Te vroeg gejuicht: beeldvorming over het Palestijns-Israëlisch conflict in NRC Handelsblad en Trouw van begin tot falen van het ‘Oslo-vredesproces’. (Bjorn Lanke)

 

home lijst scripties inhoud  

 

Inleiding

 

Beeldvorming in de massamedia is een onderzoeksterrein van evident belang. De journalistiek wordt niet ten onrechte weleens de ‘vierde macht’ in het democratisch bestel genoemd. Bij politieke en sociale kwesties wordt vaak op de echte of vermeende invloed van ‘de media’ gewezen. Een voorbeeld hiervan is de politiek getinte cultuurstrijd rondom de integratie van etnische groepen met een islamitische achtergrond. Journalisten wordt daarbij enerzijds een aandeel verweten in het creëeren van maatschappelijke problemen door stigmatisering, anderzijds worden zij juist beschuldigd van het onder tafel schuiven van tegenstellingen en obstructie van het debat door taboes. Ook de zogeheten publieke ‘demonisering’ van Pim Fortuyn ligt nog vers in het geheugen. Deze werd door sommige politici en opiniemakers zelfs tot aanleiding voor politieke moord gebrandmerkt.

            Een tweede onderzoeksterrein van evident belang is het Palestijns-Israëlisch conflict: een brandhaard die wereldwijd wordt gevolgd. Ons land is er nauw bij betrokken, in de eerste plaats door de historische, politieke en economische banden met Israël, maar ook vanwege de grote internationale belangen die ermee gemoeid zijn en de rol die het speelt voor diverse bevolkingsgroepen op eigen bodem.

Het zou een ware uitdaging vormen om het nieuws van de afgelopen jaren ook maar een week te volgen, zonder met het Palestijns-Israëlisch conflict te worden geconfronteerd. Een combinatie van beide onderzoeksgebieden ligt daarmee voor de hand. Een geschikt aanknopingspunt is het ‘Oslo-vredesproces’, dat zijn aanvang nam met rechtstreekse onderhandelingen tussen Israël en de PLO. Deze in de ‘Al Aqsa intifada’ uitmondende periode is nog altijd actueel: kennis ervan is noodzakelijk om de huidige situatie te kunnen begrijpen. Tegelijkertijd ligt ze ver genoeg achter ons om aan historische beschouwing te zijn onderworpen. De geschreven pers is als gemakkelijk toegankelijke bron een geschikte onderzoekskandidaat binnen het medialandschap. Ik heb besloten mij op twee kwaliteitsbladen te richten. De probleemstelling waarmee ik dit onderzoek onderneem, luidt: ‘Hoe is de beeldvorming over het Palestijns-Israëlisch conflict in NRC Handelsblad en Trouw te duiden tijdens de beginjaren (1993-1995) en de falende eindonderhandelingen (2000) van het Oslo-vredesproces?’

            Om deze vraag te kunnen beantwoorden, put ik uit theoretische hulpbronnen die uit meerdere wetenschappelijke disciplines afkomstig zijn. De bestudering van massamedia en beeldvorming is immers een vakgebied apart. Historici kunnen er een verrijkende bijdrage aan leveren, doordat zij een getraind oog hebben voor het longitudinale aspect van beeldvorming en voor de historische component van de in de media figurerende onderwerpen. De historicus heeft een eigen wijze van bronnen- en tekstkritiek. Deze benadrukt zaken die logischerwijs buiten het blikveld van andere wetenschappers vallen. Op zijn beurt doet de historicus er goed aan gebruik te maken van de kennis en praktische onderzoekservaring die buiten zijn geschiedenisboeken te vinden is. Alleen een interdisciplinaire benadering doet een complex onderwerp als beeldvorming over het Palestijns-Israëlisch conflict recht. Om die reden werk ik in hoofdstuk 2 een uitgebreid theoretisch kader uit. Een korte achtergrond van de ‘speciale relatie’ tussen Nederland en Israël vormt daarvan de basis. Deze wordt gevolgd door een schets van de ‘speciale traditie’ die zich in de pers tegenover deze bevriende natie heeft ontwikkeld. Daaruit komt een drietal paradigma’s naar voren dat aan de beeldvorming ten grondslag ligt. Om deze adequaat te kunnen analyseren gebruik ik de theorie van de ‘nieuwswaardefactoren’ (afkomstig uit de communicatiewetenschap, maar puttend uit sociologie en psychologie), tezamen met de ‘framing’-theorie (ontwikkeld in de antropologie en cognitieve psychologie, toegepast in talrijke wetenschappen). Ook de ‘agendasetting’-theorie en het ‘sluiswachtersconcept’ uit de communicatie-wetenschap bewijzen er hun nut bij. De keuze voor NRC Handelsblad en Trouw wordt in de loop van het betoog toegelicht, vergezeld van een korte omschrijving van hun signatuur. In twee onderzoekshoofdstukken wordt dit kader vervolgens geïmplementeerd. Hoofdstuk 3 gaat daarbij in op de algemene nieuwsstroom, terwijl in hoofstuk 4 de achtergronden bij het nieuws aan bod komen. Beschouwing van het Oslo vredesproces zelf en een kwantitatieve analyse van de berichtgeving vormen het achtergrondkader.

Allereerst treft u echter een wordingsgeschiedenis van het Palestijns-Israëlisch conflict aan: het fundament waarop uiteindelijk het hele onderzoek rust. Om beeldvorming erover te kunnen duiden moeten we immers het onderwerp zelf duiden. Zonder inzicht in de historische context is geen adequaat begrip van het Palestijns-Israëlisch conflict mogelijk. De geschiedenis van deze strijd is een lange en veelzijdige. Zij gaat terug tot de 19e eeuw.

 

 

Hoofdstuk 1. Historische achtergronden van het Palestijns-Israëlisch conflict

 

1.1  Karakterisering van het conflict

 

Dit is de geschiedenis van een koloniaal conflict, waarbij een keur aan derde partijen betrokken is.  Het zionisme gaf een etnische groep[180] in diaspora een nationale identiteit en bezorgde haar een staat. Dat gebeurde in confrontatie met onder andere het Britse rijk, de Arabische wereld en een andere etnische groep die een eigen nationale identiteit ontwikkelde: de Palestijnen.[181] Een fundamentele belangentegenstelling en diepe vijandschap zijn voortgekomen uit de wording van een expliciet joodse staat, die de bevolkings-samenstelling en machtsverhoudingen in een overwegend Arabische regio grondig veranderde ten gunste van zijn joodse burgers. Een permanente conflicttoestand was het gevolg. In beginsel ging het om land en om zelfbeschikking. Met de opkomst van fundamentalistische joodse kolonistenbewegingen na 1967 en fundamentalistische moslimbewegingen na 1987 raakte godsdiensttwist verweven met de strijd.

 

1.2 Van ‘Der Judenstaat’ tot joodse staat. Het ontstaan van een land en een conflict

 

 

De zionistische beweging

 

De grondvesten van de staat Israël zijn gelegd door de zionistische beweging. Deze moderne, Europese vorm van politieke organisatie ontstond met de ervaring van antisemitisme als drijfveer en het 19e-eeuwse liberaal nationalisme als leidraad. Zij wilde de ‘natie’ van het ‘wereldjodendom’ in een (nationale) staat verenigen. Dat zou tegen discriminatie en vervolging bescherming moeten bieden en de joodse identiteit waarborgen. Palestina werd het brandpunt van nationalistische aspiraties. Het was de plaats waar de geloofsgeschiedenis uit de Torah zich merendeels afspeelde en waar joden in 1.000 v. Chr. het koninkrijk Israël hadden gesticht.

In Oost-Europa leefden joden in achterstelling en segregatie. In Rusland, waar meer dan de helft van de joden ter wereld woonde, was hun bewegingsvrijheid wettelijk beperkt. De tweede helft van de 19e eeuw kende verscheidene antisemitische pogroms.[182] Diverse verenigingen zochten een antwoord op het status- en veiligheidsprobleem in emigratie naar Palestina. Zij sloten zich aaneen tot de Geliefden van Zion, die vanaf 1882 met matig succes nederzettingen stichtten. Hun leider, Leo Pinsker, riep op tot zelfemancipatie en het bemachtigen van een eigen territoir: ‘Te worden beroofd als jood of te worden beschermd als jood is even vernederend (…).’, ‘(…) een volk zonder grondgebied is als een man zonder schaduw, iets onnatuurlijks, spookachtigs.’[183] De meeste joden die tijdens de eerste aliyah (immigratiegolf) van eind 19e eeuw naar Palestina emigreerden, kozen deze wijkplaats echter meer uit religieuze dan uit politieke overwegingen.

