaanders niet te bevatten is. In felle PLO-debatten bracht hij zijn tegenstanders ‘onder hypnose’, om vervolgens hun ‘radicale nonsens’ met applaus onderuit te halen. Binnen de PLO geldt dat Arafat’s ‘basta basta is.’ De PLO-leider is een flexibele overlever, die met ‘kapitale fouten’ wegkwam. Tot die fouten behoorde de terreur, die de Palestijnen bekend maakte, maar ook berucht: ‘als niet weg te wassen pek.’ Het verblijf in Libanon behoort er evenzeer toe: ‘een van de grootste verdiensten die Israël de PLO heeft bewezen is dat het die organisatie in 1982 wegtrapte uit Libanon, waardoor ze gedwongen werd na te denken over zinvollere manieren van optreden.’ De Palestijnse politiek gaat pas vooruit, ‘als het onmogelijk is foute keuzes te doen.’ In zijn nieuwe positie zal Arafat het wel redden, ook al wordt hij met de dood bedreigd en zal hij vanaf nu anders met de kas moeten omgaan.[712]

In het vervolg van de itemreeks staat de verdere uitwerking van Oslo I centraal. Palestijnse vrouwen-organisaties werken aan zelfredzaamheid ‘onder het mom van Koranlessen.’ Hoewel uit angst voor Hamas de hoofddoek in Gaza overheerst, zou de werkelijke invloed van de fundamentalisten ‘reuze meevallen.’[713] De buitengesloten Assad probeert met ‘gemelijkheid (…) zijn zin te krijgen.’ De ‘groten en halfgroten der aarde’ hangen bij hem aan de telefoon ‘om te informeren wat er scheelt aan zijn humeur.’ Het is volgens Trouw een bewuste tactiek: Assad is wel degelijk bereid om te praten. Syrië hoeft voortaan geen rekening te houden met de Palestijnen en kan dus ‘geheime zaken’ doen met Israël. Ondertussen laat hij Palestijnse tegenstanders van Arafat bij wijze van drukmiddel de vrije hand. Zijn einddoel is te voorkomen dat Syrië temidden van een regionale vrede geïsoleerd raakt.[714] De Israëlische opperrabbijn heeft een “spirituele ontmoeting” met de paus.[715] Nederlandse diplomaten zijn ‘stikjaloers’ op bemiddelaar Noorwegen: ‘Was dat Nederland maar gelukt.’[716] Voor jongeren in de Gazastrook is vrede wennen. Soms bekogelen ze nog een Israëlische jeep: “Idioten! roepen de Israëliërs dan. “Weten jullie dan niet dat het vrede is!”[717] Jordanië stelt de verkiezingen wellicht uit tot na die van het Palestijnse zelfbestuur, uit vrees dat het in een referendum over het akkoord ontaardt en de fundamentalisten winst zullen boeken.[718] De donorconferentie voor Gaza en Jericho staat in het teken van rivaliteit tussen de EU en de VS. Investeerders ‘touwtrekken’ om projecten.[719]

 

 

4.2 Goldstein: rechts-extremisme plaagt Israël

 

Achtergronden in NRC

 

In een redactioneel commentaar legt NRC een ‘zware verantwoordelijkheid’ voor de aanslag bij Peres en Rabin. Door te aarzelen in het ‘riskante avontuur’ en de ‘beloofde verzelfstandiging’[720] van Gaza en Jericho voor zich uit te schuiven, hebben zij het vertrouwen in het vredesproces tot ‘dicht bij het nulpunt’ laten dalen. De aanslag lijkt een geïsoleerd voorval, maar bevestigt voor de Palestijnen dat ‘op de joden niet te bouwen valt.’ De wraak van ‘Hamas en andere Israël-haters’ dreigt. NRC twijfelt er niet aan dat zij de stem van het volk vertolken. Alleen een ‘vlucht naar voren’ kan uitkomst bieden. Het leger zal zich zo snel mogelijk moeten terugtrekken uit Gaza en Jericho, waarbij de voorwaarden onvermijdelijk ten gunste van de Palestijnen zullen zijn. De dader heeft Israël dan ook de ‘slechts denkbare dienst bewezen.’[721]

            Roelants noteert dat tussen de ‘wilde euforie’ van de Oslo-akkoorden en het ‘huidige pessimisme’ nog geen half jaar is verstreken. De aanslag fungeert als ‘uitroepteken ter onderstreping van een versomberde atmosfeer.’ Achteraf gezien waren de verwachtingen (begrijpelijkerwijs) te hoog gespannen. Arafat bleef een autocraat, de zoveelste ‘ongekende crisis’ binnen de PLO volgde. De onderhandelingen verliepen stug. De ‘gehate bezettingstroepen’ en de gevangenen bleven nog waar ze waren. Het uitstel gaf tegenstanders alle kans om in actie te komen. Toevallig was een joodse fundamentalist zijn tegenhangers voor. De PLO gebruikt de aanslag om ‘oude stokpaardjes’ te berde te brengen. Rabin zegt op alle PLO-eisen echter glashard nee, afgezien van het stationeren van waarnemers, waarover toch al bijna overeenstemming was bereikt.[722] Hij kan dat doen omdat hij de langste adem heeft. Een impasse betekent immers geen terugtrekking en morele winst voor Arafat’s tegenstanders.[723]

Een bezoek aan een ziekenhuis in Oost-Jeruzalem maakt de prijs van de aanslag en de ‘onlusten’ duidelijk. Er zijn tientallen gewonden, waaronder overlevenden uit de moskee (de ene getuige zag één dader, de ander wel zes). Jongeren bemoeilijken ook nog eens de toegang door hun ‘kat-en-muis-spel’ met het leger uitgerekend hier te houden. De kalme, professionele directeur (die tussendoor soldaten de deur wijst) betuigt zich pessimistisch over het vredesproces. Er was hoop op ‘vrede voor onze kinderen’, maar de akkoorden lijken nu eerder op een overgave. De veiligheid van zwaarbewapende kolonisten “die het al van hun jeugd is ingeprent om Arabieren te haten” staat voorop, Palestijnen worden niet beschermd.[724]

            Het feit dat de nederzettingen bovenaan de Palestijnse agenda zijn komen te staan, is aanleiding voor een uitgesproken meelevende achtergrondreportage vanuit de kolonies in Jericho. Correspondent Adolf benadrukt dat van de kolonisten slechts een kleine minderheid ‘het heilige vestigingsrecht met de wapens in de hand verdedigt.’ De meesten zijn modern-orthodox en zouden niet extremistisch zijn. Onder hen gaat ‘afschuw’ over de aanslag gepaard met ergernis over de reacties: nu zijn de Palestijnen verontwaardigd, maar hun eigen daden relativeren ze. De nederzettingen, ‘ooit een speerpunt in Israël’s veiligheidsbeleid’, zijn nu bekneld tussen ‘de onberekenbaarheid van de hen omringende Palestijnen’ en die van de regering, die hen wil ‘opofferen.’ Zelfs in het normaal niet rebelse Jerico is het nu ‘onrustig’, al zien de kolonisten de Palestijnen nog niet zo snel ‘de helling opklauteren.’[725] Het in het dal gelegen Na Amea is minder fortuinlijk. Het is geïsoleerd en door rellen omringd. Een Nederlandse bewoner omschrijft zijn situatie als: “Kut, ik kan het niet anders zeggen.” Mensen worden volgens hem ‘overhoop gestoken’ door Palestijnen met ‘wie ze jaren bevriend dachten te zijn’ en in Tel Aviv gooien Arabieren die volledig zijn ‘ingeburgerd’ plotseling stenen. Het is dan ook geen wonder dat ze zich moeten bewapenen, zo stellen de kolonisten.[726]

In Kiryat Arba wordt Goldstein door ruim 1.000 medestanders als ‘martelaar’ begraven. De rabbijn merkt daarbij op dat een miljoen Arabieren “nog geen joodse vingernagel” waard zijn. Begrafenisgasten noemen de overledene ‘een held’ en stellen dat het tijd is dat ‘joden het bloed van anderen doen vloeien’, om de ‘islamitische slang’ te vermorzelen in een ‘heilige oorlog.’[727] De krant concludeert dat de ‘geest van Meir Kahane’, de “racistische gek” van de Israëlische politiek’, vredelievende joden en moslims vervolgt.[728] In New York schamen liberaal-joodse leiders zich voor de uit hun stad afkomstige dader. Ook zijn ze bang, omdat vier orthodoxe tieners uit wraak door een Palestijn werden doodgeschoten. De racistische achtergrond van Kach, die wortelt in spanningen tussen zwarten en joden, wordt uitgebreid geschetst.[729] Met het verbod op de beweging volgt Israël het precedent van de worsteling met Lehi. De aanslag was de ‘druppel’ die de ‘emmer van het oneindig lijkende geduld’ deed overlopen. Rabin heeft ‘nooit uitgeblonken’ in daadkracht tegenover de ‘nationalisten’, die hij als premier in 1976 illegale nederzettingen liet stichten. Het is de vraag of een verbod volstaat. Rabin omschrijft de kolonisten in Hebron als ‘tikkende tijdbom’, maar is niet van zins deze te ontmantelen. Positief voor het vredesproces is in ieder geval dat de staat meer ruimte heeft gekregen om kolonisten zijn wil op te leggen bij de eindonderhandelingen.[730]

Een rapport van B’Tselem concludeert dat het bloedbad geen op zichzelf staand geval is, maar het gevolg van “een voortdurende anti-Palestijnse hetze.” Het leger en het juridische apparaat hebben ernstig gefaald. Volgens de onderzoekers blijkt dat “militairen samen met de kolonisten tegen de Palestijnen zijn opgetreden.” Gewapende burgerpatrouilles maken deel uit van de militaire doctrine. Bouman maakt eruit op dat het leger zijn ogen sluit voor de ideologie van de kolonisten en ze onverantwoorde vrijheid geeft. Daarmee faalt het in zijn verplichting de burgerbevolking te beschermen. Met dit artikel haalt het ‘pro-Palestijnse’ paradigma (zij het vanuit links Israëlisch perspectief) de voorpagina, een grote zeldzaamheid. [731]

            De veroordeling van de aanslag door de Veiligheidsraad brengt de PLO alleen psychologische genoegdoening. Dat Rabin de aanwezigheid van kolonisten in Hebron “bezopen” noemt, daar heeft Arafat weinig aan om zijn woedende achterban in het gareel te krijgen. Door het overleg met Israël te hervatten, laten Jordanië, Syrië en Libanon hem in de steek. Met steun van de VS en Rusland, wordt hij ‘in de tang genomen.’[732] De ‘pijlers’ van het vredesproces zijn door de aanslag beschadigd, terwijl ze al verzwakt waren door vertraging, arrestaties van Palestijnen en nederzettingenbouw. Israëlische leiders beginnen zich zorgen te maken over Arafat’s positie. Waar Rabin als “verrader” wordt gebrandmerkt, geldt Arafat voor heel wat tegenstanders als “gemene collaborateur.” Volgens Bouman kan hij zich alleen handhaven als hij van Israël ‘toegevingen weet te ontfutselen die het ideologische hart van de nederzettingenpolitiek raken.’

Bouman meent dat de Israëlische leiders ‘in hun hart’ al besloten hebben om Hebron te ontruimen. Een permanent uitgaansverbod is immers geen oplossing.[733] Via telefonische interviews illustreert hij de problemen en de woede van in Hebron opgesloten Palestijnen. Een apotheker stelt dat er ‘bloed in de lucht’ hangt en dat zich ‘meer Goldsteins’ onder de kolonisten bevinden. Als de joden er niet verdwijnen, verliest Arafat volgens hem iedere steun.[734] Door de Palestijnse volkswoede is Oost-Jeruzalem gevaarlijk voor joden geworden. De “geografie van de angst” (Ha’aretz) bepaalt de scheidslijnen, waarbij de Israëlische regering het nog zwaar zal krijgen in de strijd tegen de messiaanse verwachtingen van kolonisten.[735] Een  protest-bijeenkomst van rabbijnen tegen het ontruimen van Hebron onderstreept dit. Er wordt fel geageerd: “Ons laatste uur heeft geslagen. (…) Joden zeggen tegen joden: Juden heraus!”[736] Met een oproep om dienst-bevelen tot ontruiming te weigeren, overschrijden rabbijnen twee dagen later de ‘rode lijn.’ Ook uiterst rechtse politici en militairen veroordelen deze politieke inmenging met ontzetting. De schade is echter al aangericht. Op gedemoraliseerde religieuze soldaten valt niet meer te rekenen. Volgens Bouman is het lot van Hebron de ‘lakmoestest’ van Rabin’s vredespolitiek. Goldstein heeft zijn eigen zaak een slechte dienst bewezen, doordat hij deze door de regering geschuwde kwestie actueel maakte.[737]

De Hamas-aanslag te Afula vindt plaats op de avond van de nationale holocaustherdenking en wordt door woedende Israëli’s de “kleine shoa” gedoopt. Rechtse demonstranten stellen op de plaats des onheils dat Rabin het volk naar een nieuwe holocaust leidt. Zij roepen op tot geweld, zoals Bouman wat eufemistisch aantekent: “Dood aan de Arabieren” is onder dergelijke omstandigheden een oud refrein.’ Van heinde en verre versterken als helden onthaalde kolonisten de betogers. “Rabin moet verbrand worden!”, gilt een demonstrant in Boumans oor.[738] In het gehele land ontvlammen protesten tegen ‘territoriale concessies’ en de komst van Palestijnse politie. Door ‘heethoofden’ wordt er ‘roekeloos met begrippen als “nazi, racist, landverrader en jodenhater” gestrooid. Bouman waarschuwt dat de ‘opruiende taal’ van rechtse kopstukken tot politiek geweld kan leiden: ‘Bij simpele zielen en religieuze verdwaasden valt deze taal op vruchtbare bodem.’ Likud schildert de reeks aanslagen af als een PLO-strategie. Bouman sluit zich aan bij Peres, die Goldstein als aanstichter van geweld aanwees: ‘Kort na de moordpartij in Hebron zei hij al, dat alleen God weet wat de gevolgen van deze misdaad zullen zijn. Nu weet iedereen het, behalve Netanyahu en Shamir die het niet zo willen begrijpen.’[739] De eerste fase van de Palestijnse bestuursautonomie is volgens Bouman kritiek. Alleen Rabin, met zijn oorlogsverleden en respect in het leger, heeft kans op succes. Peres zou door “de straat” zijn weggevaagd. Hij kon ‘de vrede wel bedenken, maar niet uitvoeren.’ In een analyse van de obstakels voor het vredesproces stelt Bouman, dat ‘nationalistische hartstochten’ niet zijn te temperen met ‘schijnonafhankelijkheid.’ Evenals de redactie een ruime maand eerder, concludeert hij dat de stapsgewijze benadering vastloopt. Het zou ‘verstandig en politiek juist’ zijn als Israël de moed had meteen met de eindgesprekken te beginnen. Immers, ‘sedert Oslo is er veel veranderd en beslist niet ten goede.’[740]

 

Achtergronden in Trouw

 

Trouw begeleidt het nieuws van de aanslag met uitleg over de religieuze betekenis van de plaats delict voor joden en moslims. Onder islamitische heerschappij waren joden van bezoek aan het heiligdom uitgesloten. Sinds 1967 is er gedeelde toegang. Ondanks een verdelingsschema leidde dat vaak tot ruzies, die voor Goldstein mogelijk aanleiding tot handelen gaven.[741] Van persbureau’s komt een achtergrondstuk over zijn motieven. Hij was lid van de ‘uiterst rechts-extremistische Kachpartij’, maar volgens zijn vrienden was het een “vriendelijke man” met het “ideale gezin.” Het verlies van een goede vriend door een aanslag en de confrontatie met terreur in zijn beroep als arts, brachten hem er volgens hen toe terug te slaan. Hij zou drie maanden eerder wraak hebben gezworen, na het behandelen van een met bijlslagen verwonde jood. Op de radio verweet hij destijds het leger samen te werken met de “Palestijnse nazi-vijand.”[742]

            Friedman beschrijft hoe kolonisten uit Kiryat Arba zich in een ‘bruisend Poerimfeest’ storten, als ‘gruwelijke viering van het bloedbad.’ De meeste inwoners begrijpen de aanslag wel en geven de schuld aan de regering. Die zou Goldstein “tegen de muur gedrukt” hebben, door de veiligheid zo te verwaarlozen dat hij geen keus had. Op televisie spreken kolonisten zelfs ‘schaamteloos’ hun goedkeuring uit: Baruch was een “goede en gevoelige man”, heeft een “geweldige daad verricht” en “gaf ons een fantastisch geschenk voor Poerim.” Dankzij de aanslag en dergelijke reacties vindt er volgens het artikel ongekend zelfonderzoek plaats in Israël. Centraal staat het ‘ruw ontwaakte besef’ dat het leger ‘verschrikkelijk’ heeft gefaald en dat de ‘racistische ideologie van extreem rechts zich [diep] heeft genesteld in het weefsel van de Israëlische samenleving.’ In de media gaat de vraag rond of Goldstein een goed mens was met een ‘aanval van razernij’, of een ‘kille moordenaar.’ Amos Oz stelt in Yediot Achronot de reactie van de overheid aan de kaak, die meteen de Palestijnen een uitgaansverbod oplegde. Kolonisten die de aanslag verheerlijken beschuldigt hij van een “morele monsterlijkheid waarvoor elke skinhead zich zou schamen.” Ook bekritiseert hij hoe regeringswoordvoerders zich van eufemismen bedienen in plaats van “moord moord te noemen.” Volgens Friedman was het ‘gewauwel’ van de oppositie nog opvallender. Aan afkeuring van de aanslag voegde deze de ‘zotte eis’ toe om de “politiek van capitulatie” te beëindigen en de nederzettingen te sparen. Het duidelijkste bewijs ‘hoe moeilijk Israël het vindt om de moordpartij onder ogen te zien’ is dat het Poerimfeest overal gewoon doorging: ‘een potsierlijk tafereel.’ De Palestijnse reacties worden analoog aan een natuurramp beschreven: de ‘vuurzee’ van woede uit zich in een ‘maalstroom’ van betogers.[743]

Een redactioneel commentaar stelt dat het tijdelijk opschorten van de onderhandelingen door de PLO gerechtvaardigd is. Zolang Israël meent dat bezetting voor de staatsveiligheid nodig is, zal de overheid ook de Palestijnse burgers moeten beschermen. Dit standpunt is in bredere context opvallend, aangezien Trouw met dergelijke mild afkeurende berusting de bezetting kenschetst als een keuze die Israël zich onder bepaalde voorwaarden mag permitteren, zolang het maar tijdelijk is. Tezelfdertijd maakt de krant wel duidelijk dat ze bezetting uiteindelijk geen goede zaak vindt: het is ‘te begrijpen en toe te juichen’ dat ‘de Palestijnse autoriteiten zelf een belangrijke rol willen spelen in de beveiliging van eigen burgers.’ De aanslag toont echter aan dat de vrede bewaren een ‘vrijwel hopeloze zaak’ is. Grote delen van de Israëlische bevolking blijken onverschillig tegenover ‘de pijn en het leed dat de Palestijnen is en wordt aangedaan.’ Erger nog, een deel juicht het toe. De overheid is nu ‘met de neus op de feiten gedrukt’: de ‘harde kern van extremistische en racistische joden’ kan alleen met harde hand in bedwang worden gehouden. De door Israël tegen hen genomen maatregelen zijn dan ook onvoldoende. Israël en de PLO mogen het vredesproces niet laten ‘torpederen door hun wederzijdse extremisten.’ Een gewapende vrede is beter dan geen.[744] 

