| Overspel in de Zuidelijke Nederlanden van de 16de tot de 18de eeuw. (Griet De Vriendt) |
| home | lijst scripties | inhoud |
Mijn thesis gaat over overspel in de Zuidelijke Nederlanden tijdens de Nieuwe Tijd. Waarom koos ik juist voor overspel? Toen ik de lijst met thesisonderwerpen aan het doornemen was trok dit onderwerp onmiddellijk mijn aandacht en nieuwsgierigheid. Ik had er nog nooit iets over gelezen en wou wel eens weten welke houding de mensen uit de Nieuwe Tijd aannamen tegenover overspel. Werd overspel gedoogd of niet? Hoe werd gereageerd tegen de overspeligen? Werden zij al dan niet door de maatschappij uitgesloten? Elke maatschappij heeft namelijk een zedelijke gedragscode. Was overspel dan een overtreding tegen de zeden van de toenmalige samenleving? Een misdrijf tegen het collectief fatsoen en gepastheid? Om hierop een antwoord te kunnen geven is het belangrijk om de mentaliteit van de mensen uit de Moderne Tijd te kennen.
Ook de houding van de Kerk en de wereldlijke overheid tegenover echtbreuk moest onderzocht worden. Was er een samenwerking tussen Kerk en Staat? Welke straffen legden zij op? Waren het zware straffen of niet? Ook de positie van de vrouw boeide mij. Zo vroeg ik mij af of zij dezelfde rechten had en of zij op dezelfde manier werd bestraft voor overspel als de man.
Later dacht ik er ook aan dat ook het huwelijk een belangrijke rol moest spelen. Immers, als het huwelijk niet ernstig werd genomen door de maatschappij dan zou dit ook niet het geval zijn met overspel. Daarom besloot ik om eerst en vooral een goed beeld van het huwelijk in de Nieuwe Tijd te krijgen. Trouwden de mensen uit liefde? Welke rol speelde de Kerk in het huwelijk? Enzovoort…
Op al deze vragen zal ik trachten een antwoord te geven in mijn thesis.
Graag wil ik ook iedereen bedanken die rechtstreeks en onrechtstreeks heeft bijgedragen tot de totstandkoming van mijn verhandeling. Ik dank ook in het bijzonder Prof. Doc. Vanhemelryck voor zijn uitstekende en praktische begeleidig.
ALLAERTS, G. De criminaliteit in het Brusselse gedurende de Franse periode 1795-1811. . Verhandeling voorgelegd tot het behalen van de graad van licentiaat in de Geschiedenis. Leuven, 1983.
Amour et mariage en Europe. Luik, 1976.
ANCHEL, R. Crimes et châtiments au XVIII e siècle, Parijs, 1960.
ART, J. Herders en parochianen: kerkelijkheidgegevens betreffende het Bisdom Gent 1830-1914. Gent, 1979.
BADINTER, E. L’ amour en plus. Histoire de l’ amour maternel, XVIIIe – Xxe sièle. Parijs, 1980.
BAILY, D.S. Sexual relation in Christian Thought. New York, Harper and Brothers, 1959.
BEAUTHIER, R. La répression de l’ adultère en France du XVIème du XVIIIème siècle: de quelques lectures histoire. Gent, 1990.
BECCARIA, C. Over misdaden en straffen. Antwerpen, 1971.
BEDEL, A. Nouveau traité de l’ adultère et des enfants adultérins selon les lois civiles et pénales. Parijs, 1826.
BELL, R. Premarital sex in a changing society. New Jersey, 1966.
BENDER, L.O.P. Kerkelijk recht en wetgeving. Kortrijk, 1939.
BENNECKE, H. Die strafrechterliche Lehre vom Ehebruck in ihrer historisch-dogmatischen Entwicklung. Marmburg, 1884.
BERENTS, D.A. Het werk van de vos: samnleving en criminaliteit in de late middeleeuwen. Zutphen, 1985.
BERGÉ, K. Kerkelijk leven in de landelijke dekenij Deinze (1661-1762). Leuven, 1981.
BEZA, TH. Tractatus de reperdiis et divortiis. Geneve, 1561.
BIÉLER, A. L’ Homme et la femme dan le morale Calviniste: la doctrine réformée sur l’ amour, le mariage, le célibat, le divorce, l’ adultère et la prostitution, considéréé par son cadre historique. Geneve, 1963.
BOCERUS, H. De adulterio et adulteris. Terlingen, 1625.
BODIMUS, H. De jure et erroribus circa divortia. Halle, 1711.
BONFIELD, L. Mariage, property and succession. Berlijn, Duncker und Humblot, 1992 (Comparatieve studies in Continental and Anglo-American legal History, 10).
BOSCH, J.W. Le statut de la femme dans les Anciens Pays-Bas septentrionaux. Recueils de la soc. Jean Bodin. dl. XII. blz. 324-350, Brussel, 1962.
BOURGEOIS, J. Le mariage, coutume saisonnière. Contribution à une étude sociologique de la nuptialité en France. In Population, 1946.
BRISSONIUS, B. Ad legem Julian de adulteriis. Heidelberg, 1664.
BROUWER, H. De Kriminaliteit te Antwerpen in de XVIde eeuw. Verhandeling voorgelegd tot het behalen van de graad van licentiaat in de Geschiedenis. Leuven, 1965.
BRUNDAGE, J.A. Proof in canonical criminal law. In: Continuity and Change, 1996, 11, 3, pg. 329-339.
BRUNDAGE, J.A. Law, Sex and Christian Society in medieval Europe. University of Chicago Press Chicago, 1989.
BRUNNER, H. Deutsche Rechtsgeschichte. Berlijn, 1958.
BULLOUGH, V.L. Sexual variance in society and history. Londen, 1976.
BUNNIUS, E. De divortiis ob adulterium. Oxonië, 1610.
BUNTINX, J. Verkrachting en hulpgeroep in het Oud-Vlaams recht, Handel. der Zuidnederlandse. Maatsch. Voor Taal-Letterk. en Geschied. dl. IX. blz. 15-21. Oudenaarde, 1955.
CALLEWAERT, D. Die Evangelien van den Spinrocke. Een verboden volksboek “zo waar als evangelie”. Kapellen, 1992.
CANNAERT, J. Bijdrage tot de kennis van het oude strafrecht in Vlaanderen. Gent, 1835.
CARLIER, M. Kinderen van de mine? Bastaarden in het vijftiende eeuwse Vlaanderen. Brussel, 2001 (Verhandelingen van de koninklijke Vlaamse academie van België voor wetenschappen en kunsten. Nieuwe Reeks 3).
CASIER, C. Costumes du pays et duché de Brabant. Quartier de Bruxelles ,dl. II Costumes diverses et turbes relatives aux coutumes de Bruxelles. Brussel, 1873.
CASIER, C. Costumes diverses du quartier de Bruxelles, Brussel, 1873.
CASIER, C. Coutumes du pays et duché de Brabant. Quartiers de Louvain et de Trelemont. Brussel, 1874.
CASTELAIN, R. Kinderen en hun opvoeding in de Kasselrij Oudenaarde tijdens het Ancien Régime (1500-1800). Oudenaarde, 1979.
CAUVIERE, J. De la repression de l’ adultère. In: Revue penitiaire, 1905
CHAUVEAU, A. en HELIE, F. L’ adultère. In: Revue des Revues des droit, 1839.
CHESTER, R. Divorce in Europe. Leiden, 1977.
CLOET, M. Het kerkelijk leven in een landelijke dekenij van Vlaanderen tijdens de XVIIde eeuw. Tielt van 1609 tot 1700. Leuven, 1968.
Code du droit canonique. Montréal, 1990.
Code de droit canonique annoté. Cerf/Trady, 1989.
Congrès de la Société Jean Bodin. La femme. Brussel, 1952-1962.
Congrès de la Société Jean Bodin. La ville: le droit privé. Brussel, 1957.
Congrès de la Société Jean Bodin. L’ enfant. Brussel, 1972.
CONVENTS, L. Criminaliteit te Hasselt in de achttiende eeuw. Verhandeling voorgelegd tot het behalen van de graad van licentiaat in de Geschiedenis. Leuven, 1983.