Theodor Herzl geldt als de ‘aartsvader’ van het georganiseerde joodse staatsstreven en zijn boek Der Judenstaat (Berlijn: Jüdischer Verlag 1896) als het ideologische handvest ervan. In 1897 werd op het eerste Zionistische Congres in Bazel de Wereld Zionisten Organisatie (WZO) opgericht: een administratief orgaan met als doel een ‘thuisoord’ (‘Heimstätte[184]) in Palestina. De WZO richte in 1899 een bank op. In 1901 volgde het Joods Nationaal Fonds (JNF), dat verantwoordelijk was voor het aankopen van land in Palestina om het ‘onvervreemdbaar joods’ te maken. Herzl richtte zich op Europese staatshoofden en vermogende westerse joden om vestigingsrechten te verkrijgen via diplomatie, desnoods in een gebied als Argentinië.

In West-Europa had wettelijke gelijkberechtiging een assimilatieproces in gang gezet. Het verloren gaan van joodse eigenheid werd door zionisten betreurd. Bovendien geloofden zij niet dat antisemitisme door assimilatie zou verdwijnen. De ‘Dreyfuss affaire’ onderstreepte die overtuiging.[185] Onder westerse joden was de steun voor de WZO echter gering, uit vrees hun status in gevaar te brengen. Pogingen om met steun van westerse mogendheden (Duitsland in het bijzonder) toestemming tot vestiging in Palestina te krijgen liepen op niets uit. Met Herzl’s dood in 1904 kreeg de ‘Russische’ lijn de overhand: joodse immigratie en natiebouw diende niet afhankelijk te zijn van politieke erkenning, maar zou de erkenning van een nationaal thuis juist moeten afdwingen, door het in de praktijk vorm te geven.

De onder westerse overheersing gecreëerde staten die tegenwoordig het Midden-Oosten bevolken, bestonden destijds niet. Het Turkse sultanaat van de Ottomanen oefende een relatief zwak gezag uit over een conglomoraat van volkeren. Het Ottomaanse rijk stond negatief tegenover joodse immigratie. Het vreesde een nieuw nationaliteitenprobleem. Europese kolonisten zouden de zwakke cohesie van het rijk kunnen aantasten, door zich op capitulaire privileges en het beschermheerschap van een grootmacht te beroepen.[186] Er werden maatregelen genomen in de vorm van immigratiebeperkingen (vanaf 1882) en restricties op landaankopen (vanaf 1892). Het effect daarvan was echter gering. Een deel van de Arabische elite in steden als Jeruzalem, Damascus en Beiroet maakte onderscheid tussen Ottomaanse en ‘buitenlandse’ joden en was bezorgd over de zelfverklaarde zionistische intenties van de laatsten.[187] Er verschenen alarmerende artikelen in de Arabische pers. Politici trachtten de Ottomanen tot effectiever optreden te bewegen. Tussen 1909 en 1914 ontstond het eerste uitgesproken antizionisme. Dat kwam deels voort uit Ottomaans loyalisme of Arabisch nationalisme, maar getuigde soms ook van een specifiek Palestijns identiteitsbesef. Een in 1914 gepubliceerde ‘algemene oproep’ van ‘een Palestijn’ weeklaagt: ‘Landgenoten! (…) Heb medelijden met jullie land en verkoop het niet als handelswaar. (…) Willen jullie slaven zijn voor de Zionisten die gekomen zijn om jullie uit je land te zetten, bewerend dat dit land het hunne is?’[188] Vanuit de Arabische bevolking kwam het sporadisch tot gewelddaden tegen joden, aangemoedigd door de zwakte van het gezag en de partijdigheid van ambtenaren. Het conflict was geboren.

 

Beloftes, verdelingsplannen en de vredesregeling na de Eerste Wereldoorlog

 

Mede om tegenwicht te bieden aan een mogelijke jihad binnen de Britse kolonieën, waartoe de Ottomaanse kalief opriep, correspondeerde McMahon (hoge commissaris te Caïro, een ambt vergelijkbaar met dat van gouverneur) gedurende 1915-1916 met sharif Husayn van Mekka.[189] Dit contact mondde uit in een belofte voor een onafhankelijke Arabische staat. De grenzen daarvan zouden onder meer Syrië en Palestina omvatten, hoewel de omschrijving vaag was, ‘intended to promise more than it would fulfill.’[190] De Hashemitische familie van Husayn voerde daarop in samenwerking met Britse officieren een opstand aan.

Groot-Brittannië en Frankrijk besloten in de geheime Sykes-Picot overeenkomst van 1916 tot een verdeling van het Ottomaanse rijk die de belofte aan Husayn ongedaan maakte. Syrië zou Frans bezit worden. Groot-Brittannië beschouwde een te sterke Franse positie in het gebied echter als schadelijk voor haar eigen belangen. De kwestie van regionale hegemonie werd tijdelijk opgelost door Palestina als internationale bufferzone tussen Egypte en Syrië voor te stellen. Later overleg met Rusland, andere geallieerden en Husayn zou de definitieve status moeten bepalen.[191]

            In 1917 werd in de Balfourverklaring een belofte gedaan aan de zionistische lord Rothschild, die strijdig was met de toezeggingen aan zowel de Fransen als Husayn, namelijk voor ‘the establishment in Palestine of a National Home for the Jewish people.’ De ‘civil and religious rights of existing non-Jewish communities in Palestine’ zouden daarbij echter niet aangetast mogen worden, evenmin als de ‘rights and political status enjoyed by Jews in any other country.’[192]

Succesvol ‘netwerken’ door zionistisch woordvoerder Chaim Weizmann was cruciaal voor het totstandkomen van de Balfourverklaring. Over de precieze tekst was onderhandeld.[193] De Britten werden vooral gedreven door hun overtuiging dat zionistische steun de oorlogsinspanning en koloniale belangen ten goede zou komen. Bij het in de oorlog houden van Rusland en het mobiliseren van de Verenigde Staten werden joden voor een machtige factor gehouden. Het zionisme won in de VS aan invloed[194], terwijl het marxisme-leninisme als een joods product werd gezien dat Rusland bedreigde. Er bestond zorg over zionistische toenadering tot Duitsland en over ‘radicale’ bewegingen, zoals de Joodse Arbeidersbond. Voor de naoorlogse periode zou een joods protectoraat in Palestina een diplomatieke uitweg betekenen waarmee de controle over Palestina definitief aan Frankrijk ontzegd kon worden. Bijbelvaste kabinetsleden geloofden bovendien in de joodse Terugkeer en antisemitische politici zagen joden graag naar Palestina vertrekken.[195]

In 1917 werd Palestina door de Britten bezet. Op de conferentie van San Remo werd het in 1920 als mandaatgebied aan Groot-Brittannië toegekend. Mandaten hielden het bewind in van ‘ontwikkelde’ naties over volkeren die niet tot zelfbestuur in staat werden geacht, maar vormden tevens een formule waarmee de Volkenbond directe annexatie verhinderde. Het was de verplichting van de mandaatmacht om onafhankelijkheid voor te bereiden, naar het ideaal van zelfbeschikkingsrecht. Twee jaar later ratificeerde de Volkenbond het Britse mandaat over Palestina met als basis het uitvoeren van de Balfourverklaring. Een zionist, sir Herbert Samuel, werd tot hoge commissaris benoemd.[196]

Het mandaat betekende een groot dilemma: hoe de Balfourverklaring uit te voeren zonder inbreuk te maken op de rechten van de overwegend islamitische of christelijke Arabische meerderheid? Britse militaire ambtsdragers sympathiseerden over het algemeen met de Arabieren en zagen de zionistische eisen als arrogant en destabiliserend.[197] Onder internationaal militair recht was het voorafgaand aan het mandaat hun plicht geweest de status quo te handhaven tot de ingang van een nieuw burgerlijk bestuur. Dat was niet te rijmen met de door het zionisme nagestreefde grootschalige immigratie en landaankopen.[198] Onder het mandaat bleef het over het algemeen zo dat in de bureaucratie en bij de verschillende onderzoekscommissies die werden ingesteld, het Arabische perspectief de meeste instemming ondervond. Politici in Londen sympathiseerden daarentegen met het zionisme en zagen het als legitimatie van de Britse aanwezigheid.

 

Het mandaat: de Arabische en  joodse gemeenschappen onder Brits bestuur

 

Het faciliteren van de zionistische  koloniale ambities door westerse machten, riep woede op onder de Palestijnse bevolking. Bij rellen in 1920 en 1921 vielen er doden. In 1922 vaardigde de Britse regering een beleidsnota uit, bedoeld om de tegenstrijdige belangen van zionisten en Arabieren te verzoenen. Deze verzekerde joden van hun recht op een nationaal thuis, maar benadrukte ook dat de verdwijning of onderwerping van de Arabische bevolking niet werd beoogd en dat de immigratie de opnamecapaciteit niet mocht overstijgen.[199] Die ambivalente boodschap werd door beide groepen met argwaan ontvangen.