            Met een gedicht van Darwish illustreert Friedman hoe graag Palestijnen van de kolonisten verlost zijn. Onder Israëliërs groeit daarvoor het begrip. Goldstein heeft aldus het tegenovergestelde van zijn doel bereikt. Een kabinetsmeerderheid wil de nederzettingen in Hebron ontmantelen, maar niet op dit tijdstip. De kolonisten kampen met het “imagoprobleem” dat ze collectief voor ‘rabiate racisten’ worden versleten. Bin-Nun verzet zich hiertegen. Hij is een van de ideologen van Gush Emunim (informatie die in NRC niet wordt gegeven) en noemt de vergelijking van de kolonistenbeweging met skinheads een “leugen.” Volgens hem “walgen” de meeste bewoners van Kiryat Arba van de aanslag en worden zij om politieke redenen op één hoop gegooid met Kahane’s volgelingen. Volgens Friedman zijn de pogingen van kolonisten om zich van de “marginale gekken” te distantiëren echter weinig overtuigend. Om te beginnen waren ‘fanatici’ onder hen de eersten om Goldstein’s daad te prijzen. Het argument van de ‘gematigden’ dat de schuld bij de politiek van de Israëlische regering ligt, slaat in Israël niet aan: het lijkt teveel op de rechtvaardiging die Palestijnen voor hun aanslagen geven. De verdediging dat een individuele daad niet een hele gemeenschap kan worden aangerekend, gaat evenmin op. Recente tv-opnamen tonen kolonisten die ‘huishouden in Hebron (…) en in alle rust aanleggen en op Palestijnen schieten.’ Friedman wijst erop dat de nederzettingen slechts 2 tot 3 % van de Israëlische bevolking bevatten en dat Rabin’s voornemen ze niet te ontmantelen onverenigbaar is met het vredesproces. Ze voorspelt dat de regering uiteindelijk de knoop zal doorhakken ten gunste van vrede.[745]

            In een interessante parallel met de bevindingen van De Bruijn (hoofdstuk 2) noteert Friedman als ‘allereerste les van een dagje Kiryat Arba’ dat ‘journalisten vaker de bus moeten nemen.’ Hoewel het gebied voor de pers gesloten is, kun je er met het openbaar vervoer komen. Haar reportage vanuit deze nederzetting is empatisch, in contrast met haar politieke afkeuring van de kolonistenbeweging. Aanvankelijk voelt zij zich een ‘indringer’ in een door religie en gevaar getekende wereld, waarvan de bewoners zich bovendien het slachtoffer voelen van journalisten. Mensen rijden haar kwaad voorbij als ze wil liften. Haar interview-partner, voormalig Knessetlid Ha’Etzni, stelt dat het om een “natuurlijke reactie” gaat, omdat de mensen zich “als paria’s” geportretteerd voelen. De regering heeft hen in de steek gelaten, terwijl Israël dankzij de “vredesmisdadigers” op een “totale oorlog met de Arabieren” afstevent. Ha’Etzni schetst Goldstein als een “engel” die de “daad van een duivel” stelde. Pogingen om de dader te profileren zijn volgens hem futiel: “om Goldstein recht te doen heb je een Thomas Mann nodig.” Hij stelt dat links meer “potentiële Goldsteins” telt dan rechts, die graag “dertig vijanden van de vrede” zouden neermaaien.[746]

Bij een crèche spreekt de correspondente drie juffen. Nadat ze vertelt dat ze “het andere gezicht van Kiryat Arba” wil laten zien, begrijpen ze elkaar, ‘als vrouwen, als Israëliërs [mijn cursivering].’ Volgens deze vrouwen zoeken journalisten normaal alleen extremisten op die aan hun vooroordelen voldoen en wordt de “taal van het nieuws” tegen kolonisten gebruikt: “aanval” bij Palestijnse terreur, “slachting” bij Goldstein. Het geweld begint volgens hen echter altijd bij de Palestijnen. Het leger laat joden in de steek en de regering probeert ze een “vredesmedicijn” te laten slikken dat op gif neerkomt. Friedman benadrukt het human interest aspect via een gehandicapt meisje: nederzettingen bestaan niet alleen uit een “politiek verhaal” maar ook uit de “levens van gewone mensen.” Dit wordt nog eens onderstreept door familievrienden die Goldstein’s weduwe komen condoleren en stellen dat zij troost uit haar geloof put. Op de terugweg wordt de bus bekogeld door Palestijnen. Een soldaat, ‘zelf nog bijna een kind’, verzucht dat het maar om kinderen gaat. Het is frustrerend om tegen ze op te moeten treden, omdat ze de politiek nog niet snappen. Een passagier die plannen maakt om Kiryat Arba te verlaten, vervloekt Goldstein als een “maniak” die haar bestaan heeft “verwoest”. Ze ziet niet in hoe “dat vredesgedoe” nog zou kunnen werken.[747]

Friedman tekent de Palestijnse kant van het verhaal op vanuit de ‘borrelende kookpot van diepe haat en wanhoop’ Hebron. Het vergt een moeizame reis, het ‘wisselen van auto’s en identeiten’ en ‘onplezierige’ confrontaties met legerversperringen. Ze interviewt de ter plaatse in aanzien staande al-Djabri’s. Grootvader zorgt voor de grote familie van zijn in de moskee gedode zoon. Hij klaagt dat Israël hun verhaal afsluit van de media. Rode kringen om zijn ogen ‘weerspiegelen zijn leed.’ Een kleinkind weigert trots om zijn wonden te laten zien. De familie kende Goldstein al van eerdere vernielingen en schietpartijen. Op de dag van de moord zou hij bij een kleinere moskee op iemand hebben geschoten, “maar daar waren niet genoeg mensen voor een bloedbad.” De soldaten laten de kolonisten begaan en beschermen ze. “Twee dagen na het bloedbad liepen ze hier voorbij, al zingend en dansend (…). Het is verbluffend hoe hier ook nu nog niets veranderd is.” De familie wil niets met Israëli’s te maken hebben en weigert schadevergoeding of getuigenis voor de onderzoekscommissie. “We willen onze rechten, en we willen dat ze verdwijnen.” Deze gevoelens worden breed gedragen, zo maakt Friedman op uit het commentaar van aanwezige buren, vrienden en andere gewonden. Het uitgaansverbod is zwaar. De aanwezigheid van kolonisten betekent die van militairen en dat zorgt voortdurend voor slachtoffers. “De Israëliërs hebben hier een gesloten luchtbel geschapen (…).”[748]

            Een uitgebreid artikel gaat in op het gedachtengoed van Kahane, die ‘openlijk een “Araber-rein” Groot-Israël predikte.’ Na zijn dood splitsten zijn volgelingen zich in de twee extreem-rechtse partijen, onder het ‘gebral’ van “Dood aan de Arabische honden.” Volgens Friedman is hij nu ‘meer levend dan ooit.’ De geschiedenis van Kahane is er een van geweld, waarbij de jood nooit meer het slachtoffer mocht zijn. Toen deze “racistische idioot, Amerikaanse import” (zoals de gevestigde orde het stelde) in de jaren ’80 heel wat meer aanhang dan alleen “buitenbeentjes” wist te vergaren, reageerde de geschrokken politiek met een verbod. De grens tussen zijn ‘puur racistische leer’ en het zionisme van uiterst rechts is intussen vervaagd: het idee alle Arabieren te deporteren circuleert. Friedman schat de huidige Kahanisten in als gewelddadige  ‘plebejers.’ In een tweede stuk hamert filosofieprofessor Ravitzky op het verschil tussen de volgelingen van Kahane en die van Gush Emunim, de ‘voorhoede van de nederzettingsbewegingen.’ Qua levensstijl en houding tegenover Palestijnen en de regering lijken beide groepen op elkaar, maar in plaats van ‘vreemdelingenhaat’ belijden de kolonisten een ‘authentieke joodse interpretatie van het geloof’: messianistisch onder invloed van de holocaust.[749] In een achtergrondinterview met AP noemt Kach’s voortvluchtige leider, Marzel, Goldstein “een heilige.” Hij maakt de regering uit voor “bolsjewieken” die de joodse staat “vernietigen.” Wat betreft de Arabieren zal Israël “het hele zootje moeten uitwijzen.”[750]

            Met hun oproep dienstbevelen tot ontruimen van nederzettingen te weigeren, gooien drie rabbijnen ‘olie op de vlammen.’ Velen zien zich voor de keus gesteld tussen ‘hun plicht jegens “Caesar en die jegens God.’ Het tekent de rechtse ‘paniek’, aangezien Rabin benadrukt dat ontruiming niet aan de orde is. Trouw wijst er echter op dat rabbinale uitspraken niet bindend hoeven te zijn en dat er grote meningsverschillen bestaan in het religieuze kamp. Rabin reageert ‘ongekend hard’ door de uitspraken wetteloos te noemen. Hij zou geleerd hebben de oppositie en de kolonisten, die hij vroeger als lucht producerende “propellers” afdeed, niet te onderschatten. Sinds het ‘bloedbad’ wordt de ‘potentiële ongrijpbaarheid’ van de kolonisten serieus genomen. Aan de ‘borrelende kookpot’ zou nu het ‘kruid van de religieuze sanctie’ zijn toegevoegd. De sfeer in de bezette gebieden is zo explosief dat het woord ‘burgeroorlog’ in de lucht hangt.[751]

Bij de met de dodenherdenking samenvallende Hamas-aanslagen is er voor veel Israëli’s ‘nauwelijks onderscheid tussen de slachtoffers van toen en nu.’ Woedende betogers scanderen “Dood aan de Arabieren” en “Rabin moordenaar, is dit de vrede!” De oppositie is er ‘als de kippen bij’ om er munt uit te slaan. De waarschuwing van de regering dat burgers op hun hoede moeten zijn voor aanslagen, omdat tegenstanders van de vrede alles zullen doen ‘om die om zeep te helpen’ is contraproductief. Ook de ‘meest fervente aanhangers van de vrede’ kunnen niet begrijpen dat terreur ‘er bij hoort.’ Hoewel niemand het openlijk toegeeft, komen de aanslagen Israël ‘politiek niet slecht uit.’ Het ‘evenwicht’ wordt ermee hersteld. De onderhandelingen gaan door en beide zijden verwijten elkaar ‘bijna als vanouds’ de zaak te traineren.[752]

 

 

4.3 De receptie van Oslo II

 

Achtergronden in NRC

 

Meerdere achtergrondartikelen dragen het stempel van Bouman’s links-zionistische interpretatiekader. Oslo II is volgens hem een historische stap naar de eerste Arabische democratie, dankzij het optreden van ‘leiders van het kaliber van Rabin en Peres.’ Alleen met een democratisch Palestina is volgens hen duurzame vrede mogelijk. Zij willen dat laatste bereiken door ‘Judea en Samaria’ op te geven, ‘de bakermat van het joodse volk.’ Samen met de VS ziet Israël er daarbij op toe dat de Palestijnse ‘entiteit’ zich volgens democratische principes ontwikkelt. De synchronisatie van terugtrekkingen met verkiezingen voor de Palestijnse Raad laat zien hoe het vredesproces hand in hand gaat met democratisering. Bouman betwijfelt wel of de wispelturige Arafat ‘de onverbrekelijke band tussen een vrije pers en democratie [weet te] doorgronden.’[753] Met deze analyse weet NRC’s vaste man in het veld op zijn beurt niet te doorgronden hoe de Israëlische politiek juist het tegenovergestelde bewerkstelligt. De Israëlische dominantie zorgt er immers voor dat de akkoorden Palestijnse zelfbeschikking beperken ten gunste van Israël. De veiligheidsbepalingen van Oslo II werken juist autocratie in de hand. Bovendien moeten zowel de verkiezingskandidaten als door de Raad uit te vaardigen wetten eerst door Israël worden goedgekeurd, zoals in hoofdstuk 3 werd vermeld. Behartiging van nationale belangen ten koste van een militair overheerste bevolking laat zich moeilijk duiden als een democratisch principe. Het eerst en vooral definiëren van Palestijnse democratie als een garantie voor Israël’s  veiligheid, spreekt boekdelen over Bouman’s positionering.

Likud geldt als ‘bad guy’. De rechtse nederzettingenpolitiek was er bijna in geslaagd om vrede door scheiding te blokkeren. Uit binnenlandse politieke overwegingen kan de Arbeiderspartij zich nog steeds niet veroorloven om over de nederzettingen te beginnen. Israëlische soldaten, Palestijnse politiemannen en gewapende tegenstanders van het akkoord zorgen voor een explosieve situatie, met name in Hebron. De ‘veiligheidswegen’ konden voor de kolonisten nog weleens ‘doodswegen’ worden.[754] Toch zou Likud indirect een positieve prikkel aan Oslo II hebben gegeven. Arafat kon ondanks zijn dramatische verontwaardiging het aanbod van Peres niet afslaan. Bij een verkiezingszege van Likud zou de kans immers verkeken zijn. Het radicalisme van de kolonisten in Hebron komt als obstakel voor het vredesproces naar voren in een bezoek aan de stad. De vergezellende Palestijnse journaliste is doelwit van aanvallen door hysterische joodse vrouwen. Bouman noteert de leuzen waarmee kolonistenvrouwen een week eerder, gedekt door de militaire autoriteiten, een Palestijnse school binnenvielen: “We zullen jullie je keel afsnijden. Goldstein, je bent een martelaar van de joden, kom en doodt de kinderen van deze school.”[755]

Een voorpaginastuk door redacteur Stein gaat in op de Arabische perceptie van het vredesproces. Daaruit doemt een minder optimistisch beeld op dan dat van Bouman. In het westen is het akkoord dan wel met grote tevredenheid ontvangen, maar onder de Palestijnen zijn zelfs de voorstanders sceptisch.[756] De versplintering van de Westoever in door veiligheidswegen en controleposten afgesneden gebiedjes, wordt vergeleken met een luipaardvel. De optimisten hopen dat ‘het luipaard in de toekomst een wat egalere huid krijgt.’ De pessimisten hebben het over “Palestijnse bantoestans” (thuislanden). Een discussie tussen twee Palestijnse mannen illustreert deze tweedeling. De één vindt dat Arafat de Israëli’s hun zin heeft gegeven: de Arabieren zijn ze kwijt, het beheer over land, water en veiligheid houden ze. Het is de ‘vrede der zwakken en wanhopigen.’ Volgens de ander is er weer een stuk Palestina teruggewonnen en verdienen de akkoorden het voordeel van de twijfel. De Arabische wereld als geheel is op vergelijkbare wijze verdeeld: de grote meerderheid is oorlogsmoe, maar vrede met Israël wordt als nederlaag ervaren. Er is dus geen sprake van enthousiasme, maar van berusting in de enige uitweg. Tegenstanders van het akkoord hameren op de niet opgeloste problemen en stellen dat Arafat niet namens de Arabische wereld spreekt. Volgens NRC is dat een ‘oude melodie’, die ook gehoord werd toen Egypte vrede sloot. Nationalisten en fundamentalisten hebben geen keus: ze zullen moeten inbinden. Dat geldt ook voor rechtse en religieuze Israëli’s. ‘Frustraties, terrorisme en bloedbaden’ zijn daarvan het onvermijdelijke gevolg. Die prijs zal moeten worden betaald.[757] Een betoger stelt: “Als ik mijn primitieve gevoelens zou laten werken zou ik Rabin vermoorden.”[758] Wanneer Rabin later daadwerkelijk vermoord wordt, constateert NRC terugblikkend dat de voorafschaduwing van zijn dood zich al op de krantenpagina’s bevond.

 

Achtergronden in Trouw

 

De krant staat sceptisch tegenover het akkoord: de 450 kolonisten in het centrum van Hebron leggen ‘een zware en vrijwel onmogelijke hypotheek’ op de uitvoering ervan. Tussen hen en de Palestijnen is de haat zo ‘onmenselijk groot’ dat de geringste aanleiding in een bloedbad kan uitmonden. Israël zal zich volgens Trouw moeten beraden op hun toekomst. Beide kampen zullen hun extremisten in bedwang moeten houden. De gewapende vrede die er nu bestaat nodigt Hamas en kolonisten uit tot aanslagen, die het vredesproces kunnen vertragen of in gevaar brengen. Toch spreekt de krant vertrouwen in datzelfde proces uit. Wat er inmiddels met ‘noeste en langdurige diplomatieke arbeid’ is bereikt, was vijf jaar geleden nog ondenkbaar. Israël en de PLO beseffen dat zij ‘tot elkaar zijn veroordeeld.’ Ondanks aanslagen zijn de onderhandelingen voortgezet. Het interimakkoord maakt als minst slechte oplossing een vervolg mogelijk: ‘hopelijk kijken we over vijf jaar terug en verwonderen we ons opnieuw.’[759]

            Drie van de achtergrondartikelen gaan in op de Palestijnse context. Het begin van het Palestijnse bestuur in Jenin is aanleiding voor een sfeertekening ter plaatse. De bevolking viert bescheiden feest, hoewel Arafat zijn opwachting niet in het ‘slaperige stadje’ maakt. Voor zijn entree op de Westoever heeft hij de kerst in Bethlehem uitgekozen, die hem van belangstelling uit de hele wereld verzekert. Het stuk is een goed voorbeeld van de opkomst van een nieuw paradigma dankzij het vredesproces. Kinderen laten luchtballonnen op met afbeeldingen van Arafat. Daaraan zou ‘in andere tijden (…) een politiek minder positieve betekenis gegeven zijn.’ De bezettingservaring komt aan bod in de woorden van een inwoner tegenover een Israëlische journalist: “Dit gebouw vertegenwoordigt ons lijden. Hier hebben ze ons vernederd en gemarteld.” Hoewel Jenin zijn ‘portie uitgaansverboden’ heeft gehad, hebben zowel de Israëli’s als de bewoners er echter relatief weinig geleden onder de intifada, door de geïsoleerde ligging en het ontbreken van ‘politiek extremisme.’[760]

            Met het terugtrekkende leger verlaten ook Palestijnse collaborateurs steden op de Westoever. In het gemengd joods-Arabische Jaffo (nabij Tel Aviv) wordt tegen hun komst gedemonstreerd: “Jaffo is geen vuilnisvat.” Polak interviewt verontwaardigde huisvrouwen die hun gal spuwen over het “gespuis” dat zich in hun midden heeft gevestigd. Zij volgt het perspectief van de ‘gewone Palestijn’ in deze. Ze beschrijft hoe de Shin Beth uit een ‘enorm arsenaal verklikkers’ putte om het dagelijks leven nauwgezet te volgen. Gevangenen werden vrijgelaten in ruil voor informatie en vervolgens gechanteerd: een effectieve techniek, omdat een collaborateur zijn leven niet zeker was. De meeste informanten werden met beloningen geworven onder ‘lieden (…) aan de zelfkant van de samenleving (…) die gespeend waren van enige nationale trots.’ Met het vertrek van hun beschermheer maken Hamas en Fatah jacht op hen. Hun huisvesting in Palestijnse dorpjes confronteert Israëlische Arabieren met hun ‘dubbele loyaliteit’: achtergesteld door de staat en daarbuiten bestempeld als verraders. Echte verraders worden door hen niet op prijs gesteld.[761]

                Friedman gaat in op ‘misdadige activiteiten’ door de Palestijnse geheime dienst PSS. De bezetting was ‘geen pretje’, met zijn ‘vernederingen, martelingen van verdachten en economische discriminatie’, maar het is de vraag of de mensenrechten er nu op vooruit zullen gaan. Jibril Radjoeb (hoofd van de PSS in Jericho) werkt samen met de Israëlische veiligheidsdienst en onderhoudt een ‘knusse relatie’ met hoge ambtenaren. Het gevolg is een ‘schemertoestand’ vol mensenrechtenschendingen. Het is zeer de vraag hoe het zal gaan wanneer de PA de Westoever bestuurt en organisaties als B’tselem geen toegang meer hebben.[762] De benadering van Trouw contrasteert aldus nogal scherp met Bouman’s democratiseringsthese.