COOREVITS, W. Bijdrage tot de religieuze geschiedenis van de dekenij Waas in de XVIIde eeuw aan de hand van de visitatieverslagen. Verhandeling voorgelegd tot het behalen van de graad van licentiaat in de Geschiedenis. s.n.S.L., 1964.
CUPÂCUIER, e.a. Marriage and remarriage in populations of the past. Londen, 1981.
DE BROUWER, J. De bestraffing bij de overtreding van de kerkelijke wetten gedurende de XVIIde en de XVIIIde eeuw, in het aartbisdom Mechelen en in het bijzonder in het land van Aalst.
DE BROUWER, J. De kerkelijke rechtspraak en haar evolutie in de bisdommen, Antwerpen, Gent en Mechelentussen 1570 en 1795. Tielt, 1971-1972, 2 dln.
DE BUSSER, E. De vrouw in de late Middeleeuwen te Herentals. Verhandeling voorgelegd tot het behalen van de graad van licentiaat in de Geschiedenis. Leuven , 1996-1997.
DE COCK, A. Spreekwoorden en zegswijzen over de vrouwen, de liefde en het huwelijk. Gent, 1911.
DE DAMHOUDERE, J. Praxis rerum criminalium, Antwerpen, 1556.
DE DAMHOUDERE, J. Prachtycke ende handbouck in criminele zaeken, Leuven, Antwerpen, 1555.
DE JONG, J. Handboek der kerkgeschiedenis. Utrecht, 1932.
DE LA FONS M. Les pélerinages expiatoires et judiciares des Pays-Bas méridionaux à St-Jaques de Compostella. Bulletin de la Universidat de Santiago de Compostella, nrs. L-LI, 1948, pg. 1-13.
DE MEYER, G.M. en VAN DEN ELZEN, E.W.F. Het huwelijk van burgers in de late Middeleeuwen. In: Tijdschrift voor sociale geschiedenis, 1988, 14, 1, pg. 1-28.
DE MONTS VERLOREN, S.P.H. Geschiedenis van de wetenschap van het strafrecht en het strafprocesrecht in de Nederlanden voor de codificatie. Amsterdam, 1942.
DE WILDE, B. Criminaliteit in de stad en het land van Dendermonde in de zestiende eeuw: een onderzoek gesteund op de baljuwrekeningen. Verhandeling voorgelegd tot het behalen van de graad van licentiaat in de Geschiedenis. Leuven, 1988.
DE WINTER, K. Het kerkelijk leven in de parochie Westerlo en haar dochterparochie Zoerle, 1559-1789. Westerlo, 1986.
DECALUWE, M. Gerechtelijke huwelijksstrategieën in de late Middeleeuwen. Aanwending door leken van het kerkelijk huwelijksrecht tot eigen voordeel. Verhandeling voorgelegd tot het behalen van de graad van licentiaat in de geschiedenis. Gent, 2000.
DEKKER, R en ROODENBURG, H. Humor in de zeventiende eeuw. Opvoeding, huwelijk en seksualiteit in de moppen van Aernout van Overbeke (1632-1674). In Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, 1984.
DELVA, J. en VAN BEMMELEN, J.M. Predearuzen. De zedenmisdrijven inzake aantasting van het seksuele intigriteit. Vergelijking van het Belgische en het Nederlandse recht inzake de voornaamste zedendelicten. Zwollen, 1967.
DROSSAERT, D. Strafbedevaarten uit Brugge. Bierkorf, dl. XLII, 1936, pg. 1-10.
DUBY, G. Amour et sexualité en Occident. Parijs, Edition du Seuil, 1991.
DUBY, G. en PERROT, M. Histoire des femmes en Occident. Parijs, 1991.
DUFOUR, P. Histoire de la prostitution, 6 dln, Brussel, 1851.
DUPONT, G. Maagdenverleidsters, hoeren en spekulanten. Prostitutie in Brugge tijdens de Bourgondische periode (1385-1515). Brugge, 1996.
ELIAS, H.J. Kerk en Staat in de Zuidelijke Nederlanden onder de regering der aartshertogen Albrecht en Isabella (1598-1621). Antwerpen, 1931.
ELIAS, H.J. L’ église et l’ état: theories et controverses dans les Pays-Bas Catholique au début du XVIIe siècle.
ESMEIN, A. Le mariage en droit canonique, Etudes sur l’ histoire du droit canonique privé. Parijs, 1929-1935 (editie van R. Génestal en J. Dauvillier).
FLANDRIN, J.C. Familles, parenté, maison, sexualité dans l’ ancien société. Parijs, 1976.
FLANDRIN, J.L. Le sexe et l’ occident. Evolution des attitudes et des comportements. Parijs, 1981.
FOUCAULT, M. Histoire de la sexualité. Parijs, 1976-1984.
FOURNEL. Traité de l’ adultère , considéré dans l’ ordre judiciaire. Parijs, 1783.
FRANSEN, A. Gerechtelijke organisatie, strafrecht en criminaliteit in de vier dorpen van de schepenbank van Pelt (ca 1660-1795). Verhandeling voorgelegd tot het behalen van de graad van licentiaat Geschiedenis. Leuven, 1998.
FUCHS, E. Sexual Desire and Love: Origins and History of the Christian Ethic of Sexuality and Marriage. Cambridge, James Clarke & Co, 1983.
GAUDEMENT, J. en SCHOUPPR, J.P. Le droit cannonique: introduction générale et droit matrimonial. Brussel, Story-Scienta, 1991.
GAUDMENT, J. Le mariage en Occident. Les mœurs et le droit. Parijs, 1987.
GAUDMENT, J. Sociétés et mariage. Straatsburg, 1980.
GEETS, H. Het kerkelijk leven in de landsdekenij Mechelen volgens de visitatieverslagen van deken Antonius De Mol (1599-1616). Verhandeling voorgelegd tot het behalen van de graad van licentiaat Geschiedenis. Leuven, 1960.
GEFFKEN. Zur Geschichte der Eheschliessung vor Gratian. 1894.
GILISSEN, J. Historische inleiding tot het recht. Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1981.
GILISSEN, J. Introduction bibliographique à l’ hisoire du droit et à l’ éthnologie juridique. Brussel, Université de Bruxelles, 1963-1988.
GILLIODTS-VAN SEVEREN, L. Coutumes des pays et Comté de Flandre. Quartier d’ Ypres. Brussel, 1908-1914.
GILLIODTS-VAN SEVEREN, L. Coutume de la ville et commune de Roulers. Brussel, 1914.
GODDING, P. Le droit privé dans les Pays-Bas méridionaux du 12e au 18e siècle. Brussel, Académie Royale de Belgique, 1987.
GODDING, PH. La coutume de Bruxelles de 1547, Bull; de la comm.rou. des anc. Lois et ordon. de Belg., dl. XXI. Brussel, 1965, blz. 107-128.
GOODY, J. The Development of the Family and Marriage in Europe. Cambridge University Press, 1988.
GORIS, J.A. Zeden en criminaliteit te Antwerpen in de tweede helft der XIVe eeuw, naar de rekeningen der schouten van 1358 tot 1387. R.B.P.H. dl. V, blz. 871-886, Brussel, 1926.
GOWING, L. Domestic Dangers. Women, Words and Sex in early modern London. Oxford, 1996.
GREILSAMMER, M. Le mariage en pays Flamand: un “fait social total”. In: PREVENIER, W. ed. Marriage and social Mobility in the Late Middle Ages. Mariage et mobilité sociale au bas moyen âge. Handelingen van het colloquium gehouden op 18 april 1988, Gent, 1989, pg. 69-98.
GREVENBRUCH, G. Tractatus de benificiariis, concubinariis eorum que, concubinis. Keulen, 1571.
GRIECO, S. Lichaam, uiterlijk en seksualiteit. In: Geschiedenis van de vrouw. Deel 3. Van renaissance tot de Moderne Tijd. Amsterdam, 1992.
GRIMMER, C. La femme et le bâtard. Amours illégitimes et secrètes dan l’ ancienne France. Parijs, 1983.
GYSSELS, M.C. Het voorechtelijk seksueel gedrag in Vlaanderen (1700-1800). In: Tijdschrift voor sociale geschiedenis, 1984.