Samuel probeerde met diverse wetsvoorstellen joods-Arabische samenwerking in een eenheidsstaat te bewerkstelligen. Zonder Arabische participatie zag hij het mandaat als onwerkbaar. In zijn ogen had de Arabische bevolking daar ook iets bij te winnen: de kans zijn levensstandaard te verhogen. Arabische vertegenwoordigers verwierpen deze voorstellen echter, omdat zij geen inspraak in immigratiezaken kregen en zich ondervertegenwoordigd zagen. Bovendien wilden zij de Balfourverklaring niet de facto erkennen door aan het bestuur deel te nemen.[200] Dientengevolge kwamen er geen instellingen tot stand die de bevolking als geheel vertegenwoordigden. Het bestuur bleef in handen van de hoge commissaris en zijn ambtenaren. Joodse en Palestijnse gemeenschappen ontwikkelden zich geïsoleerd van of in oppositie tot elkaar.[201] Zionisten zagen Arabieren vooral als primitieve inheemsen, die weliswaar een obstakel voor een joods Palestina vormden, maar vanwege hun gebrek aan macht van ondergeschikt belang waren. Ze concentreerden zich op het uitbouwen van hun positie en het bevorderen van joodse immigratie.[202]

Palestijnse notabelen fungeerden als middelaars tussen hun cliëntèle en het Britse bewind. Ze  probeerden hun positie te handhaven door zich aan het gezag te onderwerpen, maar tegelijkertijd voorzichtig weerstand te bieden. Zij waren echter sterk verdeeld tussen rivaliserende clans. De belangrijkste daarvan waren de Nashashibi en al-Husayni families uit Jeruzalem.[203] Zowel de Britten als zionisten speelden op deze Palestijnse zwakte in met een verdeel-en-heers politiek. De traditionele elite had een forse organisatorische achterstand.  De eerste Arabische reactie op het mandaat kwam van islamitische en christelijke verenigingen die zich in 1920 samenvoegden tot het Arabisch Uitvoerend Comité. Deze losse coalitie van notabelen slaagde er niet in om brede steun onder de bevolking te verwerven of formele toegang tot de hoge commissaris te krijgen. In 1934 ging de organisatie samen met zijn president, Musa al-Husayni,  ter ziele.[204]

De opportunistische mufti Amin al-Husayni van Jeruzalem gebruikte zijn religieuze functie om zich tot leider van de Palestijnse Arabische gemeenschap op te werpen. In 1922 werd hij tot president van de Opperste Moslimraad gekozen, verantwoordelijk voor alle islamitische instellingen in Palestina. Hij bouwde een sterk patronagenetwerk op en organiseerde anti-zionistische betogingen, maar wilde de Britse macht niet tezeer tarten in de strijd tegen het zionisme. Hij speelde in op de Palestijnse onvrede, terwijl hij  haar tegelijkertijd temperde tot werkbare grenzen, voor zover dat in zijn macht lag. Ondanks zijn felle retoriek was hij voor Samual en de Britten aanvaardbaar, omdat hij de orde hielp handhaven.[205]

In tegenstelling tot de Arabieren hadden de zionisten officieel toegang tot de Britse autoriteiten, via het in 1929 erkende Joods Agentschap. Dat was in 1921 door de WZO gesticht als het Palestina Uitvoerend Comité. Het functioneerde als schaduwregering van de yishuv (de joodse gemeenschap in Palestina). Er bestond ook een bestuurlijke raad, die uit een joodse nationale vergadering gekozen werd. De belangrijkste maatschappelijke organisatie was de Federatie van Joodse Arbeiders, Histadrut. Als grootste vakbond en werkgever tegelijk had Histadrut enorme invloed op de ideologie en de politiek van de yishuv. [206] Er werd een boycot van Arabische arbeid en producten ingesteld, die gepaard ging met intimidatie van Arabieren en van joden die van hun diensten gebruik maakten. De vakbond had ook de controle over de Haganah, een (gedoogd) ondergronds leger dat geïntegreerd was in de joodse instituties.

In 1930 kwam Mapai voort uit de arbeidersbeweging. Deze socialistisch-egalitaire partij stelde het zionistische belang gelijk aan dat van de arbeiders en domineerde de politiek tot midden jaren ‘70. David Ben-Gurion werd in 1935 partijleider en was tevens voorzitter van het Joods Agentschap. Als zodanig was hij de erkende leider van de yishuv. Mapai had een veel groter politiek draagvlak dan de orthodoxe gemeenschap of de kapitalistische privé-sector.[207]

Het centrale discussiepunt binnen het zionisme werden de territoriale doelen en de wijze waarop deze dienden te worden nagestreefd. De meesten vertrouwden op het Britse mandaat en op de Histadrut. De rechtse ‘revisionisten’, onder aanvoering van Vladimir Jabotinsky, benadrukten daarentegen de rol van de middenklasse en privé-investeringen. Zij stonden een compromisloze aanpak voor: massale immigratie en het onmiddellijk uitroepen van een joods Gemenebest. Hun territoriale ambities reikten tot in Transjordanië. Jabotinsky zag conflict als onvermijdelijk: ‘Kolonisatie kan maar één doel hebben. Voor de Palestijnse Arabieren is dit doel ontoelaatbaar. Dat ligt in de aard der dingen.’[208] Succes was daarom alleen mogelijk achter een voor de lokale bevolking ondoordringbare ‘ijzeren muur’ (van bajonetten, symbool voor militaire kracht). Naarmate hij het vertrouwen in de Britten verloor, richtte Jabotinsky zich steeds meer op Mussolini. Hij hoopte op Italië als nieuwe beschermheer. In Oost-Europa had het revisionisme veel aanhang en werd Jabotinsky object van een fascistoïde persoonsverheerlijking, door de bruinhemden van jeugdbeweging Betar. Revisionisten zetten hun eigen militie op, de Irgun, en splitsten zich in 1935 in vijandschap af van de WZO. De geringe getalssterkte van de beweging werd gecompenseerd met een grote geweldsbereidheid, al boette zij met de dood van Jabotinsky (1940) aan kracht in. Deze voorloper van de Likud-partij bracht twee Israëlische premiers voort die haar radicale lijn hebben voortgezet: Menachem Begin en Yitzhak Shamir.[209]

 

Immigratie en land

 

Een samenvatting van de ontwikkelingen in bevolkingssamenstelling en landbezit is hier op zijn plaats. Deze vormden de drijvende kracht en belangrijkste materiële uitkomst van de zionistische beweging en waren een bepalende factor in de joods-Arabische verhoudingen. De cijfers die door verschillende bronnen gegeven worden, lopen uiteen. De grote lijn is echter duidelijk.

In 1882 maakten joden een kleine 4% van de bevolking uit. In de eerste aliyah van 1882 tot 1903 arriveerden naar schatting 20.000 tot 30.000 joodse immigranten. De tweede aliyah bracht er tussen 1904 en 1914 zo’n 35.000.[210] Vanaf 1882 tot en met 1914 kwamen er overigens meer immigranten naar Palestina dan deze cijfers aangeven: zo’n 100.000. De helft van de aangekomenen vertrok echter al snel.[211] De levensomstandigheden in Palestina waren zwaar en de slagingskans van vestiging was navenant.  In 1914 leefden een geschatte 60.000-85.000[212] joden naast ongeveer 600.000 Arabieren.  De derde en vierde aliyah (1919-1926) bestonden samen uit zo’n 80.000 Oost-Europese immigranten. De tweede helft van de jaren twintig kende weinig immigratie. In 1927 overtrof de uitstroom de instroom.[213]

De vijfde aliyah was het gevolg van de opkomst van het nationaal-socialisme en zij vergrootte tussen 1933 en 1936 de omvang van de yishuv fors, met 170.000 immigranten. De Verenigde Staten  vormden overigens een veruit favoriete bestemming, maar legden immigratiebeperkingen op. Deze politiek werd actief gesteund door zionistische leiders, die daarmee de immigratie naar Palestina wilden bevorderen.[214] Voor de Arabische bevolking versterkte deze plotse aanwas de dreiging van joodse dominantie. Van 1922 tot eind 1936 was het joodse bevolkingsdeel toegenomen van 93.000 tot 382.000 (28% van de bevolking). Het aantal Arabieren groeide van 700.000 tot 983.000.[215]