 

 

4.4 Rabin’s dood: tweespalt bedreigt Israël

 

Achtergronden in NRC

 

In Israël zorgt de moord voor een grote schok, als terrorisme van jood tegen jood. Het was de ‘climax’ van karaktermoord door Likud: ‘de naargeestige verwijzing naar de SS [had] een waarschuwing moeten zijn.’ De Groot-Israël gedachte heeft een tweedeling teweeggebracht. Voorheen verdedigde Israël zich tegen een ‘oppermachtig schijnende Arabische wereld’, zo grijpt de krant terug op het ‘pro-Israëlische’ paradigma. Onder Likud kreeg ideologie de overhand en daarmee overheersing en kolonisering. Hoewel Rabin en Peres het concept van land voor vrede deden herleven, hebben rechtse voorgangers ‘de vredeskansen bij voorbaat zwaar belast’ met voldongen feiten.[763] Het ‘ondanks alle concessies voortdurende terrorisme’ versterkte bij vele Israëli’s die eigenlijk geen grondgebied wilden prijsgeven, het gevoel dat vrede met de Palestijnen toch niet mogelijk was. De krant vraagt zich af wat de toekomst brengt nu met Rabin ‘het anker is weg-geslagen.’[764] Enkele dagen later voorspelt Bouman dat het vredesproces tot aan de verkiezingen juist zal versnellen. De oppositie is voorlopig verlamd. Likud zou zich moeten bezinnen op het temperen van de levensgevaarlijke polarisering: ‘De moord is de schaduw van zwarte raven die over het joodse land vliegen.’[765] De uitkomst van de verkiezingen zelf is echter onzeker. Peres is kwetsbaar.

            Rabin komt als een vredesheld naar voren, de moord als een zondeval: ‘Kort na het zingen van het vredeslied is de soldaat Yitzhak Rabin vermoord. (…) Als jood onder joden, wilde deze in Jeruzalem geboren tsabre niet geloven dat een joodse moordenaar om de hoek zou staan. (…) Het geloof in de vrede entte zich in Rabins ziel en hij heeft daarvoor zaterdagavond de hoogste prijs betaald.’[766] Het inzicht van Rabin wordt afgezet tegen het gebrek aan rechtse visie: ‘(…) samenleven met de Palestijnen was onmogelijk geworden (…).[767] Maar een groot deel van de Israëlische bevolking weigerde zich neer te leggen bij deze politieke logica, die zoveel pijnlijke en misschien zelfs levensgevaarlijke concessies noodzakelijk maakte.’[768] In de Arabische wereld werd Rabin volgens NRC gezien als een sterke man, met wie afspraken mogelijk waren. Dat is ook de insteek van interviews die Palestijnse reacties peilen: ‘Bij Rabin wist je dat je altijd minder kreeg dan waar je om vroeg. (…) Maar zonder hem weet ik niet of we nog iets krijgen.’[769]

Bouman wijst op de ‘gapende wonden’ van de kloof tussen links en rechts. Hij baseert zich op wetenschappers, schrijvers en journalisten om het gevaar van religieus extremisme te onderstrepen. De “heiligheid van het land” staat voor sommige rabbijnen boven de democratie.[770] Israël kent zijn eigen fundamentalisten: ‘Yigal Amir was, evenals de zelfmoordterroristen van de Islamitische Jihad, bereid te sterven voor de heiligheid van “het land.”[771] Uit een opiniepeiling blijkt dat 39% van de religieuze zionisten voor een ‘anti-democratische’ staat is. Sleutelposities in leger en maatschappij worden door religieuze studenten ingenomen, met opdracht van hun leiders. Voorheen werden de ‘zionistische waarden’ en ‘pioniersgeest’ nog door de kibboetsjeugd uitgedragen.[772] Nu wordt hun rol echter overgenomen door jongens die achter de hekken van nederzettingen zijn opgegroeid, in een gedachtenwereld die ‘volkomen haaks’ staat op het moderne Israël.[773] Historicus Haskor waarschuwt voor het idee dat zij gewoon de ‘goede jongens’ van de huidige tijd zijn. Hun ideologie verwerpt westerse waarden: “Het is orthodox fascisme.”[774] Anderzijds schetst Bouman de reactie van de overheid als overspannen. ‘Op kosten van de vrijheid van meningsuiting zullen de Israëliërs niet meer mogen weten dat (…) weer op een muur is gekrijt dat “Rabin een verrader” is.’[775] Zo leidt de “heksenjacht” er toe dat rechtsgezinde Russische migranten niet meer vrijuit durven spreken: ‘Zo’n extreme reactie hadden ze niet van de Israëlische democratie verwacht.’[776]

De Gruyter concentreert zich op een dubbele tweedeling: die tussen Israël en de nederzettingen en die tussen extremisten en welwillende kolonisten. Er heerst angst en onzekerheid. De bewoners van Efrat hebben het gevoel ineens “aan de andere kant van de grens te wonen.” Het maakt ze ‘waanzinnig bang.’[777] In Teqoa stelt een geïnterviewde: “Er zijn tegenwoordig twee soorten Israëliërs. (…) We worden uitgekotst.”[778] Een koloniste herinnert vertwijfeld aan de tijd dat de tien joodse stammen met elkaar streden. ‘Dat was de vorige keer dat het joodse volk verdreven werd’, tekent De Gruyter onheilspellend aan. Herhaaldelijk klinkt een gevoel van verraad door. De overheid laat volgens vertwijfelde kolonisten gewone burgers een toekomst opbouwen en levert ze vervolgens uit aan de Palestijnen: ‘Rabin kwam niet - niet naar Efrat, de nederzetting die hij zelf in ’67 had ingewijd. (…) In mei stuurde hij 500 soldaten om ze [activisten] van de berg te sleuren. De Palestijnen hadden daar juichend bij gestaan.’[779] Beschrijvingen van nederzettingen geven een beeld van orde, rust en welvaart. ‘Gemeenschapszin, lotsverbondenheid - nederzettingen zijn traditionele enclaves in een verloederende wereld.’ Niet alle kolonisten vieren Rabin’s dood of zijn tegen samenleven met Arabieren, zo luidt de expliciete boodschap. De Gruyter zet haar geïnterviewden (kleurrijke vrouwen) af tegen ‘het oerbeeld van de militante kolonist.’[780] De pers zoekt alleen mensen op die aan stereotype beelden beantwoorden, zo klagen deze. NRC profileert zich daarentegen met empathie. 

 

Achtergronden in Trouw

 

De krant spreekt zijn afschuw uit over de aanslag. Dat de dader ‘een Israëlische jood moest zijn’, toont aan hoe diep het land is verdeeld. Extremisten blijken tot alles in staat om te zorgen dat de ‘ontluikende vrede (…) in de kiem wordt gesmoord.’ Trouw hoopt dat zij daar niet in slagen. Op de lange termijn kan Israël alleen overleven als het vrede sluit met zijn buren. Gelukkig is Peres het voortgaan op de ingeslagen weg ‘wel toevertrouwd.’ Eerdere aanslagen wisten het vredesproces ook niet te stoppen. Beide zijden beseffen dat ze tot een gewapende vrede met elkaar zijn veroordeeld.[781] Peres zal de ‘heiligverklaring’ van Rabin moeten omzetten in duurzame steun. In de Israëlische politiek waren zij een ‘onafscheidelijk koppel’, als rivalen en later als vredesduo. Gelukkig is het vredesproces inmiddels misschien al wel onomkeerbaar. De veranderde houding van de Arabische wereld en de belofte van de oppositie om de akkoorden te eerbiedigen lijken daarop te wijzen. Problemen zijn er echter nog volop.[782]

Polak wijdt een ad hoc necrologie aan Rabin, als de glorieuze overwinnaar van 1967 en de ‘man van de harde aanpak’, die de intifada bestreed met het breken van Palestijnse botten. De kracht van deze workaholic was zijn ‘ijzersterke logica.’ Die deed hem inzien dat militaire macht geen antwoord was. ‘Mister Security’ stichtte vrede omdat hij daarmee de veiligheid garandeerde. Het historische beeld dat bij hem past, is zijn met tegenzin uitgestoken arm, die Arafat de hand schudt: ‘Dat was Rabin ten voeten uit, de soldaat-politicus die vrede sloot.’[783] Het decor van zijn dood is symbolisch. Voor het eerst in zijn leven legde Rabin een arm om Peres heen en zong hij in het openbaar, zo beschrijft Trouw. Hij stierf op wat hij “een van de mooiste dagen van mijn leven” noemde. [784]

Omdat de Israëli’s zich een ‘klein, hecht volk’ tegenover een ‘boze buitenwereld’ voelen, is de ontsteltenis extra groot, ook in religieuze kringen. Voor gelovigen weegt het gebod om niet te doden ten opzicht van joden ‘nog eens duizend keer zwaarder.’ Het gevaar van geweldsescalatie was al eerder bekend. Zo moest Rabin tegen een woedende menigte worden beschermd toen hij de plaats van een Hamas-aanslag bezocht. Verbale escalatie ging eraan vooraf. Rechts-radicalen en kolonisten, ‘maar ook de zogenaamde gematigde oppositie’ verketterden “de lafaards en verraders” als handlangers van terroristen. Links betitelde de rechts-religieuzen als “krankzinnige fanaten.” Een jongetje verwoordt de onderlinge strijd op de radio ‘het scherpst: Rabin was de vader van ons allemaal en nu heeft een zoon hem vermoord.’[785] Uit de golf van sympathie voor de vermoorde premier spreekt ook schuldgevoel. Op veel condoleances staat “sorry.” Lea Rabin verwijt Israëli’s haar man in de steek te hebben gelaten toen hij voor moordenaar werd uitgemaakt.[786]

            Extremistische kolonisten verheugen zich. De burgemeester van Kiryat Arba stelt dat ‘99,9% van de mensen hier’ de aanslag betreurt, maar ANP tekent er uitspraken op die van instemming en identificatie met Amir getuigen. De meeste passanten beklemtonen niettemin dat ze de moord op hun politieke vijand afkeuren. Het oordeel van twee mannen maakt de lezer wel duidelijk wat hiervan te denken: “Het stikt hier van de hypocrieten en de leugenaars. Zaterdag is iedereen dansend de straat opgegaan en hebben we psalmen gezongen bij het graf van Goldstein.”[787] Godsdienstwetenschapper Leertouwer legt uit dat iedere religie een ‘kern van onverdraagzaamheid’ in zich draagt. Amir is volgens hem een typische fundamentalist. Voor westerlingen is zo’n geestesgesteldheid moeilijk te begrijpen, maar ze worden ermee geconfronteerd omdat “de allerheiligste terroristen” dagelijks de krant halen.[788] Palestijnse vluchtelingen in Libanon kunnen Rabin’s dood wel waarderen. Van het vredesproces hebben zij toch niets te verwachten en de enige goede jood/Israëli is een dode. Strijders gunnen ook de ‘verradersdriehoek’ Arafat-Moebarak-Hussein de dood.[789] Trouw tekent ook enkele joodse reacties in Nederland op, naar aanleiding van herdenkingen. Zo vreest rabbijn Jacobs uit Utrecht dat iedereen die tegen de politiek van Rabin was, ten onrechte met de moordenaar (een “outcast”) wordt vereenzelvigd: “Ook de tegenstanders van Rabin willen niets liever dan vrede.”[790]

Amir komt in een karakterschets naar voren als betweterige fanaat. Als kind was hij de anderen al te slim af. Als leerling en soldaat viel hij op door bewijsdrang en overdreven plichtsgetrouwheid. In de elite-eenheid waar hij diende ‘leefde hij zich uit’ op Palestijnen. Zoals een medesoldaat zich herinnert: “In de Golani slaan ze allemaal. (…) Maar Jigal was uitzonderlijk, een geval apart. (…) Hij genoot ervan de Arabieren te treiteren, zomaar voor de lol.’ De arrogante glimlach die hem tijdens zijn berechting kenmerkt, heeft hem van jongsafaan vergezelt. ‘De beste advocaat van zichzelf’ voert zijn eigen verdediging. Zelfs de moord zat vol eerzucht: ‘Jigal Amir wilde altijd het allerbeste, dus ook nu wilde hij de nummer één, Jitschak Rabin.’ Zijn moeder, ‘een sterke, dominante, haast overweldigende vrouw’, meent echter dat hij onder liefdesverdriet leed en mede daardoor tot zijn daad gekomen is.[791] Deze vrouw is op zichzelf goed voor een dramatisch human interest artikel. Na haar ‘frontale botsing met het noodlot’ is zij geknakt, maar niet gebroken. De kleuterleidster heeft haar zoon altijd liefde, respect en tolerantie bijgebracht, maar nu is haar dwalende ‘goede jongen’ niet meer van haar.[792] Zoals in hoofdstuk 3 aan de orde kwam, logenstraft haar optreden in de rechtzaal later dit sympathieke plaatje, waarop Trouw cynisch over haar schrijft.

In politieke zin betekent de moord dat de ‘zijden handschoenen’ eindelijk terzijde worden gelegd en de ‘jacht’ op extreem-rechtse organisaties wordt geopend. Dat Amir nooit is aangehouden ondanks de duidelijke voortekenen, komt doordat de Shin Beth zich geheel op Palestijnen richtte. Bovendien is de grens tussen ‘in vrij brede kring aanvaarde standpunten van extreem-rechts’ en die van “gevaarlijke extremisten” in Israël vaag. Op religieuze scholen zijn etnocentrische, uiterst nationalistische opvattingen gemeengoed.[793] Bij de morele schuldvraag staan rabbijnen centraal. Amir beriep zich immers op hun autoriteit om Rabin als ‘vervolger van joden’ te brandmerken. In religieuze kringen hadden radicalen tot voor kort het hoogste woord. Gematigde rabbijnen slaan nu terug. Jehoe Amital beschuldigt zijn collega’s van jeugdbederf en Bin Nun verwijt daags na de aanslag een tiental rabbijnen zelfs persoonlijk goedkeuring van moord. De vraag doemt op of er in Israël niet een gemeenschap bestaat die er zijn eigen regels en wetten op nahoudt. Binnen de nationaal-religieuze stroming heeft radicalisering om zich heen gegrepen. De religieus-seculiere tegenstelling is door de aanslag verscherpt: ‘Alle religieuzen zijn in één klap schuldig aan de moord op Rabin.’ Ze worden uitgescholden op straat of geweigerd in de bus.[794]

Rabin laat een lacune achter: in het streven naar ‘vrede en veiligheid’ garandeerde hij het laatste. Barak, de gedoodverfde opvolger van Rabin, kan het veiligheidsimago van de regering redden.[795] Verzoening en verovering van het politieke midden zijn het doel van het nieuwe kabinet. Peres zal zich ‘rechts van Peres’ positioneren, met Barak als minister van Buitenlandse Zaken.[796] Het laatste artikel uit de itemreeks gaat doorspekt met superlatieven in op de persoon Barak, die als ‘wonderkind’ en ‘superman’ een topcarrière doorliep. Zijn geheime missies als lid van een Israëlisch “supercommando” leverden hem talrijke medailles op. Hij is academisch gevormd, een snelle denker en welbespraakt. Hij staat echter ook bekend als ongeduldig, roekeloos, eerzuchtig en arrogant. Critici vinden de ‘kleine Napoleon’ een opportunist, een “Tefal-man” waar schandalen vanwege zijn charme niet aan blijven kleven. Voor Peres is deze nieuwe sterke man een aanwinst, temeer daar hij politieke scheidslijnen overbrugt. Met Likud en de kolonisten onderhoudt hij goede banden, vanwege zijn staat van dienst op veiligheidsgebied.[797]

 

 

4.5 Camp David: een hoopvol falen

 

Achtergronden in NRC

 

Bouman noemt Camp David een ‘wanhoopstop.’ Het Israëlische leger en de Palestijnse politie bereiden zich al voor op het bloedigste scenario in een ‘psychose’ van verbale escalatie. De hoge onderhandelingsinzet is echter een ‘paradoxaal’ ingrediënt voor succes. Clinton werpt beide leiders een reddingsboei toe in een ‘zee van emotie’ (de kwesties Jeruzalem, grenzen en vluchtelingen): ‘Alleen dwazen klampen zich daar niet aan vast.’[798] Arafat’s uitganspunt is de internationale legitimiteit die de Palestijnse zaak ontleent aan een arsenaal VN-resoluties, gekoppeld aan zijn voornemen op 13 september een staat uit te roepen met Oost-Jeruzalem als hoofdstad. Vanuit Palestijns perspectief is dat een ‘gigantische concessie’, waarmee 27% van historisch Palestina resteert. Israël moet echter 10% van de Westoever annexeren om 80% van de kolonisten onder haar soevereiniteit te brengen. Er staat dus een territoriale slag op stapel. Barak treedt daarbij aan als een ‘De Gaulle met het temperament van een Napoleon (…) om Israël te ontdoen van de territoriale last van de grote zege in 1967 (…): “Wij willen niet heersen over een ander volk.”[799] Dat zijn regeringscoalitie daarbij uiteen valt, laat de autoritaire ex-stafchef koud. Met zijn arrogantie en eigenzinnigheid is de Israëlische premier nodeloos tot ‘politieke eenling’ geworden. De door hem verachte “kleine mannetjes” in de regering, met gekwetste ego’s, weigeren het ‘voetvolk van de Israëlische Napoleon’ te zijn.[800] Door een vredesregeling wil deze, koste wat het kost, de kiezerstrouw en een ereplaats in de geschiedenis winnen.