HALLEMA, A. De bestraffing van huwelijksontrouw en bestrijding van de prostitutie te Amsterdam in de jaren 1613-1621. Tijdschrift voor strafrecht. dl. LXX. blz. 321-340. Leiden, 1973.
HEIRBAUT,D. Geschiedkundige inleiding tot het privaatrecht. Gent, 1998 (syllabus).
HEKMA, G. en ROODENBURG, N. Soete minne en helsche boosheit: seksuele voorstellingen in Nederland 1300-1850. Nijmegen,1988.
HELLEGERS, W.P.A. Het kanonieke recht en het overspel. Proefschrift, Venlo, 1882.
HELLER, H. W. Ueber die Strafen des Ehebruchs, nach den Begriffen und Gezetzen des alten und neuern Deutschen. Ulm, 1733.
HELMHOLZ, R. The Spirit of classical canon law. Athens-Londen, 1996.
HEYVAERT, C. Vrouwen, eer en geweld in de Kempen (tweede helft 18de eeuw). Verhandeling voorgelegd tot het behalen van de graad van licentiaat in de Geschiedenis. Leuven, 2000.
HOFFMANNUS, B. J. G. Ad legem Juliam de adulteriis coercendis libro singubari. Frankfurt, 1732.
HUDIG, J.C. De criminaliteit der vrouw, Utrecht, 1940.
HUIZING, P. De onontbindbaarheid van het huwelijk in de kerkorde. In: Concilium, 1968, 8, 4, pg. 46-57.
HUUSEN, A. H. Strafrechtspraktijk en criminaliteit in het verleden: een tekening in het grensgebied tussen realistische en sociale geschiedenis. Groniek, blz. 23-29, sept.-okt. 1976.
HUUSEN, A.H. De codificatie van het Nederlandse huwelijksrecht, 1795-1838. Amsterdam, 1975.
HUYS, M. De criminaliteit te Brugge (1770-1790). Verhandeling voorgelegd tot het behalen van de graad van licentiaat in de Geschiedenis. Leuven, 1979.
HUYSMAN, E. Strafprocesrecht, strafrecht en criminaliteit in de heerlijkheid Vogelzang (1750-1795). Verhandeling voorgelegd tot het behalen van de graad van licentiaat in de Geschiedenis. Leuven, 1998.
JOOSTING, J.D.C. en MULLER, S. Bronnen voor de geschiedenis van de kerkelijke rechtspraak in het bisdom Utrecht in de Middeleeuwen. Deel 3: De begrenzing van de rechtspraak door de kerkelijke rechters onderling. Nijhoff’ s – Gravenhagen, s.d.
JOYCE, G.H. Christian marriage: an historical and doctrinal study. Londen, Sherd and Ward, 1948.
KAY, T.H. Competence in Matrimonial Procedure. Washington D.C., Catholic University of American Press, 1929.
KLOSTERMANN, W.E.M. Huwelijkstrouw als publiek belang. Voorgeschiedenis van Augustus’ wetgeving ter beteugeling van echtbreuk. Universitaire pers Leiden, 1988.
KNAPPERT, L. Verloving en huwelijk in vroeger dagen. Amsterdam, 1914.
KUYCKIUS, H. Speculum concubiniariorum. Keulen, 1599.
LAMBRECHT, D. De parochiale synode in het oude bisdom Doornik gesitueerd in de Europese ontwikkeling 11de eeuw-1559. Brussel, 1984.
LANGOHR, M.J. en VAN HOVE, A. Het huwelijk naar kanoniek recht bewerkt voor België, Nederland en Kongo met vergelijkingselementen van burgerlijk recht. Antwerpen, 1947.
LANHERS, Y. Crimes et crimineles au XIVe siècle. Revue historique, jg. 92, dl. CCXL. blz. 325-338, 1968.
LE BRAS, G. Histoire des Institutions et du Droit de l’ Eglise en Occident. Parijs, 1955.
LEFEBVRE-TEILLARD, A. Les officialités à la veille du Concile de Trente. Parijs, 1973.
LEFEBVRE-TEILLARD, A. Règle et réalité dans le droit matrimonial à la fin du Moyen-Age. In: Revue de droit canonique, 1982, 32, pg. 145-155.
LEGROS, R. L’ adultère est-il une cause péremptoire de divorce et de séperation de corps? Ann. Not. Enreg, 1953.
LENAERTS, S. De criminaliteit te Tongeren (1677-1792). Verhandeling voorgelegd tot het behalen van de graad van licentiaat in de geschiedenis. Leuven, 1968.
LEUKER, M.T. en ROODENBURG, H. Die dan hare wijven laten afwegen. Overspel, eer en schande. In: Soete minne en helsche boosheit: seksuele voorstellingen in Nederland 1300-1850. Nijmegen, 1988.
LOOSJES, C. Bijdrage tot de studie van de criminaliteit der vrouw. Haarlem, 1894.
LUYCKX, W. Het godsdienstig leven in de landdekenij Antwerpen 1650-1750. Verhandeling voorgelegd tot het behalen van de graad van licentiaat in de Geschiedenis. Leuven, 1983.
MACFARLANS, A. Marriage and love in England, 1300-1840. Londen, 1986.
MAES, L. TH. Vijf eeuwen stedelijk strafrecht. Bijdrage tot de rechts- en cultuurgeschiedenis der Nederlanden, Antwerpen, 1947.
MAES, L. TH. Costumen van de stad Mechelen: Ontwerpcostumen van 1572. Brussel, 1960.
MAES, L.TH. Les délits de mœurs dans le droit pénal coutumier de Malines. Revue du Nord, dl. XXX, ,1948, pg. 5-26.
MAGHERMAN, H. Criminaliteit in de keure van het land van Waas in de vijftiende en zestiende eeuw: een onderzoek ondersteund op baljuwsrekeningen. Verhandeling voorgelegd tot het behalen van de graad van licentiaat in de Geschiedenis. Leuven, 1997.
MAGNIN, E. Adultère, in: NAZ (R.) (ed.), Dictionnaire du droit Cannonique. Parijs, 1935.
Marriage, Sex and the Family in England 1660-1800. Adultery and the Decline of Marriage. Garland Publishing, Inc. New York en Londen, 1984.
Marriage, Sex and the Family in England 1660-1800. Letters on Love, Marriage, and Adultery. Garland Publishing, Inc. New York en Londen, 1984.
MEERBACHIUS, TH. De jure divorticrum. Jena, 1678.
MESOTTEN, I. Het kerkelijk leven in de parochie Diepenbeek in de 17de en 18de eeuw. Verhandeling voorgelegd voor het behalen van de graad van licentiaat in de Geschiedenis. Leuven, 1981.
MICHAELIS, K. Das abendlandische Eherecht im Ubergang vom spaten Mittelalter zur Neuzeit. In: Nachrichten der Akademie der Wissenschaften in Gottingen, Philologisch Historische Klasse, 1989, 3, pg. 99-141.
MINTEN, H. De criminaliteit te Maaseik 1656-1794. Verhandeling voorgelegd tot het behalen van de graad van licentiaat in de geschiedenis. Leuven, 1976-1977.
MONBALLYU, J. Betrapping op heterdaad bij overspel: een eeuwenoude strafverminderende verschoningsgrond … voor de man: een Brugse casus, 1555. In: Handelingen van het genootschap voor Geschiedenis, Sociéte d’ émulation, 138 (2001),,, 325-334.
MORIN, R. La sanction pénale de l’ adultère. Proefschrift, 1911.
MULLENDERS, J. Le mariage présumé. Rome, Università Gregriana Roma, 1971.
MURSTEIN, B.I. Love, sex and marriage through the ages. New York, 1974.
NAST, A. La répression de l’ adultère. Proefschrift, Parijs, 1908
NELEN, G. Verloving en huwelijk aan de Nederlands-Belgische grens. In: De Spycker, 1969.
NIJPELS, G. Histoire du droit belge. Les ordonnances criminelles de Philippe II de 1570. Brussel, 1856.