De verdeling van het schaarse vruchtbare land was gezien de toenemende bevolkingsdruk van het grootste belang. Het JNF zag erop toe dat land aan joden verpacht werd en verschafte kapitaal aan immigranten, die vaak straatarm waren. Aanschaf vond meestal plaats via Arabische grootgrondbezitters. Voorafgaand aan de Britse heerschappij gebeurde dat met Ottomaanse ingezetenen als tussenpersoon voor buitenlandse investeerders.[216] In spaarzaam bevolkte delen van de kuststrook en valleien werden kolonieën gesticht.[217] Veruit de meeste aankopen waren privé-investeringen. In 1914 was slechts 4% joods land in handen van het JNF. Bijna driekwart van de rest was gefinancierd met steun van baron Rothschild. Geldgebrek, sterk stijgende prijzen en Arabisch verzet tegen joodse landaankopen vormden remmende factoren. Tussen 1920 en 1939 verwierven joden 845.198 ha. grond, waarmee het totale joodse landbezit op 1.533.400 ha. kwam. In 1939 was daarmee 5% van het mandaatgebied (10% van het landbouwareaal) joods bezit. Het aantal nederzettingen was van 55 in 1922 gestegen tot 218 in 1939.[218] 

Op Arabische pachtboeren was het effect van de landaankopen ruïnerend. Zij werden meestal van hun land gezet. Een bijkomende grief was terug te voeren op de Ottomaanse landhervormingswetten van 1858 en 1867. Boeren lieten hun land vaak registreren op naam van grootgrondbezitters die de belastingen op zich namen. Door niet op de belastinglijst te komen, voorkwamen zij dat hun zonen voor dienst werden opgeroepen en dat corrupte overheidsdienaren ze konden afpersen. De boerenfamilies gingen er echter vanuit dat hun ‘gewoonterecht’ op het landgebruik in stand bleef. Bij verkoop bleek dat een illusie.[219]

De omstandigheden van kleine zelfstandige Arabische boeren verslechterden ook tijdens het mandaat, doordat de Britten de Ottomaanse betalingen in natura in geld omzetten. Hierdoor werden zij gedwongen zich in de schulden te steken of hun land te verkopen. Een aanzienlijk deel van de Arabische boerenstand verpauperde en hield daarvoor de traditionele notabelen, de Britten en de zionisten verantwoordelijk. Daarbij kwam de dreiging die van de joodse immigratie en het zionistische ideaal uitging.[220] De onvrede en onmacht kwamen in de jaren dertig tot uitbarsting in een grootschalige opstand.

 

Het mandaat ontspoort: de Arabische gemeenschappen in verzet

 

Vanaf 1923 uitte Palestijns verzet zich enkel in kleinere incidenten. In 1929 liep een dispuut over de voor joden en moslims heilige Westelijke Muur in Jeruzalem echter uit op rellen met tientallen slachtoffers.[221] De commissie Shaw werd ingesteld om na te gaan wat de diepere oorzaak van de spanningen was. De conclusie luidde dat de voornaamste conflictbron bestond uit een landloze klasse Arabieren en de angst dat massale immigratie tot een joodse staat zou leiden. In 1930 rondde de Hope-Simpson commissie een tweede onderzoek af, dat de basis vormde van de Passfield White Paper. Daarin werd kritiek geleverd op het weigeren van werk aan Arabieren en werd immigratiebeperking voorgestaan.[222] Premier MacDonald zwichtte echter voor zionistische druk en herriep de beleidsnota, in een brief aan het parlement die bij Arabieren bekend werd als de ‘Zwarte Brief’.[223] De Palestijnse politieke machteloosheid en de grootschalige werkloosheid zorgden voor onvrede met het beleid van de mufti en de Hoogste Moslim Raad. De nieuwe Onafhankelijkheidspartij (Istiqlal) betwiste zijn gezag, echter zonder succes.[224] Zij bestond uit jonge notabelen, die anti-Britse actie en nauwere banden met de Arabische wereld bepleitten.

            In 1936 brak een volksopstand uit tegen het zionisme en het Britse imperialisme, die deels ook tegen de traditionele notabelenkaste gericht was. Er vonden massale demonstraties en gewelddadige botsingen met de Britten en met joden plaats. Verzetscomités riepen op 19 april een algemene staking uit[225], die zou moeten doorgaan tot het installeren van een democratische regering en de inwilliging van eisen voor beperking van immigratie en landaankopen. Onder druk van de bevolking vormden de Arabische leiders het Arabische Hogere Comité onder het presidentschap van de mufti. Het verdeelde leiderschap verenigde zich aldus (christenen en moslims, traditionele notabelen en leden van Istiqlal), maar liep achter de feiten aan die door de rebellie werden gecreëerd.[226] De Britten sloegen de opstand uiteindelijk met harde hand neer. In oktober werd de staking beëindigd, na de dood van meer dan 1.000 Arabieren, 80 joden en 28 Britten.[227]

De commissie Peel ondernam een nieuwe onderzoeksmissie, in reactie op de opstand. Haar rapport uit 1937 concludeerde dat het uitgangspunt van het mandaat onhoudbaar was: er kon geen eenheidsstaat worden gefabriceerd op basis van de Balfourverklaring.[228] De ontbinding van het mandaat in een joodse en een Arabische staat werd aanbevolen, met Jeruzalem en Bethlehem onder Brits gezag. Beide partijen verwierpen het voorstel, hoewel de zionisten twijfelden: Weizmann en Ben-Gurion overwogen de voorgestelde grenzen als ‘springplank’ voor verdere expansie.[229]

Het rapport leidde tot een heropleving van gewelddadig verzet. De ontstane anarchie werd door rivaliserende familieclans benut voor onderlinge moordaanslagen. Vooral de Nashashibi’s moesten het ontgelden, omdat zij in eerste instantie het delingsplan wilden aanvaarden. In de zomer van 1938 hadden boerenrebellen een groot deel van het platteland in handen. Groot-Brittannië ontbond het Hogere Comité. De mufti vluchtte naar Syrië. Om hun gezag te herstellen gebruikten de Britten 20.000 man versterkingen en collectieve straffen (zoals het opblazen van huizen, een door Montgomery uit Ierland geïmporteerde praktijk die sindsdien het gebied niet meer heeft verlaten). Joodse strijders voerden wraakacties uit en beide zijden begingen gruweldaden tegen burgers. In maart 1939 was de ‘Grote Arabische Opstand’ neergeslagen.

De opstand en de dreiging van een wereldoorlog deden Groot-Brittannië naar een beleidswijziging omzien. Nadat een door het Koloniale Ministerie met beide partijen belegde conferentie faalde,  koos de regering voor een oplossing ten koste van de zionisten: een ommezwaai ingegeven door de noodzaak steun van de Arabische wereld te verwerven in de naderende oorlog.[230] De Churchill White Paper van 1939 verklaarde dat de wording van Palestina tot joodse staat géén Brits beleid was. De joodse immigratie werd beperkt tot 75.000 over de volgende 5 jaar, waarna Arabische toestemming voor immigratie vereist zou zijn. De hoge commissaris kreeg de bevoegdheid om in bepaalde gebieden joodse landaankopen te verbieden. Na 10 jaar zou Palestina onafhankelijkheid verkrijgen.[231] Deze verklaring kwam temidden van massale vlucht voor het Derde Rijk en werd door zionisten fel veroordeeld. Arabieren verwierpen hem evenzeer, omdat er geen directe onafhankelijkheid in werd verleend. De Irgun reageerde door aanslagen op de Britten te plegen. Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog bevond de yishuv zich tussen twee vuren. In de woorden van Ben-Gurion: “We zullen met Groot-Brittannië in deze oorlog vechten alsof er geen White Paper was, en we zullen tegen het White Paper vechten alsof er geen oorlog was.”[232]

 

Oorlog en onafhankelijkheid 

 

In Palestina werd met repressief optreden de Arabische politieke activiteit beperkt gehouden. De mufti collaboreerde met het Derde Rijk en berokkende daarmee het Arabische imago enorme schade.[233] Duizenden joodse vrijwilligers vochten daarentegen aan de zijde van de uiteindelijke overwinnaars mee. De Haganah werd door Britse instructeurs getraind voor commandomissies. Tegelijkertijd bereidden zionistische strijders zich voor op een toekomstige confrontatie met de Britten en smokkelden zij immigranten het land in. De ‘Sterngroep’, een radicale splinter van de Irgun, weigerde overigens de strijd te staken en zocht daarentegen contact met de Asmogendheden. Ze werd daarop door Irgun en Haganah aan de Britse politie verraden, die haar leider (Avraham Stern, 1907-1942) doodde.[234] Arabische landeigenaren bleven ondertussen bereid tot verkoop, ondanks de spanningen. Van 1940 tot 1946 verdubbelde het bezit van het JNF.[235]

Het bekend worden van de holocaust gaf het joodse verzet tegen het Britse bewind een ongekende impuls. De zekerheid dat de geallieerden de oorlog zouden gaan winnen en de overtuiging dat voor de na-oorlogse periode van de Britten niets te verwachten viel, leidden tot een hervatting van anti-Britse acties. In 1944 begonnen de Irgun (onder commando van Menachem Begin) en Lehi (opvolger van de Sterngroep)  een terreurcampagne. Er werd wraak genomen voor tragedies zoals die van de Patria en de Struma.[236] Lehi vermoordde lord Moyne, een vriend van Churchill. Deze vergeleek daarop de daders met nazi’s en staakte het debat over een nieuw verdelingsplan en de opschorting van immigratiequota.[237]