Alleen ‘pijnlijke concessies’ zullen de ‘ogenschijnlijk onverzoenlijke standpunten’ van beide kampen kunnen verenigen.[801] De tegenstand is onder beide volkeren groot. Ruim 100.000 rechtse Israëli’s demonstreren tegen het vredesoverleg: “Wij zijn de meerderheid!” Volgens een huilende koloniste is Arafat een terrorist die hen zal vermoorden. Bijbelteksten gillend overstemt ze een man die kolonisten uit naam van de vrede oproept uit bezet gebied te vertrekken. In zijn geheel was het een ‘indrukwekkend en toch waardig protest’ van godvrezenden die ‘bang zijn vluchtelingen in eigen land te worden.’[802] In het Palestijnse vluchtelingenkamp Dehaishe is de stemming duidelijk: een vrede zonder Jeruzalem is waardeloos en zal tot opstand en geweld leiden. Het vertrouwen in het PLO-leiderschap is sterk gedaald. Volgens een Palestijnse opiniepeiling verwacht 52,8% geen aanvaardbaar akkoord. Een Jeruzalemse doktersvrouw verkiest haar Israëlische identiteitskaart boven het “onder die lage lui van de PLO leven.”[803]

Zoals blijkt uit het hervatten van de onderhandelingen na hun dreigende ineenstorten, willen Barak en Arafat door Clinton ‘behoed worden voor de val in de afgrond.’ De ‘vredesvleugel’ in het Amerikaanse jodendom is door het vredesproces zozeer versterkt dat de VS meer druk kunnen uitoefenen op Israël. Voor het eerst zijn Jeruzalem en het vluchtelingenprobleem bespreekbaar. Misschien zou er een compromis haalbaar zijn waarmee Arafat ‘kan leven en overleven.’[804] Nu Barak de oppositie negeert bespeurt NRC manoeuvreer-ruimte om de Tempelberg en Palestijnse wijken onder Palestijnse soevereiniteit te plaatsen.

Bij het mislukken van de top trekt de krant de sombere conclusie dat een historische kans verkeken is. De centrale problemen waren reeds bij aanvang van het vredesproces duidelijk in kaart gebracht, omdat alleen een allesomvattende vrede duurzaam kon zijn. De gefaseerde terugtrekking had vertrouwen moeten wekken. Dat blijkt echter de ‘weeffout’ in het vredesproces te zijn geweest. De tijd die is genomen om oplossingen te vinden, maakte het mogelijk om tegenover de eigen achterban de problemen niet ‘eerlijk en open’ onder ogen te zien. Nu vertragingstactieken niet langer mogelijk zijn, lijken ‘de doelstellingen van Oslo helaas een luchtspiegel te zijn geweest.’ De conclusie moet luiden dat de verantwoordelijkheid voor de teleurstelling ‘gelijkelijk over de Israëlische en Palestijnse leiders (…) dient te worden verdeeld.’[805]

Redacteur Robert de Boer legt de schuld daarentegen bij het Palestijnse kamp, door de mythe van het genereuze Israëlische aanbod na te volgen: ‘De Israëlische premier Barak deed concessies, de Palestijnse leider Arafat niet.’ Dat betekende een diepe teleurstelling voor Clinton, die de ‘middenweg’ vergeefs bewandelde in deze alles-of-niets gok. Na het Monica-Lewinsky schandaal, was de president ‘op weg naar de uitgang’ nog wanhopig op zoek naar succes om zijn tweede ambstermijn op te luisteren. Hij bemoeide zich zo intensief met de onderhandelingen dat hij ‘uitverkoop van macht’ hield. Een cirkelgang rond conflictpunten was het gevolg. Clinton had de onderhandelingen beter aan zijn ondergeschikten kunnen overlaten, om pas op een beslissend moment zelf de druk op te voeren.[806]

De vaste correspondent is aanmerkelijk optimistischer dan het thuisfront. Hoewel een ‘intermezzo’ van geweld te verwachten is (‘het is nooit anders geweest’) verwacht Bouman dat vrede ‘dichterbij is dan ooit, want een alternatief is er niet.’ In voor het ‘evenwichtigheidsparadigma’ typerende beeldspraak stelt hij dat in het ‘grote duel’ tussen beide volkeren nu historische taboes als schaakstukken zijn gevallen. Clinton prijst Barak dan ook terecht, zonder Arafat daarbij echt als het zwarte schaap aan te wijzen. De Israëlische leider valt hooguit overmoed en eerzucht te verwijten. Hij is in het voetspoor van vredestichter Rabin getreden door Arafat ‘op een zilveren schaaltje een levensvatbare Palestijnse staat’ aan te bieden, ‘zelfs’ met uitzicht op een ‘Palestijnse vlag op de moskeeën op de Tempelberg.’ Hoewel Arafat volgens Israëlische commentatoren een blunder heeft gemaakt die vergelijkbaar is met het verwerpen van het VN-verdelingsplan van 1947, wacht hem een Palestijnse ‘heldenontvangst.’ Barak keert daarentegen terug naar een verdeeld volk en een kabinet in chaos. Hij wordt verguisd omdat hij ‘heilige waarden’ heeft gebroken door Jeruzalem te delen, maar ook geprezen omdat hij niet bezweek voor Arafat’s eisen. De politieke strijd zal gaan om de voorwaarden waarmee Israël na een periode van bezinning een vredesregeling aanbiedt.[807]

Bouman eindigt de itemreeks met een gesprek met onderzoeker dr. Klein, die op verzoek van Rabin over een oplossing voor Oost-Jeruzalem adviseert. Klein plaatst de ‘soevereiniteit van God’ tegenover het ‘negentiende-eeuwse concept’ van volledige Palestijnse soevereiniteit. De drie monotheïstische religies zouden samen het religieuze bestuur kunnen vormen, terwijl de Palestijnen hun eigen wijkbestuur krijgen. Camp David heeft een “nieuwe internationale realiteit” geschapen, waarin er voor hen niet meer in zit. Washington beschouwt Oost-Jeruzalem niet langer als bezet. Arafat’s intentie om een staat uit te roepen ontbeert internationale steun. Aan Israëlische zijde moet de ‘fictie’ van een verenigd Jeruzalem worden opgegeven. Klein bestempelt Likud-burgemeester Olmert als een buiten de werkelijkheid staande fanaat. De opzettelijke, structurele verwaarlozing van het geannexeerde oostelijke stadsdeel toont aan dat de politieke grenzen niet reëel zijn. De toon van het artikel is positief. Het advies van deze westerse wetenschapper sluit goed aan bij NRC’s opvatting dat Arafat concessies moet doen. Een ‘pro-Israëlisch’ perspectief en het ‘evenwichtigheidsparadigma’ vallen hier samen. Voor Palestijnen betekent dit echter het aanvaarden van een staat zonder een cultureel-historisch als zodanig beleefde hoofdstad. Israël houdt er internationale erkenning van Jeruzalem als regeringszetel aan over, inclusief goedkeuring voor forse gebiedsuitbreiding. 

 

Achtergronden in Trouw

 

Volgens Trouw overheerst met de top de paradox, ‘zoals wel vaker in het Midden-Oosten.’ Hoewel minister van Buitenlandse Zaken Albright de kans op een doorbraak gering acht, waagt Clinton de gok. Daarbij erkent hij ‘volmondig’ dat de kans op een mislukking ‘levensgroot’ is. De kloof tussen beide partijen lijkt onoverbrugbaar. Zij hebben na ‘grote concessies’ in een jarenlang vredesproces hun ‘uiterste grenzen’ bereikt. Het Palestijnse ultimatum op 13 september een staat uit te roepen, gaf mogelijk de doorslag om het toch te proberen. Van Israëlische zijde hebben onderhandelaars er al mee ingestemd dat 90% van de Westoever en mogelijk ook delen van Jeruzalem in Palestijnse handen komen.[808] Daarmee is echter nog geen akkoord binnen handbereik. Arafat en Barak staan tegenover hun eigen achterban uitgesproken zwak voor de concessies die nog gedaan moeten worden. Clinton bevindt zich aan het eind van zijn ambstermijn. Daarmee is hij een politieke ‘lame duck’, in de woorden van de Palestijnse politicoloog Hatib.[809] Trouw wijst er op dat ook in 1978 de kans op succes klein leek. Zolang beide partijen beseffen dat ze tot elkaar zijn veroordeeld om geweld te voorkomen, blijft er hoop: ‘soms gebeuren er in Camp David wonderen.’[810]

            Vanwege de mediastilte is er tijdens de onderhandelingen weinig nieuwswaardigs te melden. Hoewel er wordt gelekt, weten alleen de deelnemers zelf wat er zich werkelijk afspeelt. Bekend is dat zij ‘leuk rondtoeren in hun golfautootjes.’ Zoals Polak verongelijkt constateert moet ‘het journaille’ (‘toch niet de eersten de besten’) zich behelpen met sfeertekeningen waarin het plaatselijke schoolhoofd figureert. De buiten Camp David in stelling gebrachte ‘mediakanonnen’ zijn ‘haast saai’ in hun wellevendheid. Aan Palestijnse zijde is de ‘nog altijd beste tv-bespeelster’ Ashrawi ‘uit de vergetelheid gehaald.’[811] Op de massabetoging tegen het overleg kwamen weliswaar 150.000 merendeels religieuze demonstranten af, maar de ‘opgewonden sfeer en fanatieke ophitserij’ van vroeger ontbreken. Tot veel ‘drama, spanning, angst of hoop’ leidt de top niet. Een hittegolf houdt de mensen thuis. Israël is vast in twee kampen verdeeld en politiek murw gebeukt. Activisten hebben weinig invloed meer op de publieke opinie.[812]

            Wanneer de top bijna tot een vroegtijdig einde komt, verzucht Arafat dat het overleg zwaarder is dan de bombardementen in Beiroet waren. Beelden op de Israëlische televisie van Palestijnse jongeren die in zomerkampen trainen voor de gewapende strijd, voorspellen weinig goeds. Egypte en Saoedi-Arabië stellen naar verluid dat Jeruzalem niet mag worden prijsgegeven. “De Arabische leider die Jeruzalem opgeeft, moet nog geboren worden”, zou Arafat tegenover Clinton hebben gesteld.[813] In de dagen van afwachten die volgen  concentreert de berichtgeving zich op dit struikelblok. Friedman peilt de stemming onder Palestijnen in Oost-Jeruzalem. Deze beroepen zich ‘vastberaden’ op de rechtvaardigheid van Palestijnse soevereiniteit aldaar en van de terugkeer van vluchtelingen. Dat maakt het dillemma van Arafat duidelijk. Palestijnen genieten van het beeld dat hij het lot van de top bepaalt. Friedman ontwaart wel ‘scheurtjes in de stellingen’, nu het ‘laatste grote taboe - flexibiliteit in de kwestie Jeruzalem’, in Israël is doorbroken.[814] Volgens Trouw zijn de aanspraken van beide volkeren op Jeruzalem als ‘kristallisatiepunt’ van een natie, evenzeer geldig. De ondeelbaarheidsgedachte moet worden losgelaten voor een oplossing: ‘delen is vermenigvuldigen.’[815]

De krant is voorzichtig met uitspraken over de mislukking van de top: ‘Het is moeilijk te zeggen wie hiervoor de grootste verantwoordelijkheid draagt.’ Arafat’s houding kan wel ‘halsstarrig’ genoemd worden, maar zolang niet duidelijk is wat er tegenover zijn volledige soevereiniteitsclaim stond, is het beter om te zeggen dat een akkoord voor beide zijden ‘nog een brug te ver’ was. Het eindoordeel is gematigd positief. Barak verdient lof voor het bespreekbaar maken van de deling van Jeruzalem. Vergeleken bij de onwrikbare opstelling van Sharon en de radicaliteit van Hamas (dat het liefst de ‘totale oorlog’ zou aangaan) was de top een ‘wonder van vredelievendheid.’ De uitkomst is op korte termijn ‘paradoxaal genoeg (…) niet echt onvoordelig’, aangezien een akkoord een ‘waar tumult’ in ‘beide landen [mijn cursivering]’ zou hebben ontketent.[816] Beide leiders houden aan het fiasco in ieder geval respijt over. Arafat wacht een onthaal als ‘de leider die pal staat voor de Palestijnse zaak.’ Barak had alle kaarten kaarten gezet op de “psychologische” gedachte’ dat de zeventigjarige Arafat als stichter van de Palestijnse staat de geschiedenis in wilde.[817] Met ‘vergaande concessies’ zou hij hem overtuigen van deze ‘historische kans.’ Links verwijt Barak onvoldoende te hebben geïnvesteerd in deze ‘noodsprong’, na het mislukte overleg met Syrië. Zijn ‘bekende hooghartigheid’ speelde hem parten: ‘een man van inhoud, analyses en resultaten, niet van small talk.’ Ook Arafat toonde ‘geen enkele neiging tot het vestigen van een persoonlijk rapport.’ Hij hechtte meer waarde aan het imago van een standvastig leider, die zich niet laat ‘inpalmen.’[818] Onzekerheid is nu het trefwoord: over mogelijk geweld, over het verdere overleg en over de inbreng van een volgende Amerikaanse president. Het aansnijden van de kwestie Jeruzalem geeft echter ‘hoop voor de toekomst.’ [819]

Bij het vastlopen van de gesprekken luidde Arafat’s verweer steeds dat hij de islamitische wereld vertegenwoordigde: “Ik kan onmogelijk de oude stad van Jeruzalem opgeven. Daartoe ben ik niet gerechtigd. Ze zullen me vermoorden.”[820] In de Arabische wereld heerste tijdens de top echter een opvallend stilzwijgen. De PLO verdedigde zijn claim op soevereiniteit over Oost-Jeruzalem altijd fel tegen Arabische inmenging. Zo benadrukte Arafat woedend het Palestijnse alleenrecht, toen het Jordaans-Israëlische vredesverdrag verwees naar speciale Jordaanse verantwoordelijkheid voor de heilige plaatsen. Nu zoekt Arafat echter de ‘brede ruggen’ van de Arabische leiders op, omdat hij concessies over de heiligdommen heel moeilijk alleen kan doen. Zijn consideratie voor de Arabische wereld en de Palestijnse extremisten, ‘die hem toch zo weer zouden verraden’, bezorgt hem een ‘zeer tijdelijk heldenonthaal.’ Trouw besluit met een ‘lichtpuntje’: de bedekte steun van landen als Egypte laat de ‘deur op een kier voor een volgende vredes-ronde.’[821] De krant hoopt op een vervolg waar verdere concessies mogelijk zijn.

 

 

4.6 Historische achtergrondberichten

 

Historische context in NRC

 

Slechts 18 van de 602 artikelen uit de steekproeven waren specifiek aan historische achtergrond gewijd. Gezien de in hoofdstuk 2 besproken gerichtheid van nieuwsmedia op actualiteit, is dit weinig verwonderlijk. Functionaliteit staat voorop: het merendeel van de historische context in de berichtgeving bestaat uit terloopse verwijzingen, die nodig zijn om het verhaal te kunnen volgen. Achtergrondartikelen wijden vaak meer uit. Aangezien het conflict zonder historische kennis moeilijk is te begrijpen, zijn stukken waarin het verleden centraal staat grondige beschouwing waard. Het inzicht dat zij bieden in het journalistieke kennisreservoir zelf is daarbij nog wel het meest waardevol. Geschiedopvattingen spelen immers op de achtergrond mee: een redactie die ervan overtuigd is dat het Palestijnse vluchtelingenprobleem voortkwam uit kolonisatie en etnische zuivering legt andere accenten dan een krant waar ‘in zee drijven van de joden’ en oorlogschaos tot de historische canon behoren.

De meest opmerkelijke historische analyse in NRC is een voorpaginabijdrage van Salomon Bouman. In wat hij de ‘paradox van de bezetting’ noemt, was Israël’s heerschappij ‘het begin van verwezenlijking van de Palestijnse onafhankelijkheidsdroom.’ Het zionisme vormde een katalysator voor het Palestijnse nationalisme. De Zesdaagse Oorlog bracht de “bevrijding” van Palestijnen uit Hashemitische greep en vormde daarmee de ‘aanzet tot de realisering van de droom van Yasser Arafat.’ Rabin herinnerde zich als ‘vredesstichter’ immers heel goed dat Ben Gurion vanwege het democratische karakter van de joodse staat tegen annexatie van de Westoever gekant was. In dit ideologisch gekleurde relaas worden sommige dissonante feiten niet aangeroerd. Rabin droeg sinds 1967 een politieke voorkeur voor het Allon Plan uit, waarin het gebied notabene wordt opgedeeld tussen Hashemitisch Jordanië en Israël. Zoals eerder vermeld, grepen de territoriale claims en de beperkingen rond zelfbestuur die hij voor de eindtermen aankondigde, daarop terug. De slotsom van het artikel rept evenwel van ‘de nog niet helemaal uitgesproken zekerheid dat uit de (…) bestuursautonomie een Palestijnse staat zal ontstaan.’ Bouman situeert in de jaren ’70 een aarzelend rijpend toenaderingsproces tussen linkse zionisten en de PLO. Dat werd echter de kop ingedrukt met de machtsovername door Begin’s Likud. De “ondeelbaarheidsgedachte” en een ‘koortsachtige’ nederzettingenpolitiek kwamen op. De door linkse intellectuelen gesponnen draad van geheim PLO-contact werd na de val van ‘het Likud-bewind’ opgeraapt door de ‘linkse vredesregering.’ Bouman stelt dat Israël naar zijn oorsponkelijke waarden terugkeert. Daarmee figureert vredelievend links als erfbewaarder van het zuivere zionisme.[822]

Het stuk sluit aan bij de zionistische notie van Arabische verheffing tot moderniteit, een van oudsher aangevoerde morele rechtvaardiging van kolonisatie. Israëlische dominantie had een revolutionair effect op de ‘slaperige, zelfs apathische’ Palestijnse samenleving. ‘Al een jaar of twee na de oorlog droegen veel Palestijnse meisjes in Oost-Jeruzalem en Betlehem al spijkerbroeken in plaats van de traditionele kleding (…). Onder de Israëlische bezetting kwam de Palestijnse pers tot bloei en ontstonden Palestijnse universiteiten (…).’[823] De felle weerstand van Palestijnen in Libanon maakte een einde aan hun dehumanisering. In plaats van ‘kakkerlakken in een fles’ (opperbevelhebber Raful Eitan) en ‘smerige terroristen’ bleken zij ‘vechtende mensen.’ Het moderne nationalisme dat Israël aan de Palestijnen doorgaf, bezorgde uiteindelijk via de intifada de bezetting zijn genadeklap. Bouman citeert zijn toenmalige voorspelling: “De Israëliërs begrijpen het nog niet, maar ze hebben Gaza verloren.” De aard van de Israëlische democratie belemmerde volgens Bouman het effectief neerslaan van de opstand. Hoewel Israël de nodige excessen beging[824], ontbrak zelfs bij Likud de wil om de volledige militaire kracht in de strijd te werpen, zoals de Jordaanse koning dat in 1970 met zijn leger wel had gedaan.[825] In Boumans visie moeten het zionisme en de democratie uiteindelijk wel tot een Palestijnse staat leiden. Volgens hem culmineert de geschiedenis in de ‘scheiding van de Siamese tweeling - zionisme en Palestijns nationalisme.’[826]

Israël’s erkenning van de PLO wordt vergezeld van een chronologisch overzicht van de ‘jarenlange cirkel van terreur en reactie’, die het oprichten van deze organisatie inluidde. Van de opgesomde gebeurtenissen zijn er 14 geïnitieerd door Palestijnen (waaronder de intifada). De 9 Israëlische ‘reacties’ (waaronder de invasie van Libanon) worden gekaderd als pogingen om ‘de Palestijnen mores te leren’ voor ‘terreuraanslagen’ of ‘activiteiten tegen Israël.’ Het neerhalen van een Libische Boeing boven de Sinaï door Israël laat zich niet onder deze noemer vangen, maar komt toch in het rijtje voor. Dit monocausale model stelt Palestijnen als primaire geweldsbron voor.[827]

            Roelants gaat in op het afzweren van terreur door de PLO. Ze herinnert aan soortgelijke verklaringen door Arafat uit 1988 en 1989. Volgens haar werd toen ‘met de ene hand genomen wat met de andere was gegeven’, omdat de Palestijnen ook VN-resoluties erkenden die hun zelfbeschikkingsrecht benadrukten en zionisme gelijkstelden aan racisme. Over het standpunt van een medewerker van Shamir dat Arafat een ‘chronische leugenaar’ was, stelt ze: ‘Hij had gelijk.’ Het PLO-Handvest was immers niet geamendeerd en de PLO sloot ‘gewettigd gewapend verzet’ niet uit. Ze herinnert aan de PLO-moord op de gehandicapte Leon Klinghofer bij de Achille Lauro kaping in 1985 en aan Arafat’s onvermogen in 1990 afstand te nemen van ‘alweer een PLF-aanval op een Israëlisch strand.’[828] Uiteindelijk werd Arafat door de suprematie van de VS en zijn rampzalige keuze voor Saddam Hussein gedwongen tot een nieuwe koers. De opkomst van het fundamentalisme ‘ondanks het vermeende seculiere karakter’ van het Palestijnse volk, gaf daarbij de doorslag. Dat volk moet kiezen tussen Hamas’ oproep de intifada voort te zetten en vrede.