NOTE, R. Marginaliteit en criminaliteit in Brabant in de 18de eeuw, op basis van het archief van de drossaard van Brabant. Verhandeling voorgelegd tot het behalen van de graad van licentiaat in de Geschiedenis. Leuven, 1998.
OUTHWAITE, R.B. ed. Marriage and Society: studies in the social history of marriage. Londen, Europa Publications, 1981.
PAGENSTECHER, J. De crimine Majestatis et Adulterii commentatus. Steinfurt, 1604.
PHILIPS, E. Putting Asunder. A history of divorce in Western Society. Cambridge, Cambridge University Press, 1988.
POULLET, E. Histoire du droit pénal dans l’ ancien duché de Brabant.
PRIMS, F. Rechterlijke informatiën uit het Wonderjaar (1566). Bijdrage tot de geschiedenis, dl. XXII, 1931, pg. 1-10.
REVEL, TH. L’ adultère. Parijs, 1861
REYNIER, G. La femme au XVIIe siècle, ses ennemis, ses défendeurs, Parijs, 1933.
ROODENBURG, H. De autobiografie van Isabella de Moerloose. Sex, opvoeding en volksgeloof in de zeventiende eeuw. In: Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, 1983.
ROUSSEL, L. Mariages et divorces. Contribution à une analyse systématique des modèles matrimoniaux. In: Population, 1980.
SCHELTEMA, J. Volksgebruiken der Nederlanders bij het vrijen en trouwen. Utrecht, 1832.
SCHOENAERTS, J. Kerk en gelovigen in de dekenij Waas tijdens de XVIIIde eeuw: bijdrage tot de studie van het kerkelijk leven in het bisdom Gent. Leuven, 1979.
SCHOFIELD, M. Seksueel gedrag van jongeren. Antwerpen-Utrecht, 1965.
SCHOUPPE, J.P. Le droit canonique. Introduction générale et droit matrimonial. Story- Scientia.
SHEEMAN, M. Europian family and canon law, in: Continuity and Change, 6, 1991.
SIMON, S. La procedure criminelle sous l’ ancien régime. Gent, conseil de Marlenes. Bullétin des anciennes lois et ordonnance de Belgique, dl X, 1921, pg. 397-437.
STERK, H. Buitenechtelijke geboorten in Utrecht 1775-1825. Een historisch-demografisch onderzoek. In: Tijdschrift voor sociale geschiedenis, 1987.
STEVENS L. Strafrecht en seksualiteit: de misdrijven inzake aanranding van de eerbaarheid, verkrachting, ontucht, prostitutie, seksreclame, zedenschennis en overspel. Antwerpen, 2002.
STONE, L. The Family, Sex and marriage in England( 1500-1800). Harmondsworth, Penguin Book, 1990.
STONE, L. Uncertain Unions: marriage in England (1660-1753). Oxford, Oxford University Press, 1992.
STORR, A. en KOOMAN, J. Afwijkend seksueel gedrag. Boom, 1968.
STRYKIUS, S. De divortio propter insidias vitae structas. Halle, 1702.
TAYLOR, R.G. De zeden in het verleden. Amsterdam, 1955.
THOINOT, L. Attentats aux Mœurs et perversions du sens genital. Parijs, 1898.
THOMAS, W.C. Het overspel strafrechterlijk beschouwd. Proefschrift, Utrecht, 1877, blz.98.
Trials for Adultery: or, the History of Divorces. Volume 3. Garland Publishing, Inc. New York en Londen, 1985.
Trials for Adultery: or, the History of Divorces. Volume 4. Garland Publishing, Inc. New York en Londen, 1985.
Trials for Adultery: or, the History of Divorces. Volume 5. Garland Publishing, Inc. New York en Londen, 1985.
TROPPANEGER, J. FR. De mitiganda adulterii poena ob denegatum odelitum conjugale. Leipzig, 1713.
VAN APELDOORN, L. J. Geschiedenis van het Nederlandsch huwelijksrecht voor de invoering van de Fransche wetgeving. Amsterdam, 1925.
VAN BEVEREN, L. Vrouwen in Leuven. Verhandeling voorgelegd tot het behalen van de graad van licentiaat in de Geschiedenis. Leuven, 1996.
VANDE PUTTE, J. de criminaliteit in het Kortrijkse 1750-1795. Verhandeling voorgelegd tot het behalen van de graad van licentiaat in de geschiedenis. Leuven, 1981.
VAN DE WIEL, C. Geschiedenis van het kerkelijk recht. Leuven, 1986.
VANDENBERGHE, H. De juridische betekenis van het concubinaat. Leuven, 1970.
VANDENBROEKE, C. Het seksueel gedrag der jongeren in Vlaanderen sinds de late 16de eeuw. In: Bijdragen tot de Geschiedenis, 1979.
VANDENBROEKE, C. Karakteristieken van het huwelijks- en voortplantingsorgaan in Vlaanderen en Brabant, 17de-19de eeuw. In: Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, 1976.
VANDENBROEKE, C. Vrijen en trouwen van de middeleeuwen tot heden: sex, liefde en huwelijk in historisch perspectief. Brussel, Elsevier, 1986.
VANDER HEIJDEN, M. Huwelijk in Holland: stedelijke rechtspraak en kerkelijke tucht 1550-1700. Amsterdam, 1998.
VAN DER MADE, R. La prostitution dans l’ ancien droit Belge. Revue de droit pénal et de criminologie, jg. 29 nr. 8, blz. 763-773, Brussel, 1949.
VAN DER MEEREN, C. De criminaliteit te Nieuwpoort van 1400 tot 1594. . Verhandeling voorgelegd tot het behalen van de graad van licentiaat in de geschiedenis. Leuven, 1997.
VAN DER TANERIJEN, W. Coutumes du pays et duché de Brabant: Boec van der loopender practijken der raitcameren van Brabant. Brussel,1952.
VAN EMDE BOAS, C. Geschiedenis van de seksuele normen. Antwerpen-Nijmegen, 1985.
VAN EUPEN, Th. A. G. (On)ontbindbaarheid van het huwelijk. In: Annalen van het Thijmgenootschap, 1970, 58, 1, pg. 51-90.
VANHEMELRYCK, F. Bijdrage tot de studie van het politieapparaat in het Ancien Régime, Eigen Schoon en de Brabander, jg. LVII, nr 3-4, blz. 89-111, 1974.
VANHEMELRYCK, F. De beul van Brussel en zijn werk (XIVe –XIXe eeuw). Bijdragen voor de Geschiedenis der Nederlanden, dl. XIX, nr 3-4, blz. 181-216. s’ Gravenhage, 1964-1965.
VANHEMELRYCK, F. Het Brabantse strafrecht en zijn toepassing in de praktijk vnl. te Brussel in de Xve eeuw. Tijdschrift voor rechtsgeschiedenis dl. XXXIV, blz. 375-401, Groningen 1966.
VANHEMELRYCK, F. De criminaliteit in de ammanie van Brussel van de Late Middeleeuwen tot het einde van het Ancien Regime (1404-1789). Brussel, 1981.
VANHEMELRYCK, F. Misdaad en straf. Recent onderzoek naar de geschiedenis der criminaliteit, Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden, deel 93, afl. 2, blz. 177-206, 1978.
ANHEMELRYCK, F. Misdrijven in Brabant voor de kerkelijke en wereldlijke rechter in de Nieuwe Tijd. In: Aspecten van de kerkelijke geschiedenis van het hertogdom Brabant. Brussel, 2002.
VAN HILLE, W. Le droit des gens mariés en Flandre à la fin de l’ Ancien Régime. Parijs, 1930.
VAN HOUDT, T. Mentaliteitsgeschiedenis van de Grieks-Romeinse oudheid. Syllabus. Leuven.
VAN LEUVEN, A. De geschiedenis van de beul van Brugge (1500-1863). Verhandeling voorgelegd tot het behalen van de graad van licentiaat in de geschiedenis. Leuven, 2003.
VAN ROMPAEY, J. Het compositierecht in Vlaanderen van de veertiende tot de achttiende eeuw, in:Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis, XXIX, 1961.
VAN ROMPAEY, J. Het grafelijk baljuwsambt in Vlaanderen tijdens de Boergondische periode. Brussel. 1967.