Na de Britse beleidswijziging was de zionistische strategie op de VS gericht. Het Amerikaans Zionistisch Congres nam in mei 1942 het Biltmore programma aan. Dat riep op tot onbeperkte immigratie en een joodse staat. Het leiderschap van de zionistische beweging ging in deze periode over van Weizmann naar de militante Ben-Gurion.[238] Tijdens de oorlog groeide de steun voor het zionisme onder Amerikaanse joden sterk. Een opinieonderzoek in 1945 liet 80,1% steun voor een joodse staat onder hen zien.[239] Het zionisme gaf Amerikaanse joden de mogelijkheid om vluchtelingen voor het nazisme te helpen zonder het antisemitisme in eigen land aan te wakkeren.[240] Zionisten hadden goede toegang tot de politiek en konden op een sterke achterban vertrouwen om pressie te leveren. Politici konden met een pro-zionistische houding joodse steun verwerven zonder stemmen te verliezen. Zij hadden terdege rekening te houden met isolationistische en racistische sentimenten, in zoverre zij deze al niet deelden. Het idee van een joodse staat over zee was daar prima mee verenigbaar.[241] Christenfundamentalisten geloofden bovendien dat Palestina door God aan het joodse volk beloofd was. Vanuit de maatschappelijke elite werden organisaties opgericht die de zionistische belangen behartigden. De belangrijkste daarvan was  het Amerikaanse Palestina Comité, een christelijke lobbygroep waar tweederde van de Senaat, 200 leden van het Huis van Afgevaardigden en de partij- en vakbondsleiders deel van uitmaakten.[242] De joodse stem kon in enkele belangrijke kiesdisctricten doorslaggevend zijn. De Republikeinse en Democratische verkiezingsprogramma’s van 1944 steunden de stichting van een ‘Joods Gemenebest’ in Palestina. Het omvangrijke zionistische politieke kapitaal beïnvloedde het buitenlands beleid. President Truman steunde het Biltmore programma. Met het in volle omvang zichtbaar worden van de holocaust ging schuldgevoel een rol spelen bij beslissingen over Palestina.  

In juni 1945 eiste het Joods Agentschap met steun van Truman de onmiddelijke toelating van 100.000 joden. Groot-Brittannië weigerde. In oktober bond de Haganah met sabotageacties de strijd aan. Een combinatie van Amerikaanse druk, negatieve binnenlandse publieke opinie en zionistische aanslagen maakte de Britse positie onhoudbaar.[243] Met het einde van de oorlog en het dekoloniseren van India verloor de ‘hell disaster[244] (Winston Churchill over Palestina) bovendien zijn voornaamste strategische waarde. In februari 1947 nam Groot-Brittannië afstand van het mandaat. De Verenigde Naties bogen zich over de zaak. 

Het United Nations Special Committee on Palestine (UNSCOP) bezocht het gebied en bracht in augustus een rapport uit dat unaniem onafhankelijkheid aanbeval. Over de verwezenlijking daarvan waren de meningen echter verdeeld. Er werden twee adviezen uitgebracht. De meerderheid van de deelnemende landen stelde een joods/Arabische deling voor (met een economisch unieverdrag). Jeruzalem en Bethlehem zouden daarbij een internationale enclave vormen. De minderheid stond een federale staat voor, waarin beide volken volgens een ‘binationale’ formule zouden moeten samenleven.[245]

Doordat het Arabische Hogere Comité UNSCOP boycotte ontbrak het Palestijnen aan inspraak. De Arabische Liga trad op als zaakwaarnemer. Arabische staatshoofden namen een onverzoenlijke ‘anti-imperialistische’ houding in om hun zojuist verworven onafhankelijkheid te demonstreren. Namens de Palestijnen verwierpen zij elk compromis en verklaarden zich bereid militair in te grijpen. Het Arabische standpunt luidde dat Palestina een deel van de Arabische wereld was, dat de bewoners nooit toestemming hadden gegeven voor de vestiging van een joods ‘nationaal thuis’ en dat noch de Britten, noch de Verenigde Naties het recht hadden hun land te vergeven. De Arabieren betaalden naar hun overtuiging de prijs voor westers antisemitisme en schuldgevoel.[246]

De zionisten verwierpen de federale oplossing maar accepteerden deling als absoluut minimum. Een intensieve lobbycampagne zette de Amerikaanse regering onder druk ten gunste van het delingsplan. Deze dwong op zijn beurt enkele lidstaten uit de Derde Wereld ervoor te kiezen.[247] De Algemene Vergadering stemde in november 1947 met een minimale meerderheid in met deling. Resolutie 181 werd aangenomen. Jeruzalem en Bethlehem zouden onder VN-controle komen. De 1.364.330 Palestijnse Arabieren (waaronder 127.000 bedoeïnen) kregen 4.300 km² toegewezen, de 608.230 joden 5.700 km².[248] Deze regeling kende de joodse staat 55% van Palestina toe, terwijl joden 31% van de bevolking uitmaakten en 10% van het land bezaten. Dat voegde een extra grief toe aan het Arabische gevoel van onrechtvaardigheid.[249] Op 4 december volgde een Britse verklaring dat het mandaat op 15 mei 1948 hoe dan ook beëindigd zou worden. Door zich afzijdig te houden bij de implementatie van het plan, verergerde Groot-Brittannië de situatie.

Britse strijdkrachten concentreerden zich op hun terugtrekking en zelfbehoud terwijl er direct een burgeroorlog uitbrak. Deze begon met straatgevechten en Arabische aanvallen op konvooien. In januari laaide met bomaanslagen door Irgun en Lehi een stedelijke terreurstrijd op. Palestijnse wraakacties werden door de Haganah vergolden.[250] Er ontstond een geweldsspiraal met wederzijdse gruweldaden. Aanvankelijk boekten de Arabieren succes en in maart hadden zij veel joods gebied geïsoleerd.[251] De Arabische strijders waren echter gevangen in een ‘web of rivalries and intrigue[252] en niet opgewassen tegen hun tegenstanders.

In april ging de Haganah in het offensief en half mei had zij het aan de joden toegewezen gebied in handen. Na de stille aftocht van de laatste hoge commissaris op 14 mei, verklaarde Ben-Gurion Israël onafhankelijk. De nieuwe staat werd onmiddellijk door beide supermachten erkend. Op 15 mei begon een invasie van Egyptische, Syrische, Transjordaanse, Iraakse, Libanese en Saoedische strijdkrachten. Over de ‘Onafhankelijkheidsoorlog’ die daarmee uitbrak is in het Westen een mythe ontstaan. Het kleine Israël speelt daarin de rol van een moderne ‘David’ die de plotselinge agressie van de Arabische ‘Goliath’ overwint.[253] De oorlog was echter de voortzetting van een langdurig conflict en Israël was de sterkste partij.

Bij aanvang van de strijd beschikten de Arabische legers over zo’n 23.500 man. De parate joodse eenheden telden 29.677 man. Mobilisatie en immigratie vergrootten de mankracht snel. Tegen 30 december bedroeg de joodse sterkte 108.300 man.[254] Daarbij voegden zich zo’n 5.000 joodse vrijwilligers uit het buitenland. Israël had gebrek aan wapens. De uitrusting werd echter verveelvoudigd zodra er havens en vliegvelden beschikbaar waren. Ondanks een wapenembargo konden de Israëli’s munitie, vuurwapens, geschut, tanks en vliegtuigen bemachtigen. Er waren voldoende mensen die met zwaar materieel konden omgaan. De Arabieren hadden door gebrek aan expertise weinig aan hun uitrusting.