Een uitgebreid geschiedkader op 14 september start met de Arabische aanval na de Israëlische onafhankelijkheidsverklaring en neemt een zionistische ontstaansmythe over: ‘Honderdduizenden Palestijnen verlaten hun huis in de veronderstelling dat ze snel kunnen terugkeren (…).’ Over de burgeroorlog die vooraf ging wordt niet gesproken, over de grootschalige verdrijvingen evenmin. Het artikel lijkt daarmee te openen met het traditionele ‘pro-Israëlische’ paradigma, hoewel de passage te onduidelijk is om dat met zekerheid te kunnen stellen. Er volgt een tamelijk evenwichtig relaas tot aan Rabin’s verkiezingszege. Die brengt een ‘vredeskabinet’, dat ‘niet meer het behoud van het Land van Israel in het vaandel draagt’, hoewel Palestijnen ‘klagen’ over hun verslechterende situatie. In combinatie met het fotobijschrift ‘de intifadah heeft de bezette gebieden vanaf december 1987 onveilig gemaakt’ eindigt het artikel daarmee op een naar Israëlisch perspectief overhellende noot.[829]

Redacteur Sampiemon wijdt 3223 woorden aan de “onmetelijk moeilijke internationale puzzel.” Hij grijpt terug op een analyse uit het Algemeen Handelsblad van 1967, die de Britse koloniale politiek verantwoordelijk houdt voor de problematische ‘inpassing’ van de joodse staat in ‘de vijandige, Arabische omgeving.’ Had Groot-Brittannië de Hashemieten een federatief pan-Arabisch rijk laten vestigen, dan hadden deze de joden daarin een tehuis gegund en werden die niet geassocieerd met Brits verraad. Deze interpretatie verliest de centrale actoren uit het oog. Een dergelijk vazalschap zou ondenkbaar zijn geweest voor de zionistische milities, die zelfs de strijd tegen het Britse imperium niet schuwden. Wat betreft de Palestijnen is het moeilijk voorstelbaar dat zij zich ten bate van een Arabisch koningshuis bij overheersing door joodse immigranten zouden hebben neergelegd. Het stuk relativeert de Amerikaans-Israëlische vriendschap: de rol van de VS was decennialang weifelend, pas vanaf 1973 was er hechte steun.[830]

Met trots haalt Sampiemon Bouman aan, die eerder al ‘subliem’ uiteenzette hoe de oorlogswinst van 1967 Israël een ‘aureool van militaire onoverwinnelijkheid’ verschafte, maar tegelijk een riskante verleiding inhield. Israël dacht eigenmachtig zijn grenzen te kunnen bepalen. Deze ‘gevaarlijke verblindheid’ voerde ‘mannen als (…) Sharon’ opnieuw tot oorlog. Het stuk schetst hoe de Palestijnen langzamerhand een factor van belang werden. Met kapingen in de jaren zeventig wierpen zij voor het eerst gewicht in de strijd. De Camp David akkoorden behelsden autonomie, maar Begin en Shamir namen dat niet serieus. Het verzet tegen de invasie in Libanon deed bewustzijn van de Palestijnse kwestie groeien: ‘een verwaarloosbaar geacht gezelschap waarover slechts schampere en vernederende opmerkingen werden gehoord, verscheen op Israëls politieke kaart.’ Het Palestijnse ‘straatgeweld’ van de intifada maakte van het ‘fameuze’ Israëlische leger tenslotte een ‘instrument van meedogenloze onderdrukking.’ Hoewel deze laatste stelling scherpe kritiek inhoudt, bevat ze ook een omkering. De volksopstand was immers het gevolg van repressie, niet de oorzaak. Het stuk bevat een element uit traditionele, ‘pro-Israëlische’ koker: Israël en haar leger zijn in principe hoogstaand, maar worden gecorrumpeerd door een vijandige omgeving. Sampiemon spreekt zelfs van ‘de holocaust-achtige tendens van de Israëlisch-Arabische relaties’, die tot uitdrukking kwam in de Iraakse Scud-aanvallen.[831] Met de Golfoorlog en de hegemonie van de VS, verklaart hij deze vorm van het conflict echter tot ‘afgesloten hoofdstuk.’[832]

Enkele maanden later toont Goldsteins aanslag volgens Bouman dat de ‘geduchte’ Shin Beth heeft gefaald, al voorzag zij dat fundamentalistische moslims of kolonisten op een kritiek moment zouden toeslaan om ‘de hoop op vrede in bloed te smoren.’ Uit historisch oogpunt is Hebron volgens hem nog meer dan Jeruzalem een ‘trefpunt van (…) hartstochten.’ Niet alleen vanwege de religieuze betekenis van de Bijbelse plaats, maar ook omdat in 1929 de joodse bewoners getroffen werden door een ‘Palestijnse pogrom.’ De beweegredenen daartoe verheldert hij niet. Onvermeld blijft ook dat volgens Israëlische historici 400 joden door Palestijnse buren werden gered en dat hun afstammelingen in Hebron nadrukkelijk afstand nemen van de kolonisten.[833] Bouman beschrijft hoe rabbijn Moshe Levinger[834] in 1967 de joodse ‘terugkeer’ bewerkstelligde door zijn intrek te nemen in een hotel en dat tot woede van de eigenaar niet meer te verlaten. Daarmee begon de nederzetting Qiryat Arba. De regering liet de kolonisatie op zijn beloop, die vanwege de vroegere joodse aanwezigheid vanzelfsprekend leek. Hebron werd echter ‘het centrum van de botsing tussen het jodendom en de islam.’ In een typisch pro-Israëlische aanwending van het ‘evenwichtigheidsparadigma’ laat Bouman hierbij in het midden, dat het initiatief voor deze botsing geheel van de zijde van extreemrechtse kolonisten kwam. Zij trachtten moslims de toegang tot de Tombe der Patriarchen te ontzeggen en verjaagden met geweld Palestijnen om hun nederzettingen uit te breiden. In plaats van een conflict waarin op etniciteit gebaseerde dominantie en kolonisatie de katalysator is, reduceert Bouman de confrontatie tot haat tussen religieuze extremisten aan beide zijden. Bouman noemt het ‘een zegen’ dat Goldstein toesloeg toen onderhandelingen over zelfbestuur in Gaza en Jericho al bijna positief waren afgerond. De kogels zouden ‘paradoxaal genoeg’ een ‘versterkend effect’ hebben op de Palestijnse eis alle nederzettingen te ontruimen. Ze bewijzen het ‘failliet van de Likud-ideologie.’[835]

NRC plaatst de aanslag als ‘het bloedigste incident’ in een reeks, waarvan de primaire impuls aan vijf Palestijnse moorden op kolonisten wordt toegekend, tussen 29 oktober 1993 en 17 februari 1994.[836] Kolonisten namen wraak met ‘vandalistische acties’, ‘anti-Palestijnse gewelddadigheden’ en een drie-voudige moord (10 december). Ook trachtten zij uit protest tegen de akkoorden meer nieuwe nederzettingen te stichten. Het stuk markeert wegblokkades in oktober als het begin van ‘de “intifadah” van de kolonisten’: een frappant voorbeeld van de in hoofdstuk 2 besproken gewoonte om ontwikkelingen te vertalen naar bestaande modellen. Uit de context is niet op te maken of de term van kolonisten is overgenomen.[837] De parallel die hij suggereert, brengt een kunstmatige balans aan: voorbij het opwerpen van barricades stopt iedere gelijkenis. De kolonisten in Hebron waren zwaarbewapend, konden zich vrij bewegen en streden niet tegen het Israëlische leger, dat hen juist beschermde. Van de staat hadden zij weinig te vrezen: ‘(…) it is extremely likely that an Israeli who kills a Palestinian will not be punished at all or will receive only a light sentence.’[838] Kolonisten in Hebron probeerden de stad vanaf 1967 te ‘herwinnen voor het jodendom’ in een slag van de lange adem, die weinig met een volksopstand tegen bezetting van doen heeft. Terreurcampagnes tegen Arabische inwoners maakten er structureel deel van uit. [839] Deze werden nu sterk verhevigd, uit angst de strijd te zullen verliezen. Het Palestijnse geweld dat in het overzicht de rol van ‘oorzaak’ aanneemt, moet vanuit die context als ‘reactie’ of ‘aanleiding’ worden gekenschetst.

Het ondertekenen van Oslo II gaat vergezeld van een beknopte chronologie vanaf september 1993. Aanslagen, diplomatieke tussenstappen en impasses passeren de revue. Vermeldenswaard is dat Israël volgens het artikel op 25 oktober 1993 begon met de vrijlating van Palestijnse gevangenen (tenzij ze ‘tegen het vredesproces’[840] waren), zonder toe te voegen dat het bij een symbolisch gebaar bleef. De gevangenenkwestie speelde voor de Palestijnen een belangrijke rol: ‘Israel held around 17.000 Palestinian political prisoners in its jails, many of them interned for membership in an organisation that Rabin now recognised (…). It swiftly became clear that the internees were going to be kept as ransom for PLO ‘good behaviour’ (…) or even a generic “end” to Palestinian “violence.”[841] Hoewel de vrijlating van politieke gevangenen uitgebreid in de berichtgeving figureert als struikelblok bij Oslo II, wordt de functie ervan als chantagemiddel binnen het onderhandelingssproces daarbij niet gesignaleerd. Het op de achtergrond blijven van dergelijke informatie reflecteert het bredere ‘evenwichtigheidsparadigma’, dat weinig ruimte laat voor dissonante feiten uit het domein van de machtspolitiek. 

Twee weken later trekt Bouman van leer tegen Edward Saïd, die Arafat ervan beschuldigde met het accepteren van ‘kantons’ en ‘bantustans’ (thuislanden) een ‘hypotheek op de toekomst van zijn volk te leggen.’ Hij beschrijft de zorgen van joodse kennissen, die met beperkte middelen ergens rond de oude grens een ‘paradijsje’ schiepen. Dat wordt nu bedreigd. De vrouw des huizes is doodsbang voor de Palestijnse politie die ‘in de buurt’ zal komen. Ze hoort Palestijnse arbeiders de huizen in hun straat al verdelen.[842] Als Saïd hun stemming kon peilen, dan zou hij zich wel bedenken alvorens het akkoord ‘aan flarden te schrijven.’ Netanyahu legt daarentegen ‘meer gevoel voor de dynamiek van het (…) vredesproces aan de dag’, door er de grondslag van een Palestijnse staat in te vrezen. Tegenover Uri Avneri, een Israëlische publicist en ‘strijder van het eerste uur’ voor Palestijnse rechten, had Ben Gurion in 1957 al toegegeven dat een tweestatenoplossing onvermijdelijk was. Hij stelde dat het nog wel twee generaties zou duren. Tijdens een onderhoud met Bouman zelf (na 1967) verwierp de vader des vaderlands eventuele annexatie fel, als aantasting van de democratie en het joodse karakter van de staat. Het Interimakkoord wordt door Bouman dan ook als positief voor de Palestijnse zaak geïnterpreteerd. Arafat gaat de ‘scepter zwaaien’ over ‘grote steden’ op de ‘strategisch belangrijke bergrug van Jenin tot Hebron’ en over ‘grote gele vlekken’ op de kaart. Het lijkt weliswaar alsof de 140 joodse nederzettingen[843] het gebied aan de Palestijnen ontzeggen, maar dat is schijn. De ‘kleine gele vlekjes’ nabij de Israëlische grens waar ‘nu al’ Palestijnse politie verschijnt, vormen ‘barricades’ tegen annexatie. Volgens Bouman zijn de rollen nu omgedraaid.  De grote joodse nederzetting Ariël is ‘omsingeld door Palestijnse dorpen in handen van Arafat.’ Rabin stapt van ‘Groot-Jeruzalem’ over op ‘Jeruzalem plus’. De Palestijnen beschikken over een ‘bijna vloeiende territoriale verbinding (…) naar wat zij hun toekomstige hoofdstad noemen.’ In het oosten kunnen zij doorbreken, omdat daar ‘geen joodse woonwijken zijn verrezen om Jeruzalem tegen Palestijnse aanspraken te beschermen.’[844] Met deze woordkeuze (‘Jeruzalem-plus’, ‘aanspraken’, ‘wat zij noemen’) lijkt Bouman een stap terug te doen van zijn eerdere, stellige overtuiging dat Israël zich volledig achter de grenzen van 1967 zou terugtrekken. Hij stelt echter vertrouwen in het verklaren van de Westoever tot territoriale eenheid, in de aankomende Palestijnse verkiezingen en in de staatachtige structuur van het zelfbestuur. Volgens hem bevat de “levende” overeenkomst’ een ‘ingebouwde dynamiek’ die de kiem van een Palestijnse staat herbergt, met 12.000 toekomstige politiemannen als symbool daarvan.[845]

In de maand van Rabin’s dood verschijnt een bespreking van zijn memoires. Daarin komt het idee dat de erfenis van 1967 een verborgen gevaar voor Israël inhield opnieuw naar voren. De bovenmenselijke prestaties die tot de onwaarschijnlijke overwinning leidden, maakten gemakkelijk arrogant. Rabin zou dat risico destijds al hebben gezien en waarschuwde het land zijn “spirituele en morele krachten” te bewaren. De grootste trots was dat het leger “in het heetst van de strijd zijn menselijkheid had bewaard.”[846] Het artikel eindigt met de weemoedige constatering dat deze woorden gesproken werden toen Israël zijn onschuld nog niet had verloren. Hieruit spreekt de gedachte van een nobel zionisme, geperverteerd door de bezetting. Een teloorgang die uiteindelijk zou leiden tot de dood van Rabin door joodse hand, zo lijkt de implicatie. Nu is de schets van onberispelijkheid in Rabin’s memoires ver bezijden de waarheid,[847] maar het past goed in een ‘pro-Israëlisch’ geschiedbeeld. Het stuk blikt terug op de vrees dat de Arabische overmacht de Israëli’s ‘de zee in’ zou drijven[848] en de ‘hartstochtelijke voetbalsupportersgevoelens’ die het keren van het tij met zich meebracht. Deze sfeer van in gedachten met Israël meestrijden heeft de schrijver kennelijk nog in zijn greep. De verovering van de ‘in vijandelijke handen gebleven’ Klaagmuur in Jeruzalem omschrijft hij als ‘het mooiste moment’, waarmee dit ‘symbool van Israëls onafhankelijkheid sinds de bijbelse oudheid’ weer deel werd van de joodse geschiedenis. Het stuk reduceert de tussenliggende millennia aldus tot niet meer dan een tijd van vreemde overheersing en voelt mee met de overwinnaars. ‘De gewone jongens, de dienstplichtigen, huilden in het aangezicht van de Muur (…).’[849] Onvermeld blijft dat zij nadat de tranen gedroogd waren, ruimte maakten door de Arabische wijk ernaast met bulldozers plat te leggen.

De historische artikelen in NRC laten de erfenis van eerdere, ‘pro-Israëlische’ paradigma’s zien. Met terloopse verwijzingen in andere stukken wordt daar ook vaak op teruggegrepen. Zo heeft Bouman het bij een verhaal over het oude socialistische Israël, dat dankzij voortschrijdend materialisme ‘zijn ziel verliest’, over ‘het ingenieuze Israëlische improvisatievermogen dat de bewonderenswaardige opbouw en ontwikkeling van het land heeft mogelijk gemaakt.’[850] Bovenop deze partijdige grondhouding is echter de laag van het ‘evenwichtigheidsparadigma’ gelegd. De standplaats is daarbij die van een kritische toeschouwer, die beide partijen recht wil doen. Als ‘bevriend buitenstaander’ blijven we daarbij echter vooral over Israëlische schouder meekijken, al is het met begeleidend commentaar. De indruk beklijft dat NRC zelf ook de fasen van langzame erkenning van het Palestijnse probleem heeft doorgemaakt, zoals de krant die in Israël ontwaart. Hoewel Arabische bedreiging van Israël’s bestaan nog steeds als grondoorzaak van het conflict geldt, ligt het zwaartepunt bij de bezetting. Dit maakt de Zesdaagse Oorlog tot voornaamste historische gebeurtenis. Aan Israëlische zijde wordt de oorlogszuchtigheid en kolonisatiedrift van Likud als escalatiefactor en doodlopend pad geschetst. Tegelijkertijd wordt de Israëlische controle over de bezette gebieden wel als een vorm van bevoegd gezag afgeschilderd. Ondanks de internationale veroordeling ervan, wordt zij als semi-legitiem ervaren, zolang ze maar niet in volledige annexatie uitmondt. Salomon Bouman beschermt zijn ideaalbeeld van het oorspronkelijke zionisme door een schijnbare tegenstelling te creëren waar er daadwerkelijk een bestaat.