VAN SLOBBE, J.F. Zedenmisdrijven voorheen en thans strafbepalingen. Frequentie. Tijdschrift voor strafrecht, dln. L,1941, pg. 270-306 en LI, 1942 pg. 45-73.
VAN USSEL, J.M.W. Geschiedenis van het seksuele probleem, Boom, 1977.
VAN UYTVEN, R. De ledige vrouwen van de middeleeuwen. In: Van Badhuis tot Eroscentrum. Prostitutie en Vrouwenhandel van de middeleeuwen tot heden. Dossier van de gelijknamige tentoonstelling in het ARA, p. 11-21.
VAN VEEN, P.A.F. en VAN DER SIJS, N. Ethymologisch woordenboek, de herkomst van onze woorde,. Utrecht, 1997.
VERBRUGGEN, I. Het clandestiene huwelijk als basis voor het omzeilen van de onontbindbaarheid van het Middeleeuws huwelijk: de zelfechtscheiding tijdens de 15de eeuw in de Zuidelijke Nederlanden. Verhandeling voorgelegd tot het behalen van de graad van licentiaat in de geschiedenis. Gent, 2001.
VERDURMEN, E. Bemind en bedrogen. Overspel in de Zuidelijke Nederlanden tijdens de 15de eeuw. Verhandeling voorgelegd tot het behalen van de graad van licentiaat in de Geschiedenis. Gent,
VERDURMEN, I. Het huwelijk op de klippen: scheiding van tafel en bed. Het initiatief van de vrouw in de Zuidelijke Nederlanden tijdens de late Middeleeuwen. Verhandeling voorgelegd tot het behalen van de graad van licentiaat in de geschiedenis. Gent, 1999.
VERSTEGEN, R. Beginselen van Romeins privaatrecht. Leuven, 1978.
VINCK, L. De criminaliteit te Turnhout (1700-1789). Verhandeling voorgelegd tot het behalen van de graad van licentiaat in de geschiedenis. Leuven, 1976-1977.
VLEESCHOUWERS, M en VAN MELKEBEEK, M. Classical Canon La won Marriage. The Making and Breaking of Households. In: CARLIER (M) & SOENS T.) The Household in Late Medieval Cities, Italy and Northwestern Europe Compared. Leuven, 2000.
VLEESCHOUWERS, M. en VAN MELKEBEEK, M. Huwelijk en buitenechtelijke verhoudingen te Brussel in de vijftiende eeuw. In: Tijdschrift van de Belgische Federatie van Vrouwelijke Universitair-Gediplomeerden v.z.w., 1978.
VLEESCHOUWERS, M. en VAN MELKEBEEK, M. Huwelijkspraktijk in het aartsdiaconaat Doornik (1446-1448). In: Handelingen van het XLVe Congres van de Federatie van Kringen voor Oudheidkunde en Geschiedenis van België. Congres de Comines, 28-31/8/1980, Komen, p. 385-393.
VOET, J. Commentarius in Pandictas. Lib. XXV, tit. VII, p. 361.
VOORDA, B. De criminele ordonnanties van Filips van Spanje, Leiden, 1792.
WAELKENS, L. Civium Causa. Handboek Romeins Recht. Leuven, 2003.
WIELANT, P. Practijcke Criminel, Gent, 1872
ZANCHIUS, H. de divortio et variis post divortium nuptiis, Geneve, 1617.
ZEITFOPF, J. Tractatus juridurus de jure occidenti prohensum in adulterio, quatenus patri et marito competit, Leipzig, 1667.
ZWAAN, T. en BRINKREVE, C. Familie, huwelijk en gezin in West-Europa van middeleeuwen tot moderne tijd. Amsterdam, Boom, 1993.
Mijn thesis behandelt overspel in de Zuidelijke Nederlanden van de 16de tot de 18de eeuw. Seksualiteit is een aspect van het leven dat de mensen altijd al geïntrigeerd heeft. De man en de vrouw beleefden ieder op hun eigen manier hun seksualiteit.
Mijn onderzoek sluit zich aan bij deze studies over de seksualiteit maar legt zich toe op één bepaald aspect, namelijk overspel. De doelstelling van dit onderzoek is aan te tonen hoe de kerkelijke en wereldlijke instellingen en dus ook de samenleving in de Moderne Tijd tegenover overspel stonden.
Ik heb voor mijn onderzoek verschillende bronnen doorgenomen. Vooral de kerkelijke instellingen hebben aanleiding gegeven tot een ontzaglijk bronnenmateriaal. Zo heb ik de uitgegeven documenten van de officialiteiten van de bisdommen Antwerpen, Gent en Mechelen-Brabant doorgenomen. Deze documenten gaven een goed beeld van de werking van de kerkelijke rechtbanken en hun bevoegdheden. Hun bevoegdheden strekten zich wat personen betreft uit tot geestelijken die voor de kerkelijke rechtbank moesten komen. Wat de materie betreft behandelden zij bepaalde religieuze misdrijven zoals vormen van godslastering, ketterij en ook overspel. Uit deze documenten kunnen we heel goed zien welke straffen de schuldigen aan overspel opgelegd kregen en of er een evolutie in de bestraffing kan gezien worden.
Ik heb ook normatieve bronnen, zoals ordonnanties en costuimen doorgenomen. Ordonnanties waren een middel om het centrale gezag te bevorderen. Costuimen of gewoonten waren het geheel van gebruiken van juridische aard die een bindende kracht hadden. Vooral bij het doornemen van de costuimen heb ik informatie gevonden. Zo waren er de “Coutumes des pays et duché de Brabant. Quartiers de Louvain et Tirlemont» uitgegeven door CASIER. Hier heb ik de nodige informatie over bastaardkinderen gevonden. Ook in de “Costumen van de stad Mechelen” gepubliceerd door L. T. MAES en de “ Coutumes de la ville et commune de Roulers” uitgegeven door GILLIODTS-VAN SEVEREN heb ik belangrijke informatie over echtbreuk gevonden.
Ook in de literatuur is heel wat informatie omtrent overspel te vinden. Zo heb ik de boeken doorgenomen van WIELANT en DE DAMHOUDERE. Dit waren twee criminalisten wiens boeken handelen over de rechtsproblemen in het begin van de Nieuwe Tijd. Van WIELANT heb ik de “Practyke criminele” en de “Practyke civile”doorgenomen. Het eerste boek is een uiteenzetting van het Vlaams strafrecht en de Vlaamse strafvordering. In het tweede boek wordt de burgerlijke rechtspleging weergeven. Vooral door “Practyke criminele” kreeg ik een goed beeld hoe overspel in de Moderne Tijd werd bestraft. Tevens vernam ik ook wat de rechten van de bedrogen man waren of van de vader van de overspelige vrouw. Ook modern rechtshistorici hebben overspel in hun werken behandeld. Zo is er van hem“ Vijf eeuwen stedelijk strafrecht. Bijdrage tot de rechts- en cultuurgeschiedenis der Nederlanden”. Hierin wordt duidelijk gemaakt dat er verschillende graden van overspel zijn en welke straffen op elke graad staan.
Een heel belangrijk boek was dat van BAUTHIER: «La répression de l’ adultère en France du XVIème du XVIIIème siècle: de quelques lectures histoire». Dit boek geeft weer hoe overspel in Frankrijk tijdens de Nieuwe Tijd door de wereldlijke rechters en maatschappij werd behandelt. Er wordt ook constant verwezen naar werken zoals “Traité de l’ adultère” van FOURNEL. Ik heb dit boek vergeleken met de “Practyke criminele” van WIELANT om zo de verschillen en gelijkenissen te vinden tussen het Franse en Vlaamse rechtssysteem.
Verder heb ik ook boeken doorgenomen waarin de mentaliteitsgeschiedenis van de mensen van het Ancien Régime wordt weergegeven: “Vrijen en trouwen van de Middeleeuwen tot heden” van Vandenbroeke is hier een mooi voorbeeld van. Ook het boek van CALLEWAERT” “Die evangelien vanden spinrocke. Een verboden volksboek zo waar als evangelie” hoort in dit rijtje thuis.