De joodse krachten waren verenigd tegen een verdeeld Arabisch front. Op 31 mei gingen de joodse milities op in de Israeli Defence Forces (IDF).[255]  Het Arabische opperbevel ruste in naam bij de Arabische Liga. Van coördinatie was echter geen sprake. De nederlagen van rivalen werden zelfs met genoegen aanschouwd. Leiding, training en motivatie waren beneden peil. De verbindingen waren slecht en de ondermaatse bevoorrading werd belemmerd door vluchtelingenstromen. De goed georganiseerde joodse gelederen telden veel mensen met oorlogservaring, waren sterk gemotiveerd en bekwaam geleid. Hun communicatie- en bevoorradingslijnen waren korter en ze beschikten over een netwerk van gefortificeerde nederzettingen. De Arabische troepen bezaten twee voordelen. Ze spraken dezelfde taal en waren ‘vers’, terwijl de joden al maanden vochten, diverse talen spraken en land en klimaat vaak niet gewend waren.[256]

De enige eenheid die zich met de IDF kon meten was het Arabisch Legioen van Transjordanië, geleid door sir John Bagot Glubb en 45 Britse officieren. Het bracht 4.500 man in het veld uit een totaalsterkte van 6.000.[257] Koning Abdullah had echter een verborgen agenda: hij wilde de Westelijke Jordaanoever aan zijn koninkrijk toevoegen. Hij stuurde het Legioen de oorlog in om het gebied te bezetten, maar had geheime afspraken met het zionistische leiderschap gemaakt, om een serieuze confrontatie te vermijden. In Jeruzalem kwam het desondanks tot zware strijd.[258]

Bij het ingaan van de eerste wapenstilstand op 11 juni waren de Arabische aanvallen overal afgeslagen, met uitzondering van Oost-Jeruzalem. Vervolgens boekten de IDF in verschillende gevechtsrondes grote terreinwinst buiten de grenzen van het delingsplan. In maart 1949 werd de laatste wapenstilstand gesloten. Israël omvatte nu 80% van het voormalige mandaatgebied. Er was geen Arabische staat tot stand gekomen. In de Gazastrook stond Egypte de oprichting van een Palestijnse regering in ballingschap toe (onder leiding van al-Husayni). Deze had echter geen reëel gezag. In 1950 werd  de Westelijke Jordaanoever geannexeerd door wat nu Jordanië ging heten. De verpletterende nederlaag schokte de Arabische wereld en bracht de regimes die eraan hadden deelgenomen in diskrediet. Zij zou als ‘al Naqba’, ‘de Katastrofe’, de Arabische geschiedenisboeken ingaan.

 

Het Palestijnse vluchtelingenprobleem

 

Tijdens de burgeroorlog van december 1947 tot mei 1948 vluchtten zo’n 300.000 Palestijnen. De daaropvolgende oorlog voegde ruim 400.000 ontheemden toe. Over de toedracht is een propagandastrijd ontstaan.[259] Zionisten beweerden dat de vlucht van Arabieren door hun eigen leiders was bevolen, als ‘tijdelijke evacuatie’ in afwachting van de overwinning. Dat werd later de Israëlische verklaring en is algemeen aanvaard in de VS.  Deze claim doorstaat de toets der kritiek echter niet. Er is voornamelijk bewijs van het tegendeel, namelijk oproepen om niet te vluchten. De Arabische eenheden waren juist afhankelijk van de plaatselijke bevolking.[260] De Arabische verklaring luidde dat de enorme omvang van de vluchtelingenstroom te wijten was aan opzettelijke verdrijving. Deze claim blijkt grotendeels correct.

Aanvankelijk waren de vluchtelingenstromen de ‘normale’ reactie van een burgerbevolking op oorlogsdreiging en gevechten. Daarnaast verkozen duizenden een bestaan in een Arabisch land boven dat in een joodse staat.[261] De zionistische politiek-militaire top maakte echter van de gelegenheid gebruik om zoveel mogelijk Palestijnen te verdrijven. In de loop van de oorlog werd het overgrote deel van de Arabische steden en dorpen op het grondgebied van het latere Israël aangevallen of afgesneden van levensvoorziening, waarbij er vluchtcorridors werden opengelaten. Terugkerende vluchtelingen werden geweerd. Het verlaten van hun woonplaats stond daarmee voor Arabieren gelijk aan ballingschap. Achterblijvers in ontvolkte gebieden werden opgepakt en gedeporteerd. Onbeheerde bezittingen werden geplunderd en verwoest.[262]

Op 10 maart werd ‘Plan D’ operationeel, dat diende om het aan de joodse staat toegezegde gebied veilig te stellen en buiten dat gebied gelegen nederzettingen te beschermen, ter voorbereiding op de invasie die na het uitroepen van de onafhankelijkheid verwacht werd. Het gaf toestemming om Arabieren uit veiligheidsoverwegingen te verdrijven en gebouwen te venietigen. Door commandanten werd deze order gebruikt als vrijbrief voor etnische zuiveringen.[263] Bij de grootste actie, tijdens de bezetting van Lydda en Ramleh in juli, werden 50.000 bewoners uitgewezen.[264] Aan het einde van de oorlog waren zo’n 350 dorpen en stadjes ontvolkt en verwoest door de IDF.[265]

Terreur speelde een belangrijke rol. Op 9 april slachtten Irgun en Lehi zo’n 110 tot 250 inwoners van het dorp Deir Yasin af. Dit leidde tot paniek onder de Palestijnse bevolking. De fixatie van Arabische propaganda op joodse wreedheden vormde wellicht een catalysator voor massahysterie. ‘Deir Yasin’ was het startsein voor een massale vlucht van de burgerbevolking en voor het ineenstorten van de Arabische militaire weerstand.[266] Op kleinere schaal vonden vergelijkbare moordpartijen plaats.[267] Luidsprekereenheden van Irgun en Haganah herinnerden Arabische wijken met zogenoemde ‘zwarte propaganda’ aan het voorval.

In de ogen van Ben-Gurion was coëxistentie onmogelijk: ‘(…) de Arabieren kunnen het bestaan van Israël niet accepteren. Degenen die het accepteren zijn niet normaal.’[268] Binnen het leiderschap van de yishuv heerste de consensus dat ‘transfer’ van de Arabische bevolking naar de buurlanden nodig was, om het joodse karakter en de veiligheid van de staat te waarborgen, al was dit standpunt vanuit diplomatieke overwegingen niet het officiële.[269] Josef Weitz, hoofd van het JNF, was voorstander van het verwijderen van de Arabische bevolking en het gebruiken van haar land om er joodse immigranten op te vestigen. Hoewel hiertegen aanvankelijk ferme oppositie bestond, werd dit uiteindelijk het feitelijke beleid, onder de auspiciën van een functionaris die als ‘beheerder van bezittingen van absente personen’ fungeerde.[270] Met de Palestijnse uittocht was de bevolkingsbalans zeer ten gunste van de zionistische zaak veranderd: het Arabische volksdeel in het aan de joodse staat toegekende gebied bedroeg aanvankelijk 47%. De verovering van Palestijnse gebieden buiten die grenzen zou zelfs tot een Arabische meerderheid hebben geleid.[271] Naar het gevoel van de zionisten stond hun voortbestaan op het spel. Zij erkenden de Palestijnen niet als volk, met een eigen band met het land. De Arabieren die Israël bedreigden werden gelijkgesteld aan de nazi’s.[272]

Zo’n 350.000 tot 400.000 vluchtelingen kwamen naar Jordanië. Een derde van hen belandde in kampen. In de Gazastrook kwamen 200.000 mensen terecht, waarvan 60% in 8 vluchtelingenkampen. Nog eens 100.000 vluchtelingen eindigden in Libanon, waarvan 40% in kampen. Syrië telde 60.000 vluchtelingen in kampen rond Damascus. Jordanië was het enige Arabische land dat gevluchte Palestijnen burgerschap verleende, in december 1949. Zij behielden daarnaast hun vluchtelingenstatus, om recht op internationale hulp te houden en aanspraak op repatriëring te kunnen blijven maken.[273] In december 1949 werd de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees (UNRWA) opgericht, die zich tot op heden bezighoudt met de zorg voor Palestijnse vluchtelingen. In 1950 stonden 960.000 vluchtelingen bij UNRWA geregistreerd. In 2002 waren dat er door bevolkingsaanwas ruim 4.000.000.