 

Historische context in Trouw

 

Een kort overzicht op 1 september 1993 markeert de door Arafat als “historisch” betitelde wending als een nieuw hoofdstuk in de PLO-geschiedenis. Het vorige begon toen Palestijnen hun strijd zelfstandig gingen voeren, na de Arabische nederlaag en het aftreden van al-Shuqayri.[851] Inez Polak zet een week later de samenstelling en organisatiegeschiedenis van de PLO zakelijk uiteen.[852] Ze signaleert een vanaf 1974 inzettende verzachting van de oorspronkelijke maximalistische doelstellingen. In plaats van geheel Palestina nam de PLO in de praktijk genoegen met een ‘beperkte kleine Palestijnse staat’, hetgeen de ‘hardliners’ als verraad zagen. Wat betreft het historische PLO-Handvest legt Polak uit dat het van oudsher in Palestina wonende joden accepteerde, maar de ‘zionistische invasie’ terug wees naar de landen van herkomst. Dat is een belangrijk nuanceverschil met de gebruikelijke algemene verwijzing naar clausulen die de vernietiging van Israël bepleiten. Zonder verdere uitleg komt bij een westers publiek immers al snel de associatie met de vernietiging van joden op. De functies van PLO-organen als de Palestijnse Nationale Raad of het Uitvoerend Comité worden verduidelijkt door ze met hun staatkundige equivalent te vergelijken. Het feit dat Arafat meerdere politieke zetels tegelijk inneemt, wordt gerelativeerd door erop te wijzen dat zijn ‘tegenpool’ premier Rabin ook de Defensiepost bekleedt. Deze beschrijvingswijze typeert de PLO als de voorafschaduwing van een staat, die zijn plaats naast Israël zal innemen met achterlating van de vroegere radicaliteit. Een dag later neemt een korte opsomming het uitroepen van de staat Israël als beginpunt, zonder voorgeschiedenis. Oorlog en vluchtelingenprobleem worden daarmee een exclusief Arabische verantwoordelijkheid: ‘De dag erop vallen de Arabische landen Israël aan. Honderdduizenden Palestijnen vluchten.’ Ook Trouw brengt de Iraakse Scud-aanvallen ter sprake, maar beperkt zich ertoe te melden dat de ‘vrees voor gifgasaanvallen’ groot was. [853]

            De massamoord in Hebron is aanleiding om de vestigingsgeschiedenis van de kolonisten daar onder de loep te nemen. Levinger en zijn volgelingen vestigden zich met het door hen bezette hotel in de ‘stad der aartsvaders.’ Zij wilden een ‘messiaans’ tijdperk inluiden door de veroverde gebieden met joden te bevolken. Hun binnendringing in een Arabisch bevolkingscentrum was een uitdaging aan het adres van de Arbeiderspartij. Het kabinet beschouwde bezet gebied nog als handelswaar bij een vredesovereenkomst, maar was verdeeld omdat sommige ministers een zwak hadden voor het ‘mystieke nationalisme.’ Als compromis werd in 1969 vlak buiten Hebron Qiryat Arba gesticht. Daarvan ‘torenen’ de flats tegenwoordig boven Hebron uit. Het werd een ‘vergaarbak van extremisten.’ Er streken ‘uiterst fanatieke’ joden uit de VS en de USSR neer om hun “ideaal” van het “bevrijden” van het hele land Israëls te verwezenlijken. Polak maakt met aanhalings-tekens impliciet duidelijk dat deze missie zeker niet als legitiem moet worden gezien. Vestiging in Hebron faalde, totdat Levinger’s vrouw er in 1979 in slaagde het voormalige ziekenhuis binnen te dringen. Dat had symboolwaarde omdat  Palestijnen er in een bloedbad tijdens de opstand van 1929 de meeste van de 67 joodse slachtoffers maakten. Polak breng hiermee meer detail aan dan Bouman, die het op dit gebied met de term pogrom op bloedige jodenhaat houdt. Waar NRC na de bezetting een nieuw treffen tussen jodendom en islam ziet, toont dit stuk duidelijker hoe de verhoudingen na 1967 lagen. Het wijst erop dat 400 ‘militante’ joden ‘met stenen en kogels’ hun heerschappij over de 100.000 inwoners demonstreerden. Polak beschrijft hoe Levinger in een verkiezingsspotje met zijn revolver langs angstige marktlieden paradeert en dreigend de trekker overhaalt. Ook herinnert ze aan de bloedige aanslagen die de uit Qiryat Arba afkomstige ‘joodse ondergrondse’ in de jaren ’80 ondernam. Vergeleken met de NRC-berichtgeving stelt Polak zich in dit stuk kritischer op: ‘Geweld en het uitlokken van geweld lijkt het devies van deze kolonisten.’ Ze toont echter ook identificatie met Israël en de morele waarde van gematigdheid, door te stellen dat Hebron ‘toch al bekend stond als broeinest van Palestijns nationalisme’ en dat de confrontatie niet moeilijk te vinden was in deze gewelddadige stad waar de Hamas-aanhang groter zou zijn  dan die van Fatah. Polak concludeert dat de aanslag het vraagstuk van de nederzettingen en de 120.000 goed bewapende kolonisten bovenaan de agenda heeft gezet. Haar conclusie luidt dat daarmee een explosief onderwerp niet langer wordt genegeerd. Daarmee is ze heel wat voorzichtiger dan Bouman.[854] 

            Op basis van zijn biografie geeft Polak een levensgeschiedenis van Peres. Hij komt daarin naar voren als een man van tegenstellingen, die de strijd om de liefde van het publiek heeft verloren van levenslange rivaal Rabin. Zijn creativiteit leidde tot grootse visies en kon hem euforische stemmen, maar hij kon ook gedesillisioneerd, afgesloten en zelfs ‘onuitstaanbaar’ zijn. Achter de schermen verleende hij de Israëlische staat grote diensten, zoals het kernwapenprogramma. Als ‘jobnik’ zonder frontervaring was hij echter de ‘antithese van de Israëlische held.’ Polak trekt vanaf zijn jeugd de lijn van een niet-begrepen intellectueel door, die in de politiek naar eigen zeggen (naast steun en zelfs liefde) “tonnen vuilspuiterij” over zich heen kreeg. Zijn politieke reactie was er een van verongelijkte onschuld, een voortzetting van het verweer in zijn jeugd, toen de boekenwurm door klasgenoten gepest werd: “ik heb dit toch niet verdiend.” Polak schetst hem als een energieke, volhardende werker, met politieke pech: zo was hij slechts twee jaar premier, al was hij ‘een van de besten die Israël heeft gehad.’ Zijn reputatie was die van ‘de Israëlische Nixon’ tegenover oologsheld Rabin als ‘Kennedy.’ Zoals deze typeringen aangeven, is Polaks beschrijving die van een bevriend westers staatshoofd in een belangrijk land. Israël figureert in de pers feitelijk als een soort Amerika van het Midden-Oosten. De slotsom luidt dat vrede Peres ‘laatste en grootste project’ is, dat hem op zijn oude dag misschien eindelijk zijn begeerde erkenning zal brengen.[855]

            Tijdens de Camp David onderhandelingen blikt Polak terug op de tussen Israël en Egypte op dezelfde plek beklonken vrede. De huidige uitdaging is veel groter. Het Palestijnse vraagstuk was bij het overleg destijds al lastiger dan de teruggave van de Sinaï. Het is 22 jaar later volgens Clinton nog steeds “het moeilijkst oplosbare conflict ter wereld.”[856] Als achtergrondkader geeft Polak een historisch alfabet van het conflict, beginnend met het ABC van Arafat, Barak en Clinton. Naast enkele weetjes over bij Camp David betrokken diplomaten, worden daarin de voornaamste punten van het geschil aangestipt. De omschrijving pas goed in het ‘evenwichtigheidsparadigma’. De PLO wordt als guerrillabeweging omschreven die op basis van VN-resoluties gebied claimt dat Israël op Jordanië heeft veroverd. Opmerkelijk is dat bij het vluchtelingenprobleem staat vermeld dat in 1948 en 1967 Palestijnen werden verdreven [mijn cursivering]. Over deze onderbelichte component van het conflict wordt hier niet verder uitgewijd. In een geschiedenis van struikelblok Jeruzalem merkt Polak op hoe beide partijen hebben daar een eigen versie van hebben. Naar gelang hun politieke voorkeur kiezen mensen een bepaald vertrekpunt in de reeks volken, machthebbers en religies die er de scepter zwaaiden. Na 1967 omringde de Israëlische expansie-politiek de stad met joodse nederzettingen en werden Palestijnen geweerd. Desondanks zorgde bevolkingsaanwas voor een explosieve groei van Palestijnse voorsteden. Het idee om de stad te delen doet steeds meer opgeld, maar stuit op religieuze emoties waardoor beide kampen absolute aanspraken op de macht maken.[857]

 

 

4.7 Conclusie

 

De achtergrondartikelen sluiten aan bij de in algemene nieuwsberichten geïdentificeerde frames. De eigen invalshoek van correspondenten en redacteuren is binnen die grote lijnen wel duidelijk herkenbaar. Dat geldt ook voor de signatuur van de krant. Er is sprake van talrijke subframes. Het zou te ver voeren deze hier ieder afzonderlijk te bespreken. Dramatische verschillen zijn er overigens niet. In Trouw met zijn van oorsprong christelijke identiteit word bijzondere aandacht besteed aan de band van diverse gezindten en het koningshuis met Israël. Deze krant is over het algemeen wat kritischer en minder optimistisch over het vredesproces. Dat komt bij de steekproef uit de ‘Oslo II’-berichtgeving het duidelijkst naar voren: NRC’s democratiseringsthese en het idee van grote Israëlische concessies contrasteert daarin met de serieuze twijfels die Trouw uit en de aandacht van deze krant voor het gebrek aan eerbiediging van mensenrechten. Een groot deel van dit verschil lijkt te verklaren uit de invloed van NRC’s vaste correspondent Bouman. Diens opvattingen over het zionisme en het Palestijnse nationalisme als een ‘siamese tweeling’, waarbij Israël een op de lange termijn stimulerende en bevrijdende invloed heeft op de Palestijnse ontwikkeling, lopen als een rode draad door zijn bijdragen. In de ogen van Bouman vervult het ‘vredesproces’ de nobele bestemming van het oorspronkelijke, linkse zionisme.

            Ook voor de achtergrondartikelen geldt dat er met duidelijke tweedelingen wordt gewerkt. De belangrijkste daarvan zijn die tussen ‘gematigde’ en ‘radicale’ Palestijnen/Arabische landen, die tussen de linkse Israëlische ‘vredesregeringen’ en de ‘nationalistische’ oppositie en die tussen ‘niet-ideologische’ en ‘extremistische’ kolonisten. De voorkeur van de kranten voor de eerstgenoemden van deze tegenpolen wordt daarbij duidelijk gemaakt en verbonden aan het Leitmotiv van het ‘vredesproces’, met zijn ‘verzoening’ en ‘concessies’. Uit woordkeuzes blijkt een duidelijke affiniteit met Israël, zoals vanuit de theorie van de nieuwswaardefactoren voor de hand ligt. Twee correspondenten (Bouman in NRC en Friedman in Trouw) getuigen op zeker moment zelfs expliciet van hun verbondenheid als burger met Israël. Het bestempelen van rellen als ‘onlusten’ en het veelvuldig kaderen van Palestijnen als een soort opstandige ‘indianen’ zegt ook veel over het ‘law and order’ frame dat door beide kranten van Israël wordt overgenomen. ‘Nationalistische’ oppositie is een ander treffend voorbeeld van (onbewuste) identificatie met Israël - Israëlisch rechts verleent zichzelf dit predikaat. Door het over te nemen, voeren kranten ook de suggestie mee dat links niet ‘nationalistisch’ zou zijn (niets is minder waar) en dat het opgeven van ‘Judea en Samaria’ een Israëlische ‘concessie’ is, waarmee een deel van het vaderland wordt afgestaan. Nationalistisch kan men immers alleen zijn met betrekking tot het eigen grondgebied.

De vraag die bij alle gebeurtenissen in de kranten voorop staat is: wat betekent dit voor Israël? Naar aanleiding van de aanslag door Goldstein en de moord op Rabin, richt de berichtgeving zich meer op de tweedeling in de Israëlische samenleving dan op die tussen Israël en de Palestijnen. Opvallend is dat zelfs in het geval van ‘extremisten’ aan Israëlische zijde, ruim aandacht wordt geschonken aan hun motivatie en aan het ‘human interest’-aspect. Aan Palestijnse zijde ontbreekt deze empatische houding: ‘radicalen’ en ‘moslim-fundamentalisten’ zijn er a priori uit op oorlog en worden gemotiveerd door haat en fanatisme. Het is veelzeggend dat na de aanslagen door Goldstein en Amir diep wordt ingegaan op het Israëlische ‘soulsearching’, terwijl in alle steekproeven niet één enkel achtergrondartikel ingaat op de leefwereld en beweegredenen van een Hamaslid of een Palestijnse terrorist.

            De analyse van op de historische context gerichte artikelen, maakt duidelijk dat het ontstaan van het conflict vanuit het traditionele, ‘pro-Israëlische’ paradigma verklaard blijft worden, terwijl op de geschiedenis na 1967 het ‘evenwichtigheidsparadigma’ wordt toegepast. De overwinning in de Zesdaagse Oorlog wordt als een geval van legitieme zelfverdediging geschetst, met een ongelukkige erfenis: de bezetting. Deze corrumpeert de Israëlische democratie en staat vrede in de weg. Kranten zijn dan ook hoopvol over het ‘Oslo-vredesproces’, dat de schadelijke effecten van deze zondeval ongedaan moet maken. Ze leggen zich er wel bij neer dat het niet langer mogelijk is de bezette gebieden geheel te ontruimen en dat het een lange termijn-project betreft, dat nog veel geweld zal ondervinden. De etnische zuiveringen van 1947-1948 vormen een blinde vlek in het geschiedbeeld. Er wordt niet op de oorzaken van het vluchtelingenprobleem ingegaan, afgezien van algemene verwijzingen naar Arabieren die ‘verdreven of gevlucht’ zijn tijdens een oorlogstoestand. Het spreekt voor zich dat de gevolgen in beeldvorming hiervan voor Israël zeer gunstig zijn, terwijl het een begrip van de Palestijnse kant van de zaak in de weg staat.

Het ‘Oslo-vredesproces’ wordt als in de grond der zaak rechtvaardig en gelijkwaardig geschetst, waarbij Amerikaanse bemiddeling en Israëlische suprematie zolang het onderhandelingsproces duurt, niet meer dan natuurlijk lijken. Of, zoals een ‘proeflezer’ van dit hoofdstuk het stelde: ‘Als je het zo leest, lijkt het niet meer dan normaal dat Israël daar de lakens uitdeelt en die af en toe verschoont.’

 

 

Conclusie

 

Na deze uitvoerige beschouwing van de berichtgeving, resteert enkel het geven van een bondig antwoord op de probleemstelling en het eraan verbinden van een bredere conclusie. De beeldvorming laat zich duiden als een aaneenschakeling van ‘vredesproces’-frames, die onder invloed van westerse, tot identificatie met Israël leidende nieuwswaarden zijn opgebouwd en waarin het ‘evenwichtigheidsparadigma’ domineert. Het centrale discours van dat paradigma houdt in dat beide zijden legitieme claims hebben, waarbij de rechten van de Palestijnen nog moeten worden verwezenlijkt, zonder de veiligheid of het joodse karakter van de staat Israël aan te tasten. De bezetting en een vicieuze cirkel van geweld worden als voornaamste ingrediënten van het conflict gekenschetst, ‘extremisme’ en gebrek aan inschikkelijkheid als de belangrijkste obstakels op weg naar een oplossing. Een vreedzame uitweg moet volgens NRC en Trouw worden gevonden via de onderhandelingstafel, die te Oslo is gedekt. Vanuit deze invalshoek blijft onderbelicht dat Israël tafelschikking en menu bepaalt, zijn disgenoot in een houdgreep heeft en na vertering van het hoofdgerecht (78% van mandaatgebied Palestina) ook de resterende gangen aansnijdt.

Deze gevolgtrekking duidt niet op professionele onkunde en evenmin op het willens en wetens aanbrengen van vertekeningen (uit bewuste partijdigheid of onder invloed van deze of gene lobby, zoals in de strijd om de publieke opinie vaak als aantijging te horen is). Feitelijk is ze niet meer dan een teken dat de journalisten in dienst van de kwaliteitsdagbladen hun vak verstaan: het vertalen van gebeurtenissen en ontwikkelingen naar de leefwereld van hun doelgroep. Dat houdt het inkleuren van het nieuws volgens het palet van een bepaald wereldbeeld in. Het mag echter duidelijk zijn dat de journalistieke blikvernauwing ten aanzien van Israël en het ‘vredesproces’ wel in tegenspraak is met dat andere, wellicht grootste journalistieke ideaal: ‘objectiviteit’. Het zou de kwaliteit van de informatievoorziening ten goede komen als dagbladen zich beter rekenschap zouden geven van hun standplaatsgebondenheid. Bij het aanstellen van correspondenten zouden zij er in ieder geval voor moeten zorgen, minder gebruik te maken van mensen die zelf ten diepste betrokken zijn bij het conflict waarover zij berichten. Met een kritischer houding tegenover een bevriende natie zou het kwaliteitssegment zijn naam beter waarmaken.

 

 

Gebruikte afkortingen

 

Geraadpleegde literatuur

 

home lijst scripties inhoud  

 

[180] Een etnische groep met als bindingscriterium het jodendom; het feit dat de verschillen binnen deze groep veel groter konden zijn dan de overeenkomst van het ‘jood zijn’ deed daaraan geen afbreuk.

[181] Door Eriksen getypeerd als ‘protonatie’. Thomas Hylland Eriksen, Ethnicity & nationalism. Anthropological perspectives (Londen en Chicago 1999) 14.

[182] Almog Shmuel, Nationalism and antisemitism in modern Europe (Oxford enz. 1990) 33-50.

[183] Leo Pinsker, Autoemancipation! Mahnruf an seine Stamgenossen von einem Russischen Juden (Berlijn 1882); als geciteerd door D. Vital, The origins of zionism (Oxford enz. 1975) 128-129.

[184] Ritchie Ovendale, The origins of the Arab-Israeli wars (3e druk; Londen en New York 1999) 9.

[185] Schandaal rond de joodse kapitein Dreyfuss, (ten onrechte) voor hoogverraad veroordeeld en verbannen, 1894-1895. Frankrijk raakte verdeeld in een nationalistisch kamp tegen de ‘joodse verrader’ en een republikeins kamp dat hem verdedigde. In 1906 werd gratie verleend, zonder rehabilitatie. Shmuel, Nationalism and antisemitism, 45-46.

[186] Mim Kemal Öke, ‘The Ottoman empire, zionism, and the question of Palestine (1880-1908)’, Journal of Palestine studies (JoPS) 14, afl. 3 (1982), 329-341, aldaar 331-332.

[187] Ovendale, Origins, 11-12; Neville J. Mandel, The Arabs and zionism before World War I (Berkely, Los Angeles en Londen 1976) 224-225.

[188]Als geciteerd door ibidem, 222-223.

[189] Emir van Mecca, als bewaarder van de heilige steden Mekka en Medina verantwoordelijk voor een goed verloop van de jaarlijkse pelgrimstocht. Hij genoot een prestigieuze, vrij autonome positie als vazal van de sultan. William L. Cleveland, A history of the modern Middle East (2e druk; Colorado & Oxford 2000) 153-155.