Wat de indeling van de verhandeling betreft ben ik als volgt te werk gegaan: Eerst wordt het huwelijk tijdens de late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd behandeld. In het hoofdstuk “Het huwelijk in de late Middeleeuwen” zal uitgelegd worden hoe het huwelijk langzaam maar zeker een zaak voor de Kerk werd en dat zij vaste regels oplegde aangaande het huwelijk. In het hoofdstuk “Het huwelijk in de Nieuwe Tijd” wordt uiteengezet welke gevolgen de Reformatie en Contrareformatie op het huwelijk hadden.
Vermits het huwelijk door de Kerk als een sacrament gezien werd viel ook overspel onder de bevoegdheid van de Kerk. Als gevolg hiervan werd overspel behandeld door de Kerkelijke rechtbanken of officialiteiten. Daarom zal getracht worden een overzicht te geven van deze instellingen en de procedure die gehanteerd werd door de Kerk. Ik zal ook dieper ingaan op de straffen die de Kerk de overspeligen oplegde. Welke straffen kregen zij? Werden ze zwaar gestraft en waren deze straffen doeltreffend?
Ook de houding van de wereldlijke macht tegenover overspel zal onderzocht worden. De wereldlijke instellingen die zich met echtbreuk bezig hielden zullen weergegeven worden alsook de procedure. Er zal ook nagegaan worden of de wereldlijke macht een mildere of een strengere houding aannam tegenover overspel dan de Kerk en welke straffen de overspeligen kregen.
Verdere vragen die we kunnen stellen: Waren er verschillende graden van overspel? Werd de ontrouwe vrouw anders behandeld dan de ontrouwe man? Welke rechten had de bedrogen man? Mocht de vader van de ontrouwe dochter ingrijpen? Mocht de moeder ingrijpen? Er zal geprobeerd worden om op al deze vragen een antwoord te geven in het vijfde hoofdstuk.
Er wordt ook een hoofdstuk gewijd aan overspelige kinderen. Hierin zal geprobeerd worden om weer te geven welke rechten deze kinderen hadden en of zij al dan niet gediscrimineerd werden.
Het laatste hoofdstuk tenslotte zal handelen over concubinaat. Concubinaat wordt hier behandeld omdat het door de Kerk ook als een buitenechtelijke verhouding werd gezien. Er zal uitgelegd worden wat concubinaat juist is en welke straffen hierop stonden.
4.Etymologie van het woord overspel
Als een man, hij zij gehouwet oft ongehouwet, lichamelijc bekent een gehouwet wijf, ende al bekent een gehouwet man een ongehouwet wijf, hij committeert adulterie, want hij berlect zijn wittich wijf, ende desgelijcx wederommen, bekent een gehouwet wijf eenen ongehouden man, zij committeert adulterie, want zij berlect hueren getrouden man.[1]
Overspel wordt algemeen beschouwd als de fysieke huwelijksontrouw. Het is een aanslag op het huwelijk.
Het overspel, als aanslag op het huwelijk, is ook een aanslag op het maatschappelijk leven. Het kan beschouwd worden als een zedenmisdrijf.
Als zedendelict is overspel, naast ontucht en prostitutie, één van de misdrijven waaronder ongeoorloofde geslachtsbetrekkingen kunnen gerangschikt worden. Namelijk de geslachtsgemeenschap van een persoon wiens huwelijk niet ontbonden is, met een ander persoon dan de echtgenoot.
Vanwaar komt het woord overspel dan? Er bestaan verschillende meningen over de etymologie van het woord adulteriom en adultère. Volgens de ene zou het woord een contractie zijn van ad alteram of nog van ad alteras ire.
Anderen menen dat de contractie ontstaan is uit ad uterum of uit de bepaling ad alterum thorum vel uterum accessio.
Nog anderen menen dat het woord uit het oud-Franse werkwoord avontire zou ontstaan zijn. Dit betekende zoveel als «crime de celui qui viole la foi conjugale».
Sommigen zijn van mening dat het woord adultère komt van adulterare. Dit betekent dan ‘rendre autre, falsifier’ of ‘ corrompre une femme mariée’.
Het Nederlandse overspel is al even onduidelijk in zijn etymologie. Volgens sommigen komt het voor onder de vormen averspil, overspil, overspiel, overspele en in het middelhoogduits überspil. Dit zou betekenen: onmatigheid in het spelen. Men denkt hierbij dan onmiddellijk aan het gekende minnespel.
Het Duitse woord Ehebruch vereist geen verdere uitleg en is van geen nut voor de etymologische verklaring van het woord overspel, terwijl het Engelse adultery verklaard wordt zoals zijn Franse tegenhanger adultère.
Hoe dan ook, het woord overspel heeft in de gewone omgangstaal de betekenis van echtbreuk, onverschillig welke echtgenoot zich er schuldig aan maakt.
Het woord echtbreuk zou hiervoor beter passen maar het woord overspel is het meest gebruikelijk geweest.[2]
5.Het huwelijk in de late Middeleeuwen.
5.1.Van in het begin: Het Romeinse huwelijk
Het Romeinse huwelijk lijkt op het eerste gezicht een vertrouwde instelling. Het was een monogame verbintenis tussen man en vrouw die gebaseerd was op wederzijdse toestemming.[3] Het rechtstreekse doel van het huwelijk was gericht op het verwekken van het nageslacht.[4] De druk die op de echtlieden lag was zwaar want als zij kinderloos bleven dreigden allebei hun families uit te sterven.[5]
Toch is het Romeinse huwelijk voor ons moeilijk te vatten. Het Romeinse huwelijk was immers geen rechtsaangelegenheid maar een privézaak en een sociale gebeurtenis. Als twee mensen beslisten verder door het leven te gaan als man en vrouw dan waren ze ook man en vrouw. Er kwam helemaal geen staatsambtenaar aan te pas. De inbreng van de staat was enkel te merken op het formuleren van een aantal restricties: bepaalde groepen van burgers konden geen rechtsgeldig huwelijk afsluiten. Alleen vrije personen in het bezit van het Romeins burgerrecht konden dit doen en men moest ervoor zorgen dat wettige kinderen als lid van de familia onder de patria potestas vielen en volwaardige Romeinse burgers werden.[6] Het huwelijk was trouwens ook vaak een politieke aangelegenheid en dus geen zaak van twee individuen. Via een huwelijk gingen twee gezinnen een alliantie met elkaar aan die niet alleen gericht was om de naam en het vermogen van de familie te bestendigen maar ook tot doel had het eigen netwerk van verwanten en vrienden uit te werken. Via een huwelijk verzekerde men zich van de steun van personen die buiten de eigen familiekring stonden. Werd de relatie om politiek-strategische redenen aangegaan dan kon het huwelijk om dezelfde redenen ook weer ongedaan worden gemaakt.[7] Bij een huwelijk cum manu werd de dochter volledig overgeleverd aan de macht en bescherming maar toch ook de willekeur van haar man. Vervulde de vrouw haar taak naar behoren dan ontving ze van hem alle respect. Zij was zijn werkinstrument en zij moest onderdanig en gehoorzaam zijn. De man was de natuurlijke leider van het duo. In een huwelijk cum-manu werd zij berecht door haar man en zijn familie. Door de opkomst van de manus-vrije huwelijken zien we dat de vrouw onder het gezag blijft van haar vader. Dit was een antwoord van de vaders op de onaantastbare, heersende en leidende positie van de man die tot misbruiken zou kunnen leiden. De sterke opkomst van de manus-vrije huwelijken had ook gevolgen voor de relatie tussen echtgenoot en echtgenote. De positie van de echtgenoot werd hierdoor verzwakt.[8] De vrouw had het recht om te scheiden, net als haar man en zij beschikte over een vrij grote zelfstandigheid zeker als haar vader overleden was. De man kon op drie verschillende manieren de manus over zijn vrouw verwerven. De meest voorkomende vorm was de “confarreatio”. Deze werd voltrokken in het bijzijn van twee belangrijke priesters en tien getuigen. Bij de tweede mogelijkheid werd de vrouw in aanwezigheid van vijf getuigen verkocht. Eerst gebeurde dit voor een reële, later voor een symbolische prijs. Een derde manier bestond uit de gewoonte: wanneer een vrouw een jaar lang ononderbroken met haar man in een geldig huwelijk leefde kwam zij in zijn manus.