In Israël bleven zo’n 160.000 Arabieren achter. Velen van hen waren als vluchteling ‘intern verplaatst’. Zij waren geïsoleerd van de Arabische wereld en werden als collaborateurs veroordeeld, terwijl ze in Israël juist als ‘vijfde colonne’ werden beschouwd en aan militair gezag (tot 1966) en landonteigening werden onderworpen. De Nationaliteitswet van 1952 verleende weliswaar burgerschap aan Arabieren die langdurige vestiging in Palestina konden aantonen, maar in de praktijk waren zij tweederangsburgers. [274] Hun welvaartsniveau verveelvoudigde desalniettemin. Vanaf de jaren ‘70 kreeg de Arabische stem enig politiek gewicht, door de opkomst van een moderne elite en de sterke Arabische bevolkingsgroei. Eind jaren ‘90 waren er bijna een miljoen Israëlische Arabieren, die 20% van de bevolking uitmaakten.[275]

 

 

1.3 Voortzetting van het conflict

 

De naoorlogse situatie

 

Met de Israëlische zege was het conflict geenszins beslecht. De Arabische wereld zag Israël als een door het westerse imperialisme geschapen koloniale ‘entiteit’, boycotte het land en eiste de terugkeer van alle vluchtelingen. De VS en de meeste VN-leden drongen eveneens op hun repatriëring aan. Sommige Arabische leiders riepen op tot grensherziening naar het voorheen niet door hen erkende verdelingsplan. Israël verwierp deze eis met het argument dat de oorlog de zaken veranderd had. Het eiste erkenning van zijn bestaansrecht en zag het als een Arabische plicht om de vluchtelingen op te nemen.[276] Het land wees de verantwoordelijkheid voor het creëeren van de vluchtelingenstroom af en daarmee ook die voor een oplossing. Volgens Israël stond terugkeer gelijk aan vernietiging van de joodse staat en diende de vijandschap van Arabische staatshoofden om de aandacht af te leiden van binnenlandse problemen.[277]

            Vredesinitiatieven zoals de VN-conferentie te Lausanne (1949) liepen op niets uit. Discrete Syrische en Egyptische bilaterale ouvertures liepen stuk doordat Israël iedere concessie weigerde.[278] De haalbaarheid van dergelijke toenaderingspogingen was op zich al twijfelachtig gezien de stemming in de Arabische wereld.[279] Het opkomende Arabisch nationalisme cultiveerde haat tegen Israël.[280] Koning Abdullah van Jordanië probeerde in weerwil van fel protest door de Arabische Liga en zijn eigen bevolking vrede te sluiten, maar staakte zijn pogingen toen Israël compromisloos bleek. Een vijfjarig non-agressiepact dat hij daarna voorstelde ontmoette zulke grote Arabische weerstand dat hij het schielijk introk.[281]

Voormalige Palestijnse bezittingen werden gebruikt voor de vestiging van joodse immigranten, waarvan er van 1948 tot 1951 680.000 binnenkwamen.[282] Aldus werd het probleem van hun opvang opgelost en werd een voldongen feit geschapen dat Palestijnse terugkeer in de weg stond. De Wet op de Terugkeer van 1950 gaf joden wereldwijd het recht op Israëlisch staatsburgerschap. Gediscrimineerde Oost-Europese joden maakten daar massaal gebruik van. Tot 1956 verlieten daarnaast 450.000 joden de Arabische landen waar zij na de oorlog zeer vijandig werden bejegend.[283] Israël stelde dat de Arabische staten deze ‘bevolkingsruil’ zouden moeten accepteren door de Palestijnen te assimileren.

            In beide kampen waren er partijen die uit waren op een nieuwe oorlog om het pleit definitief te beslechten. De Arabische wereld wilde de nederlaag ongedaan zien, de IDF wilde beter verdedigbare grenzen (die van 1948 waren bijzonder kwetsbaar). De rechtse Israëlische Herut-partij (de politieke opvolger van de Irgun) onder Menachem Begin riep op tot verovering van de Westelijke Jordaanoever.[284]

            De bestandslijnen vormden een conflicthaard. Confrontaties over de controle van gedemilitariseerde zones werden in 1951 en 1955 na gevechten met respectievelijk Syrië en Egypte in Israëls voordeel beslecht. Het grootste probleem vormde Arabische ‘infiltratie’. De grenzen kenden geen ‘natuurlijk’ verloop. Ze sneden Arabische gemeenschappen van elkaar af en scheidden boeren van hun land. Sociale en economische activiteiten gingen echter door, met ‘illegale grensoverschrijding’ tot gevolg. Van halverwege 1948 tot 1953 probeerden bovendien zo’n 30.000-90.000 Palestijnen zich weer in Israël te vestigen. Strijders (fedayeen ofwel ‘zelfopofferaars’) staken de grens over om joodse doelen aan te vallen of ‘collaborateurs’ te straffen. Berooide vluchtelingen ondernamen strooptochten. Israël probeerde zijn grenzen veilig te stellen met nederzettingen, deportaties, mijnen, hinderlagen, executies en het schieten op mensen in niemandsland.[285]

            Israël hield de Arabische staten verantwoordelijk voor de grensproblemen en vatte ze op als een poging het land te verzwakken voor een nieuwe aanval. Er volgden vergeldingsmaatregelen die op basis van het ‘Ben-Gurionisme’ bewust buitenproportioneel waren. Deze doctrine hield in dat de Arabieren alleen in bedwang konden worden gehouden door voortdurend machtsvertoon. De IDF vielen daarom regelmatig doelen in de buurlanden aan, zelfs bij oefeningen als ‘training met scherpe munitie’. Eenheid 101 (georganiseerd door Ariël Sharon) overviel vluchtelingenkampen en dorpen in de buurlanden, in een poging de grenzen met afschrikking te dichten. Berucht is de nachtraid op het Jordaanse Qibya, waarin 68 burgers omkwamen. Deze politiek voedde de haat en leidde ertoe dat Arabische leiders Israël van expansieplannen verdachten.[286] Er ontstond een wapenwedloop waarbij de supermachten betrokken raakten.

 

De Suez-crisis

 

Tijdens de Koude Oorlog belandde Israël uiteindelijk in het westerse kamp, maar kon niet voorkomen dat ook vele Arabische staten (evenals Iran en Pakistan) als bondgenoten dienden bij het ‘indammen’ van de Sovjets. In 1955 werd daartoe het Baghdad Pact opgericht, een alliantie onder Brits-Amerikaans hoede. De Egyptische president Nasser wierp zich op als ‘pan-Arabisch’ leider, met Arabische eenheid en vrijwaring van buitenlandse inmenging als ideaal. Een Israëlische inval in Gaza in februari 1955 dreef hem tot een agressieve opstelling.[287] Fedayeen-acties kregen Egyptische steun en de Straat van Tiran werd geblokkeerd voor de Israëlische scheepvaart.[288] In september werd een groot bewapeningsakkoord met Tsjechoslowakije gesloten. De aanschaf van Russische wapens vormde een protest tegen het Baghdad Pact, dat volgens Nasser de Arabische wereld verdeelde. In Israëlische ogen vormde deze Egyptische politiek een grote bedreiging.

Frankrijk bewapende Israël in reactie op de door het Baghdad Pact toegenomen Britse invloed in Syrië. Het deelde de vijandschap jegens Nasser, uit afschuw voor zijn rol als ‘Derde Wereldleider’ in Afrika en wegens verdenking van inmenging in de Algerijnse oorlog. Groot-Brittannië en Frankrijk reageerden furieus toen Nasser het Suez-kanaal nationaliseerde, nadat de VS een lening voor de financiering van de Aswan-dam introkken.[289] Er werd samen met Israël een aanvalsplan gevormd. Op 29 oktober 1956 viel Israël de Sinaï binnen. Tussen 5 en 6 november bemachtigde een Brits-Franse expeditiemacht de controle over het Suez-kanaal onder het voorwendsel de strijdende partijen te scheiden. De VS en de USSR veroordeelden dit optreden echter scherp[290] en onder zware Amerikaanse druk ruimden de Britten en Fransen het veld. In 1957 gaf Israël de Sinaï terug. Er werd een VN-buffermacht gestationeerd. Nasser kwam als overwinnaar uit de crisis, ongekend populair in de Arabische wereld. De Israëli’s beschouwden de operatie desondanks als succesvol. De blokkade van de Straat van Tiran was opgeheven en de grens gepacificeerd. In twee dagen tijd was een groot leger van reservisten gemobiliseerd dat indrukwekkend had gepresteerd.[291]

 

De verhoudingen tot 1967

 

In de periode tot 1967 concentreerde Israël zich op zijn economische opbouw, terwijl de Arabische wereld bezig was met een regionale machtsstrijd. In Irak en Syrië vonden meerdere regimewisselingen plaats. Nasser probeerde zonder succes Arabische eenheid tot stand te brengen door een unie met Syrië aan te gaan (de Verenigde Arabische Republiek, 1958-1961) en raakte verstrikt in een burgeroorlog in Jemen.[292] Tussen Syrië en Israël kwam het tot gewapende confrontaties over het gebruik van watervoorraden, Syrische steun aan Palestijnse guerrilla’s en de zeggenschap over gedemilitariseerde zones. Syrië legde het daarbij af. Vanwege een in 1966 gesloten defensiepact legde dit zware druk op Nasser om Syrië te hulp te komen.