[190] Charles D. Smith, Palestine and the Arab-Israeli conflict (4e druk; Boston enz. 2001) 66.

[191] Ibidem, 67-68.

[192] Schrijven Brits kabinet aan lord Rotschild (2 november 1917); als geciteerd door ibidem, 75.

[193] De staatssecretaris voor India, Montagu, maakte daarbij als geassimileerde jood categorisch bezwaar. Hij vreesde afbreuk van zijn nationale status (vandaar  de laatste clausule) en hield rekening met de Indiase moslimbevolking.   Jehuda Reinharz, ‘The Balfour declaration and its maker: A reassessment’, The Journal of Modern History 64, afl. 3 (1992) 455-499, aldaar 465; Ovendale, Origins, 34.

[194] Een invloed die ook nog van pas kon komen na de oorlog. President Wilson’s zelfbeschikkingsidealen strookten niet met de Britse imperiale politiek, zodat het verbinden van lobbygroepen aan die politiek nuttig was. Mark Tessler,          A history of the Israeli-Palestinian conflict (Bloomington en Indianapolis 1994) 149; Smith, Palestine, 73.

[195] Joe Stork, ‘Understanding the Balfour declaration’, MERIP Reports 0, afl. 13 (1972) 9-13; Reinharz, ‘The Balfour declaration’, 493-498; Smith, Palestine, 70-76; Tessler, A history, 149-150; Cleveland, Modern Middle East, 237-238.

[196] Smith, Palestine, 83, 85, 111; Cleveland, Modern Middle East, 238-241; Tessler, A history, 157- 159, 165-166, 171.

[197] D. Fromkin, A peace to end all peace. The fall of the Ottoman Empire and the creation of the modern Middle East (New York 1989) 445, 516; Smith, Palestine, 110.

[198] John J. McTague jr., ‘The British military administration in Palestine 1917-1920’, Journal of Palestine Studies (JoPS) 7-3 (1978) 55-76, aldaar 56.

[199] Tessler, A history, 173. 

[200] Philip Mattar, The mufti of Jerusalem. Al-Hajj Amin Al-Husayni and the Palestinian national movement (New York 1998) 142-143, 150; Smith, Palestine, 114; Cleveland, Modern Middle East, 241.

[201] Persoonlijk waren er vaak wel goede contacten. Op het platteland bezochten joden en Arabieren in de jaren twintig nog elkaars bruiloften, besnijdenissen en dergelijke. Toch lagen beide gemeenschappen ‘op een ramkoers’ vanwege onverenigbare politieke doeleinden. Tessler, A history, 183.

[202] F. Ansprenger, Juden und Araber in einem Land: die politischen Beziehungen der beiden Völker im Mandatsgebiet Palästina und im Staat Israel (München 1978) 67; Gershon Shafir, Land, labor and the origins of the Israeli-Palestinian conflict, 1882-1914 ( paperback-editie 1996; Berkeley, Los Angeles en Londen 1996) 204. 

[203] Simha Flapan, The birth of Israel. Myths and realities (New York 1987) 61. 

[204] Tessler, A history, 222-225; Cleveland, Modern Middle East, 242. 

[205] Mattar, The mufti, 32.

[206] Smith, Palestine, 116-117.

[207] Uit 19e eeuwse landaankopen was een koloniale plantagesector ontstaan die de socialistische idealen niet deelde. Orthodoxe joden verwierpen het zionisme op religieuze gronden. Beide groepen maakten gebruik van Arabische arbeid en waren veel meer in Arabisch Palestina geïntegreerd, terwijl de socialisten met hun ‘verovering van de arbeid’  joodse autarkie door exclusief joodse arbeid nastreefden.  Smith, Palestine, 117-118; Shafir, Land, labor, 86-89, 123, 187-188. 

[208] Vladimir Jabotinsky, ‘O Zheleznoi Stene’ (De ijzeren muur), Rassvyet (4 november 1923); als geciteerd door Lenni Brenner, ‘Zionist-revisionism: the years of fascism and terror’, JoPS 13-1, (1983) 66-92, aldaar 67.

[209] Cleveland, Modern Middle East, 246-247.

[210] Tessler, A history, 61.

[211] Ovendale, Origins,  9. 

[212] De meeste auteurs geven een schatting van 85.000. Volgens een demografische studie is dit cijfer incorrect en is 60.000 een juister getal. Justin McCarthy, The population of Palestine. Population history and statistics of the late Ottoman period and the mandate (New York en Oxford 1990) 17-24.

[213] Smith, Palestine, 115.

[214] Ter illustratie: in 1921 kwamen 119.036 joden de V.S. binnen, terwijl er 8.294 naar Palestina gingen. Met de invoer van immigratiequota in 1924 daalde de Amerikaanse instroom sterk, naar 10.929 in 1925. Ovendale, Origins, 70.

[215] Cleveland, A history, 248; Ahron Bregman, Israel’s wars. 1947-1993 (Londen enz. 2000) 3-4. Een etnisch populatieoverzicht van 1931-1946 komt op een vergelijkbaar eindcijfer uit. McCarthy, Population of Palestine, 36.

[216] Öke, ‘Ottoman empire’, 336.

[217] Shafir, Land, labor, 41-43.

[218] Smith, Palestine, 124.

[219] Tessler, A history, 176-178; Smith, Palestine, 29-30.

[220] Cleveland, Modern Middle East, 249.

[221] Vooral orthodoxe joden werden aangevallen, omdat zij geen wapens droegen. De orhodoxe Agudat Israël, een  partij die fel tegen de Balfourverklaring ageerde, stelde zich daarna achter het zionisme. Smith, Palestine, 121, 130.

[222] Ibidem, 131-132.

[223] Tessler, A history, 237-238. 

[224] Mattar, The mufti, 66-67.

[225] De staking werkte contraproductief, daar zij de zionistische zelfvoorzienendheid bevorderde. Smith, Palestine, 139.

[226] Mattar, The mufti, 69-71; Cleveland, Modern Middle East, 251-252. Vgl.: Ovendale, Origins, 73-74; Smith, Palestine, 138-139; Tessler, A history, 230-231.

[227] Ibidem, 239.

[228] De Arabieren boycotten de commissie aanvankelijk en verklaarden daarna dat de Balfourverklaring ongeldig was vanwege de McMahon belofte. Ovendale, Origins, 74.

[229] Smith, Palestine, 142.

[230] Ibidem, 144-145; Ovendale, Origins, 79; Tessler, A history,  245.

[231] Smith, Palestine, 147.

[232] Ben-Gurion (1939); als geciteerd door Cleveland, Modern Middle East, 254.

[233] Zo fungeerde hij in de schimmige hoedanigheid van ‘opper-imam’ voor de Joegoslavische SS-moslimdivisies. John Keegan, Waffen-SS. De elite van het Duitse leger (Antwerpen 1995) 104. Deze episode laat zich kenmerken als een onvruchtbaar gelegenheidsverbond, dat naderhand door Arabische en Israëlische propaganda is vertekend. Mattar, The mufti, 99-107. Vgl.: Tessler, A history, 253; Smith, Palestine, 177.

[234] Ibidem, 175.

[235] Tessler, A history, 246. 

[236] De SS Patria was een schip dat in Haifa vluchtelingen aan boord nam om ze naar Mauritius te deporteren. De Haganah wilde het met een bom beschadigen om uitvaren te voorkomen. Het zonk echter, met zo’n 250 slachtoffers. De Struma was een schip met 769 joodse Roemenen aan boord, waarvan er 768 verdronken bij schipbreuk op de Zwarte Zee. Het was op Brits verzoek door Turkije weggestuurd. Smith, Palestine, 170. Vgl.: Tessler,  A history, 248.

[237] Ibidem, 250; Ovendale, Origins, 88; J. Bowyer Bell, ‘Assassination in international politics. Lord Moyne, count Bernadotte, and the Lehi’, International Studies Quarterly 16, afl. 1 (1972), 59-82, aldaar 61, 79-80.

[238] Tessler, A history, 251; Smith, Palestine, 172-173.

[239] Earl D. Huff, ‘A study of a succesful interest group: the American Zionist Movement’, The Western Political Quarterly 25, afl. 1 (1972) 109-124,  aldaar 114-115.

[240] Het alternatief was om de discriminerende immigratiequota te bestrijden. Functionarissen probeerden zoveel mogelijk vluchtelingen buiten de deur te houden. Voor toekenning van visa waren documenten vereist waarover joden onder de naziheerschappij nauwelijks konden beschikken. Openlijk protest tegen deze maatregelen zou echter vijandigheid oproepen. Joe Stork en Sharon Rose, ‘Zionism and American jewry’, JoPS 3, afl. 3 (1974) 39-57, aldaar 45. 

[241] Stork en Rose, ‘Zionism and American jewry’, 39-40, 43-44; Ovendale, Origins, 89. 

[242] Ibidem, 85.

[243] Het opblazen van het King David hotel in juli 1946 toonde de hoge prijs aan het Britse publiek. Smith, Palestine, 188. Het ophangen van twee ontvoerde sergeants en het boobytrappen van hun lichamen door Irgun in juli 1947 maakte in Groot-Brittannië een golf van jodenhaat los, leidde tot verwijten aan Amerikaans adres en deed de roep om terugtrekking groeien. Ovendale, Origins, 114-115.

[244] Als geciteerd door Bregman, Israel’s wars, 6.

[245] Tessler, A history, 258-259; Smith, Palestine, 191-194.

[246] Cleveland, Modern Middle East, 257-259; Ovendale, Origins, 300; Tessler, A history, 259.

[247] Ibidem, 194-195; Ovendale, Origins, 113-114; Cleveland, Modern Middle East, 257.

[248] Bregman, Israel’s wars, 9.

[249] Ovendale, Origins, 133.

[250] Simha Flapan, ‘The Palestinian exodus of 1948’, JoPS 16, afl. 4 (1987) 3-26, aldaar 11.

[251] Bregman, Israel’s wars, 12.

[252] Smith, Palestine, 196.

[253] Bregman, Israel’s wars, 9; Rashid Khalidi, ‘The Palestinians and 1948’ in: Eugene L. Rogan en Avi Shlaim, The war for Palestine (Cambridge 2001) 12-36; aldaar 14-15.

[254] Bregman, Israel’s wars, 15-16; Ovendale, Origins, 134. Schattingen van de totaalsterkte variëren, afhankelijk van welke soorten eenheden worden meegeteld. Vgl.: Flapan, Birth, 196. De Arabische troepenopbouw was vergelijkbaar.

[255] Daarbij werd een joodse burgeroorlog nipt voorkomen. Na een schermutseling om de controle over het vrachtschip Altalena, dat wapens smokkelde voor de Irgun, droeg Begin zijn troepen op zich te onderwerpen. Bregman, Israel’s wars, 19; Ovendale, Origins, 135; Smith, Palestine, 206.  Irgun en Stern werden door Ben-Gurion ontbonden, nadat de Zweedse VN-bemiddelaar graaf Bernadotte (wiens vredesvoorstellen de strategie van de rechtse milities doorkruisten) op 17 september door Stern werd vermoord, onder de verantwoordelijkheid van Shamir. Ovendale, Origins, 136-137.

[256] Avi Shlaim, ‘Israel and the Arab coalition in 1948’ in: Rogan en Shlaim, War for Palestine 79-103; aldaar 80-83; Bregman,  Israel’s wars, 17.

[257] Ovendale, Origins, 135-136; Benny Morris, Israel’s border wars 1949-1956 (herz. paperback-editie; Oxford 1997) 6.

[258] Flapan, Birth, 128, 135-137, 142-143; Avi Shlaim, ‘Britain and the Arab-Israeli war of 1948’, JoPS 16, afl. 4 (1987), 50-76, aldaar 55-58; Shlaim, Avi, ‘Jordan and 1948: the persistence of an official history’ in: Rogan en Shlaim, War for Palestine 104-124; aldaar 109-111.

[259] Tessler, A history, 291-307; Kenneth W. Stein, ‘A historiographic review of literature on the origins of the Arab-Israeli conflict’, The American Historical Review 96, afl. 5 (1991) 1450-1465, aldaar 1462-1464.

[260] Flapan, Birth, 83-118; idem, ‘The Palestinian exodus of 1948’, JoPS 16, afl. 4 (1987) 3-26, aldaar 4-6, 24; Smith, Palestine, 199; Tessler, A history, 305.

[261] Een van hun motieven was de uitsluiting van Arabieren uit de zionistische economie. Met name ambtenaren en hoger opgeleiden zagen geen toekomst in een joodse staat, zionistische verklaringen aan VN-vertegenwoordigers en westerse diplomaten over de ‘verheffing’ tot moderniteit van Arabieren in zo’n staat ten spijt. Flapan, Birth, 89.

[262] Smith, Palestine, 199; Bregman, Israel’s wars, 13.

[263] Ibidem, 11; Norman Finkelstein,  ‘Myths, old and new’, JoPS 21, afl. 1 (1991), 66-89.

[264] Spiro Munayyer, ‘The fall of Lydda’, JoPS 27, afl. 4 (1998) 80-98.

[265] Flapan, ‘Palestinian exodus’, 11; Yezid Sayigh, Armed Struggle and the search for state. The Palestinian national movement, 1949-1993 (paperback-editie; Oxford 1999), 37, geeft een cijfer van 418 plaatsen. Vgl.: Arnon Golan, ‘The transfer to Jewish control of abandoned Arab lands during the War of Independence’ in: S. Ilan Troen en Noah Lucas ed., Israel. The  first decade of independence (New York 1995) 403-436, aldaar 405.

[266] Nathan Krystall, ‘The de-Arabization of West Jeruzalem 1947-50’, JoPS 27, afl. 2 (1998) 5-22, aldaar 10-11; Smith, Palestine, 199; Ovendale, Origins, 135.

[267] Morris, Israel’s border wars, 178; Teddy Katz, ‘The Tantura massacre, 22-23 may 1948’, JoPS 30, afl. 3 (2001) 5-18; Finkelstein, ‘Myths’ 71; Flapan, Birth, 94.

[268] Ben-Gurion; als geciteerd door ibidem, 99.

[269] Ibidem, 104; Benny Morris, ‘Revisiting the Palestinian exodus of 1948’ in: Rogan en Shlaim, War for Palestine 37-59; aldaar 40-44, 56.

[270] Tessler, A history,  286; Golan, ‘Transfer to Jewish control’, 404, 425-426.

[271] Ilan Pappé, ‘An uneasy coexistence’ in: Troen en Lucas ed., Israel 617-659; aldaar 633.

[272] Ibidem, 98; Marianne van Leeuwen, Palestijns labyrint: achtergronden van de volksopstand (’s Gravenhage: Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen “Clingendael” 1989) 11.

[273] Morris, Israel’s border wars, 4-5.

[274] Tessler, A history, 279-283; Cleveland, Modern Middle East, 346-349.

[275] Pappé, ‘Uneasy coexistence’, 617, 620-621; Cleveland, Modern Middle East, 340.

[276] Tessler, A history, 283-290; Smith, Palestine, 223-224. 

[277] De vernietiging van Israël en het herstel van de Palestijnse rechten werden door Arabische leiders vaak in één adem genoemd, zoals de Israëli’s benadrukten. Tessler, A history, 308. 

[278] Een uitspraak van Abba Eban, Israëls VN-vertegenwoordiger, is illustratief: ‘Als we achter vrede aanrennen - zullen de Arabieren van ons een prijs eisen - grenzen of vluchtelingen of beide. We zullen een paar jaar wachten.’; als geciteerd door Morris, Israel’s wars, 16.

[279] Ibidem, 13-21. 

[280] Ovendale, Origins, 146.

[281] In 1951 werd Abdullah door een Palestijn vermoord. De annexatie van de Westelijke Jordaanoever en zijn pogingen tot een vergelijk met Israël te komen, hadden hem gehaat gemaakt. Tessler, A history, 275-276.

[282] Cleveland, Modern Middle East, 339. 

[283] De 49.000 Yemenitische joden werden in operatie ‘Magisch Tapijt’ (1949) binnengevlogen. In 1950-1951 volgden 100.000 Iraakse joden. Dat was niet alleen aan de Iraakse autoriteiten te wijten: Israëlische geheim agenten pleegden als ‘anti-joodse Iraki’s’ aanslagen om vertrek aan te moedigen -  zo groot was het belang dat aan immigratie werd gehecht, als bestaansreden van de staat en als middel om de miltaire sterkte te vergroten. Bregman, Israel’s wars, 26-27.

[284] Morris, Israel’s border wars, 9-13.

[285] Ibidem, 2, 4, 28, 126-184; Bregman, Israel’s wars, 31-32. In 1952 waren er 16.000 incidenten, in  1955 waren dat er nog 4.351. Van 1949 tot 1956 lieten 400 Israëli’s het leven, terwijl er 900 gewond raakten. Van 1948 tot 1956 werden tussen de 2.700 en 5.000 Palestijnen door de grenspolitie gedood. Yezid Sayigh, Armed struggle, 59.

[286] Morris, Israel’s border wars, 249-276, 185-195, 340-415; Bregman, Israel’s wars, 33; Smith, Palestine, 224; Ovendale, Origins, 151; Cleveland, Modern Middle East, 344-345.

[287] Aanleiding voor de ‘Gaza raid’ was de Lavon affaire. Nasser had Israëlische spionnen laten ophangen, die aanslagen op westerse doelen hadden voorbereid om zijn regime te ondermijnen. Het Israëlische publiek ervoer dit als een antisemitische daad en was razend. De semi-gepensioneerde Ben-Gurion keerde terug als minister van Defensie (later premier), de gematigde minister Sharett werd ontslagen. Smith, Palestine, 237-238; Tessler, A history, 341-343.

[288] Blokkade van de straat was door Ben-Gurion in 1955 een casus belli genoemd. Israël wilde de haven van Eilat in bedrijf houden, om haar aanspraak op de Negev onaantastbaar te maken. Bregman, Israel’s wars,  36.

[289] Deze maatregel was bedoeld om Nasser te straffen voor zijn banden met het Oostblok en hem te dwingen partij te kiezen. De directe aanleiding was zijn erkenning van communistisch China. Smith, Palestine, 244-245.

[290] De USSR zinspeelde zelfs op een raketaanval tegen Londen. Cleveland, Modern Middle East, 303.

[291] Smith, Palestine, 235-250; Bregman, Israels’wars, 36-40; Ovendale, Origins, 150-151, 157-164, 175-181.

[292] Cleveland, Modern Middle East, 328; Smith, Palestine, 261-271.

[293] Smith, Palestine, 272. Vanuit de vergetelheid in Beiroet veroordeelde Amin al-Husayni de PLO als ‘liquidatie van de Palestijnse zaak.’ Tessler, A history, 374.

[294] Sayigh, Armed struggle, 677.

[295] Ibidem, 71, 73,78, 87-92; Tessler, A history, 376-378; Smith, Palestine, 272-274.

[296] Een uitspraak van stafchef Rabin in een legerblad over bijzondere acties tegen Syrië werd door Nasser geïnterpreteerd als ‘militaire operaties (…) om Damascus te bezetten.’ Bregman, Israel’s wars, 43.