Maar wanneer kunnen we spreken van een wettig huwelijk? We hebben te maken met een wettig en rechtsgeldig huwelijk als: zowel de man als de vrouw geslachtrijp zijn, als beiden hun toestemming hebben gegeven in het geval ze niet aan de vaderlijke macht onderworpen zijn en ook als de ouders akkoord gaan indien de betrokkenen aan de vaderlijke macht onderworpen zijn.[9]
Na de huwelijkssluiting was ook de echtscheiding in de Oudheid een zuivere privé-aangelegenheid. Zodra de partners niet meer bereid waren om samen te leven moest de man en later ook de vrouw, de partner schriftelijk of mondeling laten weten dat het huwelijk beëindigd was.[10]
Zoals gezegd was het doel van het Romeinse huwelijk de procreatie. Hiervoor was monogaam gedrag van de vrouw vereist en overspel dus ontoelaatbaar. Immers, als de vrouw zich niet strikt monogaam gedroeg en zich dus overgaf aan overspel was de afkomst van de kroost onbetrouwbaar. Overspelige kinderen zouden namelijk geen gehoor vinden bij hun voorouders.[11] Als het buitenechtelijk verkeer van de vrouw dan ook nog een permanente fysieke bezoedeling van het lichaam betekende werd zij voor de toekomst ook nog eens gediskwalificeerd als echtgenote. De man daarentegen schond zijn huwelijk niet door zich schuldig te maken aan buitenechtelijk verkeer. Monogaam gedrag van zijn kant was niet nodig voor de procreatie. Het was niet van belang of een buitenechtelijke verhouding van de man zijn kant tot zwangerschap leidde aangezien de kinderen altijd de status van de moeder kregen.
Een eenzijdige verplichting tot monogaam gedrag van de vrouw binnen het huwelijk werd dus gelegitimeerd door het doel van het huwelijk: procreatie voor het verder zetten van het geslacht.
Er werd dus een groot belang gehecht aan de huwelijkstrouw van de vrouw. De berechting van overspel nam de vorm aan van de huisrechtspraak. Dit was een gevolg van de traditionele gezagsverhoudingen die gebaseerd waren op de manus en potestas en de dominante positie van de familieverbanden. De berechting maakte wel een onderscheid tussen verkrachting en echtbreuk. Wanneer de overspelige vrouw op heterdaad betrapt werd kon zij eigenhandig gedood worden door haar vader of echtgenoot.[12] De “Lex Julia de adulteriis coercendis” liet toe dat een vader zijn overspelige dochter en haar medeplichtige doodde wanneer hij hen op heterdaad betrapte. Voorwaarden waren wel dat de dochter nog onder het gezag van haar vader moest staan, dat de betrapping op overspel in zijn huis of dat van zijn schoonzoon plaatsvond en dat de vader niet alleen de medeplichtige maar ook zijn dochter doodde. Het recht dat de vader had om zijn dochter te doden vond zijn grondslag in de hevige verontwaardiging of woede die de vader overvielen en er toe leidde dat hij de controle over zijn daden verloor toen hij zijn dochter op heterdaad betrapte. Wanneer de vader enkel de medeplichtige doodde en niet de dochter was er volgens het Romeinse recht geen sprake van een onberedeneerde woede. In dat geval viel de vader onder de toepassing van de “Lex Cornelia de sicariis” die de doodslag berechtte.
De echtgenoot die zijn vrouw op echtbreuk betrapte had niet altijd het recht om haar te doden. Dit werd verklaard door het feit dat de vaderlijke liefde en genegenheid tegenover zijn dochter belette dat hij te vlug zou ontsporen terwijl op de impulsiviteit van de echtgenoot geen enkele rem stond. Als de man zijn vrouw toch doodde kreeg hij hier een mildere straf voor in plaats van de gewone straf voor doodslag. Die strafvermindering kwam er omdat men ervan uitging dat ook de echtgenoot in een vlaag van woede en verbijstering reageerde. De straf die de man kreeg was eeuwige dwangarbeid indien hij van lagere afkomst was. Was hij van eerbiedwaardige afkomst dan volstond de verbanning naar een eiland.
Tijdens de regeerperiode van Augustus zien we dat de man wel het recht had om de medeplichtige en zijn overspelige echtgenoot te doden. Maar dan wel enkel als de medeplichtige van minderwaardige afkomst was. Hieronder verstaat men: een man van lichte zeden, een slaaf, een vrijgelatene of een strafrechterlijke veroordeelde.
Justinianus versterkte de maritale macht door straffeloosheid te verzekeren wanneer de echtgenoot een man doodsloeg die hij aantrof in zijn woning en die hij, omdat hij hem ervan verdacht overspel met zijn vrouw te plegen, reeds tot driemaal toe schriftelijk had aangemaand om uit de buurt van zijn vrouw te blijven.[13]
Toch is het twijfelachtig of overspel van de man geaccepteerd werd. Overspel van de man zou een ernstig vergrijp betekenen tegenover derden zoals de vader en/of echtgenoot van de betrokken vrouw en andere aanverwanten.[14]
5.2.Kerk neemt initiatief over van de wereldlijke macht
Tot de 10de eeuw was het huwelijk nog een zaak van de wereldlijke overheid. De Kerk had enkel een disciplinaire macht op dit gebied.[15] Zij had het om verschillende redenen moeilijk om greep te krijgen op de feitelijke gang van zaken bij huwelijksaangelegenheden. Theologische onenigheden en tegenstrijdige rechterlijke uitspraken waren weinig bevorderlijk voor het kerkelijk gezag. De Kerk moest ook opboksen tegen de oeroude traditie van het Germaanse gewoonterecht dat veel meer overeen kwam met de belangen en behoeften van de mensen. Bovendien had de Kerk de middelen niet om zeggenschap uit te oefenen op een voorgenomen huwelijk. De Kerk had het moeilijk met het vrije seksuele verkeer dat in de middeleeuwen heerste. Zo klaagde Bonifatius in de 8ste eeuw dat de Engelsen “het huwelijk ten enen male verfoeien” en “ten enenmale weigeren wettige vrouwen te kiezen en voortgaan met leven in geilheid en overspel, als hinnikende paarden en balkende ezels…”[16] Vanaf de tiende eeuw maar vooral vanaf de 12de eeuw zien we dat canonisten en theologen een sluitend juridisch geheel op huwelijksgebied uitbouwen. In de loop der eeuwen manoeuvreerde de Kerk langzaam en geduldig om haar inzichten te kunnen opleggen. Zij moest geduldig zijn, niet in het minst omdat zij soms door haar eigen uitspraken in de wielen werd gereden. Vanaf 1215, met het concilie van Lateranen, heeft de Kerk een eerste stap gezet op weg naar meer daadwerkelijke invloed op de huwelijkssluiting. Deze eerste stap was de priester een functie te geven bij het huwelijksfeest: hij zegende het bed of de slaapkamer. Een volgende stap betrof de inzegening van het bruidspaar: eerst bij het echtpaar thuis, daarna in het kerkportaal en tenslotte in het koor van de kerk.[17]
De Kerk stelde meer en meer regels vast aangaande het huwelijk. Deze regels behandelden vooral de huwelijksbeletselen en de huwelijksontbinding. Een huwelijksbeletsel kunnen we het best omschrijven als een omstandigheid die het aangaan van een geldig huwelijk belet wegens goddelijke of menselijke wet. We vinden bij de beletselen een drievoudige grondslag. Ten eerste verzet de natuur zich zelf tegen sommige huwelijken. Ten tweede kunnen allerlei redenen van biologische zedelijke en maatschappelijke aard de oorzaak zijn dat een huwelijk ongewenst is. En ten derde golden voor de Kerk ook bepaalde godsdienstige redenen zodat ze er een beletsel in ziet voor een huwelijk.[18] De beletselen waren: te jonge leeftijd, niet overeenstemmende godsdiensten, impotentie, een al bestaand huwelijk, een kuisheidsgelofte, natuurlijke bloedverwantschap tot in de 4e canonieke graad, aanverwantschap en spiritueel verwantschap.[19] Geleidelijk aan zien we dat de Kerk haar invloed uitbreidde en zij probeerde haar beginselen door de wereldlijke wetgever te laten erkennen. Dit is haar in vele opzichten gelukt. De Kerk slaagde er beetje bij beetje in haar recht en rechtspraak boven het wereldlijke recht en rechtspraak te stellen.