            In 1964 richtte de Arabische Liga de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie op (bekend als de PLO, de Palestinian Liberation Organisation), met de Nasser-getrouwe al-Shuqayri aan het hoofd. Deze organisatie werd vooral gecreëerd om de Palestijnse ballingen onder controle te houden achter een ‘activist fascade behind which nothing would occur[293] en zo een onbedoelde oorlog met Israël te vermijden. Ze werd gedomineerd door conservatieve notabelen. Er waren echter Palestijnse groepen die buiten de PLO om ondergronds opereerden. De Arabische Nationale Beweging onder leiding van de christelijke arts George Habash zag Arabische eenheid als voorwaarde voor een overwinning op Israël. De belangrijkste guerrillagroep, Fatah (met Khalil Wazir en Yasser Arafat als sleutelfiguren), meende dat Arabische eenheid geen voorwaarde was voor het verslaan van Israël, maar er juist een gevolg van zou zijn. Fatah streefde angstvallig naar het waarborgen van zijn autonomie.[294] De organisatie begon in 1965 met aanslagen in Israël, die bedoeld waren om Israëlische represailles uit te lokken en daarmee de Arabieren tot oorlog te dwingen. Jordanië was ontstemd over de guerrilla-acties, die vanaf haar grondgebied werden uitgevoerd. Het land onderging Israëlische strafexpedities en deed de PLO in de ban, hetgeen echter niet mocht baten.[295]

 

De Zesdaagse Oorlog

 

Op 13 mei 1967 verstrekte de USSR aan Egypte valse informatie over onwaarschijnlijk grote Israëlische troepenconcentraties aan de Syrische grens. De Sovjets hadden al vaker breed uitgemeten over het gevaar van het westerse imperialisme, waarvan Israël een agressief instrument zou zijn. Ditmaal kwam de boodschap echter temidden van een explosieve situatie. Het wankele Syrische regime probeerde zijn positie te schragen met een confrontatiepolitiek tegenover Israël. De Syrische luchtmacht verging het daarbij echter slecht. Op 6 april hadden Israëlische jagers een spottend zegerondje boven Damascus gemaak, na gevechten boven de gedemilitariseerde zones waarbij 6 Syrische jagers waren neergehaald. Op 12 en 13 mei dreigden Israëlische hoogwaardigheidsbekleders met een grote vergeldingsaanval tegen Syrië als de aanvallen van Fatah zouden doorgaan.[296] Het Russische ‘nieuws’ werd dan ook serieuzer genomen dan waarschijnlijk de bedoeling was.[297] Nasser reageerde door troepen naar de Sinaï te sturen.

De Egyptische stafchef vloog naar Damascus voor militaire cöordinatie, maar er bleek geen spoor te bestaan van een op handen zijnde invasie. Desondanks verzocht Nasser de VN op 16 mei om de Sinaï te verlaten en begonnen Egyptische troepen de bufferzone in te trekken. Het was aanvankelijk Nassers bedoeling dat er wellicht in Sharm el Sheikh (dat de Straat van Tiran beheerst) en zeker in Gaza (met zijn fedayeen) nog VN-troepen zouden achterblijven. De secretaris-generaal van de VN, U Thant, verklaarde echter dat alleen volledige terugtrekking mogelijk was, hetgeen Nasser op 18 mei eiste en op 19 mei een feit was.[298] Israël reageerde door tussen 16 en 20 mei te mobiliseren. Een VN-aanbod om troepen aan de Israëlische kant van de grens te stationeren werd afgewezen. Op 21 mei bezette Egypte Sharm el Sheikh. De volgende dag sloot Nasser de Straat van Tiran voor Israël af: een riskante daad. Bij de teruggave van de Sinaï had Israël aangegeven een blokkade als oorlogsdaad te beschouwen.

Nassers handelingen zijn raadselachtig, aangezien het zijn politiek was om oorlog met Israël te vermijden. Zijn beste troepen zaten vast in Jemen. Hij verwachtte mogelijkerwijs dat de supermachten zouden ingrijpen en achtte zijn leger in staat zich te verdedigen. Egypte had de VS en USSR verzekerd niet als eerste te zullen aanvallen, maar klaar te zijn voor oorlog. De Egyptische leider werd in ieder geval gedreven door zijn verlangen zich als voorvechter van de ‘Arabische zaak’ te profileren. Hij was door Jordanië bespot als een lafaard die zich achter de VN verschuilt en werd van een ‘slappe houding’ beticht door zijn Syrische rivalen.[299] De Egyptische escalatiestappen gingen gepaard met strijdlustige retoriek en leverden enorme bijval in de Arabische wereld op. Nasser verloor wellicht de controle door mislukt ‘brinkmanship’, waarbij de onverwacht snelle en volledige VN-terugtocht een catalysator was.[300] Het is ook mogelijk dat Nasser van de gelegenheid gebruik wilde maken om Eilat terug te winnen, dat na de wapenstilstand van 1949 nog snel door Israël was bezet. Daarmee was de Arabische wereld in tweeën gesneden.[301] Tenslotte is het de vraag in hoeverre Nasser het leger onder controle had. Zijn minister van Defensie loog hem voor over Russische steun voor een oorlog.[302] De troepen die de Sinaï in waren gestuurd, hadden geparadeerd met leuzen over het oprukken naar Tel Aviv.

In Israël heerste het gevoel dat oorlog onvermijdelijk was en dat een ‘tweede holocaust’ dreigde bij een nederlaag. Een spervuur van Arabische propaganda beloofde de vernietiging van de joodse staat. Het kabinet Eshkol stelde op 28 mei een oorlog twee weken uit om de Amerikanen de kans te geven via internationale druk de blokkade op te heffen.[303] Op 30 mei sloten Jordanië en Egypte een verdedigingspact, na een plotseling bezoek van koning Hoessein aan Caïro waarin de onderlinge geschillen terzijde werden geschoven. Onder druk van het leger, dat geen vertrouwen in hem had, vormde Eshkol op 1 juni een regering van nationale eenheid. Moshe Dayan (een oorlogsheld uit 1956) werd tot minister van Defensie benoemd.  Begin werd minister zonder portefeuille. Daarmee werd de ultrarechtse lijn na decennia van uitsluiting door het ‘Arbeiderspartij establishment’ getolereerd. Het ‘oorlogskabinet’ zag een snelle aanval als de beste optie. Israël kon zich een langdurige mobilisatie niet veroorloven en het publiek eiste actie. Aanzet tot handelen werd gegeven door het nieuws op 2 juni dat de Egyptische vice-president, Zakariya Mohieddine, op 7 juni te Washington overleg zou plegen om een vreedzame uitweg te vinden. Nasser zou misschien een diplomatieke overwinning kunnen behalen.[304] Om die mogelijkheid uit te sluiten werd op 4 juni besloten om Egypte aan te vallen. Het hoofd van de Mossad had op 3 juni gerapporteerd dat de VS niet genoeg zouden doen om de blokkade op te heffen, maar een Israëlisch offensief niet zouden afkeuren.[305]

Israël opende op 5 juni de aanval door de Egyptische luchtmacht op de grond te vernietigen. Jordanië werd verzocht zich afzijdig te houden. De Jordaanse artillerie mengde zich echter in de strijd. Met een bevolking die voor tweederde uit Palestijnen bestond had koning Hussein weinig keus. Bovendien loog Egypte over de ‘grote overwinning’ die zojuist in een luchtslag met Israël was behaald. De Jordaanse luchtmacht werd daarop eveneens uitgeschakeld, net als die van Syrië. De IDF veroverden de Gazastrook, de Sinaï, Oost-Jeruzalem en de Westelijke Jordaanoever. Uit vrees voor Russische interventie zette Dayan aanvankelijk geen landstrijdkrachten tegen Syrië in. Hij veranderde echter van gedachten: tussen 9 en 10 juni werd de Golanhoogte veroverd.[306] De Arabische legers hadden meer manschappen en moderner materieel, maar waren geen partij voor de Israëlische strategie, tactiek en training.[307] In het westen leidde de oorlog tot groot enthousiasme voor Israël. De Israëli’s hadden de propagandaoorlog totaal van de Arabieren gewonnen.[308] In de VS leidde Israël’s succes ertoe dat het land als een strategische partner werd gezien. De Amerikaanse wapenleveranties namen sterk toe, om de USSR en de Arabieren af te schrikken.[309]

Egypte hervatte sporadisch vijandelijkheden, waarop de Israëli’s langs het Suez-Kanaal de Bar Lev linie aanlegden. In 1969 begon een door Nasser verklaarde ‘uitputtingsoorlog’, met artillerieduels die de steden langs de waterweg in puin legden, Egyptische commando- en luchtaanvallen en Israëlische luchtlandingen en bombardementen tot diep in Egypte. Russische piloten en adviseurs kwamen de verliezende Egyptenaren te hulp, waarna de balans in Egyptisch voordeel omsloeg. Geen van beide partijen bereikte echter zijn doel: Egypte slaagde er niet in de oostelijke Kanaaloever te herwinnen en het lukte Israël niet Nasser ten val te brengen. In juli 1970 volgde na Amerikaanse bemiddeling een wapenstilstand.[310]

 

De na-oorlogse situatie en de opkomst van de Palestijnse guerrillabewegingen

 

Op de Westelijke Jordaanoever resteerden 670.000 Arabieren; zo’n 120.000 mensen waren gevlucht of verdreven. Op de Golanhoogte bl