[297] Galia Golan, ‘The Soviet Union and the outbreak of the 1967 six-day war’, Journal of Cold War studies 8, afl. 1 (2006) 3-19; aldaar 7. De toedracht is onduidelijk. Het optreden van de betrokken Russische functionarissen was vooral bedoeld om hun Syrische protegé’s van meer interne en Egyptische steun te verzekeren. Volgens sommige Russische bronnen wilde de USSR oorlog uitlokken, in de hoop op een ‘tweede Vietnam’. De Sovjets werden echter verrast door de oorlog en hadden er ook een te zwakke positie voor. Vgl.: Ovendale, Origins, 201, Bregman, Israel’s wars, 43-46.

[298] Bregman, Israel’s wars, 64; Tessler, A history, 390-391; Smith, Palestine, 282.

[299] Met het Egyptisch-Syrische defensiepact probeerde Nasser Syrië te beteugelen, maar in de praktijk was het Egypte dat door Syrië bij het halster werd genomen. Door Israëlische aanvallen te provoceren en Nasser als zwakkeling te portretteren werd Egypte richting oorlog geloodst. Tessler, A history, 378. 

[300] Ibidem, 389-390.

[301] Bregman, Israel’s wars, 48-49.

[302] Smith, Palestine, 282-283.

[303] In ruil voor Israël’s terugtrekking waren in 1956 door diverse landen garanties gegeven voor een vrij gebruik van de Straat. Er waren plannen voor een internationaal flottielje dat de blokkade moest breken. 

[304] Abba Eban (minister van B.Z.): ‘(…) dit initiatief zou gericht zijn op een gezichtreddend compromis - en het gezicht dat gered zou worden zou dat van Nasser zijn, niet dat van Israël’, als geciteerd door Smith, Palestine, 284. 

[305] Ovendale, Origins, 204.

[306] De USSR greep daadwerkelijk bijna in. In de Oekraïne werden lange-afstandsbommenwerpers gereedgemaakt en onderzeeërs naderden de Israëlische kust. Bregman, Israel’s wars, 58. Het Israëlische kernwapenprogramma werd er in de jaren zeventig niet voor niets op gericht om de USSR nucleair af te schrikken. Seymour M. Hersh, Het Samson scenario. Israëls nucleaire arsenaal (Baarn 1991) 240-241.

[307] A.J. Bakker, De Zesdaagse Oorlog (Antwerpen 1977) 28-59.

[308] Ovendale, Origins, 201, 205.

[309] Cleveland, Modern Middle East, 345.

[310] Ahmed S. Khalidi, ‘The War of Attrition’, JoPS 3, afl. 1 (1973) 60-87.

[311] Cleveland, Modern Middle East 331, geeft een schatting van 80.000 vluchtelingen.

[312] De Israëli’s wilden delen van het veroverde gebied houden, als een tastbaarder veiligheidsgarantie dan Arabische beloften. Zij wensten rechtstreekse onderhandelingen zonder inmenging van derden die concessies konden afdwingen.

[313] Smith, Palestine, 301-305; Ovendale, Origins, 209-210; Tessler, A history,  407-414.

[314] VN-Resolutie 242; als geciteerd door Tessler, A history, 420. De Franse en Russische vertalingen gaven verwarring, doordat daarin sprake is van ‘de’ bezette gebieden. Die verwoording was geschrapt omdat Israël er nooit mee akkoord zou gaan. De Engelse formulering slaat volgens Israël op een niet gespecificeerd gebiedsdeel. Smith, Palestine,  306.

[315] Ibidem. Israël legde dat in zijn voordeel uit, door te stellen dat het conflict dus om veilige grenzen draaide: daarvoor moesten die van 1949 verlegd worden. Met dit argument werden Amerikaanse oproepen tot terugtrekking gepareerd.

[316] Ovendale, Origins,  300; Van Leeuwen, Palestijns Labyrint, 45-46.

[317] Rashid Khalidi, Palestinian identity. The formation of modern national consciousness (New York 1997) 196. De strijd eindigde onbeslist, maar het verloop verraste zowel Israël als de Arabische wereld. Tessler, A history, 422-426.

[318] Aldus een medewerker van Arafat, als geciteerd door ibidem, 309.

[319] Sayigh, Armed struggle, 212.

[320] Ibidem, 213.

[321] Ovendale, Origins, 214.

[322] Syrië stuurde tanks om de Palestijnen te helpen. Hoessein wendde zich tot de VS, die Syrië via de USSR onder druk zetten. Israël bereidde zich voor om Jordanië militair te steunen. Na een schermutseling trok Syrië zich terug.

[323] Een stap ingegeven door tegenvallende Russische wapenleveranties, toestroom van Russische joden naar Israël en het verlangen de VS te paaien. Bregman, Israel’s wars, 69; Ovendale, Origins,  216; Smith, Palestine, 320.

[324] Dayan bepleitte openlijk het annexeren van de bezette gebieden. Hij deed denigrerende uitspraken over het Egyptische leger, dat hij een ‘roestend schip’ noemde dat ‘wegzinkt in de woestijn.’ Ovendale, Origins, 216-217. 

[325] Op 25 september vloog de Jordaanse koning naar Israël om zijn vijanden te waarschuwen. Hij wilde niet bij een oorlog betrokken worden. Meir en Dayan begrepen hem echter verkeerd en reageerden niet. Bregman, Israel’s wars, 78. 

[326] Hersh, Samson scenario, 249-253, 258-262.

[327] Ovendale, Origins, 226-228.

[328] De politiek van de Arbeiderspartij accentueerde tegenstellingen: religieus/seculier, arbeidersklasse/bourgeoisie, Israëlische joden/diaspora joden, Europese joden/Midden-Oosterse joden, telkens van de superioriteit van eerstgenoemde groep uitgaande. Peter Robert Demant, Ploughshares into swords: Israeli settlement policy in the occupied territories, 1967-1977 (Amsterdam 1988) 553.

[329] Joden uit het Midden-Oosten, die een onderklasse vormden tegenover de ‘ashkenazim’ uit Europa.

[330] Ovendale, Origins, 231; Smith, Palestine, 368-369.

[331] Ibidem, 351-352, 359-363; Cleveland, Modern Middle East, 369.

[332] Ovendale, Origins, 234-237. De Egyptische banden met de Arabische wereld werden in 1984 hersteld. Syrië en Libië hervatten als laatste de diplomatieke betrekkingen, in 1990. Ovendale, Origins 261. Overigens was de boycot niet strikt, aangezien de Arabische staten de relatie met Egypte economisch nodig hadden. Van Leeuwen, Palestijns Labyrint, 45.

[333] Cleveland, Modern Middle East, 354; Demant, Ploughshares, 132-161, 604-607.

[334] Ibidem, 293-301, 563-567.

[335] Van $133 per hoofd van de bevolking in 1967 tot $930 in 1975. Smith, Palestine, 367.

[336] Sayegh, Armed struggle, 519. De arabist prof.dr. Wilson, hoofd van het Burgerlijk Bestuur, meende gebruik te kunnen maken van het ‘Arabische cliëntelisme’, door Israëlische cliënten van bevoegdheden, wapens en gunsten te voorzien. De bevolking accepteerde de door Israël geïnstalleerde ‘volksvertegenwoordigers’ echter niet. Het waren vooral maatschappelijke randfiguren die het stigma van collaborateur niet schuwden. In 1984 was het failliet van dit ‘zelfbestuur’ duidelijk en werd de Federatie van Dorpsraden opgeheven. Tessler, A history,  548-549, 552, 553.

[337] Tessler, A history, 568-569, 571, 582; Smith, Palestine, 365; Bregman, Israel’s wars, 101.

[338] Ibidem, 105; Sayegh, Armed struggle, 509; Cleveland, Modern Middle East, 376-377; Tessler, A history, 579.

[339] Begin: “Abu Nidal, Abu Schmidal... Ze zijn allemaal PLO”; als geciteerd door Tessler, A history, 573.

[340] Ibidem, 570, 572; Bregman, Israel’s wars, 103-104; Sayigh, Armed struggle, 518, 523-524.

[341] Volgens de Libanese politiestatistieken vielen er 17.825 doden en 30.203 gewonden, hoewel dit cijfer waarschijnlijk te hoog is. De PLO meldde 560 gesneuvelden, de IDF verloren 368 man.  Ibidem, 530, 540.

[342] Bregman, Israel’s wars, 108-115; Smith, Palestine, 376-381; Tessler, A history, 568-590.

[343] Cleveland, Modern Middle East, 378

[344] Burgers van alle leeftijden werden gemarteld en gedood. Schattingen van het dodental lopen uiteen van 800-3.000, afhankelijk van bronnen en het meetellen van vermisten. Smith, Palestine, 381; Ovendale, Origins, 243; Tessler, A history, 592. Een internationale commissie kwam tot het eindcijfer van 2.750 doden. Sayigh, Armed struggle, 539.

[345] In de zin dat er geen complot bestond tussen Israëlische gezagsdragers en de Falangisten. Het oordeel ging voorbij aan andere definities van medeplichtigheid. De IDF leverden logistieke ondersteuning, waaronder nachtelijke verlichting en bulldozers (gebruikt voor massagraven). Legerposten hadden uitzicht op een deel van de moorden. Bij blokkades rond Sabra werden vluchtelingen in doodsangst teruggestuurd. In het sportstadion waren Israëlische officieren aanwezig bij het afvoeren van jongemannen naar hun executie. Sayigh, Armed struggle, 539. Tijdens of onmiddellijk na de moorden bevonden zich para’s van de 35e Brigade in de kampen. Bregman, Israel’s wars, 115.

[346] Tessler, A history, 590-599; Ovendale, Origins, 243. 

[347] Een Arabisch woord dat staat voor koortsrillingen of het schudden van een hond met vlooien. In dit geval verwijst het naar het ‘afschudden’ van de bezetting. Ovendale, Origins,  254.

[348] Op 18 mei 1987 ontsnapten 6 gevangen Islamitische Jihad-leden, die zich daarmee een heldenstatus verwierven. Op 25 november arriveerden twee leden van het PFLP-Algemeen Commando (een kleine groep, gesteund door Syrië) met draagvleugels vanuit Libanon, waarna een van hen in een legerkamp 6 militairen doodde. Deze actie dwong in de pers een zeker respect af en werd door Palestijnen met trots begroet. Ovendale, Origins, 254-255. 

[349] Islamitische Jihad onstond in 1985 of 1986 en streefde naar een islamitische staat in heel het vroegere Palestina. Deze fundamentalistische groep zag de strijd tegen Israël als een religieuze plicht en een instrument tot zuivering van de islam in het algemeen. Ovendale, Origins 255, Tessler A history, 680; 693.

[350] Tessler, A history, 697.

[351] Hamas kwam voort uit de Moslimbroederschap in Gaza. Islamitische verzetsorganisaties werden door Israël tot 1988 oogluikend toegestaan, als middel om de seculiere PLO te verzwakken. Van Leeuwen, Palestijns labyrint, 41; Smith, Palestine, 420-421.

[352] Tessler, Origins, 695-696.

[353] Ibidem; Bregman, Israel’s wars, 128-129; Smith, Palestine, 412-431.   

[354] Cheryl A. Rubenberg, The Palestinians: in search of a just peace (Londen 2003) 134.

 

[355] Cleveland, Modern Middle East, 462, 468, 480.

[356] De intifada had als onbedoeld neveneffect dat het probleem van de vluchtelingen in de kampen, waar de traditionele PLO-machtsbasis lag, naar de zijlijn schoof. Bezet gebied stond nu centraal. Rubenberg, The Palestinians, 92.

[357] Graham Usher, Palestine in crisis: the struggle for peace and political independence after Oslo (Londen enz. 1995) 4.

[358] Cleveland, Modern Middle East, 484-486.

[359] In de woorden van oud-staatssecretaris en oud-minister van Defensie Stemerdink. Deze werden door minister van Buitenlandse Zaken Van den Broek in 1991 herhaald voor het Joods Wereld Congres. Frans Peeters, Gezworen vrienden. Het geheime bondgenootschap tussen Israël en Nederland (Amsterdam en Antwerpen 1997) 67, 271.

[360] Onmiddellijk na de oorlog uitte dat schuldgevoel zich overigens eerder in antipathie. Joodse overlevenden werden vijandig ontvangen door de Nederlandse staat en door burgers die van hun verdwijning hadden geprofiteerd. Michal Citroen, U wordt door niemand verwacht. Nederlandse joden na kampen en onderduik (Nieuwegein 1999) passim.

[361] Peeters, Gezworen vrienden, 26-27, 64-71, 104, 144-149, 160-163; Fred Grünfeld, Nederland en het Nabije Oosten (Maastricht 1991) 31-46; Ph. P. Everts ed., Controversies at home: domestic factors in the foreign policy of the Netherlands (Dordrecht, Boston en Lancaster 1985) 158, 177-178; Nicolaes van Dam en Jan Keulen, De vrede die niet kwam (Amsterdam 1998) 37-42.

[362] Peeters, Gezworen vrienden, 13-15, 74-79, 82-90, 105-106, 197-218.

[363] Dries van Agt, lezing festival ‘De linkse lente’ (Nijmegen 11-9-2006).

 

[364] Een rechtvaardige aanpak. Een christen-democratisch standpunt ten aanzien van het Israëlisch-Palestijns conflict Commissie Buitenland van het CDA (Den Haag 2003) 22.

[365] Zembla, Zwijgen over Israël (televisie-uitzending 23 oktober 2003).

[366] Nederlandse ambassade, Tel Aviv, doc. nr. 145753; als geciteerd door http://www.evd.nl/info/publicaties.

[367] Maurits Berger, ‘Palestijnen en joden, of integratie in Nederland: het gaat erom of je in de ogen van anderen mag bestaan’, NRC Handelsblad (NRC) (27-3-2004) 15.

[368] Piet Hagen, Journalisten in Nederland. Een persgeschiedenis in portretten 1850-2000 (Amsterdam en Antwerpen 2002) 66.

[369] Arnold  Karskens,  Pleisters op de ogen, pleister op de mond. De Nederlandse oorlogsverslaggeving van Heiligerlee tot Kosovo (Amsterdam 2001) 157.

[370] Ibidem, 167.

[371] Ibidem, 156.

[372] Geert-Jan Hermsen, Palestina in de Nederlandse pers 1945-1949 (Katholieke Universiteit Nijmegen: doctoraal-scriptie Geschiedenis 1998) 14-15, 81-85.

[373] Karskens, Pleisters, 159.

[374] Een angst die door de Israëlische politiek-militaire top binnenskamers overigens niet werd gedeeld, gezien Israël’s enorme overwicht in termen van strategie en training. Nassers confrontatiepolitiek leverde veeleer een welkome casus belli. De Arabische propaganda en het gevoel van existentiële dreiging onder de bevolking vormden een vrijbrief voor het militair verpletteren van de Arabische ‘frontlijnstaten’.  Het alternatief, een grote politieke overwinnig aan Egypte laten, was ondenkbaar.  Jeremy Brown, Zes dagen (Amsterdam 2004) 278-281.

[375] Ibidem, 160-163; Peeters, Gezworen vrienden, 144-148.

[376] ‘Sympathie’, Nieuwe Rotterdamse Courant   (6-6-1967) 1.

[377] ‘Israëli’s verlangen verdedigbare grens’, De Volkskrant (8-6-1967) 5.

[378] Karskens, Pleisters, 164.

[379] ‘In Israël nu 2000 toeristen uit Nederland’, Trouw (9-10-1973) 3.

[380] ‘Israël gelooft niet meer in een snelle zege’, Trouw (10-10-1973) 7; ‘Liet Israël zich verrassen of lokte het Egypte in een val?’, ibidem.

[381] Karskens, Pleisters, 167-168.

[382] Als geciteerd door ibidem, 237.

[383] ‘Arabieren vernietigden vanzelfsprekendheden’, Trouw (27-10-1973) 1.

[384] Peeters, Gezworen vrienden, 251.

[385] Paul Brill, ‘Politiek Begin breekt Israël op’, De Volkskrant (25-11-1982) 4.

[386] Trouw (21 september 1982) 1.

[387] ‘Oorlogsmisdaden in Libanon. Protest en rouw op Arabische scholen’, Trouw (21-11-1982) 13.

[388] Gadi Wolfsfeld, Media and political  conflict. News from the Middle East (Cambridge 1997) 154.

[389] Karskens, Pleisters, 168.

[390] Als geciteerd door Jacqueline de Bruijn, Israëlisch-Palestijns conflict, bericht en belicht vanuit Israël (Universiteit van Amsterdam: doctoraalscriptie Politicologie en Communicatiewetenschap 1997) 22.

[391] Ibidem, 62-73,  88-92, 97-110.

[392] Wolfsfeld, Media and political conflict, 129.

[393] De Bruijn, Israëlisch-Palestijns conflict, 104-105.

[394] Als geciteerd door Karskens, Pleisters, 169.

[395] Nathalie Hutten, Woorden zeggen meer dan daden. Het Palestijns-Israëlisch conflict door de ogen van de pers (Universiteit van Amsterdam: doctoraalscriptie Communicatiewetenschap 1998) 14-29, 45-48.

[396] Anja Meulenbelt, De tweede intifada (Amsterdam 2001) 17-23, 40-43.

[397] Marcel van Dam, ‘Niet langer zwijgen’, De Volkskrant (09-8-2001) 1E.

[398] Maurits Berger, ‘Palestijnen en joden’, NRC Handelsblad (27-3-2004) 15. Toegelicht in email aan auteur, 30-6-2004.

[399] Alfred Pijpers, ‘Niet Israël, maar Nederland is veranderd’, De Volkskrant (3-10-2002) 7.

[400] Van Agt, lezing ‘De Linkse Lente’.

[401] Frans Dijkstra, ‘Israël’s vrienden verenigen zich in Europees Parlement’, Trouw (16-9-2006) 10, 11.

[402] Piet Bakker en Otto Scholten, Communicatiekaart van Nederland (Houten 1997) 12.

[403] Geanonimiseerd interview. Als geciteerd door E.A.H.M. Hermans, Beroepsmatig handelen van journalisten (Amsterdam 2000) 83-84.

[404] F.P.J. Wester, Lessen uit lezen (inaugurale rede: Nijmegen 2003) 4.

[405] Een kwalificatie die in vakliteratuur gemeengoed is. Van Hoof maakt onderscheid tussen commerciële kwaliteit (informatie die zo goed mogelijk de lezersbehoefte bevredigt, specialisme van de populaire bladen) en culturele kwaliteit (informatie die de lezer zo goed mogelijk inlicht, specialisme van de kwaliteitsbladen).  A.M.H.J. van Hoof, Kranten met karakter (Nijmegen 2000) 11-19.

[406] Bakker en Scholten, Communicatiekaart, 14-17, 26, 31.

[407] Sierk Bart Ybema, De koers van de krant. Vertogen over identiteit bij Trouw en De Volkskrant (Amsterdam 2003) 156.

[408] Ibidem, 172.

[409] Ybema, De koers van de krant, 9-17, 22-25, 50-58.

[410] Ibidem, 86-110, 131-135.