Wat was de reactie van de wereldlijke overheid hierop? Omtrent de huwelijksbeletselen en huwelijksontbinding heeft zij de wetgevende bevoegdheid aan de Kerk overgelaten. Van deze materies onthield de wereldlijke rechtspraak zich dus. Dit nam niet weg dat de wereldlijke overheid geen enkel voorschrift meer omtrent het huwelijk uitvaardigde. Deze voorschriften waren echter niet bedoeld om nieuwe normen voor het huwelijk te stellen, zoals de Kerk deed, maar gingen enkel over de uitvoering van deze normen. Het waren dus door de kerkelijke overheid vastgelegde normen die de wereldlijke overheid aanvaardde. Over de uitvoering sprak zij echter wel een woordje mee wanneer deze te wensen overliet. [20]
Ook de rechtspraak betreffende de huwelijkssluiting eiste de Kerk met succes voor zich alleen op. Deze zaken werden door de kerkelijke rechter berecht alhoewel in sommige gevallen ook wereldlijke rechters optraden bij de berechting van huwelijkszaken.
Het terugdringen van het wereldlijke door het geestelijke recht betekende niet dat het gehele recht omtrent de huwelijkssluiting veranderde. Integendeel! Het wereldlijk recht is gedurende eeuwen door de Kerk beïnvloed geweest terwijl het Kanonieke recht beïnvloed werd door de Germaanse rechtsgewoonten.[21] Wereldlijke en geestelijk recht waren dus naar elkaar toegegroeid. Dit maakte de vervanging van het eerste door het laatste veel gemakkelijker.[22]
5.3.Het huwelijk
Voor de Kerk waren maagdelijkheid en celibaat het hoogste streven. Het huwelijk werd eigenlijk als een afdwaling van het doel aanzien. Alles wat met seksualiteit te maken had werd weggemoffeld en daarmee dus ook het huwelijk. Het bestaansrecht van het huwelijk steunde op vier principes: kinderen verwekken, elkaar steunen in goede en slechte dagen, onkuisheid voorkomen en de genotsdrang bevredigen.[23]
Het huwelijk was voor de Kerk hoofdzakelijk een middel ter beteugeling van de vleselijke lusten. Konden deze lusten niet bedwongen worden dan was het een kerkelijke zorg dat de beleving van die lusten zoveel mogelijk beperkt bleven tot één partner.[24] Het verwekken van nageslacht was het enige gerechtvaardigde doel van het huwelijk.[25]
De menselijke seksualiteit werd dus aan banden gelegd. In sommige gevallen werden er banvloeken uitgesproken over bepaalde vormen van seksueel verkeer tussen gehuwde personen.[26] Het sleutelwoord hierbij was pollutio: verontreiniging. Wie zich met ongeoorloofde seksualiteit bezighield, liep het gevaar om verontreinigd te worden. Deze verontreiniging werd zichtbaar in het nageslacht. Zowel een incestueus huwelijk of op een verboden tijdstip, zoals zon- en feestdagen of in de vastentijd konden kinderen voortbrengen die te zeer bezoedeld waren. Wanneer mocht men dan seksuele gemeenschap hebben? Het kerkelijk recht legde heel wat verbodsbepalingen op met betrekking tot de vraag met wie en wanneer men gemeenschap mocht hebben. De vrouw met wie men wilde slapen mocht niet menstrueren, niet zwanger zijn en geen kind zogen. Het mocht ook geen vastentijd zijn, geen advent, Kerstmis, Pasen, Pinksteren, zondag of een feestdag van een heilige. Deze algemene regel kon wel doorbroken worden door dispensaties die toegestaan werden door het bisdom, bijvoorbeeld in gevallen wanneer de bruid hoogzwanger was.[27] Deze huwelijken moesten dan wel in alle stilte, zonder feestelijkheden plaatsvinden.[28] Het doel van geslachtsgemeenschap moest zijn om een kind te verwekken en alleen de missionarishouding waarbij de vrouw op de rug ligt was geoorloofd.[29] Maar niet alle christelijke spiritualiteit was doordrongen van afwijzing van de lichamelijke liefde. Vooral vrouwelijke mystici zoals Hadewijch en Hildegard van Bingen maakten van de liefde tussen man en vrouw een symbool van de innige vereniging van de menselijke ziel met Christus.[30]
Een tweede reden waarom de Kerk toezicht over het huwelijk wou was omdat ze zich vooral bekommerde om haar eigen materiële bestaanszekerheid. De geringe rol van de familie bij de huwelijkssluiting kon een patrimonium loswerken uit een groter geheel. De onontbindbaarheid van een huwelijk kon betekenen dat het bezit aan de Kerk zou geschonken worden. Op deze manier kon de Kerk zich verrijken.[31]
Volgens de Kerk had het huwelijk in de late middeleeuwen vier constitutieve elementen. Het huwelijk was een sacrament, het huwelijk was een contract, het huwelijk vereiste een consensus, namelijk een wederzijdse instemming en ten slotte was er nog de copula carnalis: de geslachtsgemeenschap.[32]
5.3.1.Het huwelijk was een sacrament
Vanaf de 12de eeuw kreeg de christelijke leer inzake huwelijk een vaste vorm en werd het huwelijk door de Kerk tot een sacrament of een heilige instelling verheven.[33]
Wat is een sacrament eigenlijk? Het Nieuw Testament leert ons dat een sacrament een “uitwendig teken is, door Christus’ instelling bestendigt, om de heiligheid of genade te verwezenlijken die het beduidt.” Dat die instelling alleen aan Christus toe te schrijven is neemt niet weg dat de Kerk ook de sacramentale elementen kan bepalen en dit zelfs als het moet met bindend leer- en tuchtgezag.[34]
Het huwelijk had een sacramenteel karakter gekregen om twee redenen. Ten eerste was de liefde tussen de man en de vrouw het symbool van de gemeenschap tussen God en de menselijke ziel. Ten tweede vertegenwoordigde de lichamelijke band tussen de echtgenoten de verbinding tussen Christus en de Kerk.[35] Als afspiegeling van dit eeuwigdurende verbond erfde het huwelijk dezelfde eigenschappen en werd onontbindbaar. Enkel de dood van een partner beëindigde deze verbintenis.[36] Zoals Mattheus zegt: “Zij zijn dus geen twee meer, maar één vlees. Wat dus God verenigd heeft dat scheide geen mens.”[37]
Toen de Kerk dit dogma aanvaard had betekende dit dat het sacrament aanwezig was van zodra de twee partijen verklaarden dat ze elkaar als man en vrouw namen. Door het feit dat zij een huwelijk sloten trokken zij zelf de goddelijke genade aan en niet de priester zoals het geval was bij de andere sacramenten. Tevens waren zij ook de ontvangers van het sacrament.[38]
5.3.2.Het huwelijk was een contract
Tijdens de late middeleeuwen was het huwelijk een persoonlijk contract dat tussen twee individuen gesloten werd. De zege van de Kerk werd meestal gevraagd maar het huwelijk was niet ongeldig bij afwezigheid hiervan.[39]
We zien dat hier het Romeinse erfgoed nog doorwerkt. Dit zorgde er voor dat het contractuele voor discussie zorgde naargelang de nadruk werd gelegd op het contract los van het sacrament ofwel op het contract als onderdeel van het sacrament.[40]
5.3.3.Het huwelijk vereiste een consensus, een wederzijdse instemming
In aansluiting van het Romeinse recht, kwam het huwelijk tijdens de late middeleeuwen enkel tot stand door de wederzijdse toestemming van man en vrouw. Dit kwam neer op een overdraging en aanvaarding van het recht op elkaars lichaam. Het moet wel gezegd worden dat die huwelijksovereenkomst een tweezijdige overeenkomst is. Er was toestemming van de twee rechtsbekwame partijen nodig.